Handeling
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | nr. 53, item 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | nr. 53, item 7 |
Begrotingen Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Diergezondheidsfonds 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
-het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026 (36800-XIV).
De voorzitter:
Dan zijn we aangekomen bij de voortzetting van de behandeling van de begroting Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de staatssecretaris voor de beantwoording in eerste termijn van de zijde van het kabinet. Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Erkens:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb mijn beantwoording ook opgedeeld in blokjes, namelijk innovatie en glastuinbouw, gewasbescherming, dierenwelzijn, visserij, de wolf en ten slotte de appreciaties van de amendementen. Ik hoop dat de voorzitter mij ook de gelegenheid gunt om een klein inleidend woordje te geven bij deze eerste begroting.
In de Kamer hebben we te maken met een nieuwe situatie: een minderheidskabinet. Wij gaan met elkaar uitvinden hoe dat werkt. Ik zie het in ieder geval als een kans om samen mooie dingen te bereiken en resultaten te boeken. Daarom nodig ik de Tweede Kamer uit om samen de mouwen op te stropen. Dat doen we voor iets groters dan onszelf. We doen het voor Nederland. We doen het voor groei en voor het bouwen aan een Nederland waarin we niet alleen focussen op hoe wij de koek verdelen, maar ook op hoe we de koek groter maken. Daar profiteren wij allemaal van. Hoe sterker onze economie, hoe sterker wij staan in de wereld. Als je praat over groei, investeren en het boeken van resultaten, dan denk ik gelijk aan onze agrarische ondernemers. Na de Tweede Wereldoorlog begonnen zij aan een enorme vernieuwingsslag en Nederland behoort al heel lang tot de wereldtop. Ik heb in het buitenland gezien hoe jaloers men is op onze Nederlandse kennis en kunde. Het harde werk van onze agrarische ondernemers en vissers verdient dat wij trots op hen zijn. Die trots mogen we vaker laten zien. Onze ondernemers staan voor grote uitdagingen. We zoeken naar meer balans met de natuur en naar een hogere waterkwaliteit, naar verduurzaming en naar minder stikstofuitstoot. Dat zijn allemaal zaken die wij willen bereiken, maar het is wel uitdagend. Daarom wil het kabinet hierbij helpen. De aanpak die ik voorsta, is te herkennen aan vier prioriteiten. De eerste is ruimte voor ondernemerschap. Het kabinet heeft, zoals de minister zei, een goed gevuld fonds, maar vooruitgang draait niet alleen om geld. We gaan ook kijken welke regels die er al langer zijn, geschrapt kunnen worden. Daarnaast kijken we hoe nieuwe regels zo simpel en uitvoerbaar mogelijk kunnen worden opgesteld, juist ook voor kleinere ondernemers, waar de heer Koorevaar het ook al over had. Het moet ook efficiënter en effectiever. Groei in waarde via een stimulerend ondernemersklimaat dat ook werkt voor natuur en leefomgeving zal de prioriteit zijn.
Voorzitter. De tweede prioriteit is innovatie. Daarmee bedoelen we ook een toekomstbestendige innovatie. We gaan meer innovaties mogelijk maken en ook innovaties versnellen waar dat kan. Dan blijft de sector wendbaar, en innovaties creëren ook weer nieuwe kansen en economische groei. Ik zet dan ook in op een brede innovatieagenda. Bij het eerste blokje kom ik daar uitgebreider op terug.
De derde prioriteit is voedselzekerheid. Met onze internationale landbouwpositie hebben we een grote rol in de mondiale voedselvoorziening. Op die positie zetten we dan ook in, via een sterke sector in Nederland en via het pakken van kansen op het gebied van export naar het buitenland. We willen dan ook de kwetsbare afhankelijkheden die we hebben richting andere landen, richting een of twee partners, laten afnemen en we willen versterken waar we sterk in zijn. Dat betekent niet dat we alles zelf produceren, maar dat we wel goed organiseren waar kwetsbaarheden zitten, zodat we daarop voorbereid zijn in deze onveilige wereld.
Mijn vierde prioriteit is maatschappelijk draagvlak. Ondernemers passen zich continu aan nieuwe omstandigheden aan. Maar ook de maatschappij verandert continu. Er bestaan terecht vragen en zorgen over gezondheid en dierenwelzijn. Dat ken ik ook vanuit mijn werk als Kamerlid. In de industrie zag je het ook. Daar zei men dat een schonere productie nodig is om de zogenaamde licence to operate te behouden, zodat er in de samenleving draagvlak en steun is voor de sector an sich. Daarom ook is verandering van belang. Dat staat ook in het rapport-Wijffels, waar mevrouw Ouwehand in haar eerste termijn op doelde. Met de sector samen moeten we ook de antwoorden vinden op de maatschappelijke zorg, zodat sector en samenleving elkaar blijven omarmen.
Als u mij vraagt waar ik wil dat we over vier jaar staan, zou ik antwoorden dat ik wil dat we over vier jaar kunnen kijken naar veel vernieuwing, trots kunnen zijn op wat we met elkaar bereikt hebben en trots kunnen zijn op onze sector. Dan kijken we naar Nederland als een internationaal voorbeeld voor al die uitdagingen die we net genoemd hebben. Ik kijk dan ook uit naar inhoudelijke debatten met de Kamer en zie ook uit naar al uw voorstellen en goede ideeën.
Voorzitter. Dan ga ik naar het eerste blokje: innovatie en glastuinbouw. Nederland mag trots zijn op innovatieve ondernemers en sectoren zoals de glastuinbouw. Ook het rapport-Wennink onderstreept hoe belangrijk het is om in te zetten op innovatie. Met de glastuinbouwsector bevinden we ons daarmee in een prachtige uitgangspositie. Dit is een sector die wereldwijd vooroploopt in het ontwikkelen en opschalen van nieuwe technieken. Een sector die zijn weerga niet kent als het gaat om efficiënte voedselproductie.
De leden Koorevaar en Den Hollander noemden de glastuinbouw, zaadveredeling en het verbeteren van voedselzekerheid door middel van een brede innovatieagenda. Mevrouw Den Hollander vroeg daarbij ook specifiek naar mijn bereidheid om de Nederlandse innovatieambities in aansluiting op het rapport-Draghi voor het voetlicht te brengen in Brussel. In de glastuinbouw en ook bij de zaadveredeling zien we een enorme innovatiekracht. Het coalitieakkoord biedt ruimte aan verschillende innovaties die bijdragen aan de voedselproductie, zoals gentechnologie, biotechnologie en genetica. Deze innovaties kunnen bijvoorbeeld bijdragen aan de ontwikkeling van weerbare rassen die beter zijn bestand tegen ziektes en plagen. Het kabinet werkt dan ook aan een nationale technologiestrategie met aandacht voor voedselzekerheid, biotechnologie en zaadveredeling. De kansen van groene biotechnologie, zoals precisieveredeling, staan ook in het rapport-Wennink genoemd. In de toekomst zal steeds meer voedselproductie onder glas, onder beschermende en beheerste omstandigheden plaatsvinden.
Er liggen veel kansen om met innovaties de voedselzekerheid verder te borgen. We gaan hieraan dan ook ondersteunend een innovatieagenda ontwikkelen, met daarbij ook aandacht voor het opschalen en uitrollen van bewezen innovaties. Zo kunnen we onze koploperspositie behouden en de concurrentiekracht en het verdienvermogen versterken. Ik ga in Brussel duidelijk mijn ambities voor een innovatievriendelijk beleid uitdragen, onder andere door het stimuleren van biotechnologie en andere sleuteltechnologieën, zoals de inzet van AI en drones in de land- en tuinbouw. Dit sluit ook aan bij de pijler concurrentievermogen in het nieuwe MFK. Daar zullen de minister en ikzelf aandacht voor vragen in Brussel. Voor de zomer zal ik uw Kamer informeren over deze ambities, zowel over de inzet als over de agenda voor die brede innovatie.
Het lid Flach vroeg daarbij nog specifiek naar het belang van een vitale agrarische sector voor de Nederlandse voedselvoorziening en voor onze economie. Hij vroeg daarbij ook naar een bijpassende nationale voedselstrategie, een onderwerp dat van groot belang is, zoals ook de geopolitieke ontwikkelingen, bijvoorbeeld in Iran, ons nu weer laten zien. Deze week is in de Tweede Kamer de motie-Vermeer aangenomen om voor de zomer vanuit het kabinet daarover een voorstel naar uw Kamer te sturen. Mijn voorganger heeft al gewerkt aan een heel aantal bouwstenen op het gebied van de nationale voedselstrategie. Ik zal me de komende weken beraden over hoe we daar vervolg aan geven richting dat duurzame en weerbare voedselsysteem in een geopolitiek onzekere wereld. Mijn streven is om dit te laten landen in een zogeheten strategische agenda voor voedselzekerheid. Ik vind het daarbij van belang om snel van start te gaan, maar dat wel te doen in een zorgvuldig proces, zowel inhoudelijk als wat betreft de betrokkenheid van de sector, maatschappelijke partijen en de samenleving. Ik zal uw Kamer dan ook voor de zomer informeren over die aanpak en over de bouwstenen voor de strategische agenda voor voedselzekerheid.
Voorzitter. Dan gaan we door naar het tweede blokje: gewasbeschermingsmiddelen.
De voorzitter:
Het kon eigenlijk niet anders bij dit onderwerp: mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We hebben te maken met een ernstige oliecrisis, door alle ontwikkelingen in onder andere het Midden-Oosten, de Straat van Hormuz en dergelijke. Door die straat wordt niet alleen olie vervoerd, maar ook spullen die je nodig hebt om kunstmest te maken. Dat gaat hele grote problemen opleveren in Nederland. Daarom hadden wij nog wat vragen gesteld over mestvergisting. Misschien hoort deze vraag eigenlijk nog een beetje in het vorige blokje, maar omdat we nu bij de innovaties zijn: wat gaat de regering precies doen om die mestvergisting echt zo snel mogelijk op gang te brengen, ook om de mestmarkt te verlichten? Denk aan het gebruik van bijvoorbeeld RENURE als mineralenconcentraat, als kunstmestvervanger.
Staatssecretaris Erkens:
Mestbeleid ligt inderdaad bij de minister. De minister en ik hebben het er wel over gehad met elkaar. De minister is zelf ook een voorstander van de inzet van mestvergisting en RENURE. Ik zou willen vragen of hij u daar mogelijk in de tweede termijn een uitgebreidere toelichting op kan geven, want het is een heel belangrijk onderwerp. Ik zou het jammer vinden als ik daar te oppervlakkig op blijf, omdat het op zijn terrein ligt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat begrijp ik. Ik wil ook vragen of de minister voedselzekerheid daarbij meeneemt. Als wij hier namelijk voedsel willen telen en wij boeren verbieden om dierlijke mest te gebruiken en wij zeggen dat ze over moeten gaan op kunstmest, dan komt onze voedselzekerheid echt wel in gevaar de komende tijd. Ik heb dus de vraag aan de minister, via de staatssecretaris, om het stukje voedselzekerheid hierbij ook in ogenschouw te nemen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik heb een heel korte vraag. Vanmorgen hoorde ik onderweg hiernaartoe dat de prijs voor gas met 35% omhoog is gegaan. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij bereid is om hier binnen het kabinet aandacht voor te vragen, want dat betekent dat de glastuinbouw met ongelofelijk hoge kosten wordt geconfronteerd. Dat kun je niet alleen maar afwentelen op de sector, want uiteindelijk komt dat ook weer bij de burgers terecht. Mijn vraag is dus: is de staatssecretaris bereid om dat onder de aandacht te brengen?
Staatssecretaris Erkens:
Dat is een terechte vraag van de heer Jansen. De glastuinbouw gebruikt veel aardgas en importeert dat ook. Een groot deel van de glastuinbouw heeft gelukkig langere contracten. We zitten gelukkig niet aan de vooravond van de winter; dat gaf de sector zelf ook aan. Tegelijkertijd raakt het de sector nu ook al. Met betrekking tot de brede inventarisatie die vanuit het kabinet loopt, zal ook LVVN aangehaakt zijn om voor de glastuinbouw te bekijken wat de opties zijn.
De heer Chris Jansen (PVV):
Kan de staatssecretaris dan ook een indicatie geven van wanneer wij hier als Kamer nader over worden geïnformeerd?
Staatssecretaris Erkens:
Ik vind het moeilijk om dat nu concreet te zeggen, omdat de brief bij een aantal andere departementen ligt. Ik zal voor de tweede termijn de tijdslijn daarvoor laten ophalen, zodat ik u die kan meegeven.
De voorzitter:
U continueert met gewasbeschermingsmiddelen.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Over gewasbeschermingsmiddelen zijn vragen gesteld door D66, CDA, Partij voor de Dieren, de SGP en andere partijen. Ik neem de zorgen van inwoners over de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun leefomgeving heel serieus. Ik ben reeds in gesprek met partijen om te komen tot nationale convenanten over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Deze moeten leiden tot een substantiële vermindering van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen, moeten de milieudruk terugbrengen en moeten gemeenten helpen bij het oplossen van lokale problematiek. Ik zal daarover de samenwerking aangaan met de lokale overheden. Anderzijds snap ik ook de zorgen van telers over voldoende beschikbaarheid van middelen om de gewassen te kunnen beschermen; de heer Flach vroeg daar aandacht voor. Vergeet niet dat telers zelf natuurlijk het meest blootgesteld zijn aan de middelen die zij gebruiken. Ook vanuit de sector zelf is er dus de bereidheid om te bekijken hoe we schadelijke gewasbeschermingsmiddelen de komende jaren met elkaar afbouwen.
Voorzitter. Daarom zet ik in op een regierol vanuit het Rijk, waarmee gemeenten handvatten en duidelijkheid gaan krijgen. We zien op dit vlak namelijk dat gemeenten nu vaak zelf beleid aan het formuleren zijn. Zij geven aan: vanuit het Rijk hebben we op dit moment onvoldoende houvast om tegemoet te kunnen komen aan de zorgen van onze inwoners.
Er is een belangrijke rol weggelegd voor de te sluiten convenanten, waarin we het gebruik van schadelijke chemische middelen sterk willen reduceren. Dat kan bijvoorbeeld door in te zetten op innovatie, precisiedosering of omschakeling naar andere middelen. Wat betreft dit traject informeer ik de Kamer in april over het proces, de te verwachten doorlooptijd en de betrokken partijen bij de op te stellen convenanten. Mijn streven is om voor de zomer een eerste convenanttekst op hoofdlijnen gereed te hebben. Daarbij ben ik wel afhankelijk van de deelnemende partijen. Die tijdsdruk zit erachter, omdat we in dit kabinet besloten hebben om de opgaven die op de sector afkomen integraal te behandelen. Dat betekent dat we ook op het gebied van gewasbescherming de contouren met elkaar willen hebben vóór het pakket waar de minister over sprak, dat richting de zomer komt. We willen voorkomen dat er over één of twee jaar additionele regels komen, waardoor je misschien net een investeringsbesluit hebt genomen en je dan alsnog de overheid weer op het erf ziet, die toch iets anders van je gaat vragen. Daarom proberen we echt in te zetten op parallelle sporen om die duidelijkheid te verschaffen.
Het lid Podt vroeg specifiek naar het beleid rondom zonering. Het zoneringsbeleid ligt primair bij de minister, maar hier trekken we samen in op, ook richting het zomerpakket waar ik het net over had.
Voorzitter. Het lid Podt vroeg ook hoe we inzetten op de meet- en registratienetwerken, die meten hoeveel gewasbeschermingsmiddelen en biociden overwaaien naar Natura 2000-gebieden. Recent is er een rapport over dit onderwerp van de WUR aan de Kamer aangeboden. Met een onafhankelijk vervolgverzoek willen we de aanbevelingen verfijnen, preciseren en betrekken bij de convenanten. Ook spreek ik met provincies, sectoren en natuurorganisaties over de verdere vormgeving in de praktijk.
De heer Koorevaar vroeg naar de stappen die dit kabinet wil zetten om het gebruik en de impact van gewasbeschermingsmiddelen op het milieu te verminderen door milieubelastingspunten en integrated crop management. Het is belangrijk dat de sector doorgaat met het ontwikkelen van die private benchmarkingsystemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit instrument is bedoeld als hulpmiddel voor telers. Daarmee kunnen zij op individueel bedrijfsniveau hun gebruik en milieu-impact van gewasbeschermingsmiddelen benchmarken ten opzichte van andere telers met hetzelfde gewas, regio en grondsoort. Ik stimuleer de ontwikkeling van deze systematiek en zal deze ook betrekken in het convenanttraject waar uw Kamer in april over geïnformeerd zal worden.
Het lid Flach vroeg naast de reductie van de milieubelasting nog naar de effectiviteit van gewasbescherming en het behoud van teelten, te betrekken bij de convenanten. Ook rekent hij daarbij op steun voor zijn amendement over het Praktijkprogramma Plantgezondheid. Ik begrijp de zorg van het lid Flach met betrekking tot het behoud van de plantaardige productie, teelten en het verdienvermogen van telers. Ik zal hier bij de appreciatie van de amendementen ook uitgebreider op ingaan. Om te zorgen voor een forse gebruiksreductie van schadelijke chemische gewasbeschermingsmiddelen en tegelijkertijd voor een omslag naar weerbare planten- en teelsystemen, zet ik in op die nationale, bindende convenanten met de verschillende partijen. Daarvoor starten we de gesprekken nu al op. Daarin willen we dus ook op dit vlak afspraken maken over de inzet van stimulerende maatregelen, om alternatieven te hebben om die teelten te kunnen beschermen. Hierbij kunnen we denken aan praktijkexperimenten en pilots om telers te helpen in de overgang naar weerbaar telen en duurzame gewasbescherming. Daarin kan een nieuw Praktijkprogramma Plantgezondheid goed passen, waarbij ik misschien iets te ver vooruitloop op het amendement.
Voorzitter, dat was het blokje.
De voorzitter:
Er zijn interrupties. Mevrouw Podt.
Mevrouw Podt (D66):
De minister begon te zeggen dat hij meeleeft, of de zorgen begrijpt van mensen die rondom die percelen wonen. Fijn, daar ben ik heel blij mee. Op het moment dat we die convenanten gaan maken, gaat dat natuurlijk wel voornamelijk aan de telerskant gebeuren. Hoewel, de gemeenten worden ook genoemd. Ik zoek ook nog naar manieren waarop we de inwoners kunnen helpen die zich echt zorgen maken. In de eerste termijn ging het al even over de vraag of we kunnen zorgen dat er vanuit de telers meer transparantie komt, misschien ook iets verplichtender, over waarmee en wanneer er wordt gespoten. Ik denk dat dat voor veel bewoners al heel veel zou oplossen.
Staatssecretaris Erkens:
Ik vind dat een interessante gedachte, die ik mee zou willen nemen in het convenanttraject. Ik wil daarnaar kijken. Wat mij betreft zorgt een convenant voor een aantal zaken. Ten eerste zorgt het voor geloofwaardige afbouwpaden voor de schadelijke chemische stoffen die we met elkaar willen afbouwen. Het zorgt ook voor inzet op de alternatieven, zodat telers ook weten waar ze aan toe zijn en wat ze moeten doen om te kunnen voldoen. Ten derde willen we ook proberen de verdeeldheid op dit thema weg te nemen uit de maatschappij. Dat betekent een verbeterde informatievoorziening richting burgers, maar ook een geloofwaardig verhaal andersom over hoe we de effecten ervan gaan beperken met elkaar. Dat zou ik in dit traject kunnen meenemen.
Mevrouw Podt (D66):
Dat klinkt mooi. De staatssecretaris gaf ook aan dat hij daarbij afhankelijk is van de sector. Ik geloof er heel erg in dat heel veel mensen binnen de sector dit ook echt willen. Die spreek ik ook. Tegelijkertijd kan het natuurlijk niet zo zijn dat de sector als geheel misschien wel zegt: het is heel leuk dat de staatssecretaris dat wil, maar tot hier en niet verder. Hoe ziet de staatssecretaris dat in de praktijk landen?
Staatssecretaris Erkens:
Ik gaf aan dat het Rijk hier regie op gaat nemen. Wij zijn verantwoordelijk voor het feit dat er een convenant komt. Ik wil dat samen met de sector doen. Mijn insteek is dus om met die partijen tot een convenant te komen, ook omdat je voor naleving uiteindelijk wel de commitment van partijen nodig hebt om eraan te gaan voldoen. Tegelijkertijd is dat wat mij betreft niet vrijblijvend; we gaan ook kijken naar stimulerende maatregelen om de sector te helpen om de overstap te maken. Dat betekent ook dat je als overheid er iets voor terug mag vragen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Podt (D66):
Ik zoek toch nog een klein beetje naar taal. Ik snap "stimulerend". Ik snap "commitment in de naleving". Ik vind het heel lovenswaardig dat die zaken vooropstaan. Maar er komt natuurlijk een punt waarop je moet zeggen: dit kan gewoon niet meer. Alleen al omdat je op het moment dat je bijvoorbeeld zegt "dit middel mag over vijf jaar niet meer gebruikt worden" dan juist het ontwikkelen van die alternatieven stimuleert. Is de staatssecretaris dat met mij eens?
Staatssecretaris Erkens:
Dat ben ik met mevrouw Podt eens. De manier waarop we het nu met elkaar geregeld hebben, vind ik op dit vlak gewoon niet goed werken. Op dit moment worden vrijstellingen inderdaad ook vaak verleend per middel. Daarover krijg ik als bewindspersoon adviezen. Uw Kamer wordt daar ook van tijd tot tijd over geïnformeerd in de brieven die u ontvangt. Dan gaan we vervolgens per middel met elkaar een discussie voeren over de vraag in welk jaar we ermee stoppen en komen we er na twee jaar met elkaar achter dat bijvoorbeeld de randvoorwaarden er nog niet zijn om met dat middel te stoppen. Dat vind ik geen wenselijke aanpak om het vertrouwen van de samenleving terug te krijgen. Die langjarige zekerheid moet er wat mij betreft juist voor zorgen dat de sector perspectief heeft en zich uiteindelijk ook gesteund weet door een groot deel van de bevolking, waardoor ook het aantal gepolariseerde discussies hopelijk afneemt. Aan de andere kant moeten we met elkaar wel zorgen voor borging in het convenant, zodat die afspraken nagekomen worden.
De heer Flach (SGP):
Dit onderwerp is heel gevoelig en sterk gepolariseerd. Het leidt ook tot veel emoties. De manier waarop er door sommige collega's in de Kamer over gewasbescherming wordt gesproken, draagt ook bij aan, soms heel onterechte, weerstand tegen middelen. De staatssecretaris had het over "schadelijke" middelen en "schadelijke" toepassingen. Dan is het wel van belang om met elkaar goed te definiëren wat dat is. Koffie is in principe ook een giftige stof, maar in de hoeveelheid waarin wij het dagelijks tot ons nemen, vormt dat geen probleem. Hoe kijkt de staatssecretaris naar de definitie van schadelijke stoffen?
Staatssecretaris Erkens:
Dat is een hele goede vraag. Volgens mij gaat het om het effect van de stoffen die je gebruikt, de opeenstapeling ervan. Dat hoeft wat mij betreft niet te betekenen dat we geen chemische stoffen kunnen toepassen. Als er geen alternatief beschikbaar is, zal het namelijk nog steeds nodig zijn om de teelten te beschermen. Dan ga je kijken naar een andere route. Die kan al beginnen met de veredeling van het zaadje, maar het kan ook betekenen dat we naar veel kleinere doseringen gaan, die heel specifiek toegepast worden op het plantje zelf, waardoor de volumes die we gebruiken, in hoeveelheid afnemen. Wat mij betreft gaat het dus over de totale effecten van alles wat we met elkaar gebruiken, en over de vraag hoe we de effecten daarvan kunnen verminderen. Wat mij betreft is dus niet elke chemische stof onwenselijk.
De heer Flach (SGP):
Dank. Deelt de staatssecretaris dan ook de gedachte dat je eigenlijk zou moeten beginnen met geïntegreerde gewasbescherming en indien nodig met groene middelen? Als dat niet nodig is, hebben we ook nog chemie tot onze beschikking. Maar deelt hij dat we wel het uitgangspunt moeten hebben dat we geen oude schoenen weggooien voordat we nieuwe hebben?
