Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017nr. 38, item 4

4 Najaarsnota 2016

Aan de orde is het debat over de Najaarsnota 2016. 

De voorzitter:

Tegen de leden zeg ik dat ik weet dat het verkiezingstijd is en dat interrupties zijn toegestaan, maar dat zij het kort en bondig mogen houden. We hebben daar een klein beetje ervaring mee opgedaan de afgelopen weken. Ik geef als eerste het woord aan de heer Merkies van de fractie van de SP. 

De heer Merkies (SP):

Voorzitter. In de Najaarsnota heeft de minister vooralsnog een gat van 1 miljard euro in 2016. Dat is een bedrag dat eind dit jaar nog als onderuitputting wordt opgevoerd. In hoeverre is dat realistisch? Er wordt officieel niet op gestuurd, maar de vraag is in hoeverre dat toch gebeurt om de boeken sluitend te krijgen. Er was al een enorme onderuitputting voor 2016 voorzien van 900 miljoen en nu blijkt dat er veel onderuitputting is, met name op het Infrastructuurfonds. Is dat toeval? Waar komen die onderuitputtingen vandaan? 

Wat het meest opvalt in de Najaarsnota is de meevaller van 4,3 miljard euro. Ik las vandaag in de krant de kop "4,3 miljard euro meer". Dat ging weliswaar over iets heel anders, namelijk over Google dat 4,3 miljard euro meer door Nederland heen sluist op weg naar belastingparadijzen, maar 4,3 miljard euro is een mooie meevaller. Het komt vooral door de belastingmeevallers en dat is goed nieuws. 

Ik vraag me wel af hoe het komt dat men er zo laat in het jaar achter komt. Je kunt natuurlijk zeggen dat de Belastingdienst nu pas met die cijfers komt, maar bij mij blijft toch de vraag door het hoofd spelen of de Belastingdienst voor die tijd geen enkel idee hierover heeft gehad. Ik vraag me af of de Belastingdienst al eerder in het jaar een tendens ziet in de belastingaangiften. In de Najaarsnota staat namelijk dat ondernemingen vaker dan in vorige jaren om een voorlopige aanslag vroegen om daarmee te vermijden dat zij op een later moment belastingrente moeten betalen. Dat leidt in de eerste helft van 2016 tot een forse toename van de ontvangsten over 2015 in vergelijking met de ontvangsten in dezelfde periode vorig jaar. Dan lijkt het er toch op dat die informatie over de toegenomen inkomsten er eigenlijk al veel langer is dan de publicatie daarvan in de Najaarsnota. Kan de minister dat bevestigen? 

Een groot deel van de meevaller komt dus door hogere inkomsten. Waarom kan de minister nu nog niet aangeven welk deel van die meevaller structureel van aard is? Waarom kiest de minister ervoor om een groot deel van de meevaller toe te laten komen aan het aflossen van de staatsschuld? Een hoop economen en verschillende organisaties als het IMF en de OESO pleiten ervoor dat juist een land als Nederland een impuls geeft aan de economie. De OESO stelt voor om onderscheid te maken tussen publieke investeringen en meer consumptieve uitgaven en stelt dat het Stabiliteitspact in Europa zo zou moeten worden ingericht dat investeringen niet langer meetellen bij de beoordeling van de overheidsuitgaven. Ik hield dat onlangs de minister voor en hij zei zoiets als "de SP ziet alles als een investering". Afgezien van het feit dat dat niet helemaal waar is, is dat bovendien een beetje het ontwijken van de vraag. Ik begrijp best dat er een discussie kan zijn over wat consumptief is en wat een investering is, maar de vraag is natuurlijk of hij daar wel over wil meedenken. Er zijn natuurlijk voldoende voorbeelden te noemen waarbij er helemaal geen discussie over is of het wel een investering is. Neem de hele energietransitie, het isoleren van huizen en gebouwen. Dit zijn investeringen die ervoor zorgen dat de energierekening in de toekomst minder hoog wordt en ook het milieu minder wordt belast, met in ons achterhoofd het opraken van de fossiele brandstoffen. 

De rente is nog nooit zo laag geweest. Voor bedrijven zou dat een reden zijn om te investeren, omdat je er op termijn wat voor terugkrijgt, maar de overheid stopt het liever in een oude sok, want dat is het toch eigenlijk. Ook het bestempelen van extra overheidsuitgaven als cadeautjes is te gemakkelijk, zelfs als deze liggen in de consumptieve sfeer. We hebben immers ondanks voorzichtig herstel nog steeds een periode van onderbesteding. Een bestedingsimpuls is nog steeds nodig en dat zeggen velen met mij. 

De minister maakt zich zorgen over de overheidsschuld, maar volgens mij moeten we ons meer zorgen maken over de private schulden. Ik heb dat hier de afgelopen jaren vaker prominenter op de agenda proberen te zetten, onder andere bij de najaarsnota van vorig jaar, maar ik heb daarbij wel vaak het gevoel tegen een muur op te lopen. De minister zei eerder dat het probleem min of meer zou worden opgelost als de huizenmarkt zou aantrekken, want dan zouden de huiseigenaren niet meer onder water staan. Ik blijf echter vinden dat er te gemakkelijk wordt omgegaan met die problematische schulden. Denk bijvoorbeeld aan de vele huurders die hun huur niet meer kunnen betalen omdat ze de huur enorm hebben zien stijgen. Een deel van hen belandt op straat en wordt dakloos. Het CBS becijferde eerder dit jaar dat het aantal daklozen in Nederland in zes jaar tijd met 74% is gestegen. Dat is schrikbarend. Maar deze kille cijfers komen pas echt tot leven wanneer deze mensen een gezicht krijgen. In het televisieprogramma Schuldig bijvoorbeeld, dat laat zien hoe mensen worstelen met schulden, of het programma The Amsterdam Project, over daklozen in Amsterdam. Hulde overigens voor deze programma's. 

In zes jaar tijd zien we dus een stijging van 74% van het aantal daklozen. De brancheorganisatie Federatie Opvang heeft haar zorgen uitgesproken over de verstopping van de opvang. En dit terwijl de winter aanbreekt: vandaag, om precies te zijn. 

Daarom wil ik een voorstel doen voor een investering. En nu hoor ik de minister al denken: zie je wel, nu vindt de SP geld steken in de aanpak van het daklozenprobleem ook al een investering. Jazeker, en ik zal dat uitleggen. Ik neem de minister graag mee terug naar tien jaar geleden, naar het jaar 2006. Dat was nog voor de tijd dat we zeiden dat de gemeentes alles maar moesten oplossen, en dat het ons probleem niet was. Er lag toen een ambitieus nationaal actieplan om het daklozenprobleem aan te pakken, samen met de grote gemeentes. Het zou eerst in de grote gemeentes gebeuren en later elders in Nederland. Het kostte 175 miljoen en het was een groot succes. In een paar jaar tijd was de overlast in grote steden met 65% afgenomen. Het drugsgebruik halveerde. In 2011 heeft het ministerie van VWS een kosten-batenanalyse laten maken van de daklozenopvang en wat bleek? Het staat gewoon zo in die kosten-batenanalyse: op basis van de beschikbare gegevens is becijferd dat 1 euro aan inzet voor maatschappelijke opvang baten oplevert in de orde van circa 2 euro. De kosten van dakloosheid schijnen toch behoorlijk hoog te zijn, en men concludeerde dan ook dat opvang beter én goedkoper is dan dat mensen op straat moeten leven. 

Helaas liep het allemaal anders. De crisis kwam, er werd flink bezuinigd. Gemeentes kregen ongelooflijk veel op hun bordje en er werd ook bezuinigd op de daklozenopvang. Wat begon als een groot succes, eindigde als een drama. Ik heb zojuist al de getallen genoemd. 

We hebben nu een meevaller van 4,3 miljard euro. Ik had grote plannen kunnen uitrollen over hoe we die volledige 4,3 miljard euro kunnen uitgeven, maar mijn vraag vandaag is wat bescheidener. We hebben het nu over de Najaarsnota, het is het eind van het jaar, en mijn voorstel is om 50 miljoen opzij te zetten voor de maatschappelijke opvang in de grote gemeentes. Ik zal daartoe een amendement indienen. Uiteraard is er meer nodig voor de aanpak van dakloosheid, maar dit is bedoeld om een impuls te geven, net zoals we tien jaar geleden de ambitie hadden om een impuls te geven aan de grote gemeentes en samen aan de slag te gaan. 

Er zal straks geheid discussie komen over de dekking. Het is namelijk heel gemakkelijk voor een minister om te zeggen dat hij iets sympathiek vindt, maar dat de dekking niet klopt of dat gemeentes het maar moeten doen. Ik vraag de minister daarom eigenlijk of hij gewoon met mij mee wil denken. Hier geldt namelijk: waar een wil is, is een weg. Denk aan het moment dat we dat schilderij wilden kopen voor 80 miljoen. Binnen no time hadden we die 80 miljoen beschikbaar, omdat de minister hierin wilde meedenken. Waarom? Omdat wij met z'n allen zeiden dat dat belangrijk was. Vandaag zeg ik: de aanpak van de daklozenproblematiek is ook belangrijk. Waar een wil is, is een weg. Het gaat om geld; niet alleen voor de opvang, maar ook voor de begeleiding van daklozen. Nederland is een rijk land. We hebben een meevaller van 4,3 miljard. Als wij dit willen en als de minister dit ook wil, wil hij dan met mij meedenken, zodat dit mogelijk wordt? Als wij dit willen, is het namelijk mogelijk. 

De voorzitter:

Met deze fraaie woorden besloot de heer Merkies zijn inbreng over de Najaarsnota. 

Het woord is nu aan de heer Harbers van de VVD-fractie. 

De heer Harbers (VVD):

Voorzitter. Voordat ik toekom aan een aantal vragen over de Najaarsnota, wil ik beginnen met nieuws dat we in de afgelopen weken veelvuldig hebben gehoord: economisch gaat het goed met Nederland. De economie groeit zelfs harder dan waar we gewend aan begonnen te raken; meer dan in het voorjaar en ook meer dan bij de Algemene Financiële Beschouwingen. Dat zien we terug in de overheidsfinanciën. Er zijn nu wekelijks mooie, opbeurende cijfers. En eerlijk is eerlijk, tot voor kort hadden ook wij niet verwacht dat al voor het einde van deze kabinetsperiode het overheidstekort zou zijn weggewerkt. Toch is dat het geval. Volgend jaar is er voor het eerst in negen jaar weer een begrotingsevenwicht, dus geen begrotingstekort meer. Dit jaar eindigt het tekort nog op 0,5%, terwijl een jaar geleden nog 1,1% werd verwacht. Bij de start van deze regeerperiode in 2012 was zelfs 1,4% voorspeld. De werkloosheid kent een forse afname ten opzichte van de piek in 2014. De lonen beginnen voorzichtig te stijgen en de koopkracht neemt toe. Alle vooruitzichten voor de economie van komend jaar zijn onlangs verbeterd en naar boven bijgesteld. Ik zeg daar gelijk bij dat nog lang niet alle mensen dat ook voelen. Aan een stijging van het consumentenvertrouwen heb je niks wanneer je in een nulurencontract zit en twee studerende kinderen hebt. Een begrotingsoverschot maakt je niks uit als je niet zeker weet of je pensioen volgend jaar op peil blijft. Een derde van de mensen heeft het gevoel dat ze er dit jaar op achteruit zijn gegaan en dat dat volgend jaar ook nog zo zal zijn. Ik kom zo terug op hoe we deze belangrijkere zorgen van een antwoord kunnen voorzien. 

Eerst wil ik aangeven dat, nu de overheid voor het eerst niet meer jaarlijks rood staat, dit haast traditioneel gelijk tot oproepen leidt om meer geld uit te gaan geven aan van alles en nog wat. Dat gebeurt niet alleen hier en daar in de politiek — ik zag al wat amendementen langskomen — maar pas geleden deed bijvoorbeeld VNO-NCW dat ook. Het wil dat een volgend kabinet tientallen miljarden investeert, en dat terwijl het bedrijfsleven zelf de hand op de knip houdt. Het IMF en de Europese Commissie wilden heel graag dat Nederland en Duitsland Italië zouden gaan redden door meer uit te geven. Ik ben blij dat de minister daar niet voor is gezwicht. In tegenstelling tot de mensen van wie dit soort geluiden komen, ben ik namelijk niet vergeten dat we uit een van de grootste en langdurigste crises van de afgelopen eeuw zijn gekomen. Begrotingsevenwicht en een snel dalende staatsschuld zijn allebei een belangrijke buffer voor als het ooit weer tegenzit. Dat kan bijvoorbeeld over een paar jaar gebeuren, als de brexit plaatsvindt, of als de wereldhandel gaat lijden onder toenemend protectionisme. 

Een begroting waarbij de overheid niet meer uitgeeft dan er binnenkomt, biedt de basis waarop we voor steeds meer mensen in het land, ook degenen die het zelf nu nog niet merken, stap voor stap het leven beter kunnen maken; en dat niet alleen in de statistieken en in het nieuws, maar ook bij hen thuis. Hoe werkt dat? Als gevolg van de goed draaiende economie begint de werkloosheid nu eindelijk stevig te dalen. Dat biedt de mensen die nu nog aan de kant staan het perspectief dat zij in de komende jaren weer een baan krijgen. De eerste signalen van inflatie en rentestijging betekenen voor de pensioenuitkeringen alweer een tikje minder druk op de ketel, al weten we pas aan het eind van het jaar precies waar de pensioenfondsen staan. Maar het allerbelangrijkst is dat een overheid die genoeg binnenkrijgt om de noodzakelijke uitgaven te doen, niet meer hoeft bij te lenen, waardoor de staatsschuld verder naar beneden wordt gewerkt. Zo ontstaat in de komende periode ruimte voor een stevige belastingverlaging. Wat de overheid niet nodig heeft, hoeft immers ook niet bij de inwoners te worden opgehaald. Er ontstaat ook ruimte voor noodzakelijke extra uitgaven aan defensie, veiligheid en wegen, als het aan de VVD ligt. Dit zijn allemaal manieren waarop mensen de komende jaren meer kunnen merken van de opleving. Het is hét antwoord op alledaagse zorgen, want je voelt het in je portemonnee als je een baan krijgt, met daarnaast een betere veiligheid en de mogelijkheid om wat vaker te kunnen doorrijden. 

Plannen voor andere extra investeringen klinken wel leuk, maar volgens mij is de belangrijkste les van de voorbije periode dat een overheid die te losbandig belastinggeld uitgeeft uiteindelijk voor meer problemen zorgt dan problemen oplost. Bovendien is er één ding dat we niet hoeven te doen, namelijk de economie verder aanjagen. Dan kun je de buffers dus beter bewaren voor slechtere tijden. 

Over de Najaarsnota heb ik nog een aantal opmerkingen en vragen aan de minister. In de eerste plaats wil ik hem bedanken. In de afgelopen jaren heb ik er vaak een punt van gemaakt dat we wat weinig inzicht hadden in de begrotingsmutaties die nog na de tweede suppletoire begroting optraden. Nu heb ik in de afgelopen dagen een heel setje brieven gezien van diverse bewindslieden, van Financiën zelf, van V en J, van Defensie en van I en M, over begrotingswijzigingen die zich na de voorliggende tweede suppletoire begrotingen nog hebben voorgedaan en die bij slotwet zullen worden verwerkt. Dat lijkt me een goede verbetering. Ik dank de minister voor zijn inspanningen om het inzicht van de Kamer daarin te verbeteren. 

De in=uittaakstelling moet ook nog voor zo'n 1 miljard euro worden ingevuld, terwijl er nu al grote onderuitputtingen zijn gerapporteerd, waarmee een deel al is verwerkt. Is het realistisch dat die nog volledig wordt ingevuld bij het financieel jaarverslag? 

Dit brengt mij op een ander punt. In een van de antwoorden op de schriftelijke vragen geeft de minister aan dat voortdurend wordt geanalyseerd waar onderuitputting plaatsvindt en of deze meerjarig of structureel is. Wij hebben als Kamer dat inzicht niet of slechts heel beperkt. Kan de minister de resultaten van dit soort onderuitputtingsanalyses ook delen met de Kamer? Wordt er bijvoorbeeld ook teruggeblikt op de hele kabinetsperiode, zodat deze analyses ook behulpzaam kunnen zijn bij het opstellen van plannen voor de volgende vier jaar? Ook hiervoor geldt namelijk weer dat het heel noodzakelijk is dat de Kamer er inzicht in heeft als er voor een bepaald maatschappelijk doel minder geld nodig is. Dan kunnen wij namelijk besluiten om het aan betere dingen uit te geven. 

Bij het Infrastructuurfonds is er een grote onderschrijding van 500 miljoen euro. Op zichzelf hebben we vaker gezien dat het kasritme van de uitgaven aan infrastructuur niet helemaal gelijk oploopt met de jaargrenzen. Je bent ook een beetje afhankelijk van het tijdstip waarop de rekening van de wegenbouwer binnenkomt. Het is echter wel een groot bedrag. Ik ga ervan uit dat dit geld de komende jaren nog wel besteed gaat worden aan de geplande projecten. Ik krijg graag een bevestiging van de zijde van het kabinet. Een ander deel van de onderschrijding komt doordat uitgaven aan infrastructurele projecten lager zijn uitgevallen dan gepland. Dat is hartstikke mooi, maar ik neem aan dat die gelden dan benut kunnen worden voor andere onderdelen van het infrastructuurprogramma. 

Verder wordt er wat heen en weer geschoven met de terugbetaling van de bijdrage aan de Europese Unie van 2,8 miljard euro, de langverwachte korting die Nederland heeft bedongen. Het is mooi dat het eindelijk is gelukt om de ratificatie in alle 28 lidstaten af te ronden, waardoor nu overgegaan kan worden tot terugbetaling aan Nederland, precies drie jaar nadat het huidige Meerjarig Financieel Kader van de EU is ingegaan. Dat "drie jaar" zeg ik cynisch. We zijn nu al een beetje aan het vooruitblikken op de wijze waarop dit in de volgende periode zal moeten, inclusief de bijbehorende afspraken. Ik kan me voorstellen dat we dan ook inbrengen dat er afspraken worden gemaakt over de tijdsduur van de ratificatie, want deze periode van drie jaar was wel heel lang. Dat is fijn voor de lidstaten die meer moesten afdragen en dat misschien even niet konden, maar het is vrij zuur voor landen die een forse smak geld zouden terugkrijgen, zoals Nederland. 

Tot slot kom ik op de Europese belastingvoorstellen van de Europese Commissie. Dat doe ik omdat dit het laatste financiële debat van het jaar is. Binnenkort, voor het kerstreces, verloopt de deadline voor het trekken van gele kaarten daartegen. Een van de voorstellen is het voorstel van de Commissie om hybride mismatches met derde landen aan te pakken. Eerder al hebben we gezegd dat een impactassessment over de gevolgen van dat voorstel ontbreekt. De Tweede Kamer heeft eerder uitgesproken dat zo'n impactassessment er wel moet zijn. Er is een indicatie dat door dit voorstel minimaal ongeveer 77.000 arbeidsplaatsen bij Amerikaanse bedrijven direct kunnen worden geraakt. Dat is een heel fors aantal. 

De VVD wil geen banen in Nederland op de tocht zetten. Nederland en andere lidstaten gaan belasting heffen over winst die hun niet toekomt maar thuishoort in een ander land, in dit geval veelal in de VS. Het voorstel gaat in tegen het principe dat de winst daar belast moet worden waar die ook is gerealiseerd. In het eerdere OESO-rapport wordt de verantwoordelijkheid voor het wegnemen van de gevolgen van de hybride mismatches bij het land van oorsprong gelegd. Hier zal het vooral gaan om Amerikaanse bedrijven, waarvoor de aankomende Amerikaanse president Trump al heeft aangekondigd dat hij deze belasting zelf wil gaan heffen. 

Kortom, het lijkt ons goed om dat eerst af te wachten, ook gelet op dat aspect in het OESO-rapport. Bovendien is er ook nog veel onduidelijkheid over de gang van zaken na de brexit. Daarom zouden wij dat voorstel op dit moment niet willen steunen en vinden wij het van belang dat er door het parlement een gele kaart wordt getrokken tegen dit voorstel, zeker ook op dit moment, net zoals we dat eerder deden voor de CCCTB. Daarom kondig ik alvast aan dat ik in tweede termijn met een motie daarover kom. 

De heer Merkies (SP):

Dit is in eerdere debatten ook al aan de orde geweest. De VVD pleit voor vijf jaar uitstel, wat exact overeenkomt met datgene wat de lobbyorganisatie AmCham heeft voorgesteld. Maar zoals de heer Harbers ook weet, heeft de Kamer gezegd dat zij dat niet wil. De VVD was daar weliswaar geen voorstander van, maar een meerderheid van de Kamer wilde niet dat Nederland zou pleiten voor uitstel. Dan is de heer Harbers het toch met mij eens dat de minister en de staatssecretaris die wens moeten uitvoeren? 

De heer Harbers (VVD):

Ik ben het er op zich mee eens dat de minister en de staatssecretaris zich moeten houden aan datgene wat de Kamer heeft uitgesproken. De heer Merkies wijst terecht op een eerdere uitspraak daarover. Het gaat mij er nu om dat ons ook nog een andere mogelijkheid rest. Dat is het trekken van een gele kaart. De Eerste Kamer heeft zich daar gisteren ook voor uitgesproken. Om die inspanning van de Eerste Kamer niet teniet te doen, is het van belang dat we daar ook als Tweede Kamer nog een uitspraak over doen. Die uitspraak leg ik straks voor aan de Kamer. 

De heer Merkies (SP):

Dat is uiteraard het goed recht van de heer Harbers, maar ik denk dat hij, gezien de eerdere uitspraak, daarvoor geen meerderheid zal krijgen. Hij is het dus wel met mij eens dat we moeten afzien van dat pleidooi voor vijf jaar uitstel, want daarover heeft een meerderheid van de Kamer gezegd dat zij niet wil dat Nederland dat voorstelt in Europa? 

De heer Harbers (VVD):

De heer Merkies zegt terecht dat een meerderheid van de Kamer daartegen is, maar dat wil nog niet zeggen dat ik het daar ook mee eens moet zijn. Ik zie dit debat graag als een uiterste poging om te kijken of we die stem van Nederland voor een gele kaart, waar ook nog andere lidstaten voor nodig zijn, mogelijk kunnen maken. We zullen zien hoe de stemming verloopt. 

De heer Tony van Dijck (PVV):

Ik kan me nog herinneren dat de VVD de vorige keer campagne voerde met de leus "werkend Nederland verdient lagere belastingen". Dat is een van die beloftes waar niet veel van terecht is gekomen. We komen nu in een fase van begrotingsevenwicht. Ik hoor deze minister van Financiën zeggen dat we moeten gaan bufferen. Ik hoor de premier zeggen dat het nu geen tijd is voor lastenverlichting, dat we moeten gaan hamsteren. Wat zegt de VVD en wat gaat de VVD op 15 maart aan de kiezers beloven? Weer lagere belastingen of bufferen? 

De heer Harbers (VVD):

Precies wat ik net heb gezegd. Het is heel mooi dat we nu een begrotingsevenwicht bereiken. Als je nu niets doet, zul je in de volgende periode ook nog tot een begrotingsoverschot komen. Een begrotingsoverschot wordt wat al te dol, want dan ga je meer geld ophalen dan je als overheid nodig hebt, terwijl de staatsschuld ondertussen toch al daalt. Het is mijn doel om op een begrotingsevenwicht te blijven. Dat betekent dat er in de komende periode geld te besteden is. Dan heb ik twee doelen. Dat is een belastingverlaging. Wat de overheid niet nodig heeft, hoef je immers niet op te halen. Voorts moeten we even slim zijn en bekijken waar we wel nog wat geld voor nodig hebben. Dat lijkt me het geval te zijn bij defensie, veiligheid en ook infrastructuur. 

De heer Tony van Dijck (PVV):

Als ik nu een doorkijkje geef naar 2017, dan stijgt de koopkracht in 2017 met 0,7%. Die is zelfs naar beneden bijgesteld, van 1,1% naar 0,7%. Dat betekent dat al die werkende Nederlanders die ervoor gezorgd hebben dat er nu een meevaller in de begroting zit, van de VVD als beloning een koopkrachtstijging van 0,7% krijgen. Die gaat dus van 2,8% naar 0,7%. Is dat wat de VVD voor volgend jaar voor de mensen in petto heeft? Of zegt u: nee, gezien de huidige prognose moeten we daar nog aan sleutelen? 

De heer Harbers (VVD):

De heer Van Dijck komt terug op het eerste deel van mijn betoog. Ik vind de Najaarsnota, die laat zien dat we eindelijk weer eens een jaar hebben waarin het beter gaat dan verwacht, geen reden om gelijk te zeggen: we moeten nu, drie dagen voor kerstmis, kijken hoe we dat geld nog even snel kunnen uitgeven. Dit jaar is er nog gewoon een tekort. De volgende jaren verbetert het perspectief aanzienlijk. Volgend jaar is er nog altijd sprake van een koopkrachtverbetering, boven op de forse koopkrachtverbetering die we dit jaar al hadden vanwege de belastingverlaging. Dat laat alle perspectief om te bekijken wat we in de komende kabinetsperiode met z'n allen kunnen bereiken. Er gaat dan immers veel geld ontstaan om aan een belastingverlaging en aan een aantal andere noodzakelijke uitgaven te werken. 

