9 Kindermishandeling

Aan de orde is het VAO Kindermishandeling/GIA (AO d.d. 12/10). 

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van harte welkom. Iedere spreker heeft een spreektijd van twee minuten, inclusief het eventueel indienen van moties. 

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Ik dien de volgende moties in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat gemeenten wachtlijsten en behandelstops hanteren in de jeugdhulp; 

overwegende dat gemeenten hierbij hun zorgplicht schenden; 

verzoekt de regering, te bewerkstellingen dat wachtlijsten en behandelstops per direct opgeheven worden, zodat ieder kind direct passende hulp en/of ondersteuning krijgt om verdere risico's en escalatie te voorkomen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 545 (31839). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat gemeenten op de stoel van de professional gaan zitten als zij van hen verlangen een schifting te maken tussen alle kinderen (wie krijgt wel en wie krijgt geen zorg) van wie zij vinden dat ze zorg nodig hebben; 

verzoekt de regering, aan gemeenten kenbaar te maken dat dit nooit en te nimmer het geval mag zijn, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 546 (31839). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening dat vrouwelijke genitale verminking een van de gruwelijkste vormen van kindermishandeling met blijvend letsel is en deze strafmaat derhalve te laag is; 

verzoekt de regering, artikel 303 Wetboek van Strafrecht zodanig te wijzigen dat de maximumstraf op meisjesbesnijdenis wordt verhoogd naar 30 jaar en dat er een minimumstraf wordt ingevoerd van 10 jaar en bij recidive 20 jaar, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Agema en Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 547 (31839). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

verzoekt de regering, te bewerkstelligen dat de politie tipgeld gaat uitloven om vrouwelijke genitale verminking op te sporen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 548 (31839). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat nog altijd blijkt dat in Nederland geboren meisjes besneden zijn; 

verzoekt de regering, de daders van meisjesbesnijdenis na het uitzitten van hun straf, te denaturaliseren en uit te zetten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 549 (31839). 

Mevrouw Agema (PVV):

Ik heb nog driekwart minuut van mijn spreektijd over, voorzitter! 

De voorzitter:

Ga uw gang. 

Mevrouw Agema (PVV):

Maar ik heb niks meer in te brengen. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Ik begin gewoon met het oplezen van de motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat naar schatting al sinds juni bij een op de drie gemeenten het budget voor jeugdpsychiatrie al op is; 

constaterende dat Almere enkel in acute situaties zorg wil verlenen; 

van mening dat ook kinderen in niet-acute situaties het recht moeten hebben op goede zorg en niet moeten wachten op die zorg tot volgend jaar; 

overwegende dat als kinderen te lang op een wachtlijst komen te staan niet-acute problematiek zich kan doorontwikkelen tot ernstigere problematiek; 

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat kinderen niet onnodig hoeven te wachten, maar direct de juiste hulp krijgen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 550 (31839). 

Mevrouw Agema (PVV):

Wat is het verschil met de motie die ik zojuist heb ingediend? 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik heb de motie van mevrouw Agema niet van tevoren kunnen lezen. Ik wil alleen een heel heldere uitspraak van de staatssecretaris. Die beogen mevrouw Agema en ik volgens mij allebei. In mijn optiek heeft de staatssecretaris gisteren heel erg duidelijk uitgesproken dat die hulp alleen in acute situaties wordt geboden. Daarom heb ik mijn dictum zo gemaakt dat ik exact de woorden van de staatssecretaris heb kunnen overnemen. Ik wil daarover een duidelijke uitspraak van de staatssecretaris. 

