Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 27, item 14

14 Begroting Justitie en Veiligheid 2019

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2019 ( 35000-VI ).

De voorzitter:

We gaan verder met de tweede termijn van de kant van de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

We waren gestopt bij de heer Van Nispen. Ik geef hem het woord namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):

Dank u wel, voorzitter. De minister voor Rechtsbescherming liet even op zich wachten. Wij vroegen ons al af: waar is de rechtsbescherming van dit kabinet? Maar de minister kwam gelukkig net binnen.

Volgens de SP is het tijd voor rechtvaardigheid. En om dat te organiseren, zal ik zelf ook doorgaan met mijn gesprekken met burgemeesters, de rechtspraak, het Juridisch Loket, de advocatuur en andere mensen in het land over het beginnen van voorzieningen in de buurt van mensen: een Huis van het Recht. Maar dat kan binnen ons huidige stelsel. De toegang tot het recht is het fundament van onze rechtsstaat. Ik ben zeer bezorgd over de plannen voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. We gaan daar een apart debat over voeren, maar ik heb daar toch alvast één motie over, die ik indien mede namens mevrouw Buitenweg.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat niet duidelijk is wat de herziening van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand gaat kosten;

tevens overwegende dat onder andere uit Schots onderzoek is gebleken dat investeringen in gefinancierde rechtsbijstand juist ook zullen leiden tot besparingen en dat daarmee maatschappelijke ellende voorkomen kan worden;

verzoekt de regering, alvorens over te gaan tot herziening van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand eerst te onderzoeken welke totale kosten gemoeid zijn met deze herziening voor de Staat, gemeenten en semioverheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (35000-VI).

De heer Van Nispen (SP):

Mensen die niet frauderen, worden soms keihard aangepakt, bijvoorbeeld als bepaalde informatie niet tijdig is doorgegeven, terwijl witteboordencriminelen strafvervolging kunnen afkopen. De SP heeft in dit debat twee voorstellen gedaan die ik in moties aan de Kamer zal voorleggen; de eerste motie mede namens de heer Groothuizen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij schikkingen in grote ontnemings- en fraudezaken tussen het Openbaar Ministerie en een verdachte is geregeld dat instemming van de minister vereist is, maar geen onafhankelijke toetsing door de rechter in de openbaarheid plaatsvindt;

constaterende dat het hierdoor voor de samenleving niet te controleren is of een dergelijke schikking op een ernstig strafbaar feit rechtvaardig is en een gepaste reactie vanuit de overheid vormt;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de rechter een controlerende en rechtsbeschermende rol krijgt bij de totstandkoming van hoge en bijzondere transacties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Groothuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (35000-VI).

Een korte vraag van de heer Van Oosten.

De heer Van Oosten (VVD):

Zou de heer Van Nispen voor mij kunnen specificeren wat hij verstaat onder die toets? Moet ik het vergelijken met de marginale toets die een rechter doet als het gaat om het beoordelen of een advocaat terecht conservatoir beslag legt? Of vindt de heer Van Nispen dat er eigenlijk ruimte moet zijn voor de rechter om bijvoorbeeld een integrale herbeoordeling te doen van dat wat aan de rechter wordt voorgelegd?

De voorzitter:

Korte reactie, meneer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Laat ik beginnen met te zeggen dat het een oproep aan de minister is om dit voorstel uit te werken. Ik vind dat de minister in overleg zou moeten treden met de Raad voor de rechtspraak en daarbij ook moet kijken naar ervaringen in het buitenland, bijvoorbeeld Duitsland, waar men ook al een rechterlijke toets heeft. Er zou onder andere gekeken moeten worden of het bedrag waarover geschikt wordt te verklaren is. Die openbaarheid moet er natuurlijk ook zijn voor transparantie naar de samenleving. Die ontbreekt nu. Daarom stellen wij een controlerende en rechtsbeschermende taak van de rechter voor.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van Nispen (SP):

De motie die ik ook namens de heer Van Oosten zal indienen, luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat aan ieder strafbaar handelen of nalaten van een bedrijf altijd menselijk handelen ten grondslag ligt;

van mening dat het niet goed uit te leggen is dat na ernstig strafbaar handelen, zoals een fraudezaak met enorme omvang, de betreffende rechtspersoon een schikking kan treffen met het Openbaar Ministerie (een megaschikking) zonder dat natuurlijke personen zich vervolgens voor de strafrechter hoeven te verantwoorden;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties wordt opgenomen dat het uitgangspunt is dat bij schikkingen met rechtspersonen altijd strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt naar feitelijk leidinggevenden en opdrachtgevers en voorts met het Openbaar Ministerie in overleg te treden hoe dit uitgangspunt voldoende gestalte kan krijgen in de praktijk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Van Oosten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (35000-VI).

Korte vraag van de heer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Ja, een korte vraag. Ik neem aan dat deze motie ingediend wordt naar aanleiding van de ING-schikking of dat die daar een belangrijke rol in heeft gespeeld, terwijl ik juist gelezen heb dat het OM een enorm onderzoek heeft gedaan naar individuele personen, maar dat er in de strafwet mogelijkheden ontbreken om dat dan toe te rekenen. Zou de heer Van Nispen daar nog een bespiegeling aan kunnen wijden, ook in relatie tot hoe hij deze motie ziet?

De voorzitter:

Een korte bespiegeling.

De heer Van Nispen (SP):

Een korte bespiegeling, voorzitter? Dat is altijd een uitdaging! Deze motie is niet ingediend alleen maar naar aanleiding van een bepaalde recente zaak die wij allemaal kennen. Het is eigenlijk aan de orde van de dag. Ik heb daar uitdrukkelijk naar gekeken. Ik heb daar zelf ook een notitie over geschreven die te vinden is op onze website. In het verleden is zelfs met bepaalde rechtspersonen de afspraak gemaakt — dat mag helemaal niet — dat natuurlijke personen niet vervolgd zouden worden. Daarvan is toegegeven dat dat nooit zo had gemogen. Maar wij vinden dat het uitgangspunt expliciet in de OM-aanwijzing moet komen, vanuit de gedachte dat aan strafbaar handelen van een rechtspersoon altijd menselijk handelen ten grondslag ligt, en dat er in ieder geval altijd onderzoek moet plaatsvinden naar de feitelijk leidinggevenden en opdrachtgevers.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van Nispen (SP):

Twintig jaar geleden is onderzoek gedaan naar klassenjustitie in Nederland: ongewenste selectiviteit in de strafrechtketen. Vaak, zo zeg ik tegen de minister van Justitie en Veiligheid, zal dat ook onbewust zijn. Dat kan. Maar ik wil wel dat hier opnieuw onafhankelijk onderzoek naar wordt verricht, want dat is de afgelopen twintig jaar niet gebeurd. Mijn stelling is dat er wel degelijk aanwijzingen zijn voor klassenjustitie in Nederland. We kunnen het oneens zijn over bepaalde thema's, over wel of niet schikken met rechtspersonen, over de omvang van de toegang tot het recht in Nederland, maar laten we hier opnieuw onderzoek naar doen, zoals twintig jaar geleden al is aanbevolen en dat nooit is gebeurd. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat twintig jaar geleden serieus onderzoek is verricht naar het bestaan van klassenjustitie in Nederland en dat uit dit onderzoek bleek dat er verschijnselen van klassenjustitie aanwezig zijn en meer onderzoek nodig is om een helder beeld te krijgen van aard en omvang van klassenjustitie en de oorzaken van ongewenste selectiviteit;

verzoekt de regering een onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek uit te laten voeren dat moet uitwijzen of en, zo ja, in welke omvang er sprake is van klassenjustitie in Nederland, wat de oorzaken zijn en waar de kwetsbaarheden zitten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (35000-VI).

De heer Van Nispen (SP):

Dan kom ik weer terug op het punt van de onderuitputting op de begroting. Dat is een hele riskante post. De minister noemde dit "gebruikelijk", maar dat is het gewoon niet. Dat is gewoon onjuist. We hebben het uitgezocht, het is de afgelopen jaren gewoon nooit zo geweest. Pas aan het eind van het jaar kun je weten welk geld niet is uitgegeven. Het is heel raar om al bij voorbaat in te boeken dat je 96 miljoen zult overhouden, dus niet zult overhouden. Waar gaan die bezuinigingen terechtkomen? Dat is de vraag die wij daar nadrukkelijk bij hebben. Ik vind het echt jammer voorzitter, maar ik moet het amendement op stuk nr. 14 intrekken. Dat is jammer, want ik had echt gehoopt dat we daarmee extra investeringen konden doen in politie, OM, rechtspraak en de executieketen, maar dat gaat helaas niet vanwege die technische reden. Maar om deze rare en onwenselijke gang van zaken te voorkomen dien ik wel de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat normaal gesproken pas sprake is van onderuitputting na afloop van een begrotingsjaar, maar dat met de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid van 2019 nu vooraf al wordt gezegd dat in 2020 96 miljoen euro niet uitgegeven gaat worden vanwege te verwachten onderuitputting;

van mening dat het onduidelijk is hoe de geraamde oplopende onderuitputting gerealiseerd gaat worden en dat dit dus gezien moet worden als een budgetkorting op de begroting van Justitie en Veiligheid;

verzoekt de regering het bedrag aan "onderuitputting en inzet exploitatieoverschot" net als in voorgaande jaren tot een minimum te beperken en in ieder geval inzichtelijk te maken waarom zij verwacht dat de komende jaren het bedrag aan onderuitputting en inzet exploitatieoverschot zal toenemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (35000-VI).

De heer Van Nispen (SP):

Het klinkt heel technisch, voorzitter, maar het gaat erom waar deze bezuiniging terechtkomt. Hoe kan het wat de minister hier begrotingstechnisch doet?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel.

Het amendement-Van Nispen (stuk nr. 14) is ingetrokken.

De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Door vertragingen bij de IND heeft de dienst de afgelopen tijd al meer dan een miljoen aan schadevergoedingen moeten betalen aan asielzoekers. Alleen al daarom zou aanname van het amendement van de SP en GroenLinks verstandig zijn; een win-winsituatie.

Voorzitter, ik heb drie moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat afgewezen en overlastgevende veiligelanders zo snel mogelijk moeten terugkeren naar hun land van herkomst, conform de aangenomen motie (19637, nr. 2321);

van mening dat zolang dit niet gebeurt overlastgevende veiligelanders in een ebtl geplaatst moeten kunnen worden;

verzoekt de regering belemmeringen weg te nemen ten aanzien van de plaatsing van overlastgevende veiligelanders in een ebtl,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55 (35000-VI).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat beperking dan wel afschaffing van de discretionaire bevoegdheid pas aan de orde kan zijn als ook de verruiming van het kinderpardon aan de orde is;

verzoekt de regering beperking dan wel afschaffing van de discretionaire bevoegdheid afhankelijk te maken van een verruiming van het kinderpardon,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 56 (35000-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering bezig is met een zorgvuldige analyse van het VN-migratiepact;

van mening dat overhaaste besluitvorming over een omvattende verklaring met goede en minder goede punten onwenselijk is;

tevens van mening dat omwille van draagvlak en democratische legitimering een grondig debat over het pact nodig is;

van mening dat aanvullingen dan wel aanpassingen van het pact niet uitgesloten moeten worden;

verzoekt de regering aanvullingen dan wel aanpassingen van het VN-migratiepact niet uit te sluiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 57 (35000-VI).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter, tot slot. Dat debat over het migratiepact wordt gepland. Dat moet voor 10 december gebeuren. Ik heb een heel mooi gedicht gekregen van de voorzitter.

De voorzitter:

5 december dus.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Over 5 december. Ik heb dat ook overlegd met het thuisfront, met mijn dochter. Die was het daar helemaal mee eens. We moeten voorzichtig zijn met de planning op die dag, maar als het nodig is, dan moet het.

De voorzitter:

Zo is dat. Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Dan geef ik nu het woord aan de heer Groothuizen namens D66.

De heer Groothuizen (D66):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording van de vele vragen. Dank ook aan de ambtenaren die daar heel veel tijd en energie in hebben gestoken. Ik wil drie moties indienen.

Ondanks de toezegging die ik heb gekregen van de minister voor Rechtsbescherming, dien ik een motie in over begrijpelijke taal in de rechtspraak, omdat ik dat een cruciaal punt vind voor het vertrouwen in onze rechtsstaat. Ik dien daarom de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het taalgebruik dat de rechterlijke macht in uitspraken gebruikt voor veel mensen lastig te begrijpen is;

overwegende dat hierdoor een kloof tussen de rechterlijke macht en de samenleving kan ontstaan;

overwegende dat het wenselijk is om meer begrijpelijke taal in rechterlijke uitspraken te gaan gebruiken;

constaterende dat de rijksoverheid om deze kloof met de samenleving te verkleinen het B1-taalniveau hanteert;

verzoekt de regering met de Raad voor de rechtspraak de mogelijkheden te gaan bespreken om meer begrijpelijke taal in rechterlijke uitspraken te gaan gebruiken en de Kamer per brief over deze mogelijkheden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van der Graaf, Van Dam en Van Oosten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 58 (35000-VI).

