20 Verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten

Verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten

Aan de orde is de behandeling van:

  • -het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met het verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten (36036).

De voorzitter:

Dan is aan de orde de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met het verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten (36036). Er hebben zich maar liefst negen sprekers van de zijde van de Kamer gemeld. Ik kijk even rond en ik zie dat vrijwel alle woordvoerders aanwezig zijn, dus ik wil voorstellen met het debat te beginnen, als u ook zover bent. Ik zie dat dat het geval is.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan mevrouw Mutluer voor haar inbreng in de eerste termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Voor het spoorboekje zou mijn voornemen eigenlijk zijn om zo veel mogelijk van de inbreng van de Kamer in de eerste termijn voor de dinerschorsing te laten plaatsvinden. Het moet haalbaar blijven, maar laten we kijken of we een heel eind komen voor de dinerschorsing. Het woord is aan mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Wie ooit heeft meegemaakt dat zijn fiets is gestolen of wie ooit na een inbraak dierbare spullen kwijt is geraakt, wil eigenlijk maar twee dingen, namelijk dat de daders worden gepakt en dat de spullen terugkeren naar de rechtmatige eigenaar. Dat raakt aan een heel basaal rechtvaardigheidsgevoel. Helaas gebeurt dat zelden. Ik vind het daarom erg goed dat de minister van Justitie en Veiligheid initiatieven neemt om deze criminele markt aan te pakken. Maar doe het dan wel goed, zeg ik daarbij.

De Kamer heeft een wetenschapstoets laten uitvoeren over dit wetsvoorstel. In dat kader dank ik professor Antoinette Verhage en professor Van Wingerde hartelijk voor hun werk. Dat geldt eveneens voor onze ondersteuning, de rapporteurs vanuit de commissiegriffie, de kenniscoördinatoren en Bureau Wetgeving. De uitkomsten van die wetenschapstoets, waarin ook wordt teruggegrepen op eerder onderzoek, waaronder Focus op heling, geven namelijk te denken. Ten eerste laat internationaal onderzoek naar de markt van gestolen goederen zien dat heling via handelaren in tweedehands goederen al sinds 2012 afneemt.

Ten tweede raakt dit wetsvoorstel, als we afgaan op geregistreerde helingzaken tussen 2011 en 2015, slechts een beperkt deel van de totale helingmarkt. Ten derde vinden de meeste helinggevallen plaats op de openbare weg, online of in het privédomein. Dat roept wezenlijk de vraag op welke gevolgen de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen hebben voor het overgrote deel van de helingpraktijk. Dat gaat om de klassieke situatie waarin spullen spreekwoordelijk van de vrachtwagen zijn gevallen en rond cafés, op straat, of vanuit een kofferbak illegaal van eigenaar wisselen. In hoeverre zullen helers in dit soort situaties hierdoor daadwerkelijk worden afgeschrikt? Is het bekend of helers alternatieve verkoopkanalen zullen gebruiken zodra deze route moeilijker wordt gemaakt? En zo ja, is het bekend welke kanalen dit zijn? Ik wil graag een reactie van de minister hierop.

Voorzitter. Tot nu toe is er natuurlijk niet stilgezeten, want veel van de voorgestelde maatregelen worden in sommige gemeenten al toegepast. Dat weten we. In diverse gemeenten geldt al een registratieplicht voor opkopers en handelaren in tweedehands goederen, evenals de verplichting om een administratie van ingekochte goederen bij te houden. Je zou dus kunnen zeggen dat een nulmeting niet heel bijzonder en ingewikkeld hoeft te zijn. Een uitvraag bij deze gemeenten zal al veel inzicht kunnen geven. Ik lees daar eigenlijk heel weinig over. Hoe kan dat?

In de door de Kamer gevraagde uitvoeringstoets, opgenomen in de brief van voormalig minister Yeşilgöz van 14 december 2022, werden al heel veel cijfers opgesomd. Juist wat betreft de veronderstelde effecten van dit wetsvoorstel, dus het opsporen van daders en het terugbrengen van goederen naar de rechtmatige eigenaar, vind ik het nog heel erg gaan over hele vage aannames. Zo lees ik dat slachtoffers een grotere kans hebben om hun goederen terug te krijgen naarmate er meer aangifte wordt gedaan en dat de pakkans toeneemt naarmate er meer informatie over de ontvreemde goederen in Stop Heling wordt opgenomen. Statistisch gezien zal dat ongetwijfeld kloppen, maar ik lees nog geen hele concrete en op feiten en cijfers gebaseerde onderbouwing van de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Dat zijn dus nota bene maatregelen die ook in bepaalde gemeenten worden toegepast. Ik wil graag een reactie van de minister daarop. Ook ontvang ik graag een uiteenzetting van de ervaringen tot nu toe met deze maatregelen en van de effecten ervan op de lokale bestrijding van de vermogenscriminaliteit.

Dan wil ik het hebben over de verhouding tot de privacywetgeving. Wij hebben gisteren een nogal alarmerende brief ontvangen van de Autoriteit Persoonsgegevens over dit wetsvoorstel, met daarbij het eerder uitgebrachte advies. Wat zegt de Autoriteit Persoonsgegevens? Die zegt dat het een wetsvoorstel is met substantiële impact op de bescherming van persoonsgegevens. "Een situatie waarin met een aantal belangrijke adviezen weinig tot niets is gedaan, gesignaleerde risico's die niet zijn weggenomen, geen dragende onderbouwing van proportionaliteit, twijfels over de noodzaak en zelfs onderdelen van onrechtmatige wetgeving die mogelijk niet voldoen aan het EU-Handvest." Ik vind dat nogal wat. De AP is in haar eigen woorden "bezorgd". Ik vind dat een beetje een understatement. Hoe kijkt de minister naar deze fundamentele kritiek? Hoe onderbouwt hij de proportionaliteit van de maatregel waarbij opkopers zich digitaal moeten registreren in een centrale database? Hoe worden privacyschendingen dan concreet voorkomen?

Voorzitter. Dan wil ik nog iets zeggen over de concrete en de praktische kant. De maatregelen raken namelijk ook de legale branches, zoals de autohandel, metaalbewerkers en met name kringloopwinkels. Het zal u uiteraard niet verrassen dat onze fractie het hergebruik van goederen stimuleert. Juist daarom kijken wij kritisch naar een voorstel dat om aanzienlijke administratieve investeringen vraagt. Ik kan op dit moment echt niet goed beoordelen of deze proportioneel zijn. Ik wil stilstaan bij de kringloopwinkels. Mijn fractie heeft niet de indruk dat kringloopwinkels de plekken zijn waar grootschalig goederen worden geheeld. Integendeel, want vaak gaat het om organisaties die grotendeels gedragen worden door vrijwilligers en spullen een tweede leven geven. Het gaat om het kansen bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Opbrengsten worden vaak besteed aan hele goede doelen. In veel steden draaien dagbesteding, vervoer van en naar het ziekenhuis en andere maatschappelijke voorzieningen mede op vrijwilligers en mede op inkomsten uit de kringloopwinkels. Kortom, het gaat hier om voorzieningen en sociale structuren die de afgelopen decennia door overheden zijn afgeschaald en afgebouwd, maar voor heel veel mensen eigenlijk onbetaalbaar zijn geworden. Die mensen moet je in mijn beleving de hemel in prijzen. Die moet je niet opzadelen met heel veel bureaucratische rompslomp en impliciete verdachtmakingen, precies wat dit wetsvoorstel, als je niet oppast, dreigt te doen. Dit kabinet heeft zich bovendien voorgenomen om ten minste 500 bureaucratische regels af te schaffen. Voor die branches neemt de administratieve lastendruk met dit voorstel juist toe. Wringt dat dan niet, vraag ik heel oprecht aan de minister.

Ik zal er heel eerlijk over zijn: ik twijfel aan de proportionaliteit van dit wetsvoorstel. Ik vraag me af of we niet terughoudender zouden moeten zijn richting met name organisaties met een evident maatschappelijk doel. Daarom staan wij ook als fractie onder het amendement van collega Diederik van Dijk om een uitzondering te maken voor organisaties met bijvoorbeeld aan anbistatus. Maar ik ga verder: ik vraag de minister of het niet goed is om ook andere aantoonbaar bonafide organisaties met een betrouwbaar, onafhankelijk keurmerk — ik noem bijvoorbeeld Keurmerk Kringloop Nederland — voor een uitzondering in aanmerking te laten komen. Zij maken zich enorme zorgen, ook als het gaat om bijvoorbeeld het registreren van persoonsgegevens. Ik wil daar echt een inhoudelijke reactie van de minister op.

Dan rond ik af. Vanuit een brede kring hebben wij signalen ontvangen met serieuze twijfels over de proportionaliteit en effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Die maatregelen betekenen extra administratieve lasten voor kringlooporganisaties, maar ook voor commerciële sectoren. Daarnaast bestaan er bij onze nationale privacywaakhond fundamentele zorgen over de bescherming van persoonsgegevens. Ik vind dat we dat niet moeten passeren. Het laatste wat wij willen, is dat de maatschappelijke urgentie rondom de bestrijding van heling en witwassen ondergesneeuwd wordt door administratieve eisen die uiteindelijk hun doel voorbijschieten. Vandaar mijn kritische houding nu. Ik wacht uiteraard heel constructief op de antwoorden van de minister, en op basis daarvan zullen wij uiteindelijk een afweging maken. Ik hoop dat de minister snapt, op basis van de wetenschapstoets en al het andere dat we hebben gezien, dat we wel kritisch zijn.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik begrijp de kritische houding van GroenLinks-Partij van de Arbeid heel goed, zeker als het gaat om kringloopwinkels. Als ik mevrouw Mutluer goed begrijp, zegt zij dat ze verder wil gaan dan het amendement. Ze noemt daarbij het keurmerk. Ik zal dat in mijn bijdrage zo dadelijk ook noemen. Dat keurmerk ziet alleen op niet-commerciële organisaties. Wil mevrouw Mutluer ook daar die scheiding aanbrengen, of zegt zij: ik wil nog meer organisaties eventueel uitsluiten van die registratieplicht?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik wil naast niet-commerciële kringloopwinkels met een anbistatus per AMvB ook andere, niet-commerciële kringloopwinkels met dat keurmerk of een sbbi-status — vergeef me dat ik het even niet precies weet; u snapt het — uitzonderen van de registratieplicht wanneer zij goederen niet hebben verworven of omhanden hebben. Daar heb ik een motie voor. Die zal ik zo meteen ook even delen met collega Straatman, zodat zij kan bepalen of ze 'm eventueel mede wil indienen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Mutluer. Dan is het woord aan mevrouw Martens-America voor haar inbreng in eerste termijn namens de VVD.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank, voorzitter. Het onderzoek Focus op heling heeft laten zien hoeveel schade diefstal en heling jaarlijks veroorzaken in Nederland. Volgens het rapport gaat het om 1,2 miljard euro schade per jaar, en daarbij te bedenken dat er jaarlijks ongeveer 364.000 diefstallen worden geregistreerd, maar nog geen 7.000 helingzaken. Dat laat zien hoe groot het probleem is waar we het vandaag over hebben. Wat de VVD betreft is het daarom goed dat we spreken over het wetsvoorstel en over hoe we het lastiger kunnen maken voor criminelen om gestolen goederen door te verkopen. Helemaal platgeslagen is dat waar we het vandaag over hebben.

Als heling moeilijker wordt gemaakt, maken we diefstal ook een stuk minder aantrekkelijk. We hebben allemaal de brieven en reacties gelezen die zijn binnengekomen vanuit het veld, vanuit het land en vanuit bedrijven en organisaties die met deze nieuwe wet in aanraking zullen komen, van de kringloop tot aan de autobranche. De direct zichtbare rode draad door al deze zorgen over het wetsvoorstel in de huidige vorm is de uitvoering. Die uitvoering is op papier wellicht af te doen met "het is beter want het is digitaal", maar de mensen thuis, de ondernemers en de mensen van de stichting weten direct dat het risico op een papieren tijger toch wel groot is. Dat is beleid gemaakt met de beste intenties, maar waarbij de uitvoering wellicht ontzettend lastig is. De hoofdvraag in mijn bijdrage is dan ook: hoe zorgen we ervoor dat de extra bureaucratie die met dit wetsvoorstel wordt opgetuigd, uiteindelijk wel opweegt tegen de voordelen van de opsporing en bestrijding van criminaliteit? Wanneer we besluiten dat deze wel proportioneel is, hoe gaan we dan om met de zorgen vanuit het veld, bijvoorbeeld die van de kleine ondernemers?

Een ander punt, gelinkt aan het punt dat ik zojuist heb willen maken, is de bestaande uitvoering. We tuigen namelijk een nieuw, landelijk instrument op, terwijl er al instrumenten bestaan om een groot gedeelte van deze risico's te ondervangen. In de ene gemeente wordt al enige tijd gewerkt met het DOR en in de andere nog niet. Ook tussen gemeentes bestaan er grote verschillen in verplichtingen, zoals of er al een RDW-registratie bestaat. De voertuigenbranche heeft aangegeven dat er met de RDW-registratie al een uitgebreide registratie bestaat om diefstal en doorverkoop van auto's tegen te gaan. Bij de verkoop van voertuigen gelden al een identificatieplicht, meerdere controles op de kentekens, de tenaamstellingscodes en noem maar op. Er bestaat dus al een instrument om diefstal van voertuigen tegen te gaan. Daarom vraag ik de minister: waarom wordt er voor deze sector alsnog een extra registratieplicht via het DOR opgezet? Waarom kan het bestaande systeem niet worden behouden om al die extra administratieve lasten achterwege te laten?

Om die reden heb ik vandaag ook een amendement ingediend, om een uitzondering te maken voor de gekentekende voertuigen die al worden opgenomen in het RDW-register. Met het amendement zouden de opsporingsdiensten nog steeds gebruik moeten kunnen maken … Daarmee voorkomen we dat er tegelijkertijd ondernemers met onnodige extra administratieve lasten worden opgezadeld. Ik benadruk hierbij dat het amendement niet ziet op diefstalgevoelige voertuigonderdelen of voertuigen zonder kenteken. Daarvoor is het DOR wat ons betreft wel van meerwaarde.

Voorzitter. Daarnaast wil ik ook stilstaan bij de kringloopsector — het is inmiddels al meerdere keren genoemd — en dan specifiek de niet-commerciële kringlopen, die grotendeels draaien op vrijwilligers. Ook die sector moeten we niet onnodig opzadelen met administratieve lasten die uiteindelijk nauwelijks bijdragen aan het bestrijden van criminaliteit. Daarom heeft de VVD ook het amendement van de SGP medeondertekend, om voor deze sector een uitzondering te maken.

Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over de verdere uitwerking via de algemene maatregel van bestuur. Mijn fractie vindt het ingewikkeld dat wij vandaag spreken over een wetsvoorstel, terwijl nog niet alle gevolgen duidelijk zijn in de praktijk. Zo is het nog niet volledig duidelijk welke categorieën wellicht zouden worden uitgezonderd. Ik wil voorkomen dat we hier over een jaar exact hetzelfde debat met z'n allen voeren over allerlei nieuwe categorieën en regels en de eventuele bijkomstige administratieve lastendruk, zonder dat daar eerst een goed gesprek over is gevoerd. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Welke gesprekken zijn er de afgelopen jaren precies gevoerd met de sectoren en brancheorganisaties over de categorieën en andere regels die mogelijk via de AMvB op hen af zouden kunnen komen? Kan de minister daar vandaag wellicht al iets meer inzicht in geven, zodat de Kamer ook beter kan beoordelen waar dit wetsvoorstel uiteindelijk in de praktijk toe leidt?

Dan rond ik af met mijn laatste twee zinnen, als mevrouw Mutluer het goed vindt.

De voorzitter:

Ja, prima hoor. Gaat uw gang.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Mijn fractie overweegt, gelet op alle onduidelijkheden bij verschillende sectoren, het amendement van de SP, die er nu niet is, te steunen en de AMvB voor te hangen bij de Kamer.

Dat was mijn bijdrage. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik zou graag mijn collega dezelfde vraag willen voorleggen als de vraag die ik zojuist aan de minister heb gesteld. Door dit wetsvoorstel ontstaat toch wel een enorme administratieve lastendruk voor een aantal commerciële en niet-commerciële instellingen. Ik weet dat de VVD, en zeker dit kabinet, al heel lang aan het zoeken is naar manieren om regels te kunnen schrappen en afschaffen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag aan de minister is: wringt dit wetsvoorstel niet met de gedachte dat we af moeten van die regels? Hoe kijkt mijn collega daarnaar?

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank, mevrouw Mutluer, zeg ik via de voorzitter. Ik heb gepoogd om dat de rode draad in mijn hele bijdrage te laten zijn: het spanningsveld dat mijn fractie ziet tussen het tegengaan van regeldruk en ... U kent mijn partij natuurlijk ook als de partij die mensen die zich schuldig maken aan bijvoorbeeld heling heel hard wil aanpakken. Ik denk dat dit voorstel laat zien dat het soms heel lastig is om beide te willen nastreven. Daarom hebben we zelf ook een amendement geschreven, waarin staat dat al bestaande instrumenten voor uitzonderingen kunnen zorgen. Ik ben ook benieuwd naar de antwoorden van de minister op de vragen die mevrouw Mutluer heeft gesteld. Ik heb zelf ook een hoop vragen gesteld. Ik denk dat we uiteindelijk, aan het einde van dit debat, moeten wegen in hoeverre dit het waard is. Ik hoop het wel. Ik hoop ook dat we kunnen zorgen voor die paar uitzonderingen, bijvoorbeeld voor organisaties die geen winstoogmerk hebben. Maar ik vind het heel lastig, vandaar al mijn vragen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Als het gaat om de aanpak van heling en witwassen, vindt collega Martens-America mij echt naast haar. Mijn vraag gaat alleen met name om de enorme lastendruk die ontstaat. Als wij met allemaal amendementen komen om een aantal partijen, commercieel of niet-commercieel, uit te zonderen, vraag ik me af of er nog wel iets overblijft van het wetsvoorstel dat door de minister wordt voorgelegd.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Ik had net met een aantal collega's buiten de camera een gesprek hierover. Het gevaar is dat er, als wij met de beste intenties aan de slag gaan met amendementen, uiteindelijk wellicht een wet overblijft die niet meer zo goed werkt of in de praktijk een hele andere uitwerking heeft. Ik denk ook, gezien de woordvoerders die hier zitten en de inhoud hiervan, dat we met z'n allen moeten kijken of dit het nog waard is, of dit zin heeft. Ik poog hier, zonder de intentie van de wet te ondermijnen, te kijken of we uitzonderingen kunnen maken voor branches waar al systemen zijn, zodat wij hen in ieder geval niet met dubbele regelgeving opzadelen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ja, tot slot. Door al die uitzonderingen wordt de handhaving wel héél ingewikkeld, is mijn beleving. We weten dat een aantal gemeenten zelf ook een registratieplicht en een register hebben. Is mijn collega het met mij eens dat er eerst naar de praktijk moet worden gekeken, naar hoe het werkt, wat er nodig is en of het straks wel handhaafbaar is? Daar maak ik me namelijk enorme zorgen over.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Mevrouw Mutluer en ik kijken hier volgens mij hetzelfde naar. We hebben dezelfde zorgen over de handhaafbaarheid, de regeldruk en wat er overblijft van alle amendementen. Ik sta er niet zo geharnast in. Ik denk dat we goed moeten luisteren naar de beantwoording van de minister en dat we goed moeten kijken naar de amendementen die worden ingediend. Volgens mij moeten we elkaar straks aankijken en bedenken of dit zin heeft. Maar we delen precies dezelfde zorgen, dus volgens mij gaan we hier een goed debat over hebben.

Mevrouw Straatman (CDA):

Het CDA deelt dezelfde zorgen over de regeldruk. Daarom begrijp ik dit amendement van mevrouw Martens-America ook heel goed. Tegelijkertijd wil ik ook scherp hebben wat we verliezen als we de gekentekende voertuigen niet meer opnemen in het DOR. Ik lees in de memorie van toelichting een aantal argumenten, bijvoorbeeld dat er niet precies dezelfde informatie in staat, dat het inzicht in bedrijfsvoorraad verloren gaat en dat verdachte patronen minder inzichtelijk gemaakt kunnen worden. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Martens-America naar die argumenten kijkt.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Het is natuurlijk ook lastig, omdat je het over voertuigen met een kenteken, over onderdelen en over voertuigen zonder een kenteken hebt. Dat maakt dat het, ook in het debat dat wij hier met elkaar hebben, best wel lastig is om te begrijpen waar we het over hebben. Het DOR is bijvoorbeeld wel degelijk een aanvulling voor voertuigen zonder kenteken. Dat lukt niet bij de RDW. Wat ons betreft vullen die elkaar dus aan. De registratie bij de RDW is echter al zo omvangrijk dat de doorverkoop of heling van auto's met kenteken al tegengegaan kan worden. Laten we eerlijk zijn: dat is de grootste groep waar we het hier over hebben. Daarmee kunnen we de regeldruk verlagen. U stelt echter een terechte vraag, want het is inderdaad heel complex.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Mevrouw Martens geeft aan dat het belangrijk is, ook als Kamer, om de vinger aan de pols te houden als het gaat om de AMvB. Daarom is er in de voorhangprocedure positief voorgesorteerd op het amendement-Van Nispen. Ik heb nog een vraag. Het Openbaar Ministerie heeft toch een vrij pittige reactie geschreven. Het is een uitzonderlijke constructie: een AMvB, gebaseerd op een strafrechtsartikel, waarin heel veel wordt geregeld. Kan mevrouw Martens daarop ingaan? Knelt dat niet? Zou er, heel simpel gezegd, toch eigenlijk niet veel meer geregeld moeten worden in een formele wet, en zeker dat kader?