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. De Najaarsnota 2016 is de meest positieve Najaarsnota in tijden. Meevaller wordt meevaller, met name in de belastinginkomsten. Dat is overigens een meevaller voor de Staat en niet voor degenen die betalen. De werkloosheid daalt. Het begrotingstekort daalt en de schuld wordt minder. Ik geef daarvoor complimenten aan de minister van Financiën. Vol trots legde het recentelijk de cijfers uit in een filmpje, met hemzelf in de hoofdrol. Als een echte Herman de Schermman liet hij zijn mooie cijfers zien. De minister gaf aan dat er ruimte voor investeringen is, maar dat hierbij wel keuzes moeten worden gemaakt. Het maken van keuzes geldt niet alleen voor de investeringen. Ik vond het erg aardig dat de VVD net drie thema's noemde die in 2012 ook werden genoemd, maar die kennelijk, zoals Veiligheid en Justitie, alleen bezuinigingen hebben gekend en in 2017 wederom investeringen behoeven. Wij misten echter nog een paar zaken. 

Een van de eerste zaken die wij misten, is wat er gebeurde met de marginale lastendruk. Dit is de grafiek van de hardwerkende Nederlander, die tussen de €20.000 en €75.000 aan inkomen verdient. In 2017 is €20.000 het minimumloon in Nederland. Vroeger, voor dit kabinet, betaalde je 42% marginaal. Nu betaal je 46%. Dat is dus 46% voor iemand met een minimumloon. Hij verdient door overwerk €100 extra. Ik kan het wel alvast uitdelen. 

De voorzitter:

Nee, zo werkt het niet, mijnheer Omtzigt. U geeft het aan de bode en dan wordt het rondgedeeld en ter inzage gelegd. 

Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer. 

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.) 

De heer Omtzigt (CDA):

Dat bedoel ik. Kan de minister mij een ander land noemen waar iemand die het minimumloon verdient — in Nederland is dat €20.000 — en €100 extra krijgt omdat hij bijvoorbeeld dik een dag overwerk heeft gedaan, €46 belasting moet betalen? Voor iemand met een modaal inkomen, dat rond de €37.000 ligt, was dat 42% en door de afbouw van heffingskortingen is dat 49% en een beetje geworden. Dat zijn zeven hele procenten belastingverhoging marginaal. Dat gaat door tot en met €56.000. Daarna is er sprake van een kleine belastingverlaging, dat geef ik ook toe. En daarna is het tarief weer verhoogd, want het toptarief is geen 52%, maar 55,6% geworden voor inkomens tussen de €65.000 en €103.000. Dit is het effect van nivellering. Ik heb dus twee duidelijke vragen. Noem mij eens wat in de omliggende landen het marginale tarief is als je het minimumloon verdient. Dat is in Nederland nu 46%. En wat is dat als je een modaal salaris verdient? Dat is in Nederland nu €37.000. Dat is hardwerkend Nederland. Hardwerkend Nederland heeft het gevoeld. 

We hadden ook een grafiekje kunnen maken van de gigantische kloof tussen alleenverdieners en tweeverdieners. Ik reken daarvoor een klein beetje op de collega's van de ChristenUnie en de SGP. Ook hadden we een grafiekje kunnen maken met de kosten van de vertrekregeling bij de Belastingdienst die uit de hand liepen. Wanneer hoorde minister Dijsselbloem dit overigens? Dit stond namelijk ook niet echt lekker in de laatste Voorjaarsnota en Najaarsnota. Wanneer wist hij dat hier een half miljard weggegooid werd? We hadden ook een grafiekje kunnen maken met de omzetdaling van de pomphouders in de grensstreek, die werden getroffen door de accijnsverhoging. Of een grafiekje met de gigantische risico's die er nog steeds zijn door de zeer grote potentiële claim op de Nederlandsche Bank via TARGET2. Er was een eurocrisis. Dat betekende dat de Nederlandse centrale bank meer dan 100 miljard tegoed had. Dat werd langzaam minder, tot 2014, totdat die claims rond de nul lagen. Daarna kwam draghinomics, waardoor er door het uitbreiden van het opkoopprogramma straks 2.500 miljard euro aan staatspapieren in het systeem van de Europese Centrale Bank zal zijn. Dat betekent dat er een claim ligt van 100 miljard euro voor de Nederlandsche Bank en andere centrale banken. De minister schrijft dat er niets aan de hand is, zolang iedereen maar in de euro blijft. Maar wat gebeurt er met deze claim als een land uit de euro stapt? Dat is een serieuze vraag aan minister Dijsselbloem. 

Ik heb ook nog een grafiekje over de filezwaarte. Mijn collega van de VVD zei net al dat er 500 miljard … O, nee, het is 500 miljoen. Ik was even bij de grote bedragen in het kader van de euro. Er is 500 miljoen onderuitputting in het Infrastructuurfonds, met onderplanning. Dat betekent dat er niet eens genoeg plannen worden gemaakt. Mijn collega Van Helvert kan elke dag en elke nacht plannen maken voor nieuwe N-wegen en A-wegen. De filezwaarte is vorig jaar met 21% gestegen. Die stijgt dit jaar met weer 8% daarbovenop. Dit is de grafiek waar werkend Nederland last van heeft. Hiervoor waren de investeringen in de wegen bedoeld, de investeringen die er niet waren. 

Maar goed, het is campagnetijd en we snappen dat de minister van Financiën een positieve boodschap heeft. Het is misschien ook campagnetijd voor ons, dus we laten ook de andere helft van het verhaal zien. Aan het einde van de kabinetsperiode is het belangrijk om lessen te trekken. Toen de crisis op een dieptepunt was, werden de tekorten groter en groter. Ze werden groter dan verwacht. Volgens ons heeft dat ook te maken met de lastenverzwaringen. Erkent de minister dat die misschien in het begin wel iets te hoog waren, waardoor we iets te veel in een jojobeleid kwamen? 

Ik moet de minister er wel complimenten voor geven dat hij niet vlak voor de verkiezingen denkt: weet je wat, we spelen va-banque en we geven dit allemaal weg. Er ligt op dit moment een evenwichtige Najaarsnota waarmee niet in één keer wordt gezegd: hier hebt u een hele serie cadeautjes, in de hoop dat u zich dat op 15 maart herinnert. De ECB gaf de financiële wereld nog wel een kerstcadeau. Het opkoopprogramma wordt voortgezet, ook na maart 2017. Het gaat om nog eens 540 miljard euro. Het komt nu dus op 2.500 miljard euro. Dat terwijl de VS het tegenovergestelde doen. Daar verhoogt de Fed de rente en wordt het opkoopprogramma afgebouwd. De inflatie trekt aan. Die is 1,3% in 2017 en 1,6% in 2018. Dat is niet extreem, maar ook niet zo extreem dat je daar opkoopprogramma's voor nodig hebt. Dit soort opkoopprogramma's leidt wel tot extreem lage rentes en bubbels in huizenprijzen. Als bubbels knappen, hebben we daar later last van. 

Ik dank de regering voor haar reactie op mijn initiatiefnota over de gevolgen van het ECB-beleid voor de pensioenen. Wij gaan daar binnenkort hopelijk een interessant debat over voeren. Maar ik wil nu alvast twee dingen hierover zeggen. Volgens de minister verlaagt het ECB-opkoopbeleid de rente niet. Maar waarom zou je het doen als de risico's enorm zijn en de rente niet lager zal zijn? Wij hadden berekend dat de kosten voor de pensioenfondsen ongeveer 220 miljard euro waren. De schade voor de Nederlandse pensioenfondsen is dus 220 miljard euro. Op dat bedrag hebben we geen ontkenning en geen bevestiging gezien van de minister van Financiën. Zou hij willen aangeven hoe groot volgens hem de schade is die optreedt door dit opkoopprogramma? 

Nu we het toch over pensioenen hebben: bij de Algemene Financiële Beschouwingen, die eind september en begin oktober werden gehouden, ontkende de minister nog dat de ABP-premieverhoging voor ambtenaren tussen de 1 miljard en 2 miljard zou zijn. Nu is het netjes uitgesmeerd en is het een half miljard en volgend jaar nog een stuk. Waarom ontkende de minister dat? Wist hij dat toen niet? 

Ik heb het net over infra gehad. Dat geld blijft op de plank liggen. Er zijn onveilige wegen. Ik denk aan de N36, waar elk jaar dodelijke ongelukken gebeuren omdat de weg te smal is. Elk jaar kan niemand een paar miljoen vinden om die weg een meter breder te maken. Ik denk ook aan de fileknooppunten op de A1. Iedereen weet waar die files staan in zijn eigen omgeving. Het aantal files is een klein beetje gestegen door een betere economie. Dan heb je altijd wat meer files, maar percentages zoals 20% en 8% hebben ook gewoon met onderinvestering te maken. In andere jaren was de onderuitputting een stuk lager. In 2015 was de onderuitputting 193 miljoen, in 2014 1 miljoen — dat was heel knap — in 2013 26 miljoen, en nu dus 500 miljoen. In de bijlage staat in heel kleine letters dat er te weinig plannen waren gemaakt. Er is dus sprake van onderplanning. Onderplanning. Onderplanning? Op dit moment? Met de huidige knelpunten in het wegennet? Het moet niet gekker worden. Hoe wordt dit goedgemaakt? Hierdoor staan mensen namelijk te lang in de file? 

Bij Veiligheid en Justitie zien we een tegenvaller. De opbrengst van de boetes is namelijk niet met 100 miljoen gestegen, maar we hadden ook wel een wat grotere meevaller verwacht vanwege de fors lagere asielinstroom. Natuurlijk, er zijn kosten gemaakt voor de planning van de mogelijke asielinstroom waardoor er gebouwen klaar zijn gemaakt, maar die instroom deed zich niet voor. Hoe komt dat nu precies? Denkt de minister dat het ministerie van Veiligheid en Justitie eindelijk van haar rode kaart afkomt? 

Ik sluit aan bij het verhaal van de VVD over hybride mismatches. 

Ik sluit af. Er is in ons land nog heel veel te doen. Ik heb de voorbeelden genoemd: files, alleenverdieners en onzekere banen. De banengroei zit, schreef het CPB, namelijk in de tijdelijke arbeid en niet in de permanente arbeid. Dat is pijnlijk voor de PvdA, want het is uniek voor Nederland dat het hier vooral de groei van tijdelijke banen betreft. Ik hoop dat er ook wordt gewerkt aan een groei van de vaste banen. Dat kan door de WWZ aan te pakken en door de twee jaar loondoorbetaling bij ziekte terug te brengen, maar goed: het kabinet laat dat aan een volgend kabinet over. Er zijn nog zeer forse risico's als het gaat om ons financiële systeem, zoals de te grote schuld, waar de SP op wees, en de te grote onbalans in het stelsel van de Europese centrale banken. Aan ons de taak om die problemen aan te pakken en keuzen te maken voor een beter Nederland. 

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Nijboer, die papieren noch grafieken bij zich heeft. 

De heer Nijboer (PvdA):

Voorzitter. Ik vond die grafieken wel mooi, maar vanaf die afstand kon ik ze niet zo goed lezen. We moeten doorgaan met deze innovatie, zodanig dat wij grafieken wel helemaal mee kunnen krijgen; misschien op een scherm. Ik bemoei me daar verder niet mee, want ik moet nog een beetje bekomen van de inbreng van de heer Omtzigt. Hij had zo veel complimenten en zo'n positief verhaal! Ik was dat niet van hem gewend, maar het past wel bij de cijfers die wij vandaag bespreken. 

De Najaarsnota laat namelijk gewoon zien dat de overheidsfinanciën gezond zijn, dat die er goed voor staan en dat de economie er goed voor staat. Alle seinen staan op groen. De investeringen nemen toe. De koopkracht neemt toe. Het aantal banen neemt toe, dit jaar met 100.000 en naar verwachting met meer dan 100.000 extra banen volgend jaar. Het begint vaak met flexibele banen, zeg ik tegen de heer Omtzigt, maar het worden de laatste tijd steeds vaker weer vaste banen. De fractie van de PvdA is daar een groot voorstander van. De werkloosheid neemt af, veel meer dan voorzien. Een aantal maanden geleden keken wij nog naar de middellangetermijnvoorspellingen van het CPB. Toen was de werkloosheid een platte streep en nam ze maar niet af. Nu zie je dat de werkloosheid met tienduizenden per kwartaal afneemt. Zelfs onder ouderen neemt de werkloosheid af, al zijn er nog veel te veel ouderen zonder baan. 

Ik wil ingaan op drie dingen. Wat deden wij met de economie die er steeds beter voor staat? Waar legt dat de basis voor? Wat de PvdA betreft voor een investeringsagenda voor de publieke sector en een investeringsagenda voor Nederland. De vraag is of deze Najaarsnota daaraan bijdraagt. Het derde thema betreft de financiële sector. 

Wat deden wij toen het economisch beter dan was voorzien aan het begin van de kabinetsperiode? We begonnen met forse bezuinigingen, waar alle partijen in het parlement, behalve de PVV, mee instemden. Ook de SP voorzag bij de verkiezingen van 2012 dat er bezuinigingen nodig waren. Die waren noodzakelijk na de financiële crisis. Er zijn moeilijke maatregelen genomen. Er is ook sprake geweest van een extra pakket. Daar is veel over gediscussieerd, maar uiteindelijk was er brede steun in beide Kamers. Dat heeft de basis gelegd voor een economie die vervolgens sneller groeide dan wij dachten. Vorig jaar zagen wij dat de economie wat beter ging lopen, maar dat het aantal banen achterbleef en dat de werkloosheid nog steeds te hoog was. Na veel gesprekken, veel debatten, en veel brieven zijn we uiteindelijk tot een pakket aan fiscale maatregelen gekomen dat vooral de werkgelegenheid en de koopkracht dit jaar moest stimuleren. Wij moeten vaststellen dat dit is gelukt. Het komt natuurlijk niet alleen door de 5 miljard voor lage inkomens en middeninkomens dat er extra banen zijn gekomen en dat de koopkracht is toegenomen, maar het heeft er wel toe bijgedragen dat de werkloosheid nu zo hard terugloopt. Er is vorig jaar ook nog 1 miljard extra uitgetrokken voor uitkeringsgerechtigden en ouderen, om ook hun koopkracht te laten stijgen. 

Afgelopen voorjaar bleek bij de behandeling van de Voorjaarsnota dat het economisch weer wat beter ging dan verwacht en dat de uitgaven voor bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen en de zorg meevielen. Toen heeft de coalitie, waaronder de PvdA en de VVD, voorgesteld om 400 miljoen extra te investeren in de zorg. Het kan ook zijn dat het kabinet dit heeft voorgesteld op voordracht van de coalitie, daar wil ik vanaf zijn. Ook is voorgesteld om 200 miljoen extra te investeren in onderwijs, om 300 miljoen beschikbaar te stellen voor defensie en om 300 miljoen extra te investeren in veiligheid en justitie. In het najaar, toen bij de koopkrachtbesluitvorming bleek dat er nog meer extra ruimte op de begroting was, is er een koopkrachtpakket van meer dan een miljard gekomen voor ouderen en uitkeringsgerechtigden. Er is 150 miljoen voor veiligheid en justitie gekomen en er is 100 miljoen structureel beschikbaar gekomen om kinderen de mogelijkheid te geven om te sporten, van culturele voorzieningen gebruik te maken en schoolreisjes te maken. Ik vind het erg belangrijk dat dit laatste er ook is gekomen. In zijn eerste termijn had de heer Merkies het over het thema armoede en hij had het daarbij over daklozen. Maar armoede onder kinderen gaat de heer Merkies ook aan het hart. Dit is allemaal extra gedaan, boven op de begrotingsafspraken die wij aan het begin van de kabinetsperiode hadden gemaakt. 

Nu is er afgelopen week in de Najaarsnota 25 miljoen beschikbaar gesteld voor Zeeland. De heer Dijkgraaf heeft daar de afgelopen tijd erg aan getrokken, maar ook mijn collega Albert de Vries en vele anderen in de Kamer. Toen de lonen van de mensen in de publieke sector onder druk dreigden te komen, is er extra geld gekomen om de pensioenpremiestijging die was voorzien te compenseren. Kortom, er zijn binnen de ruimte die verantwoord begrotingsbeleid biedt, heel veel extra investeringen in de publieke sector gedaan. 

Voorzitter, ik kom op mijn tweede punt, maar niet dan nadat u de heer Dijkgraaf de gelegenheid hebt gegeven om een interruptie te plegen. 

De voorzitter:

Toevallig klopt het. Het woord is aan de heer Dijkgraaf. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

De heer Nijboer had het net over 25 miljoen voor Zeeland, maar hij weet toch ook wel dat dit, in de formulering van de brief, geen extra geld is? Eigenlijk staat er dat het uit bestaande potjes komt. Het is ook niet apart gezet voor Zeeland. Of is mijn interpretatie nu een verkeerde? 

De heer Nijboer (PvdA):

Ik heb de brief die wij vorige week kregen goed gelezen. Er is door de commissie-Balkenende een voorstel gedaan. Er wordt gevraagd om 25 miljoen voor investeringen in Zeeland. Het kabinet gaat die beschikbaar stellen, mits er goede plannen zijn. Dat lijkt mij een goed criterium. Je moet dat geld niet beschikbaar stellen als er niets mee gebeurt. 

De voorzitter:

Kan het zijn dat deze discussie in de commissie voor Economische Zaken over het onderwerp landbouw al eerder is gevoerd? 

De heer Nijboer (PvdA):

Het gaat niet om landbouw. Het gaat over de hele economie van Zeeland. 

De voorzitter:

Ik was aanwezig toen de claim werd neergelegd in Nieuwspoort. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Het is al begonnen bij de Algemene Beschouwingen. In de commissie voor Economische Zaken hebben wij het erover gehad. Er liggen nu ook amendementen bij deze Najaarsnota. Ik kan mogelijk een van de twee wel intrekken, als de formulering waar de heer Nijboer het over heeft, daadwerkelijk zo is. Ik zag de minister van Financiën al even knikken. Is de heer Nijboer het met mij eens dat wij dan graag van de minister van Financiën willen horen dat het bedrag van 25 miljoen echt apart staat voor Zeeland? Mits er goede plannen zijn; dat is altijd zo. 

De heer Nijboer (PvdA):

Zeker. 

Ik kom bij mijn tweede punt. De basis is gelegd voor investeringen in de publieke sector. De heer Harbers gaf namens de VVD al aan wat de prioriteiten zijn van de VVD: lastenverlichting, defensie, veiligheid en infrastructuur. Het zal u niet verbazen dat de PvdA andere prioriteiten heeft: investeren in de publieke sector en in meer werkgelegenheid in publieke banen, voor mensen die ondanks de economische groei moeilijk aan een baan komen. Verder noem ik investeringen in de zorg en afschaffing van het eigen risico. Er zijn door een komend kabinet allerlei keuzes te maken, waarvoor wij nu een basis hebben gelegd. Maar ook nu, in de laatste maanden van het missionaire kabinet, kunnen er stappen worden gezet om investeringen verder aan te jagen. Dat kan op twee punten. Allereerst pleit de PvdA al jaren voor de oprichting van een investeringsbank. Bij de afgelopen begroting heeft het kabinet dit ook omarmd. De PvdA-fractie vraagt het kabinet om daar vaart mee te maken. Maak daar de komende maanden echt werk van en ga niet eindeloos met verschillende partijen in de polder discussiëren over de voorwaarden, de vormgeving en de corperate governance. Daar kun je jaren zoet mee zijn, maar daarmee is het mkb, dat nog steeds om krediet verlegen zit, niet geholpen, en daarmee zijn ook de investeringen in een duurzame economie niet geholpen. Is de minister bereid daar echt werk van te maken? Wanneer kan de Kamer voorstellen daartoe tegemoet zien? 

Het tweede punt is al genoemd door voorgaande sprekers, de onderuitputting. Wij stellen als Kamer budget beschikbaar aan het kabinet of accorderen dat. Dan is het niet goed als een half miljard onbenut blijft. Er zijn investeringen nodig in het spoor, maar ook in goede wegen. Hoe kan het dat die middelen onbenut blijven, en niet voor de eerste keer? Dat lost de problemen op het spoor niet op of de files, en het is ook niet goed voor de werkgelegenheid en voor de mensen in de bouw. Hoe kan dat nou? Voor mij persoonlijk geldt nog iets anders. Ik heb als Groninger eens gekeken hoe het daar nu gaat met het investeringsfonds dat de heer Alders onder zijn hoede heeft. Daar is de onderuitputting ook bijna volledig. Aan procedures wordt een boel geld uitgegeven, maar aan het versterken van huizen komt men maar niet toe. Dat moet ook een keer gebeuren! 

Tot slot mijn derde hoofdpunt. Aansluitend bij de heer Omtzigt begin ik met een compliment aan de minister, zij het op een ander thema. Hij gaf aan dat de opkomst van het populisme mede te danken is aan de uitwassen in de financiële sector. Dat zag hij als een van de bronnen van de opkomst van extremistische partijen in Europa en de steun daarvoor. De PvdA-fractie onderschrijft dat volledig. De geschiedenis heeft laten zien dat oplopende werkloosheid, teruglopende koopkracht en onzekere perspectieven leiden tot meer steun voor de flanken, meer steun ook voor partijen die een zondebok zoeken en zeggen: de buitenlanders hebben de schuld en wij hebben daar allemaal eenvoudige, feitenvrije oplossingen voor. Dat zie je bij Trump in Amerika, je zag het bijna in Oostenrijk gebeuren en je ziet het in veel Europese discussies. 

We moeten niet ontkennen dat de financiële sector de basis was van de crisis die we de afgelopen jaren hebben gevoeld. Het is ook een voedingsbodem geweest voor het populisme. Toen ik de afgelopen dagen Het Financieele Dagblad opensloeg, zag ik Nederlandse bankiers weer pleiten voor langere buffereisen in internationale discussies, terwijl zelfs Amerika zegt dat die eisen omhoog moeten. Nederlandse bankiers staan weer vooraan in technische discussies, met argumenten als: onze hypotheekweging is te laag en wij moeten die buffer niet verhogen, anders gaat de kredietverlening op slot en draaien we de economie de nek om. Als ik dat zie, vraag ik mij toch af of men dan helemaal niets heeft geleerd. 

De PvdA-fractie is een groot voorstander van een gezonde financiële sector, maar die functioneert alleen als de buffers voldoende groot zijn en als de aandeelhouders zelf op de blaren zitten. Zolang de sector zich verzet tegen hogere buffervereisten en tegen het principe dat degene die investeert in een bank ook de risico's moet dragen, en niet de belastingbetaler, is de sector niet op orde. Zolang men zich verschuilt achter technische discussietjes en oplossinkjes — er zit mogelijk best wat in dat in Nederland de hypotheken sneller worden betaald — en zolang men de basis niet erkent, terugvalt in de oude cultuur en alleen maar kijkt naar het rendement voor de aandeelhouder en niet naar het maatschappelijk belang, is die sector nog lang niet op orde. Dat zou de sector echter wel moeten zijn. Erkent de minister dat het er niet om gaat, mee te gaan in die technische discussies, maar dat het hoofddoel moet zijn om tot hogere buffers te komen en een gezondere cultuur? Erkent hij dat al het andere slechts afgeleiden daarvan zijn? Zolang het hoofddoel niet wordt onderkend door de top van de financiële sector, ook in Nederland niet, is er nog lang geen sprake van een gezonde sector. 

Tot slot. Dit is de laatste begrotingsbehandeling — ook de Najaarsnota is een begroting, met bijbehorende amendementen — van het missionaire kabinet-Rutte II. We kunnen vaststellen dat, als je kijkt naar de stijging van de werkgelegenheid — het kan natuurlijk altijd nog beter — en de dalende werkloosheid en naar de verwachte overheidsfinanciën voor volgend jaar, waarin een begrotingsevenwicht is voorzien, het begrotingsbeleid, maar ook het economisch beleid, succesvol is geweest. Daarvoor past een compliment, ook namens de PvdA-fractieleden, die als sociaaldemocraten waarde hechten aan verantwoorde overheidsfinanciën en het gezond houden van de overheidsfinanciën, zodat de publieke voorzieningen in de toekomst betaald kunnen worden. 

De heer Tony van Dijck (PVV):

Voorzitter. Deze minister van Financiën had maar één doel en dat was de overheidsfinanciën op orde brengen. Ik moet zeggen: dat is gelukt. Maar je moet niet vragen hoe. Het motto was: niet goedschiks, dan kwaadschiks, maar dat begrotingsevenwicht zal worden gerealiseerd. Dat ging echter wel ten koste van 350.000 banen. Het ging wel ten koste van 40 miljard aan welvaart. Het ging wel ten koste van 200.000 mensen die hun baan verloren de afgelopen periode en 35.000 bedrijven die hun deuren sloten. Bovendien zijn de huizenprijzen gekelderd met 20%. De prijs was dus hoog en de offers waren groot. Het was een ravage. 

Als we terugkijken naar de puinhopen van vijf jaar Paars, dan zien we dat de ouderenzorg werd ontmanteld, het eigen risico voor veel mensen onbetaalbaar werd, de hypotheekrenteaftrek werd beknot, het pensioenstelsel op de schop ging, de AOW-leeftijd gigantisch werd verhoogd, de ontslagbescherming werd uitgekleed, de huren omhoogschoten, de inkomens genivelleerd werden en de belastingen door het dak gingen. Nederland moest op de schop. Zelfs de studiefinanciering moest eraan geloven. De mensen zijn boos, en terecht, want Nederland zal nooit meer hetzelfde zijn na vijf jaar Paars. 

