Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 19, item 3

3 Vragenuur: Vragen Van Nispen

Vragen van het lid Van Nispen aan de minister van Veiligheid en Justitie over het onderzoek waaruit blijkt dat de samenwerking tussen OM en Belastingdienst tekortschiet bij het plukken en afromen van het geld van criminelen. 

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Misdaad mag niet lonen. Daar zijn wij het, denk ik, snel over eens. Vrijwel alle misdaad draait om geld. De criminaliteitsbestrijding moet ook veel meer om geld gaan draaien. De SP heeft dat al heel vaak voorgesteld, maar in de praktijk gebeurt dit nog onvoldoende. De SP heeft opdracht gegeven tot een onderzoek naar de samenwerking tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. In hoeverre wordt er in de praktijk door deze partijen effectief samengewerkt om geld van criminelen te ontnemen of af te romen? Wat blijkt uit het onderzoek van financieel rechercheur Rob van Laar? Misdaad loont nog steeds. De noodzakelijke samenwerking is er niet of nauwelijks. In de praktijk wordt er eigenlijk volslagen langs elkaar heen gewerkt. Het Openbaar Ministerie verzuimt heel erg vaak vroegtijdig in het strafrechtelijk traject de Belastingdienst erbij te betrekken, naar schatting in 80% tot 90% van de gevallen. Die gebrekkige samenwerking leidt ertoe dat de overheid miljoenen euro's misloopt. Die miljoenen euro's blijven dus in handen van criminelen. De SP vindt dit onvoorstelbaar slecht. Onaanvaardbaar. Hoe is dit mogelijk, hoe kan dit? En hoe gaat de minister ervoor zorgen dat die samenwerking en afstemming tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst alsnog gaan plaatsvinden bij iedere ontnemingszaak? Kan hij toezeggen dat crimineel geld effectiever zal worden afgepakt, zodat misdaad niet langer loont? 

Minister Van der Steur:

Voorzitter. Ik dank de heer Van Nispen niet alleen voor het stellen van deze vraag, maar ook voor zijn betrokkenheid bij het tot stand komen van de scriptie van de heer Van Laar, voor wie wij nu, op een aantal terreinen zeker terecht, een monument oprichten in de Handelingen. Voor de volledigheid moet ik ook mevrouw Neppérus en de heer Recourt danken, want zij hebben ook steun verleend aan het tot stand komen van deze scriptie. De heer Van Laar had overigens een voldoende voor zijn scriptie, dus over de inhoud bestond grote tevredenheid bij de politieacademie, waarvoor de scriptie geschreven was. En terecht. 

Misdaad mag inderdaad niet lonen. De ambitie van dit kabinet is dan ook onverkort dat crimineel vermogen zo effectief mogelijk en zo veel mogelijk wordt afgepakt. Dat doen we strafrechtelijk, fiscaal, bestuurlijk en civiel. In toenemende mate gebeurt dat in gezamenlijkheid door de politie, het Openbaar Ministerie en andere handhavingspartners, zoals het openbaar bestuur en de Belastingdienst. Deze partijen geven aan dat de samenwerking steeds beter verloopt. Dat geldt zowel landelijk, onder meer door overleg tussen het functioneel parket, de Belastingdienst en de FIOD, als lokaal in zogenaamde Regionale Informatie- en Expertise Centra. 

Die samenwerking is complex. Een aantal van de aanbevelingen die de heer Van Laar in zijn scriptie doet, zijn inmiddels geadresseerd. Ik kom daar zo nog even op terug. Een aantal andere aanbevelingen is nog niet gerealiseerd, maar ook daar wordt nadrukkelijk naar gekeken. Het antwoord op de vraag van de heer Van Nispen is dus ja, deze scriptie zal wederom aanleiding zijn voor de betrokken partijen om naar verdere verbetering van de samenwerking te kijken. 

Het goede nieuws is dat na het verschijnen van de scriptie op 1 juli 2015 een nieuw protocol is getekend tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. Hierin is de samenwerking tussen het OM en de Belastingdienst verder verstevigd, met name gericht op de ontnemingskwesties. Daarnaast geldt in algemene zin dat voorstellen die een bijdrage kunnen leveren aan het afpakken van crimineel vermogen, altijd met een positieve grondhouding tegemoet getreden worden. Dat geldt zeker als het gaat om voorstellen in een scriptie waarvoor iemand een voldoende heeft gekregen van de politieacademie. 