De heer Groothuizen (D66):

Voorzitter. Ook vandaag hebben we weer gesproken over migratie en ook vandaag was wat dat betreft de feitelijke grondslag af en toe wel weer ver te zoeken. Ik dien daarom de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat migratie een dynamisch, veelzijdig en complex vraagstuk is;

constaterende dat draagvlak voor migratiebeleid van essentieel belang is;

overwegende dat het belangrijk is dat de discussie over migratie wordt gevoerd op basis van feitelijke, eenduidige en gedeelde kennis;

overwegende dat het verder belangrijk is dat de overheid open en eenduidig communiceert met de samenleving over knelpunten, kansen, dilemma's en oplossingsrichtingen binnen het migratiebeleid;

verzoekt de regering jaarlijks een rapportage op te stellen waarbij alle relevante aspecten van migratie in samenhang worden betrokken en gepresenteerd aan de hand van de zes pijlers uit de integrale migratieagenda,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van Ojik en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 59 (35000-VI).

De heer Groothuizen (D66):

Tot slot, voorzitter. Een lang gekoesterde wens van D66 is de liberalisering van het naamrecht. Ik dien daarom de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in april 2009 de Werkgroep liberalisering naamrecht het rapport Bouwstenen voor een nieuw naamrecht publiceerde waarin hij een aantal aanbevelingen deed om het Nederlands naamrecht te moderniseren, zoals het mogelijk maken van een dubbele geslachtsnaam;

van mening dat het Nederlands naamrecht aan modernisering toe is, waarbij meer keuzevrijheid ontstaat voor ouders en daarbij ook gebruikgemaakt kan worden van de ervaringen in andere landen;

verzoekt de regering om in 2019 met een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer te komen om een dubbele geslachtsachternaam mogelijk te maken, waarbij het rapport van de werkgroep en de daarin genoemde aanbevelingen en uitgangspunten leidend zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen en Bergkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 60 (35000-VI).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik vind het een beetje jammer dat we geen enkel woord hierover hebben gewisseld in het hele debat over de begroting. Ik begrijp best dat we allemaal onder tijdsdruk staan qua spreektijden, maar mag ik D66 vragen deze motie toch aan te houden, zodat wij er een debat over kunnen voeren? Ik vind het namelijk lastig om gewoon maar vooraf tegen te zijn zonder dat we daar één woord over hebben gewisseld.

De heer Groothuizen (D66):

Ik snap dat punt. Ik kon in de eerste termijn helaas de tijd niet meer vinden om daarover te spreken. Ik wil daar best over meedenken, maar dan vraag ik ook aan mevrouw Van Toorenburg of zij een suggestie heeft voor wanneer we daarover kunnen spreken, zodat het in ieder geval niet een aanhouding wordt die eindeloos voortduurt.

De voorzitter:

Nee, nee. Dat gaan jullie met elkaar bespreken in de procedurevergadering. Het is aan u om te beslissen of u de motie wel of niet in stemming brengt, maar mevrouw Van Toorenburg geeft haar bezwaar aan. Ik zag aan het knikken van een aantal collega's dat zij het met haar eens zijn.

De heer Groothuizen (D66):

Ik denk daar even over na.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Den Boer namens D66.

Mevrouw Den Boer (D66):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er naast de politie veel verschillende veiligheidsorganisaties in Nederland zijn en bevordering van de samenwerking tussen de politie en andere organisaties onderling van belang is;

overwegende dat de veiligheidsorganisaties en veiligheidssituatie zich constant ontwikkelen;

verzoekt de regering om in samenspraak met de WRR en in samenspraak met burgers een visie te ontwikkelen op de toekomst van de politiefunctie in Nederland en de samenwerking van de politie met verschillende veiligheidsorganisaties, rekening houdende met de rol van het bedrijfsleven en de bijzondere opsporingsambtenaren (boa's), en de Kamer hierover uiterlijk voor de Voorjaarsnota van 2020 te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Boer en Laan-Geselschap. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 61 (35000-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat een slagvaardige en effectieve internationale politiesamenwerking van groot belang is en dat een geactualiseerde visie hieraan bijdraagt;

verzoekt de regering een geactualiseerde strategische visie op de internationale politiesamenwerking op te stellen, en de Kamer hier in het voorjaar 2019 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Boer, Laan-Geselschap en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 62 (35000-VI).

Mevrouw Den Boer (D66):

Tot slot wil ik de minister hartelijk danken voor de beantwoording van de vele vragen, en ook zijn ambtelijke ondersteuning. Ik dank hem ook voor de toezegging inzake het programma Kracht van het Verschil, dat hij bereid is de bevindingen van die interne evaluatie met de Kamer te delen en te bespreken.

Tot slot wil ik nog het volgende zeggen. We maken hier hele belangrijke keuzes met z'n allen, die echt het verschil kunnen maken voor de veiligheid van de inwoners in Nederland.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Den Boer. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Kuiken, namens de PvdA.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Ik wil de ministers en de staatssecretaris danken voor de beantwoording. We zijn het nog niet over alles eens, maar ik heb wel een aantal concrete toezeggingen gekregen over het doorbreken van een zwijgcultuur bij seksueel misbruik binnen religieuze instellingen en daar ben ik oprecht heel dankbaar voor. Daarmee is het nog niet opgelost, maar gaan we wel door met de zoektocht hoe we ervoor kunnen zorgen dat slachtoffers zich gehoord en gesteund voelen. Oprechte dank daarvoor.

Ik zie ook dat het kabinet heel hard werkt om georganiseerde criminaliteit en misdaad een halt toe te roepen. Tegelijk blijf ik ongeduldig. Ik heb niet voor niets de motie van de heer Van Oosten medeondertekend over Bibob. Ik heb mijn twijfels over wetgeving, maar we blijven daarover discussiëren in dit huis.

In datzelfde licht dien ik één motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in het Actieplan Veiligheid LHBTI maatregelen worden opgenomen om de meldingsbereidheid van discriminatoir geweld te vergroten;

van mening dat een hogere meldingsbereidheid zal zorgen voor een grotere behoefte aan specifieke capaciteit voor het behandelen van meldingen en aangiften van LHBTI-geweld;

van mening dat een hogere strafmaat voor geweld met een discriminatoir motief van belang is;

verzoekt de regering in het actieplan ook concrete voorstellen te doen ten aanzien van het vergroten van de genoemde specifieke capaciteit en een wetsvoorstel voor verhoging van de strafmaat hiervoor,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kuiken en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 63 (35000-VI).

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik denk dat als dat wetsvoorstel klaar ligt, we meteen door kunnen gaan met de behandeling. Als we wachten tot dat actieplan er is, zijn we zo weer een jaar verder. Dit is dus een aansporing voor de minister.

Dan rest mij nog een vraag aan de staatssecretaris. Ik heb hem gevraagd of het klopt dat er inmiddels een akkoord ligt over de zogenoemde bed-bad-broodvoorziening. Zijn antwoord was: nee, we zijn nog in onderhandeling. Nou lees ik op NOS Teletekst: Na langdurig overleg hebben regering en gemeenten een akkoord gesloten over de zogenaamde bed-bad-broodvoorziening voor uitgeprocedeerde asielzoekers die niet willen of kunnen vertrekken. Er komt een proef in vijf plaatsen en als dat werkt komen er nog drie bij en er wordt een bedrag van 48 miljoen euro voor uitgetrokken.

Ik vroeg aan de staatssecretaris of er een akkoord lag. Hij zei: nog niet. Ik vroeg of het deze week wordt gepresenteerd. Hij zei van niet, maar hij sloot niet uit dat dit volgende week was. Ik herhaal mijn vraag: ligt er inmiddels, zoals ik lees op NOS Teletekst, een akkoord over de bed-bad-broodvoorziening?

Daarmee rond ik af. Hartelijk dank.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuiken. Dan ga ik nu naar mevrouw Van der Graaf namens de ChristenUnie.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindslieden voor alle antwoorden die we hebben gekregen, schriftelijk, maar ook vandaag tijdens het debat. De tijd is te kort om weer uitgebreid op alles in te gaan. Ik zal beginnen met het voorlezen van twee moties. De motie doorverwijzingen naar herstelrechtvoorzieningen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat herstelrecht een prominentere rol dient te krijgen in het strafrecht vanwege de positieve gevolgen voor zowel daders als slachtoffers;

constaterende dat er nu grote verschillen bestaan in het doorverwijzen naar herstelrechtvoorzieningen (zoals bemiddeling in strafzaken) door officieren van justitie, rechters en reclassering;

verzoekt de regering binnen de huidige wet- en regelgeving te bezien hoe de mogelijkheden tot het inzetten van herstelrecht verder kunnen worden ontwikkeld, waarbij meer eenduidigheid wordt nagestreefd ten aanzien van de doorverwijzing naar herstelrechtvoorzieningen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Graaf en Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 64 (35000-VI).

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):

De tweede motie die ik indien gaat over de aanpak van malafide incassobureaus. Een hele belangrijke maatregel is het inrichten van een incassoregister. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het regeerakkoord is afgesproken dat er een incassoregister komt en dat dit vertraging oploopt;

overwegende dat het wenselijk is dat het incassoregister zo snel mogelijk wordt gerealiseerd, om misstanden in de incassobranche tegen te gaan;

verzoekt de regering vaart te maken met de ontwikkeling van het incassoregister en in de geplande Kamerbrief van begin 2019 te melden wanneer het register in werking zal treden en welke concrete tussenstappen zullen worden genomen om dat te bereiken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Graaf en Groothuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 65 (35000-VI).

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):

Dan sluit ik af. De rechtsstaat vergt onderhoud. Daar ben ik gister mee begonnen en daar is het in het debat ook heel veel over gegaan. De inzet van de politie, het Openbaar Ministerie, de rechtspraak, de rechtsbijstand: in het komende jaar zullen we hier nog veel aandacht voor hebben. Op deze bewindspersonen rust een hele grote verantwoordelijkheid om werk te maken van recht en gerechtigheid in deze samenleving. Ik wens ze daarbij heel veel succes in het komende jaar.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel.

Dan geef ik nu de heer Voordewind het woord. Ik ben benieuwd hoe u dat gaat doen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Een spaarzame ene minuut, en die ga ik meteen maar vullen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de nieuwe werkinstructie voor de beoordeling van asielverzoeken van de lhbti's en bekeerlingen voor lhbti's kan leiden tot herbeoordeling van eerder genomen beslissingen in die gevallen dat de overwegingen vrijwel uitsluitend zagen op het bewustwordingsproces en/of zelfacceptatie;

overwegende dat in de brief aan de Tweede Kamer van 14 november jongstleden niet wordt ingegaan op de situaties waarin de nieuwe werkinstructie voor bekeerlingen zal leiden tot herbeoordelingen van de eerder genomen beslissingen zoals dat bij lhbti's wel het geval is;

verzoekt de regering om bij herhaalde aanvragen van bekeerlingen van wie een eerdere bekering ongeloofwaardig is geacht, in die gevallen dat:

  • -de overwegingen vrijwel uitsluitend zagen op het zich niet voorafgaand aan de bekering hebben verdiept in andere religies of stromingen;

  • -en/of de overwegingen vrijwel uitsluitend zagen op een passieve bekering waar geen rekening mee is gehouden;

de geloofwaardigheid van de bekering alsnog te beoordelen in lijn met de nieuwe werkinstructie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Van Toorenburg, Groothuizen, Van Ojik en Van der Staaij.

Zij krijgt nr. 66 (35000-VI).

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Binnen één minuut, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Keurig! Dank u wel, meneer Voordewind.

Dan geef ik nu het woord aan de heer Krol namens 50PLUS.

De heer Krol (50PLUS):

Dank, voorzitter. Dank ook aan de bewindslieden voor hun uitgebreide beantwoording.

50PLUS is blij met de toezegging van de minister voor Rechtsbescherming dat hij nut en noodzaak van een eventuele piketmelding voor slachtofferadvocaten gaat onderzoeken en de Kamer daar over enige tijd over gaat informeren. Misschien kan hij nog zeggen wanneer.

Ik blijf me zorgen maken over de rechtshulppakketten en mensen die geen geld hebben om zo'n verzekering te betalen. Vallen zij niet tussen wal en schip?

Tijdens mijn eerste termijn heb ik de slachtoffers van misdrijven centraal gesteld. Ook tijdens het eerdere plenaire debat deze week over strafrechtelijke onderwerpen heb ik een motie ingediend over het geweld tegen ouderen, en hoe dat kan worden aangepakt in strafrechtelijke zin. Die motie heb ik inmiddels gewijzigd naar aanleiding van de opmerkingen van de minister in z'n tweede termijn. Ik reken erop dat die motie nu uitvoerbaar is.