Staatssecretaris Erkens:
Volgens mij is het volgende het belangrijkste. De heer Flach gaf het zelf aan het begin ook aan: het is een heel gevoelige discussie, die heel gepolariseerd is. Aan de ene kant zijn we gewoon ontzettend afhankelijk van gewasbeschermingsmiddelen om ervoor te zorgen dat we die voedselzekerheid borgen en dat de oogst niet mislukt. Aan de andere kant zijn we ook al jaren met elkaar bezig om de effecten daarvan te laten afnemen en zullen we daarin de komende jaren nog grote stappen met elkaar moeten zetten. Geïntegreerde gewasbescherming is daar gewoon een heel belangrijke component van.
De heer Chris Jansen (PVV):
De discussie betreft gezondheid, veiligheid en het feit dat je gewassen uiteindelijk toch moet beschermen. Er is inderdaad niet altijd een alternatief voorhanden dat die schadelijke effecten niet heeft. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan wel of wij van zins zijn om een stapje verder te gaan dan de EU, dan Brussel. Of gaan wij een nationale kop erop zetten? Het vorige kabinet zei heel duidelijk: geen nationale koppen. Dat heb ik in uitingen van dit kabinet nog niet teruggelezen. Mijn vraag is dus of dat wel of niet gaat gebeuren.
Staatssecretaris Erkens:
Dat ligt aan de definitie van "nationale kop". We zullen met elkaar, samen met de sector, afspraken proberen te maken die ervoor zorgen dat we de effecten van schadelijke gewasbescherming op de samenleving inderdaad laten afnemen. Tegelijkertijd zien we ook dat vanuit de Europese Unie de komende jaren een aantal goedkeuringen verlopen van middelen die we op dit moment nog nodig hebben. Dus ja, het is ten dele een nationale kop, maar tegelijkertijd is die ook noodzakelijk voor de sector om toekomstbestendig te kunnen omgaan met gewasbescherming. Er komen ook op mijn bureau steeds middelen voorbij waarvoor ik mogelijk wel of niet een vrijstelling moet verlenen. Daarbij wordt ook aangegeven: over twee jaar mag je deze vrijstelling niet meer geven van de Europese Unie. Dus ja, wat dat betreft hebben we ook vanuit dat sectorale belang nodig dat die alternatieven ontwikkeld worden en dat het Rijk daarbij helpt. Dat is een lang antwoord, omdat het een complex dossier is.
De heer Chris Jansen (PVV):
Op zich geeft de staatssecretaris een terecht antwoord, maar de reden dat ik het vraag is natuurlijk dat je ook praat over de eventuele verplaatsing van de productie van deze gewassen. Dan is Nederland het kwijt. Misschien raakt Europa het zelfs kwijt. Dan komt het uit derdewereldlanden en heb je misschien de negatieve effecten in het kwadraat. Dat is de reden dat ik vraag hoever we hierin gaan. Gaan we ervoor zorgen dat onze ondernemers die het op dit moment moeten gebruiken daadwerkelijk een businesscase houden om gewoon door te kunnen gaan met hun bedrijfsvoering?
Staatssecretaris Erkens:
De heer Jansen en ik zijn het daarover volledig eens. Wat mij betreft gaat het erom dat we er samen met de sector voor zorgen dat we die teelten hier kunnen beschermen en dat we de alternatieven ontwikkelen. Daarom zit ik ook heel erg op twee zaken. Een. We doen dit samen met de sector en sluiten dit convenant. Twee. Het moet echt langjarig zijn, want anders kun je geen investeringsbesluit nemen. Als wij met elkaar besluiten "over twee jaar mag dit en dit niet, en moet u alternatieven hebben", zullen die alternatieven nog niet altijd ontwikkeld zijn. Die langjarige zekerheid is dus ook echt nodig om hierin grote stappen te zetten en ervoor te zorgen dat die sector inderdaad hier kan blijven. Ik las deze week ook nog een artikel over snoeptomaatjes. Op de Nederlandse snoeptomaatjes zitten echt wel veel minder middelen dan op die uit het buitenland geïmporteerd worden, dus laten we ook met elkaar constateren dat er hier al stappen gezet worden en dat het, zoals de heer Jansen zegt, in het buitenland echt niet per se beter is. We moeten vooral met elkaar bekijken hoe we hierin op kop blijven lopen en hoe we vervolgstappen zetten om de effecten ervan op de samenleving en uiteraard op de telers zelf die de middelen moeten gebruiken, te laten afnemen.
De heer Koorevaar (CDA):
Kijk, de snoeptomaatjes worden ook gepromoot. Ik denk dus dat ik weet wat we getrakteerd krijgen als de staatssecretaris jarig is. Even over dat gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ik omarm wat de staatssecretaris zegt over taal. Die milieubelastingspunten zijn namelijk een verhaal van taal. Ik ben het met de heer Flach eens dat we heel prudent met deze discussie moeten omgaan. Het is gevoelig. Volgens mij hebben we die taal van milieubelastingspunten nodig om het goede gesprek te voeren. Is de staatssecretaris dat met mij eens?
Staatssecretaris Erkens:
Ja, daar ben ik het zeker mee eens.
De heer Koorevaar (CDA):
Goed.
Er viel me nog iets op. Iets in de beantwoording van de staatssecretaris triggerde mij. De staatssecretaris zei: we zijn het ermee eens dat we die taal nodig hebben — dat is mooi — en dat er middelen beschikbaar moeten worden gesteld om de taal van milieubelastingspunten verder te ontwikkelen. Maar ik hoorde de staatssecretaris niet zeggen: dit is ook de taal van de overheid; we gaan op die manier over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen praten. Is het ook de taal van de overheid om langs de lijn van milieubelastingspunten te communiceren over de schadelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen?
Staatssecretaris Erkens:
Zo staat het ook in het coalitieakkoord en daar ben ik aan gebonden, dus: uiteraard.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Koorevaar (CDA):
Mooi.
De voorzitter:
U vervolgt over dierenwelzijn.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Er zijn veel vragen gesteld over dierenwelzijn door de Partij voor de Dieren, de PVV en een aantal andere partijen. Laat ik beginnen met de algemene maatregel van bestuur Dierwaardige Veehouderij. Uw Kamer heeft meermaals gesproken over de algemene maatregel van bestuur Dierwaardige Veehouderij. De Partij voor de Dieren vroeg mij naar het traject en het rapport-Wijffels, waarop ik al ben teruggekomen in mijn inleiding. De internetconsultatie van de AMvB heeft ruim 7.200 reacties opgeleverd. Dat is nog net geen record, maar dat geeft vooral aan dat het onderwerp ontzettend leeft in de samenleving. Ook zijn diverse toetsen uitgevoerd, waaronder de handhaafbaarheids- en uitvoeringstoets van de NVWA, de wetenschappelijke toets en de regeldruktoets.
Het doel van een dierwaardige veehouderij op basis van de wetenschap staat hierin voorop. We kijken bij de invulling naar alle relevante aspecten, zoals de regeldruk en de praktische uitvoerbaarheid voor ondernemers. Daar hoort wat mij betreft ook bij dat we kijken naar de markten voor dierwaardig geproduceerde producten, zodat we het verder kunnen verbreden met elkaar en het ook loont dat we deze stappen gaan zetten. Hierover is eerder ook een discussie gevoerd met de minister op een ander dossier. De heer Jansen gaf eerder ook al aan dat we willen voorkomen dat het dierenwelzijn op Europees niveau afneemt omdat het hier niet loont doordat de producten via de keten onvoldoende in de markt worden gezet.
Omdat de inbreng over dit thema ziet op verschillende aspecten is niet één advies leidend. Er is veel inbreng geleverd en die wordt nu zorgvuldig gelezen en beoordeeld. Op basis hiervan zullen we, waar nodig, aanpassingen doen in de concept-AMvB. Zoals ook is aangekondigd in het coalitieakkoord zal het kabinet de aangepaste concept-AMvB rond de zomer naar beide Kamers sturen. Daarna zullen we daarover uitgebreid het debat met elkaar voeren.
Voorzitter. Het lid Ouwehand noemde in haar inbreng de zorgen die er leven over de gezondheidsrisico's rond geitenhouderijen. Ik wil vooropstellen dat het kabinet de gezondheid van alle inwoners belangrijk vindt. Het is in ons dichtbevolkte land niet eenvoudig om economische belangen en milieubelangen met elkaar in evenwicht te houden. Bij het behouden van die balans en het, waar nodig, herstellen daarvan is het van belang om een brede en toekomstbestendige afweging te maken, met oog voor alle belangen. Op 9 januari jongstleden heeft uw Kamer de kabinetsreactie ontvangen op de Gezondheidsraadsadviezen over de verhoogde kans op longontsteking bij omwonenden van geitenhouderijen.
Voorzitter, wilt u de interrupties al toestaan of zal ik nog een stukje doorgaan? Ik ga nog een stukje door.
Er werden veel vragen gesteld over welke maatregelen er precies genomen gaan worden en hoe snel dat gebeurt. Ik begrijp dat en ik deel ook het ongeduld van de Kamer, want het duurt nu al meer dan tien jaar voordat we met beleid komen op dit vlak. Daarom zal dit ook prioritair opgepakt worden. We voelen de urgentie, maar we moeten dit wel zorgvuldig aanpakken, met oog voor de impact ervan, omdat dit bijvoorbeeld ook de woningbouw in Nederland raakt. De volksgezondheid staat daarbij voorop. Op dit moment wordt er een impactanalyse uitgevoerd. Als we die informatie hebben, zullen we die gebruiken voor een zorgvuldige afweging. We zullen daarbij ook de motie-Kostić meenemen. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de aanpak en de te nemen maatregelen. Het heeft dus onze prioriteit om uw Kamer snel te informeren over de acties die we willen nemen.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik had nog een vraag over de beantwoording van de staatssecretaris van mijn vragen over de AMvB Dierwaardige Veehouderij. Ik had een wat concretere vraag gesteld. In de AMvB's die er nu liggen, zitten behoorlijk wat geitenpaadjes. De impact van iedere voorgestelde maatregel moet twee jaar voordat die ingaat, getoetst worden. Ik heb een concrete vraag aan de staatssecretaris: is hij van plan om die geitenpaadjes en die bepalingen eruit te halen? Kan hij daar al iets over zeggen?
Staatssecretaris Erkens:
Nogmaals, ik ga mezelf hier goed over laten informeren. Ik zal de hele AMvB daar ook nog op doorlopen. Ik zou wel een knip willen maken tussen een geitenpaadje en een soort hardheidsclausule als een ondernemer met een goede reden nog niet aan de regels kan voldoen, bijvoorbeeld omdat er geen vergunning verleend is. Ik zal kritisch kijken naar geitenpaadjes die echt gebruikt worden om niet aan de regels te voldoen, maar ik vind het wel van belang om hier hardheidsclausules in te hebben als je als overheid de randvoorwaarden onvoldoende op orde hebt, waardoor een onderneming niet daaraan kan voldoen en dan gesanctioneerd zou worden.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Oké, helder. Dank. Zou de specificatie "rond de zomer" iets concreter kunnen? Want het hele jaar is "rond de zomer", behalve de zomer zelf.
Staatssecretaris Erkens:
Daar kan ik nog niet concreter over worden, omdat ik ook echt de ruimte wil hebben om nog wat aanpassingen te doen in de AMvB. Als die aanpassingen veelvoudig zijn, zal het na de zomer worden, maar als die beperkt zijn, zal het voor de zomer worden. Laat me hier in de tweede termijn op terugkomen. Ik zal de Kamer wel op korte termijn laten weten of de AMvB voor of na de zomer komt. Dat kan ik wel doen, maar ik zal daar vandaag nog geen uitsluitsel over kunnen geven.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Fijn, want ik denk inderdaad dat het, als de staatssecretaris de tijd heeft gehad om in te schatten hoeveel werk het gaat zijn, goed is om te horen of het voor of na de zomer wordt.
Staatssecretaris Erkens:
Ja. Ik zal kijken of we de Kamer voor het debat Dierwaardige veehouderij, dat volgens mij in april plaatsvindt, kunnen informeren over de exacte tijdslijn.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Even checken of ik het goed gehoord heb: zijn er meer dan 7.000 reacties op die AMvB?
Staatssecretaris Erkens:
Ja, meer dan 7.500.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Heeft de staatssecretaris dan ook overwogen om een nieuwe AMvB te maken in plaats van 7.500 wijzigingen te verwerken?
Staatssecretaris Erkens:
Dat zou kunnen, maar dan zou ik die ook in consultatie moeten brengen, met misschien nog meer reacties. Dan zou het dus nog complexer worden, maar het is zeker veel werk voor de mensen op het departement.
De voorzitter:
U vervolgt met dierenwelzijn.
Staatssecretaris Erkens:
Ik vervolg, voorzitter. Over stalbranden waren er ook enkele vragen. Dat is een heftige gebeurtenis. De impact daarvan is voor mens en voor dier enorm groot. Afgelopen week was er weer een grote brand in Epe. Voor de dieren is het natuurlijk afgrijselijk. Ook de veehouders zelf willen dit nooit meemaken. Ik heb hier ook met de veehouder uit Epe gesproken. Ik vind het belangrijk dat we samen met de veehouders en andere stakeholders uit het maatschappelijk middenveld blijven doorwerken aan het verbeteren van de brandveiligheid op veehouderijen. Op korte termijn start ik samen met betrokken organisaties een brandveiligheidscampagne om te zorgen voor meer bewustwording en het geven van inzicht in laagdrempelige brandveiligheidsmaatregelen die veehouders kunnen nemen om het risico op branden te verkleinen. Zoals door mijn voorganger op 19 januari 2026 aan uw Kamer is gemeld, heeft onderzoek aangetoond dat er geen eenvoudige en snelle oplossing is om de brandveiligheid van stallen te verbeteren. De brandveiligheid van een stal moet integraal benaderd worden om tot een effectieve aanpak te komen. Er zijn namelijk vele factoren die invloed hebben op het ontstaan en de verspreiding van brand, zoals diergedrag, stalconfiguratie en brandbestrijding. Wanneer maatregelen in het kader van brandveiligheid los toegepast worden zonder integrale benadering, is volgens de WUR de kans op schijnveiligheid en desinvestering heel groot. In dat kader heeft het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid, het NIPV, recent een denkraam Basis voor brandveiligheid voor veestallen opgeleverd. Momenteel bezie ik hoe dit denkkader omgezet kan worden in beleid en regelgeving om integraler te gaan sturen op brandveiligere bestaande en nieuwe stallen. Ik koers er wederom op om rond de zomer — tegen mevrouw Ouwehand zeg ik: vlak ervoor of vlak erna — op hoofdlijnen deze aanpak met de Kamer te kunnen delen. Daarmee geef ik ook invulling aan de motie van het lid Ouwehand om effectief actie te ondernemen tegen stalbranden. Ik zal ook inzetten op het verder verbeteren van de stalbrandpreventie met de invoering van een verplichte brandveiligheidskeuring en elektrakeuring. Voor deze keuringen lopen nu al onderzoeken om te zorgen dat deze maatregelen ook uitvoerbaar en proportioneel worden. Naar verwachting komt hier in het najaar verdere besluitvorming over.
Voorzitter. Tot slot wil ik ingaan op dierenmishandeling- en verwaarlozing. Met de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing op 1 januari 2024 zijn er extra instrumenten gekomen voor rechtsspraak en ook voor handhavers om dierenmishandeling aan te pakken. Daar ben ik blij mee. Ik vind dat we mensen die dieren mishandelen, steviger moeten aanpakken. Zo is er bijvoorbeeld een houdverbod opgelegd aan een hondenfokker uit Eersel. De handhavende diensten, zoals de NVWA en de LID, zetten al deze nieuwe instrumenten nu in en blijven ervaring opdoen. Daar zal ik ze ook toe blijven oproepen. Er zijn ook gevallen waarin mensen met alle goede intenties voor een dier willen zorgen, maar waarin toch sprake is van dierenleed. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat mensen op basis van onjuiste informatie een verkeerde keuze voor een huisdier hebben gemaakt of doordat een dier aangeschaft wordt met schadelijke uiterlijke kenmerken, waarbij de eigenaar onvoldoende weet dat het dier lijdt als gevolg van die kenmerken.
Vorige week zijn door de heer Graus influencers genoemd die hun huisdier hebben achtergelaten in Dubai. Ik heb geen zicht op welke Nederlandse burgers hierbij betrokken zijn, maar ik kan wel het volgende zeggen. Wie in Nederland een dier mishandelt of verwaarloost, wordt daarvoor strafrechtelijk vervolgd. Wanneer deze feiten buiten Nederland plaatsvinden, heeft de Nederlandse overheid in beginsel geen jurisdictie. Dat is bij heel veel zaken zo, niet alleen in het geval van dierenmishandeling. Maar ik verwacht wel van Nederlandse burgers, waar ook ter wereld, dat zij dieren met respect behandelen en erover nadenken voordat ze een huisdier aanschaffen. Daar hoort ook een verantwoordelijkheid bij, ook in het buitenland. Als je inderdaad vanuit Dubai moet vluchten en je wel de mogelijkheid hebt om je huisdier gewoon mee te nemen, maar je het doelbewust achterlaat, dan zegt dat volgens mij heel veel over je karakter.
Om mensen te helpen de juiste keuzes te maken op het gebied van huisdieren zal ik daarom dit jaar een nieuwe voorlichtingscampagne lanceren. Ik blijf het Landelijk InformatieCentrum Gezelschapsdieren ondersteunen, omdat hier betrouwbare en onafhankelijke informatie te vinden is. Ik kijk ook met de dierenartsen welke rol zij kunnen spelen in het voorlichten van toekomstige diereneigenaren en ook kijk ik of dierenartsen een rol kunnen spelen in de fokscreening van honden en katten, zodat schadelijke uiterlijke kenmerken en ziekte kunnen worden voorkomen. Ik ga ook kijken of ik naast de naaktkat en de kat met vouworen ook dieren met andere kenmerken die lijden met zich meebrengen, kan verbieden. En ik werk aan een vertoningsverbod, zodat bepaalde kenmerken minder te zien zijn en daarmee minder populair worden.
Dit kan ik allemaal in gang zetten en dat ga ik ook doen, maar het is uiteindelijk ook aan de eigenaar van het dier om de keuze te maken voor een gezond dier. Zolang mensen blijven kiezen voor een hond of kat met een aandoening, omdat ze vinden dat die er schatting uitziet, zullen fokkers en handelaren op die wens inspelen, ook als wij dingen verbieden. Zoals wij laatst hebben ondervonden, lukt ze dat vaak ook. Ik doe dan ook de oproep om ook voor de aanschaf van een dier heel goed te kijken naar de gezondheid en herkomst. En wij zullen vanuit de overheid ervoor proberen te zorgen dat mensen die informatie aan de voorkant ook goed ontvangen.
Gelukkig krijgt het welzijn van honden en katten en de handel in deze dieren steeds meer aandacht, ook in Europa. Nederland heeft heel actief bijgedragen aan de nieuwe Europese Verordening welzijn en traceerbaarheid voor honden en katten. Het Europees Parlement stemt hier eind maart over. Dat gaat ook in Nederland weer nieuwe mogelijkheden bieden om de omgang met deze huisdieren te kunnen verbeteren.
Voorzitter. Ik had nog een blokje over giraf Eura, maar ik zie dat de heer Graus er nog niet is, dus dat kan ik misschien nog bewaren.
De voorzitter:
Laten we die als allerlaatste toegift van uw beantwoording brengen en bewaren tot zelfs na de amendementen.
Staatssecretaris Erkens:
Ik had nog twee andere opmerkingen bij dit blokje, maar we kunnen ook de interrupties doen.
De voorzitter:
Heel goed. Als u uw blokje nog even afmaakt, krijgt daarna lid Kostić het woord.
Staatssecretaris Erkens:
Ja. In het algemeen wil ik over dierentuinen aangeven dat ze invulling geven aan maatschappelijke doelen als educatie en conservatie. Veel mensen genieten van een dierentuinbezoek. Tegelijkertijd is het nodig om de zorgen rondom het houden en het welzijn van wilde dieren in gevangenschap serieus te nemen. Vorig jaar heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden dan ook een rapport uitgebracht, dat aan de Tweede Kamer is aangeboden. Met de zaken die in dat rapport staan ga ik aan de slag, samen met de dierentuinen. Dat gaat bijvoorbeeld over de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat ze ook een stimulans ondervinden om zich te blijven ontwikkelen op basis van nieuwe kennis en inzichten en daarmee ook recht doen aan een veranderende maatschappelijke blik op de rol van dierentuinen. Ik informeer de Kamer dan ook aan het eind van het jaar over deze aanpak.
Er was nog één specifieke vraag van het lid Kostić over het dolfinarium. Over het bestaan van het dolfinarium wordt inderdaad heel verschillend gedacht in onze samenleving. Ik zou graag zelf eerst in gesprek willen gaan met het dolfinarium. Ik zou daar langs willen gaan en ook experts willen spreken. Ik zal u ook voor de zomer informeren met een brief daarover.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Fijn. Ik zal even mijn mouwen opstropen, zoals de staatssecretaris vroeg aan het begin van het debat. Het is een goed verhaal en een mooi begin. Ik heb specifiek een vraag over die doorgefokte dieren en dan specifiek de kortsnuiten. Zoals de staatssecretaris weet lijden die dieren ontzettend, bijvoorbeeld aan chronische hoofdpijn. Niet voor niets is er hier daarom een fokverbod. Maar experts zeggen dat je eigenlijk ook een import- en houdverbod moet instellen. Wat schetst mijn verbazing? Het kabinet zegt dat het nog een aantal jaar onderzoek gaat doen, terwijl er verschillende manieren zijn om dat import- en houdverbod gewoon mogelijk te maken. Daar schrik ik echt van. We kunnen bijvoorbeeld kijken naar Vlaanderen, dat gewoon een handelsverbod heeft ingesteld. Mijn concrete vraag is dus of de staatssecretaris bereid is om op korte termijn zo'n handelsverbod met de Vlaamse regering te bespreken en te kijken of we daarvan kunnen leren.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben bereid om te kijken wat we van de Vlaamse regering kunnen leren op dit vlak. We zijn natuurlijk wel gebonden aan internemarktregels op het gebied van Europa wat betreft importverboden, maar ik ben zeker bereid om met de Vlaamse collega te spreken over wat daar wél kan en hier niet, en waarom.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is superfijn. Dan wil ik nog een tweede optie bespreken. Volgens mij moeten we vaart maken en ik voel dat de staatssecretaris dat ook wil doen. De tweede optie is dat we de handelaren in buitenlandse pups om verplichte meetformulieren vragen. Dat doen we nu ook al voor Nederlandse fokkers. Er is dus geen reden om dat niet ook van de buitenlandse fokkers te vragen. Dat creëert nog een drempel voor zulke fokkers. Is de staatssecretaris dus ook bereid om daar op korte termijn naar te kijken?
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben sowieso bereid ernaar te kijken, maar volgens mij komen die mogelijkheden ook al tot stand bij de stemming die we eind maart in het Europees Parlement zullen hebben op het gebied van de omgang met huisdieren, en met name honden en katten. Ik stel voor dat ik dit specifiek meeneem in de brief over onze aanpak op dit vlak die in de zomer sowieso komt. Daarbij wil ik de Kamer er ook op attenderen dat er nog geen debat gepland staat op het gebied van de omgang met dieren buiten de veehouderij, en we volgens mij een behoorlijk aantal onderwerpen te bespreken gaan krijgen.
De voorzitter:
Afrondend.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is fantastisch. Het kabinet heeft de meetformulieren nog niet in die hoedanigheid beoordeeld. Aangezien de Kamer al een aantal jaren wacht op deze maatregelen, zou ik heel graag willen dat de staatssecretaris in ieder geval voor de zomer met een brief komt. Dan kunnen wij er altijd voor zorgen dat er op tijd een debat komt.
