Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201919637 nr. 2446

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 2446 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 november 2018

Door middel van deze brief informeer ik uw Kamer over de ontwikkelingen met betrekking tot maatregelen ten aanzien van overlastgevende asielzoekers en de Extra Begeleiding- en Toezichtlocaties (EBTL). Ten aanzien van de EBTL is dit conform mijn toezegging om uw Kamer in het najaar van 2018 te informeren, als er meer ervaring met deze nieuwe vorm van opvang is opgedaan.1 In het algemeen overleg van 12 september 2018 (Kamerstuk 19 637, nr. 2422) heb ik toegezegd u te informeren vóór de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid en daarbij specifiek in te gaan op de vier punten waar het lid Azmani aandacht voor vroeg, te weten gedwongen vervoer naar de EBTL, het belang van dossieropbouw bij overlast, het direct kunnen opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel en het toepassen van sancties tegen ernstige misdragingen t.o.v. overheidspersoneel.

Maar eerst ga ik naar aanleiding van de regeling van werkzaamheden van 7 november jl. (Handelingen II 2018/19, nr. 20, item 11), en in aanvulling op de beantwoording van Kamervragen2, nader in op de algemene aanpak van overlastgevende asielzoekers.

Vanuit verschillende gemeenten ontving ik afgelopen weken signalen van overlast door asielzoekers, waaronder Westerwolde, Budel, Rotterdam, Kampen en Dronten. Zoals eerder aangegeven vind ik deze overlast, die wordt veroorzaakt door een beperkte groep asielzoekers, volstrekt onacceptabel. Dit geldt voor overlastgevend gedrag op de COA-locaties, maar uiteraard ook daarbuiten. Het gaat dan onder meer om overlast in het openbaar vervoer en het plegen van winkeldiefstal.

Naast dat deze overlast onwenselijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, zorgt het ook voor een grote belasting van de medewerkers van betrokken uitvoeringsinstanties, die alles op alles zetten om overlastgevers aan te pakken.

In mijn brief van 8 juni jl. ben ik ingegaan op het palet aan maatregelen dat beschikbaar is om de overlastgevers lik op stuk te geven.3 Het gaat onder meer om de invoering van snellere procedures voor evident kansarme asielaanvragen, de opening van twee EBTL’s en het eerder in vreemdelingenbewaring stellen van overlastgevers. Ook heeft het COA het maatregelenbeleid aangescherpt waardoor er nadrukkelijker aandacht is voor het verbod op onaanvaardbaar gedrag en de sancties die hierop staan. Ook is er nadrukkelijk aandacht voor het uitgangspunt van het doen van aangifte in geval van incidenten. Daarnaast is ingezet op de intensivering van lokaal casusoverleg tussen de migratieketen, politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten. Hierin worden individuele overlastgevers en groepen besproken en kunnen gericht maatregelen worden genomen, zoals het uit elkaar halen van groepen, het opleggen van gebiedsgeboden en een dagelijkse meldplicht.

Voor een effectieve inzet van deze maatregelen is het van belang om te realiseren dat de mate waarin overlast voorkomt fluctueert, en de aard en achtergrond van de overlast verschilt. Dit vraagt dan ook om een intensieve lokaal gecoördineerde casusgerichte aanpak waarbij de betrokken partijen gezamenlijk bezien welke maatregelen moeten worden ingezet – op zowel strafrechtelijk, bestuursrechtelijk en vreemdelingrechtelijk terrein – om de overlastgevers adequaat aan te pakken. Het is hierbij relevant dat de betrokken partijen uit de lokale driehoek en de lokale structuren vanuit de migratieketen (Lokaal Terugkeer Overleg) gezamenlijk in beeld hebben wie de overlast veroorzaken, en er relevante informatie tussen de ketenpartners wordt gedeeld, zodat adequate dossieropbouw plaatsvindt en gerichte maatregelen kunnen worden getroffen.

De afgelopen periode is duidelijk geworden dat er op een aantal locaties positieve effecten zichtbaar zijn van deze aanpak, maar dat tegelijkertijd op andere locaties de overlast blijft of zelfs toeneemt. Daarom is het belangrijk om in geval van lokale problematiek gezamenlijk te bezien of de maatregelen die beschikbaar zijn optimaal worden ingezet of dat extra inzet geboden is. Zo is naar aanleiding van overlast in Rotterdam tijdelijk de beveiliging op het azc opgehoogd en heeft de IND de asielaanvragen van een aantal voorgedragen overlastgevers die op het azc in Rotterdam verbleven versneld afgedaan. Een ander voorbeeld is de pilot in de regio Ter Apel waarbij in gevallen waarin de verdachte niet in voorlopige hechtenis kan, door het OM een taakstraf kan worden opgelegd die zichtbaar op de COA-locatie wordt uitgevoerd.

