Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2017-2018
Vergaderingnummer 29
Datum vergadering 30 november 2017
Gepubliceerd op 28 december 2017 17:34

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier Toon alle items in vergadering



8 Begroting Justitie en Veiligheid 2018

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2018 ( 34775-VI ).

De voorzitter:

We gaan verder met de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

We hebben nog de antwoorden van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegoed. Vandaar dat hij nu het woord heeft.

Staatssecretaris Harbers:

Voorzitter. Ook van mijn kant dank aan de leden van de Kamer voor hun inbreng en hun vragen. Voordat ik toekom aan de beantwoording daarvan, waarbij ik straks zal vertellen in welke blokken ik dat ga doen, wil ik ook graag eerst in meer algemene zin nog iets zeggen over mijn portefeuille en mijn prioriteiten. Ook met inachtneming van het feit dat de heer Pechtold ons bij het debat over de regeringsverklaring heeft gevraagd om daarover iets meer uit de doeken te doen.

Ik begin met het onderdeel migratie en asiel van mijn portefeuille. Waar het gaat om migratie, zie ik drie hoofdlijnen. De eerste daarvan ligt op binnenlands terrein, namelijk zorgen voor een beheersbaar asielproces met een flexibel opvangmodel en een vlotte afhandeling van aanvragen, zodat mensen snel duidelijkheid krijgen, wellicht ook sneller dan in het verleden. Daarbij geldt dat wie kansrijk is om te mogen blijven, sneller aan de slag moet met integratieactiviteiten. Maar aan wie niet in aanmerking komt voor asiel, zouden we ook moeten proberen om sneller duidelijk te maken dat hij of zij Nederland moet verlaten en moet terugkeren. Dat laatste is ook van belang om draagvlak te behouden voor de opvang van mensen die een beroep doen op onze bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag of het EVRM. Aan dat draagvlak hecht ik zeer.

De tweede hoofdlijn is om binnen de Europese Unie te komen tot harmonisatie van de asielprocedures en de geboden opvang. Het ene land mag niet soepeler of aantrekkelijker zijn dan het andere. Met meer gelijke procedures en opvangfaciliteiten in alle EU-landen kunnen we het fenomeen asielshoppen effectief tegengaan, overigens zonder dat we moeten raken in een race to the bottom. Ik kom daar straks in mijn betoog verder op terug.

De derde hoofdlijn is ook internationaal, maar dan buiten de Europese Unie. Samen met de Europese Unielidstaten willen wij goede afspraken maken met verschillende landen waar migranten vandaan komen. Waar hebben we het dan over? Bijvoorbeeld over opvang in de regio en terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. Dan heb ik het niet alleen over mensen die geen recht hebben op asiel, want er zijn wel meer mensen die zouden moeten terugkeren. Ik denk ook aan het wegnemen van de grondoorzaken voor migratie, iets wat we natuurlijk al decennialang doen met ontwikkelingssamenwerking, ook zonder dat er overeenkomsten zijn gesloten.

Natuurlijk realiseer ik me dat onderhandelingen binnen Europa vervolgens ook betekenen dat we als Nederland niet op alle punten honderd procent ons gelijk zullen krijgen. Dat maakt het des te belangrijker dat we de verschillende voorstellen zien als één pakket en dat we goed nagaan hoe we het Nederlandse belang en de voornemens van het kabinet daarbinnen het beste kunnen waarmaken. Want deze drie hoofdlijnen hangen nauw met elkaar samen. Pakken die afspraken in internationaal verband goed uit, dan zal dat bijvoorbeeld ook leiden tot een lagere, beheersbare instroom, inclusief de afspraak dat we dan ook nadrukkelijker kijken naar hervestiging. Alle drie de lijnen hebben voor mij een hoge prioriteit, maar alleen de eerste, de binnenlandse opvang, hebben we voor een groot deel in eigen hand. In samenwerking met alle ketenpartners ga ik daarom snel aan de slag met het uitwerken van de plannen voor een flexibel asielsysteem. Ik kom daar later op terug.

Ik realiseer mij dat het migratiebeleid is vervat in heel veel gedetailleerde regels, maar uiteindelijk vaak toch in zijn beoordeling neerkomt op mensenwerk. Hoe kort ik ook in deze functie zit, wat ik tot nu toe heb gezien en gehoord sterkt mij in mijn overtuiging dat de medewerkers van alle bij het migratiebeleid betrokken diensten deze regels zo zorgvuldig mogelijk uitvoeren. Dat wil ik hier graag gezegd hebben.

Voorzitter. Daarmee wil ik overgaan tot de beantwoording van de vragen en een reactie op de inbreng van de Kamer. Ik zou dat willen doen in de volgende blokken.

Ik begin met alles wat met internationale zaken te maken heeft. Ik heb het dan over de samenwerking met andere leden van het kabinet, migratieafspraken, Libië en het voorstel voor weeshuizen. Daarna kom ik bij de Europese Unie, waarbij vragen zijn gesteld over de Turkijeverklaring, over de situatie in Griekenland en over de 1.750 hervestigingspersonen. Dan het nationale blok, waarbij het gaat om zaken als flexibele opvang, inclusief het plan dat de SP daarvoor heeft ingediend, koppen op de Europese regelgeving, het terugkeerbeleid naar Afghanistan en Syrië, de beoordeling op grond van artikel 1F van Syriërs, de beoordelingen van lhbti's en bekeerlingen, het kinderpardon en economische migratie. Voorzitter, daarna — dat heb ik overgeslagen in mijn inleiding maar ik kom daar straks nog op terug bij mijn voornemens — kom ik aan dat andere onderwerp in mijn portefeuille: mensenhandel en prostitutie. Dat behandel ik als laatste blok.

Voorzitter. Ik begin dan aan het onderdeel internationaal. Mij is in de eerste plaats gevraagd, onder anderen door de heer Azmani, maar ook door de heer Van Dijk en ik meen dat ook de heer Bisschop daaraan refereerde, hoe ik niet alleen mijn rol maar ook de samenwerking binnen het kabinet zie, met andere betrokken ministers. Laat ik in de eerste plaats zeggen dat wij het migratiebeleid niet kunnen vormgeven als wij niet in de breedte van het kabinet goed samenwerken. Dat zien we letterlijk vandaag, waar een aantal collega's uit het kabinet aanwezig is bij de top tussen de Europese Unie en de Afrikaanse Unie. Het betekent nauwe samenwerking met de collega's op Buitenlandse Zaken en op Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Maar ook als mensen kansrijk zijn en uiteindelijk gaan integreren in Nederland, moeten we ervoor zorgen dat de integratie sneller plaatsvindt. Dan kom ik op de samenwerking met bijvoorbeeld de collega's op de departementen van SZW en OCW. Vervolgens kun je kijken naar de uitwerking van hoe we die afspraken gaan maken. Dan zal heel duidelijk zijn dat zaken als opvang in de regio, ontwikkelingssamenwerking en het aanpakken van grondoorzaken van migratie vooral de verantwoordelijkheid zijn van de collega's op BuHa-OS en Buitenlandse Zaken, de ministers Kaag en Zijlstra. Ik heb het voornemen om intensief met hen te gaan samenwerken. Samen gaan we ook kijken naar bijvoorbeeld de bepaling van focuslanden buiten de Europese Unie in de komende periode. Daarbij willen we nadrukkelijker gaan kijken naar de grondoorzaak van migratie waarbij we ook nadrukkelijker willen kijken hoe we zaken op het gebied van ontwikkelingssamenwerking erbij kunnen betrekken.

Een specifiek aspect van het internationale deel van de portefeuille is het voornemen van het kabinet om in te zetten op meer partnerschappen en afspraken met landen buiten de Europese Unie waar het gaat over de migratie. We hebben op dit moment één afspraak die werkt, namelijk de afspraak tussen de Europese Unie en Turkije. Daar kom ik straks in het blok Europese Unie nog op terug. Natuurlijk is er al langer sprake van inzet op brede partnerschappen met derde landen. Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan het verbeteren van opvang in de regio, het wegnemen van de grondoorzaken van migratie en de aanpak van mensensmokkel en terugkeer. We willen ook in deze periode de mogelijkheden gaan verkennen tot afspraken voor een veilige opvang en bescherming in de regio, al is het maar omdat dat een risicovolle tocht door de woestijn en overzee kan voorkomen en het bovendien het bedrijfsmodel ondermijnt van meedogenloze mensensmokkelaars. Laat ik helder zijn, het is daarbij van belang, zoals ook verwoord in het regeerakkoord, dat als we tot die afspraken komen, die landen mee willen werken en migranten er veilig zijn, dat vluchtelingen daar geen slachtoffer worden van refoulement en we ze dus niet terugsturen naar landen van herkomst waar zij te vrezen hebben voor vervolging. Ook moeten we waarborgen, als het tot dergelijke afspraken komt, dat vluchtelingen een asielverzoek kunnen indienen bij een bevoegde autoriteit. Dat kunnen autoriteiten van het land zijn, maar ook de UNHCR.

Wereldwijd zien we overigens dat het merendeel van de vluchtelingen zijn toevlucht zoekt in de nabije regio. Het is daarom sowieso zaak om de situatie in die opvanglanden in de regio te verbeteren. Dat doen we overigens ook. Met hulp en druk van de Europese Unie hebben wij bijvoorbeeld de arbeidsmarkt voor Syrische vluchtelingen in Turkije meer weten te openen. Ook krijgen meer dan 1 miljoen vluchtelingen in Turkije een maandelijks tegoed om zelf in hun bestaan te voorzien. We zien overigens ook dat meer en meer gestrande migranten vrijwillig terugkeren uit landen als Niger en Libië. Het is belangrijk om deze inzet te blijven steunen. Wij zullen dat als kabinet blijven uitdragen. Wij zullen ons ervoor inzetten en eraan bijdragen dat we bij voorkeur onder de vlag van de Europese Unie — dat is het podium daarvoor — komen tot meer afspraken met veilige derde landen buiten de Europese Unie.

Er is mij gisteren ook gevraagd om een oordeel te geven over de situatie in Libië. Laat ik maar meteen heel helder maken — de minister van Buitenlandse Zaken heeft dat overigens al gedaan bij de behandeling van zijn begroting — dat Libië, gelet op de op onderdelen ook mensonterende situatie daar, zich op dit moment niet kwalificeert voor een afspraak zoals de Europese Unie bijvoorbeeld met Turkije heeft gemaakt. Ik heb net als de Kamer kennisgenomen van verschrikkelijke beelden van — ik kan het niet anders noemen — slavenhandel in Libië. Die beelden komen hard aan, ook in andere landen, ook in landen van herkomst. Een aantal van die landen heeft zich naar aanleiding daarvan bereid getoond om zich meer in te spannen om eigen onderdanen terug te halen. Tegelijkertijd probeert Nederland met de Europese Commissie en met andere partners in de internationale gemeenschap om bij de Libische autoriteiten om opheldering te vragen en te eisen dat men maatregelen hiertegen neemt. We steunen bijvoorbeeld samen met de Europese Unie al langere tijd de UNHCR om omstandigheden, registratie, toegang tot medische zorg en voedselvoorzieningen in de centra in Libië te verbeteren.

Vanuit de Kamer komt ook de vraag op: moeten we dan nog wel vanuit de Europese Unie ook samenwerking zoeken met de Libische kustwacht, moeten we hen blijven ondersteunen en trainen? Ik kan mij het ongemak voorstellen als je aan de ene kant de situatie in Libië ziet en aan de andere kant ziet dat we wel ondersteuning geven aan de kustwacht. Tegelijkertijd merk ik op dat de kustwacht, die we proberen te verbeteren, onderdeel is van de Libische staat in opbouw. De kustwacht is aanwezig op zee. Het allerbelangrijkste wat wij willen, is dat als mensen dreigen te verdrinken op zee, er in ieder geval een schip is dat hen kan redden. Ook daarvoor is de Libische kustwacht aanwezig, die overigens ook andere taken heeft: het tegengaan van wapensmokkel en mensensmokkel. Ik vind het toch goed dat wij blijven proberen om de Libische kustwacht te verbeteren.

De voorzitter:

Was u klaar met dit onderdeel?

Staatssecretaris Harbers:

Ja, voorzitter.

De voorzitter:

Ja? De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik deel die opvatting van de staatssecretaris. De situatie in Libië is afschuwelijk. Wij hebben de beelden gezien van slavenhandel. Niemand wil dat. Dat lijkt mij helder. Ik vind het ook goed om hier vast te stellen dat als het kabinet deals gaat maken met landen in Afrika, ze dan moeten voldoen aan internationale standaarden, mensenrechten en het Vluchtelingenverdrag. Sluit de staatssecretaris uit dat de Europese Unie op dit moment vluchtelingen terugstuurt naar Libië?

Staatssecretaris Harbers:

Bij mijn weten stuurt de Europese Unie op dit moment geen mensen terug naar Libië, integendeel. Sluit ik het voor de toekomst uit? Voor mij is dat inherent verbonden aan de situatie in het land, zoals ik net heb aangegeven. Dat geldt straks voor tal van andere landen. Voor het kabinet is essentieel dat we een aantal waarborgen hebben op het moment dat we vanuit Nederland en/of de Europese Unie acteren. Wij willen er vooral op toezien dat die waarborgen worden nagekomen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het zinnetje "bij mijn weten" is natuurlijk interessant.

Staatssecretaris Harbers:

Niet zo bedoeld!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Daarmee impliceert de staatssecretaris dat hij het niet zeker weet. Het punt zit 'm natuurlijk in de kustwacht. De staatssecretaris geeft terecht aan: we willen de kustwacht zo goed mogelijk trainen met allerlei prachtige normen en standaarden. Het punt is dat die kustwacht — wij zien de beelden, we horen de berichten — nog wel meer doet. Wij geven geld aan die kustwacht. En die kustwacht opereert ook buiten de territoriale wateren. Er worden volgens mij dan dus wel degelijk vluchtelingen teruggestuurd naar Libië mét steun van de Europese Unie. Erkent de staatssecretaris dat? Is hij bereid om er nog eens heel goed over na te denken of dat wel juist is?

Staatssecretaris Harbers:

Dit is wel een soort tweetrapsraket qua gevolgtrekking. De Libische kustwacht opereert onder het mandaat van een Libische regering en dat is al ingewikkeld genoeg, want het is soms al onduidelijk wie dat precies is. Maar dat betekent nog niet automatisch dat ze onder het mandaat van de Europese Unie opereren als ze bijvoorbeeld buiten de territoriale wateren opereren. Ik denk dat we die scheiding goed in de gaten moeten blijven houden.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Het gaat inderdaad misschien niet zozeer om de vraag of het onder het mandaat van de Europese Unie gebeurt, maar het is een feit dat de Libische kustwacht mensen terugstuurt naar Libië, die vervolgens op een slavenmarkt of in een detentiecentrum kunnen eindigen. Dat geldt voor bijna 100% van de teruggebrachte vluchtelingen. De Europese Unie en Nederland steunen de Libische kustwacht. De staatssecretaris zegt dat hij het ongemak voelt. Dat is al heel wat, maar ik zou hem nu willen vragen wat we doen met dat ongemak. Gaan we gewoon door met die kustwacht steunen, zodat er mensen naar Libië kunnen worden teruggebracht, zodat ze kunnen eindigen in een detentiecentrum? Of gaan we daar paal en perk aan stellen?

Staatssecretaris Harbers:

Dan herhaal ik wat ik zojuist heb gezegd. Natuurlijk spreken wij vanuit Nederland en vooral vanuit de Europese Unie de Libische autoriteiten aan om een einde te maken aan deze mensonterende toestanden. Dat laat onverlet dat ik het niet goed vind om zomaar in te grijpen in de Libische wateren, waar de Libische kustwacht opereert, en dat vervolgens vanuit de Europese Unie over te nemen. Als je dat doet vanuit de Europese Unie, dan moet er ook de garantie zijn dat we alle zaken die wij belangrijk vinden, kunnen waarborgen. Dat is op dit moment in Libië, lijkt mij, niet het geval.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dan is er sprake van een misverstand. Wij grijpen nu in in de Libische territoriale wateren, doordat wij 1,5 miljoen euro Nederlands geld aan de Libische kustwacht geven. Wij zijn daar nu een speler. Wij delen het ongemak daarover op het moment dat daar zaken gebeuren waarvan we zeggen: daar willen we niets mee te maken hebben. Dat hebben wij met elkaar gemeen. Dus het is niet zo dat ik bepleit dat we daar gaan ingrijpen. Ik bepleit juist dat we ons er niet meer mee gaan bemoeien, tenminste, dat we ons er wel mee bemoeien, maar dat we niet meer de operaties van deze kustwacht financieren, die dus tot zo desastreuse gevolgen leiden voor de vluchtelingen in kwestie.

Staatssecretaris Harbers:

Ik vermoed dat de heer Van Ojik en ik dicht bij elkaar staan. Dat het ongemakkelijk is, dat voelt de heer Van Ojik, dat voel ik, dat voelt, denk ik, iedereen in deze Kamer. De vraag is vervolgens welke conclusie je daaraan verbindt. Ik zou eigenlijk niet de weg op willen gaan om dan maar niet langer vanuit de Europese Unie die kustwacht nog steunen, al is het maar omdat die kustwacht wel opereert en aanwezig is in die wateren, en in een aantal gevallen ook het eerste schip en het enige schip is dat er dicht bij is op het moment dat er mensen dreigen te verdrinken. Volgens mij gaat het er in de basis dan ook om dat we in ieder geval waarborgen dat er hulp en redding voor drenkelingen aanwezig is. Dat is ongemakkelijk, maar ik zou niet direct de conclusie daaraan willen verbinden die de heer Ojik van mij vraagt.

Voorzitter. Als het gaat om een andere oplossing voor internationale migratiestromen, deed de heer Azmani de suggestie om nog eens te kijken of er ook nog opvangvoorzieningen in landen van herkomst gerealiseerd kunnen worden, met name voor amv's, dus voor minderjarige vreemdelingen. Op zichzelf deel ik die suggestie, maar dat betekent nog niet dat het daarmee ook makkelijk te realiseren is. Er zijn ook in het verleden pogingen geweest om in een aantal landen dergelijke voorzieningen te realiseren. Op dit moment worden er ook weer gesprekken gevoerd tussen Europese landen om te kijken of dat op diverse locaties kan. Er was een plan voor een opvanglocatie in Afghanistan. Daarin had met name Noorwegen het voortouw, maar dat is door gebrek aan medewerking gestopt. Ik neem graag de suggestie over om in de komende tijd, met name in Europees verband, te kijken of er meer landen zijn waarvoor het opstarten van gesprekken over het realiseren van opvanghuizen opportuun is. Voor de vraag of dit opportuun is, is ook de omvang van de instroom uit de verschillende herkomstlanden van belang alsmede de terugkeermogelijkheden.

Voorzitter. Wat gebeurt er op het gebied van de Europese Unie? Ik noemde dat net al in mijn inleiding. In de Europese Unie ligt als sinds 2016 een aantal voorstellen op tafel om het Gemeenschappelijk Europees Asielsysteem te herzien en te bekijken hoe we dat beter kunnen harmoniseren. Gisteren is mij door een aantal Kamerleden gevraagd om daar druk op te zetten. Dat ben ik zeker van plan. Ik denk dat we daar volgende week in het algemeen overleg ter voorbereiding op de eerste JBZ-Raad waar ik naartoe ga, verder over komen te spreken. Dat zal niet altijd eenvoudig zijn. Al is het maar omdat dit bij uitstek een vraagstuk is waarbij een aantal lidstaten heel uiteenlopende belangen heeft. Om die reden zet dit kabinet voort wat het vorige kabinet twee jaar geleden al als standpunt heeft ingenomen, namelijk om de verschillende voorstellen vooral als één geheel en één pakket te zien, zodat het geen cherrypicking kan worden tussen de ene en de andere lidstaat. Als het totaal op tafel ligt, dan moet dat ook een verbetering zijn voor Nederland. We hebben er niets aan als een voornemen om de procedures in Europa meer te harmoniseren uiteindelijk in het eindvoorstel verder uit beeld verdwijnt.

Voorzitter. Ik noemde net al een van de zaken die de Europese Unie heeft afgesproken, namelijk de afspraak met Turkije. Dat riep gisteren bij een aantal Kamerleden, onder anderen bij de heer Groothuizen en de heer Voordewind, de vraag op hoe we aankijken tegen de situatie op de eilanden in Griekenland. Daar bevindt zich de poort naar Europa als het gaat om de afspraken met Turkije. Ik heb daar ook schriftelijk al het een en ander over gezegd. Ik deel de zorg die de Kamer heeft. De situatie in een aantal van de opvangvoorzieningen op de eilanden is verre van toereikend, zeker met de winter in aantocht. Tegelijkertijd speelt de vraag hoe we dat kunnen oplossen. Vanuit de lidstaten van de Europese Unie doen we al het nodige. We staan financieel bij met grote sommen geld en de Europese Commissie monitort de omstandigheden ter plekke. Het is ook aan de Europese Commissie om zo nodig op te treden tegen Griekenland en om aanwijzingen te geven hoe het beter kan.

We gaan verder. Vanuit vele lidstaten, ook vanuit Nederland, zijn tal van deskundigen gestationeerd in Griekenland om te helpen, bijvoorbeeld met de registratie en de asielprocedure. Het is niet altijd een kwestie van geld. Integendeel, we zien dat een deel van het geld dat de Europese Unie heeft gereserveerd om bijvoorbeeld de opvangvoorzieningen in Griekenland te verbeteren, niet wordt benut. Ook daarbij hebben we vanuit Nederland ambtelijke bijstand verleend om Griekenland in ieder geval bij te staan in de vraag hoe het de fondsen uit Brussel in Griekenland kan krijgen, zodat het geld daar ook besteed kan worden.

Maar een verantwoordelijkheid kunnen we niet overnemen, noch in de Europese Unie, noch in Nederland, en dat is de soevereine verantwoordelijkheid van Griekeland voor de eigen asielprocedures. Ondanks alle hulp die vanuit andere landen wordt geboden, moeten de Griekse autoriteiten uiteindelijk beslissen of een asielverzoek al dan niet wordt ingewilligd en precies op dat onderdeel ontstaat heel vaak vertraging. Daar rest ons niet anders dan iedere keer de Griekse regering op haar verantwoordelijkheid te wijzen om ook dat deel van de afspraken na te komen. Datzelfde geldt bij afspraken die al gemaakt zijn, bijvoorbeeld over de terugkeer van mensen die op de eilanden aankomen en terug zouden moeten naar Turkije. Ook dat gebeurt in mindere mate dan de verklaring toelaat. Hetzelfde geldt voor het vestigen van of opvang bieden aan mensen die op de eilanden aankomen en naar het vasteland worden gehaald. Ook daar gaat Griekenland waarschijnlijk in grotere mate mee om dan aanvankelijk de bedoeling was in de afspraken. Het is voor de Griekse autoriteiten en voor de Griekse overheid wellicht ook nog wennen dat Griekenland met al deze afspraken geen transitland meer is. Daar hadden ze zich traditioneel op ingesteld. Maar we blijven aanwezig in de Europese Raden en op het Europese toneel om de Griekse autoriteiten aan te sporen om ook dit deel van de afspraken na te komen en er daarmee ook voor te zorgen dat de afspraak met Turkije nog beter gaat werken.

Voorzitter. Bij het Europese deel hebben een aantal fracties mij gisteren ook nog vragen gesteld over de hervestiging van 1.750 mensen in de periode vanaf januari 2018 tot oktober 2019. De heer Fritsma wilde het niet. De heer Voordewind had er vragen over. De vraag was onder andere hoe dat getal precies is opgebouwd. Laten we even teruggaan naar de basis van het verzoek van de Europese Unie. Net als in de afgelopen jaren heeft de Europese Unie periodiek aan de lidstaten gevraagd wat hun voornemens zijn om mensen te hervestigen in de komende periode. Hoewel het over mensen gaat, is het banale dan altijd dat het voor de Europese Unie vervolgens ook een financiële kwestie is. De Europese Unie heeft fondsen beschikbaar om te helpen bij de hervestiging van mensen, en wil ook van de lidstaten weten waar en in welke aantallen de komende jaren hervestiging plaatsvindt en welk beroep lidstaten dus ook doen op dat fonds. De Europese Commissie heeft in de breedte gevraagd wat de voornemens van de lidstaten zijn, zowel met betrekking tot hervestiging op grond van de afspraak met Turkije als met betrekking tot alle andere vormen van hervestiging uit Afrika, ook onder de vlag van de UNHCR.

Naast de nationale afspraken om te hervestigen op basis van voordrachten van de UNHCR — dat was altijd 500 personen per jaar; indachtig het nieuwe regeerakkoord wordt dat 750 personen — hebben wij aan de Europese Unie aangegeven dat we in de betrokken periode in ieder geval aanspraak maken op financiering voor 1.250 personen op basis van de nationale UNHCR-afspraak. Het gaat om 750 personen in 2018 en 500 personen in 2019. Daarbij hebben we meegenomen dat de vraag van de Europese Unie niet over heel 2019 gaat. Het leek me dus ook niet goed om het volledige aantal van 750 aan te geven, omdat er in de laatste maanden van 2019 ongetwijfeld weer een nieuwe uitvraag is. Dit vullen we in zoals we dat altijd deden bij de UNHCR. Dat betekent dat mensen die op die basis worden hervestigd uit een brede variëteit van landen komen. De laatste tijd komen er veel mensen uit kampen in Jordanië en Libanon, maar ook uit Afrika. Er loopt ook een hervestigingsmissie met Uganda. Daarin zit ook altijd ruimte om in spoedeisende zaken, voorgedragen door de UNHCR, mensen op individuele basis te hervestigen in Nederland. Dat betekent dus ook dat we op voorhand niet precies kunnen zeggen waar de mensen vandaan komen. Dat doen we volgens de afspraken die we ook in de afgelopen jaren hadden.

Daarnaast hebben we aan de Europese Unie aangegeven dat er één werkende afspraak is die op dit moment leidt tot minder instroom in de Europese Unie, en daarmee voor ons ook tot meer mogelijkheden voor hervestiging. Dat is de afspraak met Turkije. Op die basis willen we in de periode van januari 2018 tot oktober 2019 in ieder geval 1.750 personen naar Nederland halen, omdat die afspraak doet wat we hadden afgesproken, namelijk tot minder instroom leiden. Nu moeten we naar de Europese Unie toe nog iets preciezer zijn over de vraag waar die mensen vandaan komen, want zij proberen ook te plannen. We hebben daarbij ook de mogelijkheid gelaten om een deel van die 1.750, mocht het tot afspraken komen over de Centraal-Mediterrane route, in te vullen met hervestiging op die route, zo de UNHCR en de Europese Unie dat nodig vinden. Los daarvan staat er in het regeerakkoord nog de afspraak dat, als er meer afspraken komen die aantoonbaar tot minder instroom leiden, wij naar rato meer aan hervestiging zullen doen. Dat zou in de toekomst het geval kunnen zijn. Het kabinet is daar ook toe bereid, maar dan moeten er wel eerst dat soort afspraken zijn. Zover is het op dit moment nog niet.

Wat daarbuiten valt, is de laatste vorm van hervestiging die we in de afgelopen twee jaar hebben gekend: de relocatie uit opvangvoorzieningen in Italië en Griekenland. Daarvoor waren er afspraken die tot eind september van dit jaar liepen. Die zijn daarmee als het ware ingevuld, zij het dat er nog een aantal mensen al voor 26 september aankwamen in Italië en Griekenland, met name in Italië, en pas later zijn geregistreerd. Die vallen nog onder de afspraken die we toen hebben gemaakt. Het kabinet heeft dus aangegeven dat we de komende maanden nog 150 mensen uit die groep naar Nederland halen, omdat ze ten tijde van de werkende besluiten al in Italië waren. Dat is ook ongeveer ons fair share, dat wij altijd van deze hervestigingsmissies nemen.

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb hier ook in mijn bijdrage naar gevraagd. Even voor mijn begrip: begrijp ik het nu goed dat dat aantal van 1.750 hervestigingen de focus in principe heeft op de deal die de EU met Turkije heeft, maar dat vanuit Nederland aangegeven is dat er, als met andere landen een soortgelijke afspraak wordt gemaakt, ook ruimte blijft om via de EU of via de UNHCR een deel in Nederland op te nemen in plaats van de vluchtelingen die via Turkije binnenkomen?

Staatssecretaris Harbers:

Ja, en dat hebben we vooral gedaan om ons zo flexibel mogelijk op te stellen richting de Europese Commissie, want die probeert voor de komende jaren ook aan planning te doen: welke lidstaat neemt welke personen uit welke landen over? Wij hebben tegen de Europese Commissie gezegd: als er een afspraak komt met andere landen, zijn wij ook bereid om een deel van die 1.750 te hervestigen uit andere landen. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn — maar ik zeg niet dat dat uitsluitend is — dat er in de tussentijd in Turkije niet meer voldoende mensen zijn om te hervestigen. Dan is in ieder geval ook ons voornemen om ze, als er een afspraak is met andere landen, daarvandaan te halen. Dat laat onverlet dat we, als er nog meer afspraken komen die leiden tot minder instroom, ook aanvullend nog hervestiging kunnen doen, want dat staat ook in het regeerakkoord.

De heer Bisschop (SGP):

Ik denk dat dit verhelderend is. Dank.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Harbers:

Mevrouw Van Toorenburg vroeg nog naar de vreemdelingendetentie: wat zou er op dat gebied nog verder aangescherpt moeten worden in de Europese regelgeving? Ik denk dat we daar de komende tijd nog vaak over komen te spreken. Het betreft wat ons betreft in ieder geval het verruimen van bijvoorbeeld detentiemogelijkheden van Dublinclaimanten teneinde ook secundaire migratie verder te ontmoedigen. Dat gaat dus over de Dublinverordening, die ook in bespreking is in Europa. Hierbij geldt overigens de kanttekening dat in Europa resultaat eerst moet worden geboekt met andere lidstaten en vervolgens ook nog in onderhandeling met het Europees Parlement. Ik weet dus niet op voorhand of 100% van deze inzet rond komt, maar het is wel de inzet van de Nederlandse regering.

Ik breng overigens ook in herinnering dat bij uw Kamer een wetsvoorstel aanhangig is op het gebied van terugkeer en bewaring om vreemdelingendetentie ook nationaal nog verder in te gaan vullen. Ik kijk ernaar uit wanneer we dat gaan behandelen, maar ik begrijp dat dat bij de Kamer in behandeling is.

Voorzitter. Daarmee ben ik gekomen bij het nationale deel van mijn portefeuille. Dat begint in de eerste plaats bij het voornemen in het regeerakkoord om te komen tot een meer flexibel asielproces en opvangsysteem. Momenteel zijn we bezig met het starten van dat programma. De aanleiding is ook wat we in de afgelopen twee jaar hebben gezien, met name tijdens de hoge instroom in 2015 en 2016. Toen is de keten tot het maximale beproefd. Dat heeft bij alle ketenpartners, bij de IND, het COA en de Dienst Terugkeer en Vertrek, geleid tot een aantal lessen. Men zei: we moeten toch nog eens even heel goed kijken hoe we het georganiseerd hebben en of we met het oog op de toekomst nog wat meer flexibiliteit kunnen inbouwen, voor als de instroom op enig moment onverhoopt hoger zal zijn. Momenteel hebben we daarvoor een breed programma gestart. In het kader van dat programma zullen de verschillende opties worden uitgewerkt, in overleg met de IND, het COA en de provincies en gemeenten. Doel daarbij is altijd om schommelingen in de asielstroom beter te kunnen opvangen, met name in de asielopvang. Het COA zal daarom in de komende tijd opties gaan uitwerken voor flexibele opvangcapaciteit. Die kunnen van nut zijn bij de selectie van opvangplekken en bij afspraken met de gemeenten.

Ik zeg erbij dat ik zomaar het vermoeden heb dat, als we tot in alle details alles in de laatste fase gerealiseerd willen hebben, we gedurende deze hele kabinetsperiode met elkaar over dit onderwerp zullen spreken, al is het maar omdat je grootschalige opvangvoorzieningen, waar het eerste deel van het proces zich afspeelt, niet van de ene op de andere dag gerealiseerd hebt. Die zullen dus in verschillende fases geopend gaan worden. En dan is er nog de logistiek die erbij komt kijken om rond zo'n grootschalige voorziening veel meer kleinschalige voorzieningen te hebben. Daarnaast hebben we ons het doel gesteld om verhuisbewegingen zo veel mogelijk te beperken. Dus iemand die kansrijk is en uiteindelijk een vergunning krijgt, komt zo snel mogelijk in een kleinschaligere voorziening, het liefst in de regio waar gelet op zijn of haar achtergrond in de toekomst ook nog een integratie- en baankans is. Dat kost af en toe nog wel even wat logistieke hoofdbrekens, maar we gaan ermee aan de slag. En overigens zullen we niet met de implementatie wachten tot het hele plan in al zijn details klaar is, want iedere stap die je kunt zetten, elk onderdeel waarmee je al aan de slag kunt is mooi meegenomen. Dat moeten we vooral doen.