Mevrouw Martens-America (VVD):

Ook hier zien we, denk ik, gelijk weer wat deze hele wet zo lastig maakt. Aan de ene kant zou ik namelijk graag blind willen instemmen met deze wet en de minister willen vragen om te werken aan de verschillende categorieën en om ons die te doen toekomen in de algemene maatregel van bestuur, maar dan hebben we geen idee of er naar de mening van mijn partij voldoende categorieën worden opgeschreven en hoe de uitvoering moet plaatsvinden. De oplossing daarvoor is wel dat wij hier met z'n allen nog een keer een debat voeren over de vraag of het doelmatig en voldoende is. Dat vind ik het spanningsveld. Daarom geef ik ook aan dat ik positief tegenover het amendement van Van Nispen sta. Ik denk dat we het nog een keer goed moeten bekijken. De antwoorden van de minister zullen daarin ook echt wel een grote en belangrijke rol spelen, want ook hij zal hierin een stap in onze richting moeten zetten met betrekking tot de vraag hoe we dit met z'n allen willen oplossen. Het is een spanningsveld waar ik nu, aan het begin van dit debat — dat hebben we hier niet zo vaak — nog niet zo geharnast in sta. Het kan dus heel goed zijn dat u mij op andere gedachten brengt tijdens dit debat.

De voorzitter:

Ik denk dat u meneer Diederik van Dijk bedoelt.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Sorry, excuses.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Toch nog even het principiële punt met betrekking tot het Openbaar Ministerie, namelijk dat wij eigenlijk niet zo veel aan een AMvB zouden moeten willen ophangen en dat zeker die meer algemene bepalingen en het in werking laten treden van opkopersregisters, een opkopersloket et cetera, gewoon thuishoort in een formele wet en niet in een AMvB.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dat klopt. Deze wet stamt wel uit het jaar 2017, dus ik denk dat we inmiddels wel zijn ingehaald door de realiteit en door hoe de markt er vandaag de dag uitziet. Je kan dan twee dingen doen. Je kan zeggen: we gaan de hele wet niet meer bespreken. Nou, het heeft dus tien jaar geduurd voordat we die wet hier uiteindelijk wel gingen bespreken. Of je kijkt naar een tussenoplossing. Mij is ook in een interruptie gevraagd — volgens mij was u dat zelf, zeg ik via de voorzitter — of we niet te veel amendementen indienen en of er nog wat overblijft van de wet. Volgens mij is dat de balans die we hier vandaag met z'n allen moeten bespreken. Ik merk nu al dat we, volgens mij, hetzelfde doel nastreven. Dat gebeurt niet vaak, hè, voorzitter?

De voorzitter:

Dat is ook weleens mooi, toch, in dit huis?

Mevrouw Martens-America (VVD):

Ja.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng in de eerste termijn namens het CDA.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we het wetsvoorstel ter verbetering van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten. Het is een wetsvoorstel dat misschien wat technisch aandoet, maar in werkelijkheid raakt aan een fundamentele vraag: hoe voorkomen we dat criminaliteit blijft lonen doordat gestolen goederen eenvoudig kunnen worden afgezet?

Voorzitter. De afzetmarkt van heling is groot. Heling vormt de noodzakelijke schakel tussen vermogenscriminaliteit en het verdienmodel. Als een gestolen auto, telefoon of sieraad door de mazen in de wet ongezien verkocht kan blijven worden, blijven diefstal, inbraak en ondermijnende criminaliteit namelijk aantrekkelijk. Dit wetsvoorstel maakt het criminelen moeilijker door uniforme registratie en meldplichten in te voeren die digitaal gekoppeld zijn aan het informatiesysteem Stop Heling van de politie. We zijn zo slechts één hit verwijderd van het traceren van gestolen goederen, op papier althans.

Het CDA steunt dan ook het uitgangspunt van deze wet. Wie criminaliteit wil terugdringen, moet ook de infrastructuur voor het verdienmodel aanpakken. Maar dat doet niets af aan het feit dat we wel een aantal vragen hebben bij dit wetsvoorstel, want de nieuwe regels moeten wel proportioneel zijn en mogen niet tot onnodige regeldruk leiden. Daarbij geldt ook: uniformering is geen doel op zich. Voor het CDA is de kernvraag of deze wet in de praktijk ook daadwerkelijk bijdraagt aan het verkleinen van de afzetmarkt, een hogere pakkans en een betere bescherming van slachtoffers. Die effectiviteit wordt in de stukken wel verondersteld, maar is moeilijk meetbaar. Dat blijkt ook uit de uitvoeringstoets. De effecten van landelijke uniformering zullen pas op termijn zichtbaar worden. Vandaar de overkoepelende vraag aan de minister: is hij bereid de Kamer periodiek te informeren over deze effecten, zodat wij niet alleen op goede bedoelingen, maar ook op uitkomsten kunnen sturen?

Voorzitter. In het vervolg van mijn bijdrage zal ik ingaan op de regeldruk, de uitvoerbaarheid, de verwerking van persoonsgegevens, de effectiviteit en enkele technische aspecten. Maar allereerst die regeldruk. Dat is het belangrijkste punt. Voor het CDA is het namelijk belangrijk dat aanvullende regels, zeker voor het midden- en kleinbedrijf, proportioneel zijn. De goede bedoelingen van de wet mogen niet leiden tot een grote toename van administratieve lasten, want de effectiviteit van die aanvullende regels moet buiten kijf staan. Tegelijkertijd zien we ook dat met deze wet gepoogd wordt om maatwerk te leveren, want die digitale systemen zijn gebruiksvriendelijk, en de categorie goederen die onder die registratieplicht valt is beperkter dan onder de huidige wet.

Die poging tot maatwerk is weliswaar belangrijk, maar wat het CDA betreft kan dat nog veel scherper. Zoals mevrouw Mutluer zojuist ook zei, focussen we daarbij met name op de niet-commerciële partijen. Verschillende kringloopwinkels hebben namelijk hun zorgen geuit over de regeldruk en de administratieve lastendruk die dit wetsvoorstel zou kunnen veroorzaken. Wij begrijpen die zorgen goed, zeker ook omdat wij de kans zeer klein achten dat criminelen direct of indirect gratis goederen zullen aanleveren bij die kringloopwinkels. Graag hoor ik hoe de minister dit ziet.

Wat ons betreft moet die proportionaliteitseis dan ook anders uitslaan. Het door de SGP ingediende amendement om niet-commerciële kringloopwinkels uit te zonderen van de registratieplicht, kan dan ook op onze steun rekenen. Wij begrijpen echter dat niet álle niet-commerciële kringloopwinkels, zoals mevrouw Mutluer zojuist ook zei, nu gedekt zijn met dit amendement, omdat enkele geen anbistatus hebben. Is de minister daarom bereid toe te zeggen in lagere regelgeving in te regelen dat in lijn met het amendement van de SGP ook die andere niet-commerciële kringloopwinkels van een registratieplicht worden uitgezonderd? Wat betreft regeldruk zien we ook dat vanuit de BOVAG verschillende zeer kritische vragen gesteld worden over die registratieplicht voor gekentekende auto's. Kan de minister concreet maken wat het ontbreken van die gekentekende auto's in het DOR voor de praktijk gaat betekenen?

Voorzitter. Dan kom ik bij de uitvoerbaarheid van de wet. Uit die uitvoeringstoets blijkt dat de wet uitvoerbaar wordt geacht, maar tegelijkertijd blijven er heel veel vragen over capaciteit en handhaving, met name bij de politie en gemeenten. Maar zonder handhaving en capaciteit tuigen we alleen een papieren tijger op waar geen crimineel minder van gaat slapen. De wet veronderstelt dat bij een hit in het Digitaal Opkopers Register snel kan worden opgetreden. Die bewaarplicht van vijf dagen wordt daarbij in de memorie van toelichting in beginsel voldoende geacht. Tegelijkertijd is de verwachting en gehoopte uitkomst dat landelijke uniformering leidt tot een toename van hits en dus ook van inzet van de politie. Het CDA wil daarom helderheid over de vraag wie in de praktijk gaat optreden bij welke signalen en of de politie hier eigenlijk wel voldoende ruimte voor heeft. Hoe kijkt de minister daarnaar? Bovendien zien we op dit moment ook dat er geen cijfers beschikbaar zijn over de mate waarin de hits via het DOR-register en Stop Heling tot vervolging door de politie leiden. Kan de minister dit inzichtelijk maken en betrekken bij de evaluatie van de wet?

Voorzitter. Ook de digitale en grensoverschrijdende handel blijft een aandachtspunt. Zolang buitenlandse registratiesystemen niet gekoppeld zijn en onlineplatforms buiten beeld blijven, bestaat het risico op verplaatsingseffecten. Het CDA vraagt de minister hoe hij dit risico inschat en welke aanvullende stappen gezet worden om heling via deze routes tegen te gaan. Voor gemeenten geldt bovendien dat niet iedere gemeente dezelfde uitvoeringskracht heeft. Het CDA vindt het belangrijk dat kleine gemeenten en grensregio's niet overvraagd worden. Hoe ondersteunt de minister deze gemeenten?

Voorzitter. De effectiviteit van de wet hangt niet alleen samen met de handhaving vanuit de politie, maar is ook afhankelijk van andere factoren, zoals de aangiftebereidheid van slachtoffers, de bereidheid van burgers en bedrijven om diefstalchecks uit te voeren en de mogelijkheden van de politie om handmatig te zoeken in het DOR naar ontvreemde goederen zonder uniek nummer. Een effectief systeem vraagt daarom ook niet alleen om informatie in dat DOL en DOR, maar vooral ook om voldoende informatie in de politiesystemen, om tijdig hits met de landelijke registers te kunnen krijgen. Mijn vraag is daarom aan de minister: hoe staat het met de bekendheid van het gebruik van diefstalchecks? En welke stappen wil hij zetten om die bekendheid te vergroten? Hoe staat het met de ontwikkeling om beeldherkenning bij Stop Heling mogelijk te maken? En hoe staat het met de aangekondigde pilot, waarbij alle waardevolle goederen een uniek kenmerk krijgen? Die pilot zou in 2023 van start gaan. Om het verdienmodel van criminelen aan te pakken, ziet het CDA het ook als een goede stap dat binnen het DOR slachtoffers ook gewezen worden op de civiele mogelijkheid om schadevergoedingsclaims via de SODA in te dienen. Kan de minister aangeven of van deze mogelijkheid meer gebruik wordt gemaakt? De cijfers ten tijde van de nota naar aanleiding van het verslag zijn al van een heel tijdje terug, maar die waren tot nu toe nog niet zo denderend. Wat het CDA betreft valt hier nog veel winst te behalen.

Voorzitter. Tot slot op dit punt. Ziet de minister ook veiligheidsrisico's voor opkopers en handelaren als zij te maken krijgen met criminele aanbieders? Hoe kan hij die veiligheidsrisico's, die ook uit de wetenschapstoets bleken, voor hen beperken?

Voorzitter. Nu kom ik bij de verwerking van persoonsgegevens. Het Digitaal Opkopers Register bevat gegevens van aanbieders van goederen, terwijl het in het overgrote deel van die gevallen gaat om burgers die te goeder trouw handelen. In de wet wordt de bestrijding van heling en witwassen expliciet genoemd als legitiem doel voor de verwerking van persoonsgegevens. Tegelijkertijd wordt in de toelichting gewezen op een bredere aanpak rond de aanpak van de georganiseerde misdaad. Kan de minister verduidelijken hoe deze doelbinding juridisch is afgebakend? Waar ligt precies de grens voor het gebruik van deze gegevens in bredere opsporingsonderzoeken?

Voorzitter. Ik rond af, maar niet zonder nog een paar hele technische punten te maken. Ik excuseer me alvast daarvoor. Allereerst de bescherming van bonafide aanbieders online. Steeds meer handel vindt online plaats. De wet gaat ervan uit dat professionele opkopers ook dan kunnen voldoen aan de registratieplicht, maar het is niet altijd duidelijk hoe ze in die situaties überhaupt aan de vereiste persoonsgegevens komen. Het CDA vraagt de minister om toe te lichten hoe dit in de praktijk gaat. Hoe wordt voorkomen dat goedwillende ondernemers in een juridisch onmogelijke positie terechtkomen?

Ten tweede de registratieplicht voor goederen in vuistpand. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de registratieplicht ook voor die goederen geldt. Tegelijkertijd zegt de minister dat het eigenlijk alleen maar beperkt is tot goederen die in eigendom worden overgedragen. Hoe verhouden die twee zaken zich tot elkaar?

Ten derde de aanvullende strafbaarstelling van het opkopen van goederen van personen die kennelijk onder invloed zijn. Wat het CDA betreft gaan we de denormalisering van het gebruik van drugs tegen. De vraag is alleen hoe. Is het de verantwoordelijkheid van de opkoper om de gebruiker van drugs te behoeden voor onverstandige transacties? Wat het CDA betreft niet. Daarom heb ik op dat terrein samen met de SGP een amendement ingediend. We horen graag hoe de minister daarnaar kijkt.

Voorzitter, ik rond af. Het CDA ziet dit wetsvoorstel als een noodzakelijke stap in de bestrijding van heling en witwassen en daarmee als schakel in de aanpak van vermogensdelicten en de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Maar het moet wel proportioneel blijven. Daarbij ligt het zwaartepunt bij de uitvoering. Alleen bij voldoende capaciteit bij de politie en voldoende mogelijkheden tot handhaving kunnen het DOL en het DOR echt tanden krijgen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Straatman. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij in de eerste termijn.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Een oud spreekwoord zegt: de dief en de leugenaar wonen onder één dak. Als we ergens het huwelijk tussen diefstal en leugen belichaamd zien, dan is het wel in de praktijk van heling en witwassen. De steler en de heler spelen met elkaar onder één hoedje. Wie bovendien op de omvang van die praktijk let, krijgt helaas de indruk dat het gezegde dat gestolen goed niet gedijt, vaak niet klopt. Er gaan honderden miljoenen door onrechtmatige handen, helaas ook handen die te goeder trouw zijn. Het is daarom een goed streven van de regering om ervoor te willen zorgen dat helers en witwassers vaker tegen de lamp lopen. Het is winst als we uiteindelijk mede door de inzet van de overheid kunnen zeggen: al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Het geeft voldoening als rechtmatige eigenaars zelf hun goederen weer in handen krijgen of tenminste een schadevergoeding ontvangen.

Voorzitter. Het voorstel dat we nu bespreken, stamt nog uit de coronatijd. De voorgeschiedenis is zelfs nog langer. Dat heeft ook iets te maken met veel terechte bezwaren en zorgen vanuit de praktijk. Die maken dat de SGP toch ook kritisch kijkt naar dit voorstel. Een goede wijn moet je soms langer laten liggen, maar eenmaal geopend is het geen aanbeveling om de fles te lang te laten staan. De SGP heeft op verschillende punten de indruk dat we nog geen rijpe wijn hebben.

Voorzitter. De SGP hoort graag een toelichting van de regering op het verschil tussen de theorie van de regelgeving en de praktijk in het land. De regering benadrukt dat veel verplichtingen al bestaan, dat veel gemeenten en bedrijven al werken met digitale registers en dat bepaalde verplichtingen juist ingeperkt worden. Dat klinkt natuurlijk erg mooi, maar in hoeverre werden die systemen en regels ook consistent nageleefd? Is de eerlijke werkelijkheid niet dat de consequente naleving van het wetsvoorstel voor veel betrokkenen een behoorlijke verzwaring van de lasten gaat betekenen, zeker als men nog met papieren registers werkt?

Voorzitter. Het Openbaar Ministerie vraagt aandacht voor de systematiek van het wetsvoorstel en de algemene maatregel van bestuur. We zien die kritiek van het OM vanzelfsprekend niet terug in de consultatie van de concept-AMvB — dat zeg ik maar alvast tegen de regering — omdat de fundamentele keuze gemaakt wordt in het wetsvoorstel dat we nu bespreken. Het OM constateert dat artikel 437 Strafrecht de enige strafbepaling is waarin ook een grondslag voor een AMvB te vinden is. Dat is dus bijzonder. Tot op heden was die AMvB heel beknopt en was er daarom met die uitzonderlijke situatie heel goed te leven. De SGP constateert echter dat de AMvB duidelijk van karakter verandert. Het wordt een uitgebreid stuk, waarin naast de beschrijving van categorieën goederen nu ook het opkopersregister en het opkopersloket worden geregeld. Het OM geeft beeldend aan dat er nu wel erg veel gewicht komt te hangen aan het kleine draadje dat door artikel 437 is geweven. Zou het toch niet voor de hand liggen en wenselijk zijn om het kader daarvoor in de formele wet te regelen? Het zou niet heel veel tijd hoeven te vergen om dit te regelen na alle voorbereidingen. En ik zou zeggen dat er al zoveel tijd is verstreken dat dit er ook nog wel bij kan.

De SGP steunt het amendement-Van Nispen om in ieder geval een voorhang te regelen, maar het is de vraag of we hiermee voldoende recht doen aan de wetssystematische vraag die voorligt en of een ander systeem de behoefte aan een voorhang niet had kunnen voorkomen. Als specifiek bezwaar ziet de SGP dat in het concept van de algemene maatregel van bestuur bepalingen staan die zo algemeen zijn dat ze eigenlijk gewoon in de formele wet thuishoren. Dat geldt volgens de SGP in ieder geval voor de regel dat goederen geen waarde hebben als ze als afval worden aangeboden. Denk aan de milieuwerven, waar talloze Nederlanders dagelijks spullen dumpen. Door dit uitgangspunt helder in de wet te zetten, maken we glashelder dat we voor dit soort situaties geen regelcircus optuigen. Het is ook een prachtig spiegelbeeld van de bepaling dat goederen enige waarde van betekenis moeten hebben om geregistreerd te worden. Ik hoor graag de reactie van de regering op mijn amendement op stuk nr. 18.

Voorzitter. Het Openbaar Ministerie benoemt ook terecht het belang van een heldere, eenvoudige en goed handhaafbare regeling. Wie door die bril naar het concept van de AMvB kijkt, fronst zijn wenkbrauwen. De regering ziet juist de charme dat zaken concreter worden en daardoor duidelijker zouden zijn. Natuurlijk is van sommige zaken duidelijk dat ze niet onder de verplichtingen vallen. Het wetsvoorstel gaat bijvoorbeeld niet over witgoed en ondergoed. Het verschil tussen een koelkast en een krultang is ook helder. Maar hoe zit het met een kleine grastrimmer in de tuin en een neustrimmer in de badkamer? U ziet dat ik mij goed heb verdiept in de materie. Is dit echt eenvoudig uitvoerbaar of vergt dit een behoorlijke module scholing om alles uit elkaar te houden? Als ik iets boven het wetsvoorstel ga hangen, kom ik tot de vraag of we niet een beetje doorschieten met deze regeling. Zouden we niet met een onsje minder genoegen moeten nemen om de regeling meer doeltreffend te maken?

De SGP staat hier nog specifiek stil bij de nieuwe categorie lithiumaccu's. Die categorie is makkelijk opgeschreven en mooi bij de tijd gebracht, maar er kleven allerlei moeilijkheden aan voor wie de praktijk een beetje op zich laat inwerken. Het is duidelijk dat fietsaccu's duur en diefstalgevoelig zijn, maar dat geldt voor veel accu's niet. In 2024 werd bijna 363.000 kilo aan lithiumaccu's en -batterijen ingezameld. Als hierbij slechts 10% zonder betaling zou gebeuren, zou dat al een enorme berg zinloze registratie en bewaring betekenen. Als er wel sprake is van betaling, gebeurt dat overigens vaak niet om winst te maken, maar om de brandveiligheid te kunnen waarborgen door gescheiden opslag. Zou dit niet veel beter afgebakend moeten worden, bijvoorbeeld door een minimumvermogen te regelen?

Voorzitter. De SGP vraagt in het bijzonder aandacht voor de organisaties die goed werk leveren vanuit en voor de samenleving en voor het milieu, namelijk de kringloopwinkels. Ik ben daarin niet de enige; voorgaande sprekers hebben daar ook aandacht voor gevraagd. Ook voor deze winkels geldt dat er nauwelijks risico bestaat op heling en witwassen als goederen gratis worden aangeboden. De verplichtingen om te registreren en te bewaren voegen niet meer toe dan alleen overlast en hinderen dus onnodig goede maatschappelijke initiatieven. Met een brede ondertekening door collega's heb ik daarom een amendement ingediend om deze kringloopwinkels uit te zonderen van het wetsvoorstel. Ruim baan voor deze mooie winkels. Ik hoor graag de reactie van de minister op het amendement op stuk nr. 19.