De economie herstelt zich nu, maar niet dankzij maar ondanks dit kabinet. Dat dit kabinet de crisis heeft verergerd en verkeerd procyclisch beleid heeft gevoerd, dat is algemeen bekend, maar dat deze minister het herstel nu probeert te claimen als zijn verdienste, dat noemen we in normaal Nederlands potsierlijk. 

Maar goed, ik wil het feestje niet bederven. Daarom zal ik nu spreken over de Najaarsnota. We zien in de Najaarsnota een grote meevaller van bijna 8 miljard aan belastinginkomsten. 8 miljard aan belastinginkomsten! Hoe is dit te verklaren? Welk deel van deze meevaller is incidenteel? Tot hoeveel lagere belastingontvangsten leidt deze meevaller in latere jaren? Het is wel opvallend dat deze meevaller zich nu net voordoet in het jaar dat de lasten verder verlaagd zijn met 5 miljard. Zou er dan toch een verband bestaan tussen lagere lasten en meer economische groei en extra banen, met belastinginkomsten tot gevolg? Dit is iets waar de PVV al jaren voor pleit. Dat moet toch een eyeopener zijn voor deze minister. Je verlaagt de belastingen, je geeft de economie een boost en je krijgt extra werkgelegenheid en uiteindelijk meer belastinginkomsten dan de verlaging die je hebt gegeven. Dat is het Laffer-effect. Kijk het maar eens na, minister. 

We zien helaas dat in 2017 de koopkracht weer op nul gaat, 0,7%. En weer wordt alles afgeroomd door deze minister. Hij wil zelfs gaan hamsteren. Niets lagere lasten. Eerst de economie kapot bezuinigen en nu de economie kapot hamsteren. Hij heeft niets geleerd en vanaf volgend jaar staan we weer stil. 

Dan de werkloosheid. Volgens het CPB daalt de werkloosheid naar onder de 500.000. Dat is natuurlijk mooi nieuws. Daar komen we vandaan in 2008. Ik vraag mij echter wel af hoe het kan dat het CPB praat over 500.000 werklozen, terwijl er 450.000 mensen in de WW zitten en 450.000 mensen in de bijstand. 900.000 mensen hebben dus een uitkering met sollicitatieplicht, maar slechts de helft van hen staat te boek als werkloos. Dan heb ik het nog niet eens over de werkzoekenden zonder uitkering, de nuggers, de niet-uitkeringsgerechtigden, of over de oudere werklozen met een IOW of een IOAW, of over de verkapte werklozen die maar een paar uurtjes per week werken als zzp'er of als flexwerker. Die mensen tellen niet mee in de werkloosheidcijfers. Mijn vraag aan de minister is dan ook: hoeveel mensen zitten er nu echt zonder werk in Nederland? Zijn dat er 500.000 of zijn het er meer dan een miljoen? 

Ik kom bij de koopkracht. Het gaat beter in Nederland, maar de burgers merken er niets van. Na acht jaar ploeteren, zitten ze weer op het niveau van 2008. Ze zijn weer terug bij af. De burgers staan al vijftien jaar stil. Hun welvaart staat stil. Hun inkomen staat stil. Het is een schande. De overheid roomt steeds meer af. We zien dat aan de collectieve lastendruk: die stijgt van 36% in 2010 naar 40% in 2021. De overheid pakt dus een steeds groter deel van de koek en ook het bedrijfsleven profiteert, maar de burgers hebben het nakijken. Ook volgend jaar zien we de koopkracht weer verschrompelen. Gaat de minister dit repareren? We zien trouwens in de prognose tot 2021 de koopkracht op nul staan, of op -0,1, -0,2. Met andere woorden, tot 2021 hoeven de burgers in dit land niet te rekenen op enig koopkrachtherstel, terwijl Nederland snakt naar lagere belastingen en meer koopkracht. Waarom mogen de mensen niet meeprofiteren van het economisch herstel? Na vijftien jaar stilstand is het nu hun beurt. 

Mijn volgende punt gaat over Europa. Vorige week zagen we weer een nieuwe episode in het Griekse drama. Griekenland heeft inmiddels 270 miljard geleend van de eurolanden. Ik herhaal: 270 miljard. De eurogroep wilde aan de Grieken 45 miljard aan lastenverlichting geven, zo lees ik in de Griekse krant. Een cadeautje van Henk en Ingrid: 45 miljard aan lastenverlichting voor Griekenland. En wat hebben de Grieken vorige week gedaan? Ze hebben een kerstbonus van 617 miljoen aan gepensioneerden gegeven. Ze willen 617 miljoen van ons geld uitdelen aan de gepensioneerden in Griekenland voor een mooie, warme, zachte kerst. Ze hebben de buit nog niet binnen of ze lopen alweer uit te delen, tegen alle afspraken in. Hoe is dit afgelopen? Dat wil ik graag weten van de voorzitter van de eurogroep. Is de minister er nu eindelijk van overtuigd dat je met dergelijke landen geen afspraken moet en kunt maken? 

Neem die belastingschuld. De Grieken verhogen de belastingen, maar niemand betaalt. Ik heb gelezen dat de belastingschuld in Griekenland is opgelopen van 30 miljard in 2009 naar 95 miljard in 2016. Het is mooi dat de Grieken zich aan de afspraak houden om de btw naar 25% te verhogen, maar als niemand die betaalt, dan heb je daar natuurlijk niets aan. Neem de Italianen. De Italianen staan klaar met staatssteun voor hun banken, tegen alle afspraken in. Niks bail-in; gewoon belastinggeld. De trukendoos draait overuren. Ik heb het al voorspeld. Wat zijn die afspraken in Europa nog waard? De minister speelt Russische roulette met onze welvaart. Nederland betaalt 8 miljard om lid te mogen zijn van de Europese Unie en staat inmiddels voor meer dan 100 miljard garant voor zwakke landen en zombiebanken. Daarnaast staan we nog garant voor de 2.500 miljard die de ECB loopt rond te strooien. Om nog maar te zwijgen van TARGET2, waarover de heer Omtzigt het had. 

Maar dit kamikazebeleid is wel goed nieuws voor onze minister van Financiën, want de rente die hij anno 2021 betaalt over de staatsschuld is de helft van de rente die hij in 2012 betaalde, namelijk nog maar 5 miljard. Er is 5 miljard aan gratis geld, maar als de PVV dan vraagt om iets te doen voor de gepensioneerden die gedupeerd zijn door deze lage rente, dan geeft de minister niet thuis. De rekening van het opkoopprogramma van die 2.500 miljard volgt later. De minister vindt het allemaal prima. Na mij de zondvloed, zie ik hem denken. Ik heb nog een minuut. Ik kan dus nog een vraag stellen over een bericht dat vorige week in de krant stond en dat ons nogal choqueerde. Dat bericht ging over de anbi-status en de giftenaftrek. Wat blijkt nu? Een islamitische universiteit fraudeert voor 8,5 miljoen met de giftenaftrek door bonnetjes uit te schrijven voor een veelvoud van de ontvangen giften. Hoe zit het met het onderzoek naar die anbi's en die giftenaftrek? Dat zou onderhand toch klaar moeten zijn? Ik heb het gevoel dat we worden belazerd waar we bij staan. Tegenwoordig kan alles en iedereen opteren voor de anbi-status. Vervolgens geef je daar zogenaamd een gift aan, die je mag aftrekken van je belastingen. Via de achterdeur krijg je je giften weer terug. Dan heb je dus belasting ontdoken. Hoeveel belastinginkomsten loopt de Staat mis door deze giftenaftrek? Hoe gaat de minister handhaven of hoe gaat hij fraude onmogelijk maken door bijvoorbeeld reparatiewetgeving? Ik kan mij immers niet voorstellen dat het toegestaan is om met cashgeld giften te doen, wat moeilijk te controleren is. Kom dus met noodwetgeving of reparatiewetgeving, zodat dit alleen giraal kan. Dan heb je ten minste iets om het te bewijzen. 

Tot slot vraag ik de minister om een overzicht van alle anbi's in Nederland, want als een islamitische school een anbi-status kan hebben, wie kan er dan geen anbi-status hebben? Ik ben bang dat we daardoor heel veel belasting mislopen. 

De heer Koolmees (D66):

Voorzitter. Als het goed is, is dit de laatste keer dat wij met dit kabinet een najaarsnota bespreken. Natuurlijk heb ik straks een aantal vragen aan het kabinet, maar bij deze laatste Najaarsnota wil ik eerst stilstaan bij het mooie beeld dat uit de nota naar voren komt. De overheidsfinanciën zijn weer op orde. Het EMU-saldo nadert de nul. De schuld daalt zelfs onder de 60% van het bbp. Ook de houdbaarheid ofwel de langetermijnsituatie van de overheidsfinanciën is positief. Vorige week kwam het Centraal Planbureau met nog betere cijfers. Vooral de werkloosheid neemt snel af. Dat is gewoon allemaal goed nieuws. Ja, het volgende kabinet heeft nog veel te doen en heeft nog genoeg op zijn bord liggen, bijvoorbeeld op het punt van de arbeidsmarkt en het aantal mensen met een tijdelijk contract. Ik noem ook de pensioenen, waarbij nog steeds kortingen dreigen en waarbij sprake is van een onhoudbaar stelsel, en de hoge belastingen op arbeid. Gelukkig is er budgettaire ruimte om al die hervormingen te voorzien van gerichte investeringen en lastenverlichtingen. Daarvoor verdient deze minister complimenten. Het waren geen gemakkelijke jaren en geen gemakkelijke maatregelen. Steun was niet altijd vanzelfsprekend. Af en toe heeft het ook gepiept en gekraakt, maar het is wel gelukt en dat is goed nieuws voor ons allemaal. 

Zonder iets aan dat compliment af te willen doen, heb ik over de toekomst wel een vraag. We krijgen signalen dat in de begrotingen nog taakstellingen verstopt zitten voor 2018, 2019 en verder, die nog niet zijn ingevuld. Dat geldt bijvoorbeeld voor het UWV, maar ook in de onderwijsbegroting zit voor 2018-2020 nog een gat. Ik vraag de minister niet om dit allemaal nog vandaag in te gaan vullen. Dat hoeft nog niet; dat kan ook in latere begrotingen, maar ik vraag de minister wel om, bijvoorbeeld voor uiterlijk 1 maart, een overzicht te sturen van taakstellingen die nog meerjarig openstaan voor de jaren na deze kabinetsperiode, zodat hij een net beeld achterlaat voor zijn opvolger. Daarop krijg ik graag een reactie. 

Daarmee kom ik bij de Najaarsnota zelf. Het opvallendste daarin is natuurlijk de meevaller van 4,3 miljard euro. Aan de ene kant is die meevaller goed nieuws, omdat die deels wordt veroorzaakt doordat het ons economisch weer voor de wind gaat. Aan de andere kant vind ik het wel zorgelijk dat deze meevaller pas zo laat in het jaar duidelijk wordt en dat het kabinet niet precies lijkt te weten welk deel van die meevaller komt door de aantrekkende economie en welk deel door het eerder opleggen van voorlopige aanslagen. Of parkeren bedrijven nu geld bij de fiscus, omdat de rente bij de bank negatief is? Daar moeten de bedrijven dus geld betalen en dan is de fiscus een veilige haven. Daarom mijn eerste vraag. Kan de minister nu, een paar weken na de Najaarsnota, al een beter beeld en een betere uitsplitsing geven van die meevaller van 4,3 miljard euro? Ik hoor ook graag waarom deze meevaller zo laat naar voren is gekomen, want de periode tussen de Miljoenennota en de Najaarsnota is maar kort en 4,3 miljard is natuurlijk een ontzettend groot bedrag. Waren er eerder geen signalen? Zo'n grote meevaller in zo korte tijd doet mij toch wel de wenkbrauwen fronsen. De minister lacht nu; ik ben benieuwd naar zijn antwoord. 

Ik wil het met de minister ook hebben over de in=uittaakstelling. Er staat nog bijna 1 miljard euro open. Dat is als het ware een gat in de begroting. De minister hoopt dat dit geld nog voor het einde van het jaar beschikbaar komt. Ik vind dit een extreem groot bedrag, ook in vergelijking met andere jaren. Er is nu 1,4 miljard ingevuld bij de Najaarsnota, ook dat is een gigantisch bedrag, ook in vergelijking tot voorgaande jaren, maar toch staat er nog 1 miljard open. De Najaarsnota komt natuurlijk aan het einde van het jaar, namelijk voor 1 december en dat is eigenlijk het moment waarop onderuitputting al duidelijk moet zijn. 

Volgens mij kunnen hier twee zaken spelen en beide zijn wat mij betreft verontrustend. De eerste mogelijkheid is dat alle departementen het geld van hun begroting gaan uitgeven. Dan komt die 1 miljard euro niet beschikbaar en zien wij in het jaarverslag in mei een flinke tegenvaller. In dat geval heeft het kabinet te ruim begroot en dat zou een slechte zaak zijn. De tweede mogelijkheid is dat er inderdaad 1 miljard euro minder wordt uitgegeven in december. Dit had het kabinet nog verwacht in de Najaarsnota. In dat geval ga ik me ook zorgen maken, want als er één maand voor het einde van het jaar geen zicht is op de onderuitputting van bijna 1 miljard die nog wel komt, wat zegt dit dan over de kwaliteit van de ramingen? 

Hoe gaat de minister mij op dit punt geruststellen? Waar is die onderuitputting? De minister is straks aan het woord, maar … 

De voorzitter:

Het is ongebruikelijk, maar de minister mag iets zeggen. 

De heer Koolmees (D66):

Hij ziet ervan af, voorzitter. 

De voorzitter:

Hij komt er in zijn eigen termijn op terug. 

De heer Koolmees (D66):

Zou het niet goed zijn om bijvoorbeeld af te spreken dat de in=uittaakstelling voortaan uiterlijk bij de Najaarsnota volledig of tenminste voor 90% wordt gevuld? Nogmaals, 1 miljard op 1 december vind ik een groot bedrag. 

Nu het weer goed gaat met de begroting lijkt dit allemaal minder belangrijk. Maar los van het feit dat begrotingsdiscipline ook of misschien juist in goede tijden belangrijk is, speelt hier nog iets anders. Wij hebben net de begrotingsbehandelingen achter de rug; wij hebben daarover op 5 december gestemd. Ook de behandeling van het Belastingplan is afgerond. Daarbij zijn ontzettend veel amendementen ingediend die vaak werden ontraden omdat de dekking niet zou deugen. Het gaat dan meestal om relatief kleine bedragen en ook om incidentele bedragen. Ik denk dan aan het AOW-gat van militairen, het Zeelandfonds, waarvoor de heer Dijkgraaf zojuist ook aandacht vroeg, of het Bèta College in Middelburg, waarover wij een amendement hebben ingediend. Maar dan zit alles dicht en kan er niet worden geschoven. 

Als dan opeens aan het einde van het jaar blijkt dat er aan de inkomstenkant nog een meevaller is van 4 miljard en er aan de uitgavenkant nog een onderuitputting van 1 miljard in de boeken staat, frons ik wederom mijn wenkbrauwen. Mijn fractiegenoten die op mijn vriendelijke doch dringende verzoek allemaal netjes hebben gewerkt om een dekking te vinden voor die amendementen bij de begrotingsbehandeling, kijken mij toch een beetje boos aan. Als financieel woordvoerder ben je dan toch de gebeten hond. Er is een meevaller van 4 miljard en een onderuitputting van 1 miljard; ik moet 4 miljoen vinden op die begroting en dat lukt dan niet. Hoe zit dat? Beseft de minister — en ik vraag dit serieus — dat de verdedigingslinie dat er geen ruimte is, op deze manier steeds zwakker wordt? 

Hoe kan de Kamer haar budgetrecht goed uitoefenen als de ramingen structureel te ruim zijn? Dan lopen wij hier op 21 december achter de feiten aan. Wil de minister hier aan het einde van het jaar, vlak voor kerst, uitgebreid op reflecteren? 

Ik heb nog een aantal vragen over specifieke begrotingen. De eerste vraag heeft betrekking op de boeteopbrengsten waar een tegenvaller van 100 miljoen is — de heer Omtzigt noemde die ook al — doordat de radarapparatuur zeven weken lang werd geüpdatet en er te weinig verkeersagenten waren. En dan vergat de minister van V en J dit in eerste instantie ook nog te melden in zijn begroting — het is wel exemplarisch voor de stand van dat departement na zes jaar VVD aan het roer — terwijl het toch geen klein geld is. Ik sprak net over amendementen van 4 miljoen en 8 miljoen, maar nu komt er plotseling bij de Najaarsnota 100 miljoen naar boven op een totale boeteopbrengst van minder dan 1 miljard per jaar, en op een begroting waar na grote druk van de Kamer het afgelopen jaar voor 2017 eindelijk 450 miljoen euro is bijgekomen. Het ministerie van Veiligheid en Justitie moet deze tegenvaller bij de boetes nu zelf opvangen. Betekent dit dat er in 2017 direct weer 100 miljoen van die 150 miljoen af gaat? Dat is natuurlijk niet de bedoeling. 

Mijn tweede specifieke vraag gaat over de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Bij Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is de afgelopen jaren nogal geschoven met geld. Veel geld voor de toekomst is naar voren gehaald, maar nu wordt er een deel teruggeschoven voor de toekomst. Kan de minister een overzicht geven van deze verschuiving en wat dit betekent voor het budget voor ontwikkelingssamenwerking in de jaren na 2017? 

Ik kondig ook alvast aan dat mijn collega's Van Veldhoven en Sjoerdsma het amendement dat zij hebben ingediend — dat ligt al op uw tafel — vanavond gaan toelichten in het debat over Syrië. Hiermee wordt een deel van de meevaller vanwege de minder grote asielstroom aangewend voor opvang in de regio. De collega's zullen dit — ik kondig dit alvast aan — vanavond bespreken met de minister van Buitenlandse zaken. 

Dit zijn mijn vragen. 

De voorzitter:

Dank u zeer. Ik geef het woord aan mevrouw Schouten namens de fractie van de ChristenUnie. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Aan het eind van het jaar houden wij traditioneel het debat over de najaarsnota. Ik kan mij voorstellen dat deze minister wel eens vervelendere debatten heeft meegemaakt. In het beeld van de Najaarsnota en dat van de decemberraming zien wij namelijk toch wel heel veel mooie dingen: de snel dalende werkloosheid, de breed gedragen groei, de bijna gedichte output gap en een begroting voor volgend jaar die zo goed als in evenwicht is. Complimenten aan deze minister daarvoor — dat wil ik wel ruiterlijk toegeven — al hebben meerdere partijen van deze Kamer daaraan meegewerkt. 

Voor dit jaar is er een begrotingsmeevaller van 4,3 miljard. De heer Koolmees verwees daar al naar. Dat is mooi nieuws, want dit is ook een teken dat de economie over de volle breedte op toeren is gekomen. De winstbelasting, de btw en de inkomstenbelasting zijn namelijk hoger uitgevallen dan geraamd. Dit betekent ook dat er dit jaar eveneens bijna sprake is van een begrotingsevenwicht. Zonder dat er sprake is van meer dan een halvering van de aardgasopbrengsten — wij vonden die overigens zeer terecht — zouden we dit jaar zelfs positief zijn geëindigd. 

Maar de koopkrachtontwikkeling blijft wel achter ten opzichte van de MEV en de Miljoenennota. Dat komt met name door de aantrekkende inflatie. In het debat over de Miljoenennota heb ik met deze minister al een discussie gevoerd over de koopkracht. Ik doel dan met name op de belofte die het kabinet op Prinsjesdag heeft gedaan over de koopkrachtontwikkeling. Daar was het nieuws dat iedereen erop vooruit zou gaan. 

In het debat over de Miljoenennota gaf ik al aan dat dit best een gewaagde uitspraak is. We zagen toen namelijk al dat bijvoorbeeld de zorgpremies hoger konden uitvallen dan de premies waarmee het kabinet had gerekend. Toen zei deze minister: wacht u toch af, we kennen al die premies nog niet. Ik heb een motie ingediend om er ook voor te zorgen dat het kabinet zich aan zijn belofte zou houden. Deze motie werd echter verworpen en we hebben afgewacht. Het eindbeeld is dat de zorgpremies over de hele linie inderdaad hoger zijn dan de premies waarmee het kabinet heeft geraamd. 

De zorgtoeslag stijgt automatisch mee. Je kunt dus zeggen dat dit voor de laagste inkomens goed uitpakt, maar voor een huishouden met een modaal inkomen biedt dit niet zoveel soelaas meer. Dat heeft immers geen zorgtoeslag. Sterker nog, de afgelopen jaren is het afvalpad van de zorgtoeslag steeds steiler geworden, waardoor een steeds kleinere groep in aanmerking kwam voor deze toeslag. En dat is precies de groep die in dat mooie plaatje past dat de heer Omtzigt zojuist heeft rondgedeeld: de groep waarvoor geldt dat de marginale druk enorm hoog is. Soms is die wel meer dan 100%, wat ik ook tijdens het debat over het Belastingplan heb aangegeven. 

Als je dan stelt dat iedereen erop vooruitgaat, moet je ook boter bij de vis doen. Vandaar dit amendement met als doel de zorgtoeslag terug te zetten op de parameters van voor 2015, zodat ongeveer 350.000 huishoudens recht krijgen op zorgtoeslag. Dat is precies de groep met de middeninkomens die het niet echt gemakkelijk heeft. Dat geldt ook voor het amendement dat ik heb ingediend over de kinderbijslag. De groep eenverdieners is de groep die waarschijnlijk nu door de stijging van de zorgpremies door de nullijn is gegaan. De eenverdieners zullen dus geen koopkrachtverbetering hebben maar een koopkrachtverslechtering. Wij hebben bij het Belastingplan diverse voorstellen gedaan om te bekijken hoe we die groep tegemoet kunnen komen. Die zijn telkens verworpen, maar ik blijf doorgaan; ik geef de moed niet op. Het is een wat ongerichte maatregel — dat geef ik toe — maar via de kinderbijslag kunnen we deze groep ook bereiken. Ik vind het opmerkelijk dat het kabinet wel geld uittrekt voor bijvoorbeeld een kinderopvangtoeslag en daarbij zegt dat de gezinnen die daar gebruik van maken meer tegemoetkoming krijgen, maar dat het gezinnen die zelf de keuze willen maken over hoe zij arbeid en zorg inrichten en die niet in aanmerking komen voor het kindgebonden budget, in de kou laat staan. Daar gaan wij tegenin en die gezinnen willen wij dan ook tegemoetkomen met dit amendement. 

Dan kom ik bij een laatste punt waar ik eerder een opmerking over heb gemaakt bij de behandeling van de Miljoenennota. Dat is de vraag die ik samen met mijn collega's Harbers en Nijboer heb gesteld over de brede analyse van de effecten van de langjarige rentestand op de overheid, de economie, de huishoudens en de financiële sector. Wij hebben bij motie gevraagd — en die motie is ook aangenomen — om onder andere door het Centraal Planbureau en de Nederlandsche Bank daar onderzoek naar te laten uitvoeren. Hoe staat het daar nu mee? Het lijkt mij wel van belang dat die analyse er ligt voordat we bijvoorbeeld een formatie in gaan. Dat is informatie die op dat moment zeer nuttig kan zijn. Kan de minister aangeven of hij op dat moment dat onderzoek kan leveren? Zo niet, is hij dan bereid om daar eventueel enige druk op te zetten? Ik verwacht namelijk dat die analyse belangwekkende inzichten kan opleveren, waar we straks in een nieuwe regeringsperiode allemaal rekening mee kunnen houden. 

De voorzitter:

Dan mag ik ten slotte voor de inbreng van de zijde van de Kamer het woord geven aan de heer Dijkgraaf van de Staatkundig Gereformeerde Partij. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Ik wil de minister danken voor de Najaarsnota met goede cijfers die hij ons heeft doen toekomen. Het tekort daalt. Het is bijna verdwenen. Collega's hebben het al gezegd: een meevaller van 4,3 miljard, een staatsschuld die daalt en werkgelegenheid die stijgt. Ik herinner mij nog goed het begin van deze kabinetsperiode. Toen we voorzichtig begonnen met die akkoorden was ons gezamenlijke doel om de verantwoordelijkheid te nemen om de financiën op orde te brengen en Nederland weer toekomstbestendig te maken op financieel terrein. Ik denk dat we kunnen constateren dat het voor dat deel zeker gelukt is. 