Daarmee reageer ik eigenlijk ook gelijk op het plan dat de fractie van de SP bij monde van de heer Van Dijk indiende. Hij gaf aan: je moet een wat meer flexibele buffer hebben. Dat is een van de oogmerken die we hebben met het plan voor flexibele opvang. We komen in dat plan ook met een uitwerking van wat we verstaan onder "meer kleinschalige voorzieningen". Ik verwacht in het voorjaar het hele plan van aanpak gereed te hebben. Dan kom ik daar vanzelfsprekend mee naar de Kamer.

Mevrouw Van Toorenburg kwam met de vraag hoe je procedures dan verder kunt stroomlijnen. Ik herinner me dat ook de heer Bisschop daar een vraag over had. Ook hiervoor geldt: aan de ene kant kijken naar procedures, wat we deels op het Europese toneel doen, en aan de andere kant ook kijken hoe we die in de praktijk toepassen. Ook wat dat betreft hebben de ketenpartners in de afgelopen paar jaar soms ideeën gekregen over hoe zaken nog efficiënter op elkaar kunnen aansluiten, over hoe het proces nog gestroomlijnder kan. Dat gaan we allemaal een plek geven in dit plan.

Onderdeel van de binnenlandse opvang is ook het voornemen in het regeerakkoord om drie koppen die we nu nog hebben op Europese regelgeving, te schrappen. Dat betekent: geen rechtsbijstand bij het eerste gehoor, geen gehoor bij een herhaalde aanvraag en bekijken of de tijdelijke vergunning van vijf naar drie jaar kan. Ook die voornemens ga ik uitwerken. Ik verwacht daar in de eerste helft van komend jaar bij u op terug te komen. De heer Voordewind vroeg daarbij onder andere: als de rechtsbijstand bij het eerste gehoor vervalt, wat betekent dat dan voor de voorbereiding van de asielzoeker op zijn procedure? Hij deed daarbij onder andere de suggestie om ook te kijken naar de rol die Vluchtelingenwerk Nederland op dit moment daarbij vervult. Zonder al op de precieze details in te gaan — die wil ik betrekken bij het uitwerken van dit voorstel — kan ik de Kamer wel toezeggen dat we natuurlijk naar dat soort aspecten gaan kijken. Hoe zit de procedure nu in elkaar? Hoe wordt het straks, als de rechtsbijstand bij het eerste gehoor vervalt? En wat moeten we dan nog aan waarborgen aanbrengen in de procedure om ervoor te zorgen dat de asielzoeker goed voorbereid aan zijn procedure begint? Daarbij zal ik ook betrekken de rol die vrijwilligersorganisaties nu al spelen en de rol die ze in de toekomst zouden kunnen spelen. Ik stel voor dat ik dat aan de Kamer meedeel op het moment dat het hele voorstel klaar is.

De heer Groothuizen (D66):

Het klinkt verstandig om er zo naar te kijken. Los van de informatievoorziening aan de voorkant, zie ik in de achtdaagse procedure die we met elkaar hebben ingericht ook een punt in de periode tussen het voornemen dat wordt geuit en de tijd die je hebt voor het indienen van de zienswijze. Die kan onder omstandigheden krap zijn. Is de staatssecretaris ook bereid om daarnaar te kijken?

Staatssecretaris Harbers:

Ja, daar ga ik dan ook naar kijken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Harbers:

Onderdeel van het …

De voorzitter:

De heer Bisschop.

De heer Bisschop (SGP):

Nog één kleine vraag. Ik heb ook gevraagd naar de rol van de adviezen of rapporten vanuit kerkelijke organen of personen bij het nemen van beslissingen. In de schriftelijke beantwoording, waarvoor overigens dank, is een keurige procesbeschrijving gegeven van hoe het nu gaat. Maar mijn vraag is of die adviezen op een andere wijze kunnen worden meegewogen en meer als een deskundigenrapport kunnen worden betrokken bij de afweging.

Staatssecretaris Harbers:

Ik had het onderdeel van het tot stand komen van beoordelingen van homo's, lesbo's, biseksuelen, transgenders en bekeerlingen voor straks bewaard, maar ik zal het naar voren halen. Dan kan ik de vraag van de heer Bisschop gelijk beantwoorden.

De voorzitter:

Dat lijkt me prima.

Staatssecretaris Harbers:

Oké, dan …

De voorzitter:

Mevrouw Kuiken.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Sorry, voorzitter. Ik zat nog even te kauwen op de hele rechtsbijstand, het schrappen en het "je komt maar weer terug op het moment dat het misgaat". Ik heb daar mijn aarzelingen bij, juist omdat we er in de vorige periode ook naar hebben gekeken en daarvoor een specifieke groep hebben ingezet. Stel dat iemand teruggestuurd wordt na stap één en dus toch rechtsbijstand moet hebben, omdat hij is afgewezen. Hoe waarborg je dan dat er iemand met schone ogen naar het nieuwe dossier kijkt? Dat vraagt ook administratief het nodige. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om dat specifiek mee te nemen in het uitleggen van hoe het er praktisch uitziet.

Staatssecretaris Harbers:

We gaan een voorstel maken en daar horen al deze aspecten bij. Dat beoogde ik ook toen ik zojuist zei dat we dan nog wel even moeten kijken naar waarborgen in de hele procedure. Daar ga ik dus naar kijken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Harbers:

Ik kom op het onderwerp beoordelingen, en met name beoordelingen in het proces van bekeerlingen en lhbti's van datgene wat innerlijk, dus van binnen zit. Lukt het de bevoegde instanties, zoals de IND, altijd om dat op een goede manier een plek te geven in de uiteindelijke beoordeling? Ik geef toe dat ik vooral uiteen heb gezet hoe dat op dit moment geregeld is. De heer Bisschop zei dat al. Het is een van de vragen die ik zelf ook had over deze portefeuille toen ik aantrad. Als basis is het goed om vast te stellen dat het echt wel zorgvuldig gaat. Ook in de afgelopen jaren zijn zowel lhbti-belangengroeperingen als het COC betrokken geweest. Zij hebben in het verleden ook trainingen verzorgd. Bij de andere groep, bekeerlingen, christenen, spelen vaak ook kerken een rol. Die kunnen inderdaad ook met rapporten komen. Maar ik heb de vraag van de Kamer wel begrepen. Hoewel ik vind dat het zorgvuldig gebeurt, kunnen we natuurlijk altijd kijken of er verbetering mogelijk is. De tijd staat ook niet stil. Soms zijn er nieuwe ontwikkelingen.

Als de Kamer dat wenst, sta ik ervoor open om nog eens goed te kijken naar de procedure. Ik meen de Kamer gisteren in eerste termijn zo wel een beetje begrepen te hebben. Ik ben bereid om te kijken hoe we die kunnen verbeteren. Daarbij kan ik de Kamer ook melden dat vanwege de actualiteit van het onderwerp ook het WODC zich al had voorgenomen om daar volgend jaar onderzoek naar te doen. Als daar aanbevelingen uit komen, zal ik daar ook nog naar kijken. Maar dat onderzoek moet nog opgestart worden, dus het is zeker niet begin komend jaar klaar. Ik zal kijken of we aan de hand daarvan nog iets moeten verbeteren in het proces. Het is overigens ook niet zo dat verklaringen vanuit bijvoorbeeld de kerkelijke wereld geen rol spelen in het proces. Die indruk wil ik wel wegnemen. Die verklaringen worden wel degelijk meegewogen, maar er is uiteindelijk één instantie — en dat is de IND — die als enige beslisbevoegd is en uiteindelijk als enige een oordeel geeft over de geloofwaardigheid van het volledige asielrelaas. Dat leidt al dan niet tot inwilliging van de aanvraag. Maar zoals gezegd: we zullen kijken naar verbeteringen daarin. Maar ik stel vast dat dit over het algemeen al in alle zorgvuldigheid gebeurt.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank voor deze toezegging om naar verbeteringen te kijken. Ik begrijp uit de schriftelijke antwoorden dat organisaties die zich hiermee bezighouden, zoals de commissie-Plaisier en mogelijk ook het COC, hierbij actief betrokken worden. Kan de staatssecretaris dat bevestigen?

Staatssecretaris Harbers:

Vanzelfsprekend sta ik ervoor open om organisaties daarbij te betrekken. Ik denk dat het goed is om te markeren dat commissies wel inbreng kunnen leveren, maar nooit de hele beslissing over kunnen nemen. Sterker, in het verleden is wel gebleken dat commissies ook zelf niet op die stoel willen gaan zitten. Maar we zullen daarnaar kijken. Overigens worden op dit moment inbrengen geleverd. De realiteit is dat we meestal nooit meer iets terughoren als het tot een inwilliging leidt. Maar er kunnen altijd omstandigheden zijn dat het toch niet zal leiden tot inwilliging, ondanks het feit dat er een rapport of een deskundigenverklaring ligt. Maar zoals gezegd: we gaan ernaar kijken.

Dan ga ik verder met het onderwerp waaraan ik al begonnen was. Onderdeel van het beleid is natuurlijk ook het terugkeervraagstuk, het terugkeerbeleid. Er zijn gister door veel fracties vragen gesteld over de terugkeer naar Afghanistan. Eerst even terug in de tijd. Eind 2016 verscheen er, zoals periodiek gebeurt, een nieuw ambtsbericht vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat is in februari van dit jaar vervat in een aanscherping van het landenbeleid met betrekking tot Afghanistan. Dat ambtsbericht en het landenbeleid zeiden al dat de situatie in Afghanistan weliswaar zorgelijk is, maar dat die nog geen aanleiding was om het 15c-beleid — namelijk om voor een heel gebied te zeggen dat terugkeer niet mogelijk is — dan wel een moratorium in te voeren. Dat is overigens daarna ook nog bevestigd in jurisprudentie door het Europees Hof inzake Afghanistan.

Die situatie is nog altijd zorgelijk, net als aan het begin van het jaar al werd vastgesteld. Ondanks berichten is ons echter niet gebleken dat de situatie sindsdien wezenlijk is verslechterd. Dan kijken we ook naar recente rapportages. Als je daarnaar kijkt, geeft dat geen reden om een moratorium in te voeren. Daar zou ik dus ook niet toe over willen gaan, in de wetenschap dat het beleid al heel veel uitzonderingen kent. Juist ook op grond van het geldende landenbeleid zijn mensen uit een aantal regio's en mensen behorend tot een aantal groepen al uitgezonderd van terugkeer. Daarnaast geldt dat bij iedere beoordeling van een verzoek in Nederland altijd gekeken wordt in welke mate iemand hier individueel bescherming behoeft.

Vanwege het feit dat er ook recent weer een aantal berichten zijn gekomen over de situatie in Afghanistan heeft het kabinet wel een andere stap genomen. Periodiek worden alle ambtsberichten opnieuw opgesteld. Dat leidt al dan niet tot aangescherpt of versoepeld landenbeleid. Het eerstvolgende ambtsbericht voor Afghanistan stond in de planning voor eind 2018. Dat is al naar voren gehaald naar zomer 2018. Het kan nog een tandje sneller, en dat willen we gaan doen, namelijk door in dat ambtsbericht vooral in te zoomen op de veiligheid. Dan heet het een thematisch ambtsbericht veiligheid. Dat willen we nu dus versneld gaan maken. Dat kan in mei klaar zijn. Wij zijn op dit moment bezig met het vaststellen van de precieze vraagstelling; de terms of reference, zoals de vakterm is. Daarvoor kijken we ook samen met betrokken organisaties, bijvoorbeeld Amnesty, wat de aspecten zijn waarover we nadere informatie willen hebben. Daarmee kan Buitenlandse Zaken vanaf januari aan de slag om dat ambtsbericht te maken. Men geeft aan dat de doorlooptijd ongeveer vier maanden is. Dat zou betekenen dat we in mei een nieuw ambtsbericht hebben. In de tussentijd geldt gewoon het geldende beleid, waarin al tal van uitzonderingen zitten en waarin sowieso altijd die individuele beoordeling gedaan wordt.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Wij begrijpen wat de uitzonderingen zijn, maar ons bereiken berichten dat het heel lastig is om in die veiligere regio's te komen, omdat je eigenlijk genoodzaakt bent om door de risicovolle gebieden te komen. Kan de staatssecretaris dat ook meewegen?

Staatssecretaris Harbers:

Ik herhaal wat ik net zei, namelijk dat verzoeken al individueel worden bekeken, dus dat ook altijd gewogen wordt in welke mate iedere individuele persoon bescherming nodig heeft. Volgens mij wordt dat daarmee al meegewogen.

De voorzitter:

Wie was eerder? De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is goed dat het ambtsbericht versneld naar voren komt. Dat is in mei. Dat is niet morgen, maar dat duurt nog even. We hebben gisteren een petitie in ontvangst genomen van Haroon, namens vele landgenoten van hem, die mogelijk over twee weken wordt uitgezet. Hij valt ook niet onder de uitzonderingen van het zogenaamde doelgroepenbeleid. Moet ik nou vaststellen dat hij pech heeft gehad?

Staatssecretaris Harbers:

Ik had mij voorgenomen — en dit is de eerste gelegenheid om dat te testen — dat ik in de Kamer niet inga op individuele zaken. Daar wou ik het maar bij laten.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is nogal stevig, maar ik ga ervan uit dat dit nog weleens anders kan worden. Ik vraag de staatssecretaris om in te gaan op zijn petitie, die niet alleen over hem als persoon gaat. Hij heeft dat namens vele Afghanen gedaan. Hij vraagt — en ik zal dat ook vragen, met collega's — om het uitzettingsbeleid op te schorten. Als de staatssecretaris zegt: wacht nou tot mei, dan denk ik dat we het bijna met elkaar eens zijn. Er zit alleen een periodeverschil in onze opvattingen. Dan denk ik dat de staatssecretaris dat toch over zou kunnen nemen.

Staatssecretaris Harbers:

Nou, ik heb zojuist aangegeven dat ik niet in algemene zin uitzettingen zou willen opschorten, ook al omdat het huidige landenbeleid laat zien dat het zorgelijk is in Afghanistan, zoals ik zojuist betoogd heb. Dat was voor Nederland al geen aanleiding om het uitzettingsbeleid op te schorten. In dat opzicht is er, ondanks de zorgelijke situatie in Afghanistan, niet heel veel wezenlijk veranderd. Dat geldt ook voor de lidstaten om ons heen, waaraan gisteren is gerefereerd. Ons zijn geen andere lidstaten in de Europese Unie bekend die op dit moment uitzettingen naar Afghanistan opschorten.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

We hadden net een discussie over Libië en toen sprak de staatssecretaris over zijn ongemak. Nu proef ik weer ongemak en ik zal dat toelichten. Aan de ene kant zegt de staatssecretaris dat er in Afghanistan sinds begin dit jaar eigenlijk niets is veranderd in de veiligheidssituatie, maar aan de andere kant heeft hij een ambtsbericht dat voor eind volgend jaar was bedoeld, eerst naar de zomer gehaald en nu wordt het nog een paar maanden naar voren gehaald. Dat vind ik heel goed, maar als je tussen nu en mei wordt uitgezet en straks blijkt uit het nieuwe ambtsbericht dat het wel degelijk onveiliger is geworden, dan heb je wel pech, om de woorden van collega Van Dijk te gebruiken.

Staatssecretaris Harbers:

Ik heb het ambtsbericht naar voren gehaald om tegemoet te komen aan vele Kamerleden die dat gevraagd hebben. Ambtsberichten verschijnen altijd periodiek. Ik denk niet dat we iedere keer als er een nieuw ambtsbericht komt, op voorhand al moeten aangeven dat we een bepaalde uitkomst in het ambtsbericht verwachten. Het ambtsbericht van een jaar geleden gaf ook al aan dat het zorgelijk was en toen is het landenbeleid op een aantal punten aangescherpt, maar terugkeer naar Afghanistan niet in zijn geheel onmogelijk gemaakt. Overigens geldt bij beoordelingen van aanvragen nooit dat alleen het landenbeleid en ambtsbericht worden meegenomen. Er wordt ook altijd gekeken wat verder uit openbare bronnen bekend is over de situatie in het land van herkomst. Dat is dus veel meer een lopend en glijdend proces dan dat op één moment de beslissing de andere kant op valt.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dat snap ik, maar je vraagt niet voor niks om een oordeel naar voren te halen. De staatssecretaris wil het zelfs nog wat verder naar voren halen. Het zou van de zomer komen maar hij heeft nu om mei gevraagd. Het kan niet anders dan dat je dat doet omdat je je toch niet helemaal happy voelt bij hetgeen er nu ligt. Anders heb je geen vervroegde herziening nodig. De vraag is nu wat het gevoel van de staatssecretaris betekent voor de mensen — collega Van Dijk noemde die meneer Haroon die we gisteren gesproken hebben — die nu dreigen te worden uitgezet.

Staatssecretaris Harbers:

Dat betekent wat ik zojuist aangaf: in tal van individuele zaken kan een beslissing zo uitvallen dat men hier kan blijven op grond van het feit dat men tot een van de uitzonderingen behoort, van het geldende landenbeleid en van het feit dat de situatie ook in het afgelopen ambtsbericht al zorgelijk was. Maar dat leidt er niet in algemene zin voor iedereen toe dat we nooit overgaan tot terugkeer.

De voorzitter:

Ik zie u staan, meneer Groothuizen, maar D66 is door alle interrupties heen. Ik wil de staatssecretaris het woord geven om zijn bijdrage ...

De heer Azmani (VVD):

Hij mag die van mij.

De voorzitter:

Nee, zo werkt het niet, meneer Azmani. Ik wil de staatssecretaris de gelegenheid geven ...

De heer Jasper van Dijk (SP):

Een uitruil!

De voorzitter:

Nee, niks uitruil, meneer Jasper van Dijk. U krijgt zo het woord, meneer Voordewind, want u heeft interrupties tegoed. Ik wil de staatssecretaris de gelegenheid geven om zijn bijdrage af te ronden. Ik wil over mijn hart strijken en één vraag toelaten, maar dan als de staatssecretaris helemaal klaar is. Jullie weten dat jullie daar geen gebruik van hoeven te maken; meneer Fritsma gaat meteen onderhandelen.

De heer Voordewind heeft een vraag.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik twijfelde even, want u zegt nog één interruptie toe te staan. Bij het hele migratieblok, begrijp ik dat goed?

De voorzitter:

Nee, ik ga het niet herhalen; dat spijt me. We hebben dit vanochtend met elkaar afgesproken. U heeft nog interrupties tegoed, dus u hoeft niet te onderhandelen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Nee, maar dat was even voor de duidelijkheid.

Ik wil de staatssecretaris in relatie tot het onderwerp Afghanistan nog vragen of hij op dit moment het oordeel van UNHCR heeft gevraagd. Als nu daadwerkelijk mensen teruggaan maar UNHCR adviseert om dat niet te doen, dan moeten we niet vier, vijf maanden wachten. Ik geef dat de staatssecretaris mee. Ik wil hem ook vragen of hij zijn beleid heeft afgestemd met Duitsland en Frankrijk, landen die vanwege de verslechterde situatie nu juist weer terughoudend zijn en, zoals ik heb begrepen, geen mensen terugsturen naar Afghanistan.

Staatssecretaris Harbers:

Het is goed dat de heer Voordewind die vraag stelt, want ook gisteren is een paar keer aan de rol van UNHCR gerefereerd. UNHCR spreekt zich niet eenduidig uit over het feit dat terugkeer naar Afghanistan niet zou kunnen. UNHCR heeft afgelopen maand aan de ene kant wel aangegeven dat er een toename is van oorlogshandelingen in Afghanistan, maar tegelijkertijd aangegeven dat het aantal burgerslachtoffers vermindert. Dat zou er ook op kunnen wijzen dat er sprake is van veel gerichter geweld tussen strijdende partijen en dat daar minder burgers slachtoffer van zijn. Maar om de vraag te beantwoorden: vanuit UNHCR zijn ons geen geluiden bekend dat terugkeer categorisch onmogelijk is.

De voorzitter:

Dan de tweede vraag. Ja, dat is het nadeel van te veel vragen tegelijk stellen.

Staatssecretaris Harbers:

Misschien dat de heer Voordewind mij even kan helpen met wat de vraag was.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Communicatief moeten twee te onthouden zijn, maar ik help u. De vraag ging over Duitsland en Frankrijk en de afstemming met andere landen over wat er in Afghanistan gebeurt.

Staatssecretaris Harbers:

Dat heb ik zojuist al in antwoord op andere vragen aangegeven. Andere Europese lidstaten zijn ook niet overgegaan tot een teugkeermoratorium. Dus vanuit alle lidstaten vindt nog terugkeer naar Afghanistan plaats.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dan zou ik de staatssecretaris er toch op willen wijzen dat UNHCR niet spreekt van minder gewonden. Er is een toename van 20%. Waarschijnlijk bedoelt de staatssecretaris de geweldsincidenten. Die zijn inderdaad afgenomen maar het aantal gewonden is met 20% toegenomen.

Staatssecretaris Harbers:

Ik bedoel het ook niet om te bagatelliseren. Laat dat heel helder zijn. Ik wil alleen duiding geven aan de ontwikkelingen. En natuurlijk, de situatie in Afghanistan is al heel lang zorgelijk maar het is niet zo dat je de berichtgeving van de UNHCR eenduidig kunt lezen als dat de situatie nu ten opzichte van driekwart jaar geleden vele malen ernstiger zou zijn en dat dit zou moeten leiden tot een terugkeermoratorium.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Wellicht als geen ander snap ik de ingewikkelde afwegingen van de staatssecretaris maar ik heb ook een soort déjà-vugevoel en dan verwijs ik even naar de situatie die we een paar jaar geleden hadden in Burundi. Toen waren er ook hetzelfde gevoel en dezelfde signalen zoals die er nu zijn rondom Afghanistan. Vlak nadat een alleenstaande moeder en haar kind werden uitgezet naar Burundi, werd er een moratorium afgekondigd. Diezelfde moeder en kind hebben meteen na hun uitzetting moeten vluchten. Dat gaf mij wel de overtuiging dat je juist heel zorgvuldig moet handelen. Daarom vraag ik nogmaals: als er zo veel signalen zijn en het ambtsbericht niet voor niets naar voren wordt gehaald, is het dan niet verstandig om voor die korte periode toch een moratorium af te kondigen?

Staatssecretaris Harbers:

Ik zou toch die weg niet op willen gaan. De situatie is al een hele tijd zorgelijk. Dat was die ook bij het vorige ambtsbericht. Dat heeft toen al geleid tot een aanscherping van het landenbeleid. Dus ik zou in dat opzicht, ondanks recente berichten die overigens ook nog diffuus zijn, toch het volgende ambtsbericht willen afwachten.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Kuiken.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik concludeer dat de staatssecretaris aangeeft wat hij niet wil maar dat hij niet aangeeft waarom hij dat niet wil. Je kunt niet alleen maar zeggen: omdat ik eerst dat ambtsbericht wil hebben. Dan moet je ook inhoudelijk motiveren waarom je het niet wil.

Staatssecretaris Harbers:

Die motivatie heb ik gegeven. Er zijn al geruime tijd vele berichten uit Afghanistan, maar die wijzen er niet eenduidig op dat de situatie veel zorgelijker of veel slechter is dan aan het begin van dit jaar. Dat is de motivering.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat met de resterende punten en ook tot een afronding komt, lijkt mij.

Staatssecretaris Harbers:

Ja, voorzitter, dat moet zeker lukken.

Op het gebied van de terugkeer nog een andere kwestie waar gisteren naar gevraagd werd, namelijk de terugkeer van Syriërs. Onder anderen de heren Fritsma en Azmani stelden de vraag of, nu er weer Syriërs terugkeren naar Syrië, het geen tijd wordt dat we hier een hernieuwde beoordeling doen van de asielbescherming. Ik denk dat we voorzichtig moeten zijn met het trekken van conclusies, want ook daar is het beeld niet eenduidig. Er keren Syriërs terug maar naar onze waarneming betreft dat vooral Syriërs die Syrië überhaupt niet verlaten hebben dan wel in een buurland zaten, zoals Libanon. Dan is het een beetje gissen maar daar kunnen ook de opvangvoorzieningen in Libanon of een ander buurland, zoals Jordanië, een rol bij spelen. Tegelijkertijd kijken we natuurlijk wel naar veranderende omstandigheden. Ook in dit geval, als we voorzien dat de situatie in Syrië zou kunnen veranderen, is dit aanleiding geweest om het ministerie van Buitenlandse Zaken te vragen om daarvoor in de tweede helft van komend jaar een ambtsbericht op te stellen om dan een goede beoordeling te kunnen geven of en hoe de situatie in Syrië veranderd is.

De heer Fritsma (PVV):

Het eerste wat deze staatssecretaris heeft gedaan, is het binnenhalen van nog meer migranten in het kader van die rare hervestiging. Het eerste wat hij echter had moeten doen, is het terugsturen van al die Syriërs. Er zijn de afgelopen jaren 70.000 Syriërs tot Nederland toegelaten. Wereldwijd gaan er honderdduizenden Syriërs terug naar huis, omdat het er weer veilig is. Vanuit Turkije gaan er zelfs massaal Syriërs terug naar huis om het Offerfeest te vieren. Dan kunt u ze hier toch niet laten, vraag ik deze staatssecretaris. Het is zelfs zo dat nieuwe Syrische asielzoekers uit het veilige Syrië hiernaartoe komen en nog verblijfsvergunningen in ontvangst nemen …

De voorzitter:

De staatssecretaris.

De heer Fritsma (PVV):

Op deze manier laat het kabinet zich weer piepelen door de hele asielindustrie. Ik vraag dus om al die tijdelijke asielvergunningen van Syriërs in te trekken — dat kan — en te stoppen met het verstrekken van vergunningen aan nieuwe Syrische asielzoekers.

De voorzitter:

De staatssecretaris.

Staatssecretaris Harbers:

Het is niet zo dat er nooit asielvergunningen kunnen worden ingetrokken, maar ook dit doen we graag op grond van een goede beoordeling in het land zelf. Dat betekent, net als bij het vorige onderwerp, dat we gewoon echt kijken wat de situatie ter plekke is en of die bestendig verbeterd is. Volgens mij is het op dit moment pas sinds kort dat er in Syrië weer van alles aan de gang is. De situatie gaat mogelijk verbeteren, maar dat weten we niet zeker. Dus pas als we die beoordeling hebben, kunnen we daar wat mij betreft conclusies aan verbinden voor de vergunningen hier.

De heer Fritsma (PVV):

Ja, wachten tot sint-juttemis deed het vorige kabinet ook steeds. We weten waar dat toe heeft geleid, namelijk dat iedereen hier gewoon blijft. Het is namelijk een feit dat die tijdelijke asielvergunningen na vijf jaar worden omgezet in vergunningen voor onbepaalde tijd. Dan kun je niks meer intrekken. Het kabinet wacht dus tot sint-juttemis en iedereen krijgt straks een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dan zitten we hier met 70.000 Syriërs die massaal in de bijstand zitten en massaal in sociale huurwoningen zitten, waar Nederlanders geen kans meer op hadden. U doet precies wat u niet moet doen. Ik vraag dit kabinet en deze staatssecretaris om nou eens iets te doen in het voordeel van Nederlanders en die vergunningen in te trekken. Ik zeg het nogmaals: het is allang bewezen dat dat kan. Die Syriërs gaan al naar huis. Het is daar veilig. U moet ze hier niet in de bijstand laten, maar ze aan de wederopbouw van hun eigen land laten helpen.

Staatssecretaris Harbers:

Het is naar onze waarneming nog altijd vooral zo dat er Syriërs naar huis gaan die Syrië niet verlaten hebben dan wel in een buurland zaten waar de omstandigheden mogelijk heel slecht zijn, maar ik kom de heer Fritsma tegemoet. Sint-juttemis is namelijk in dit geval het jaar 2018. Komend jaar wordt er een beoordeling gemaakt van de situatie ter plekke. Dan kunnen we op basis van de feiten ter plekke een oordeel vormen over de vraag of Syrië een veilige plek is om naar terug te keren.

De heer Azmani (VVD):

De heer Fritsma had het al over de aantallen en volgens mij moeten we daar ook wel realistisch in zijn. Je ziet gewoon dat er in het land Syrië ontwikkelingen plaatsvinden die de goede kant opgaan. Godzijdank, zou ik willen zeggen. De staatssecretaris geeft aan zich te willen te baseren op een ambtsbericht dat medio 2018 gereed zal zijn. Dat begrijp ik ook, maar in de tussentijd vraag ik de staatssecretaris om dit onderwerp met zijn Europese collega's op de agenda te zetten, temeer omdat dit alles niet zonder slag of stoot gaat. Als je kijkt naar de situatie in Syrië, dan vergt die ook enige opbouwprogramma's, willen we ook daadwerkelijk mensen terug kunnen sturen. Ik denk ook dat het goed is om dit onderwerp echt op de agenda te zetten, ook omdat we aan verwachtingsmanagement moeten doen, ook ten aanzien van mensen die op dit moment met een tijdelijke verblijfsstatus in Nederland zitten. Dat onderwerp moet dus op de agenda. Dat onderwerp moet ook zodanig worden voorbereid dat er instrumenten zijn en er perspectief is voor mensen die uiteindelijk moeten terugkeren. Wil de staatssecretaris dat ook bij zijn collega's in Europa aan de orde stellen?

Staatssecretaris Harbers:

Net als bij vele onderwerpen die ik ook in het begin al noemde, helpt het om dit ook met Europese collega's te bespreken. Dus ja, daar ben ik toe bereid.

De heer Azmani vroeg met betrekking tot Syrië ook naar de 1F-beoordelingen, oftewel de beoordelingen van mensen die oorlogsmisdaden zouden hebben kunnen begaan. Het antwoord daarop heb ik ook schriftelijk gegeven, maar ik hecht eraan om dat hier te markeren: wij betrekken voortdurend, dus niet op één moment, signalen over 1F-daden bij beoordelingen. Met dat doel hebben we ook het voornemen om de zogenoemde "1F-unit" binnen de IND de komende jaren uit te breiden.

Daarnaast vroeg de heer Azmani om bij nieuwe kennis over potentiële strijders nog eens te kijken naar Syrische zaken die eerder zijn ingewilligd. Ik denk dat dat een interessante en zinvolle suggestie is en ik zal de IND vragen om dit op te pakken. Ik hoop wel dat u mij wat ruimte laat om even te bekijken hoe wij dat passend gaan invullen. Ik kom dan te zijner tijd met de resultaten bij de Kamer terug.

Ik kom nu op een wat onderbelicht onderwerp in mijn portefeuille. Ik was in dat opzicht dus wel blij dat de heer Azmani daar aandacht voor vroeg. Dat is de reguliere migratie, de economische migratie. Dat is een onderwerp dat vrijwel nooit het nieuws haalt. Daarom hecht ik eraan om daar ook nog een paar woorden aan te wijden. Nederland heeft een goed werkende kennismigrantenregeling. Daarnaast hebben we de afgelopen jaren tal van andere regelingen ontwikkeld om ervoor te zorgen dat mensen die een bijdrage leveren aan onze economie, soms tijdelijk en soms langer, hier welkom zijn. Een voorbeeld is het zoekjaar voor mensen die een opleiding volgen in het hoger onderwijs in Nederland, maar er is bijvoorbeeld ook een een start-upregeling. Komend jaar gaan we bezien of daar nog barrières in zitten. Ik ben blij met de suggestie die daarvoor is gedaan. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij zo'n start-upregeling of bij kleinere bedrijven. We zullen bekijken of wij die eventuele barrières kunnen wegnemen.

Voorzitter. Dan kom ik op het laatste blok van mijn inbreng. Daarin ga ik in op de opmerkingen die zijn gemaakt over mensenhandel.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter, ik heb een klein punt van orde. Op het kleine schema dat wij hebben gekregen, staat ook het onderwerp kinderpardon. Dat is nog niet behandeld.

Staatssecretaris Harbers:

Klopt, ik heb iets te snel doorgebladerd. Er is gisteren gevraagd om een ruimhartige toepassing van het kinderpardon. Ik vind het altijd lastig om dit soort woorden van toepassing te laten zijn op het beleid, omdat ik ook sta voor de rechtsstatelijkheid, voor het feit dat als er regels zijn afgesproken, die ook eenduidig worden toegepast. Het gaat hier immers ook om zaken die in hun aard waarschijnlijk nooit helemaal gelijkvormig en eenduidig zijn. De basis is dat in het regeerakkoord is afgesproken dat we de regeling niet gaan veranderen. Dat betekent dus dat de uitgangspunten en de criteria waaraan mensen moeten voldoen, zo blijven. Maar tegelijkertijd — en daar sta ik ook voor — moeten we ook bij de huidige regeling altijd staan voor een zorgvuldige, individuele en realistische beoordeling. Dus als dat onder "ruimhartig" verstaan wordt door de Kamer, dan doen we dat al zo en dan gaan we ook voort op die manier. Maar ik geef tegelijkertijd maar mee dat het niet het voornemen is om de regels en uitgangspunten daarin te veranderen.