Voorzitter. Passend bij de aandacht voor belangrijke maatschappelijke initiatieven, zoals kringloopwinkels, eindig ik, om enig tegenwicht te bieden aan dit toch wel technische verhaal, met een gedicht over een activiteit die erop lijkt, namelijk de rommelmarkt. Ik ga het voordragen.

Ik stond laatst op een rommelmarkt.

Ik had nog zo veel troep.

Daar vond ik een mooi plaatsje op een brede stoep.

Links plaatste ik de barbies, wat weckflessen en een sprei.

En op de rest mijn boeken; dat was een hele rij.

Toen ik ze daar zag liggen, ging er van alles door mij heen:

geen enkel kon ik missen.

Ik bekeek ze een voor een:

die kreeg ik van de zondagsschool en die van een vriendin,

deze van mijn pa en moe; 'k was weer terug bij het begin.

Tot zover. Voorzitter, ik weet niet of de minister ooit op een rommelmarkt gestaan heeft en of hij er gevoel bij heeft, maar kan hij in ieder geval bevestigen dat dit soort prachtige praktijken geen last krijgt van het wetsvoorstel? En een slotvraag om de noodzaak van een eventuele novelle meteen uit te sluiten, want ik heb eerder zaken mogen doen met deze minister: kan de minister bevestigen dat er geen sprake kan zijn van medeplichtigheid of medeplegen als een minderjarige op een rommelmarkt een soepkop verkoopt aan een handelaar?

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Meneer Diederik van Dijk, ik ben na uw bijdrage vooral nieuwsgierig naar welke van alle genoemde attributen u zelf in huis heeft, maar misschien kunnen we het daar straks in de dinerpauze even over hebben. Dan zien we de minister misschien met een decanteerkaraf terugkomen voor de wijn waar u het over had in eerste termijn. Het woord is aan de heer Sneller.

De heer Sneller (D66):

Gaat de voorzitter nu joligheid aanmoedigen?

De voorzitter:

Excuses.

De heer Sneller (D66):

Nee, heel goed. Voorzitter. Veel van wat ik te zeggen had, hebben de vorige sprekers al gezegd, maar dan beter en uitgebreider. Dus ik ga er relatief snel doorheen. Ik denk dat het dilemma waar we voor staan voor ons allemaal hetzelfde is: de gestolen fiets, met dat lege gevoel in de maag, maar ook meer op macroniveau, zoals mevrouw Martens-America zei, namelijk de bizarre aantallen en bedragen die omgaan in heling, wat de criminaliteit in stand houdt. Ik denk dat we dat allemaal effectief willen kunnen aanpakken.

Aan de andere kant kennen we ook onszelf in de rol van verkoper of koper. We vinden de circulaire economie belangrijk en we vinden het belangrijk dat mensen met een kleine beurs, en soms ook wijzelf, een voordelig koopje kunnen vinden. Er staan dus verschillende dingen tegenover elkaar die we hier moeten afwegen, zeker omdat we in andere debatten klagen over de torenhoge lastendruk, zowel voor ondernemers als voor burgers. De Autoriteit Persoonsgegevens werd al aangehaald, want het gaat natuurlijk ook om het opslaan van persoonlijke informatie. Dat soort kosten blijft vaak in eerste instantie verborgen, maar ze stapelen zich wel op.

Voorzitter. Dan de doeltreffendheid. Er is al gezegd dat dit ongeveer tien jaar geleden is aangekondigd. De collega's van de VVD haalden dit ook aan in het verslag. In de wetenschapstoets wordt dan gezegd dat het percentage van de heling die verloopt via de kanalen die hier worden gereguleerd en die onder dit wetsvoorstel komen te vallen al sinds 2012 daalt, omdat het via andere kanalen wordt verkocht. Dan doemt de vraag op: is dit wetsvoorstel dan in zekere zin niet yesterday's news? Daarom heb ik de volgende vraag. Wat heeft het kabinet gedaan sinds dit wetsvoorstel aanhangig is gemaakt om te kijken of het nog bij de tijd is? Dat is misschien ook de kernvraag: wat verandert er met dit wetsvoorstel ten opzichte van hoe het nu geregeld is in veel gemeenten? Hoeveel gemeenten zijn dat er op dit moment? Voegen wij administratieve lasten toe voor opkopers die er nu nog niet zijn? Of moeten die opkopers nu voldoen aan een wirwar aan regels van verschillende gemeenten? Wat komt er dan per saldo extra bij? Ik denk dat dat voor mijn fractie een belangrijk element zal zijn in de afweging om dit wel of niet te steunen.

Dan de uitzondering bij bepaalde onlineverkoopplatforms. Wat verwacht de minister? Hoe ondervangt hij eventuele verplaatsingseffecten? In de wetenschapstoets wordt ook gezegd dat het risico van verplaatsing wel opdoemt, zeker als je verkoop via aliassen online, maar ook via particulieren online, niet onder deze wet brengt.

Er zijn ook allemaal terechte vragen over de kringloopwinkel gesteld.

Tegen de achtergrond van onlineverkoop ook nog de volgende vraag. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt expliciet gezegd dat de registratieverplichting niet zou moeten afhangen van "de aard van het bedrijf, maar van de soort goederen". Tegelijkertijd lijkt dat niet helemaal consistent door te werken voor bijvoorbeeld particuliere verkopers of de andere organisaties die online verkopen. Hoe zit dat dan precies?

Dan het Adviescollege toetsing regeldruk. Het verbaasde me eigenlijk dat er bij de stukken geen toets van het ATR zat. We hebben dat adviescollege permanent gemaakt. De 500 te schrappen regels werden al genoemd. Ik had dus eigenlijk verwacht in de stukken die toets aan te treffen. Ik ben benieuwd of hierover in de afgelopen jaren contact is geweest met het ATR, of waarom dat niet gebeurd zou zijn.

Dan de Metaal Recycling Federatie, die eigenlijk zegt: vijf dagen bewaren is voor ons problematisch; het is onuitvoerbare regelgeving. Hoe wordt volgens de minister de balans tussen het behalen van het doel van de wet en de regeldruk die uit dat punt voortkomt nu goed getroffen in dit wetsvoorstel?

De Autoriteit Persoonsgegevens brengt opnieuw vragen onder de aandacht. Ze werden al aangehaald. Ik schaar me daarachter.

Alles wat mevrouw Martens-America over de BOVAG heeft gezegd, snap ik. Tegelijkertijd staat in de stukken dat onderdelen die verkocht worden er wel door worden afgedekt. Ik ben dus heel benieuwd naar de appreciatie van de minister op dat punt. Over de administratieve lasten wordt ook op dat punt weer — ik zeg het even huiselijk — gezegd: "Daar moet u zich niet te veel zorgen om maken. Daar is een voorgenomen webservice voor bedacht." Bij andere wetsvoorstellen heb ik me af en toe iets te rijk gerekend met de ICT-oplossing die bij de behandeling van die wetsvoorstellen in het vooruitzicht werd gesteld, ook een keer door mezelf. Ze bleken uiteindelijk minder makkelijk van de grond te komen. In welke mate zijn dat dus tien vogels in de lucht of is dat ding ook echt wel operationeel?

Tegen de achtergrond van de sympathieke amendementen op deze punten vroeg ik mij nog het volgende af. Ik hoop dat de minister daar in zijn termijn ook op kan reageren. Blijft er voldoende over als we die uitzonderingen maken? Hoe ziet hij dat?

Ten slotte nog het volgende, voorzitter. Ik schaar mij achter het amendement-Van Nispen over de voorhangbepaling. Ik heb zelf nog een evaluatie-amendement ingediend om die evaluatie iets specifieker en explicieter te laten ingaan op de punten die ook in de wetenschapstoets worden benoemd. Ik hoop dat de minister daarop kan reageren.

Dat gezegd hebbende kijk ik uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Sneller. Dan is het woord aan mevrouw Faber in de eerste termijn namens de PVV.

Mevrouw Faber (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Hoe verdorvener de staat, des te meer wetten. Dat is een citaat van de Romeinse consul Tacitus. Hoe toepasselijk is dat voor dit wetsvoorstel, dat in feite een vorm is van symptoombestrijding? Inbraak en andere vormen van diefstal zijn aan de orde van de dag. Dieven moeten die gestolen goederen kwijt. Geld is immers hun motivatie. Het begint vaak klein. Aangezien de pakkans en de straf laag zijn, gaat het van kwaad tot erger en schuiven daders steeds vaker op naar de rand van de samenleving, van heling, drugs en mensenhandel, om vervolgens af te glijden in een netwerk van criminaliteit. Laat justitie nou geïnteresseerd zijn in die netwerken. Dat zou een van de drijfveren zijn van dit wetsvoorstel.

Maar hoe is het zo ver gekomen? Het komt door slap beleid, open grenzen en gebroken gezinnen. Om dat aan de achterkant te repareren, is er nu een systeem opgetuigd waarin opkopers en handelaren een deel van de tweedehands en ongeregelde goederen moeten vastleggen. Zo moeten opkopers en handelaren zich nu al laten registreren in het Digitaal Opkopers Loket, afgekort DOL, tenminste, als de gemeente waarin je handel drijft dat voorschrijft. Hetzelfde geldt voor het Digitaal Opkopers Register, afgekort DOR, waarin bepaalde categorieën goederen geregistreerd dienen te worden. In het geval dat de gemeente dat voorschrijft, bepaalt het lokaal gezag welke goederen geregistreerd moeten worden en hoelang de bewaartermijn is.

Voorzitter. Het DOR en het systeem Stop Heling zijn aan elkaar gekoppeld. Zodra een goed ingevoerd wordt in het DOR, wordt er automatisch een check gedaan in Stop Heling. Dat is een systeem waarin burgers hun goederen kunnen registreren, ook als zij die nog in hun bezit hebben. Ik heb alleen niet de indruk dat veel burgers hier gebruik van maken. Laten we niet vergeten dat dit juist fundamenteel is voor het systeem, want als men deze goederen niet registreert in Stop Heling, dan stopt alles. Ik heb dus niet de indruk dat veel burgers hier gebruik van maken, want het risico bestaat dat deze gegevens bij de verkeerde personen terechtkomen. Voordat je het weet, wordt het systeem namelijk gehackt en weet het inbrekersgilde wie er dure spullen in huis heeft. Is er een hit, dan krijgt de politie een melding. Er moet dan binnen vijf werkdagen actie worden ondernomen. Dat is immers de voorgestelde bewaartermijn. Om te voorkomen dat de goederen in de handen van de volgende partij komen en uit beeld raken, is het gewenst dat de politie direct actie onderneemt. De grote vraag is: gaat de politie dit doen? Op dit moment zijn er namelijk geen cijfers bekend over de mate waarin hits leiden tot opvolging door de politie. Klopt dat, of zijn er nu wel cijfers beschikbaar? Hoeveel gestolen goederen zijn er weer teruggekomen bij de rechtmatige eigenaar? Als dit succesvol is, zijn er ook meer burgers bereid om hun waardevolle spullen te registreren. Campagne voeren voor het gebruik van Stop Heling heeft geen zin als het resultaat teleurstellend is. Graag een reactie van de minister.

De politie is al dusdanig overbelast dat zij in 2024 45.000 aangiftes niet in behandeling nam en 42.000 zaken vroegtijdig heeft beëindigd wegens capaciteitsgebrek. Dit betreft ook zaken als mishandelingen en zedenzaken. Denkt u nu echt dat de politie achter een staafmixer of een tosti-ijzer aan gaat, terwijl mishandelingen en zedenzaken op de plank blijven liggen? Deze apparaten hebben immers een stekker en een serienummer en moeten geregistreerd worden. Dit wordt zelfs opgelegd aan de kringloopwinkels, ook als deze om niet zijn verkregen. Het is toch niet aannemelijk dat gratis weggegeven goederen onderdeel zijn van crimineel handelen. In dat licht is het logisch dat de kringloopbedrijven die zijn aangesloten bij Branchevereniging Kringloop Nederland, BKN, niet verplicht zijn de identificerende persoonsgegevens van de aanbieder te registreren. Het kan ook voorkomen dat burgers goederen registreren in Stop Heling en dat deze goederen later een hit vormen in het DOR, terwijl ze niet gestolen zijn, maar zelf zijn weggegeven. Dan lijkt het op een valse bingo. Ook kan de situatie zich voordoen dat de hit komt uit de inboedel van een overleden persoon, waarbij de kinderen de inboedel naar de kringloop hebben gebracht. Of er wordt in Stop Heling aangegeven dat het goed is gekenmerkt als gestolen. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Terwijl de overheid juist recycling promoot, vraag ik mij af of dit wetsvoorstel het echt gemakkelijker maakt voor de kringloopwinkels. Aangezien het beleid per gemeente verschilt, rijst de vraag in hoeverre inzichtelijk is welk percentage van de kringloopwinkels momenteel al verplicht is gesteld via lokaal beleid. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Nu voert iedere minister zijn of haar eigen beleid. Snoodaards zoeken dan de gemeente op waar ze hun buit het beste kunnen slijten. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt een gelijk speelveld te creëren. Iedere opkoper en handelaar moet zich laten registeren in het DOL. Alle categorieën van goederen worden voorgeschreven middels een AMvB en moeten dan ook geregistreerd worden in het DOR. Ik vraag mij af of het lokaal bestuur na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog extra beleid kan toevoegen met bijvoorbeeld een algemene plaatselijke verordening of anderszins. Indien dat het geval is, vervalt het argument van een gelijk speelveld. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Uit de toelichting blijkt dat een groot deel van de opkopers en handelaren te goeder trouw zijn. Het zijn vooral de bonafide handelaren die meewerken en zich laten registeren. Zij geven ook aan dat er minder gespuis in hun zaak komt sinds zij de goederen registeren in het DOR. Zodra zij om ID-gegevens vragen, maken verdachte aanbieders zich snel uit de voeten. Maar het is mij niet duidelijk of de opkoper kan volstaan met enkel inzage in het ID-bewijs of ook het nummer van het ID-bewijs moet registeren. Dit omdat in artikel 437, eerste lid, onder b, is te lezen dat een opkoper of handelaar strafbaar is als die een gebruikt of ongeregeld goed van iemand verwerft zonder dat hij diegene een identiteitsbewijs ter inzage heeft laten aanbieden of zonder dat hij het nummer van het bewijs en de in dat bewijs vastgelegde identificerende persoonsgegevens in het bestand heeft verwerkt. Dus wat is het nu? Kan de minister dit nader duiden? Zit hier soms een lek?

Voorzitter. Dieven moeten toch hun gestolen goederen kwijt. Het aantal diefstallen neemt niet af. Deze goederen zullen dan via een andere weg van de hand worden gedaan. Het internet en sociale media zijn een sterk gegroeid afzetkanaal voor illegaal verkregen goederen, maar illegale handel vindt ook plaats binnen de horeca, garages of op het schoolplein. Ook kunnen handelaren een zogenaamde typefout maken bij het invoeren van het serienummer of goederen buiten de administratie houden. Opsporing hiervan is lastig, omdat de bevoegdheid tot binnentreden zonder vermoeden van een strafbaar feit niet zo ver gaat dat ze in kasten en laden mogen zoeken naar verborgen goederen. Zeker in de grensstreek is de kans reëel dat goederen hun weg vinden naar het buitenland. Binnen de EU is er incidenteel sprake van een registratieplicht, maar dat is niet vergelijkbaar met het Nederlandse registratiesysteem. Dat verklaart ook dat de politie geen signalen over gestolen spullen ontvangt via een digitaal inkoopsysteem uit het buitenland. Wel bestaat voor specifieke goederen de mogelijkheid tot internationale diefstalsignalering, zoals via het Schengen Informatie Systeem.

Voorzitter. De totale omvang van heling is moeilijk vast te stellen. Er wordt niet altijd aangifte gedaan van diefstal. Heling kan ook plaatsvinden buiten het beoogde systeem om. Ook binnen het systeem kunnen bewust fouten gemaakt worden om buiten zicht te blijven. Daarnaast kan het gebrek aan draagvlak onder de ondernemers het effect van het wetsvoorstel ondermijnen, zo is te lezen in de wetenschapstoets. Je kan een systeem optuigen, maar dan moet er ook capaciteit zijn om te handhaven, niet enkel door de politie, maar in de hele strafrechtketen. Gezien de grote werkdruk in de gehele strafrechtketen is de verwachting dat de prioriteit in de strafrechtketen elders ligt.

Voorzitter, ik rond af. Het is niet duidelijk wat het effect is van dit wetsvoorstel. Zoals de minister zelf ook aangeeft, is wel duidelijk dat de meeste handelaren en opkopers te goeder trouw zijn. Juist zij worden in de meeste gevallen belast met extra regeldruk, terwijl kwaadwillenden onder de radar blijven. De hamvraag is dan ook: wat is het doel van het wetsvoorstel nu? Is het om de burgers te helpen hun gestolen goed terug te krijgen of wil men de burger voor het justitiële karretje spannen om criminele netwerken in kaart te brengen?

Tot zover. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Faber.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Ik had wat andere woorden gekozen dan mevrouw Faber, maar volgens mij vinden we uiteindelijk grotendeels hetzelfde. Ik zou daar graag een heel klein beetje boven willen hangen. Per jaar hebben we namelijk 364.000 geregistreerde gevallen van diefstal en maar 7.000 geregistreerde gevallen van heling. Tegelijkertijd hoor ik mevrouw Faber ook heel terecht zeggen dat we grote tekorten hebben bij de politie. We zullen dus op zoek moeten naar wetten en manieren om hier wat aan te doen. Mevrouw Faber is tegen een hoop van wat we bespreken vanavond, maar wat zou voor de PVV dan een andere optie zijn om te zorgen dat we dit oplossen?

Mevrouw Faber (PVV):

Nou, kijk. Weet u? Als ik dat ga zeggen, begint de hele zaal weer te steunen. Dan zeg ik "grenzen dicht", want we importeren gewoon heel veel ellende. We zien ook in de strafrechtketen dat 69% van de gedetineerden een allochtone of migrantenachtergrond heeft. Nou ja, dat is het paradepaardje van ons, maar dat is natuurlijk wel een feit. Er blijven er maar binnenstromen. In Ter Apel loopt het helemaal over. Ik weet niet wie er allemaal aankomen vanuit Verweggistan, maar ik denk dat dat de beste oplossing is.

Ik denk niet dat mevrouw Martens-America daarop doelt, maar ik denk het volgende. Natuurlijk moet je de zaken aanpakken, maar we hebben gewoon een chronisch capaciteitstekort. Ik heb ook gezegd dat er tienduizenden zaken bij de politie blijven liggen. Daar zitten ook zware misdrijven bij. Daar zitten zedenzaken en geweldsmisdrijven bij. Laten we eerlijk zijn. Als ik de keuze heb om achter een tosti-ijzer of een zedendelinquent aan te gaan, kies ik wel voor die laatste. Dat is natuurlijk een beetje erg tegenovergesteld; dat begrijp ik ook wel. Ik ben natuurlijk ook tegen heling. Dat snap ik ook wel, maar ik zoals ik het nu zie, denk ik niet dat dit de oplossing is.

Er is namelijk ook een koppeling tussen het DOR en Stop Heling, dus op het moment dat ik mijn goederen daarin niet registreer, komt er ook nooit een hit. Ik moet ook eerlijk zijn: voordat ik met dit wetsvoorstel aan de gang ging, wist ik helemaal niet dat dat systeem van Stop Heling bestond. Laat staan dat je er dan iets in registreert. Ik vraag me ook af hoeveel mensen bekend zijn met het systeem. Op het moment dat het niet geregistreerd wordt in Stop Heling, gaat de hele boel op de helling. Dan kunnen we inrichten wat we willen, maar dan gaat het gewoon niet werken. Ik hoor dan dat er weinig goederen geregistreerd zijn in Stop Heling. Dat aantal moet bekend zijn; daar kan de minister misschien antwoord op geven. Dat is in verhouding heel laag. Er zijn namelijk 7.000 zaken van heling naar boven gekomen en 364.000 gevallen van diefstal. Ja, zijn die geregistreerd? Ik weet het niet.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank voor dit zeer uitgebreide antwoord. We zijn van "open grenzen" naar "stopheling.nl" gegaan. Ik wil toch nog heel even teruggaan. Ik ben namelijk op zoek en volgens mij is dat ook de toon waarop we dit debat hier voeren. Er zijn meerdere voorstellen ingediend, ook vanuit de Kamer, om het beter te maken. We hebben het over een aantal feiten, namelijk grote tekorten bij de politie. Ze gaan hopelijk niet achter een trimapparaat aan, zeg ik tegen de heer Van Dijk. Wat is het alternatief? Mijn vraag is heel simpel: wat is het alternatief om hieraan bij te dragen?