Zijn we er dan? Nee, er is nog heel veel werk te doen. De lasten op arbeid zijn veel en veel te hoog en de risico's van ondernemers, zeker kleinere ondernemers, om mensen in dienst te nemen zijn torenhoog en leiden tot veel zzp'ers en weinig mensen in dienst. We kennen de discussies hierover. Het pensioenstelsel moet nog hervormd worden, er is te weinig geld voor defensie en veiligheid, gezinnen hebben het moeilijk als je kijkt naar de koopkrachtontwikkeling en, zoals mevrouw Schouten net terecht opmerkte, zeker als je kijkt naar de groep eenverdieners. Dat vind ik eigenlijk wel de bitterste pil van dit kabinet. Keer op keer zijn voorstellen gedaan door de ChristenUnie, het CDA en door ons, maar op dit punt zijn de eenverdieners door dit kabinet in de steek gelaten. Ook wij zullen onvermoeibaar doorgaan om te proberen die historisch gemaakte fout — niet alleen door dit kabinet maar zeker ook door voorgaande kabinetten — te herstellen om ervoor te zorgen dat we een eerlijk belastingstelsel krijgen, een stelsel waarbij het niet uitmaakt welke keuzes je maakt ten aanzien van arbeid en zorg. We vinden toch met elkaar dat de zorg, vrijwilligerswerk en zorg in het gezin net zo belangrijk zijn als betaald werk en dat mensen zelf die keuze moeten en kunnen maken. 

Er is veel te doen, maar niet meer door dit kabinet. Wij zullen de amendementen van de ChristenUnie steunen en ten aanzien van de kinderbijslag ook meetekenen om die gezinnen in ieder geval nog te helpen met het geld dat er nu is. 

Ik heb nog een technische vraag die ook door andere woordvoerders is gesteld. Hoe kijkt de minister aan tegen die 4,3 miljard als het om de toekomst gaat? Is die structureel? Voor welk deel verwacht hij dat die structureel is? Eerlijk gezegd zou mijn inschatting zijn dat die 4,3 miljard niet helemaal blijft staan omdat er in het basispad ook al ontwikkelingen zaten en de output gap afneemt. 

Ik heb nog één punt en dat gaat over Zeeland, zoals de andere woordvoerders wellicht al verwachtten. Wij hebben de commissie-Balkenende gehad en die was er glashelder over: er veel moet gebeuren in Zeeland en door Zeeland, maar voor een stukje daarvan heeft Zeeland ook de steun van het Rijk nodig. Dit brachten wij al in bij de Algemene Politieke Beschouwingen en het leidde ook tot de breed ondersteunde motie-Van der Staaij, maar dit heeft tot nu toe niet geleid tot echt budget vanuit het kabinet. We hadden zojuist al even een discussie hierover. In de brief van het ministerie van Economische Zaken van 14 december over DELTA staat het volgende. "Tijdens het bestuurlijk overleg van 8 december jl. heb ik mijn positieve grondhouding en mijn bereidheid uitgesproken om als coördinerend minister mij in te spannen om binnen de bestaande mogelijkheden geld vrij te maken in de orde van grootte van €25 miljoen om bij te dragen aan goede projecten binnen Zeeland. Momenteel werk ik, in samenspraak met de betrokken partijen, aan een nadere concretisering van de diverse acties, waarbij wordt bekeken hoe we de reeds beschikbare Europese en nationale financieringsinstrumenten en middelen kunnen inzetten om het actieprogramma te realiseren." Dit klinkt niet als de formulering van de heer Nijboer: er is 25 miljoen apart gezet en als er goede plannen zijn, dan worden die uitgevoerd. 

De minister spreekt van "een positieve grondhouding", en als een politicus die uitdrukking gebruikt, krijg ik daar de kriebels van. De minister stelt bovendien als coördinerend minister te opereren. Dit gaat dus niet via de begroting van Economische Zaken, maar de minister van EZ coördineert dit en moet maar zien of hij het geld bij anderen krijgt. 

De minister zegt voorts zich "in te spannen" om het geld vrij te maken. Het is dus niet vrijgemaakt. Het staat er niet, het is een inspanningsverplichting. De minister noemt een bedrag in "de orde van grootte van €25 miljoen". Dat zal wel, maar er staat niet precies 25 miljoen. De minister werkt aan een "nadere concretisering". Het kan dus nog aan alle kanten misgaan. En ten slotte moet het komen "uit de reeds beschikbare Europese en nationale financieringsinstrumenten en middelen". Op Europese middelen hebben we helemaal geen grip. Staat het geld nu apart of moet het via die andere financieringsinstrumenten komen? 

Bij zo'n formulering krijg ik sterk het gevoel dat de boodschap dezelfde is als die minister Kamp al eerder tijdens het algemeen overleg had gegeven, namelijk dat er allerlei potjes zijn, dat men gerust met plannen kan komen en dat hij daarbij wel een beetje wil helpen, maar dat Zeeland vooral zelf die plannen in moet indienen en dat, als die goed zijn, het dan wel lukt met de bestaande financieringsinstrumenten. Dat is geen 25 miljoen apart zetten voor Zeeland. Vanwege die vage formulering en ook vanwege het feit dat het nu wel gaat om die 25 miljoen, maar dat het oorspronkelijk ging om 44 miljoen — het hele verhaal rondom het bètacollege ontbreekt — hebben we gemeend twee amendementen in te moeten dienen, inclusief twee amendementen die dat ook dekken. 

De heer Nijboer (PvdA):

Ik geef de heer Dijkgraaf gelijk dat het kabinet en in het bijzonder minister Kamp niet uitblinken in het voortvarend uitvoeren van moties op dit terrein. Als ik de formuleringen in deze brief zo hoor, ben ik van mening dat dit ook wel wat schappelijker en royaler geformuleerd had kunnen worden. Maar zoals ik deze brief lees, is de strekking ervan dat het kabinet zorgt dat er 25 miljoen komt, mits de plannen goed zijn. Dat is dan ook mijn vraag aan de minister: is dit de uitleg die de Kamer hieraan kan geven? Als dit zo is, en als de minister een harde toezegging doet, is de heer Dijkgraaf het dan met mij eens dat zijn amendement op precies hetzelfde punt eigenlijk overbodig is? 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik hoop van ganser harte dat ik dat amendement over die 25 miljoen kan intrekken. Dat zou ik met heel veel plezier doen, omdat ik dan een kabinet zie dat in ieder geval voor dat deel serieus werk maakt van die breed gesteunde motie-Van der Staaij. Die steun zat breed door de Kamer heen en ik betreur het eigenlijk dat we hier zo aan moeten trekken en dat dit niet makkelijker vanuit het kabinet komt. Dan blijft het punt van het Bèta College over. Dat amendement blijft staan omdat dat een apart punt is. Maar wat betreft die 25 miljoen ben ik het met de heer Nijboer eens. 

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de Kamer. 

De vergadering wordt van 11.51 uur tot 12.10 uur geschorst. 

De voorzitter:

Dit is nog steeds het debat over de Najaarsnota 2016. De minister gaat nu antwoorden op de inbreng van de Kamer van zonet. Ga uw gang, minister. 

Minister Dijsselbloem:

Voorzitter. De Najaarsnota is eigenlijk een voortgangsrapportage van het begrotingsbeleid, dus over het lopende jaar. De cijfers zijn goed en gunstig, veel beter dan verwacht. Ik dank de Kamer voor de positieve woorden die daarover zijn gesproken. Maar voordat ik weer van borstklopperij word beschuldigd, leg ik een groot deel van de eer daarvoor bij de Kamer. Ik heb zeer nauw samengewerkt met een breed scala aan fracties. Bijna alle fracties hebben de begroting gesteund. Ik ben hun daar zeer erkentelijk voor. 

Waarschijnlijk omdat de cijfers zo goed zijn, is de Kamer gaan meanderen door werkelijk elk onderwerp dat ook maar enigszins raakt aan mijn beleidsterrein, en daarbuiten. Vandaar dat mijn aanvankelijke idee, om mijn voorbereiding in tien minuten te doen, niet is gelukt. Ook nu heb ik nog niet alle antwoorden, want over werkelijk alles zijn vragen gesteld. En dan word ik er ook nog toe opgeroepen om alle vragen in razend tempo en kort en bondig te beantwoorden. Ik ga daar natuurlijk mijn best voor doen, maar die uitdaging is wel groot. 

De voorzitter:

Dat is mooi! 

Minister Dijsselbloem:

Dank u voor de aanmoediging. 

Inderdaad zijn er ingrijpende maatregelen genomen in de begroting, ook in de sfeer van lastenverzwaring. We hebben al vaker teruggekeken, dus ik wil daar nu niet al te lang bij stilstaan. Van het totaalpakket aan maatregelen is de lastenverzwaring minder dan een derde gebleven, maar toch is ze ingrijpend geweest. De heer Omtzigt vroeg, terugkijkend, of die lastenverzwaringen vooral aan het begin niet te groot zijn geweest; zo formuleerde hij het namelijk. Dit roept bij mij met name herinneringen op aan het pakket van vóór dit kabinet: het zogenoemde "Kunduzpakket" tussen Rutte I en Rutte II, waaraan ook het CDA steun verleende. Dat was een pakket van 12 miljard op het dieptepunt van de crisis. Dat was dus ruig. Daarvan was 9 miljard lastenverzwaring, waaronder 4 miljard aan btw-verhoging. Ik roep dat maar even in herinnering omdat het belangrijk is dat ieders verantwoordelijkheid goed wordt belegd, ook in de geschiedenisboeken. Het is dus waar dat er veel lastenverzwaring is geweest. Zeker in dat pakket lag de nadruk zeer sterk op zeer grote lastenverzwaring. 

Ik ga verder met de vragen over de meevaller in de belastingontvangsten van nu. De heer Van Dijck vestigde mijn aandacht nog eens op het Laffereffect. Inderdaad leidt een deel van de lastenverlaging tot een inverdieneffect. Zeker wanneer die goed is gericht, zie je dat terug in de economische effecten. Uiteraard nemen we dit mee in de raming van de belastingontvangsten. Maar Nederland is een kleine en open economie, waarin vele factoren een rol spelen. Niet alle huidige meevallers zijn dus een-op-een toe te schrijven aan de 5 miljard aan lastenverlichtingen die het kabinet dit jaar heeft geïntroduceerd. 

Er zijn verder vragen gesteld over de grote belastingmeevaller die in de Najaarsnota zijn gemeld. Waarom is die pas zo laat bekend geworden? Wist de minister dat niet eerder? Mijn eenvoudige antwoord daarop is: nee, de minister wist dat niet eerder. Wij hebben daar realisatiecijfers voor nodig. Op Prinsjesdag kennen we de realisatiecijfers van het eerste halfjaar. Nu zijn daar de realisatiecijfers van het derde kwartaal bij gekomen. Het geheel overziend, kunnen we bij de nieuwe raming voor het hele jaar op een hoger bedrag uitkomen. Dat is niet eerder bij mij bekend geworden. Het is ook helemaal niet nieuw, maar ik snap de interesse ervoor. Ik snap dat deze vraag opkomt, nu de meevaller deze keer zo hoog is. De systematiek is echt hetzelfde. Wij houden echt geen informatie weg bij de Kamer, mocht dat worden gesuggereerd. 

Overigens is het ook bekend, denk ik, dat de Vpb-inkomsten zeer volatiel zijn. Een van de medewerkers van het ministerie van Financiën zal daar ook over publiceren in ESB (Economisch Statistische Berichten), om te laten zien hoe volatiel die Vpb-inkomsten zijn. Dat maakt ramen op dat punt sowieso lastig. 

Verschillende leden hebben gevraagd welk deel van de meevaller structureel is. Zoals gezegd, de Najaarsnota over 2016, en dus deze meevaller, gaat over 2016, niet over 2017. De raming is gebaseerd op alle cijfers tot en met het derde kwartaal. Bij de Voorjaarsnota 2017 volgt de eerstvolgende update van de raming van het kabinet voor 2017. Dat doen we dan op basis van het CEP (Centraal Economisch Plan) 2017 van het Centraal Planbureau. Dan hebben we dus een eerste nieuwe raming, ook over wat de meevaller bij de inkomsten die we nu zien structureel gaat betekenen. Met andere woorden, welk deel daarvan zien we terug in 2017 en daarna? 

De heer Merkies (SP):

De minister zegt dat we die cijfers nu pas hebben. Mijn vraag was echter niet of hij die nu pas van de Belastingdienst heeft gekregen. Het zou best kunnen dat de Belastingdienst daar zo laat mee komt. Ik begrijp dat dit dan misschien weer indirect een vraag aan de staatssecretaris is. Het gaat er natuurlijk om dat de cijfers laten zien dat er in het eerste halfjaar al een forse toename was van de inkomsten, ook in verband met de voorlopige aanslagen die bedrijven eerder en meer hebben aangevraagd. Blijkbaar zijn de cijfers bij de Belastingdienst zelf dus al veel eerder bekend. Waarom duurt het dan zo lang voordat die realisatiecijfers naar buiten komen? 

Minister Dijsselbloem:

Dan heeft de heer Merkies mijn antwoord niet goed verstaan. Wij doen dit op basis van realisatiecijfers. De realisatiecijfers van dit najaar, van het derde kwartaal, zijn natuurlijk niet bekend op Prinsjesdag. Ze zijn er dus gewoon niet eerder. We kunnen wel op basis van het eerste kwartaal een raming maken voor het hele jaar, maar die zou buitengewoon onbetrouwbaar zijn, dus dat doen we niet. In het midden van het jaar krijgt de Kamer zicht op de stand van zaken van dat moment. Bij de Najaarsnota pakken we het derde kwartaal mee en dus ook de raming voor het hele jaar. Daar zit nu een swing naar boven in. 

De heer Merkies (SP):

Je zou kunnen zeggen dat je volledige zorgvuldigheid wilt en dat je daarom zo lang wacht. Maar eerlijk gezegd ziet de Belastingdienst toch al veel eerder dat de inkomsten toenemen? Dat is dan misschien een raming, maar het is wel eerder bekend bij de Belastingdienst. Of zijn de systemen zo slecht op orde dat de Belastingdienst het pas heel laat ziet, dus pas na Prinsjesdag? Kan de Belastingdienst dan pas die tendens waarnemen? 

Minister Dijsselbloem:

Ik weet niet of ik die vraag serieus moet nemen. Het woord "eerlijk" valt en de Belastingdienst krijgt weer een sneer. We hebben het gewoon over de realisatiecijfers van het derde kwartaal. Die zijn er pas na afloop van het derde kwartaal. Zoals altijd — dit is echt een vaste systematiek — komen we dan in de Najaarsnota met een nieuwe raming voor het hele jaar, waarin we het derde kwartaal meenemen. Dat is altijd zo. Dat gaat ook niet veranderen. Het heeft niets met eerlijkheid of goede of slechte systemen te maken. Het gaat om de realisatie. De tijd schrijdt voort. Naarmate het jaar vordert, heb je een beter zicht. Als wij halverwege het jaar een raming hadden moeten maken voor het hele jaar, hadden wij er waarschijnlijk ver naast gezeten. Dan was die meevaller alsnog gekomen. 

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog. Overigens is het zo dat zolang ik vragen toesta, dit vragen zijn die een serieus antwoord krijgen van het kabinet. 

Minister Dijsselbloem:

Zeker, ik heb die ook buitengewoon serieus beantwoord. 

De heer Merkies vraagt waarom deze belastingmeevaller naar de aflossing van de staatsschuld gaat. Die formulering is eigenlijk niet juist. We hebben gewoon nog een tekort dit jaar. De meevaller loopt in het saldo en het tekort zal dus kleiner zijn. Volgend jaar hopen we zelfs een evenwicht te realiseren. Een kleiner saldo draagt natuurlijk bij aan een lagere staatsschuld. Mijn eerste prioriteit is echter om de begroting in evenwicht te krijgen. Die formulering suggereert dat wij het geld eigenlijk niet nodig hebben en dat wij het daarom maar in een oude sok stoppen. Ik meen dat dat de term was die de heer Merkies letterlijk gebruikte. Maar, om maar even de beeldspraak te vervolgen, zolang er nog een groot gat in die oude sok zit, hoopt het geld zich daarin niet op. We zijn dus nog bezig om het gat in de sok te dichten. Dan pas gaat het zo werken. 

Dat gezegd hebbende, heeft het kabinet in het kader van Prinsjesdag en ook al eerder in de lopende jaren natuurlijk extra middelen toegekend aan verschillende begrotingen. Er zijn dus extra uitgaven en er is meer lastenverlichting. Maar tegelijkertijd doen we dat ook terwijl we de begroting op orde brengen. Daar helpen de begrotingsregels natuurlijk zeer bij. 

De heer Merkies is nog eens teruggekomen op de uitspraak dat investeringen niet mee zouden moeten tellen bij de beoordeling in Europa. Binnen de Europese begrotingsregels bestaat een zogenoemde investment clause. Die staan enige flexibiliteit toe voor investeringen. Maar dat gebeurt wel echt geclausuleerd, dus onder strikte voorwaarden. Een land moet bijvoorbeeld fors onder het potentieel presteren. De output gap, waarmee wordt aangegeven hoeveel hoger de potentiële groei van een land zou moeten zijn, waarmee dus wordt aangegeven hoever een land afzit van zijn potentie qua economische kracht, moet ten minste -1,5% zijn. Je moet dus echt je potentie niet halen. Dat is in Nederland echter niet het geval. De Nederlandse economie draait goed. De output gap is licht positief, de werkloosheid daalt momenteel substantieel en de groei bestendigt op het niveau van 2,1%, aldus het Centraal Planbureau. 

Zijn er dan geen investeringen nodig? Welzeker. Maar de overheid investeert altijd: in onderwijs, in onderzoek, in infrastructuur. De overheid investeert zeer veel en aanhoudend. Als je daar andere keuzes in wilt maken, als je de ruimte die de komende jaren ontstaat, bijvoorbeeld doordat je minder uitkeringen hoeft uit te betalen, wilt gebruiken om meer te investeren, dan zijn wij elkaars bondgenoten. Dat doet het kabinet ook waar mogelijk. 

Dan de in=uittaakstelling. Wij staan departementen toe om als zij richting het eind van het jaar middelen over hebben, die met een zekere marge door te schuiven naar het volgende jaar. Daarnaast staan we soms kasschuiven toe. Dat alles leidt er wel toe dat het uitgavenkader in het jaar daarna zwaarder wordt belast. Er ontstaat meer druk op dat uitgavenkader, waar alle uitgaven samen onder moeten blijven. Om die druk te compenseren, zetten we ook een in=uittaakstelling in de boeken. Dat betekent dat we eigenlijk afspreken dat er in principe aan het einde van dat volgende jaar sprake moet zijn van een vergelijkbare hoeveelheid onderuitputting. Dan heft dat elkaar jaar in, jaar uit op. 

Dat is de in=uittaakstelling. Die is dit jaar groot, maar die is ook al voor een groot deel weggewerkt. Het was zo'n 2,5 miljard, waarvan inmiddels 1,6 miljard is ingevuld. We hebben nu dus nog 0,9 miljard over. Is dat realistisch, is dat haalbaar? Dat denk ik wel. Ik zeg er in alle eerlijkheid bij: het is groot. Maar gegeven de stand en de ontwikkeling van de economie denk ik dat het realistisch en haalbaar moet zijn. Is het verantwoord om dat pas te doen bij een financieel jaarverslag? Ja, dat staan we ook altijd toe. Nogmaals, de verhoudingen zijn natuurlijk per jaar verschillend. Soms hebben we al een heel groot deel ingevuld lopende het jaar, dus tot en met de najaarsnota, maar er zijn ook andere voorbeelden. Ik heb in de schriftelijke antwoorden een mooi staafdiagrammetje opgenomen. Daaruit blijkt dat er jaren zijn waarin we bij het financieel jaarverslag, dus in het voorjaar, nog een heel groot deel — soms meer dan helft — van de totale taakstelling moeten invullen. Die verhouding is deze keer niet aan de orde. We moeten nu nog 0,9 miljard van het totaal van zo'n 2,5 miljard invullen. 

Zijn dan de ramingen niet goed? In het betoog van de heer Koolmees deugde het eigenlijk linksom of rechtsom niet. Dat was ingewikkeld. Wij kijken elk voorjaar naar de ramingen. Wij maken in het vroege voorjaar een ronde langs alle departementen. Dan worden de tegels even gelicht, dan wordt gekeken hoe het ervoor staat. Een van de dingen waar we naar kijken, is de vraag of de ramingen goed zijn. Als er van heel veel onderuitputting sprake is geweest, willen wij ook weten of die onderuitputting structureel is en waardoor dat komt. Zitten jullie lucht in de ramingen te blazen om een reservetje op te bouwen? Zo ja, dan prikken we dat door. Soms zijn er ook gewoon incidentele, zeer verklaarbare redenen waarom in een bepaald jaar de raming niet is gerealiseerd. Het kan dan nog steeds een goede raming zijn voor het komende jaar. Dat soort correcties op de ramingen brengen we elk jaar aan in de voorjaarsronde ter voorbereiding van de Prinsjesdagstukken. Dat zullen we in maart ook weer doen. 

Dan kom ik op de specifieke onderuitputting van het Infrastructuurfonds. De heer Omtzigt liet aan de hand van een grafiek zien hoezeer de files weer oplopen. Dit heeft inderdaad veel te maken met het economische herstel, maar soms ook met wegwerkzaamheden en heel vaak ook met ongelukken. Heeft het te maken met veel minder investeren? Dat geloof ik niet. Langjarig zitten we op een heel hoog niveau aan investeringen in de infrastructuur. Een aantal jaren geleden is er een keer een piek geweest, maar eigenlijk zitten we al heel lang langjarig op zo'n 7 à 8 miljard per jaar aan infrastructuur. Waarom blijft er geld liggen? Dat is natuurlijk altijd pijnlijk. We willen immers allemaal bouwen, bouwen, bouwen en dan blijft er geld liggen. Is er te weinig gepland? Nee, er wordt altijd overgeprogrammeerd. Het beleid bij I en M is om veel meer te plannen en te programmeren dan eigenlijk binnen het budget past. Waarom? Dat is omdat er altijd heel veel vertraging optreedt. De laatste jaren wordt er gelukkig ook geld bespaard op aanbestedingen van de infrastructuur. 

De afgelopen kabinetsperiode is er 717 kilometer aan nieuwe rijstroken gebouwd. Ook dat laat zien dat er veel wordt gebouwd. Ook voor de komende periode zijn er heel veel nieuwe wegen en projecten voorzien. De autonome vertraging zit vaak gewoon in planprocedures. Dat verklaart waarom je in een bepaald jaar soms niet het maximale uitgeeft. Dat schuift dan door naar het volgende jaar en wordt dan gewoon uitgegeven. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ten eerste: de minister zegt dat er dit jaar sprake is van overprogrammering, maar in de Najaarsnota schrijft hij dat er sprake is van onderprogrammering. Ik wil graag opheldering hebben over de vraag of er voldoende geprogrammeerd is. 

Ten tweede: de minister zegt dat er elk jaar zo'n doorschuif is. Ik heb de doorschuif van de afgelopen jaren genoemd. Die lag tussen de 1 miljoen en 193 miljoen, maar de doorschuif was in de afgelopen jaren geen 500 miljoen. 

Ten derde: kan de minister als percentage van het bruto binnenlands product aangeven wat in de afgelopen vijf jaar de kosten van en de investeringen in wegen zijn geweest? Die informatie mag hij ook tweede termijn geven. Hij doet nu alsof het toeneemt, maar het neemt af. 

Ten vierde … 

De voorzitter:

Dat is een beetje smokkelen, hè? U stelt vier vragen in één keer. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ja, dat is wel een beetje smokkelen. 

Ten vierde: als de economie wat aantrekt, is het heel normaal dat het aantal files iets toeneemt. Dat is van alle tijden. Als de groei 2% of 3% is, dan nemen de files met 4% tot 5% toe. Echter, het aantal files is vorig jaar 20% gestegen en dit jaar 8% gestegen. Dat is veel meer dan je op basis van de economische groei kunt verwachten. Deelt de minister mijn opvatting? 

Minister Dijsselbloem:

Ik vind dat dit debat met de minister van Infrastructuur en Milieu moet plaatsvinden. Ik heb al die gegevens uiteraard niet paraat. Als ik als minister van Financiën kijk naar het Infrafonds, zie ik gewoon dat het een vrij constante lijn is. Afgezien van de eenmalige piek die erin zat, zat het vrij constant op 7 à 8 miljard. De heer Omtzigt vraagt dan hoe het zit met het geld dat aan wegen is uitgegeven als percentage van het bbp. Hij zegt daarbij dat ik die vraag ook in tweede termijn mag beantwoorden. Ik vind het prima. De heer Omtzigt krijgt dat antwoord in tweede termijn als wij het kunnen genereren. Maar als hij dit type debat wil voeren, moet ik hem toch echt verwijzen naar de minister van I en M. Zij is verantwoordelijk voor de aanleg van wegen. Ik heb aangegeven dat we er veel geld aan uitgeven en dat er veel nieuwe wegen zijn aangelegd. Er is inderdaad geld onbesteed gebleven. Dat heeft te maken met autonome factoren. Het gaat om grote bouwprojecten die soms versneld worden en soms langzamer gaan. Als je kijkt naar de afgelopen jaren, zie je dat de financiën veel beter onder controle zijn en dat er zelfs geld overblijft bij aanbestedingen. Daar vroeg een van de leden ook naar. Ook dat geld blijft gewoon in het Infrafonds beschikbaar. Dat zal de komende jaren worden besteed. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ik heb nog geen antwoord gekregen op de vraag of er sprake was van onderprogrammering dan wel overprogrammering. Waren er voldoende plannen voor dit jaar? In de Najaarsnota staat dat er onderprogrammering was, maar de minister zegt nu dat er overprogrammering was. Ik wil graag weten hoeveel onder- of overprogrammering er was. De minister zegt dat ik dit aan de minister van Infrastructuur en Milieu moet vragen. Daar ben ik het mee eens. Daarom heb ik gisteren bij de regeling van werkzaamheden ook gevraagd om de minister van Infrastructuur en Milieu hierbij aanwezig te laten zijn. Een aantal Kamerleden heeft toen gezegd dat de minister van Financiën dat ook mag doen en dat hij dan wel de minister van Infrastructuur en Milieu zich daarop kan voorbereiden. Zij is de enige andere minister die ik hier had willen hebben. Deze vragen zijn dus niet onverwachts. Daar had de minister van Financiën zich echt wel op kunnen voorbereiden, want de collega's gaven ook aan dat we het daarover zouden hebben. 