Een situatie die voorts om extra aandacht vraagt is de groeiende overlast door een groep asielzoekers in het openbaar vervoer, onder meer in de regio Ter Apel. Ik betreur de signalen dat medereizigers zich door deze overlast niet veilig voelen. De situatie daar is dermate ernstig dat medewerkers op de lijn Emmen–Zwolle steeds vaker overlastgevende asielzoekers moeten weren en dat buschauffeurs zelfs overwegen om de haltes rond het aanmeldcentrum in Ter Apel niet meer aan te doen. Met de betrokken partijen, waaronder de vervoersbedrijven en het lokaal bestuur, ben ik van mening dat dit niet aanvaardbaar is. Mijn ministerie is met hen in overleg getreden om gezamenlijk tot oplossingen te komen.

Daarbij kan ik melden dat Arriva samen met Qbuzz (de twee betrokken vervoerspartijen in de regio Ter Apel) het initiatief heeft genomen voor een pilot van 6 maanden die erop is gericht om samen met de politie en betrokken overheden, waaronder het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de migratieketen, invulling te gaan geven aan een persoonsgerichte aanpak van de overlastgevers in het openbaar vervoer. Deze pilot zal naar verwachting bijdragen aan het oplossen van de problematiek op de treinlijn Emmen–Zwolle alsmede in de omgeving van Ter Apel. Uiteraard zullen we bezien of we de ervaringen uit deze pilot ook elders kunnen benutten.

Een ander punt van zorg zijn signalen over winkeliers die veelvuldig te maken hebben met diefstal door bewoners van het lokale azc. Zoals ik ook in mijn brief van 8 juni jl. heb aangegeven loopt in geval van criminele gedragingen, zoals bij winkeldiefstal, de aanpak primair via het strafrecht. Hiertoe is het van belang dat er aangifte wordt gedaan bij de politie door slachtoffers en er opvolging wordt gegeven door de politie en het Openbaar Ministerie. Daarnaast is het ook belangrijk dat de getroffen winkeliers zo optimaal mogelijk gebruik kunnen maken van bestaande compensatieregelingen, zoals via de Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling (SODA). Winkeliers kunnen via deze organisatie een claim indienen voor de indirecte schade die door de diefstal is ontstaan, die vervolgens getracht wordt te verhalen op de dief. Om dit ook daadwerkelijk te kunnen verhalen is onder meer persoonsgerichte informatie nodig over de daders. Momenteel zijn SODA en COA in gesprek over op welke manier het COA hier ondersteuning bij kan bieden, op basis waarvan werkafspraken gemaakt zullen worden. Daarbij is mijn uitgangspunt dat de mogelijkheden die winkeliers hebben om schade te verhalen op ingezetenen van Nederland ook toepasbaar moeten zijn bij asielzoekers.

Ontwikkelingen EBTL

Zoals bekend zijn eind 2017 twee EBTL’s in gebruik genomen in respectievelijk Amsterdam en Hoogeveen. De afspraken tussen COA en deze gemeenten hierover lopen tot uiterlijk 31 oktober 2019, respectievelijk tot 1 februari 2020. De ingebruikname van de EBTL’s is een van de maatregelen die is ingezet om overlastgevers aan te pakken.4 Omdat dit een nieuwe opvangvorm is, is gekozen voor een geleidelijke opbouw om zo van ervaringen te leren en zo nodig bij te kunnen sturen.5 Doel van de EBTL is om enerzijds aan te geven dat overlastgevend gedrag niet wordt getolereerd en in te zetten op gedragsverandering. Anderzijds wordt door het overplaatsen van overlastgevers naar een aparte locatie de veiligheid en het welzijn van bewoners en personeel van de andere asielzoekerscentra bevorderd.

Het WODC is inmiddels de voorbereiding gestart van een breed evaluatie-onderzoek dat naar verwachting na de zomer van 2019 zal worden opgeleverd. Hierbij wordt aandacht besteed aan alle in deze brief genoemde onderwerpen. De resultaten van dit evaluatieonderzoek zullen input vormen voor mijn besluit of de EBTL na de periode van circa twee jaar zal worden gecontinueerd. Daarnaast doet de Inspectie Justitie en Veiligheid onderzoek naar een overlijdensgeval in de EBTL Hoogeveen. Ik verwacht aan het begin van volgend jaar de rapportage tezamen met mijn reactie daarop aan uw Kamer te kunnen aanbieden.