Mevrouw Agema (PVV):

De strekking van uw motie is exact dezelfde als die van mijn motie. Ik snap dus niet waarom u dit doet. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Omdat ik exact de woorden van de staatssecretaris heb gebruikt in het dictum van mijn motie. Mevrouw Agema en ik willen allebei hetzelfde. Dus zij kan hier nu wel pinnig aan de interruptiemicrofoon gaan staan, maar volgens mij kunnen we over de situatie in Almere niet genoeg uitspraken van de Kamer vragen. Mevrouw Agema heeft daar niet het alleenrecht op. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening dat het van belang is dat medewerkers die met de verplichte Meldcode binnen beroepsorganisaties werken, kindermishandeling herkennen, signaleren en bespreekbaar kunnen maken; 

overwegende dat aandachtsfunctionarissen organisaties kunnen dwingen tot het (door)ontwikkelen van kennis en bundeling van de ervaring waarmee professionals in de praktijk worden ondersteund; 

verzoekt de regering, de aanstelling van aandachtsfunctionarissen verplicht te stellen in de meest relevante beroepsgroepen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 551 (31839). 

Mevrouw Kooiman (SP):

Die laatste motie heb ik ingediend omdat dit een uitdrukkelijke wens is van de Veilig Thuis-organisaties. Die zeggen dat je die verplichting juist wel moet opleggen. De staatssecretaris gaf aan dat hij dat niet wil. Vandaar dat ik een duidelijke uitspraak van de Kamer wil. Er komt nog een heel mooie motie aan van mevrouw Bergkamp, waarin staat dat Veilig Thuis-organisaties altijd met de kinderen moeten spreken wanneer er een onderzoek is van de Raad voor de Kinderbescherming. Ik denk dat dat heel erg belangrijk is, maar dat gebeurt nog niet altijd. Daarom is het belangrijk dat wij dat voorleggen aan de Kamer. 

De voorzitter:

Ik zie een interruptie van mevrouw Keijzer. Ik vraag mij af hoe u weet wat mevrouw Bergkamp voor motie gaat indienen. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Wij overleggen ook weleens buiten deze Kamer. Dan komen wij tot een concessie. 

De voorzitter:

Dan snap ik het. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

U weet dat ik vooraan sta als deze staatssecretaris aangesproken, aangespoord of op het juiste pad gezet moet worden, maar nu heb ik het gevoel dat wij hier twee moties hebben die de staatssecretaris een-op-een heeft toegezegd in het AO. Dat geldt voor zowel de motie over het altijd horen van kinderen als het kan, als de andere motie die vandaag is voorgelegd. Ik vind dit zo lastig. Als wij straks gaan stemmen, kun je eigenlijk niet tegenstemmen, want je bent ervoor. Tegelijkertijd zijn wij hier een onnodige rituele dans aan het doen, omdat de staatssecretaris in mijn beleving keihard toegezegd heeft wat nu in het dictum van die motie staat. Wat zijn wij dan aan het doen? 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik sta hier met dat oordeel omdat wij een inspectierapport hebben gehad over bijvoorbeeld Sharleyne, die overleden is. Daarover heeft de inspectie duidelijk geoordeeld dat er niet gesproken is met kinderen. Ik vind het niet alleen belangrijk dat de staatssecretaris een toezegginkje doet tussen de talloze andere toezeggingen in een algemeen overleg. Ik vind het voor de uitstraling naar andere organisaties ook belangrijk dat de Kamer hierachter staat. Ik vind het belangrijk dat organisaties zich eraan houden dat je altijd spreekt met kinderen. Ik vind dat de staatssecretaris dat niet alleen maar hoort toe te zeggen. Ik heb het ook niet zo duidelijk gehoord, moet ik toegeven, maar ik vind het ook belangrijk dat organisaties daarover uitspreken. 

De voorzitter:

Wat ik er verder van vind, zal ik geheel voor mij laten, maar het staat iedere fractie vrij om moties in te dienen op de manier waarop zij dat wenst te doen. U mag daar vervolgens weer een oordeel over hebben, maar dat had u al gegeven, mevrouw Keijzer. Dus ik ga naar mevrouw Van der Burg. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter, ik wil toch even reageren. Dus als de staatssecretaris straks zegt dat hij in het AO heeft toegezegd wat in het dictum staat, wordt dan de motie ingetrokken? Ik zit in de politiek, dus ik houd van vergaderen, maar dit begint toch wel heel erg op een soort circus te lijken. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik vind het schandalig om het een circus te noemen als kinderen overlijden omdat ze niet gehoord worden. Dat is namelijk het oordeel van de inspectie. Ik vind het heel erg belangrijk dat wij hier als Kamer een oordeel geven, in die zin dat wij vinden dat er met kinderen gesproken moet worden. Het is geen liflafmotie. Het is iets wat heel erg belangrijk is, maar wat gewoon niet gebeurt. 