Minister Dijsselbloem:

Ik ga hier niet een heel debat voeren over het Infrafonds. Dan schorsen we nu en halen we de minister van I en M erbij; dat maakt mij niets uit. Maar ik ga hier niet zo gedetailleerd praten over infrastructuur. 

De voorzitter:

Met alle respect: ministers doen hier geen ordevoorstellen. Ik stel voor dat we eerst bekijken wat de minister in tweede termijn kan zeggen over dit specifieke punt. Dat moet met een beetje wringen wel lukken. Als het echt niet goed loopt, dan kunnen we van uw verzoek altijd nog een ordepunt maken, mijnheer Omtzigt. Zullen we het zo doen? 

De heer Omtzigt (CDA):

Ik wacht even op het antwoord van de minister. 

De voorzitter:

Prima! Dan doen we het zo. 

Minister Dijsselbloem:

De heer Omtzigt stelde een vraag over overprogrammering. Mijn informatie is dat er structureel in het Infrafonds wordt overgeprogrammeerd. Maar dit jaar is in de realisatie het totaal aan programma-uitgeven niet gehaald. Dat heet "onderuitputting", maar er wordt structureel overgeprogrammeerd. Dat geld zit in het Infrafonds. 

De vraag over de uitgaven aan wegeninvesteringen als percentage van het bbp zullen we in tweede termijn proberen te beantwoorden. De heer Omtzigt stelde vier vragen, maar voordat ik mijn pen had gegrepen, heb ik er nog één of twee gemist. Mijn medewerkers hebben die vragen misschien wel gehoord. We komen er in tweede termijn op terug. 

De voorzitter:

Het ging over doorschuiven en files versus economische groei. 

Minister Dijsselbloem:

Dat zijn echt dingen waar de minister van Financiën geen verstand van heeft. 

De heer Nijboer (PvdA):

We hebben een regeling. De heer Omtzigt heeft gisteren aangekondigd dat hij wilde doorvragen over infrastructuur en milieu. We laten het aan het kabinet om de minister van Infrastructuur en Milieu er wel of niet bij aanwezig te laten zijn. Dat heeft de Kamer expliciet gesteund. Van mij hoefde dat niet, als de minister van Financiën er maar in enige mate van precisie antwoord op kan geven. Als wij dat als Kamer uitspreken en afspreken, dan gaat het niet aan dat de minister twee keer sneert dat de vragen te gedetailleerd zijn. Ik ben er helemaal geen voorstander van om de minister van Infrastructuur op te roepen, maar ik heb de heer Omtzigt gesteund. Zijn vragen moeten netjes worden beantwoord in tweede termijn. 

Minister Dijsselbloem:

Ik hoor het wel. Anders halen wij de minister van Infrastructuur en Milieu hierheen. Zij kan het allemaal uitleggen. 

De voorzitter:

Ik verzoek de minister te doen wat wij zojuist hebben afgesproken. Dat gaat hij ook doen. Hij gaat in tweede termijn zo veel mogelijk vragen beantwoorden. Ik zeg tegen de collega's: u kunt ieder ordevoorstel op dat moment doen en eventueel aannemen, maar ik wijs erop dat de Kameragenda onder grote druk staat en dat dit tot allerlei vertraging leidt. Die afweging maakt u, maar wij doen dat pas nadat de minister in tweede termijn heeft geprobeerd om de vragen te beantwoorden. 

De heer Omtzigt (CDA):

Als de minister blijft persisteren dat de minister van Infrastructuur en Milieu hierbij moet zijn, dan blokkeren wij dat niet. We hebben daar gisteren om gevraagd. Wij hebben aangegeven dat het de minister mag zijn, maar ook de staatssecretaris. De heer Harbers wees erop dat er ook enige ambtenaren van Infrastructuur en Milieu aan de voorbereiding meedoen. De vragen die wat dat betreft leefden, hebben wij gesteld. De onderuitputting lijkt mij niet heel onlogisch, maar de sneer van de minister vind ik te laag. Die regeling had bij het kabinet bekend moeten zijn. 

De voorzitter:

Waarvan akte. Wij wachten af of de minister van Financiën de vragen in tweede termijn naar behoren beantwoordt. Dan zien wij nader. 

Het woord is aan de minister. 

Minister Dijsselbloem:

Ik kan alle vragen beantwoorden die gaan over de uitvoering van het begrotingsbeleid — daar gaat de Najaarsnota over — ook op het gebied van infrastructuur. Geen enkel probleem. Ik zal dat in tweede termijn met meer precisie doen, maar als het een discussie wordt over de verklaring van waarom files zich voordoen, dan blijf ik zeggen dat de Kamer bij mij aan het verkeerde adres is. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik benadruk wat de heer Nijboer ook al zei. Wij hebben dit als Kamer gisteren nadrukkelijk aangegeven. Het is aan het kabinet wie het naar de Kamer stuurt. De minister van Financiën geeft aan dat hij de desbetreffende vragen niet kan beantwoorden en dat de minister van Infrastructuur en Milieu dat moet doen, maar dat was juist het verzoek van de Kamer gisteren. Volgens mij kan het antwoord van de regering op dit moment niet zijn dat het debat momenteel met de minister van Financiën is en dat dit soort vragen dus niet kan worden beantwoord. De Kamer heeft dat nadrukkelijk aangegeven. 

De voorzitter:

Ik stel toch voor dat de minister zijn betoog nu vervolgt en dat wij even afwachten wat er in tweede termijn gebeurt. 

Minister Dijsselbloem:

Ik heb vragen gehad over anbi's en de giftenaftrek. Ook is er gevraagd of er reparatiewetgeving nodig is en of ik een overzicht kan geven van alle anbi's. 

De voorzitter:

Ik geloof dat de heer Harbers nog een punt heeft. 

De heer Harbers (VVD):

De minister ging van de onderuitputting direct door naar de onderuitputting bij Infrastructuur en Milieu, maar ik had nog vragen gesteld over de analyses van het ministerie over onderuitputting. De minister gaf aan dat dit elk jaar in het voorjaar gebeurt. Mijn vraag was of dit soort analyses met de Kamer kan worden gedeeld. Wordt er ook teruggeblikt op hoe het de gehele kabinetsperiode is verlopen als het gaat om onderuitputting en leren wij daar nog van voor de volgende vier jaar? 

Minister Dijsselbloem:

Wij rapporteren over de onderuitputting, met een verklaring erbij. Daar staat ook in of het incidenteel of structureel is en of de raming moet worden bijgesteld in de gewone begrotingscyclus. Ik ben bereid toe te zeggen dat wij van Financiën, als zich echt een grotere onderuitputting voordoet, niet alleen zullen aangeven dat die er is, maar ook de vraag zullen beantwoorden of die structureel is en of er sprake was van een ramingsprobleem. Dat is de beste manier want anders gaan wij het parallel aan de gewone verantwoordingsstukken er de begrotingsstukken weer apart uit halen. Het lijkt mij beter om, als er een forse onderuitputting is, voortaan aan te geven of deze onderuitputting structureel is, of de raming niet klopte, of de raming moet worden bijgesteld et cetera. 

Dan het tweede punt: het terugkijken over de hele periode van vier jaar. Misschien mag ik daar in de tweede termijn op terugkomen? Ik moet even bezien of dit doenlijk en zinvol is. Staat u mij toe om daar even op te studeren. 

De voorzitter:

Dan komen wij nu op de algemeen nut beogende instellingen. 

Minister Dijsselbloem:

Er zijn op dit moment 43.000 algemeen nut beogende instellingen. Het overzicht daarvan is beschikbaar. Dat was een van de vragen: kan daarvan een overzicht worden verstrekt? Welnu, dat is te vinden op de website van de Belastingdienst. Momenteel lopen er evaluatieonderzoeken naar de giftenaftrek en naar de regeling van de anbi's en de sbbi's. Nu gaat u mij vragen waar die afkorting voor staat, maar van de sbbi weet ik dat niet. Deze evaluatieonderzoeken komen begin volgend jaar naar de Kamer. 

De voorzitter:

Sbbi staat voor sociaal belang beogende instellingen. 

Minister Dijsselbloem:

Alstublieft. 

Deze onderzoeken komen dus begin volgend jaar naar de Kamer. Het totale budgettaire beslag van de giftenaftrek is 360 miljoen. Wij evalueren nu zowel de giftenaftrek als de anbi- en sbbi-regeling. 

De heer Tony van Dijck (PVV):

Ik weet dat er een lijst is van al die anbi's, maar waar ik in geïnteresseerd ben, is of bepaalde anbi's meer ophalen aan giften dan andere anbi's. Dat vraag ik met name vanwege het bericht van vorige week over die islamitische school. Dat is nog maar toevallig naar boven gekomen. Misschien is er wel structureel iets aan de hand met al die scholen, kerken, moskeeën en noem maar op, in de zin dat een bepaalde groep bezig is met belastingontduiking — want zo mogen wij het wel noemen — door zogenaamd giften te geven en daarvoor kwitanties te krijgen die niet kloppen met de gegeven gift. Over die fraude heb ik het. Vandaar ook mijn verzoek om reparatiewetgeving. Je zou bijvoorbeeld alleen giraal geld kunnen accepteren, waarvoor bankafschriften noodzakelijk zijn. Dus niet: handje contantje, ik heb 10.000 euro cash gegeven. Dat is namelijk maar de vraag. Misschien wordt er wel witgewassen. Het is allemaal speculatief, maar ik zou graag meer inzicht krijgen. 

Minister Dijsselbloem:

Er wordt gericht onderzoek naar gedaan op basis van data-analyse. Deze casus is naar voren gekomen doordat een opvallend groot aantal mensen ineens gebruikmaakte van de giftenaftrek voor deze instelling. Dat was aanleiding om het onderzoek te doen. Er wordt dus wel degelijk op toegezien. Ik moet straks even terugkomen op het punt van alleen giraal geld. Ik weet niet in detail hoe dat nu is geregeld. 

De voorzitter:

Dit valt ook wel een beetje buiten het onderwerp van de Najaarsnota. 

Minister Dijsselbloem:

Dat durf ik niet meer te zeggen. 

De heer Merkies heeft gevraagd naar de daklozenopvang. Hij meent dat daar een impuls van 50 miljoen voor nodig is. Ik mag het van hem niet zeggen, maar het is wel zo: dit valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten, veelal vormgegeven in regionaal verband, met centrumgemeenten die daarin het voortouw nemen. Er wordt intensief samengewerkt met corporaties, zorgverzekeraars, aanbieders en cliëntenorganisaties. Het zou kunnen zijn dat financiën een belemmerende factor vormen, maar de staatssecretaris van VWS stuurt u vandaag of morgen een brief daarover, met daarin cijfers over dakloosheid en de wijze waarop die wordt geadresseerd. Ik wil de Kamer adviseren om op basis van die brief te kijken of er meer nodig is en zo ja, wat. Overigens heeft de staatssecretaris van VWS in een recent debat in de Kamer al aangegeven dat het aantal daklozen — "gebruikers van opvang" moet ik zeggen — over de laatste jaren lijkt te stabiliseren. Er zijn ook geen aanwijzingen, is mijn informatie, dat gemeenten geld tekortkomen op dit vlak, ook gezien de eerste berichten over onderuitputting in het sociaal domein binnen de gemeentelijke financiën. Er zijn dus middelen die hiervoor ingezet zouden kunnen worden in het lopende jaar, als het een probleem zou zijn. 

Zeeland kan ik misschien beter behandelen aan de hand van de amendementen, anders moet ik het twee keer doen. 

De heer Omtzigt heeft nog gevraagd naar de ABP-premie. Ik zou hebben ontkend dat die zou gaan stijgen. Ik kan dat nu niet meer teruglezen, maar op basis van het tijdstip kon ik toen niet weten wat de ABP-premie zou worden en hoeveel die zou stijgen. Ik weet wel dat er toen heel grote bedragen genoemd werden. Ik zou het verslag van het debat moeten nalezen, maar waarschijnlijk werden die grote bedragen aan mij voorgehouden door de heer Omtzigt en heb ik gezegd dat ik daar niets over kan zeggen, omdat die premie niet vaststaat en nog niet vastgesteld is. Inmiddels is de premie wel vastgesteld en gaat die in stappen omhoog, maar dat is pas eind november gebeurd. 

De heer Van Dijck heeft vragen gesteld over de werkloosheidscijfers. Hij zei: het aantal uitkeringen is hoger dan het aantal werklozen. Het CBS komt tot zijn werkloosheidscijfers conform internationale definities via een maandelijkse enquête onder de bevolking. Dat cijfer kan dus afwijken van het aantal feitelijk werklozen. Daarnaast zijn er natuurlijk ook verschillen tussen het aantal werklozen en het aantal mensen dat een uitkering ontvangt. Niet iedereen met een uitkering is ook geregistreerd als werkzoekende. Die cijfers zijn dus gebaseerd op een enquête die wordt uitgevoerd door het CBS. Ook dat is al een aantal jaren de vaste systematiek. 

De begroting V en J kent aan de ene kant een tegenvaller op de boete-inkomsten en aan de andere kant een meevaller door een lagere asielinstroom. De heer Omtzigt vroeg of V en J van de rode kaart af komt nu die hogere instroom zich niet voordeed. Het verlagen van de asielinstroomraming lopende dit jaar — er komen gewoon minder mensen naar Nederland — leidt tot een verlaging van de ODA-toerekening. ODA, de minister van OS, betaalt het eerste jaar van de opvang van asielzoekers op de begroting van BH/OS. Het effect van de lagere asielinstroom op de begroting van V en J is per saldo nul. Het effect op de begroting van BH/OS is per saldo 460 miljoen, waarvan 290 miljoen dit jaar en 170 miljoen volgend jaar. 

De tegenvaller bij V en J komt, zoals ook werd opgemerkt, uit tegenvallende boeteontvangsten. Wij hebben al in het najaar van 2015 afspraken gemaakt met V en J, dat hiervoor ook de rode kaart kreeg, over het herinrichten van de controlefunctie, dus het financieel-administratief beheer binnen het grote departement van V en J. Het eigenaarschap van de uitvoeringsorganisaties is herbelegd, zodat daar ook meer grip komt op het financieel beheer. V en J is daar voortvarend mee aan de slag gegaan. Over de boetes hebben wij al vroegtijdig en bij herhaling met V en J gesproken. V en J heeft er een club mensen op gezet om daar maatregelen op te nemen, zodat die boete-inkomsten omhoog gaan en om de technische problemen die zich hebben voorgedaan, snel op te lossen. Conform de begrotingssystematiek moet nu het ministerie van V en J in het voorjaar dekking vinden voor de tegenvaller van 100 miljoen. We zullen dan zien welke dekkingsmogelijkheden voorhanden zijn. 

De heer Koolmees maakt zich zorgen dat de extra 450 miljoen dadelijk voor een deel weer weg is. Hij kent de begrotingssystematiek. Die 450 miljoen is in de begroting opgenomen voor specifieke doelen en mag daar ook aan worden uitgegeven, maar op het totaal van de begroting staat er wel een nog in te vullen taakstelling. Deze tegenvaller op de boetes in 2016 wordt meegenomen naar 2017. Je kunt niet zeggen dat het een ten koste gaat van het ander of dat het wordt afgetrokken van die 450 miljoen. De begroting van V en J is natuurlijk veel groter dan dat. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ik begrijp niet helemaal wat dat "meenemen" betekent. Betekent dat dat die 100 miljoen die dit jaar niet gehaald wordt, volgend jaar met extra boetes opgehaald moet worden door de politie? 

Minister Dijsselbloem:

Nee, dat hoeft niet. Als er geld over is, mag dat, binnen bepaalde marges, meegenomen worden naar het volgende jaar. Dat geldt ook als er een tekort is gerealiseerd, in dit geval op het punt van de boetes. Dat kan in het lopende jaar niet meer worden ingelopen. Dat zouden we ook niet willen, want dan zouden er ineens heel veel boetes moeten worden uitgeschreven. Het is echter wel een tegenvaller in de begroting en die moet dus alsnog worden gecompenseerd. Dat kan door meevallers elders, dat kan door maatregelen, maar dat bekijken we altijd in het voorjaar in het totaal van de begroting. 

De heer Omtzigt (CDA):

Wordt deze 100 miljoen exclusief ten laste gebracht van de op dit moment al zeer knellende begroting van V en J of wordt het bedrag verdeeld over alle departementen? 

Minister Dijsselbloem:

Nee, wij handhaven de systematiek dat elke minister verantwoordelijk is voor het begrotingsbeheer op zijn departement. Dit is een tegenvaller op het departement van V en J en zal in principe ook daar moeten worden opgelost; daar moet er dekking voor worden gevonden et cetera. 

De voorzitter:

Ten slotte, mijnheer Omtzigt. 

De heer Omtzigt (CDA):

Dan hebben we hier een aankondiging van een extra bezuiniging op politie en justitie van 100 miljoen in 2017. Ik word daar een beetje door overvallen. 

De voorzitter:

Dat lijkt mij typisch een punt dat u in uw tweede termijn kunt inbrengen. Mijnheer Koolmees. 

De heer Koolmees (D66):

Ik denk dat de constatering van de heer Omtzigt terecht is. Er is in de Kamer ook een motie aangenomen om boetes apart te zetten, zodat die niet ten laste komen van de begroting van V en J. Dit ook om de perverse prikkel te voorkomen dat er plotseling meer boetes zouden moeten worden geïnd om tekorten af te dekken. Wanneer wordt een start gemaakt met die nieuwe inrichting van de boetes? 

Minister Dijsselbloem:

Mij staat bij dat de Kamer het ibo dat gaat over verkeershandhaving en verkeersboetes heeft ontvangen. In de kabinetsreactie daarbij hebben we deze vraag beantwoord en gezegd dat dat met ingang van 2017 gaat gebeuren. Dit is echter een tegenvaller over 2016. 

De heer Koolmees (D66):

Dus, om het even samen te vatten, de tegenvaller over 2016 wordt doorgeschoven naar 2017 en moet opgelost worden binnen de begroting van V en J. Volgend jaar moet er dus 100 miljoen worden gevonden binnen de begroting van V en J. Tegelijkertijd wordt er in 2017 overgestapt op de nieuwe systematiek dat boetes voortaan, dus over 2017 en verder, niet meer ten laste komen van specifiek V en J. 

Minister Dijsselbloem:

Dat is juist. In de toekomst zal het zo gebeuren — dit naar aanleiding van een motie van de VVD en Partij van de Arbeid — om te zorgen voor begrotingsrust bij V en J. We hebben de afgelopen jaren heel veel tijd en aandacht moeten besteden aan V en J, ten dele doordat bezuinigingen wel of niet gewenst waren, maar ten dele ook omdat het financieel beheer problematisch was. Een van de factoren die bij V en J steeds terugkeert is: enerzijds zijn er soms heel grote meevallers, bijvoorbeeld door grote boetes die aan ondernemingen worden opgelegd in verband met fraude, maar anderzijds zorgen de verkeersboetes de laatste jaren vooral voor grote tegenvallers, door allerlei redenen. Daar zit ook dat aspect in van die perverse prikkel. Moet je de handhavers, het OM, de politie et cetera, niet gewoon in autonomie, op basis van handhavingsbeleid laten optreden en niet met een financiële druk erachter? Voor dat complex van redenen — we willen begrotingsrust creëren bij V en J en we willen de perverse prikkel eruit halen — stellen we nu voor, dat was althans het voorstel van Zijlstra en Samsom, om de risico's rond de boete-inkomsten voor generale rekening, lees de minister van Financiën, te laten komen. Dat kan overigens alleen maar werken als er voortaan echt een inhoudelijk verkeershandhavingsbeleid is. Dat hebben we ook aan de Kamer geschreven. Anders is het voor ons onmogelijk om te ramen wat er ongeveer nog aan verkeersboetes zal komen en dan wordt het wel heel moeilijk voor de minister van Financiën. 

Voordat er weer op het ANP staat dat er zal worden bezuinigd op de politie: dat is natuurlijk niet waar. Op het totaal van de begroting voor V en J kijken we in het voorjaar welke meevallers er zijn en welke tegenvallers. Dat geldt voor alle begrotingen. Dat proberen we dan eerst binnen de begrotingen, per departement op te lossen. Als er dan nog problematiek overblijft, dan wordt die in het kabinet over het geheel genomen bezien. Het is dus niet zo dat er nu bezuinigd gaat worden op de politie, zoals de heer Omtzigt aankondigt. Dat is gewoon pertinent niet juist. Dus misschien kan ANP dat weer van de telex af halen. 

Ik kom bij de nationale investeringsbank. Ik ben daar druk mee bezig, samen met mijn collega's Kamp en Ploumen. Wij hopen dat op zeer korte termijn af te ronden. Dit is een belangrijk instrument om investeringen, voornamelijk private investeringen, los te trekken, maar de overheid kan daar soms bij helpen, bijvoorbeeld als het gaat om startende ondernemers in het mkb, om technologische bedrijven die willen doorgroeien en om een grote transitie waar nieuwe technologie bij komt kijken, zoals de energietransitie. Dat is ook op internationaal niveau. Dit wordt dus een belangrijk instrument van de overheid om de economie en de economische groei op een hoger plan te brengen. Wij komen daar echt op korte termijn mee naar de Kamer. 

De heer Nijboer heeft gevraagd naar het belang van hoge buffers, van stevige kapitaaleisen aan banken. Ik denk dat ik niet hoef te bevestigen dat dat voor mij heel belangrijk is. Er is in Europa een discussie gaande over kapitaaleisen. Die discussie vindt eigenlijk in Basel plaats, in het internationale comité. Er lopen daarbij twee dingen door elkaar heen. Er is terecht zorg over de kwaliteit van de interne modellen van banken. Mijn opvatting daarover is dat daar echt minimumstandaarden en -kwaliteitseisen aan gesteld moeten kunnen worden, zodat we daarop kunnen vertrouwen. Dat heet dan "een vloer" in het risicomodel van banken. Vervolgens is het natuurlijk wel de vraag welke vloer en welke minimumeisen van risicogewichten reëel zijn. De Nederlandse hypotheekportefeuille, die van de Nederlandse banken, heeft gewoon relatief weinig risico. Dat heeft te maken met onze cultuur, met ons juridische stelsel en met de wijze waarop wij mensen in de gelegenheid stellen om schulden te vereffenen. Dat betekent dat er gewoon heel netjes en goed wordt afgelost op hypotheken in Nederland en dat er heel weinig risico's aantoonbaar in zitten. Nederland wil — de Nederlandsche Bank vertegenwoordigt ons in die discussies — dat daar erkenning voor komt in deze discussie en dat we niet voor relatief lage risico's heel hoge eisen krijgen voor de Nederlandse banken. Langs die twee lijnen zit Nederland daarin. De Nederlandsche Bank vertegenwoordigt ons, maar er is nog geen uitkomst op dit moment. 

De heer Merkies (SP):

We hebben deze discussie vaker gevoerd, maar … 

De voorzitter:

Vandaar dat ik u vraag om het kort te houden. 

De heer Merkies (SP):

Het kan heel kort. Je zou ook kunnen zeggen: als het dan zo is dat dat risico in Nederland lager is, dan kan dat ook in die standaardmodellen zitten. Je hoeft helemaal niet meteen terug te vallen op de eigen risicomodellen van de banken. We weten dat immers dat banken de risico's altijd heel laag inschatten en soms onterecht. Je kunt er gewoon voor zorgen dat die standaardmodellen daarop toegerust zijn. 

Minister Dijsselbloem:

De naam zegt het al: "een standaardmodel" is een standaard. Die maakt dus weinig onderscheid tussen hypotheekportefeuilles in Nederland en in andere landen. Dit zijn internationale standaarden. Soms kan er een heel goede reden zijn — ik ben dus niet tegen interne modellen — om in Nederland een ander risicogewicht aan hypotheekportefeuilles te geven dan in een ander land. Als de heer Merkies zegt "het moet gewoon volledig worden gestandaardiseerd; geen interne modellen meer", dan zou dat tot een heel grote verschuiving leiden. Ik ben niet tegen hoge kapitaaleisen. Daar waar er meer risico's in bankbalansen zitten en daar waar die risico's niet tot uitdrukking komen in risicoweging op basis van een intern model, moeten de eisen omhoog. Een gestandaardiseerde benadering zou in dit geval echter heel nadelig zijn, en ten onrechte, want de risico's zijn laag voor Nederlandse banken. 