Staatssecretaris Erkens:
Ik kan toezeggen dat er sowieso voor de zomer een brief komt over de omgang met huisdieren. Ik zal de opties van het lid Kostić daarin ook laten bekijken. Ik wil daarbij wel één winstwaarschuwing geven. De capaciteit om alles tegelijkertijd op te pakken, is natuurlijk beperkt. Ik zal zelf dus een voorschot geven van zaken waarop ik prioriteit wil leggen, ook gezien de effectiviteit van de maatregelen op het gebied van dierenwelzijn. Dan is het uiteraard aan uw Kamer om te kijken of zij het eens is met die prioritering, want wij zijn een minderheidskabinet.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik had nog een vraag over de diertransporten op hete dagen. Daar heeft de staatssecretaris schriftelijk op geantwoord, waarvoor dank, maar ik maak me wel zorgen. De Kamer vraagt nu namelijk al bijna vijf jaar om het verlagen van de maximumtemperatuur van 35 graden naar 30 graden, wat nog steeds heel heet is. We hebben het voorvorige kabinet gevraagd om daarmee aan de slag te gaan, en alle procedures in Europa waren doorlopen. Toen stuurde de Europese Commissie een briefje met de vraag of Nederland daar minstens een jaar mee wilde wachten, terwijl de Commissie tijdens de officiële notificatieprocedure niet had gereageerd. Deze staatssecretaris heeft nu gezegd: ik beraad me er nog over en u hoort meer van mij tijdens het debat over de dierwaardige veehouderij van 23 april.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik begrijp het niet. Het was een verzoek van de Europese Commissie, maar de notificatie was al helemaal doorlopen. De Kamer is er helder over. Waarom wacht de staatssecretaris? Waarom voert hij deze maatregel niet gewoon door, want alles wat ervoor nodig was, is al gedaan?
Staatssecretaris Erkens:
Ik wil voor het debat Dieren in de veehouderij uitsluitsel geven richting de Kamer. U hoeft dus geen vijf jaar te wachten hierop. Dat wil ik in dezen tegen mevrouw Ouwehand zeggen. De reden waarom het complex is, is omdat er een discussie loopt over de Europese Transportverordening. Daarin zet het Nederlandse kabinet ook in op een aantal andere dingen op het gebied van dierenwelzijn. Er waren daarover ook moties vanuit de Kamer, onder meer van mevrouw Ouwehand. Ik wil die zaken wel tegen elkaar afwegen: als ik het verzoek van de Europese Commissie om uitstel op dit vlak zou negeren, wat zou dan de impact zijn op de andere dossiers die we met elkaar willen bereiken? Geeft u mij dus de ruimte om voor het debat een brief te sturen, waarin ik die weging aangeef. Dat is de voornaamste reden.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik zit een beetje met een dilemma. Het kabinet is net aangetreden. We horen zowel de minister als de staatssecretaris zeggen: geef me de ruimte en dan geef ik vervolgens een antwoord. Een deel van mij zegt: dat vind ik redelijk, dus ik ben bereid om daarin mee te gaan. Maar hier waren de procedures al doorlopen. Als je pas op 23 april duidelijkheid hebt, dan is mijn zorg of je nog wel op tijd bent voor de eerste hittegolven. De sector moet zich daarop voorbereiden. Die moet weten: oei, als het warmer dan 30 graden wordt, dan kunnen we de dieren niet in de vrachtwagen zetten, dus daar moeten we misschien rekening mee houden bij onze stalbezetting. Zijn we dan niet te laat?
Staatssecretaris Erkens:
Die zorg snap ik goed. Ik kan daarbij zeggen dat we wat mij betreft ook nu al samen met de sector daarnaar kijken. Want stel dat je 'm wilt invoeren, kan die dan op tijd ingevoerd worden? Stel dat je toch te laat bent, dan moet je sowieso kijken naar een aantal alternatieven. Daar moeten we met de NVWA naar kijken. Dan moeten we er inderdaad voor kiezen om het transport op warme dagen meer in de nacht te laten plaatsvinden. Richting het lid Ouwehand kan ik wat dat betreft zeggen dat het onze intentie echt is om het dierenwelzijn op dat vlak te verbeteren richting de zomer. Gun mij echter de komende weken de ruimte om wel even afwegingen te maken, gezien het complexe Europese speelveld en gezien een aantal andere zaken, zoals langeafstandstransport, waarover de Kamer mij ook via heel stevige moties met een opdracht op pad stuurt.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dank voor de beantwoording. Ik zou natuurlijk het liefst nu de toezegging van de staatssecretaris willen dat de afgelopen zomer de laatste keer was dat dieren met temperaturen van boven de 30 graden in die transportwagens werden gezet. Als hij dat op 23 april aan de Kamer kan zeggen, dan ben ik bereid om nog even geduld te hebben. Ik wil de staatssecretaris echter echt op het hart drukken om dat te doen, want de Kamer vraagt hier al bijna vijf jaar om.
Staatssecretaris Erkens:
Uw signaal is helder, mevrouw Ouwehand. De moties waren dat ook, wat dat betreft. Er zal sowieso een brief komen voorafgaand aan dat debat.
De voorzitter:
Ik wijs de staatssecretaris erop dat de heer Graus weer in de zaal zit, dus de beantwoording kan wellicht volledig worden gegeven.
Staatssecretaris Erkens:
Zeker, voorzitter. Ik ben al door het blokje dierenwelzijn gelopen. Ik ga het niet volledig herhalen. Giraffe Eura kwam ook voorbij. Dierentuinen heb ik net al kort genoemd. Ik ga met de heer Graus op bezoek in de dierentuin GaiaZOO. Daarbij breng ik ook een bezoek aan giraffe Eura. Dat zeg ik hierbij ook toe. Eura is een giraffe op hoge leeftijd. Zij zal zo lang mogelijk in goede gezondheid en welzijn gehouden worden door de dierentuin. Er is nu ook contact geweest met het ministerie. Een multidisciplinair team kijkt naar de kwaliteit van leven het dier. Als die sterk zou afnemen of de behandelingen echt te intensief en pijnvol zouden worden voor het dier, dan zal de afweging gemaakt moeten worden om deze giraffe een zacht einde te geven. De intentie is echter om de goede gezondheid en het welzijn zo lang mogelijk overeind te houden. Dat is wat ik hierover heb teruggekregen.
De heer Graus (PVV):
Als ik een bezoek afleg aan dieren, neem ik altijd zelf een dierenarts mee. Ik ben daar geweest. Ja, u mag ook een keer mee, mevrouw Den Hollander, heel graag zelfs! Ik ben blij dat we weer een dierenarts in ons midden hebben. Ik ben de laatste keer ook met een dierenarts bij Eura geweest. Als je ziet dat dat diertje ... Inderdaad, normaal worden ze in gevangenschap maximaal 35 jaar. Dat diertje is al 24 jaar en gaat naar de 25 jaar toe. Je ziet dat dat diertje twintig minuten lang uit de ruif aan het eten is en daarna rende ze. Je ziet niet echt mankementen van buitenaf. Je hoort verder dat de bloedwaarden en alles goed zijn. Daar kun je niet alles uithalen, maar ook dat was allemaal in orde. Als ik dan hoor dat dat dier eigenlijk een week voor mijn bezoek ingeslapen had moeten worden, dan vraag ik me af wat daarvoor de reden geweest is. Dat kan dan enkel te maken hebben met de dure medicatie, want die dieren wegen nogal wat. Medicatie is duur. Daar zou de staatssecretaris ook eens iets aan moeten gaan doen, want daar worden belachelijke winsten mee gemaakt. Daar gaat het mij om. Daarom wil ik daar ook met u naartoe, zodat u kan zien hoe gezond en wel dat diertje nog is en dat het, als ze wordt ingeslapen, puur met economische redenen te maken heeft. En daar heb ik een broertje dood aan. Daar gaat het om.
Staatssecretaris Erkens:
Dat volg ik. Mevrouw Den Hollander is uiteraard welkom om ook mee te gaan. Doordat er in het debat aandacht voor gevraagd is en er ook contact is geweest vanuit het ministerie, denk ik dat er alles aan gedaan zal worden om giraffe Eura, nu misschien de beroemdste giraffe van Nederland, in leven te houden. We gaan daar samen op bezoek.
De voorzitter:
U continueert met de beantwoording over de wolf.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter, mijn vierde blokje is visserij.
De voorzitter:
O, excuses. Ik dacht dat we al bij de wolf waren aangekomen.
Staatssecretaris Erkens:
De wolf komt hierna, voorzitter. Maakt u zich geen zorgen: die zit nog in het mapje.
Meerdere Kamerleden vroegen naar het perspectief voor de vissers. Ik ben blij dat u mij hiermee de kans geeft om mijn visie op dit dossier te geven. De visserijsector heeft taaie jaren achter de rug door saneringen, zowel de kottersanering in 2022 als de garnalensanering die nu plaatsvindt. Deze saneringen veranderen en raken de Nederlandse vloot. De impact is groot, maar voor de vissers die besloten hebben om door te gaan, wil ik me inzetten. Ik wil ervoor zorgen dat ook na deze ambtstermijn de sector een duurzaam toekomstperspectief heeft, dat jonge starters erin willen stappen en dat zij ook vertrouwen hebben in de toekomst. Dat vraagt inzet op het ruimtevraagstuk, zowel op de Noordzee als de Waddenzee. Het betekent dat we stappen moeten zetten in innovatie voor een duurzamere vloot. Het vraagt ook om meer internationale samenwerking, gezien het feit dat heel veel van de regels op dit vlak uit Brussel komen. Als we vissers zo perspectief geven, dragen we ook bij aan de leefbaarheid van gemeentes als Urk en Yerseke, waar visserij al sinds jaar en dag met de gemeenschap is verweven.
Voorzitter. In de visie Voedsel uit zee en grote wateren is een toekomstbeeld neergezet voor onze visserij. Voedsel uit zee is belangrijk en draagt bij aan een gezond dieet. Het perspectief is dat vissers een goede boterham verdienen en werken binnen de draagkracht van het ecosysteem. Op dit moment werkt het kabinet samen met vertegenwoordigers van de visserijsector, natuurorganisaties, ketenpartijen en het Bestuurlijk Platform Visserij aan een zogeheten uitvoeringsagenda om dat geschetste perspectief dichterbij te brengen. Dat wordt geleid door de heer Bisschop van de SGP. Het stemt mij positief om te zien dat de sector zijn nek uitsteekt om samen met andere maatschappelijke organisaties te komen tot deze toekomstvisie. Richting de betrokken natuur- en milieuorganisaties wil ik zeggen dat ik het ook waardeer dat ze samen aan tafel zitten met de sector. Dat geeft in de toekomst ook meer zekerheid en stabiliteit op dit belangrijke onderwerp.
De uitvoeringsagenda richt zich op concrete acties voor de komende jaren, voor LVVN, maar ook voor de sector en natuurorganisaties. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om acties om voedsel uit zee beter op de kaart te zetten richting consumenten en gericht op het behoud van ruimte voor de visserij op zee, om onderzoek naar het medegebruik van windparken, en om het openstellen van verschillende regelingen op het gebied van innovatie en steun. Ik hoop dan ook dat de samenwerkende partijen dit voorjaar tot overeenstemming komen over de agenda, zodat ik deze aan uw Tweede Kamer kan sturen en u verder kan informeren over hoe wij proberen om daar als LVVN aan mee te helpen. Als de sector en maatschappelijke partijen met een toekomstvisie komen, dan is het heel belangrijk dat wij deze kans vanuit de overheid ook aangrijpen om die tot een succes te maken.
Daarmee ben ik ingegaan op de nationale inzet, maar ik besef terdege dat visserijbeleid grotendeels op Europees gebied wordt geregeld via het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ook hebben geopolitieke ontwikkelingen nu grote invloed. De internationale context van de visserij vraagt om duurzame contacten met nabijgelegen Noordzeelanden. Dat helpt de Nederlandse inzet in Brussel ook, want we moeten hiervoor meerderheden vinden met elkaar. De komende jaren zal het kabinet zich er daarom voor inzetten om gezamenlijk met omringende landen te werken aan een toekomstbestendige visserij. Om hierin de eerste stap te zetten, wordt op 10 en 11 april een internationaal visserij-innovatiesymposium georganiseerd in Nederland, in Scheveningen. Uiteraard bent u daar allen welkom om kennis te nemen van alle mooie innovaties die de sector kunnen helpen om toekomstbestendig te worden. Dit is geen sluikreclame. Het is gewoon een mooi initiatief, ook vanuit de sector zelf.
Door middel van dit soort initiatieven en daarnaast met een actieve inzet bij de maandelijkse Landbouw- en Visserijraad werkt het kabinet aan de acceptatie van innovaties voor een toekomstbestendige visserij. Er zijn door de VVD en PVV vragen gesteld over mijn inzet in Brussel voor de pulsvisserij. Ben ik bereid om daarop in te zetten? Mijn antwoord daarop zou zijn: ja, daar ben ik toe bereid. De pulskor is een bewezen effectief en innovatief tuig met diverse voordelen. Die zorgt voor minder bodemberoering en een lager energieverbruik — zeker van belang gezien de hoge energieprijzen. Daarom is de pulskor een onderwerp dat ik naar Brussel zal meenemen en daar hoger op de agenda probeer te zetten. Hierbij is het wel van belang om eerst draagvlak te creëren bij de landen die het tot nu toe blokkeren. Het kabinet zal dat dan ook meenemen in deze bredere gesprekken en proberen langzaamaan weer ruimte te creëren om de volgende stappen te zetten. Daarbij zou ik als reactie op mevrouw Den Hollander willen zeggen dat de motie-Van der Plas/Den Hollander daarbij ook echt meegenomen wordt om het onderzoek naar pulsvisserij mogelijk te maken. Dat wil ik samen doen met andere Noordzeelanden. Ik voer gesprekken om te verkennen of onderzoek voor en in de kustzone mogelijk is.
Voorzitter. Naast innovatie wil ik inzetten op het verminderen van regelgeving. Er is nu een kans voor het kabinet, samen met andere landen die ook van plan zijn hieraan bij te dragen, omdat op dit moment het gemeenschappelijke visserijbeleid wordt geëvalueerd. De uitkomst van deze evaluatie wordt in mei verwacht. Ik zal me tijdens de presentatie constructief-kritisch opstellen en pleiten voor de herziening van het GVB. Deze herziening acht ik nodig om de punten die Nederland naar voren heeft gebracht in deze evaluatie, zoals de benodigde aanpassing van de aanlandplicht, aan te pakken.
Tot slot, voorzitter. Bij de nu lopende onderhandelingen over aanvullende regelgeving onder de herziene Controleverordening is de inzet van het kabinet gericht op het opstellen van handhaafbare, uitvoerbare en proportionele regelgeving. Hierbij is er dus ook nadrukkelijk aandacht voor het vereenvoudigen van regelgeving en het beperken van administratieve lasten, zowel voor de sector als voor de overheid. Die lasten zijn namelijk behoorlijk groot op dit moment.
Voorzitter. Dan ga ik bijna door naar de wolf.
De voorzitter:
Maar niet voordat de heer Jansen nog een interruptie heeft geplaatst. Gaat uw gang.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik zal het kort houden, voorzitter. Ik ben blij met het antwoord over de pulskorvisserij. Volgens mij is het heel mooi dat het, zoals het er nu naar uitziet, opnieuw op de agenda gezet wordt. Ik denk namelijk dat dat goed is voor de visserij, maar ook voor de ontwikkeling en innovatie die men daarin heeft geïnvesteerd. De vraag die ik daarnaast nog heb, is als volgt. Vorige week noemde ik ook dat 90% van de kottervisserij in enkele jaren is verdwenen. Ongeveer een derde van de garnalenvisserij dreigt te verdwijnen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: zijn we er hiermee? Denkt de staatssecretaris dat we de komende jaren door kunnen gaan met de resterende vloot? Of denkt de staatssecretaris dat er nog een slag overheen gaat?
Staatssecretaris Erkens:
Daar kan ik geen volledige uitspraken over doen. Wat mij betreft gaan we werken aan een toekomstbestendige sector. We zien dat er in de garnalenvisserij echt een hele grote stap is gezet door mijn voorganger en dat er een groot offer gebracht is door de sector. Wat mij betreft gaan we nu dus ook in samenspraak met de sector werken aan de toekomst. Dat betekent dat we ook moeten beseffen dat er al grote offers gebracht zijn.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank voor dit antwoord. Dit gaat natuurlijk veel verder dan alleen maar de kotters zelf. Het betreft natuurlijk ook het onderwijs dat ermee gemoeid is. Het heeft te maken met hele dorpen, die de staatssecretaris net ook noemt. Denk aan Urk, Volendam, Monnickendam, Zierikzee en noem maar op. Die dorpen leven daar eigenlijk al tientallen jaren — wat heet? — honderden jaren van. Die dreigen eigenlijk hun hele bestaansrecht te verliezen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: bent u bereid om extra te kijken hoe we vanuit de overheid toch kunnen bijdragen aan de levensvatbaarheid van deze dorpen, zonder in te gaan tegen de marktwerking?
Staatssecretaris Erkens:
Daar kan ik nu sowieso op ingaan. Ik denk dat er twee aspecten van mijn antwoord zijn. De eerste is dat het van belang is dat we ook gaan werken aan de toekomstbestendigheid van de sector. Als de sector inderdaad volledig verdwijnt, worden deze specifieke gemeenschappen heel hard geraakt. Ik ben zelf voornemens om de komende weken onder andere naar de gemeente Urk te gaan, om voorbeelden op te halen van de vissers zelf. Ik ga dan dus niet alleen met de organisaties het gesprek aan, maar ook met de mensen die er zelf werken. Daar zullen we het over hebben. Die toekomstbestendigheid helpt daarbij. Ten tweede. Het bredere maatregelenpakket op de visserij is door mijn voorganger, Jean Rummenie, uitonderhandeld, dus complimenten aan hem op dit vlak. Daarmee kunnen we ook deels investeren in de leefbaarheid van de visserijgemeentes. Er zit dus ook gewoon een deeltje in het programma dat er nu is. Dat is niet afdoende, maar het steentje dat we kunnen bijdragen, zullen we blijven bijdragen, ook gezien de inzet van mijn voorganger.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We kunnen nog heel veel doen voor de bestaande visserij, voor zover die nog bestaat. Maar het wordt wel een beetje moedeloos voor de vissers. Als er vanuit het ministerie iets wordt geregeld … De staatssecretaris sprak net al over zijn voorganger in het vorige kabinet, de heer Rummenie. Nu loopt er bijvoorbeeld in Zoutkamp in Groningen, een kleine visserijgemeenschap, een rechtszaak tegen schelpenwinning.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het gaat maar door en het gaat maar door. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat hij graag naar giraf Eura gaat. Ik wil de staatssecretaris hierbij vragen om met mij op werkbezoek te gaan naar Zoutkamp, naar dat Natura 2000-gebied, naar die kleine visserijgemeenschap die daar echt afhankelijk van is. Dat is mijn vraag.
Staatssecretaris Erkens:
Bij dezen. Dat gaan we doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is heel mooi. Dan het volgende. In de schriftelijke vragen heb ik gevraagd of er ruimte is om de brandstofkosten op de een of andere manier te compenseren. Kort gezegd zegt de staatssecretaris: nee, dat kan niet, want er is ook geen mogelijkheid voor in Europa. En dat is niet waar. Dat klopt niet. Ik heb dat uitgezocht via het EMFAF, een commissie binnen Europa. Er zijn wel degelijk mogelijkheden.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mijn vraag is als volgt. Ik wil het even voorleggen aan de staatssecretaris. De EMFAF biedt wel flexibiliteit voor crisissituaties via artikel 26 lid 2. Dat staat uitzonderlijke maatregelen toe in geval van marktverstoringen of crises. Die mogelijkheid is er dus wel. Ik wil de staatssecretaris met klem oproepen om binnen de mogelijkheden die er wel degelijk zijn binnen Europa, toch te kijken of er een compensatie kan komen voor onze vissers, die zo hard getroffen worden door de oliecrisis en de hoge brandstofprijs van dit moment.
Staatssecretaris Erkens:
Ik kan niet volledig meegaan in wat mevrouw Van der Plas hier zegt. Wij gaan op dit moment niet over tot compensatie. Het kabinet inventariseert breed welke mogelijkheden er zijn, mocht daartoe overgegaan worden. LVVN heeft uiteraard ook een eigen uitvraag en doel op dat vlak. Wat ik eerder tegen de heer Jansen zei rondom de glastuinbouw, geldt evenzo voor de visserij. Opties op tafel brengen is verstandig, zodat je, wanneer de crisis aanhoudt en acuut wordt, besluit te handelen en ook kunt handelen. Daarbij kan ik wel een stap verder gaan sinds de schriftelijke beantwoording, omdat ik zelf ook heb doorgepraat over dit onderwerp. Ik ben zelf in nauw contact hierover met de Europese Commissie en mijn collega-ministers om te kijken naar de ruimte die vanuit Europa geboden zou kunnen worden mocht er besloten worden tot compensatie. Je wilt inderdaad voorkomen dat, als misschien over een aantal maanden de situatie erger wordt, je iets zou doen met elkaar en dan moet constateren dat het juridisch niet mag vanuit Europa. Ik ben bereid om dit eind van de maand informeel tijdens de gesprekken aan de orde te brengen bij de Landbouw- en Visserijraad. De route die mevrouw Van der Plas noemt, is er eentje die we inventariseren. Niet omdat we het besluit nu nemen, maar wel omdat we alles klaar willen zetten mocht zo'n besluit nodig zijn.
De voorzitter:
Afrondend. Kort en bondig.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit is namelijk ook gebeurd tijdens de coronacrisis en tijdens de inval in Oekraïne. Toen zijn die maatregelen ook genomen, ook bij de EMFAF. Dat kan gewoon. Ik vat dit op als een toezegging dat de staatssecretaris binnen de Europese Commissie, onder andere bij de EMFAF, gaat kijken welke mogelijkheden er zijn. Of heb ik dat verkeerd begrepen?
Staatssecretaris Erkens:
Nee, ik kan eind maart de gesprekken aangaan met collega's over de routes die mogelijk zijn binnen Europa, mocht het kabinet besluiten tot compensatie. Dit probleem speelt natuurlijk niet alleen in Nederland. Het speelt ook in andere visserijsectoren. Zo'n besluit is nog niet genomen, maar ik ben wel van plan om de opties en routes in kaart te brengen.
De voorzitter:
Dat waren ze.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik snap het. Ik wil hier alleen nog even aan toevoegen dat Spanje hier wél mee bezig is. Ik vraag me echt af waarom andere landen het constant wél doen en waarom Nederland constant achterover blijft leunen. Ga gewoon aan de slag, zou ik zeggen.
De voorzitter:
Het is helder.
Staatssecretaris Erkens:
Nogmaals: ik begrijp en erken de zorgen. Vandaar dat we ook de opties in kaart laten brengen en dat ik bereid ben om bij de LVR eind deze maand met collega's in Europa het gesprek daarover aan te gaan.
De voorzitter:
Dan de wolf.
Staatssecretaris Erkens:
Ja, de wolf. Er zijn veel vragen over gesteld door bijna elke partij. Zo is mij door de SGP en de BBB gevraagd of ik ga kijken naar het beheer van de wolf in Nederland en hoe het staat met de regelgeving die is voorbereid door mijn voorganger. Rondom de wolf speelt veel en de maatschappelijke aandacht is groot. Het is geen understatement als we zeggen dat dit een gepolariseerd onderwerp is in de samenleving. De wolf is in Nederland, dus mijn doel is om het aantal incidenten tussen mens, wolf en vee zo veel mogelijk te beperken en te verminderen. Ik zie dat op dit dossier snelheid geboden is, zowel met de AMvB die er ligt als met de internationale samenwerking die nodig is. Ik had nu een heel leuk grapje voor de heer Grinwis, maar hij is er niet. Ik wacht wel even tot hij terug is.
Ik ben afgelopen maandag op werkbezoek geweest in Barneveld, waar ik sprak met lokale bestuurders, veehouders, boswachters en scholieren die in aanraking zijn gekomen met de wolf in Barneveld. Ik wil op dit vlak echt concrete zaken verbeteren. Vandaar dat ik ook snel naar Barneveld ben gegaan. Dit kan en wil ik niet alleen doen. Dit moet samen met provincies en burgemeesters, omdat daar ook veel van de bevoegdheden liggen. Ik ben wel bereid om hierin als Rijk stappen te zetten om het aantal incidenten met wolven te beperken.