In dit brede debat over de begroting wil ik graag nog één motie indienen, om geweld tegen ouderen tegen te gaan, en ditmaal niet toegespitst op de strafketen, maar op het weerbaarder maken van ouderen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegend dat bij ouderen vaak misbruik wordt gemaakt van hun soms onervarenheid en hun mogelijke kwetsbaarheid;

verzoekt de regering om:

  • -ouderen in algemene zin meer weerbaar te maken tegen criminaliteit en hun daarvoor handvatten te bieden waar mogelijk;

  • -speciale aandacht te besteden aan het veilig internetgebruik;

  • -te stimuleren om in samenwerking met politie, banken en telecombedrijven voorlichtingsbijeenkomsten voor ouderen over bovenvermelde thema's te organiseren op landelijk en regionaal niveau,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Krol. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 67 (35000-VI).

De heer Krol (50PLUS):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Krol. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van der Staaij namens de SGP-fractie.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Ik wil de bewindslieden, mede namens mijn fractiegenoot Bisschop, die niet meer afzonderlijk het woord zal voeren, bedanken voor alle antwoorden en ook voor de toezeggingen die zijn gedaan.

Ik wil op drie onderwerpen nog een motie indienen, en me daartoe beperken in deze tweede termijn. In de eerste plaats een motie over de werkdefinitie van "antisemitisme". Ik zeg daarbij dat ik daar vorige week al een motie over heb ingediend bij de begroting Buitenlandse Zaken. Die kreeg "oordeel Kamer", maar haalde het helaas net niet. Ik heb inmiddels wat zendingswerk verricht, en doe daarom een nieuwe poging om deze motie aangenomen te krijgen.

De motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de strijd tegen het veelkoppige monster van het antisemitisme grote inzet en goede afstemming vraagt;

verzoekt de regering steun te verlenen aan het hanteren van de internationale IHRA-werkdefinitie van antisemitisme,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 68 (35000-VI).

De heer Van der Staaij (SGP):

Dank, voorzitter. Dan een motie over de vergoeding in het kader van de Dublinzaak.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Dublinsysteem uitgaat van vertrouwen tussen lidstaten dat de rechtsbescherming van vreemdelingen voldoende gewaarborgd is en dat het procederen daarom in beginsel niet reëel is;

constaterende dat jaarlijks niettemin maar liefst ruim 6.000 beroepsprocedures spelen in Dublinzaken;

verzoekt de regering te verkennen of het aantal punten voor rechtsbijstand in Dublinprocedures verlaagd kan worden en of in de EU steun kan worden gevonden voor de herziening van de norm van kosteloze rechtsbijstand in Dublinzaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Staaij en Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69 (35000-VI).

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Tot slot een motie op een onderwerp dat ook in de eerste termijn door mijn fractiegenoot Bisschop aan de orde is gesteld, maar waarop in de schriftelijke beantwoording ons inziens een onbevredigende reactie kwam.

Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in asielzoekerscentra sprake is van een kwetsbaar klimaat waarin asielzoekers van uiteenlopende achtergronden met elkaar samenleven;

overwegende dat het onwenselijk is dat asielzoekers zelfs in gemeenschappelijke ruimtes en slaapzalen van asielzoekerscentra gebedsoproepen laten klinken, aangezien deze regelmatig door anderen als intimiderend worden ervaren;

verzoekt de regering als uitgangspunt te hanteren dat hoorbare gebedsoproepen in gemeenschappelijke ruimtes van asielzoekerscentra niet zijn toegestaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Staaij, Bisschop en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70 (35000-VI).

De heer Van der Staaij (SGP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Staaij. Dan geef ik nu het woord aan de heer Azarkan namens DENK.

De heer Azarkan (DENK):

Voorzitter, dank. Volgens mij heb ik nog drie minuten spreektijd. O, er staat nu vier, dus ik was zelf wat zuinig.

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden en de ambtenaren voor de antwoorden. We gaan nog met elkaar spreken over de veranderingen in de toegang tot het recht. Ik moet er wel bij zeggen dat de inzichten die tot nu toe gedeeld zijn door minister Dekker mij nog niet hebben overtuigd. Ik maak me er zorgen over. We zullen nog met elkaar spreken, zoals ik zei, maar ik kom in ieder geval tot de conclusie dat er voorlopig oplossingen worden gezocht voor problemen die niet bestaan en dat er voor de bestaande problemen geen oplossingen worden bedacht. Ik dacht: ik deel dat mooie inzicht van DENK alvast met u allen.

Ik hoorde minister Grapperhaus zeggen dat hij een onderuitputting begroot heeft. Ik zou hem toch, in de tweede termijn, willen vragen hoe dat precies in elkaar zit. Het is mij in al die jaren dat ik binnen de overheid heb gewerkt nog nooit gelukt om een onderuitputting te begroten. Volgens mij kan dat ook helemaal niet. Ik zou graag willen weten hoe dat precies in elkaar zit.

Daarmee kom ik bij mijn moties. Ik heb er drie. De eerste gaat over het pact van Marrakesh. Ik moet zeggen dat ik Marrakesh heel goed ken, maar het pact iets minder. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer voor 10 december zal debatteren over het migratiepact van Marrakesh;

overwegende dat een debat alleen zinvol is als de Kamer enige invloed kan uitoefenen op de inhoud van de voorstellen van het kabinet;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat de Kamer wijzigingen kan doorvoeren op de inhoud van het pact,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Azarkan en Krol. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71 (35000-VI).

De heer Azarkan (DENK):

Voorzitter. Dan een motie over de Medewerkersmonitor van de politie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de Medewerkersmonitor van de politie blijkt dat ongeveer 9.000 politiemedewerkers te maken hebben met intimidatiepraktijken van hun chef of collega en dat ongeveer 4.500 medewerkers te maken hebben met discriminatie door hun chef of collega;

van mening dat intimidatie en discriminatie binnen de politieorganisatie niet met de mantel der liefde mogen worden bedekt;

verzoekt de regering de Kamer een overzicht te geven hoeveel politiechefs en hoeveel politiemedewerkers de afgelopen vijf jaar zijn gesanctioneerd voor intimidatie en/of discriminatie van een ondergeschikte of collega,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 72 (35000-VI).

De heer Azarkan (DENK):

Voorzitter. Mijn laatste motie gaat over het register voor nevenfuncties van rechters.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een register voor nevenfuncties van rechters is en dat volgens de wet de rechters de informatie minsten één keer per jaar moeten bijwerken;

constaterende dat er vanuit het veld signalen zijn dat het bewustzijn over deze jaarlijkse verplichting er niet altijd is, waardoor het register niet up-to-date is;

verzoekt de regering erop toe te zien dat de rechters hun nevenfuncties melden op de manier zoals de wet dat van ze vraagt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73 (35000-VI).

De heer Azarkan (DENK):

Dank, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de tweede termijn van de kant van de Kamer. Er zijn 53 moties ingediend. Meneer Azarkan, ik zie dat u met de bewindslieden praat, maar dat mag echt niet. Nee, dat mag absoluut niet! Zolang de vergadering niet is geschorst, mag er niet met het kabinet worden gesproken. Dat geldt ook voor het kabinet. De bewindslieden mogen ook niet met Kamerleden spreken tijdens de beraadslaging.

De vergadering wordt van 19.38 uur tot 20.45 uur geschorst.

De voorzitter:

We zijn toegekomen aan de tweede termijn van de zijde van de regering. Ik geef de minister van Justitie en Veiligheid het woord.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter, dank. Ik zal eerst enkele vragen beantwoorden die mij door de leden zijn gesteld. Daarna ga ik in op de moties, waarbij ik telkens het nummer en de naam van de indiener of indieners zal aangeven. Dan komen daarna uiteraard mijn collega's, de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de beurt.

De voorzitter:

Welke moties gaat u behandelen?

Minister Grapperhaus:

Wilt u dat ik de nummers nu al op een rijtje ga zetten?

De voorzitter:

Als u die op een rijtje heeft, is dat misschien wel handig. Anders merken we het vanzelf wel.

Minister Grapperhaus:

Ik wil het wel heel snel doen, het maakt mij niet uit. We hebben ze allemaal verdeeld, zoals dat in deze tijd van "eerlijk zullen we alles delen" hoort.

Er was allereerst aan het einde van de eerste termijn nog een vraag van het lid Van Oosten over het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen. Ik acht dat rapport van belang voor het inzicht in de aard en de omvang van seksueel geweld tegen kinderen. Het kabinet hecht veel waarde aan het tegengaan van seksueel geweld tegen kinderen. Ik heb dat ook in mijn toespraakje bij de aanbieding van het rapport door de heer Bolhaar nog eens naar voren gebracht. Elke vorm van seksueel geweld tegen kinderen is weerzinwekkend en dient bestreden te worden. Dat geldt ook voor elke vorm van seksuele exploitatie. Iedereen, ook ouders van zeer jonge kinderen, kan een melding en aangifte doen bij de politie als er verdenkingen zijn van seksueel misbruik. Ik heb in eerste termijn al gezegd dat de korpschef dat gesprek aangaat naar aanleiding van klachten die er waren over gevallen waarin dat niet goed was gegaan. Verder ga ik over de aanbevelingen in gesprek met de betrokken organisaties, in elk geval met de politie en met het Openbaar Ministerie. Ik zal uw Kamer daarna informeren met een beleidsreactie waarin ik zal ingaan op die aanbevelingen. Ik wil dat natuurlijk ook zo veel mogelijk goed geïntegreerd doen met de andere acties die ik onderneem op het punt van het tegengaan van seksueel misbruik van kinderen.

De voorzitter:

Een korte vraag.

De heer Van Oosten (VVD):

Wordt er dan specifiek ingezoomd op het kunnen uitlezen van gegevensdragers?

Minister Grapperhaus:

Ja, daar wordt zeker op ingezoomd. Daar ga ik uitvoerig op in. Ik ga nu niets meer zeggen over de in eerste termijn al genoemde extra investeringen die we in dat verband op cybergebied bij de politie hebben gedaan ten aanzien van juist kindermisbruik.

Dan heeft mevrouw Helder gevraagd of ik bereid ben om in kaart te brengen hoe vaak ouderen slachtoffer zijn van high impact crime. Ik wil onmiddellijk toezeggen dat we op basis van beschikbare data verder onderzoek gaan doen en dat we uw Kamer daarover zullen berichten.

De voorzitter:

Op welke termijn denkt u dat te doen?

Minister Grapperhaus:

In de eerste helft van het volgend jaar zullen we daar zeker bij uw Kamer op terugkomen. In welke vorm dat is, moeten we dan nog zien. Maar ik kom er zeker op terug.

Dan had de heer Van Dam een vraag over de rol van de inspectie JenV bij ICT-projecten. Hij heeft het bij het rechte eind dat de inspecteur-generaal op afstand meeluistert. In aanvulling op de schriftelijke beantwoording benadrukt de inspectie dat waar nodig ook ICT inclusief voortgang van ICT-projecten in relatie tot de taakuitoefening bezien zal worden en dat daarover aan mij ook gerapporteerd zal worden door de inspectie. Concreet: als een goede taakvoering van de politie wordt gehinderd door het ontbreken van ICT-middelen of als de voortgang van voorziene ICT-middelen voor die taakvoering een belemmering vormt, dan zal de inspectie daarover rapporteren. Zo zie ik dat.

Mevrouw Buitenweg vroeg mij nog naar een uitleg over het aantal politiemensen dat in 24 uur op straat wordt ingezet. Ik heb al in eerste termijn gezegd dat politiewerk meer is dan alleen het werk op straat. Ik noem de recherche en de aanpak van cybercrime. Bovendien, en daar zitten die 17.300 mensen in, de politie is een 24/7-organisatie die dus ook op basis van lokale afwegingen wordt ingezet waar en wanneer het nodig is. Hoeveel agenten er feitelijk op straat zijn, wisselt daardoor voortdurend. We hebben volgende week het AO Politie. Dan kunnen we hier misschien nog uitvoeriger over discussiëren. Maar ik ga niet mevrouw Buitenweg teleurstellen door straks in een brief hetzelfde te zeggen als wat ik gisteren al schriftelijk heb geantwoord. Anders zouden we hier volgende week in het AO Politie nog eens uitvoeriger over moeten spreken.

De voorzitter:

Een korte vraag, mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Als ik het goed begrijp, kan ik volgende week in een AO erover praten, maar dan zal de minister niks nieuws zeggen, want als hij wel iets nieuws zou zeggen, zou hij het ook in een brief kunnen schrijven. Feit is dat heel veel van de operationele experts achter het bureau zitten en andere taken doen. Vorige week is daarover een rapport verschenen van het WODC. Wat is het gevolg daarvan voor de operationele sterkte? Dat is een heel feitelijke vraag. Die wil ik wel beantwoord hebben voor het AO van volgende week.

Minister Grapperhaus:

De feitelijke vraag was wat de inzet van operationele experts zou betekenen voor de inzetbaarheid van politie op straat. Voor zover er nog iets toe te voegen valt aan het antwoord dat ik gegeven heb, wil ik er best wat aan toevoegen, maar ik zal het ook eerlijk schrijven als er niet iets aan toe te voegen valt. Ik vind het prima om nog een briefje te schrijven, maar ik ga nu niet de verwachting wekken dat daar allerlei nieuws in staat.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Dan de moties. Ik begin met de motie van mevrouw Helder. Ik noem telkens heel kort alleen de inhoud van de motie, dus niet de overwegingen. In de motie staat: "verzoekt de regering om het in 2015 gestarte traject van het sluiten van politiebureaus te stoppen". Ik ontraad die motie.