Mevrouw Faber (PVV):

Zoals ik al zei: laten we beginnen met de grenzen dicht te doen. Dan hou je namelijk een heleboel criminaliteit buiten de deur. Ik denk alleen niet dat dat het antwoord is dat u zou willen. Zoals ik het nu zie, denk ik niet dat dit iets gaat oplossen. Wel kan het nog veranderen, want ik sta er open in. Zoals ik al zei, valt en staat alles met de registratie in Stop Heling. Dat is een van de zwakke schakels. Stel dat iedereen het registreert, dan vraag ik me het volgende af. Ik mag de voorzitter er niet zomaar bij betrekken, maar heeft de voorzitter bij wijze van spreken zijn baardtrimmer daar dan ook in geregistreerd? Ik noem ook maar iets. We kunnen er een beetje om meesmuilen, maar de vraag is natuurlijk wel wie het nou geregistreerd heeft. Ik ga mijn staafmixer niet registreren. Het kost mij meer tijd om dat ding erin te stoppen. Ik moet het serienummer registeren. Het zijn zulke nummers, dus daar begin ik gewoon niet meer aan. Ik koop gewoon een nieuwe als die gestolen wordt. Het zet geen zoden aan de dijk. Als ik een schilderij heb van een half miljoen, dan ga ik dat echt niet registreren. Ik laat dat gewoon verzekeren. Maar ik heb dat niet, hoor, zeg ik voor de duidelijkheid en voordat iemand getriggerd wordt.

De voorzitter:

Nou, anders was ik wel even langsgekomen om te kijken, mevrouw Faber!

Mevrouw Faber (PVV):

Ja, dat begrijp ik!

De voorzitter:

Als kunstliefhebber had ik u dan zeker gebeld.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik denk dat we er nu zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Coenradie. Wil zij nog interrumperen of begint ze met haar bijdrage? Ze begint met haar bijdrage. Ze spreekt namens JA21 in de eerste termijn. Ik scheer mezelf trouwens met messen, mevrouw Faber. Gaat uw gang, mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter, ik ben zo ontzettend benieuwd naar de beantwoording van de diverse vragen die zijn gesteld.

Voorzitter. Vandaag spreken we na jaren eindelijk over het wetsvoorstel om heling, witwassen en vermogensdelicten beter aan te kunnen pakken. Dat wetsvoorstel is begin februari 2022 naar de Kamer gestuurd door de toenmalige minister van Justitie en Veiligheid. We zijn inmiddels twee Kamerverkiezingen en twee gemeenteraadsverkiezingen verder. Het blijft opmerkelijk dat een wetsvoorstel dat juist inzet op digitalisering en modernisering, meer dan vier jaar nodig heeft om plenair behandeld te worden. Ik vraag mij hardop af of dit niet ergens in het jarenlange proces beter had gekund.

Voorzitter. Ik ga over tot de inhoud van de wet. Als de senaat en de Tweede Kamer deze wet aannemen, gaan we, even plat gezegd, drie zaken anders of op een nieuwe manier regelen. We gaan over tot een landelijke digitale registratieplicht, we hebben dan een meldplicht bij gemeenten en er komt een bewaartermijn van vier jaar voor gegevens in het Digitaal Opkopers Register. Laat ik beginnen bij de landelijke digitale registratieplicht. Het is goed dat we met onze tijd meegaan en zaken digitaal en uniform gaan regelen. Met het DOR moeten gegevens makkelijker en sneller kunnen worden gekoppeld aan opsporingssystemen zoals Stop Heling. Hierdoor krijgt de politie betere informatie om gestolen goederen te traceren en verdachten op te sporen. Dat lijkt een goede ontwikkeling.

Wel heb ik hier nog enkele vragen over. Welke extra capaciteit en middelen zijn er beschikbaar voor politie en gemeenten om deze wet daadwerkelijk te handhaven? Het kabinet stelt dat digitalisering van het opkopersregister de handhaving efficiënter maakt en daarom binnen de bestaande capaciteit kan plaatsvinden. Digitalisering verplaatst echter vooral de administratieve lasten en vervangt niet het menselijke oordeel dat nodig is voor toezicht, controle en bewijsvoering. Hoe onderbouwt het kabinet concreet dat de digitalisering van het DOR leidt tot de daadwerkelijke vermindering van de benodigde handhavingscapaciteit, in plaats van een verschuiving van administratief werk naar tijdsintensieve analyse en opvolging door politie en gemeenten? Is dit objectief getoetst? Hoe verwacht de minister dat overtredingen in artikel 437, lid 1, onderdelen c en d, in de praktijk bewezen moeten worden? Het gaat daarbij onder meer om het inkopen van goederen van minderjarigen, persoonlijk die kennelijk onder invloed zijn en personen van wie men redelijkerwijs zou moeten vermoeden dat zij in een inrichting of een psychiatrisch ziekenhuis verblijven, zeker nu in de wet geen objectieve criteria of vastleggingsverplichtingen zijn opgenomen.

Dan wil kort ingaan op de regeldruk voor bedrijven. Die is al genoeg benoemd door mijn collega's. Het doel van de wet valt zeer te prijzen, maar die moet voor bonafide ondernemers niet tot onnodige lasten en regels leiden. Dat kan een dun lijntje zijn. Vandaar een aantal vragen hierover aan de minister. Hoe kan de minister stellen dat de regeldruk per saldo niet toeneemt, terwijl het wetsvoorstel leidt tot landelijke digitalisering, langere bewaartermijnen en uitgebreidere gegevensverwerking dan in veel gemeenten nu het geval is? Ik lees in de stukken rondom dit wetsvoorstel dat er geen mkb-toets is gedaan. Waarom eigenlijk niet? Is het mogelijk om dit, parallel aan het huidige proces, alsnog uit te voeren, bijvoorbeeld in combinatie met de definitieve AMvB?

De scope van de wet leidt bij sommige ondernemers of ondernemersbranches tot vragen. Slaat de wet niet door als het gaat om welke typen ondernemingen hieronder vallen? Voor wat betreft de niet-commerciële kringloopwinkels is het antwoord ja. Daarom steunen wij ook het sympathieke amendement van collega Diederik van Dijk om deze winkels uit te zonderen van deze registratieverplichting. Het is mooi om te zien dat dit amendement op breed draagvlak kan rekenen. Wel heb ik over de scope van de wet een aantal vragen. De Metaal Recycling Federatie stelt dat vooral contante inkopen van diefstalgevoelige metalen risico's op heling opleveren, terwijl bulkstromen in de professionele metaalrecyclingsector al goed herleidbaar zijn via bestaande geld- en goederenstromen. Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om ook deze bulkstromen onder het DOR-regime en de vijfdaagse bewaarplicht te brengen? Hoe beoordeelt het kabinet de door de MRF, oftewel Metaal Recycling Federatie, geuite zorgen dat de verplichte registratie van NAW-gegevens van beroepschauffeurs die schroot vervoeren, mogelijk disproportioneel is in verhouding tot het doel van de wet?

Hoe rechtvaardigt de minister dat merkkleding, ondanks de omvangrijke helingsmarkt, buiten de registratieplicht blijft vanwege bewijs- en herleidbaarheidsproblemen, terwijl tegelijkertijd geen alternatief model voor toezicht of handhaving wordt ontwikkeld? Creëren we hiermee niet het risico dat criminelen uitwijken naar een markt waarvan bekend is dat toezicht en bewijsvoering beperkt is? Zou het niet beter zijn om binnendoor meer op patronen te handhaven, door niet te registreren op elk shirt, maar door te kijken of iemand structureel veel verdachte partijen koopt? Normale kledingzaken raak je hier niet mee, omdat je alleen kijkt naar tweedehandsinkoop van particulieren en pas ingrijpt bij extreme en herhaalde afwijkingen. Graag een reactie van de minister.

Tot slot. Het kabinet erkent zelf dat een groot deel van de helingsmarkt inmiddels online plaatsvindt. Waarom krijgen platforms zoals Marktplaats en Vinted dan ogenschijnlijk geen enkele signalerings- of zorgplicht, terwijl juist zij zicht hebben op verdachte handelsstromen en patronen?

Voorzitter. Wij zien de wet als een stap in de goede richting voor wat betreft de strijd tegen heling, witwassen en handel in gestolen goederen. We zijn blij dat we met een uniform digitaal systeem eindelijk met onze tijd meegaan. Gezien onze vragen hebben wij nog wel wat vraagtekens rondom de uitvoering, de regeldruk en de scope van de wet, met name voor wat betreft de onlinemarkt. Ik wil ervoor waken dat we achter de feiten aan blijven lopen en in de toekomst hier weer staan om over het probleem te praten, maar dan over onlineplatforms.

Tot zover.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik heb een vraag aan mevrouw Coenradie, want mevrouw Coenradie weet ook dat de politie gebrek heeft aan capaciteit. Ze heeft altijd warme woorden voor de politie, maar wat denkt mevrouw Coenradie nou zelf? Weinig capaciteit wil je inzetten voor de zwaarste zaken. Zou het dan niet logisch zijn dat de politie de capaciteit eerder inzet voor zware geweldsdelicten, in plaats van achter dat tosti-ijzer aan te gaan?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Deze wet nu reduceren tot iets dat alleen de heling van een tosti-ijzer aanpakt, vind ik te kort door de bocht. Ik heb begrepen dat de politie dit aanmoedigt, dat men blij is dat deze wet hier wordt besproken en dat we hier inmiddels, vier jaar later, hopelijk stappen in kunnen maken. Ik vind het niet goed als wij zeggen: de politie is er wel voor hele zware zaken, maar de zaken waarvan wij hier bepalen dat die iets lichter zijn, die moeten we maar even buiten de handhaving houden. Als het gaat om de capaciteit van de politie, dan vind ik dat we dat gesprek zeker op een volwaardige manier moeten voeren. Hoe zetten we die capaciteit in en welke prioriteiten geven we daaraan? Maar dat betekent niet dat wij hier vooraf al een selectie moeten maken van wat we wel oké vinden en wat niet. Dit is strafbaar. Mijns inziens kun je alleen maar zeggen dat iets strafbaar is als je vervolgens ook zegt: we gaan hierop handhaven en we gaan hier daadwerkelijk wat mee doen. Anders heeft deze hele wet of de strafbaarstelling daarvan geen enkel nut.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik ben het er ook helemaal mee eens dat je moet handhaven, maar de vraag is: gaat er gehandhaafd worden? Daar heb ik namelijk gewoon sterke twijfels over. Dan is het ook nog zo dat als de goederen niet geregistreerd worden in Stop Heling, het gewoon ophoudt! Ik heb nou niet het idee dat burgers er warm voor lopen om dat allemaal te registreren. Is mevrouw Coenradie het met mij eens dat op het moment dat er niet geregistreerd wordt in het systeem Stop Heling, in feite het hele systeem op de helling gaat?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dat is een beetje hetzelfde als wanneer er iets van jou gestolen is, je vervolgens geen aangifte doet, of dat je iets overkomt en je geen aangifte doet. Ik vind dat op het moment dat we hier met elkaar praten over dat we dit niet willen — daarom zijn we op dit moment met de minister in gesprek en hebben we een wet voorhanden — we het gewoon met elkaar moeten uitvoeren. Dat betekent ook dat als je wilt dat dat bekend wordt bij het grote publiek — dat is dan blijkbaar niet zo, zoals ik ook eerder in de bijdrage van mevrouw Faber hoorde — je daar ook aan zal moeten werken, zodat mensen de weg weten te vinden. Daar is dit debat voor. Er zijn allerlei manieren om dat naar buiten te brengen. Misschien kan de minister ook iets zeggen over de vraag hoe we mensen zover krijgen dat ze de weg naar Stop Heling weten te vinden, zodat wanneer er sprake is van heling, ze daar vervolgens ook de informatie in stoppen.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Faber (PVV):

Ja, afrondend. Dan kan ik dus wel concluderen dat het van belang is dat alle goederen in Stop Heling worden geregistreerd, en dat het anders, als het er niet in staat, toch ophoudt.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Het begint met de bekendmaking van wat heling is. Datzelfde geldt voor aangifte doen, als je wilt dat er mogelijk een vervolging uit komt of dat de politie iets oppakt. Het begint met dat mensen in ieder geval aangifte doen of ergens melding maken van dit gegeven.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Coenradie. Dan is het woord aan mevrouw Schilder voor haar bijdrage namens Groep Markuszower in de eerste termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u wel. Veel is al gezegd door mijn collega's, dus ik zal proberen het kort te houden.

Laat ik beginnen door te zeggen dat DNA het doel van deze wet begrijpt. Niemand wil dat gestolen spullen worden doorverkocht of dat heling criminaliteit in stand houdt. Een begrijpelijk doel betekent echter niet automatisch dat de gekozen oplossing de juiste is. Er wordt gedaan alsof deze wet vooral een technische update van bestaande regels is, maar dit is te makkelijk voorgesteld. Het huidige systeem draait grotendeels om lokale toepassing. Dit wetsvoorstel gaat, met een landelijk, uniform systeem waarin gegevens centraal toegankelijk worden voor opsporingsinstanties en waarin koppelingen worden gemaakt met databanken als Stop Heling, veel verder. Juist omdat veel gemeenten al met het DOR werken, roept dat voor DNA extra vragen op. Wij lezen vooral verwachtingen en aannames, maar we zijn nu een aantal jaar verder, dus ik vraag aan de minister: waar blijven de harde cijfers die aantonen dat deze landelijke uitbreiding daadwerkelijk leidt tot minder criminaliteit? Kan het kabinet concreet aantonen in hoeverre vermogensdelicten in gemeenten met het DOR zijn teruggedrongen ten opzichte van gemeenten zonder dit systeem?

Voorzitter. Ook vanuit de sectoren zijn stevige zorgen geuit. Zij krijgen namelijk te maken met een enorme administratieve last. Dit zijn geen organisaties die criminaliteit willen beschermen. Het zijn sectoren die zeggen: zorg dat er regelgeving is die werkbaar en proportioneel blijft.

Op het gebied van privacy en proportionaliteit hebben wij serieuze vragen. Opnieuw zien we een wet waarbij het antwoord op een veiligheidsprobleem vooral wordt gezocht in meer registratie, meer gegevensverwerking en meer digitale controle. Deze registraties moeten nota bene worden uitgevoerd door burgers, die er met deze registraties voor zorgen dat de overheid criminelen beter kan bestrijden. Veruit de meeste van die gegevens worden opgeslagen en gekoppeld aan een centraal toegankelijk systeem. Deze gegevens behoren voor het grootste gedeelte toe aan onschuldige burgers. Ik vraag de minister welke meetbare resultaten het kabinet van deze wet verwacht en op basis van welke cijfers men ervan overtuigd is dat deze verregaande vorm van digitale gegevensregistratie, de lange bewaartermijn en de controle noodzakelijk en vooral ook proportioneel zijn. Want het kabinet presenteert deze wet alsof die automatisch zal leiden tot minder criminaliteit.

Juist hier zit voor mijn fractie de kern van het probleem. Want wie gaat zich daadwerkelijk houden aan deze regels? Dat zijn de bonafide handelaren en opkopers, de ondernemers die zich nu ook al aan de regels houden. Mensen die bewust gestolen goederen inkopen en doorverkopen, gaan die goederen natuurlijk niet netjes registreren in een systeem van de overheid. Die gaan zich niet vrijwillig zichtbaar maken voor opsporingsinstanties. Criminelen passen zich aan, zoeken andere routes en blijven buiten beeld opereren.

Er is gewezen op het risico dat de handel zich verplaatst naar onlineplatforms of buitenlandse markten. Dat lijkt ons geen vergezocht scenario. Misschien was dat het nog wel toen deze wet ooit is ingediend, maar in 2026 is dat allang niet meer het geval. Daarom vraag ik de minister: hoe effectief is deze wet als de verwachte verschuiving naar onlineplatforms en naar het buitenland nog meer dan nu al het geval is plaatsvindt?

Voorzitter. De meest fundamentele vraag aan de minister is hoe groot de daadwerkelijke pakkans is. Deze wet staat of valt uiteindelijk met toezicht en controle. De vraag is alleen of de politie en gemeenten daar wel voldoende capaciteit voor hebben. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de wet ook daadwerkelijk gehandhaafd wordt? We weten immers allemaal hoe groot de druk op de politie is. Gemeentes kampen eveneens met een beperkte handhavingscapaciteit. Tegelijkertijd lezen we dat er beperkt inzicht bestaat in de landelijke cijfers over controles, sancties en daadwerkelijke handhaving onder het huidige systeem. Daarom vraag ik de minister: leidt deze wet daadwerkelijk tot substantieel minder criminaliteit?

Voorzitter. Onze fractie is daar op dit moment nog onvoldoende van overtuigd. Want als de handhaving beperkt is en kwaadwillenden zich eenvoudig aan registratie kunnen onttrekken, dan komen de lasten van deze wet alleen terecht bij de ondernemers die wél bereid zijn zich aan de regels te houden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 19.30 uur, waarna we gaan luisteren naar de beantwoording van de zijde van het kabinet in de eerste termijn. De vergadering is geschorst tot 19.30 uur.

De vergadering wordt van 18.38 uur tot 19.30 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister voor zijn beantwoording in eerste termijn. Wellicht kan hij ons meenemen in de wijze waarop hij zijn beantwoording heeft gestructureerd.

Minister Van Weel:

Voorzitter, met alle plezier neem ik u mee in de wijze waarop ik mijn beantwoording heb gestructureerd. Allereerst dank aan de leden voor hun inbreng in de eerste termijn over een wetsvoorstel dat natuurlijk al even in voorbereiding is en dat wij nu uiteindelijk behandelen. Ik zal daar zo inhoudelijk op ingaan. Ik zal beginnen met een inleiding. Dan heb ik een blokje over de meerwaarde van dit wetsvoorstel. Daar was een aantal vragen over. Dan komt de reikwijdte, daarna de uitvoering en ten slotte de privacy en gegevensverwerking. Daarna zal ik aan het einde van mijn termijn de ingediende amendementen appreciëren.

Voorzitter. Mijn inleidende spreektekst. Ik ben blij dat we vandaag dit wetsvoorstel behandelen. Ik ben namelijk echt van mening dat dit wetsvoorstel een belangrijke bijdrage zal leveren aan de bestrijding van heling, witwassen en vermogensdelicten zoals diefstal. Het wetsvoorstel doet dit door landelijke uniformering en digitalisering van in principe al bestaande verplichtingen voor opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen. Deze verbeteringen dragen eraan bij dat de afzetmarkt voor criminelen wordt verkleind en dat opkopers en handelaren die te kwader trouw zijn en malafide aanbieders van gebruikte of ongeregelde goederen sneller tegen de lamp lopen en kunnen worden vervolgd en berecht. Ook voor de aanpak van ondermijning is dat van belang. De hier genomen maatregelen dragen er ook aan bij dat plegers van vermogensdelicten en witwassen beter kunnen worden opgespoord en dat personen van wie goederen zijn gestolen, die goederen ook weer kunnen terugkrijgen.

Om hiervan meteen een heel recent voorbeeld te geven: gisteren verscheen het bericht in de media dat de politie iemand heeft aangehouden die voor ongeveer €67.000 aan gouden sieraden bij goudinkopers in Rotterdam verkocht. Van in ieder geval een deel van deze sieraden staat nu al vast dat die zijn gestolen. De vrouw, in dit geval een zorgmedewerker, wordt ervan verdacht deze sieraden te hebben gestolen van cliënten. Ook wordt ze verdacht van het witwassen van deze sieraden. Zij kwam inderdaad in beeld na een controle van het digitale opkopersregister bij een goudinkoper. In Rotterdam wordt namelijk al met het digitale register gewerkt. Natuurlijk moeten we nog afwachten hoe het verdergaat in deze zaak, maar ik denk wel dat het een sprekend voorbeeld is van dat er bij een opkoper die te goeder trouw is waarschijnlijk bij individuele transacties geen alarmbellen afgaan, maar waardoor er door het feit dat er een match ontstaat met stopheling.nl een belangrijke bijdrage geleverd kan worden. Ik kom straks nog terug op de vraag of mensen dat wel of niet invullen.

Daaraan wil ik meteen koppelen dat dit is waarom ik meerwaarde zie in het uniformeren en digitaliseren van wat nu al in delen gebeurt. Dit register bestaat al, maar op dit moment staat het gemeenten nog vrij om dat op een andere manier, zelfs op papier, in te vullen. Dit voorbeeld geeft al aan dat als je dit op papier zou moeten matchen, de kans dat iemand op deze manier tegen de lamp loopt een stuk kleiner is. Tegelijkertijd zijn dat ook weer administratieve lasten voor gemeenten, die al die papieren moeten gaan controleren, matchen et cetera, terwijl deze handel zich natuurlijk landelijk afspeelt, zo niet internationaal. Dus het automatisch kunnen matchen van systemen, het hebben van een automatisch register, is eigenlijk voor gemeenten een verlichting. Daarom zie je dat grotere gemeenten die daar al wel de middelen voor hadden, dit wel hebben ingericht. Hiermee ben ik van mening dat we ook kleinere gemeenten een verlichting van administratieve lasten geven. Op het moment dat die opkoper eenmalig geregistreerd staat — daar hebben we ook een centraal register voor, het DOL — houdt voor de gemeente namelijk de administratieve last op, kunnen de opkoper en de handelaar zelf hun informatie invullen en registeren in het onlinesysteem, en vindt daar de automatische toets plaats met Stop Heling, waarbij uiteindelijk notificaties terechtkomen bij de politie. Het is 2026 en velen van u zeiden het al: het is dus eigenlijk een proces dat op papier al bestond op basis van de oude wet nu naar 2026 brengen, waarin we dit gewoon digitaal kunnen doen en hopelijk matches kunnen hebben.