De heer Merkies (SP):

De eis is dus al niet eens meer standaardisering. Het is alleen maar om een minimum vast te stellen, om in ieder geval aan te geven dat je niet veel lager mag. Dit is toch juist waar wij hier allemaal voor hebben gepleit? Natuurlijk, we kunnen ook zeggen: dan doen we alleen die leverage ratio. Die leverage ratio hebben we eigenlijk als een bot middel ingesteld om te kunnen zeggen: dan hebben we in ieder geval wat. Bij het risicogewogen model zien we echter dat het niet werkt. Daar zien we eigenlijk dat er te laag wordt ingeschat vanwege die eigenrisicomodellen. Als je het systeem beter wilt maken, moet je ervoor zorgen dat we niet volledig gaan rusten op die eigenrisicomodellen, want banken kunnen dan soms goochelen met getallen. Dat is in de afgelopen periode soms gebeurd. 

Minister Dijsselbloem:

Ik kan alleen maar herhalen wat ik zei: enerzijds moeten er kwaliteitsstandaarden — dat noemen we "vloeren" — in die interne modellen worden gelegd, zodat de banken minder vrijheid hebben om risico's een veel te laag risicogewicht te geven en daarmee onder buffereisen uit te komen. Anderzijds wil je dat de vloeren en dus de risicogewichten een reëel beeld geven van de risico's in portefeuilles. Ik zit hier niet om te zeggen dat, zelfs als een portefeuille een laag risico heeft, daar een enorme kapitaaleis tegenover moet staan. Dat is gewoon niet gericht, niet effectief. Je wilt dat kapitaaleisen hoog zijn waar de risico's groot zijn. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voor de helderheid: dat standpunt delen wij en wij willen ook dat die buffers omhooggaan en dat de risico's daar gewogen worden waar zij daadwerkelijk optreden, maar heeft het kabinet in beeld wat de consequenties zijn als de regels waarover nu gesproken wordt, wel doorgaan? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de hypotheekverlening in Nederland? 

Minister Dijsselbloem:

Nee, dat kan echt niet, want die discussie is nog volop in beweging. Ik weet dus niet waar we uit gaan komen. Dit is de eerste stap; dit is Basel. Daar komen voorstellen uit, maar die zijn nog geen wetgeving. Zij moeten vervolgens in de VS, Japan en Europa in wetgeving worden verankerd. Zelfs als de uitkomst voor Nederland ongunstig zou zijn in Basel, kunnen we in de Europese wetgeving natuurlijk opnieuw bepleiten dat er een reële inschatting komt van de risico's in hypotheekportefeuilles. Ik kan dat nu niet uitrekenen, want ik weet niet wat de uitkomst zal zijn. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik hoef niet tot op de punt en de komma te weten wat het precieze bedrag is. Het punt is dat er consequenties aan vast kunnen zitten die Nederland sterker zouden raken, in dit geval op het punt van de hypotheken. Als ik het goed begrijp, zegt de minister dat hij nog zo veel opties en andere mogelijkheden heeft om een andere route te varen dat het risico niet zo groot zal zijn dat dit zal gebeuren. 

Minister Dijsselbloem:

Nu wil mevrouw Schouten een voorspelling van mij horen. De inzet van Nederland — de Nederlandsche Bank vertegenwoordigt ons in het Basel-comité — is om tot een reële risico-inschatting te komen van de hypotheekportefeuilles, dus ook van de Nederlandse hypotheekportefeuilles. Ik zal het verder niet herhalen, maar dat is echt onze inzet. Weet echter wel dat de uitkomst van Basel vervolgens niet onmiddellijk een wet is. Er komt dan ook nog een Europees implementatietraject, maar de Nederlandsche Bank zit daar met mijn volledige steun goed in. We houden de Kamer op de hoogte. De volgende bijeenkomst is in januari. Mocht daar wel een uitkomst zijn, dan informeren wij de Kamer, ook over het vervolgtraject. 

Over Italiaanse banken kan ik niet veel zeggen. Het reddingsplan van één bank trekt veel aandacht. Daar kunnen de Kamerleden dagelijks over lezen. Niet alle berichten worden daarna bewaarheid. Op basis van de nieuwe Europese regels bestaat het instrument van preventieve herkapitalisatie. Dat mag alleen worden ingezet als een bank op basis van het sombere scenario in een stresstest zou falen, dus voor het examen zou zakken, maar in een gewoon scenario nog wel overeind zou blijven. Banken die in die zone zitten, mogen dus preventieve herkapitalisatie krijgen, dus ook met betrokkenheid van overheden, maar pas nadat bail-in heeft plaatsgevonden van aandeelhouders en junior bondholders. In Italië ligt er een probleem bij die juniorschuldhouders, omdat in Italië in het verleden veel van deze bankobligaties zijn verkocht aan retailklanten, aan gewone burgers, zoals gepensioneerden die hun pensioen vervolgens in bankobligaties hebben omgezet. Als je daar een bail-in op toepast, creëert dat dus een groot sociaal probleem. Dat mag vervolgens worden gecompenseerd. Dat is nu het type oplossingen dat men zoekt, maar de Europese regels zijn heel helder: alleen in bepaalde omstandigheden kan preventieve herkapitalisatie, maar ook dan alleen nadat bail-in heeft plaatsgevonden en op basis van een herstructureringsplan. Wij wachten dus af wat er in dit specifieke geval gaat gebeuren. 

De heer Tony van Dijck (PVV):

Het moge duidelijk zijn dat het gemarchandeer weer is begonnen. 350 miljard aan slechte leningen op de balansen van Italiaanse banken betekent dat de Italiaanse overheid wel iets moet doen en dat de hele bankenunie met de bail-in van deze minister op losse schroeven komt te staan. Ik lees in de stukken dat de junior bondholders tot €100.000 net als de spaarders worden gevrijwaard om die kleine bondholders te sparen. Dit soort trukendozen wordt opengetrokken waardoor die harde lijn van deze minister eigenlijk niets meer waard is. 

Minister Dijsselbloem:

Dit is een opvatting en geen vraag. Mocht het een vraag zijn, dan is het antwoord nee. 

De heer Tony van Dijck (PVV):

Het is dus niet waar dat junior bondholders tot €100.000 uit de wind worden gehouden? Deze minister zegt nu dat elke bondholder, elke aandeelhouder, van alle Italiaanse banken, wordt aangeslagen in die diepe bail-in tot 8%. Dat is wat deze minister zegt en als dat niet zo is, stapt hij op als voorzitter van de eurogroep. Kan ik zoiets concluderen? De minister zegt elke keer: het is niet zo. Hij zegt elke keer: het zijn harde afspraken. En elke keer wordt er gemarchandeerd, worden boetes niet gegeven en trekt men zich niets aan van de regels. Hier zitten mijn getuigen, of het nu gaat om het SGP of wat dan ook. Deze minister moet nu inderdaad zeggen dat in Italië dezelfde bail-in komt als in Cyprus. 

Minister Dijsselbloem:

Er is nergens dezelfde bail-in, omdat het per geval per bank wordt bekeken. De heer Van Dijck heeft dingen in "de stukken" gelezen. Ik weet niet in welke stukken. Hij zal dit niet in de stukken van de Nederlandse regering hebben aangetroffen. Wij weten nog helemaal niet wat er uiteindelijk met die banken gaat gebeuren. Het is aan de Europese Commissie, in het bijzonder aan DG COMP, de mededingingsautoriteit die let op staatssteun, om erop toe te zien dat in deze situatie de Europese regels worden nageleefd. Het is geen resolutie, het komt dus niet bij de Resolutieautoriteit terecht. De bank is niet failliet. Die regels maken in dit soort situaties zaken mogelijk maar zeker ook onmogelijk. Dat is mijn houding en dat is mijn boodschap aan de Commissie over elke bankcasus die zich voordoet. 

De voorzitter:

En die vraag over het aftreden? 

Minister Dijsselbloem:

Of ik bereid ben om af te treden? 

De voorzitter:

Die vraag is gesteld. 

Minister Dijsselbloem:

Nee, ik treed niet af. Ik probeer een serieus debat te voeren, maar dat is niet eenvoudig. 

De heer Van Dijck zegt dat de Grieken zichzelf een kerstbonus geven. Hij vraagt hoe dit is afgelopen. De Griekse regering heeft het voornemen om een eenmalige verhoging van zeg maar de AOW voor gepensioneerden toe te staan. Dat is in ieder geval qua proces niet conform de afspraken. De afspraak is dat als men bepaalde extra uitgaven wil doen of beleid wil wijzigen, dat steeds wordt overlegd met de instituties. Wat is de toetssteen voor de Europese instituties om te bezien of de Grieken op de juiste weg zijn met de begroting en het begrotingspad, en of het afgesproken saldo dit jaar, volgend jaar en het jaar daarna wordt gehaald? Als men extra uitgaven wil doen, moet men laten zien dat het kan en dat men dan nog steeds het saldopad haalt. Dit zou om een eenmalige extra uitkering gaan. Men moet dus laten zien dat daarvoor dit jaar die begrotingsruimte beschikbaar is. Het is niet gezegd dat de Griekse regering niets meer mag doen of niets meer mag uitgeven. Zij moet tevoren laten zien dat er extra ruimte is en dat zij haar begrotingsdoelstellingen haalt. En dan kan zij aangeven dat zij die extra ruimte wil besteden aan een eenmalige verhoging van de AOW. 

Dat hebben wij kenbaar gemaakt. Dat is de boodschap aan de Grieken en zo moet het gaan. Wij wachten het oordeel van de instellingen daarover af; die kijken daar nu naar. 

De heer Harbers heeft opgemerkt dat de Nederlandse korting op de EU-afdrachten pas na drie jaar is gekomen; dat is een terechte constatering. 

De heer Tony van Dijck (PVV):

Even over Griekenland: ook dat moet ik in de krant lezen. Ik lees dat die schuldverlichting gekoppeld is aan die kerstbonus. De voorzitter van de eurogroep zou hebben gezegd dat er van die schuldverlichting geen sprake is zolang die kerstbonus nog in de lucht hangt. Ik weet niet of dit klopt. Ik lees dit ook maar in de krant. 

Een ander ding is het volgende. Toevallig ken ik iemand die Grieks kan lezen. Hij ziet dat de Griekse kranten vol staan met teksten over een schuldverlichting van 45 miljard. Het zou een cadeautje van Brussel van 45 miljard zijn. Is het zo dat die schuldverlichting van voor de zomer die nu is geïmplementeerd, een bedrag van 45 miljard is? 

Minister Dijsselbloem:

Daar moet ik in tweede termijn op terugkomen. We hebben in de eurogroep van deze maand besloten over een klein pakket aan maatregelen op het gebied van schuldverlichting. Het gaat erom binnen het mandaat van het noodfonds ESM te kijken of men bijvoorbeeld goedkoper kan inlenen — de rente is immers laag — en of men er door middel van herstructurering van leningen voor kan zorgen dat het aflossingsritme vlakker wordt en dat de aflossing voor alle leningen naar die 32 jaar gaat. Het nemen van dat type maatregelen is aan ESM toegestaan. Natuurlijk heeft dat een netto contante waarde. Als je het daarmee namelijk goedkoper maakt of je de looptijd voor sommige leningen wat langer maakt, heeft dat een voordeel; in economische termen "een netto contante waarde" —. Dit getal hoor ik voor het eerst, dus ik heb geen idee waar dit vandaan komt. Ik lees zelf niet in het Grieks. 

Ik kom op de koppeling tussen de schuldverlichtingsmaatregelen en dat wat er nu in Griekenland gebeurt. Die schuldverlichtingsmaatregelen moeten door de directie van ESM worden goedgekeurd. Enkele lidstaten hebben daar de vinger opgestoken en gezegd dat zij eerst willen weten wat er gebeurt met die eenmalige AOW-bonus, waarom dat niet afgesproken is en het niet netjes verlopen is. Pas dan wil men groen licht geven. Formeel was die koppeling er niet. Die is in de eurogroep ook niet gemaakt. Maar lidstaten — ze zitten allemaal in het bestuur van ESM — hebben het recht om te zeggen dat ze dat punt opgehelderd willen hebben voordat de schuldverlichtingsmaatregelen van kracht worden. Wij proberen een en ander nu dus op te helderen om daarna daarin een verdere stap te zetten. 

De voorzitter:

De minister vervolgt. Maar in verband met de planning zeg ik het volgende. U bent nog niet aan de bespreking van de amendementen toe. U hebt nog een flinke stapel inhoudelijke punten. We gaan gauw verder. 

Minister Dijsselbloem:

Ik ga proberen binnen een halfuur bij de bespreking van de amendementen te zijn. 

Dat van de afdrachten heeft inderdaad drie jaar geduurd. Dat heeft ermee te maken dat het eigenmiddelenbesluit in alle lidstaten door alle parlementen moet worden geratificeerd. De laatste lidstaat is volgens mij Roemenië. De minister van Roemenië heeft mij persoonlijk gebeld omdat ik haar achter de broek had gezeten — uiteraard figuurlijk — met de vraag naar het besluit over de ratificatie van het eigenmiddelenbesluit van haar parlement. Zij heeft daar druk op gezet en uiteindelijk is het geregeld en heeft ze me gebeld. Maar het heeft gewoonweg veel te lang geduurd. Ik kan de systematiek niet veranderen. Ik denk dat ook het Nederlandse parlement eraan hecht om het eigenmiddelenbesluit te kunnen ratificeren. Als alle parlementen zeggen dat dit voortaan niet meer hoeft, gaat het veel sneller. Omdat we de nationale parlementen in stelling willen brengen en we ze betrokken willen houden, moeten we accepteren dat sommige nationale procedures lang zijn. 

De heer Omtzigt vroeg naar de initiatiefnota van de ECB. Daarover komen we nog te spreken. Met het oog op de tijd zeg ik dat dit aan de orde kan komen in het debat over het gehele ECB-beleid. Misschien één opmerking. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ja eentje. Doe maar eentje. 

Minister Dijsselbloem:

Nee, misschien moet ik dat helemaal niet doen, want dan lok ik weer een reactie van de heer Omtzigt uit en hebben we toch een monetair debat. Ik ga dus proberen om alle monetaire zaken nu over te slaan. We kunnen begin volgend jaar immers met elkaar het debat daarover voeren. Dan hebben we daarvoor uitgebreid de tijd. Kijken of mij dat wordt toegestaan. 

Mevrouw Schouten heeft gevraagd hoe het staat met het onderzoek van het CPB en DNB. Dit zal worden gekoppeld aan de publicaties CPB Risicorapportage Financiële Markten en het Overzicht Financiële Stabiliteit van de DNB. Beide zijn gepland voor het voorjaar en kunnen dus beschikbaar zijn ten tijde van de kabinetsformatie. 

Dan gelekaartprocedures. Nee, ik bedoel specifiek het richtlijnvoorstel over hybride mismatches. 

De voorzitter:

De heer Omtzigt, even tussendoor. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ik had twee vragen gesteld en, inderdaad, de rest van de discussie kan later. Wil de minister nu of later een reactie geven op onze berekeningen dat het opkoopbeleid tot 200 miljard euro kan kosten aan een pensioenfonds als dat de rente met 1% verlaagt? Is de minister echt van mening dat het ECB-opkoopbeleid de rente niet verlaagt? Waarom zou je het dan nog doen? 

Minister Dijsselbloem:

Daar gaan we het debat over voeren. Het is van tweeën een, maar dan ga ik gewoon alle vragen beantwoorden. Als wij een vraag niet hebben beantwoord in de initiatiefnota of naar aanleiding van de stelling wat de schade voor pensioenfondsen is, dan zeg ik toe dat we daar nog apart schriftelijk op terug zullen komen. Dan voegen we een brief toe aan het uitgebreidere antwoord. Dan hebben we dat compleet. 

De voorzitter:

Ik laat mij net voorlichten dat de initiatiefnota vanmiddag op de agenda van de procedurevergadering van de commissie staat en dat daar een reactie van het kabinet op komt. 

De heer Omtzigt (CDA):

Die is er al, maar dit staat niet in de reactie. Met deze toezegging kan ik heel goed leven, want ik snap dat u dat debat niet wilt. Dus als er binnen, zeg een maand een reactie kan zijn op dat bedrag of op de vraag hoe de regering die schade wél inschat, dan laat ik het hier verder bij. 

Minister Dijsselbloem:

Die reactie voegen wij dan toe in een aparte brief. 

Dan de hybride mismatches. Dat heet ATAD 2. ATAD — voorzitter, ik weet hoe dol u bent op engelstalige afkortingen — staat voor Anti Tax Avoidance Directive, dus de anti-belastingontwijkingsverordening. 

De voorzitter:

Ik ben niet zozeer dol op het verklaren van afkortingen, maar ik probeer er altijd voor te zorgen dat ook de publieke tribune het debat nog enigszins interessant kan vinden. Gaat u verder. 

Minister Dijsselbloem:

Kortom, voorzitter, dit gaat over het bestrijden van belastingontwijking. Op dat punt hebben we onder het Nederlandse voorzitterschap heel veel bereikt. Een heel pakket aan maatregelen is aangenomen. Daarnaast hebben we stappen gezet op weg naar een zwarte lijst, met de uitwisseling van informatie, als het gaat om rulings tussen belastingdiensten, het openbaar maken van country-by-countryreporting et cetera. Het is allemaal in beweging. Er speelt heel veel, maar dit is er ook eentje. Dit is er eentje die Nederland gaat raken. Dit raakt met name Amerikaanse bedrijven die de cv-bv-route gebruiken om via Nederland belasting te ontwijken. Die belastingen hopen zich vervolgens op tropische eilanden op, terwijl eigenlijk voor een belangrijk deel zou moeten worden afgerekend in de VS zelf. De nieuwe administratie in de VS heeft aangekondigd dat ze dat prioritair gaan aanpakken en dat betekent dat linksom of rechtsom, of omdat de Amerikanen eerder zijn of omdat ATAD 2 eerder zou komen, de cv-bv-constructie en het gebruik daarvan door Amerikaanse multinationals echt zal verdwijnen. Mogelijk zullen bedrijven hun structuur en hun activiteiten dan herstructureren. Ik kan ook niet uitsluiten dat dit in Nederland banen gaat kosten, maar het gaat echt te snel, want Nederland heeft ook vele andere goede vestigingsplaatsfactoren. 

In Brussel loopt een discussie over ATAD 2. Wij hebben gevraagd om een iets langere implementatietermijn om die reden, omdat het gewoon impact in Nederland heeft en ook omdat wij vinden dat de echte oplossing, zoals de OESO ook heeft gezegd, moet komen van een aanpassing in het Amerikaanse belastingstelsel. Omdat die wordt verwacht, zou het onze voorkeur hebben om de Amerikanen daarin voor te laten gaan. 

Vervolgens is er een motie aangenomen waarin staat dat het niet te lang mag duren. Dus ik heb 2024 niet herhaald in de Ecofin. Ik heb wel gezegd dat ik vraag om een langere overgangstermijn. Daar is vervolgens in de discussie in de Ecofin niet over gesproken. De voorzitter heeft ook geen compromisvoorstel gedaan, omdat er inmiddels een andere discussie was over bepaalde Engelse belangen, de city traders die ook te maken zouden hebben met hybrids. Dus er was nog een inhoudelijk punt en daardoor is de hele discussie stilgelegd door de voorzitter. Hopelijk komt het snel terug en dan kunnen we ook het punt van de implementatietermijn bespreken en dan niet óf we het gaan doen. Nederland gaat het doen. Het gaat op de helling. Het is onvermijdelijk. De vraag is alleen hoe snel dat moet gebeuren. 

De heer Merkies (SP):

Het gaat hier om veel geld. Het gaat om structuren waardoor men in geen enkel land belasting betaalt, terwijl dat wel zou moeten. Men heeft tot 2019 voor die aanpak. Dat is wat men in Europa wilde en waar men afspraken over wil maken. In de stukken ter voorbereiding van die bespreking stond heel duidelijk dat Nederland, als enige land, uitstel wil tot 2024. En Nederland heeft al niet zo'n goede naam. De minister zegt nu dat hij dat niet heeft herhaald, maar de mensen hebben het in de stukken gezien. De minister zegt dat hij niet 2024 heeft genoemd. Wat was dan zijn insteek? Tot wanneer wilde de minister dan uitstel? 

Minister Dijsselbloem:

In Nederland kennen wij het goede gebruik dat wij de Kamer informeren voordat wij dit soort discussies in Brussel voeren, zodat de Kamer moties kan indienen. Dat is hier ook gebeurd. De Kamer heeft gezegd dat ik niet om een lang uitstel moet vragen. De letterlijke tekst van de motie heb ik niet bij de hand, maar in de motie werd mij niet verboden om een langere termijn te vragen. Langs die lijn heb ik ook geopereerd. Wij zijn niet toegekomen aan de onderhandeling inzake de vraag hoelang dan. 

De heer Merkies (SP):

Nu speelt de minister echt een spelletje. In de stukken ter voorbereiding van die bespreking, die alle landen hebben gekregen, staat dat Nederland, als enige land, uitstel wil tot 2024! Wij leven nu in 2016. Al die tijd kan deze belastingontwijking nog plaatsvinden. Het is echt te gek voor woorden. De meerderheid van de Kamer heeft een motie aangenomen waarin staat dat de regering dat niet moet doen, maar de minister zegt dan: ik heb het niet gezegd; ik heb om uitstel gevraagd. Iedereen weet dan toch dat Nederland "2024" heeft gezegd? Of de minister moet spreken van een heel klein beetje uitstel en dan praten we over maanden, maar als hij niets zegt, denkt iedereen natuurlijk gewoon aan 2024. Anders speelt de minister hier echt een spelletje. 

Minister Dijsselbloem:

Nee, voorzitter. Ik denk dat de heer Koolmees de desbetreffende motie inmiddels voor zich heeft. Nee, toch niet. Ik denk dat het zinvol is om die motie erbij te pakken. Deze motie hebben wij serieus genomen. Daarin stond in feite dat ik niet mocht pleiten voor een zo lange overgangstermijn tot 2024. Dat hebben we dus ook niet meer gedaan. Ik heb net verteld dat wij daar in de discussie vervolgens helemaal niet aan zijn toegekomen. In de Ecofin-Raad in Brussel is helemaal niet meer gesproken over de vraag of het wel of niet acceptabel is, of een compromis mogelijk is, of er één jaar bij kan of twee jaar, of over de vraag wat nodig en denkbaar is. Daar zijn we helemaal niet aan toegekomen. De heer Merkies vraagt mij wellicht welke onderhandelingsuitkomst ik wil, maar dat ga ik natuurlijk niet zeggen. Ik vind gewoon dat Nederland iets meer tijd nodig heeft. 

De heer Koolmees (D66):

Ik heb een andere vraag over winstbelasting en vennootschapsbelasting, want ik ben een beetje de lijn van de Partij van de Arbeid kwijt. Misschien kan de minister mijn helpen. 

Minister Dijsselbloem:

Graag. 

De heer Koolmees (D66):

Deze minister heeft zich ervoor ingezet om belastingontwijking aan te pakken, waarvoor hulde. Hij heeft dat ook in OECD-verband gedaan. Het gaat echt de goede kant op. Vorige maandag heeft hij bij RTL Z echter ook gezegd: Nederland zal de komende jaren de winstbelasting voor bedrijven waarschijnlijk gaan verlagen. Dat was een reactie op al die maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan. Banen, vestigingsklimaat en het concurrentievermogen zijn natuurlijk onderdelen van de concurrentiestrijd. Vanmorgen las ik echter in de Volkskrant dat de nieuwe lijsttrekker van de Partij van de Arbeid, de heer Asscher, nu juist zegt dat hij de vennootschapsbelasting gaat verhogen. Dan begrijp ik het niet helemaal meer. Ik ben het er zeer mee eens dat belastingontwijking wordt aangepakt. Dat heeft ook de steun van D66. Deze minister koppelt daaraan dat de vennootschapsbelasting de komende jaren naar beneden gaat. Minister Asscher zegt echter in een andere hoedanigheid, namelijk als lijsttrekker van de Partij van de Arbeid, dat die juist omhoog moet. Wat is nu de lijn van de Partij van de Arbeid? Wat vindt deze minister nou verstandig op het punt van de vennootschapsbelasting voor de komende jaren? 

Minister Dijsselbloem:

Het is betrekkelijk eenvoudig. Je hebt een kabinetsstandpunt en een standpunt van de Partij van de Arbeid voor de komende jaren. Als de heer Koolmees mij vraagt wat het standpunt is van dit kabinet, dan zeg ik dat het kabinet belastingontwijking wil aanpakken en daarbij in de voorhoede willen lopen. De heer Merkies zei dat wij een slechte naam hebben. Hopelijk hadden wij die slechte naam en beginnen wij die kwijt te raken. Ik wil immers niet dat Nederland voortdurend in al die constructies een rol speelt. Dat is niet goed voor ons. Dat ruimen we dus op. In het kabinet hebben wij afgesproken dat dit tot een lager tarief kan leiden indien dat leidt tot hogere Vpb-inkomsten. In dezelfde uitzending van RTL Z heb ik ook tegen de dames en heren gezegd dat de verwachtingen hieromtrent buitengewoon beperkt kunnen zijn. Dat deel heeft de heer Koolmees vast niet geciteerd. Het punt van deze constructies is immers veelal dat mensen geen belasting betalen. Die hadden ze moeten betalen in een ander land, bijvoorbeeld in de VS. Als je constructies aanpakt, dan betekent dat — bij die cv/bv-constructie is dat bijvoorbeeld het gevolg — dat er belasting betaald gaat worden in de VS. Daar ben ik voor, want die Amerikaanse multinationals hebben nu gewoon een concurrentievoordeel ten opzichte van hun Europese concurrenten. Die Europese concurrenten betalen grosso modo wel, of in ieder geval meer belasting dan die Amerikaanse bedrijven, maar dat leidt niet tot meer belastinginkomsten in Nederland. 