De voorzitter:

Om welk nummer gaat het?

Minister Grapperhaus:

Stuk nr. 25. Ik heb er een toelichting bij. De beweging om bureaus te sluiten gaat niet ten koste van de kwaliteit van de dienstverlening. De politie zal meer op straat aanwezig zijn en via andere, modernere wegen beschikbaar zijn voor de burger: steunpunten in de gemeentekantoren, pop-uppolitiebureaus, aangifte bij de burger thuis. Ik noemde al het voorbeeld van de wijkagent die handzaam z'n iPad bij zich heeft. Er zijn locaties gesloten, maar er zijn ook 103 nieuwe locaties geopend. Bij de huisvestingsverschuivingen is rekening gehouden met de bereikbaarheid van de politie en is gezorgd voor kwalitatief goede voorzieningen voor de agenten op straat. Dat huisvestingsplan is ook met de Kamer gedeeld. Dus ik ontraad de motie op stuk nr. 25.

In de motie op stuk nr. 27 van mevrouw Helder staat het verzoek om het ondermijningsfonds structureel in te stellen. Die motie ontraad ik ook. We hebben nou juist dit fonds voor 100 miljoen euro ingesteld. Daarnaast is er 10 miljoen structureel per jaar. Het zijn middelen voor een breed pakket, zowel preventief als repressief. Daar is op ingezet. Daar zijn nu ook de concrete plannen op gemaakt. We gaan daar, samen met de versterkingsmiddelen voor de politie en andere dingen, eerst flink mee aan de slag.

In de motie op stuk nr. 28 van de heer De Graaf staat het verzoek om criminelen met een dubbel paspoort te denaturaliseren en na het uitzitten van hun straf uit te zetten. Bij personen die veroordeeld zijn voor een terroristisch misdrijf, kan het Nederlanderschap worden ingetrokken na onherroepelijke veroordeling, maar dat kan niet als het tot stateloosheid leidt. Daarover is een wetsvoorstel aangenomen. Dat kan alleen bij een dubbele nationaliteit. Het intrekken van het Nederlanderschap van andere criminelen, dus niet-terroristische criminelen, is alleen aan de orde als er bijvoorbeeld sprake is van fraude bij het verkrijgen van het Nederlanderschap of van aanwijzingen van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven of genocide. Intrekking vanwege commune delicten is strijdig met het Nationaliteitsverdrag.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 29 van de heer De Graaf betreft het verzoek om de zoon van een zekere imam na het uitzitten van zijn straf te denaturaliseren, uit te zetten en ervoor te zorgen dat hij nooit meer een voet op Nederlandse bodem zet. Die motie ontraad ik ook, grotendeels met dezelfde motivering die ik net heb gegeven. Een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf is nodig, of iemand moet zich buiten Nederland bij zo'n organisatie hebben aangesloten. Ik wil ten aanzien van deze twee moties nog eens benadrukken wat ik in de eerste termijn heb gezegd, en dat is dat onze diensten alert zijn op mensen met extremistische, antidemocratische oogmerken. Daar wilde ik het bij laten.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Mag ik een punt van orde maken? Het is echt een punt van orde.

De voorzitter:

Ik ben benieuwd.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik vind het opvallend dat in deze motie ook een naam genoemd staat. Dat is voor niemand reden geweest om de indiening niet te steunen.

De voorzitter:

Ja, dat heb ik gezien.

Minister Grapperhaus:

Ik heb de naam niet genoemd in ieder geval.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Nee, u niet, maar ik vind het wel opvallend.

De voorzitter:

Het viel mij ook op, maar de indiening van de motie was toen al ondersteund en de motie was rondgedeeld.

De heer De Graaf (PVV):

Ik wil hier ook een punt van orde van maken. Op een gegeven moment tenderen wij naar een situatie waarin we helemaal niets meer in een motie kunnen zetten. Het gaat duidelijk om een kwestie. Er wordt geen Kamerlid in genoemd met een citaat. Dat was de afspraak van dinsdagavond: de motie met een citaat van een Kamerlid werd toen niet ondersteund. Vanmiddag was het een ander verhaal. Nu gaat het om iemand die gewoon heeft opgeroepen om alle christenen op de wereld te vermoorden en niemand over te laten. Het lijkt me toch logisch dat zo'n persoon genoemd mag worden in een motie.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Het gaat mij er vooral om dat ik vind dat de Kamer een consequente lijn moet trekken en niet: de één bescherming bieden, maar dit bij de ander blijkbaar niet belangrijk vinden. Dat is het enige punt dat ik wil maken.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Dan de motie-Markuszower/De Graaf op stuk nr. 30, inzake de recente benoeming van de nieuwe Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het hele kabinet heeft er alle vertrouwen in dat de juiste persoon is benoemd in de functie. De motie wordt ontraden.

De motie-Markuszower op stuk nr. 31 betreft het verzoek om opbrengsten die zouden worden verkregen met een te bewerkstelligen soort belasting op banktransacties naar islamitische landen te bestemmen voor de Joodse gemeenschap. Ik ontraad die motie. Er is geen aanleiding voor en er is ook geen rechtsgrond voor een dergelijk voorstel.

De voorzitter:

De heer Makuszower, een korte opmerking over de motie op stuk nr. 31.

De heer Markuszower (PVV):

Ik zal niet weer een hele discussie beginnen, maar een fundamenteel punt is dat de minister zegt dat er geen rechtsgrond voor is. Nee, dat klopt. Daarvoor zijn we minister of Kamerlid; om een rechtsgrond te creëren. Dat is een fundamentele discussie, die ik vaker heb gevoerd, ook met deze minister. We moeten niet alleen uitgaan van de huidige wet. We zijn geen advocaat of rechter, we zijn Kamerlid c.q. minister. Dus we moeten hier wetten maken en rechtsgronden creëren. Dat de minister dat niet wil, daarover kunnen we van mening verschillen. Maar het fundamentele punt is dat we uitgaan van huidige wetgeving. Dat kan toch niet de leidraad zijn van dit kabinet?

Minister Grapperhaus:

De heer Markuszower zegt het juist: ik ben de minister van Justitie en Veiligheid. Ik moet tegen uw Kamer zeggen hoe ik hiertegen aankijk in het kader van de motie. Ik vind dat er geen rechtsgrond is voor een dergelijk voorstel ... Laat ik zeggen regeling, want een voorstel mag altijd. Maar er is geen rechtsgrond voor in ons stelsel.

De heer Van der Staaij (SGP):

Even een vraag ter verheldering. Ik lees de motie, maar een cruciale overweging is eruit geschrapt. Nu wordt gesproken over "deze opbrengsten", die ergens nergens op teruggrijpen. Ik zou dus eigenlijk niet weten wat ik precies met deze motie moet.

De heer Markuszower (PVV):

De heer Van der Staaij is zoals altijd zeer scherp. U hoorde mij allenmaal stuntelen bij het indienen van de motie. Ik heb dat gestuntel gecorrigeerd door een gewijzigde motie naar de Griffie te sturen. Dus de volledige nieuwe tekst kunnen de heer Van der Staaij en alle andere Kamerleden in hun e-mailbox vinden.

Minister Grapperhaus:

Ik heb de motie in de oorspronkelijke versie besproken, want ik wil de heer Markuszower in ieder geval recht doen door hem te antwoorden.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 33 van de heer Van Oosten met het verzoek om in overleg te treden met de nationale politie hoe we best practices kunnen gaan inzetten, zoals de Rotterdamse patseraanpak. Die motie geef ik graag oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 35 van de heer Van Oosten om te kijken of de Wet langdurig toezicht voldoende aanknopingspunten biedt om de jihadisten vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregelen op te leggen respectievelijk de Kamer te informeren hoe de wet aangepast zou kunnen worden, laat ik ook oordeel Kamer. Die motie sluit aan bij een eerder tijdens een AO toegezegde brief over dit onderwerp. Voor mij is het in ieder geval heel duidelijk: oordeel Kamer.

Voorzitter. Dan nog de motie die oproept te onderzoeken welke maatregelen ...

De voorzitter:

Ja, de heer Groothuizen over de vorige motie waarschijnlijk.

De heer Groothuizen (D66):

Ik heb over die motie inderdaad een vraag aan de minister. De vraag van de heer Van Oosten was of dat van de jihadisten nou in de Wet langdurig toezicht valt. Het antwoord daarop is ja. Vervolgens komt er een motie die verzoekt om te onderzoeken of het er inpast en dan zegt de minister: oordeel Kamer. Ik kan dat niet helemaal volgen.

Minister Grapperhaus:

Nee, het verzoek was — ik kan het even letterlijk voorlezen — om te onderzoeken of die wet voldoende aanknopingspunten biedt et cetera en indien blijkt dat de wet deze ruimte niet biedt, de Kamer te informeren hoe de wet aangepast zou kunnen worden. Ik geef hier oordeel Kamer op omdat er een brief komt waarin we op die materie ingaan en dat inderdaad zullen uitleggen.

De heer Groothuizen (D66):

In het schriftelijke antwoord staat: de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen uit de wet — ik zal hem niet helemaal citeren — kunnen ook worden toegepast bij terroristische misdrijven. Dan hebben we het antwoord toch al binnen?

Minister Grapperhaus:

Ik probeerde duidelijk te maken dat hierover al eerder een brief is toegezegd. Deze motie past zowel in wat de heer Groothuizen leest als in de toegezegde brief. De motie is wat mij betreft oordeel Kamer, ik zie geen andere mogelijkheid.

De motie op stuk nr. 36 dan, ook van de heer Van Oosten, over een onderzoek naar de maatregelen op het gebied van contant geld, zoals die in het buitenland al genomen zijn. Over die motie wil ik het volgende zeggen: ik ben bereid om in overleg met de minister van Financiën, want hij is primair verantwoordelijk voor het gebruik van contant geld, het risico van het gebruik daarvan te agenderen in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. In dat platform, dat door mij wordt voorgezeten, zijn de detailhandel, Koninklijke Horeca, het mkb en andere relevante partijen vertegenwoordigd. Ik zal u over de uitkomsten daarvan, alsook van het onderzoek dat in opdracht van de Europese Commissie is verricht, komend voorjaar berichten, komend begrotingsjaar moet ik zeggen. Het oordeel over deze motie laat ik ook aan de Kamer.

Dan is er een tweeledige motie op stuk nr. 37 van de heer Van Oosten, die in de eerste plaats gaat over het wegnemen van de belemmeringen met betrekking tot de coldcaseteams door vrijwilligers in te schakelen voor het werken met digitale politiedossiers en daarnaast over hoe vrijwilligers verantwoord kunnen worden ingeschakeld teneinde politiedossiers digitaal te ontsluiten. Dit is een wat algemenere digitalevrijwilligersmotie. Voor het eerste deel over de toegang tot gegevens wil ik eerst inzage krijgen in de problematiek. Ik zal het met de korpschef bespreken en ik zeg toe uw Kamer binnen een maand hierover te informeren. Overigens zegt de politie op het punt van vrijwilligers geen knelpunt te ervaren. Dat is een beetje het tweede deel van de motie. Ik kom er dus binnen een maand op terug. Ik verzoek u de motie aan te houden.

De heer Van Oosten (VVD):

Nou, dat is goed.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Oosten stel ik voor zijn motie (35000-VI, nr. 37) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Dan ga ik door naar de motie op stuk nr. 39 van mevrouw Buitenweg. Ik citeer dat stukje toch maar even: "verzoekt de regering om in overleg te treden met de Vereniging Nederlandse Gemeenten over hoe de voorwaarden voor deelname (...) kunnen worden aangepast". Dat ontraad ik. We gaan met de VNG in gesprek. Ik heb in eerste termijn al tout court gezegd: ja, natuurlijk kunnen we met elkaar in gesprek en in onderhandeling over mogelijke aanpassingen van die AMvB. Maar ik ga niet in overleg treden om te kijken hoe de voorwaarden kunnen worden aangepast. Met deze tekst moet ik 'm ontraden.

Dan is er de motie van mevrouw Buitenweg en de heer Groothuizen op stuk nr. 40 over een verkenning naar veelplegers van milieucriminaliteit. Over die motie zeg ik dat ik het ook héél belangrijk vind dat we dat effectief gaan aanpakken. Ik heb niet voor niets een aantal zorgen uitgesproken op het onderdeel drugsafval, maar het geldt natuurlijk in den brede voor die milieucriminaliteit. Dus ik zeg hier: oordeel Kamer. Ik ga dat in overleg met mijn collega van IenW oppakken.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb een korte vraag over de motie op stuk nr. 39. Die heb ik medeondertekend omdat het een goed voorstel was van GroenLinks. De minister zegt daarvan: ik ga niet met dit doel in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Ik heb inmiddels gezien dat de minister tegen de NOS heeft gezegd dat de gemeentes knorrig zijn. Mijn vraag aan de minister is: helpt dat nou om de gemeentes knorrigheid te verwijten als hij de gemeentes hard nodig heeft om van die experimenten een succes te maken? We willen toch weten of het drugsbeleid anders kan en beter moet? Wil deze minister er wel een succes van maken?