De heer Van Nispen (SP):

In de zaak over de schikking met de crimineel Cees H. was een van de hete hangijzers het feit dat in de schikkingsovereenkomst stond dat de Belastingdienst overal buiten gehouden zou worden. De Kamer en de hele samenleving spraken hier toen schande van. Het verbijsterende is nu dat het in de praktijk kennelijk veel vaker gebeurt dat de Belastingdienst erbuiten gehouden wordt en dat het een beetje ieder voor zich is. Het Openbaar Ministerie probeert eigenstandig geld te ontnemen van criminelen. Dat doet het op eigen houtje, want het betrekt de Belastingdienst er niet bij. Aan het einde gebeurt dat soms alsnog. Dan is het echter vaak te laat, met de crimineel als lachende derde. Het erge is dat achttien jaar geleden al afspraken hierover zijn gemaakt. De regels die voorschrijven dat er moet worden samengewerkt, worden in de praktijk echter niet nageleefd. De minister zegt terecht dat het een goede scriptie is en dat de aanbevelingen worden overgenomen en geïmplementeerd, maar hoe is het mogelijk dat achttien jaar lang niet is gebeurd wat er was afgesproken? Zal dat nu wel gaan gebeuren? Wat maakt het dat het nu wel kan? De interviews die in het kader van de scriptie zijn afgenomen, zijn bovendien nog heel recent. Het is dus een beetje ingewikkeld om te geloven dat het vanaf vandaag allemaal beter zal gaan. Uit de gesprekken blijkt immers dat er officieren van justitie zijn die de afspraken niet eens kennen. Zij weten niet dat ze hun afspraken met de Belastingdienst moeten afstemmen. Hoe gaat de minister er concreet voor zorgen dat vanaf vandaag bij ontnemingen vanaf €5000 standaard wordt afgestemd met de Belastingdienst? 

Minister Van der Steur:

Het lijkt mij goed om niet in te gaan op de kwestie van Cees H, aangezien we binnenkort beschikken over het rapport van de commissie-Oosting. Dan kunnen we daarover veel uitgebreider en met meer diepgang een debat voeren. 

Het sombere beeld dat de heer Van Nispen schetste, herken ik niet. Tussen het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en de FIOD wordt uiteraard al heel lang samengewerkt. Zoals ik in de eerste termijn van mijn beantwoording al heb aangegeven, wil dat niet zeggen dat het niet nog beter kan; deze scriptie is daar een belangrijk onderdeel van. We hebben in juli een protocol getekend. We hebben de aanwijzing voor het Openbaar Ministerie, waarin overleg met de Belastingdienst is voorgeschreven. Dit is dus "werk in uitvoering". Het is zeker nog niet klaar en het kan altijd beter. Mijn inschatting is echter dat we op de goede weg zijn en dat de scriptie van de heer Van Laar, mede dankzij de steun van de betrokken Kamerleden, zeker ook aanleiding is om naar verdere verbetering van de samenwerking te kijken. 

De heer Van Nispen (SP):

De minister zegt dat het wel beter kan. Ik vind dat een stevig understatement. Die afspraken hebben we al heel lang. Ze staan op papier, dus dat is het probleem niet. Dat is al heel lang het probleem niet. De vraag is vooral op welke wijze het in de praktijk kan worden veranderd, zodat bij iedere officier van justitie, bij iedere financieel rechercheur en bij iedere inspecteur van de Belastingdienst ook echt tussen de oren zit dat misdaad om geld draait en dat het bij de bestrijding van misdaad ook om geld moet draaien. Dat is van het grootste belang. Het gaat dus niet om de regels op papier — die hebben we immers al — maar vooral om de samenwerking in de praktijk. 

Dan heb ik nog een aanvullende vraag. Komt het misschien door de manier waarop we het nu geregeld hebben? De minister geeft als doelstelling aan het Openbaar Ministerie mee: u moet dit jaar 100 miljoen euro afpakken. Zorgt dat ervoor dat er misschien een soort concurrentie ontstaat? Ziet het Openbaar Ministerie de Belastingdienst eerder als een bedreiging — men pakt het geld af zodat het niet op de doelstelling van het Openbaar Ministerie kan worden bijgeschreven — dan dat er wordt gezocht naar samenwerking? Zou dat een van de oorzaken of een van de verklaringen kunnen zijn? Zouden we daar niet wat meer aan moeten doen, zodat we als één overheid integraal geld afpakken van criminelen? Het doel moet toch zijn dat al het geld wordt afgepakt dat door misdaad is verkregen? 

Minister Van der Steur:

De heer Van Nispen stelt een goede vraag. Mijn beeld is echter anders. Mijn beeld is dat er in de meeste zaken waarin crimineel geld wordt aangetroffen, steeds weer wordt gekeken naar wat de meest effectieve en efficiënte manier is om tot het afpakken daarvan te komen. In veel gevallen is dat via de Belastingdienst. In sommige gevallen is dat via de FIOD en in sommige andere gevallen is dat via het Openbaar Ministerie of een van de andere instanties. Dat is met name zo omdat het Openbaar Ministerie altijd een rechterlijke uitspraak nodig heeft om tot incassering van een bedrag te kunnen komen, terwijl voor de Belastingdienst geldt dat dit bedrag al eerder kan worden afgepakt, kan worden ontnomen, waarna een procedure volgt. Heel vaak is de route via de Belastingdienst dus efficiënter en sneller. Ik heb eerder de indruk dat de samenwerking en het doel de middelen heiligen in plaats van andersom en dat iedereen op zijn eigen eilandje zit, zoals de heer Van Nispen zegt. Ik zal echter niet nalaten om bij een eerstvolgend gesprek met het Openbaar Ministerie, de zorg van de heer Van Nispen nog eens onder de aandacht te brengen. 