Wat die afspraak binnen het kabinet betreft: daar ben ik loyaal aan, want ik ben minister van dit kabinet. Die opvatting is: wanneer deze aanpak van deze constructies leidt tot meer Vpb-inkomsten, kan dat leiden tot een aanpassing van het tarief. Bij RTL Z zei ik er nog achteraan dat we daar vooral niet te veel van moeten verwachten, maar dat is blijkbaar niet zo goed doorgekomen. 

Het is overigens ook een heel praktische redenering. Deze maatregelen gaan pas geleidelijk in onze wetgeving landen. Dit najaar doen we iets aan de innovatiebox in Nederland. Die passen we aan. Volgend jaar komen we met andere onderdelen, bijvoorbeeld de renteaftrekbeperking uit ATAD 1. Nog weer later — daar heb je 'm — komt ATAD 2 aan de orde. Ik weet niet wanneer we die moeten gaan implementeren, maar het gaat gebeuren. Al deze dingen gaan dus — ik waarschuw maar vast vooraf — tot heel weinig extra Vpb-inkomsten leiden. Dit kabinet heeft daarvan gezegd: mocht dit zich nu nog voordoen, quod non, dan kan dat leiden tot een lager tarief. De Partij van de Arbeid heeft een eigenstandige opvatting die niet het kabinetsbeleid reflecteert, zoals dat op veel meer terreinen valt te constateren en dat kan ook betekenen, helemaal los van ATAD 1 en ATAD 2, dat het Vpb-tarief wel een paar procent omhoog kan. 

De heer Koolmees (D66):

Mijn conclusie is dan toch, en ik vind dat een verstandige conclusie … 

De voorzitter:

Het trekken van conclusies naar aanleiding van gestelde vragen lijkt me iets voor de tweede termijn, mijnheer Koolmees. 

De heer Koolmees (D66):

Dit is toch een interruptie in tweeën, voorzitter? 

De voorzitter:

Niet per definitie. 

De heer Koolmees (D66):

De conclusie lijkt mij dat het terechte aanpakken van belastingontwijking inderdaad heel erg goed is, en dat D66 dat ook volledig steunt, en dat dit kan leiden tot minder of meer belastingopbrengsten de komende jaren, al naar gelang de verschillende maatregelen — het is natuurlijk een heel pakket aan maatregelen — en dat de lijn van het kabinet nu juist is dat het waarschijnlijker is dat de vennootschapsbelasting naar beneden gaat dan omhoog. 

Minister Dijsselbloem:

Nee — ik geef nogmaals een winstwaarschuwing — reken daar nou maar niet op. Iedereen die denkt dat het aanpakken van belastingconstructies zal leiden tot veel meer belastinginkomsten in Nederland kan ik zeggen dat dat erg gaat tegenvallen, en desalniettemin is het aanpakken van belastingconstructies echt nodig en goed. 

Dan geef ik meteen nog maar een winstwaarschuwing. Als PvdA-kandidaat ga ik vaker opvattingen huldigen en steunen die niet onderdeel van dit kabinetsbeleid zijn. Dus als dat het nieuwsfeit is, dan kan ik dat bevestigen. Dat was het wat betreft ATAD 2. 

Ik kom bij de amendementen. Ik ben vast vragen vergeten, maar dan moeten we in de tweede termijn maar even kijken wat er is blijven liggen. In het amendement op stuk nr. 3 over noodhulp van de leden Voordewind, Grashoff en Van Veldhoven wordt voorgesteld om extra noodhulp te financieren vanuit de asielmeevaller. Om met de conclusie te beginnen: mijn advies is om dit amendement te ontraden. Wij hebben zelf op basis van vrijvallende ruimte bij BuHa-OS en voor een deel uit algemene middelen extra middelen vrijgemaakt, ik meen 48 miljoen, om die toe te voegen aan het noodhulpfonds en die kunnen in 2017 tot besteding komen. In de totale kabinetsperiode heeft dit kabinet cumulatief meer dan 700 miljoen extra uitgetrokken voor noodhulp, boven op het reguliere budget van 200 miljoen per jaar. Elk jaar is er dus 200 miljoen beschikbaar voor noodhulp, maar vanwege de crisis in het Midden-Oosten en de vluchtelingenproblematiek hebben we over de gehele kabinetsperiode 700 miljoen extra daarvoor uitgetrokken. Gehoord de verzoeken uit de Kamer en de motie-Van Laar c.s., waarin werd gevraagd om het noodhulpfonds nogmaals te verhogen in 2017 heeft het kabinet 48 miljoen vrijgemaakt. Ik denk dat daarmee echt voldoende middelen beschikbaar zijn en we de motie ook hebben uitgevoerd. Ik ontraad dit amendement. 

Met haar amendement wil mevrouw Schouten de kinderbijslag met maar liefst 400 miljoen verhogen. Zij laat dat ten laste van het saldo komen. Om die reden ontraad ik dit amendement. Dit zou echt een stap achteruit zijn in de begrotingsdiscipline en datgene waaraan wij samen met de ChristenUnie en andere fracties hebben gewerkt, namelijk het op orde brengen van de begroting. Zoals gezegd, is er nog geen overschot. Het is in technische zin overigens ook niet mogelijk om op dit late moment de kinderbijslag voor 2016 nog te verhogen. 

De voorzitter:

Voor de duidelijkheid: dit was het advies van de minister over het amendement op stuk nr. 5 van hoofdstuk XV. We krijgen straks een aantal amendementen op stukken met het nummer "4", maar die vallen allemaal onder verschillende begrotingshoofdstukken. Ik zou deze maar uit elkaar houden. 

Minister Dijsselbloem:

Juist. Bij mij stond bovenaan het amendement: "Nr. 4" en "34620-XV", maar als voorzitter heeft u vast een beter overzicht. 

Nu het amendement van mevrouw Schouten over de zorgtoeslag. Ik heb daar geen annotatie bij staan. 

De voorzitter:

Het gaat om het amendement op stuk nr. 4 van het begrotingshoofdstuk XVI. 

Minister Dijsselbloem:

Dit betreft de tweede suppletoire begroting van VWS. Het budget voor de zorgtoeslag in 2016 zou met 400 miljoen moeten worden verhoogd. Ook dit gaat ten laste van het saldo. Alles bij elkaar zou het saldo zo met 800 miljoen achteruitgaan en in de rode cijfers terechtkomen. De zorgtoeslag voor 2016 is al geheel uitgekeerd. Een ophoging kan uitvoeringstechnisch niet meer worden geregeld. Ik moet dit amendement dus ontraden. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het is natuurlijk jammer dat de minister mijn beide amendementen ontraadt. Hij zei dat het ten laste van het saldo zou worden gebracht. Heb ik het goed begrepen dat het kabinet zelf zo'n 330 miljoen uit de meevaller heeft gehaald om de problematiek bij de pensioenfondsen van de ambtenaren te kunnen dekken? 

Minister Dijsselbloem:

Nee. Wij gaan daarvoor in het voorjaar een uitgave doen voor de loonruimte van het jaar 2017. Dit zal dus worden gedekt in de begroting voor 2017. Deze amendementen gaan over 2016. Als u doelt op de belastingmeevaller, dan zeg ik u dat wij die helemaal niet hebben benut voor nieuwe uitgaven. Het besluit viel in dezelfde ministerraad, dus ik kan me voorstellen dat het beeld werd gevormd dat er een meevaller was en dat er 330 miljoen voor de cao van de politie, defensie et cetera bij zou komen. Dat was echter niet het geval. Deze dingen vielen in de tijd samen, maar ze staan los van elkaar: het ene geldt voor de begroting 2016, het andere voor 2017. 

Nu het amendement op stuk nr. 4 van 34620-XIII, een amendement op de begroting voor EZ. Het gaat om 25 miljoen voor Zeeland, te halen uit het fonds voor energiebesparing in de huursector. Zeeland heeft in de Kamerbrief over DELTA 25 miljoen toegezegd gekregen. De heren Dijkgraaf en Nijboer voerden een debat over het karakter van die toezegging. Inderdaad betrof die toezegging bestaand geld. Wij hebben namelijk geen geldmachine, dus wij kunnen niet zomaar nieuw geld creëren. Ik was bij dat gesprek aanwezig. Zeeland heeft daarin van de minister van Economische Zaken de mondelinge toezegging gekregen dat hij zich binnen de bestaande middelen zal committeren aan 25 miljoen voor Zeeland. Die komen zo nodig uit zijn eigen begroting, maar afhankelijk van de onderwerpen kan dat ook uit andere begrotingen zijn; uiteraard op basis van goede projecten, maar daarover is iedereen het eens. Als het om investeringen gaat, moeten dat dus rendabele projecten zijn. Dat was de toezegging aan Zeeland. De Zeeuwse bestuurders waren daar zeer content mee, want daarmee zouden ze nu echt serieus kunnen doorwerken aan projecten waarmee ze al bezig waren, omdat ze nu ook echt zicht hebben op financiering. Nogmaals, ik was daarbij. De minister van EZ heeft echt het bedrag genoemd en gezegd dat dit op basis van goede projecten beschikbaar zal zijn. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dat was in eerste instantie ook de terugkoppeling, maar de Kamer kreeg vervolgens een heel wazige formulering, waarin ik wel zes haakjes zie om eronderuit te komen. Er staat een inspanningsverplichting in, geen resultaatsverplichting. Mag ik de minister van Financiën zo begrijpen dat die 25 miljoen er gewoon komt? 

Minister Dijsselbloem:

Ja, op basis van goede projecten. Dan is het antwoord: ja. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dan zit ik nog wel met die brief. Dit is een officiële brief die naar de Kamer is gestuurd. Dan interpreteer ik het maar zo dat dit een nadere duiding is van het kabinet over die 25 miljoen van Zeeland. 

Minister Dijsselbloem:

De tekst is duidelijk, maar er zijn altijd slagen om de arm. Wij hebben nooit een resultaatsverplichting om geld uit te geven. De hele begroting is een mandaat om het te doen. Wij hebben echter nooit een resultaatsverplichting. Het is niet zo dat dit geld moet worden uitgegeven. Zeeland heeft gezegd dat het aan goede projecten werkt. Daar zijn voorbeelden van. Als Zeeland dan helemaal geen zicht heeft op bereidheid van het kabinet om van zijn kant te helpen om de financiering beschikbaar te stellen, vraagt het zich af waar het dan aan werkt. Die brug zijn we dus met elkaar over gegaan. Wij hebben gezegd dat het geld er komt op basis van goede projecten. Wij zijn daar constructief in. Wij gaan meewerken met Zeeland aan die projecten, zodat wij niet op het laatste moment zeggen dat een project ons niet bevalt. Wij zullen die projecten constructief met elkaar ontwikkelen. De minister van EZ zal zich er dan voor inspannen dat die 25 miljoen er ook komt. 

Dat bedrag is niet apart gezet. Dat was ook nog een punt van zorg van de heer Dijkgraaf. Hij wilde het graag apart, met een oormerk voor Zeeland. De minister van EZ heeft gezegd dat hij de middelen gaat vinden binnen de verschillende mogelijkheden en potten op zijn begroting of op die van anderen, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs. Er wordt niet nu al hier en daar wat weggegraaid om dat geld apart te zetten. Dat is denk ik een goede benadering. 

De voorzitter:

Zo klinkt dus het ja van de minister van Financiën op de vraag of die 25 miljoen er is, mijnheer Dijkgraaf. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Volgens mij is het helder. De korte samenvatting is: als er goede plannen zijn, komt die 25 miljoen er. 

Minister Dijsselbloem:

Ja. 

De voorzitter:

Mijnheer Dijkgraaf, betekent dit ook dat u hiermee aankondigt dat u de twee amendementen op stuk nr. 4 intrekt, zowel bij XIII, de inhoudelijke kant, als bij XVIII, de dekking ervan? 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dat klopt. 

De voorzitter:

Het amendement-Dijkgraaf/Bruins (stuk nr. 4 (34620-XIII)) is ingetrokken. 

Het amendement-Dijkgraaf/Bruins (stuk nr. 4 (34620-XVIII)) is ingetrokken. 

Minister Dijsselbloem:

Ik heb hier nog een amendement dat ik nog niet eerder heb gezien, maar dat zomaar onder mijn neus is geschoven, namelijk het amendement-Merkies (34620-B, nr. 4) over 50 miljoen voor de dak- en thuislozenopvang. De dekking is de inkomstenmeevaller op de rijksbegroting. Zoals gezegd stuurt de staatssecretaris van VWS een brief over de aantallen. Daarin zit ook een antwoord besloten op de vraag of zich een knelpunt voordoet. Er is echt sprake van onderuitputting bij de gemeenten in het sociaal domein. De dekking is ook relevant, moet ik de heer Merkies meegeven. De dekking komt uit de inkomstenmeevaller. Daar halen we dan een extra uitgave uit. Dat zou al in strijd zijn met de begrotingsregels. De facto is het gewoon een extra uitgave ten laste van het saldo. Ik heb namelijk geen geld over. Daar staan we nu. Ik moet dit amendement dus, hoe sympathiek ook, ontraden. 

De voorzitter:

Dat was dus het amendement op stuk nr. 4, onder 34620-B. 

Minister Dijsselbloem:

Correct. Daarmee ben ik aan het einde van mijn beantwoording. Of niet? 

De voorzitter:

Wij hebben hier nog een amendement liggen van de leden Dijkgraaf en Bruins op stuk nr. 5, onder VIII, en de dekking onder XVIII, ook op stuk nr. 5. 

Minister Dijsselbloem:

Het amendement gaat over 19 miljoen voor de financiering van het opstarten van het Bèta College Zeeland. Ik heb daar nu geen informatie over. Die zal even moeten worden aangeleverd. Mag ik daar in tweede termijn op terugkomen? 

De voorzitter:

Van mij wel. Ik zie dat dit van de heer Dijkgraaf ook mag. Is de minister daarmee gekomen aan het eind van zijn beantwoording? 

Minister Dijsselbloem:

Iets zegt me dat ik vragen heb overgeslagen, waarschijnlijk omdat ik er in grotere slagen doorheen ben gegaan. Ik hoop dat we die dan alsnog in tweede termijn kunnen beantwoorden. 

De voorzitter:

Ik constateer dat de Kamer behoefte heeft aan een tweede termijn. Ik vermoed dat er geen behoefte is aan een schorsing voorafgaand aan de tweede termijn. Het woord is allereerst aan de heer Merkies. 

De heer Merkies (SP):

Voorzitter. Ik heb nog een paar punten. De minister zegt dat het gaat om de realisatiecijfers van de Belastingdienst over het derde kwartaal, maar in de stukken staat toch echt dat het gaat om extra inkomsten uit het eerste halfjaar. Dat is dus ook een kasrealisatie in het eerste halfjaar. Daarom ben ik er toch enigszins verbaasd over dat wij hier niet eerder over geïnformeerd zijn. 

Een volgend punt betreft de hybride mismatches. Er moet toch echt een jaartal komen, zeg ik tegen de minister. Het kan niet dat de minister zegt "ik heb uitstel gevraagd, maar ik ga niet zeggen tot wanneer" of "ik heb niets gezegd, ik laat het in het midden". In de stukken die zijn opgesteld in de aanloop naar de Europese besprekingen, staat duidelijk dat Nederland als enige land uitstel wil tot 2024. Deze grootschalige belastingontwijking, die vooral plaatsvindt tussen Nederland en de Verenigde Staten, wordt dus tot 2024 mogelijk gemaakt. Het gaat niet om minder belasting betalen, het gaat om geen belasting betalen. Dat kan echt niet. Voor het debat dat wij nog met de minister en de staatssecretaris zullen voeren over de aanpak van belastingontwijking moet echt duidelijk zijn hoeveel uitstel men wil. Er moet worden aangegeven tot welk jaar of voor hoeveel maanden men uitstel wil. Anders ga ik ervan uit dat het 2024 is en dan is de door de Kamer aangenomen motie niet uitgevoerd. 

Een volgend punt betreft de daklozenopvang. De minister vindt mijn voorstel sympathiek maar zegt dat er geen geld voor is. Ik wil erop wijzen dat ik hiervoor maar om 1% van de meevaller vraag. Dus veel is het niet. Ik wacht uiteraard de brief af die morgen komt, maar laten we wel wezen: er is eerder dit jaar gesproken over een toename van het aantal daklozen in Nederland met 74% in een periode van zes jaar. We hebben dus wel een probleem. Ik mag hopen dat het waar is wat de minister zegt: dat de gemeenten geen problemen hebben. Mij bereiken echter ook andere geluiden. Het wisselt uiteraard per gemeente. Sommige gemeenten proberen het geld nog uit andere potjes te halen. Maar er is wel een probleem en daar wil ik de minister toch op wijzen. Hij spreekt over de onderuitputting in het sociaal domein. Er is echter geen sprake van onderuitputting bij de maatschappelijke opvang. Als dat zo zou zijn, zou ik gewoon tegen hen zeggen: ga het geld eens uitgeven, ga aan de slag! Het gaat overigens niet alleen om de opvang maar ook om de begeleiding van daklozen. 

De heer Harbers (VVD):

Voorzitter. Ik heb in eerste termijn het belang benadrukt van het feit dat we weer buffers hebben. De minister heeft dat in zijn beantwoording gelukkig ook aangegeven. Wij hebben voor dit jaar overigens nog steeds een tekort. Dat beperkt ook de ruimte voor allerlei financiële wensen die in de Kamer leven. Ik vind het ook van belang dat we die buffers houden, voor de toekomst en voor het moment dat het slecht gaat. En dat we, acht jaar nadat de financiële crisis begon, eindelijk een soort van normale begrotingssystematiek hebben, waarbij we niet gelijk gaan uitgeven als het even meezit en, als keerzijde daarvan, ook niet gelijk hoeven te bezuinigen als het even tegenzit. Dat lijkt mij heel verstandig. 

Er staan nog vragen open over het Infrastructuurfonds: de onderprogrammering en de overprogrammering. Daar krijgen we het antwoord nog op. Op een punt ben ik al wel wat gerustgesteld. Ik heb ook wat zitten bladeren in die stukken en ik zag dat daarover ook bij de commissie voor I en M vragen zijn gesteld. Als ik kijk naar de toelichting, denk ik dat er heel terechte redenen zijn voor het feit dat er dit jaar op sommige onderdelen meer is uitgegeven en op een aantal andere onderdelen minder. Vaak zit hem dat in het feit dat projecten wat goedkoper waren of dat ze net over de jaargrens heen zijn gegaan. Het allerbelangrijkste is dat de begroting van dit jaar 100 miljoen hoger sluit dan begin dit jaar, waar het gaat over de aanleg van wegen. Dat vind ik wel van belang, ook voor de bestrijding van files. Volgens mij zaten de tegenslagen vooral in andere onderdelen: spoor en water. Waarschijnlijk moet er in de volgende periode voor wegen nog wel geld bij, maar daar heeft het knelpunt dit jaar in ieder geval niet gezeten. 

Collega Van Dijck begon in de eerste termijn over de extra uitgaven van Griekenland. Ik had dat onderwerp even laten zitten, maar aangezien we nu toch door alle onderwerpen meanderen, zoals de minister zei, wil ik hier wel aangegeven dat ik opgelucht ben dat het systeem nog steeds werkt. Dat houdt in dat de lidstaten nog altijd kijken of ze Griekenland wel goed bij de les houden. En dat als Griekenland dit soort uitgaven plant, de consequentie daarvan is dat andere lidstaten zeggen: even pas op de plaats; we gaan niet gelijk weer toestemming geven om dat te doen. Of: dat heeft dan consequenties voor de afspraken die we al hadden over schuldverlichting. Ik ben er heel blij om dat dit besluit door de eurogroep en in het ESM is genomen. 

Tot slot kom ik tot de reeds aangekondigde motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat er geen impactassessment bij het voorstel hybride mismatches derde landen is gedaan, terwijl de Tweede Kamer zich daar wel unaniem voor heeft uitgesproken; 

constaterende dat er nog veel onduidelijk en onzeker is over de gevolgen van de brexit en over de nieuwe belastingplannen van de Verenigde Staten; 

constaterende dat het OESO-actiepunt 2 de verantwoordelijkheid voor het wegnemen van de gevolgen van de hybride mismatch allereerst in het derde land zelf legt; 

spreekt uit, een "gele kaart" te trekken voor de voorstellen hybride mismatches derde landen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Harbers, Omtzigt en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 3 (34620). 

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de uitgebreide beantwoording. In de Najaarsnota, op pagina 39 in de verticale toelichting, staat dat er 113 miljoen onderprogrammering is op het hoofdwegennet en 12 miljoen op het hoofdvaarwegennet. De minister sprak net over overprogrammering. Dit zijn echter forse bedragen. Het is niet dat er gewoon ergens 5 miljoen is blijven liggen. De projecten zijn vrij groot, maar zo groot zijn ze ook weer niet. Ik zou daar dus graag opheldering over willen hebben. Wanneer hadden we dit kunnen weten? Als je een jaar eerder weet dat je onderprogrammeert, kun je in ieder geval die onderprogrammering wegwerken en had je minder achterstanden gehad. Nu kan ik wel met moties komen om dat nog voor 31 december uit te geven, maar we leggen geen wegen aan tussen nu en 31 december. Ik ben dus wel heel benieuwd hoe dit komt. 

Ik dank de minister voor de toezegging dat hij, zoals ik vroeg, binnen een maand terugkomt op het schadebedrag voor het Nederlands pensioenfonds door het ECB-beleid. Ik ben heel benieuwd naar de berekening en hoe hij een en ander weegt. 

Ik heb voorts gevraagd of er andere landen zijn waar je 46% marginaal tarief betaalt als je het minimumloon verdient, of 49% als je een modaal inkomen hebt. Ik ben benieuwd of die voorbeelden er zijn. Ook ben ik benieuwd hoe een en ander zich tot Duitsland, Frankrijk, Engeland of Italië verhoudt. Dit is immers de grootste belastingwijziging van het kabinet. Het is niet 2% btw-verhoging, maar het is een volle 7% tariefsverhoging voor de middeninkomens; 7% in deze kabinetsperiode! 

Wanneer sprak de minister voor het eerst met staatssecretaris Wiebes over de vertrekregeling en over het feit dat honderden miljoenen op een verkeerde manier zijn uitgegeven? Die vraag staat nog open. Ik stel die vraag omdat dit niet in de Voorjaarsnota stond en omdat er toch een moment was waarop de Kamer geïnformeerd had kunnen worden. 

Ik kom op de verrassing van vandaag: V en J heeft 100 miljoen te weinig binnengehaald doordat er te weinig boetes zijn opgelegd. Dat betekent dat er dit jaar 100 miljoen bezuinigd moet worden. De regeringspartijen hebben terecht bij de Algemene Politieke Beschouwingen al gezegd: laten we het probleem met de boetes niet via de gevangenissen en de politie oplossen. In de toekomst gebeurt het niet meer, maar volgend jaar moet het toch worden opgelost. De minister zegt zowel hier als op Twitter: dat zien we bij de Voorjaarsnota wel. Maar het gaat om een groot bedrag, namelijk 100 miljoen, binnen V en J. De minister zegt dat het niet bij de politie wordt gehaald. Dat is al de helft van de begroting van V en J. Waar wordt het dan wel gehaald? We willen daar snel duidelijkheid over. We willen niet dat het ten koste gaat van de politiecapaciteit. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat er een tegenvaller is bij boetes van 100 miljoen euro in 2016; 

constaterende dat het ministerie van Veiligheid en Justitie deze tegenvaller in 2017 moet oplossen; 

constaterende dat vanaf 2017 mee- en tegenvallers bij boetes terecht niet meer binnen de begroting van V en J opgelost dienen te worden; 

verzoekt de regering, de bijstellingen niet ten koste te laten gaan van de capaciteit van politie, justitie, rechtspraak en gevangenissen; 

verzoekt de regering voorts, binnen twee weken aan te geven op welke wijze zij dit probleem in 2017 gaat oplossen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Omtzigt, Van Toorenburg, Schouten, Koolmees, Dijkgraaf en Merkies. 

Zij krijgt nr. 4 (34620). 

De heer Omtzigt (CDA):

De reden dat we niet op de Voorjaarsnota willen wachten, is dat het een groot bedrag is. Als je dat op het allerlaatste moment moet invullen — dat hebben we bij de AIVD gezien — dan komen er problemen. Laat het maar tijdig zien. Er zijn al genoeg knelpunten. 

De voorzitter:

De heer Nijboer ziet af van zijn spreektijd. Ook de heer Van Dijck ziet af van zijn spreektijd. Dan is het woord aan de heer Koolmees. 

De heer Koolmees (D66):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording in eerste termijn. Ik wil nog een paar onderwerpen langslopen. Het gaat in eerste instantie over de onderuitputting en over de in=uittaakstelling. Het is inderdaad normale systematiek. Dit gebeurt vaker; daar ben ik het zeer mee eens. Maar nu staat er nog een bedrag open van 0,9 miljard. Dat zal nog in de maand december moeten worden ingevuld. Dat vind ik erg veel geld. 