De voorzitter:

U sprak mevrouw Keijzer nogal stevig aan, dus die krijgt de mogelijkheid om daarop te reageren. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Wat moet je hier nou van zeggen? Wij staan hier allemaal met dezelfde overtuiging: wij willen kindermishandeling aanpakken. Het enige wat ik hier aan de orde stel, is dat wij vergadertijd gebruiken om moties in te dienen over iets waarvan wij allemaal in hetzelfde debat gezegd hebben dat wij het belangrijk vinden en waar wij een toezegging over hebben van de staatssecretaris. Waarvoor houden wij dan nog zo'n AO? Dan kunnen wij net zo goed meteen die moties indienen. Daar is volgens mij geen enkel kind mee geholpen. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Als mevrouw Keijzer echt in het belang van kinderen spreekt en daadwerkelijk haar stem wil laten horen, dan kan dat inderdaad tijdens de stemmingen strakjes. 

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Wij hebben hier uitgebreid over gedebatteerd. Er is zelfs een heel uitgebreide toezegging gekomen. Ik maak er dan ook bezwaar tegen als dat wordt afgedaan als een "toezegginkje" en als gezegd wordt dat aangenomen moties belangrijker zijn. Ik vind dat niet netjes naar de Kamer toe en in relatie tot de instrumenten die de Kamer heeft. Dat wil ik hier gezegd hebben. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik vind het niet netjes dat hier een soort rituele dans wordt opgevoerd door een partij. Ik heb het helemaal niet zo sterk gehoord. Daarnaast staat het iedereen vrij om een duidelijke uitspraak van de Kamer te wensen. Als de VVD-fractie dit zo belangrijk vindt, sta dan op en stem gewoon voor die motie. 

Mevrouw Van der Burg (VVD):

De VVD heeft hiervan gisteren een heel groot punt gemaakt en daarop een heel duidelijke toezegging gekregen, die breder gaat dan de motie van mevrouw Kooiman en mevrouw Bergkamp. Ook de jongeren zelf worden betrokken bij het hele beleid. Wij hebben namelijk wel vertrouwen in jongeren. Wij vinden dat buitengewoon essentieel. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Nu haalt de VVD-fractie er weer een heel ander punt bij. Ik hoor graag wat de VVD daarover in een motie zet. Hier gaat het erom dat kinderen worden gehoord tijdens belangrijke onderzoeken van Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming. Ik vind dat een zeer belangrijke motie. Ik vind dat de staatssecretaris dat nog eens helder uiteen moet zetten, want ik heb het niet zo duidelijk gehoord in het algemeen overleg. Ik wil een duidelijke uitspraak van de Kamer hierover en ik verwacht dat de VVD-fractie gewoon voorstemt. 

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan mevrouw Van der Burg van de VVD. Nee, zij ziet ervan af. Dan is het woord aan mevrouw Bergkamp, die een al aangekondigde motie bij zich heeft. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Voorzitter. Hier komt de motie van mevrouw Kooiman en ondergetekende. Want nogmaals: wij hebben geen klip-en-klare toezegging gekregen. Ik vind het van belang om die wel te krijgen. Ik heb al eens eerder gehoord dat we een toezegging hadden gekregen en toen bleek er ook nog heel veel discussie te zijn. Ik sluit me aan bij de mooie woorden van mevrouw Kooiman: dit is heel essentieel en belangrijk. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat nog te vaak achteraf de conclusie wordt getrokken dat het kind onvoldoende centraal stond en dat bij signalen van kindermishandeling de hulpverleners niet alleen over, maar ook met het kind in gesprek hadden moeten gaan; 