Ik ben dan ook van mening dat dit een aantal vormen van verlichting gaat brengen in de administratieve lasten, bijvoorbeeld voor de metaal- en de kunstbranche, de voertuigenbranche en de kringloopwinkels. Waarom is dat? Omdat alleen nog maar de goederen die we bij AMvB aanwijzen als diefstalgevoelige goederen onder de registratieplicht vallen, terwijl nu in principe alles onder die registratieplicht valt. De registratieplicht vervalt dus voor goederen die geen waarde hebben in het economisch verkeer en om niet worden aangeboden om als afval te worden vernietigd of te worden gerecycled. Dat is meteen een antwoord op de vraag van de heer Diederik van Dijk, maar ik kom nog uitvoeriger terug op dat punt.

Daarmee wil ik meteen doorstappen naar het wetsvoorstel en de meerwaarde daarvan.

Mevrouw Faber (PVV):

De minister geeft aan dat het een al bestaand systeem is. Er werd in het verslag gevraagd bij hoeveel gemeenten dat DOR nou verplicht is. Uit de nota naar aanleiding van het verslag bleek dat het maar bij 56% van de gemeenten verplicht is. Daar kom ik uiteindelijk op uit. Daar zou je toch haast uit concluderen dat een kleine helft van de gemeentes daar dus geen brood in ziet.

Minister Van Weel:

Zo zou je dat kunnen zeggen, maar dat is te kort door de bocht. Dat kan ook zijn omdat die gemeenten er gewoon niet aan toe zijn gekomen om dit op een goede manier te regelen in een lokale verordening of in hun apv. Daarmee laten ze een opkoper of een handelaar "wegkomen" met een papieren registratie van goederen. Als je daar iets uit wil halen, dan zou dat uiteindelijk vereisen … Stel dat ik hier papier heb liggen, met alle goederen die ik heb opgekocht en de kenmerken daarbij, en u komt niet langs om dat te controleren of om dat langs een database te houden. Dat gebeurt natuurlijk niet bij kleine gemeenten, want waarom zou je daar je politiecapaciteit dan wel opsporingscapaciteit of anderszins aan opofferen, maar dan mis je dus ontzettend veel. Mijn mening is dat die gemeenten ons dankbaar gaan zijn dat ze nu gewoon de aansluiting bij het DOR vinden. Dat ontlast hen namelijk. Zij hebben daar geen werk aan. De registraties van de handelaar daarentegen belanden nu in een landelijk systeem.

U vroeg zich af of mensen dat wel invullen, en of Stop Heling nou wel wordt gebruikt. In 2025 ging het om 9.500 hits; 9.500 matches van goederen die dus geregistreerd stonden als gestolen en die een hit hebben met registraties in het DOR. Als we die andere helft van de gemeentes ook zover krijgen dat alle handelaren die in die gemeentes zitten dat DOR vullen, dan kunt u zich voorstellen dat die database groter wordt, dat het aantal hits daarmee naar verwachting groter wordt en dat we dus meer zaken en meer criminaliteit kunnen oplossen. Dat allemaal zonder arbeid, want de arbeid komt pas kijken op het moment dat er een notificatie komt, want dan moet de politie natuurlijk langskomen om daadwerkelijk het goed in beslag te gaan nemen en aan verdere strafrechtelijke vervolging te doen.

Mevrouw Faber (PVV):

Nou wordt het wel interessant, want de minister geeft aan: 95.000 hits.

Minister Van Weel:

Nee, 9.500.

Mevrouw Faber (PVV):

195.000?

Minister Van Weel:

Nee, 9.500.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik vond het al zoveel. Ik dacht al: nou, dat zet wel zoden aan de dijk. Oké, het is 9.500. Maar aan hoeveel van die hits is opvolging gegeven? Daar waren namelijk geen cijfers van bekend. Het is natuurlijk wel belangrijk om die te kennen.

Minister Van Weel:

Dat wordt dus op die manier niet geregistreerd, behalve in één geval: in Amsterdam. Daar hebben we dat gezien. Ik kom er straks uitgebreider op terug, maar uit mijn hoofd zeg ik: 244 van de 273 hits zijn opgevolgd en hebben geleid tot het teruggeven van gestolen goed. Dan is dus rond de 85%.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Faber (PVV):

Dan heeft u het alleen over de stad Amsterdam, maar dat is maar één gemeente. Waarom wordt het dan niet bij die andere gemeenten bijgehouden? Dan vraag ik mij wel af in hoeverre dat prioriteit heeft in die andere steden. Het valt in ieder geval niet te bewijzen dat men actie onderneemt.

Minister Van Weel:

Nou, het wordt niet geregistreerd, maar dat wil niet zeggen dat de politie geen actie onderneemt. De enige stad waar men daadwerkelijk geregistreerd heeft hoeveel hits er in een bepaalde periode zijn afgehandeld en hoeveel er hebben geresulteerd in het teruggeven van een goed — dat is dus een heel hoog percentage — is Amsterdam geweest. Daarmee is niet gezegd dat de politie geen opvolging zou geven aan hits van andere gemeenten. Daar is het gewoon niet op die manier geregistreerd.

De voorzitter:

Mevrouw Faber, ik had eigenlijk gezegd: afrondend. Heel kort dan.

Mevrouw Faber (PVV):

Heel kort. Is de minister dan niet van mening dat we zouden moeten kijken of er ook daadwerkelijk opvolging aan gegeven wordt? Want dan weten we waar we mee bezig zijn en of het zoden aan de dijk zet.

Minister Van Weel:

Ja. Ik kan dat dus nu al zeggen voor Amsterdam. Ten tweede … Daar komt die bewaartermijn … Ja, alles gaat door elkaar heen lopen op een gegeven moment, voorzitter, als je zo'n wetsvoorstel behandelt, maar dat is ook het mooie daarvan, want het hangt ook allemaal samen. Daarvoor heb je die bewaartermijn van vijf dagen nodig, om de politie wel de tijd te geven om ergens in het schema de tijd te vinden om ook daadwerkelijk daarheen te gaan en daar opvolging aan te geven. Dat is ook meteen waarom we menen dat, hoewel we ergens sympathie hebben voor de metaalbranche, we dat uniform moeten gaan maken. Gemeenten vullen dat nu zelf in, en dat loopt uiteen van drie tot veertien dagen. Dat geeft weer een ongelijk speelveld voor handelaren en opkopers. En dat willen we juist graag gelijktrekken.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik ben nog steeds een beetje op zoek naar de effectiviteit en de proportionaliteit. Ik weet dat dat gedurende het debat zeker nog meer aan de orde komt. In dat licht begon de minister met best wel een sprekend voorbeeld van een zorgmedewerker die sieraden van cliënten doorverkocht. Daarbij was er sprake van heling, maar in hoeverre is een dergelijk voorbeeld maatgevend voor de totale aanpak die nu wordt voorgesteld, is dan mijn vraag.

Minister Van Weel:

We weten allemaal dat we te maken hebben met beperkte opsporingscapaciteit. Tegelijkertijd weten we dat dit soort high-impact crimes veelvuldig voorkomen. Alleen al in mijn eigen straat — ik ga het adres hier niet noemen — zijn het afgelopen kwartaal vier of vijf spiegels van auto's af gehaald om vervolgens verkocht te worden op de markt. Twee auto's zijn helemaal uit de straat verdwenen. Dit is het soort criminaliteit dat impact heeft op het leven van mensen. We willen ook niet dat we daar niets aan doen in onze rechtsstaat. We moeten er dus opvolging aan geven.

Stel dat u me dan vraagt op welke manier we er opvolging aan gaan geven. Willen we dat agenten, vingerafdrukken zoekend op de auto's waar de spiegels vanaf zijn gehaald, kijken of daarmee inderdaad opeens iemand gevonden kan worden? Willen we daarvoor een strafrechtelijk onderzoek inzetten, met een opsporingsteam? Nee, zeg ik dan in alle eerlijkheid. Ik denk niet dat dat is hoe we onze schaarse opsporingscapaciteit willen inzetten.

Dan ga je dus op zoek. Hoe kun je nou wél voor gerechtigheid zorgen in het geval van heling? Hoe kun je het nou zo moeilijk mogelijk maken voor de mensen die gestolen goederen proberen weg te zetten in de markt? Dat kan door de afzetmarkt zo klein mogelijk te maken. Hoe maak je de afzetmarkt zo klein mogelijk? Door te zorgen dat je checks-and-balances en waarborgen hebt op de portalen waar de goederen mogelijk doorheen gaan. Die portalen zijn primair professionele mensen. Want dat zeg ik al meteen in reactie op wat er gezegd wordt over een kom soep van minderjarigen: het gaat om mensen die het als beroep uitoefenen. Zij dienen zich dus als handelaar te registreren. Het gaat niet om iedereen die op een rommelmarkt staat. Die kanalen probeer je te reguleren. Hoe doe je dat? Door een match te hebben tussen goederen die daardoorheen gaan en goederen waarvan je weet dat ze gestolen zijn. Door dat te doen en door het te koppelen aan een verplichting om de identiteit te noteren bij degene die de goederen aanbiedt, kun je bij opkopers al heel snel malafide aanbieders van gestolen goederen eruit filteren. Dat is nou precies wat er gebeurd is met deze mevrouw. Wat mij betreft hebben we hier dus een arbeidsextensieve manier gevonden om dat belangrijke kanaal van heling op een eenvoudige manier dicht te zetten. Bovendien voegen we door de wetsvoorstellen die we hier doen niets toe aan de plichten die al bestonden. In sommige gevallen werden die heel versnipperd, heel verschillend of op een hele ondoelmatige manier ingevuld. Ik noem bijvoorbeeld de papieren registratie van geregistreerde goederen. Daar kan natuurlijk nooit iemand naar kijken.

Als u mij dus vraagt wat het grote nut en de meerwaarde hiervan is, zeg ik het volgende. Ik denk echt dat we die kanalen dicht kunnen zetten op de meest efficiënte manier en met de minst mogelijke opsporingscapaciteit, terwijl we toch voor gerechtigheid zorgen voor de mensen die gewoon hun spullen terug willen.

De voorzitter:

De antwoorden mogen iets bondiger, zeg ik de minister.

Minister Van Weel:

Excuus.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik volg het, zeker als je daarmee slachtoffers helpt om hun goederen terug te krijgen en als je, zoals in dit geval, opsporing helpt. Aan de andere kant is de zorg van velen van ons vandaag: Schiet je niet met een kanon op een mug? Streef je daarmee niet je doel voorbij? In dat licht is mijn vraag dan ook als volgt, zoals ik in mijn bijdrage heb gesteld. Het is van belang om bij de gemeenten die dit al uitvoeren, om inzichten te vragen over hoe het in de praktijk werkt. Is die nulmeting er dus ooit geweest, zodat je met dit wetsvoorstel tot goeie voorstellen kunt komen?

Minister Van Weel:

Natuurlijk gaan we de effectiviteit van dit wetsvoorstel meten. Ik denk dat het voorbeeld dat ik net noemde, al een heel sprekend voorbeeld is. Maar ik noem ook de aantallen: 9.500 hits door het DOR. Tja, schaf het maar af. Dan los je dus 9.500 zaken minder op. Van al die zaken doen mensen aangifte, maar de politie kan daar natuurlijk nooit actief iets mee doen. We gaan onze opsporingscapaciteit niet inzetten voor een gestolen ketting. Alleen al daarmee zie ik de meerwaarde van een centraal nationaal register. Nogmaals, die registratieplicht bestaat al. Elke handelaar, elke opkoper, moet nu al registreren wat hij aan goederen inkoopt, gecombineerd met een bewaartermijn die er alleen maar is om te zorgen dat we de politie niet bij nacht en ontij belasten met spoedmeldingen, maar dat zij ook de tijd heeft om dit op te kunnen volgen. Het schrikt ook af. Helers weten dat zij traceerbaar zijn als ze hun identiteit moeten afgeven op het moment dat zij bepaalde goederen verkopen bij een opkoper. Dat is precies wat we willen. De goedwillenden vinden dat niet erg.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Naderhand de effectiviteit onderzoeken is het antwoord op een andere vraag dan mijn vraag. Ik vroeg namelijk: wat heb je vooraf gedaan, ook op het punt van de nulmeting, uitvraag doen bij gemeenten en vragen waarom een aantal gemeenten een dergelijk register juist niet in hun apv hebben opgenomen? Dat had namelijk wat meer handvatten gegeven of inzichten verschaft waar wij als Kamerleden ook iets mee hadden kunnen doen. Wellicht wil de minister daar nog even op reflecteren of reageren.

Minister Van Weel:

Door de lange tijd dat dit wetsvoorstel er heeft gelegen, zijn we eigenlijk in de unieke gelegenheid dat er überhaupt al gegevens bestaan over een verplichting die nog helemaal niet bestaat, namelijk over het DOR en over het DOL. Een aantal grote gemeentes hebben dit wel opgepakt, omdat de problematiek daar groter is en omdat ze meer mankracht hebben gehad om dit daadwerkelijk om te zetten in apv's, lokale verordeningen et cetera. Ik zie het eigenlijk meer als een service, waarbij we dit niet meer bij alle individuele gemeentes leggen, maar waarbij we dat centrale register tot de norm maken. Dat heeft voor kleine gemeentes dus heel weinig impact. Dat gaat eigenlijk om die eenmalige registratie. Het CCV gaat hen ook nog helpen om dit desgewenst te implementeren, waarbij de database, waarvan we nu al kunnen zien dat die effect heeft — ook wat problemen, die we proberen op te lossen — eigenlijk bijna verdubbelt in de statistieken van mevrouw Faber.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik wil toch nog even doorgaan op die regeldruk en de toenemende administratieve lasten. Het valt mij op dat de minister zegt dat het allemaal over bestaande verplichtingen gaat, dat het dus allemaal niet zo nieuw is en dat het een kwestie van uniformeren en bij elkaar schuiven is; dat kwamen we ook vaak tegen in de schriftelijke ronde. Is dat niet een klein beetje een theoretisch antwoord? Want is het voor de huidige praktijk niet kenmerkend dat er geen sprake is van een consequente naleving van die verplichtingen en dat het letterlijk een papieren werkelijkheid is? Als we nu met dit wetsvoorstel doorgaan, ga ik ervan uit dat er sprake is van een consequente naleving van alle verplichtingen en registratieplichten en dat dat dus wel degelijk tot een flinke verzwaring voor de gebruikers en de betrokkenen kan leiden.

Minister Van Weel:

De heer Diederik van Dijk suggereert nu dat de wet niet wordt nageleefd — dat weiger ik als minister van Justitie als waarheid te accepteren — en dat het wel naleven van de wet onwenselijk zou zijn omdat dat zou leiden tot een verhoogde registratiedruk. Nogmaals, die registratieplicht bestaat al. Als boa's of politieagenten nu in een willekeurige gemeente bij een opkoper langsgaan, kunnen zij ook vragen om die registratielijst. Het probleem is dat de lijst niet uniform is en dat die inderdaad daadwerkelijk papier kan zijn, maar ze kunnen daadwerkelijk boetes uitschrijven als die registratie niet op orde is. Dat gebeurt ook. Natuurlijk zal de wet niet overal worden nageleefd. Dat wordt makkelijker met de manier waarop we het hier regelen, omdat die meer uniform is, omdat die centraal is en omdat duidelijk opvalt wie dit wel of niet doet. In die zin is het makkelijker voor de wetgever en de handhavingsinstanties om hier toezicht op te houden, maar netto is dit geen verzwaring ten opzichte van de verplichtingen die er waren en die er komen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik hoor wat de minister zegt. De geluiden die ik gehoord heb, geven aan dat er nu toch veel meer sprake zou zijn van een papieren werkelijkheid dan waar we nu naartoe gaan en dat dat een verzwaring zou zijn. Voor het overige geldt in ieder geval ook dat er nu een heel aantal goederen onder die verplichting gaan vallen die nu, als ik het goed heb begrepen, nog niet onder andere verplichtingen vallen.

Minister Van Weel:

Eigenlijk perken we het juist in door nu met een AMvB aan te geven welke goederen we er wel onder willen laten vallen. Hoe heette het ook alweer? De neus…

De heer Diederik van Dijk (SGP):

De neustrimmer.

Minister Van Weel:

O ja, de neustrimmer. Dank; ik was het woord even kwijt. Ik stel me niet voor dat die daarop terechtkomt. Het gaat dus echt om diefstalwaardige goederen. Juist daarmee verkleinen we de bandbreedte van het soort goederen en het aantal goederen dat daadwerkelijk moet worden geregistreerd.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb nog een opvolging op de vraag die mevrouw Faber zojuist stelde. De minister suggereerde net dat de effectiviteit blijkt uit het aantal hits, maar aan die hits moet ook opvolging gegeven worden en daar hebben we eigenlijk heel weinig gegevens over, behalve dan van de gemeente Amsterdam. Als we de werking van deze wet willen kunnen toetsen, welke stappen kan de minister dan zetten om die gegevens ook bij andere gemeentes inzichtelijk te maken, zodat we in ieder geval achteraf kunnen kijken aan welke van die 95 hits — hopelijk worden dat er meer — opvolging is gegeven buiten Amsterdam?

Minister Van Weel:

9.500 hits. Nogmaals, dat is echt significant. Dat zijn 9.500 goederen die gestolen zijn, waarvan aangifte is gedaan en die weer teruggekomen zijn zonder dat er opsporingswerk aan te pas is gekomen. Dat vind ik echt een significant getal. Als je kijkt naar de gemeenten waar wel onderzocht is hoeveel er is opgevolgd, dan zie je percentages boven de 80% aan daadwerkelijk teruggekomen goederen. Ik vind dat goed. Desondanks moeten we natuurlijk gaan meten wat het netto-effect is van de invoering hiervan. Dat zit 'm in de hits, maar dat zit 'm ook in de opvolging die daaraan gegeven wordt en waarin het uiteindelijk heeft geresulteerd. Hoeveel helers zijn er bijvoorbeeld aangepakt, hoeveel goederen zijn er teruggekomen, hoeveel manuren heeft dat de politie gekost et cetera? Ik kan me zomaar voorstellen dat we dat bij de evaluatie van de wet daadwerkelijk als een meetpunt gaan meenemen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ja, want die verplichting om ook daadwerkelijk de opvolging te registreren volgt nu niet uit de wet. Is dat een taak van de politie of van de individuele gemeentes? Hoe ziet de minister dat voor zich?

Minister Van Weel:

Daar wil ik niet op vooruitlopen, maar ik kan me voorstellen dat wat de gemeente Amsterdam nu heeft gedaan, dus daadwerkelijk kijken naar de hits en naar wat daarmee gedaan is, wel informatie is die we willen hebben, ook graag op landelijk niveau.

Mevrouw Faber (PVV):

Een verhelderende vraag aan de minister, om het even duidelijk te hebben: op dit moment is het toch nog niet overal verplicht om de goederen te registreren in het DOR, of heb ik dat verkeerd begrepen?

Minister Van Weel:

Nee, het is nu aan de gemeenten gelaten hoe ze die registratie willen laten plaatsvinden. Je ziet gemeenten die een DOR verplicht hebben gesteld per lokale verordening, maar dat is nog niet voorgeschreven. Met dit wetsvoorstel zeggen we tegen gemeenten dat dit de manier is waarop het gaat gebeuren.

Mevrouw Faber (PVV):

En als het nou niet verplicht is via het DOR? Wordt het dan altijd bijgehouden op papier of hoeft dat niet per se?

Minister Van Weel:

De gemeente zou zelf ook een ander systeem kunnen hebben. Het nadeel daarvan is wel dat je dan verschillende databases krijgt. Dat is een voordeel van dit wetsvoorstel, want je wilt uiteindelijk heel graag dat die landelijke Stop Helingdatabase wordt gekoppeld aan een landelijke registratiedatabase, want daar krijg je de automatische hits uit.

De voorzitter:

De minister is aan het einde van zijn inleiding. Ik stel de leden voor dat we de interrupties steeds toestaan na afronding van ieder inhoudelijk onderdeel om enige vaart in het debat te houden. De minister.

Minister Van Weel:

Ik ben in mijn blokje over nut en noodzaak en dat zal ik afmaken.

Er waren vragen over kringloopwinkels. Ik kom daar bij de appreciatie van de amendementen ook nog op terug, maar die zorgen bij de kringloop kan ik me voorstellen. Nogmaals, op dit moment vallen zij onder de algehele registratieplicht. De volledige registratieplicht die geldt voor alle opkopers, geldt nu ook voor kringloopwinkels. Die administratieve lasten willen we met dit wetsvoorstel juist verminderen. We vinden het wel van belang om een verschil te maken tussen commerciële en niet-commerciële kringloopwinkels. Als we aan een commerciële kringloopwinkel minder registratieplicht opleggen dan aan een gebruikelijke opkoper, dan weet ik dat het aantal commerciële kringloopwinkels in no-time zal verveelvoudigen. Dan wordt dat natuurlijk een nieuw kanaal voor het witwassen van spullen.