Doelgroep

De plaatsing in de EBTL is een maatregel die is opgenomen in het Reglement Onthouden Verstrekkingen (hierna: ROV-maatregelenbeleid) van het COA. Voor plaatsing in de EBTL komen overlastgevende asielzoekers in aanmerking. Contra-indicaties voor plaatsing in de EBTL zijn onder andere dat betrokkene op korte termijn zelfstandig vertrekt, kan worden uitgezet of in vreemdelingenbewaring gesteld, of in een instelling kan worden opgenomen vanwege ernstige psychische of psychiatrische problematiek. Daarnaast gaan passende strafrechtelijke mogelijkheden altijd voor op maatregelen uit het ROV-maatregelenbeleid.

In mijn brief van 8 juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd dat overlastgevende alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) van 16 jaar en ouder in de EBTL geplaatst kunnen worden. Ik ben hierover in overleg met de betrokken gemeenten. Daarnaast heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gesprekken die COA, DJI en Nidos met elkaar voeren om te bezien welke stappen er gezamenlijk nog meer gezet kunnen worden om amv’s die op opvanglocaties en/of in de omgeving van die locatie overlast veroorzaken, aan te pakken. Uit de gesprekken blijkt dat voor een aanzienlijk deel van de amv’s met overlastgevend gedrag al een passend aanbod bestaat. Zo is gebleken dat voor enkele amv’s een plaatsing in een gesloten setting (JeugdzorgPlus) aangewezen is. Voor de groep amv’s waar bestaande maatregelen niet passen, maar waar wel ingegrepen moet worden gezien hun grens overschrijdend gedrag in de opvang en omgeving, is gespecialiseerde opvang en begeleiding nodig. Om hier in te kunnen voorzien komt er een pilot waar Nidos, in afstemming met het COA, deze pupillen in een aangepaste setting met een maximum van 12 plaatsen zal opvangen en begeleiden om te kunnen werken aan onder andere gedrag en het toekomstperspectief binnen of buiten Nederland. Opvang van deze jongeren zal plaatsvinden in nauwe samenwerking met contractpartners van Nidos met een Jeugdzorg+ aanbod. De pilot duurt vooralsnog een jaar, waarbij een evaluatie zal plaatsvinden naar het functioneren.

Zoals aangekondigd in mijn brief van 8 juni jl. wordt sinds medio dit jaar sneller overgegaan tot plaatsing in de EBTL. Dit heeft geleid tot een verhoging van het aantal overlastgevers dat is geplaatst in de EBTL en tot een stijging van de bezetting. Zo bedroeg het aantal aankomsten in de EBTL in februari ruim 10 en in augustus bijna 30. In totaal zijn 150 personen6 ingestroomd in de EBTL tot en met september. De bezetting in de twee EBTL’s nam dan ook toe van 20 per eind februari tot 40 per eind september. Circa de helft van de overlastgevers die zijn ingestroomd in de EBTL, zijn Dublinclaimanten afkomstig uit een van de Noord-Afrikaanse landen (Algerije, Egypte, Libië, Marokko, Tunesië). Ik heb de migratieketen daarom ook gevraagd de mogelijkheden te bezien om de behandeling van Dublinclaimanten te versnellen. Dat de bezetting lager is dan de maximale bezetting, past in de beoogde beheerste opbouw.

Proces van plaatsing

Overlastgevend gedrag dat wordt veroorzaakt door een kleine groep bewoners van de azc’s vraagt om een harde aanpak. Wanneer het gaat om overtreding van de huisregels met zeer grote (schadelijke) gevolgen voor medebewoners, personeel of directe omgeving of om herhaaldelijke overlast, zal het COA steeds overwegen of plaatsing in de EBTL mogelijk is. Het COA neemt een gemotiveerd besluit tot overplaatsing, na afstemming met IND, politie (AVIM) en DT&V. Vervolgens legt een medewerker van de IND, DT&V of AVIM (afhankelijk van de fase van de asielprocedure) de vrijheidsbeperkende maatregel (ofwel gebiedsgebod) ex artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 op, op basis van de input van het COA over het overlastgevende gedrag van de vreemdeling. Voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel wordt de vreemdeling (telefonisch) gehoord. De verklaring van de vreemdeling en de motivering van het COA-besluit tot overplaatsing worden betrokken in de motivering van de vrijheidsbeperkende maatregel.