Minister Grapperhaus:

De heer Van Nispen trekt nu toch wel een aantal dingen heel erg uit hun verband. Er is mij gevraagd: maar er zijn toch een aantal burgemeesters helemaal niet tevreden over punten in dat experiment? Ik heb gezegd: nou, ik begrijp best dat burgemeesters op sommige punten wat knorrig zijn. Dat was zeker niet in de verwijtende sfeer zo gezegd, want men heeft gewoon gezegd: met dit of dat element zijn we niet gelukkig. Dat kan ik mij voorstellen. Ik verval nu in herhaling en dat moet ik dus niet doen, maar ik heb over de tekst van de motie zoals die nu is, gezegd: zo treed je niet met elkaar in onderhandeling of gesprek over zo'n AMvB. Daarom moet ik haar ontraden. Maar ik heb dus in eerste én tweede termijn heel duidelijk gezegd: ja, natuurlijk ga ik met de VNG in overleg.

De voorzitter:

Gaat u verder, minister. Mevrouw Buitenweg, ik zie dat u wilt interrumperen. Het is prima dat degene die de motie heeft ondertekend, een korte vraag stelt, maar als iedereen over één motie een vraag heeft, gaan we de discussie dunnetjes overdoen. Volgens mij staat het u vrij om de motie gewoon in stemming te brengen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dat zal ik doen. De minister zei alleen aan het end iets anders dan in het debat. Het gaat erom dat we niet alleen in overleg treden maar ook tegemoetkomen aan een deel van de kritiek.

Minister Grapperhaus:

Ik heb inderdaad gezegd dat we openstaan voor de kritiek en kijken of we daaraan tegemoet kunnen komen. Dat wil ik hier ook zeker herhalen, maar ik ga het niet doen zoals het in de motie is geformuleerd. Dus ontraden.

De motie op stuk nr. 41 verzoekt de regering een visie op de gemeentelijke handhaving te ontwikkelen en is ook van mevrouw Buitenweg. Die ga ik ook ontraden, maar ik ga eerst even uitleggen wat daar speelt. We komen binnenkort met een brief. Er komt dus niet zozeer een visie maar een brief waarin ik zal uitleggen wat de verhouding tussen gemeentelijke boa's en politie is. Boa's hebben geen taken op het gebied van openbareordehandhaving. Ik kom dus in ieder geval met een brief waarin dat allemaal uiteen wordt gezet en dan kunnen we daar echt met elkaar een goed gesprek over hebben. Ik zou u ook voor de gek houden door te zeggen: ik kom wel met een visie. Laten we nou gewoon wachten op die brief, want dan zijn we veel eerder in gesprek. Dan is er de motie op stuk nr. 43 van de heer Van Dam et al. Dat is een motie over de outputfinanciering. Ik stel vast dat deze motie aansluit bij het nieuwe bekostigingssysteem dat wordt ontwikkeld, dus oordeel Kamer voor deze motie.

De motie van de heer Van Dam rondom buurtpreventie, om de waarde van een landelijke politierichtlijn te bekijken.

De voorzitter:

Welk nummer?

Minister Grapperhaus:

Dat is nummer 44, excuus. Nou, 15 november heb ik u de ontwikkelagenda opsporing gestuurd en daar staat die burgerparticipatie absoluut in. Ik heb dat ook in eerste termijn al onderschreven als iets goeds, dus deze motie is wat mij betreft oordeel Kamer.

De voorzitter:

De heer Van Oosten over de motie op stuk nr. 43.

De heer Van Oosten (VVD):

Kan de minister mij uitleggen welke voordelen die motie heeft voor de opsporing en de vervolging in ons land?

Minister Grapperhaus:

De motie op stuk nr. 43 gaat over het nieuwe bekostigingssysteem. Dat wil ik u best uitleggen. Als dat nieuwe bekostigingssysteem ontwikkeld is en we zijn zover, dan zal ik de voordelen voor opsporing en vervolging in een brief aan u uiteenzetten.

De voorzitter:

Meneer Van Oosten, er is ook een algemeen overleg Rechtspraak, begrijp ik.

De heer Van Oosten (VVD):

Natuurlijk, daar gaan we het over hebben, maar we moeten dinsdag stemmen. Ik stel de minister een tamelijk concrete vraag. Welke voordelen heeft het volgen van de oproep in deze motie voor de opsporing en vervolging? Ik moet mijn fractie adviseren. Als de minister mij kan overtuigen dat dit voordelen heeft, dat de opsporing en vervolging hierdoor beter worden, dan kan ik daarmee aan de slag en kan ik mijn fractie dat laten weten. Als het niets toevoegt, weet ik niet wat ik ermee moet. Dus misschien dat de minister daar dan toch nog voor de stemming op terug kan komen.

Minister Grapperhaus:

Het punt is natuurlijk dit. Die motie behandelt dat zelf ook in de overwegingen. Er is op gewezen door de indieners dat het financieringsstelsel dat we nu hebben, kan leiden tot perverse prikkels en tot een toename van bureaucratie. Zelfs bij een dalend aantal zaken kan dat leiden tot het stijgen van, relatief gesproken, de vaste lasten. Dat vind ik drie heel logische aspecten, maar die staan in de overwegingen van de motie en die deel ik.

De voorzitter:

Goed. Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Dat lijkt mij heel goed en ten gunste van opsporing en vervolging, zeg ik nog even tegen de heer Van Oosten om elke twijfel weg te nemen.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 44 heb ik gehad.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 45 van de leden Van Dam, Laan-Geselschap, Helder, Van der Graaf en Van der Staaij. Het verzoek is om te informeren hoe de verschillende politie-eenheden de uitbreiding van de sterkte daadwerkelijk zullen aanwenden. Ik schets even heel kort het uitgangspunt. De eenheden en de positie van basisteams zijn zeer verschillend. Daar moet je dus juist lokaal de keuze in maken, wil ik vooropstellen. Als ik uw motie zo mag lezen, en volgens mij is die ook zo te lezen, dat ik aan de regioburgemeesters het belang dat uw Kamer hecht aan het versterken van de basisteams mag overbrengen, en uw Kamer zal informeren hoe de eenheden de uitbreiding van de sterkte daadwerkelijk hebben aangewend, dan laat ik het oordeel over de motie aan uw Kamer.

De heer Van Dam (CDA):

Ik vind het prima als de minister de motie zo uitlegt en ik denk dat de minister, los daarvan, ook heel goed de betekenis van deze motie begrijpt.

De voorzitter:

Dan zijn jullie het met elkaar eens!

Minister Grapperhaus:

De motie op stuk nr. 46 van de heer Van Dam en mevrouw Van Toorenburg en mevrouw Laan-Geselschap bevat het verzoek om de verkeersveiligheid op te nemen in de Veiligheidsagenda. Ik heb in de schriftelijke beantwoording al aangegeven dat ik heel veel hecht aan de verkeersveiligheid. Ik heb ook juist ingezet op het doorkomen met een aantal belangrijke nieuwe wetsvoorstellen. Daarnaast kom ik samen met de minister van IenW met een strategisch plan over de verkeersveiligheid. De vaststelling van de prioriteiten voor de politie nu is een zorgvuldig proces samen met de gezagen en de politie geweest, waarbij in navolging van de commissie-Kuijken is gekozen voor een beperkte set prioriteiten. Ik zou de Kamer dus willen verzoeken om deze motie aan te houden totdat we dat Strategisch Plan Verkeersveiligheid naar uw Kamer hebben gestuurd en dat besproken hebben.

De voorzitter:

Ja, meneer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Misschien kan de minister dan wat licht laten schijnen op wanneer die brief samen met IenW naar de Kamer wordt gestuurd, want die Veiligheidsagenda gaat in per 1 januari. Dus als voorzien is om die brief in maart naar de Kamer te sturen, is dat voor mij wel relevante info.

Minister Grapperhaus:

Ik denk niet dat ik kan verwachten dat dat nog dit kalenderjaar gebeurt. Ik wil wel zeggen dat dat zeker in de eerste twee maanden van het volgend jaar gebeurt.

De voorzitter:

Nogmaals, meneer Van Dam. De microfoon staat aan, maar blijkbaar doet hij het niet. Misschien moet u naar een andere microfoon lopen.

De heer Van Dam (CDA):

Je zou bijna denken dat hier censuur ... Nee, hoor. Ik had nog een idee dat misschien een aanhouding tot een oplossing zou kunnen leiden, maar ik heb het oordeel van de minister gehoord en daar moeten we het dan maar even mee doen.

De voorzitter:

De heer Van Dam heeft het over het oordeel van de minister, maar wat is dat oordeel?

Minister Grapperhaus:

Dat was aanhouden.

De voorzitter:

En als de motie niet wordt aangehouden?

Minister Grapperhaus:

Dan moet ik haar ontraden. Ik wil er nog wel aan toevoegen dat ik misschien het feit dat deze motie hangt als voetnoot kan meegeven bij de vaststelling van de Veiligheidsagenda.

De voorzitter:

Dan of aanhouden of in stemming brengen, meneer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Ik ga haar niet aanhouden.

De voorzitter:

Goed om te weten. Dan de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ja, want ook wij moeten erover stemmen. Ik vind het een sympathieke motie, maar ik wil van de minister weten of er als deze motie wordt aangenomen andere prioriteiten afvallen bij de politie of dat de politie dan bepaalde zaken niet kan doen. Dat vind ik wel relevant bij het beoordelen.

Minister Grapperhaus:

Het punt is — dat heb ik erbij gezegd — dat de commissie-Kuijken heeft gezegd: ga nou echt goed prioriteren en ga niet een Veiligheidsagenda met zo'n categorie A en zo'n categorie B maken. Daar speelt natuurlijk ook in mee dat die verkeersveiligheid iets is waarbij ik ook gezamenlijk optrek met het ministerie van IenW. Dat is natuurlijk heel belangrijk, want heb je een soort dubbelkracht die bij sommige andere vormen van prioriteiten niet of nauwelijks speelt. Dus inderdaad, dan zou er toch een prioriteit van de Veiligheidsagenda af moeten. Zo werkt dat.

Voorzitter. Ik was bij de motie op stuk nr. 51 van de heer Van Nispen en de heer Groothuizen met het verzoek ervoor te zorgen dat de rechter een controlerende en rechtsbeschermende rol krijgt bij de totstandkoming van hoge en bijzondere transacties. Ik zou eerst willen voorstellen om die motie aan te houden tot we met de beleidsreactie zijn gekomen. Ik heb in de eerste termijn gemeld dat dat rapport Evaluatie Wet OM-afdoening is aangeboden aan de Kamer. Er komt beleidsreactie aan en we hebben ook uitdrukkelijk al aan uw Kamer toegezegd dat we dat ook doen ten aanzien van die hoge transacties. Dan kunnen we uitvoerig met elkaar in gesprek. Op dit moment wordt ook met de rechtspraak gesproken. Er wordt ook gekeken of een eventuele rechterlijke toetsing een goed alternatief zou zijn. Ik zou graag open-minded met elkaar die discussie aan willen gaan, dus aanhouden.

De voorzitter:

Aanhouden dus. Dat is de heer Van Nispen niet van plan.

Minister Grapperhaus:

Dan moet ik de motie ontraden, want dan gaan we voor de troepen ...

De voorzitter:

Er is een stoel omgevallen, maar daar zat niemand op, gelukkig. Er is niets aan de hand. We gaan verhuizen hoor, over twee jaar, denk ik. Gaat u verder, minister.

Minister Grapperhaus:

Ik heb iets met stoelen, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, ik weet het.

Minister Grapperhaus:

Bij de Algemene Politieke Beschouwingen, waar de heer Van Dam die microfoon had die het niet deed, zakte ik door mijn stoel heen. Maar goed, zo gaan die dingen.

Dan moet ik de motie echt ontraden, want ik vind het gewoon niet verstandig dat de Kamer hier al gaat besluiten hoe we dat moeten gaan inrichten als we niet eerst met elkaar gewoon goed hebben gesproken over wat er nou uit die evaluatie komt. En nogmaals: ik bespreek juist ook met de rechtspraak hoe het eventueel zou kunnen als het een rechterlijke toetsing zou kunnen worden. Het wordt dus: ontraden.

De voorzitter:

Bij welke motie bent u nu?

Minister Grapperhaus:

Ik was nog bij de motie op stuk nr. 51. Ik heb haar ontraden. En waarom ik haar ontraad, heb ik nog even extra gemotiveerd.

In de motie op stuk nr. 52 wordt de regering verzocht te bewerkstelligen dat in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties wordt opgenomen dat het uitgangspunt bij schikkingen is dat altijd strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt naar feitelijk leidinggevenden en opdrachtgevers. Het oordeel over die motie laat ik aan de Kamer.