Ik zie zelf vier sporen op dit dossier, waarover ik uw Kamer in een brief over circa twee maanden verder zal informeren. Het eerste spoor is wat mij betreft het zo veel mogelijk voorkomen van incidenten. Dat doen we door door te gaan met voorlichting via het Landelijk Informatiepunt Wolven en door steun te bieden aan veebeschermende maatregelen via het Landelijk Initiatief Veebescherming. Het tweede spoor is dat provincies en gemeenten beter moeten kunnen ingrijpen om incidenten te voorkomen. Hiervoor werk ik aan regelgeving, waaronder de AMvB waar mijn voorganger mee is begonnen, waarmee het verjagen van wolven voor veehouders eenvoudiger wordt en ook mogelijk beheer op de lange termijn mogelijk wordt gemaakt. Bij het derde spoor onderzoek ik of we probleemwolven die incidenten veroorzaken met mensen en huisdieren sneller kunnen aanpakken. Het vierde spoor is gericht op de lange termijn en ziet op de discussie over de zogeheten gunstige staat van instandhouding. Deze is nodig als wij als Nederland willen overgaan tot beheer. Dat is nodig vanuit de natuurregelgeving, maar ook om bijvoorbeeld, zoals de heer Graus vroeg, sterilisatie als oplossing te kunnen toepassen. Dat kan nu nog niet en daarvoor moeten wij dus ruimte creëren, mocht dat wenselijk zijn. Hiervoor zoek ik ook de samenwerking met buurlanden, met wie wij de wolvenpopulatie delen. Duitsland is daarbij uiteraard de belangrijkste partner.
Voorzitter. Ik zal eerst ingaan op de vragen vanuit de Kamer die betrekking hebben op de regelgeving die mijn voorganger heeft voorbereid en daarna de overige vragen beantwoorden. Ik verwacht dat er dan nog een aantal interrupties zullen volgen.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u eerst uw beantwoording op dit onderwerp afrondt en dat we daarna ruimte bieden voor interrupties.
Staatssecretaris Erkens:
Ja, dan doen wij dat. Afgelopen jaar is door mijn voorganger een AMvB opgesteld die onder andere de verlaagde beschermingsstatus van de wolf implementeert in nationale regelgeving. Hij heeft daarin veel werk verricht en ik ga hier met hoge prioriteit mee verder. Ik weet dat provincies en gemeenten veel behoefte hebben aan juridische duidelijkheid. Die duidelijkheid willen wij ook bieden. Daarom kijk ik op korte termijn nogmaals goed naar de AMvB. Daarbij neem ik de input van uw Kamer uit dit debat mee, evenals de input van mijn werkbezoek. Mijn streven is om ruim voor 4 juni, wanneer het commissiedebat Natuur plaatsvindt, de AMvB te sturen, samen met een bredere brief over hoe we omgaan met de wolf in Nederland. De Kamer kan daar dan nog eenmaal over beraadslagen. Vervolgens kan de AMvB snel na dat debat in werking treden. Ik vind het wel van belang, mede gezien eerdere moties, dat wij daar nog een keer met elkaar van gedachten over wisselen. Concreet vroeg het lid Kostić mij of ik bereid ben om het preventiebeleid mee te nemen op basis van wetenschappelijk advies en best practices uit het buitenland. De AMvB richt zich op de beschermingsstatus van de wolf en het beperken van incidenten. Preventie en voorlichting zullen we ook verder uitwerken. Dat zal in de begeleidende brief worden geactualiseerd.
Naast de AMvB ben ik ook blij met de lopende trajecten, zoals het onderzoek naar de staat van instandhouding en meerdere trajecten die zijn gestart in het kader van de Landelijke Aanpak Wolven, bijvoorbeeld het Landelijk Informatiepunt Wolven en de initiatieven voor veebescherming. De BBB vroeg mij daarbij expliciet of er wolfvrije zones aangewezen kunnen worden. In het kader van de Landelijke Aanpak Wolven wordt momenteel gewerkt aan een ruimtelijke visie op wolven in Nederland. Er is voor gekozen om dit landelijk op te pakken, omdat het leefgebied van wolven niet ophoudt bij provincie- of gemeentegrenzen. De visie geeft richting bij de vraag welke ruimte bestemd is voor de wolf en welke ruimte daar niet bij past, gegeven het feit dat er sprake is van veel dierhouderij, recreatie en ander intensief menselijk gebruik.
Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de visie gaat in de richting van een volledig wolfvrije zone voor heel Nederland, zoals een aantal Kamerleden vroeg. Daarmee zou ik iets beloven wat op dit moment geen stand zou houden, ook niet bij de rechter. Wat dat betreft steek ik mijn energie op de korte termijn heel graag in de vier sporen die ik net noemde, omdat we daarmee hopelijk ook het aantal incidenten naar beneden kunnen brengen en ook provincies en gemeenten kunnen helpen.
Nederland heeft tevens een Europese verplichting om bij te dragen aan een gezonde wolvenpopulatie. Wat betreft de instandhouding van deze verplichting wil ik de door het vorige kabinet ingezette lijn doorzetten, namelijk om te proberen om samen met onze buurlanden de staat van instandhouding te definiëren. Alleen op die manier komt er ruimte voor beheer. Als Nederland zelf hebben wij best weinig ruimte om te voldoen aan de staat van instandhouding. Gelet op het leefgebied van de wolvensoort die in Nederland is, doe je dat met de buurlanden samen. Die lijn zet ik door.
Naar verwachting kan het kabinet de ruimtelijke visie in de tweede helft van 2026 met uw Kamer delen. Op dit dossier heeft de Europese samenwerking dus mijn volle aandacht, zoals JA21 vroeg. Ik wil graag met de buurlanden komen tot een goede duurzame samenwerking. Alleen zo wordt beheer inderdaad mogelijk in de toekomst. We kunnen het niet alleen. We moeten dit samen met de decentrale overheden doen, maar ook met de Europese Commissie. Ook die moet gaan helpen om de grensoverschrijdende samenwerking op dit complexe dossier vorm te geven. Daar ga ik uiteraard met uw Kamer graag het gesprek over aan.
De voorzitter:
Interrupties. Het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil even doorgaan op de preventie en de voorlichting, waarvan we weten dat dit de meeste effectieve manieren zijn om uiteindelijk te leren samenleven met de wolf. De Partij voor de Dieren ziet ook dat er mensen in het land zijn die het spannend vinden dat de wolf er is. We begrijpen dat wel, omdat we hebben gezien dat er onvoldoende op is ingezet om die mensen hierin goed mee te nemen.
Ik hoor twee dingen van de staatssecretaris. Aan de ene kant zei hij in het begin van zijn betoog dat hij wat betreft preventie en voorlichting gewoon doorgaat met wat er al eerder lag: een landelijk informatiepunt et cetera. Tegelijkertijd zegt hij in mijn richting dat hij nog komt met een brief en dat hij kijkt naar nieuwe stappen. Dat is voor ons heel belangrijk. We hebben gezien dat de meeste boeren hun vee nog niet kunnen beschermen. Op dit punt is er dus sowieso actie nodig.
De voorzitter:
Uw vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn vraag is: kan de staatssecretaris toezeggen dat hij gaat kijken naar extra inzet om de boeren beter te ondersteunen — we zien dat dit gewoon niet goed gaat — en om de mensen beter mee te nemen?
Staatssecretaris Erkens:
Ik kan dat ten dele toezeggen. Wat mij betreft lopen er twee grote discussies. De eerste discussie wordt gevoerd aan de hand van de vraag: wat zijn de mogelijkheden voor beheer en hoe wenselijk vinden we welk aantal wolven in Nederland? Dat is een discussie van lange adem, omdat we met buurlanden afspraken moeten maken, aangezien er anders überhaupt geen juridische ruimte is. Vandaar ook de andere discussie: hoe kunnen we op de korte termijn zorgen dat het aantal incidenten afneemt? Daarbij zou wat mij betreft ook moeten worden ingezet op preventie en informatie; die zouden verbeterd kunnen worden. Dat ga ik dan wel doen in samenspraak met de lokale overheden.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat sluit mooi aan op mijn tweede punt, dat ook aansluit op de preventie. Er ligt een aangenomen motie van de Partij voor de Dieren om te stoppen met jagen op prooien van wolven in wolvengebieden. Daarvan zegt de staatssecretaris in de schriftelijke beantwoording: dat vinden we in principe een goed idee, maar uiteindelijk gaan de provincies erover, dus we geven het de provincies mee. Tegelijkertijd is de staatssecretaris nu bezig om hier de lead in te nemen. Hij is ook eindverantwoordelijk op dit punt. De vraag is: hoe kunnen wij leren om samen te leven met de wolf en welke maatregelen zijn daarvoor nodig? We weten dat dit een van de maatregelen is die ervoor kunnen zorgen dat de incidenten die de staatssecretaris schetste worden voorkomen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij ook hierover concrete afspraken zal proberen te maken met de provincies als hij straks verder met ze in gesprek gaat en met een pakket komt?
Staatssecretaris Erkens:
Het probleem is dat de verantwoordelijkheid versnipperd is over verschillende overheidslagen. Ik voel een verantwoordelijkheid om de regie op te nemen om partijen bij elkaar te brengen. Dat kan ik inderdaad toezeggen. Wat ik wil gaan doen — dat wilde ik in de brief verder uitwerken, want het is nog niet volledig uitgewerkt — is het op poten zetten van een meer regulier overleg tussen provincies, de betrokken gemeenten, het Rijk en wat mij betreft ook maatschappelijke organisaties, zowel vanuit de dierenkant als vanuit de landbouwsector. In dat overleg kan bekeken worden of je over het gemeenschappelijke doel, te weten het beperken van zo veel mogelijk incidenten, welk doel alle partijen met elkaar delen, een aantal afspraken kunt maken. Wat mij betreft zou dat ook in die gesprekken mee kunnen.
De voorzitter:
Afrondend.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik hoor hier een positief geluid; dat neem ik mee. Ik zou de staatssecretaris toch nog één keer willen horen zeggen dat hij die motie, die gewoon is aangenomen, meeneemt in de gesprekken, en dan niet alleen van "kijk hier nog even naar" maar als een serieus onderdeel van het pakket van de gezamenlijke inzet.
Staatssecretaris Erkens:
Ik laat hier een serieuze voorbereiding aan vooraf gaan. Ik zal er dan voor zorgen dat de motie daarvan een belangrijk onderdeel is.
De heer Graus (PVV):
Ik heb aan het vorige kabinet twee dierenartsen aangedragen die hier zeer ervaren mee zijn. Ze heten Peter en Michiel; ik zal de achternamen even achterwege laten. Zij hebben adviezen gegeven over hoe je dit het beste kunt aanpakken. Ze zijn ook ervaringsdeskundig hiermee in het buitenland. Ik wil toch van de staatssecretaris horen of hij al met hen heeft gesproken. Zijn die mensen überhaupt geraadpleegd? Zij hebben namelijk oplossingen op een nettere manier, op een minder erge manier. Het verhaal is — en daar heeft meneer de Voorzitter mij nog in gesteund — dat je het anticonceptievaccin gewoon in de bil kunt schieten, waarna dieren vaak één of twee jaar onvruchtbaar zijn. Dat is een betere manier dan ze af te schieten. We moeten nooit vergeten dat heel veel mensen die tegenstander zijn van de wolf … Sommige mensen zijn overigens een tussengroep. Zij zijn gewoon echt bang voor de wolf of ze hebben iets meegemaakt waardoor ze angst hebben gekregen. Dat moet ook allemaal zeer serieus worden genomen. Maar het merendeel van de mensen is niet tegen de wolf in Nederland. We leven in een parlementaire democratie, dus als we toch een betere oplossing hebben dan afschot, vind ik wel dat de staatssecretaris die moet meenemen. Meneer de Voorzitter, u hebt mij daarin gesteund in het verleden, toen u hier nog eenvoudig in de bankjes zat.
De voorzitter:
Ja, nog voordat ik Voorzitter was. Ja, ik was erbij.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben zeker altijd bereid te kijken naar minder verstrekkende opties. Ik denk alleen wel dat we in dit geval twee dingen uit elkaar moeten knippen. Het ene gaat over het voorkómen van incidenten met wolven die steeds meer problemen veroorzaken. Daar kan in het huidige juridische kader … Vandaar dat ik ook zeg dat het een laddertje is, een trapje dat je afloopt: zo veel mogelijk proberen het beest nog schuw te houden, dan komt verjagen en dan komt bij een probleemwolf inderdaad de vergunningverlening vanuit in dit geval een provincie om te kunnen overgaan tot afschot. Zoals ik net zei, ben ik bereid om in de bredere discussie van de lange adem te kijken of bij een gunstige staat van instandhouding anticonceptie inderdaad een betere oplossing zou kunnen zijn. Op dit moment moet ik die ruimte wel nog creëren, want op dit moment kan het juridisch nog niet standhouden. Dat is de complexiteit van dit dossier.
De voorzitter:
Mevrouw Ten Hove? Meneer Boomsma? Zeer galant. Gaat uw gang.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Op dit moment hebben wij dertien à veertien wolvenroedels in Nederland. De habitatgeschiktheidsanalyse van de Wageningen Universiteit zegt dat we voor een gunstige staat van instandhouding zeker 23 roedels moeten hebben in Nederland. Begrijp ik het dan goed dat de staatssecretaris er nog tien roedels bij wil hebben in Nederland?
Staatssecretaris Erkens:
Nee, de staatssecretaris wil er niet nog tien roedels bij hebben. Maar mijn voorganger, de heer Rummenie, heeft daarom nog een additioneel onderzoek uitgezet naar een staat van instandhouding die past bij Nederland. In het onderzoek wordt ook gekeken naar andere factoren dan alleen ecologische factoren, dus maatschappelijke factoren, het draagvlak, de economische impact et cetera. Die studie komt voor de zomer. Zodra ik die heb, zal ik een appreciatie ervan door het kabinet naar u sturen. Mijn voorganger heeft dit ook uitgezet om een second opinion te krijgen op het onderzoek waar u naar verwijst.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik ben dan benieuwd, zeg ik via de voorzitter, hoe de staatssecretaris dat in Europa gaat verkopen, zonder dat we helemaal kapotgeprocedeerd gaan worden.
Staatssecretaris Erkens:
Zodra wij het onderzoek naar de gunstige staat van instandhouding hebben, gaan wij ook zien of daar een andere conclusie uitkomt of niet. Het belangrijkste hierin is dat wij samen met Duitsland gaan kijken of we de definitie van "een gunstige staat van instandhouding" mogen maken samen met Duitsland en een paar andere landen waar de wolvenpopulatie ook naartoe gaat. Ze gaan ook heen en weer over de grens. Het is vrij gek om dit nationaal op te pakken, want nationaal hebben we gewoon vrij weinig ruimte op dit vlak. Ik ben dus ook voornemens om op relatief korte termijn naar Duitsland te gaan om daar het gesprek met de collega's over te openen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ja, ik wil afronden. Dit vind ik heel positief. Ik wil nog even aanhaken op het feit dat al die mensen zo hun best doen met wolfwerende rasters en alle subsidiegelden die erheen gaan. Als je op de site van BIJ12 kijkt, is het ongelofelijk hoeveel werk daarin al is verzet en hoeveel belastinggeld er ook naartoe gaat. Het is echt belangrijk dat we daar snel wat aan gaan doen.
Staatssecretaris Erkens:
Ja, daar ben ik het mee eens. Voor dit signaal ben ik niet doof in dit geval. Ik moet zeggen dat ik mijn bezoek aan Barneveld wat dat betreft ook best wel heftig vond. Ik zag de foto's van een dierenarts van het vee, dat in de ochtend vaak nog leeft. Als veehouder tref je het zwaargewond aan en het moet dan uit zijn lijden worden verlost. Daar word je ook niet vrolijk van. Het signaal is dus helder.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat dit verstandige stappen zijn, maar om die gunstige staat van instandhouding vast te stellen was de heer Rummenie ook bezig om op basis van een onderzoek van Linnell en Boitani te bekijken of Nederland kan worden aangewezen als een klein land. Hij bekeek of het kan worden gedaan in een samenwerking, niet zozeer met Duitsland, want dat kan het moeilijk volhouden, maar wel met België en Luxemburg. Is dat dus ook een traject dat de staatssecretaris overneemt?
Staatssecretaris Erkens:
Ja, ook daarop zal ik terugkomen in die brief rondom die gunstige staat van instandhouding. Dat is een van de andere routes die bekeken wordt. Ik begreep wel dat de route met het definiëren van gemeenschappelijk gebied met Duitsland en andere landen de meest kansrijke is, maar daarmee schrijf ik de andere route nog niet af.
De heer Boomsma (JA21):
Mooi. We zien uit naar dat onderzoek. Ik heb nog een andere vraag. Ik begreep namelijk dat er op Bram, die natuurlijk inmiddels gedood is, autopsie is verricht. Daarbij is niet gekeken of hij hondsdolheid had, want daar was geen geld meer voor. Ik begreep dat dat onderzoek naar hondsdolheid eigenlijk zou moeten gebeuren, maar dat er geen geld is voor provincies om dat te doen. Dat lijkt me eigenlijk geen goede zaak.
De voorzitter:
Voor de kijkers thuis: het gaat om wolf Bram.
Staatssecretaris Erkens:
Mijn experts op het gebied van wolven luisteren mee. Laat ik tegen u zeggen dat ik daar in de tweede termijn op terugkom. Ik weet niet specifiek of wolf Bram is getest op hondsdolheid. Ik laat dat nu voor u uitzoeken, ervan uitgaande dat ze meeluisteren.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik ben supertevreden over de aanpak die de staatssecretaris tot nog toe kiest. Je ziet inderdaad dat het gedane voorwerk goed wordt meegenomen en dat er mooie stappen gezet worden. Ik vraag me af of de staatssecretaris, misschien wel samen met de minister, eens gaat kijken naar het beleid van terreinbeherende organisaties die op dit moment massaal hun kuddes uit de natuur halen. Die krijgen subsidie om de natuur te laten begrazen, maar kunnen dat niet meer doen, omdat de kuddes gewoon opgegeten worden door de wolf. Hoe gaat de staatssecretaris met de minister in gesprek over wat we daarmee doen? Blijven we subsidies geven voor werk dat niet gedaan wordt omdat ze het niet kunnen doen?
Staatssecretaris Erkens:
Nee, op dit moment is er nog geen beleid voor. Ik vind het geen gekke vraag die mevrouw Den Hollander stelt. Laten we dit dus meenemen in de verdere uitwerking van de aanpak op dit vlak. Ik denk dat het logisch is om dat te koppelen aan de ruimtelijke visie voor wolven, die we dit najaar opstellen. Het lijkt me logisch dat je dit soort factoren meeneemt bij het kijken naar welk gebied daarvoor geschikt is en welk gebied minder.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
In aanvulling: dat begrazen van natuurgebied is gewoon keihard nodig voor natuurherstel, of in ieder geval voor het voorkomen van natuurverval. Het is een beetje dweilen met de kraan open als je aan de ene kant heel hard de natuur probeert te herstellen en als de wolf aan de andere kant alles aan het opeten is wat nodig is om de natuur te herstellen. Ik zou er echt heel veel aandacht voor willen vragen dat dit niet verder kan op deze manier.
Staatssecretaris Erkens:
Het signaal is helder. Ik neem 'm mee.
De heer Flach (SGP):
Ik vind het heel goed dat de staatssecretaris zich in Barneveld georiënteerd heeft. Dat is de wolvenhoofdstad van Nederland. Dan hoef ik eigenlijk geen woorden meer te wijden aan de urgentie van het probleem. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat de AMvB nog een keer terugkomt naar de Kamer en dat de review nog loopt tot de zomer. Dat betekent dat er in dit seizoen, waarin er allerlei jongen bij komen, helemaal niks gaat gebeuren. Wat gaat de staatssecretaris in dit seizoen doen voor al die mensen die met zorg kijken naar de groei van die populatie?
Staatssecretaris Erkens:
Laat ik de AMvB op dit vlak even terugleggen bij de Kamer. Wij willen 'm inderdaad zo snel mogelijk af hebben en indienen. Ik heb er nu voor gekozen om dat te doen richting het commissiedebat Natuur van 4 juni. Als wij hem eerder af hebben, kunnen we 'm ook eerder invoeren. Maar dan zal de Kamer in de procedurevergadering ervoor moeten kiezen om dit eerder te bespreken. Wat mij betreft is dat heel verstandig, want we missen anders wel een deel van het seizoen; daarin heeft de heer Flach gelijk. Die spoed zou dus geboden kunnen zijn, maar ik leg deels bij de Kamer terug of die daartoe bereid zou zijn. Dan zal ik proberen om het voorstel zo snel mogelijk te versturen. Dat zou voor 4 juni kunnen, en dan niet de dag van tevoren. Dan hoop ik dat de Kamer die urgentie ook voelt. Ik heb zelf ook de behoefte om snel resultaten te boeken.
De heer Flach (SGP):
Dank, zeg ik richting de staatssecretaris. Wat de SGP betreft is er op dit dossier geen dag te verliezen, dus ik zal proberen daaraan bij te dragen.
De heer Graus (PVV):
Ik heb mij ooit met Lutske Jacobi, een oud-Kamerlid van de PvdA, ingezet voor de gescheperde schaapskuddes. Ik heb contact gehad met bepaalde mensen die met schaapskuddes en getrainde honden lopen. Zij schijnen weinig tot geen last te hebben van de wolf, zeg ik in aansluiting op de interruptie van mijn collega van de VVD. Het schijnt dat er helemaal niets gebeurt als je bepaalde honden bij die kuddes hebt lopen. Ik wil wel dat de staatssecretaris dat meeneemt. We zijn vaak veel te ver aan het zoeken, terwijl de oplossingen er al liggen. In Afrika zijn er zelfs mensen die zich met boerboels — dat zijn bepaalde honden — beschermen tegen leeuwen. Zo kun je kuddes ook met dieren beschermen tegen de wolf.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben bereid om naar andere oplossingen te kijken in de sporen die ik uitzet. Dit zullen we zeker kunnen meenemen richting de experts. Ik weet wel dat het afhangt van de hondensoort. Er zijn namelijk ook incidenten geweest waarbij de hond voor de wolf juist een trigger vormde om over te gaan tot een aanval. Vanuit die grondhouding zal ik het meenemen.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Koorevaar. Daarna gaat de staatssecretaris de openstaande amendementen appreciëren.
De heer Koorevaar (CDA):
Ik heb een korte vraag aan de staatssecretaris. Er wordt vaak gesproken over wolfwerende rasters, maar er wordt niet zo vaak gesproken over de tijd die boeren, schaapherders of wie dan ook kwijt zijn om die rasters te plaatsen. Is de staatssecretaris bereid om te kijken naar het vergoeden van die tijd?
Staatssecretaris Erkens:
Op dit moment zijn er überhaupt al te weinig vergoedingen op het gebied van de rasters. Die middelen zijn op. Sta mij toe om eerst met provincies en gemeenten in gesprek te gaan om te bekijken hoe we daarvoor een oplossing vinden. Ik wil daarbij wel de kanttekening maken dat rasters wat mij betreft ook niet zaligmakend zijn. We gaan toe naar gebieden waarin de kans op interactie tussen wolf en mens groter wordt of al groot is. Daar moet je inzetten op rasters, maar ik zou willen voorkomen dat we dat in heel Nederland op elke mogelijke plek gaan doen. Wat mij betreft kunnen we op die manier in de ruimtelijke visie op de wolf met provincies handvatten maken voor welke oplossing op welke plek het meest logisch is, en zo ook het meest effectief met het geld omgaan. Ik sprak maandag met een schapenhouder in Barneveld. Die gaf aan dat hij elke drie, vier dagen bezig is met het verplaatsen van de rasters en dat dit ontzettend veel tijd kost. Wat mij betreft doen we dit dus enkel op de plekken waar de noodzaak ervoor is. De heer Koorevaar heeft gelijk; het kost ook gewoon heel veel tijd.
De heer Koorevaar (CDA):
Afsluitend dan. We ondersteunen uw pleidooi voor beheer en dat u daar ook veel haast mee wil maken. Ik ben blij dat de staatssecretaris ook wil kijken naar tijd, naast ruimte, ruimtelijk beleid. Dat begrijpt de CDA-fractie. Nogmaals, ik doe wel het pleidooi aan de staatssecretaris om, daar waar het wel moet, na te denken over de tijd en hoe we die vergoeden.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben bereid erover na te denken en het mee te nemen. Ik zeg daarbij nog niet toe dat ik het ga vergoeden. Dat wil ik bezien in het geheel van de maatregelen en de vraag waar we het geld het meest effectief kunnen uitgeven.