De basis voor een plaatsing op de EBTL is gelegen in overlast op en rondom de COA-locaties. Zoals ik hiervoor echter heb aangegeven, vindt de overlast niet alleen plaats op de COA-locaties, maar ook verder daarbuiten, bijvoorbeeld in het centrum van een nabij gelegen plaats of in het openbaar vervoer. Primair betreft dit een openbare orde vraagstuk, waarbij het aan de politie en het Openbaar Ministerie is om, daar waar een strafrechtelijke aanpak aan de orde is, opvolging te geven. Ik vind het daarnaast meer dan gerechtvaardigd dat dergelijke misdragingen ook kunnen leiden tot een overplaatsing naar de EBTL. Dit met het oog op de veiligheid en beheersbaarheid van de omgeving als ook de locatie. Ik heb de ketenpartners dan ook verzocht om in gezamenlijkheid met het lokaal veiligheidsoverleg te bezien of hier uitvoering aan kan worden gegeven, te beginnen in de gemeenten waar nu de meeste overlast wordt ervaren. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is adequate informatiedeling tussen de betrokken ketenpartners. Ik vind het van belang om voorts nogmaals te benadrukken dat in dergelijke gevallen een EBTL-plaatsing niet in de plaats komt van aangifte en strafrechtelijke vervolging als daar aanleiding toe is. Voorop staat immers dat wanneer overlastgevend gedrag over gaat in crimineel gedrag de aanpak primair via het strafrecht verloopt.

In de afgelopen maanden is het proces rondom het opleggen van zowel de EBTL-maatregel als de vrijheidsbeperkende maatregel verbeterd en zijn de werkafspraken aangescherpt. Als gevolg hiervan wordt het proces sneller doorlopen. Ook is veel aandacht besteed aan de registratie van incidenten en correcte dossieropbouw. Het lid Azmani wees al op het belang hiervan. Alle medewerkers van de keten, en van het COA in het bijzonder, zijn gewezen op het belang van het doen van aangifte bij bedreigingen en andere strafbare feiten. En ik heb verzocht om hier onverkort aandacht voor te houden. Deugdelijke dossieropbouw is immers zowel ten behoeve van het opleggen van de EBTL-maatregel, als met betrekking tot het kunnen treffen van andere, en verdergaande maatregelen tegen overlastgevers noodzakelijk. Ik streef er bovendien naar dat er optimaal gebruik gemaakt wordt van de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de aanpak van geweld tegen medewerkers met een publieke taak, waaronder de toepassing van snelrecht.

Overlastgevend gedrag vindt regelmatig in de avonduren plaats. Het lid Azmani gaf in overweging of het mogelijk is om direct een gebiedsgebod op te kunnen leggen en hier een piketdienst voor in te richten. Het uitgangspunt is dat voorafgaand aan het vervoer naar de EBTL een vrijheidsbeperkende maatregel op basis van de Vreemdelingenwet 2000 (artikel 56 Vw) wordt opgelegd. De zorgvuldigheid waarmee het nemen van het besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel is omgeven, wringt soms met de wens om snel tot overplaatsing over te gaan (in het kader van lik-op-stukbeleid), ook buiten de reguliere kantooruren. In circa 10 gevallen is de betrokken vreemdeling direct geplaatst in de EBTL en vond het opleggen van de maatregel zo spoedig mogelijk na overplaatsing naar de EBTL plaats. Op dit moment wordt onderzocht hoe we het best op het genoemde dilemma in kunnen spelen, waarbij alle partijen optimaal gebruik moeten maken van de mogelijkheden die het vreemdelingenrecht en het strafrecht bieden. De suggestie van het lid Azmani wordt daarbij betrokken.

Vervoer

Er is geen wettelijke grondslag voor een verplichting om van het aangeboden vervoer naar de EBTL gebruik te maken. Het lid Azmani vroeg hiernaar. De opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel is een stok achter de deur om daar wel gebruik van te maken. Vanaf het moment van de oplegging is de overlastgever immers gehouden zich in het in de maatregel aangewezen gebied op te houden. Om hem daartoe in staat te stellen wordt dit vervoer aangeboden en betrokkene dringend geadviseerd daar gebruik van te maken. Wanneer hij niet op tijd op de EBTL is, overtreedt hij de vrijheidsbeperkende maatregel en dit levert een strafbaar feit op grond van artikel 108 Vw op. Overtreding van de vrijheidsbeperkende maatregel wijst tevens op een onttrekkingsrisico en kan derhalve worden meegenomen bij de afweging om een overlastgever in vreemdelingenbewaring te stellen.