overwegende dat volgens het Verdrag inzake de rechten van het kind in gespreksvoering met een mishandeld kind niet alleen om informatie gevraagd kan worden maar het kind ook recht heeft om zijn of haar mening te geven ten aanzien van maatregelen die het kind aangaan; 

overwegende dat onderzoek en de praktijk al jaren uitwijzen dat er te beperkt wordt gesproken met kinderen in conflictsituaties; 

verzoekt de regering, in situaties van jeugdbescherming, zoals bij Veilig Thuis en/of Bureau Jeugdzorg, en bij onderzoeken als gevolg van een melding bij Veilig Thuis, in principe altijd met het desbetreffende kind (of kinderen) te spreken door een gespecialiseerd medewerker, tijdens een onderzoek, maar ook nadat het onderzoek afgesloten is in het kader van nazorg; 

verzoekt de regering tevens, dit te betrekken in de uitwerking van de plannen meldcode, werkwijze Veilig Thuis en andere protocollen en informeert de Kamer uiterlijk februari 2017, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 552 (31839). 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter. Gezien de hoeveelheid moties zou je bijna vergeten dat we een heel goed algemeen overleg hebben gehad. We zijn met elkaar gekomen van een situatie waarin er een meldplicht ingevoerd dreigde te worden naar een situatie waarin samen met beroepsgroepen, wetenschappelijk gefundeerd, bekeken gaat worden wat de omstandigheden zijn, waarvan je met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunt zeggen: hier zou zomaar eens wat aan de hand kunnen zijn. Het zou goed zijn als in die situaties Veilig Thuis ingeseind wordt om te bekijken of er nog meer over dit gezin bekend is. Ik ben er heel erg blij mee. Ik denk dat wij met elkaar een heel goede stap hebben gezet. De staatssecretaris heeft een flink aantal toezeggingen gedaan, waaronder de toezegging dat hij gaat bekijken of overal voldoende, 24 uur per dag, vertrouwensartsen beschikbaar zijn. Hij komt nog met uitwerking van dit beleid. Dat is wat mij betreft het moment om weer eens te kijken of we met elkaar de goede weg zijn ingeslagen. Ik hecht eraan om dat hier vandaag te zeggen. Ik zal vandaag dan ook geen moties op dit onderdeel indienen. 

De voorzitter:

Daarmee zijn wij gekomen aan het einde van de inbreng van de zijde van de Kamer. Mij is gebleken dat de staatssecretaris aanstonds kan antwoorden. Ik verleen hem daartoe graag het woord. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Ik kom tot een oordeel over de moties. In de motie op stuk nr. 545 staat de afweging dat gemeenten hun zorgplicht schenden. Dat vind ik een te algemene overweging. Zo kan het in de praktijk niet op die manier in zijn algemeenheid worden gesteld. Als er zaken zijn die spelen, dan gaan we erop in en zullen we ook om opheldering vragen. Ik wijs bijvoorbeeld op de gemeente Almere die ik om opheldering heb gevraagd. De gemeenteraad vergadert vanavond en zal mij vervolgens verder informeren over de stand van zaken. Ik vind deze motie te algemeen en daarom ontraad ik haar. 

Mevrouw Agema (PVV):

Ik ben met stomheid geslagen! In de brief die wij voorafgaand aan het debat ontvingen, schreef de staatssecretaris dat behandelstops en wachtlijsten niet kunnen omdat gemeenten een zorgplicht hebben. Maar nu valt hij mij aan op mijn motie daarover. Dat kan toch niet? Hebben gemeenten nou wel of geen zorgplicht gedurende 365 dagen per jaar? 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja, gemeenten hebben een zorgplicht en die beperkt zich niet alleen tot acute hulp. Dat is uitgebreid besproken in het debat en we hebben daarover toen ook uitgebreid van gedachten gewisseld. Als daar vraagtekens bij gezet worden en de gemeente daarop eventueel aangesproken kan worden, gebeurt dat ook. Maar wat mij betreft gaan we niet in zijn algemeenheid iets zeggen over alle gemeenten. Er wordt adequaat geopereerd waar dat nodig is. Ik ontraad de motie. 