De heer Fritsma (PVV):

Het is al erg genoeg dat die pardonregeling blijft bestaan. We hebben de vertrekcijfers opgevraagd. Gebleken is dat dat kinderpardon het vertrekbeleid volledig ondermijnt. Van de duizenden mensen die in het kader van die regeling zijn afgewezen, zijn er slechts 80 vertrokken. Met andere woorden, alle asielzoekersgezinnen, vrijwel alle asielzoekersgezinnen blijven hier. De staatssecretaris heeft het over een gezond terugkeerbeleid. Als één ding dat gezonde terugkeerbeleid de nek omdraait, dan is het wel dat rare pardon. Dat pardon beloont illegaliteit en daarom gaat er niemand meer weg.

De voorzitter:

En de vraag is?

De heer Fritsma (PVV):

De PVV blijft het kabinet oproepen: zet een streep door die hele pardonregeling, want het zorgt ervoor dat niemand meer weggaat.

Staatssecretaris Harbers:

Waar de heer Fritsma aan voorbijgaat, is het feit dat er niet alleen mensen begeleid, onder toezicht, zijn vertrokken, maar dat er ook mensen zelfstandig, zonder toezicht, zijn weggegaan. Die mensen zitten niet in zijn cijfers. Je kunt van mening verschillen in welke mate je dit een probleem vindt, maar ik stel vast dat wij in Nederland het beleid hebben waarin mensen die hier niet meer regulier kunnen blijven, geacht worden zelfstandig te vertrekken. Dat is wet- en regelgeving die in de loop van bijna twintig jaar tot stand is gekomen. Dat is de wetgeving die ik handhaaf.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Fritsma (PVV):

Dat is geen antwoord. De cijfers die ik net heb gebruikt, zijn cijfers van het kabinet zelf. De PVV-fractie heeft om die cijfers gevraagd. Er zijn duizenden mensen afgewezen in het kader van die pardonregeling en er zijn er slechts 80 vertrokken. Met andere woorden, al die asielzoekersgezinnen blijven hier. Het probleem dat de hele Kamer denkt op te lossen, het voorkomen dat kinderen hier illegaal opgroeien, wordt nu massaal aangewakkerd door deze regeling. Zachte heelmeesters maken hele stinkende wonden.

De voorzitter:

En nu de vraag.

De heer Fritsma (PVV):

En nu de vraag. Als de staatssecretaris zijn eigen terugkeerbeleid serieus neemt, dan moet hij van die regeling af. Het wordt zelfs gezegd door de directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek: die kinderpardonregeling is funest voor de terugkeer. Als de staatssecretaris ervoor kiest om met de regeling door te gaan, dan kiest hij ervoor om een ziek vreemdelingenbeleid te voeren. Ik vraag hem met klem om dat niet langer te doen.

Staatssecretaris Harbers:

Ik denk dat ik in herhaling val, maar de cijfers van de heer Fritsma gaan alleen over mensen die onder toezicht vertrokken zijn. Daarvan weten we honderd procent zeker dat ze vertrokken zijn. Maar daarnaast zijn er ook nog mensen die zelfstandig zonder toezicht zijn vertrokken. Ik denk dat hierbij meeweegt dat het leven in de illegaliteit voor niemand een pretje is. Dat leidt er bij een aantal mensen toe dat ze uiteindelijk een ander bestaan elders opbouwen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De heer Fritsma maakt zich heel boos, maar in de realiteit is er vorig jaar één iemand onder het kinderpardon gevallen. Ik begrijp die boosheid dus niet. Het is tevens een vraag aan de staatssecretaris. De staatssecretaris zegt: de regeling bestaat nog. Ook ik heb het regeerakkoord natuurlijk goed bekeken. Binnen de regeling, waar vorig jaar eentje onder viel, wil de staatssecretaris de regels zorgvuldig toepassen. In mijn bijdrage heb ik gevraagd of dat ook in alle redelijkheid kan. Feitelijk valt er op dit moment niemand onder.

Staatssecretaris Harbers:

Ook daarvoor kom je terecht in individuele casuïstiek: waarom die ene wel en anderen niet? Daar blijf ik buiten. Als je regelingen toepast, dan doe je dat zorgvuldig, dan gebeurt dat individueel. Er zitten altijd afwegingen in die gemaakt moeten worden. Wat ik in het begin al zei: ik denk echt dat de medewerkers dat buitengewoon consciëntieus en in alle redelijkheid doen. Maar ik kan hier niet garanderen dat dat gaat leiden tot andere uitkomsten. Wel sta ik voor die zorgvuldige en precieze uitvoering van het beleid. Er zitten een aantal criteria in de regeling. We hebben met elkaar afgesproken om die niet te gaan veranderen. Als je die gaat veranderen, dan kom je in rechtsongelijkheid terecht jegens anderen die zich wél aan de regels hielden.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dat zal de staatssecretaris mij niet horen vragen, want ik erken wat er in het regeerakkoord staat. De regels zijn nu zodanig dat je, op het moment dat je een verklaring voor vrijwillige terugkeer niet ondertekent, niet meewerkt aan je vertrek. Dan kun je dus nooit in aanmerking komen voor het kinderpardon. Het enkele feit dat je daar geen handtekening zet, is alle reden om geen kinderpardon te krijgen. Mijn verzoek is of met name naar dat punt flexibeler gekeken kan worden.

Staatssecretaris Harbers:

Het is altijd een totaalweging van een dossier, dus ik ga dat hier op dit moment nog niet toezeggen. Ik heb al gezegd dat we altijd zorgvuldig kijken naar al die zaken, maar dat zal er niet in ieder geval toe leiden dat de inwilliging makkelijker wordt.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Redelijk, zorgvuldig, evenwichtig - wie zou daartegen zijn? Wie zou zeggen dat het allemaal onzorgvuldig en onredelijk moet gaan? Daar zijn we niet voor. Ik ben blij dat de staatssecretaris dat nog eens bevestigt. Feit is echter dat we na heel lang politiek getouwtrek een regeling hebben gekregen waar meer dan 95% van de mensen, kinderen voor wie de regeling bedoeld was, uiteindelijk niet voor in aanmerking blijkt te komen. Mijn vraag is: klopt dat? Als dat klopt, wat is dan de zin van deze regeling überhaupt?

Staatssecretaris Harbers:

Ik ga niet in de getallen van wie er van tevoren was beoogd dat ze er allemaal onder zouden moeten vallen. Als je naar percentages kijkt, dan zou het ook zomaar kunnen zijn dat mensen die evident niet aan de criteria voldoen en een afwijzing krijgen, bij het percentage staan van mensen die een afwijzing hebben gekregen. Daarvoor moet je langer terug. Ik stel vast dat er toen een regeling is gekomen met een aantal criteria en dat beoogd is dat de mensen die aan die criteria voldoen onder de regeling zouden vallen. Dat is wat vervolgens getoetst wordt.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Het laatste cijfer dat ik gezien heb is 98%. De heer Voordewind zei geloof ik dat vorig jaar niemand of één persoon eraan voldeed. Dan heb je na heel veel gedoe een regeling gemaakt en dan blijkt daar één iemand voor in aanmerking te komen. Dan zul je toch ook als staatssecretaris, los van wat je vindt van het kinderpardon — en dan kijk ik collega Fritsma aan — tot de conclusie moeten komen dat er iets niet helemaal goed is met die regeling. Of zie ik dat nou verkeerd? Zo vraag ik via u, voorzitter, aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Harbers:

We hebben eerst de tijdelijke regeling gehad en daarna deze definitieve regeling gekregen. In eerdere jaren zijn er veel meer zaken ingewilligd. De regeling is zoals die is. Daar gaan wij geen verandering in brengen. In één jaar kwam één persoon daarvoor in aanmerking, maar in de jaren ervoor zijn daar meer mensen voor in aanmerking gekomen.

De heer Azarkan (DENK):

Nog even door over die regeling. Inderdaad kwam daar één iemand voor in aanmerking. Dat is voor de PVV reden om te klagen en voor meneer Voordewind reden om zich daar boos over te maken. Dat zijn wel een beetje krokodillentranen. Hij heeft het inmiddels ingeruild voor het pluche van het regeren. Is het mogelijk om te evalueren? Ik weet dat u vooraf geen aantallen hebt beoogd, maar werkt de regeling nou zoals we die ook bedoeld hebben?

Staatssecretaris Harbers:

Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik nog niet zover ben dat ik weet of er bij de invoering evaluatieafspraken zijn gemaakt. Maar nogmaals, uiteindelijk heb je een regeling, daarin zit een aantal afspraken, vervolgens komen er aanvragen en voldoen mensen wel of niet daaraan. In alle eerlijkheid is daar niet zo veel aan te evalueren. Toen de regeling er kwam, werd beoogd om de aanvragen van mensen die aan de criteria voldoen in te willigen. Dat gebeurt in de praktijk. Je bent echter ook afhankelijk van de aanvragen en of men aan de criteria voldoet. Over de vraag of dat in voldoende mate gebeurt, zullen de opvattingen bij eenieder verschillend zijn.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Azarkan (DENK):

Als nou blijkt dat vrijwel niemand daarvoor in aanmerking komt, dan komen we toch een beetje op de beroemde uitspraak van Jan Schaefer, die zei: hebben we erover nagedacht of is dit beleid? Het zegt toch wel dat we altijd nog moeten nadenken over de werking en het idee dat we achter beleid hebben. Ik zou de staatssecretaris dus via de voorzitter willen aansporen om te kijken of dat toch geëvalueerd kan worden.

Staatssecretaris Harbers:

Dan herhaal ik mijn antwoord: ik zie daar geen noodzaak toe. Er zijn in de jaren ervoor meer aanvragen van mensen ingewilligd. Feit blijft dat er een aantal criteria is en daar moeten mensen aan voldoen. Er wordt zorgvuldig beoordeeld of dat het geval is.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Harbers:

Voorzitter. Ik kom bij het laatste onderwerp, dat ik al had aangekondigd: mensenhandel en prostitutie. Ik begin dan maar even bij de rapportage die wij een paar weken geleden hebben gehad, de laatste rapportage van de vorige Nationaal Rapporteur Mensenhandel, waaruit blijkt dat de omvang van dit delict nog veel groter is dan wij dachten. Het gaat om allerlei vormen van gedwongen arbeid, van uitbuiting en van gedwongen aanzetten tot diefstal en criminaliteit. Altijd leidt dat tot één ding, namelijk mensen die hun persoonlijke vrijheid kwijt zijn. Dat vind ik een bijzonder ernstig delict. Dat rechtvaardigt dus ook de intensivering van de aanpak van mensenhandel die we in het regeerakkoord hebben aangekondigd en waarover ik eerder deze week namens een aantal betrokken bewindslieden een brief naar uw Kamer heb gestuurd. Belangrijk daarbij is ook dat we in gesprek gaan met gemeenten, want gemeenten zouden de signalen nog niet altijd in voldoende mate herkennen. Ook moeten we in gesprek gaan met al die professionals, wijkagenten, toezichthouders en medewerkers in de zorg, die signalen zouden kunnen herkennen die kunnen duiden op mensenhandel. Die signalen moeten we vervolgens bijeenbrengen om zo een beter beeld te krijgen van de aard en de omvang van dit probleem. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken partners vervolgens beschikken over een instrumentarium om mensenhandel te voorkomen, te signaleren en te bestrijden.

Ook als het specifiek om prostitutie gaat, wil het kabinet uitbuiting voorkomen en sekswerkers in ieder geval bescherming bieden tegen mensenhandel. Daarom ben ik van plan om vaart te zetten achter het vergunningenstelsel voor alle vormen van seksuele dienstverlening. Dat vergt een wetswijziging. Het vergt aanpassing van een wetsvoorstel dat al heel lange tijd in behandeling is. Het is ingediend in 2009 en ligt nu in de vorm van een novelle voor in de Eerste Kamer. Daar komt nog één stap bij, want we zullen het nog één keer moeten aanpassen om het goed te regelen conform de voornemens in het regeerakkoord. Ik kom daar bij uw Kamer op terug. Wij zetten daar veel vaart achter, maar het is ook niet van de ene op de andere dag geregeld. Er zijn drie stappen. We moeten een wetsvoorstel maken. Dat moet in consultatie. Daarna volgen er nog twee rondes: de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik streef ernaar om voor de zomer van 2018 het voorstel rond te hebben en de consultatie in te kunnen gaan, om daarna tempo te maken om dit wetgevingstraject, dat al acht jaar loopt, in deze kabinetsperiode tot een goed einde te brengen conform de voornemens in het regeerakkoord. Conform de wens van de Kamer ga ik hierbij ook aan de slag met het wettelijk regelen van lokale intakegesprekken voor mensen die in de prostitutie werkzaam zijn, want op die manier kunnen we goed zicht houden op gezondheid en welzijn, en vooral misstanden zo veel mogelijk voorkomen.

Er zijn nog enkele specifieke vragen hierover gesteld. Mevrouw Van der Graaf van de ChristenUnie vroeg gisteren naar de gelden die zijn vrijgemaakt voor de opvang van slachtoffers. Een technisch antwoord is dat die niet op de begroting van Justitie en Veiligheid komen, maar op de begroting van het ministerie van VWS. Die begrotingsbehandeling moet nog komen, begrijp ik. De vraag zou daar thuishoren. Tegelijkertijd heb ik in de brief die ik deze week naar de Kamer stuurde al aangestipt dat wij in het eerste kwartaal van het komende jaar willen komen met een veelomvattend plan van aanpak. Wat ons betreft is de besteding van die gelden ook onderdeel daarvan, want dan kunnen we het zien in de context van de brede aanpak van mensenhandel. Dat moment is vroeg genoeg om dat geld ook in 2018 nog tot besteding te brengen, dus we hoeven dit niet vandaag of binnenkort bij de begroting van VWS al helemaal vast te leggen. Het geld is er en kan in 2018 tot besteding komen.

Daarnaast is ook nog gevraagd naar de rol van de gemeenten. Ik heb net al aangegeven dat dit in het plan van aanpak komt. Ook hier is het, denk ik, de vraag hoe we in overleg met gemeenten ervoor kunnen zorgen dat de gemeenten toegerust en vooral getraind zijn om de signalen van mensenhandel te herkennen, zodat er ook lokaal beleid op gemaakt wordt.

Helemaal tot slot: ook het wetsvoorstel over het pooierverbod is onderdeel van de portefeuille prostitutie. Dat deel van het antwoord geef ik namens de minister van Justitie en Veiligheid. Hij zal zich over het wetsvoorstel voor het pooierverbod buigen, omdat dat een aanpassing van het Wetboek van Strafrecht behelst. Maar ook daar gaan we vaart mee maken. We hopen daar komend jaar bij u op terug te komen.

Voorzitter, dan ben ik daarmee aan het eind gekomen van mijn betoog.

De voorzitter:

Althans, dat dacht u. Mevrouw Van der Graaf.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):

Dank voor de ruimhartige antwoorden en de inzet. Ik heb daar vertrouwen in. Ik zie uit ook naar het plan van aanpak. Ik miste nog een onderdeel. Dat was de investering die we zullen gaan doen in de regionale Prostitutie Controle Teams. Mijn vraag is of de staatssecretaris ook dat punt wil meenemen in het plan van aanpak, zodat de middelen voor opsporing en handhaving met betrekking tot deze misstanden in de prostitutie ook daar kunnen worden ingezet.

Staatssecretaris Harbers:

Ook dat is af en toe uitvinden of dat bij mij of de minister zit. Namens ons drieën: ja, daar zullen we ook goed naar kijken.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):

Dank u wel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik wilde wat vragen en daarmee kunnen we ons misschien een motie besparen. De staatssecretaris zei dat hij in het voorjaar met het flexibele opvangplan kwam. Hij had ook gereageerd op mijn plan, dat daaraan gerelateerd is. Mag ik hem vragen om dit plan daarbij te betrekken? Dan dien ik straks geen motie in.

Staatssecretaris Harbers:

Ik zag zo al twee onderdelen die daarop betrekking hebben: flexibele opvang en kleinschaligere opvang. Er zit een aspect in van een soort verdeling over de gemeenten. Misschien doelt de heer Van Dijk daarop. Ik gaf in het antwoord aan dat we sowieso met gemeenten en provincies in overleg moeten over de flexibele keten, maar dat het ook niet zo is dat van de kant van de gemeenten gezegd wordt: doe het maar helemaal evenredig. Er zijn gemeenten die aangeven best wat meer te kunnen huisvesten, en andere gemeenten wat minder. We hebben de afgelopen jaren een goed werkend systeem van regionale regietafels ontwikkeld, waar juist al die opgaves samen met gemeenten worden besproken. Omdat dat systeem goed werkt, zou ik daar niet van hogerhand tussen willen komen met een soort nieuw verdeelsysteem. Dat zeg ik op voorhand. Maar te zijner tijd komen we daar nog over te spreken, reken ik zomaar op de heer Van Dijk kennende, wanneer het hele plan komt.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vraag ook niet de staatssecretaris om nu per direct het plan een-op-een over te nemen. Ik vraag hem alleen om het erbij te betrekken. Er staan meer voorstellen in dan alleen dat punt.

Staatssecretaris Harbers:

Dat laatste zag ik ook. Ik kom daarop terug bij het plan.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik had nog gevraagd naar de uitvoering van de motie die vorig jaar is ingediend en aangenomen om gemeenten aan te spreken op het vormgeven van een beleid rond uitstapmogelijkheden uit de prostitutie. De staatssecretaris gaf in de beantwoording aan dat dat gebeurt, dat er extra gelden ter beschikking komen en dat de uitstapprogramma's worden voortgezet. Ook toen die uitstapprogramma's er vorig jaar al waren, hebben we toch met die motie gevraagd of het kabinet gemeenten wil aanspreken en aansporen om er werk van te maken, om er meer aandacht aan te besteden. Dat is mijn punt. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij de motie ook op die manier wil uitvoeren.

Staatssecretaris Harbers:

Ik weet uit de voorbereiding hierop dat de heer Van der Staaij vorig jaar een motie heeft ingediend en dat wij die uitvoeren. Als dit daar ook bij hoort, ga ik er graag mee aan de slag. Ik zeg er in alle eerlijkheid bij dat ik nog niet alle details ken van de motie van vorig jaar. Wellicht kan ik er in tweede termijn nog even op terugkomen. Maar het klinkt op zichzelf niet als een rare vraag of een raar verzoek.

De voorzitter:

Dank u wel. Volgens mij was u klaar. Voordat we naar de tweede termijn gaan, wil ik de minister het woord geven om nog zijn oordeel te geven over de ingediende amendementen. Die zijn nog niet van een oordeel voorzien. Het woord is aan de minister.

Minister Grapperhaus:

Dan begin ik met het amendement op stuk nr. 22 van de heer Van Nispen om €113.000 voor het Expertisecentrum Online Kindermisbruik. Het expertisecentrum vervult een waardevolle functie in het laten verwijderen van kinderpornografisch materiaal. Daarmee draagt het bij aan een veilig gebruik van het internet. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid, internetproviders, webhostingproviders et cetera. Ik acht het verantwoord om vast te houden aan het uitgangspunt dat het expertisecentrum zich blijft inspannen voor een substantiële financiering van zijn activiteiten door de private sector. Maar het toekennen van een extra bedrag past tegelijkertijd bij de sterke groei van het aantal meldingen en daarom laat ik het oordeel over dit amendement aan de Kamer.

De voorzitter:

Nou, meneer Van Nispen kijkt echt blij!

Minister Grapperhaus:

Ik maak u blij. De motie …

De voorzitter:

Het amendement.

Minister Grapperhaus:

Ja, natuurlijk, het amendement, mijn excuses.

De voorzitter:

Maakt niet uit.

Minister Grapperhaus:

Ik moet nog even oefenen.

De voorzitter:

Dat geeft niet.

Minister Grapperhaus:

Het amendement-Van Nispen op stuk nr. 23 gaat over Sektesignaal. Er wordt om €98.000 gevraagd. Sektesignaal heeft een nuttige functie, omdat het meldpunt de politie en het OM helpt bij het boven water krijgen van misstanden. Uit een dossieranalyse blijkt ook dat er misstanden en strafbare feiten aan het licht komen die mogelijk niet zichtbaar waren geworden via reguliere kanalen. Maar een bedrag van €50.000 zou naar mijn oordeel voldoende moeten zijn. Als de heer Van Nispen bereid is om het amendement naar dat bedrag aan te passen, ben ik bereid om het oordeel over dit amendement aan uw Kamer over te laten.

De heer Van Nispen (SP):

Volgens mij is dat bedrag echt nodig, maar ik hoor goed wat de minister zegt. Ik ben bereid om het amendement aan te passen. Maar dan vraag ik van de minister wel een inspanning om gedurende het jaar in overleg te treden met Sektesignaal om te bezien hoe de eventuele problemen als gevolg van de halvering van dit budget opgelost kunnen worden. Maar ik zal het amendement aanpassen.

Minister Grapperhaus:

Ik zeg in ieder geval toe om een dergelijk gesprek te hebben met Sektesignaal.

Het amendement-Van der Graaf/Van Dam op stuk nr. 28 gaat over de geestelijke verzorging bij de politie. Er wordt gevraagd om €200.000 voor professionele geestelijke verzorging voor politiemedewerkers. Ik ondersteun de noodzaak voor een professionele voorziening in de geestelijke verzorging bij de politie en onderschrijf de in het amendement genoemde overwegingen. De nationale politie werkt een plan uit voor een structurele voorziening. Ik verwacht de uitkomsten daarvan in het voorjaar van 2018. Het ingediende amendement beschouw ik als ondersteuning van het beleid en de aanpak. Ik laat het oordeel daarover derhalve aan de Kamer.

Het amendement-Van Dam/Groothuizen op stuk nr. 40 gaat over de NVvR en vervangt het amendement op stuk nr. 29. Er wordt gevraagd om €200.000 om de verdere bezuiniging op de NVvR terug te draaien. Zoals ik bij een eerder amendement al aangaf, vind ik het terugdraaien van die bezuiniging een sympathiek idee. Gezien het beperkte bedrag dat wordt voorgesteld, laat ik het oordeel over aan de Kamer.

Het amendement-Kuiken/Van Nispen op stuk nr. 34 gaat over het meldpunt internet discriminatie. In beginsel sta ik positief ten opzichte van de werkzaamheden van het meldpunt. De beslissing om de subsidie stop te zetten of te verlagen, is ingegeven door de financiële situatie binnen het departement en de noodzaak om keuzes te maken. Bij enkele amendementen zien wij ruimte om het oordeel aan de Kamer te laten, maar hier is dat niet het geval. Ik ben dan ook genoodzaakt om dit amendement te ontraden.

In het amendement-Verhoeven/Kuiken op stuk nr. 36 wordt om €410.000 gevraagd voor opensource-encryptie. Het lid Verhoeven wijst op het belang van onderzoek naar onderwerpen die een bijdrage leveren aan onze digitale veiligheid. Dat kan ik uiteraard niet anders dan ondersteunen. Er wordt zo een impuls gegeven aan en ook aangesloten op de bestaande middelen. Ik wil benadrukken dat het een positieve bijdrage is aan onze cybersecurity. Ik laat het oordeel derhalve aan de Kamer.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Volgens mij heb ik nog geen advies gekregen over mijn amendement op stuk nr. 39 ten aanzien van Femmes for Freedom.

De voorzitter:

Kunt u daar even naar kijken? Dat heeft de minister voor Rechtsbescherming gedaan, hoor ik. Dat werd ontraden. Goed. Ik dank alle drie de bewindspersonen. We zijn hiermee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de regering. We gaan nu naar de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik kijk eerst even rond. Is er behoefte aan een korte schorsing, of zijn jullie gewoon in staat om door te gaan? Ik zie dat mevrouw Helder al klaarstaat. Het woord is aan mevrouw Helder namens de PVV.

Mevrouw Helder (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister van Justitie en Veiligheid voor zijn antwoorden. Ik dank de andere twee bewindspersonen voor hun aanwezigheid. Ik heb aan hen geen vragen gesteld, maar bij dezen. Ik ben met één antwoord niet helemaal tevreden en met één antwoord helemaal niet. Dat zal ik tot het laatst bewaren. Ik ben wel blij om te horen dat er geen sprake zal zijn van het "dwingen van de werkvloer", zoals ik dat in eerste termijn heb genoemd, bij het toekennen van de 267 miljoen euro aan de politie. De minister schrijft tevens dat hij er het volste vertrouwen in heeft dat het geld uiteindelijk niet bij het ministerie van Financiën zal blijven hangen. Ik blijf van mening dat het te weinig geld is, maar goed, het is een begin. Ik zal de voortgang in de gaten blijven houden en in de diverse debatten die we hebben zal ik de minister daarop blijven controleren.

Voorzitter. Dan het ondermijningsfonds. Het is helaas niet structureel gevuld, maar de minister schrijft dat het veronderstelde af te pakken criminele vermogen al is verdisconteerd in de begroting. Dan is mijn vraag: kan dat in de toekomst, misschien de verre toekomst, gedeeltelijk anders worden? En zo nee, hoe zit het dan met het voorstel om afgepakte zaken, zoals een boot, aan de maatschappij terug te geven? Dat voorstel hebben we in de media gelezen, maar ik heb het ook collega's hier horen doen.

Dan het antwoord waar ik niet helemaal tevreden over ben. Dat gaat over het meetinstrument om de feitelijke criminaliteit zo veel mogelijk in beeld te brengen. Alle monitors die de minister noemt, geven geen volledig beeld. Cybercriminaliteit blijft erbuiten, en dat is een groot probleem, omdat inmiddels 50% van de klassieke misdrijven een digitale component heeft. In de nabije toekomst zal dat alleen maar meer worden. De aangiftebereidheid bij oplichting op internet ligt tussen de 5% en de 8%, aldus de korpschef dinsdag bij de opening van het congres met de naam DEX-XL. Ik blijf dus van mening dat een aanvullend meetinstrument nodig is. De minister schrijft dat het WODC inmiddels aanvullend onderzoek naar cybercrime doet. Het resultaat is naar verwachting in het eerste kwartaal van 2018 gereed. Dan hoor ik graag van de minister of dat een eenmalig aanvullend onderzoek is, of dat cybercrime structureel onderzocht wordt. Vooruitlopend op de antwoorden ben ik toch genoodzaakt om de volgende motie in te dienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de geregistreerde criminaliteit geen volledig beeld geeft van het aantal feitelijk gepleegde misdrijven, omdat de geregistreerde criminaliteit alleen het aantal misdrijven weergeeft waarvan door burgers aangifte is gedaan;

constaterende dat slachtofferenquêtes worden gebruikt om een beter beeld te krijgen van het aantal feitelijk gepleegde misdrijven, maar dat dit slechts steekproeven zijn waarbij niet alle misdrijven worden meegenomen;

van mening dat zo veel mogelijk duidelijkheid dient te worden gekregen over het feitelijk aantal gepleegde misdrijven, mede omdat dit grondslag is voor het al dan niet aanpassen van beleid en/of wetgeving;

verzoekt de regering om onderzoek te doen naar een nieuw en/of aanvullend meetinstrument teneinde zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over het feitelijk aantal gepleegde misdrijven per jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (34775-VI).

Mevrouw Helder (PVV):

Tot slot het Veterinair Forensisch Team. Daarmee kom ik bij het antwoord waar ik helemaal niet tevreden over ben, want er is helaas blijkbaar nog steeds een misverstand. Ik vroeg niet om extra geld. Ik vroeg de minister om het Veterinair Forensisch Team binnen de bestaande middelen te financieren. De verwijzing naar het Landelijk Expertisecentrum Dierenmishandeling in de brief van 31 augustus jongstleden is om meerdere redenen onjuist. Het gaat om klinische werkzaamheden bij een vermoeden van dierenmishandeling. Het is er voornamelijk voor het bijstaan van dierenartsen bij het onderzoeken of er sprake is van dierenmishandeling, en het is dus ook niet rechtstreeks aanspreekbaar voor de taakaccenthouders dierenwelzijn. Mevrouw Verkerk van het Veterinair Forensisch Team is de enige veterinair forensisch arts in Europa. Het LED heeft die expertise niet. Het Veterinair Forensisch Team verricht forensische werkzaamheden, oftewel werkzaamheden in het kader van de opsporing van strafbare feiten, bijvoorbeeld als er een dood dier wordt gevonden. Is er een dode hond gedumpt, of is hij levend in het water gegooid? Dit team maakt het verschil. Tot slot nog ter onderbouwing: politiechef Veldhuis, korpschef van het team Noord-Nederland, heeft bij de opening van het LED vorige week woensdag nog gezegd dat hij het betreurt dat het Veterinair Forensisch Team buitenspel is gezet. Want zo is het helaas gegaan. Hij vindt dat het team wel degelijk ingeschakeld moet kunnen worden bij de opsporing. Korpschef Veldhuis is binnen de nationale politie verantwoordelijk voor de dierenpolitie; zo noem ik het nog steeds. Dat zegt wel wat. Ik doe dus nogmaals een beroep op de minister. Doet hij het niet voor de dieren, doe het dan voor de agenten die dit belangrijke werk doen. Ter ondersteuning tot slot mijn laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Veterinair Forensisch Team als enige in Nederland deskundigheid heeft op het gebied van veterinaire forensische pathologie;

constaterende dat het Veterinair Forensisch Team regelmatig door taakaccenthouders dierenwelzijn bij de nationale politie wordt ingeschakeld;

constaterende dat het Veterinair Forensisch Team hiervoor geen financiële middelen krijgt van het ministerie van Justitie en Veiligheid, dan wel van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

constaterende dat de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht voor vergelijkbare werkzaamheden wel van overheidswege betaald krijgt;

van mening dat het Veterinair Forensisch Team voor zijn werkzaamheden in het kader van opsporing en vervolging van strafbare feiten op het gebied van dierenwelzijn op vergelijkbare wijze betaald dient te worden;

verzoekt de regering om te bewerkstelligen dat het Veterinair Forensisch Team voor zijn werkzaamheden een beroep kan doen op het daarvoor beschikbare budget,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Helder en Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (34775-VI).

U zei het niet, maar staat de naam van de heer Graus niet onder de motie?

Mevrouw Helder (PVV):

Ja, ja.

De voorzitter:

Dat dacht ik al.

Mevrouw Helder (PVV):

Heb ik daar twee dagen mijn best voor gedaan en dan vergeet ik het op het laatst, waarvan akte.

De voorzitter:

Hij zal trots op u zijn. Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Fritsma, namens de PVV.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Met de eerste daden van het nieuwe kabinet op het gebied van immigratie en asiel weten we eigenlijk gelijk wel weer genoeg. Het vreemdelingenbeleid blijft een heel slappe hap. Het eerste wapenfeit van het kabinet is om naast de normale asielstroom, die jaarlijks nog steeds in de tienduizenden loopt, nog een keer duizenden extra vreemdelingen op te gaan halen. Want ja, de EU vraagt dat en dan weet men in vak-K niet hoe snel en hoe diep men daarvoor moet buigen. Er moet een voorbeeld genomen worden aan politici en landen die wél rekening houden met het belang van de eigen bevolking; zie in dat kader bijvoorbeeld Hongarije.

Verder zijn er wat sneue pogingen om in Afrika de zogenaamde grondoorzaken van migratie weg te nemen. Die pogingen zijn natuurlijk gedoemd te mislukken, zoals ook de Turkijedeal is mislukt, wat de Nederlandse ambassadeur in Griekenland recentelijk haarfijn aangaf. Het is dus de hoogste tijd — dat bewijst dit alles ook — om de afhankelijkheid van de EU en van Turkse of Afrikaanse dictators vaarwel te zeggen en om het heft in eigen hand te nemen. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de Nederlandse grenzen te sluiten voor alle asielzoekers en alle immigranten uit islamitische landen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Fritsma en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (34775-VI).

De heer Fritsma (PVV):

Het kabinet gaat helaas ook door met het belonen van illegaliteit. Dat moet echt ophouden. Daarom dien ik de volgende twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering op te houden met het belonen van illegaliteit en derhalve geen bed-bad-broodopvang te verzorgen en geen kinderpardonregeling in stand te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (34775-VI).

De heer Fritsma (PVV):

Wat wel moet gebeuren, staat in de navolgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering illegaliteit strafbaar te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (34775-VI).

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. We hadden het tijdens het debat ook al over Syrië. Syrië is veilig en men gaat massaal naar Syrië terug, behalve Syriërs in Nederland. Die mogen in de bijstand en in alle sociale huurwoningen blijven. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de tijdelijke asielvergunningen van de in Nederland verblijvende Syriërs in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (34775-VI).