Programma in de EBTL

Het regime in de EBTL is sober en streng en gebaseerd op begrenzen en begeleiden, de voorzieningen die worden geboden zijn zeer basaal. Elke bewoner van de EBTL heeft een mentor en een persoonlijk begeleidings- en signaleringsplan. Er is een strakke dagindeling met ruimte voor trainingen gericht op gedragsverbetering, inclusief sportactiviteiten. Bewoners moeten zich twee keer per dag melden en op een beperkt aantal uren per dag mogen zij naar buiten, waarbij zij zich niet mogen begeven buiten het vastgestelde gebied. Dit gebied is in samenspraak met de betreffende gemeente vastgesteld. Zij moeten laten zien wat zij meenemen als zij de EBTL verlaten en weer binnenkomen. Het COA heeft niet de bevoegdheid om de bewoners te verhinderen naar buiten te gaan.

Het COA maakt gebruik van diverse methoden gericht op gedragsverbetering, die door bijvoorbeeld de reclassering of DJI ook worden gebruikt. Hierbij is aandacht voor bewustwording van de eigen problematiek en de gevolgen daarvan, het aanbieden en aanleren van handelingsperspectieven (of gedragsalternatieven) en het oefenen daarvan. Het personeel dat in de EBTL wordt ingezet, is voor een belangrijk deel afkomstig van DJI. Zo nodig wordt bovendien extra beveiligingspersoneel ingezet om de orde te handhaven. Tijdens de pilotfase wordt de aanpak op de twee locaties regelmatig geëvalueerd en zo nodig aangepast om beter in te kunnen spelen op de specifieke kenmerken van de doelgroep.

Ervaringen van het personeel van de EBTL en de politie duiden erop dat de problematiek van de EBTL-bewoners zwaarder is dan van te voren werd verwacht. Vaak is er sprake van meervoudige problematiek, zoals verslavingsproblemen in combinatie met gedragsproblematiek en psychische problemen. Daarbij is er ook sprake van (kleine) criminaliteit. Uit deze combinatie van problematieken komen veelvuldig incidenten op de locaties voor, waarbij de agressie en het geweld van de bewoners zich ook kan richten op medewerkers en bewoners en er relatief veel politie-inzet op de locaties noodzakelijk is. De gevolgen van het feit dat de doelgroep zwaarder is dan van tevoren werd ingeschat is van invloed op de noodzakelijke personeelsbezetting en heeft impact op het betrokken personeel.

Daarnaast is de verwachting dat de hiervoor aangekondigde verruimingen van de plaatsingsmogelijkheden en de doelgroep de bezetting in de EBTL’s doen stijgen.

Dit is onderwerp van gesprek met het COA en DJI, maar wij gaan ook met de gemeenten Amsterdam en Hoogeveen in gesprek over de benodigde randvoorwaarden die nodig zijn om hier op een verantwoorde wijze invulling aan te geven.

Slechts een beperkt aantal overlastgevers heeft alle fases van het programma doorlopen, maar met diegenen die dit wel hebben doorlopen worden goede resultaten geboekt. In 30 gevallen (tot en met september) is de EBTL-bewoner teruggeplaatst naar een azc, vrijheidsbeperkende locatie of gezinslocatie. EBTL-bewoners die worden teruggeplaatst naar een andere opvangvorm, worden vanuit de EBTL nog enige tijd gevolgd en er vindt een warme overdracht plaats aan het azc-personeel.

Locatiemanagers van het COA geven aan dat het opleggen van EBTL-maatregelen door personeel en medebewoners wordt gezien als een duidelijk signaal dat onaanvaardbaar gedrag niet geaccepteerd wordt en dat overplaatsing van overlastgevers naar de EBTL (gedurende korte of langere tijd) bijdraagt aan een rustiger sfeer op het azc met minder incidenten.

Handhaving openbare orde/handhaving art. 56 Vw

Als een EBTL-bewoner overlast blijft geven of zich niet houdt aan de vrijheidsbeperkende maatregel, dan wordt door de betrokken partijen, inclusief het lokale gezag, bezien welke verdere maatregelen mogelijk zijn. Het handhaven van de openbare orde is de primaire taak van de politie, waarbij goede afspraken met het lokaal gezag en tussen basispolitiezorg en AVIM noodzakelijk zijn. Ik heb AVIM verzocht om hier samen met de betrokken partijen scherp op te zijn.