In de motie op stuk nr. 53 staat het verzoek aan de regering om onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek uit te laten voeren dat moet uitwijzen of, en zo ja in welke omvang, er sprake is van klassenjustitie. Ik ontraad die motie, want ik zie daar geen aanleiding voor. Ik heb al heel kort gewezen op het feit dat onze zittende en staande magistratuur tot de beste en meest betrouwbare ter wereld behoort. Op een lijst van de wereldwijde vergelijking van 130 rechtsstelsels, de Rule of Law Index, staan we onveranderd op de vijfde plaats. Onze politie, ik zeg het maar even, staat wereldwijd op de zesde plaats op het gebied van professionaliteit, integriteit en ook de toepassing van rule of law. Er zijn zeker dingen die hier in uw huis gesignaleerd worden, gevallen waarover we zeggen: zo moet het niet gaan. Die komen dan ook aan de orde en terecht word ik daar dan op aangesproken en ik handel daar dan ook op. Goed, voorzitter, ik ontraad deze motie.

De heer Van Nispen (SP):

Die lijstjes zijn niet per se ter zake doende. Bepaalde ongewenste selectiviteit kan ook in het onderbewustzijn zitten van bepaalde mensen. Dit heeft dus niets te maken met kritiek op rechters, agenten of officieren van justitie. Daar ben ik net ook heel duidelijk over geweest. Als de minister van Justitie het zich aantrekt dat ik zeg dat er aanwijzingen zijn van klassenjustitie, en de minister denkt echt te weten dat dat niet zo is, dan zou hij zich ook niet hoeven te verzetten tegen een onderzoek om dat vast te stellen.

Minister Grapperhaus:

Ik ga niet herhalen wat ik even eerder heb gezegd, want dat heeft u van mij gehoord. Ik wil er verder nog op wijzen dat de heer Van Nispen met dit verzoek kwam naar aanleiding van zijn betoog over ongelijkheid in het kader van de hoge transacties. De discussie daarover gaan we ook nog grondig met elkaar voeren. Ik blijf erbij een motie te ontraden die vraagt om klassenjustitie in algemene zin te gaan onderzoeken, zeker gezien de plaats van ons rechtsstelsel op dit moment. Ik heb er genoeg over gezegd.

De heer Van Nispen (SP):

Het klopt niet wat de minister zegt. Blijkbaar heeft hij tijdens mijn betoog niet goed zitten luisteren. Dat is heel erg jammer. Ik heb een aantal voorbeelden genoemd waarbij ik ongewenste selectiviteit in de hele keten signaleer. Ik heb ook de toegang tot het recht erbij gehaald. Ik heb erbij gehaald dat het bij de politie kan gebeuren, bij het OM kan gebeuren. En inderdaad zijn de hoge transacties er naar mijn mening één voorbeeld van. Maar dan kan de minister niet zeggen: dat komt allemaal terug in de beleidsreactie. Ik vraag een onafhankelijk onderzoek. Als de minister zegt dat hij zich daartegen verzet omdat hij zeker weet dat er geen sprake is van klassenjustitie, dan vind ik dat heel erg teleurstellend.

De voorzitter:

Oké. Gaat u verder, minister.

Minister Grapperhaus:

Ik heb er niets aan toe te voegen.

In de motie op stuk nr. 61, van mevrouw Den Boer, wordt gevraagd een visie te ontwikkelen op de toekomst van de politiefunctie in Nederland. Daar kan ik mij in vinden. Ik zou wel enige ruimte geven voor de termijn, want de WRR is bezig met het onderzoek naar pluralisering van de politiefunctie. Het zal wel 2020 worden voordat ze dat hebben afgerond, maar dat is dan ook echt een heel grondig onderzoek. In ieder geval oordeel Kamer, als u daar begrip voor heeft.

De voorzitter:

Het is oordeel Kamer, mevrouw Den Boer.

Mevrouw Den Boer (D66):

Prima. Er staat Voorjaarsnota 2020. Dus als de minister ons een beetje op de hoogte kan houden, heel graag.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Mevrouw Den Boer vroeg ook om een geactualiseerde strategische visie op de internationale politiesamenwerking. Ik kom begin 2019 met een nieuw kader daarvoor. Ik zal de ingediende motie daarbij ter harte nemen en laat het oordeel aan de Kamer.

Dan was er een vraag en ook een motie van mevrouw Kuiken omtrent lhbti. Ik moet de motie ontraden. Ik vind op dit moment "specifieke capaciteit" een stap te ver. Ik heb wel al in de eerste termijn aangegeven dat ik met de korpschef de afspraak heb dat ik ga overleggen over verbeteringen in de bejegening van lhbti door de politie. Daarnaast kom ik met het Actieplan lhbti en — daar wil ook nog op wijzen — treedt specifiek ten aanzien van transgender- en intersekse personen begin 2019 een nieuwe aanwijzing discriminatie van het Openbaar Ministerie in werking. Daar wordt op dit moment door het Openbaar Ministerie de laatste hand aan gelegd. Daarin wordt expliciet opgenomen dat een delict dat is gepleegd vanwege iemands genderidentiteit, moet leiden tot een hogere strafeis. Dat was al geregeld voor de lhb, maar nu ook dus voor de t en i. Dat over de motie op stuk nr. 63.

De voorzitter:

Ja, iedereen gaat nu op elkaars moties reageren.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Omdat ik het ook een punt heb gemaakt in mijn inbreng, zou ik toch een suggestie aan de minister willen meegeven. Waarom vraagt hij niet of de indiener de motie wil aanhouden? Het is wel een belangrijk punt en er komt een actieplan dat we daar dan nog in kunnen fietsen.

Minister Grapperhaus:

Daar ben ik zeker alsnog toe bereid, als de indiener daartoe nog bereid zou zijn.

De voorzitter:

Mevrouw Kuiken?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Op zich is het een hele simpele motie, met name omdat ik graag wil dat, als we met elkaar een aantal dingen afspreken, ook ergens gemarkeerd wordt wanneer. Gelijktijdig roept de motie veel verwarring op. Ik ga de motie nu aanhouden en dan kunnen we op een ander gelegen moment, na zorgvuldige afstemming, de motie indienen of wachten op het actieprogramma.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Kuiken stel ik voor haar motie (35000-VI, nr. 63) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter, ik ben er bijna doorheen. Ik kom bij de motie op stuk nr. 67 van de heer Krol. Die motie richt zich op een aantal specifieke, ten gunste van ouderen gerichte maatregelen als het gaat om hun extra kwetsbaarheid bij delicten. Die motie begrijp ik volledig en wat dat betreft is het oordeel Kamer.

Dan was er nog de motie op stuk nr. 68 van de heer Van der Staaij, met het verzoek om steun te verlenen aan het hanteren van de internationale IHRA- werkdefinitie van antisemitisme. Als ik de motie zo mag uitleggen dat de indicatoren voor antisemitisme, zoals aangegeven in de werkdefinitie van IHRA, gebruikt kunnen worden door politie en OM als mogelijke signalering voor discriminatie, dan zeg ik ja en oordeel Kamer. Waar ik niet in mee wil gaan, is het geven van een juridische status aan die werkdefinitie. Dat verhoudt zich niet tot het huidige stelsel van antidiscriminatiewetgeving. Dan zou ik de motie moeten ontraden. Maar ik hoop ik het eerste, want dat is ook waar we het meeste aan hebben.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ja, zoals de minister de motie wil uitleggen, is deze ook bedoeld. Daarom heb ik ook nadrukkelijk het woord "werkdefinitie" gebruikt in de motie.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter, het spijt me, ik was vergeten de motie van de heer Van Nispen op stuk nr. 54 te bespreken. Als u het goedvindt, ga ik daar nog even naar terug. Dat is de motie waarin wordt verzocht het bedrag aan onderuitputting en inzet exploitatieoverschot net als in voorgaande jaren tot een minimum te beperken en in ieder geval inzichtelijk te maken waarom verwacht wordt dat de komende jaren het bedrag zal toenemen. Ik moet de motie ontraden. Dan reageer ik overigens ook meteen een beetje op het punt van de heer Azarkan. Bij het opmaken van de begroting voor 2019 hebben we diverse tegenvallers gezien. Nu willen we niet al te pijnlijke beleidsmatige keuzes maken in de wetenschap dat we aan het eind van het jaar meestal geld overhouden waarmee we tegenvallers kunnen opvangen. We weten op dit moment nog niet waar zich dat voor zal doen en daarom is er een stelpost opgenomen, zonder die al in te vullen. Het is inderdaad de eerste keer dat we dit zo op de begroting van JenV hebben, maar de ministeries van OCW en IenW doen dat ook. Tot zover.

Dan de motie op stuk nr. 72, waarin wordt gevraagd om een overzicht te geven ...

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter.

De voorzitter:

Echt heel kort, meneer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Dat twee andere ministeries ook zo'n rare reden van begroten hebben, lijkt mij niet een goede reden om het dan vervolgens ook te gaan doen. Maar mijn vraag was heel concreet. De motie roept er eigenlijk ook toe op: maak nou inzichtelijk waarom u nu al verwacht dat er bijna 100 miljoen over is waarvan u nog niet weet waar dat zal zijn. Kan dat tot gevolg hebben dat de kaasschaaf over het hele ministerie moet?

Minister Grapperhaus:

Nou ja, ik heb net gereageerd op de motie en ik heb eigenlijk niet zo heel veel toe te voegen aan wat ik in eerste termijn heb gezegd. Ik kan er niet meer over zeggen.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

De motie op stuk nr. 72. Dit is de laatste motie, voorzitter, en dan ben ik klaar. De heer Azarkan vraagt de regering een overzicht te geven van hoeveel politiechefs en hoeveel politiemedewerkers de afgelopen vijf jaar zijn gesanctioneerd voor intimidatie en/of discriminatie van een ondergeschikte of collega. Ik ontraad die motie. Ik wil er dit over zeggen. Discriminerend of uitsluitend gedrag wordt door de politie niet getolereerd, niet buiten maar zeker ook niet binnen de politie. De afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten, VIK, zorgt voor een gepaste afhandeling van kwesties als discriminatie. Dat wordt over het algemeen niet breeduit gecommuniceerd, zeker niet over de straffen, want het betreft individuele zaken. Naar mijn mening heeft de korpsleiding echt goed aandacht voor dit punt. Elk team stelt aan de hand van de Medewerkersmonitor een plan op om grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan. In het jaarverslag staat een overzicht van disciplinaire straffen met de drie meest voorkomende categorieën. Dat waren in 2017: misbruik van positie in 226 gevallen; geweld en/of bejegening in 142 gevallen; houding en gedrag — dat is kwetsbaarheid — in 127 gevallen, en dat op een totaal van 548 onderzoeken. Ik zei het al, ik ontraad deze motie.

Daarmee ben ik aan het eind gekomen van mijn tweede termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de minister voor Rechtsbescherming.

Minister Dekker:

Voorzitter, dank u wel. Een paar vragen en dan de moties. Mevrouw Buitenweg stelde een vraag over de rechtsbijstand. Ze zei: het kan wel zijn dat je zaken effectief op een andere manier afdoet, maar wat als je een principieel oordeel van de rechter wilt hebben in het kader van rechtsvorming? Ik denk tenminste dat ze daarop doelt. Ik denk dat ze daar een punt heeft. Soms wil je een proefproces draaien om in een hele specifieke zaak een uitspraak te krijgen. Ik zie haar nu nee schudden. Dan heb ik haar wellicht verkeerd begrepen en dan moeten we er misschien verder over doorpraten. Gelukkig is er binnenkort een AO en hebben we daar alle mogelijkheden toe. Ik heb haar zo begrepen dat ze zegt dat het soms vanuit de rechtsvorming belangrijk is om een uitspraak te krijgen in een soort proefproces. Volgens mij zullen dat soort hele specifieke zaken zich niet heel veel voordoen, maar we moeten dat niet uitsluiten. Ik vind het dan ook belangrijk dat er eens een rechter naar kijkt en een uitspraak doet, ook al is dat misschien een duurdere en een langduriger vorm van het oplossen van een probleem. Het kan heel wel goed zijn dat je dan toch een principiële uitspraak krijgt. Ik dacht u daarmee tegemoet te komen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ja, dank u wel.

Minister Dekker:

Nou ja, dat doe ik kennelijk ook. Dank.

De heer Krol stelde ook nog een vraag over de rechtsbijstand, over de rechtshulppakketten. Hij vroeg: kan iedereen wel zo'n verzekering betalen? Misschien is het goed om te benadrukken dat de rechtshulppakketten geen verzekering zijn. Het is echt vanuit het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand dat daarin wordt voorzien. In de zoektocht naar andere vormen van rechtsbijstand hebben we ooit weleens een verzekeringsstelsel overwogen, maar daar hebben we uiteindelijk niet voor gekozen. Dus vandaar. Mensen kunnen zich natuurlijk wel vrijwillig verzekeren. Dat gebeurt ook op grote schaal. Dan hebben ze een rechtsbijstandsverzekering, maar volgens mij is dat niet wat u bedoelt.