Diefstalgevoelige goederen waarvoor betaald wordt, zou ik nog steeds onder de registratieplicht willen laten vallen, maar ik zou zeggen dat dat absoluut niet geldt voor gratis verkregen spullen in deze winkels. Ik zou dat ook willen laten vallen, zeg ik tegen mevrouw Mutluer, voor kringloopbedrijven met een anbistatus of een sbbi-keurmerk.

Dan de volgende vraag onder nut en noodzaak: is dit niet een beetje een achterhaalde werkelijkheid nu alles online verloopt? Nee. Overigens stamt artikel 437 al uit 1886, dus in die zin werd het hoog tijd voor iets van modernisering hierin. Maar ook bij de onlinehandel blijft de registratieplicht valide. Dat betekent dat de handelaren en de opkopers die daar actief zijn, nog steeds de registratieplicht met hun cliënten zullen moeten doorlopen. Daarmee kunnen er ook mogelijke hits gevonden worden voor de goederen die daar worden aangeboden. Voor de ondernemers is het juist fijn, zeker als ze online werken, dat we afstappen van verschillende verplichtingen tussen de ene gemeente en de andere, want als een onlineverkoper die in Rotterdam woont op andere voorwaarden zijn spullen moet aanbieden dan een verkoper in Appingedam, creëert dat een ongelijk speelveld. Dat trekken we hiermee recht. Ze hebben dus beiden dezelfde administratieve lasten, die bovendien niet meer op papier hoeven te gebeuren.

Dan de vraag of er contact is geweest met het ATR hierover. Waarom is er geen toets toegevoegd, vroeg de heer Sneller. Het is ongebruikelijk dat strafbaarstellingen of de uitwerking daarvan in lagere regelgeving aan het ATR worden voorgelegd. Daarom is dit hier dus ook niet gebeurd. De belangrijkste reden is dat dit wetsvoorstel er alleen maar in voorziet dat opkopers en handelaren de verplichtingen die ze al hebben, nu op dezelfde manier gaan doen. Daar hadden we het net over. In die zin zien we het ook niet als een toename, los van de signalen die de heer Diederik van Dijk noemde, waarbij er op dit moment niet wordt voldaan aan de registratieplicht. In dat geval is de winst van dit wetsvoorstel dat dat nu wel gaat gebeuren, maar dan wel op een uniforme manier, waardoor we hopelijk het aantal helingszaken kunnen terugdraaien. Door digitale loketten te gebruiken, zowel het DOL als het DOR, in plaats van fysiek of met papierwerk aan de gang te gaan, hoeft de regeldruk er uiteindelijk naar mijn mening niet onder te lijden.

Mevrouw Straatman vroeg hoe onlineverkopers aan persoonsgegevens kunnen komen. Hoe werkt dat? In het geval van onlinehandel kan de aanbieder van het goed zich identificeren via de KopieID-app, die het ministerie van Binnenlandse Zaken beschikbaar heeft gesteld. Die zorgt voor een veilige kopie van het identiteitsbewijs, waarin alleen de benodigde gegevens staan. Als er via een bank wordt betaald, zit er al een identiteitsverificatie in vanuit de bank. Dan voldoen die gegevens voor de registratie. Dus ook online zou dit niet heel veel extra stappen met zich mee hoeven brengen.

Dat brengt mij aan het einde van nut en noodzaak en bij het begin van het blokje reikwijdte. Hoe rechtvaardig is de registratieplicht bij goederen in vuistpand, aangezien het eigendom nog niet formeel is overgegaan? Dat was een van de vragen van mevrouw Straatman. Het feit dat het eigendom nog niet is overgegaan, wil niet zeggen dat de goederen niet gestolen zijn. Je kunt vrij eenvoudig een gestolen Rolex in onderpand geven bij een bedrijf. Op dat moment hebben we natuurlijk toch te maken met een vorm van heling. Nog vaker zien we dat dure goederen juist verpand worden om drugshandel te financieren, waarna de goederen weer uit onderpand worden gehaald als de drugshandel geslaagd is. Hier ligt dus ook daadwerkelijk een link met ondermijnende criminaliteit. Op grond van dit wetsvoorstel moet een opkoper of handelaar de goederen inschrijven die hij heeft verworven of voorhanden heeft. Onder het kopje "voorhanden" valt dus ook het onderpand. Dat geldt ook voor goederen die in consignatie worden verkocht of via een veiling worden aangeboden. Dan geldt de verplichting om deze goederen te registreren. We weten dat vooral bij de veilingcategorie van voertuigen en vaartuigen geprobeerd wordt om de registratie te omzeilen. Dat proberen we dus ook te ondervangen met dit wetsvoorstel.

De rommelmarkt noemde ik al even. Ja, dat kan ik bevestigen, zeg ik tegen de heer Van Dijk. De organisatie van een rommelmarkt heeft zelf geen registratieplicht. Zij zijn namelijk geen opkoper of handelaar. Ook een particulier die daar incidenteel wat koopt of verkoopt, minderjarig of meerderjarig, hoeft dat niet te registreren. De soepkom valt er daarmee dus buiten en vereist geen novelle, zeg ik geruststellend tegen de heer Van Dijk. Het gaat dus echt niet om het verkoopkanaal of de -locatie, maar om de aard van degene die het verhandelt of opkoopt. Als het een beroepsmatig karakter heeft, geldt die registratieplicht en begint dit wetsvoorstel te tellen. Iemand die beroepsmatig of gewoontematig in goud en sieraden handelt op een rommelmarkt — ook dat zien we natuurlijk weleens gebeuren — valt formeel gezien wel onder dit wetsvoorstel, maar dat zouden we ook moeten willen, denk ik.

Dan de voertuigen. Daar waren een hoop vragen over. Er ligt ook een amendement over, waar ik zo meteen nog uitgebreid op inga. Waarom is er in het wetsvoorstel zoals het er nu ligt een vereiste registratie in het DOR terwijl ze ook via de RDW worden geregistreerd? Wij zien het niet als dubbelop, omdat het DOR een aantal aanknopingspunten en gegevens biedt die het RDW-kentekenregister op dit moment niet biedt. Het RDW-kentekenregister heeft geen persoonsgegevens van de aanbieder, en ook niet de inkoop- en verkoopprijs. Met name de inkoop- en verkoopprijs zijn in het geval van witwassen vaak een indicatie van het goed. De persoonsgegevens van de aanbieder zijn weer belangrijk omdat bij geïmporteerde, omgekatte of gekloonde voertuigen met een Nederlands kenteken het diefstalsignaal niet adequaat is.

Ik heb goed gekeken naar de wens achter het amendement. Wij zijn van mening dat er met het gebruik van de webservice geen sprake is van dubbele administratielasten met het RDW-register. Als u mij desondanks vraagt waar binnen het amendement voor ons het zwaartepunt ligt, dan kan ik aangeven wat je zou moeten willen behouden. Dat staat los van de voertuigonderdelen. Ik noemde al even de spiegels die uit mijn straat zijn verdwenen en die uit veel straten verdwijnen. Een aantal onderdelen die we nu classificeren, zou je dus moeten willen behouden. Maar dat is prima. Het andere wat we graag zouden willen behouden, is het importeren van auto's op kenteken, omdat we in Europa steeds vaker zien dat huurauto's en leaseauto's de grens over worden gebracht en worden verkocht. Als de aanbieder of verkoper dan niet wordt geregistreerd, kan iemand die betrapt wordt met een naar zijn mening legitiem gekochte gestolen leaseauto geen verhaal meer halen bij degene die dat uiteindelijk heeft gedaan. Dat laat dus een route over voor internationale criminaliteit binnen Europa die ik wel zou willen dichtzetten. Met die kanttekening kom ik er straks nog op terug met een uitgebreidere appreciatie.

Volgens mij heb ik daarnet genoeg gezegd over de kringloopwinkels. Ik kom daar zo op terug bij de appreciatie van het amendement.

De heer Sneller vroeg nog wat er overblijft met alle uitzonderingen die nu worden voorgesteld. Grofweg gaat het hierbij om vier categorieën goederen. De eerste categorie is goederen met een stekker. De tweede categorie is goederen voor vervoer, dus fietsen, vaar- en voertuigen. Ik heb net al even gezegd hoe ik erin sta als het gaat om voertuigen. De derde categorie zijn goederen van waarde, zoals kunst, muziek, sieraden en horloges. De vierde categorie betreft goederen met een gevaarzetting. Dat betreft met name de metaalbranche. De uitzonderingen zijn bedoeld om onbedoelde effecten te voorkomen, namelijk wanneer ze niet bijdragen aan de doelen van het wetsvoorstel. In die zin zien we het als een beperking van de lasten en meer toespitsing op waar we daadwerkelijk heling zien plaatsvinden, maar ook waar we er, laten we eerlijk zijn, wat aan kunnen doen. Dan kom ik terug bij het punt van de merkkleding. Op het moment dat jij merkkleding als gestolen opgeeft maar er geen manier is om te zien of die merkkleding daadwerkelijk van jou is als die wordt aangetroffen, wordt het heel moeilijk om er binnen de reikwijdte van dit wetsvoorstel iets sluitends voor te maken. Dat neemt niet weg dat de politie natuurlijk wel acteert als die vermoedens heeft van een misdaad bij het aantreffen van grote hoeveelheden merkkleding of valse merkkleding. Maar dat valt dan buiten het nut van de reikwijdte van dit wetsvoorstel.

Mevrouw Faber vroeg of het lokaal bestuur uiteindelijk nog extra beleid kan toevoegen? Ja, die mogelijkheid blijft er. Ik denk wel dat dat langzaam zal verdwijnen. Ik denk dat een heleboel gemeentes nu juist nog niks hebben gedaan, omdat ze worstelen met de lasten die dat met zich meebrengt. Hiermee maken we dat eenvoudiger voor die gemeentes. Daarna is het eigenlijk een fire-and-forget voor veel gemeentes en dus ook een no-regret. Het betekent namelijk dat de spullen die worden verheeld binnen jouw gemeente via dat register nu automatisch leiden tot een notificatie. De gemeente hoeft dan verder niks anders te doen dan binnen die vijf dagen met de politie langsrijden. Dat is dan wel ten gunste van de burger, die daarmee zijn spullen terugkrijgt.

Personen onder invloed. De gedachte van de wet was duidelijk, maar die zult u ook niet betwisten. Eigenlijk hadden we hiermee willen voorkomen dat mensen misbruik maken van mensen in een kwetsbare positie door op dat moment transacties te doen. Tegelijkertijd heb ik zeer veel sympathie voor wat mevrouw Straatman zegt over in hoeverre je de belasting bij een koper neer moet leggen, om te beoordelen of iemand daadwerkelijk onder invloed is en niet in staat is om die verkoop te doen. U zult van mij dus een positieve appreciatie van uw amendement terugzien. Nogmaals, de geest snappen we denk ik allemaal. Tegelijkertijd is het zeer complex waar we de bewijslast nu neerleggen.

Dat brengt mij bij het kopje uitvoering, voorzitter.

De heer Sneller (D66):

Ergens tussen de kopjes meerwaarde en reikwijdte zit de vraag die ik heb. Ik wil namelijk toch nog even terug naar dat onlinedomein. De minister zegt dat het begrijpelijk is dat die opkoper, als die online onder zijn eigen naam gaat verkopen, ook gewoon plichtig is voor de producten die in die categorieën vallen. De vraag over reikwijdte, verschuiving en uitwijking is natuurlijk: hoeveel andere manieren zijn er om online op een spreekwoordelijke marktplaats toch actief te zijn, als je niet bonafide bent en juist onder de verplichtingen van deze wet uit wilt komen? Hoe makkelijk is dat nou? Dat vraag ik tegen het licht van de effectiviteit van deze wet. Zou de minister daar nog op kunnen reflecteren?

Minister Van Weel:

Particulieren die, mogelijk ook nog eens niet onder hun eigen naam, incidenteel een gestolen goed proberen te verkopen, zul je hier niet mee vangen. Die vangen we nu in het echte leven ook niet met deze wet. Die onttrekken zich namelijk gewoon überhaupt aan de plicht. We vinden hen niet in een DOL en zij registreren ook niks in een DOR. Dat doen ze op dit moment ook niet. Je probeert hier de grotere kanalen voor heling dicht te zetten. Een groter kanaal is bijvoorbeeld die goudopkoper in Rotterdam, waardoor dit uiteindelijk via deze registratie aan het licht is gekomen. Die man is een bonafide opkoper, een bonafide handelaar. Hij voldoet dus aan de registratieplicht en draagt daarmee bij aan een schoner economisch milieu. Dat zie ik online hetzelfde voor me, want daar zijn deze mensen ook actief. Ik zou niet weten waarom zij online niet op dezelfde manier aan hun wettelijke plichten zouden voldoen als ze nu offline doen. Dan heb je nog de nuances. De vraag is ook waar de handel dan plaatsvindt. Op het moment dat die opkoper of handelaar online opkoopt, krijgt die dus te maken met wat ik net noemde. Dan zal die een ID-verificatie moeten doen, want dat valt onder de registratieplicht bij het opkopen van goederen. Dan moet die dus ook weten van wie die dat heeft gekocht. Die informatie gaat vervolgens in het DOR. Als dat een hit oplevert, dan heb je dus een daadwerkelijk identificatiebewijs waarmee je een malafide verkoper op een onlinekanaal kunt traceren. Op het moment dat die online verkoopt, moeten we ervan uitgaan dat die alle goederen die hij online aanbiedt, heeft geregistreerd in het DOR, op dezelfde manier als die dat heeft gedaan met de goederen in zijn winkel. Nogmaals, dat zijn vaak dezelfde goederen, want die biedt hij natuurlijk online en ook offline aan.

De heer Sneller (D66):

Ik probeer u goed te begrijpen. De mensen die nu gestolen goederen aanbieden bij een bonafide opkoper, zouden eventueel als een uitwijking onder hun eigen naam of onder een alias online kunnen verkopen, omdat dit systeem dicht wordt gezet. Dat is een uitwijk die we accepteren met deze wet. Waar we nu voor de mensen die daarvoor kiezen ook niks aan het doen zijn, proberen we het op andere manieren natuurlijk nog steeds te voorkomen. De malafide opkopers, voor zover het de bedoeling is om die dicht te zetten, kunnen onder een alias nog steeds verkopen. De minister zegt dat we die via de registratie in het DOR toch kunnen achterhalen, omdat die wel verplicht is voor de opkoper, hoewel die malafide is.

Minister Van Weel:

Ik probeer het even simpel te maken, ook voor mezelf. We moeten uitgaan van het goede vertrouwen van de meeste opkopers, verkopers en handelaren die we hebben. Dit is een beroep dat mensen uitoefenen. Dat doen ze heel graag hun leven lang. Dat doen ze heel graag in bulk, want ze leven van de marge en de winst die ze maken. Zij weten dus welke wettelijke verplichtingen er voor hen gelden. Ze zitten dus ook niet te wachten op gestolen goederen, maar krijgen die wel in handen. Dat kan online en offline precies hetzelfde zijn. Zij hebben nu dus de registratieplicht. Op het moment dat zij goederen kopen, online van iemand op Marktplaats — het maakt niet uit of dat malafide of bonafide is — of in de winkel, zeggen zij: dank u wel, graag een ID-bewijs, digitaal dan wel hier in mijn winkel; dat registreer ik en ik registreer dat goed. Zowel bij een online aankoop als bij een offline aankoop in de winkel zal de politie uiteindelijk actie ondernemen als er bij die registratie in het DOR een hit is met Stop Heling. Zowel online als offline kun je dan de malafide aanbieder van deze goederen vinden. Malafide groothandels gaan meestal niet zo heel lang mee, omdat daarbij in de echte wereld en in de online wereld vrij snel duidelijk is dat er iets aan de hand is wat niet klopt. Grote hoeveelheden spullen, geen registratie en niet bekend zijn bij gemeentes zijn online en offline de red flags waar de opsporingsinstanties achteraan gaan.

De voorzitter:

Als leek in de materie klinkt het alsof we al bij de uitvoering terecht zijn gekomen in de beantwoording.

Minister Van Weel:

Een naadloze overgang.

De voorzitter:

Ja, hè.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb toch nog een vraag over dat vuistpand. Ik begrijp dat de minister zegt dat dat valt onder de definitie van "verworven of voorhanden hebben". Een goed in vuistpand heb je ook voorhanden; dat kan ik goed volgen. Ik heb er ook geen bezwaren tegen dat die goederen onder de registratieplicht vallen. Ik denk dat de minister dat heel duidelijk uitgelegd heeft in de aanpak van georganiseerde misdaad. Maar als ik dan naar de memorie van toelichting kijk, zie ik dat andere categorieën, zoals goederen die ter reparatie of taxatie worden aangeboden — dat zijn ook goederen die voorhanden zijn — er niet onder vallen, omdat in de memorie van toelichting staat dat die goederen niet worden overgedragen. Daar zit natuurlijk wel een inconsistentie in de wet. Mijn vraag zou dus zijn of we dat niet in lagere regelgeving moeten verduidelijken, zodat heel duidelijk is wat nu wordt bedoeld met "voorhanden hebben".

Minister Van Weel:

De memorie is onderdeel van de wetsbehandeling, dus in die zin zal datgene wat daar staat, uiteindelijk ook worden meegenomen in de weging van de wet in rechtszaken. Datgene wat in de memorie van toelichting staat, is juist bedoeld om te voorkomen dat redelijk onschuldige zaken … Je brengt je horloge weg voor een reparatie. Daar krijg je geen geld voor. Sterker nog, dat kost je geld op het moment dat je het weer op gaat halen. Dat zijn niet de zaken waarbij heling kan plaatsvinden, terwijl dat bij onderpand nou juist wel het gegeven is. Ik noemde net het voorbeeld van het in onderpand geven van een dure Rolex om daarmee een eerste drugsaankoop te financieren. Dat zien we wel gebeuren, dus vandaar dat onderscheid. Ik zou denken dat de memorie genoeg houvast biedt. Ik ben er ook niet tegen om dat verder te specificeren in een AMvB.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dat lijkt mij voor de duidelijkheid in de toekomst goed, zodat er geen discussie kan bestaan over wat er mogelijk nog meer valt onder "voorhanden hebben". In die zin kun je de memorie namelijk ook interpreteren als een niet-limitatieve lijst van onderwerpen die daaronder vallen.

Ik had nog één vraag over een ander onderwerp, namelijk het kentekenregister. De minister zei dat hij het amendement van mevrouw Martens-America vergaand kan volgen, behalve op het punt van de import van auto's.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Straatman (CDA):

Mijn vraag is de volgende. In de brief van de BOVAG lees ik dat die zegt dat het op dit moment met het kentekenregister eigenlijk feitelijk onmogelijk is om een gestolen auto die in het kentekenregister ingeschreven moet worden, te kunnen verkopen. Waarom is dat anders voor geïmporteerde auto's dan voor auto's op de binnenlandse markt?

Minister Van Weel:

Dat is omdat het diefstalsignaleringssysteem op een Europees niveau niet altijd werkt en niet altijd snel werkt. Zeker als het gaat om leaseauto's of huurauto's kan het echt wel enige tijd duren voordat het signaal van de diefstal uiteindelijk geregistreerd wordt, terwijl het doel van deze mensen nou juist is om ervoor te zorgen dat voordat dat signaal doorkomt, de auto allang weer weg is, en zij ook. Dat is dus de loophole die ik bedoelde.

Dan verplaatsingseffecten. Gaan helers niet massaal naar het buitenland? Ik denk het niet. Stelers en helers willen in de meeste gevallen gewoon heel snel geld verdienen, zo makkelijk mogelijk, zo dichtbij mogelijk en zo laagdrempelig mogelijk. Ik denk dat die 9.500 matches ook wel aangeven dat dat zo is, maar natuurlijk heb je in de grensregio risico's op verplaatsingseffecten. Die zullen we nooit helemaal kunnen uitsluiten. Uiteindelijk zul je een Europees dekkend systeem moeten hebben om dat overal even goed dicht te zetten. Dat is er niet. Er zijn slechts enkele landen die net als wij werken met een DOR-achtig registratiesysteem. Met die landen zullen we de samenwerking zoeken. Bij de rest zullen we het entameren. Het helemaal dichtzetten kunnen we niet. Dat levert overigens niet meer werk op voor grensregio's. Het betekent gewoon dat spullen nou net daar even de grens over gaan en helaas daar worden verhandeld en hopelijk worden gepakt. Voor horloges bestaat er overigens inmiddels wel een internationaal watch register; dat heb ik vandaag geleerd. Daarop zijn we Stop Heling aan het aansluiten, om te zorgen dat we in ieder geval de internationale signalering van horloges daar kunnen vinden. U weet dat die erg populair kunnen zijn.