De heer Fritsma (PVV):

En wat ik al zei: de tijd dringt om die tijdelijke vergunningen in te trekken, want na vijf jaar is de buit bij iedereen binnen en mag men in Nederland blijven. Er zijn meer dan 70.000 Syriërs tot Nederland toegelaten. Er moet meteen met die intrekkingen worden begonnen. De staatssecretaris verschuilt zich achter het ambtsbericht, dat veel te laat komt, namelijk eind volgend jaar. Maar als het in het voordeel van vreemdelingen is, wordt een ambtsbericht wel versneld gevraagd. We zien dat bij het voorbeeld Afghanistan. Dus in het voordeel van vreemdelingen gaat alles wel versneld, maar in het voordeel van Nederlanders kan helemaal niks. Straks zullen we zien dat alle Syriërs hier weer blijven, helaas. Als je mensen hier laat blijven die geen bescherming nodig hebben, dan weten mensensmokkelaars ook meteen waar ze mogen zijn. Dus het vreemdelingenbeleid blijft ziek, ook onder Rutte III.

Voorzitter, ik rond af, in mijn laatste minuut. Bij Rutte III gaat er op deze manier weer een hele hoop kostbare tijd verloren, want er verandert weer helemaal niets. Iedereen uit de hele wereld kan hier nog steeds asiel komen eisen. Over de nog schadelijkere partner- en gezinsmigratie wordt helemaal niet meer gepraat. Daar wordt zelfs helemaal niets aan gedaan. En — we hebben het erover gehad — illegalen gaan niet terug naar hun land van herkomst. Zij krijgen bed, bad en brood. Zij krijgen een pardonregeling. En ze staan zelfs zo boven de wet dat ze hier tot 30 keer aan toe een pand kunnen kraken, wat de situatie in Amsterdam bewijst. Daar wordt niet tegen opgetreden. Dat is laksheid. De PVV betreurt het dat dat doorgaat, maar zal ertegen blijven vechten. Daar kan ik mee afronden.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef nu het woord aan de heer De Graaf namens de PVV.

De heer De Graaf (PVV):

Hartelijk dank, voorzitter. Nog steeds is de PVV van mening dat de minister van Justitie en Veiligheid veel meer vragen had kunnen beantwoorden over de IS-terrorist die hier vrij rondloopt en in De Balie kwam. Het was voor ons dan ook een teleurstellende beantwoording van de minister in eerste termijn, helemaal gelet op het feit dat de minister afgelopen vrijdag in het AD nog riep: ik ga volgende week verder op deze kwestie in. Nou, we hebben gezien wat dat betekent: de minister heeft hier nog minder gezegd dan in het AD. Misschien moet de minister nog een klein beetje wennen aan hoe het werkt. Ik zal daarom een klein beetje terugschakelen, om soelaas te bieden aan de minister. Laten we het een beetje groter trekken: in algemene termen moet de minister toch informatie met ons kunnen delen over de terreurbestrijding? We moeten namelijk gewoon ons controlerende werk kunnen doen.

Ik stel nog een paar algemene vragen. Kan de minister aangeven hoe groot het probleem van rondlopende terroristen is? Hoe komen zij ons land, maar ook de Schengenzone en de hele EU, binnen? Wat zijn de verblijfsgronden? Hoe vaak zijn er valse identiteitspapieren in het spel? Als de minister dat niet weet, dan kan hij dat ook gewoon zeggen. En hoe groot zijn de netwerken waarin ze opereren? Specifiek, als laatste vraag: is die IS-terrorist nog in ons land, ja of nee?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef de heer Markuszower het woord, ook namens de PVV.

De heer Markuszower (PVV):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Tja, ik heb de antwoorden die ons schriftelijk zijn toegezonden op de vragen in eerste termijn, gelezen en ik heb vandaag geluisterd naar de ministers. De een noemt zich de minister van Justitie en Veiligheid en de ander noemt zich de minister voor Rechtsbescherming. Ik weet niet wat zij wel doen, maar met justitie, veiligheid en bescherming van het recht heeft het allemaal weinig te maken. Het zijn eerder de minister van "kan niet" en de minister van "wil niet". Deze twee ministers zeggen dat zij zich niet willen bemoeien met de rechtspraak in Nederland. Zij vinden het dus prima dat een verkrachtende stiefvader maar twee jaartjes in de cel zit. Zij spreken zich niet uit over het feit dat een inbreker die met bruut geweld een bejaarde vrouw in haar huis overvalt, finaal in elkaar slaat en daarna verkracht, slechts vier jaar cel heeft gekregen. Het zijn de ministers van wegkijken en chic blijven doen, terwijl Nederland elke dag onveiliger wordt.

Deze ministers zijn uitstekend gecast. Zij lijken op al die sufkezen die de Nederlandse strafrechtketen bezetten. Zij dragen dezelfde pakken en spreken dezelfde hautaine taal. Het resultaat is bijna misdadig, want gevaarlijke criminelen worden niet hard genoeg gestraft.

De heer Azarkan (DENK):

Ik heb een vraag aan de heer Markuszower. Klopt het dat de PVV vandaag een beroep heeft gedaan op die rechtsbescherming?

De heer Markuszower (PVV):

De PVV. Kunt u dat wat nader uitleggen?

De heer Azarkan (DENK):

Dat is in de praktijk de heer Wilders. U staat niet algemeen bekend als iemand die heel veel inbreng heeft. Volgens mij heeft de heer Wilders vandaag aangifte gedaan en hoopt hij dat deze ministers en deze staatssecretaris daarvoor zullen staan. Zijn klacht is gebaseerd op discriminatie, volgens mij een artikel dat u wilt afschaffen; nog zoiets. Klopt het dat u op basis daarvan hoopt dat de rechtsbescherming er ook voor u is? Klopt het dat u daar een beroep op hebt gedaan?

De heer Markuszower (PVV):

Hoop doet leven.

De heer Azarkan (DENK):

Nee, nee, wacht even.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Azarkan (DENK):

Ik stelde een vraag, voorzitter, en we hadden afgesproken dat we een antwoord zouden krijgen. Klopt het, meneer Markuszower, dat u daar een beroep op hebt gedaan?

De heer Markuszower (PVV):

Ik …

De heer Azarkan (DENK):

Nee, nee. Uw partij, de PVV, bij monde van de heer Wilders, doet vandaag een beroep op rechtsbescherming en hoopt dat de ministers die ook handhaven. U staat dat hier weg te zetten alsof het voor geen meter deugt. U gebruikt heel grote termen en u zet rechters weg. Maakt u nou gebruik van de rechtsbescherming of bent u er volledig op tegen en houdt u zich dus afzijdig?

De heer Markuszower (PVV):

Dat klinkt allemaal fantastisch, maar het is eigenlijk een heel dom verhaal. Ik heb er niets meer aan toe te voegen. Ik zeg toch niet dat mensen geen gebruik mogen maken van de rechtsbescherming? Ik zeg dat de rechters … Volgens mij begrijpt u helemaal niet wat ik hier zeg. Ik zeg: er zijn in Nederland rechters, officieren van justitie, een College van procureurs-generaal en ministers die niet genoeg toezien op het hard genoeg straffen van ernstige criminelen. Dat wil toch niet zeggen dat geen enkele Nederlander rechtsbescherming heeft of daar recht op heeft?

De voorzitter:

Mevrouw Van Toorenburg.

De heer Markuszower (PVV):

Ben ik niet duidelijk of begrijpt u het niet?

De voorzitter:

Nee, nee, nee, dit is de tweede termijn.

De heer Azarkan (DENK):

Voorzitter, dit is uitlokking.

De voorzitter:

Nee, nee, dit is gewoon de tweede termijn. U heeft uw punt gemaakt. Mevrouw Van Toorenburg.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik aarzelde, omdat ik wel weet dat we dan nog een tirade krijgen. Toch hecht ik er als CDA'er aan om het volgende te zeggen. Ik vraag de heer Markuszower om met iets meer respect te spreken over rechters en over het kabinet. We kunnen het met elkaar oneens zijn over wat ze doen, maar ik neem er aanstoot aan dat ze zo respectloos worden weggezet.

De heer Markuszower (PVV):

Respect moet je verdienen. Hoe kunnen we respect hebben voor een rechter die een verkrachtende stiefvader van drie meisjes maar twee jaar gevangenisstraf geeft? Dat vraag ik aan mevrouw Van Toorenburg. Ik kan het niet opbrengen. Ik wil het met alle liefde proberen. Mevrouw van Toorenburg, legt u me uit hoe u wel respect kunt hebben voor die rechter. Mij lukt het gewoon niet.

De voorzitter:

Ik geef mevrouw Van Toorenburg het woord voor een korte reactie, maar dit is de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Een tweede termijn is vooral bedoeld om afrondend uw mening te geven over wat u belangrijk vindt en om moties in te dienen, maar niet om andere Kamerleden wedervragen te stellen. Mevrouw Van Toorenburg.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Het is niet aan de politiek en ook niet aan mij om een oordeel te vellen over één rechtszaak, waar ik de details niet van ken. Ik spreek de heer Markuszower louter aan op het beeld dat hij neerzet.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):

Gevaarlijke criminelen worden niet hard genoeg gestraft en terroristen lopen vrij rond. De tbs-klinieken, waar de VVD zo lyrisch over doet, zijn plekken waar gevaarlijke criminelen het bed induiken met naïeve jonge GroenLinksbehandelaarsters, die bovendien absoluut niet zijn opgewassen tegen de manipulaties van deze verknipte psychopaten, en waar al die gevaarlijke criminelen constant op verloven mogen en drugs gebruiken, en eigenlijk alles mogen doen wat ze willen. Lekker voorstel, VVD. Net doen alsof de tbs de maatschappij veiliger maakt. Wat een leugens.

Wat wel echt werkt, is levensgevaarlijke criminelen levenslang in de cel gooien. Slachtoffers krijgen met het vigerende strafrecht geen genoegdoening, maar een keiharde trap na van deze boardroomministers. En de maatschappij wordt niet voldoende beschermd. Met chic doen word je minister in dit land, maar uiteindelijk is het allemaal niet zo chic, want Nederlanders lopen door deze struisvogelmentaliteit onnodig gevaar. De PVV wil garanties: garanties dat het Openbaar Ministerie niet te lage straffen eist en garanties dat rechters niet meer zulke lage straffen opleggen. Daarom heb ik zojuist een initiatiefwet ingediend: de wet op hoge minimumstraffen. Daarbij introduceren we voor veel zeden- en geweldsdelicten een maximum van levenslang. Deze VVD- en CDA-ministers van Justitie en Veiligheid willen Nederland namelijk niet adequaat beschermen en zullen niet met wetten komen die Nederland veiliger maken. De PVV vindt het onacceptabel dat moordenaars en verkrachters soms slechts enkele jaren de cel in moeten. Sommige misdrijven zijn namelijk zo ernstig dat de dader nooit meer de maatschappij in zou mogen. Daarom heb ik deze initiatiefwet ingediend.

Daarnaast wil de PVV dat het College van procureurs-generaal, advocaten-generaal, hoofdofficieren van justitie en rechters die zich bezighouden met strafrecht voortaan direct door de Nederlandse bevolking gekozen worden. Het volk is het recht kwijtgeraakt en moet dat recht dus terugkrijgen. Daarom dien ik graag de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie te vaak te lage straffen eist en rechters te vaak te lage straffen opleggen;

overwegende dat daders niet voldoende leed toegevoegd krijgen, slachtoffers geen genoegdoening krijgen en de maatschappij niet voldoende beschermd wordt;

overwegende dat gekozen rechters, gekozen leden van het College van procureurs-generaal, advocaten-generaal en hoofdofficieren van justitie zullen leiden tot een rechtvaardigere samenleving en meer veiligheid;

verzoekt de regering zo spoedig mogelijk een systeem van gekozen strafrechters belast met misdrijven en leden van het College van procureurs-generaal, advocaten-generaal en hoofdofficieren van justitie in te voeren;

verzoekt de regering tevens zo spoedig mogelijk vierjaarlijkse verkiezingen te organiseren die samenvallen met de Provinciale Statenverkiezingen om dit systeem van genoemde gekozen functionarissen in te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (34775-VI).

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Oosten namens de VVD.

De heer Van Oosten (VVD):

Mevrouw de voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de drie bewindspersonen voor hun antwoorden op de vragen die ik zelf heb gesteld, maar ook op de vragen van de collega's. Ik wilde een paar punten nog markeren aan de hand van mijn bijdrage in eerste termijn.

Om te beginnen de politie. Ik heb stevig neergelegd dat ik vind dat het ziekteverzuim bij de politie omlaag moet. Het is nu 7% en het moet gewoon terug naar 5%. Dat verdient Nederland en dat verdienen vooral de agenten zelf. Het heeft per slot van rekening ook een direct effect op de werkdruk van het politiekorps. Structureel zal het leiden tot een extra inzet van 1.000 tot 1.500 agenten. We moeten de minister daar scherp op houden. Daarom dien ik een motie in. Die luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het ziekteverzuim structureel veel te hoog is en daardoor 1.000 tot 1.500 agenten meer ziek thuis zitten dan wanneer het verzuim gelijk zou zijn aan het gemiddelde bij de overheid;

overwegende dat een te hoog verzuim leidt tot een steeds hogere werkdruk en de operationele inzet van de politie onder grote druk zet;

van mening dat het zowel voor alle medewerkers als voor de leidinggevenden, die een cruciale rol spelen bij het terugdringen van verzuim, van groot belang is dat dit onderwerp alle aandacht krijgt;

constaterende dat er al maatregelen genomen worden om het ziekteverzuim bij de politie terug te dringen, maar dat de minister niet verwacht dat het verzuim op korte termijn zal dalen;

verzoekt de regering voor het meireces 2018 te komen met een gericht plan van aanpak om het ziekteverzuim bij de politie binnen twee jaar terug te dringen tot een significant lager percentage en in dat plan specifiek aandacht te hebben voor het daarvoor benodigde instrumentarium voor leidinggevenden bij de politie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosten, Van Dam, Van der Graaf en Den Boer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (34775-VI).

Mevrouw Helder (PVV):

In de eerste termijn heb ik hier ook een interruptie over geplaatst, omdat ik het nogal schofferend vond voor de werkvloer. Ik ben namelijk van mening dat een van de redenen van het ziekteverzuim de werkdruk is, en die is veroorzaakt door de bezuinigingen. Mag ik de motie zo uitleggen, want anders kan ik geen advies aan mijn fractie uitbrengen, dat daar waar u schrijft dat aandacht uitgaat naar alle relevante aspecten, zeg ik even uit mijn hoofd, dit aspect dan ook wordt meegenomen?

De heer Van Oosten (VVD):

De motie is ingegeven door de zorgen die de VVD-fractie heeft over de werkdruk binnen het korps van agenten. Wanneer je het ziekteverzuim zou terugbrengen van 7% naar 5%, doe je daar effectief ook wat aan. Hoe u dat leest, als het gaat om uw advisering over de motie die door de VVD en meerdere collega's is ingediend, laat ik verder voor uw rekening.

Mevrouw Helder (PVV):

Is die significante daling die er staat, dan die 2%? Dan weet ik ten minste een beetje waar ik het moet zoeken.

De heer Van Oosten (VVD):

Met alle respect, het staat er tamelijk duidelijk geschreven. Het idee is dat het terug zou moeten van 7% ten minste naar het gemiddelde van 5%. Dat leidt tot 1.500 of 1.000 fte, om die term maar te gebruiken, van agenten. Het kan niet anders, als dat lukt — en ik hoop dat het de minister lukt — dan dat dit ook een effect heeft op de werkdruk die nu ervaren wordt door sommige agenten.

De voorzitter:

De heer Van Nispen, over de motie, neem ik aan.

De heer Van Nispen (SP):

Over de motie, voorzitter. Volgens mij is niemand voor een hoog ziekteverzuim, zeker niet bij de politie, want dat is niet goed voor de agenten. We hebben er gisteren ook al iets over gezegd. Ik heb zelf gezegd dat het volgens mij ook komt door de bezuinigingen die door de VVD sinds 2010 over de politie zijn uitgestort. Ik zal dat niet herhalen, maar ik heb u uitgedaagd om ook eens in de spiegel te kijken en een analyse te maken hoe het kan dat het ziekteverzuim bij de politie zo hoog is. Hoe ver bent u daarmee?

De heer Van Oosten (VVD):

We hebben deze discussie gisteren ook gevoerd. Toen heb ik ook antwoord gegeven op tal van vragen van de heer Van Nispen, maar ook van andere collega's, precies op dit punt. Ik heb van meet af aan erkend dat de reorganisatie van de nationale politie natuurlijk een flinke inzet vergt van de agenten in kwestie, maar dat neemt niet weg dat ik de minister, die verantwoordelijk is voor de nationale politie, erop aanspreek dat hij het ziekteverzuim terugbrengt naar een aanvaardbaar percentage, en 7% is gewoon te hoog.

De voorzitter:

En die discussie is gisteren gevoerd.

De heer Van Nispen (SP):

De minister kan verantwoordelijk zijn voor het hoge ziekteverzuim, maar de VVD is verantwoordelijk voor de sfeer, de bezuinigingen, de cultuur, waardoor dit zo heeft kunnen ontstaan. Het is een beetje hypocriet en een beetje makkelijk om zo'n voorstel in te dienen. Ik kan het niet anders zeggen, voorzitter, ook al zie ik u bedenkelijk kijken; het spijt me zeer.

De voorzitter:

Heeft u nog meer moties, meneer Van Oosten? Gaat u verder.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik wilde nog een motie van een heel andere aard indienen, maar voordat ik dat doe, wil ik nog twee opmerkingen maken over twee andere thema's. Het eerste is ondermijning. Ik heb heel goed geluisterd naar de opmerkingen van de beide bewindspersonen die daar een rol in spelen. Eerlijk gezegd vind ik de antwoorden die gegeven zijn op de vragen nog een klein beetje voorzichtig; dat deel ik dan wel met u. Niet alleen door mij, maar ook door diverse collega's zijn heel gerichte voorbeelden aangereikt, afkomstig van die lokale partners waarmee nog gesproken gaat worden, die een bijdrage zouden moeten leveren aan de aanpak van de ondermijning. Ik heb er alle vertrouwen in dat u dat nog een keer gaat horen, als u met de burgemeesters in kwestie spreekt, maar laten we dan ook organiseren dat het daarna gewoon geregeld gaat worden. Nogmaals, ik heb die jochies en die meiden van 8, 9, 10 jaar daar zien lopen, in die wijk in Rotterdam. Ik vind het echt verschrikkelijk als we daar niet iets aan gaan doen, want die kinderen verdienen een betere toekomst dan dat zij elke dag opnieuw worden geconfronteerd met de ellende, die daar nu te veel voortwoekert. Morgen gaan we met de Kamercommissie naar Eindhoven en dan zullen er ongetwijfeld opnieuw wat ideeën aangereikt worden. Wellicht kunnen we die op een later moment nog bij de bewindspersonen neerleggen.

Dank voor de antwoorden van de ministers, in het bijzonder de minister voor Rechtsbescherming — als ik het niet goed heb, hoor ik dat nog wel — over criminaliteitspreventie. Met collega Van Dam van het CDA heb ik hierover een amendement ingediend. Het is belangrijk dat we het voorkomen van criminaliteit blijven ondersteunen.

Wat betreft sancties dank ik de minister voor Rechtsbescherming, die bereid is om goed te kijken naar het stelsel van tbs, in het bijzonder naar het idee dat is geopperd door collega Kuiken en mijzelf om ook op een later moment te kunnen beoordelen of tbs niet alsnog opgelegd zou moeten worden, zodat betrokkene niet alleen gestraft wordt, maar ook behandeld, en voorkomen wordt dat iemand onbehandeld terugkomt in de samenleving en daar opnieuw gruweldaden gaat begaan.

Ik rond af met een motie die ziet op de verjaring van de tenuitvoerlegging van straffen. Ik zou graag zien dat dit artikel uit het Wetboek van Strafrecht wordt geschrapt. Het druist in tegen mijn rechtsgevoel en dat van menigeen in deze zaal en volgens mij ook daarbuiten.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het zeer onwenselijk is indien veroordeelden door verjaring de tenuitvoerlegging van straffen kunnen ontlopen;

roept de regering op met een voorstel te komen om een einde te maken aan de executieverjaring uit artikel 76 Wetboek van Strafrecht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosten, Van Toorenburg, Hiddema, Van der Staaij, Azarkan, Krol en Van der Graaf.

Zij krijgt nr. 50 (34775-VI).

Ik geef het woord aan de heer Azmani namens de VVD.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Ik wil allereerst de bewindspersonen van harte danken voor de beantwoording in eerste termijn. Ik wil ook kort stilstaan bij een dankwoord aan de ambtenaren van de ministeries, die gisteren tot laat en zelfs vannacht bezig zijn geweest om de vele vragen te beantwoorden die wij stelden. Ik dank namens mijn fractie dus ook hen.

Voorzitter. Zoals ik gisteren al zei, heeft de VVD de afgelopen periode stevig ingezet op het beheersbaar maken van de asielstroom naar ons land. Daar gaan we de komende tijd gewoon mee verder, met het nieuwe regeerakkoord in de hand en in gezamenlijkheid.

De VVD begrijpt dat mensen zich zorgen maken over het voortbestaan van het Nederland zoals zij en wij dat kennen. Afspraken zoals met Turkije werken. Het is goed om deze dagen te zien dat leiders uit Europa nu ook de wegen proberen te plaveien in Afrika. Het is niet vandaag of morgen gerealiseerd, maar het zal wel nodig zijn. De toekomst van Afrika is een van de grootste mondiale vraagstukken. De oplossing is niet om de problemen te verplaatsen naar Europa of te denken dat je ze in je eentje kunt tegenhouden door holle retoriek.

Het is goed om in de beantwoording te zien dat de staatssecretaris samen wil oplopen met de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De staatssecretaris heeft hierbij een cruciale rol. Ik was in eerste instantie niet tevreden over de eerste bestedingsplannen van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, zoals ik gister al aangaf, maar laten we vooral vooruitkijken. Het kabinet wil komen met een inventarisatie van landen die in aanmerking komen voor intensieve migratiesamenwerking. Daarbij verwacht ik een cruciale rol voor deze staatssecretaris.

Ik ben zeer tevreden over de toezegging van de staatssecretaris om de Syrische zaken opnieuw tegen het licht te houden op basis van geactualiseerde informatie, om te bezien of er oorlogsmisdadigers tussen zitten. En voorzitter, u kent mij: een motie is dan ook niet nodig.

Dan over het landenbeleid inzake Syrië. Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris na mijn interruptie dat hij dit onderwerp wil agenderen bij zijn Europese collega's, omdat het de nodige voorbereiding vergt om mensen daadwerkelijk terug te kunnen laten keren naar Syrië. Ik zeg dat richting heel vak-K, omdat het van belang is om stappen te zetten, ook in het belang van de veiligheidsvraagstukken waarover we vanochtend hebben gesproken.

Ik zie uit naar de voorstellen van de staatssecretaris over het ontdoen van nationale koppen en het intensiveren van vreemdelingenbewaring en vertrek.

Tot slot nog over het economischemigratiebeleid. Ik ben blij dat de staatssecretaris mijn enthousiasme op dit onderwerp deelt. Ik daag de staatssecretaris uit om buiten de gebaande paden te denken en niet alleen te kijken naar de kansrijke regelingen die we op dit moment hebben. Dat belemmert soms het zicht. Als we mondiaal kijken naar landen als Canada en Australië, dan zie je daar heel mooie ontwikkelingen. Als we economisch redeneren, moeten we vooruitstrevender zijn. Ik daag dus de staatssecretaris op dit onderwerp verder uit. Ik merk in ieder geval dat het zijn hart heeft en daar ben ik ontzettend blij mee.

Kortom, mijn inzet is namens de VVD gericht op een migratiebeleid dat kan bijdragen aan een samenleving waarin iedereen zich echt beschermd voelt en alle kansen krijgt. Een Nederland waar iedereen op een positieve manier en samen dingen voor elkaar krijgt. Een Nederland waar vooral wat ons verbindt sterker is dan datgene wat ons verdeelt.

Voorzitter. Ik wens tot slot de staatssecretaris en de twee ministers alle kracht en wijsheid toe.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Buitenweg namens GroenLinks.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor hun antwoorden. Ik ben met name blij met de toezegging van de minister voor Rechtsbescherming om voor de zomer met een brief te komen over mogelijkheden voor een betere aanpak van huwelijksdwang. De fractie van GroenLinks gaat daarover ook graag in gesprek. Het gaat dan wat ons betreft niet om het mengen in religieuze aangelegenheden maar vooral om het waarborgen dat iedereen baas is over zijn eigen leven, dus om mensenrechten.

Ik dank de minister er ook voor dat hij wil kijken naar de perverse prikkel in de financiering van tbs, in ieder geval om na te gaan of die al dan niet pervers is en of het wellicht beter kan.

Met betrekking tot de rechtsbijstand vond de minister de dekking van mijn motie over ZSM onvoldoende, maar dan wijs ik erop dat het ministerie zelf een eerder gereserveerd budget heeft ingetrokken waarvan de gevolgen mij serieus niet duidelijk zijn. Vandaar de volgende motie, die is meeondertekend door de heer Van Nispen en de heer Azarkan.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de ZSM-aanpak vaak tot gevolg heeft dat betrokkenen ingaan op een OM-aanbod zonder zich te realiseren dat ze daarmee een strafblad krijgen;

overwegende dat het gereserveerde budget voor rechtsbijstand is ingetrokken;

overwegende dat vóór het einde van het jaar duidelijkheid ontstaat hoe ZSM-rechtsbijstand zal worden vormgegeven, maar dat dan budget ontbreekt om ook daadwerkelijk rechtsbijstand te verlenen in ZSM-zaken;

verzoekt de regering de Kamer te informeren wanneer en, zo ja, hoe ZSM-rechtsbijstand zal worden geboden in 2018,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Buitenweg, Van Nispen en Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (34775-VI).

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dan over de puntentoekenning. De minister heeft gezegd te gaan praten met de sociale advocatuur. Nou, dat is natuurlijk hartstikke goed, maar wat heeft de minister de sociale advocatuur te bieden? Want vooralsnog komt er geen geld extra bij. De winst wordt gezocht in het zoeken naar alternatieven. Denkt de minister dat die alternatieven echt kunnen gaan oplopen tot een bedrag van zo'n 127 miljoen euro? Is dat dan de inzet? Kan de minister een lijstje van alternatieve maatregelen aanleveren, inclusief de financiële gegevens, die optellen tot 127 miljoen euro? Zo'n lijstje lijkt mij sowieso heel nuttig voor het gesprek met de sociale advocatuur. Graag een toezegging hierop. Hoe dan ook, we hebben nu een stelsel dat bepaalde uitgangspunten kent maar die niet worden nageleefd, wat onredelijk is en de overheid onbetrouwbaar maakt. Vandaar de volgende motie, die is meeondertekend door de heer Van Nispen en mevrouw Kuiken.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de commissie-Van der Meer concludeert dat rechtsbijstandsverleners geen redelijke bijdrage ontvangen voor het leveren van rechtsbijstand aan on- en minvermogenden;

verzoekt de regering op korte termijn aan te geven hoe de puntentoekenning in het huidige stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand in overeenstemming kan worden gebracht met de werkelijke tijdsbesteding van rechtsbijstandsverleners en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Buitenweg, Van Nispen en Kuiken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (34775-VI).

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Het is goed dat er opnieuw gekeken wordt naar hoe uitnodigend de politie is voor slachtoffers van seksueel geweld. Samen met mijn collega Kuiken vraag ik de minister te laten onderzoeken of slachtoffers zelf de drempel ook als laag ervaren en hoe zij vinden dat de behandeling van hun melding is geweest. Daar zal nog een motie op volgen in de termijn van mevrouw Kuiken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Ojik namens GroenLinks.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dank u, voorzitter. Ook van mijn kant uiteraard dank aan het adres van de bewindslieden. Ik heb in mijn eerste termijn betoogd dat het migratiebeleid van het nieuwe kabinet waarin steeds meer verantwoordelijkheid voor de opvang en bescherming van vluchtelingen in Afrika komt te liggen, op drijfzand is gebouwd. Ik heb niet de indruk dat ik de staatssecretaris voor deze stelling aan mijn zijde heb gekregen in dit debat en dat vind ik natuurlijk jammer, maar ik had het ook niet echt verwacht. Ik verheug mij op de debatten die we nog krijgen en waarin ik opnieuw ga proberen om de staatssecretaris van de juistheid van mijn stelling te overtuigen.

Voor nu wil ik graag twee moties indienen. De eerste gaat over het kinderpardon. De staatssecretaris zei dat het lastig is om de term "ruimhartig" te duiden, want iedereen verstaat daar wat anders onder. Dat begrijp ik heel goed. Toch heb ik samen met een aantal collega's de behoefte om middels een motie een politiek signaal van deze Kamer te vragen over de uitvoering van de huidige regeling. Vandaar deze motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Regeling langdurig verblijvende kinderen door de wetgever is bedoeld als oplossing voor het vraagstuk van het verblijf van kinderen die in Nederland geworteld zijn geraakt, maar desondanks nog geen geldige verblijfstitel hebben verkregen of een verblijfstitel na een periode van verblijf zijn verloren;

overwegende dat het afgelopen jaar 98% van de aanvragen inzake de Regeling langdurig verblijvende kinderen is afgewezen en dat een strikte interpretatie van de regeling daaraan ten grondslag ligt;

verzoekt de regering om de Regeling langdurig verblijvende kinderen op een ruimhartige manier uit te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ojik, Jasper van Dijk en Kuiken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (34775-VI).

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Mijn tweede motie gaat over de Nederlandse steun aan de Libische kustwacht. Daar voelt de staatssecretaris zich ongemakkelijk bij, zoals hij dat zelf zei, maar daar wilde hij geen consequenties aan verbinden, althans niet in zijn eerste termijn. Daar ga ik hem met de volgende motie nu toch toe oproepen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat migranten die door de Libische kustwacht worden teruggebracht naar Libië stelselmatig worden onderworpen aan mensonwaardige detentie, marteling of zelfs slavernij;

verzoekt de regering de financiële en operationele steun aan de Libische kustwacht op te schorten totdat garanties zijn verkregen dat personen die door de Libische kustwacht worden opgevangen of teruggebracht niet langer worden blootgesteld aan mensenrechtenschendingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (34775-VI).

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Van Dam namens het CDA.

De heer Van Dam (CDA):

Voorzitter, dank u wel. Allereerst een woord van dank aan de drie bewindslieden voor de beantwoording. Laat ik ook een woord van dank uitspreken in de richting van de ambtelijke ondersteuning. Er zit een heel verhaal bij de begroting dat V en J verandert. Daar hebben we het deze dagen niet over gehad, maar als de wijze van beantwoording en ook de 74 pagina's tellende beantwoording van alle vragen, die wij vanmorgen op onze deurmat vonden, een voorbeeld is van hoe V en J verandert, dan kunt u blij zijn met die ambtelijke ondersteuning.

O, ik hoor van de bewindslieden dat het "JenV verandert" moet zijn. Ja, ik denk dat ik iets minder snel verander dan dat uw ministerie verandert. Laat ik het daarop houden.

Voorzitter. Ik heb een drietal moties. Daar wil ik op voorhand één ding over zeggen. Vanochtend begonnen we wellicht wat ongelukkig, maar wat is nu de intentie van dit verhaal? Ik vind dat wij in deze Kamer de democratische rol vervullen ten opzichte van het beheer van de politie. Het gezag ligt grotendeels in het land, bij gemeenteraden en meer van dat soort instellingen, maar hier in de Kamer gaat het om het beheer van de politie. Als we kijken naar het rapport van de commissie-Kuiken en ook anderszins, dan is er nogal wat kritiek op de rol die de Kamer daar in het verleden in heeft gespeeld.

Ik vind dat ik dus mijn werk hier moet doen door op dat punt ook de vragen te stellen en dat ik daarover voldoende geïnformeerd moet worden. Ik wil dat niet te zwaar oppakken, maar het gaat ook nog om een voor het CDA belangrijk punt, namelijk de verdeling van de politiesterkte over het land. Voor ons is het heel erg belangrijk dat er voldoende politie is, ook in Groningen, Friesland, Oost-Nederland en op alle andere plekken waar de politiedichtheid een stuk lager is dan hier in de stad. Vandaar dat ik met de volgende motie kom.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de reactietijden in bepaalde regio's zoals Noord- en Oost-Nederland nog altijd negatief afwijken van het landelijk (streef)gemiddelde;

constaterende dat ten behoeve van de politie op korte termijn 100 miljoen beschikbaar komt, waarmee ook de basisteams in de regio's versterkt moeten worden;

constaterende dat de minister van JenV heeft aangegeven dat berichten in de noordelijke media over de verdeling van deze extra sterkte voorbarig zijn;

verzoekt de regering in de voortgangsbrief politie van december 2017 de Kamer te informeren over de actuele verdeling van de operationele sterkte over de tien regionale eenheden, alsmede over de verdeling van de extra capaciteit die beschikbaar komt voor de basisteams over de tien regionale eenheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam, Van der Graaf en Arno Rutte.

Zij krijgt nr. 55 (34775-VI).