De voorzitter:
We komen bij de amendementen.
Staatssecretaris Erkens:
De amendementen. Heeft u de nummers eerst nodig, of zegt u: een voor een de nummers noemen, en we gaan er lekker doorheen?
De voorzitter:
Ja, waarom niet. We beginnen bij nummer 21, volgens mij.
Staatssecretaris Erkens:
Het amendement op stuk nr. 21 van Podt en Bromet over aanvullende middelen voor het Ctgb inzake de markttoegang van groene middelen. Ik onderschrijf hierbij het belang dat telers meer beschikking moeten krijgen over groene middelen om ziekten en plagen te kunnen bestrijden. Binnen het Europese Omnibusvoorstel worden er nu voor voedsel- en landbouw serieuze stappen gezet om de markttoegang en de goedkeuring van groene middelen te verbeteren. Het blijft daarnaast wel belangrijk dat we ook in Nederland de aanvragers kunnen helpen door deze aanvragen snel te beoordelen. Met de aanvullende middelen kan het Ctgb in de komende jaren verder inzetten op groene beoordelingsmethodieken, implementatie van het Omnibusvoorstel en het verkorten van de beoordelingstermijnen van groene stoffen. Ik geef dit amendement dan ook oordeel Kamer, aangezien het in lijn is met het ingezette beleid in de convenanten.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 21 krijgt oordeel Kamer. Dan het amendement op stuk nr. 23.
Staatssecretaris Erkens:
Het amendement op stuk nr. 23 gaat over de compensatie voor pelsdierhouders, de niet-appellanten en de appellanten. Ik snap de insteek van mevrouw Van der Plas en vind die ook sympathiek. Ik wil daarbij wel vooropstellen dat alle nertsenfokkers zijn gecompenseerd voor het drie jaar niet in gebruik hebben van de beschikbare productiecapaciteit. De pelsdierhouders die bezwaar hebben aangetekend tegen de hoogte van de ontvangen compensatie, hebben gelijk gekregen van het CBb. Deze pelsdierhouders, de zogeheten appellanten, zijn inmiddels aanvullend gecompenseerd, gezien de uitspraak. Maar dit amendement roept mij op om de niet-appellanten ook te compenseren. Ik begrijp waar dit verzoek vandaan komt, maar het vervaagt wel de positie, ook juridisch, tussen appellanten en niet-appellanten. Dat heeft mogelijk een heel brede precedentwerking. Dat zou namelijk een breuk betekenen met het principe van formele rechtskracht, en daarmee vergaande gevolgen hebben, ook voor andere dossiers in de toekomst. Daardoor moet ik dit amendement ook ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 23 is ontraden. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik kan hier echt heel boos over worden. Mensen, bedrijven, ondernemers, gezinnen zijn gedwongen hun activiteiten te staken. Gedwongen. Die compensatie is niet goed geweest. Daar is een rechtszaak over geweest. Mensen zijn in het gelijk gesteld. Maar de mensen die niet de rechtszaak hebben gevoerd, wie precies hetzelfde is overkomen, worden nu niet gecompenseerd. Dus de overheid zegt tegen je: u moet met uw bedrijf stoppen; hier heeft u geld. Dat geld is niet genoeg. De rechter zegt: overheid, u moet eerlijker betalen. En dan gaat het alleen naar de mensen die een rechtszaak hebben gevoerd, en niet naar de andere mensen.
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik kom op mijn vraag, maar dit maakt mij gewoon witheet. Er zijn straks meer mensen in Nederland die ook voor een fout van de overheid gecompenseerd moeten worden. Als dat dan alleen gaat over de mensen die een rechtszaak hebben gevoerd en niet over de andere mensen, dan zegt de overheid eigenlijk tegen iedereen die gedupeerd is door diezelfde overheid: zoek het maar lekker uit. Ik vind dat gewoon niet kunnen!
Staatssecretaris Erkens:
Ik snap de emotie van mevrouw Van der Plas hierin. Ik snap waar die vandaan komt. Ik snap dat ook bij de pelsdierhouders zelf. Alleen, dit is de manier waarop we dit vanuit de Staat juridisch met elkaar doen. Dit heeft een precedentwerking op alle mogelijke rechtszaken in de toekomst. Vandaar dat ik het moet ontraden. Het is ook niet ongebruikelijk dat we het zo doen. Hetzelfde gold ook voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten voor COVID-19 en voor de beoordeling van natuurpercelen voor het GLB. Daar waren toentertijd dezelfde discussies over. Ik snap de frustratie dus wel op dat vlak. Tegelijkertijd zou hier wel sprake zijn van brede precedentwerking. Vanuit die gedachte moet ik 'm ontraden.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas. Maar hou het kort en bondig.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry, ik vind het gewoon allemaal juridische blabla. Echt waar! De overheid maakt hier gewoon een fout. Je maakt een fout in de compensatie. Dan kan er hier in de Kamer gelachen worden als ik "juridische blabla" zeg, maar het is verdorie de overheid die hier een fout maakt ten aanzien van onze burgers. Die burgers moeten eerst naar een rechter stappen om gewoon hun recht te halen. Hun recht! Vervolgens zegt de overheid: "Dan is er precedentwerking. Zo hebben we dat juridisch nu eenmaal bepaald. Doei allemaal!" Ongeacht wat voor bedrijven het zijn, ongeacht of het een pelsdierhouder, een andere ondernemer of een burger is, moeten we dat met z'n allen toch niet willen? De overheid maakt gewoon een fout! Die mensen zijn gewoon benadeeld. Dat zijn de burgers van ons land! En dan gaat de staatssecretaris hier zeggen: "Sorry, dat hebben we juridisch zo geregeld. Sorry, maar dan is er precedentwerking, want dat is daar en daar ook gebeurd." Het is een grof schandaal dat het daar is gebeurd! De overheid moet gewoon eerlijk zijn naar haar burgers en fouten moeten worden hersteld. We hebben een toeslagenschandaal van hier tot Tokio gehad. Dat was óók veroorzaakt door de overheid. Dit kán gewoon niet.
Staatssecretaris Erkens:
Nogmaals, ik snap wat mevrouw Van der Plas hier zegt, maar tegelijkertijd zeg ik: die precedentwerking kan veel breder zijn, met grote gevolgen voor de overheid voor zaken die misschien anders zijn dan deze. Vandaar dat ik 'm moet ontraden. Het staat de pelsdierhouders die nog niet bij de rechter zijn geweest, natuurlijk wel vrij om die stap zelf ook te zetten.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De overheid moet gewoon juist compenseren. Die mensen moeten niet naar een rechter hoeven stappen en door jarenlange procedures gaan. Als je dat hier aan de orde stelt omdat het misschien over pelsdierhouders gaat, en dat er hier achter mij dan een beetje gelachen wordt … Dat moet helemaal niet kunnen. De overheid moet gewoon haar zaken op orde hebben en mensen in Nederland eerlijk gaan behandelen, zeker als je mensen dwingt om hun bedrijf te verkopen, om wat voor reden dan ook. Ik voorzie een hele slechte toekomst voor de boeren die mogelijk straks ook gedwongen worden uitgekocht door dit kabinet. Ik vind dat gewoon niet kunnen. Ik wilde zeggen "sorry voor mijn emoties", maar ik zeg helemaal niet sorry voor mijn emoties. Ik zeg sorry voor mijn stemverheffing. Maar dit is hoe wij met burgers omgaan in Nederland. Dat is gewoon afschuwelijk.
Staatssecretaris Erkens:
Ik snap dat mevrouw Van der Plas dat zegt. Dat neem ik ook ter harte. We moeten hier ook niet lacherig over doen, want dit heeft wel een grote impact op veel mensen.
De voorzitter:
U apprecieert nog twee amendementen.
Staatssecretaris Erkens:
Dan het amendement op stuk nr. 24 over het overhevelen van middelen van het CoP-Noordzeebudget naar het Visserij Innovatie Netwerk. De doelen van de CoP Noordzee, de Community of Practice Noordzee, en het Visserij Innovatie Netwerk zijn verschillend. Het Visserij Innovatie Netwerk is het onafhankelijke netwerk voor de realisatie van innovaties in de visserijsector en de CoP Noordzee stimuleert brede innovaties en samenwerking op de Noordzee. Vanuit de doelstelling van de ministeries is het op dit moment nodig om beide netwerken financieel te blijven ondersteunen. In 2026 zal er een doelevaluatie plaatsvinden. Die evaluatie wachten we af. Vandaar dat ik het amendement nu ontraad, omdat het daarop vooruitloopt. Maar ik ben wel bereid om bij die evaluatie ook te kijken naar de optie die mevrouw Van der Plas voorstelt, omdat dit kabinet, waar het kan, ook echt kijkt naar de vermindering van regeldruk en het samenvoegen van programma's. Ik ben bereid om dit daarin mee te nemen, maar het amendement loopt vooruit op de evaluatie, dus daarom ontraad ik 'm wel.
De voorzitter:
Tot slot. Het amendement op stuk nr. 31.
Staatssecretaris Erkens:
Het amendement op stuk nr. 31 van de heer Flach over praktijkonderzoek en over het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030. Ik ben bereid aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor de start van het Praktijkprogramma Plantgezondheid, mede in het licht van de convenanten. We hebben daar al eerder over van gedachten gewisseld. Ik ga daar met veel ambitie mee aan de slag met de sectorpartijen. Daar wil ik ook het vervolg op deze maatregelen bespreken. Ik kan dit amendement, dat daar goed op vooruitloopt, oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris.
Daarmee zijn we aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Het woord is aan mevrouw Bromet, die zal spreken namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik heb vier moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat biologische landbouw een belangrijke bijdrage kan leveren aan verduurzaming van de landbouw, aan het verminderen van de stikstofemissie, aan het verlichten van de mestmarkt en aan het verbeteren van de waterkwaliteit, het dierenwelzijn en de biodiversiteit;
constaterende dat biologische landbouw een voor de hand liggende invulling kan zijn voor de zoneringsopgaven;
constaterende dat voor 2030 15% van de Nederlandse landbouw biologisch moet zijn en daarvoor nog een grote inhaalslag nodig is;
verzoekt de regering een versnellingsplan biologische landbouw op te stellen teneinde het 2030-doel voor de biologische landbouw te behalen;
verzoekt de regering om actief in te zetten op de omschakeling naar biologische landbouw in de gebiedsgerichte en zoneringsaanpak;
verzoekt de regering om de Kamer voor de zomer over de uitwerking van deze motie te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland al jarenlang op een stikstofslot zit en niet voldoet aan de wettelijke verplichtingen om de natuurkwaliteit te borgen;
overwegende dat VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuurmonumenten en Natuur & Milieu gezamenlijk een routekaart hebben opgesteld waarmee natuurherstel en vergunningverlening versneld en geborgd kunnen worden;
verzoekt de regering om de voorstellen van VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuurmonumenten en Natuur & Milieu met betrekking tot doelen, maatregelen en borging zwaar mee te laten wegen in de uitwerking van de nationale stikstofaanpak,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet voor de zomer zowel met een stikstofmaatregelenpakket komt als een ontwerp-AMvB Dierwaardige Veehouderij;
overwegende dat boeren erbij gebaat zijn verschillende opgaven zo veel mogelijk in samenhang te kunnen implementeren;
verzoekt de regering bij de uitwerking van de AMvB Dierwaardige Veehouderij in te zetten op versnelling;
verzoekt de regering dierwaardigheid nadrukkelijk te betrekken bij de stikstofaanpak van het kabinet,
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik had er nog een, voorzitter, maar mijn tijd is op.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bromet. Het woord is aan mevrouw Vellinga-Beemsterboer voor haar inbreng namens D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. In de eerste termijn en in een interruptie heb ik gevraagd naar het natuurherstelplan. We hebben het terecht veel gehad over de agrarische sector, gelukkig vaak in samenhang met de toekomst van de natuur. Die twee kunnen niet los van elkaar worden gezien. Een gezonde natuur is een randvoorwaarde voor een gezond Nederland. Daarom dien ik als aanmoediging de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland in september 2026 een nationaal concept-natuurherstelplan aanlevert ter uitvoering van de Natuurherstelwet;
overwegende dat er een toekomstbestendig natuurherstelplan nodig is om te voldoen aan de wettelijke kaders en om zorg te dragen voor langdurige juridische houdbaarheid en langetermijnzekerheid voor alle betrokkenen;
overwegende dat maatregelen die bijdragen aan het oplossen van de stikstofcrisis of de uitvoering van het Natuurpact ook de doelstellingen van de Natuurherstelwet dienen, en dat samenhang tussen deze trajecten daarom van belang is, mede om elke uitgegeven euro optimaal te besteden;
verzoekt de regering om bij de invulling van het nationaal natuurherstelplan in te zetten op een sterk samenhangend en integraal plan dat ecologisch effectief is,
en gaat over tot de orde van de dag.
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Podt voor haar inbreng in de tweede termijn, eveneens namens D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Podt (D66):
Voorzitter. Ik heb nog één vraag aan beide bewindspersonen over bestrijdingsmiddelen. Er speelt in de provincies veel als het gaat om siertelers en andere gebruikers van chemische bestrijdingsmiddelen. Zoals ik al aangaf in mijn inbreng heeft dat negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Daardoor worden ze misschien ook vergunningsplichtig. De minister gaat in de gebiedsgerichte aanpak en in de zonering aan het werk om te zorgen voor de instandhouding van natuurgebieden en de waterkwaliteit. In september is er een motie van mijn hand aangenomen om een centraal register op te zetten om professioneel middelengebruik in kaart te brengen, bijvoorbeeld om de kennis over wat waar wordt gebruikt te vergroten. Mijn vraag is hoe het daarmee staat. Tevens wil ik weten of we zo'n register ook kunnen gebruiken in de zoneringsaanpak, juist omdat we dan kunnen monitoren wat waar gebeurt in de gebieden waar dat zo ontzettend hard nodig is.
Ik heb ten slotte nog een motie over het tegengaan van voedselverspilling.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in Nederland nog steeds 20% van ons voedsel wordt verspild en dat voedselverspilling zonde is van alle aandacht en energie die er is gestoken in het verbouwen, kweken en verwerken ervan;
constaterende dat de voedselverspilling een negatief effect heeft op het klimaat, onze bodem, water en natuur, en zorgt voor meer grondgebruik dan nodig;
overwegende dat het Burgerberaad Klimaat aanbevelingen heeft gedaan over voedselverspilling die bijna unaniem zijn aangenomen;
overwegende dat boeren met een onverwacht grote oogst deze vaak niet kunnen verkopen binnen de lopende afspraken met supermarkten;
overwegende dat er een aantal supermarkten zijn die het goede voorbeeld geven door met boeren waar ze mee werken afspraken te maken over het overnemen van de volledige productie, waarbij elk deel van geproduceerde producten wordt gebruikt;
verzoekt de regering met de ketenpartners concrete afspraken te maken voor vergroting van het aandeel "total use", waarbij de volledige productie van boeren zo hoogwaardig mogelijk wordt benut, dit actief te monitoren en hierover aan de Tweede Kamer te rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Podt (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Chris Jansen voor zijn inbreng namens de PVV. Gaat uw gang.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank, voorzitter. Dank aan beide bewindspersonen voor de beantwoording. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat agrarische ondernemers al veel te lang lijden onder de stikstofdiscussie;
van mening dat dit nu moet stoppen;
verzoekt de regering om in samenspraak met medeoverheden in iedere provincie ten minste tien agrarische bedrijven die in de problemen zijn geraakt door veranderende regelgeving nu, zonder vooraf gebleken reductiemaatregelen, de ruimte te geven om hun bedrijfsvoering weer op te starten en vrijwillig aan te passen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Chris Jansen (PVV):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de ellende rondom de PAS-melders al jarenlang voortduurt;
van mening dat deze mensen nu eindelijk weleens duidelijkheid verdienen;
verzoekt de regering om binnen uiterlijk zes maanden alle PAS-melders te legaliseren en de Kamer tussentijds te informeren over de voortgang,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Chris Jansen (PVV):
En de laatste, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland voor veel zaken afhankelijk is van andere landen;
van mening dat voedselzekerheid in Nederland van nationaal belang is;
verzoekt de regering om voedselzekerheid expliciet als uitgangspunt op te nemen in toekomstig landbouw- en visserijbeleid,
en gaat over tot de orde van de dag.
Dank u wel, meneer Jansen. Het woord is aan de heer Graus voor zijn inbreng, eveneens namens de PVV. Gaat uw gang.
De heer Graus (PVV):
Dank u wel, meneer de voorzitter.
De heer Graus (PVV):
Het is namelijk te gek voor woorden dat een regering verbiedt om dieren te houden en dat daar vervolgens geen opvang voor is. Dat is eigenlijk een beetje Fawlty Towers, hè?
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om een zwarte lijst met alle recidiverende broodfokkers en illegale dierenhandelaren, en de eventuele reden waarom er nog geen (zelfstandig) houdverbod en beroepsverbod is opgelegd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Graus (PVV):
Er mag niet verwezen worden naar Justitie en Veiligheid, want de regering spreekt met één mond en luistert met één oor.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de richtlijnen van het OM inzake dierenmishandeling en -verwaarlozing op te nemen in de oriëntatiepunten waar rechters hun straffen op baseren (Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken),
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering in navolging van de zeer succesvol en effectief gebleken specialistische dierenpolitie en dieren-OvJ's ter zake deskundige dierenrechters op te leiden, opererend onder de bestaande strafkamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om een verbod op reptielenbeurzen onder de huidige Wet dieren en het Besluit houders van dieren, daar deze wet permanent wordt overtreden en het welzijn van voor de dierhouderij ongeschikte dieren ernstig wordt geschaad in te kleine magnetron- en bamibakjes onder erbarmelijke omstandigheden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Graus (PVV):
De laatste.
Dank u wel, meneer Graus. Het woord is aan mevrouw Den Hollander voor haar inbreng namens de VVD. Gaat uw gang.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter, volgens mij heb ik vijf minuten en geen twee, want ik heb er tien gebruikt in de eerste termijn. Dank u wel.
De voorzitter:
Dat klopt.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Allereerst wil ik complimenten geven aan de minister en de staatssecretaris, die nieuw in hun rol de vragen echt goed hebben beantwoord. Met hen is, in mijn ogen in ieder geval, een prettig debat gevoerd. Dus dank daarvoor.
We hebben vijf moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat agrarische ondernemers voor grote investeringen staan op het gebied van emissiereductie, duurzaamheid en dierenwelzijn;
overwegende dat een sterke liquiditeitspositie van agrarische ondernemers noodzakelijk is om deze investeringen mogelijk te maken;
overwegende dat fiscale instrumenten een effectieve en administratief eenvoudige manier kunnen zijn om ondernemerschap op het boerenerf te ondersteunen;
verzoekt de regering te onderzoeken welke fiscale maatregelen de liquiditeitspositie van agrarische ondernemers kunnen versterken, daarbij specifiek te kijken naar ondersteuning van jonge boeren en instrumenten die investeringen in innovatie, emissiereductie en duurzaamheid stimuleren en de Kamer hier uiterlijk medio 2026 over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland wereldwijd toonaangevend is op het gebied van tuinbouw, zaadveredeling en biotechnologie;
constaterende dat nieuwe genomische technieken belangrijke kansen bieden voor het ontwikkelen van gewassen die productiever zijn en beter bestand zijn tegen natuurlijke omstandigheden;
overwegende dat deze innovaties kunnen bijdragen aan duurzame voedselproductie en voedselzekerheid voor een groeiende wereldbevolking;
overwegende dat Nederland zijn internationale koploperspositie wil behouden en verstevigen;
overwegende dat hiervoor een goede samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen noodzakelijk is;
verzoekt de regering voor de zomer samen met bedrijfsleven en kennisinstellingen te komen tot een ambitieuze innovatieagenda voor tuinbouw, zaadveredeling en biotechnologie, hiervoor de benodigde middelen te reserveren, en in Europees verband actief in te zetten op een ambitieus en innovatievriendelijk beleid ten aanzien van nieuwe genomische technieken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat innovatieve technieken zoals mestvergisting en het verzuren van mest kunnen bijdragen aan een substantiële reductie van ammoniakemissies;
constaterende dat mestvergisting daarnaast bijdraagt aan de productie van groen gas en daarmee aan de energietransitie;
overwegende dat agrarische ondernemers bereid zijn te investeren in emissiereducerende technieken, maar dat vergunningverlening en bureaucratische procedures dit vaak bemoeilijken;
overwegende dat uitbreiding van mestverwerking en regionale vergisting kan bijdragen aan zowel stikstofreductie als het verkleinen van het mestoverschot;
verzoekt de regering de mogelijkheden voor mestverwerking en (regionale) mestvergisting te vergroten, knelpunten in vergunningverlening en regelgeving die de ontwikkelingen belemmeren weg te nemen en de Kamer hierover voor het einde van het jaar te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de terugkeer van de wolf in Nederland leidt tot maatschappelijke onrust, schade aan landbouwhuisdieren en zorgen over veiligheid;
constaterende dat er tevens sprake is van een enorm negatief effect op de toeristische sector in wolvengebieden;
overwegende dat gemeenten en provincies behoefte hebben aan een helder en juridisch houdbaar kader voor wolvenbeheer;
overwegende dat eerdere voorstellen voor regelgeving twijfels opriepen over de juridische houdbaarheid;
verzoekt de regering zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking,
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Tot slot, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat castratie van vrij rondlopende katten op agrarische erven kan bijdragen aan betere bescherming van de natuur en verbeterd dierenwelzijn;
overwegende dat castratie van katten een diervriendelijke manier is om populatiegroei en territoriumomvang van katten te beperken;
overwegende dat binnen het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) ruimte bestaat om via pilots aanvullende maatregelen te verkennen die het broedsucces van weidevogels kunnen ondersteunen;
overwegende dat een tijdelijke pilot kan bijdragen aan beter inzicht in de effectiviteit en uitvoerbaarheid van een dergelijke maatregel;
verzoekt de regering:
-in samenwerking met provincies binnen het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) een pilot te starten van maximaal drie jaar in ten minste één provincie, waarbij het verstrekken van subsidies voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer gericht op weidevogels afhankelijk kan worden gesteld van het aantoonbaar laten castreren van vrij rondlopende katten die worden gehouden op het agrarisch erf waarop de subsidie betrekking heeft;
-bij de uitvoering van deze pilot aandacht te besteden aan controle, registratie en samenwerking met dierenartsen en dierenhulporganisaties;
-de pilot te financieren binnen bestaande middelen voor het ANLb, mede met mogelijke cofinanciering vanuit dierenartsen en dierenhulporganisaties, zonder aanvullende begrotingsclaim;
-en de Kamer over de uitkomsten van de pilot te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Goudzwaard krijgt het woord voor zijn inbreng namens JA21. Gaat uw gang.
De heer Goudzwaard (JA21):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland momenteel 162 Natura 2000-gebieden kent;
overwegende dat Nederland met de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland reeds beschikt over een omvangrijk netwerk van beschermde natuurgebieden;
overwegende dat de aanwijzing van Natura 2000-gebieden grote en veelal onvoorziene gevolgen heeft gehad voor vergunningverlening, landbouw, woningbouw en infrastructuur;
verzoekt de regering geen nieuwe Natura 2000-gebieden in Nederland aan te wijzen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Goudzwaard (JA21):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Natuurpact leidt tot uitbreiding en verbinding van natuurgebieden via het Natuurnetwerk Nederland;
overwegende dat uitbreiding van natuurgebieden en natuurmaatregelen in toenemende mate druk legt op de beschikbare ruimte voor landbouw en andere economische functies in het landelijk gebied;
overwegende dat een vitaal platteland afhankelijk is van een gezonde agrarische sector en economische bedrijvigheid;
verzoekt de regering om bij toekomstige afspraken over natuurbeleid na 2027 te waarborgen dat natuurontwikkeling, landbouw en andere economische functies gelijkwaardig worden meegewogen in de besluitvorming,
en gaat over tot de orde van de dag.