De evaluatie en het opvolgen van de hits. Nogmaals, in Amsterdam gaat het om 90%, maar we gaan bij de evaluatie echt zorgen dat we dat breder meenemen. Wanneer doen we die evaluatie? Ik weet dat bij enkelen van u de wens bestaat om die termijn niet op vijf jaar te zetten, maar op drie jaar. Omdat dit een redelijk eenvoudige implementatie is, omdat hier al op een hoop plekken mee gewerkt wordt en omdat er dus ook al een hoop informatie voorhanden is, denk ik dat drie jaar een termijn is waarmee ik zou kunnen leven.

De voorzitter:

Was u aan het einde gekomen van het onderdeel uitvoering?

Minister Van Weel:

Nee.

De voorzitter:

Dan ronden we dat nog even af. Daarna geven we weer ruimte voor interrupties.

Minister Van Weel:

Hoe staat het met de bekendheid en het gebruik van diefstalchecks en welke stappen ondernemen we? Dat is een vraag van mevrouw Straatman, maar dit geldt natuurlijk ook voor mevrouw Faber. Burgers en bedrijven hebben 19 miljoen diefstalchecks gedaan via stopheling.nl. Dat is echt een aanzienlijk aantal. Tegelijkertijd is er nog ruimte voor verbetering. Uit campagne-effectonderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de ondervraagden weet dat je op basis van een serienummer een diefstalcheck kunt uitvoeren. Waar ze dat precies kunnen doen, is bij een groot aantal dan weer niet bekend. Hier is dus sprake van frappez toujours: we moeten continu aan die bekendheid blijven werken. Twee campagneperiodes liggen nog in het verschiet dit jaar, eentje over de diefstalcheck en een over de registratie van je waardevolle eigendommen.

Voorzitter. Is het niet heel veel gedoe om je gestolen eigendommen te registreren, vraagt mevrouw Faber. Als je aangifte doet, dan worden die gegevens automatisch meegenomen op stopheling.nl. Daarnaast kun je het zelf doen. Als je geen aangifte wil doen en je het goed dat je kwijt bent niet wil registreren, dan wil je het blijkbaar ook niet terug. Ik denk dat we die drempel daar wel minimaal kunnen inbouwen.

Hoe staat het met de ontwikkeling van beeldherkenning? Tot nu toe kun je daarmee alleen maar goederen met unieke kenmerken zoals serienummers et cetera terugvinden. Er is inmiddels beeldherkenning ontwikkeld waarmee ook een diefstalcheck van niet-unieke goederen zoals sieraden en kunst mogelijk wordt. Die maakt gebruik van dezelfde software als de app ID-Art van Interpol. Een foto van het aangeboden goed wordt geüpload en vergeleken met de foto's van ontvreemde goederen die bij de aangifte zijn aangeleverd. In eerste instantie gaan we dat doen in een pilot met ontvreemde kunstvoorwerpen. Er staan nu al ruim 7.000 afbeeldingen in de database die met de beeldherkenning kan communiceren.

We hebben inderdaad ook een pilot gedaan met een uniek kenmerk dat al bij juweliers aan de kopers zou kunnen worden meegegeven. Dat hebben we destijds gedaan bij juweliersketen GASSAN. Technisch gezien bleek het inderdaad mogelijk om een QR-code mee te geven aan de kopers, maar per type kassasysteem moest dat apart worden ingebouwd. Dat werd toch te veel administratieve en technische rompslomp met alle verschillende kassasystemen die we landelijk hebben. Daarom is ervoor gekozen om dat niet op die manier voort te zetten.

Het verdienmodel aanpakken. Mevrouw Faber vroeg nog of het een goede stap is om slachtoffers te wijzen op de mogelijkheid van schadevergoedingsclaims en of daar meer gebruik van kan worden gemaakt. Ja, slachtoffers kunnen natuurlijk via het strafproces dan wel langs civiele weg hun schade op de dader verhalen. Daarnaast lijden natuurlijk ook de opkopers, die te goeder trouw een ontvreemd goed hebben opgekocht, onder de schade die zij daarmee derven. Voor hen bestaat de mogelijkheid om centraal via de stichting SODA, Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling, een civiele claim voor de schade te laten indienen tegen de heler of tegen de witwasser. In het geval van heling en witwassing gaat het om een bedrag van €206 aan indirecte schade, boven op de kosten van het gestolen goed.

Ik zei het al even: de heer Sneller vroeg naar de vijf dagen voor de metaalrecycling en naar hoe die balans gevonden wordt. De Metaal Recycling Federatie is de enige die in de internetconsultatie heeft gepleit voor een beperking tot drie werkdagen. Omwille van de te korte tijd voor de politie om daar naast hun overige werkzaamheden op te kunnen acteren, hebben we besloten om daar niet op in te gaan en die vijf dagen als redelijk te zien. Zoals het nu werkt, hebben sommige, gezien de apv, een bewaartermijn van wel veertien dagen, omdat ze die nodig denken te hebben voor de registratie. In die zin is het dus een kwestie van: you lose some, you win some. In ieder geval uniformeren we de termijn nu op vijf dagen.

De voorzitter:

Ga zo door met pagina's overslaan!

Minister Van Weel:

Ik voelde uw goedkeurende blik, voorzitter. Door de goede interventies die we hebben gehad, hebben we al heel veel vragen kunnen beantwoorden.

De heer Sneller vroeg naar de administratieve lasten door de webservice. Hij vroeg of die zaken nu wel goed werken. Ja, de webservice reduceert echt de administratieve last, ook als de gegevens al in het eigen kassysteem staan, want dan kun je het automatisch van het kassysteem doorsturen naar de registratie. Op dit moment zijn er al 1.853 handelaren die daar naar tevredenheid gebruik van maken. In die zin helpt die dus juist tegen de regeldruk.

Mevrouw Straatman vroeg naar de veiligheidsrisico's. Zij vroeg of handelaren nu meer risico lopen op intimidatie of meer te maken krijgen veiligheidsrisico's. Sinds de uitrol van het DOR hebben we daar geen signalen van gekregen, maar er zijn wel opkopers en handelaren die vertellen dat aanbieders zich uit de voeten maken op het moment dat ze hun persoonsgegevens moeten opgeven. In die zin denk ik dat het een goed teken is dat hoe breder we het DOR uitrollen, hoe minder loketten er zijn voor dit soort malafide aanbieders om afstand te doen van hun spullen. Die informatie gaan we dus ook toevoegen aan het systeem.

Dan ben ik al bij het laatste blokje gekomen, voorzitter. Dat is privacy en de dataverwerking.

De voorzitter:

Mevrouw Faber had nog een interventie. Daarna mag de heer Diederik van Dijk.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik heb even heel kort twee onderwerpen. Ik ben er net achter gekomen dat de koppeling met Stop Heling pas wordt gelegd als je aangifte doet van gestolen goederen. Dan moet je natuurlijk wel de serienummers weten. Ik vraag me af of iedereen die weet. Dat is mijn eerste vraag. Mijn tweede vraag is de volgende. Het lijkt erop dat Amsterdam het vrij goed onder controle heeft en de andere gemeenten een stuk minder. Hoe kan dat? Is het misschien een idee dat die een keer gaan samenwerken en gaan overleggen over de vraag hoe Amsterdam dat in dezen doet?

Minister Van Weel:

Om de laatste vraag te beantwoorden: Amsterdam heeft onderzoek gedaan naar hoe ze het doen. Dat is altijd goed. Dat andere gemeentes dat niet hebben gedaan, wil niet zeggen dat ze het niet goed doen. Dat wil dus nog niet zeggen dat ze niet hebben gereageerd op die hits. We willen graag voor al die gemeentes gaan kijken naar de landelijke opvolgingsgraad naar aanleiding van hits in het DOR. Dat heb ik toegezegd wat betreft de evaluatie.

Om de eerste vraag te beantwoorden: als je geen serienummer hebt, is het object niet meer traceerbaar zijnde van jou, ook niet als het gevonden wordt. Dat is de uitdaging. Bij dezen is mijn oproep aan iedereen: zorg ervoor dat je de serienummers van je waardevolle goederen noteert, want het serienummer is nou juist het kenmerk waarmee je die goederen ooit weer terug kunt krijgen als je die bent kwijtgeraakt.

Mevrouw Faber (PVV):

Een kleine vervolgvraag: is het mogelijk om je spullen in Stop Heling alvast te registeren? Volgens mij is dat ook mogelijk, alleen is er dan nog geen koppeling gelegd met of het een gestolen goed is. Die koppeling wordt pas gelegd op het moment dat je aangifte doet. Klopt dat?

Minister Van Weel:

Dat zou best kunnen, maar daar kom ik in de tweede termijn op terug.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Positieve opmerkingen van de PVV over Amsterdam; we maken toch een bijzondere avond mee, denk ik! In alle ernst: de minister gaat zo over naar het puntje privacy. Ik vroeg me af of hij nog apart terugkomt op de toch best stevige kritiek van het OM op de gekozen wetssystematiek en de AMvB. Komt dat nog?

Minister Van Weel:

Ja. Het OM had er kritiek op, maar had uiteindelijk geen kritiek op de opzet van de AMvB. In die zin vonden wij het vanuit wetgevingsoptiek ook geen vreemde constructie om dit te hangen onder artikel 437. Ook de Raad van State heeft daar uiteindelijk geen kritische opmerkingen over gemaakt. Wat ons betreft is het OM nu aan boord met de manier waarop we het doen. Het voordeel is natuurlijk dat we flexibiliteit behouden in bijvoorbeeld het opstellen van de reikwijdte van de diefstal van goederen. De markt verandert, de helingsmarkt verandert, en daar hoeven we dan geen wetswijziging voor te doen, maar slechts een AMvB-wijziging. In algemene zin kan ik u nu al toezeggen dat ik die AMvB in voorhang aan uw Kamer zal aanbieden, juist omdat er natuurlijk ook een uitwerking is, bijvoorbeeld met betrekking tot kringloopwinkels en hoe om te gaan met RDW-registratie, die we voornemens zijn daarin vast te pinnen. Ik vind het niet meer dan correct om dat dan ook met uw Kamer te delen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik denk dat we de kritiek van het OM nu iets te gemakkelijk parkeren. Even los daarvan: hoe dan ook blijft het inhoudelijke punt dat we inmiddels een uitgebreide AMvB hebben, met daarin dus ook een opkopersregister, een opkopersloket en dergelijke. Hoort dat kader niet gewoon echt in de formele wet, als we gewoon kijken vanuit goede regelgeving?

Minister Van Weel:

Nogmaals, ik vaar hier op het advies van mijn wetgevingsjuristen. Die zeggen dat dat niet hoeft. Ik kan me zelf praktisch gezien ook nog het volgende voorstellen. We hebben nu het DOR, een softwarematig portaal waarmee we dat doen. Wellicht vinden we daar op enig moment een doorontwikkeling van, of combineren we de twee. Het gaat erom dat je de registratie vastlegt op wettelijk niveau. Dan heb ik het dus over de registratieplicht voor goederen en de registratieplicht voor de opkopers en de handelaren. Dan kun je dit, de manier waarop je dat doet met het DOR en het DOL, zien als uitvoering en dus geschikt voor een AMvB. Zo hebben we dat beschouwd.

Mevrouw Straatman (CDA):

Mijn vraag ging over de veiligheid voor werknemers. De minister zegt zojuist dat uit cijfers blijkt dat ze eigenlijk heel snel vertrekken op het moment dat criminelen zich aanbieden, maar de wetenschapstoets concludeert dat er eigenlijk helemaal geen onderzoek is gedaan naar die neveneffecten. U doet wel de aanbeveling om initiatieven om de veiligheid te verbeteren in kaart te brengen. Hoe kijkt de minister naar die aanbeveling?

Minister Van Weel:

Wat we al doen, is tips meegeven op het moment dat een opkoper in de diefstalcheck ziet dat een goed als gestolen geregistreerd staat. Dat is een delicate situatie, op zo'n moment. Dan bestaan er al tips voor hoe je daarmee omgaat, hoe je voorkomt dat je daarmee slachtoffer wordt et cetera. Daar wil ik niet te veel over uitweiden, want dit soort tips geven natuurlijk ook criminelen weer ideeën. We hebben gezien dat er daadwerkelijk, feitelijk, nog geen intimidatie is geweest, dus dat er op het moment dat iemand vraagt of die iets moet registreren, gezegd is: dat doe je maar niet, want anders gebeurt er wat. Dat verhoudt zich toch ook een beetje tot het karakter van heling, namelijk dat je zoekt naar de weg van de minste weerstand. Het opwerpen van een barrière, zoals het moeten afgeven van je ID, schrikt af.

Mevrouw Straatman (CDA):

Op zich is dat goed, maar aan de andere kant hoef je niet te wachten tot die situatie zich voordoet terwijl mensen toch ook in heel penibele situaties terecht kunnen komen. Die aanbevelingen van handreikingen of een meldpunt van incidenten zijn, denk ik, heel low key. Zou de minister niet zeggen dat hij er wel heil in ziet om te voorkomen dat die situaties ontstaan?

Minister Van Weel:

Ik wil bij de invoering van deze wet best kijken naar een meldpunt voor incidenten. Laat ik het anders zeggen: ik denk dat het een van de dingen is die we mee moeten nemen in de evaluatie, namelijk het vergaren van informatie over incidenten die zich mogelijk hebben voorgedaan.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik heb nog een tweetal vragen die in mijn optiek nog niet zijn beantwoord. De minister heeft het namelijk wel gehad over de onlinehandelaren, maar niet over de platforms. Daar had ik wel een vraag over gesteld. Ik had gevraagd hoe we om moeten gaan met partijen zoals Marktplaats, Vinted of andere vergelijkbare platforms. Ik ben ook wel benieuwd naar de mkb-toets. Ik had gevraagd in hoeverre het haalbaar is om dat parallel aan lopende onderzoeken te doen en waarom daar in het verleden überhaupt geen uitvoering aan is gegeven.

Minister Van Weel:

Ik kijk even of ik op die mkb-toets een ... Nee. Daar kom ik dus op terug in de tweede termijn. Dan uw eerste vraag. Ik heb gepoogd aan te geven dat we onlinehandel beschouwen als offlinehandel. Daar gelden dus dezelfde verplichtingen. Op de platforms zelf rusten natuurlijk andere verplichtingen om aangifte te doen op het moment dat zij een verdenking hebben van strafbare feiten. Die verplichting rust daar dus wel op, maar zij hebben zelf niet de plicht om de goederen die op hun platform worden verhandeld allemaal te registreren. Dat is echt aan de professionele handelaren die dat op die platformen doen. Dat zou wettelijk ook heel moeilijk anders in te richten en ook heel moeilijk uitvoerbaar zijn voor dit soort platforms.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Wij zitten ook op die uitvoerbaarheid, want het moet allemaal uitvoerbaar zijn. Tegelijkertijd hebben zij wel een sleutelrol als het gaat om de signalering ervan. Wat zou de minister kunnen doen richting deze platforms, aangezien zij daarin dus toch wel een sleutelpositie hebben?

Minister Van Weel:

Ik denk dat we sowieso in overleg moeten blijven met dit soort platforms, ook om de trends die wij zien en de dingen die de politie op die platforms ziet gebeuren aan hen mee te geven. Nogmaals, die platforms zijn natuurlijk ook van goede wil; die willen ook niet bekendstaan als de witwaswebsite waar gestolen goederen op terechtkomen. Dat gesprek wil ik aangaan, maar die verplichting om te zeggen "u bent verantwoordelijk voor het checken of alles wat er op uw platform wordt verhandeld, legitiem is", lijkt me moeilijk uitvoerbaar. Daarom wil ik ook echt de verplichting laten bij de handelaren en de opkopers die dit professioneel doen. Dat is wat we met deze wet proberen te doen.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik had nog een vraag over artikel 437. Dat artikel zegt dat de opkoper moet volstaan met vragen naar het ID of het registreren van de ID-gegevens. Wat is het nou? Moet de opkoper alleen het ID opvragen, of heeft hij echt de mogelijkheid om te registreren? Op deze manier kun je natuurlijk wel een lek creëren.

Minister Van Weel:

Nee, hij moet het registreren. Ik kom daar ook op in mijn laatste blokje, over de AP. Dat gaat namelijk over het verwerken van persoonsgegevens. Het gaat er juist om dat hij dat registreert, zodat als er een hit verschijnt, de politie ook traceerbare persoonsgegevens heeft om daar dan vervolgens in de opsporing opvolging aan te geven. Het gaat er niet om dat hij het ziet; hij moet daadwerkelijk traceerbare informatie opschrijven, zoals het rijbewijsnummer en het bsn.

Mevrouw Faber (PVV):

Maar dan staat er mijns inziens een fout in de wet. Want in artikel 437 1b staat echt iets over het opvragen, het inzien en de registratie. Dat staat in dat artikel. Ik verzien het allemaal niet zelf. Ik kan het niet mooier maken. Dat staat echt in artikel 437 1b.

Minister Van Weel:

Daar kom ik dan zo even op terug, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):

Dat begrijp ik.

Minister Van Weel:

Uiteindelijk is het doel van de registratie om bij een geconstateerde hit iemand te kunnen vinden. Het feit dat iemand dan slechts iets heeft ingezien, is dan niet voldoende. Het moet ook daadwerkelijk in de database zitten.

Over die database, over het DOR, heeft de AP inderdaad advies uitgebracht. De vraag is: welk regime is hierop van toepassing? Wij zijn van mening dat hierop de AVG van toepassing is. Het DOR en het DOL zijn registers waar deze private partijen zelf via een account informatie invoeren. Ze kunnen ook alleen hun eigen informatie inzien. Pas als er een hit komt en er een notificatie richting de politie gaat dat er sprake is van een hit met stopheling.nl, begint de politie een strafrechtelijk traject. Op dat moment is, wat ons betreft, de Wet politiegegevens van toepassing. Dan moeten gegevens die gebruikt worden om dat strafrechtelijke onderzoek te doen onder Wpg-regime worden behandeld. Met andere woorden: wij zijn van mening dat de AVG hierop van toepassing is, en niet de Wpg. Dat staat ook in de memorie van toelichting. In het DOR en het DOL gaat het namelijk niet om verwerkingen door bevoegde instanties, want dat gebeurt niet bij de informatie die erin wordt gezet. Dat is ook niet het doel van de richtlijn. Dat traject gaat pas spelen als de politie in beeld komt. Dan is er dus al een match geweest. Dan pas gaat er informatie uit die beide registers het strafrechtelijke traject in. Ik merk ook nog even op dat de Afdeling advisering van de Raad van State uiteindelijk geen kritische opmerkingen heeft gemaakt over de wijze waarop we dit in de memorie van toelichting hebben verwerkt. Dat zie ik dus als een dragende motivering.

Mevrouw Straatman vraagt: hoe borgen we dat de toegang beperkt blijft? Dat werkt volgens het AVG-regime. Dat betekent dat degenen die voeden — ik heb het dan over de handelaren, over de opkopers — alleen via hun eigen account met multifactorauthenticatie hun eigen gegevens, die ze zelf hebben ingevoerd, kunnen zien. Ze kunnen de gegevens van anderen niet zien. Wat ons betreft voldoet dit aan de eisen die daaraan worden gesteld.

Voorzitter. Dat brengt mij bij het einde van de beantwoording van de vragen. Dan rest mij nog de appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:

Voordat we naar de appreciatie van de amendementen gaan, is er nog een interruptie van mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

De kalme stem van de minister slaat af en toe het debat dood. Dat is een compliment, minister. Ik heb een vraag over de AP ... Sorry, het was een grapje, maar het was blijkbaar niet grappig. Ik bedoelde het aardig. Ik wilde de avond wat luchtiger maken ...

Minister Van Weel:

Ik ben blij dat het een grapje was!

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

... maar dat is niet gelukt, dus ik ga opnieuw beginnen.

De voorzitter:

Het kan er dus ook weleens rustiek aan toegaan in deze plenaire zaal! Ik vond het een mooie observatie van mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter!

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik begin helemaal opnieuw, minister. Ik heb heel nadrukkelijk gewezen op de brief van de Autoriteit Persoonsgegevens, waarin aangegeven wordt dat de AP ondanks alle inspanningen die gepleegd zijn en ondanks het antwoord dat zojuist door de minister is gegeven, nog steeds een gebrek aan noodzaak ziet en zorgen heeft over de rechtsbescherming, omdat zij het risico ziet dat onschuldige burgers onterecht in politiesystemen dan wel in opsporingsregisters belanden. Voor mijn gevoel zijn die zorgen nog niet helemaal weggenomen. Mijn verzoek aan de minister is dus om daar nog nadrukkelijker op in te gaan.