De heer Van Dam (CDA):

Mijn tweede motie heeft betrekking op de aangiftebereidheid. Ik trek daar de vergelijking met het ZSM-proces, waarbij een enorm andere manier van het behandelen van strafbare feiten heeft plaatsgevonden zonder dat dat extra budget of geld heeft gekost, in ieder geval in de personele zin.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat al langere tijd sprake is van een daling van de aangiftebereidheid;

overwegende dat de afstand tussen politie en burgers de afgelopen jaren groter is geworden;

overwegende dat het van groot belang is dat slachtoffers van strafbare feiten eenvoudig aangifte kunnen doen;

overwegende dat het doen van aangifte via internet niet voor elke Nederlander een makkelijk begaanbare weg is;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat binnen bestaande budgettaire kaders het dienstverleningsconcept van de politie ten aanzien van het opnemen van aangiftes gericht wordt op het direct opnemen van aangiftes, passend bij de individuele behoeften en mogelijkheden van aangevers, zo nodig thuis bij aangevers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam, Bisschop, Krol, Azarkan en Kuiken.

Zij krijgt nr. 56 (34775-VI).

De heer Van Dam (CDA):

Dan tot slot. Zowel het debat over de begroting van I en M gisteren als het debat hier vandaag en gisteren over JenV stond in het teken van de verkeersveiligheid, en dan met name de mobiele telefoon. Wellicht ter beteugeling van ons aller ongeduld om dat ding achter het stuur te gebruiken, de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gebruikmaken van de mobiele telefoon achter het stuur, bijvoorbeeld door berichten te sturen, toeneemt en een gevaar is voor de verkeersveiligheid;

overwegende dat tijdens het debat rond de begroting van I en M een motie is aangenomen die betrekking heeft op de duiding van appen achter het stuur als "roekeloos gedrag" in het kader van de waardering van verkeersongelukken;

overwegende dat naast preventieve maatregelen ook straftoemeting waarin recidive een rol kan spelen, bij kan dragen aan het terugdringen van smartphonegebruik achter het stuur;

constaterende dat bepaalde gedragingen in het verkeer in 2015 als "hufterfeiten" zijn aangemerkt en vanuit de administratiefrechtelijke handhaving (wet-Mulder) in het strafrecht zijn onderbracht, opdat recidive een rol kan spelen in de straftoemeting;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat gebruikmaken van de mobiele telefoon achter het stuur wordt aangemerkt als "hufterfeit" en in het strafrecht wordt ondergebracht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam en Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 57 (34775-VI).

Mevrouw Helder (PVV):

Ik heb een korte vraag over de eerste motie. Ik heb mezelf voorgenomen, en het is in het verleden ook hier besproken, dat we ons niet meer tot in detailniveau met de politie zouden moeten bemoeien. Het ging daarbij voornamelijk over de topprioriteiten die we stapelden. Nu lees ik in de eerste motie dat we ons bijna moeten gaan bemoeien met de capaciteitsverdeling. Heb ik dat goed begrepen?

De heer Van Dam (CDA):

Nee, dat hebt u niet goed. Ik ben er een voorstander van dat we in de Kamer niet te veel over prioriteiten praten, dat we niet zeggen: de politie moet dit, de politie moet dat. Dat is een gezagszaak die over het algemeen neergelegd moet worden bij de burgemeester en de officier van justitie die daar als gezag over gaan. Waar het hier om gaat, is een beheerkwestie. Ik wil niet weten hoeveel wijkagenten of wat dan ook er binnen de eenheid A, B of C zijn, ik wil niet weten hoe dat verdeeld wordt. Het gaat mij om de verdeling van de capaciteit over de tien regionale eenheden in het land. Dat vind ik wel degelijk een aspect dat hier aan de orde mag komen. Het gaat dan om vragen op hoofdlijnen tussen de regio en de stad, en de ene regio en de andere regio. Daar wil ik me toe beperken.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik heb een korte vraag over de motie die de heer Van Dam als laatste voordroeg, de motie over roekeloos rijden of althans het gebruik van smartphones. In een interruptiedebat met de minister van Justitie en Veiligheid kreeg ik als antwoord: ja, de doelstelling is om het roekeloos rijden strafbaar te stellen. Mijn vraag aan de heer Van Dam is hoe dat zich verhoudt tot de oproep die hij in deze motie doet.

De heer Van Dam (CDA):

Ik heb daar nog even contact over gehad met de deelnemers van het debat van gisteren. Het begrip "roekeloos rijden" in de Wegenverkeerswet is een begrip dat voorkomt in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

De voorzitter:

Dit is gisteren uitgebreid besproken.

De heer Van Dam (CDA):

Ja, maar herhaling is soms …

De voorzitter:

Nou nee.

De heer Van Dam (CDA):

Nee? Ik zal het heel kort doen. Het voorstel van gisteren gaat over wanneer de klap gevallen is. Dan speelt dat. Het is ook heel terecht dat dat speelt. Mijn voorstel ziet erop als de klap nog niet gevallen is, dus om een gedragsverandering te bewerkstelligen in hoe mensen zich gedragen in het verkeer.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Oosten (VVD):

Dan heb ik via u beiden een heel korte vraag aan de minister. Misschien kan de minister in zijn tweede termijn nog even aangeven …

De voorzitter:

Ja, natuurlijk gaat hij …

De heer Van Oosten (VVD):

… hoe het een zich tot het ander verhoudt.

De voorzitter:

De minister moet toch een oordeel geven over de motie. Dank u wel. Dan geef ik nu mevrouw Van Toorenburg het woord namens het CDA.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dank, voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor de beantwoording van de vragen. Mijn dank strekt zich ook uit tot de ambtenaren, die vannacht na enen nog de antwoorden gaven en, zo weten wij, vanmorgen al vroeg op waren om ervoor te zorgen dat deze nieuwe ploeg hier goed beslagen ten ijs komt.

Voorzitter. Wij geloven in dualisme. Ik denk dat we dat vanmorgen wel hebben laten zien. Wij zullen daar de komende jaren mee doorgaan. Ik weet dat er mooie onderwerpen zijn geregeld in het regeerakkoord, maar we zullen dagelijks de hijgende adem zijn in de nek van het kabinet om ervoor te zorgen dat datgene wat we willen, ook wordt uitgevoerd.

Voorzitter. Ik zoom op twee onderdelen in. Het eerste is ondermijning. We hebben begrepen dat de wet niet als een soort pakket in de Kamer wordt neergelegd, maar dat we gaan kijken wat we naar voren kunnen halen, wat we ergens in moeten verwerken en wat er aanvullend nog moet worden geregeld. Dat is prima. Ik denk dat het goed is om te kijken naar de creatieve mogelijkheden die in het land al worden benut. Mag ik daar een mooi voorbeeld bij nemen, dat eigenlijk vrij recent is? De Brabantse politie wil geld hebben van de dumpers van drugsafval en wil zich als benadeelde partij voegen in het strafproces. Dat is een zeer interessante zaak. Ik ben zeer benieuwd wat de rechter, die op 25 januari met de uitspraak komt, daarvan zal vinden. Kan deze analyse ook worden meegenomen? Is dat nou mogelijk? Zo niet, wat kunnen we dan wel doen? Ik vond het heel creatief en ik denk dat we daarmee een genadeslag kunnen uitdelen.

Voorzitter. Ik begrijp dat er een richtlijn komt ten aanzien van het witwassen. Dat is prima. We zullen er kritisch naar kijken. De minister gaf aan zich ook zorgen te maken over de bitcoins. Het kan wel zo zijn dat iemand er niet meer dan 15.000 mag omwisselen, maar wie ziet daar dan op toe? Wie doet dan de melding van een ongebruikelijke transactie? Dat blijft voor mij een beetje schimmig. In Groot-Brittannië wordt een heel traject ontwikkeld, ook door het bedrijfsleven, voor een crowdfundingsystematiek als een bedrijf geen financiering krijgt van de bank. Ik vind dat een hele linke. Ik word al hevig belobbyd om dit in Nederland ook voor elkaar te krijgen. Dat zeg ik hier maar open. Het eerste wat ik zei, was: ammenooitniet! Maar misschien ben ik wel veel te angstig en slaat het nergens op. Dat hoor ik dan graag, maar ik wil in ieder geval aan de bewindspersonen meegeven dat ik me er zorgen over maak.

Als het gaat om cyber, asiel en prostitutie en mensenhandel kan ik louter verwijzen naar wat ik in het begin zei: wij volgen u.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan ga ik nu naar de heer Van Nispen, namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):

Niet het recht van de sterkste moet gelden, maar iedereen heeft recht op recht. De toegang tot het recht is een fundament van onze rechtsstaat. Daar gaat mijn eerste motie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat uit meerdere onderzoeken is gebleken dat er verschillende mogelijkheden zijn om het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand te herzien;

spreekt uit dat de kwaliteit van het duurzame stelsel voor toegang tot het recht voorop moet staan;

verzoekt de regering het uitgangspunt te verlaten dat het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand hoe dan ook binnen een vooraf vastgesteld lager budgettair kader moet passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Kuiken en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 58 (34775-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in 2017 geld overblijft in het kader van mediation in het strafrecht, omdat de uitrol hiervan vijf maanden vertraging heeft opgelopen;

van mening dat de praktijk van mediation in strafzaken zoals deze in 2017 is gerealiseerd moet worden voortgezet;

verzoekt de regering de reeds in 2017 aan mediation in strafzaken toegewezen middelen die aan het einde van 2017 nog over zijn, mee te nemen naar het jaar 2018 en ze daar te besteden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Kuiken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 59 (34775-VI).

De heer Van Nispen (SP):

U denkt misschien: wat hier wordt voorgesteld, is volslagen logisch, omdat geld dat overblijft bij mediation in het strafrecht, kan worden besteed om een gat te vullen. Dat klopt. Het is volstrekt logisch, maar daarnet kreeg ik het antwoord: dat kan niet. Nou, dat is zoiets als "dat staan de regels niet toe". Als we met elkaar graag willen dat het kan, dan moeten we ook praktisch bekijken hoe we het probleem kunnen oplossen. Dat is echt een dringend beroep op de minister voor dit specifieke punt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering wil gaan experimenteren met gereguleerde wietteelt;

overwegende dat tientallen gemeenten die willen experimenteren met gereguleerde wietteelt, vrezen dat ze te weinig ruimte krijgen om daarbij eigen, lokale en regionale varianten op te zetten;

van mening dat gevarieerde experimenten beter kunnen bijdragen aan een succesvolle aanpak van aan softdrugs gerelateerde (veiligheids)risico's en criminaliteit dan één enkel uniform experiment;

verzoekt de regering om niet uit te gaan van één uniform experiment omtrent gereguleerde wietteelt, maar juist diversiteit in de experimenten aan te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Kuiken en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 60 (34775-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat politieagenten een fysiek en mentaal zwaar beroep hebben;

constaterende dat het politiepersoneel door de koppeling van de AOW-gerechtigde leeftijd aan de levensverwachting steeds later met pensioen kan;

verzoekt de regering bij de cao-onderhandelingen in te zetten op een lagere pensioenleeftijd voor politiepersoneel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Van Raak. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 61 (34775-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op grond van internationaal recht en diverse uitspraken van hoogste rechters in het civiel- en bestuursrecht blijkt dat, mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, er in specifieke gevallen niet kan worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard;

verzoekt de regering in het belang van de rechtszekerheid in de wet op te nemen dat het niet betalen van het griffierecht niet in alle gevallen tot niet-ontvankelijkheid leidt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Buitenweg en Kuiken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 62 (34775-VI).

De heer Van Nispen (SP):

Voor de duidelijkheid: het gaat mij bij deze motie echt om de mensen met de allerlaagste inkomens. Van hen kun je geen griffierecht vragen. Anders kom je in strijd met de toegang tot het recht.

Ik heb een vraag gesteld over het griffierecht voor kleine geldvorderingen van €500, waarbij een mkb'er €470 aan griffierecht moet betalen. Dat is niet in verhouding. Dat ga je niet doen, want de risico's zijn dan te groot. Ik zal hierover geen motie indienen, maar ik wil er wel een vraag over stellen aan de minister. Ik zou willen dat de minister onderzoekt hoe dit beter kan, in het belang van het midden- en kleinbedrijf en het handelsverkeer in het algemeen. Iedereen heeft recht op recht in het belang van het vertrouwen en de rechtvaardigheid.

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer van Nispen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Jasper van Dijk namens de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik heb twee moties, waarvan de eerste gaat over Libië. De regering zegt: wij sturen geen vluchtelingen terug naar Libië, want het is evident dat dat land onveilig is. Er is chaos, er is ellende. En toch is de steun van de Europese Unie aan de Libische kustwacht omstreden, want die kustwacht stuurt vluchtelingen wel degelijk terug naar Libië. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Libië geen veilig land is;

verzoekt de regering elke medeplichtigheid aan het terugsturen van vluchtelingen naar Libië te vermijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jasper van Dijk en Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 63 (34775-VI).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ook Afghanistan is onveilig. Dat wordt door meerdere organisaties gezegd: de Verenigde Naties, Amnesty. Collega Groothuizen wees mij er gisteren op dat Duitsland toch weer overgegaan zou zijn op het terugsturen van Afghanen naar Afghanistan. Ik heb dat gecheckt. Het gaat met name om criminele Afghanen en dat vind ik nogal een toevoeging om rekening mee te houden. Volgens mij is evident dat het terugsturen van Afghanen nu onverantwoord is. De regering erkent dat impliciet door de beoordeling, dat ambtsbericht, naar voren te halen. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Afghanistan vanwege oorlog en aanslagen zeer onveilig is;

overwegende dat het ministerie van Justitie en Veiligheid om een nieuw ambtsbericht heeft gevraagd;

van mening dat het onverantwoord is tot die tijd mensen gedwongen uit te zetten naar Afghanistan;

verzoekt de regering tot de publicatie van het nieuwe ambtsbericht een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor Afghanistan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jasper van Dijk, Van Ojik en Kuiken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 64 (34775-VI).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Over het kinderpardon heeft collega Van Ojik een mooie motie ingediend die ik mede heb ondertekend.

Tot slot het goede nieuws. Staatssecretaris Harbers heeft toegezegd om mijn plan voor een eerlijkere verdeling van vluchtelingen te betrekken bij zijn eigen plan voor de flexibele opvang van vluchtelingen. Ik zie het met belangstelling tegemoet.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Het woord is aan meneer Groothuizen namens D66.

De heer Groothuizen (D66):

Voorzitter. Dank voor de beantwoording van alle vragen door de bewindslieden. Dank ook aan de ondersteuning voor het grote pakket papier dat wij vanochtend aantroffen.

Voorzitter, duidelijk is dat er de komende maanden veel op de Kamer afkomt. D66 zal daarbij scherp gaan letten op de balans in die voorstellen. Zoals de minister van Justitie terecht opmerkte vanochtend is de rechtsstaat bij uitstek het domein van de kunst van het vinden van het evenwicht. Toegang tot het recht is voor D66 daarbij van groot belang. De rechtsbijstand speelt daarin een heel grote rol. Ik denk dat iedereen het daarover eens is. Ik dien daarom de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er reeds verschillende rapporten zijn verschenen over de herziening van het stelsel voor gesubsidieerde rechtsbijstand;

overwegende dat in het regeerakkoord is opgenomen dat het stelsel van rechtsbijstand wordt herzien langs de lijnen van het rapport van de commissie-Wolfsen en het rapport van de commissie-Van der Meer;

overwegende dat — conform het regeerakkoord — de komende kabinetsperiode gekozen wordt voor herziening binnen de bestaande budgettaire kaders;

overwegende dat de herziening van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand een belangrijke rol kan spelen bij het moderniseren en vergemakkelijken van de toegang van burgers tot het recht;

verzoekt de regering langs de lijnen van de voorliggende rapporten, in nauw overleg met de Nederlandse orde van advocaten, het Juridisch Loket en de Raad voor Rechtsbijstand, rechtsbijstandsverzekeraars, de Raad voor de rechtspraak, het Openbaar Ministerie en andere relevante partijen te komen tot een beleidsvisie op hoofdlijnen ten aanzien van herziening van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, waarbij de toegang tot het recht is gewaarborgd, en deze visie rond het zomerreces van 2018 aan de Kamer toe te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van Dam en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 65 (34775-VI).

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik vraag mij af welk doel deze motie dient.

De heer Groothuizen (D66):

Deze motie dient te onderstrepen dat de Kamer heel veel belang hecht aan toegang tot het recht en dat de rechtsbijstand daarin een cruciale rol speelt. Dit om te markeren dat de minister, als hij daarmee aan de slag gaat, daar het grootste belang aan toekent.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Dat had de minister al onderkend en onderstreept. Concluderend constateer ik dat het puntensysteem nog steeds op de schop gaat en dat er 127 miljoen wordt bezuinigd. Dus nogmaals: welk doel dient nou deze motie?

De heer Groothuizen (D66):

Dat is dat de Kamer daar een heel duidelijke uitspraak over doet.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Wel een beetje in dezelfde lijn: ik probeer te begrijpen op welke wijze u denkt dat dit verschilt van wat de minister sowieso al van plan was.

De heer Groothuizen (D66):

Ik heb de minister heel goede dingen horen zeggen, maar ik vind het heel erg van belang dat de Kamer zich uitspreekt, heel nadrukkelijk, over dit heel belangrijke punt. U hebt daar heel veel vragen over gesteld en u staat ook nu weer aan de interruptiemicrofoon. Ik vind het gewoon van belang dat dat de Kamer glashelder maakt dat dit cruciaal is voor de invulling van het nieuwe stelsel van rechtsbijstand.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Oké, dus ik begrijp dat deze motie vooral dient om het punt dat in het regeerakkoord staat nog eens een keer door alle parlementariërs hier, althans in elk geval die van die vier partijen, bevestigd te krijgen. Want voor de rest staat er werkelijk niets nieuws in.

De heer Groothuizen (D66):

Nee. Dan heeft mevrouw Buitenweg niet goed geluisterd. De motie dient ertoe dat de Kamer uitspreekt dat bij de herziening van het stelsel van rechtsbijstand de toegang cruciaal is en dat de minister met alle partijen in overleg moet om te komen tot een systeem dat die toegang waarborgt.

De heer Van Nispen (SP):

Dit is een beetje een schaamlap. Dit is gewoon een schaamlap. Dit is een motie die niets meer uitspreekt dan wat we allemaal al weten, namelijk dat de rechtsbijstand, de toegang tot het recht voor mensen met lage inkomens, belangrijk is, zodat rechtszoekenden niet de dupe zijn. Wat laat D66 zich hier kennen. Kan ik hieruit concluderen dat u de motie die de SP net heeft ingediend en die alleen maar zegt "ga met iedereen in gesprek, maar zorg er in elk geval voor dat niet op voorhand vaststaat dat het doel is om te bezuinigen" niet gaat steunen? Is dat de conclusie?

De heer Groothuizen (D66):

We hebben het daar gisteren volgens mij al uitgebreid over gehad. Herziening moet plaatsvinden binnen de budgettaire kaders. Ik heb u toen uitgelegd dat ik het heel erg onverstandig vind om van tevoren al te zeggen dat we er een zak geld bij gaan doen en dat het veel verstandiger is — ik ga niet alles herhalen wat ik gisteren heb uitgelegd — om aan te sturen op een aantal cruciale hervormingen, onder andere ten aanzien van de perverse prikkels in het systeem.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Nee, D66 doet precies het omgekeerde. D66 zegt nu: we gaan er op bezuinigen en dan kom ik met een motie waarin ik uitspreek dat ik het allemaal heel erg belangrijk vind. Mooie woorden, geen daden. Ontzettend jammer dat we D66 zijn verloren als hoeder van de rechtsstaat.

De heer Groothuizen (D66):

Volgens mij trekt de heer Van Nispen conclusies die nergens op gestoeld zijn. Ik stel dan ook maar vast dat hij in zijn verhaal over rechtsbijstand ook continu de feiten negeert, onder andere dat mensen met kleine beurs gewoon bijzondere bijstand kunnen aanvragen voor griffierecht. Daar heb ik meneer Van Nispen nooit over gehoord. Volgens mij neemt meneer Van Nispen zelf een loopje met de waarheid en probeert hij dat mij nu aan te wrijven.

De voorzitter:

Dan voelt de heer Van Nispen zich gedwongen om een korte reactie te geven. Daarna ga ik naar de heer Azarkan.

De heer Van Nispen (SP):

De heer Groothuizen moet mij interrumperen als hij mij iets hoort zeggen wat niet klopt en niet als ik niet meer de gelegenheid heb om te reageren met een of andere valse en ook onjuiste beschuldiging komen. Zo gaan we dat niet doen.

De voorzitter:

Daarom krijgt u nu de kans om te reageren. Dan de heer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):

Ook ik sta hier met mijn ogen te knipperen en klapperen. Ik begrijp die hele motie niet. U hebt de mogelijkheid om iets te doen aan de toegankelijkheid van het rechtssysteem voor mensen met een kleine beurs. Er worden allerlei voorstellen gedaan door collega's. U hebt nota bene in uw verkiezingscampagne een geweldig interview gegeven waarin u hebt gezegd hoe belangrijk u het vindt. U steunt geen enkel initiatief en nu komt u met holle frasen. U voedt het cynisme in de politiek en het wantrouwen.

De heer Groothuizen (D66):

Ik heb de vraag even gemist, voorzitter.

De heer Azarkan (DENK):

Ik zal mijn vraag even herhalen.

De voorzitter:

Nee, doe maar niet.

De heer Azarkan (DENK):

Bent u het met mij eens dat u hiermee het cynisme in de politiek vergroot en het vertrouwen daarmee lager maakt?

De heer Groothuizen (D66):

Nee. Voorzitter, ik vervolg mijn betoog.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Groothuizen (D66):

Straf is een wezenlijk onderdeel van de strafrechtelijke handhaving van onze rechtsorde. Als we Nederland echt veiliger willen maken, moeten we vooral voorkomen dat mensen weer terugkomen in de gevangenis. Vroegtijdig werken aan resocialisatie is daarom essentieel. Daarom dien ik een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er keuzes liggen voor het nieuwe kabinet als het aankomt op de te volgen koers van de sanctie-uitvoering;

overwegende dat het regeerakkoord stelt dat bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen resocialisatie en reclassering steviger worden gepositioneerd;

overwegende dat onderwijs, werk en begeleiding tijdens detentie bijdragen aan een kansrijke terugkeer en het risico op recidive verminderen;

overwegende dat op dit moment de reclassering vaak pas in beeld komt tijdens de detentiefasering;

verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken om het re-integratiebeleid in alle p.i.'s zo te organiseren dat alle gedetineerden direct bij binnenkomst in de p.i. gescreend worden op de vijf basisvoorwaarden en daarnaast de reclasseringsorganisaties een structurele adviserende rol bij deze screening te geven zoals geadviseerd door de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming in het rapport Van detineren naar re-integreren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van der Graaf en Van Dam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 66 (34775-VI).

De heer Van Oosten (VVD):

Ik heb een korte vraag naar aanleiding van deze motie. Kan de heer Groothuizen mij uitleggen wat dan de relatie is tussen de reclassering en de directie van de betreffende gevangenis? Hoe verhouden die zich tot elkaar? Ik zeg het even heel strikt. Je hebt de directeur van de gevangenis en je hebt de reclasseringsmedewerker. Wie is de baas?

De voorzitter:

Mijnheer Groothuizen, wie is de baas?

De heer Groothuizen (D66):

Ik neem aan dat de baas van de reclasseringsmedewerker gewoon de baas van de reclassering is, maar dat lijkt me meer een vraag voor de minister. Maar het gaat erom dat je eigenlijk al op het moment dat iemand binnenkomt in de gevangenis kijkt of die cruciale voorwaarden voor het moment dat iemand eruit komt, goed zijn ingevuld. Dus ik zie eerlijk gezegd niet zo'n vermenging van personeelsbeleid daarin. Maar misschien zie ik iets over het hoofd. Dan hoor ik graag het antwoord van de minister daarop.

De heer Van Oosten (VVD):

Ook nu zou ik willen verzoeken specifiek deze vraag door te geleiden naar de minister.

De voorzitter:

Doorgeleiden. Dank u wel.

De heer Groothuizen (D66):

Voorzitter. Ik kom tot slot op het thema asiel en migratie. Het is goed dat de staatssecretaris aan de slag gaat met het flexibele asielsysteem. Ik hoop wel dat hij daarmee vaart gaat maken, temeer daar het programma over de flexibele asielketen al is gestart. Het is heel goed dat hij de maatregelen die al genomen kunnen worden, ook gaat nemen. Mocht dat zo zijn, dan hoop ik dat hij de informatie daarover zo snel mogelijk naar de Kamer zal sturen.

Een wezenlijk onderdeel van rechtshandhaving en -toepassing is dat we kwetsbare mensen in bescherming nemen. Bekeerde christenen en homoseksuele asielzoekers die bescherming zoeken in Nederland, vormen wat mij betreft bij uitstek zulke kwetsbare groepen. Het is dan ook van het grootste belang dat we zorgvuldig omgaan met asielverzoeken van hen. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van groot belang is dat alle asielverzoeken met grote zorgvuldigheid worden behandeld;

overwegende dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeerde christenen en van de seksuele gerichtheid van asielzoekers die hun vrees voor vervolging hierop baseren met voldoende waarborgen omgeven moet zijn;

verzoekt de regering te onderzoeken of de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeerlingen en de seksuele gerichtheid van asielzoekers kan worden verbeterd en hiertoe met voorstellen te komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Azmani, Van Toorenburg en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 67 (34775-VI).

Mijnheer Jasper van Dijk, ik zie u steeds zoeken op uw mobiel. Kunt u het vinden?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dank, voorzitter. Ik was beleefd aan het wachten tot ik het woord zou krijgen. En ik zit niet in de auto, hè.

De voorzitter:

Nou, er wordt namelijk ook veel geklaagd over het gebruik van mobiele telefoons in de zaal. Maar gaat u verder.

De heer Jasper van Dijk (SP):

We laten ons niet afleiden.

Ik wil een vraag stellen over het kinderpardon. Er is een mooie motie ingediend door collega Van Ojik en mijzelf. Ik hoop natuurlijk dat u die steunt. Een tijdje terug was er de kwestie van die Armeense moeder met haar twee kinderen. Ze waren negen jaar hier in Nederland. Daarover heeft uw partijleider Alexander Pechtold gezegd: ja, dat is pijnlijk, die kinderen moeten hier gewoon blijven. Vindt u dat ook nog steeds?

De heer Groothuizen (D66):

Ik moet u eerlijk zeggen dat ik mij dat citaat niet kan herinneren. Voor de rest ken ik het dossier niet en vind ik het niet heel erg passend als ik nu, als Kamerlid, in zou gaan op individuele gevallen. Ik heb me niet kunnen verdiepen in dat dossier. In mijn vorige functie had ik vaak met allerlei individuele zaken te maken. Op grond daarvan weet ik dat je over individuele zaken alleen iets moet zeggen als je een volledig beeld hebt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zie nu net het bericht op mijn mobiel — daarom keek ik daarop — dat die kinderen in een vertrouwde omgeving in Nederland mogen blijven. De voorganger van deze staatssecretaris, staatssecretaris Dijkhoff zei: nee, ze moeten gewoon terug naar Armenië. Uw partijleider zei over die individuele gevallen: dat is pijnlijk en dat zou eigenlijk niet zo moeten gebeuren. Ik vraag: bent u het nog steeds eens met uw partijleider, ja of nee?

De heer Groothuizen (D66):

Dit soort zaken is altijd schrijnend. Het gaat over kinderen, het gaat over mensen die terug moeten naar hun land omdat een rechter dat zo heeft geoordeeld, maar die daar natuurlijk helemaal niet op zitten te wachten. Daar heb ik alle begrip voor en dat zijn ook schrijnende gevallen. Ik heb u alleen gezegd: ik kan geen uitspraken doen over een individuele casus omdat ik gewoon dat dossier niet ken. U houdt mij nu een bericht voor dat ik nog niet heb kunnen lezen. Als het zo is als u zegt, is dat voor die kinderen heel erg goed nieuws en ben ik blij om dat te horen. En voor de rest ga ik dadelijk zelf de berichtgeving volgen.

De heer Azarkan (DENK):

In de laatste motie gaat het om groepen waar zorgvuldig naar moet worden gekeken. U noemt terecht twee kwetsbare groepen. Mag ik de motie zo verstaan dat haar strekking is dat dit geldt voor mensen die een religie aanhangen die een minderheid vormt, en die daardoor in gevaar zijn? Geldt het bijvoorbeeld ook voor Rohingya-moslims?

De heer Groothuizen (D66):

Ik heb daar nog nooit over nagedacht. Ik snap de vraag. We hebben het nu over bekeerde christenen. Ik kan me eerlijk gezegd en logischerwijs niets anders voorstellen dan dat dit ook geldt voor anderen mensen die bekeerd zijn en daardoor in de knel komen. Daarvoor zou hetzelfde systeem moeten volgen. Ik moet u wel zeggen dat ik nog nooit van zo'n casus heb gehoord. Wij zijn benaderd door allerlei organisaties over homoseksuele asielzoekers. Ik ben benaderd door organisaties over bekeerde christenen. Deze casus is mij nooit voorgelegd, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen.

De voorzitter:

Goed, dank u wel. Ik geef nu het woord aan de heer Verhoeven namens D66.

De heer Verhoeven (D66):

Voorzitter, dank. Dank aan de bewindspersonen en inderdaad ook aan de ambtenaren voor het harde werk en de beantwoording.

Mooi om te zien dat de moties van mijn collega Groothuizen de linkse samenwerking weer een beetje leven in hebben geblazen. Dat is altijd goed. Een goed kabinet en een goede coalitie hebben ook een goede oppositie nodig. Laat de samenwerking de komende tijd goed gaan tussen ons allen, zodat we hier de rechtsstaat kunnen hoeden, zeg ik tegen de heer Van Nispen. D66 zal nog steeds een hoeder van de rechtsstaat blijven. Daar hoeft hij zich geen enkele zorgen over te maken, ook als we het een keer niet met elkaar eens zijn.

Over terreur: dank aan de minister voor de toezegging, of in ieder geval de bevestiging van mijn zorg, dat ook de lokale aanpak een belangrijke prioriteit blijft in de aanpak van terreur. Dat is namelijk een onderdeel van een effectieve aanpak van terrorisme, waarbij zowel de preventieve als de repressieve aanpak gevolgd wordt. Daarbij zal D66 altijd blijven zoeken naar een goede balans tussen veiligheid en vrijheid door middel van effectieve maatregelen zonder een al te hoog symbolisch gehalte, wat we in vorige periodes nog weleens zagen.

Op het gebied van cybersecurity kan ik niet anders dan heel tevreden zijn met de inzet van het kabinet. Ik denk dat het zelfs historisch is dat cybersecurity tot topprioriteit van het ministerie is uitgeroepen. Ik denk dat dat ook terecht is. Het is jarenlang een onderschat onderwerp geweest, maar het is nu een onderwerp waarbij we ons moeten hoeden voor versnippering. Ik heb de minister ook horen zeggen dat hij daarom de samenwerking tussen de verschillende betrokken ministeries zo structureel mogelijk wil maken en dat het niet bij een eenmalig overleg tussen alle betrokkenen blijft. Dat lijkt me heel goed. Ik zou hem nogmaals de suggestie willen meegeven om ook het ministerie van VWS erbij te betrekken. Dat zeg ik omdat bij de ransomwareaanval deze zomer met name de ziekenhuizen het hardst getroffen zijn. Er waren zelfs patiënten die geen chemokuur konden krijgen. Dat zijn echt wel belangrijke gevolgen waar je over na zou moeten denken. Ik hoop dat dat tot de mogelijkheden behoort.

Dank ook voor het aan de Kamer laten van het oordeel over het amendement dat ik samen met mevrouw Kuiken heb ingediend over de opensource-encryptieprojecten.

Tot slot dien ik één motie in. De heer Azmani diende er nul in, maar ikzelf zal er dan één indienen. Die luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het grote strategische en maatschappelijke belang van cybersecurity vraagt om een ambitieuze inzet op onderzoek naar cybersecurity;

overwegende dat er grote behoefte bestaat in het bedrijfsleven, de overheid en de wetenschap aan voldoende expertise op het gebied van cybersecurity;

overwegende dat een instituut op het gebied van cybersecurity zowel fundamenteel als toegepast onderzoek kan samenbrengen, alsook publieke en private middelen;

constaterende dat de regering zich gaat inspannen om kennis en middelen op het gebied van cybersecurityonderzoek te bundelen;

verzoekt de regering de mogelijkheid te onderzoeken om een instituut voor onderzoek op het gebied van cybersecurity op te richten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Verhoeven en Arno Rutte. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 68 (34775-VI).

De heer Verhoeven (D66):

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef nu mevrouw Kuiken namens de PvdA het woord.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor hun antwoorden. Velen hebben dit debat met belangstelling gevolgd om te zien hoe u het deed. Ik denk dat het nog te vroeg om te oordelen, want veel onderwerpen gaan we nog in en de echte dossiers moeten nog komen. Maar we hebben een goede start met elkaar gemaakt.