Datzelfde geldt voor de motie-Agema op stuk nr. 546, waarin staat dat gemeenten op de stoel van de professionals zijn gaan zitten. In de wet staat al dat dat niet het geval is en dat er sprake is van een verwijzing, onder anderen van huisartsen. Professionals moeten oordelen over de benodigde jeugdhulp. Het is belangrijk dat zij niet alleen oordelen bij acute jeugdhulp, maar ook bij andere onderdelen. Dat is onderdeel van hun professionaliteit. In het overleg dat ik met de gemeenten en de branches heb gevoerd, bleek ook dat iedereen het daarover eens is. Ik ontraad de motie. 

In hun motie op stuk nr. 547 verzoeken mevrouw Agema en mevrouw Helder de regering om een hogere straf op meisjesbesnijdenis op te nemen in het Wetboek van Strafrecht. 

Mevrouw Agema (PVV):

Ik maak echt bezwaar tegen de wijze waarop de staatssecretaris dit doet. In de brief die hij gisteren één minuut voor aanvang van het debat naar de Kamer stuurde, beschreef hij simpelweg in een aantal punten de schifting die de gemeente Almere maakt en die zij oplegt aan professionals om aan te geven welk kind al dan niet in crisis zit. Het stond nota bene gewoon in de brief en nu zegt de staatssecretaris bij de behandeling van de twee moties die ik hierover heb ingediend, dat het niet zo is. Dat kan toch niet? 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik heb niet gezegd dat het niet zo is. Ik heb gezegd dat ik de gemeente Almere om opheldering heb gevraagd. Ik constateer dat de gemeenteraad van Almere daar vanavond over vergadert en dat ik daarna geïnformeerd word. Dat is de goede gang van zaken en die hebben wij ook zo afgesproken in deze Kamer. Ik blijf bij mijn oordeel om deze motie te ontraden. 

De motie-Agema/Helder op stuk nr. 547 gaat over de maximum- en minimumstraffen voor meisjesbesnijdenis. Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling of kindermishandeling volgens de artikelen 303 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Als ouders het uitvoeren, ertoe opdracht geven, ervoor betalen of de middelen ervoor leveren, zijn ze strafbaar. Die handelingen worden beschouwd als het uitlokken van een strafbaar feit. De maximumstraffen variëren van drie jaar met een geldboete van €20.000 tot twaalf jaar met een geldboete van €82.000. Bij zwaar lichamelijk letsel of dood kan de gevangenisstraf worden verhoogd, bij eenvoudige mishandeling tot zes jaar en bij zware mishandeling tot vijftien jaar. Als de ouder de dader is, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd. Ook binnen het kader van het totale systeem van het Wetboek van Strafrecht zijn dit de wettelijke maxima die passen bij de ernst van het feit en om die reden ontraad ik de motie. 

De motie-Agema op stuk nr. 548 gaat over tipgeld. Het kan zeer perverse effecten hebben om standaard tipgeld uit te loven voor een type delict. Er kunnen perverse effecten uitgaan van zo'n beloning. Wij willen echt signalen hebben, waarbij onderzoek van de politie en het OM op zijn plaats is. Overigens zal in sommige culturen niet iedereen over de streep getrokken worden door een geldbedrag. Ik wil dus vooral blijven inzetten op de deskundigheid van de politie en het OM, mij richten op de preventie en op het verkrijgen van signalen van derden, onder anderen artsen. Het lijkt mij heel goed als ook artsen zich zeer bewust zijn van de mogelijkheid dat signalen aan de politie kunnen worden doorgegeven. Ik ontraad de motie. 