Minister Van Weel:

Nogmaals, wat ons betreft zijn het DOR en het DOL systemen die niet door handhavingsinstanties worden ingezien. Daar zit een scheiding tussen. Die systemen worden gevuld door de handelaren, door de opkopers. Die kunnen alleen maar bij de gegevens die zij zelf hebben ingevuld. Breder dan dat gaat het niet. Vervolgens vindt er een geautomatiseerde match plaats met stopheling.nl. Pas als daar een hit uit komt — dan hebben we dus al een aanwijzing voor een mogelijk strafbaar feit — wordt de informatie ter beschikking gesteld aan de opsporingsinstanties. Op dat moment treedt wat ons betreft de Wpg in werking en moet de verwerking van persoonsgegevens, conform wat de AP zegt, volgens het Wpg-regime worden behandeld. Voor die tijd is dat niet het geval. Daarom beschouwen wij de systemen in die zin als databases onder het AVG-regime. Nogmaals, daar voelen we ons ook door de Raad van State in gesteund. We zijn het op dat punt dus niet eens met de AP. Ik heb geprobeerd aan te geven waarom wij het niet eens zijn, waarom wij vinden dat deze route niet voldoet aan wat de AP stelt, namelijk dat handhavingsinstanties hier toegang toe zouden hebben en dat er doelbinding zou zijn. Dat is op dat moment niet het geval. De politie gaat niet rondneuzen door het DOL of het DOR.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Feit blijft toch dat wij nog gisteravond een brief van een best wel belangrijk instituut hebben mogen ontvangen. Een van de kritiekpunten die het had, was dat bepaalde onderdelen van het voorstel zelfs onrechtmatige wetgeving zouden zijn, die mogelijk niet zou voldoen aan het EU-Handvest. Ook het EU-Handvest werd er dus bij gehaald. Wat is uw reactie daarop?

Minister Van Weel:

Wij zijn het daar dus niet mee eens. Dat is allemaal terug te leiden tot fundamentele verschillen van mening over welk regime van toepassing is op het DOL en het DOR. Daarover zijn wij, en met ons een ander gezaghebbend instituut van de overheid, namelijk de Raad van State, het eens. Wij vinden dat die beide onder het AVG-regime vallen. Daarmee zijn ze dus gedekt. De AP vindt van niet.

De voorzitter:

De appreciaties van de amendementen. Als u de nummers er luid en duidelijk bij kunt vermelden, wordt dat hogelijk gewaardeerd.

Minister Van Weel:

Het amendement op stuk nr. 11, van de heer Van Nispen. Het is goed om zijn naam weer een keer te kunnen noemen in deze Kamer.

De voorzitter:

Dat is altijd goed.

Minister Van Weel:

Het amendement op stuk nr. 11, van de heer Van Nispen, geef ik oordeel Kamer. Ik heb het al gezegd: vijf jaar was de insteek, maar met drie jaar kan ik prima uit de voeten.

Over het amendement op stuk nr. 13, van de heer Van Nispen, over de voorhangprocedure, heb ik in het debat al gezegd dat ik het oordeel Kamer geef.

Dan geef ik het amendement op stuk nr. 19, van de heer Diederik van Dijk, over de uitzondering op de registratieplicht voor niet-commerciële kringloopwinkels, oordeel Kamer, met één kanttekening. Ik begrijp de wens helemaal. Ik heb ook al in het debat gezegd dat ik de gedachte daarvan ondersteun. Ik zou het wel beter vinden om dit nou juist in die AMvB te doen, omdat we daarin die categorieën verder specifiëren. Dat doen we niet op het niveau van de wet, omdat je wellicht in een later stadium ook weer een aanpassing zou willen doen of een uitbreiding van de uitzonderingen. Dan is het wetstechnisch mooier om het in die AMvB te hebben. Die AMvB komt ook ter voorhang hier, heb ik zojuist in antwoord op het amendement op stuk nr. 13 gezegd. Dat geeft u ook de gelegenheid om te controleren of we dat op een juiste manier hebben verwerkt. Dus liever op die manier, maar ik geef het amendement wel oordeel Kamer.

De voorzitter:

Dat ging over het amendement op stuk nr. 19.

Minister Van Weel:

Ja.

Het amendement op stuk nr. 17, van mevrouw Straatman, over het vervallen van de strafbaarstelling van een persoon die onder invloed is — ook dat heb ik in het debat genoemd — krijgt oordeel Kamer. Ik ben het ermee eens dat dit moeilijk handhaafbaar is.

Dan het amendement op stuk nr. 18, van de heer Diederik van Dijk. Ja, dat krijgt oordeel Kamer. Ik ben het helemaal met hem eens. Ook hierbij heb ik de voorkeur voor het regelen in een AMvB, omdat we daar alle categorieën in zetten, maar ik ga me niet verzetten als u dit als Kamer liever op deze manier doet.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 20, van mevrouw Martens. Ik wil dat oordeel Kamer geven als ik in ieder geval een uitzondering mag maken voor de voertuigonderdelen en voor de import. Ik denk dat dit de twee belangrijkste categorieën zijn waarbij we de registratieplicht niet zouden willen verliezen. Als-dan, en ook voor het gemak, zou ik daarbij zeggen: laten we dit dan in een AMvB doen, omdat we daar al die categorieën en uitzonderingen in neerleggen. Daar zouden we deze dan in kunnen meenemen. Dat geeft ons ook iets meer tijd om dat ordentelijk te doen. De AMvB komt ook weer hier terug.

De voorzitter:

Ik kan de formulering van het amendement zelf niet helemaal goed overzien. Vereist dat nog wijziging van het amendement?

Minister Van Weel:

Het liefst dus het intrekken van het amendement en het verwerken in een motie, zodat we dat per AMvB gaan doen, waarbij dan die categorieën erbij zitten. Ik zeg dan maar even dat als u persisteert in het amenderen, de terugvaloptie wel een wijziging van het amendement vereist om die categorieën die ik noem dan ook op te nemen.

De voorzitter:

Dat geef ik dan maar even mee aan de indieners. Tot slot het amendement op stuk nr. 21.

Minister Van Weel:

Het amendement op stuk nr. 21, over de evaluatie, krijgt oordeel Kamer, omdat die vijf jaar natuurlijk oorspronkelijk de insteek was. Maar nogmaals, met de drie jaar zoals genoemd in het amendement op stuk nr. 11 kan ik ook leven.

De voorzitter:

En toch even in alle scherpte: welke amendementen vereisen dan volgens de minister nog een wijziging in formulering? Dan kunnen we dat goed optekenen in de Handelingen.

Minister Van Weel:

Ik heb suggesties meegegeven om een aantal zaken per AMvB te regelen. Daarbij geef ik de indieners mee dat amendement om te zetten in een motie die ons oproept tot hetzelfde en om dat dan vervolgens per AMvB te regelen of niet. En anders vereist alleen het amendement …

De voorzitter:

Het amendement-Martens-America op stuk nr. 20?

Minister Van Weel:

Ja, stuk nr. 20. Dat vereist aanpassing als het in de amendementsvorm moet.

De voorzitter:

En als dat niet wordt gewijzigd, dan is het amendement ontraden in zijn huidige vorm?

Minister Van Weel:

Dan is het ontraden in zijn huidige vorm.

De voorzitter:

Akkoord. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik dank de minister. Ik stel voor om meteen door te gaan met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Is mevrouw Mutluer zover? Ja? Dat is mooi. Als u zover bent, dan krijgt u het woord. Gaat uw gang.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik wil ook de minister bedanken voor zijn gedegen antwoorden. Maar ik moet eerlijk bekennen dat ik nog niet weet wat ik mijn fractie ga adviseren. Aan de ene kant achten wij het heel erg van belang dat we heling voorkomen en dat we alles op alles zetten om slachtoffers in bescherming te nemen en ervoor te zorgen dat zij de goederen die ze kwijt zijn geraakt door bijvoorbeeld diefstal, terugontvangen. Wat ik echter nog steeds lastig vind, en dat geef ik ruiterlijk toe, is de regeldruk die dit wetsvoorstel met zich mee gaat brengen, terwijl dit kabinet juist het voornemen heeft om het aantal regels te verminderen. Ook heb ik vragen bij de handhaving en met name bij de brief die we van de Autoriteit Persoonsgegevens hebben ontvangen; wie heeft dan gelijk? Dat vind ik een hele lastige afweging. Daar wil ik dus nog heel goed naar kijken voordat ik mijn fractie daaromtrent adviseer.

Wel heb ik een motie klaarliggen; die had ik eigenlijk al. Ik weet dat de minister daar enigszins wat over heeft gezegd, maar voor alle zekerheid dien ik 'm mede namens collega Straatman alsnog in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de beraadslaging is gebleken dat een Kamermeerderheid voorstelt om een uitzondering te maken op de registratieplicht ten behoeve van niet-commerciële kringloopwinkels met een anbistatus;

overwegende dat niet alle niet-commerciële kringloopwinkels een anbistatus hebben, maar vaak wel het Keurmerk Kringloop Nederland hebben en bijdragen aan de lokale (sociale) werkgelegenheid en hergebruik;

constaterende dat het Keurmerk Kringloop Nederland voorziet in een onafhankelijke audit die een professionele en integere bedrijfsvoering garandeert en ook in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gezien als een duidelijke en werkbare afbakening;

verzoekt de regering om naast niet-commerciële kringloopwinkels met een anbistatus ook bij algemene maatregel van bestuur andere niet-commerciële kringloopwinkels met het Keurmerk Kringloop Nederland of een sbbi-status — "sbbi" staat voor een "sociaal belang behartigende instelling" — uit te zonderen van de registratieplicht wanneer zij goederen om niet hebben verworven of voorhanden hebben,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Straatman.

Zij krijgt nr. 22 (36036).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Volgende week hebben we het nog over de amendementen. We nemen nog even de tijd om heel goed na te denken over de antwoorden die door de minister zijn gegeven.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Martens-America voor haar inbreng namens de VVD in de tweede termijn.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor niet alleen de duidelijke beantwoording, maar ook de handreiking rond het door ons ingediende amendement om de onnodige regeldruk in de voertuigenbranche tegen te gaan. Ik benadruk nogmaals dat we aan dezelfde kant staan. We zijn echt op zoek naar een manier om te zorgen dat een branche die het al ontzettend zwaar heeft, het niet nog zwaarder krijgt.

Ik wil graag herhalen dat het amendement dat we vandaag hebben ingediend, niet over diefstalgevoelige onderdelen gaat. Daar heeft de DOR namelijk meerwaarde. Het gaat alleen over voertuigen die al geregistreerd zijn bij de RDW. Ik zal de komende dagen met de mede-indieners nadenken over de suggestie om het specifiek te richten op Nederlandse voertuigen en het reeds ingediende amendement al dan niet aanpassen.

Tot slot heb ik een oproep aan de minister. Wat mijn fractie betreft is het belangrijk dat we het Europese diefstalsignaleringssysteem, EUCARIS, breder gaan gebruiken in Europa. Zo wordt in heel Europa heling voorkomen, in plaats van alleen hier. Zou hij dit wellicht kunnen meenemen in het eerstvolgende gesprek of debat met zijn collega's in Europa?

Dat was het. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng namens het CDA in de tweede termijn.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de heldere uitleg. Ik denk dat iedereen tegen dezelfde struggle aan loopt. Het doel van de wet is heel duidelijk. Tegelijkertijd loop je tegen allerlei problemen rond regeldruk aan. Het moet dus proportioneel blijven. Daarom is het ook heel belangrijk, denk ik, dat we in kaart blijven brengen hoe effectief deze wet is.

In het kader daarvan heb ik één motie. De andere motie gaat over de veiligheid van werknemers. Dat vond ik namelijk toch wel een heel belangrijk punt. Daarover was ook een heel duidelijk signaal uit de wetenschapstoets.

De moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de opvolging van hits in het Digitaal Opkopers Register op dit moment onvoldoende wordt geregistreerd;

overwegende dat de bestrijding van heling en witwassen alleen effectief is als opvolging wordt gegeven aan deze hits;

verzoekt de regering inzichtelijk te maken hoe op een effectieve en overzichtelijke manier opvolging gegeven wordt aan hits in het Digitaal Opkopers Register en dit mee te nemen in de evaluatie over de wet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Straatman.

Zij krijgt nr. 23 (36036).

Mevrouw Straatman (CDA):

De andere.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het kader van de bestrijding van heling en witwassen verplichtingen worden gesteld ten aanzien van registratie en informatieverstrekking;

overwegende dat deze verplichtingen kunnen leiden tot neveneffecten, waaronder veiligheidsrisico's voor werknemers in deze sectoren, zoals kringloopwinkels;

overwegende dat het van belang is dat werknemers en ondernemers voldoende worden ondersteund en beschermd bij de uitvoering van deze wettelijke taken;

verzoekt de regering om initiatieven te stimuleren richting opkopers en werknemers, zoals het aanbieden van handreikingen en trainingen die behulpzaam kunnen zijn wat betreft de omgang met weerstand en communicatie over de registratieplicht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Straatman.

Zij krijgt nr. 24 (36036).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de SGP in de tweede termijn.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de gegeven antwoorden. Ik vond ze behulpzaam.

Voor een deel blijven er de dilemma's rond proportionaliteit, effectiviteit en lastendruk, zoals ik die ook wel terughoorde bij de vorige spreekster, mevrouw Straatman. Maar ze zijn in dit debat niet gegroeid, wil ik wel zeggen. Dat is mede dankzij de beantwoording van de minister.

We zullen ons er in de fractie op beraden welke kant het op valt. Dat gaan we volgende week dinsdag meemaken. Ik noem hierbij uitdrukkelijk dat de positieve appreciatie van de amendementen zeker helpt en dat ik daar oprecht blij mee ben, zeker wat betreft de kringloopwinkels.

Dan nog even de opmerking van de minister over de vraag of het niet beter per AMvB geregeld kan worden. Ik wil de twee amendementen even langslopen.

Het amendement op stuk nr. 18. Zoals ik in mijn eerste bijdrage al heb gezegd, vind ik wat hierin wordt geregeld, namelijk dat goederen geen waarde hebben als ze als afval worden aangeboden, van zo'n algemene aard dat het thuishoort in een formele wet. Ik neem in die zin de suggestie van de minister dus niet over.

Dan het punt van de kringloopwinkels. Ik vind het werk dat die winkels doen en het ook door meerdere collega's beklemtoonde belang dermate belangrijk dat ik dat heel graag verankerd zie in de wet. Als we er onverhoopt ooit vanaf zouden willen, zou dat gewoon een serieuze wetswijziging vergen. Dus nogmaals dank voor de positieve appreciatie. Ik handhaaf mede om die reden mijn amendementen.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u, meneer Van Dijk. Het woord is aan de heer Sneller voor zijn inbreng namens D66 in de tweede termijn.

De heer Sneller (D66):

Dank, voorzitter. Ook van mij dank aan de minister voor zijn beantwoording. Ik denk dat vooral heeft geholpen dat hij in de context heeft gezet wat de huidige situatie is en wat deze wet precies gaat veranderen. De nota naar aanleiding van het verslag was redelijk uitgebreid; ik had het er op die manier nog niet zo goed uit gehaald. Dus dank daarvoor. Dan blijven er alle afwegingen over de proportionaliteit die we zojuist terecht gehoord hebben.

Ik kijk even naar de voorzitter. Ik neem aan dat wij volgende week over de amendementen stemmen en vervolgens een week later ...

De voorzitter:

In principe staan de stemmingen over de moties, de amendementen én het voorstel gepland op dinsdag 2 juni, tenzij u een splitsing voorstelt.

De heer Sneller (D66):

Ja, het zou mij wel helpen om eerst over de amendementen te stemmen en een week later over het wetsvoorstel, als dat mogelijk is.

De voorzitter:

Zou ik daarvoor de leden dan even mogen vragen om naar de microfoon te komen om aan te geven of dat wordt gesteund? Want dan hoeven we dat niet meer in de volgende regeling van werkzaamheden te doen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ja, daar heb ik zeker behoefte aan, voorzitter.

Mevrouw Faber (PVV):

Geen bezwaar.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dat lijkt me prima.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Prima.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ja, prima.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Prima.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

We kijken niet op een weekje.

De voorzitter:

Bij dezen.

De heer Sneller (D66):

We kijken inderdaad niet op een weekje na drie à vier jaar. Dat werd opeens heel formeel, voorzitter, maar dank daarvoor, want ik denk dat dat nuttig is. En dan kan ik ook even spreken met de SP-collega's over het andere amendement over de evaluatie. Ik heb nu een aantal evaluaties gezien waarin wordt gesteld dat het nog te kort na de inwerkingtreding van de wet is om het effect te kunnen bepalen. Ik hecht er ook waarde aan dat we vastleggen waarop geëvalueerd wordt, waarover de minister ook een aantal toezeggingen heeft gedaan. Ik zal dus even met de SP-fractie over dat amendement spreken, want ik gun het de heer Van Nispen ook van harte.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Faber voor haar inbreng namens de PVV in de tweede termijn.

Mevrouw Faber (PVV):

Dank u, voorzitter. Ik zal het kort houden. In ieder geval wil ik de minister natuurlijk bedanken voor zijn beantwoording.

Gezien het gebrek aan politiecapaciteit vraag ik me in verband met de opvolging wel af of het echt gaat werken, want je hebt toch keuzes tussen high-impact crimes en low-impact crimes. Dat is gewoon iets waar we mee zitten. We bagatelliseren heling en diefstal niet. Natuurlijk is dat een punt en daar willen we het natuurlijk ook over hebben. De minister gaf het voorbeeld van de spiegels in de straat, maar volgens mij hebben die geen serienummer of zo, maar dat terzijde.

Maar goed, de resultaten en de opvolging zijn bij een heleboel gemeentes niet bekend. Ik weet wel dat ze het in de praktijk in Amsterdam redelijk goed op orde hebben. Waarschijnlijk is daar daarom beter geregistreerd wat de opvolging daarvan is. Je ziet dus dat je zelfs zonder dit wetsvoorstel de boel wel op orde kan brengen. Er zijn ook mogelijkheden om de regeldruk iets te verlagen door gewoon slimme koppelingen te maken met het DOR; die mogelijkheden zijn er.

Natuurlijk zijn er altijd mensen die buiten het systeem zullen werken. Er zitten zeker lekken in dit systeem. De bonafide eigenaren zijn wel vaak de klos, want die willen het allemaal goed doen. Het is net als bij de identiteitsbewijzen: ze kunnen ook met valse identiteitsbewijzen komen. Maar goed, dat zal altijd zo blijven.

Ik ga met mijn fractie overleggen, want ik vind dit eerlijk gezegd wel een moeilijk onderwerp.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Faber. Dan is tot slot het woord aan mevrouw Coenradie als laatste spreker van de zijde van de Kamer. Zij ziet af van haar termijn.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors vijf minuten voor de beantwoording van de minister.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Minister Van Weel:

Dank, voorzitter. Ook dank aan de leden voor hun inbreng in tweede termijn en dank voor het debat van vanavond en de uitgebreide toelichting die we hebben kunnen geven op het wetsvoorstel zoals het voorligt.

Ik had nog een aantal vragen openstaan uit de eerste dan wel tweede termijn. Mevrouw Martens-America vroeg of we in het eerstvolgende debat EUCARIS mee willen nemen. Dat zeg ik bij dezen toe.

Mevrouw Faber vroeg of je ook preventief je spullen kunt registreren op de app Stop Heling. Dat kan inderdaad. Daarmee staan seriegegevens klaar. Er is geen koppeling totdat er aangifte wordt gedaan. Dan pas worden ze doorgezet. Dank u voor de tip en uw diepgaande kennis van het systeem.

Mevrouw Coenradie vroeg waarom er geen mkb-toets is gedaan. Er is wel een uitvoeringstoets gedaan. Daarbij zijn de verschillende sectoren bevraagd op hun input, bijvoorbeeld de metaalbranche die hiermee terugkwam. We hebben dus gekeken naar de administratieve lasten die het met zich meebrengt. Ik hoor dat thema toch terugkomen, dus daarom benadruk ik nogmaals dat het gaat om bestaande verplichtingen. Die harmoniseren en digitaliseren we nu. Nemen we dit wetsvoorstel niet aan, dan blijft de registratieplicht, maar is die minder geharmoniseerd en zorgt dat voor een slechtere vulling van het DOR. Daardoor hebben we een lagere kans op het terugvinden van geheelde spullen. Dat wilde ik toch nog een keer onder de aandacht brengen.

Ten slotte vroeg mevrouw Faber nog of het woordje "of" ervoor zorgt dat je "ofwel moet vragen om". Nee, in de wetgevingstechniek wordt het woordje "of" hier net anders gebruikt. Het betekent "zowel, als". Je moet dus én vragen om het ID én je moet het registreren. Dat staat ook heel ondubbelzinnig in de AMvB die hieronder valt.

Dan de moties, voorzitter. Daar kan ik kort over zijn.

De motie op stuk nr. 22: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 23: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 24: oordeel Kamer.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van het kabinet, en aan het einde van de behandeling van deze wet.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over de amendementen vinden plaats op 26 mei. De stemmingen over het wetsvoorstel en de moties vinden plaats op dinsdag 2 juni.

Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid en ik dank de aanwezige leden voor het gevoerde debat.

Ik sluit de vergadering, maar niet voordat ik u nog een keer uitnodig voor het debat van morgenochtend. Het is dan Verantwoordingsdag. Ik noem het de spiegel van Prinsjesdag. Het is een belangrijke dag, de derde woensdag van mei. Ik hoop u morgenochtend allemaal te zien. Ik sluit de vergadering van 19 mei 2026.

Naar boven