Dank u wel. Het woord is aan de heer Boomsma, eveneens van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat:
-de natuur van Caribisch Nederland tot de meest bijzondere natuurgebieden van Nederland behoort;
-de financiering van natuurbescherming incidenteel, versnipperd en ontoereikend is;
-het coalitieakkoord de intentie bevat om fase 2 van het NMCB voort te zetten, maar onduidelijk is hoe en waar het rijksbreed is belegd;
-de randvoorwaarde voor effectief natuurherstel is dat parkbeheer op orde is en dat wetenschappelijk onderzoek en monitoring geborgd zijn;
verzoekt de regering:
-met een integraal plan van aanpak te komen voor de uitvoering van fase 2 van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland;
-de Kamer z.s.m. een integraal overzicht te sturen met de bedragen, artikelen, uitvoerders en de resultaatsturing/rapportage per NMBP-doel;
-daarbij een voorstel te doen voor de structurele financiering van parkbeheer, onderzoek en monitoring van de natuur, en de Kamer vervolgens jaarlijks te informeren over voortgang en doelbereik,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Boomsma (JA21):
En dan de nummer twee.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de manier waarop natuurdoelen en ambities in wetgeving worden omgezet kan leiden tot juridische fuiken die een integrale belangenafweging frustreren, en zelfs vergunningverlening voor projecten die sterk bijdragen aan natuurherstel kunnen belemmeren;
overwegende dat het goed mogelijk is om ambitieuze natuurdoelen te verwezenlijken en aan alle Europese verplichtingen te voldoen zonder onnodige juridisering;
verzoekt de regering bij het uitwerken van nieuwe natuurwetgeving, waaronder die gericht op de implementatie van de Natuurherstelverordening, de Kaderrichtlijn Water, de Habitatrichtlijn en nieuwe stikstofwetgeving, binnen ruimte die Europese regelgeving biedt:
-te waarborgen dat bij vergunningverlening en beheer voldoende ruimte blijft voor een integrale belangenafweging;
-ambities zodanig vorm te geven dat deze proportioneel en uitvoerbaar zijn en niet leiden tot onnodige juridisering;
-daarbij te bezien of, naar voorbeeld van onder meer Frankrijk, bij vergunningverlening onderscheid kan worden gemaakt tussen activiteiten met een hoog en laag risico op significante effecten,
en gaat over tot de orde van de dag.
Dank u wel. Het woord is aan de heer Koorevaar namens het CDA. Gaat uw gang.
De heer Koorevaar (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Als je zo naar de tweede termijn luistert, dan lijkt het meer een wedstrijd snel voorlezen dan dat het gaat over beleid. Ik heb geen moties, maar ik heb wel nog een aantal vragen en wellicht krijg ik nog een aantal toezeggingen. Ik zou liever geen motiekoning willen worden, maar eerder koning toezegging.
Er zijn vandaag heel wat belangrijke stappen besproken. Ik denk dat heel veel mensen thuis denken: wat moet of kan ik nu gaan doen? We hebben de beantwoording van de minister en de staatssecretaris gehoord. Ik moet zeggen dat die weloverwogen was. Die gebeurde op een manier die ertoe heeft geleid dat de houding van de Kamer is: we hebben een constructief gesprek gehad. Dank u wel, daarvoor.
We hebben het vaak over techniek. Ik zou het graag ook willen hebben over de sociaal-economische kant van de zaak. Allereerst wil ik de minister ervoor danken dat hij het pad heeft geschetst om te komen tot een productschap. Ik zal daarin zelf mijn bijdrage leveren op het vlak van visievorming. Graag verzoek ik de minister om de Kamer over de stappen richting de zomer te blijven informeren. Dat deed hij eerder in het debat van vandaag ook, maar ik vraag hem om dat te blijven doen.
Ten tweede wil ik ingaan op maatregelen voor kleine boeren. In mijn eerste termijn gaf ik al aan dat het voor het CDA belangrijk is dat er aparte aandacht is voor kleine boeren en grote boeren, maar dat het ook gaat om het handelingsperspectief. Ook de instrumentenkoffer voor kleinere boeren moet goed gevuld zijn. Ik denk dat de toezegging hieromtrent nog niet helder genoeg was. Daarom vraag ik de minister om een toezegging te doen waardoor kleine boeren handelingsperspectief houden, zoals door het aanzuren van mest. Gewoon heel specifiek: kunt u toezeggen dat die maatregel ook in de maatregelenkoffer komt?
Ten derde kom ik bij de jonge boeren en vrouwen. Het CDA vindt het belangrijk dat er in de sector ruimte is voor jonge boeren en vrouwen om te ondernemen, innoveren en verbinden. Nederland heeft het laagste aantal vrouwelijke agrarische ondernemers in de EU, terwijl de voordelen groot zijn en we de potentie van deze groep ook nodig hebben. Daarom heb ik nog een aanvullende vraag. Kan de minister onderzoeken welke belemmeringen vrouwelijke agrariërs ervaren bij toegang tot financiering en pachtgrond en de Kamer hierover informeren? Graag een toezegging.
Dan landelijke regie. Per provincie wordt een aparte aanpak gehanteerd, omdat provincies vooruit wilden en daarin zelf een weg kozen. Het mag niet zo zijn dat de provinciale plannen drastisch verschillen. Er moet sterke landelijke regie zijn, zodat er vanuit een ruimtelijk plan gestuurd kan worden. Per provincie zal dan binnen die regie een aanpak worden gehanteerd. We hebben de minister horen toezeggen dat hij ons daarin ook zal meenemen. Heel fijn.
Dan zonering. De impact van de opgaves op het gebied van stikstof, klimaat en water zal zich natuurlijk niet netjes houden aan de grenzen van de zonering, die voor de zomer samen met de provincies worden gesteld. We hebben het gehad over de 250 meterzone rond de Peel. Misschien moet ik dat nog iets scherper maken. Zou u willen toezeggen dat u bij de besteding van de middelen ook buiten de 250 meterzone wil kijken?
Als laatste de ANLb-pakketten. Het CDA is blij met de plannen en middelen voor gebiedsgerichte aanpakken en prioritaire zones. Als het gaat over de ANLb is dat een bewezen manier voor de landbouw om aan natuurherstel bij te dragen. Het is ook fijn dat deze minister herkent dat het ANLb heel interessante meekoppelkansen geeft. Dat is beleidstaal voor: als je nog iets wil en ook meerdere mogelijkheden wil schetsen voor die prioritaire zones, dan blijft agrarisch natuurbeheer een optie. Daar wil ik de minister ook voor danken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Het woord is aan de heer Flach namens de Staatkundig Gereformeerde Partij. Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
Dank u, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat bij landgebruik geen sprake is van emissiegegevens;
verzoekt de regering het verstrekken van gegevens in het kader van de Wet open overheid met betrekking tot landgebruik op adresniveau te weigeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het kader van de Wet open overheid van tienduizenden agrarische bedrijven tot 30 jaar terug alle dieraantallen, stalsystemen, landgebruik en adresgegevens zijn opgevraagd;
overwegende dat in de agrarische sector het bedrijfsadres vaak samenvalt met het privéadres;
overwegende dat het Verdrag van Aarhus en de betreffende Europese richtlijn aangeven dat verzoeken afgewezen mogen worden als ze kennelijk onredelijk zijn;
verzoekt de regering te bezien wat de mogelijkheden zijn om het verstrekken van allerlei agrarische bedrijfsgegevens op adresniveau die vertrouwelijk aan de overheid zijn doorgegeven in te perken, zo nodig via wijziging van de Wet open overheid, en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat agrarische sector- en ketenpartijen met de Dierenbescherming een voorstel hebben gedaan voor een fiscale investeringsreserve landbouw voor investeringen in dierenwelzijn en emissiereductie;
overwegende dat bestaande subsidies en fiscale voordelen een beperkte reikwijdte hebben en onvoldoende zekerheid bieden voor grote investeringen in onder meer stalvernieuwing;
verzoekt de regering in overleg met de agrarische sector voor de begrotingsbehandeling in het najaar met een voorstel te komen voor een fiscale investeringsreserve landbouw voor investeringen in dierenwelzijn en milieu,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering in overleg met de agrarische sector bij de begroting voor 2027 met een voorstel te komen voor meerjarige financiering van een vervolg op het Praktijkprogramma Plantgezondheid, passend bij de milieukundige en teelttechnische uitdagingen waar betrokken teelten voor staan,
en gaat over tot de orde van de dag.
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Ouwehand namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan beide bewindspersonen voor de uitgebreide beantwoording. Ik heb twee moties, die ik eerst indien. Daarna heb ik nog aanvullende vragen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer in 2022 heeft verzocht om via een wettelijke grondslag prijsstunten met agrarische basisproducten tegen te gaan (motie-Grinwis c.s., 36200-XIV, nr. 59), maar dat deze motie niet is uitgevoerd;
constaterende dat een niet nader te noemen supermarkt onlangs heeft aangekondigd om weer te gaan stunten met de prijs van vlees;
verzoekt de regering om alsnog te komen tot een wettelijke grondslag om prijsstunten met agrarische basisproducten, waaronder in elk geval vlees, tegen te gaan (waarbij wel ruimte blijft voor het afprijzen van levensmiddelen in verband met de houdbaarheidsdatum),
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dan kom ik bij mijn volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat dit kabinet zegt te willen bouwen aan de gezondste generatie ooit en daarom onder meer gratis schoolfruit wil gaan aanbieden;
constaterende dat dit kabinet de teelt en consumptie van biologische producten wil stimuleren;
verzoekt de regering in het plan voor gratis schoolfruit in te zetten op biologisch fruit van eigen bodem,
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nogmaals dank aan de bewindslieden voor de beantwoording. Er zijn natuurlijk vanuit de Kamer veel vragen, omdat de problemen waar de landbouw en daarmee Nederland mee zit niet nieuw zijn. Deze Kamer vraagt al heel lang om goeie oplossingen voor de natuurcrisis, voor dierenwelzijn; noem alles maar op. In het debat van vandaag kwam al even aan de orde dat ik begrijp dat het kabinet zegt "geef ons even de tijd om een aantal dingen uit te werken". Dat begrijp ik.
Tegelijkertijd is het wel belangrijk dat we vasthouden wat we van de minister en de staatssecretaris hebben gehoord: "We willen duidelijkheid en boeren moeten weten waar ze aan toe zijn; er zijn dingen nodig." Ik blijf dus nog steeds een beetje in verwarring over wat er nodig is om de natuur te herstellen en te voldoen aan de wettelijke doelen die door de rechter zijn bevestigd. We weten nu al dat er daarbij dus meer nodig is dan in het coalitieakkoord staat. De minister heeft gezegd dat als een startpunt te zien.
Volgens mij moet er snel duidelijkheid komen over wat we dan precies moeten gaan doen. Ik deel namelijk de analyse van het kabinet dat boeren belang hebben bij duidelijkheid. Ik ben het zeer eens met wat mevrouw Den Hollander vandaag in het debat heeft ingebracht, namelijk dat er dus bij hoort dat je boeren ook duidelijkheid biedt in termen van wat er wél kan. Ze hoeven niet altijd weg. Weg moeten zou heel heftig zijn en op een andere manier je bedrijf inrichten is ook al pittig genoeg, maar er kán wel van alles. Benadruk dat ook. We gaan boeren helpen met het omschakelen naar die landbouw, waarvan we hebben vastgesteld dat we daarmee de natuurcrisis kunnen stoppen en kunnen zorgen voor schoon water, en met de vraag welke soorten landbouw of bedrijfsvoering daarbij horen. Dat gaat natuurlijk heel erg helpen om die boeren perspectief te bieden, zoals bij het omschakelen naar de teelt van olifantsgras. Ik kijk even naar de minister: denk aan die twee zonen van melkveehouders in Enschede die het bedrijf al hebben overgenomen maar die nu nedersoja telen en daar yoghurt van maken die mensen rechtstreeks kunnen afnemen om te consumeren.
Ik denk dat dat soort perspectieven over wat er wél kan en boeren daarbij helpen, zowel goed is voor het debat als natuurlijk voor de boeren zelf als zij denken "ik moet veranderen en dat is misschien heftig, maar als ik deze keuzes maak, zie ik het misschien wel zitten". Daar zou ik het kabinet dus toe oproepen. Ik denk ook het volgende. Als je het goed doet en als we die 20 miljard goed besteden, hoort het er ook bij dat we alle doelen in samenhang aanpakken. Ik ben er blij mee dat zowel de staatssecretaris als de minister heeft gezegd: ja, het is wel het idee dat je niet nu op stikstof stuurt en dan volgend jaar weer met maatregelen komt om zoönosen tegen te gaan of voor water of voor dierwaardigheid. Ik ben dus heel erg blij te horen dat dat fonds dat wordt opgetuigd, er echt is voor een aanpak om voor alle doelen in samenhang een oplossing te vinden.
Ik denk ook dat je niet moet weglopen voor maatregelen die pijn kunnen doen, zoals het schrappen van latente ruimte. Ik wil de minister ook echt oproepen om te zorgen voor een moratorium op uitbreiding en nieuwbouw. Als je namelijk aan de ene kant boeren gaat uitkopen en er aan de andere kant gewoon stallen worden bijgebouwd, dan snapt ook de belastingbetaler het niet meer. Misschien moeten er ook vergunningen worden ingetrokken. Ik begrijp dat we moeten wachten tot de plannen er komen, voor de zomer, maar deze maatregelen lijken onontkoombaar; dat kan ik alvast meegeven. Probeer daar dus niet voor te weg te lopen, zou ik de minister willen zeggen.
Ik zou ook willen oproepen tot iets wat vandaag in het debat wat minder aan de orde kwam. De staatssecretaris heeft wel geantwoord op de zorgen over de gezondheid voor omwonenden rondom de geitenhouderij, maar die dreiging van dierziekten die over kunnen slaan op mensen gaat natuurlijk niet alleen over vogelgriep of wat uit de geitenhouderij komt, maar ook over de mengvormen, van varkensgriep en vogelgriep, waarvoor gewaarschuwd wordt. Ik denk dat het goed is als het kabinet ook daar snel mee aan de slag gaat en dat ook onderdeel laat zijn van die integrale aanpak: geen pluimveegebieden meer in waterrijke gebieden, en geen pluimveebedrijven in de buurt van varkensbedrijven om die gevaarlijke vermenging te komen. Als we de gezondheid van de dieren en de mensen op het platteland vooropstellen, dan denk ik ook dat we kunnen werken aan dat brede maatschappelijke draagvlak waar het kabinet het over heeft, waar ik het zeer mee eens ben en dat erg belangrijk is.
Dan wil ik de minister, en de staatssecretaris trouwens ook, wel waarschuwen voor het instrument "overleggen met de sector". Het zal geen verrassing zijn dat ik met die waarschuwing kom. Ik hoorde de minister zeggen: als je doet wat je deed, dan krijg je wat je kreeg. Nou, dat hebben we in de landbouw natuurlijk heel vaak gezien. Een paar voorbeelden. Ik zie een vraag van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik ga mijn tijdgebrek zojuist bij het indienen van de moties een beetje misbruiken voor een interruptie op mevrouw Ouwehand, omdat zij begint over overleg met maatschappelijke partijen. Akkoorden sluiten, tot je dienst, maar is zij het met GroenLinks-PvdA eens dat wij hier het hoogste orgaan zijn en dat de Kamer het wel in meerderheid eens moet zijn met die akkoorden voordat er tot beleid of wetgeving overgegaan wordt? Ik ben benieuwd of de minister daar ook op wil reageren.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Zeker. Ik kijk even naar de voorzitter. Dat was een mooi een-tweetje. Mevrouw Bromet had nog een vraag en die stelt zij in een interruptie aan mij.
De voorzitter:
Goh!
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dan zeg ik: wat een goede vraag; ik geleid die door naar het kabinet want ik ben het daarmee eens. Zo doen we dat hier soms. Ik wil het kabinet nadrukkelijk waarschuwen voor iets wat meer ervaren Kamerleden die al langer op deze portefeuille zitten, al heel lang hebben gezien: die overleggen met de sector. Het kan geen kwaad, behalve als je daardoor je doelen niet haalt en de bal vooruit wordt geschopt. Ik noem een paar voorbeelden.
De beruchte kalverhouderij. De Kamer vraagt al best lang om een einde te maken aan de import van kalfjes uit Ierland en de Baltische staten. Die piepjonge dieren moeten ellenlang op transport, terwijl ze eigenlijk nog de zorg en de melk van hun moeder nodig hebben. Ze staan in zo'n vrachtwagen op de boot helemaal vanuit Ierland. Met het welzijn van die dieren gaat het heel, heel slecht. De Kamer zegt al heel lang: waarom importeren we eigenlijk kalfjes uit verre landen, waardoor die lange transporten nodig zijn, terwijl we hier met een stikstofprobleem zitten met die kalverhouderijen? Wat gebeurt er dan? Dan zegt de bewindspersoon: ik kan het niet zelf, dus ik ga overleggen met de sector. De sector denkt: ik beloof gewoon dat ik ermee ga stoppen, want dan is iedereen even een beetje koest. VanDrie heeft beloofd voor 2026 te stoppen met het importeren van kalfjes uit Ierland en de Baltische staten. Dan moet de Kamer een paar jaar zijn mond houden, want er ligt een belofte. En nu is het 2026 en raad eens? Die belofte is natuurlijk niet nagekomen. Als we het welzijn van dieren belangrijk vinden, als we zitten met een groot probleem voor de natuur met die kalvermesterijen, dan is één plus één toch twee? Ik zou zeggen: leer hiervan. De beloftes van de sector worden heel vaak niet waargemaakt.
Een ander schrijnend voorbeeld is het routinematig couperen van varkensstaartjes. Europees gezien hebben we 30 jaar geleden al afgesproken dat dat routinematig niet mag. Die sector blijft dat maar doen. In 2013 was er de Verklaring van Dalfsen, helemaal officieel en mooi, met een plan om dat uit te faseren. Het is 2026 en het afknippen of afbranden van de staartjes van pasgeboren biggetjes is nog steeds standaardpraktijk. Als je dertien jaar een vrijblijvende belofte boven de markt laat hangen, terwijl we eigenlijk al in Europese regels hebben afgesproken dat we dat niet meer moeten doen, wordt het een keer tijd om te handelen. Ik zou tegen de bewindslieden willen zeggen: als we nu nog een rondje overleg met de sector gaan doen zonder afspraken te maken, komen er dit soort beloftes. Dan staat de volgende generatie landbouwwoordvoerders weer dit verhaal af te steken. Dat kunnen we de dieren en de natuur niet aandoen. Dit weten we toch allang en hier willen we toch vanaf, dus hoe gaan we dat echt realiseren?
Ik wil dit ook in de richting van de minister zeggen, die het met ons eens is dat de partijen die tot nu toe heel veel hebben verdiend aan de intensieve landbouw, de Rabobank, de VanDrie Group, de slachterijen en de supermarkten, om een bijdrage wordt gevraagd. De Rabobank heeft eerder na een vergelijkbare oproep al laten weten: nee, die schulden die de boeren hebben opgebouwd, gaan wij niet kwijtschelden. Fijn dat de minister het met ons eens is, maar het kan niet vrijblijvend blijven. 20 miljard op kosten van de belastingbetaler is echt veel geld. Ik vind het niet meer dan redelijk dat de partijen die heel veel hebben verdiend aan de intensieve landbouw, nu ook hun steentje en hun centjes bijdragen aan de oplossing van de problemen die zijn ontstaan.
Voorzitter, tot slot. Dank ook aan de staatssecretaris voor de antwoorden over de aanpak van de stalbranden. Ik heb nog wel zorgen over het verlagen van de maximumtemperatuur bij diertransporten. We krijgen voor 23 april een reactie van de staatssecretaris over wat hij gaat doen. Het zit mij toch niet lekker dat dit nog steeds niet is geregeld. Er is een heel traject doorlopen, volgens alle regels. De Europese Commissie is netjes genotificeerd. Zij heeft de tijd gehad om binnen de termijn aan Nederland te laten weten of zij opmerkingen had bij dit voornemen. De verordening staat toe dat een lidstaat zelf besluit dat 35 graden te hoog is en zelf verlaagt naar 30 graden. Na die hele procedure kwam de Europese Commissie met een brief aan Nederland waarin werd gevraagd of wij daar nog een jaar of langer mee wilden wachten, omdat de Commissie er nog over aan het onderhandelen was. Dit is een bevoegdheid van het parlement. De aangenomen motie stamt uit 2021 en het ministerie heeft al het werk gedaan dat daarbij hoort. Vervolgens vraagt de Europese Commissie aan Nederland om het toch niet te doen, terwijl zij zelf alle termijnen had gemist. Het op transport zetten van dieren bij 30 graden is nog steeds te warm. Dieren hebben al last van hittestress vanaf 25 of 28 graden. Als we dit niet snel regelen, gaan we weer een zomer tegemoet waarin dieren met onnodig leed op snikhete dagen in transportwagens worden vervoerd. Ik druk de staatssecretaris op het hart om uiterlijk 23 april het besluit te nemen dat we dit niet nog een zomer gaan meemaken. We bedanken de Europese Commissie voor haar brief, maar Nederland gaat hier uiteindelijk zelf over.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik heb twee vragen aan mevrouw Ouwehand. Ik kan uw betoog grotendeels goed volgen. Waar ik wel zorgen over heb, is dat wij als Nederland niet in ons eentje de wereld moeten willen verbeteren. Als wij in Nederland alles aanpassen en de rest van Europa doet dat niet, wint het dierenwelzijn uiteindelijk ook niet. Ik neem aan dat de Partij voor de Dieren staat voor dierenwelzijn in de hele wereld en niet alleen in Nederland. Ik hoor daarop graag een korte reflectie.
Mijn tweede vraag is de volgende. Mevrouw Ouwehand stelt dat bedrijven die hebben meeverdiend aan de vee-industrie daar niets voor terugdoen. Is zij bekend met het feit dat de Rabobank bijvoorbeeld voor boeren die willen investeren in duurzaamheid aantrekkelijkere leningen aanbiedt dan voor andere aanvragen?
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Over dat laatste punt: zeker. Maar de Rabobank heeft ook meegewerkt aan uitkoopregelingen, zodat zij haar investeringen terugkreeg. Wat ons betreft heeft de Rabobank ook een maatschappelijke plicht om niet alleen nu boeren te helpen die duurzamer willen werken, maar ook om verantwoordelijkheid te nemen voor het verleden. Zij heeft namelijk veel geld verdiend aan een systeem dat zowel de natuur als de boer niet heeft geholpen. Ik noem bijvoorbeeld de emissiearme stalvloeren en de investeringen in luchtwassers. Innovatie klinkt mooi, maar in de praktijk betekende dit vaak dat er subsidie werd verstrekt met geld van de belastingbetaler, terwijl de Rabobank vervolgens zei: prima dat u wilt investeren, maar dan moeten er wel meer dieren bij, want anders kunt u die lening nooit terugbetalen. Ik vind dat de Rabobank daar ook iets voor moet terugdoen. Dus ja, helpen bij de financiering van duurzamere vormen van landbouw is mooi, maar daarnaast zou ook een deel van de schulden moeten worden kwijtgescholden die nog gebaseerd zijn op het oude systeem.
Mevrouw Den Hollander vroeg ook of wij dierenwelzijn niet in Europees verband moeten waarborgen. Zeker. Maar als het gaat om diertransporten, kijken wij naar wat er binnen de verordening mogelijk is. Die verordening biedt ruimte voor lidstaten om de maximumtemperatuur te verlagen. Europees ligt die grens op 35 graden, en in Nederland nog steeds ook. Dat is niet te doen voor dieren. De Kamer spreekt zich al sinds 2021 uit voor een verlaging naar 30 graden, hoewel ook dat nog te heet is. Alle procedures zijn doorlopen en dan vraagt de Europese Commissie alsnog of wij daarmee willen wachten, terwijl de notificatieprocedure al is afgerond. Dat vind ik geen juiste manier van werken.
De voorzitter:
U mag nog interrumperen, mevrouw Den Hollander, maar mevrouw Ouwehand heeft dit punt eigenlijk al uitvoerig aan de bewindspersonen voorgelegd.