Dan vroeg u nog wanneer u verder wordt geïnformeerd over de toeleiding naar slachtofferadvocaten. Ik denk dat dat in het voorjaar van 2019 kan zijn.

De heer Krol (50PLUS):

Als het van u mag, mevrouw de voorzitter, toch eventjes voor mijn geruststelling: de mensen die zo'n pakket — of dat nou een verzekeringspakket of een ander pakket is — niet kunnen betalen, gaan die niet tussen wal en schip vallen?

Minister Dekker:

Het idee van de gesubsidieerde bijstand is dat je juist voor die onderkant een tegemoetkoming hebt. Nu zitten er heel veel Nederlanders in de doelgroep voor de Wet op de rechtsbijstand. Die doelgroep is veel groter dan bijvoorbeeld de bijstandsgerechtigden. Bijna 40% van de Nederlanders valt in die doelgroep. Dat zijn de meest lage inkomens, maar ook de middeninkomens zitten daarin. De meest lage inkomens gaan we echt ontzien, maar we hebben ook gezegd dat we dat we er wel naartoe willen groeien dat ... Je hebt nu die kloof in de middengroepen, waarbij je als je net een paar honderd euro verdient een hele dure commerciële advocaat moet hebben, terwijl je als je daaronder zit, heel erg sterk gesubsidieerd wordt. Daar willen we ook wat aan doen, dus het zal een glijdende schaal worden.

De heer Krol (50PLUS):

We wachten het met belangstelling af.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Dekker:

De heer Van Dam vroeg nog naar het CCV. Hij vroeg of het niet wat eerder kan. Het punt is dat ik graag bij u wil terugkomen met resultaat en niet met wat de gesprekken hebben opgeleverd. De eerste verkenningen kunnen al prima plaatsvinden in de komende weken, maar daarmee heb je nog niet direct een opdracht van buiten binnengehaald. Ik zou dus toch willen vasthouden aan dat tweede kwartaal. Ik hoop u in dat tweede kwartaal dan ook iets meer duidelijkheid te geven over wat er echt is gelukt als het gaat om het binnenhalen van private gelden.

Dan de moties. Om te beginnen de motie op stuk nr. 24, van mevrouw Helder, de heer Van Oosten en de heer Van Dam. Misschien mag ik u verzoeken om die motie aan te houden. Ik ben bereid om nogmaals te kijken of het Wetboek van Strafrecht kan worden aangepast en mijn eerdere standpunt heroverweging behoeft. Ik zal uw Kamer hierover voor het kerstreces nader informeren.

Mevrouw Helder (PVV):

Als ik het zo mag begrijpen dat het standpunt heroverwegen ook betekent dat de brief die nog niet zo heel oud is in die heroverweging wordt meegenomen, want dat zou inderdaad een beetje met elkaar botsen, en we voor het kerstreces een brief krijgen, dan wil ik de motie wel aanhouden.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Helder stel ik voor haar motie (35000-VI, nr. 24) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Dekker:

Dan de motie op stuk nr. 32. Dat is de motie van de heer Markuszower over de advocatuur, over advocaten die dan kennelijk niet de waarheid zouden spreken. Ik ontraad die motie. Het instrumentarium van de Advocatenwet is toereikend met daarbij het toezicht van de deken en het tuchtrecht.

De motie van de heer Van Oosten en mevrouw Kuiken op stuk nr. 34 gaat over de screening ten behoeve van ondernemers, om ervoor te zorgen dat zij bij de dingen die zij verhuren, of het nou gaat om auto's of panden, niet onnodig in verkeerde handen gedreven worden. Dat is best ingewikkeld, maar ik ben bereid om daarnaar te kijken en kan dus het oordeel aan de Kamer laten.

Dan de motie van de leden Van Toorenburg, Groothuizen, Van Oosten en mevrouw Van der Graaf op stuk nr. 47 over de rechtshulppakketten voor slachtoffers. Ook daarover kan ik het oordeel aan de Kamer laten.

Dan de motie van de leden Van Toorenburg en Van Oosten op stuk nr. 48 over het zelfstandig woonverbod. De motie spreekt over het opleggen van een woonverbod aan daders van zware gewelds- en zedendelicten, dus dan gaat het echt om de zware gevallen, waar ik de gedachte van mevrouw Van Toorenburg volledig begrijp. De Wet langdurig toezicht maakt juist dat mogelijk voor deze doelgroep. Onder het bereik van deze wet vallen daders van zedendelicten, daders van ernstige geweldsdelicten en daders die een tbs-maatregel opgelegd hebben gekregen. Juist aan deze groep kan een woonverbod worden opgelegd in het kader van een zelfstandige toezichtsmaatregel die aansluitend aan de straf kan worden toegepast. Die kan ook zo lang als noodzakelijk worden verlengd. Met andere woorden, wat mevrouw Van Toorenburg wil voor deze groep daders, is dus in feite wettelijk al mogelijk. Daarmee is deze motie in mijn ogen overbodig en zou ik deze willen ontraden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

We doen een herhaling van zetten. Dat toezicht kan alleen maar worden verlengd wanneer er iets aan de hand is met de persoon waarom het moet worden verlengd, niet sec het feit dat hij naast de nabestaanden wil gaan wonen. Daar gaat geen gevaar vanuit. Ook blijkt niet dat hij nog steeds gevaarlijk gek is. Hij gaat er gewoon alleen wonen. Dat kan tergend zijn voor de nabestaanden. Daarom wil ik dat ernaar gekeken wordt. Kijk nog even naar de gronden waarop dat kan. Ik wil toch de minister vragen om oordeel Kamer te geven en er even goed naar te laten kijken. Ik denk dat we elkaar dan wel weer ontmoeten.

Minister Dekker:

Maar dan vraag ik om de motie aan te houden. Ik heb al aangegeven dat ik wil kijken wat er in België gebeurt en of er lacunes zijn in deze wetgeving. Naar mijn oordeel niet. Ik weet ook niet of het helemaal klopt wat mevrouw Van Toorenburg nu aangeeft, maar misschien is dit debat niet de plek om dat in detail te doen. Dan kom ik er schriftelijk op terug en dan kunt u wellicht de motie aanhouden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Daartoe ben ik bereid.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Van Toorenburg stel ik voor haar motie (35000-VI, nr. 48) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Dekker:

De motie van de heer Van Nispen en mevrouw Buitenweg op stuk nr. 50 vraagt om een onderzoek naar de totale kosten die gemoeid zijn met de herziening van de rechtsbijstand voor de Staat, gemeenten en semioverheden. Dat zou eerst moeten, alvorens we aan de slag gaan met de herziening van de rechtsbijstand. Dat lijkt mij niet een goed idee en daarom zou ik de motie willen ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 58 van de leden Groothuizen, Van der Graaf, Van Dam en Van Oosten.

De voorzitter:

Wacht even. Wat was het oordeel over de motie op stuk nr. 50? Volgens de heer Van Nispen is het oordeel aan de Kamer.

Minister Dekker:

Nee, dat was ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 58 over begrijpelijke taal. Ik noemde net al de indieners. We hebben erover gedebatteerd. Volgens mij kan ik die overnemen en is dat in lijn met wat ik al in het debat heb gezegd.

De voorzitter:

Heeft iemand bezwaar tegen het overnemen van de motie op stuk nr. 58? Mij blijkt dat dit niet het geval is.

De motie-Groothuizen c.s. (35000-VI, nr. 58) is overgenomen.

Minister Dekker:

Voorzitter. Dan is er een motie over een thema waar we inderdaad het debat niet over hebben gevoerd, zoals mevrouw Van Toorenburg al aangaf. Het is de motie op stuk nr. 60 van de heer Groothuizen en mevrouw Bergkamp. Ik zou die willen ontraden. Wij kennen de traditie van die dubbele geslachtsnamen niet. Ik weet dat sommige mensen dat graag zouden willen. Aan de andere kant zijn er ook heel veel mensen die erg voorstander zijn van het behoud van het Nederlandse stelsel. Daar is ook geen enorme consensus over in Nederland. En daarom zie ik niet onmiddellijk aanleiding om dit te gaan herzien.

De heer Groothuizen (D66):

Meerdere collega's hebben mij tijdens de schorsing gevraagd deze motie aan te houden. Ik heb besloten dat te doen.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Groothuizen stel ik voor zijn motie (35000-VI, nr. 60) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Dat debat heeft nog niet plaatsgevonden.

Minister Dekker:

Dan de motie van mevrouw Van der Graaf en de heer Van Nispen op stuk nr. 64 over het herstelrecht. Die vraagt eigenlijk om meer eenduidigheid in de doorverwijzing. Ik herken dat ook wel. Dat gaat op heel veel plekken heel verschillend. Ik denk dat dit heel goed past bij een aanpak waar we ook al mee bezig zijn: het maken van een eenduidig afsprakenkader, een beleidskader, rond mediation in het strafrecht. Daarbij kunnen we deze herstelvoorzieningen meenemen, dus ik kan daarover het oordeel aan de Kamer laten.

Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 65 van mevrouw Van der Graaf en de heer Groothuizen. Die gaat over het incassoregister. Ook daarvoor geldt: oordeel Kamer.

Tot slot de motie op stuk nr. 73 van de heer Azarkan. Die vraagt of wij willen toezien op het feit dat rechters hun nevenfuncties melden. Dat wij als uitvoerende macht moeten gaan toezien op de rechters vind ik wat ingewikkeld. Rechters zijn wettelijk verplicht om dat te doen. Dat doen ze ook bij het gerechtsbestuur als de functionele autoriteit, die daarop toezicht houdt. Ik ben het wel met de Azarkan eens: als dit de bedoeling is, dan zou het wel moeten gebeuren. Wat ik wel kan doen, is dit nog eens extra onder de aandacht brengen bij de instantie die daarover gaat, en dat is de Raad voor de rechtspraak. Maar ik ontraad de motie.

Voorzitter, dan ben ik door mijn stapel heen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Staatssecretaris Harbers:

Voorzitter, dank u wel. Er zijn nog enkele vragen gesteld. Ik begin bij de vraag van de heer Azmani over het project screening Syrische personen op 1F. Ik begrijp het ongeduld van de heer Azmani, maar gezien de omvang van het project, de gespecialiseerde kennis die nodig is en het feit dat daarvoor een groepje van tien mensen aan de slag is, zijn de mogelijkheden om dit te versnellen beperkt. Ik zeg toe de IND aan te sporen om het zo snel mogelijk af te ronden, maar ik wil daar niet te veel verwachtingen over wekken. Het is overigens niet zo dat het project voor alle resultaten helemaal tot het eind wacht. Zodra signalen worden opgevangen leiden die vanzelfsprekend gewoon tot actie.

De heer Azmani vroeg ook om alert te zijn op signalen over de verbeterde veiligheid in Syrië en Eritrea. Ik kan de Kamer verzekeren dat die alertheid er is. Maar de beleidsconclusies gaan we dus nu trekken op basis van ambtsberichten van BZ. In de schriftelijke beantwoording heb ik al aangegeven dat er in 2019 ambtsberichten over Syrië en Eritrea komen, ook met aandacht voor eventuele terugkeer. Ik zeg graag toe dat periodiek aan BZ gevraagd zal blijven worden om hierover te rapporteren.

Voorzitter. Dan de vraag van mevrouw Kuiken. Zij vroeg of er een akkoord is over bed-bad-brood, zoals zij het noemt, maar dat is het niet; in het regeerakkoord heet het landelijke voorziening vreemdelingen. Dat akkoord is er niet. Er is wel bestuurlijk overleg gepland. Dat zou kunnen leiden tot een akkoord, maar een akkoord is pas een akkoord als alle partijen akkoord zijn en dat tegen elkaar uitspreken. En dat is nog niet het geval.

Voorzitter. Dan kom ik bij de moties. De motie van de heer Fritsma op stuk nr. 21 verzoekt de regering om niet in te stemmen met het VN-migratiepact. Die motie wil ik ontraden, al is het al omdat die wat mij betreft prematuur is. Het kabinet vormt zich, zoals eerder in het debat gezegd, nog een oordeel daarover. Dat zou ik op z'n minst afwachten.

De motie op stuk nr. 22 van de heer Fritsma heb ik in vele vormen langs zien komen: een totale asielstop. Die zou ik ook willen ontraden.

De motie op stuk nr. 23 van de heer Fritsma verzoekt de regering om de asielaanvraag van asielzoekers die een misdrijf hebben gepleegd altijd af te wijzen. Dat heb ik al eerder uiteengezet. Wanneer een vreemdeling die bij terugkeer te vrezen heeft een misdrijf heeft begaan, dan bepaalt internationaal en EU-recht dat het verblijf alleen maar kan worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een ernstig misdrijf in geval van vrees voor onmenselijke behandeling of van een bijzonder ernstig misdrijf bij vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging. En dat is het geval bij een onherroepelijke gevangenisstraf van zes maanden respectievelijk tien maanden. Daarmee hebben we de grens opgezocht. Het kabinet respecteert het internationale recht en om die reden ontraad ik de motie.