Ik heb de relatie gelegd met de bredere discussie over dekking van relatief kleine bedragen bij de begrotingsbehandelingen. Ik heb gevraagd of de minister daarop wil reflecteren. Gelet op de tijd, begrijp ik dat die vraag overgeslagen is. Ik weet het antwoord ook al, dus dat slaan we in tweede termijn maar over. Maar ik wil wel meer weten over de meerjarige taakstellingen die nog openstaan op verschillende begrotingen. Dan gaat het bijvoorbeeld over het UWV en over OCW. Ik heb daar in eerste termijn naar gevraagd. Misschien zijn er nog wel meer taakstellingen voor 2018 en 2019 die nog openstaan en die nog moeten worden ingevuld. Kan de minister daarvan een overzicht geven, bijvoorbeeld in het eerste kwartaal van volgend jaar? Dan kunnen we bekijken wat er nog opgelost moet worden. Graag wil ik hier wel een reactie op. 

Ik kom op de Vpb en de meevaller van 4,3 miljard. Ik begrijp dat het lastig te ramen is. De vennootschapsbelasting is een zeer volatiele belastingsoort. Dat heeft met de winst- en verliesverrekening te maken. De winst van bedrijven kan ook plotseling fors toenemen. Ik wil graag een heldere reactie daarop. 

Tot slot kom ik op de boetes bij V en J. Daar heeft de heer Omtzigt mede namens mij een motie over ingediend. We hebben net met heel veel moeite, met stoom en kokend water, 450 miljoen gereserveerd voor politie, justitie, rechtbanken en rechtsbijstand. Dan vind ik het wel bijzonder om er bij wijze van spreken gelijk alweer 100 miljoen af te halen vanwege boetes waarvoor volgend jaar toch al een andere systematiek is. Ik wil daar graag een reactie op. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de weinige vragen die ik heb gesteld. Het is in ieder geval goed dat de analyse over de lage rente op tijd komt. 

Ik wil nog wel even reflecteren op de antwoorden die de minister gaf in reactie op onze amendementen. Ik had uiteraard wel verwacht dat de minister vanwege de begrotingsdiscipline deze amendementen zou ontraden, maar het gaat mij ook om de problematiek die eronder ligt, namelijk dat de marginale druk voor middeninkomens deze kabinetsperiode erg hoog is geworden. Wij hebben ervoor gezorgd dat mensen die net wat meer gaan verdienen, soms eigenlijk bijna een hele euro kunnen inleveren. Het betreft de groep mensen met de middeninkomens, die net buiten allerlei toeslagen vallen. Dat is een reëel probleem. Ik doe met deze amendementen nog een poging om dat een klein beetje te herstellen. Is de minister het met mij eens dat de marginale druk wel een groot probleem is voor de middeninkomens? Het betreft net de groepen die hier altijd de hardwerkende Nederlanders worden genoemd. Mijn laatste vraag aan deze minister zou zijn: vindt hij dat een volgend kabinet iets moet gaan doen aan de marginale druk, zeker voor de middeninkomens? Wil hij ook nog eens reflecteren op de vraag hoe dat deze kabinetsperiode is gegaan voor deze groep? 

Rest mij, de minister goede feestdagen toe te wensen. 

De voorzitter:

Dat is nog een beetje prematuur, maar hartelijk dank alvast. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de antwoorden. Wij krijgen zo meteen nog een reactie op de twee amendementen die er nog liggen over het Bèta College in Zeeland. Ik beveel die bij de collega's aan, want wij hebben het wel over de 25 gehad, maar het ging oorspronkelijk om 44 miljoen. 

Wat de 25 miljoen betreft ben ik blij met de heldere formulering van de minister van Financiën. Als er goede plannen komen, dan komt die 25 miljoen er. De vraag is wel wat nu die goede plannen dan zijn. Daar zou ik de minister nog scherp over willen horen. Ik interpreteer het zo dat er geen verborgen inhoudelijke duiding of weging van het kabinet in zit. De inhoud moet in lijn zijn met het rapport van de commissie-Balkenende. Wat het woord "goed" betreft gaat het er vooral om dat het effectieve plannen zijn, die recht doen aan de doelen die zijn geformuleerd. 

Voor de rest zou ik eenieder een gezegende kerst willen wensen. 

Minister Dijsselbloem:

Voorzitter. Ik heb nog een aantal vragen te beantwoorden en tot slot zal ik nog reageren op een amendement over het Bèta College en op de moties. De volgorde van mijn beantwoording is niet gestructureerd; ik vraag om vergiffenis op dat punt. 

De heer Koolmees had mij gevraagd om te reflecteren op de vraag in hoeverre de Kamer nog serieus wordt genomen wanneer zij haar budgetrecht wil uitoefenen en dan te horen krijgt dat er geen ruimte is. Tegelijkertijd blijkt dan later dat er sprake is van onderuitputting en van meevallers et cetera. Ik ga daar iets over zeggen, omdat het een belangrijk punt is. Tussen wens en werkelijkheid staan begrotingsregels in de weg. Het komt natuurlijk heel wrang over op fractieleden in uw fractie, zeg ik tegen de heer Koolmees. Ik zie nu mevrouw Van Veldhoven binnenkomen, die altijd op groene thema's veel ambities heeft en graag geld zou investeren. Dan moet de heer Koolmees als financieel woordvoerder zeggen: het zit er niet in. Dan staat dezelfde dag in de krant dat er weer een meevaller is van 4,3 miljard. Als wij informatie eerder hebben, zeker wanneer het om zulke substantiële bedragen gaat, zeg ik ook tegen de heer Merkies, dan krijgt de Kamer die informatie eerder. Ik heb er geen belang bij om bedragen weg te houden, zodat u ze niet gaat uitgeven. Zo werk ik ook niet met de Kamer. Maar begrotingsregels staan daarvoor wel in de weg. Vooralsnog worden die breed gesteund in de Kamer, niet alleen door de coalitie, maar breed. Inkomstenmeevallers zijn niet beschikbaar voor extra uitgaven. Het heeft een belangrijke functie om het begrotingsbeleid zijn werk te laten doen en rust te creëren in de begrotingscyclus. Het wordt nog een hele opgave om dat goed te doen. Wanneer het goed gaat is het moeilijker om de teugels strak te houden dan wanneer het slecht gaat, want in het laatste geval is er urgentie en wil iedereen de begroting op orde brengen. Als we de begrotingsregels de komende jaren volgen, blijft de begroting grosso modo in evenwicht, loopt de staatsschuld terug en ontstaat er toch ruimte voor extra uitgaven. Binnen dat kader is er echt ook voor de Kamer ruimte om prioriteiten te stellen. En de Kamer kan natuurlijk altijd gewoon dingen verschuiven, al moet je dan weer een meerderheid hebben voor de dekking. Dat is het harde bestaan van een Kamerlid. De heer Koolmees zegt iets buiten de microfoon, maar ik verstond hem niet goed. 

De voorzitter:

Het plaatsen van opmerkingen heeft alleen zin als je de microfoon gebruikt. 

Minister Dijsselbloem:

Op het punt van de onderuitputting heeft de heer Harbers nog een antwoord van mij tegoed. Hij vroeg of er een analyse gemaakt zou kunnen worden, terugkijkend over de achterliggende periode. Ik wil toezeggen om daarop terug te komen in de toelichting op het financieel jaarverslag. We besteden dan aandacht aan vragen als welke onderuitputting we hebben gehad, wat het beeld daarvan is, hoe we daarmee zijn omgegaan, welke lessen daaruit te trekken zijn, of de kwaliteit van onze ramingen wel voldoet et cetera. We zullen daar een beschouwing aan wijden in het financieel jaarverslag. 

De heer Van Dijck heeft een antwoord van mij tegoed op zijn vraag over de lastenverlichting van 45 miljard voor Griekenland. Dat getal blijkt te zijn genoemd door de premier van Griekenland. Dat toont maar weer aan hoe goed het Grieks van de heer Van Dijck is, want mij was dat ontgaan. Het ESM heeft een eigen berekening gemaakt van wat op langere termijn de betekenis is van deze drie schuldverlichtende maatregelen. Naar het oordeel van het ESM betekent het dat de staatsschuld als percentage van het bbp in 2060, lang en ver weg, ongeveer twintig procentpunten lager zou kunnen zijn dan het huidige basisscenario. Het ESM heeft daar geen getal aan gehangen, dus ik weet niet hoe die twintig procentpunten zich zouden vertalen naar 45 miljard, want dan moet je allerlei aannames maken. De bruto financieringslasten zouden volgens de berekeningen van het ESM in 2060 ongeveer vijf procentpunten lager kunnen zijn, maar de berekeningen zijn echt voor rekening van de Griekse premier. 

De heer Omtzigt heeft middels een grafiek aandacht besteed aan de marginale druk en gevraagd hoe uitzonderlijk dat is en hoe het er in andere landen uitziet. Is daar een vergelijking van? De OESO maakt jaarlijks een internationale vergelijking van de marginale belastingdruk voor een aantal voorbeeldhuishoudens, maar die worden niet op WML-niveau vergeleken. De vergelijking die hier het dichtste bij in de buurt komt, betreft de marginale druk op alleenstaande werkenden zonder kinderen, die twee derde van het gemiddelde loon verdienen. Dat is de OESO-systematiek in dat onderzoek. In Nederland bedroeg het inkomen van dit voorbeeldhuishouden in 2015 ca. €33.000. Het marginale tarief voor dit voorbeeldhuishouden was in 2015 41,2% en bij de berekening daarvan is rekening gehouden met de inkomstenbelasting en de aftrekbaarheid van pensioenpremies. Het marginale tarief in Nederland ligt boven het OESO-gemiddelde van 32,1%. Er zijn wel landen — daar vroeg de heer Omtzigt expliciet naar — die in 2015 een hoger marginaal tarief kenden voor dit voorbeeldhuishouden. In Duitsland was het marginale tarief 47,1% en in België 55%. Er zijn dus wel degelijk voorbeelden van landen waar het marginale tarief nog hoger is. Mevrouw Schouten vroeg wat ik daarvan vind. De minister vindt dat hoog. Ik vind de belastingdruk op arbeid hoog en per politieke stroming kun je zeggen waar je het het meest vindt knellen en voor wie je het het meest problematisch vindt. Het is hoog. Om die reden doet SZW daar nu een uitgebreid onderzoek naar. Dat gebeurt ook op verzoek van de Kamer. De resultaten daarvan komen voor de kabinetsformatie beschikbaar. Dit is een eerdere toezegging van de minister van SZW. 

Dan de kwestie van het Infrastructuurfonds. Is er nu wel of niet sprake van onderprogrammering of overprogrammering? Overprogrammering wordt in het Infrafonds echt structureel voor infrastructurele werken ingezet. Dat gebeurt elk jaar, maar in 2016 waren de autonome vertragingen gedurende dat jaar hoger dan de overprogrammering. Er was per saldo dus sprake van onderprogrammering. Ik vind dit zelf een verwarrende term, want een programma is iets wat je je voorneemt. Er was dus nooit sprake van onderprogrammering. Er is nooit geprogrammeerd dat we minder gingen doen dan er budget was. Mijn stelling is correct, maar ik geef toe dat de term onderprogrammering tot verwarring heeft geleid. Mijn stelling was — en die hou ik overeind — dat er als beleidskeuze jaarlijks wordt overgeprogrammeerd op het Infrafonds. Maar per saldo is dat het afgelopen jaar niet gehaald en is er minder besteed dan er beschikbaar was. 

De voorzitter:

Mijnheer Omtzigt, in de hoop een eventueel debat met de minister van I en M te kunnen vermijden. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ja, want ik kijk ook naar de klok en ik vermoed dat u als voorzitter al een volgend debat had willen laten beginnen. 

De voorzitter:

En niet ik alleen, kan ik u verzekeren. 

De heer Omtzigt (CDA):

Het begint me iets duidelijker te worden, maar niet heel veel duidelijker. Op pagina 39 staat inderdaad: daarnaast is er voor 113,8 miljoen sprake van onderprogrammering. Dat betreft dan de sectie hoofdwegennetuitgaven. Dan lijkt het erop dat er na optellen en aftrekken echt sprake was van onderprogrammering. Ik zou willen vragen om de minister van I en M een brief te laten schrijven over wat aan het begin van het jaar het plan was en wat de vertragingen waren. Dat kan ik hier niet goed uit opmaken. Dan kan ik ook zien of er ondergeprogrammeerd is of dat er dingen niet gedaan zijn. 

De voorzitter:

Wanneer wilt u die brief hebben? 

De heer Omtzigt (CDA):

Voor het einde van het reces? Ik kan het ook wel voor vandaag vragen, maar… 

De voorzitter:

Voor de eindstemmingen dus. 

De heer Omtzigt (CDA):

Nee, voor het einde van het kerstreces. Ik wil het wel vandaag hebben, maar dat hoeft niet. 

De voorzitter:

Dat wordt ook een beetje lastig. 

Minister Dijsselbloem:

Dat zeggen wij graag toe. Er is elk jaar echt sprake van overprogrammering, maar de uitkomst van dit jaar is dat er middelen niet zijn uitgegeven. De term onderprogrammering om dat te beschrijven, vind ik ongelukkig, want die suggereert dat je het hebt geprogrammeerd en zo is het niet. Wij sturen een brief, waarin we de feiten en cijfers op dit punt op een rijtje zetten. 

Dan de stijging van de files. In de periode 2010-2014 zijn de files fors afgenomen. Het reistijdverlies was maar liefst met 30% verminderd. Sinds 2014 zien we dat de congestie weer toeneemt. Dat was ook de verwachting op basis van de scenariostudies waarmee I en M werkt en waarin economische groei was geprognosticeerd. Het weer en werken aan de weg spelen een kleine rol. De grootste factor lijkt toch echt te zijn het economisch herstel en de drukte op de weg die daarmee samenhangt. Dit voegt niet heel veel toe aan wat ik in eerste termijn heb gezegd. 

De heer Omtzigt heeft nog gevraagd wat we uitgeven aan wegen als percentage van het bbp. Dat was in 2016 0,31%. Zoals ik al zei, was er aan het begin van de kabinetsperiode een piek, omdat toen middelen naar voren waren gehaald. Toen hebben we 0,38% en 0,39% uitgegeven. In 2015 was het 0,35%. In 2016 0,31%. Volgend jaar stijgt het weer naar 0,32%. Dat is vanwege het noemereffect. Ik hoef natuurlijk niet uit te leggen dat het noemereffect daardoorheen zit. De uitgaven aan wegen blijven in Nederland onverminderd hoog. Daarom heeft ons wegennet ook zo'n hoge kwaliteit. 

De heer Merkies wil per se een jaartal horen: hoeveel uitstel willen wij op het punt van ATAD 2? Dat betreft de aanpak van hybride mismatches met derde landen. In lijn met de motie heb ik 2024 niet meer herhaald. De heer Merkies heeft dat in dit debat wel weer verschillende keren gedaan, maar ik heb dat vermeden. Nogmaals: het heeft onze voorkeur dat de nieuwe Amerikaanse regering dit probleem nu zelf snel oplost. Gelet op de impact in Nederland, vragen wij een iets langere implementatietermijn. Ik vind het onverstandig om de onderhandeling daarover hier in de Kamer te voeren, maar ik heb de motie steeds in mijn achterhoofd. 

De heer Omtzigt vroeg in de eerste termijn naar de vertrekregeling bij de Belastingdienst. Hij vroeg wanneer de minister, dus ondergetekende, hoorde over de kosten van de vertrekregeling. Volgens mij was de Kamer hierover geïnformeerd: ook ik ben op 11 maart per notitie voor het eerst hierover geïnformeerd door de IRF. Dat is ook terug te vinden in het feitenrelaas. 

Ik heb al gereageerd op het amendement over daklozenopvang, maar de heer Merkies kwam daar nog op terug. Het is niet zo dat daar geen geld voor is. Ik kan op dit moment ook niet beoordelen of daar meer geld voor nodig is. Daar gaat de brief van de staatssecretaris van VWS over. Die brief komt vandaag of morgen. Als er meer geld nodig is, is mijn waarneming dat in het sociaal domein op lokaal niveau echt veel geld onderbesteed is. Daar is gewoon geld over. Als er een acuut probleem zou zijn in de daklozenopvang — de heer Merkies zei dat de winter vandaag of morgen begint — hebben de gemeenten in hun sociaal domein onderuitputting. Dat lijkt mij dus de voor de hand liggende weg om daarnaar te kijken, maar het is goed om de brief van de staatssecretaris van VWS hierover af te wachten. 

Doen we eerst de amendementen of eerst de moties, voorzitter? Hebt u voorkeur voor een volgorde? 

De voorzitter:

U zei al dat alles door elkaar lag bij u. We merken het dus wel. 

Minister Dijsselbloem:

U merkt het wel. Dan is er nog één amendement waarop ik moet ingaan, namelijk het amendement van de heer Dijkgraaf, dat erop gericht is om geld uit te trekken voor het Bèta College Zeeland. Dat gaat om 19 miljoen, te dekken uit het fonds voor energiebesparing. De afgelopen jaren heeft het Rijk al fors in het Zeeuwse onderwijs geïnvesteerd. Er is bijvoorbeeld 40 miljoen gegaan naar behoud en vernieuwing van kwalitatief goed onderwijs en we hebben het al gehad over de 25 miljoen voor projecten in Zeeland. Morgen is daar een apart AO over. Ook de dekking uit het Fonds energiebesparing huursector zou ik willen ontraden. In dat fonds zit in totaal 75 miljoen. De uitputting verloopt weliswaar trager dan gedacht, maar er is echt nog een grote opgave. Het zou dus onverstandig zijn om die middelen daar nu weg te halen. Ik ontraad dus dat amendement. 

De voorzitter:

Het dekkingsamendement hebt u ontraden. Het eerste amendement hebt u nog niet expliciet ontraden. 

Minister Dijsselbloem:

Ik ontraad de twee amendementen die ik hier heb: het amendement op stuk nr. 5 (34620-VIII) en ook het andere amendement heeft stuk nr. 5. 

De voorzitter:

Ja, het amendement met dossiernummer 34620-XVIII is het dekkingsamendement en het amendement met dossiernummer 34620-VIII is het inhoudelijke amendement. 

Minister Dijsselbloem:

Ik ontraad beide. 

De voorzitter:

Dan gaat de heer Dijkgraaf zeggen dat hij dat heel vervelend vindt. 

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik ben niet van dat soort. Ik had dit wel verwacht. De Kamer moet nu aangeven wat zij wil. Dit is inderdaad het bekende verhaal. De regering is dus consistent. 

Ik wil nog wel gezegd hebben dat de opmerking van de minister over de onderuitputting het understatement van het jaar is. Die prijs kan hij krijgen, want die 73 miljoen die er nu staat, stond er ook in 2015 en 2014. Er is het afgelopen jaar één projectje gedaan. Die pot geld staat al drie jaar ongebruikt op de begroting. Die leek mij een goede mogelijkheid te bieden, maar ik begrijp de redenering van de minister. 

Minister Dijsselbloem:

Ik zeg de heer Dijkgraaf toe dat ik mijn mensen zal vragen om zeer kritisch te bekijken waarom die middelen niet tot besteding komen en of wij ze moeten aanhouden. Ik ben altijd zeer geïnteresseerd in structurele onderuitputting. De onderliggende thematiek lijkt mij onverminderd aanwezig. Energiebesparing in de huursector lijkt mij urgent. Dank voor het feit dat u mij er attent op maakt dat die middelen jaar in, jaar uit niet worden gebruikt. 

De voorzitter:

Ik weet niet of het helemaal zo bedoeld is, maar wij gaan gewoon door. 

Minister Dijsselbloem:

Dan zijn er twee moties ingediend. De motie op stuk nr. 3 van de heren Harbers, Omtzigt en Dijkgraaf is, als ik het goed begrijp, eigenlijk niet aan het kabinet gericht. Daarin spreekt de Kamer uit een "gele kaart" te trekken voor de voorstellen aangaande hybride mismatches met derde landen. Ik ben het daar inhoudelijk niet mee eens. De cv/bv-constructie wordt door internationale bedrijven gebruikt om geen belasting te betalen. Dat moeten wij niet willen met elkaar. Het is echter in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de Amerikaanse overheid, omdat het belasting is die daar zou moeten worden afgedragen. Wij hebben ons er in OESO-verband echter aan gecommitteerd om dit gezamenlijk aan te pakken. Dit geldt bij voorkeur voor het land waar moet worden betaald, maar dat is een voorkeur. Die voorkeur houden wij vast. Dit verklaart ook dat wij het nodig en logisch zouden vinden om de Amerikaanse regering iets meer tijd te gunnen. Uiteindelijk laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer, omdat de gelekaartprocedure aan de Kamer is. Inhoudelijk ben ik het er echter niet mee eens, laat dat duidelijk zijn. 

De motie op stuk nr. 4 van de heer Omtzigt c.s. heeft betrekking op de tegenvallende boete-inkomsten in 2016. In de motie wordt uitgesproken waar die tegenvaller niet ten koste van mag gaan. Ik vraag de indieners om deze motie aan te houden. Het signaal is duidelijk. De Kamer zegt hiermee dat er problemen zijn geweest bij V en J; die zijn nu aangepakt en daarvoor is extra geld uitgetrokken. Deze tegenvaller mag nu niet ten koste gaan van het oplossen van de financiële problemen en tekorten bij de politie, het OM et cetera. Dat begrijp ik, maar tegelijkertijd kunnen wij niet uitsluiten dat er ergens meevallers zijn op de begroting van het ministerie van V en J en dat die 100 miljoen daarmee kan worden verrekend. Dat vind ik normaal begrotingsbeleid. De enige manier waarop wij op alle departementen het begrotingsbeleid op orde krijgen, is als wij vasthouden aan die systematiek. Ik begrijp het politieke signaal van deze motie en als de indieners haar aanhouden, zie ik dat signaal als een inspanningsverplichting om het zo te doen, maar ik kan me niet bij voorbaat op het resultaat vastleggen. Daarmee zou ik de begrotingssystematiek en dus de budgettaire discipline, die ook voor de minister van V en J moet gelden, onderuithalen. Mijn suggestie is dus om de motie aan te houden en anders moet ik haar helaas ontraden. 

De heer Omtzigt (CDA):

Het is goed dat de minister in ieder geval de intentie begrijpt. Edoch. Als hij zegt dat hij meer dan twee weken nodig heeft, snap ik dat. Ik snap ook dat een meevaller wordt verrekend met de tegenvallers. Maar 100 miljoen vind je niet zomaar ergens op een begroting. In deze motie wordt de regering niet gevraagd om binnen twee weken precies aan te geven met welk begrotingshoofdstuk de tegenvallers worden verrekend, maar wel op welke wijze het probleem wordt opgelost. Ik hoop dat de regering daar wél een uitleg over kan geven om te voorkomen dat wij bij de Voorjaarsnota opeens worden geconfronteerd met een additionele ronde bezuinigingen die ertoe leiden dat bijvoorbeeld gevangenissen moeten worden gesloten of de formatie voor politieagenten fors moet worden teruggebracht. Het hoeft niet heel precies te worden ingevuld, maar kunnen wij binnen twee of drie weken een indicatie krijgen waar dit op dit moment zou neerslaan? 

De voorzitter:

Vanuit de premisse dat u die motie aanhoudt. 

De heer Omtzigt (CDA):

Nou, dat nog niet. Ik heb dat nog niet gezegd. 

De voorzitter:

Oké, vandaar dat ik dit vroeg. 

Minister Dijsselbloem:

Nee, ik kan dat niet binnen twee weken doen. Daar moet ik heel eerlijk over zijn; dat is echt ondenkbaar. In het voorjaar heeft de minister van Financiën met alle ministers een gesprek en worden alle departementale begrotingen doorgelicht. Dan kijken we naar onderuitputting en of die incidenteel is of structureel. Dan kijken we naar mogelijke meevallers et cetera. Het ministerie van V en J heeft ook een heel grote begroting en dan komen er heel veel kleine problemen en grote problemen boven tafel. En aan de positieve kant van de balans staan ook altijd dingen. Dan kijken we gewoon waar we staan, maar dat gebeurt echt in het voorjaar. Dat begint in maart, april en in mei ronden we dat af. Als met de motie beoogd wordt dat dit niet geldt voor V en J en ik binnen twee weken moet zeggen hoe ik dit oplos, kan ik dat niet. Dan moet ik aanname van de motie ontraden. 

Als het kabinet wordt gevraagd om niet bij de Kamer terug te komen met een bezuiniging van 100 miljoen op al die sectoren waarvoor we nu juist extra geld hebben vrijgemaakt om de knelpunten op te lossen, zeg ik dat ik die politieke boodschap zeer goed begrijp en dat ik die ook deel. Ik vind echter wel ten principale dat V en J gewoon moet meelopen in de begrotingssystematiek. In het voorjaar kijken we wat er allemaal op de zeef blijft liggen en dan heb ik de tekst van deze motie in het achterhoofd. Als de motie wordt aangehouden, zeg ik u dat toe. 

De voorzitter:

Ik zie geen beweging, letterlijk. Ik heb dan ook de indruk dat we zijn gekomen aan het eind van de beantwoording door de minister. Ik dank hem daarvoor. We zijn daarmee ook aan het eind gekomen van dit debat. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik stel voor om morgen te stemmen over de moties, de amendementen en de suppletoire begrotingen. 

De vergadering wordt van 14.19 uur tot 14.40 uur geschorst. 

Voorzitter: Arib