Voorzitter. Ik wil de bewindspersonen ook danken voor het overnemen van een aantal amendementen die we hebben ingediend, onder andere het amendement over mediation. We hadden graag iets meer gewild, maar soms moet je je tevredenstellen met iets minder. Maar we knokken natuurlijk door. Twee is het amendement dat net genoemd is door de heer Verhoeven over opensource-encryptie. Ik dank de minister ook voor zijn toezegging over het evalueren van tbs na twee jaar.

Voorzitter. Ik dien toch nog een motie in, en dat wil ik even toelichten. Die gaat over de vraag — ik krijg daar nog een antwoord op; ik denk van minister Grapperhaus — hoe we omgaan met het onderzoek naar de aangifte van zedenmisdrijven, van seksueel geweld. Het is op zichzelf goed dat het onderzoek er komt, maar wij willen heel graag dat de ervaringen van de slachtoffers, het ongemak dat ze hebben gevoeld, daarin worden meegenomen. Het zijn niet alleen de zaken die de media halen, het zijn ook de mails die we nu krijgen; jonge meisjes die weggestuurd worden en alleen door de GGD worden opgevangen en die ook bij herhaling geen aangifte mogen doen, ook als de bedenktermijn al voorbij is en ook als er meerdere slachtoffers zijn. Het zijn ook de verhalen over de bejegening. Je moet erop aandringen om aangifte te mogen doen. Ik hoor ook dat er grote verschillen zijn tussen de korpsen. Daarom wil ik dat hiernaar specifiek gekeken wordt. Ik dien nu een motie in, maar ik hoop dat er een goede toezegging komt en dan kan ik haar altijd aanhouden.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat slachtoffers van zedenmisdrijven vaak een drempel ervaren om aangifte te doen;

overwegende dat uit recent onderzoek blijkt dat een deel van de slachtoffers hun contact met de politie als negatief heeft ervaren;

overwegende dat de minister beziet hoe de meldingsbereidheid verder kan worden bevorderd;

verzoekt het kabinet in dit onderzoek ook nadrukkelijk de ervaringen van slachtoffers zelf en de verschillen per regio in kaart te brengen;

verzoekt het kabinet voorts te komen tot een standaardaanpak, zodat de bejegening van zedenslachtoffers optimaal kan worden verbeterd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kuiken en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69 (34775-VI).

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Daarmee ben ik rond. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van der Graaf namens de ChristenUnie.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel voor het woord. Gisteren sloot ik mijn bijdrage af met de opmerking dat er op deze bewindspersonen een heel grote verantwoordelijkheid rust als het gaat om het werk maken van recht en gerechtigheid en daarmee ook van het dienen van de vrede in de samenleving. Zij hebben vandaag alle drie in hun eigen woorden aangegeven hoe zij daaraan invulling willen geven. Ik zie dat met vertrouwen tegemoet en ik zie uit naar de samenwerking.

Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor de uitvoerige beantwoording, zowel schriftelijk als mondeling, hier vandaag in de zaal. Ik dank hen ook voor de positieve waardering van de amendementen die ik samen met collega's heb ingediend, onder andere over het vrijwilligerswerk onder gevangenen om de terugkeer naar de samenleving te verbeteren en over de geestelijke ondersteuning bij de politie. Het is goed om te vernemen dat eraan gewerkt wordt om dat nu ook structureel een plek te geven binnen het korps.

Ik dank de minister voor zijn antwoorden over de experimenten met de buurtrechter. Ik proef uit zijn antwoorden dat hij hierin een kans ziet om de rechtspraak te vernieuwen en om drempels te verlagen voor mensen om hun recht te kunnen halen. Hij heeft aangegeven dat hij binnen de bestaande wetgeving ruimte wil bieden en zo nodig met een wetsvoorstel komt om de experimenten die dat nodig hebben de ruimte te bieden door een experimenteerbepaling in te voegen. Ik zie dat graag tegemoet.

Dank aan de staatssecretaris voor zijn inzet als het gaat om de aanpak van mensenhandel en illegale prostitutie. Ik heb er vertrouwen in dat hij het probleem ziet en ik zie uit naar het plan dat eraan zit te komen, al op korte termijn. Dan praten we er graag over door.

Voorzitter. Dan de politie. Vanmorgen werden wij onaangenaam verrast door berichten in de krant dat er in Noord- en Oost-Nederland honderden agenten moeten worden ingeleverd. Dit leidt tot veel onrust. De minister gaf vanmorgen aan dat de berichten voorbarig zijn, maar daarmee is de onrust nog niet weg. In de motie die ik vandaag samen met de heer Van Dam en de heer Rutte heb ingediend, vragen we de minister om ons nog in december te informeren over de verdeling van de huidige capaciteit over de regio's, maar ook van de extra capaciteit, die we juist met de extra middelen uit het regeerakkoord kunnen inzetten. Bij de verdere plannen zal de ChristenUnie dan ook zeker het belang van de politiesterkte in de regio meewegen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Voordewind, namens de ChristenUnie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn welwillende antwoorden. Ik loop nog even een aantal punten kort na. Ik had een motie in voorbereiding over de rechtsbijstand en de advisering over het voornemen tot een afwijzing alsook om voldoende tijd te vragen voor het bepalen van de zienswijze door de advocaat. Ik heb begrepen van de staatssecretaris dat hij deze zorgen serieus neemt en dat hij hiervoor met voorstellen naar de Kamer komt. Die motie is dus niet meer nodig.

Wat betreft de bekeerlingen en de lhbt's heb ik begrepen dat de staatssecretaris gaat kijken hoe in de procedure de beoordeling verbeterd kan worden en dat ook de aanbevelingen van het WODC, als die daaruit voortvloeien, meegenomen worden. Daarbij wordt de commissie-Plaisier ook betrokken. We hebben als coalitie een motie ingediend om dat nog eens een keer te benadrukken. Die motie komt dus gewoon in stemming.

Ten slotte heb ik wat betreft Afghanistan nog even nagezocht wat de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, precies heeft gezegd. Ik citeer dat in het Nederlands: "De UNHCR is geen voorstander van terugkeer van vluchtelingen naar Afghanistan gegeven het voortdurende conflict en gegeven het gebrek aan opnamecapaciteit." Dat is de zin die ik heb teruggevonden over de beoordeling van de situatie in Afghanistan op dit moment. Ik geef hem de staatssecretaris mee. Ik heb zijn reactie gehoord. Ik hoor nog graag zijn reactie op dit citaat.

Tot zover, voorzitter. Ik wens de staatssecretaris veel wijsheid toe in de uitvoering van de vele en mooie plannen die in het regeerakkoord staan. Dank u wel.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Wij delen de zorgen van de heer Voordewind over terugkeer naar Afghanistan, zeker ook gezien lessen uit het verleden. Maar wat verwacht u dat het kabinet, waar u in ieder geval als coalitiepartner ook deel van uitmaakt, gaat doen?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik heb niet voor niks dit citaat nog even aan de staatssecretaris meegegeven. Ik wacht op dat punt de tweede termijn van de staatssecretaris af.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Maar de conclusie ligt er al. De staatssecretaris zegt dat hij geen moratorium gaat afkondigen, terwijl dat wel het verzoek is. Gaat u daarmee akkoord?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Nogmaals, ik heb een vraag gesteld en een citaat voorgelegd aan de staatssecretaris. Ik vind het netjes als de staatssecretaris de kans krijgt om daarop te reageren. Ik wacht dat dus af.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat gaan we dan afwachten. We hopen natuurlijk op uw steun op onze motie voor een moratorium. Ik had nog een andere vraag: de vraag die ik net ook aan de heer Groothuizen stelde over de kinderen van de Armeense moeder die nu van de rechter in een vertrouwde omgeving mogen blijven. Uw partij heeft daar ook zorgen over geuit toen dit speelde. Kunt u ons vertellen hoe u zou willen dat deze zaak wordt bezien in het licht van het kinderpardon?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik ken de zaak. Ik heb net ook gelezen, toen de heer Van Dijk deze zaak hier aan de orde stelde, dat de kinderen weer in een vertrouwde omgeving mogen worden opgevangen. Dat is winst. Ik wist hoe lastig de situatie was. Ik ga nu echter geen uitspraken doen over hoe het verdergaat. Daarvoor doen we heel veel werk achter de schermen, maar niet voor de schermen, juist in het belang van die kinderen.

De voorzitter:

De heer Jasper van Dijk, tot slot.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De voormalige staatssecretaris heeft altijd gezegd: deze kinderen moeten herenigd worden met hun moeder en bij voorkeur in Armenië. Mag ik ervan uitgaan dat u achter de schermen uw best doet om ervoor te zorgen dat ze in Nederland mogen blijven?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Als ik dat zou zeggen, zou ik niet meer achter de schermen op dingen reageren. Ik waardeer de inzet van de SP-fractie voor individuele gevallen enorm. Ik ken die inzet al jarenlang, ook van collega Gesthuizen. Ik denk dat we de zaak van kinderen het beste dienen door dit achter de schermen te doen als het gaat om individuele gevallen.

De voorzitter:

Dank u wel. O, de heer Fritsma had ook nog een vraag.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter, het parlement moet zijn controlerende taak natuurlijk kunnen uitoefenen. Als de heer Voordewind van een regeringspartij zegt dat er achter de schermen allemaal dingen geregeld worden, dan kan ik dat natuurlijk niet controleren. Wat wordt er precies geregeld achter de schermen? Waar slaat dit op?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De Kamer doet er goed aan om beleidsmatig zaken met dit kabinet te bespreken. Daarbij hebben wij een controlerende werking. Individuele Kamerleden hebben echter ook het recht om discretionaire verzoeken voor te leggen aan de staatssecretaris. Maar daar ga ik in het openbaar geen uitspraken over doen, want dat zou de ruimte en de mogelijkheden van de staatssecretaris beperken om daar ja of nee op te zeggen.

De heer Fritsma (PVV):

Dit is dus heel kwalijk. Individuele Kamerleden gaan een beetje IND'tje spelen, zo van: wie mag blijven en wie mag niet blijven? Ze gaan naar de staatssecretaris toe met individuele zaken om druk uit te oefenen zodat mensen mogen blijven. Wat is dit voor rare achterkamertjespolitiek? U houdt de oppositie en de Kamer gewoon helemaal buiten uw eigen vreemdelingenbeleid, dat u met deze staatssecretaris bekokstooft. Dat kan toch niet! Voorzitter, via u wil ik de staatssecretaris vragen om nu openheid van zaken te geven — dat mag schriftelijk — en om aan te geven wat hier gebeurt.

De voorzitter:

Dank. Helder.

De heer Fritsma (PVV):

Want ik wil mijn controlerende taak kunnen uitoefenen. En als aanvulling, voorzitter: juist hierdoor gaan uitgeprocedeerde asielzoekersgezinnen dus nooit meer weg, hè.

De voorzitter:

U heeft uw punt gemaakt, meneer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV):

Ja, maar dat is belangrijk om aan te geven, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, heel belangrijk. Ik geef het woord aan de heer Voordewind.

De heer Fritsma (PVV):

Dit zijn mensen die van een rechter te horen hebben gekregen dat ze weg moeten en dat gebeurt niet, omdat u, ik bedoel mensen zoals de heer Voordewind, met de staatssecretaris gaan zitten bekokstoven dat het niet hoeft.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Voordewind. Nee, meneer Fritsma, de heer Voordewind krijgt het woord.

De heer Fritsma (PVV):

Dat is precies het probleem.

De voorzitter:

Dank u. U heeft uw punt gemaakt. Echt.

De heer Fritsma (PVV):

Ja, maar dat is wel heel belangrijk, want hier gebeuren gewoon dingen waar niemand vat op heeft.

De voorzitter:

Nee, nee nee! Het woord is aan de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Als de heer Fritsma bezwaar heeft tegen de discretionaire mogelijkheden van deze staatssecretaris, dan kan hij daar een punt over maken. Hij kan daar een motie over indienen. Ik heb die motie niet gezien. Tot nu toe is de Kamer zeer eenstemmig over de bevoegdheden van de staatssecretaris. De staatssecretaris ziet daarop toe. Als mensen, vluchtelingen, tussen wal en schip vallen en er sprake van schrijnende situaties is, dan heeft hij de mogelijkheid om daar ja of nee op te zeggen. Daar wordt zelfs openheid van zaken over gegeven, één keer per jaar. Als u het daar niet mee eens bent, dan moet u de discussie met de staatssecretaris aangaan.

De voorzitter:

Dan ga ik nu naar de heer Krol. Hij spreekt namens 50PLUS.

De heer Krol (50PLUS):

Mevrouw de voorzitter. Ik wil de ministers en de staatssecretaris hartelijk danken voor hun uitgebreide schriftelijke antwoorden. Dank ook aan de ambtenaren die vannacht kennelijk overuren hebben gemaakt.

Het antwoord over een eventueel Europees wetboek van strafrecht neemt onze zorg hierover voorlopig weg. Ik spreek tegelijkertijd de verwachting uit dat de Kamer erover geïnformeerd zal worden, mochten er zich nieuw ontwikkelingen voordoen. Ik verwacht dan ook dat het kabinet alles in het werk zal stellen om het uit handen geven aan Europa te stoppen.

Ook dank voor het antwoord over jonge kinderen van jihadisten. De manier waarop deze jonge kinderen worden opgevangen geeft ons vertrouwen in een zorgvuldige aanpak.

De minister zegt toe om de Kamer voor de kerst te informeren over de strafrechtelijke aanpak van leeftijdsdiscriminatie. Mijn fractie ziet het standpunt met grote belangstelling tegemoet. 50PLUS juicht het onderzoek naar het verplichte leeftijdsontslag van rechters en rechters-plaatsvervangers toe. Wel willen we vandaag graag horen wanneer we die resultaten mogen verwachten.

In het schriftelijk antwoord op onze vragen antwoordt de minister dat het kabinet het openbare-ordebegrip concreter gaat invullen om antidemocratische organisaties beter te kunnen aanpakken. Hij noemt dan met name extremistische organisaties die structureel aanzetten tot geweld of haatzaaien. Ik vraag me dan af: is één keer aanzetten tot geweld of haat niet voldoende om met lik-op-stukbeleid door te pakken? Hoe stoppen we organisaties die antidemocratische sentimenten aanwakkeren?

Ten slotte kom ik op de boa's en de gemeentelijke handhaving. Ik lees dat de minister alle ruimte biedt voor een eigen handhavingsbeleid en -prioriteiten. En ja, we begrijpen dat elke gemeente haar eigen problematiek kent — in een gemeente zonder parkeeroverlast, hoef je geen parkeerwachters in te zetten — maar dat was niet ons punt. Ons punt is: wie houdt de regie op het handhaven van de openbare orde als geheel? Hoe voorkomen we dat er in de ene gemeente een andere aanpak ontstaat dan in de andere gemeente, bijvoorbeeld een buurgemeente? De reactie van de minister geeft de indruk dat er geen regie nodig zou zijn. De fractie van 50PLUS denkt daar toch echt heel anders over. Bij het overhevelen van zorgtaken naar de gemeenten zagen en zien we een vergelijkbare problematiek. Het is afhankelijk van de gemeente waarin je woont welke zorg beschikbaar is. Dat zou niet moeten en dat zouden we op dit vlak ook niet willen. Daarom graag een aanvullende reactie van de minister.

Ik dank u wel, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Krol. Dan ga ik naar de heer Van der Staaij, namens de SGP.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Dank aan de bewindslieden voor de beantwoording. Het is bepaald geen overbodige luxe om drie bewindslieden te hebben, zo hebben we gemerkt aan de veelheid van onderwerpen die vandaag en gisteren langskwamen.

Ik wil mij beperken tot het indienen van twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal alcoholcontroles in drie jaar tijd is gehalveerd;

van mening dat de bescherming van mensenlevens noodzaakt tot het streng aanpakken van alcoholgebruik in het verkeer;

verzoekt de regering te bevorderen dat hoge prioriteit wordt gegeven aan de aanpak van rijden onder invloed van alcohol en de urgentie hiervan onder de aandacht te brengen van politie en Openbaar Ministerie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Staaij, Kuiken en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70 (34775-VI).

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Dan de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een geloofwaardig drugsbeleid noodzaakt tot handhaving van de gestelde criteria;

overwegende dat het ingezetenencriterium vijf jaar geleden is toegevoegd aan de AHOJ-GI-criteria, maar nog niet in alle gemeenten wordt gehandhaafd;

constaterende dat het voornemen is binnen zes maanden te komen met een regeling rond experimenten voor gereguleerde wietteelt;

verzoekt de regering alle gestelde criteria te handhaven en in ieder geval niet te accepteren dat gemeenten die niet alle criteria hanteren en daadwerkelijk handhaven, gaan experimenteren met gereguleerde wietteelt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71 (34775-VI).

De heer Van der Staaij (SGP):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Bisschop, ook namens de SGP.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Allereerst dank aan de bewindslieden voor de beantwoording van de vragen. Die werd zeer gewaardeerd.

De zaken ten aanzien van de asielprocedures en alles wat daarmee samenhangt, wachten we graag verder af. Er zitten wat dingen in de pijplijn.

Op het terrein van de politie wil ik mij beperken tot één motie. Er was even wat discussie tussen de minister en mij over de verhouding van 1 politieagent op 5.000 inwoners. Mijn vraag aan de minister was of dat als minimum gehanteerd kan worden. De minister meldde toen dat het zo niet in de wet staat, maar dat dit wel het geval zou zijn als in de wet zou staan dat ten minste 1 wijkagent werkzaam zou moeten zijn per 5.000 inwoners. Welnu, dat is nu precies de formulering in het wetsartikel. Wij komen hiermee de minister te hulp. Mijn motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in de achterliggende jaren de prioriteit heeft gelegen bij de invoering van de nationale politie en dat mede daardoor niet in alle gemeenten daadwerkelijk het aantal wijkagenten is waar de wet recht op geeft;

constaterende dat de Politiewet 2012 in de artikelen 1 en 38a over de wijkagent uitdrukkelijk stelt dat hij "ten behoeve van een gemeente beschikbaar is voor de uitvoering van de politietaak" en dat er "ten minste één wijkagent werkzaam per 5.000 inwoners" is;

van mening dat er dus een wettelijke plicht is om ten minste ook voor elke 5.000 inwoners één wijkagent werkzaam te hebben en dat gemeenten hier recht op hebben;

verzoekt de regering ervoor zorg te dragen dat gemeenten in de praktijk ook werkelijk in ieder geval de beschikking hebben over de wettelijk gegarandeerde wijkagenten en de Kamer voor 1 april 2018 te berichten op welke wijze de wettelijke norm wordt gehandhaafd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bisschop, Helder, Kuiken, Krol, Hiddema en Azarkan.

Zij krijgt nr. 72 (34775-VI).

De heer Bisschop (SGP):

Dank u zeer.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Azarkan namens DENK.

De heer Azarkan (DENK):

Voorzitter, dank. Ook ik dank de bewindslieden voor hun beantwoording. Ik dank ook de ambtenaren die hard hebben gewerkt om 74 kantjes aan antwoorden te dichten. Ik ben over niet alle antwoorden tevreden, vandaar dat ik een viertal moties heb.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering wil gaan experimenteren met buurtrechters die regelmatig in de buurt zitting hebben, een klein bedrag aan griffiekosten vergen en zich richten op juridisch eenvoudige zaken;

verzoekt de regering bij de benoeming van buurtrechters te streven naar zo veel mogelijk diversiteit, zodat de buurtrechters een zo goed mogelijke afspiegeling van de samenleving zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73 (34775-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat De Geschillencommissie zowel consumenten als bedrijven helpt bij klachten en geschillen op allerlei gebieden, waaronder ook de zorg;

constaterende dat De Geschillencommissie voor een groot deel wordt gefinancierd door het bedrijfsleven zelf en voor een klein deel door de overheid;

van mening dat De Geschillencommissie een laagdrempelige route is en dat er duurdere rechtszaken voor terugkomen als deze alternatieve procedure zou verdwijnen;

verzoekt de regering haar bijdrage aan De Geschillencommissie niet te verlagen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Azarkan, Van Nispen en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74 (34775-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering van plan is om de Raad voor Rechtsbijstand en het Juridisch Loket juridisch samen te voegen om zo "de eerstelijnshulp beter te stroomlijnen";

verzoekt de regering voor de samenvoeging van de Raad voor Rechtsbijstand en het Juridisch Loket een nulmeting te doen op een aantal relevante indicatoren en na de samenvoeging nieuwe metingen te doen om te kijken welke effecten de samenvoeging heeft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75 (34775-VI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat begin deze maand het zwartboek "Assistentie collega" aan de korpschef is aangeboden, met daarin verhalen over discriminatie binnen de politieorganisatie;

constaterende dat de korpschef en de minister geschokt op het zwartboek hebben gereageerd en zich hard tegen discriminatie hebben uitgesproken;

constaterende dat de minister heeft gezegd dat er meer instrumenten te bedenken zijn om de cultuur bij de politie te veranderen;

verzoekt de regering in kaart te brengen welke extra instrumenten mogelijk zijn om de cultuur bij de politie te veranderen en de Kamer daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76 (34775-VI).

De heer Azarkan (DENK):

Rest mij nog één ding recht te zetten, voorzitter. Ik heb in mijn interruptie het woord "krokodillentranen" gebruikt bij de heer Voordewind, die mij daarop heeft aangesproken. Dat is niet netjes. De heer Voordewind heeft in de afgelopen jaren als Kamerlid altijd gestreden voor een ruimer kinderpardon. Dat is niet gelukt, maar dat is niet aan hem te wijten. Hij heeft uitstekend werk geleverd, dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan ga ik nu naar de heer Hiddema, namens Forum voor Democratie.

De heer Hiddema (FvD):

Voorzitter. Ik heb een viertal moties. Die heb ik gisteren al aangekondigd, dus een toelichting vooraf is niet nodig. Ze zijn gisteren al ingekaderd. Ik moet zeggen dat ik denk dat de lengte van de moties ook wel zal bijdragen aan duidelijkheid over de strekking ervan, dus ik steek maar van wal.

Motie 1 behandelt de introductie van het legaliteitsbeginsel, wat mij zinvol lijkt. Ik heb deze voor mijzelf de titel meegegeven: doe eens wat!

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterend dat al jarenlang uit onderzoek blijkt dat het met de opsporingspercentages slecht is gesteld en de burgers ontevreden lijken over de geringe mate waarin aan hun vervolgingswensen gevolg wordt gegeven en dat een onverklaarbaar aantal aangiftes niet belandt bij de strafrechter;

overwegende dat aan deze frustrerende "verdwijning" van zaken in het traject politie richting OM richting rechter wellicht de oorzaak ten grondslag ligt dat het OM van een verplichting tot vervolging is vrijgesteld ingevolge het hier te lande geldende opportuniteitsbeginsel;

overwegende dat vanwege deze onverplichtheid bij het OM wellicht een niet overijverige politiefunctionaris, met de verwerking van aangiftes belast, zich niet bezwaard voelt deze in een lade uit het zicht van zijn superieuren te onttrekken en verder ongemoeid te laten onder het motto "wat boven mij toch niemand deert, is voor mij alle moeite niet weerd";

overwegende dat tegen dit al jaren gesignaleerde probleem de introductie van het legaliteitsbeginsel hulp kan bieden; het OM is dan tot vervolging verplicht;

constaterende voorts dat de kritische burger/aangever steeds vaker in verzet komt tegen een OM-sepot en via de artikel 12 Sv. beklagprocedure alsnog vervolging wenst af te dwingen bij het gerechtshof;

constaterende ook dat de toename van deze procedures de hoven zwaar is gaan belasten en de van regeringswege bepleite doorlooptijden aanzienlijk zijn gaan verlengen (de procedure aangifte naar een sepot naar een beklag 12 Sv., een eventuele vervolgingsbeschikking bij het hof, terugverwijzing naar de rechtbank, berechting in eerste aanleg; zomaar vier jaar);

overwegende dat door de introductie van het legaliteitsbeginsel de burger meer genoegdoening wordt geboden en zijn proces (zonder omwegen) bij de geëigende rechter wordt aangebracht;

verzoekt de regering te doen onderzoeken, door bijvoorbeeld het WODC, in hoeverre de invoering van het legaliteitsbeginsel kan bijdragen aan een snellere rechtspleging, aan de aangiftebereidheid van de burger en aan de ontlasting van de gerechtshoven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hiddema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77 (34775-VI).

De heer Hiddema (FvD):

Dan mijn tweede motie. Dit is gisteren aan de orde geweest toen het ging over artikel 137d. Het gaat daarbij over de te verhogen strafmaat voor haatzaaien. Ik heb deze motie voor mezelf de titel "zonde van de moeite" meegegeven.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering de strafmaat voor haatzaaien wil verdubbelen (artikel 137d Sr) van één naar twee jaar;

constaterende ook dat rechters in geval van de veroordeling op basis van dit artikel tot heden bij de strafoplegging nog nimmer de thans geldende maximale gevangenisstraf van één jaar hebben toegepast en veelal de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen;

constaterende eveneens dat vanuit de rechtspleging nimmer enig geluid is vernomen waaruit de behoefte zou kunnen blijken aan een hogere maximumstraf;

overwegende dat van regeringswege met de beoogde strafoplegging een "signaalfunctie" wordt beoogd (in het regeerakkoord staat: haatzaaien is een ernstig feit);

overwegende dat met de redactie van de huidige delictsomschrijving en strafdreiging deze opvatting genoegzaam tot uitdrukking wordt gebracht en dus de voorgestelde gewijzigde wet als symboolwetgeving door het leven zou moeten gaan;

overwegende dat een krachteloos wetsartikel als voorgesteld de geloofwaardigheid van wetshandhaving zal aantasten en ongewenst mag heten;

overwegende voorts dat thans een lid van dit parlement zijn onschuld bepleit in de tegen hem lopende haatzaaizaak;

overwegende dat het door de regering thans gewenste signaal de indruk zou kunnen oproepen dat daarmee ook wordt beoogd te bewerkstelligen dat bij een eventuele veroordeling van dit Kamerlid de rechters bij de strafoplegging zullen anticiperen op deze aangekondigde strafverhoging;

overwegende derhalve dat te voorzien valt dat de in het vooruitzicht gestelde wetswijziging niet zal bijdragen aan enige verandering van de op te leggen straffen en deze wijziging bij het publiek als een rancuneus signaal tegen een politicus zal worden ontvangen;

verzoekt de regering de voorgestelde verdubbeling van de strafmaat bij 137d achterwege te laten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hiddema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 78 (34775-VI).

De heer Hiddema (FvD):

Ik neem een slokje water, voorzitter. Ik raak nu een gevoelige snaar.

Mijn derde motie behelst de wijziging van 137d Strafrecht. Naar mijn motto: de kalme burger is het beu.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Forum voor Democratie, als partij van de liefde, toch moet erkennen dat ook discriminatie en haat deel uitmaken van de bij de mens nu eenmaal aangeboren humeuren en temperamenten;

ook overwegende dat geen enkele strafdreiging bij machte kan zijn menselijke gevoelens te modelleren naar de voorkeuren van een wetgever;

constaterende dat de begrenzing van het vrije woord ingevolge artikel 137d Sr in zijn huidige vorm waar het betreft het aanzetten tot discriminatie en haat, leidt tot eindeloze maatschappelijke discussies waarmee aan de verdraagzaamheid tussen burgers afbreuk wordt gedaan en velen zich schuw aan het debat onttrekken uit vrees als "racist" te worden bestempeld;

constaterende ook dat nog nauwelijks de waarachtig door haat en discriminatie geprangde burger soelaas krijgt geboden door een veroordelend vonnis;

het artikel in zijn huidige vorm is verworden tot een toevluchtsoord voor beroepsactivisten en querulanten, waarbij blijkens hun misbaar de gang naar de rechter slechts dient om de eigen morele voortreffelijkheid te etaleren;

verzoekt de regering voor 1 januari 2018 met een voorstel te komen om de tekst van artikel 137d Sr aan te passen in dier voege dat louter het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, et cetera wordt strafbaar gesteld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hiddema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 79 (34775-VI).

De heer Hiddema (FvD):

Mijn vierde motie betreft de materie die ik gister bij de motorcyclegangs heb belicht. Ik heb haar als motto meegegeven: de minister verzint een list.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering streeft naar een verbod op outlaw motorcyclegangs;

constaterende dat de daartoe geëigende en gevoerde procedures tot op heden geen verboden als gewenst hebben opgeleverd;

overwegende dat het, ook in het geval van een wel door de rechter opgelegd verbod, de leden niet aan mogelijkheden zal ontbreken om dan in een ander clubverband wederom clubactiviteiten te ontplooien;

constaterende met de regering dat vele leden van motorgangs inmiddels zijn veroordeeld voor veelal overtredingen van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en geweldsmisdrijven, maar dat hun clubs steeds ontkomen aan een verbod vanwege de moeilijk te bewijzen aanklacht dat de werkzaamheden van de club in strijd zijn met de openbare orde;

constaterende dat veroordeelde motorgangleden hun delicten veelal plegen met medeclubleden, dat er onderlinge solidariteit is en dat er een gedeelde fascinatie is voor de uiterlijke verschijning en het bezit van een machine van niet bescheiden omvang, die bepalend is voor de statuur van ieder lid binnen de club;

overwegende dat een clublid met een opgelegd rijverbod van substantiële duur zijn status en waarde binnen de club subiet zal verliezen;

constaterende, derhalve, dat in geval van een rechterlijk vonnis, waarbij een clublid wordt veroordeeld vanwege een "machodelict" (WWM, drugs, zwaar geweld, et cetera) en waarbij de rechter tot de vaststelling kan geraken dat de mentale gesteldheid van de dader ten tijde van het delict terug is te voeren tot zijn gebleken ontvankelijkheid voor niet-wetsgetrouwe impulsen binnen de club, dit vonnis ten bate van voorkoming van recidive vergezeld moet kunnen gaan van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid;

overwegende dat langs deze weg recidivebeperkend wordt opgetreden jegens veroordeelden en hun gangs van criminele leden worden ontdaan;

verzoekt de regering binnen zes maanden met een voorstel te komen dat rechters in staat stelt bij een veroordelend vonnis vanwege enig geweldsdelict en/of een delict ingevolge de WWM en/of de Opiumwet als bijkomende straf de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen aan een veroordeelde te ontzeggen voor een substantiële duur in die gevallen waarin is vastgesteld dat een veroordeelde ten tijde van het plegen van een dezer delicten mentale inspiratie heeft opgedaan in zijn motorclubmilieu,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hiddema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 80 (34775-VI).

De heer Hiddema (FvD):

Het spijt me dat het zulke lange alinea's hebben moeten worden, maar de wet is al bijna klaar; er is aan alle vereisten voldaan.

De voorzitter:

Toen u halverwege was, dacht ik dat u al klaar was met uw motie, maar toen moest het belangrijkste nog komen.

Dank u wel.

Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Er zijn in totaal 39 moties ingediend. Er is natuurlijk behoefte aan een korte schorsing. Ik heb begrepen dat een halfuur voldoende is, dus dan doen we dat.

De vergadering wordt van 17.16 uur tot 17.45 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de minister het woord.

Minister Grapperhaus:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik begin met de leden te danken voor hun inbreng in tweede termijn en in het bijzonder voor de door hen collectief geuite dank aan de ambtenaren, die er gistermiddag, -avond, -nacht en vanmorgen vroeg voor hebben gezorgd dat we dit inhoudelijk goede debat met elkaar hebben kunnen voeren.

Graag kom ik terug op twee vragen uit de eerste termijn. Ik open zo met een vraag van de heer Groothuizen. De vraag van de leden Kuiken en Buitenweg zal ik bij de moties gaandeweg oppakken.

De voorzitter:

Misschien is het goed om de stukken nummers van de moties erbij te noemen. Dat maakt het wat makkelijker.

Minister Grapperhaus:

Ja, ik ga aan de hand van de nummers beantwoorden. Als u het goed vindt, behandel ik dus eerst drie of vier vragen waar geen motie over was. Daar ga ik snel doorheen en dan kom ik bij de moties en die doe ik per nummer.

Het moet even vooropstaan dat ik de heer Groothuizen in mijn eerste termijn bij zijn interruptie al had toegezegd dat ik even zou terugkomen op het chemisch afval. De vraag was of het fonds voor het opruimen van afval niet breder ingezet zou kunnen worden. Allereerst is dat primair een verantwoordelijkheid voor mijn collega, de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Zij gaat over de inzet, dus ik zal deze vraag aan haar doorspelen. Ik wijs verder op de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van Oosten en Dijkstra in juli 2017, waarin staat dat het ministerie van IenW en de provincies zich erover beraden of het instrument van cofinanciering van opruimkosten van drugsafvaldumpingen de beste manier is om gedupeerden tegemoet te komen. Na het beschikbaar komen van de evaluatie van de uitvoering van het convenant over 2016 zal bekeken worden of en hoe het beleid moet worden bijgesteld.