De motie op stuk nr. 26 van de leden Helder en Fritsma verzoekt de regering om inzage van de politie in de vreemdelingendatabank zo spoedig mogelijk weer mogelijk te maken. Die motie moet ik ontraden. De leden constateren zelf al dat er voorwaarden zijn verbonden aan het raadplegen van de vreemdelingendatabank. Dat is sinds 2007 mogelijk. De leden constateren terecht dat er tussen 2002 en 2007 een gat zat. Maar dat kan niet verdergaan, want op grond van de toen geldende Wet bescherming persoonsgegevens, thans de AVG, zijn er geen ruimere mogelijkheden om dit toe te staan.

De voorzitter:

Uw oordeel? Ontraden?

Staatssecretaris Harbers:

Die ontraad ik, ja.

Dan de motie op stuk nr. 38 van de heer Azmani. Ik heb in het debat uiteengezet dat we wat mij betreft eerst wachten op het advies van de commissie-Van Zwol. Ik heb al gezegd dat het wat mij betreft opportuun is om daarna in te gaan op de zorgen die door de heer Azmani zijn geuit. En om die reden ontraad ik deze motie.

De motie op stuk nr. 42 van de leden Van Ojik en Van Dijk verzoekt om een onderzoek naar de financieringssystematiek van de IND. De constatering dat de financiering van de IND gebaseerd is op de asielinstroom van het voorgaande jaar, klopt niet. Het is namelijk gebaseerd op een prognose die in het voorafgaande jaar gemaakt is. Schommelingen in de instroom hebben echter wel effect op de financiering van de IND. De IND moet dan de capaciteit hierop aanpassen, terwijl de aard van het werk maakt dat opschalen tijd kost. En schommelingen in de instroom kunnen op die manier doorwerken in de doorlooptijden. Ik ben dan ook bereid om het in de motie gevraagde onderzoek mee te nemen in het lopende programma Flexibilisering Asielketen. Ik laat het oordeel over de motie daarom aan uw Kamer.

De motie op stuk nr. 49 van de leden Van Toorenburg cum suis gaat ook over de discretionaire bevoegdheid. Ik zou ook die motie willen ontraden, ook omdat ik vanmiddag heb aangegeven dat we wat mij betreft gewoon echt eerst wachten op de aanbevelingen van de commissie-Van Zwol en daarna kijken naar de discretionaire bevoegdheid.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Wij willen een onderzoek hiernaar. Ik begrijp dat er een commissie aan de gang is, maar ik denk dat het duidelijk mag zijn dat wij een onderzoek willen hebben dat tegelijkertijd met hun uitkomsten uitkomt. Daarom willen wij er niet op wachten. Misschien kan de staatssecretaris dat even meewegen.

Staatssecretaris Harbers:

Dat heb ik meegewogen. Ik sta op het standpunt dat zo'n onderzoek niet nodig is. Ongetwijfeld zullen er leden van de Kamer zijn die daar anders over denken, maar om die reden ontraad ik de motie.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 55 van de heer Jasper van Dijk. Daar wil ik even wat uitleg bij geven, want als je die motie zo leest en hoort, dan denk je: we proberen allemaal overlastgevenden nog minder kans te geven om overlast te geven, bijvoorbeeld door plaatsing in de ebtl. Maar ik haak even aan bij de eerste twee constateringen of meningen. Die gaan over afgewezen en overlast gevende veiligelanders, die zolang zij niet zijn uitgezet, in een ebtl zouden moeten worden geplaatst. Nu is het bij afgewezen veiligelanders zo, dat als zij worden afgewezen terstond hun recht op opvang eindigt. Een ebtl is een bijzondere vorm van opvang, maar het is opvang, en deze groep heeft helemaal geen recht op opvang. Voor degenen die perspectief op terugkeer hebben, is bewaring mogelijk, of plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie, om daar aan de terugkeer te werken. Ik vermoed dat in de motie de groep mensen die nog in procedure is bedoeld wordt. Het geldt namelijk ook niet voor Dublinclaimanten, want die hebben recht op opvang en kunnen ook in een ebtl worden opgenomen. Ik vermoed dat het verzoek aan de regering ingaat op veiligelanders die nog in procedure zijn en dus recht op opvang hebben. We kunnen kijken naar de belemmeringen. Die zitten 'm er vooral in dat we voor de veiligelanders de procedure zo kort mogelijk proberen te houden, enkele dagen tot hooguit enkele weken. Dan moeten ze natuurlijk wel beschikbaar blijven om die stappen in de procedure te doorlopen.

Ik zou voor die groep dat verzoek wel willen overnemen, maar in deze vorm moet ik de motie ontraden. Ik zou haast de indiener willen aanraden om dan ook even goed te kijken naar de overwegingen die erin staan, zodat het een motie wordt waarvan ook de overwegingen kloppen. Als er een gewijzigde motie komt, zou ik die oordeel Kamer kunnen geven, maar in deze vorm moet ik haar ontraden.

De heer Van Nispen (SP):

Dan weet ik genoeg. Met deze uitleg ga ik overleggen met collega Van Dijk. Ik vermoed zomaar dat wij tot die gewijzigde motie zullen komen.

Staatssecretaris Harbers:

De motie-Van Dijk op stuk nr. 56 gaat ook over de discretionaire bevoegdheid, maar gaat in op iets wat ik in het debat al niet zo'n heel goed idee vond, namelijk om gelijk maar te gaan kijken met welke andere onderwerpen het verbonden kan worden. Al is het maar omdat verruiming van het kinderpardon niet in het regeerakkoord staat, ontraad ik deze motie.

De motie op stuk nr. 57 gaat over het VN-migratiepact en aanvullingen daarop dan wel aanpassingen daarin. Ik heb in het debat al uiteengezet dat de VN deze tekst voorlegt aan de lidstaten en dat er vanuit de VN geen andere mogelijkheden worden geboden. Om die reden ontraad ik deze motie. Ongetwijfeld zullen we daar bij het debat over het Global Compact nog over komen te spreken.

De heer Van Nispen (SP):

Er staat niet alleen "aanpassingen" maar ook "aanvullingen". Dat sluit de staatssecretaris dus ook uit, begrijp ik hieruit.

Staatssecretaris Harbers:

De VN legt één tekst voor aan alle VN-lidstaten.

De motie op stuk nr. 59 is van de heren Groothuizen, Van Ojik en Voordewind en gaat over een jaarlijkse rapportage. Ik onderschrijf het belang van rapporteren over mijn beleid. Ik vraag me af of dat moet in de vorm die de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken heeft voorgesteld. Er zijn al verschillende beleidsrapportages, die periodiek worden uitgebracht. Er is een beleidsoverzicht van het Europees Migratienetwerk. We hebben de Rapportage Vreemdelingenketen, die twee keer per jaar inzicht geeft in de instroom en uitstroom van migranten. In de SOPEMI-rapportage wordt de ontwikkeling van het gevoerde migratie- en integratiebeleid beschreven. En de WODC-publicatie Migratie in beeld biedt een overzicht van migratiestromen, maar ook van ontwikkelingen in beleid. Ik weet dus niet direct of een uitgebreide rapportage van de regering, waarin al die gegevens worden geïntegreerd en ontwikkelingen worden geduid, daaroverheen weer toegevoegde waarde heeft. Wat ik wel waardevol vind, is een jaarlijkse rapportage over de voortgang van de beleidsvoornemens uit de zes pijlers van de integrale migratieagenda van het kabinet, waarin ik dan op hoofdlijnen verantwoording afleg voor wat wel en niet gelukt is. In het dictum staat overigens wel "alle aspecten". Ik weet niet of dat dan op alle aspecten ingaat, maar wel op de relevante aspecten. Als dat tegemoetkomt aan de wens van de indiener, kan ik de motie met deze uitleg aan het oordeel van de Kamer laten.

De heer Groothuizen (D66):

De staatssecretaris mag de motie zo lezen. Het dictum vraagt inderdaad om een rapportage aan de hand van die pijlers. Ik snap dat "alle" misschien wat ruim is, dus ik ben bereid om dat woord eruit te schrappen. Ik zal de motie aanpassen.

Staatssecretaris Harbers:

Dank u wel.

De motie op stuk nr. 66 van de leden Voordewind c.s. vraagt mij om in specifieke situaties over te gaan tot herbeoordeling van asielverzoeken van bekeerlingen als de beoordeling niet heeft plaatsgevonden in lijn met de nieuwe werkinstructie. Ik wil hierbij onderstrepen dat ook voor bekeerlingen geldt dat als geen integrale beoordeling heeft plaatsgevonden, een aanvullend gehoor of besluit nodig kan zijn. Het gaat dan expliciet om situaties waarin geen sprake is geweest van een integrale beoordeling rekening houdend met aspecten zoals het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten die iemand in het kader van zijn geloof onderneemt. Dat staat inderdaad niet zo expliciet in de Kamerbrief die ik onlangs naar de Kamer heb gezonden. Dat neemt niet weg dat als het voorkomt dat in een geval zoals in de motie is genoemd geen integrale beoordeling heeft plaatsgevonden, een nieuwe beoordeling alsnog moet plaatsvinden. Ik laat het oordeel over deze motie dan ook aan uw Kamer.

Ik kom op de motie op stuk nr. 69 van de heren Van der Staaij en Bisschop. Daar ben ik in de schriftelijke beantwoording op ingegaan. Wat de beroepsfase betreft, schrijft de Dublinverordening voor dat in die fase rechtsbijstand verleend dient te worden indien de vreemdeling de kosten hiervoor niet zelf kan opbrengen. Alleen wanneer de bevoegde autoriteit of een rechterlijke instantie van mening is dat dat beroep geen reële kans van slagen heeft, hoeft er geen rechtsbijstand te worden verstrekt. Maar dan geldt weer dat indien wordt besloten om geen rechtsbijstand te verlenen, er wel weer een mogelijkheid geboden dient te worden om dit besluit aan te vechten bij de rechter. Dus zo'n maatregel zal niet direct leiden tot minder procedures.

Ik heb in mijn schriftelijke antwoorden aangegeven dat ik desalniettemin bereid ben om te onderzoeken of in bepaalde specifieke gevallen het opportuun kan zijn om geen rechtsbijstand te verlenen indien op voorhand al duidelijk is dat dat beroep geen reële kans van slagen heeft. Maar deze motie vraagt me om nog een stap verder te gaan. Dat lijkt me in deze fase niet verstandig. Daarom ontraad ik de motie. Maar ik wijs er tegelijkertijd tot slot ook nog op dat het voornemen in het regeerakkoord om rechtsbijstand pas te verstrekken nadat een voornemen tot afwijzing is gekomen, natuurlijk ook consequenties zal hebben voor deze specifieke groep. Dus ik vermoed dat we daar al in voldoende mate aan tegemoet gaan komen. Maar ik handhaaf het oordeel dat ik deze motie in deze vorm moet ontraden.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 70 gaat over hoorbare gebedsoproepen in ruimtes in asielzoekerscentra. Ik heb in de schriftelijke beantwoording al aangegeven dat het COA een politiek en religieus neutrale organisatie is en dat politieke en religieuze activiteiten die inbreuk plegen op de persoonlijke levenssfeer van anderen niet zijn toegestaan. Maar er is wel ruimte voor kleine persoonlijke vormen van religiositeit, zoals het vragen om stilte voor het eten of een gebedsoproep in de vorm van een app of een ringtone op een mobiele telefoon, mits die zacht afgespeeld wordt en geen overlast of hinder veroorzaakt voor anderen. In de handleiding die op alle azc's beschikbaar is, staat ook dat dat gehandhaafd moet worden. De handleiding zegt dat anderen daar geen aanstoot aan zouden moeten kunnen nemen. Dan vindt dus ook handhaving plaats.

Ik lees in de motie eigenlijk twijfel bij de indieners over de vraag of de praktijk wel conform die beschrijving is. Ik ben bereid om dit bij het COA nog eens na te gaan. Sterker, ik heb al wel signalen dat die handleiding gewoon wordt gehandhaafd. Maar ik ga dat nog een keer na; dat zeg ik u toe. Het moet inderdaad zo zijn dat zodra anderen ergens aanstoot aan nemen, COA-medewerkers met de handleiding in de hand kunnen ingrijpen. Daarmee lijkt deze motie me ook niet noodzakelijk. Daarom ontraad ik de motie.

De motie op stuk nr. 71 gaat wederom over het pact van Marrakesh. Dat is eigenlijk dezelfde motie als de motie op stuk nr. 57 van de heer Jasper van Dijk. Deze motie ontraad ik om dezelfde reden.

Daarmee heb ik alle moties op mijn terrein van een oordeel voorzien. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we ook aan het eind gekomen van de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid. Ik dank de Kamerleden, de bewindspersonen en de ambtenaren die het voorwerk hebben gedaan, de medewerkers van de Kamer en de mensen die dit debat via internet hebben gevolgd.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de moties zullen we dinsdag stemmen.