Dank u wel, mevrouw Ouwehand. Dan is het woord aan lid Kostić. Mensen vragen mij weleens hoe het zit met de spreektijd per fractie. Alle partijen geven aan het begin aan hoeveel minuten zij willen spreken bij een begroting. Dat maakt dat de ene fractie soms wat langer spreekt dan de andere.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
U bedoelt dat mensen denken: waarom mag die Partij voor de Dieren zo lang praten?
(Hilariteit)
De voorzitter:
Zeker niet.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik weet het. Ik weet het. Dat komt omdat wij onze spreektijd reserveren voor wat wij een van de belangrijkste begrotingen van dit kabinet vinden. Dus voel u vereerd, zou ik zeggen.
De voorzitter:
Dan hebben wij de mensen thuis ook weer wat bijgebracht. Dan het lid Kostić, eveneens namens de PvdD. Gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Het is altijd een eer om dit debat te mogen voeren. Ik heb slechts twee moties, dus ik ga niet twintig minuten spreken; no worries. De moties zijn wel wat lang. Excuses!
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer al in 2021 via een motie van de Partij voor de Dieren, VVD en CDA heeft verzocht om de handel in en import van doorgefokte gezelschapsdieren te verbieden;
constaterende dat het kabinet bijna vijf jaar later weer een nieuw onderzoek heeft uitgezet, waarvan de resultaten pas in het eerste kwartaal van 2028 zullen worden gepresenteerd;
constaterende dat dieren die hier niet mogen worden gefokt al die tijd wel vanuit onder andere Oost-Europa naar Nederland worden gebracht;
verzoekt de regering binnen een halfjaar met een plan te komen hoe er definitief en zo snel mogelijk een einde kan worden gemaakt aan de handel in kortsnuitige honden uit het buitenland die niet in Nederland mogen worden gefokt,
en gaat over tot de orde van de dag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het aanbieden van dieren via onlinemarktplaatsen en vergelijkbare platforms kan leiden tot impulsieve aankopen en malafide handel in dieren, met risico’s voor dierenwelzijn;
constaterende dat verschillende landen in Europa en daarbuiten maatregelen hebben genomen om de onlinehandel in dieren meer aan banden te leggen;
overwegende dat het Nederlandse beleid rondom dierenwelzijn en dierenhandel gebaat kan zijn bij het leren van effectieve maatregelen uit andere landen;
overwegende dat het wenselijk is om malafide handel, impulsverkopen en daarmee samenhangende dierenwelzijnsproblemen verder terug te dringen;
verzoekt de regering om met experts in gesprek te gaan en een inventarisatie te maken van best practices in het buitenland op het gebied van regulering en verbod van de onlinehandel in dieren;
verzoekt de regering tevens om, waar mogelijk, voorstellen te doen om het Nederlandse beleid aan te scherpen op basis van deze inzichten, met als doel dierenleed en impulsaankopen te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan diezelfde heer Grinwis, die het woord krijgt namens de ChristenUnie in tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Ook dank aan beide bewindspersonen. Dank aan minister Van Essen, met wie ik graag het debat heb gevoerd. Ik moet mij verontschuldigen bij collega Erkens omdat ik zijn eloquente inbreng in eerste termijn heb moeten missen. Maar dat gaan we vast nog een keer inhalen.
Voorzitter, ik heb een motie meegebracht voor u.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de budgettaire tabel bij het coalitieakkoord Aan de slag voor het jaar 2027 reeds een bedrag van 50 miljoen euro extra beschikbaar wordt gesteld voor agrarisch natuurbeheer;
overwegende dat boeren in de agrarische collectieven die agrarisch natuurbeheer uitvoeren tijdig duidelijkheid nodig hebben over beschikbare middelen en voorwaarden om hun bouwplan, bedrijfsvoering en beheermaatregelen hierop te kunnen afstemmen;
verzoekt de regering om bij voorkeur voorafgaand aan, maar uiterlijk op Prinsjesdag te specificeren op welke wijze het extra beschikbare budget van 50 miljoen euro voor agrarisch natuurbeheer in 2027 wordt ingezet, met een doorkijk naar de daaropvolgende jaren, en daarbij zo veel mogelijk in te zetten op ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer), zodat provincies en boeren in de agrarische collectieven tijdig hierop kunnen anticiperen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan nog een vraag over biologische teelten. Ik hoor steeds vaker van akkerbouwers geluiden hoe moeilijk het is om biologisch akkerbouwer te zijn in deze tijden. Er wordt steeds meer teruggeschakeld. Dat heeft de aandacht van de minister en ook van collega Bromet. Een van de bezwaren die ik heb gehoord, is dat er sprake is van een ongelijk speelveld tussen ons en een aantal andere landen in Europa zoals Duitsland, Italië, Denemarken en Frankrijk, bijvoorbeeld als het gaat om het aankopen van uitgaand materiaal. We hebben gehoord dat dit te maken heeft met ontheffingen die in andere landen soms makkelijker worden verstrekt dan hier. Hoe het ook zij, ik had er een motie over meegebracht. Die dien ik niet in. Ik vraag een toezegging van de minister om dit alsjeblieft mee te nemen in de uitwerking van het versnellingsplan biologische landbouw, zoals al aan collega Bromet is toegezegd.
Voorzitter, daarmee ben ik aan het eind van mijn spreektijd. Ik dank u hartelijk voor uw voorzitterschap.
De voorzitter:
En ik dank u voor uw deelname aan dit debat. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng namens de BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. Ik ga gelijk maar even van start met een aantal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) bedoeld is als een bovenwettelijke vergoeding voor vrijwillige inspanningen van boeren voor natuur, landschap en biodiversiteit;
overwegende dat weidevogels, waaronder de grutto, in Nederland afhankelijk zijn van sterke en goed onderhouden boerennatuur, en de Europese Commissie Nederland heeft opgedragen meer zorg te besteden aan de instandhouding van de gruttopopulatie;
constaterende dat in het voormalige hoofdlijnenakkoord was afgesproken om structureel 500 miljoen per jaar extra te investeren in agrarisch natuurbeheer door boeren, onder andere via het ANLb om boeren langjarig en marktconform te vergoeden voor hun geleverde diensten;
constaterende dat agrarische collectieven en provincies reeds werken met het ANLb-stelsel en dat er in veel gebieden wachtlijsten bestaan van boeren die willen deelnemen;
constaterende dat in de financiële bijlage van het nieuwe coalitieakkoord jaarlijks slechts 165 miljoen euro structureel naar agrarisch natuurbeheer lijkt te gaan;
verzoekt de regering:
-te borgen dat structureel 500 miljoen per jaar beschikbaar blijft voor agrarisch natuurbeheer, ook na 2030, via het ANLb, conform de afspraken uit het voormalige hoofdlijnenakkoord;
-deze middelen in te zetten via agrarische collectieven en provincies zodat ze direct ten goede komen aan boeren die natuur- en landschapsbeheer uitvoeren;
-en de dekking hiervoor te vinden binnen de LVVN-begroting door herprioritering van de 20 miljard aan middelen uit het voorgenomen stikstofpakket, zodat de structurele investering van 500 miljoen per jaar gewaarborgd blijft,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het stikstofbeleid Nederland al jarenlang op slot zet en duizenden ondernemers, waaronder PAS-melders, daardoor in onzekerheid verkeren;
constaterende dat het vorige kabinet al de nodige voorbereidingen heeft getroffen voor de invoering van een rekenkundige ondergrens, de eerste stap richting het rechtzetten van het slopende stikstofbeleid in Nederland;
overwegende dat provincies hebben aangegeven dat de resterende aandachtspunten beperkt zijn en hoofdzakelijk zien op het monitoren van mogelijke stapeling van zeer kleine deposities, en dat het vorige kabinet de uitwerking hiervan grotendeels al heeft afgerond;
verzoekt de regering de rekenkundige ondergrens uiterlijk voor het zomerreces 2026 in te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de visserijsector momenteel wordt geconfronteerd met sterk stijgende brandstofprijzen als gevolg van de oorlog in Iran;
constaterende dat noodsteunmechanismen eerder zijn ingezet tijdens de coronacrisis en naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne;
constaterende dat het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF) op grond van artikel 26, lid 2, ruimte biedt voor uitzonderlijke crisismaatregelen;
constaterende dat op grond van dit artikel lidstaten, dus óók Nederland, nationale programma's kunnen aanpassen om financiering om te zetten in noodsteun;
overwegende dat ook nu sprake is van een uitzonderlijke geopolitieke situatie met directe economische impact op de visserijsector;
verzoekt de regering om zich actief in te zetten voor het zo spoedig mogelijk activeren van Europese noodsteunmechanismen, waaronder het tijdelijke crisis- en transitiekader en de crisisflexibiliteit binnen het EMFAF,
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Alstublieft.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Tot slot is het woord aan mevrouw Ten Hove namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een marginale afwijking in een wolfwerend raster momenteel kan leiden tot afkeur van dat raster, zelfs wanneer dit bewezen niet heeft bijgedragen aan het kunnen binnendringen van de wolf;
overwegende dat dit in de praktijk kan leiden tot onredelijke situaties voor dierhouders;
verzoekt de regering om te komen tot reële en werkbare beoordelingskaders voor wolfwerende rasters, waarbij marginale afwijkingen niet automatisch tot afkeur leiden en waarbij schade- en kostenregelingen beter aansluiten bij de werkelijke kosten voor dierhouders,
en gaat over tot de orde van de dag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de wolvenpopulatie in Nederland de afgelopen jaren flink is gegroeid en er steeds vaker meldingen zijn van aanvallen door de wolf, ook achter wolfwerende maatregelen;
overwegende dat in andere landen binnen de Europese Unie wél mogelijkheden bestaan voor gericht beheer en afschot van wolven;
verzoekt de regering actief beheer van de wolvenpopulatie in Nederland mogelijk te maken, inclusief de mogelijkheid tot afschot, en een jaar nadat dit is ingevoerd, te evalueren met de Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
De laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat loterijvergunningen onder bepaalde voorwaarden door de overheid worden verleend en dat vergunninghouders aanzienlijke financiële middelen genereren die onder meer via giften en donaties worden verdeeld;
overwegende dat het onwenselijk is dat middelen afkomstig uit vergunde kansspelen — en daarmee indirect gefaciliteerd door de overheid — worden aangewend voor de financiering van juridische procedures tegen overheden;
verzoekt de regering bij de verlening of verlenging van loterijvergunningen te bezien of als voorwaarde kan worden opgenomen dat vergunninghouders geen giften of subsidies verstrekken aan organisaties die juridische procedures tegen overheden aanspannen, en daarbij tevens te bezien of beperkingen kunnen worden gesteld aan het direct of indirect financieren van de procedures en of voorwaarden juridisch houdbaar, proportioneel en handhaafbaar kunnen worden vormgegeven binnen de geldende wet- en regelgeving,
en gaat over tot de orde van de dag.
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 16.45 uur voor de beantwoording.
De vergadering wordt van 16.27 uur tot 16.46 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering voor de beantwoording en de appreciatie van de ingediende moties. Ik zou tegen de bewindspersonen willen zeggen: hou het kort en bondig. Tegen de leden zou ik willen zeggen: "In eerste termijn is er uitvoerig ruimte geweest voor debat. Laten we dat vooral daar. Er is ruimte voor een enkele verdiepende vraag, maar de tijd tikt ook door." De minister.
Minister Van Essen:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een aantal vragen die ik in tweede termijn zou beantwoorden. Daarna ga ik naar de moties.
De eerste vraag, van de heer Goudzwaard, gaat over de neerslag van emissies. Hij noemde daarbij de Stichting Stikstofclaim, Agractie en Wouter de Heij en zei dat het anders zit dan zoals het in de schriftelijke set zat. In algemene zin denk ik dat het goed is dat kritische vragen worden gesteld over dit soort cijfers en dat er ook wetenschappelijk discussie over deze cijfers is. Dat hoort er volgens mij bij. Het feit dat die vragen er zijn, betekent niet dat de huidige uitgangspunten fout zijn. Op basis van de inhoudelijke reacties van het RIVM en professor Erisman op het rapport van Wouter de Heij zie ik geen reden om de huidige methodiek fundamenteel te herzien.
Voorzitter. De heer Goudzwaard vroeg wat de minister ging doen, wat ik ging doen, opdat innovatie niet te laag op het lijstje zou staan, bezien vanuit het perspectief van kosteneffectiviteit. Ik deel met het lid Goudzwaard dat het belangrijk is dat innovaties onderdeel zijn en blijven van de oplossingen. Er is niet één oplossing voor de uitdagingen op het gebied van onder andere stikstof, water en klimaat. Met missiegedreven innovatiebeleid werk ik aan nieuwe innovaties, aan de doorontwikkeling daarvan en aan de juiste randvoorwaarden. Dat gebeurt met ondersteuning van fieldlabs, praktijkbedrijven en innovatiepilots. Een concreet voorbeeld is het Groeifondsproject ReGeNL, waarin wordt gewerkt aan een omschakeling naar regeneratieve landbouw. Ook voor dit kabinet blijft het stimuleren van innovatie een belangrijk zelfstandig spoor bij het bieden van perspectief.
Ik ga door naar de vraag van mevrouw Bromet over PAS-melders en krachtvoer. Ik wil alle PAS-melders aan een structurele oplossing helpen waarin hun activiteit niet langer illegaal is. Het niet of minder inzetten van krachtvoer en kunstmest kan stikstofreductie opleveren, waardoor de PAS-melder met de PAS-activiteit mogelijk in een legale situatie terechtkomt. Wij hebben momenteel een opvolger van het legalisatieprogramma, waarin ik deze optie verken. Parallel daaraan is de taskforce aan de slag om Nederland van het stikstofslot te halen. Deze ontwikkeling kan een positief effect hebben op de termijn en op de mogelijkheid van een PAS-melder om in een legale situatie te belanden.
Voorzitter. De heer Koorevaar vroeg of ik de Kamer de komende periode goed blijf informeren over de inzet op productschappen. Dat zeg ik graag toe.
BBB heeft gevraagd wat de regering precies gaat doen om mestvergisting op gang te brengen. Mestvergisting ten behoeve van de productie van groen gas in combinatie met RENURE draagt bij aan het verdienvermogen van de landbouwer. Het is een mooie manier om te werken aan het circulair gebruik van meststoffen. Het kan ook het gebruik van kunstmest verminderen. Daarmee draagt het ook bij aan het verminderen van ammoniakemissies en van methaan. Ik zet hier de komende periode verder op in, onder andere via subsidieregelingen of andere wijzen van stimulering.
Het lid Koorevaar vroeg verder om een toezegging over het verbreden van de aanpak voor de Peel, buiten de 250 meter.
De voorzitter:
Maximaal twee vervolgvragen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Over de mestvergisting: mensen die aan de slag willen gaan met mestvergisting lopen met name aan tegen de vergunningverlening. Het is prima als dat financieel wordt ondersteund. Dat is zelfs heel goed, maar het grootste probleem is de vergunningverlening. Wat gaat de minister concreet doen, ook in samenspraak met gemeentes en provincies, om die vergunningverlening sneller op gang te krijgen?
Minister Van Essen:
Ik schaar onder andere dit onder de categorie waarover ik al eerder met u het debat voerde, namelijk innovaties die de hoeveelheid stikstof aantoonbaar kunnen verminderen. Ik ben ook wat dat betreft met de provincies bezig om de vergunningverlening met voorrang weer op gang te krijgen.
De voorzitter:
U vervolgt.
Minister Van Essen:
Dan ga ik in op de vraag van de heer Koorevaar over de Peel en verder kijken dan de grens van 250 meter. Ik heb al geprobeerd om dat duidelijk toe te zeggen, maar bij dezen nog een keer: dat kan ik toezeggen, want bij een goede onderbouwing ben ik bereid om dat kader te versoepelen.
Er werd een vraag gesteld over de belemmeringen die jonge vrouwen ervaren. Kan ik dat onderzoeken? In algemene zin zetten wij natuurlijk in op het wegnemen van belemmeringen. Als dat nodig is, doen wij dat ook voor specifieke doelgroepen, bijvoorbeeld jonge boeren of vrouwen. Er lopen allerlei onderzoeken van de OESO en de EU naar de belemmeringen voor vrouwen. Daar heb ik ook aandacht voor.
Dan vraagt de heer Koorevaar ook nog of ik kan toezeggen dat kleine boeren handelingsperspectief behouden, zoals bij het aanzuren van mest. Ik zet in op perspectief voor alle boeren. Ik heb jonge boeren genoemd, hier ging het over kleine boeren, maar ik zet in op perspectief voor alle boeren. In algemene zin kan ik niet toezeggen dat bepaalde boeren het perspectief van een mestvergunning zullen hebben, maar dat is wel mijn inzet.
Dan via een interruptie van mevrouw Bromet een vraag over de Kamer als hoogste orgaan. Het gaat erom dat ik geen akkoorden sluit zonder dat de Kamer haar mening heeft gegeven. Ik werk aan een maatregelenpakket om invulling te geven aan de ambities, onder andere voor stikstofreductie. Ik zal de Kamer daar ook nader over informeren vóór het geplande debat over stikstof en mest op 1 april. Dat is het eerste moment waarop ik ook graag verder in overleg ga met de Tweede Kamer. In algemene zin zou ik ook willen toezeggen dat ik na de taskforces ook de Kamer elke keer heel snel op de hoogte hou van wat we aan het doen zijn. Dat is ook vóór besluitvorming.
Dan heb ik een vraag van de ChristenUnie over het ongelijke speelveld inzake het uitgangsmateriaal. Wat de heer Grinwis mij heeft gevraagd, zeg ik toe.
Dan kom ik bij het pak aan moties, voorzitter. Dat zal ik echt op z'n Deventers doen.
De voorzitter:
Daar ben ik nu dan wel heel nieuwsgierig naar.
Minister Van Essen:
U kent dat wel, van "mand."
De voorzitter:
Heel goed.
Minister Van Essen:
Dat mandje van Tichelaar: "mand."
De voorzitter:
Dat is op z'n Deventers, mevrouw Van der Plas.
Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 32: oordeel Kamer. Dat is de motie-Bromet.
De motie op stuk nr. 33, de stikstofroutekaart waar VNO-NCW met andere partijen aan heeft gewerkt: oordeel Kamer.
Dan de motie-Vellinga op stuk nr. 35 over de NHV: oordeel Kamer.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 37 van de PVV. Die ontraad ik.
Dan de motie op stuk nr. 38 over de PAS-melders, ook van de PVV. Die ontraad ik.
Dan heb ik de motie-Den Hollander op stuk nr. 50 over mestverwerking en -vergisting: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 50 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van Essen:
Ja, over mestverwerking en -vergisting.
De voorzitter:
Dat Deventerse bevalt me wel.
Minister Van Essen:
Dan de motie op stuk nr. 52 over de castratie van zwerfkatten in weidevogelgebieden. Die zou ik oordeel Kamer willen geven, met een interpretatie. Ik ben daar in mijn eerste termijn een beetje snel aan voorbij gegaan in de discussie met mevrouw Den Hollander. De interpretatie die ik daarbij zou willen geven, is dat ik samen met provincies en boeren natuurlijk verken of een pilot een beter inzicht kan geven in de effectiviteit en uitvoerbaarheid van sterilisatie of castratie bij het tegengaan van predatie door katten en dat ik verken hoe dit in de pilotregeling past. Dan kan ik de motie overlaten aan het oordeel van de Kamer.
De voorzitter:
Kan mevrouw Den Hollander daarmee instemmen? Dat is het geval. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 52 oordeel Kamer.
Minister Van Essen:
De motie van JA21 op stuk nr. 53 over Natura 2000 moet ik ontraden.
De motie op stuk nr. 54 van de heer Boomsma over het Natuurpact en economische belangen geef ik oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 55 over de natuur in Caribisch Nederland krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 54 krijgt oordeel Kamer en de motie op stuk nr. 55 …
Minister Van Essen:
Het onderwerp is het Natuurpact en economische belangen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 53 is de motie-Goudzwaard: "verzoekt de regering geen nieuwe Natura 2000-gebieden in Nederland aan te wijzen". Die motie wordt ontraden.
Minister Van Essen:
Ja.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 54 is ook een motie van de heer Goudzwaard: "verzoekt de regering om bij toekomstige afspraken over natuurbeleid (…)" et cetera. Die motie krijgt oordeel Kamer.
Minister Van Essen:
Ja. De motie op stuk nr. 55 over de natuur in Caribisch Nederland: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 55: oordeel Kamer.
Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 56, over natuurbeheer: ontraden.
De voorzitter:
Volgens mij wil de heer Boomsma daar graag een toelichting op.
Minister Van Essen:
Waar er ruimte is, bijvoorbeeld bij vergunningverlening, zal ik altijd de ruimte nemen om ook sociaal-economische vereisten mee te nemen, maar er is niet altijd de ruimte om dat te doen. Daarom wil ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag.
De heer Boomsma (JA21):
In de motie staat al opgenomen dat de belangenafweging binnen de Europese kaders moet passen. Wat de minister zegt, is eigenlijk een reden om de motie positief te preadviseren, want dat is precies wat die beoogt. Er is ruimte om de belangenafweging beter te maken binnen de Europese regelgeving, maar die ruimte hebben we in het verleden niet altijd gepakt. Dus deze motie is bedoeld om dit kracht bij te zetten en om als Kamer ertoe op te roepen om dit inderdaad te gaan doen in het vervolg van de uitwerking van de natuurwetgeving.
Minister Van Essen:
Dan zou ik de motie de appreciatie "overbodig" willen geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 56: overbodig.
Minister Van Essen:
Dan de motie-Flach op stuk nr. 57. Het bedrijfsadres en het woonadres zijn bij agrarische ondernemers in ontzettend veel gevallen gelijk. Ik snap heel goed dat het bedreigend overkomt en dichtbij komt als die gegevens op straat liggen. Er heeft vandaag ook weer iets over in de pers gestaan. Het veroorzaakt boze en verdrietige emoties bij de agrariërs. Ik kan de motie echter alleen maar ontraden, omdat uit verschillende rechterlijke uitspraken is gebleken dat ik de mogelijkheid niet heb om de Woo-verzoeken over milieu-informatie en emissiegegevens te weigeren. Er zijn zelfs tot en met de Raad van State procedures over gevoerd. Ik snap dus heel goed wat dit doet op het erf. Ik snap heel goed dat het heel ellendig is als je privéadres hetzelfde is als je bedrijfsadres en je mensen op je erf en in je stallen hebt staan die je daar niet wilt hebben, maar ik zie die ruimte niet.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Ik dacht twee, maar dat is dus gehalveerd. Goed dat de minister erkent dat dit hevige impact heeft op de boerenerven. Dat is ook echt zo. Dit leidt echt tot angst op de erven voor wat er allemaal kan gebeuren. Zou de minister dan vanuit zijn rol in gesprek willen met zijn collega van Binnenlandse Zaken om te kijken welke mogelijkheden er dan wel zijn om de wet als zodanig aan te passen? Die discussie hebben we ook daar weleens gevoerd, maar enigszins samen optrekken daarin moet ergens een keer een oplossing gaan betekenen.
Minister Van Essen:
Dat wil ik gerust toezeggen. Dat is misschien ook deels wat er in de motie op stuk nr. 58. Er komt natuurlijk een evaluatie van de Woo. Dat gebeurt onder leiding van BZK. Op basis van die uitkomsten wordt bezien of aanpassing nodig en/of wenselijk is. Die motie ontraad ik dus, maar ik wil gerust toezeggen dat ik het gevoel dat ik zojuist verwoordde, over wat dat doet met ondernemers, aan mijn collega van BZK wil overbrengen met dezelfde strekking als die de Kamer aan mij overbrengt.
Dan heb ik de motie over schoolfruit, de motie op stuk nr. 64.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 58 heeft u dus ook ontraden. Die heeft u in dit interruptiedebat meegenomen.
Minister Van Essen:
Ja, maar ik heb wel een toezegging gedaan aan de heer Flach over hoe ik dat aan mijn collega ga overbrengen.
De voorzitter:
Genoteerd. De motie op stuk nr. 58 is ontraden.
Minister Van Essen:
Dan de motie op stuk nr. 64, over schoolfruit.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 58 is ontraden.
Minister Van Essen:
Ja.
De voorzitter:
De schoolfruitmotie is de motie-Ouwehand/Bromet op stuk nr. 62.
Minister Van Essen:
Dank. Die motie zou ik het oordeel ontijdig willen geven, omdat ik weet dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daarmee bezig is.