In de motie-Agema op stuk nr. 549 wordt de regering verzocht om de daders van meisjesbesnijdenis na het uitzitten van hun straf te denaturaliseren en uit te zetten. Ik heb net aangegeven wat de straffen zijn voor meisjesbesnijdenis binnen het kader van het Wetboek van Strafrecht. De strafmaat die in de wet geregeld is, lijkt mij adequaat. Ik ontraad daarom de motie. 

Ik kom op de motie-Kooiman op stuk nr. 550. 

Mevrouw Keijzer (CDA):

Nu lijkt het net alsof wij hier met z'n allen het niet vreselijk vinden wat er gebeurt, namelijk de genitale verminking van meisjes, want zo kun je het volgens mij wel noemen. Tijdens het AO vroeg mevrouw Volp aan de staatssecretaris hoe het zit met het protocol voor jeugdartsen, waarin opgenomen is dat er een top-tot-teenonderzoek komt. Zou de staatssecretaris daar het een en ander over kunnen zeggen? 

Staatssecretaris Van Rijn:

Wij zetten in op preventie, strafbedreiging en kinderbeschermingsmaatregelen als stok achter de deur, zoals ik in het debat heb gezegd. Er is een uitgebreide ketenaanpak. Daarin wordt gewerkt aan kennis van risicolanden, preventie, signaleringsmogelijkheden in de jeugdgezondheidszorg en nazorg voor vrouwen die eerder besneden zijn. In de laatste voortgangsrapportage heb ik laten weten dat de ketenaanpak verder versterkt zal worden, onder andere door gemeenten meer te betrekken en preventieactiviteiten te richten op nieuwe groepen asielzoekers. De bestaande onderdelen van de keten worden geborgd. Ik heb ook gezegd dat het onderzoek naar voren wordt gehaald. Ik ben het zeer met mevrouw Keijzer eens. Dit is een zeer ernstige zaak. We moeten elke keer bekijken of de ketenaanpak nog klopt en of we voldoende aan preventie en nazorg doen. We moeten straffen op het moment dat het voorkomt. We hebben nu met z'n allen een goed sluitend systeem. De instroom van nieuwe asielzoekers is aanleiding om daar goed naar te blijven kijken. Dat gebeurt ook. We bekijken ook of er goede screening van top tot teen plaatsvindt. Ik heb in het debat gezegd dat de methoden van de jeugdgezondheidszorg worden toegepast. Ik ben het zeer met mevrouw Keijzer eens. Het is zeer belangrijk dat dit gebeurt. Ik bevestig de toezeggingen die ik in het debat heb gedaan. 

Ik kom bij de motie op stuk nr. 550 van mevrouw Kooiman. Volgens mij hebben we in het debat, en ook meer in het algemeen, uitgebreid met elkaar gewisseld dat de wet regelt dat de zorgplicht zich niet beperkt tot de acute hulp. Er kan nu weer een motie aangenomen worden waarin dat nog eens staat, maar het staat al in de wet. Het lijkt mij niet goed om elke keer weer moties aan te nemen waarin dat nog eens wordt bevestigd. In de wet staat immers dat er een jeugdhulplicht is voor de gemeenten. Ik bevestig nogmaals dat dit zich niet beperkt tot de acute zorg. Als er vraagtekens zijn bij een bepaalde gemeente of bij andere gemeenten, dan zullen we om opheldering vragen. Ik verwijs even naar het voorbeeld van Almere. 

De voorzitter:

Ik heb nog geen oordeel over de motie gehoord. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik ontraad derhalve de motie. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Het is heel raar om iets te ontraden waarmee je het blijkbaar eens bent. Ik heb de motie mede ingediend omdat ik in het afgelopen jaar vijf sets Kamervragen heb moeten stellen omdat gemeenten zich hier niet aan houden. Deze staatssecretaris is systeemverantwoordelijk. Ik wil deze motie wel in stemming brengen, omdat ik vind dat de staatssecretaris hierop controle moet uitoefenen en dat hij moet handelen als het niet gebeurt. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Precies om die reden hebben wij in de casus Almere gezegd dat wij de gemeente om opheldering vragen. De gemeenteraad zal een interne discussie voeren en mij vervolgens op de hoogte stellen. Dus die actie wordt wel degelijk ondernomen, namelijk conform de systeemverantwoordelijkheid van de Jeugdwet die ik inderdaad draag en voel. 