De heer Van Oosten (VVD):

Eerder heb ik namens de VVD-fractie schriftelijke vragen gesteld over het thema "afpakken van crimineel vermogen". Ik heb de minister bevraagd op de mogelijkheid om te komen tot de vorming van een fonds dat is gevuld met crimineel vermogen, waaruit vervolgens de criminelen nog weer harder kunnen worden aangepakt. Je kunt dat fonds bijvoorbeeld gebruiken om deskundigen mee te financieren. Ik krijg graag de toezegging van de minister dat hij nog voor de begrotingsbehandeling van V en J, medio november, de Kamer een opsomming doet toekomen van de knelpunten als het gaat om de begrotingssystematiek en de relatie tussen V en J en bijvoorbeeld het ministerie van Financiën. Kan de minister daarvoor zorgdragen? 

Minister Van der Steur:

Ik kan daar natuurlijk voor zorgdragen en ik doe dat ook graag. In zekere zin zal dat wel enigszins een herhaling zijn van de antwoorden die ik de heer Van Oosten al heb gegeven op eerdere vragen. Het is een idee dat ook is aangereikt door de zogenaamde "regioburgemeesters". Deze burgemeesters spreek ik regelmatig in het kader van wat vroeger het artikel 19-overleg heette en wat thans het landelijk overleg politie en veiligheid heet. Zij hebben dat voorstel ook gedaan. Mijn collega van Financiën en ik hebben ernaar gekeken en vastgesteld dat de businesscase die daaraan ten grondslag lag, niet sterk genoeg was om tot zo'n fondsvorming te kunnen komen. Wel zijn we nog in gesprek over de vraag of we op een en andere manier toch niet tot een fonds kunnen komen op basis van een businesscase die we zelf formuleren. Ik zal dit meenemen in de brief over de begroting die aan de Kamer is toegezegd. Ik hoop die brief een week voor de behandeling aan de Kamer te kunnen zenden. 

De heer Oskam (CDA):

Ik hoor de minister zeggen dat het nogal complex ligt. Ik vraag mij dat af. Ik daag de minister uit om uit te leggen waarin die complexiteit zit. Het gaat om fout geld, dat linksom of rechtsom afgepakt moet kunnen worden. Als het Openbaar Ministerie een goede strafzaak heeft, dan kan de rechter dat doen. Lukt dat niet, dan kun je een belastingaanslag opleggen. 

Minister Van der Steur:

Een voorbeeld van de ingewikkeldheid is de reden waarom ik een nieuw wetsvoorstel heb aangekondigd om het afpakken van wit te wassen geld te verbeteren. Als gevolg van een aantal uitspraken van onder meer de Hoge Raad is het simpelweg aantreffen van geld waarvan niemand kan verklaren waar het vandaan komt niet genoeg om op grond van het witwasartikel dat geld af te pakken. Het is een heel simpel voorbeeld van een juridisch ingewikkeld probleem dat we door middel van wetgeving gaan oplossen, omdat we precies dat doel willen bereiken dat de heer Oskam zo belangrijk vindt, namelijk dat elke euro die we aan crimineel geld tegenkomen zo snel mogelijk wordt afgepakt omdat misdaad niet mag lonen. 

De heer Recourt (PvdA):

Het is evident: de Kamer is het eens met de minister en de minister met de Kamer dat crimineel geld moet worden afgenomen. Wij hebben het er al heel vaak over gehad. Terecht heeft de heer Van Nispen er naar aanleiding van de scriptie toch aandacht voor gevraagd, want het gaat nog niet optimaal. Ik wil deze mondelinge vragen graag een extra duwtje geven door de minister te vragen of hij de Kamer wil informeren over de voortgang. Waar zitten de knelpunten en hoe kan dit uiteindelijk beter aflopen? We vragen hier keer op keer aandacht voor. We zullen niet inhoudelijk ingaan op de zaak-Cees H., maar daaruit is al een protocol voortgekomen tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. Keer op keer blijkt de praktijk echter heel weerbarstig. Wil de minister ons informeren over de voortgang? 

Minister Van der Steur:

Dat zal ik uiteraard doen. Dit geeft mij de gelegenheid om ook de heer Recourt te danken voor zijn betrokkenheid bij de scriptie, waarvoor hij ook in het voorwoord van de scriptie terecht wordt bedankt. 

De voorzitter:

Dank voor uw antwoorden, dank ook voor de vele toezeggingen in dit vragenuur en dank voor uw komst naar de Kamer.