De voorzitter:
Dan is de vraag of mevrouw Ouwehand bereid is om de motie aan te houden.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik hou de motie even aan. Ik zou het fijn vinden om wel geïnformeerd te worden over de voortgang.
Minister Van Essen:
Akkoord.
De voorzitter:
Dat is toegezegd.
Op verzoek van mevrouw Ouwehand stel ik voor haar motie (36800-XIV, nr. 62) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Van Essen:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 65, over ANLb. Die zou ik graag oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 65: oordeel Kamer.
Minister Van Essen:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 66. Die gaat over het budget voor ANLb. Die zou ik willen ontraden met verwijzing naar het debat over middelen.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 67. Die zou ik ook willen ontraden met verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 67 zou ik willen ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 67 had u al gehad. Die had u ontraden met verwijzing naar het debat. De motie op stuk nr. 68?
Minister Van Essen:
Dan heb ik hier de motie op stuk nr. 73 van mevrouw Ten Hove.
De voorzitter:
Die bestaat niet. We hebben de motie op stuk nr. 68 van mevrouw Van der Plas over EMFAF.
Minister Van Essen:
Dat is de motie die ging over kansspelen en subsidie.
De voorzitter:
Die is van mevrouw Ten Hove, de kansspelen.
Minister Van Essen:
Dan klopt het nummer dat ik hier heb niet.
De voorzitter:
Dat is de motie op stuk nr. 71 volgens onze administratie.
Minister Van Essen:
Ja. Die zou ik het oordeel ontijdig willen geven, omdat dit bij JenV ligt.
De voorzitter:
Is mevrouw Ten Hove bereid om de motie aan te houden? Mevrouw Ten Hove geeft aan de motie graag in stemming te brengen. Daarmee krijgt ze de appreciatie ontijdig.
Ik dank de minister. Het woord is aan de staatssecretaris voor de appreciatie van de resterende moties.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Ik had nog een drietal vragen, die ik kort zal beantwoorden, eentje van mevrouw Podt over haar motie uit het verleden over een centraal register gewasbeschermingsmiddelen. Ze vroeg hoe het staat met de motie en of die kan worden meegenomen bij de zoneringsaanpak. Zoals aangegeven in de brief van 2 oktober jongstleden vul ik genoemde motie in via een benchmarksysteem. Ik verwacht dat dit jaar een eerste ontwerp van het systeem operationeel zal worden. Het zal vervolgens blijvend worden doorontwikkeld. We zullen de Kamer erover blijven informeren. Ik kan me zomaar voorstellen dat dat voor de zomer zal zijn in een van de brieven over de convenanten. Dan kan ik er meer over laten weten.
Dan een vraag van de heer Boomsma over wolf Bram en hondsdolheid. Er is geen indicatie voor de aanwezigheid van hondsdolheid bij wolven in Nederland. Bij verdenking van de aanwezigheid van hondsdolheid in een dode wolf dient melding gedaan te worden bij de NVWA en wordt het dier onderzocht in het laboratorium in Lelystad. De heer Boomsma vroeg wie dat betaalt. Het Rijk betaalt de kosten in dat geval.
De laatste vraag was van de heer Jansen. Het antwoord had ik in eerste termijn al toegezegd. Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de energieprijzen en de impact daarvan op bijvoorbeeld de glastuinbouw? Volgende week woensdag is er een plenair debat over het conflict in het Midden-Oosten en de economische impact daarvan. Daar zal ook de impact op de verschillende sectoren aan bod komen. We zullen u daarover kabinetsbreed informeren.
Dan de moties. De motie op stuk nr. 34 van mevrouw Bromet en mevrouw Ouwehand. Die motie wil ik oordeel Kamer geven met een kleine kanttekening. De motie vraagt namelijk om de uitwerking van de AMvB te versnellen. We zetten erop in om de besluitvorming over de AMvB gelijktijdig te laten verlopen met de taskforce over stikstof. Het kan wel betekenen dat het tijdspad van de AMvB daarna langer in de tijd doorloopt. Als ik de motie mag interpreteren op een wijze dat de relevante besluiten die ook de investeringscyclus raken aan elkaar gekoppeld worden, dan krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Bromet knikken. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 34 met die interpretatie oordeel Kamer.
Staatssecretaris Erkens:
Dan de motie op stuk nr. 36 van mevrouw Podt over voedselverspilling. Die krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 36: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 39 van de heer Jansen gaat over voedselzekerheid. Die motie neem ik over. Ik zal het verzoek meenemen in het strategisch plan over voedselzekerheid.
De voorzitter:
Ik moet kijken of de Kamer daarmee kan instemmen. Dat is het geval.
Staatssecretaris Erkens:
Dan de motie op stuk nr. 40 van de heer Graus. Die gaat over een fonds voor de opvang van verboden dieren. Die motie moet ik ontraden, omdat met de invoering van de huis- en hobbydierenlijst bepaalde zoogdieren niet meer gehouden mogen worden. Tegelijkertijd geldt dat wie die dieren op dit moment heeft, ze mag behouden tot ze overlijden. Dat is het overgangsrecht. Er is nu geen sprake van dat er opvang nodig is, want mensen mogen hun beestje gewoon houden als het op de lijst stond. Er mogen alleen geen nieuwe in bezit genomen worden.
De motie op stuk nr. 41 gaat over broodfokkers.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag.
De heer Graus (PVV):
Mijnheer de voorzitter, ik heb geloof ik drie interrupties gehad tijdens de hele middag. Er worden ook dieren in beslag genomen van mensen die zich niet aan de wet houden. Daar gaat het natuurlijk om. Deze motie is niet bedoeld voor de mensen die het dier mogen houden met de sterfhuisconstructie. Het gaat om het volgende. De regering verbiedt het houden van bepaalde dieren. Stel dat die wet straks is ingegaan en iemand schaft wél nieuwe dieren aan uit het buitenland. Als zij worden betrapt, is er geen opvang voor de dieren. Daar gaat het om. De regering verbiedt dus dieren, maar zorgt niet voor opvang. Als ze in beslag genomen worden, waar moeten ze dan naartoe?
Staatssecretaris Erkens:
Op dit moment ontraad ik de motie, want een fonds oprichten voor een probleem, terwijl er nauwelijks indicaties bij ons binnenkomen, dat vind ik te ver gaan. Ik kan wel tegen de heer Graus zeggen dat ik bereid ben om te kijken hoe we kunnen helpen, als ik indicaties heb dat die dieren er zijn. Dus als die indicaties er zijn, zal mijn ministerie daarvoor openstaan. Maar ik ontraad de motie op stuk nr. 40.
De voorzitter:
Die toezegging noteer ik. De motie op stuk nr. 41.
Staatssecretaris Erkens:
Dan de motie op stuk nr. 41. Die ontraad ik ook. Er is op dit moment een houdverbod. Als iemand flink de fout in gaat of op deze wijze misbruik maakt van dieren, dan kan er een houdverbod zijn en komt men er niet gemakkelijk mee weg. De Europese route die nu loopt, draait om traceerbaarheid. Eind maart wordt deze inzichtelijk gemaakt. Daar zetten we op in vanuit de Europese Unie.
De voorzitter:
Dat was motie?
Staatssecretaris Erkens:
Dat was de motie op stuk nr. 41.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, één vervolgvraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mijn vraag gaat nog even over de motie op stuk nr. 40 van de heer Graus. Ik hoor de staatssecretaris eigenlijk een interpretatie geven aan de motie. Meestal is het zo dat een motie met een bepaalde interpretatie oordeel Kamer wordt gegeven. Dat miste ik hier even. De staatssecretaris zei namelijk dat hij bereid is om te kijken hoe hij daarbij kan helpen. Dat is een interpretatie van de motie. Als de heer Graus dan zegt "met die interpretatie kan ik leven", dan zou de motie toch oordeel Kamer kunnen krijgen? Of niet? Het gaat ook even erom dat wij straks zelf van al die moties moeten overwegen of we voor of tegen gaan stemmen.
De voorzitter:
U doet een nobele poging. We gaan kijken of de staatssecretaris zijn appreciatie verandert.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik probeer te helpen.
Staatssecretaris Erkens:
De staatssecretaris blijft deze motie ontraden, omdat het echt gaat om het oprichten van een fonds. Dat ben ik niet voornemens, omdat mensen de zoogdieren die op de lijst staan, mogen houden. Ik zei erbij dat als er veel signalen binnenkomen dat er een probleem ontstaat met de opvang, dat ik ernaar wil kijken. Maar ik ontraad de motie. Het is meer een handreiking richting de heer Graus: als het probleem groter wordt, dan sta ik niet onwelwillend tegenover zijn voorstel.
Voorzitter, ik kom uit Limburg. Het is dus niet de Deventerse stijl. Het gaat mij iets meer tijd kosten. Helaas.
De voorzitter:
Overijssel ligt mij toch nader aan het hart. Dan de motie op stuk nr. 42.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 42 gaat over een levenslang houdverbod. Die is overbodig, want met de ingang van de wet over dierenmishandeling is dat gelukkig mogelijk.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Graus (PVV):
Wat me iedere keer opvalt, is dat alle kabinetten, al twintig jaar, niet luisteren naar wat ik zeg. De rechters leggen dit namelijk niet op. Officieren van justitie, dierenofficieren, doen hoge strafvorderingen, maar rechters doen daar niks mee. Zij moeten gekaderd worden. Wij bepalen hier de kaders. Vervolgens bepaalt de rechter wat de straf wordt. Een recidivist moet gewoon een beroeps-, houd- of transportverbod krijgen. Dat moeten wij hier bepalen. Wij moeten dat doen, want de rechters doen het niet. Dat zijn allemaal softies. Die boeit het geen meter. Daarom wil ik ook dat er dierenrechters komen.
Staatssecretaris Erkens:
Ik noem de motie overbodig, omdat dit gewoon mogelijk is en het verbod in sommige gevallen ook al door rechters is opgelegd. Ik blijf dus bij de appreciatie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 43.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 43: ontraden. Dat is de discussie die we net voerden. Dit gaat over de rechtspraak en die is onafhankelijk. Die maakt hierin een eigen afweging. Tegelijkertijd zijn er meerdere richtlijnen opgesteld die we, ook via dit debat, onder de aandacht kunnen brengen. Ik noem dan de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling, dierendoding, dierverwaarlozing, bijtincidenten en overtreding houdverbod dieren van het OM. Die kan in dezen voor de rechter houvast bieden. Gelukkig hebben we die richtlijn.
De motie op stuk nr. 44 ontraad ik ook. Er zijn nu geen speciale dierenrechters. Rechters die met dierenwelzijnszaken te maken hebben, kunnen wel deelnemen aan opleidingen over dierenwelzijn. Die worden ook aangeboden.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 45.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 45 gaat over het verbod op reptielenbeurzen. Ik had daar schriftelijk al het een en ander over gezegd. Ik zou de motie nu willen appreciëren als ontijdig en de heer Graus willen vragen deze aan te houden, omdat ik een poging wil wagen om met de sector te komen tot een substantiële verbetering. Mocht dat niet werken, dan ben ik bereid om naar dit voorstel te kijken. Ik wil die poging wel één keer wagen. Ik zou willen voorstellen de motie aan te houden.
De voorzitter:
Meneer Graus, bent u daartoe bereid?
De heer Graus (PVV):
Ik ben altijd bereid om mee te werken en meegaand te zijn, maar hoelang gaat dat duren en wat gaan ze doen? Die dieren zijn namelijk helemaal niet geschikt om naar reptielenbeurzen te gaan. Een reptiel is niet geschikt om mee te gaan sjorren en sjouwen of om ze in bamibakjes te doen. Daar zijn die dieren niet geschikt voor. Dat is de reden waarom ik de motie in dit geval niet ga aanhouden. Normaal gesproken ben ik altijd meegaand.
De voorzitter:
Dan krijgt de motie op stuk nr. 45 het oordeel ontijdig.
Staatssecretaris Erkens:
Dan de motie op stuk nr. 46, over de dierenambulance. Die geef ik oordeel Kamer, met een kleine interpretatie. Er is nu 2 miljoen vrijgemaakt voor 144. Het kabinet draagt hiermee ook bij aan het hebben van voldoende centralisten. We blijven ons naar voren toe verder inzetten als er problemen ontstaan.
De voorzitter:
Kan de heer Graus met die interpretatie leven?
De heer Graus (PVV):
Ik weet niet goed wat de staatssecretaris bedoelt.
De voorzitter:
Staatssecretaris, met welke interpretatie kan de motie op stuk nr. 46 oordeel Kamer krijgen?
Staatssecretaris Erkens:
Er is 2 miljoen vrijgemaakt. Het gaat dus niet om additioneel geld, maar we blijven wel de vinger aan de pols houden voor als dat geld in de toekomst nodig is. Er is nu dus ook voor 144 extra geld vrijgemaakt.
De voorzitter:
Met welke interpretatie kunt u de motie aan het oordeel van de Kamer laten?
Staatssecretaris Erkens:
Dat we de middelen die al beschikbaar gesteld zijn deels kunnen inzetten voor voldoende centralisten. We kijken daarnaar bij de 2 miljoen die beschikbaar is gesteld.
De heer Graus (PVV):
Akkoord, als ook wordt meegenomen dat er 24/7 bemanning moet komen. Het is niet zo dat er geen dieren mishandeld worden buiten kantooruren of tijdens weekenden. Dierenmishandeling gaat 24/7 door. Ook de mishandeling van vrouwen en kinderen gaat 24/7 door. Bij dieren is dat net zo. Het kan dus niet zo zijn dat dieren alleen tijdens kantooruren geholpen worden. Dat kan natuurlijk niet.
Staatssecretaris Erkens:
Ik zou willen voorstellen dat ik dat nog check. Dat kan ik nu niet meer doen. We laten voorafgaand aan de stemming kort weten of dat met deze middelen kan en ook hoe de appreciatie daarvan afhangt. Ik kan dit nu niet toezeggen als de middelen daarvoor onvoldoende blijken te zijn.
De voorzitter:
Wat betekent dat dan nu voor de motie op stuk nr. 46?
Staatssecretaris Erkens:
Volgens mij is die dan op dit moment ontraden. Als de heer Graus en ik er voorafgaand aan de stemming uitkomen, krijgt ze alsnog oordeel Kamer. Dat zullen we dan communiceren richting de Kamer.
De voorzitter:
Mevrouw Den Hollander nog, kort.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Er ligt voor aankomende dinsdag een amendement vanuit de commissie voor Justitie en Veiligheid over hetzelfde meldpunt 144. Misschien kan de staatssecretaris even afstemmen met het andere ministerie dat u met hetzelfde oordeel naar de Kamer komt, anders wordt het voor de Kamer heel verwarrend.
Staatssecretaris Erkens:
Dat is een goed punt. Dat pakken we op. Dat is een uitstekend punt, want misschien wordt het al opgelost.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 47, over het Veterinair Forensisch Team, moet ik ontraden. De politie kan ze op dit moment al inschakelen. Er zijn ook meerdere organisaties die expertise leveren op het gebied van obducties op dieren.
De heer Graus (PVV):
Ik heb aan de wieg gestaan van het Veterinair Forensisch Team. Er is een dierenarts, de enige forensisch deskundig dierenarts. En er is dokter Van de Goot, Frank van de Goot. Hij is internationaal bekend. Hij heeft bij het NFI gewerkt. Zij hebben dat team samen opgezet. Ik denk dat het al vanaf 2014 is dat die mensen gewoon voor nop alle obducties doen. Ze kregen op het laatst af en toe weleens wat vergoedingen daarvoor. Die mensen hebben ongeveer een miljoen euro per jaar nodig om al die obducties te kunnen doen en om mensen op te leiden. Als zij alle twee tegen een boom aan rijden, als zij in één auto zitten en tegen een boom aan rijden, dan hebben we niks meer. We moeten ook investeren in onderwijs en opleiding, want zij zijn momenteel de enige twee die echt ter zake deskundig zijn. Daar gaat het om en daar hebben wij hulp vanuit de regering bij nodig, want wij kunnen die mensen niet op vrijwillige basis laten werken.
Staatssecretaris Erkens:
Op dit moment worden ze, voor zover wij het begrijpen, ingehuurd door de politie zelf. Dat is niet volledig op vrijwillige basis. Als er daarover andere signalen zijn, laten we daar dan contact over hebben, maar ik ontraad de motie op stuk nr. 47.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 48, van mevrouw Den Hollander, betreft de fiscale versterking van agrarisch ondernemerschap. Die motie krijgt oordeel Kamer. Ik heb dat in reactie op de motie-Stoffer vorige week naar de Kamer gestuurd.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 49.
Staatssecretaris Erkens:
Dat gaat om onderzoek richting de zomer.
Dan nu de motie op stuk nr. 49, voorzitter. Die krijgt oordeel Kamer, met één kleine opmerking daarbij. Ik zal uw Kamer voor de zomer een brief sturen over mijn inzet op de innovatieagenda. Dat zal met een financiële doorkijk zijn, waar we dan ook het gesprek over kunnen voeren. De middelen zelf schaar ik even niet onder deze motie. Dan zou ik de motie moeten onraden, want dan zou er geen dekking zijn. We gaan dus inzichtelijk maken wat er nodig zou zijn.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 51.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 51 krijgt ook oordeel Kamer. Het afgelopen jaar is de AMvB opgesteld. Daar ga ik mee verder. Ik kijk er nog één keer goed naar en ik zal met de Kamer het gesprek daarover aangaan.
Dan de motie op stuk nr. 59. Als ik het goed heb, is dat de volgende. Klopt dat, voorzitter?
De voorzitter:
Ja, dat is correct. Dat is de motie-Flach/Den Hollander.
Staatssecretaris Erkens:
De nummering klopt nog. De motie op stuk nr. 59 krijgt van mij het oordeel ontijdig. Het zou mijn verzoek zijn om die motie aan te houden. Er was eerder de motie-Den Hollander over het onderzoek naar het fiscaal instrumentarium. Dat zou ik eerst willen laten aflopen. Deze motie loopt al vooruit op het invoeren als instrument. Het lijkt mij dus logisch om deze motie aan te houden tot het onderzoek richting de zomer gelopen heeft.
De voorzitter:
Is de heer Flach daartoe bereid?
De heer Flach (SGP):
Volgens mij is er eerder ook door de heer Stoffer in deze lijn een motie ingediend. Ik hou 'm vooralsnog dus gewoon in stand. Mocht ik daar anders over gaan denken, dan laat ik dat via de Griffie weten.
De voorzitter:
Dan krijgt de motie op stuk nr. 59 de appreciatie ontijdig.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Kijkt de staatssecretaris wat betreft de fiscale maatregelen ter stimulering ook naar het afschaffen van bestaande fiscale maatregelen die ineffectief zijn gebleken?
Staatssecretaris Erkens:
Dat valt er op dit moment niet onder. Dat doet de staatssecretaris van Financiën inderdaad wel van tijd tot tijd. Dat stond ook in de brief waaraan ik net refereerde, waarin ik antwoord heb gegeven op de vragen van de heer Stoffer. Dit gaat echt over richting de zomer onderzoeken of fiscale instrumenten misschien soms beter werken dan het subsidie-instrumentarium. In dat brede kader lijkt het mij logisch om al die routes met elkaar te verkennen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 60.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 60 krijgt oordeel Kamer, onder verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 61 gaat over het prijsstunten. Die kan ik oordeel Kamer geven, maar wel met een kleine kanttekening. De gevraagde wettelijke grondslag gaat mij nu nog te ver. Ik wil het eerst onderzoeken en oppakken in de bredere discussie rondom de AMvB Dierwaardige Veehouderij. Daarbij hebben wij ook het vraagstuk hoe richting de keten om te gaan met de producten. Als ik dit kan meenemen in de discussies met de supermarkten daarover, dan kan ik voor de zomer de Kamer informeren over de eventuele vervolgstappen. Maar een wettelijke grondslag gaat mij nu nog te ver.
De voorzitter:
We gaan kijken of dat mag.
Staatssecretaris Erkens:
Ik probeer mevrouw Ouwehand dus tegemoet te komen.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben geneigd om te zeggen: dat is goed. Maar het genie achter dit voorstel is natuurlijk de heer Grinwis en hem zie ik even niet. Ik zeg voor nu dat ik erin meega, maar als de heer Grinwis straks tegen mij "wat heb je nou gedaan" zegt, dan … Ja, dan …
De voorzitter:
Dan maakt dat deel uit van de beraadslaging.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dan maakt dat deel uit van de beraadslaging, precies!
Staatssecretaris Erkens:
We kennen de heer Grinwis als een heel schappelijke collega, dus dat komt vast en zeker goed. Zo is het.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 63.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 63 ontraad ik onder verwijzing naar het debat. Ik wil er nog wel bij zeggen dat ik, zoals ik al zei, bereid ben om met mijn Vlaamse collega's te spreken.
De motie op stuk nr. 64 krijgt oordeel Kamer, maar wel met een interpretatie. Uit onderzoek blijkt dat bijna twee derde van de respondenten de voorbereidingstijd wel in acht neemt. Ondanks dat mensen zich goed voor lijken te bereiden, blijft het belangrijk dat ze goed geïnformeerd worden en weloverwogen een dier aanschaffen. Ik kan daarom instemmen met het voorstel om dit, zoals u ook aangeeft, te verkennen.
De voorzitter:
Het lid Kostić stemt daarmee in en daarmee krijgt de motie op stuk nr. 64 oordeel Kamer. Dan nu de motie op stuk nr. 68.
Staatssecretaris Erkens:
Dat is uitstekend.
Ik verzoek de motie op stuk nr. 68 aan te houden, want mijn appreciatie is ontijdig. De rijksbrede lijn verwachten we richting de zomer. Het is voorzien dat die er komt en dat is onder andere ook al namens het kabinet aangegeven door de premier. Uiteraard ben ik wel bereid om eind deze maand bij de LVR informele verkennende gesprekken en sonderingen te voeren met de collega's in Europa. Mijn verzoek zou dus zijn om gezien deze gesprekken de motie aan te houden, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, bent u bereid om de motie op stuk nr. 68 aan te houden?
Staatssecretaris Erkens:
Ten minste tot en met de LVR. Daarna kunnen we erop terugkomen.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas gaat hiermee akkoord.
Op verzoek van mevrouw Van der Plas stel ik voor haar motie (36800-XIV, nr. 68) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Staatssecretaris Erkens:
De motie op stuk nr. 69 krijgt oordeel Kamer en de motie op stuk nr. 70 moet ik ontraden. De reden daarvoor is dat we die juridische ruimte nog niet hebben. Ik pak het wel met prioriteit op richting onder andere Brussel en de Duitse collega's om daar meer ruimte voor te creëren. Mijn focus zou op dit moment veel meer liggen op de AMvB en het bredere pakket. Vandaar dat ik de motie ontraad, maar ik snap de achterliggende gedachte wel.
De voorzitter:
Daarmee zijn we bijna aan het einde gekomen van de termijn van de zijde van het kabinet. Maar we hebben nog één interruptie van mevrouw Ten Hove.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik zie de welwillendheid van de staatssecretaris en ik wil ook zeggen dat ik daar heel erg blij mee ben. De motie van mevrouw Den Hollander is een hele mooie eerste stap. Het is nog wel een beetje voorzichtige eerste stap, maar wij gaan de motie toch zeker steunen. Wij willen graag doorpakken, want in de landen om ons heen kan het ook. Dus wij hopen dat wij die landen snel kunnen volgen om de wolvenproblematiek aan te pakken.
Staatssecretaris Erkens:
Ik hoor de aansporing, voorzitter. Dank!
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een heel klein puntje van orde voor de Handelingen. De stap is al gezet, hè, door de vorige staatssecretaris. Het is dus niet zo dat hier ineens iets nieuws gebeurt. Dat wil toch even opgemerkt hebben.
De voorzitter:
Waarvan akte. Ik dank de staatssecretaris en de minister voor hun aanwezigheid en de beantwoording in tweede termijn. Ik dank de aanwezige leden voor het prettig gevoerde debat.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de ingediende motie én de amendementen én de begroting zal dinsdag worden gestemd. We hebben dat in dit debat toch maar met 397 interrupties voor elkaar gekregen! Ik schors een ogenblik en daarna gaan we verder met het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken Handel.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20252026-53-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.