Dan de motie-Kooiman op stuk nr. 551, waarin de regering wordt gevraagd om de aanstelling van aandachtsfunctionarissen verplicht te stellen voor de meest relevante beroepsgroepen. Wij hebben tijdens het debat uitgebreid gesproken over de positieve werking van de aandachtsfunctionarissen. Ik heb toegezegd dat dit bij de verdere uitwerking van de aanscherping van de meldcode onder de aandacht zal worden gebracht van alle beroepsfunctionarissen. Ik verwacht daar positieve effecten van. Het gaat mij een stap te ver om nu op deze plek de aanstelling van aandachtsfunctionarissen verplicht te stellen voor alle beroepsbeoefenaren of alle relevante beroepsbeoefenaren, zonder dat dit overigens is gedefinieerd. Ik geef de voorkeur aan mijn benadering dat ik met de beroepsbeoefenaren bekijk waar dit het geval kan zijn en waar dit positief kan werken. Ik ontraad de motie. 

In de motie-Bergkamp/Kooiman op stuk nr. 552 wordt de regering verzocht, bij de uitwerking van de meldcode Veilig Thuis en andere protocollen ervan uit te gaan dat in principe altijd alleen met het desbetreffende kind wordt gesproken. Mag ik "in principe" vertalen als "daar waar mogelijk"? Mevrouw Van der Burg heeft er terecht op gewezen dat hier tijdens het debat uitgebreid over is gesproken en dat ik op dat punt een aantal toezeggingen heb gedaan. Zo heb ik haar toegezegd om de Jongerentaskforce uitgebreid te betrekken bij de verdere uitwerking. Daar komt bij dat wij dit principe Kamerbreed hebben gedeeld. Zou het voor de Kamer een oplossing zijn als ik deze motie namens de hele Kamer overneem, nu wij het allemaal eens zijn over het feit dat er zo veel mogelijk moet worden gesproken met jongeren? 

De voorzitter:

Als het voorstel wordt gedaan om een motie over te nemen, moet ik aan de leden vragen of er iemand is die daar bezwaar tegen heeft. Mevrouw Bergkamp, als u het antwoord op mijn vraag wilt laten afhangen van het antwoord op uw vraag, dan moet u die nu stellen. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Even over de interpretatie van de staatssecretaris. Het gaat breder dan alleen Veilig Thuis; het gaat over de hele jeugdbescherming. Het uitgangspunt moet zijn dat er altijd met het kind wordt gesproken. Alleen bij heel hoge uitzondering kan daarvan worden afgeweken. Zo is de motie bedoeld. Als de staatssecretaris zegt dat hij de motie zo ziet, kan ik mij voorstellen dat hij haar overneemt. Ik zou dit ook een krachtig signaal vinden. Het is misschien wel een unieke oplossing om deze motie niet politiek te maken, maar wel brede steun te krijgen. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat is ook mijn interpretatie. Waar het ook maar enigszins kan: doe het! Dit geldt niet alleen voor de Veilig Thuissituatie maar breed. Dat bevestig ik graag. 

De voorzitter:

Dan vraag ik of er met de nadere duiding van de staatssecretaris bezwaar bestaat tegen overname van de motie; zij komt dan niet in stemming. 

De motie-Bergkamp/Kooiman (31839, nr. 552) is overgenomen. 

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn komst en de gegeven antwoorden. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik stel voor, vandaag over de ingediende moties te stemmen. 

De vergadering wordt van 15.34 uur tot 15.53 uur geschorst. 

Voorzitter: Arib

Naar boven