Overtreding van de vrijheidsbeperkende maatregel door een EBTL-bewoner kan, bijvoorbeeld in combinatie met ernstige verstoring van de openbare orde (of een stapeling van kleinere overtredingen) aanleiding zijn om tot inbewaringstelling over te gaan. Uit dit gedrag valt namelijk een onttrekkingsrisico af te leiden. In alle gevallen moet voldaan worden aan de eisen die gesteld worden aan het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Vooral voor het in bewaring stellen van asielzoekers die nog in procedure zijn, gelden strikte voorwaarden die voortvloeien uit Europese regelgeving.

Vanuit de insteek om verbinding te leggen met plekken waar relatief veel lokale signalen van overlast zijn heb ik in de afgelopen periode extra aandacht besteed aan het bevorderen van de samenwerking tussen de migratieketen en de lokale driehoek rond de EBTL’s, maar ook rond andere opvanglocaties waar overlast door asielzoekers wordt ervaren. Dit begint vruchten af te werpen. Enkele EBTL-bewoners zijn in de afgelopen maanden aangehouden op grond van een strafbaar feit. In Amsterdam is enkele keren snelrecht toegepast. Ik streef ernaar dat dit ook elders navolging krijgt. Met bestuurders van de gemeenten Amsterdam en Hoogeveen ben ik in gesprek over de ervaringen die zij tot nu toe met de EBTL hebben opgedaan en over de knelpunten die zij ervaren en de verbetermogelijkheden die zij zien in de samenwerking.

Afhandeling procedures en vertrek uit EBTL

Ten aanzien van de lopende procedures en mogelijke terugkeer van de EBTL-bewoners wordt maatwerk toegepast. Asielprocedures van EBTL-bewoners met een geringe kans op een verblijfsvergunning worden geprioriteerd. De DT&V zet in op zo snel mogelijk vertrek na afwijzing van de asielaanvraag en maakt indien mogelijk gebruik van de mogelijkheid om vreemdelingbewaring in te zetten ten einde het vertrek te kunnen realiseren.

Tot en met september zijn 100 EBTL-bewoners vertrokken uit de opvang. Het grootste deel daarvan (80) is sindsdien met onbekende bestemming vertrokken. In totaal zijn 20 personen gecontroleerd vertrokken, waarvan 15 gedwongen en 5 zelfstandig. In enkele gevallen is de asielaanvraag van een EBTL-bewoner ingewilligd.

Vaak vertrekken EBTL-bewoners, net als azc-bewoners, met onbekende bestemming rond het moment dat een afwijzende beschikking wordt uitgereikt. Wanneer de vreemdeling tijdens de procedure met onbekende bestemming vertrekt, wordt de aanvraag waar mogelijk buiten behandeling gesteld en wanneer hij of zij weer in beeld komt, wordt onderzocht of inbewaringstelling en vertrek aan de orde zijn of dat aan de vreemdeling opnieuw een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd.

In deze brief ben ik ingegaan op de aanpak van overlastgevende asielzoekers en heb ik een eerste beeld geschetst over de gang van zaken rond de EBTL-pilot. Ik blijf de ontwikkelingen met betrekking tot de aanpak van overlastgevers en de EBTL nauwlettend volgen. Een aantal maatregelen heeft tijd nodig om blijvend effect te sorteren. Waar nodig zal ik aanpassingen doorvoeren en afspraken aanscherpen. Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. heb aangegeven zal ik daarbij verdergaande maatregelen niet schuwen.

Alle ontwikkelingen en knelpunten rond de EBTL die in deze brief staan vermeld komen ook in de evaluatie van het WODC aan de orde. Deze evaluatie zal ik uw Kamer, voorzien van mijn reactie, in het najaar van 2019 toesturen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, M.G.J. Harbers


X Noot
1

Kamerstukken 19 637 en 33 042, nr. 2391.

X Noot
2

Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nrs. 627 en 617.

X Noot
3

Kamerstukken 19 637 en 33 042, nr. 2391.

X Noot
4

Kamerstukken 19 637 en 33 042, nr. 2391.

X Noot
5

Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 3200.

X Noot
6

Aantallen in deze nota zijn afgerond volgens de vaste afrondingsregels van de Rapportage Vreemdelingenketen.