Dan kom ik nog bij een losse vraag van mevrouw Van Toorenburg over de creatieve mogelijkheden om ondermijning aan te pakken. De zaak waar mevrouw Van Toorenburg aan refereerde, wachten wij met belangstelling af. In die zaak is aan de rechter voorgelegd of de politie zich als benadeelde van de kosten van het dumpen van chemisch afval kan voegen. Ik heb het in eerste termijn benadrukt en ik zeg het nu nogmaals: juist ook op de creatieve manieren komen we terug, zeker in het kader van de ondermijningswetgeving en de agenda met verdere actieaanpak. Ik heb in dat kader het teruggeven van die boot als voorbeeld genoemd.

Dan kom ik terug op de vragen en op de moties, in de volgorde waarop ze zijn ingediend door de Kamer. Mevrouw Helder vroeg om afgepakt crimineel geld en vermogen in de toekomst ten goede te laten komen aan de samenleving. Ik zei het al over de boot: daar gaan we nu voortvarend mee aan de slag. Daar zetten we ook het ondermijningsfonds van 100 miljoen voor in. Ik wil daar nu niet en détail op vooruitlopen.

De heer Krol (50PLUS):

Ik had ook nog een vraag gesteld over het doorwerken na 70 jaar. Daarnaast had ik gevraagd naar de ongelijkheid in de opvatting wat overijverige gemeenteambtenaren allemaal mogen doen. Op die twee vragen zou ik ook nog graag een antwoord krijgen.

Minister Grapperhaus:

De tweede vraag van de heer Krol zal ik aan het slot van mijn tweede termijn beantwoorden en de eerste vraag is voor mijn collega, de minister voor Rechtsbescherming.

Dan had mevrouw Helder nog een vraag over het structureel beter zicht krijgen op verborgen criminaliteit, zoals cybercrime. Het WODC doet op dit moment onderzoek naar de omvang van vormen van criminaliteit die niet of in mindere mate via aangiftes bekend worden, zoals ondermijnende criminaliteit en cybercrime. Met de uitkomsten van dat onderzoek wordt het mogelijk om daarna periodiek beter zicht te houden op die vormen van criminaliteit.

In dat kader kom ik bij de motie op stuk nr. 41 van mevrouw Helder over een nieuw meetinstrument. Zoals ik gisteren in het schriftelijke antwoord uitvoerig heb uitgelegd, zijn er voldoende monitors om een goed beeld te hebben van zowel geregistreerde criminaliteit als van de criminaliteit waar geen aangifte van wordt gedaan. Ik wees zojuist op dat nieuwe onderzoek. Deze motie wordt dus ontraden.

De heer De Graaf (PVV):

Ik heb eigenlijk een vraag over de orde. Gaat de minister nu alle moties achter elkaar behandelen en komen de vragen ertussendoor? Of worden eerst alle vragen beantwoord, en komen vervolgens de moties aan de orde? Ik ben even het spoor bijster.

Minister Grapperhaus:

Ik had een aantal losse vragen. Ik heb van u een rijtje vragen. Die heb ik allemaal bij het onderwerp gesorteerd. Ik denk dat het voor u prettiger is om de motie en de vragen over een bepaald onderwerp in één keer te behandelen. Ik kom dus nog terug op uw zestal vragen. Ik zal daar overigens ook inhoudelijk op reageren.

De voorzitter:

Dat is goed. Mevrouw Helder, een korte vraag.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik heb eigenlijk geen vraag. Ik heb gehoord dat een poging wordt gedaan om meer periodiek onderzoek naar cybercrime te doen. In dat kader wil ik mijn motie aanhouden.

De voorzitter:

Welke motie was dat ook alweer?

Mevrouw Helder (PVV):

Dat was de allereerste motie.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Helder stel ik voor haar motie (34775-VI, nr. 41) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:

Dan kom ik bij de tweede motie van mevrouw Helder, over het Veterinair Forensisch Team. Vooralsnog werken de politie, het OM en het NFI met de Universiteit Utrecht. Ik wil niet treden in de discussie over de vraag wie het meest deskundig is. Ik ben wel bereid om hier te zeggen dat ik de werkwijze zal evalueren en dat ik volgend jaar rond deze tijd zal bekijken of op veterinair forensisch terrein versterking van de expertise gewenst is, maar ik ontraad de motie.

Dan ga ik naar motie op stuk nr. 49 van het lid Van Oosten c.s. over het ziekteverzuim bij de politie. Ik zeg nogmaals dat ik het met Van Oosten eens ben dat 7% ziekteverzuim te hoog is. Dat percentage moet naar beneden, serieus naar beneden. Door het korps wordt daar ook in geïnvesteerd. En ook het korps zoekt naar mogelijkheden om daarin verder te komen. Ik heb daar in eerste termijn al het nodige over gezegd. Kortom, ik wil voldoen aan het verzoek om voor het meireces van 2018 te komen met een plan van aanpak om het ziekteverzuim terug te dringen. Ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer.

Dan heb ik de motie op stuk nr. 55 van de leden Van Dam, Van der Graaf en Arno Rutte. Die motie gaat over de actuele verdeling. In de voortgangsbrief Realisatie nationale politie van december zal ik de Kamer informeren over de actuele verdeling van de operationele sterkte over de eenheden en over het effect van de intensivering van 100 miljoen daarop. Verdere capaciteitsuitbreiding dient in samenhang met de actualisering van de inzet en de flexibiliseringsagenda vorm te worden gegeven. Dat vergt een zorgvuldig proces, met onder andere de burgemeesters, het OM en de politie. Ik zal de Kamer in de voortgangsbrief het proces rondom die actualisatie schetsen. Ik laat ook het oordeel over deze motie aan de Kamer.

Dan kom ik op de kwestie van de aangiftebereidheid. Ik heb in mijn eerste termijn uitgelegd dat het dienstverleningsconcept zo is ingericht en steeds meer ingericht wordt dat werkelijk op de kortst mogelijke termijn en op het snelste moment aangifte kan worden gedaan. Dat is iets anders dan direct. Ik zou de motie moeten ontraden, maar dat doe ik niet wanneer het dictum gelezen mag worden als "zo snel mogelijk".

De voorzitter:

Voor de duidelijkheid: het gaat om de motie op stuk nr. 56.

De heer Van Dam (CDA):

Ja, "z.s.m." is een term die mij wel aanspreekt in het kader van het strafrecht, dus u kunt de motie zo lezen.

Minister Grapperhaus:

Dan laat ik het oordeel over de motie over aan de Kamer.

Dan kom ik op de motie over het bedienen van de smartphone als hufterfeit. Ik wil het zwaarder bestraffen van dat feit meenemen in de afwegingen die worden gemaakt in twee lopende trajecten: de uitwerking van een progressief boetestelsel en de wijziging van de Wegenverkeerswet inzake de verhoging van het strafmaximum voor een aantal delicten en een nadere invulling van het begrip "roekeloosheid", waarover ik al even een gedachtewisseling met het lid Van Oosten had. Op die manier is er sprake van een integrale afweging en vormgeving. Ik moet de motie in deze vorm ontraden, maar misschien is de indiener bereid de motie aan te houden totdat het traject dat ik net beschreef, is afgerond. Het is niet eens uitgesloten dat zo'n oplossing er zou komen.

De heer Van Dam (CDA):

Daartoe ben ik bereid.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Dam stel ik voor zijn motie (34775-VI, nr. 57) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:

Ik ontraad de motie-Van Nispen c.s. op stuk nr. 60, over de wietteelt. Het regeerakkoord is uitgangspunt voor de experimenten. Nadere voorwaarden en uitgangspunten zijn nog niet bepaald. Daarover zal ik vanaf morgen in gesprek gaan met de minister voor Medische Zorg en verder met gemeenten en andere partners. Ik ga daar niet op vooruitlopen en ontraad dus de motie.

De heer Van Nispen (SP):

In de schriftelijke antwoorden schreef de minister nog: de voorwaarden voor de inrichting van de experimenten zijn nog niet bepaald. Dan kan de Kamer — zo werkt de democratie — toch zeggen: wij vinden één experiment geen experiment? Wij willen juist leren. Wij willen weten wat goed is voor de criminaliteitsbestrijding en ter bevordering van de volksgezondheid. U kunt het dus aan het oordeel van de Kamer overlaten of er één of meer experimenten komen. Dat zou ook stroken met de schriftelijke beantwoording.

Minister Grapperhaus:

Bij de democratie hoort ook dat ik u ontraad om deze motie aan te nemen. Ik heb u in eerste termijn geschetst — ik ga het u niet aandoen om dat allemaal te herhalen — dat ik de komende weken een heel traject heb, waarbij ik uiteindelijk de 20ste in een AO bij u terugkom. Ik ontraad dus nog steeds de aanneming van de motie.

Dan kom ik op de motie-Van Nispen/Van Raak op stuk nr. 61, over de pensioenleeftijd. Politieambtenaren gaan met regelmaat naar gevaarlijke of anderszins ingrijpende situaties om te zorgen voor de handhaving van de rechtsorde of het verlenen van hulp aan hen die dat behoeven. Dat schept een extra verantwoordelijkheid voor de werkgever, met bijzondere aandacht voor veilig en — dan komen wij even terug op dat punt — gezond werken. Het beleid inzake veilig en gezond werken is een terugkerend thema in het overleg met de politiebonden. Laatstelijk is daarover in het arbeidsvoorwaardenakkoord 2015-2017 een flinke aanzet gegeven. Wij werken daarnaast aan maatregelen gericht op duurzame inzetbaarheid, maar het is evenwel ook in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen onvermijdelijk dat ook politiemedewerkers langer doorwerken. Ik ontraad deze motie.

Alvorens ik toekom aan de motie van het Kamerlid Verhoeven met betrekking tot het cybersecurity-instituut ga ik eerst in op zijn vraag of ik de minister van VWS wil betrekken bij het overleg over cybersecurity. Ik wil nog eens aangeven dat ik dat zeker zal gaan doen. Ik dacht dat ik dat al in eerste termijn had bevestigd, maar bij dezen.

Dan is er de motie op stuk nr. 68, waarin is verzocht aan de regering om de mogelijkheid te onderzoeken om een instituut voor onderzoek op het gebied van cybersecurity op te richten. Ik ga ervan uit dat dat gelezen mag worden als dat ik met de andere departementen die in dit overleg zitten, ook dit punt serieus inhoudelijk op de agenda zet. Zo ja, dan laat ik de motie over aan het oordeel van de Kamer.

Dan kom ik bij de aanvullende vragen van het Kamerlid De Graaf. Kan de minister in algemene termen meer aangeven over maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding? Zoals in de schriftelijke beantwoording is aangegeven, kan ik u zeggen dat er enkele honderden jihadisten in Nederland zijn en enkele duizenden sympathisanten. Over hoeveel er als gevaarlijk worden aangemerkt, worden in het openbaar geen mededelingen gedaan.

Jihadisten kunnen op diverse manieren heimelijk naar Europa komen, regelmatig met het gebruik van een valse identiteit. Daarbij kunnen soms dezelfde routes worden gebruikt als door asielzoekers. Inmiddels zijn er in Europa diverse concrete gevallen bekend van misbruik van de migratiestroom door ISIS. Zo is een deel van de aanslagplegers in Parijs en Brussel met de migratiestroom meegekomen van Syrië naar Europa. In sommige gevallen hebben ISIS-aanhangers ook asiel aangevraagd in Europese landen. Er lopen in Nederland onderzoeken naar personen in de asielprocedure die mogelijk terroristische motieven hebben.

Over operationele zaken kan ik hier in de openbaarheid geen mededelingen doen. De Nederlandse overheid, inclusief de uitvoeringsorganisaties, is alert op signalen van misbruik van de migratiestroom en de asielprocedure door jihadisten en andere terroristen. Indien daartoe aanleiding is, wordt onderzoek verricht. Hoewel de Nederlandse overheid alert is op de risico's en asielzoekers door de betrokken organisaties worden gescreend, kan niet worden uitgesloten dat terroristen er toch in slagen de asielprocedure te misbruiken.

En nogmaals, ik kan in het openbaar geen uitspraken doen over individuele zaken.

De heer De Graaf (PVV):

Daar zat wat meer inhoudelijkheid in maar geen nieuwe informatie, want het is allemaal al uit de media bekend. Ik denk dat we hier ook vandaag niet verder mee komen. Dus daar gaan we nog een volgende poging aan wagen. Kan de minister dan de Kamer over het lopende gebeuren rond de Balieterrorist — laat ik hem zo maar noemen — zo snel mogelijk informeren nadat het onderzoek is afgerond en dan in ieder geval over hoe en wat er gebeurd is en wat de uitkomst van het onderzoek is? Dat kan prima per brief.

Minister Grapperhaus:

Ik ga u op dit moment over geen enkele individuele zaak een toezegging doen. Ook daarvoor geldt weer wat ik in de eerste termijn heb gezegd: daar zit ook een afweging bij op het gebied van juist de opsporing en juist de veiligheid. Ik ga het niet allemaal herhalen, want dat is voor u ook vervelend. Dat kan ik me althans voorstellen. Maar ik wil nogmaals heel duidelijk de kern van mijn betoog herhalen en dat is dat onze diensten uitermate alert zijn op eenieder, of hij nou Syriër is of oorspronkelijk Nederlander, die in dat gebied of in jihadistische oorlogsgebied is geweest en zich naar Nederland begeeft. Op die alertheid mag u mij altijd aanspreken.

De voorzitter:

Tot slot, zonder in herhaling te vallen.

De heer De Graaf (PVV):

Zonder herhaling, maar wel een stapje verder. In de beantwoording in eerste termijn zei de minister: ik kan over lopende zaken geen informatie geven en ook niet over individuele gevallen. Wij vinden dat dat wel kan, want dat is vaker gebeurd. Maar ook dit is herhaling. De Kamer kan niet controleren wat een lopende zaak is als we niet weten wat een lopende zaak is. We hebben op deze manier dus een dubbele achterstand. Ik heb net gevraagd naar de lopende zaak van de Balieterrorist. Als die zaak achter de rug is, is dat geen lopende zaak meer. De minister kan dan toch zeker meer informatie geven? Het lijkt mij prima om dat per brief te doen.

Minister Grapperhaus:

In de eerste plaats is er, zoals u weet, een door u en anderen aangevraagd dertigledendebat gepland. Daarin kunnen we nogmaals praten over wat er nu eigenlijk wel of niet mogelijk is. In de tweede plaats — ik heb u dat eerder gezegd — kan ik hier geen verdere informatie verschaffen over zaken waarbij onze diensten betrokken zijn.

De voorzitter:

Ook niet achteraf, begrijp ik?

Minister Grapperhaus:

Nou, ik wil daar zeker nog bij u op terugkomen in een brief. Ik wil daar nu, en dat moet u niet zien als onwil — zeg ik via u tot de heer De Graaf — dat moet u echt niet zien als onwil, niets over zeggen vanuit, serieus, de overwegingen die spelen op het punt van — daar kom ik weer met die woorden — de veiligheid en ook de werkmethoden van onze dienst. Ik wil u wel toezeggen dat ik hier later in een brief op terug zal komen.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Goed. Dan was er ook nog een motie van de leden Kuiken en Buitenweg over de aangifte van zedenmisdrijven. In september van dit jaar heeft uw Kamer een WODC-onderzoek ontvangen over de factoren en overwegingen van volwassen slachtoffers van zedenmisdrijven om zich wel of niet te melden bij politie of hulpverlening. In de brief van vorige week over seksueel ongewenst gedrag en seksueel geweld, die ik uw Kamer vrijdag heb gestuurd, heb ik aangekondigd dat ik de komende periode ga zien hoe eventuele drempels voor slachtoffers om meldingen te doen, kunnen worden verlaagd. Ik kan u toezeggen dat het slachtofferperspectief en de bejegening van slachtoffers nadrukkelijk aan de orde zullen komen. Juist om die reden gaan we Slachtofferhulp Nederland en de Centra Seksueel Geweld daarbij betrekken. Ook in het onderzoek naar wenselijke en haalbare verbeteringen in het strafproces van zedenzaken staat de positie van het slachtoffer centraal. Ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer.

De voorzitter:

Oordeel Kamer, wat wilt u nog meer, mevrouw Buitenweg?

Minister Grapperhaus:

O, ik had het stuknummer vergeten en dat is 69.

De voorzitter:

Ja, van mevrouw Kuiken.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

"Oordeel Kamer" is ook heel goed. Ik kom nog even op het WODC-rapport. Het voldoet in die zin niet, ten eerste omdat het maar om een beperkt aantal slachtoffers ging en ten tweede omdat het onderzoek was uitgevoerd voor 2016, het jaar waarin de zedeninstructie er is gekomen. "Oordeel Kamer" is goed en dan kunnen we in een later stadium misschien kijken op welke wijze, ook in de toekomst, de nieuwere ervaringen kunnen worden meegenomen.

De voorzitter:

De volgende motie.

Minister Grapperhaus:

Ja, dat is de motie op stuk nr. 70. Het is een motie van de leden Van der Staaij, Kuiken en Van der Graaf, waarin de regering wordt verzocht om te bevorderen dat er hoge prioriteit wordt gegeven aan de aanpak van rijden onder invloed van alcohol en om de urgentie daarvan onder de aandacht te brengen van politie en het OM. Ook deze motie, die ik beschouw als ondersteuning van mijn beleid, laat ik ter beoordeling over aan de Kamer.

De motie-Van der Staaij op stuk nr. 71 verzoekt de regering om de gestelde criteria te handhaven over het ingezetenencriterium en de gereguleerde wietteelt. Mevrouw de voorzitter, ten aanzien van de experimenten is het regeerakkoord leidend, want nadere voorwaarden en uitgangspunten zijn nog niet bepaald. Ik zal daar dan ook niet op vooruitlopen. Daarom ontraad ik deze motie. Het landelijk gedoogkader wordt gevormd door de Opiumwet en de aanwijzing Opiumwet van het OM. Per 1 januari 2013 maakt het ingezetenencriterium daarvan onderdeel uit. Zoals ik al heb aangegeven is prioriteitsstelling in de handhaving een aangelegenheid van de lokale driehoek. Het ligt in het bestuursrecht besloten dat ik niet kan afdwingen dat een burgemeester actief handhaaft op het ingezetenencriterium. Bijna alle burgemeesters hebben hun coffeeshopbeleid aangepast aan het landelijk kader, inclusief het ingezetenencriterium.

De voorzitter:

De heer Van der Staaij, korte vraag.

De heer Van der Staaij (SGP):

Een korte vraag, ja. Voorzitter, de minister geeft aan dat hij niet zomaar een gemeente kan verplichten tot het handhaven van die voorwaarden, omdat er ook lokale prioriteiten liggen. Daar ben ik het mee eens. Is de minister het ook met mij eens dat juist zo'n experimenteel kader wel de ruimte biedt om te zeggen dat alleen die gemeenten die de zaak op orde hebben, met een experiment kunnen meedoen? Het is niet mijn experiment, maar het zou wel een mogelijkheid zijn om met een kromme stok een rechte slag te slaan.

Minister Grapperhaus:

Dat is een vrij lokale sport, maar dan kom ik wel op hetzelfde terrein als ik zojuist met de heer Van Nispen besprak en ga ik het hebben over de invulling van de experimenten. Ik heb het gedachtengoed in ieder geval goed in mij opgenomen. Ik heb daar terdege kennis van genomen, maar ik ga daar verder niets op toezeggen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 72.

Minister Grapperhaus:

De motie-Bisschop c.s. op stuk nr. 72 inzake dat politiecriterium. Dat is al vaker aan de orde geweest. Ik heb mij daarover misschien vanmorgen niet goed uitgedrukt. Dat is dan mijn fout. Ik had het over de toelichting bij dat artikel 38 a, wat destijds ook mede door de partij van de heer Bisschop erin is gekomen. Dan gaat het over ten minste 1 wijkagent op 5.000 inwoners per regionale eenheid en niet per gemeente. De verdeling van wijkagenten binnen de eenheid is aan de burgemeesters en officieren van justitie binnen die eenheid. Als deze motie wordt aangenomen, krijgen we een aanscherping van de wet en de toelichting daarop, en gaan we naar ten minste 1 wijkagent per 5.000 inwoners per gemeente. Dat wilde ik eigenlijk aangeven, maar dat heb ik misschien niet goed gezegd vanmorgen. Ik zou willen voorstellen om deze motie aan te houden en te betrekken bij de evaluatie van de Politiewet. U weet dat mijn standpunt daarover in het voorjaar 2018 komt.

De voorzitter:

Mijnheer Bisschop, wat is daarop uw antwoord? U mag ook tot dinsdag nadenken hoor.

De heer Bisschop (SGP):

Als ik het wel heb, komt die evaluatie volgend voorjaar.

Minister Grapperhaus:

Ja, voorjaar 2018.

De heer Bisschop (SGP):

Dan kan ik dit daarbij betrekken en houd ik deze motie nu aan.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Bisschop stel ik voor zijn motie (34775-VI, nr. 72) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 76 van het lid Azarkan, die verzoekt om in kaart te brengen welke extra instrumenten mogelijk zijn om de cultuur bij de politie te veranderen. Die motie wil ik ontraden. Ik zal in de voortgangsbrief de Tweede Kamer informeren over de cultuurverandering, mede in relatie tot het diversiteitsbeleid bij de politie. Die brief zal, zo heb ik al aangekondigd, voor het kerstreces bij de Kamer landen. Dus deze motie ontraad ik.

Het legaliteitsbeginsel wil ik als laatste doen. Ik kom eerst nog even op de motie over de strafmaat voor haatzaaien. Dat is de motie op stuk nr. 78. Ik kom later nog even op de motie op stuk nr. 77.

De voorzitter:

U bent nu bij de heer Hiddema.

Minister Grapperhaus:

Ja. De motie-Hiddema wil het terugdraaien van de verdubbeling van de strafmaat. De wetswijziging verdubbeling strafmaat is gerechtvaardigd. De ernst van het delict wordt anders gewaardeerd in deze samenleving en dat vraagt — dat is nader toegelicht in het regeerakkoord — om een steviger aanpak. De motie op stuk nr. 78 wordt dus ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 77 over het wijzigen van artikel 137 d. Ook hier ontraden. Aanzetten tot haat zou wegvallen en daarmee zou de essentie van het artikel wegvallen. Het regeerakkoord spreekt duidelijke taal. Het kabinet is van mening dat tegen haatzaaien krachtig moet worden opgetreden en dat de strafrechter voor de meest ernstige vormen van haatzaaien meer ruimte moet krijgen om een passende straf op te leggen.

Voordat ik ga eindigen met de antwoorden op de vragen van de heer Krol, kom ik als laatste van de moties op die op stuk nr. 77, over het opportuniteitsbeginsel. Ik wil uitdrukkelijk afstand nemen van het beeld dat door het Kamerlid Hiddema wordt geschetst van het OM en de politie als functionarissen die bij gelegenheid de aangiften of meldingen het liefst van hun bureau af zouden willen schuiven in plaats van daarmee aan de gang te gaan. Mijn ervaring als burger, maar in de afgelopen vijf, zes weken ook als minister, is dat het OM en de politie zeer gedreven organisaties zijn met mensen die hun beroep als een soort roeping beschouwen, aangiftes oppakken, daders opsporen en vervolgen. Als dat in bepaalde categorieën van delicten leidt tot een lager pakpercentage of een lager ophelderingspercentage, moeten we in de eerste plaats als samenleving met elkaar kijken hoe dat komt, en niet de suggestie wekken dat dat weg zou kunnen komen van OM en politie die een rustig baantje hebben en de dingen maar laten liggen.

De voorzitter:

Nu de motie.

Minister Grapperhaus:

Het opportuniteitsbeginsel is een van de uitgangspunten van het stelsel van strafprocesrecht. Het OM kan van verdere vervolging afzien op gronden van algemeen belang. De gedachte is dat strafvervolging niet altijd een adequate reactie is op een strafbaar feit. Het OM is bij die beslissing gebonden aan algemene rechtsbeginselen, zoals een verbod op willekeur, en staat onder de controle van deze minister en uiteindelijk het parlement. Als je het legaliteitsbeginsel gaat invoeren, zou ook allerlei bagatelzaken aan de rechter moeten voorleggen. Kortom, ons OM heeft op dit moment een consciëntieuze kerntaakvervulling en dat moet ook zo blijven. Duitsland kent zo'n legaliteitsbeginsel, maar uit onderzoek blijkt dat daar ook niet in alle gevallen vervolgd wordt. Dat blijkt ook uit allerlei rechtsvergelijkingen met soortgelijke systemen. Een bijdrage aan versnelling van doorlooptijden, zoals het Kamerlid Hiddema veronderstelde, is het opgeven van het opportuniteitsbeginsel zeker niet. Ik acht een onderzoek daarom niet nodig en ontraad deze motie.

Ik kom dan tot slot aan de vraag van de heer Krol wie de regie houdt op de handhaving van de openbare orde als geheel. Gemeenten stellen een lokaal veiligheidsbeleid op. De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde. Daar kan en wil ik ook niet in treden. Ik wil wel zeggen dat ik degene ben die de kaders stelt ten aanzien van de bevoegdheden met betrekking tot geweldsmiddelen en dergelijke.

Daarmee wil ik mijn bijdrage afsluiten. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Hiddema heeft nog een vraag. Ga uw gang, meneer Hiddema. U mag het in de microfoon zeggen, anders verstaan we u niet.

De heer Hiddema (FvD):

Ik kom hier even melden dat naar mijn beste beschouwing de minister nog niet klaar is. De kwestie is als volgt: er ligt een motie voor die behelst de introductie van de bijkomende straffen, ontzegging rijbevoegdheid.

Minister Grapperhaus:

Daar gaat mijn collega zo dadelijk op in.

De voorzitter:

Dat is goed. De heer Markuszower heeft nog een vraag.

De heer Markuszower (PVV):

Ik heb ook nog een motie ingediend die naar mijn mening bij de minister zou liggen.

De voorzitter:

Welke is dat?

De heer Markuszower (PVV):

Ja, weet ik veel.

De voorzitter:

Dat is de motie op stuk nr. 47, hoor ik achter de schermen.

Minister Grapperhaus:

De motie op stuk nr. 47 gaat over de gekozen rechter en Openbaar Ministerie. Wij zijn van oordeel dat dat onderwerp juist bij uitstek bij de minister voor Rechtsbescherming thuishoort.

De voorzitter:

Dus die motie wordt nog behandeld. Wij houden het ook bij hoor, meneer Markuszower en meneer Hiddema. Dan geef ik nu het woord aan de minister voor Rechtsbescherming.

Minister Dekker:

Voorzitter. Laat ik mij om te beginnen aansluiten bij de woorden van dank van mijn collega zojuist. Het is geweldig om te zien hoe hard en ook met hoeveel kennis en kunde er op JenV wordt gewerkt, ook om dit debat goed te laten verlopen. Je zou kunnen zeggen dat we het niet met zijn drieën doen, maar met een heel team. Ik hoop dat ook voor de Kamer geldt dat we het niet met zijn drieën doen en ook niet met 76. Wat mij betreft doen we het op heel veel vlakken zo breed mogelijk.

Ik heb een aantal vragen en daarna zal ik de adviezen op de moties doen. Om te beginnen de vraag van mevrouw Buitenweg of ik voor alle mogelijke scenario's rond de rechtsbijstand de prijskaartjes of de berekeningen zou willen meegeven. Ik ben niet van plan om dat te doen. Wat ik wel kan toezeggen is dat we als we tegen de zomer met de contouren van een nieuw kader komen, ook een gedegen financiële doorrekening laten maken, dus dat we laten zien dat dat uiteindelijk ook binnen de budgettaire kaders past.

De voorzitter:

Mevrouw Buitenweg stelt een korte vraag.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik stelde mijn vraag omdat ik namelijk het idee heb dat er heel veel alternatieven zijn en ik daarom gewoon niet geloof dat dit kan oplopen tot een bedrag van 127 miljoen. Er wordt dus mee geschermd dat er alternatieven zijn, maar volgens mij gaat het erom dat er gewoon een bezuiniging gaat plaatsvinden.

Minister Dekker:

Nee, we nemen de kaders zoals ze nu zijn. "Daar zit een afloop in", roept de heer Van Nispen nu vanuit de zaal. Dat ben ik met hem eens.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Dekker:

Maar uitgangspunt is dat we het daarbinnen doen. De vraag van mevrouw Buitenweg is nu: past dat nou wel? Ik ga ervan uit dat, als we straks met een plan komen, mevrouw Buitenweg als eerste bij de interruptiemicrofoon op die financiële doorrekening in de spreadsheets gaat prikken. Ik zorg er echter voor dat er dan ook een doorrekening bij zit. Maar ik zou het echt zonde van de tijd vinden om nu vooraf allerlei alternatieven door te gaan rekenen die we nog niet hebben besproken met het veld.

Ik kom bij de vraag van de heer Van Nispen over het verlagen van het griffierecht voor mkb'ers. Ik begrijp het punt, maar de consequenties van de verlaging van griffierechten zijn ook weer lastig te overzien. Want in de categorie vorderingen tussen €500 en €12.500 zitten eigenlijk heel veel zaken. Dus als je de griffierechten zou verlagen, is daar al gauw een flink bedrag mee gemoeid. In totaal gaat het om zo'n 18 miljoen. Om binnen de bestaande budgetten te blijven, zal dus tot een aanzienlijke verhoging van andere tarieven gekomen moeten worden. En daar zijn dan ook nog wel weer wat keuzes in te maken, want welke andere categorieën ga je dan precies verhogen? Ik zeg graag toe dat ik in ieder geval de gevolgen in beeld breng en daar de Kamer over informeer. Daarbij kan ik dan ook verschillende opties in kaart brengen, om de financiële gevolgen van een eventuele verlaging te compenseren met een verhoging elders. Dat wil niet zeggen dat ik er dan onmiddellijk enthousiast over ben, maar dan hebben we in ieder geval de scenario's hier een beetje liggen.

De heer Van Nispen (SP):

Zo'n onderzoek alleen al zou heel goed zijn. Dus dank u wel voor deze toezegging. De suggestie is wel om daarbij ook te kijken naar de mogelijkheid van een extra staffel. Want het is niet gezegd dat de vorderingen van €12.500 ook per se lagere griffierechten nodig hebben. Dan kost het inderdaad heel erg veel geld. Maar het zou heel verstandig zijn om het voorstel om een extra staffel in te voegen, bij dat onderzoek te betrekken. Zo'n voorstel is ook in het verleden weleens gedaan.

Minister Dekker:

Ik maak een aantal scenario's, allemaal budgettair neutraal. Maar je zou daarin kunnen schuiven.

De heer Krol vroeg naar het leeftijdsontslag van rechters en naar het onderzoek dat daarnaar loopt. Dat onderzoek komt in het voorjaar van 2018.

Ook stelde hij een vraag over artikel 220 van het Burgerlijk Wetboek, en hoe het zit met structureel haatzaaien versus één keer. Misschien mag ik dat meenemen bij het wetsvoorstel dat in de loop van volgend jaar naar de Kamer komt.

Dan kom ik op de moties, eerst op die op stuk nr. 47 van de heer Markuszower. Die gaat over de gekozen rechter en overigens ook over gekozen officieren van justitie. Die motie ontraden wij. Misschien is het eens aardig om te kijken naar de onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Daarin worden mensen in het land, burgers, gevraagd hoe ze kijken naar verschillende doelgroepen en of ze er vertrouwen in hebben. Er staat een fantastisch mooie grafiek in het laatste rapport. Daaruit blijkt dat de trend voor rechters omhooggaat. Dus het vertrouwen in rechters neemt toe. Overigens gaat die trend bij politici helaas net de andere kant op. Dus laten we voorzichtig zijn en niet allerlei gekke dingen doen rond gekozen rechters, want het gaat juist wel goed met dat vertrouwen.

Dan de motie op stuk nr. 50. Die is van de heer Van Oosten en een hele trits andere leden. Dat is een breed gedragen motie. Hierover kan ik zeggen dat we volgens mij het uitgangspunt delen dat wie straf verdient, ook straf moet krijgen. En ik begrijp heel goed dat het rechtsgevoel in het geding is bij de verjaring van straffen. Dus ik kan hier het oordeel aan de Kamer laten.

Voorzitter. Dan de motie van mevrouw Buitenweg en de heren Van Nispen en Azarkan over de rechtsbijstand en ZSM.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 51.

Minister Dekker:

Dat is de motie op stuk nr. 51. Ik denk dat er sprake is van een misverstand, en dat heb ik ook zelf veroorzaakt in eerste aanleg. Er is namelijk vanaf 2018 gewoon budget voor deze zaken. Daarom kan ik deze motie aan het oordeel van de Kamer laten. Dan kan ik vervolgens met het onderzoek en het plan uw kant op komen.

De motie op stuk nr. 52 van mevrouw Buitenweg, de heer Van Nispen en mevrouw Kuiken ontraad ik. We moeten volgens mij nu niet meer gaan puzzelen in het oude kader van de rechtsbijstand maar echt op zoek gaan naar iets nieuws. Daar moet alle energie in gaan zitten.

De motie op stuk nr. 58 van de heer Nispen, mevrouw Kuiken en mevrouw Buitenweg …

De voorzitter:

Van Nispen.

Minister Dekker:

Van Nispen, sorry. Daar hebben we lang over gedebatteerd in eerste termijn. Ik ontraad deze motie dus.

De motie op stuk nr. 59 gaat over het doorschuiven van het budget van 2017 naar 2018. Het punt is dat dat echt indruist tegen alle begrotingsregels. Ik wil ook geen ruzie met onze minister van Financiën. Ik ga deze motie dus ontraden, maar misschien mag ik u iets anders toezeggen en wellicht maakt dat u ook gelukkig. Er is lang gediscussieerd over de vraag: is het nou voor één jaar of doe je dat structureel? Er ligt ook een motie van voormalig Kamerlid Recourt, die zei: probeer dit nou structureel te regelen. Ik wil voorkomen dat we volgend jaar weer in zo'n discussie belanden en we dat op het allerlaatste moment doen. Dus misschien wilt u deze motie intrekken of mij in ieder geval vergeven dat ik haar ontraad, met de toezegging dat ik hard mijn best ga doen om hier een structurele oplossing voor te zoeken. De motie wordt aangehouden, zie ik. Dank u wel.

De voorzitter:

Nou … Meneer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Deze motie beoogt wel om de beschikbaar gestelde 1 miljoen te verhogen naar de wenselijke 1,5 miljoen, zoals wij in het verleden ook al hebben afgesproken: aangenomen amendement, aangenomen motie. Dus als de toezegging van de minister is dat hij zijn uiterste best gaat doen om 1,5 miljoen euro structureel te maken, dan kan ik deze motie inderdaad aanhouden. Maar niet als hij zegt dat hij 1 miljoen euro structureel gaat maken, want dat voegt niks toe aan het amendement dat aangenomen gaat worden.

Minister Dekker:

Dat laatste scenario gaat over die 1 miljoen. Even heel formeel: met een amendement regel je één jaar en niet een structurele doorwerking. Vandaar dat ik probeerde met die toezegging juist dat laatste ook mee te geven. Het is aan u wat u met de motie doet.

De voorzitter:

Houdt u haar aan?

De heer Van Nispen (SP):

De toezegging is heel mooi, maar dat zinnetje stond ook in het amendement. Daar heb ik heel precies naar gekeken. De toezegging is dus mooi, maar ik hoop dat de minister ook wil toezeggen dat hij zijn uiterste best gaat doen om te kijken of het budget ook voor komend jaar richting die 1,5 miljoen kan.

Minister Dekker:

Dat gaat helaas niet. Het amendement ziet echt toe op 1 miljoen. Ik ga mijn best doen om te kijken of we dat structureel kunnen maken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Dekker:

De motie op stuk nr. 62 van de leden Van Nispen, Buitenweg en Kuiken over de niet-ontvankelijkheid van zaken ontraad ik. De rechter kan in voorkomende gevallen al uitzonderingen maken. De wet laat die ruimte. Aanvullende wetgeving lost verder dat probleem niet op.

De motie van de leden Groothuizen, Van Dam en Van der Graaf kan ik aan het oordeel van de Kamer laten.

De voorzitter:

Dat was de motie op stuk nr. 65, toch?

Minister Dekker:

Ja, op stuk nr. 65.

De heer Van Oosten (VVD):

Daar heb ik één vraag over. Aan het eind van het verzoek staat: "rond het zomerreces van 2018". Kan dat geen financiële consequenties hebben, vraag ik de minister.

Minister Dekker:

Nee, want de opdracht was: binnen de budgettaire kaders.

De voorzitter:

Gaat u verder. De heer Van Nispen?

De heer Van Nispen (SP):

Ik zou willen weten wat de consequenties zijn als deze motie niet wordt aangenomen. Want wat staat hier anders in dan wat u al hebt toegezegd en opgeschreven in uw brief?

Minister Dekker:

Wij gaan hiermee aan de slag. Ik proefde bij de heer Groothuizen dat hij het fijn zou vinden als er steun in de rug komt vanuit de Kamer. Ik heb daar geen bezwaar tegen en daarom laat ik het oordeel aan de Kamer.

De voorzitter:

U moet zich wel aan de vijf manieren van beoordeling uit het beoordelingskader voor moties houden.

Minister Dekker:

Ja hoor, "oordeel Kamer".

Dan de motie van de heer Groothuizen over de reclassering. Als ik haar zo lees, is deze motie in lijn met RSJ-rapport over re-integratie. Met betrekking tot het rapport worden er een aantal overwegingen gegeven, namelijk alle gedetineerden screenen op de vijf basisvoorwaarden en in de tweede plaats de reclassering hierbij een adviserende rol geven. Met betrekking tot het eerste punt verken ik momenteel hoe zo veel mogelijk gedetineerden kunnen worden gescreend. Het screenen van álle gedetineerden acht ik bij voorbaat niet realistisch, bijvoorbeeld omdat de detentie in sommige gevallen gewoon te kort duurt, het regime dit bemoeilijkt of gedetineerden hieraan simpelweg niet willen meewerken. Met betrekking tot de adviserende rol van de reclassering zijn er inmiddels twee pilots afgerond. Daarin werkten DJI en de reclassering nauw samen en bekeken ze gezamenlijk bij welke gedetineerde in welke fase van de reclassering het opstellen van zo'n re-integratieplan precies nodig was. Op grond van de positieve resultaten van deze pilots wordt de komende periode landelijk een werkwijze uitgerold, waarbij samenwerking en het leveren van maatwerk het uitgangspunt zullen zijn.

De voorzitter:

Het oordeel is?

Minister Dekker:

Het oordeel is daarom als volgt. Als de motie beoogt datgene wat wij in gang hebben gezet te continueren, dan kan ik de motie overnemen. Dan zal ik daarop ingaan bij de visie op het gevangeniswezen. Anders wil ik de heer Groothuizen vragen of hij de motie wil aanhouden tot het debat over het RSJ-rapport.

De heer Groothuizen (D66):

Daar kan ik me iets bij voorstellen. Ik zal de motie aanhouden.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Groothuizen stel ik voor zijn motie (34775-VI, nr. 66) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Dekker:

Dan de motie van de heer Azarkan over diversiteit. Dat is de motie op stuk nr. 73. Bij de oproep tot diversiteit kan ik me absoluut iets voorstellen, maar heel formeel — nu oefen ik mijn nieuwe rol even — ga ik niet over de benoeming van rechters. Dat is de reden dat ik de motie ontraad. Ik weet dat de heer Azarkan naar een andere vergadering toe moest, maar voor de Handelingen geef ik hem mee dat de Raad voor de rechtspraak dit zelf een heel belangrijk punt vindt.

De voorzitter:

En uw oordeel is?

Minister Dekker:

Ik moet de motie ontraden vanwege het feit dat wij niet over de benoeming van rechters gaan.

Dan de motie van de heer Azarkan en de leden Van Nispen en Buitenweg over de geschillencommissie, op stuk nr. 74. Die ontraad ik, ook vanwege het ontbreken van een dekking.

Ik kom op de motie op stuk nr. 75. Die gaat over de nulmeting. Ook die ontraad ik.

Dan kom ik aan bij de allerlaatste motie voor mij: de motie op stuk nr. 80 van de heer Hiddema. Misschien doe ik dat in de korte versie: die ontraad ik onder het motto "het theater houd ik voor later".

De voorzitter:

Onder het motto? Wat zei u?

Minister Dekker:

"Het theater houd ik voor later." De heer Hiddema begon iedere motie met een motto, dus nu kom ik met mijn motto.

De voorzitter:

Toch is het wel belangrijk om er argumenten bij te geven, net zoals bij alle moties. Dat geldt ook voor deze motie.

Minister Dekker:

Daar kan ik wel wat over zeggen. Kijk, het ligt niet in de rede om bij de strafbare feiten waar het om gaat — die niet direct met verkeer te maken hebben — het rijbewijs te ontnemen. Bovendien is het de vraag of dat nou feitelijk wat oplost. Recent onderzoek heeft namelijk laten zien dat leden van criminele motorbendes niet echt genegen zijn zich aan de wet te houden en dat een aanzienlijk deel ook nu al geen rijbewijs heeft.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Hiddema wil een vraag stellen.

De heer Hiddema (FvD):

We zitten nogal achteraan en net op het moment dat er iets humoristisch gebeurt, kan ik dat achteraan niet verstaan. Uw inleiding was een grapje, maar ik heb het niet verstaan. Mag ik het nog eens horen?

Minister Dekker:

Ah … Maar nu is het geen grap meer.

De heer Hiddema (FvD):

O. Zullen we dat dan maar schrappen? Wat ik echter niet begrijp, is uw toelichting op uw bezwaren tegen deze motie. Ik begrijp dat u luchtigjes vaststelt dat een heleboel mensen in de motorclub geen rijbewijs hebben en dat het dus weinig effect zou sorteren. Dat kan wel zo wezen. Ik heb ook al wat mensen in dienst gehad die niet echt het wezen van de club representeren, maar die een heel nuttige functie vervulden. Ze waren dan clubleden. Zo zou je het kunnen nemen. Dat kan wel wezen. Maar een criminelemotorbendeman — want dat is het — van enige statuur die ook crimineel is, heeft echt wel een rijbewijs. Die laat zich niet zijn motor afnemen en die ontleent zijn hele statuur en de criminele setting waarin hij wenst te verkeren aan dat bezit van zijn motor. Dus zolang u denkt dat dit niet zinnig is, om redenen die u nu noemt, zou ik denken: bekijk eens eventjes hoe de echte wereld in elkaar steekt in dat milieu. En dan is het toch zo simpel.

Ik sta hier niet op de markt en ik hoef niet nog meer aan te prijzen. Maar waarom zou je nalaten wat simpel kan? Hoeveel kosten, ambitie, moeite en toewijding hebben de officieren van justitie al niet gestopt in de pogingen de motorbendes te verbieden? Nou, dan haal je de leden eruit met het simpele wegnemen van het rijbewijs en klaar is Kees.

De voorzitter:

De minister.

De heer Hiddema (FvD):

Dan zegt u dat dat niet kan, omdat de delicten die zij plegen niets met de Wegenverkeerswet te maken hebben. Maar zo simpel is het niet.

De voorzitter:

De minister.

De heer Hiddema (FvD):

Er zijn nu ook al strafbepalingen in het wetboek die gekoppeld zijn aan de bijzondere straf van het ontnemen uit de Wegenverkeerswet, terwijl helemaal geen sprake hoeft te zijn van een wegenverkeersdelict. Dat u het weet.

Minister Dekker:

Als de leden van dit soort criminele motorbendes zich keurig aan de wet zouden houden, namelijk door als je geen rijbewijs hebt ook niet op je motor te gaan zitten, dan zouden ze waarschijnlijk ook heel veel andere en ergere dingen niet doen. Het punt dat ik wil maken, is dat in recent onderzoek al wordt geschreven dat heel veel leden van criminele motorbendes ook nu al geen rijbewijs hebben en toch op die dingen gaan zitten. Dus even los van alle andere bezwaren vraag ik mij zeer af of het enig effect zal hebben als daar rijbewijzen afgepakt worden annex …

De voorzitter:

Ja. Tot slot, de heer Hiddema.

De heer Hiddema (FvD):

Kort en simpel, gelooft u mij nou maar. Iedereen die zijn status ontleent aan zijn hele macho- en imponerende verschijning binnen de club zorgt er echt wel voor dat hij niet door een lullig verkeersovertredinkje — als ik het zo mag noemen — omdat hij zonder rijbewijs rijdt zijn motor kwijtraakt. Als u denkt dat dat een werkelijke situatie is: succes.

Minister Dekker:

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Staatssecretaris Harbers:

Voorzitter, dank u wel. Ook dank dat een aantal Kamerleden even dacht aan de ambtenaren die gisteravond en vannacht en vanochtend hebben gewerkt. Ik heb nu met eigen ogen gezien hoeveel mensen daaraan werken. Laat ik het eerlijk zeggen: daar was ik me in de tijd als Kamerlid nooit zo van bewust. Fijn dat dit ook hier in huis gewaardeerd is.

Voorzitter, ik loop de moties op mijn terrein langs. Daarna zal ik nog een enkele resterende vraag beantwoorden. Ik begin bij de motie op stuk nr. 43, waarin verzocht wordt om de Nederlandse grenzen te sluiten. Ik ondersteun dat niet. Om te beginnen doe ik dat al niet vanwege wat ik in mijn inleiding heb gezegd: het belang dat ik eraan hecht dat wij opvang bieden aan mensen die bescherming nodig hebben op grond van het Vluchtelingenverdrag of het EVRM. Ik heb uitvoerig betoogd dat we een aantal maatregelen nemen om migratiestromen te beheersen en om risico's ten aanzien van de veiligheid in Nederland te beperken, maar verder kan ik deze motie niet ondersteunen. Ik ontraad haar daarom.

De motie-Fritsma op stuk nr. 44 gaat over geen bed-bad-broodopvang en geen kinderpardonregeling. Ik denk eerlijk gezegd ook dat de PVV-fractie hier miskent dat de landelijke vreemdelingenvoorzieningen die het kabinet wil gaan inrichten, juist worden ingericht om vanuit die locaties aan het vertrek van vreemdelingen te kunnen werken. Overigens is het niet zo dat wij bed-bad-broodvoorzieningen als rijksoverheid financieel ondersteunen. Dan kom ik op het andere deel van de motie, het kinderpardon. Een onderdeel van die regeling is dat wordt getoetst of oprecht is gewerkt aan vertrek. Die voorwaarde zorgt ervoor dat de regeling geen onnodig aanzuigende werking heeft en ook niet botst met het terugkeerbeleid. Dat is dus ook weer uitgebalanceerd. Ik ontraad daarom de motie op beide onderdelen.

De motie-Fritsma op stuk nr. 45 verzoekt de regering om illegaliteit strafbaar te stellen. Het kabinet wil illegaal verblijf terugdringen. Om die reden zet het ook sterker in op het voorkomen van illegale migratie en op het vertrek van illegaal verblijvende vreemdelingen. Het kabinet zet zich daarom ook in om extra capaciteit vrij te maken voor de Dienst Terugkeer en Vertrek. Ook samenwerking met gemeenten is daarvoor cruciaal. Maar het kabinet is wel van mening dat het strafbaar stellen van illegaliteit in de context van deze voorgenomen maatregelen onvoldoende extra zal bijdragen. Om die reden ontraad ik de motie.

De motie-Fritsma op stuk nr. 46 verzoekt de regering om de tijdelijke asielvergunningen van in Nederland verblijvende Syriërs in te trekken. We hebben daarstraks een wat uitvoeriger debat over gevoerd. De beoordeling of de veiligheidssituatie in Syrië zodanig is verbeterd dat ons asielbeleid op onderdelen kan worden aangepast, wil ik echt baseren op de feiten. Ik stel daarom voor om toch te wachten op het ambtsbericht dat in 2018 zal worden opgeleverd. Om die reden ontraad ik de motie.

Ik kom op de motie op stuk nr. 53. Dat is een motie van de heren Van Ojik en Van Dijk en mevrouw Kuiken.

De voorzitter:

De heer Fritsma heeft nog een vraag over de vorige motie, kennelijk.

De heer Fritsma (PVV):

Het gaat niet zozeer over de moties, maar ik heb nog wel een belangrijke vraag aan de staatssecretaris. We hebben vandaag van de ChristenUnie vernomen dat Kamerleden zich achter de schermen met allerlei verblijfszaken bezighouden. Dat is natuurlijk ontoelaatbaar. Het is oncontroleerbare achterkamertjespolitiek.

De voorzitter:

En uw vraag aan de staatssecretaris?

De heer Fritsma (PVV):

Kan de staatssecretaris daarom aangeven hoe vaak dit gebeurt, wie de betrokken Kamerleden zijn, hoe vaak dit soort contacten tot verblijfsvergunningen heeft geleid, en wat hij doet om die achterkamertjespolitiek te stoppen? Kan hij het elke keer wanneer er weer een Kamerlid bij hem komt lobbyen voor verblijfsvergunningen, aan de Kamer melden? Dit kan immers niet buiten het zicht blijven. Een deel van de Kamer wordt helemaal buitengesloten.

De voorzitter:

De staatssecretaris.

De heer Fritsma (PVV):

En voorzitter, als laatste …

De voorzitter:

Heel kort. We gaan niet een nieuw debat beginnen.

De heer Fritsma (PVV):

Nee, voorzitter, maar u zou mij ook moeten steunen, want hier wordt een deel van de Kamer dus buitenspel gezet.

De voorzitter:

U krijgt de gelegenheid om dit zeggen.

De heer Fritsma (PVV):

Ik kan mijn uitvoerende taak op deze manier niet doen, dus deze vraag is heel belangrijk. Ik had nog maar één punt. Die informatie hoeft niet gelijk te worden verstrekt. Dat kan per brief. Ik kan me voorstellen dat de staatssecretaris niet alles bij de hand heeft. Ik vraag hem om dat overzicht te geven met betrekking tot de afgelopen twee jaar, want dan houden we het nog enigszins overzichtelijk.

De voorzitter:

Ja. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Harbers:

Ik had dit al op mijn lijstje staan. Ik was van plan om hier na afloop van de bespreking van de moties nog kort op te reageren. Het bestaan van die discretionaire bevoegdheid is geen geheim. Dat zit in het Vreemdelingenbesluit naar aanleiding van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond daarvan gebeurt het dat zaken uiteindelijk worden voorgelegd aan de staatssecretaris. Mensen kunnen zelf een zaak voordragen en daar kunnen ook steunbetuigingen, in welke vorm dan ook, bij zitten. Mensen kunnen daar aandacht voor vragen. Dat gebeurt soms door Kamerleden, maar heel veel vaker nog door andere betrokkenen uit de lokale gemeenschap of uit het lokaal bestuur. Dat kan vanuit tal van plekken gebeuren. Ik zeg erbij dat dit allemaal niet relevant is, want de enige wijze waarop het tot de staatssecretaris komt, is via de IND in de vorm van een volledig dossier. Vervolgens is het aan de staatssecretaris om te beoordelen of sprake is van een uitzonderlijk schrijnend geval. Vervolgens zegt het besluit dat de staatssecretaris daar discretionair het besluit over neemt. De getallen die het betreft, zijn openbaar. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 481 in de schriftelijke voorbereiding van deze begrotingsbehandeling.

De voorzitter:

Tot slot de heer Fritsma. Heel kort.

De heer Fritsma (PVV):

Dit is te makkelijk en absoluut geen antwoord. De staatssecretaris heeft aangegeven hoe vaak de discretionaire bevoegdheid wordt toegepast. Dat weet ik; ik heb die antwoorden gelezen. Wat ik wil weten, is hoe vaak vanuit deze Kamer wordt gelobbyd om die verblijfsvergunning te verstrekken. We hebben het net gehoord: er is achter de schermen contact met u over verblijfszaken. Dat is achterkamertjespolitiek die niet te accepteren valt. Op deze manier kunnen buiten het zicht allerlei minigeneraalpardonnetjes worden geregeld. Bijvoorbeeld de tweede partij van Nederland heeft daar totaal geen zicht op. Dat is ontoelaatbaar, voorzitter.

De voorzitter:

U heeft uw punt gemaakt.

De heer Fritsma (PVV):

Ja, maar u zou me bij moeten vallen.

De voorzitter:

Waarom?

De heer Fritsma (PVV):

Want een deel van de Kamer heeft …

De voorzitter:

U krijgt gewoon de gelegenheid om uw vraag te stellen.

De heer Fritsma (PVV):

… geen zicht op hoe het vreemdelingenbeleid wordt uitgevoerd. Dat is onacceptabel. Ik wil de vragen die ik net gesteld heb gewoon beantwoord hebben!

De voorzitter:

De staatssecretaris.

Staatssecretaris Harbers:

Het antwoord is heel helder: daarover wordt niet gelobbyd bij mij. Ik krijg in die gevallen één ding voorgelegd, en dat is gewoon het dossier van de IND. Dat is het. Ik lees het dossier van a tot z en alleen op dat dossier baseer ik mijn oordeel. Dat hebben volgens mij alle staatssecretarissen voor mij zo gedaan. Zo zit de regeling in elkaar en daar wordt niet op gelobbyd.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter …

De voorzitter:

Nee, meneer Fritsma, u krijgt niet opnieuw het woord, want u heeft uw punt gemaakt.

De heer Fritsma (PVV):

Ik ga er een andere keer wel op door.

De voorzitter:

Jazeker. Ik geloof dat er nog genoeg debatten komen waarin dit punt opnieuw aan de orde wordt gesteld.

Meneer Voordewind, een verduidelijking.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik heb de heer Fritsma alleen gewezen op het feit dat de staatssecretaris een discretionaire bevoegdheid heeft. Ik heb niet gewezen naar achterkamertjes of wat dan ook. Ik heb gezegd dat die bevoegdheid er is. Dat weet de heer Fritsma ook, dus ik begrijp de oproer niet.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat, staatssecretaris.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter, ik ben rechtstreeks aangesproken!

De voorzitter:

U heeft recht op een weerwoord. Tot slot dan. Ik heb trouwens het gevoel dat niemand afscheid durft te nemen van de begrotingsbehandeling of zoiets, dat jullie door willen gaan.

Meneer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV):

Het klopt niet wat de heer Voordewind zegt. Het kan in de Handelingen worden nagelezen. Er is letterlijk gezegd dat er achter de schermen werk van wordt gemaakt om vreemdelingen aan verblijfsvergunningen te helpen. U kunt het afkappen, prima, maar hier is het laatste woord nog niet over gezegd. Die informatie moet boven water komen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat, staatssecretaris.

Staatssecretaris Harbers:

Voorzitter. De motie-Van Ojik c.s. op stuk nr. 53 verzoekt de regering om de Regeling langdurig verblijvende kinderen op een ruimhartige manier uit te voeren. Ook daar hebben we een uitvoerig debat over gehad. Daarin heb ik aangegeven dat ik niet zo veel kan met termen als "ruimhartig" of "restrictief" als het gaat om de uitvoering van een regeling met heldere voorwaarden. Wel ben ik aanspreekbaar op een zorgvuldige uitvoering van de regeling die past bij de aard van het vraagstuk. Die aanvragen moeten in alle redelijkheid door de betrokken dienst, de IND, worden getoetst. Ik wijs de Kamer er graag op dat er vanmiddag ook getallen zijn genoemd, maar die vertonen in de loop van de jaren een grillig verloop. Dat houdt ook verband met het aantal aanvragen. Zo is naar het beeld van nu over 2017 het percentage alweer hoger dan gezegd werd. In de Rapportage Vreemdelingenketen over het eerste halfjaar van 2017 stond een percentage van 18. Maar het houdt dus ook verband met het aantal aanvragen. Het gebeurt zorgvuldig, maar er wordt getoetst aan de regeling. Het gebeurt zorgvuldig, met oog voor de individuele zaak en in alle redelijkheid. Omdat deze motie daar het woord "ruimhartig" op wil plakken, moet ik deze toch ontraden.

Voorzitter. Dan kom ik op de motie-Van Ojik op stuk nr. 54 over het opschorten van steun aan de Libische kustwacht. Ook daarover hebben we uitvoerig gedebatteerd. De steun aan de Libische kustwacht is onderdeel van de opbouw van de Libische overheid, ook omdat de Libische kustwacht naast reddingsoperaties in het door Libië afgekondigde opsporings- en reddingsgebied ook andere wettelijke taken uitvoert. Het kabinet is van mening dat daarmee ook wordt geprobeerd om iets aan capaciteitsopbouw te doen.

De financiering loopt overigens in het kader van een programma van de EU. Onder die vlag hebben we bijvoorbeeld een trainingsmissie ondersteund. Het is niet zo dat er rechtstreekse financiële steun van Nederland naar Libië gaat. Het loopt allemaal via de EU en in het verleden ook via de IOM.

Op een ander terrein spreekt het kabinet samen met Europese en internationale partners Libië er steeds op aan om de omstandigheden in de centra en de opvang van migranten te verbeteren en om op te treden tegen criminele mensensmokkelaars en slavenhandelaren. Maar ondertussen willen we ook dat er een kustwacht is die in ieder geval operationeel is en ook nog in staat is om taken te doen en te helpen bij het redden van mensen. Om die reden ontraad ik de motie.

De voorzitter:

De heer Van Ojik, heel kort.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Het punt is juist dat we uit die informatie die we bijna dagelijks krijgen, weten dat het niet helpt, als we de kustwacht of wie dan ook daarop aanspreken. De staatssecretaris zegt dat er geen Nederlandse bijdrage is, maar er is in de Tweede Kamer een groot debat geweest, omdat we 1,5 miljoen gingen geven aan die Libische kustwacht. We hebben het al gehad over het ongemak dat dat bij ons allemaal met zich meebrengt. Is de staatssecretaris bereid om de Kamer nog eens een brief te sturen, waarin hij uitlegt wat we steunen, waar dat precies toe leidt in de activiteiten van de kustwacht en of er reden is om daar misschien veranderingen in aan te brengen?

Staatssecretaris Harbers:

Ja, die brief zeg ik toe. Daarin zal aangegeven worden hoe dat loopt, uiteindelijk via de Europese Unie.

Dan kom ik bij de motie-Jasper van Dijk/Van Ojik op stuk nr. 63, die ook over Libië gaat. Daarin staan ook de woorden "medeplichtigheid aan het terugsturen van vluchtelingen naar Libië". Voor zover de suggestie is dat steun vanuit de EU voor capaciteitsopbouw om mensen op zee te redden, gelijkstaat aan medeplichtigheid aan onveilige terugkeer, deel ik die vergelijking niet. Bij de vorige motie heb ik al aangegeven dat de Europese Unie financiële steun geeft om bijvoorbeeld materieel en onderhoud van schepen te bekostigen. Ook de IOM, de Internationale Organisatie voor Migratie, heeft een trainingscurriculum ontwikkeld, dat wordt uitgevoerd met hulp van EU-experts. De Libische kustwacht voert naast reddingsoperaties ook een aantal andere wettelijke taken uit. Om die reden ontraad ik deze motie.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Zou de staatssecretaris de …

De voorzitter:

De heer Jasper van Dijk van de SP, kort.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dank u, zo is het. Zou de staatssecretaris deze motie strikt genomen niet moeten omarmen? Is hij het er niet mee eens? Hij zegt dat die kustwachtmissie geen dingen verkeerd doet. Hij is het volgens mij met mij eens dat de EU er niet medeplichtig aan moet zijn dat er vluchtelingen worden teruggestuurd.

Staatssecretaris Harbers:

Volgens mij komen we dan in een soort schimmig debat, want dan zal waarschijnlijk daarna de discussie zijn om in EU-verband te stoppen met het ondersteunen van de kustwacht. Wij staan voor een benadering om te verwerpen wat daar verkeerd gaat, om er kritisch op te zijn, de Libische overheid en anderen daarop aan te spreken, maar ondertussen nog wel te kijken wat we kunnen doen om te zorgen dat het daar ooit beter wordt. Op grond van die benadering ontraad ik deze motie.

Voorzitter. De motie-Jasper van Dijk op stuk nr. 64 gaat over Afghanistan. Ook daarover hebben wij in de eerste termijn uitgebreid van gedachten gewisseld. Ik heb aangegeven dat ik van mening ben dat het asielbeleid voor Afghanistan adequaat is, waarbij er al bijzondere aandacht is voor een zeer groot aantal risicogroepen. Er is altijd een zorgvuldige individuele toets, ook uiteindelijk door de rechter. Het is niet perfect in Afghanistan, verre van. Dat zagen we ook eerder in het jaar al, zoals in de brief van februari over het landenbeleid uiteen is gezet. Wat we daarin hebben aangepast, sluit aan bij de ernstige situatie in Afghanistan en leidt waar nodig ook tot individuele bescherming. Om die reden zie ik geen aanleiding voor een algeheel besluit- en vertrekmoratorium. We zijn het nog eens nagegaan: dat is ook zo in alle andere lidstaten van de Europese Unie. Zij hebben dat op dit moment ook niet afgekondigd. Dat zijn de redenen waarom ik de motie ontraad.

Overigens vroeg de heer Voordewind hierbij nog naar het oordeel van de UNHCR over terugkeer naar Afghanistan. We zijn dat nog even nagegaan. Het is juist dat de UNHCR al langere tijd aangeeft dat de opnamecapaciteit van Afghanistan voor mensen die terugkeren beperkt is. Dat gaat dus niet zozeer over de terugkeer zelf als wel over de opnamecapaciteit. Dat is ook de reden waarom Nederland inzet op een vrijwillige terugkeer, waarbij financiële ondersteuning en ondersteuning in natura mogelijk is. Natuurlijk is er ook gewoon de benodigde praktische ondersteuning. Op die manier kan een terugkeerder maximaal worden begeleid en kan tegemoet worden gekomen aan deze constatering van de UNHCR.

De voorzitter:

Nu de laatste motie.

Staatssecretaris Harbers:

Dan de laatste motie. Dat is de motie op stuk nr. 67.

De voorzitter:

Één vraag, meneer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dank u, voorzitter. Het ging nog over mijn motie, maar de heer Voordewind wees op een ander citaat van de VN. Daarin gaven de VN aan dat het op dit moment niet verstandig is om mensen terug te sturen. Dat ging dus niet over de opnamecapaciteit. Kan de staatssecretaris daarop ingaan?

Staatssecretaris Harbers:

Wij zijn even de uitspraken van de UNHCR nagegaan. Ik weet niet of dit dezelfde uitspraak is als die van de VN. Ik denk overigens ook dat het goed is om de rol van de UNHCR hierbij in ogenschouw te nemen. De UNHCR heeft een rol bij de toepassing van het Vluchtelingenverdrag en de vraag of bescherming nodig is. Maar als tot de hoogste rechter is vastgesteld dat een migrant geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag noch anderszins bescherming nodig heeft, dan is terugkeer aan de orde. Dan komen we dus op een werkterrein dat niet meer het primaire aandachtsgebied van de UNHCR betreft. Nogmaals, de uitspraken waarin de UNHCR zegt dat het niet kan, zijn ons op dit moment niet bekend. Daarom handhaaf ik het oordeel dat ik heb gegeven.

De voorzitter:

De laatste motie.

Staatssecretaris Harbers:

Voorzitter. De laatste motie is de motie op stuk nr. 67 van de heren Groothuizen en Azmani, mevrouw Van Toorenburg en de heer Voordewind over de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeerlingen en lhbti's. Hoewel ik denk dat de procedures zorgvuldig zijn, heb ik in het debat al aangegeven dat ik ervoor opensta om altijd nog eens te kijken of er ruimte is voor verbetering, ook in overleg met belangenverenigingen en religieuze instellingen. Ik heb vanmiddag gezegd dat het WODC van plan is daar nog onderzoek naar te doen. Maar in de wandelgangen heb ik ook begrepen dat die woorden wellicht verkeerd begrepen kunnen worden: dat ik eerst zou willen wachten totdat het WODC daarmee klaar is. Dat is niet mijn bedoeling. Ik heb vanmiddag eigenlijk al aangegeven dat ik hiervoor opensta. Ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer. Mocht de motie worden aangenomen, dan ben ik van plan om twee dingen te doen. In overleg met belangengroeperingen en instanties gaan wij zelf bekijken waar er ruimte voor verbetering is. Dat zal ik terugkoppelen naar de Kamer. Waarschijnlijk zal het WODC daarna nog met een onderzoeksrapport komen. Dan zullen we nogmaals kijken naar de aanbevelingen die het WODC zal doen.

Tot slot rest mij nog een laatste vraag. Volgens mij had ik op deze vraag al impliciet een goed antwoord gegeven. Het is de vraag van de heer Van der Staaij, die vroeg naar de uitvoering van zijn motie. Hij vroeg of wij het belang van uitstapprogramma's en het vaststellen van een beleidsvisie ook onder de aandacht van de gemeenten gaan brengen om zo te bekijken welke ruimte en mogelijkheden gemeenten hebben om die beleidsvisie te ontwikkelen. Dat kan ik toezeggen. Dat gaan we doen en dat betrek ik ook bij de planvorming rondom de aanpak van mensenhandel komend jaar.

Dank u wel.

De voorzitter:

Meneer Van Ojik, ik geef u de gelegenheid om een motie aan te houden. Is dat het geval?

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De minister heeft een brief beloofd over Libië. Zoals u al veronderstelde, wil ik mijn motie over de Libische kustwacht inderdaad aanhouden.

De voorzitter:

Welk nummer?

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dat is de motie op stuk nr. 54 over de steun aan de Libische kustwacht. Er is sprake van een noodsituatie. Dat vinden wij allemaal. Het zou dan wel prettig zijn als de brief een beetje snel kan komen. Ik wil deze motie aanhouden mits de minister belooft dat deze brief dan wel een beetje snel komt.

Staatssecretaris Harbers:

Dat kan ik beloven en toezeggen.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Ojik stel ik voor zijn motie (34775-VI, nr. 54) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid. Ik dank de minister van Justitie en Veiligheid, de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Asiel en Immigratie.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de moties gaan we natuurlijk dinsdag stemmen.

De vergadering wordt van 19.00 uur tot 19.45 uur geschorst.

Voorzitter: Van Toorenburg


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl