Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 3, item 6

6 Algemene politieke beschouwingen

Aan de orde is de voortzetting van de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 2015 (34000). 

De voorzitter:

De premier was bezig met zijn beantwoording in eerste termijn. Ik geef hem het woord om daarmee verder te gaan. 

Minister Rutte:

Voorzitter. Ik kom bij het derde onderwerp, de internationale en geopolitieke situatie. De heer Slob vraagt hoe Nederland de internationale rechtsorde verdedigt, doelgericht en in samenwerking met andere landen. Ik deel de opmerkingen van de heer Slob in die zin dat onze Grondwet ons opdraagt om de internationale rechtsorde actief te bevorderen. Dat is vrij uniek, want dat staat lang niet in alle grondwetten. Dat kan Nederland inderdaad niet alleen doen. Daarvoor is nodig dat Nederland actief deel uitmaakt van de wereldgemeenschap. Daarbij hoort niet alleen dat we bijdragen in financiële zin, humanitair en anderszins, maar ook dat we als dat noodzakelijk is, bereid zijn een militaire bijdrage te leveren aan die internationale rechtsorde. Dat doet Nederland in VN-missies in Mali, Zuid-Sudan, het Midden-Oosten en Afghanistan. Dat is ook de reden waarom Nederland op dit moment meepraat in internationaal verband om vorm te geven aan een mogelijke bijdrage aan het stoppen van ISIS. 

De heer Buma heeft gevraagd wat nodig is om de veiligheidssituatie op peil te brengen, maar hij heeft misschien nog een vraag op een ander punt. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik dank de minister-president dat hij daarop komt. Ik heb nog even een vraag over de deelname aan de macht tegen ISIS. De minister van Buitenlandse Zaken heeft in de Kamer gezegd dat Nederland aan het begin niet bij de coalitie van tien landen zat, omdat het kamertje waarin zij vergaderden te klein was. We hebben ook berichten gehoord dat andere landen op dat moment al een duidelijke inzet hadden. Wat is nu de werkelijkheid? 

Minister Rutte:

Nederland is er zeer actief bij betrokken. Wij zijn betrokken bij het overleg van afgelopen maandag in Parijs. We zijn uitgenodigd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten voor het overleg dat morgen plaatsvindt in de Veiligheidsraad over Irak. Nederland heeft nu een planningsteam in Tampa in Florida, waar opties worden besproken met de Verenigde Staten en andere partners. Dat zijn eventueel ook militaire opties. Wij hebben daar nog niet toe besloten, maar we sluiten het ook niet uit. De Kamer zal zo snel mogelijk nader worden geïnformeerd. Het verhaal over het zaaltje klopt. Gek genoeg komt het blijkbaar niet heel geloofwaardig over, maar het is wel waar. Het is heel vervelend als iets waar is en niet geloofwaardig overkomt, maar het is wel waar. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Het wordt ook ontkend. Ook bronnen rond het kabinet zeggen dat het in de eerste periode, waarin Nederland niet daadwerkelijk meedeed, Nederland wel degelijk werd aangewreven dat het op dat moment niet de ernst inzag en bereid was militair mee te doen. Dat zou er ook achter zitten. 

Minister Rutte:

Nee, wij hebben vanaf het eerste moment gezegd dat wij bereid zijn naar alle opties te kijken, waaronder een militaire bijdrage. De uitleg die Frans Timmermans gaf, is de juiste. Nogmaals, je moet het altijd met de waarheid proberen, maar soms is de waarheid een tikje zodanig dat die niet onmiddellijk wordt geloofd. Maar het is wel de waarheid. 

De heer Pechtold (D66):

Ik citeer een groot politiek filosoof: deze verdediging kan nog aan kracht winnen. 

Minister Rutte:

Dat ben ik met u eens, maar dat is ook omdat het zo lastig is dit te verdedigen. Het is wel de waarheid, dus ik kan het niet mooier maken. 

De heer Pechtold (D66):

Ik heb in mijn eerste termijn een aantal voorbeelden geschetst waarom ik het gevoel heb dat Nederland bij dit soort uitnodigingen wat achteraan bungelt. Alleen als we vlogen, mochten we meedoen in Afghanistan. De Denen vlogen in Libië met onze vliegtuigbommen rond en wij tankten ergens bij. We leveren scherfvesten in plaats van echt materieel. De Patriots gaan terug en ik hoor dat de Spanjaarden zeggen: dan doen wij het wel. Ik denk dat Nederland een wat aarzelende houding heeft. De minister van Defensie moest vandaag ook weer iets ontkrachten. Er wordt iets gesuggereerd, maar het komt niet door. Zou dat een van de redenen kunnen zijn, los van het zaaltje? 

Minister Rutte:

Nee. Laten we naar de feiten kijken. Het is waar dat Nederland aan een aantal missies niet direct een offensief militaire bijdrage heeft geleverd. Ik denk daarbij aan de missie in Libië en aan andere missies. Toch was Nederland ook bereid om bijvoorbeeld een heel serieuze bijdrage te leveren aan de militaire component van de missie in Mali. De belangrijkste missie die we in dit verband moeten noemen, is echter die in Uruzgan. Daar heeft Nederland, met bijna 2.000 mensen, "boven zijn gewichtsklasse gebokst". Zo heb ik het al wel vaker gezegd. Nederland heeft daar grote persoonlijke verliezen geleden. Er zijn daar Nederlandse militairen gesneuveld. Wij hebben daar in de periode van 2006 tot 2010 een heel zware, ook militaire bijdrage geleverd, die internationaal zeer, zeer wordt gerespecteerd. Nog steeds erkent men dat Nederland aan de missie in Uruzgan een bovengemiddelde bijdrage heeft geleverd. En nogmaals zeg ik dat ook wat we nu in Mali en op andere plaatsen doen, als een zeer serieuze bijdrage wordt gezien en zeer wordt gewaardeerd. Nederland heeft dus niet de neiging om op voorhand te zeggen dat het niets wil doen op militair terrein. Maar we willen wel precies weten waarin we stappen. We willen weten wat het eindspel is, hoe het afloopt, hoe je er met elkaar ook weer uitgaat, hoe de coalitie eruitziet. 

Dat zoeken we op dit moment ook uit ten aanzien van ISIS. Ik hoop dat ik hierover van de voorzitter even mag uitweiden. Hierbij spelen namelijk belangrijke kwesties, zoals het volkenrechtelijk mandaat rondom Syrië. Hoe zit dat precies in elkaar? Wat is precies de samenstelling van de coalitie? Wat is de rol van de Arabische landen? Hoe zien het humanitaire, het politieke en het militaire spoor er precies uit? Dat zijn we, met onze internationale partners, allemaal in kaart aan het brengen. Tegen die achtergrond is Nederland bereid om een militaire bijdrage te leveren. We hebben nog niet besloten om dat te doen, want dat hangt echt af van de vraag hoe de situatie precies is, maar we sluiten het niet uit dat Nederland die bijdrage gaat leveren. 

De heer Pechtold (D66):

De analyse van de minister-president sluit volgens mij precies aan bij mijn verhaal. Het kabinet-Balkenende IV is hierover gevallen. De premier heeft dat kabinet vandaag al geprezen. Vanaf het moment dat dat kabinet daarover is gevallen, op 4 februari 2010, is er eigenlijk niets meer gebeurd. Ik kan me het debat van die dag nog herinneren. Dat ging over die brief. De NAVO nodigde ons uit en uiteindelijk is het toen tot een politiemissie gekomen, toen ook weer dankzij de Kamer. Als dat niet was gebeurd, had Nederland echt gezichtsverlies geleden. Ik zal omwille van de tijd die geschiedenis hier nu niet helemaal herhalen. Ik ben het er helemaal mee eens dat zaken als het volkenrechtelijk mandaat nu zorgvuldig worden uitgezocht. Natuurlijk, dat dat moet gebeuren, hebben wij ook van het verleden geleerd. Mijn vraag is echter, of Nederland bereid is om een offensieve missie te steunen. 

Minister Rutte:

Ja, wij sluiten niets uit. Ik kom echter toch nog even terug op het vorige punt dat de heer Pechtold aandroeg. Nederland draagt op dit moment bij aan zeventien grotere en kleinere internationale missies. In Mali levert Nederland een relatief echt grote bijdrage. Nederland levert een van de grootste contingenten die in Mali actief zijn. Het gaat daarbij om ongeveer 400 man. Daarbij lopen we ook risico's. Het is dus niet zo dat Nederland daarvan geen onderdeel wil uitmaken. Ik kom ook nog even terug op Libië. Hans Hillen, Uri Rosenthal en ikzelf waren toen betrokken bij de beslissing om de bijdrage te leveren die we hebben geleverd. We hebben toen die beslissing genomen omdat we ons op dat moment zorgen maakten over de precieze vormgeving van die missie. We vonden dat we het best de bijdrage konden leveren op de manier zoals we dat hebben gedaan. Internationaal wordt erkend dat Nederland een van de beste krijgsmachten van de wereld heeft en dat er binnen die krijgsmacht ook unieke vaardighedenheden worden beheerst. Dat wordt hogelijk gewaardeerd. Er is dus geen sprake van dat Nederland wordt gezien als een land dat niet bereid zou zijn om verantwoordelijkheid te nemen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik heb het idee dat dit debat eigenlijk helemaal niet over de Nederlandse reputatie zou moeten gaan. Het gaat erom dat de internationale gemeenschap een effectieve manier vindt om een beweging als IS en het extreme geweld dat door de mensen van IS wordt gepleegd, een halt toe te roepen. Daarvoor is het niet van belang of Nederland boven of onder zijn gewicht, of precies op het goede gewicht heeft gebokst, of wel of niet in het zaaltje zat. Nee, daarvoor is het van het allergrootste belang dat men een geloofwaardige strategie heeft. Daarover gaat mijn vraag. Ik luister naar de berichten over de strategie van Obama en over de manier waarop daarover nu internationaal wordt overlegd. Ik krijg sterk de indruk dat het daarbij toch vooral over de militaire opties en modaliteiten gaat. Waar wordt op dit moment internationaal over de zo noodzakelijke politieke inspanning gesproken? 

Minister Rutte:

De eerste helft van de opmerking vond ik onrecht doen aan de interventie van de heer Pechtold. Op zichzelf mag je in alle ernst natuurlijk de discussie voeren over de vraag of er misschien een beeldvormingsprobleem voor Nederland is. Dat moet je je altijd afvragen, als Kamer en als kabinet. Ik ben er oprecht van overtuigd, op basis van al mijn internationale contacten, dat dat niet zo is, maar er is niets op tegen om die vraag te stellen. Vervolgens is altijd relevant, als je overweegt om deel te nemen aan internationale missies, om precies te weten waar je instapt, hoe de coalitie eruitziet, al die randvoorwaarden, en ook hoe je er weer uitkomt. Ik kan de heer Van Ojik geruststellen. Er wordt parallel gesproken over het humanitaire, politieke en militaire spoor, op alle plekken: op de conferentie in Parijs, bij de Veiligheidsraad morgen. Daar worden al die sporen in gezamenlijkheid bekeken. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Is het dan misschien mogelijk voor de minister-president om datgene wat we tot nu toe over de strategie van de president van de Verenigde Staten hebben gehoord, namelijk de verschillende militaire fases in wat hij voor zich ziet als strategie, van de zijde van de Nederlandse regering wat verder in te vullen waar het gaat om het politieke spoor dat wordt bewandeld? 

Minister Rutte:

Nee, omdat ik het van belang vindt dat wij als kabinet, wanneer wij het geheel in beeld hebben en ook de Nederlandse bijdrage daarbinnen, en als daarbij ook sprake zou zijn van een militaire bijdrage, dan de normale artikel 100-procedure volgen met de Kamer. Ik vind dat het moment. Omdat de mogelijk in wording zijnde militaire bijdrage, waarover nog geen besluit is genomen — het kan ook zijn dat we het niet doen en een andere keuze maken — wel degelijk een optie is, lijkt het mij juist om daarvoor de artikel 100-procedure te volgen. Als ik nu inga op allerlei deelaspecten, zou dat heengaan door de procedure die we als Kamer en kabinet hebben afgesproken. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dan kan ik er dus van uitgaan dat als de Kamer een voorstel wordt gedaan voor een eventuele rol in de militaire operatie tegen IS, dit voorstel vergezeld gaat van voorstellen voor het politieke spoor, het humanitaire spoor, het ontwikkelingsspoor en wat dan ook allemaal maar in zo'n artikel 100-brief kan langskomen? Wordt er een samenhangend verzoek aan de Kamer gedaan? 

Minister Rutte:

Heel scherp is het antwoord op die vraag "nee", omdat dat ervan uit zou gaan dat Nederland op alle sporen een bijdrage gaat leveren. Het kan zijn dat Nederland alleen een humanitaire bijdrage levert. Het kan ook zijn dat wij een militaire bijdrage leveren waar andere landen humanitaire bijdragen leveren. Wat ik wel kan toezeggen, is dat, als wij zouden besluiten tot een militaire bijdrage, wij zullen beschrijven hoe die missie als geheel er politiek, humanitair en militair uit ziet. Dan is het antwoord "ja". 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dat is precies het punt dat ik in het begin maakte. Het interesseert mij niet zoveel wat Nederland precies doet. Het gaat mij erom dat er een internationale strategie is waarin alle verschillende elementen van zo een strategie in onderling verband en in evenwicht met elkaar uiteen worden gezet. 

Minister Rutte:

Daar ben ik het mee eens. 

De heer Roemer (SP):

Dit soort zaken zijn extreem moeilijk. Wij horen dat een Amerikaanse generaal nu al zegt dat er ook sprake zal zijn van Amerikaanse grondtroepen. Dat zijn natuurlijk nog maar signalen, maar voor je het weet, worden wij dadelijk, omdat een deel van de Kamer en het kabinet zo enthousiast zijn over meedoen aan deze oorlog, weer een oorlog in gerommeld zonder uitzicht op humanitaire verbetering en maken we de boel weer veel erger dan dat we iets oplossen. 

Minister Rutte:

Ik maak twee kanttekeningen bij de opmerking van de heer Roemer. Ten eerste is mijn indruk dat de Amerikaanse president ook na dat verhaal over grondtroepen zijn standpunt nog weer eens heeft herhaald dat daarvan wat hem betreft geen sprake van is. Ik verwijs naar mijn antwoord op de interruptie van de heer Van Ojik. Uiteindelijk zal het kabinet natuurlijk een appreciatie geven van het hele beeld, nadat wij gekomen zijn tot besluitvorming. Ten tweede, ik heb niet de indruk dat Kamer en kabinet hebben gezegd: we hebben allemaal zin om daar militair te gaan bijdragen. Volgens mij heeft het debat vorige week ertoe geleid dat de Kamer in grote meerderheid en het kabinet hebben gezegd, dat we die bijdrage niet uitsluiten. Dat is volgens mij de conclusie van het debat zoals ik dat gevolgd heb. 

De heer Roemer (SP):

Dat kan formeel de conclusie zijn, maar de indruk is totaal anders. Zowel het kabinet als een meerderheid van de Kamer staat bijna te springen om mee te doen aan deze oorlog. Een andere reden waarom ik het zo fel zeg, is de volgende. Ik weet dat het heel moeilijk is, maar de minister van Buitenlandse Zaken heeft zelf erkend dat, al zou je nu een aantal maatregelen kunnen nemen om ISIS uit Irak te verdrijven, ISIS zich dan verspreidt naar Syrië. Wil je ISIS daadwerkelijk uitschakelen, zoals wordt gezegd, dan moet je de grens over. Dan zie je meteen dat dat onmogelijk is zonder de VN, zonder een mandaat. De premier begon er zelf ook over. Wij beginnen dus aan een traject van een paar jaar waarvan wij weten dat het op deze manier, op z'n zachtst gezegd, knap moeilijk wordt, maar waardoor wij waarschijnlijk meer ellende achterlaten dan wij met elkaar zouden willen oplossen. Ik snap de emotionele gedachte, maar de feiten uit het verleden mogen wij toch niet onbenut laten? 

Minister Rutte:

Ik herken mij niet in het beeld dat wij allemaal enthousiast zijn en dat iedereen met een geladen pistool naar Irak aan het rennen is. Een groot deel van de Kamer en de regering hebben gezegd: wij zijn bereid die optie in ieder geval niet uit te sluiten; wij wachten nu verdere voorstellen van het kabinet af. Het kabinet overlegt in het kader van de internationale coalitie over politieke, humanitaire en ook militaire kanten van deze zaak. Wij zijn ook aangesloten op het militaire planningsspoor, maar wij hebben geen besluiten genomen. Wij bekijken of wij een bijdrage kunnen leveren in de context van het geheel. Een van de vraagstukken is inderdaad het volkenrechtelijk mandaat in Syrië. Daar moeten wij goed met elkaar naar kijken. Het kan betekenen dat je je misschien beperkt tot het Irakese deel van ISIS. Het kan ook betekenen dat er wel een volkenrechtelijk mandaat mogelijk is. Dat zullen wij allemaal aan de Kamer melden als wij tot besluitvorming zijn gekomen. Het verschil tussen mij en de heer Roemer is het volgende. Ik denk dat hij en ik het eens zijn over de bedreiging van ISIS, maar tegen die achtergrond vind ik dat het gek zou zijn als Nederland als lid van de wereldgemeenschap, beschikkend over een uitstekend uitgeruste krijgsmacht, goede diplomaten en een uitstekend ontwikkelde ontwikkelingssamenwerkingssector, niet bereid is om in ieder geval serieus te bekijken wat onze bijdrage zou kunnen zijn en als wij dat op voorhand uitsluiten, aangezien het zo'n grote bedreiging is, ook voor ons hier. ISIS is niet alleen een bedreiging voor de regio, maar ook een potentiële bedreiging voor onze manier van leven hier in Nederland. Dat is de reden waarom het kabinet hier serieus naar kijkt. 

De heer Roemer (SP):

Zeker, maar dat zeiden wij bij de taliban en Al Qaida ook. Als wij zien wat daar dertien en tien jaar geleden gestart is en hoe die landen er nu voor staan, dan moeten wij toch erkennen dat de boel daar, op z'n zachtst gezegd, niet beter op geworden is? Met die wetenschap en de moeilijkheid dat je niet van buitenaf met massief geweld een democratie kunt afdwingen die wij misschien graag zouden zien, moeten wij veel voorzichtiger zijn en niet enthousiast achter massief militair ingrijpen gaan staan, zoals ik daar misschien hier wat minder over hoor spreken maar zeker wel vanuit Amerika. Ben daar beducht op. Doe daar niet aan mee. 

Minister Rutte:

Ik wil best een eind meegaan in de redenering van de heer Roemer, in die zin dat bijvoorbeeld in Afghanistan niet alle politieke en strategische doelen van de coalitie van zo'n 50 landen, alle NAVO-landen en nog eens ruim 20 andere landen die daar een bijdrage leveren, behaald zijn. Maar ik ga niet zo ver om te zeggen dat het daarmee mislukt is en wel om twee redenen. Laat ik twee feiten noemen. Ten eerste was het begin deze eeuw mogelijk vanuit Afghanistan te organiseren dat vliegtuigen gebouwen in vlogen in de westerse wereld. Dat zou ook ons land hebben kunnen raken. Het vermogen van Al Qaida en de groepen daar die bereid zijn om tot dit type activiteiten over te gaan, is nu aanmerkelijke schade toegebracht. Ten tweede, terwijl er begin deze eeuw geen meisjes naar school gingen in Afghanistan, gaan nu miljoenen meisjes naar school. Dat is een heel ander feit. Dus dat land is zich aan het ontwikkelen, maar ik wil best een stuk meegaan met de heer Roemer. Je moet bescheiden zijn in je doelstelling als het gaat om nation building. Het lijkt niet altijd te lukken, maar ik ben het er niet mee eens als Afghanistan wordt afgeschoven alsof dat mislukt is. Ik verwijs naar de twee feiten die ik net noemde. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Wij zijn allemaal geschokt door de verschrikkingen die in Irak en Syrië plaatsvinden. Laat daarover geen misverstand bestaan. Ook de Partij voor de Dieren vindt dat humanitaire hulp noodzakelijk is. Ik herken de aarzelingen die de heer Pechtold schetst niet. Ik zie namelijk een behoorlijk grote gretigheid, met als reden dat men internationaal gezien wil worden. Dat lijkt me een verkeerd uitgangspunt. Natuurlijk moet worden gekeken naar het verkrijgen van een volkenrechtelijk mandaat voor een dergelijke actie, maar ik zie zelfs niet het begin van een analyse van dit kabinet van wie precies onze vrienden en wie onze vijanden zijn. Welke landen staan er dubbel in? We hebben bij het leveren van wapens aan Libië en Afghanistan gezien dat die wapens inmiddels in handen zijn gekomen van strijdende partijen die we niet onze bondgenoten kunnen noemen. Als wij militair gaan ingrijpen of als wij wapens gaan leveren aan mensen in Irak, welk risico lopen we dan? Moeten we daar niet eerst een analyse van maken om precies te weten of er geen andere middelen zijn om deze terreurdaden te bestrijden? 

Minister Rutte:

Ik heb al toegezegd dat we, als het kabinet tot besluitvorming komt over een Nederlandse bijdrage langs de verschillende sporen, waarbij we niets op voorhand uitsluiten, natuurlijk een analyse zullen geven van het plan, de samenstelling van de coalitie, de risico's en het volkenrechtelijk mandaat. Daar mag de Kamer op rekenen. Als er een militaire bijdrage komt, zal er een artikel 100-brief zijn. Als die er niet komt, zullen we de Kamer nog steeds uitvoerig informeren. Maar ik zou het onverstandig vinden om, gelet op de fouten die in het verleden zijn gemaakt, waardoor dingen niet helemaal gelukt zijn, nu op voorhand te zeggen dat we nu niet mee doen, terwijl er een grote bedreiging is, ook voor onze wijze van leven in Nederland. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Wat ik mis in de analyse van de minister-president is dat hij erkent dat er grote gevaren zijn aan het leveren van wapens aan Koerden die wellicht verbonden zijn met PKK, dat nog steeds op de lijst van terroristische organisaties staat. Ik mis een analyse van de risico's die wij opzoeken bij deze missie. 

Minister Rutte:

Aan het bestrijden van ISIS door een internationale coalitie zijn tal van gevaren en risico's. De afweging die het kabinet ten fundamentele maakt om nu te zeggen dat we niet meedoen, is een nog veel groter risico, want daarmee schaden wij de internationale consensus en nemen we potentiële grote risico's voor ons eigen land. Want ISIS is niet alleen bedreiging voor de regio, het is ook een bedreiging voor Nederland en voor andere landen in het Westen en in de Arabische wereld. Dat is mijn basisuitgangspositie. Verder deel ik de zorgen van mevrouw Thieme op tal van punten, waarop wij zo goed mogelijk zullen reageren. Maar ik geef één winstwaarschuwing: dit zal nooit makkelijk zijn. Je zult het nooit precies kunnen knippen, je zult nooit de volledige antwoorden kunnen geven, er zal altijd sprake zijn van een zekere mate van risico. Dat is onvermijdelijk bij het bestrijden van dit type grote internationale bedreigingen voor Nederland. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik was deze zomer diep onder de indruk van de wijze, waarop het kabinet heeft gereageerd op de MH17-ramp. Dat was echt heel erg goed en adequaat. Maar ik vond daarmee in schril contrast de wijze, waarop het kabinet deze zomer reageerde op de enorm snelle en dramatische ontwikkelingen die zich in Noord-Irak voordeden. Tot en met spoed-Kamervragen op zaterdagavond aan toe waren nodig om het kabinet toch wat in beweging te krijgen, ook humanitair. Vanwaar die aarzeling deze zomer? Ik heb dat eigenlijk nog steeds niet begrepen. 

Minister Rutte:

Ik kan dat beeld niet plaatsen. Frans Timmermans, de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Defensie en ikzelf hebben ons daarover deze zomer vanzelfsprekend gebogen en daarop actie ondernomen, bijvoorbeeld waar het gaat om de positie van christenen in de Arabische regio en om allerlei andere vraagstukken. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Dan hebben we toch een wat ander beeld. We waren uiteindelijk wel blij dat er beweging kwam, dat er wat middelen kwamen, onder andere om het Rode Kruis te helpen, dat er wat materieel werd gestuurd en dat we transport zijn gaan regelen, maar het ging in eerste instantie echt heel erg aarzelend. Ik begrijp nu van de minister-president dat Nederland volledig is aangehaakt om met andere bondgenoten te kijken of we daar gezamenlijk iets kunnen doen. De minister-president gaf aan dat, als Nederland militair iets gaat doen, daarvoor een artikel 100-brief zal komen, conform de afspraken die daarover zijn gemaakt. Een van de afspraken is ook dat de Kamer op het moment dat dat onderzocht wordt, een notificatiebrief krijgt. Die hebben wij nog niet gezien. Kan ik daaruit afleiden dat er op dit moment dus ook nog niet bekeken wordt of Nederland militair zou kunnen bijdragen? 

Minister Rutte:

We hebben een brief gestuurd. Dat is feitelijk de notificatiebrief met de stand van zaken tot nu toe. Misschien hadden wij dat er nog een keer boven moeten schrijven. Nogmaals: als wij zouden komen tot een militaire bijdrage, dan volgt er vanzelfsprekend een artikel 100-brief. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Volgens mij hebben we daar altijd heel duidelijke afspraken over. Ik begrijp echter dat wij de brief die de basis is geweest voor het debat van vorige week, als een soort notificatiebrief mogen zien. 

Minister Rutte:

Ja, als dat onduidelijk was, dan is dat bij dezen hersteld. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Het lijkt mij wel handig om dat erbij te zetten, maar dat even terzijde. 

Minister Rutte:

Ja. 

De heer Slob (ChristenUnie):

De situatie is nog steeds zo dat zich daar grote problemen voordoen en dat mensen daar echt in nood zitten. Het moet zorgvuldig gebeuren. Ik ben het ook helemaal met de heer Van Ojik eens dat er een duidelijke strategie moet zijn die nooit alleen militair maar ook humanitair van aard moet zijn. Echter, we moeten niet langer wachten dan nodig is gezien de grote problemen die zich daar voordoen. Hoe schat de minister-president in dat die duidelijkheid er gaat komen, ook over de Nederlandse bijdrage in de samenwerking met onze bondgenoten? 

Minister Rutte:

Die inschatting houd ik voor mijzelf, omdat Nederland hierbij onderdeel is van een grotere coalitie. Als ik die inschatting zou delen, gaat dat een eigen feit worden. Wij doen het niet in ons eentje. We werken in die coalitie met tientallen landen samen. We doen het zo snel mogelijk. 

De heer Van der Staaij heeft gevraagd naar de positie van christenen in de Arabische regio. Wij maken ons zorgen over christenen en joden maar ook over anderen in het Midden-Oosten. We hebben natuurlijk de verschrikkelijke beelden gezien in Noord-Irak van de yezidi's, die van huis en haard verdreven zijn door het geweld van ISIS. De situatie van kwetsbare minderheden, religieuze minderheden, in de Arabische wereld heeft dan ook onze grote aandacht. We werken via onze ambassades in landen als Egypte aan projecten ter bescherming van religieuze minderheden. Ook worden er via het Mensenrechtenfonds activiteiten gefinancierd op het terrein van training, capaciteitsopbouw en monitoring van godsdienstvrijheid in bijvoorbeeld Saudi-Arabië en Jemen. Nederland voert een dialoog over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging met landen waar deze vrijheden onder druk staan. Multilateraal, zowel in Europees verband als bijvoorbeeld via de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, spant Nederland zich in om aandacht te geven aan de positie van religieuze minderheden. 

Ook is er gisteren veel gezegd over de veiligheidssituatie en hoe die op peil te brengen is. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Wat de minister net zei over de inzet voor minderheden, voor joden en christenen in de Arabische landen, herken ik vanuit de debatten en dat waardeer ik ook. Tegelijk krijgen wij heel vaak, ook uit het Midden-Oosten, te horen dat men zich door het Westen in de steek gelaten voelt. Wij geven altijd het brave antwoord: we doen al dit en dat. Zou het niet een aandachtspunt kunnen zijn, ook voor ambassades in die landen, om meer kenbaar te maken: jullie worden niet in de steek gelaten; er wordt ook wat gedaan, al is het bescheiden wat we kunnen doen? 

Minister Rutte:

Er wordt dus gewerkt via de ambassades daar. Maar ik zeg toe dat we nog eens zullen bekijken, ook via het ambassadenetwerk, hoe we dat nog meer onder de aandacht kunnen brengen. 

Er zijn verschillende vragen gesteld over de Defensiebegroting. Ik ben het ermee eens dat 100 miljoen bescheiden is. De ambitie is natuurlijk om in ieder geval een trendbreuk tot stand te brengen. Dat betekent dat de vijf partijen die steun geven aan deze begrotingsafspraken, in ieder geval hebben afgesproken de komende tijd niet te zullen bezuinigen op Defensie en te bekijken of het mogelijk is om extra te investeren in Defensie. Daar kunnen we nu geen harde toezeggingen over doen; dat zal helemaal afhangen van de ruimte die er is. Ik wijs er overigens op dat er ook vorig jaar, mede door toedoen van de begrotingsafspraken, extra geld naar Defensie is gegaan. Nogmaals: de ambitie is om dat verder uit te breiden en om ook in de AIVD en via de extra Defensie-inspanning in de MIVD te investeren, om ervoor te zorgen dat Nederland beter kan bijdragen aan de zorg voor de eigen veiligheid. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Het woord "trendbreuk" ten aanzien van de versterking van Defensie vond ik belangrijk en mooi. Hoe voorkomen we nu dat als de opiniepeilingen weer anders zijn en de meerderheid voor extra investeringen in de krijgsmacht wegzakt, ook de politieke meerderheid wegzakt? Dat is in het verleden wel gebeurd. Hoe kunnen we dat vasthouden voor de toekomst? 

Minister Rutte:

Op dit punt zal het CDA bijspringen. Dat levert ons genoeg zetels op. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Betekent dit dat de minister-president verwacht dat het CDA een zodanige grote groei zal doormaken dat een stevige inzet voor de krijgsmacht daardoor hoe dan ook gewaarborgd is? 

Minister Rutte:

Nee, maar zelfs als het CDA de groei krijgt die ik verwacht, is het nog groot genoeg om een eventuele andere electorale verdeling tussen de vijf partijen op dit specifieke dossier te compenseren. Ook het CDA heeft zich steeds uitgesproken voor extra investeren in defensie, dus ik heb daar vertrouwen in. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Maar nu toch even serieus … 

Minister Rutte:

Dit is serieus. De heer Van der Staaij heeft mij gevraagd: wat doe je als deze vijf partijen in de Eerste Kamer geen meerderheid hebben? Dan is mijn verwachting dat de vijf partijen plus het CDA in ieder geval nog wel een meerderheid hebben in de Eerste Kamer. Ik verwacht overigens niet dat het gebeurt. Ik denk dat wij met zijn vijven een meerderheid halen volgend jaar. Honderd procent zekerheid heb echter je niet. Het hangt van de kiezer af. Die bepaalt dit. Ik heb daar veel vertrouwen in. Als dat echter niet gebeurt, dan verwacht ik — dat is echt een serieus antwoord en geen grapje — gegeven de opstelling van het CDA dat het CDA dan op dit punt zal helpen. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik doelde meer op de verdere toekomst en niet op de heel korte termijn. Ik verwacht ook wel dat deze uitgaven veiliggesteld zijn. Bij verkiezingen zijn er nog weleens wat verschuivingen geweest in de aflopen periodes. Ik verwacht dat dit zich in de toekomst ook wel zal doorzetten. Je ziet dan dat er soms te veel steun is en dat er op andere momenten weer makkelijk gegraaid wordt in die Defensiepot. We hebben in het verleden verkenningen gehad waarin mooi werd aangegeven dat we in een onzekere wereld op alles berekend moeten zijn. Die hielpen niet om de defensie-uitgaven op peil te houden. Hoe krijgen we dat nu wat toekomstvaster? Heeft het kabinet daar ook wat ideeën over? 

Minister Rutte:

U hebt allemaal de video vastgelegd van gisteren, neem ik aan. U hebt de heer Zijlstra en de heer Buma gehoord. Zij hebben gezegd wat zij vinden van eerdere posities van hun partijen op dit dossier. Dat ligt echt voor jaren vast. Ik kan me niet voorstellen dat die posities veranderen. En het zijn grote partijen, althans de VVD, dus ik denk dat dit goed zit. 

De heer Pechtold (D66):

Ik snap het punt van collega Van der Staaij wel. De heer Van der Staaij sprak over de toekomst. Mijn partij heeft graag meegewerkt om ervoor te zorgen dat de bezuinigingen van de afgelopen jaren van VVD en CDA op defensie nu gekeerd zijn. De vraag ging echter over de toekomst. Ik hoor de premier over de begrotingen hierna nu toch niet voorspellen dat hij verdere verhogingen al voorziet en al ziet vaststaan? Ik vind dat hij dan ook met dekking moet komen. 

Minister Rutte:

Nee. Ik spreek de politieke verwachting uit dat de opwaartse druk op de Defensiebegroting ook in volgende rondes aanwezig zal zijn, zonder een uitspraak te doen over de uitkomst van die opwaartse druk. 

De heer Pechtold (D66):

Ik kijk met een schuin oog naar de minister van Defensie. Als we dat in de Kamer zouden doen en als wij dat bijvoorbeeld in een motie zouden vastleggen, dan neem ik aan dat het kabinet gelijk zegt: dat gaan we niet doen, want dan gaat de Kamer vervolgens op het gebied van onderwijs en bij andere belangrijke zaken, ook die opwaartse druk op ons loslaten. 

Minister Rutte:

Als vijf partijen hebben wij het woord "trendbreuk" opgenomen in de begroting. Dat hebben wij vergezeld doen gaan van ruim 100 miljoen, naast de investering van 100 miljoen vorig jaar. Opgeteld is er dus inmiddels ruim 200 miljoen extra voor Defensie sinds de begroting voor 2014, die ook doorwerkt in de begroting voor 2015. Ik ben het geheel met de heer Pechtold eens: er is geen enkele zekerheid over de verdere oploop. Als hij om mijn politieke inschatting vraagt, als hij mij vraagt of mijn taxatie is dat er een opwaartse druk zal blijven op dat budget, dan zeg ik: geen idee. Dat zal echt afhangen van ruimte en nadere politieke besluitvorming. 

Ik kom op de noodhulp. Een van de cris du coeur was: probeer niet als overheid alles zelf te doen, maar geef ook steun aan bestaande maatschappelijke organisaties die zich hiervoor al inzetten en in het gebied goed bekend zijn. Gevraagd werd of het kabinet hier werk van wil maken. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking kijkt voor de besteding van de noodhulpfondsen naar kanalen als de VN en het Rode Kruis. Waar het efficiënt is, wordt ook gekeken naar besteding via maatschappelijke organisaties waarmee regulier wordt samengewerkt. De Kamer zal door de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op korte termijn worden geïnformeerd over de besteding van de extra gelden voor noodhulp. 

Tot slot bij dit onderwerp, "internationaal", was er nog een vraag over gebrek aan voedsel, water en andere essentiële natuurlijke hulpbronnen als een bron van conflict, waarbij werd opgemerkt dat die schaarste in de toekomst alleen maar zal toenemen. Het kabinet is zich daarvan bewust. Er is schaarste aan natuurlijke hulpbronnen, zoals fossiele brandstoffen en water. Rapporten tonen aan dat een dergelijke schaarste de kans op conflicten groter maakt. Daarover is internationaal gezien overigens weinig verschil te merken. De uitdaging is om te komen tot een geleidelijke overgang naar meer hernieuwbare energie, innovatie en een efficiënter gebruik, zodat de omvang van de fossiele brandstoffen in de energiemix geleidelijk aan kan afnemen. Nederland draagt daar internationaal aan bij. Wij zijn een mondiale leider op het vlak van alles wat te maken heeft met de landbouw- en voedselsector, zoals ik eerder vandaag al noemde. Dat geldt ook op het gebied van het waterbeheer. Volgende week vrijdag ga ik in New York, als ik daar toch ben voor de klimaattop en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, kijken bij de Nederlandse bijdrage aan de bestrijding van toekomstige "Sandy's". Wij leveren daar wereldwijd een enorme bijdrage aan. Die kennis zullen wij internationaal blijven aanwenden. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Het is goed om stil te staan bij de rol van Nederland en bij de effecten van met name onze handelspolitiek, onze voedselvoorziening en onze productie op andere landen. Met name als je kijkt naar hoe we grondstoffen weghalen uit ontwikkelingslanden of landen met opkomende economieën, dan zie je dat we een grote verantwoordelijkheid dragen voor erosie en het verdwijnen van zoet water en biodiversiteit. We hebben daar een grote rol in te spelen. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft aangegeven het een slechte zaak te vinden dat dit kabinet niet verder kijkt dan 2020 aangaande het klimaatbeleid en hoe we tot een verduurzaming komen van onze samenleving, zodat er ook minder effect is op de rest van de wereld. Ik verzoek het kabinet om die opmerkingen van het Planbureau van de Leefomgeving ter harte te nemen en te komen met een langetermijnvisie op de vraag hoe wij ervoor zorgen dat onze rol alleen maar constructief is in plaats van destructief, wat op dit moment het geval is. 

Minister Rutte:

Laat ik mijn opvatting naast dit beeld leggen. Nederland is internationaal zeer actief op dit terrein. Wij zien de noodzaak om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te doen afnemen, niet alleen vanwege klimaatredenen maar ook omdat ze opraken en ze vaak uit gebieden komen — ik kom daar later over te spreken bij het onderwerp energievoorziening — waarvan de internationale leveringsbetrouwbaarheid en de achterliggende politieke systemen niet altijd onze goedkeuring kunnen wegdragen. We zijn daarvoor dus zeer gemotiveerd. Dat uit zich in allerlei zaken: onze bijdrage aan de Europese Unie, de afspraken die we maken over de doelen voor 2030, en het energieakkoord dat in Nederland is gesloten voor een verlaging van allerlei waarden. Nederland is daar zeer actief in en haalt daar ook, zoals ook blijkt uit het energieakkoord, economische groei uit. Het leidt weer tot meer banen en meer mogelijkheden. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Het megalomane exportdenken van dit kabinet en het inzetten op nog meer export staat haaks op de mooie woorden die dit kabinet spreekt over een circulaire economie en het zorgen voor een minder grote voetafdruk, een die niet ten koste gaat van andere werelddelen. Denk daarbij aan de handelsmissies met als boegbeeld de koning en de koningin in Brazilië, in China, in de Oekraïne — nu dan niet meer — om daar te proberen Nederlandse producten aan de man te brengen, met name dierlijke producten, en wat een enorm effect dat heeft op het klimaat en het milieu. Ik vraag om een visie op hoe we ervoor kunnen zorgen dat we niet meer land en grondstof gebruiken dan we zelf nodig hebben en dat het niet ten koste gaat van andere landen, waardoor er conflicten ontstaan. 

Minister Rutte:

Nederland heeft natuurlijk een aantal belangrijke doelstellingen in het kabinet. Wij moeten ervoor zorgen dat er banen zijn in Nederland, dat de economie groeit, dat er kansen zijn voor ons bedrijfsleven, en dat we grote, internationale uitdagingen op het terrein van water, voedsel en het klimaat meehelpen het hoofd te bieden. Dan is het geen enkele schande als we daar ook geld mee verdienen. Dat hoort bij Nederland. Dus dan helpen we, én we verdienen er geld mee. Dat is een van de redenen waarom we die handelsmissies organiseren: voor banen hier. Als we dat niet zouden doen, dan zou mevrouw Thieme zeggen dat de werkloosheid te hoog is. En dan had ze nog gelijk ook; dan zouden we te weinig doen. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Het is duidelijk dat de minister-president denkt dat als we maar inzetten op groei, je dan duurzame banen krijgt, terwijl het tegenovergestelde het geval is. Wij zijn bezig met het uitputten van de aarde door te denken dat we maar door kunnen blijven produceren onder het mom van "de wereld voeden". Maar wij kunnen niet de melkboer en de slager van de wereld zijn. Daarvoor is ons land te klein en daarvoor kost het te veel aan grondstoffen. Het is jammer dat de minister-president de adviezen van het Planbureau voor de Leefomgeving niet ter harte lijkt te nemen, maar ik wil hem toch nog graag vragen om daar eens goed naar te kijken. 

Minister Rutte:

Die adviezen lees ik altijd. Het Planbureau voor de Leefomgeving is ook lid van een van de ministeriële onderraden. De voorzitter van het planbureau neemt er heel actief aan deel. Wij weten dat er een miljard monden extra te voeden zijn de komende jaren, maar ik pleit er ook niet voor dat wij al dat voedsel voor die miljard monden hier in Nederland gaan produceren. Waar ik voor pleit, is dat wij onze kennis over landbouw, ook over milieuvriendelijke landbouw, en over innovaties wereldwijd inzetten om dit vraagstuk te helpen oplossen. Daarom refereerde ik voor de pauze aan Wageningen en de kracht van de universiteit daar. Maar ik refereer ook aan de hogescholen in Nederland die wereldwijd actief zijn, van China tot en met Zuid-Amerika tot en met Oost-Europa, om bij te dragen aan het oplossen van deze vraagstukken. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik heb gisteren in mijn eerste termijn betoogd dat het verstandig is, naar mijn smaak, om de verschillende sporen van onze buitenlandpolitiek in onderlinge samenhang met elkaar te bezien. Er gaat meer geld naar defensie. Er gaat meer geld naar ontwikkelingssamenwerking, eenmalig weliswaar, maar toch. Het stiefkindje is de diplomatie, het diplomatieke spoor. Daar is de afgelopen jaren veel op bezuinigd. Er zijn honderden mensen minder op onze ambassades. Zou het een idee zijn om er ook op dat punt, dat derde spoor van de diplomatie, een tandje bij te zetten? 

Minister Rutte:

Het is zonder meer waar dat, waar we bezuinigen, ook Buitenlandse Zaken daar niet helemaal van wegkomt en daar ook mee te maken heeft. Daar heeft de heer Van Ojik gelijk in. Tegelijkertijd geldt dat natuurlijk voor de hele rijksbegroting. Het geldt voor de grote kaders, zoals zorg en gezondheidszorg en sociale zekerheid, maar het geldt ook voor de rest van de rijksbegroting. Dat geldt dus ook voor Buitenlandse Zaken. Daar moeten keuzes gemaakt worden. Die heeft Frans Timmermans, de minister van Buitenlandse Zaken, met zijn team gemaakt, samen met de minister voor Buitenlandse Handel en OS. Zijn ze altijd helemaal gelukkig? Hadden ze misschien niet meer willen hebben? Ja, ze hadden graag meer willen hebben. Maar dat geldt eigenlijk voor al mijn collega's in het kabinet. Je moet altijd keuzes maken. Ik denk dat we op dit moment een goed evenwicht hebben gevonden tussen onder meer diplomatie, handel en bevordering van mensenrechten en dat wij met onze buitenlandse dienst daartoe uitstekend in staat zijn. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Als ik de begroting van minister Timmermans lees, valt nog maar te bezien of we daar uitstekend toe in staat zijn. Ik citeer de minister van Buitenlandse Zaken in zijn begroting: Nederland moet vaker "nee verkopen", omdat door bezuinigingen "de capaciteit van het ministerie om op mondiale ontwikkelingen en crises te reageren tot een minimum is gedaald". Dat zeg ik niet. Dat zegt de minister. Onze capaciteit om op mondiale crises te reageren is tot een minimum gedaald, door de bezuinigingen. Als we nou een trendbreuk willen op het gebied van defensie en als we zeggen dat we meer gaan doen aan noodhulp en aan de opvang van asielzoekers — en dat is nodig en goed, zoals ik al eerder heb gezegd — maar als onze capaciteiten om op mondiale crises te reageren tegelijkertijd tot een minimum zijn gedaald, dan ontbreekt er toch iets in die balans? En dan moeten we toch juist ook concluderen dat we, als het ook maar enigszins mogelijk is, er op het gebied van diplomatie ook een tandje moeten bijzetten en we dus ook wat extra geld moeten vinden, zoals we dat ook gevonden hebben voor andere zaken. 

Minister Rutte:

Ja, ik zei het al en het klinkt ook uit dat citaat. Als je fors bezuinigt op allerlei terreinen, dan leidt dat tot pijnlijke keuzes, ook op het terrein van Buitenlandse Zaken. Toch meen ik, zoals ook spreekt uit het citaat, dat we op het minimum zitten. We zijn dus niet door de bodem gezakt, maar dit is wel het minimum. We zijn ook niet van plan om er verder op te bezuinigen. Ik denk dat de bewindslieden van Buitenlandse Zaken erin geslaagd zijn om een balans te vinden tussen alle belangen die er zijn. Op de vraag of zij graag een ruimer budget zouden hebben, is het antwoord vanzelfsprekend ja, maar dat geldt eerlijk gezegd voor praktisch iedereen die hier achter mij zit. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik geloof zeker dat dit voor praktisch iedereen geldt. Dat is een van de redenen waarom GroenLinks zich tegen heel veel van die bezuinigingen heeft verzet. De minister van Buitenlandse Zaken schrijft dat onze capaciteit om te reageren tot een minimum is gedaald. De minister-president zegt dan dat we nog niet door de bodem zijn gezakt. Dat is dan het goede nieuws. In het licht van de grote uitdagingen die de minister-president heeft geschetst, is een capaciteit die tot het minimum is gedaald, toch niet waar we de komende jaren de oorlog mee gaan winnen, om het zo maar te zeggen? 

Minister Rutte:

Er is in ieder geval voldoende capaciteit om te doen wat nodig is, na zeer scherpe keuzes, waarbij ook posten moesten worden gesloten. Er is geherprioriteerd binnen het budget. Dat is gelukt. Ik meen dat er nu een buitenlandse dienst staat die met deze begroting in staat is om de taken te vervullen, maar het is zeker geen vetpot. 

Voorzitter. Het volgende onderwerp is de rechtsstaat. Nederland is een democratische rechtsstaat. Vrijheid van meningsuiting is hier een onbetwist recht. Maar onze rechtsstaat stelt ook duidelijke grenzen. Als die overschreden worden, dan zal de Staat die grenzen vastberaden bewaken. Met andere woorden, we zullen alle middelen van de rechtsstaat gebruiken om de rechtsstaat overeind te houden. Dat is onze boodschap aan de overgrote meerderheid van mensen in Nederland die bereid is om een goedwillende bijdrage te leveren. Dat is ook onze boodschap aan al diegenen die op basis van angst, haat en geweld een systeem willen vestigen dat haaks staat op onze rechtsstaat en op onze beschaving. Tegen hen zetten we alle zichtbare, en overigens ook niet-zichtbare maatregelen in. Bruut geweld en radicalisme zullen in dit land nooit overwinnen. 

We denken in dit land niet in groepen maar in mensen. Nu de spanningen in de wereld ook onze straten bereiken, is het van groot belang dat alle mensen die van goede wil zijn, laten zien waar zij staan. Daarom zijn ook de signalen uit de moslimgemeenschap, die zich in felle bewoordingen afzet tegen het gedachtegoed van groeperingen als ISIS, zo belangrijk. Net als een aantal woordvoerders zeg ik dat we de rechtsstaat compromisloos moeten verdedigen. 

De heer Samsom daagde mij uit gisteren over de heer Wilders, en ik moet hem gelijk geven. Ik vond en ik vind zijn verhaal over de antishariaverklaring een stuk rood vlees dat eigenlijk geen commentaar rechtvaardigt. Het is een negatieve verklaring, die elke grond mist, die een groep Nederlanders onder verdenking plaatst, op grond van hun godsdienst, en die polariseert. Wij zijn tegen polarisatie en voor integratie. 

Er was gisteren in het debat ook een ander moment waarop de heer Wilders wat mij betreft over de schreef ging. Dat was toen hij sprak over het Marokkanenprobleem. Ik moest denken aan vrienden van mij, Marokkaans, moslim, die mogelijk ook naar het debat hebben gekeken en daar zagen dat de voorman van in de peilingen de tweede en soms de grootste partij van Nederland het heeft over het Marokkanenprobleem. Ik dacht: wat gaat er nu door het hoofd van die vrienden van mij? 

Ik heb niet de kans gehad om de heer Wilders in een debat te treffen na zijn uitspraak over minder, minder, minder Marokkanen, op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen. Ik dacht terug aan een gesprek dat ik met de minister van Sociale Zaken had met de Marokkaanse gemeenschap, kort daarna, over de impact die dit heeft op kinderen uit die gemeenschap. Dit soort uitspraken is vrijheid van meningsuiting. De heer Wilders heeft het volste recht om ze te doen. Ze dragen niet bij aan een oplossing van de problemen. Laat ik dan hier gezegd hebben dat ik in een land wil wonen waar iedereen die een positieve bijdrage wil leveren, een veilig thuis weet, of hij nu Marokkaan van achtergrond is of Turk — de meesten zijn inmiddels allemaal Nederlands, want tweede of derde generatie — of hij nu christen, jood, moslim of humanist is, en waar de rechtsstaat voor al deze mensen geldt. Het zou ook mooi zijn als we dit met zijn allen konden uitdragen, als complete Tweede Kamer. 

(Geroffel op de bankjes) 

De voorzitter:

De heer Buma stond eerder aan de interruptiemicrofoon, maar de heer Wilders werd zo rechtstreeks aangesproken dat ik denk dat het gerechtvaardigd is dat ik hem als eerste het woord geef. 

De heer Wilders (PVV):

We hebben in Nederland een cultuur van haat en geweld geïmporteerd, een cultuur die ertoe heeft geleid dat we in vele steden van ons land moslimenclaves hebben, zoals in de Schilderswijk. Die cultuur maakt Nederland onveiliger, niet alleen vanwege al die jihadisten die naar Syrië en Irak gaan en helaas ook weer terugkomen, maar ook door de gewone criminaliteit. Ik zei het gisteren al: kijk eens naar Opsporing Verzocht. Degene die na een week naar Opsporing Verzocht te hebben gekeken, zegt dat we geen Marokkanenprobleem hebben, snapt er helemaal niets van. Ik houd staande dat de islamitische cultuur niet bij Nederland hoort en dat we Nederland moeten de-islamiseren. Dat betekent dat we onze grenzen moeten sluiten — ja, inderdaad! — voor mensen uit islamitische landen en dat we moslims in Nederland die de islamitische regels — lees: de sharia — belangrijker vinden dan onze nationale wetten, kleur moeten laten bekennen. Als ze niet voor onze wetten kiezen, hebben ze geen plaats in Nederland. Dat zijn niet alle moslims; zeker niet. Het zijn wel moslims die onze wetten dus onbelangrijk vinden. Zij en criminelen zouden ons land moeten verlaten. Door die keuze niet te maken, maak niet ik, maar maakt de minister-president Nederland kapot. 

Minister Rutte:

We hebben vaak gedebatteerd over de politieke correctheid dat je niet zou mogen benoemen dat sommige bevolkingsgroepen oververtegenwoordigd zijn in probleemstatistieken. Die politieke correctheid helpt niet om het probleem op te lossen. Het over-, over-, overgrote deel van Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond, een Turkse achtergrond, een algemeen-islamitische achtergrond is echter bezig om op een positieve manier een plek te veroveren in ons land. Ik spreek vaak jongeren die worden gediscrimineerd omdat ze Mohammed of Fatima heten. Dan zeg ik: "Ja, dat vind ik ook verschrikkelijk en ook heel dom. Ik kan proberen om nog een wet daartegen aan te nemen, maar daarmee los ik het niet op. Het is een feit dat als je als groep van buiten komt en je invecht in een samenleving, er helaas bij groepen in die samenleving sprake is van discriminatie. Maar geef niet op! Misschien moet je twee keer zo vaak solliciteren, maar uiteindelijk kun je met een Marokkaanse achtergrond ook burgemeester van Rotterdam worden en zelfs voor een tweede periode worden benoemd. Dat is Nederland." Bij elk land hoort dat groepen die van buiten komen, te maken hebben met deze fenomenen van discriminatie, hoe slecht ze ook zijn en hoezeer we er met elkaar ook tegen vechten. Wat de heer Wilders doet, is feitelijk zeggen "u hebt dat geloof", "u komt uit die groep" en "het Marokkanenprobleem". Kijk, woorden hebben een betekenis. Ik laat het verder aan de heer Wilders. Hij mag zijn eigen woorden kiezen, er is vrijheid van meningsuiting, maar ik mag dan ook mijn woorden kiezen. Ik denk dat hij hiermee geen bijdrage levert aan het sterker maken van de samenleving, maar een bijdrage levert aan het zwakker maken van de samenleving. Dat vind ik zonde. Als wij hier met een breder draagvlak zouden kunnen werken aan een sterke samenleving, zou mij dat namelijk heel veel waard zijn. 

De heer Wilders (PVV):

Weet u wat ik zonde vind? Dat ik lege straten zie in Nederland, op de burgemeester van Rotterdam en een enkeling uit de moslimgemeenschap na. Ik had de straten eigenlijk vol willen zien met demonstranten die zeiden "dit is niet mijn islam". Ik zie ze niet; nergens op de wereld. Wat ik wel zie, overal ter wereld en ook in ons eigen land, zijn mensen met ISIS-vlaggen die ons land onveilig maken. Het had de minister-president gesierd als hij niet mij de les had gelezen, maar al die mensen had veroordeeld die op 9/11 begrip voor die aanslag zeiden te hebben. Ook een meerderheid van de moslims in Nederland zei dat. Hij had die driekwart moeten veroordelen die begrip hebben voor de mensen die in Syrië gaan strijden. Mensen die de Nederlandse wet minder belangrijk vinden dan de islamitische regels, de sharia, had hij moeten veroordelen in plaats van de PVV. 

Mijnheer de minister-president, niet ik maar u staat aan de verkeerde kant van de streep. U hebt Nederland al voor de helft weggegeven. Met deze houding zorgt u ervoor dat we ons hele land kwijtraken en zolang ik leef, zal ik me daartegen verzetten. 

Minister Rutte:

Als de heer Wilders zegt dat we moeten strijden tegen radicalisme en intolerantie, ook als die door het geloof is geïnspireerd, dan zijn we het natuurlijk met elkaar eens. 

Ik ga nog even terug naar die ochtend dat ik samen met de minister van Sociale Zaken in het Torentje een aantal vertegenwoordigers van de Marokkaanse gemeenschap ontving. Wij spraken toen met iemand uit de krijgsmacht, ondernemers en iemand uit de wereld van de moskeeën. Het waren allemaal mensen die een positieve bijdrage aan het land leveren. Ik zag toen met eigen ogen welke impact het heeft als de heer Wilders in zijn café staat en als voorman van een grote politieke beweging zegt: er moeten in het land minder Marokkanen zijn. "Minder, minder, minder" is letterlijk wat de heer Wilders daar zei en de impact daarvan was gigantisch. 

Ik heb respect voor de heer Wilders als politiek leider van zijn beweging, hoezeer we het ook op dit punt verschrikkelijk met elkaar oneens zijn, maar hij kan nog niet in de schaduw staan van die Marokkaanse mijnheer in mijn kantoor die bij de krijgsmacht werkt, van die man die actief is in zijn moskee, van die jongerenwerker en van die ondernemer. Dat zijn allemaal mensen die gewoon een bijdrage willen leveren aan ons land en ik heb voor die mensen een oneindig groot respect. Ik zou willen dat we met zijn allen die mensen steunen. 

(Geroffel op de bankjes) 

De heer Samsom (PvdA):

Ik bedank de premier voor zijn woorden. Ik heb hem gisteren inderdaad uitgedaagd om deze stelling in te nemen, want het is precies als de premier zegt: woorden hebben hun betekenis. Ik heb de premier de afgelopen jaren leren kennen als iemand die het af en toe snel van zijn schouders laat glijden door te zeggen: ach, het is een rood stuk vlees en daar gaan we niet op reageren. Maar woorden hebben hun betekenis! Als de haatpredikers tot in dit parlement — gisteren hier op het spreekgestoelte! — hun haatzaaiende teksten kunnen uiten, wil ik dat we een premier hebben die daartegen opstaat. Ik wil dat niet omdat hij de premier is van een coalitie waar de Partij van de Arbeid in zit, maar omdat hij een premier is van alle Nederlanders, inclusief die grote groep Nederlanders met een andere religie en een andere afkomst dan het christendom en Nederland. Ik ben blij dat ik zojuist een premier heb gezien die dat doet. Ik moedig hem aan: houd dat vol! 

De voorzitter:

Ik wilde nu het woord geven aan de heer Buma omdat ik hem zojuist heb gepasseerd, maar ik zie aan zijn gezicht dat hij zijn beurt voorbij laat gaan. 

Minister Rutte:

Voorzitter. Over dit onderwerp zijn nog een paar vragen gesteld, bijvoorbeeld de vraag hoe we beleidsmatig omgaan met de radicalisering van mensen in Nederland. De heer Roemer vroeg terecht aandacht voor de nieuwe dynamiek van radicalisering en extremisme in Nederland. De toenemende zorg over jihadisme was de aanleiding voor het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme waarover de Kamer twee weken geleden uitgebreid heeft gesproken. 

Via de integratieagenda wordt verder gewerkt aan het versterken van onze rechtsstaat en het wegnemen van belemmeringen voor participatie. De minister heeft in het plenaire debat over de aanpak van het jihadisme gemeld dat hij half november komt met een voortgangsbrief over de uitvoering van die agenda. De radicalisering wordt aangepakt via een persoonsgerichte benadering en met volle inzet op de wijken en de scholen waar het risico op radicalisering het grootst is. We kiezen voor scherpe handhaving van de rechtsstaat waar dat nodig is, maar ook voor het smeden van een gezamenlijke alliantie tegen radicalisering en haat in onze samenleving. 

De heer Roemer (SP):

Ik heb die discussie inderdaad gevoerd. Ik hoopt dat het een iets uitgebreidere planmatige aanpak zou worden, maar ik wacht af wat er in de brief komt te staan, want daar gaat het uiteindelijk om. Ik mis hier wel het hoofdstuk segregatie. Wat vindt de premier van segregatie en hoe gaan wij die bestrijden? Is dit voor de premier überhaupt een issue? 

Minister Rutte:

Dat maakt hiervan allemaal onderdeel uit. Het is van belang dat bevolkingsgroepen zo veel mogelijk met elkaar verkeren. De mate waarin de overheid dat kan bevorderen, is echter beperkt. 

De heer Roemer (SP):

Dat valt te bezien. De overheid kan zeker stimulerende maatregelen nemen en daartoe kunnen ook woningcorporaties en gemeenten gestimuleerd worden. Je kunt daarin een actieve, informerende rol spelen. Je kunt begeleiden en je kunt er heel veel aan doen, maar is het een issue voor de premier? 

Minister Rutte:

Het is onderdeel van onze hele aanpak, maar ik ben een beetje voorzichtig met het wekken van de indruk dat wij vanuit de politiek alle problemen kunnen wegnemen. Het instrumentarium dat je daarvoor nodig hebt, is diep ingrijpend, ook in de sociale arrangementen van de samenleving. Daarin maken mensen ook hun eigen keuzes. 

De heer Roemer (SP):

Zeker, maar wij hebben gemerkt dat je, als je het niet doet, heel eenzijdig samengestelde wijken krijgt met een bovengemiddeld aantal kansen op vele vormen van problemen: niet alleen criminaliteit, maar ook minder kansen, integratieproblemen en werkloosheidsproblemen. Dat zijn allemaal redenen om naar een zo divers mogelijke wijk te willen werken, om integratie en kansen voor jongeren te bevorderen. Dat heet gewoon "segregatie aanpakken". Ik snap niet dat de premier daarvoor wil weglopen en zich verschuilt achter de stelling dat wij dit niet allemaal vanuit de overheid kunnen doen. Wij kunnen best veel. Wij kunnen het laten gebeuren, maar wij kunnen hiervan ook een issue maken met partners in de samenleving, inclusief gemeentes en woningcorporaties. Het verandert niet van vandaag op morgen, maar wij kunnen hiervan de komende jaren een speerpunt maken waaraan wij echt gaan werken. 

Minister Rutte:

Wat mij betreft is het speerpunt nu het tegengaan van radicalisering, het tegengaan van jihadisme en het handhaven van de rechtsstaat. Segregatie is daarbij vanzelfsprekend een onderwerp. 

Er is ook een vraag gesteld over de beveiliging van joodse instellingen. De minister van Veiligheid en Justitie heeft, zoals tijdens een algemeen overleg op 19 juni is toegezegd, overleg gevoerd met de joodse instellingen en de burgemeesters over de beveiliging van joodse instellingen. De minister van V J stelt voor om voor de kosten van de beveiliging voor de komende vier jaar een bedrag ter beschikking te stellen van in ieder geval 1,5 miljoen euro. Ook gemeenten leveren een bijdrage aan de structurele maatregelen. Uiteraard wordt de betrokken politie-inzet niet doorberekend. Ondanks deze rijksbijdrage blijft de beveiliging van joodse instellingen een lokale verantwoordelijkheid. Het is steeds de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid die het lokale bestuur in dezen adviseert. De minister van Veiligheid en Justitie zal de Kamer conform zijn toezegging eind deze maand uitvoeriger informeren over de nieuwe afspraken over de beveiliging van joodse instellingen en de bijbehorende kostenverdeelsleutel. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Het is goed nieuws dat er nu ook een bedrag bekend is. Ik kan niet helemaal overzien of dit ook afdoende is. In de huidige verhoudingen ligt 5% van de kosten bij de gemeenten, terwijl 95% van de kosten bij de joodse gemeenschap ligt. Ik weet niet hoe die verhoudingen straks komen te liggen. Is dit een bedrag dat met de joodse gemeenschap is afgesproken? Kunnen wij zo snel mogelijk de precieze invulling hiervan krijgen? Wij hadden die al begin september verwacht, maar nu komt over dit onderwerp dus eindelijk de duidelijkheid waarop wij zo ongelofelijk lang hebben zitten wachten. 

Minister Rutte:

Het is niet zozeer een afspraak. Het is een bedrag dat de minister van V en J hiervoor uittrekt. Er komt een brief waarin wij de Kamer precies informeren over alle afspraken, ook met de joodse instellingen. De gemeenten zullen hieraan ook een bijdrage leveren. De politie-inzet wordt niet doorberekend. Dit komt allemaal nog naar de Kamer, maar ik probeer die nu alvast zo veel mogelijk te geven. Er is niet iets als een deal met de gemeenschap, maar wij willen bekijken hoe wij dit in samenhang kunnen oplossen. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Wij hadden deze informatie begin september verwacht, maar ik ben blij dat die er nu wel is en dat er daadwerkelijk een bedrag wordt genoemd. In die zin is dat echt een doorbraak, want wij weten dat het kabinet steeds niet voornemens was om hiervoor echt de portemonnee open te trekken. Wij weten ook dat de minister een soort veiligheidsschouw heeft gehouden bij alle joodse instellingen in Nederland. Ik ga ervan uit dat het bedrag dat hier staat uiteindelijk gekoppeld is aan de uitkomsten van de veiligheidsschouw. 

Minister Rutte:

Het antwoord is ja. 

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister heeft hierover al gezegd dat het een doorbraak was om aan tafel te zitten en precies in kaart te brengen wat er op dit moment nodig is, en we er wel uit gaan komen. Dat lijkt inderdaad te lukken en dat is heel goed nieuws. Ik neem aan dat het een structureel plan is, want dat was namelijk ook de vraag. Deze discussie moet niet elke keer weer terugkomen. Er is geen deal — het is de eigen verantwoordelijkheid van het Rijk — maar het zou wel heel veel waard zijn voor de rust in die gemeenschap als er een regeling is waarvan alle partijen zeggen: zo is het goed geregeld. 

Minister Rutte:

Nogmaals, er komt nog een brief waarin de precieze afspraken en appreciatie uit de joodse gemeenschap staan. Het bedrag is in ieder geval voor vier jaar beschikbaar gesteld. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Dank voor deze woorden, maar bovenal dank voor de instemmende knikken van de minister van Veiligheid en Justitie. 

Minister Rutte:

Die zijn altijd waardevol. Hij heeft ook een groot budget, hoewel niet groot genoeg. Ik ben toe aan het volgende onderwerp, de zorg. 

De voorzitter:

We blijven nog even bij het vorige onderwerp. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

De minister-president gebruikte het woord "verheerlijking" weer, maar ging weer verder met iets anders. Ik realiseer me dat dit kabinet niet positief heeft gereageerd op het voorstel om verheerlijking strafbaar te maken. Ik was er in 2009 zelf bij toen de toenmalig leider van de VVD Mark Rutte, thans premier, een concept-initiatiefwetsvoorstel presenteerde om haat zaaien uit het Wetboek van Strafrecht te halen en het daarmee toe te staan, en ook groepsbelediging toe te staan. Hoe kijkt hij daarop terug, na alles wat hij net heeft gezegd over het tegengaan van haat in de samenleving? 

Minister Rutte:

Dat waren voorstellen van de VVD in de context dat discrimineren en haat zaaien altijd strafbaar blijven als ze leiden tot geweld en dat bijdragen aan haat zaaien, geweld en discriminatie altijd strafbaar is. In deze context zijn die uitspraken gedaan. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Nu maakt de minister-president het wel een stuk kleiner dan op de bijeenkomst waarbij ik toen was. Toen werd heel groot gezegd dat haat zaaien niet tot geweld leidt en dat het pas strafbaar wordt als haat zaaien concreet bedoeld wordt en het wordt aangevuld met geweld. Wel degelijk heeft de heer Rutte, thans minister-president, toen om zeer ideologisch toegelichte, liberale redenen gezegd: haat zaaien, daar moeten we tegen kunnen en tegen groepsbelediging ook. Ik wil gewoon weten of minister-president Mark Rutte nu nog vindt wat hij toen zei. 

Minister Rutte:

Het is altijd wat pijnlijk om jezelf te citeren. Als je in die fase belandt, is het zorgelijk, maar daartoe uitgedaagd, ga ik het toch doen. Op 25 januari 2009 heb ik in een interview in het ochtendblad De Telegraaf gezegd dat burgers en politici veel kunnen zeggen zolang er niet wordt aangezet tot geweld tegen personen of hun bezittingen en discrimineren en haat zaaien wat mij betreft altijd strafbaar blijven bij aanzetten tot geweld. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik vind het nogal wat dat de premier dit zegt. De conclusie van wat hij toen zei, zou zijn dat de ontkenning van de Holocaust toegestaan wordt. 

Minister Rutte:

Daarover heb ik gezegd dat die ontkenning eigenlijk altijd wordt gedaan in de context van het aanzetten tot geweld. In de rechtspraktijk is vervolging daarmee eigenlijk altijd gegarandeerd. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dit klopt dus helemaal niet, want het is toen wel degelijk losgekoppeld van het geweld. Ik zal hierover niet meer interrumperen omdat we verder moeten met het debat, maar alleen nadat ik heb gezegd dat Mark Rutte toen zei: haat zaaien moet kunnen in een liberale samenleving. Ik concludeer dat hij dat nog steeds vindt. 

Minister Rutte:

Nee, dat heb ik nooit gezegd. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dat is toen gebeurd; ik was erbij. De enige grens toen was geweld, en dat vind ik één stap te ver. 

Minister Rutte:

De heer Buma heeft dan niet helemaal goed opgelet. Ik heb ook nog een voortreffelijk optreden gehad in het programma Buitenhof op 31 mei 2009, waarin ik speciaal op het vraagstuk van de Jodenmoord in de Tweede Wereldoorlog inging. Ik heb daar gezegd dat het ontkennen daarvan eigenlijk altijd plaatsvindt in een context van geweld en vervolging daarmee gegarandeerd is. 

De heer Pechtold (D66):

Ik kom terug op het stukje "rechtsstaat". Het kabinet vergeet nog wel eens vragen te beantwoorden; daarin kan een mooi voornemen liggen voor het komende jaar. Zo zijn er vragen gesteld over de Belgische criminele burgerinfiltrant die vandaag voor 12.00 uur beantwoord hadden moeten zijn. Dat zijn ze echter niet. Was het kabinet op de hoogte van de criminele burgerinfiltrant? 

Minister Rutte:

Die vragen zijn schriftelijk gesteld en worden uiteraard binnen alle termijnen beantwoord. Ik ga nu niet alle vragen aan mijn collega's die nog openstaan beantwoorden in de algemene politieke beschouwingen. Dan zou de tijd die er was voor de voorbereiding, tussen 1.15 uur vannacht en 10.30 uur vanmorgen, echt te kort zijn geweest. Ik zou er verder niet voor zijn om dit debat te gebruiken als veegrondje voor openstaande vragen. 

De heer Pechtold (D66):

Ik ben er een groot voorstander van … 

Minister Rutte:

Daar was ik al bang voor. 

De heer Pechtold (D66):

… om te weten wat de minister-president weet. We hebben de minister-president en het kabinet namens zo'n zes fracties de kans gegeven om deze vraag te beantwoorden. Dat is niet gebeurd. Ik vind de zaak dermate ernstig dat ik nu wil weten of in het kabinet, bij de minister van Veiligheid en bij de premier, bekend was dat Nederland zaken deed met een criminele burgerinfiltrant. 

Minister Rutte:

Die vragen worden binnen de termijn beantwoord door de minister van V en J. Punt. 

De heer Pechtold (D66):

Die termijn is verstreken. Dat had voor vanmiddag 12.00 uur moeten gebeuren. Daarom sta ik nu hier. Ik vind het een doodnormale vraag. Het is onze taak om ons te informeren. Dat kan via de schriftelijke vragen. Het kabinet heeft daarvoor de tijd gehad, tot vandaag. Ik vraag daarom nu aan het kabinet, in het openbaar: was het kabinet op de hoogte van een criminele burgerinfiltrant? 

Minister Rutte:

Als schriftelijke vragen niet op tijd beantwoord worden, dan kan de Kamer rappelleren. Ik beschouw dit als een rappel. 

De heer Pechtold (D66):

Ik neem aan dat voor de tweede termijn een antwoord komt. Ik kijk ook naar de minister van V en J. 

Minister Rutte:

Nee. 

De heer Pechtold (D66):

Ik vind dit heel ernstig. Als de Nederlandse regering, het OM of wie dan ook zaken heeft gedaan, met medeweten van de minister, met een criminele burgerinfiltrant, dan dienen de vragen daarover beantwoord te worden. Als de termijn verlopen is, dan verwacht ik voor de tweede termijn een ja of nee op deze vraag. Het is een hele lijst met vragen, maar alle andere vragen kunnen later worden beantwoord. 

Minister Rutte:

Nee, je moet die vragen altijd in samenhang beantwoorden. De vraag die de heer Pechtold stelt, wil ik in samenhang beantwoorden, omdat ook hij een samenhang aanbrengt. Dat zullen we doen. Als wij een termijn net niet halen, dan beschouw ik dit als een rappel en zullen wij het zo snel mogelijk doen. U krijgt echter geen antwoord vóór de tweede termijn. 

De heer Pechtold (D66):

Wanneer wel? 

De voorzitter:

Binnen de termijn van het rappel heeft de regering de gelegenheid alsnog schriftelijk te antwoorden. Als zij dat niet binnen de termijn heeft gedaan, komt het terug als een mondelinge vraag in het mondelinge vragenuur. Zo hebben wij het met elkaar afgesproken. 

Minister Rutte:

De antwoorden worden morgen verstuurd. Er wordt nu de laatste hand aan gelegd. 

Ik ga door met het volgende thema, te weten de gezondheidszorg. De heer Slob heeft gevraagd naar het verdeelmodel. Er komt een nieuw verdeelmodel. Dat is altijd lastig, want het kan effecten ten positieve hebben en soms ook ten negatieve. Je probeert het altijd zo goed mogelijk te middelen. Het verdeelmodel voor 2016 is nog niet vastgesteld. Er zal met een ingroeipad worden gewerkt. Ik ben het met de heer Slob eens dat we moeten oppassen voor ongewenste uitschieters. Ook ben ik het ermee eens dat het niet gewenst is dat gemeenten die in het verleden goed hebben gepresteerd, bijvoorbeeld op het gebied van preventie, daarvan nu nadeel zouden ondervinden. Dit wordt besproken met de VNG. Die gesprekken zijn gaande, zowel over het nieuwe verdeelmodel als over het ingroeipad. Dat doen we altijd bij verdeelmodellen, of het nu gaat om de bijstand of in dit geval om de Wmo. Je probeert het geld zo veel mogelijk via objectieve verdeelcriteria te verdelen. 

Er zijn ook vragen gesteld over de regie over de verschillende decentralisaties. Met de verschillende Kamerleden die hieraan hebben gerefereerd, ben ik het eens dat die decentralisaties forse eisen stellen aan de uitvoeringskracht van gemeenten. De VNG en het Rijk werken sinds geruime tijd samen in de ondersteuning van gemeenten bij de voorbereiding op de decentralisaties. Die samenwerking wordt de komende tijd voortgezet om de gemeenten ondersteuning op maat te bieden op die punten waar een versnelling in de voorbereiding nodig is. 

De Transitiecommissie Sociaal Domein heeft de taak, te onderzoeken of gemeenten de noodzakelijke bestuurlijke, organisatorische en financiële maatregelen hebben genomen om de decentralisaties in het sociaal domein in samenhang te kunnen uitvoeren. Ook adviseert zij gemeenten over ondersteuning, alternatieve werkwijzen, aanpassingen of noodzakelijk geachte maatregelen om knelpunten weg te nemen. Om een eerste beeld te krijgen van de voortgang van de voorbereiding bij de gemeenten, is men begin augustus gestart met het uitvoeren van een quickscan. In een brief van 2 juli aan de Kamer is gemeld dat de transitiecommissie iedere drie maanden rapporteert aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De rapportages zullen met de gemeenten worden besproken aan de regietafel decentralisaties onder voorzitterschap van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uiteraard zal deze minister ook de Kamer de rapportages doen toekomen. 

Tegen die achtergrond is natuurlijk de vraag wat het kabinet doet met de signalen dat het soms minder soepel loopt dan verwacht. D66, de PvdA en andere fracties vroegen daarnaar. Een belangrijk uitgangspunt bij de decentralisatie van taken van het Rijk naar de gemeenten is het vertrouwen dat het kabinet heeft in het functioneren van de lokale democratie. Daar is een college, daar is een gemeenteraad en daar wordt verantwoording afgelegd over de uitvoering van de wettelijke taken en over de behaalde resultaten. Natuurlijk hebben wij hiervoor een aantal landelijke wettelijke kaders vastgesteld en worden onder meer eisen gesteld aan de uitvoering van taken zoals in het wetsvoorstel Wmo 2015. Indien een gemeente niet aan deze eisen voldoet, is het primair aan de gemeenteraad, de lokale democratie, om bij te sturen. De Transitiecommissie Sociaal Domein kan helpen bij het goed in beeld brengen van de knelpunten en zij kan ondersteuning aanbieden in de vorm van het Ondersteuningsteam Decentralisaties, het zogenaamde OTD. Ingeval het systeem van horizontale verantwoording niet tot het gewenste resultaat leidt, biedt het interbestuurlijk toezichtinstrumentarium op basis van de Gemeentewet uiteraard alle mogelijkheden om in te grijpen. Daarbij geldt ook een escalatieladder. Als er sprake zou zijn van taakverwaarlozing door een gemeente, kan uiteindelijk worden ingegrepen. Wij hebben er op dit moment goede verwachtingen van dat het niet nodig is. De minister van BZK houdt zich als coördinerend minister bezig met het creëren van één budget voor de decentralisatie in het sociaal domein, de integratie-uitkering — de Kamer heeft daarover een brief ontvangen op 11 september — en het inrichten van een gezamenlijke monitor voor het gedecentraliseerde sociaal domein. Daarover is de Kamer op 4 juli geïnformeerd. Via de ambassadeurs sturen we op het aangaan van regionale samenwerking en het maken van financiële afspraken. Zo hebben we in de periode tussen augustus 2013 en juli 2014 in totaal 34 bezoeken afgelegd aan gemeenten en regio's om te helpen bij de vorming en inrichting van de samenwerkingsverbanden. Verder is onder leiding van minister Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een visie ontwikkeld over gegevensverwerking en privacy, waarin handvatten worden geboden voor de gewenste gegevensuitwisseling. Er is verder een uitgebreid ondersteuningsprogramma ingericht onder de noemer Gemeenten van de Toekomst. Tot slot zeg ik dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een brede regietafel in het leven heeft geroepen, waaraan kabinet en gemeenten de voortgang in het sociaal domein bespreken. 

Tegen die achtergrond zijn er natuurlijk ook weer vragen gesteld, onder anderen door de heer Van Ojik, over deze ingrijpende hervormingen. Uiteindelijk kiest GroenLinks zelfs in de tegenbegroting voor een zogenaamd noodfonds. De heer Van Ojik vroeg of het kabinet bereid is om zo'n noodfonds in te stellen. Mijn reactie is dat er goede wetten liggen. Ik noem de Wmo, de Jeugdwet, de Zvw en de Wet langdurige zorg. Daarin is het overgangsrecht geregeld. De budgetten zijn vastgesteld. Die zijn ook adequaat om de taken te kunnen uitvoeren en om de gegevens aan de gemeenten te kunnen overdragen. Er zal hierbij op een vernieuwende wijze moeten worden gewerkt. De voorbereidingen door gemeenten, verzekeraars en aanbieders zijn in volle gang. Er moet wel veel gebeuren. Daarbij is ook stevige ondersteuning beschikbaar. Het kabinet houdt de vinger aan de pols, onder andere via die al genoemde transitiecommissie. Wij menen dat een noodfonds, een stroppenpot niet nodig is. Wij hebben wel een aantal afspraken gemaakt over verzachting van de bezuinigingen en de ombuigingen in de langdurige zorg. Er is voor 2015 400 miljoen bijgekomen voor die zorg. Van de regeerakkoordmiddelen zijn verder gelden naar voren gehaald om in 2015 en 2016 75 miljoen extra beschikbaar te hebben voor de huishoudelijkehulptoelage. En ook eerder, bij het zorgakkoord en het VNG-akkoord hebben verzachtingen plaatsgevonden, waardoor bijvoorbeeld de korting op de huishoudelijke hulp van 75% in het regeerakkoord, is teruggebracht naar 40%. Ik meen dat die korting inmiddels zelfs 32% is, maar in ieder geval is zij dus niet hoger dan 40%. 

Ik kom nu bij een belangrijk vraagstuk, namelijk, hoe je zo goed mogelijk kunt voorkomen dat er mensen worden ontslagen in de huishoudelijke zorg. Daarbij spelen een aantal zaken een rol. Uiteraard spelen daarbij alle instrumenten die ik noemde, dus de transitiecommissie, de Taskforce Transitie Langdurige zorg. Die moet aanbieders en gemeenten bij elkaar brengen als het inkoopproces te traag gaat of dreigt vast te lopen. Dan is er nog de aanvullende mobiliteitsdienstverlening door het UWV. Dat is aanvullend en volgtijdelijk op de sectorplannen die zijn gemaakt. Daarnaast zijn er voor gemeenten extra mogelijkheden voor behoud van arbeidsplaatsen via de huishoudelijkehulptoelage. Die mogelijkheden wil ik hier in het bijzonder belichten. Daarvoor stellen wij, zoals ik zei, twee keer 75 miljoen beschikbaar. Daarmee kunnen in principe 10.000 tot 13.000 thuishulpen hun baan behouden. Het lastige daarbij was alleen dat men dat moest aanvragen vóór 1 december. Er zijn inmiddels gesprekken gaande met gemeenten en aanbieders om al per 1 oktober die duidelijkheid te krijgen, omdat we anders het risico zouden lopen dat het te lang zou duren, waardoor er al mensen zouden zijn ontslagen voordat er financiële duidelijkheid is. Ik neem aan dat ook de discussie die de heren Slob en Samsom voerden over de 40 miljoen, daarover ging. Ik heb begrepen dat het daarbij ging over de vraag of dit nog een extra impuls kan geven. Als je dit per 1 oktober doet, kun je niet alles zo precies meten als je zou kunnen in het geval je dit per 1 december zou doen. Daarom loop je het risico van overschrijding. Dan is de 40 miljoen eigenlijk het expansievat om dit mogelijk te maken. Het goede daarvan is, dat mensen hun eigen bijdrage leveren, maar dat vanuit deze middelen voor die huishoudelijkehulptoelage uiteindelijk ook geld beschikbaar is om daarbovenop te leggen. Op die manier kunnen we alles bij elkaar weer ongeveer op het oude uurloon uitkomen. We kunnen niet iedereen daarmee aan het werk houden, maar wel een grote groep van oplopend 10.000 tot 13.000 mensen. Als je het helemaal goed doet, kan dit zelfs om 15.000 banen gaan. 

De heer Roemer (SP):

Blijkbaar is het eindelijk tot het kabinet doorgedrongen hoe dramatisch de consequenties van dit pakket zijn. Inmiddels zijn er al 25.000 mensen hun baan kwijtgeraakt. Zij hebben hier niets aan. Vandaag en deze week raken mensen gewoon 20% van hun salaris kwijt. Dat gebeurt ook in mijn regio. Zij mogen morgen met dat lagere salaris hetzelfde werk gaan doen. Wat is het antwoord voor al deze mensen? Die zitten hier naar een blablaverhaal te luisteren, maar die zitten wel werkloos thuis te kijken. 

Minister Rutte:

Nee, dit is geen blablaverhaal. Wij zijn aan het makelen en schakelen. Wij gaan de huishoudelijke hulp veel meer richten op een bepaalde doelgroep, met het risico dat mensen hun baan verliezen. Dat proberen wij zo veel mogelijk te beperken. Wij gaan uit van een uniform bedrag van ergens tussen de €7,50 en €12,50 uit die toelage. De rest, het verschil tussen de door de gemeente betaalde inkoopprijs en de waarde, wordt betaald door de cliënt of een andere derde, zoals het ook past in het systeem waarin wij die huishoudelijke hulp veel meer gaan richten op een bepaalde doelgroep. Op die manier proberen wij zo veel mogelijk van deze mensen aan het werk te houden. Het afgelopen weekend heeft een eerste sessie plaatsgevonden met wethouders. Dat geeft vertrouwen. Het is nog niet helemaal af, maar de afspraak is wel om te proberen niet in december maar al in oktober die duidelijkheid te hebben. 

De heer Roemer (SP):

Laat ik vooropstellen dat ik blij ben met iedereen die kan blijven werken met behoud van hetzelfde salaris, maar — daar is de premier nog niet op ingegaan, zoals ik al zei — het beleid dat ze dit jaar hebben ingezet en dat voor 1 januari aanstaande werkelijkheid wordt, heeft inmiddels al tot 25.000 ontslagen geleid. Dat gaf de teller bij de FNV vorige week aan en die loopt nog dagelijks op. In diverse regio's worden medewerkers nog steeds geconfronteerd met ontslagbrieven of met brieven met de mededeling dat ze fors salaris moeten inleveren. Dat gaat iedere dag door. Bevestigt de premier nou dat het inderdaad een enorme mispeer is geweest, dat ze dit hadden moeten zien komen? Willen ze ook nog eens bekijken hoe ze die mensen daadwerkelijk voor de zorg kunnen behouden? De komende jaren hebben wij ze namelijk heel hard nodig. 

Minister Rutte:

Dit is een van de ingewikkeldste transitieaspecten naar het nieuwe stelsel. Toen wij de huishoudelijke hulp veel meer gingen richten op de mensen die deze hulp ook echt nodig hebben, wisten wij dat wij daarbij ook moesten zorgen voor goed flankerend beleid om zo veel mogelijk mensen aan het werk te houden. Dat constateerden wij met elkaar. Dat deed ook Ton Heerts van de FNV in gesprekken met ons beiden een week of vijf, zes geleden. Op andere plekken is geconstateerd dat 1 december te laat is. Dat is echt een inzicht. Vandaar dat toen onmiddellijk is doorgeschakeld en gezegd: dan gaan wij nu aan tafel zitten met alle partijen om ervoor te zorgen dat wij er alles aan doen om zo veel mogelijk mensen aan het werk te houden. 

De heer Roemer (SP):

De premier blijft eromheen draaien. Als je met elkaar denkt dat meer mensen thuis willen blijven wonen — het kabinet doet daar nog een schepje bovenop door ze te dwingen langer thuis te blijven wonen — dan is het niet uit te leggen dat je vervolgens 40% bezuinigt op de huishoudelijke verzorging. Dan weet je dat gemeenten geen contracten kunnen sluiten. Dan weet je dat aanbieders mensen moeten ontslaan of het salaris van mensen fors moeten verminderen. Dat hadden niet alleen wij van tevoren al aangekondigd, maar ook heel veel mensen buiten de Kamer. Het kabinet heeft het doorgezet en zit nu met de gebakken peren. Nee, al die mensen thuis zitten met de gebakken peren. Ouderen zijn hun hulp kwijt. 25.000 mensen zijn hun baan kwijt. Nog eens tienduizenden mensen zijn een groot deel van hun salaris kwijt, dat toch al niet zo hoog is. Dat is het probleem van het kabinet. Dat wordt met een paar maatregelen misschien iets verlicht, maar niet teruggedraaid. 

Minister Rutte:

Niet "iets". De ambities zijn groot met deze maatregel, al geef ik niet de garantie dat je het probleem daar helemaal mee kunt wegnemen. Er is natuurlijk een effect. Dat weet je ook als je dit soort regelingen meer gaat richten op een bepaalde doelgroep. Wij willen echter duidelijkheid geven aan instellingen en mensen. Overigens merk ik van de wethouders dat zij dat ook willen. Dat moeten wij niet pas later dit jaar doen, met het risico dat het inderdaad te laat is, maar nu al, per 1 oktober. Dat willen de wethouders natuurlijk ook. Dat willen de instellingen. Waarom zou je mensen immers niet de kans geven om dit belangrijke werk te blijven doen? Daar is ook geld voor: twee keer 75 miljoen, mogelijk nog eenmalig 40, maar daar horen wij dadelijk de twee fractievoorzitters nog over. Daarmee zou je dit de komende jaren in belangrijke mate kunnen overbruggen. Daarna is er ook nog structureel geld beschikbaar om deze kwestie zo goed mogelijk te laten landen. 

De heer Samsom (PvdA):

Dit bedoelde de Partij van de Arbeid toen zij zei: als je ziet dat er nog bijgestuurd moet worden, stuur dan bij. Ik ben blij dat het zelfs binnen dertien dagen kan, maar daar wordt ik ook enigszins ongerust van, want dan denk ik: wat gaat er dan in die dertien dagen gebeuren? De minister-president legt het nu heel snel even uit, want dat hoort bij de algemene politiek beschouwingen. Wellicht zouden we met elkaar kunnen uitspreken dat de Kamer zo snel als mogelijk kan geworden geïnformeerd, zodat ook de SP-fractie kan worden meegenomen in deze bijsturing. De SP-fractie heeft daar immers zeer uitgesproken om gevraagd. Wat mij betreft gebeurt dat met iets meer geld dan twee keer 75 miljoen: ongeveer 40 miljoen extra. 

Minister Rutte:

Ik kan toezeggen dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Kamer zo mogelijk voor 1 oktober bericht over de stand van zaken rond het project met de huishoudelijkehulptoeslag. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Daarbij aansluitend: het is inderdaad heel goed dat er al twee keer 75 miljoen beschikbaar is gekomen voor de huishoudelijkehulptoeslag. Ik vind het verder prima dat wat sneller duidelijkheid zal worden gegeven, maar dan moeten gemeentes daar wel volop aan mee kunnen doen. Het zou namelijk vervelend zijn als gemeentes met goede plannen, waarmee mensen die zorg nodig hebben die ook krijgen — dat hoort voorop te staan — die plannen een dag te laat indienen. Dat willen we met elkaar niet hebben. We zullen vanuit de Kamer het kabinet oproepen, een deel van het extra bedrag dat beschikbaar is gesteld voor de transitieperiode, ook hiervoor te gebruiken. Dan kan er nog meer werkgelegenheid worden behouden en kan er nog meer zorg beschikbaar blijven. 

Minister Rutte:

Zo is. Het is niet zo dat de datum van 1 december nu is verdwenen. We willen voorkomen dat er pas per die datum duidelijkheid komt. Vandaar de datum van 1 oktober. Maar nogmaals, de datum van 1 december blijft gewoon staan. Dan helpt iedere extra euro. Ik begrijp dat mijn interpretatie van het "toneelstuk" gisteren van de heren Slob en Samsom dat het erop leek dat beide heren goed op elkaar ingespeeld waren, klopt ten aanzien van die 40 miljoen. 

Ik kom toe aan mijn zesde van de in totaal zeven blokken: energie. Daarna kom ik, zoals beloofd, onder andere nog bij mevrouw Thieme terug. Het energieakkoord is uitvoerig besproken door een aantal leden. De SP, de ChristenUnie, GroenLinks en D66 vroegen naar de doelstellingen van duurzame energie en naar de volgende stappen op het terrein van energiebesparing. De minister van Economische Zaken is, samen met maatschappelijke partijen en het bedrijfsleven, bezig met het uitwerken van de afspraken uit het energieakkoord. Het bedrijfsleven is op talloze dossiers bezig, met de andere partijen invulling te geven aan de ambities. Dan gaat het om de maatregellijsten om invulling te geven aan de energiebesparingsambities in de industrie, de geothermische energie, energie-efficiency in de landbouw, de energieprestatiekeuringen voor bedrijven et cetera. Wij herkennen ons niet in het beeld dat het bedrijfsleven daarbij achterover zou leunen. Dat is zeer actief betrokken en ziet kansen. Anders dan sommigen veronderstellen leggen wij ons er niet bij neer dat we doelstellingen niet zouden halen. In het energieakkoord hebben partijen zich gecommitteerd aan de gestelde doelen, waaraan zij elkaar zullen houden en waarop ze elkaar zullen aanspreken. Ze zullen met elkaar in gesprek gaan als ontwikkelingen niet gaan zoals voorzien. Er is een borgingscommissie, onder leiding van oud-minister en commissaris van de Koningin Ed Nijpels, die de voortgang monitort. 

Ik kan over de voortgang van Wind op Zee zeggen dat er op korte termijn een brief van de minister van Economische Zaken naar de Kamer zal worden gestuurd. De ambities ten aanzien van aanbesteding in 2015 bestaan nog steeds. Samen met de windenergiesector is er ook nieuw uitrolsysteem ontwikkeld, waarbij vergunningen en subsidies door de overheid in één tender worden uitgegeven. Met deze maatregelen en met innovatie in de sector zelf moet het mogelijk zijn, de efficiencyafspraak van 40% — dat is behoorlijk ambitieus — te halen in de periode tot 2023 bij Wind op Zee. 

Er is ook geïnformeerd over de afspraken rond demonstratieprojecten in het kader van Wind op Zee. Er worden momenteel met stakeholders meerdere opties voor test- en demonstratiefaciliteiten bestudeerd. Op basis daarvan zal een voorstel worden uitgewerkt, als onderdeel van nieuw te bouwen windparken. Op basis van het voorstel dat in het najaar wordt verwacht, zal worden beoordeeld of deze activiteiten inderdaad kunnen worden betrokken bij de kavelbesluiten en de regeling voor de stimulering van duurzame energie, de SDE-plusregeling oftewel de SDE-plussubsidie. De sector heeft gemeld dat het voorstel zal aansluiten bij de nieuwe systematiek en de geplande uitrol. 

Ten aanzien van de vervolgstappen, waar onder andere GroenLinks om heeft gevraagd, merk ik op dat hetgeen waarom gevraagd wordt, nu ook in het akkoord zit. Energiebesparing is een speerpunt in het energieakkoord. Dat is het ook in de energie-intensieve industrie. Het energieakkoord is ook op dit punt niet vrijblijvend. De verschillende partijen, waar de overheid er overigens ook een van is, zullen elkaar aanspreken als er niet wordt geleverd. Wat voor de energie-intensieve industrie geldt, geldt ook voor de woningbouwcorporaties. Onder de naam "Stroomversnelling" wordt een programma waarin vier bouwers en zes corporaties afgesproken hebben om voor 2010 100.000 woningen om te bouwen tot zogenaamde "nul op de meter"-woningen, uitgerold en stapsgewijs opgeschaald. Dat programma ligt op schema. 

Met de introductie van de postcoderoos, een term die de heer Samsom heeft toegelicht in de formatie, zijn mogelijkheden gecreëerd voor huishoudens zonder "geschikt" dak om toch te investeren in zonne-energie. Om aan de ambitieuze doelen ten aanzien van energiebesparing in de glastuinbouw te voldoen, wordt onder andere geothermie ingezet. Alles overziend meen ik dat er een ambitieuze agenda ligt voor de besparing van energie, de opwekking van duurzame energie en het nakomen van de afspraken uit het energieakkoord. Dat biedt ook groeikansen voor de Nederlandse economie en een verdere aanzet tot innovatie. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De agenda is ambitieus. Dat is hartstikke goed en heel belangrijk. Dat is misschien wel belangrijker dan ooit. De vraag is hoe het zit met de uitvoering. Er zijn rapporten, bijvoorbeeld het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving, dat eigenlijk een beetje is uitgelekt, waarin staat dat het best eens zou kunnen dat we behoorlijke vertraging gaan oplopen. Dat is één ding. Deelt de minister-president die angst? Wat mij zelf verontrust, is het volgende. We hebben de regeling Stimulering Duurzame Energie, de SDE-plusregeling. Voor dit jaar is daarvoor naar ik meen 3,5 miljard euro gereserveerd. Ik begrijp dat de uitputting nog niet eens de helft is. Ziet de minister-president mogelijkheden om de SDE-plusmiddelen in de komende maanden nog te doen benutten om de uitvoering van het energieakkoord, die eerder sneller moet dan langzamer, te bevorderen? 

Minister Rutte:

In 2016 wordt de tussenstand van een en ander opgenomen. Er wordt dan gekeken waar we staan. Op basis van alle initiatieven hebben we goede hoop en verwachten we dat we kunnen vasthouden aan de doelstellingen, zoals ik al zei. Als dat niet lukt, zullen we elkaar daarop aanspreken en bezien hoe we die alsnog kunnen realiseren. Op dit moment heb ik echter geen aanleiding om aan te nemen dat dat niet mogelijk zou zijn. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik vraag het nog iets specifieker. Klopt het dat de uitputting stagneert van de middelen, die 3,5 miljard euro, die gereserveerd zijn om de overgang naar duurzame energie te financieren en financieel mogelijk te maken, en dat nog niet de helft van het geld dat we daarvoor opzij hebben gezet, al een bestemming heeft? 

Minister Rutte:

Vorig jaar is het allemaal uitgegeven en dit jaar hebben we nog drie maanden te gaan. Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat er grote bedragen zullen overblijven. We zullen dat echter moeten bezien. Vorig jaar is de hele pot leeg gegaan en dit jaar hebben we nog een kwartaal te gaan. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik hoop dat het optimisme van de premier op dat punt bewaarheid wordt. Ik stel er een vraag bij. Ik begrijp dat we van de minister van Economische Zaken rond 1 oktober een brief krijgen met de plannen voor vergunningverleningen en aanbestedingen voor wind op zee. Als onverhoopt zou blijken dat het geld dat we opzij hebben gezet, niet wordt gebruikt, worden wij daar dan in diezelfde brief over geïnformeerd, zodat ook de Kamer erop kan toezien dat die vertraging, waarvoor een aantal mensen bang is, niet daadwerkelijk optreedt? 

Minister Rutte:

In de eerste week van oktober komt de brief waarover de heer Van Ojik het heeft. Wat ik zei over de doelstellingen, is niet een kwestie van optimisme. Ik baseer dat op het feit dat heel veel partijen, van Greenpeace tot VNO-NCW, met elkaar samenwerken rond het energieakkoord, dat men zeer gecommitteerd is en dat men ook de balans ziet tussen milieu, energie en innovatie. Iedereen ziet dus de mogelijkheden die het energieakkoord biedt. Daarnaast hebben de partijen de ambitie uitgesproken om die 16% ook daadwerkelijk te halen. 

De voorzitter:

Mijnheer Buma. O, u schrikt ervan! 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ja, ik volgde dit gesprek met belangstelling, om te bekijken of het nog zin heeft om extra zonnepanelen op mijn dak te plaatsen. 

Minister Rutte:

Altijd goed! 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

De premier heeft mijn vraag over kernenergie schriftelijk beantwoord. Dank voor dat antwoord. Ik lees het zo: als er een businesscase mogelijk is — we beseffen allemaal dat dat op dit moment niet het geval is — dan is het voor het kabinet principieel mogelijk om in het kader van CO2-uitstootloze energieopwekking kerncentrales in Nederland erbij te hebben. Klopt het op die manier? 

Minister Rutte:

Het kabinet gaat daar niet over. Als iemand een kerncentrale wil bouwen en een vergunning aanvraagt, blokkeren we dat niet. Het is wel zo dat we op dit moment overcapaciteit in de elektriciteitsproductie hebben. Naar mij is gemeld, is een businesscase voor een kerncentrale op dit moment heel lastig rond te krijgen. Het kabinet heeft geen principieel bezwaar tegen de bouw van nieuwe kerncentrales. Ik zie dat echter niet snel gebeuren. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik deel dat, want ik begrijp ook dat het niet iets is van vandaag op morgen. Maar van belang is wel dat we niet, zoals bijvoorbeeld Duitsland, zeggen: geen kernenergie meer. Dat doet men in Duitsland en ik vind het belangrijk dat dit Partij van de Arbeid/VVD-kabinet die keuze niet maakt. 

Minister Rutte:

Nee. Voor ons geen Atomausstieg, in goed Nederlands. Maar ik hoor minister Kamp naast mij zeggen dat er nu ook geen aanvraag ligt voor een kerncentrale. Dat klopt. 

Voorzitter. In het bijzonder de heer Samsom heeft vragen gesteld over de rol van Energie Beheer Nederland om mee te investeren in duurzame energieproductie, zoals dat ook gebeurt bij olie en gas. Het kabinet zet in op een duurzame energiehuishouding en daar is het energieakkoord dus ook van belang. Ik noemde al het aantal kansen voor de export, maar ook de 15.000 extra banen waar rekening mee wordt gehouden. Wij willen met onze topsector Energie uiteindelijk ook in de top tien van de mondiale Cleantech Ranking terechtkomen. Die ambitie hebben we. Er zijn overheidsmiddelen beschikbaar om de kosten voor duurzame energieproductie te verlagen. Er is ook een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten, et cetera, et cetera. 

Als onderdeel van het energieakkoord is door de Nationale Investeringsinstelling en de sector gekeken naar de financiering van duurzame energie en dan specifiek Wind op Zee. Kijk, daar wordt de heer Samsom meteen actief! Daaruit volgt dat er in principe op dit moment geen gebrek lijkt te zijn aan beschikbaar kapitaal. Wel moet echter bij de vormgeving van de subsidie voor Wind op Zee rekening gehouden worden met de financierbaarheid van de projecten. Daarom wordt op dit moment ook samen met de sector, als onderdeel van de vormgeving van de tenders voor Wind op Zee, nadere uitwerking gegeven aan deze kwestie. De minister van Economische Zaken is momenteel bezig met de doorlichting van het hele Gasgebouw, waar EBN onderdeel van uitmaakt, en hij zal de Kamer in oktober informeren over de uitkomsten. Dan kan ook worden ingegaan op de suggestie van de heer Samsom om te bezien hoe EBN optimaal kan worden ingezet om de grote opgaven op het terrein van energie te realiseren. 

De heer Samsom (PvdA):

Mijn vraag ging één stapje verder dan dat. Ik vind het mooi dat er in dat kader naar gekeken wordt, maar ik zou graag de toezegging willen dat EBN in staat wordt gesteld om breder te kijken dan olie en gas. We hoeven niet precies elke duurzame energiebron af te gaan om te bekijken of daarin geïnvesteerd kan worden, maar ik wil graag de grens doorbreken tussen fossiel en duurzaam wat betreft de mede-investeringen door de Staat. 

Minister Rutte:

Akkoord. Alleen: het moet natuurlijk een meerwaarde hebben, dus daarom wordt dat meegenomen in dat hele Gasgebouw en de rol van EBN daarin. Zodra dat echter ook maar enigszins meerwaarde heeft, gaan we dat doen. 

Voorzitter. Dan zijn er natuurlijk ook vragen gesteld, onder andere door de heer Pechtold, over energieafhankelijkheid, bijvoorbeeld de afhankelijkheid van Russisch gas. De discussie over die voorzieningszekerheid en importafhankelijkheid wordt op dit moment volop gevoerd, zowel in de Europese Unie als in Nederland. De Europese Commissie heeft op 28 mei, in reactie op het conflict in de Oekraïne, een eigen zekerheidsstrategie voor energievoorziening gepresenteerd. Ik ben, evenals de Commissie, van mening dat de belangrijkste onderdelen van de Europese en Nederlandse voorzieningszekerheidsstrategie zouden moeten zijn: het voltooien van marktintegratie, zodat er een geïntegreerde Europese markt is; het verbeteren van netwerken en interconnecties; het verder diversifiëren van de energiemix, onder andere door ervoor te zorgen dat we energie uit meerdere landen halen; en natuurlijk het voeren van een eigen energie- en klimaatbeleid met ambitieuze doelstellingen, zoals we dat aan het doen zijn. Tegen die achtergrond is er natuurlijk de vraag hoe het zit met de afhankelijkheid van Russisch gas. Voor Nederland geldt dat het daar in ieder geval op dit moment onafhankelijk van is. Nederland importeert zo'n 5% van het gas uit Rusland, maar zou ook zonder die 5% kunnen. Dat doen we meer om het contact met Rusland te houden. Maar natuurlijk is onze gasvoorraad niet oneindig. 

Wat betreft olie is de Europese afhankelijkheid van Rusland kleiner dan bij gas. Gemiddeld is ongeveer 30% van de olie-import afkomstig uit Rusland. Het is op zichzelf makkelijker om dat percentage terug te dringen, simpelweg omdat je geen pijp nodig hebt maar een schip. Echter, als dat zou leiden tot een heel andere situatie, dan is dat natuurlijk wel schadelijk voor de economie van Rotterdam en Amsterdam, die in belangrijke mate profiteren van de aanlanding van die olie. Maar strikt genomen is het bij olie iets makkelijker dan bij gas om onafhankelijk te worden van Rusland. 

Dan kom ik nu bij het rubriekje overige zaken. Ik bedoel natuurlijk natuur en milieu! 

De voorzitter:

Mijnheer Slob heeft nog een vraag over het vorige onderwerp. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Er zijn bepaalde doelstellingen gesteld voor schone energie en de energietransitie. Die zijn deze kabinetsperiode zelfs iets verlaagd ten opzichte van voorheen. Op dit moment liggen we heel ver van die doelstellingen af. Bent u bereid, met alles wat er deze zomer gebeurt en alle onzekerheden die er zijn over energie, om die doelstellingen nog eens goed te bekijken en te bekijken of we die energietransitie kunnen versnellen? Want het is meer dan ooit belangrijk dat we, ook als het gaat om schone energie, proberen om in Nederland slagen te maken, zoals met windenergie, zonne-energie en blauwe energie. Er zijn gelukkig nog heel veel mogelijkheden om daarop in te zetten. 

Minister Rutte:

Het punt is dat het realiseren van deze doelstellingen niet alleen leidt tot kansen, banen en innovatie, maar ook heel veel geld kost. Zij zijn zeer ambitieus. In het kader van deze algemene beschouwingen heb ik mij er opnieuw in verdiept, want ik wist dat dit onderwerp zou komen, maar je moet vaststellen dat je er niet een tandje bij kunt doen en dat de percentages dan ineens hoger liggen. Je moet echt bereid zijn om er heel veel geld voor vrij te maken. Ik zie dat niet gebeuren. Ik denk dat we er vooral alles aan moeten doen om de doelstellingen die we hebben, te realiseren. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Als we constateren dat onze energieafhankelijkheid, bijvoorbeeld van een land als Rusland, te groot is, en dat we moeten proberen om daarin veel meer zelf te voorzien, dan moet dat tandje er toch gewoon bij? Het is toch onvermijdelijk dat wij de komende jaren alles doen, maximaal, om te voorkomen dat we weer naar kerncentrales toe moeten, met grote onzekerheden als het gaat om kernafval, om maar iets te noemen, of dat we weer afhankelijk worden van een energiebron in een ander land waarvan we niet op die manier afhankelijk willen zijn? 

Minister Rutte:

We geven er 3,5 miljard euro per jaar aan uit. We hebben echt vergaande, ambitieuze doelstellingen. Nogmaals, Nederland is in zeer beperkte mate energieafhankelijk van Rusland. Als het nodig is, zijn er alternatieven voor olie. De komende tien jaar zijn we wat gas betreft niet afhankelijk van Rusland. In die zin is er ook geen nationaal belang. Er is wel een Europese urgentie, waarover discussie plaatsvindt, maar voor de Nederlandse agenda is mijn standpunt dat we nu een goede balans hebben en dat we onze handen meer dan vol zullen hebben om die doelstellingen te realiseren. 

Voorzitter. Natuur en milieu. Er is gevraagd naar een kabinetsvisie op de rol die klimaatverandering speelt bij toekomstige conflicten. Voor een deel kan ik herhalen wat ik bij eerdere interrupties in het debat heb gezegd. Wij leveren een grote bijdrage aan voedselzekerheid. De Nederlandse agrosector is niet alleen de tweede exporteur in de wereld, maar levert ook vooraanstaande, innovatieve oplossingen voor het op duurzame wijze verhogen van de productie met minder hulpbronnen. We hebben ook gesproken over klimaatslimme landbouw, waarbij de kennis en ervaring van Nederland worden ingezet om op een duurzame manier om te gaan met natuurlijke hulpbronnen die steeds schaarser worden, zoals water, mineralen en energie. Er worden veel initiatieven genomen, waaronder de Alliance for Climate-Smart Agriculture. Deze wordt volgende week gelanceerd op de klimaattop in New York, waar ik gepland heb bij te zullen zijn. 

Een vervolgvraag is of het kabinet kan garanderen dat soevereine besluitvorming over milieu, voedselveiligheid, privacy en dierenwelzijn niet onder de vlag van het vrijhandelsakkoord de facto wordt overgedragen aan het bedrijfsleven. De Europese standaarden voor dierenwelzijn zullen niet ondergeschikt worden gemaakt aan het belang van de Europese Unie en de Verenigde Staten om hun onderlinge handelsbetrekkingen te versterken. Mevrouw Thieme heeft ook andere bezwaren geopperd bij het vrijhandelsverdrag, zoals de investeringsbescherming voor bedrijven. Het kabinet heeft de Kamer al laten weten daaraan stringente voorwaarden te zullen verbinden. Het vrijhandelsverdrag met de Verenigde Staten draagt bij aan de handel en aan het verlagen van de importtarieven. Deze worden vereenvoudigd door wederzijdse standaarden te erkennen, maar niet door onze standaarden te verlagen. Dat is een belangrijke red line voor mevrouw Ploumen en mijzelf. 

De heer Van der Staaij heeft nog gevraagd of de ministerraad ooit eerder is geopend met Bijbellezing. Ik moet zeggen dat ik dat niet zeker weet. De heer Colijn werd al genoemd in de eerste termijn van de Kamer. Het zou mij niet verbazen, maar ik moet het antwoord schuldig blijven, want dat zou meer studie vragen. Als ik het ooit heb, zal ik de heer Van der Staaij daarover onmiddellijk berichten, maar op dit moment is dat niet zeker. 

De heer Van der Staaij sprak over Lucas 10, vers 30 tot 35, naar een zeer oude tekst uit de Statenvertaling van de Staten-Generaal voor de Synode van Dordrecht. Ik moet zeggen dat deze in ieder geval niet op deze wijze aan de orde is geweest in de ministerraad. Dat weet ik zeker. 

De mooie schets die de heer Van der Staaij gaf van die vergadering, bevat beslist een aantal herkenbare elementen, op één punt na. Ik ken de Staatkundig Gereformeerde Partij als een vrij formele partij, niet in de persoonlijke contacten, maar wel in het meer formele verkeer. Het heeft mij verbaasd dat hij ervan uitging dat de ministers en de staatssecretarissen elkaar tutoyeren in de ministerraad. Dat is niet het geval. Wij noemen elkaar bij de achternaam om daarmee ook in de ministerraad, hoewel zonder media en in de beslotenheid, een zekere formaliteit aan de vergadertafel te handhaven. Dus alleen op dat punt moet ik een kleine correctie aanbrengen in het beeld, maar verder was het een prachtig verhaal. 

De voorzitter:

Misschien is dat een formaliteit die u dan ook kunt gebruiken als u hier staat in vak-K. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Aan het begin van zijn bijdrage gaf de minister-president aan dat hij een speciaal blokje natuur en milieu had gereserveerd omdat "mevrouw Thieme anders boos zou worden". Ik hoop dat er meer achter zit dan dat, maar het gaf mij wel wat meer hoop, omdat er in de troonrede helemaal niets over natuur en milieu werd gezegd; het enige klimaatprobleem dat dit kabinet aanroerde, was het investeringsklimaat in ons land en verder heb ik het woord klimaat niet gehoord. 

In mijn eerste termijn heb ik vragen gesteld over natuur en milieu in Nederland. Ik heb duidelijk geschetst dat mensen op dit moment op het platteland te lijden hebben van de opkomst van megastallen, dat mensen hun ramen niet meer kunnen openen vanwege de stank, dat een zoon van iemand astma heeft en door de fijnstof nog nauwelijks kan ademen, dat er sprake is van zo veel landbouwgif op het platteland dat de Gezondheidsraad spreekt over mogelijk onaanvaardbare gezondheidsrisico's. En dat heeft allemaal te maken met datgene waarover de minister-president net sprak: wij willen graag exporteren, landbouw is een belangrijke sector. Dat heeft echter een prijs en die prijs betalen we hier. Ik vraag de minister-president hoe hij die "megamorfose" van het platteland, het oprukken van die megastallen voor zijn rekening kan nemen. Ik vraag dit ook omdat hij destijds als fractievoorzitter heeft gezegd: ik ben het met mevrouw Thieme eens, dat mensonterende stapelen van varkens, daar moeten we inderdaad wat aan doen en daar kunt u bij mij altijd voor terecht. Welnu, hier sta ik. U bent nu minister-president. U hebt nu een partner, de PvdA, die ook heeft gezegd: stop de megastallen. Nu kunt u de daad bij het woord voegen. Gaat u dat ook doen? 

Minister Rutte:

Onder deze coalitie en onder eerdere coalities is het dierenwelzijn in Nederland aangescherpt. We zitten boven het gemiddelde Europese niveau. We hebben strenge milieueisen. Ondanks al die eisen hebben we nog steeds een zeer innovatieve landbouwsector, en ik merk dat die er ook zelf grote waarde aan hecht om via de veeteelt en het verbouwen van allerlei gewassen bij te dragen aan de directe voedselvoorziening en om een bijdrage te leveren aan het milieu en aan de beleving van het platteland. Ik kom er zelf veel. Ik ken de sector. Ik heb er echt een ander beeld van dan mevrouw Thieme. En al zou ik misschien zelf door een rietje naar de sector kijken doordat ik een aantal eigen voorbeelden ken, dan nog zijn er de objectiveerbare feiten van de Nederlandse milieu- en dierenwelzijnswetgeving. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Mijn partij maar ook heel veel andere partijen in de Kamer krijgen wekelijks mails van mensen die aangeven het langzamerhand verstikkend te vinden om op het platteland te leven, omdat er zo veel fijnstof en stikstof is; ze zien de heide verdwijnen en de bodem verzuren, en ze zien niet dat het kabinet zijn verantwoordelijkheid neemt. Als u als toenmalig fractievoorzitter van mening was dat het afgelopen zou moeten zijn met het mensonterende stapelen van varkens en dat het niet ten koste mag gaan van dieren en mensen, dan vraag ik u nu als minister-president waarom dit kabinet geen halt toeroept aan die opkomende megastallen. 

Minister Rutte:

Ik denk dat het belangrijk is om als kabinet een opvatting te hebben over niet zozeer de precieze bedrijfsvorm die mensen kiezen als wel de randvoorwaarden waarbinnen kan worden ondernomen. We hebben een strenge wetgeving op het terrein van dierrecht, op het terrein van milieu en het terrein van ondernemerschap, waarbinnen de sector er nog steeds in slaagt om te behoren tot misschien wel de meest innoverende van de wereld. Dat is voorwaar een prestatie, want die wetgeving is gewoon pittig en zit ondernemers soms ook in de weg. Daarvoor grote complimenten. Het lijkt mij niet dat we er verder aan bijdragen om de sector succesvoller te laten zijn en ook qua impact op de samenleving anders te laten opereren, door nog verder de regelgeving aan te scherpen. Ik denk dat dat goed gaat. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik begrijp de minister-president goed dat wat hem betreft de opkomst van de megastallen verantwoord is en dat hij daar niets tegen gaat doen. 

Minister Rutte:

Nogmaals, we hebben wetgeving. We hebben allerlei kaders waarbinnen het milieu, het dierenwelzijn et cetera moeten worden georganiseerd. Ik denk dat die echt staan en dat ze voldoende zijn. Ze zijn dusdanig streng dat ik weleens bewondering heb voor de agrarische ondernemers, omdat zij er binnen al die wetgeving nog steeds in slagen om een zo ongelooflijk succesvolle sector wereldwijd toonaangevend overeind te houden. 

Voorzitter. Tot slot kom ik te spreken over de tegenbegrotingen. Ik denk dat dit kort kan, want ik heb er al een paar dingen over gezegd. Ik begin bij de tegenbegroting die we al vanaf gisterochtend 08.00 uur hadden kunnen zien. Omdat we niet allemaal de hele dag de GroenLinks-website open hebben staan, hebben we haar pas gelezen toen zij werd rondgedeeld. Ik heb het over de tegenbegroting van de heer Van Ojik van GroenLinks, waarvoor ik grote waardering heb. Ik ben het niet met alles eens, zo zeg ik maar tot de heer Van Ojik, maar ik heb er grote waardering voor dat hij een tegenbegroting indient. We zullen de voorstellen zorgvuldig bestuderen. Wellicht komt ook de minister van Financiën er nog nader op terug; anders zal de financieel woordvoerder van GroenLinks dat doen tijdens de algemene financiële beschouwingen. Er zat bij mij wel één haar in de soep, als ik het zo mag noemen. Dat is het afschaffen van het topsectorenbeleid, zowel in de sfeer van ombuigingen als in de sfeer van lastenverzwaringen. Het zou echt een aanslag zijn op innovatie, op onderzoek en op de versterking van ons bedrijfsleven door nieuwe innovatieve sectoren een kans te geven. Het zou mijn tegenuitdaging aan de heer Van Ojik zijn om daar nog eens goed naar te kijken. 

Aanvankelijk zette ik een groot vraagteken bij de aanpak van belastingontwijking, maar uit de nadere duiding begrijp ik dat de 1,3 miljard wel degelijk te onderbouwen zou zijn. Daarvoor spreek ik mijn complimenten uit. Ik ben het er inhoudelijk niet mee eens — maakt u zich geen zorgen, mijnheer Zijlstra! — maar ik wijs erop dat het wel van maatregelen is voorzien. Aanvankelijk dacht ik dat de 1,3 miljard meer een wens was, maar dat is niet zo. GroenLinks heeft hier wel degelijk een aantal maatregelen onder gelegd, die overigens allemaal uiteraard ook effecten hebben op de werkgelegenheid en op de groei. Maar goed, nogmaals dank voor de tegenbegroting. Ik denk dat er bij de algemene financiële beschouwingen nader op wordt ingegaan. Op één punt zie ik een spanningsveld met het GroenLinks zoals ik dat ken van mevrouw Halsema en de heer Van Ojik, het GroenLinks dat ook voor een sterke, innovatieve economie is. Dat is de wel heel forse bezuiniging als gevolg van het afschaffen van het topsectorenbeleid. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik wacht uiteraard met spanning af hoe onze begroting bij alle begrotingsbesprekingen en bij de algemene financiële beschouwingen haar weg zal vinden naar de echte begroting. Ik ben blij met de positieve woorden van de minister-president. Die 1,3 miljard voor het aanpakken van belastingontwijking is inderdaad onderbouwd met een aantal heel specifieke maatregelen. Zo kent de minister-president GroenLinks ook. Dat geldt ook voor het schrappen van het topsectorenbeleid. Wij sluiten daarmee eigenlijk een beetje aan bij de redenering van de WRR in het rapport Naar een lerende economie. Daarin zegt de WRR — ik vat het uiteraard in mijn eigen woorden samen — dat de topsectoren de steun van de Nederlandse overheid juist niet nodig hebben. Als je een kabinet bent dat zo gelooft in marktwerking, laat dan juist de topsectoren hun werk doen in de markt en ondersteun daar waar bedrijven je steun nog hard nodig hebben of daar waar er zaken zijn die je anders wilt. 

Minister Rutte:

Het topsectorenbeleid is natuurlijk een coproductie van de overheid, kennisinstituten en het bedrijfsleven. Als je dat helemaal zou tunen naar sectoren waarmee het nog niet goed gaat, zitten daar ook weer grote risico's aan. Natuurlijk moeten de uitdagers ook een kans hebben, maar dan wel de uitdagers met levenskracht. Het afschaffen, wat hier gebeurt, is echt een enorme greep in de kas van innovatie en onderzoek. Maar goed, voor de heer Van Ojik geldt hetzelfde als voor het kabinet: je moet moeilijke keuzes maken. Dit is een keuze die GroenLinks maakt. De tegenbegroting lezende en mij verplaatsende in de GroenLinks-kiezer, was dit de enige keuze waarvan ik dacht: daar zou ik nog even naar kijken. Voor de rest begrijp ik vanuit de GroenLinks-filosofie veel van de keuzes die worden gemaakt. Ik uit nogmaals mijn grote waardering daarvoor. 

Ik heb ook waardering voor het CDA. Ik heb al een paar dingen gezegd over zijn tegenbegroting. Ik was nog even op zoek naar de dekking voor het terugdraaien van maatregelen inzake de kindregelingen en de Wmo, maatregelen op het terrein van het Witteveenkader en zo nog wat zaken ten grootte van een miljardje of drie. Die kon ik zo snel niet meer vinden, vandaar ook mijn opmerking vanmorgen dat er blijkbaar inmiddels wel steun is voor die maatregelen. Maar verder, grote waardering voor het feit dat het CDA een tegenbegroting heeft gepresenteerd. Ik kan mij voorstellen dat ook die nader terugkeert bij de AFB. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik denk dat de minister van Financiën u nog even de woorden in de mond legt dat u deze tegenbegroting uiteindelijk overneemt. 

Minister Rutte:

U ziet mij met hem praten, maar ik vroeg hem of hij al inzage had gehad in de SP-tegenbegroting. Dat is het geval en ik kreeg net een appreciatie van die tegenbegroting. Ik zal er zo meteen op ingaan. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dat is niet de begroting die overgenomen hoeft te worden, maar dat terzijde. 

Minister Rutte:

Ik ben het met u eens. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Vanochtend was u — maar zand daarover — wat kinderachtig door te wijzen op wat er niet wordt gedekt. Ik had gisteren in het debat onze keuzes namelijk al toegelicht en aangegeven waarom het meest wel wordt teruggedraaid. Dat kunt u ook zien. 

Deze begroting is een eerste stap op weg naar een eenvoudiger belastingstelsel. Ik zei gisteren al: onze tweede stap komt wanneer het helemaal op inkomenseffecten is doorgerekend. De premier maakte er vanochtend vrij snel gehakt van, maar ik zeg hem: als het kabinet daadwerkelijk op de langere termijn lagere belastingen wil, dan ontkomt ook het kabinet niet aan keuzes. En die keuzes zullen helemaal niet zo ver van deze tegenbegroting af liggen. Onze keuzes zouden het wel eens kunnen worden. U kunt ons voorstel van tafel vegen omdat de dekking niet deugt en de inkomenseffecten ontbreken, maar ik geef u op een briefje: als u werkelijk werk maakt van belastinghervormingen die meer zijn dan wachten op toevallige meevallers in de toekomst, dan hoort daar een kleinere overheid bij. Daar horen ook inkomenseffecten bij, maar er horen vooral heel veel positieve effecten voor de werkgelegenheid bij. Als u de begroting goed leest, ziet u het erin staan en u zult er nog verbaasd over staan hoeveel u er zelf van over gaat nemen. 

Minister Rutte:

We'll see! 

We hebben in ieder geval afgesproken dat we met elkaar het gesprek aan zullen gaan over een nieuw belastingstelsel. Ik verheug me daarop. Ik heb vanmorgen al een aantal kanttekeningen geplaatst, bijvoorbeeld bij het feit dat de koopkracht van de ouderen wel erg door het ijs zakt. Verder worden er een aantal intensiveringen niet teruggedraaid en de IACK-bezuiniging draagt ook niet direct bij aan een versterking van het investeringsvermogen en het groeivermogen van de economie. Maar goed, dat zijn uw keuzes. Er zitten ook keuzes in die ik wel begrijp. Ik waardeer al met al enorm "de worp" van het CDA. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Nu doet de premier hetzelfde als vanmorgen. Ik zei "zand erover", maar nu begint hij weer opnieuw. Natuurlijk kun je er een enkel elementje uitpakken, zonder naar de kant te kijken waar de effecten worden goedgemaakt, bijvoorbeeld door een belastingverlaging in de eerste schijf. Dit zijn keuzes. 

Ik hoor de premier als een Kamerlid zeggen dat het plan niet deugt, maar de regering zou moeten regeren. Wanneer een fractie in de Kamer, in dit geval het CDA, met een plan komt dat die kant opgaat, dan kun je het lezen door de bril van "wat deugt er niet?", maar je kunt het ook lezen door de bril "hé, we hebben elkaar nodig; we zouden die kant wel eens uit kunnen gaan". En ook al leest de premier het door die eerste bril, ik roep hem daar toch toe op. 

Minister Rutte:

Die effecten op de ouderen zijn het totaaleffect van de tegenbegroting. Ik licht er dan echt niet één maatregel uit. Maar laten we er nou gewoon met elkaar over in gesprek gaan. Ik waardeer het zeer dat het CDA een tegenbegroting heeft gemaakt. De VVD deed dat ook toen ze in de oppositie zat en toen lag ik net zo onder vuur als nu de heer Buma. Ja, zo hoort dat! We hebben hier scherpe discussies, maar dat neemt niet weg dat er elementen in zitten die het kabinet snapt. 

De voorzitter:

Mijnheer Buma voelt zich uitgedaagd. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Het is een gesprek dat wij voeren. 

Het woord "tegenbegroting" vind ik best, maar in feite is het een eerste stap op weg naar de belastingverlaging waarvan het kabinet zegt dat het die wil. Ik zeg maar één ding: het kabinet zal ook keuzes moeten maken of het is allemaal luchtfietserij en op drijfzand gebaseerd. Wat doe je als je een belastingverlaging betaalt uit meevallers die er nog niet zijn? Het alternatief is dat je keuzes maakt en als het kabinet keuzes maakt, dan zal het ook deze kant op moeten. Wij zullen in oktober het plan met alle werkgelegenheidseffecten en dergelijke voor de lange termijn kunnen presenteren. 

Minister Rutte:

Dat wachten we af. 

Voorzitter. Tot slot kom ik bij de tegenbegroting van de Socialistische Partij, waarvoor ook veel waardering. Ik moet toegeven dat het SP wel een keuze maakt, namelijk het saldo laten verslechteren met meer dan 1%. Daardoor komen we boven de 3% uit. Dat is geen goed nieuws, denk ik. Daarnaast viel mij op dat sommige hervormingen niet worden teruggedraaid, zoals de AOW-leeftijdsverhoging. Het lijkt nu alsof ook de SP zegt dat de AOW-leeftijdsverhoging een gegeven is. Dat is goed nieuws. Een paar maatregelen zijn zo ingrijpend dat zij lastig per 2015 in te voeren zijn, maar dat is ook wel weer logisch, want als je een tegenbegroting maakt, maak je een begroting tegen die van het kabinet. Het is van mij ook niet helemaal fair om de heer Roemer daarop aan te vallen en dat laat ik dus liggen, want als de heer Roemer zelf in de regering had gezeten, had hij eerder een begroting gemaakt. Dan had hij maatregelen kunnen nemen die nog wel invoerbaar waren, terwijl een paar maatregelen lastig op heel korte termijn zijn in te voeren. 

De saldoverslechtering en het niet terugdraaien van de AOW-leeftijdsverhoging sprongen er voor ij helemaal uit. Verder begrijp ik de begroting helemaal door de bril van de SP en de keuzes die deze partij maakt, waarvoor waardering, althans voor het feit dat de SP zo'n tegenbegroting maakt. 

De heer Roemer (SP):

Dat is al meer dan ik vandaag gekregen heb, waarvoor dank. 

Ik had ook graag eerder een tegenbegroting gemaakt, maar als je inderdaad een paar dagen ervoor de cijfers krijgt op basis waarvan je een tegenbegroting moet maken, is het lastiger. Daar hebben wij over en weer begrip voor. Het saldo waarop wij uitkomen, is 2,5%. Dat is inderdaad iets hoger dan het kabinet, maar beneden de 3%. Die 2,5% is uitstekend binnen alle normen. Verder hebben wij inderdaad geprobeerd om zo veel mogelijk te repareren, maar ik kan niet anders dan concluderen dat slopen nu eenmaal sneller gaat dan bouwen. 

Minister Rutte:

Ik laat die termen even voor rekening van de heer Roemer. Overigens komt hierbij dat de verslechtering van het saldo ook te maken heeft met het feit dat de heer Roemer een aantal maatregelen niet eerder kon invoeren. Als hij ze eerder had kunnen nemen, waren ze wellicht op tijd invoerbaar geweest en zou het saldo niet door de 3% zijn gezakt. Als ze op tijd waren genomen, zou het saldo inderdaad aan de goede kant van de 3% zijn geëindigd. De eerlijkheid gebiedt mij om dat op te merken. 

Voorzitter, hiermee meen ik de tegenbegrotingen van commentaar te hebben voorzien, althans op hoofdlijnen. Ze komen ongetwijfeld nog terug bij de algemene financiële beschouwingen. Ik heb een poging gedaan om de vele opmerkingen die de Kamer in eerste termijn gemaakt heeft, te beantwoorden. Ik verheug mij op het vervolg van het debat. 

De voorzitter:

Dank u. Daarmee is een einde gekomen aan het antwoord van de regering in eerste termijn. Wij waren gisteren laat, maar zijn vandaag best vroeg. Gezien het tijdstip wil ik doorgaan met de tweede termijn, maar ik kan mij voorstellen dat daarvoor enige voorbereidingstijd nodig is. Dat signaal heb ik ook van diverse mensen gekregen. Daarom gaan wij een halfuurtje schorsen. 

De vergadering wordt van 16.21 uur tot 16.53 uur geschorst. 

De voorzitter:

Ik verzoek de leden, hun plaatsen in te nemen, zodat wij kunnen beginnen met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef als eerste het woord aan de heer Roemer van de fractie van de SP. 

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Ik wil graag beginnen met het bedanken van de minister-president voor zijn uitgebreide beantwoording. Ik moet erkennen dat hij er aardig in is geslaagd om dat in een behoorlijk tempo te doen dit keer. We waren blijkbaar tijdens deze algemene beschouwingen meer met elkaar bezig dan met het kabinet. Dat kan ik jammer vinden, maar de Kamer gaat nu eenmaal over haar eigen vergadering. Zo werkt dat. Dat de beantwoording snel was, wil niet zeggen dat ik er blij mee ben. De complimenten moeten vooral niet verkeerd worden opgevat. De premier is er trots op dat zijn kabinet zo veel veranderingen heeft doorgevoerd. Hij noemde dit kabinet het meest hervormingsgezinde kabinet sinds vele jaren. Zo kun je het zeker noemen, maar niet iedere verandering is een verbetering. Soms gaan broodnodige veranderingen via een volstrekt verkeerde weg. 

Ik vroeg de premier naar een definitie van armoede. Hij zei dat mensen die in de financiële problemen zitten hun uitgaven beter moeten afstemmen op hun inkomsten. Hij zei ook dat mensen in de armoede belanden als zij de weg naar de bijstand niet kunnen vinden. Zelden heb ik een premier gehoord die zo wereldvreemd spreekt over mensen in armoede. Met dit soort uitspraken kwetst hij mensen die graag willen werken, maar gewoon geen werk kunnen vinden. Hij kwetst daarmee ouderen die ziek worden, maar de zorg niet kunnen betalen. Hij kwetst een moeder in de bijstand die elke maand een gevecht moet leveren om haar kind fatsoenlijk eten te geven en die door het beleid dat de premier verdedigt met €312 wordt gekort. 

Sinds het aantreden van de premier met het kabinet-Rutte I, nu vier jaar geleden, is in ons land veel hervormd, om die term maar te gebruiken. Sinds Rutte I is het aantal mensen dat gebruik moet maken van de voedselbank gestegen van ongeveer 50.000 naar 85.000. Sinds die periode zijn zo'n 225.000 mensen werkloos geraakt. Het aantal miljonairs in ons land steeg vorig jaar met 16,5% tot 173.000 en ondertussen is het aantal kinderen dat opgroeit in armoede schrikbarend toegenomen. In 2012 waren dat er 384.000 en dat aantal is alleen maar toegenomen. Het aantal mensen dat de zorgkosten niet meer kan betalen, is opgelopen tot boven 1 miljoen. 

Dat is de reden waarom wij zo fel zaten op de uitwerking van het beleid van de afgelopen jaren. Er zijn zo veel mensen die geen perspectief zien en die in het beleid alleen maar verder in de hoek worden gedrukt. Daarom maken wij andere keuzes dan het kabinet. Ja, het kan veel menselijker en veel socialer. Heel veel mensen die het debat hebben gevolgd, waren van mening dat er veel meer óver ze werd gesproken dan dat er vóór ze werd gesproken en ze perspectief werd gegeven. 

Dan nog een opmerking over de toenemende internationale spanningen. Die leiden ook tot meer spanningen in onze buurten. Wij steunen het beleid om extremisme aan te pakken en jihadstrijders op te pakken. Wij staan echter ook pal voor onze rechtsstaat en vinden dat de ministers ook hier gecontroleerd moeten worden door de rechter. We willen onze bijdrage leveren aan het helpen van mensen die op de vlucht zijn, en moeten ons uiterste best doen om fascistische moordbrigades als ISIS te bestrijden. We moeten mensen in de wijken echter ook een alternatief bieden, een toekomst bieden en een perspectief bieden. We moeten ervoor zorgen dat de mensen zich hier ook thuis voelen en dat ze kansen krijgen. Zij moeten kansen krijgen in hun wijk, kansen krijgen in hun buurt, kansen krijgen op werk. Haal in al die wijken de voedingsbodem weg en voorkom dat mensen geen uitzicht meer hebben, in welke vorm dan ook. Daarvoor is meer inspanning nodig, bijvoorbeeld bij het investeren in wijken, maar ook bij het aanpakken van segregatie. Ik ben heel benieuwd naar de brief van de minister over wat hij echt wil doen aan integratie. 

We willen ook lessen trekken uit het verleden, uit de oorlog in Afghanistan en die in Irak. Daarvan kunnen wij leren dat ondoordacht optreden en oorlogszuchtige taal alleen maar tot meer problemen en tot meer slachtoffers leiden, en tegenstellingen alleen maar vergroten. Als het gaat om het bestrijden van gewelddadige conflicten in het buitenland moeten we niet hooghartig zijn. Laten we behoedzaam en voorzichtig zijn, en niet achter een agenda aanlopen die zal leiden tot grote conflicten en meer massief geweld in gebieden waar al veel te veel wapens aanwezig zijn. 

Bij de inrichting van onze samenleving moeten we niet bescheiden zijn. We kunnen in Nederland armoede beter bestrijden. We kunnen mensen in deze onzekere tijden meer zekerheid bieden. Wat mij betreft ging het debat van de afgelopen dagen te weinig over de problemen waarmee mensen elke dag te maken hebben. In de komende maanden zullen we in de Kamer alle begrotingen behandelen. Daarbij zal de SP voorstellen doen om het beleid bij te sturen waar dat kan. Vanavond sluit ik mijn bijdrage af met het indienen van drie moties, om daaraan een eerste richting te geven. 

Mijn eerste motie gaat over het Belastingplan. De 2% rijkste Nederlanders bezit een derde van al het vermogen, terwijl 60% van de Nederlandse huishoudens helemaal geen vermogen heeft, of zelfs in de schulden zit. De snel groeiende tegenstellingen vormen een gevaar voor de solidariteit en voor de samenhang in de samenleving. Een land met zulke grote tegenstellingen wordt uit het lood geslagen. We willen een begin maken met het eerlijker maken van de belasting op vermogens. Gewone spaarders moeten worden ontzien door ze geen belasting meer te laten betalen over een fictief rendement. Mensen met een groot vermogen moeten worden belast op grond van werkelijk gehaalde rendementen. Daartoe dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de relatieve inkomsten van belasting op arbeid toenemen en van de belasting op kapitaal afnemen; 

constaterende dat kleine spaarders gemiddeld lagere rendementen halen en relatief zwaar worden belast; 

verzoekt de regering, te komen met een voorstel om de vermogensrendementsheffing te baseren op het werkelijk genoten rendement, zodat van kleine spaarders minder wordt gevraagd, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 5 (34000). 

De heer Roemer (SP):

Ik heb vandaag niet voor het eerst gesteld dat de verhuurdersheffing een ramp is voor corporaties maar vooral ook voor huurders. Het omzetten van de verhuurdersheffing in een investeringsplicht geeft corporaties veel meer ruimte om de broodnodige investeringen te doen, om de woningnood aan te pakken, maar ook om woningen te renoveren, energiebesparende maatregelen te nemen en op het platteland te investeren in bijvoorbeeld wijkvoorzieningen. Dit levert ook nog eens tienduizenden banen in de bouw op. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de bouw van sociale huurwoningen, investeringen in onderhoud en in de leefbaarheid van buurten achterblijven; 

constaterende dat de verhuurdersheffing voor woningcorporaties de mogelijkheden voor investeringen flink beperken; 

verzoekt de regering, te komen met een voorstel om de verhuurdersheffing voor woningcorporaties om te zetten in een investeringsplicht, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 6 (34000). 

De heer Roemer (SP):

Het zal uit alle betogen die ik en mijn collega's de afgelopen tijd hebben gehouden, duidelijk zijn dat wij ons ernstig zorgen maken over het over de schutting kiepen van zo veel beleid naar gemeenten. Wij maken ons daarbij vooral zorgen over de extreme bezuinigingen waarmee dat gepaard gaat. Die zorgen ervoor dat een en ander niet zorgvuldig kan worden ingevoerd, dat veel mensen hun baan verliezen en dat veel gemeenten in de problemen komen. En vooral zorgen die bezuinigingen ervoor dat veel ménsen in de problemen komen. Dat kan en moet beter. Vandaar de volgende motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de decentralisatie van zorg en ondersteuning naar gemeenten gepaard gaat met forse bezuinigingen; 

constaterende dat veel gemeenten nu al aangeven dat zij de zorg en ondersteuning niet op peil kunnen houden; 

constaterende dat tienduizenden zorgmedewerkers de afgelopen tijd hun baan hebben verloren; 

verzoekt de regering, voor volgend jaar de bezuinigingen die gepaard gaan met de decentralisaties, te schrappen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 7 (34000). 

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter. Ik dank het kabinet voor de beantwoording in eerste termijn en voor de toezegging die het kabinet heeft gedaan bij monde van de premier — hij kijkt mij nu vragend aan, maar hij heeft echt een toezegging gedaan — op het gebied van de groei van de economie, de banen en de vraag hoe we gaan zorgen dat barrières, regels en lasten die werkgevers hebben boven op het verschil tussen bruto en netto loon, kunnen wegnemen. Hoe kunnen we die belemmering wegnemen om te zorgen dat er meer banen in Nederland komen? Ik begreep de toezegging van de premier zo dat hij dat in brede zin gaat doen. De minister van Sociale Zaken is gelukkig al bezig op dat terrein en dat is goed, maar dit gaat ook in brede zin worden opgepakt. Dat is prima. 

Ik heb verder begrepen dat de premier volgende week zelf aanwezig zal zijn bij de klimaatconferentie. Dat is goed, want dat is een belangrijk onderwerp, maar ik wil hem wel een heldere boodschap meegeven. Wij moeten het Nederlandse bedrijfsleven niet onnodig op achterstand zetten. Dat is de portee van mijn betoog. Dus ook voor de klimaatconferentie wil ik het kabinet meegeven dat het mooi zou zijn als wij vergaande afspraken kunnen maken op wereldniveau. Maar het kan volgens mij niet zo zijn, zoals eerder wel is gebeurd, dat wij als Europa ons aan van alles verbinden, terwijl de rest van de wereld in zalige vrijheid en ongebondenheid niets doet, want dan zorgen we ervoor dat er een volgende barrière voor ons bedrijfsleven op Nederlandse en Europese banen wordt neergelegd. De ambitie van het kabinet is dus heel goed, maar wel graag met deze beperking. 

In het kader van de groei van de economie moeten we succes ook niet afstraffen. Een zaak die een dezer dagen naar voren kwam, was het feit dat er in het groene onderwijs een probleem is. De leerlingenaantallen zijn groter dan verwacht. Dat komt omdat meer leerlingen daar bewust voor kiezen in het kader van hun loopbaan. Dat leidt tot een financieel probleem. Wij zullen bij de algemene financiële beschouwingen samen met D66 met een motie komen om te proberen dat probleem op te lossen. Dat is binnenkort. Wij zeggen nu al richting het kabinet dat het goed zou zijn als het kabinet ook kijkt naar het verschil in de bekostigingssystematiek tussen die twee vormen van groen onderwijs, want dat is de reden voor het ontstane probleem. 

De heer Slob (ChristenUnie):

De voorganger van de heer Zijlstra zei altijd: je moet geen moties indienen die onnodig zijn. Hij is inmiddels tot minister gepromoveerd en zit nu te knikken. Volgens mij hebben we op dit onderwerp een heel duidelijke toezegging gekregen van de minister-president: het wordt geregeld. Er zijn inderdaad problemen bij het groene onderwijs. Die zijn niet alleen het gevolg van het feit dat er een begrenzing was als het ging om de groei, maar ook omdat er op leerlingenniveau gekort werd met 2%. Het kabinet heeft al toegezegd dat het dat gaat oplossen. De heer Zijlstra is dus al bediend. 

De heer Zijlstra (VVD):

Dat moet nog blijken. Daarom doen we het ook niet nu. De algemene financiële beschouwingen zijn ervoor om te zorgen dat het allemaal keurig geregeld is. 

Ik dank het kabinet voor het heldere en ambitieuze antwoord op het gebied van de belastingen. Ik zeg daar echter bij dat snelheid en zorgvuldigheid wel in balans moeten zijn. Het is goed dat het kabinet maximale snelheid wil maken, maar dat betekent voor de VVD wel dat als wij volgend jaar bij de begroting met de eerste stappen willen komen, het helder moet zijn hoe het totaal eruit gaat ziet. Het moet niet zo zijn dat een deelstap ertoe leidt dat het eindplaatje slechter wordt. We moeten het eindplaatje dus kennen om vervolgens zo snel mogelijk stappen te kunnen zetten. Ik zal een voorbeeld geven. Kijk naar de zorgtoeslag. Wij zouden graag van de toeslagen af willen, maar als we dat doen als een deelstap, standalone, dan gaat dat, denk ik, nooit lukken vanwege de inkomenseffecten. Het kan hopelijk wel lukken in het kader van de totale belastingherziening. Als we deelstapjes nemen zonder het totaal te kennen, maken we de eindsituatie misschien slechter. Zorg er dus bij alle snelheid eerst voor dat het eindplaatje helder is voordat er deelstappen worden gezet. Zorgvuldigheid zou voorop moeten staan. Maar ambitie is natuurlijk heel goed. 

Er is, vanwege de zorgen die er op dat punt zijn, terecht veel discussie geweest over pensioenen en de indexering ervan. Tegelijkertijd hebben we een discussie gehad over de vraag of de pensioenfondsen meer in Nederland kunnen investeren; de heer Samsom vroeg daar aandacht voor. Het kabinet heeft al voor het reces aangegeven een nationale hypotheekinstelling en een nationale investeringsinstelling, afgekort NHI en NII, op te richten. Daar zijn wij voor, maar wel met een helder mandaat. De NHI — de "H" staat er niet voor niets — gaat over het bundelen van hypotheken. Daarvoor kan de kapitaalmarkt worden gebruikt, dat is heel goed. De NII is de katalysator tussen kapitaal, vaak van pensioenfondsen, en grote projecten in Nederland zonder eigen kapitaal. We moeten wel binnen het mandaat blijven, want anders komen we straks misschien in de situatie dat een en ander ten koste gaat van het rendement van pensioenfondsen en hebben we weer een discussie over het al dan niet indexeren door pensioenfondsen. Dat moeten we voorkomen. We moeten het goede doen, zo zeg ik de heer Samsom na, maar we moeten ervoor oppassen daarbij iets verkeerds te doen. Ik vraag dus om de balans in de gaten te houden. 

Het kabinet deelt de urgentie op het punt van veiligheid en daar ben ik blij om. Ik zie dat dit ook Kamerbreed leeft. De internationale situatie is instabiel en ronduit bedreigend. Ik heb in dit huis een breed draagvlak gevoeld voor extra investeringen in defensie en in onze veiligheid. Het kabinet heeft het zelf al aangegeven, het is een trendbreuk, dus niet alleen 100 miljoen dit jaar. Een trendbreuk houdt niet in dat je alleen nu een stapje zet en daarna niet meer. Een trendbreuk betekent meer en dat zegt het kabinet zelf ook. In dat licht zal de VVD ook een motie steunen die de SGP later in dit debat zal indienen. 

Ons land is de afgelopen jaren door een heel moeilijke periode gegaan. Iedereen — ik zei het in eerste termijn al — heeft de gevolgen gevoeld van de crisis en van de maatregelen die het kabinet heeft moeten nemen; pijnlijk gevoeld. Iedereen heeft ermee te maken gehad, zelf of bij vrienden. Gelukkig beginnen we nu op te krabbelen. De economie herstelt langzaam. Eerst de export. Dat is gebeurd. Dan de bedrijfsinvesteringen. Die zien we ook. Volgend jaar zullen we voor het eerst in de cijfers zien dat de consumenteninvesteringen omhooggaan. Dat is het derde wagonnetje van dit treintje. De laatste wagon — zo weten we uit de geschiedenis in Nederland — is de werkgelegenheid. Ik denk dat alle partijen hier aanwezig graag willen meeduwen om dat laatste wagonnetje wat sneller op gang te krijgen. We zullen het kabinet graag helpen duwen. De werkgelegenheid moet immers omhoog. Mensen moeten weer het perspectief hebben op een baan, inclusief de warmte, de sociale contacten en de inkomensvooruitgang van een baan. We zien het gebeuren. Er is daarom op dit moment maar één ding verstandig om te doen: koers houden. Er is geen tijd voor experimenten. Ga door waarmee u bezig bent, maak het succes af. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor de uitvoerige beantwoording. Overigens wil ik ook de overige bewindspersonen bedanken voor hun aanwezigheid, net als al hun ambtenaren die ongetwijfeld de hele nacht hebben moeten doorwerken om de minister-president schriftelijk van een antwoord te voorzien. Die nacht was dit jaar korter dan andere jaren. 

Deze twee lange dagen hebben wij een debat gevoerd met in ons achterhoofd de beelden van de afgelopen zomer: de oorlog in Oost-Oekraïne, de ramp met de MH17, de terreur in Syrië en Irak, de barbaarse moorden. Ook hebben we de beelden in ons achterhoofd van de radicalisering in ons eigen land: de ISIS-vlaggen in de Haagse Schilderswijk. Als je het goed beschouwt, zijn het tegen de achtergrond van die turbulente wereld eigenlijk heel gewone algemene politieke beschouwingen geweest. De vraag die wij samen stellen is of politiek Den Haag de afgelopen twee dagen echt heeft laten zien dat wij de beelden van de afgelopen zomer hebben verinnerlijkt. Beseffen we wat de gevolgen zijn van al datgene wat de afgelopen zomer op ons afgekomen is? Wij moeten de naïviteit die wij de afgelopen 25 jaar hebben gehad over onze internationale positie en onze internationale veiligheid achter ons laten. De vragen waarmee wij geconfronteerd worden, gaan behalve over veiligheid ook over het wezen van onze samenleving. Dat is lang niet allemaal in het keurslijf van een USB-stick met daarop een begroting te vatten. 

Kortom, de vragen die wij ons als politiek moeten stellen zijn breder dan alleen maar tabellen. Waar staat onze samenleving voor? Wat betekent het om inwoner te zijn van een land met een joods-christelijk-humanistische traditie van eeuwen? Dit betekent: tegen geweld en radicalisme. Zeker. Maar het is ook voor iets, voor onze naasten, voor respect voor elkaar en voor het besef dat je vrijheid en je verantwoordelijkheid hoort te beleven. Het is de opdracht van de politiek om dat besef aan de samenleving door te geven. Daar hoort ook bij dat de samenleving van de politiek mag verwachten dat zij de dreiging van nu van een antwoord voorziet, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid. Het is duidelijk geworden dezer dagen dat een eerste stap wordt gezet om de bezuinigingen op veiligheid terug te draaien. Over de omvang verschillen we van mening. Mijn fractie vindt die nog te weinig. Dat is een reden voor mijn fractie om een motie te steunen die, naar ik aanneem, zo meteen wordt ingediend door collega Van der Staaij. De inzet op veiligheid voor de toekomst van dit land moet forser. Veiligheid heeft een hogere prijs dan wij daar tot nog toe voor betalen. Mijn fractie is er wat betreft strategische sectoren als voedsel en water nog niet gerust op dat de Nederlandse politiek echt een langetermijnagenda heeft die ook de onveiligheid van de toekomst aankan. 

Het is goed dat de premier heeft aangegeven dat het kabinet zich bewust is van de noodzaak van een brede energiemix voor de toekomst en dat daarin ook kernenergie een plaats heeft. Tegelijk moeten we erkennen dat de praktijk van alledag weerbarstig is. Bijvoorbeeld de uitvoering van het energieakkoord zit vol hobbels, zoals de premier heeft toegelicht. Het energieakkoord is een middel, geen doel. Wanneer het nodig is om een stap anders te zetten doordat de uitvoering hiervan niet kan, gaat de energievoorziening van de Nederlander in de toekomst voor afspraken op papier. 

In de landbouwsector zie ik nog geen omslag naar een meer veiligheidsbewust denken. Het moet mij van het hart: de premier kwam niet veel verder dan de sneer dat we alles, behalve ananassen, al in ons eigen land produceren. "Boodschap onvoldoende begrepen" denk ik dan. Het gaat hier echt om de vraag of wij als Nederland het Nederlandse, maar ook een Europees strategisch voedselbeleid willen steunen. Ook gaat het om de vraag of wij beseffen dat het maar blijven omzetten van land in water en natuur niet de toekomst is. Wij moeten ons eigen voedsel in de toekomst blijven produceren en mogen niet afhankelijk zijn van instabiele landen. 

Ik zei gisteren al dat bij deze onveilige situatie ook een robuuste economie hoort. Het kabinet moet meer doen dan meehobbelen met een net iets betere broze economie. Op dat gebied blijft het kabinet achter. Dat belastingplan is meer een droomvlucht dan dat het harde keuzes bevat. Dat betekent misschien wel dat honderdduizend mensen onnodig lang aan de kant blijven staan. Dat mag het kabinet niet laten gebeuren. Het CDA steunt daarom het verzoek, waarover D66 straks een motie zal indienen, om voor 1 februari en niet met sint-juttemis met een belastingplan te komen. Dat kan dan niet alleen uit meevallers worden betaald, want dan wordt het wachten tot je een ons weegt. Lagere lasten kunnen alleen maar bij lagere uitgaven en dat betekent keuzes maken. 

Het CDA heeft in haar eigen begroting, haar eigen agenda voor 2015, die keuzes gemaakt. Ik moet zeggen dat de reactie van de premier mij teleur stelde. De premier ging vooral de posten langs en serveerde deze vervolgens op de ouderwetse manier een voor een af. Hij miste daarmee de kern van de zaak, namelijk dat als je werkelijk de economie wilt hervormen door lagere belastingen, daar keuzes bijhoren. We moeten niet alleen afwachten tot het ooit meezit met meevallers, maar het gaat om minder overheid, meer samenleving, lagere belastingen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het kabinet stelt dat de voorgenomen belastingherziening gepaard dient te gaan met een lastenverlichting van 3 tot 5 miljard euro, om ongewenste inkomenseffecten te compenseren; 

overwegende dat de benodigde middelen voor lastenverlichting volgens het kabinet "nog niet klaarliggen" en alleen moeten worden opgebracht uit eventuele meevallers; 

verzoekt de regering om voor de noodzakelijke lastenverlichting ook ruimte te zoeken in het beperken van de overheidsuitgaven, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Haersma Buma en Pechtold. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 8 (34000). 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

In dit debat is er ook veel aandacht geweest voor de kwetsbaren in onze samenleving. Denk dan vooral aan ouderen, die zowel worden geconfronteerd met dalende inkomsten als met hogere uitgaven voor de langdurige zorg. Door de opeenstapeling van belastingverhogingen, zorgbeperkingen en pensioenkortingen staat hun positie onder druk. Daar kan verandering in gebracht worden door verantwoorde eisen te stellen aan pensioenfondsen, zodat we de houdbaarheid op langere termijn kunnen combineren met de draagkracht voor pensioengerechtigden. Daarover heb ik de volgende motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de regering voorstelt dat fondsen tot een dekkingsgraad van 110% niet kunnen indexeren; 

constaterende dat de regering voorstelt dat verzekeraars minder geld hoeven aan te houden dan pensioenfondsen voor verplichtingen die ver in de toekomst liggen, terwijl sommige verzekeraars staatssteun kregen en pensioenfondsen juist verplicht werden te korten op hun pensioenen; 

verzoekt de regering, de voorstellen voor het nieuwe financiële toetsingskader op de volgende punten aan te passen: 

  • -het moet mogelijk zijn om vanaf 105% dekkingsgraad gedeeltelijk te indexeren; 

  • -pensioenfondsen moeten dezelfde Ultimate Forward Rate (UFR) kunnen gebruiken als verzekeraars voor hun lange verplichtingen 

  • -indien er weer forse overschotten komen, moeten belemmeringen om gemiste inhaalindexatie uit te keren, weggenomen worden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haersma Buma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 9 (34000). 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik heb een vraag over deze motie en over het moment van indiening. Er staan best goede dingen in deze motie, maar er is nog een schriftelijke ronde bezig in de Kamer over het financieel toetsingskader. Daar gaan we nog heel uitgebreid over spreken. Hecht u nog aan die gedachtewisseling met het kabinet? Het lijkt erop dat u die zaken al ver voor de troepen uit, nu gelijk, bám, wilt afhandelen. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik vond dit juist het moment om dat signaal te geven, want wij zijn hier als fracties aan het begin van het nieuwe parlementaire jaar bij elkaar. We kunnen het kabinet voor de begroting voor volgend jaar boodschappen meegeven. Daar is dit er een van. Dit is niet de enige motie die vandaag wordt ingediend die niet rechtstreeks op een stuk van de begroting slaat, maar wel op datgene wat het kabinet voornemens is voor het komend jaar te doen. Daarom heb ik bewust deze motie ingediend. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Dat begrijp ik, maar het gaat om wetgeving die bij de Kamer ligt. We zijn nog bezig met de schriftelijke ronde. Ik neem aan dat we er in deze zaal nog uitgebreid over zullen spreken. Het is uw goed recht, maar ik vroeg om een toelichting waarom u dat nu al doet. Ik zal u eerlijk zeggen dat wij deze motie niet gaan steunen, ook al staan er best goede dingen in. Wij willen eerst nog die zorgvuldige behandeling hebben. Zo ken ik u ook altijd, als het gaat om wetgeving. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Nogmaals, ik vind het volstrekt voor de hand liggend dat juist op een dag als deze, moties als deze worden ingediend. Als u dat niet van mening bent, is dat uw keuze. Ik zal het antwoord van het kabinet afwachten, maar ik vond het niet meer dan logisch om deze dingen in deze motie weer te geven. Het betreft overigens zaken waarover in het debat van vandaag het nodige is uitgewisseld en waaraan velen van ons ook hebben deelgenomen. 

Ik kom tot een afronding. Ik begon mijn bijdrage gisteren met een verwijzing naar de beelden van de ramp met de MH17. Op 10 november zullen we in een nationale manifestatie de slachtoffers herdenken. Laat Nederland dan één zijn met de nabestaanden, aan het eind van een jaar dat te veel oorlogen en te veel rampen heeft laten zien. Wat de beelden van het volgende jaar worden, weten we niet, maar we weten wel wat de opdracht voor de politiek is. Die is méér dan alleen maar de tabellen van de begrotingen rondkrijgen, zeker na wat er deze zomer is gebeurd. De opdracht voor de politiek is om de waarden van onze samenleving te verdedigen; voor nu en voor de toekomst van onze kinderen. 

De heer Samsom (PvdA):

Voorzitter. Ook namens mijn fractie dank aan het kabinet voor de beantwoording van alle vragen. Met de heer Roemer constateer ik dat het parlement deze keer, gisteren, vooral zichzelf heeft beziggehouden en dat we daardoor vandaag op een heel ander tijdstip zouden kunnen afronden. Ik constateer ook dat het debat, deze keer meer dan anders, ging over andere dingen dan alleen de economie, de financiën en de begroting. Dat is ook logisch na de zomer van 2014. Het ging ook over de samenleving, in letterlijke zin: over samen leven, en over hoe we met elkaar in deze samenleving de verbindende krachten versterken en de splijtende krachten tegenhouden. 

Mijn fractie vroeg in eerste termijn nadrukkelijk om een stellingname van het kabinet. Ik vond het goed, hoe de premier daar stond en stelling nam tegen de haatzaaiers buiten en binnen het parlement. Het is kennelijk mogelijk om het rode stuk vlees te vermijden, en toch stelling te nemen tegen datgene waartegen stelling moet worden genomen. Ik vond het mooi om te zien. Ik hoop dat dit naar meer smaakt, ook bij de premier, want dat zal nodig zijn. Dat zal nodig zijn in de komende, moeilijke jaren, waarin spanningen in de samenleving, door buitenlandse ontwikkelingen maar ook door ingesleten patronen in Nederland, zullen blijven bestaan en soms zullen oplaaien. We hebben het gezien. Na 2005 waren sommigen van ons misschien van mening dat de problemen weg waren of langzaam weg zouden gaan. Dat gebeurt niet. We hebben daarom een overheid nodig die repressief is als dat nodig is en die preventiemaatregelen uitvoert als dat moet. Maar we hebben ook een overheid, een kabinet en een eerste minister in dat kabinet nodig die stelling nemen als dat nodig is. 

Het ging uiteraard heel veel over het buitenland. Dat is terecht, na de zomer van 2014. Met zijn allen hebben we geconstateerd dat er een trendbreuk — dat is misschien wel het woord van deze twee dagen — nodig is, bijvoorbeeld als het gaat om de uitgaven voor onze veiligheid. Dit gaat echter ook op voor andere onderdelen van ons buitenlands beleid. Ik doel daarmee met name op de diplomatie. Onze diplomatieke inspanningen moeten hand in hand gaan met inspanningen op het gebied van humanitaire zaken, ontwikkelingssamenwerking of militaire inspanningen, als die nodig zijn. Ook daarin is eigenlijk een trendbreuk nodig. Ik hoop daarom dat de motie die dadelijk zal worden ingediend op instemming zal kunnen rekenen, ook van het kabinet. 

Natuurlijk ging het ook heel veel over werk, de absolute prioriteit van de Partij van de Arbeid en, naar ik heb begrepen, ook van dit kabinet. Meer banen. Zolang er meer dan 600.000 mensen aan de kant staan, zijn die heel hard nodig. Vanochtend bleek dat in de afgelopen maand 400 mensen per dag een nieuwe baan vonden. Dat stemt hoopvol, maar is geen reden om tevreden achterover te leunen. 

Mijn fractie vroeg het kabinet om een andere houding dan alleen maar afwachten tot hervormingen, belastingverlagingen en deregulering hun heilzame werk in de markt doen. Mijn fractie vroeg dit kabinet om een actieve opstelling, om daar waar het mogelijk is banen te behouden of nieuwe banen te creëren of mogelijk te maken. Ik ben blij met de beloftes die gedaan zijn. Ik constateer dat de minister-president alles heeft gedaan wat hij kon doen, namelijk beloftes doen, maar daarmee is het werk natuurlijk niet gedaan. We zullen als een bok op de haverkist erop letten dat de inspanningen daadwerkelijk leiden tot meer banen. 

Een specifiek onderdeel daarvan ging over de regio's, in het bijzonder over het noorden, waar al zo veel initiatieven zijn die eigenlijk wachten op een uitgestoken hand van dit kabinet. We hebben daarover met elkaar gediscussieerd, maar om het mogelijk te maken om hierop snel voortgang te boeken, dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat economische structuurversterking bijdraagt aan het bestrijden van (jeugd)werkloosheid en de economische ontwikkeling van de regio's; 

constaterende dat er ten aanzien van de sociale werkvoorziening met betrekking tot de werkgelegenheid zorgen zijn in diverse regio's; 

overwegende dat de motie-Slob/Samsom (27406, nr. 214) de regering verzocht om actieplannen van regio's waar gewerkt wordt aan een structurele versterking van de economie, te ondersteunen met behulp van rijksbeleid; 

verzoekt de regering, ruimte te zoeken binnen de bestaande kaders om initiatieven die de werkgelegenheid in de regio op peil houden, zoals het Pact van het Noorden, maximaal te ondersteunen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Samsom, Slob en Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 10 (34000). 

De heer Samsom (PvdA):

Eenzelfde discussie ging over de zorg, over banen die daar verloren dreigen te gaan. We hebben in de eerste termijn al met elkaar gewisseld dat we sommige banen niet kunnen behouden. Daar waar banen onnodig geschrapt worden en we initiatieven kunnen nemen om ze te behouden, moeten die initiatieven genomen worden. We zijn blij met de toezegging van de premier om de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alles op alles te laten zetten om nog voor 1 oktober daarover met duidelijkheid te komen, om vele duizenden — er werd een getal genoemd van 10.000 tot 15.000 mensen in de thuiszorg — hun baan te laten behouden, met behulp van de toelage huishoudelijke hulp. Mijn fractie zal met enthousiasme een motie ondersteunen die daarover zo zal worden ingediend. 

Het belastingstelsel heeft dezer dagen een stapje voorwaarts gezet. Van een plan dat van alle kanten werd afgeschoten in de dagen voorafgaand aan dit debat, is het volgens mij nu een plan dat kan rekenen op een zeker draagvlak, al moet de echte invulling natuurlijk nog plaatsvinden. Ook mijn fractie vindt dat dit zo snel als mogelijk moet. Mijn fractie heeft echter de afgelopen anderhalf jaar ervaren dat heel snelle initiatieven die heel goed lijken — ik noem de huishoudentoeslag — kunnen sneuvelen in overtrokken dadendrang, en dan ben je weer verder van huis. Het gaat dus om zorgvuldigheid gekoppeld aan snelheid. Wat mijn fractie betreft is er geen deadline, al zouden wij wel willen of wensen dat de eerste, en wat mij betreft zo groot mogelijke stap, bij het Belastingplan van 2015 gezet wordt, niet door lukraak te snijden in allerlei inkomensvoorzieningen maar door gebruik te maken van de aantrekkende economie en door de meevallers in te zetten voor daadwerkelijke lastenverlaging op arbeid. 

Gelukkig ging het ook over de wat verdere toekomst, onder andere door het Belastingplan maar ook door andere onderwerpen, namelijk energie en onderwijs. Op de vragen over onderwijs kwamen vanochtend schriftelijke antwoorden die een zekere geruststelling kunnen bieden, maar we wachten met spanning op de initiatieven van de minister van Onderwijs op het gebied van een leven lang leren en van verdere ontwikkelingen in bijvoorbeeld het techniekonderwijs. Zo zorgen we ervoor dat we met niets minder genoegen hoeven te nemen dan met het beste onderwijs voor onze kinderen. 

Op het gebied van energie hebben we een paar stappen gezien. Ik vond het treffend om te horen dat de fractievoorzitter van de VVD zojuist nog waarschuwende woorden meende te moeten spreken over de klimaatconferentie. Hij zei dat dit echt niet ten koste mag gaan van ons concurrentievermogen. Ik hoop dat we straks in New York gebruik kunnen maken van het optimisme dat deze premier altijd kenmerkt. Ons bedrijfsleven kan namelijk ongelofelijk profiteren van zeer scherpe afspraken over het tegengaan van klimaatverandering of van afspraken die ook gemaakt moeten worden over het helpen bij het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering. Nederland is een wereldspeler op het gebied van offshore werken, deltawerken en sommige vormen van duurzame energievoorziening. Ik moedig de premier aan — laat hij beide aanmoedigingen in zijn zak steken en die van mij er straks uithalen en de ander laten zitten — om vooral de positieve concurrentiekracht van Nederland te laten zien in New York. 

De heer Zijlstra (VVD):

De heer Samsom is het er nu anderhalve dag met mij over eens dat wij heel erg moeten inzetten op banen, werk en werkgelegenheid voor Nederlanders. In dat licht bezien zeg ik in reactie op de terloopse opmerking die hij half grappend maakte, dat ik erg voor scherpe ambities ben. Ik zie ook dat je daar economisch enorm van zou kunnen profiteren, maar dat kan alleen in een setting waarin wij, heel oneerbiedig gezegd, niet de gekke Henkie van de wereld zijn. Dat zijn wij namelijk als wij onszelf normen opleggen waar de rest van de wereld zich niet aan houdt, waardoor bedrijven en werkgelegenheid Europa uitgaan. Ik ben zeer voor het stimuleren van innovatie. Ik ben zeer voor scherpe normen om ervoor te zorgen dat we energie-onafhankelijker worden, maar niet als die net als de vorige keer alleen door Europa worden gehanteerd. Ik ga er toch van uit dat de heer Samsom zijn woord om de werkgelegenheid zeker te stellen en om mensen in Nederland en Europa aan het werk te helpen, gestand doet en dat hij het Nederlandse en Europese bedrijfsleven niet voorziet van een loden last, waardoor Europa misschien armer wordt, terwijl de wereld nog steeds warmer wordt. 

De heer Samsom (PvdA):

Het probleem van de vorige keren — ik was daar vaak bij — was juist dat niemand die stap durfde te zetten. Europa alleen heeft eigenlijk niet bestaan. Europa heeft afspraken gemaakt met zichzelf en was daar heel trots op. Dat waren afspraken waarvan je de resultaten gewoon kon behalen met business as usual door de grote overstap van kolen naar gas te maken. Die overstap heeft in veel landen plaatsgevonden, waaronder vooral Oost- Duitsland en Engeland, en minder in Nederland omdat wij al veel gas hadden. Die stap was dus gratis. Het gaat nu om de volgende stap. En ja, die moet in de ideale wereld overal ter wereld tegelijkertijd worden gezet. Daarom gaan we nu ook weer met zijn allen in New York zitten. Ik moedig de premier wel aan om het einddoel scherp voor ogen te houden. Dat is een schone en onafhankelijke energievoorziening. Dat is niet alleen omdat het concurrentievermogen van Nederland daarbij gebaat— je kunt immers discussiëren over de vraag wat goed of slecht is — maar ook omdat er een intrinsieke motivatie voor is. De toekomst van onze kinderen is gebaseerd op een goede, schone energievoorziening. Zonder die energievoorziening is er geen welvaart. Ook dat doel moeten wij voor ogen houden. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik proef toch een tegenstelling en die probeer ik juist weg te halen. Ik zou dolgraag op dat punt uitkomen, maar zeg nogmaals: het is geen of-of-situatie. Het is niet zo dat we voor een heel hoge ambitie gaan en dat we daarmee de werkgelegenheid niet schaden en dat daarmee de concurrentiepositie overeind kan blijven. Nee, je moet het bij elkaar brengen en dat kan alleen als we realistisch zijn en proberen om de rest mee te slepen. Dan kan Europa zich nog een hogere ambitie opleggen dan bijvoorbeeld de zich ontwikkelende landen. Dat snap ik. Iedereen moet echter wel gebonden zijn. Er moet geen vlucht van bedrijven uit Nederland en Europa zijn. Ik heb respect voor het gedreven verhaal van de heer Samsom, maar hij had ook een ander gedreven verhaal, over het aan het werk krijgen van mensen in dit land. Het ene verhaal mag het andere niet in de weg gaan zitten. Dat moeten we niet willen. 

De heer Samsom (PvdA):

Dat willen we ook niet. Die naïviteit zijn we voorbij, of beter gezegd: die hebben we nooit gehad. Dit is een schijntegenstelling. Natuurlijk letten Nederland, Europa en de wereldhandelsblokken heel goed op elkaars concurrentiepositie. Ik durf zelfs te beweren dat dit het grootste probleem is voor de voortgang van een klimaatconferentie. Uiteindelijk zullen daar, in New York, leiders moeten staan die een stap voorwaarts durven te zetten. Ik was erbij in Kopenhagen de laatste keer dat dit had moeten gebeuren, maar toen gebeurde het niet. Men durfde niet en heeft een kans laten lopen. Dat is vijf jaar geleden. Mijn oproep aan de premier is: laat die kans nu niet lopen. Ik ben het ermee eens — de heer Zijlstra kent de Nederlandse positie goed genoeg — dat wij daar geen alleingang kunnen maken. Dat willen we ook niet. Laten wij daar echter alsjeblieft een grote stap voorwaarts zetten. Dan zal de heer Zijlstra zien — ik maak hem deelgenoot van mijn optimisme — hoe Nederland kan profiteren van een snelle verduurzaming van onze energievoorziening. Met onze ingenieurs, met onze investeerders, met onze kennis op onder andere het gebied van offshore kunnen wij een wereldspeler worden. 

De heer Roemer (SP):

Het doet mij deugd dat ik het, zo tegen het einde van het debat, een keer hartgrondig met de heer Samsom eens kan zijn. Het is nu echter ook wel heel duidelijk dat er een zee van ruimte zit tussen het standpunt van de heer Samsom en dat van de heer Zijlstra. Ik vraag de heer Samsom hoe hard de boodschap is die hij de premier wil meegeven. Is hij bereid om hierover een Kameruitspraak te vragen? Hij kan de premier naar New York sturen met de mededeling "u hebt twee briefjes in uw zak, kijk maar welk van de twee u eruit haalt; ik hoop dat het het mijne is", maar er zit een VVD-premier. Dan weet ik wel welk briefje hij uit z'n zak haalt. 

De heer Samsom (PvdA):

Dat was een wat luchtig bedoelde opmerking, maar goed, die kunt u ook heel serieus nemen. Nederland onderhandelt op dit terrein, gelukkig, al sinds een jaar of vijftien in Europees verband. Ik zeg "gelukkig", want eindelijk wordt dat Europese verband steeds sterker. In Europees verband bepalen wij onze inzet voor de VN-vergadering in New York. Mensen, politici, leiders maken daar het verschil, dus ik hoop dat het kamertje in New York wél groot genoeg is. Ik hoop dat de premier van Nederland er dan in zit, met de juiste mensen, die een stap voorwaarts kunnen zetten. Dat ging zo jammerlijk mis in Kopenhagen. President Obama miste het kamertje van Merkel. De president van China was ook in een andere kamer te vinden. Zij konden elkaar dus niet bereiken. Deze keer, in New York, moet dat wel goed gaan. De inzet hiervoor is bepaald: Europa gaat voor een ambitieuze CO2-reductiedoelstelling. Nederland heeft zich daarbij aangesloten. Daar ben ik blij om. Wij zijn weer een beetje koploper in het Europese speelveld; gelukkig maar, want wij waren ook een tijdje hekkensluiter. Nu kunnen wij voortgang maken. 

De heer Roemer (SP):

Ik deel die ambitie, maar ik ken ook het verleden. Met veel ambities erheen gaan en met te weinig resultaten terugkomen, daar wordt niemand vrolijk van, zeker niet als we hetzelfde willen. Wij zullen dus een hardere boodschap moeten meegeven aan de premier: hij moet vooroplopen in de strijd om, in samenwerking met andere landen, de realisatie van een doelstelling waar wij allemaal voor zijn, eindelijk eens dichterbij te halen. Ik ben bang dat de bevlogenheid van de heer Samsom, zonder een duidelijke uitspraak van de Kamer, daarvoor onvoldoende is. Is de heer Samsom bereid om met meerdere partijen in de Kamer de premier een extra zetje te geven, zodat hij wat harder loopt en wij meer voor elkaar krijgen dan in het verleden? 

De heer Samsom (PvdA):

Ik ken niet tot in detail de agenda van de gehele Kamer en van alle algemeen overleggen, maar ik meen dat de inzet van Nederland en Europa voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties al bepaald is. Wat ik de premier nu nog wil meegeven, is geen cijfermatige doelstelling, maar een houding die ervoor kan zorgen dat wij een stap verder zetten. Ik heb gezien wat een verschil dat kan maken. Ik heb ook gezien hoe dat mis kan gaan. Dat is wat ik de premier wil meegeven voor New York. Verdoe de tijd niet en zorg dat er deze keer wel een ambitieus klimaatverdrag kan worden afgesloten. Nederland is maar één van de vele spelers daarin, maar geen onbelangrijke. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Hier is duidelijk sprake van een clash tussen de twee coalitiepartners. Het is een coalitie van water en vuur. Dat wordt hier wel duidelijk. Als ik de minister-president was, zou ik niet weten wat ik nu moest doen in New York. Moet ik nu gaan voor ambitieuze klimaatdoelstellingen en moet ik Europa daarin voorop laten gaan? Of moet ik luisteren naar Zijlstra en denken: nee, ik moet het belang van het bedrijfsleven vooropstellen? Kan de heer Samsom begrijpen dat het belangrijk is om nu één heldere boodschap neer te leggen voor de minister-president? 

De heer Samsom (PvdA):

Ja, maar die heldere boodschap is er. Ik meen dat we in EU-verband naar 40% CO2-reductie ergens in 2030 streven. Vroeger wist ik de getallen tot in groot detail, maar ik geloof dat ik er hiermee niet zo heel ver naast zit. Dat doen we als Europa, dat is onze inzet. Wij vragen van andere blokken in de wereld, zoals China, Amerika en opkomende landen, om daarbij aan te sluiten. In vorige jaren ging het nog wel eens andersom. Dan gingen we zitten en zeiden we: wij gaan alleen maar iets doen als jullie eerst komen. Dat werd dus niks. Ik ben blij dat er nu een ambitieuze Europese agenda ligt om in New York een verschil te kunnen maken. Overigens moet de echte afronding in een verdrag dat ook in internationaal recht rechtskracht heeft, volgend jaar in Parijs plaatsvinden. Maar de voorbereidingen in New York zijn niet onbelangrijk. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

De fractievoorzitter van de VVD zegt dat een alleingang niet de weg is. We mogen absoluut niet vooroplopen. Europa mag niet de enige zijn die voor een ambitieus klimaatbeleid gaat. Wat wil de heer Samsom dan? Stel dat het niet gaat lukken in New York? Dan zitten we met een probleem. Europa heeft volgens de heer Samsom immers een ambitieus klimaatbeleid. Moet Nederland dan in Europa gaan zeggen: even een tandje minder? Hoe gaat de heer Samsom dat oplossen met zijn coalitiepartner? 

De heer Samsom (PvdA):

Wij hebben in Europees verband afspraken gemaakt tot 2020. Ik ga de Grondwet niet wijzigen, dus deze coalitie maakt voor die tijd ergens verkiezingen door. Om precies te zijn, die verkiezingen zijn op 15 maart 2017, en niet op 8 maart 2017, zoals ik gisteren heb gezegd. Op 8 maart 2017 is het namelijk biddag voor het gewas. Dat ontgaat mij wel eens, maar er zijn partijen in dit huis die daar meer van weten. 

Ik hoor vanuit de zaal roepen dat het op 8 maart ook internationale vrouwendag is. Ik zou dan zeggen: op vrouwendag gaan we met z'n allen stemmen als eerbetoon aan waar we ooit in 1917 een grote stap op hebben gezet. De biddag voor het gewas schijnt een showstopper te zijn voor verkiezingen in Nederland. Daar leg ik me dan wel bij neer. Enfin, alle gekheid terzijde, 15 maart 2017. De doelstelling voor Europa waar we niet vanaf stappen, geldt voor 2020. 

De heer Pechtold (D66):

Zeg het nog eens. 

De heer Samsom (PvdA):

Datgene over 8 maart of over 15 maart? Ik zie vooral in mijn fractie allerlei boze gezichten. Ik heb straks nog heel veel te doen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Zo zie je hoe een simpele interruptie van het ene lid van de coalitie bij het andere lid van de coalitie een debat ineens weer heel levendig kan maken. Dat smaakt naar meer. Ik kan me niet herinneren dat ik zo'n interruptie eerder heb gezien. Zij werkt echter buitengewoon goed uit voor de kwaliteit van dit debat. Ik zal daar graag nog wat aan bijdragen. 

Ik denk namelijk dat de discussie tussen de collega's Zijlstra en Samsom niet zozeer gaat over de vraag hoe optimistisch of pessimistisch je bent over de mate waarin Nederland zal kunnen profiteren, ook economisch, van een voortvarend klimaatbeleid. Ik denk dat het debat uiteindelijk zal gaan over de mate van vrijblijvendheid die we hebben bij het aangaan van steeds weer nieuwe doelstellingen. We zijn een beetje in een race terechtgekomen, waarbij het gaat om vragen als: wie kan de hoogste percentages halen bij het overgaan op schone energie en bij het besparen op energie? Maar het gaat natuurlijk om de vraag: hoe gaan we die hoge percentages daadwerkelijk afdwingen, mogelijk maken en realiseren? Daar gaat dan misschien de discussie in New York niet over, maar die speelt wel een paar dagen later in de EU in Brussel. En dan gaat het erom of Nederland zich gaat committeren aan ook voor de lidstaten individueel bindende doelstellingen. Mijn vraag aan de heer Samsom is of hij met mij vindt dat Nederland dat zou moeten doen. Wij horen straks misschien ook nog van de heer Zijlstra wat hij daar dan weer van vindt. 

De heer Samsom (PvdA):

Ook hiervoor geldt inderdaad dat je dat in Europees verband met elkaar moet afspreken. Ik aarzel even, omdat het ideaal zou zijn dat je één doelstelling met elkaar afspreekt waaraan je alles koppelt, bijvoorbeeld een CO2-doelstelling. We hebben de afgelopen jaren gezien dat die CO2-doelstelling om welke reden dan ook niet hard genoeg is en niet genoeg tractie veroorzaakt om duurzame energie en energiebesparing met zich mee te slepen. Het was te makkelijk om eronderuit te komen, is eigenlijk de korte samenvatting. 

Vandaar dat mijn fractie heeft gezegd dat je ook die andere doelstellingen erbij moet houden. Niet uit principe, dus als er één CO2-doelstelling mogelijk is waar al die andere doelstellingen door meegezogen worden — duurzame energie, energiebesparing — dan heeft dat onze voorkeur, maar zolang die er niet is en zolang het niet zo werkt, wat de praktijk van de afgelopen jaren helaas heeft aangetoond, moeten we met meerdere doelstellingen blijven werken. Vandaar ook dat wij in deze coalitie gewoon een duurzame energiedoelstelling met elkaar hebben afgesproken waar wij elkaar ook aan houden. Ook als dat moeilijk wordt, zeg ik er even bij, want we zien nu allerlei berichten dat we het niet gaan halen in 2020. Daar heeft de Partij van de Arbeid zich nog lang niet bij neergelegd. 14% is de afspraak en dat was voor ons de absolute ondergrens. Daaronder gaan we dus ook niet komen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik weet niet helemaal zeker of dit nu een antwoord was op mijn vraag, want er speelt inderdaad een discussie over drie doelstellingen of één. Ik denk dat de mate waarin die in Brussel afgesproken doelstelling wel of niet ook bindend is voor de lidstaten weleens het grote politieke punt zou kunnen worden; zoals wij het bijvoorbeeld heel normaal vinden dat we een 3%- begrotingsnorm hebben. We werken er altijd hard aan om daaronder te blijven. Zo woedt er een discussie over de vraag of deze CO2-doelstelling, of wat die dan ook is, al dan niet bindend is. Sommige lidstaten zijn daarvoor, andere niet. Tot nu toe was Nederland daar niet voor. Als we nu meer ambitie willen, zou je je kunnen voorstellen dat Nederland er op dat punt ook een tandje bij zet en dat we ons dat nu zelf ook als verplichting opleggen. 

De heer Samsom (PvdA):

Ja, daar ben ik ook helder over. Ik vind dat we dat zouden moeten doen. Ik vind dat we als Nederland die koplopersrol in Europa moeten nemen. Mijn antwoord wordt niet helemaal zo eenduidig als u zou willen, want dat zouden we op de volgende manier moeten doen. Als één doelstelling niet mogelijk is die zo scherp is, zo effectief en onontwijkbaar dat die alles met zich meesleept, gaan wij gewoon met meerdere doelstellingen aan de slag. Overigens heeft Nederland daarop zelf al een voorschot genomen, want wij hebben een voor ons bindende doelstelling in 2020 vastgelegd en daar gaan wij niet onderuit. 

De heer Roemer (SP):

Voorzitter, dit is eigenlijk een ordepuntje. Ik zou graag willen dat de premier reageert op de laatste uitspraak, waar ik het overigens hardgrondig mee eens ben, dat we hier inderdaad een koploperspositie zouden moeten innemen. Ik zou het op prijs stellen als de premier daarop in tweede termijn reageert. 

De heer Samsom (PvdA):

Ja, dat lijkt mij ook heel goed, want mijn vraag was, is en blijft, aan Nederland en in dit geval aan de premier, ervoor te zorgen dat Nederland in het klimaat- en energiedebat en ook in de daden die Nederland op de mat legt — de afgelopen jaren heeft het daaraan geschort — een koplopersrol neemt of, zoals u wilt, terugverovert. 

Ik ben blij dat dit debat aan het eind nog best veel over klimaat en energie is gegaan. Daar had ik weleens heimwee naar. Maar het overgrote deel van dit debat ging toch gewoon over werk. In die zin waren dit heel gewone algemene politieke beschouwingen. 

Wij hadden aan het begin, in de eerste termijn of ergens halverwege, een debatje tussen de heer Roemer en mijzelf over de manier waarop je dat realiseert. Voor de PvdA-fractie is er één manier, namelijk stapje voor stapje, baan voor baan, toewerken naar dat betere Nederland. Wij hebben de doelstellingen met elkaar afgesproken, we weten in welke situatie we nu verkeren en nu is het zaak om stap voor stap vanuit de huidige situatie naar dat ideaal toe te wandelen. We weten ook dat we daar nog heel veel tegenslagen bij te verwerken zullen krijgen. 

We weten ook dat er fouten zullen worden gemaakt. Dan is het onze taak, en met name die van onze fractie, zo voelen wij dat, om elke keer dit kabinet bij de les te houden, fouten te herstellen en vooruitgang te blijven boeken, op weg naar dat betere Nederland. 

De heer Wilders (PVV):

Mevrouw de voorzitter. Dertien jaar geleden werden de WTC towers, de torens in New York, opgeblazen. Tien jaar geleden, bijna op de maand nauwkeurig, werd Theo van Gogh in de straten van Amsterdam vermoord. Islamitische terreuraanslagen volgden over de hele wereld, van Madrid tot Mumbai, van Londen tot Brussel. Die aanslagen werden allemaal gepleegd door mensen die werden geïnspireerd door de Koran, dat haatboek dat helaas nog steeds voor uw neus staat, voorzitter. 

Inmiddels is er een kalifaat opgericht en zijn er sharia-enclaves in het hele vrije westen, ook in Nederland. Er wordt met ISIS-vlaggen gezwaaid in de Schilderswijk. Er worden hakenkruizen gedragen en "dood aan de Joden" geroepen door aanhangers van de islam, ook in Nederland. Jihadgangers gaan naar Syrië en komen helaas ook terug. Op Opsporing Verzocht zien we iedere week wie de straten van Nederland onveilig maken. Maar o wee als je spreekt over een Marokkanenprobleem! O wee als je durft te spreken over een islamprobleem! Dan komen de politiekcorrecte wegkijkers in opstand. Dan maakt de minister-president zich de voetveeg van de Partij van de Arbeid. Ze hebben niets geleerd. Ze zijn voor de volle honderd procent medeverantwoordelijk voor de gevolgen van de terreur en de islamisering in Nederland. Uw wegkijken maakt Nederland zwakker, mijnheer de minister-president. 

De PVV zal zich altijd tegen de gevaren van de islam blijven verzetten. Zij doet dat iedere dag, ieder uur en overal. Als drie vierde van de Nederlandse moslims Syriëgangers helden vindt en als 70% van de Nederlandse moslims lak heeft aan onze seculiere wetten en hun eigen religieuze regels, de sharia dus, belangrijker vindt, dan hebben we een megaprobleem in Nederland, een probleem met honderdduizenden moslims in dat mooie land van ons. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

verzoekt de regering om iedereen die in Nederland woonachtig is met een nationaliteit van een islamitisch land een antishariaverklaring te laten ondertekenen en om het verblijfsrecht c.q. de Nederlandse nationaliteit in te trekken van degenen die dat niet doen of zich niet aan de verklaring houden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 12 (34000). 

De heer Wilders (PVV):

Dan kom ik op onze ouderen. De minister-president gedraagt zich hier als een boekhouder. Met ambtelijke koopkrachtpapiertjes in zijn handen antwoordde hij de Kamer en liet hij zien dat hij werkelijk niets maar dan ook niets begrepen heeft van de werkelijkheid van alledag van al die ouderen die ons land hebben opgebouwd. Dit kabinet behandelt de ouderen van Nederland als beesten. Verzorgingshuizen gaan dicht. Er is geen wettelijk recht op dagelijkse douchebeurten meer. De thuiszorg wordt gekort, ook als je beginnend dementerend bent. Terwijl asielzoekers in dit land gratis zorg krijgen, kunnen onze ouderen vaak hun eigen risico niet meer betalen. Ook de pensioenen van zoveel Nederlanders worden niet meer geïndexeerd omdat premier Rutte weigert de regels te versoepelen. Al met al is dit een beschaafd land onwaardig. Een premier die zo met onze ouderen solt — want dat is het — verdient het niet om premier te zijn en verliest het vertrouwen van ons en — dat weet ik zeker — ook van vele, vele Nederlanders. Hoe kun je nu leiding geven aan een kabinet dat wel extra geld geeft aan, en vindt voor, asielzoekers en ontwikkelingshulp, maar onze eigen ouderen in de kou laat staan? Dat is schaamteloos. Dat is schandelijk. Vandaar de volgende motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het kabinet extra geld geeft aan ontwikkelingshulp en asielzoekers, terwijl het onze ouderen in de steek laat en de zorg afbreekt; 

zegt het vertrouwen in het kabinet op, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 13 (34000). 

De heer Wilders (PVV):

Dit kabinet moet weg, want het laat het totaal afweten. De leden van het kabinet sluiten hun ogen voor de islamisering van Nederland en voor de economische ellende van miljoenen Nederlanders. Mijn partij, de PVV heeft wel vertrouwen in de kracht van Nederland en in de levenskracht van al die Nederlanders, jong en oud, maar is het vertrouwen in dit kabinet kwijt. 

De PVV is opgericht om ons land, Nederland, te beschermen. Om onze eigen cultuur, onze eigen identiteit en onze eigen soevereiniteit te kunnen behouden. Wij willen van Nederland een baken van verzet maken tegen die islamisering. Wij willen een teken van hoop zijn voor al die mensen die in vrijheid in hun eigen land willen blijven leven. Wij willen die trotse, vrijheidlievende Nederlanders blijven die onze voorouders al waren. Wij schamen ons voor het Nederland dat premier Rutte van ons land wil maken. Wij accepteren dat niet. Het kan anders en het moet anders. Het kan beter en het moet beter. Nederland moet weer Nederland worden. 

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Mag ik de minister-president hartelijk danken voor de uitvoerige beantwoording die wij vandaag van hem hebben gekregen? Het was overduidelijk bevlogen. Mag ik dan ook zeggen dat ik er nooit aan zal wennen wanneer gasten — in dit geval de minister-president — hier als voetveeg worden behandeld? Het schijnt dat wij dat allemaal moeten laten begaan, maar ik vind het ook belangrijk om aan te geven dat dit iets is wat ik nooit zal accepteren. Wij kunnen het met elkaar oneens zijn over heel veel zaken, maar wij hebben ook duidelijk een voorbeeldfunctie, om aan mensen te laten zien dat het hier om inhoudelijke verschillen gaat en nooit om een persoonlijke strijd. 

De premier moet een gelukkig man zijn, want hij houdt van dialoog. Nou, dat hebben wij hier gehad: 48 uur lang met een korte tijd voor slaap tussendoor. Er zijn door hem alweer vele dialogen aangekondigd: een belastingdialoog, een pensioendialoog en een openbaarbestuurdialoog. Dat is allemaal heel mooi, maar het moet uiteindelijk natuurlijk wel tot iets gaan leiden. Het moet ertoe gaan leiden dat dit kabinet ook inhoudelijke ambitie toont voor de tweede helft. Het is namelijk niet te accepteren dat op dit moment nog meer dan 600.000 mensen aan de kant staan. Dat stond centraal voor denk ik iedereen. Dat is 600.000 keer een individu met angstige voorspellingen voor de toekomst. Dat is 600.000 keer iemand die de eigen ambitie op dit moment niet kan waarmaken. Dat moet via de ambitie die wij hier in de politiek met het kabinet vormgeven, wat ons betreft vooropstaan. 

In de Miljoenennota vond ik een prachtig overzicht van de hervormingsagenda van het regeerakkoord. Het kabinet laat in dit schema, 1.2.1, zien waar het allemaal staat. In de vierde kolom zie je wat in uitvoering is. Dat is eigenlijk allemaal achterstallig onderhoud. In de kolom die ik nu aanwijs, valt te zien wat er in de Eerste Kamer ligt. Hier is te zien wat er nog aan huiswerk ligt bij de Tweede Kamer. De eerste kolom — dat is deze lege zwarte balk hier — heet "het kabinet". Dit overzicht is door het kabinet zelf uitgedeeld. Die kolom moet dus gevuld, daar gaat het om. Wij hebben het druk, de Eerste Kamer heeft het druk, de gemeenten hebben het druk, terwijl het kabinet zelf dus heeft aangegeven dat het eigenlijk niets te doen heeft. Nu was dat ook de kritiek van de Raad van State. De Raad van State zei: die hervormingsagenda moet gevuld worden. Daar hebben we dat belastingstelsel voor en daar hebben we, wat mij betreft, ook het energiebeleid voor. Dat mag van mij met veel ambitie gevuld worden en daar mogen ook termijnen aan verbonden worden. 

Voor 1 februari verwachten wij dat het kabinet met zijn ideeën over het belastingstelsel komt. Daarvoor heb ik samen met de heer Buma een motie aangekondigd, en die luidt als volgt. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de commissie-Van Dijkhuizen haar interim-rapport al in oktober 2012 en haar eindrapport al in juni 2013 heeft aangeboden en de kabinetsreactie twee keer is uitgesteld; 

constaterende dat de brief Keuzes voor een beter belastingstelsel geen concrete voorstellen voor een hervorming van het belastingstelsel bevat; 

overwegende dat een hervorming van het belastingstelsel urgent is omdat een hervorming van het belastingstelsel zal bijdragen aan meer werkgelegenheid en economische groei; 

overwegende dat een hervorming van het belastingstelsel ook gevolgen heeft voor de uitgavenkant van de begroting, waarover in het voorjaar moet worden besloten; 

verzoekt de regering, uiterlijk 1 februari 2015 voorstellen aan de Kamer te doen toekomen voor een hervorming van het belastingstelsel, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pechtold en Van Haersma Buma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 14 (34000). 

De heer Pechtold (D66):

Ik hoop dat ik dadelijk in de tweede termijn van de minister-president nog even de verzekering krijg dat het niet dat heel brede verhaal wordt, ook buiten de politiek allemaal. Er is immers wat onduidelijkheid in de brief en ook in de toezegging die de minister-president al deed. Ik lees toch echt in die brief "maatschappelijke stakeholders, breed georiënteerde maatschappelijke organisaties". Ik zie de premier al omkijken. Dit zijn letterlijk de termen uit de brief. Ik wil dat niet samenvatten als "de polder", maar het komt er wel heel dicht bij. Om te voorkomen dat het allemaal gaat vastlopen, hoop ik dat die toezegging er komt. 

Dan heb ik nog een motie op het gebied van minister Plasterk. Wij zijn er zojuist toe uitgenodigd, ervoor te zorgen dat naast de belangrijke taak die hij heeft bij de decentralisaties, ook bij het middenbestuur iets gebeurt. Het oorspronkelijke regeerakkoord was daar heel ambitieus over en de premier heeft gezegd dat hij eigenlijk wel weer zin heeft om de provincie in te gaan. Nou, de heer Van Ojik en ik pakken die handschoen op. We horen graag van de minister van Binnenlandse Zaken een agenda waaruit blijkt hoe we dat gaan doen. Daarom dienen we de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de bestuurlijke agenda van het kabinet — zoals het verminderen van het aantal provincies met bijhorende gesloten provinciale huishouding en het afschaffen van de waterschappen — is vastgelopen; 

overwegende dat de bestuurlijke hoofdstructuur van het Rijk, de provincie en de gemeenten onder druk staat door uitdijende en ondemocratische hulpstructuren; 

overwegende dat een ambitieuze agenda voor het binnenlandse bestuur noodzakelijk is; 

verzoekt de regering, deze agenda op te stellen met als rode draad het terugdringen van bestuurlijke drukte en deze spoedig naar de Kamer te sturen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pechtold en Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 15 (34000). 

De heer Pechtold (D66):

Mocht blijken dat de voorgelezen tekst niet helemaal klopt, omdat ik mijn leesbril niet bij me heb, dan herstel ik dat nog. 

Dan dien ik nog een energiemotie in. Daar hebben we het vandaag ook veel over gehad. Ik lees de motie maar gelijk voor. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat energie terecht hoog op de Europese politieke agenda staat, omdat een aantal lidstaten volledig afhankelijk is van Russisch gas; 

overwegende dat inzicht in brandstofstromen een eerste stap is op weg naar diversificatie van bronnen en inzichtelijk maakt waar de EU per dag voor ruim 1 miljard euro aan energie inkoopt; 

verzoekt de regering, in Europees verband actief te streven naar een substantiële vermindering van energieafhankelijkheid binnen tien jaar; 

verzoekt de regering tevens, op basis van het toegezegde onderzoek, nog voor de Voorjaarsnota met een voorstel te komen om transparantie van de Nederlandse brandstofmix te verbeteren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pechtold, Van Ojik, Slob, Roemer en Thieme. 

Zij krijgt nr. 16 (34000). 

De heer Pechtold (D66):

Tot slot moet ik het kabinet nog bedanken voor de bevestiging in de schriftelijke beantwoording — daar hebben wij niet al te veel meer bij stilgestaan, zeker niet als het antwoord naar wens was — ten aanzien van de schriftelijke wilsverklaring euthanasie. Ik heb gisteren aangegeven dat dit voor mijn fractie een belangrijk punt is en ik ben blij dat ik het zo goed heb verwoord gisteren. Ik denk dat dit heel belangrijk is voor veel mensen die daar op zitten te wachten. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn beantwoording in eerste termijn, zowel de mondelinge als de schriftelijke. Ik denk dat we wel kunnen stellen dat dit een bijzondere begrotingsbehandeling is, in de zin dat de schaduw van de internationale situatie erboven hangt. We weten dat alle dingen die we nu bespreken en de bedragen die we vaststellen, ook in de komende weken als over de begrotingen wordt gesproken, er opeens heel erg anders uit kunnen gaan zien als de internationale situatie verder escaleert. Daarnaast weten we dat we een grote verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen in de wereld gebeurt. Daar hebben we met elkaar over gesproken. 

Ik heb in de eerste termijn aan de minister-president gevraagd om ons mee te nemen in de afwegingen die worden gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van de situatie in Noord-Irak. Neem niet alleen ons mee als parlement, maar ook de samenleving. Het is heel erg belangrijk dat er duidelijk wordt gecommuniceerd over de keuzes die worden gemaakt, zodat mensen dat kunnen volgen. Ik vond het wel wat bijzonder dat een voortgangsbrief die wij hebben ontvangen met terugwerkende kracht ineens als notificatiebrief werd beschouwd. Dat vind ik niet echt een heel erg zorgvuldige gang van zaken. Ik vraag ook aan de voorzitter om dat te bewaken. Laten we proberen om het ook in dat opzicht zorgvuldig te doen met elkaar. 

We hebben een internationale verantwoordelijkheid, maar ook dicht bij huis zien we de gevolgen van internationale situaties soms letterlijk voor de deur zitten. Ik heb ernaar verwezen toen in sprak over Iraakse asielzoekers die uitgeprocedeerd zijn, geen recht op opvang meer hebben en dus gewoon door de straten van onze steden rondlopen, met name hier in Den Haag. De minister-president is daar niet echt op ingegaan. Ik wil een motie aan de Kamer voorleggen met een verzoek om wat duidelijkheid te bieden, met name aan de burgemeesters die hier een grote verantwoordelijkheid voor dragen en daar ook om hebben gevraagd. Ik lees de motie voor. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat uitgeprocedeerde vreemdelingen in principe weer naar het land van herkomst moeten; 

overwegende dat sommige uitgeprocedeerde vreemdelingen, in het bijzonder uit Irak en Somalië, op dit moment niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst; 

constaterende dat deze vreemdelingen niet kunnen rekenen op opvang en daardoor op straat onaanvaardbare gezondheidsrisico's oplopen; 

overwegende dat gemeenten hierdoor in toenemende mate geconfronteerd worden met situaties waarbij de volksgezondheid en openbare orde in het geding komen en dat burgemeesters en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gezamenlijk de rijksoverheid hebben opgeroepen te komen met een landelijke opvang van bed, bad en brood; 

verzoekt de regering, in samenspraak met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het comité van Europese ministers, te komen met een meer structurele oplossing voor de opvang van uitgeprocedeerde vreemdelingen die op dit moment niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Slob en Pechtold. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 17 (34000). 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik dank de minister-president en het kabinet voor de toezegging die we hebben gekregen over de financiële steun voor de beveiliging van de Joodse instellingen. Ik heb dat in mijn eerste termijn in de richting van de minister-president een erezaak genoemd. Jarenlang hebben we tevergeefs hierom gevraagd. Ik ben blij dat we op dit punt nu een doorbraak hebben kunnen forceren. De regering heeft hiervoor nu een bedrag toegezegd van 1,5 miljoen voor de komende vier jaar. Dat komt waarschijnlijk ook door omstandigheden die zich in de afgelopen maanden hebben voorgedaan, niet alleen in eigen land. 1,5 miljoen is ongeveer het bedrag dat nodig is. Ik vind dit heel fijn. Het is ook een duidelijk signaal aan de Joodse gemeenschap in ons land. 

We hebben uitvoerig gesproken over het Belastingplan. Nou ja, over het Belastingplan voor het komende jaar wordt nog apart gesproken. We hebben uitvoerig gesproken over de herziening van ons belastingstelsel. Ik heb de minister-president goed gehoord. Hij wil hiermee vaart maken, zonder zich te willen binden aan zo'n datum als 1 februari. Hij wil wel vóór de zomer komen tot het maken van keuzes, die dan ook kunnen worden meegenomen in de begroting voor 2016. Dat vind ik een belangwekkende toezegging. Mijn fractie is bereid om in de komende weken en maanden mee te spreken over die herziening van het belastingstelsel. Wij vinden dit belangrijk. 

Er zijn daarbij wat ons betreft vijf punten van belang. Die willen wij mede als uitgangspunt hanteren bij deze herziening. In de eerste plaats vinden wij dat er lagere lasten op arbeid moeten komen. Die mening delen wij met het kabinet. Wij vinden in de tweede plaats dat er een eerlijker vermogensbelasting moet komen, zonder dat we allerlei kleine spaarders gaan straffen. In de derde plaats noem ik vergroening. Dat is wat mijn fractie betreft een terugkerend onderdeel van ons belastingstelsel. In de vierde plaats vindt mijn fractie dat de participatiesamenleving niet moet worden afgeremd, maar waar mogelijk juist moet worden gestimuleerd. Dat is ook een onderwerp waar het kabinet mee bezig is. In de vijfde plaats noem ik leefvormneutraliteit. Volgens mij was dit ooit de reden om de commissie-Van Dijkhuizen te vragen om een advies. Leefvormneutraliteit is ook een aspect dat wij zullen meenemen bij het verder bezien hoe het belastingstelsel kan worden aangepast. Daarover zullen wij op een later moment verder spreken. 

Ik heb tot slot nog twee moties die betrekking hebben op de zorg. Eerder zei ik al dat het verdeelmodel voor de Wmo dat nu voorligt, en dat niet het komende jaar maar het jaar daarna zal moeten ingaan, wat ons betreft heel slecht uitpakt voor juist heel spaarzame gemeenten. Dit zijn gemeenten die veel aan preventie hebben gedaan of op andere wijzen hun zaakjes goed op orde hadden. Het gaat met name om gemeenten met tussen de 50.000 en 100.000 inwoners, in Twente, in Limburg. Ik noem bijvoorbeeld de gemeente Urk en de gemeente Zwartewaterland. Wij vinden het niet acceptabel dat dit zo uitpakt. Vandaar dat ik de volgende motie indien. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het nieuwe verdeelmodel Wmo tot forse herverdeeleffecten kan leiden tussen gemeenten; 

overwegende dat gemeenten die in het verleden fors aan preventie hebben gedaan en hun zaken goed op orde hebben, een risico lopen onevenredig minder middelen te krijgen; 

tevens overwegende dat de definitieve besluitvorming over de invoering van het nieuwe verdeelmodel nog moet plaatsvinden; 

spreekt uit dat het onwenselijk is dat gemeenten die in het verleden veel aan preventie hebben gedaan, daarvoor worden gestraft in een nieuw verdeelmodel; 

verzoekt de regering, in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, onwenselijke herverdelingseffecten in kaart te brengen en zowel de ingroeiregeling als het nu voorliggende verdeelmodel daarop aan te passen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Slob, Van der Staaij, Zijlstra, Pechtold en Samsom. 

Zij krijgt nr. 18 (34000). 

De heer Slob (ChristenUnie):

Er wordt nu een belangrijke regeling getroffen rond de huishoudelijkehulptoelage. Daarvan kunnen gemeenten en uiteindelijk dus huishoudens profiteren. Hierdoor kan huishoudelijke hulp nog zo veel mogelijk beschikbaar blijven waar dat nodig is. Mijn fractie heeft gezegd dat het goed zou zijn als deze belangrijke regeling wordt uitgevoerd. Ik snap ook dat er een versnelling plaatsvindt. Wij zouden graag zien dat daarvoor nog wat meer middelen beschikbaar worden gesteld. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het kabinet voor 2015 en 2016 75 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld aan gemeenten om arbeidsplaatsen van huishoudelijke hulpen langer te behouden; 

overwegende dat de huishoudelijke-hulptoelage bijdraagt aan kwaliteit en continuïteit van ondersteuning; 

tevens overwegende dat door het verder verhogen van de huishoudelijke-hulptoelage vele duizenden banen behouden kunnen blijven; 

verzoekt de regering, 40 miljoen euro toe te voegen aan het budget voor de huishoudelijke-hulptoelage en dit te dekken uit de voor 2015 extra beschikbaar gekomen transitiegelden Wmo, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Slob, Samsom, Zijlstra, Pechtold en Van der Staaij. 

Zij krijgt nr. 19 (34000). 

De heer Slob (ChristenUnie):

Tot slot. Deze algemene beschouwingen waren in die zin ook een heel groot verschil met vorig jaar, dat we toen tegen een redelijk massieve muur aanliepen die "kabinet" heette. We zien nu een kabinet en een coalitie — dat is de afgelopen maanden al ingezet, al vrij snel na de APB van vorig jaar — die daadwerkelijk ruimte bieden, ook aan de oppositie. Dat biedt rust en stabiliteit. Dat is goed voor ons land, zeker ook in een tijd en situatie waarin sprake is van grote onrust, niet alleen in eigen land, maar ook daarbuiten. Ik roep het kabinet op om ook in het komende jaar niet achterover te leunen, maar fors aan de slag te gaan met de grote opgaven die er liggen. Dat betreft de aanpak van de grote hoeveelheid werkzoekenden die er nog in ons land zijn en waarvoor meer werkgelegenheid moet worden gecreëerd. Maar ook moeten de decentralisaties op een zorgvuldige wijze verder worden begeleid nu die zullen worden uitgevoerd. Verder moet worden gewerkt aan een belastingplan, aan een nieuwe economie en moet er met name veel aandacht worden gegeven aan het energievraagstuk. Ook moet er inhoud worden gegeven aan die participatiesamenleving. Als het kabinet een luisterend oor blijft houden en ruimte biedt aan opvattingen die in het parlement leven, dan ben ik ervan overtuigd dat we ook bij deze onderwerpen verder kunnen komen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Ook van mijn kant dank aan het kabinet en aan de minister-president voor de uitgebreide manier waarop hij vandaag de verschillende vragen, ook van mijn fractie, heeft beantwoord. Ik dacht nog even terug aan de algemene beschouwingen van vorig jaar. De minister-president deed vandaag op een bepaald moment aan zelfcitatie. Dan kan ik dat dus ook wel doen, dacht ik. Ik zei vorig jaar tegen hem: je moet wel kiezen, je kunt niet iedereen te vriend houden. Dat was toen de rode draad in mijn bijdrage. Dat advies heeft de minister-president overgenomen. Daar ben ik blij om. Hij heeft vrienden gekozen en die heten tegenwoordig "de constructieve drie". Zo kwam het dat deze algemene beschouwingen toch wel echt heel anders zijn en waren dan die van vorig jaar. 

We bespreken deze dagen een Miljoenennota van vijf partijen. Gisteren leek het er soms wel op dat de echte oppositie haar tegenbegroting of het toen nog ontbreken daarvan, moest verdedigen tegenover de constructieve oppositie. Dat was een merkwaardige omkering van de dynamiek van het debat. We hebben ons daar met verve doorheen geslagen, maar we hebben ook kunnen vaststellen dat er nog wel wat te wensen overblijft. Ook bij die constructieve drie zag je soms het zoeken naar de balans tussen datgene waarmee was ingestemd, de begroting 2015, en datgene wat eigenlijk meer of anders zou moeten, ook in de visie van die partijen. Wat mij betreft, geldt in ieder geval voor drie zaken dat er meer ambitie en meer daadkracht van het kabinet zou moeten zijn, dat zijn het belastingstelsel, de energiepolitiek en de diplomatie. Ik wil over alle drie kort wat zeggen. 

In de discussie over het nieuwe belastingstelsel bleek eigenlijk dat we op zoek zijn naar smeerolie, naar extra geld voor lastenverlichting om het op die manier mogelijk te maken dat we die omvorming van het belastingstelsel in een andere richting ook daadwerkelijk kunnen realiseren. Nieuwe meevallers zijn eigenlijk een voorwaarde om te komen tot een belastingherziening. Voor die belastingherziening zoekt het kabinet naar een brede basis in dit huis. Daarvoor is het, denk ik, in de eerste plaats belangrijk dat er volstrekte helderheid en als het kan ook eensgezindheid is over de doelen van de belastingherziening. Volgens de belastingbrief zijn die als volgt: het moet simpeler, het moet banen opleveren — heel goed — en het moet leiden tot economische groei. Het regeerakkoord begint met de volgende zin: "Het financieel en sociaal-economische beleid van dit kabinet kent drie onlosmakelijk met elkaar verbonden pijlers: de schatkist op orde brengen, eerlijk delen en werken aan een duurzame groei." Ik begrijp dat de minister-president tegen collega's Van der Staaij en Slob zegt dat we nu niet allerlei andere doelen moeten gaan toevoegen aan de discussie over het nieuwe belastingstelsel. Maar twee van de drie pijlers van het financieel en sociaal-economische beleid van dit kabinet zelf lijken mij bij uitstek doelen voor een nieuwe belastingherziening. Daarom dien ik graag de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het kabinet voornemens is, het belastingstelsel te herzien waarbij het kabinet drie doelen voor ogen heeft, te weten een simpeler stelsel dat bijdraagt aan economische groei en werkgelegenheid; 

overwegende dat herziening van het belastingstelsel een belangrijk instrument is om twee van de drie pijlers van het kabinet, een rechtvaardige inkomensverdeling en duurzame groei te bereiken; 

verzoekt de regering, in het voorjaar te komen met een uitgewerkte herziening van het belastingstelsel, waarbij ook een rechtvaardige inkomensverdeling en duurzame groei doelen zijn van de herziening, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 20 (34000). 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Extra ambitie en nieuwe daadkracht zoeken we ook op het terrein van energievoorziening. Er is al veel over gezegd, we hebben haast, er is urgentie. We dreigen de naar beneden bijgestelde doelstelling van het energieakkoord niet te halen. De minister-president is er heel optimistisch over en ik hoop dat ik hem kan helpen om dat optimisme straks ook waar te maken. We hebben met 40 partijen afgesproken dat we het gaan halen, dus gaan we het halen, zo zei de minister-president vanmiddag. En we gaan in 2016 bekijken hoe het ervoor staat. Dat is me allemaal net iets te weinig. Zo'n flegmatieke houding kan het klimaat zich niet veroorloven. 

Wat de wind op zee betreft wacht mijn fractie de brief af die we rond 1 oktober zullen ontvangen van de minister van Economische Zaken. Ook qua energiebesparing zou ik graag zien dat er meer daadkracht is. Daarom dien ik de volgende motie in. "De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat het volgens het Planbureau voor de Leefomgeving onzeker is of het doel van schone energie gehaald wordt; overwegende dat de urgentie van energieonafhankelijkheid met de situatie in Oekraïne nog groter is geworden; overwegende dat het ernaar uitziet dat een aanzienlijk deel van het subsidiegeld uit de SDE-plusregeling in 2014 niet uitgegeven wordt …" 

Sorry, mevrouw de voorzitter, ik lees de verkeerde motie voor. Dit is nu juist de motie die ik nog niet wilde indienen, aangezien ik de brief van 1 oktober wil afwachten. Ik doe het opnieuw. Krijg ik daarvoor extra spreektijd? 

De voorzitter:

Nee. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dan ga ik snel verder. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de afhankelijkheid van fossiele energie-exporteurs in de huidige geopolitieke situatie knellend en onwenselijk is; 

overwegende dat energiebesparing een effectieve manier is om de afhankelijkheid op kortere termijn te verminderen; 

overwegende dat van de energiebesparingsdoelstelling uit het energieakkoord tot nu toe slechts de helft in "doorrekenbare" concrete maatregelen is vastgelegd; 

verzoekt de regering, de inzet op energiebesparing te intensiveren en concrete en specifieke maatregelen te nemen om de doelstellingen te realiseren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 21 (34000). 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik heb nog 50 seconden om een motie in te dienen die verder geen toelichting behoeft omdat ik er in mijn eerste termijn uitgebreid over gesproken heb. De motie gaat over het inzetten van extra middelen voor diplomatie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat er sinds 2010 structureel is bezuinigd op de personele bezetting van het ministerie van Buitenlandse Zaken; 

overwegende dat, gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen, diplomatieke inzet meer dan ooit nodig is; 

verzoekt de regering, extra financiële middelen in te zetten voor de versterking van diplomatieke capaciteit ter bevordering van de internationale rechtsorde en vrede en veiligheid, en de economische positie van Nederland en dit te dekken uit de HGIS-middelen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ojik, Samsom, Pechtold, Slob, Van der Staaij en Zijlstra. 

Zij krijgt nr. 22 (34000). 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik heb nog één seconde. Die wil ik graag gebruiken voor een heel plechtige afsluiting door te zeggen dat ik hoop dat deze moties kunnen rekenen op de warme instemming van dit kabinet. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Ik dank de minister-president voor de beantwoording. Ik moet wel zeggen dat ik niet had gedacht dat ik de minister-president nog zou verleiden tot een uitspraak die op zijn minst op gespannen voet staat met artikel 26 van het Reglement van orde van de ministerraad. Daar staat namelijk in — dat weet de minister-president ongetwijfeld — dat het niet toegestaan is om de geheimhoudingsplicht te schenden: "Ten aanzien van hetgeen ter vergadering besproken wordt of geschiedt, bestaat een geheimhoudingsplicht". Hij heeft vandaag toch onthuld dat in de ministerraad niet getutoyeerd wordt en dat er formelere vormen gehanteerd worden. Ik denk dat het wel passend is om daar verder geen sancties aan te verbinden. Ik hoor dat de heer Roemer al gelijk over straf begint, maar het lijkt mij dat we dit moeten gedogen van de minister-president. 

Inhoudelijk. Dank voor de toezeggingen die zijn gedaan op een aantal punten. Ik ga niet weer een heel betoog houden, want ik weet dat de Kamer het zeer waardeert om snel naar de maaltijd te kunnen gaan op dit tijdstip van de dag. Ik spreek mijn dank uit voor de toezegging op het punt van de alleenverdiener, die achterblijft in de koopkrachtcijfers, waarbij ook het WRR-rapport het alarmsignaal afgeeft dat alleenverdieners hard op weg zijn een kwetsbare groep in de samenleving te worden. Op dit punt had ik een motie voorbereid, maar gelet op de toezegging wil ik die niet meer indienen. Het verzoek was — de minister-president heeft daar al "ja" op gezegd — om de grote verschillen in koopkracht tussen alleenverdieners met kinderen en andere groepen nadrukkelijk mee te wegen bij de herziening van het fiscale stelsel, de toeslagen en de kindregelingen. Wij zullen ook zeker volgen of dat op die manier zal gebeuren. 

Dank voor de toezegging op het gebied van de beveiliging van de joodse instellingen. Collega Slob had het daar net al uitgebreid over. De minister van Veiligheid en Justitie had het al eerder over een doorbraak. Het lijkt erop dat die er ook echt is gekomen, waarvoor veel dank. 

Groen onderwijs is verschillende keren langsgekomen vanmiddag. Collega Slob heeft een toezegging ontlokt dat de kortingen op het groen onderwijs toch echt van de baan gaan. Daarna heeft collega Zijlstra aangekondigd dat hij dit samen met de heer Pechtold gaat repareren bij de algemene financiële beschouwingen. Welnu, ik kan aankondigen dat ik het samen met collega Buma bij de begrotingsbehandeling van Economische Zaken ga herstellen. Met zo'n breed draagvlak voor het groen onderwijs gaat het goed met die sector. 

Ik wil nog een motie indienen die betrekking heeft op het terrein van defensie. Daar is extra geld naartoe gegaan, wat geen overbodige luxe is in de onveilige wereld van nu. Ook is het woord "trendbreuk" in de mond genomen omdat het niet kan blijven bij alleen nu even extra budget, waarna daar weer van af wordt gezien. Er moet meer gebeuren. Om die trendbreuk verder invulling te geven, stel ik de volgende motie aan de Kamer voor. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat vrijwel alle (inter)nationale veiligheidsanalyses uitwijzen dat de ambitie, het voortzettingsvermogen en het bijbehorende budget van de Nederlandse krijgsmacht nopen tot herijking in opwaartse zin; 

overwegende dat de regering aanduidt, te willen inzetten op een positieve trendbreuk ten aanzien van het Defensiebudget voor de (middel)lange termijn; 

verzoekt de regering, aan te geven wat het noodzakelijke ambitieniveau van onze krijgsmacht in de komende jaren is, welke internationale veiligheidsstrategie daarbij hoort, hoe de slagkracht van Defensie dient te worden vergroot en hoe deze zich verhoudt tot de nationale inzet van onze krijgsmacht; 

verzoekt de regering tevens, nader in te vullen op welke wijze het Defensiebudget in de komende jaren zal worden bijgesteld, waarbij expliciet wordt gewaarborgd dat het niveau van defensiebestedingen gelijke tred zal houden met het noodzakelijke ambitieniveau voor onze krijgsmacht, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Staaij, Zijlstra, Slob en Van Haersma Buma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 23 (34000). 

De heer Van der Staaij (SGP):

De SGP-fractie heeft inderdaad op voorhand al op hoofdlijnen aangegeven dat zij zich kan vinden in de benadering die in deze begroting wordt gevolgd. Dat betekent niet dat het einde verhaal is, want er zijn nog tal van wensen en gespreksonderwerpen bij de departementale begrotingen die straks gaan volgen. Wij hebben er wel voor gekozen om het gesprek met het kabinet in een vroeg stadium aan te gaan, juist omdat wij vorig jaar zagen dat het ook niet goed is als er heel veel onzekerheid blijft hangen, voor de burgers in het land, voor de ouderen, de jongeren en al die andere mensen die zich afvragen wat het voor hun portemonnee betekent. Omdat er in deze tijd juist behoefte is aan stabiliteit en duidelijkheid, hebben wij daar graag aan mee willen werken. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn beantwoording. Ik heb mijn bijdrage in het teken gesteld van de vraag hoe wij naar een samenleving kunnen gaan waarin mededogen en duurzaamheid leidend zijn. Ik heb duidelijk willen maken dat we de samenleving niet gelukkiger zullen maken, en de aarde niet leefbaar, zolang wij schaarse grondstoffen in de uitverkoop doen, tegen bodemprijzen, deze zelfs subsidiëren en de arbeid uit de markt prijzen met ongekend hoge loonheffingen. Ik ben blij met de beweging van het kabinet om te kijken naar een vorm om in het belastingstelsel van de toekomst niet alleen arbeid te belasten, maar mogelijk ook grondstoffen. Het kabinet lijkt een wat onzeker pad op te gaan. Ik weet ook niet of de coalitiepartners het op alle punten eens zijn. Dat blijkt ook uit het debatje tussen de heer Zijlstra en de heer Samsom. Daarom denk ik dat het goed is als de Kamer de volgende motie zou aannemen, om het kabinet een steuntje in de rug te geven. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende de breed gedeelde wens om tot een verlaging van de belasting op arbeid te komen, zonder dat er op voorhand taboes worden aangegeven bij de invulling daarvan; 

constaterende dat een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar vervuilende activiteiten en schaarse grondstoffen grote milieuwinst oplevert en werkgelegenheid creëert; 

verzoekt de regering, voor 1 februari 2015 een kader te presenteren voor de hervorming van het belastingstelsel, waarin een substantiële vergroening van het belastingstelsel wordt verankerd, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Thieme en Pechtold. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 24 (34000). 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Vanmiddag hebben we gezien dat de coalitie van water en vuur zich met name manifesteert als je het thema "klimaat" aanzwengelt. Klimaatverandering is een ongemakkelijke waarheid voor velen, omdat het betekent dat we onze levensstijl moeten veranderen, omdat we simpelweg een verantwoordelijkheid hebben tegenover toekomstige generaties. We zullen de aarde beter achter moeten laten dan hoe we deze hebben aangetroffen. Dat is transitiepijn. Dat kost pijn, maar het biedt ook kansen op innovatie. Onze samenleving is in staat om grote crises te overwinnen. Laten we erop inzetten om de klimaatcrisis te bestrijden. 

Dan is het ontzettend jammer als je ziet dat de leidende partijen, die samen dit kabinet vormen, het niet eens kunnen worden over die ambitie om het klimaat te verbeteren. In feite staan zij lijnrecht tegenover elkaar, maar als er iets is wat wij ons niet kunnen veroorloven, dan is het dat het klimaatbeleid daar het slachtoffer van wordt. 

Er gebeurt veel te weinig. Dat is ook de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving in de jongste balans. Het PBL constateert nog explicieter dan in eerdere jaren dat Nederland nog niet voorbereid is op de toekomst. Het rapport getiteld De toekomst is nu is een oproep tot herwaardering en modernisering van strategisch langetermijnbeleid. Dat is de oproep van het PBL. Nederland is nog onvoldoende voorbereid op ingrijpende veranderingen. We zullen de bestaande structuren moeten aanpassen om daartoe te komen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het Planbureau voor de Leefomgeving in zijn meest recente Balans voor de Leefomgeving aangeeft dat: 

  • -Nederland onvoldoende voorbereid is op ingrijpende veranderingen — in demografie, klimaat, biodiversiteit en de beschikbaarheid van grondstoffen — die zich in de komende decennia kunnen openbaren; 

  • -een schone, gezonde en veilige leefomgeving nú om krachtig beleid vraagt, waarbij er nú extra stappen moeten worden gezet om de langetermijnopgaven het hoofd te bieden; 

  • -transities moed en leiderschap vergen, bijvoorbeeld in de vorm van een heldere, krachtig ondersteunde doelstelling voor de lange termijn, en dat een dergelijke langetermijndoelstelling ontbreekt in Nederland; 

verzoekt de regering om dit parlementaire jaar te komen met een coherente strategie voor het doorvoeren van de benodigde en gewenste systeemveranderingen, waarin paden worden geschetst voor de transitie naar een volledig duurzame samenleving in 2050, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Thieme. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 25 (34000). 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Partijen die een heilig vertrouwen hebben in het herstel van economische groei als oplossing van alle problemen, maar het alleen niet eens zijn over de route daarnaartoe, zijn niet in voor echte koerswijzigingen, omdat ze de noodzaak daarvan niet zien. Terwijl de grenzen van de groei al enkele decennia in zicht zijn, wordt er weinig gedaan aan de zoektocht naar andere mogelijkheden, die wel binnen de draagkracht van de aarde vallen. De rijken worden steeds rijker, de armen worden armer. De zwaksten worden nauwelijks beschermd tegen het vermeende recht van de sterkste. In zo'n situatie gaat het niet om welke pleisters je wilt plakken op gesignaleerde problemen, of om wat die pleisters exact kosten. Het gaat daarbij veel meer om de bereidheid om met elkaar een volstrekt andere, integrale behandeling van de systeemcrisis te zoeken. Die bereidheid is helaas nog niet aanwezig bij dit kabinet. 

De vraag wat wij ons wel en niet kunnen veroorloven, wordt vooralsnog gezien als een louter financiële kwestie, terwijl we het ons, naar de overtuiging van mijn fractie en die van een groeiend aantal wetenschappers, niet kunnen veroorloven om alles uit te drukken in termen van geld en de daaraan gekoppelde betaalbaarheid van ons beleid. Als we niet bereid zijn om ons handelen binnen de grenzen van de draagkracht van de aarde te brengen, zullen onze kinderen het kind van die rekening worden. Economische groei is niet de oplossing, maar het probleem. 

De heer Krol (50PLUS/Baay-Timmerman):

Voorzitter. Wat mij betreft oogt dit debat in het afgelopen uur veel te vrolijk, omdat ik weet wat voor ellende veel mensen thuis op dit moment ervaren. Toch wil ik de minister-president danken voor de beantwoording. Ik heb maar één verzoek, maar wel moties en weinig tijd, dus ik ga heel snel lezen. 

Het verzoek gaat over de verruimde schenkingsregeling, een idee van 50PLUS. We hebben kunnen vaststellen dat die goed is voor jong en oud, en goed voor de bouw. We danken het kabinet voor de complimenten die we daarvoor kregen. We hadden een motie willen indienen om haar een jaar te verlengen. Ik begrijp dat dat er niet in zit, maar mag ik het kabinet dan wel vragen om een extra inspanning te doen om deze regeling, die nog maar veertien weken duurt, onder de aandacht van het publiek te brengen, zodat de mensen die dat kunnen, daar ook gebruik van kunnen maken? 

Ik heb twee moties, dus ik ga nu heel snel. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de regering heeft aangegeven dat de bestrijding van werkloosheid nu de allerhoogste prioriteit heeft; 

overwegende dat de instroom van 55-plussers in de WW nog steeds groter is dan de uitstroom; 

overwegende dat de minister zelf ook heeft aangegeven dat er bij werkgevers vooroordelen bestaan jegens oudere werknemers; 

overwegende dat de aanpak van deze vooroordelen een structureel karakter moet hebben om effectief te zijn; 

overwegende dat er ook een ambassadeur aangesteld is ter bestrijding van jeugdwerkloosheid; 

verzoekt de regering, naast een ambassadeur jeugdwerkloosheid een ambassadeur in te stellen ter bestrijding van ouderenwerkloosheid, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Krol. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 26 (34000). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat uit onderzoek van het Nibud blijkt dat mantelzorgers tot een derde van hun inkomen kunnen verliezen juist doordat zij mantelzorg verlenen; 

overwegende dat het verlenen van mantelzorg niet mag leiden tot financiële achteruitgang; 

verzoekt de regering, binnen drie maanden een plan op te stellen om inkomensverlies bij het verlenen van mantelzorg te voorkomen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Krol. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 27 (34000). 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Voorzitter. Ook ik dank de minister-president voor zijn beantwoording, met name voor zijn heldere schriftelijke antwoorden. 

Ik heb het gehad over het belastingstelsel en de belastingherziening en ik heb daarin ook verwezen naar De Nationale Pensioendialoog. De minister-president heeft hierop heel duidelijk aangegeven dat een nationale belastingdialoog, om te horen wat mensen een eerlijk en veilig systeem vinden, niet aan de orde is, in tegenstelling tot wat de heer Pechtold had gemeend te horen. Volgens mij kun je ook geen gesprek afdwingen. Een nationale belastingdialoog is dus niet aan de orde, maar de fractie-50PLUS/Klein.nl staat graag open voor voorstellen om die dialoog wel aan te gaan, zodat we naar een open en eerlijk systeem gaan. 

Dan kom ik op het nieuwe ftk. Er komen allemaal wetsvoorstellen aan. De toekomstbestendigheid voor alle generaties moet ook aanwezig zijn. Daarom moeten we nu niet op die wetsbehandeling vooruitlopen. Ik wil echter wel iets doen om de opgelopen achterstanden in de indexaties bij sommige pensioenfondsen iets op te lossen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat pensioenfondsdeelnemers, zowel jong als oud, de afgelopen jaren hard getroffen zijn door de financiële problemen bij de pensioenfondsen, waardoor indexatie voor de prijsstijgingen bij veel pensioenfondsen achterwege is gebleven; 

overwegende dat pensioenfondsen met de huidige regels niet de mogelijkheid hebben om eenmalige pensioenuitkering als compensatie van achterwege gebleven indexaties uit te keren; 

verzoekt de regering, maatregelen te verkennen waarbij pensioenfondsen de ruimte gegeven wordt om een eenmalige inhaalindexatie van pensioenen mogelijk te maken zonder daarbij concessies te doen aan de evenwichtigheid tussen generaties, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 28 (34000). 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Tot slot haal ik één antwoord naar voren dat het kabinet heeft gegeven op onze vraag over de vrijwilligers en de opzet voor de vrijwilligers in de zorg. Belangrijk is dat de vrijwilligers extra steun en waardering krijgen. Dat wordt ook aangegeven. Dan gaat het niet alleen over de 450.000 vrijwilligers in de zorg over wie het kabinet nu zal komen met een brief. Deze zullen we met belangstelling lezen. We moeten echter ook goed kijken naar de maatschappelijke waardering voor de vele vrijwilligers op andere terreinen. Dit onbetaalde werk moet gewaardeerd worden. Het wordt een uitdaging voor dit kabinet om in het komende jaar te werken aan een goede, open samenleving. 

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor het beantwoorden van de vragen. 

Dit kabinet is compleet de weg kwijt. Dit kabinet is visieloos. Nederland snakt naar lage belastingen, meer veiligheid en een streng immigratiebeleid. Nederland verkeert nog steeds in een economische crisis. De werkloosheid is torenhoog en er is nauwelijks sprake van economische groei. Deze crisis kan maar op één manier worden opgelost, namelijk door de belastingen drastisch te verlagen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de belastingen en werkloosheid torenhoog zijn en er nauwelijks sprake is van economische groei; 

constaterende dat ons door het Centraal Planbureau doorgerekende fiscaal plan 2015 leidt tot lage belastingen, één miljoen extra banen en een verdubbeling van de economische groei, zonder dat het tekort of de staatsschuld oploopt; 

overwegende dat ons belastingplan leidt tot een welvaartsrevolutie; 

verzoekt de regering, ons belastingplan door te voeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bontes. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 29 (34000). 

Daarmee is een einde gekomen aan de tweede termijn van de Kamer. De minister-president heeft laten weten dat hij kan overgaan tot het beantwoorden van de laatste, openstaande vragen en het reageren op de ingediende moties zodra hij deze allemaal heeft ontvangen. We wachten daarom heel even tot de laatste motie is rondgedeeld. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Minister Rutte:

Voorzitter. Ik probeer de Kamer onmiddellijk te bedienen, maar moet nog even de laatste moties sorteren. Ik heb nu het totaaloverzicht weer, althans dat denk ik. 

De voorzitter:

Ga uw gang. We proberen u bij te houden. 

Minister Rutte:

Er zijn veel moties ingediend. Ik ga eerst in op een paar opmerkingen die los van de moties zijn gemaakt in de tweede termijn van de Kamer. Het gaat om punten die niet terugkeren in een motie. 

Ik dank de heer Buma voor de mooie afsluiting van zijn betoog. Hij maakt de cirkel eigenlijk rond door terug te komen op MH17 en door vooruit te kijken naar 10 november. Ik ben het daarmee eens. 

Tegen de heer Pechtold zeg ik nog eens dat wij het politieke debat in de Kamer zoeken, maar dat je voor de uitvoering van allerlei maatregelen in een nieuwe belastingsystematiek moet praten met allerlei doelgroepen. Dat kan niet anders. Als je maatregelen neemt op het terrein van de auto en met betrekking tot aftrekposten, is het natuurlijk logisch dat je ten minste de deur openzet voor overleg met die belangenorganisaties. We gaan daar geen brede maatschappelijke discussie mee voeren, maar wij gaan daar wel mee in gesprek. Het politieke debat voeren wij dan graag met de Kamer. Hierop is al zo veel gestudeerd dat er geen breed maatschappelijk debat meer nodig is. Wat wel nodig is, is het normale overleg met belangenorganisaties. Daar moet je natuurlijk altijd beschikbaar voor zijn, met een kritische instelling. 

Ik ben het eens met de heer Zijlstra. Voor het belastingstelsel streven wij naar een eindbeeld en een stappenplan. Ik ben het ook eens met hetgeen hij zei over de NHI en de NII, namelijk dat het belangrijk is dat zij blijven functioneren binnen hun mandaat. De pensioenfondsen hebben in de eerste plaats natuurlijk als taak om te zorgen voor goede pensioenvoorzieningen. Alle zaken waarmee zij een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan deze investeringsmogelijkheden, moeten ten dienste staan van de potten in de tweede pijler, opdat deze zo groot mogelijk zijn. Ik ben het ook zeer met hem eens dat het nu zaak is om koers te houden. 

Verschillende mensen hebben nog gesproken over het energie- en klimaatdossier. Ik dacht volgende week een ontspannen bijeenkomst te hebben in New York, maar in een halfuur tijd is de agenda behoorlijk volgelopen. Nederland wil een ambitieus klimaatakkoord in 2015; dat is bekend. Wij moeten daarin komen tot een effectieve aanpak van het klimaatvraagstuk, zonder negatieve effecten op de Nederlandse of Europese economie. In het bijzonder gaan wij na hoe wij de Nederlandse inzet — dat zijn de nieuwe klimaatdoelstellingen voor 2030 en het streven richting 2050, volgens de afspraken die wij hierover met de Kamer gemaakt hebben — zo goed mogelijk kunnen realiseren. Tot nu toe hebben wij ons echter alleen vastgelegd tot 2020. Daarover zijn in het energieakkoord afspraken gemaakt, met een doorwerking naar 2023. Die Nederlandse zaken liggen vast. De heer Samsom heeft dat nog eens duidelijk gezegd. Op de klimaattop in New York zal Nederland initiatieven zoeken voor internationale samenwerking met landen en bedrijven. Wij zullen praten over adaptatie, landbouw, logistiek en duurzame inkoop. Nederland wil daarmee een belangrijke rol spelen op weg naar een ambitieus klimaatakkoord in 2015. Wij hebben ons echter vastgelegd, zoals de heer Samsom zei, tot 2020-2023, zeker in het kader van het energieakkoord. De 16% moeten wij nu echt met elkaar zien te halen. Dat zijn de afspraken die wij politiek gemaakt hebben. 

De heer Roemer (SP):

Ik snap wel dat de premier de kool en de geit wil sparen, maar hij zal toch duidelijk een keuze moeten maken als het gaat om de vraag, wat de inzet van Nederland zal zijn. De heer Samsom, mijn partij en andere partijen hebben ervoor gepleit dat Nederland ambitieuzer moet zijn en ook een koploper moet willen zijn. Gaat de premier met die boodschap daarnaartoe? 

Minister Rutte:

Dat zijn allemaal woorden. Wij hebben hier de politieke afspraak met elkaar gemaakt dat Nederland inzet op een klimaatdoel voor 2030 van minimaal 40% CO2-reductie. Wij hebben afgesproken dat wij streven naar een duurzame energievoorziening in 2050 en dat we daarnaast kijken naar een aandeel duurzame energie van 27%. Die afspraken gelden voor Europa. Die zijn niet doorvertaald naar de lidstaten, maar dat is echt een Europees doel. Daarover hebben we in politiek verband afspraken met elkaar gemaakt. Het daarop ook internationaal vastleggen is nu nog niet aan de orde. 

De heer Roemer (SP):

Dan kom ik tot de conclusie dat de premier niet die koploperspositie wil innemen en niet met die boodschap, waar een groot deel van de Kamer echt om gevraagd heeft … 

Minister Rutte:

Maar wat wilt u dan, mijnheer Roemer? 

De heer Roemer (SP):

Ik wil dat Nederland daarin een koppositie inneemt. Ik wil dat Nederland het voortouw neemt en ik wil een hoger ambitieniveau, zoals dat uitstekend was verwoord in mijn bijdrage, in die van de heer Samsom en in die van mevrouw Thieme. Ik hoor dat niet terug. 

Minister Rutte:

40% reductie in 2030 is een politieke afspraak die hier in de Kamer is gemaakt. Dat is behoorlijk ambitieus. Ik hoor de heer Roemer ook niet voorstellen om dat percentage te verhogen. Dat zal ook nog een hele hijs worden. De vraag in het kader van Parijs 2015 is nu natuurlijk hoe verbindend dat is. Daar heeft de heer Zijlstra iets over gezegd en daar heeft de heer Samsom ook iets over gezegd. Maar de politieke intentie is om die twee doelstellingen te bereiken. We hebben daarbij gezegd dat die 27% voor Europa een Europese doelstelling moet zijn, dat die niet moet worden doorvertaald naar de lidstaten. Dat zijn de afspraken die we hier in politiek verband gemaakt hebben. 

Volgens mij heb ik de meeste vragen die in tweede termijn gesteld zijn, beantwoord. Als niemand nu boos opspringt, ga ik door met een reactie op de moties. 

Eerlijk gezegd, vind ik de motie op stuk nr. 5 van de heer Roemer overbodig. Het staat eigenlijk al in de brief. Mijn conclusie is dus dat de motie overbodig is. 

De heer Roemer (SP):

In dat geval zou de premier ook gewoon kunnen zeggen dat hij de motie ziet als ondersteuning van het beleid. 

Minister Rutte:

Wij gaan nu allerlei dingen uitwerken. In de brief halen wij deuren van het slot, bijvoorbeeld op het punt van een eerlijkere vermogensrendementsheffing. De motie is overbodig. In de motie staat een heel precieze formulering die weer net iets verder gaat dan het gestelde in de brief. Als de heer Roemer het daarover wil hebben, zou het mijn suggestie zijn om de motie aan te houden tot het debat over de brief. 

De heer Roemer (SP):

Dan is de motie dus niet overbodig, dan is het een duidelijke uitspraak waar de premier van weg wil komen. Dan is de motie zeker niet overbodig. Het is iets wat meerdere partijen heel graag willen, iets wat hard nodig is. Dan zou de premier moeten zeggen, conform zijn eerdere woorden en zeker ook de woorden van de coalitiepartij, dat de motie kan worden gezien als ondersteuning van het beleid. Dan verwacht ik ook steun van de premier, zodat wij dus voor deze motie kunnen stemmen. 

Minister Rutte:

De gedachte zit in de brief. Daarvoor is deze motie niet nodig. Als u het zo zwaar neerzet, kan ik niet anders dan de motie ontraden. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik zou erop willen wijzen dat de inhoud van de motie net niet gelijk is aan de brief. Er wordt hier over de kleine spaarders gesproken, maar het gaat erom dat wij gaan kijken naar reëel rendement, ongeacht wie het rendement behaalt. Dat is wel een essentieel verschil. 

Minister Rutte:

Ja. Ik kan me voorstellen dat de heer Roemer zegt dat hij de motie aanhoudt tot het debat over de brief van Eric Wiebes. De motie is overbodig, in de zin dat er een richting in staat die ook in de brief staat. Die richting wordt in de motie echter verder "toegepunt". Als die motie nu in stemming komt, met deze precieze "aanpunting", dan kan ik niet anders dan de motie ontraden. Ik begrijp dat de heer Roemer de motie niet wil aanhouden. Ik ontraad derhalve de motie op stuk nr. 5. 

Ik ontraad ook de motie op stuk nr. 7. De budgetten die zijn vastgesteld, zijn adequaat om de taken uit te voeren. Gemeenten krijgen daarbij veel beleidsruimte binnen de kaders van de wet. Ze krijgen ook de mogelijkheid om naar eigen inzicht zaken te organiseren. Van een aantal opmerkingen bij het hoofdje "constaterende" kan ik zegen dat het kabinet al vele maatregelen heeft genomen voor een zachte landing. Met andere woorden, deze motie ontraad ik. 

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 6, waarin wordt voorgesteld om de verhuurdersheffing om te zetten in een investeringsplicht. Die motie ontraad ik. Om te beginnen zou dit een enorm gat slaan in de begroting, namelijk van 1,3 miljard, terwijl alternatieve dekking daarvoor in het voorstel ontbreekt. De verhuurdersheffing dient ertoe om het excessieve vermogen van de corporaties af te romen en beschikbaar te stellen voor andere maatschappelijke doelstellingen. Die heffing leidt niet tot een inperking van de investeringsmogelijkheden, omdat de corporaties tegelijkertijd ruimte hebben gekregen om de huren te verhogen. Het niveau van de huren in de sociale huursector staat dat ook toe. Ik meen verder dat een wettelijke investeringsplicht zijn doel voorbijschiet. Investeren is niet altijd nodig en een wettelijke plicht past niet bij het private karakter van de woningcorporaties. Dus om die verschillende redenen ontraad ik deze motie. Mijn eerdere betoog ging inderdaad over de motie op stuk nr. 7, die behelst de bezuinigingen die gepaard gaan met decentralisaties te schrappen, om de redenen die ik hiervoor noemde. 

Vervolgens de motie op stuk nr. 8, die vraagt om voor een noodzakelijke lastenverlichting ook ruimte te zoeken in beperking van de overheidsuitgaven. Het kabinet legt geen taboe op extra bezuinigingen maar kiest daar niet voor als eigen insteek. Als er eventueel voorstellen vanuit de Kamer komen, zullen we die allemaal bekijken, maar het is niet de insteek van het kabinet. Dus om die reden zijn er, zoals ik het zie, twee mogelijkheden. De ene is de motie aan te houden tot het debat over de brief van Eric Wiebes, de staatssecretaris van Financiën. Anders moet ik de motie ontraden. 

Wat de motie op stuk nr. 9 betreft, zou ik dringend willen adviseren die aan te houden tot het debat over het financieel toetsingskader. Dat is evenwichtig, het houdt rekening met enerzijds het minder snel korten en anderzijds met niet-indexeren als dat duurzaam niet kan en als dat dus ten koste zou gaan van de werkenden. Ik heb daarover vanochtend betoogd hoe belangrijk dat is voor de solidariteit in het stelsel, dus mijn advies zou zijn de motie aan te houden. Als die echt nu in stemming moet komen, kan ik niet anders dan deze motie ontraden, maar ik zou mij kunnen voorstellen dat het CDA de motie betrekt bij het debat over het financieel toetsingskader. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik ben bereid de motie aan te houden, maar er wellicht volgende week bij de financiële beschouwingen al op terug te komen en haar dan in stemming te brengen. Voor nu ben ik echter bereid deze motie aan te houden. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Haersma Buma stel ik voor, zijn motie (34000, nr. 9) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Minister Rutte:

De motie op stuk nr. 10 is ondersteuning van beleid. Ik wijs op wat er al gebeurt. Economische Zaken steekt met de provincie Groningen 20 miljoen in deze kwesties, daarnaast de NAM 65 miljoen en de provincie Groningen nog eens 32 miljoen waar het gaat om de Economic Board. Dat zijn grote bedragen, dus in die zin beschouw ik deze motie als ondersteuning van beleid. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ook in het kader van de bepaling van ons stemgedrag, "ondersteuning beleid" betekent dat het kabinet inzet op alle regio's in heel Nederland waar dat gebeurt. 

Minister Rutte:

U weet dat Groningen bijzondere aandacht krijgt vanwege de ellende met de gaswinning en alle flankerende maatregelen die daar gelden. Daarmee is Henk Kamp druk bezig. Dat heeft ook al geleid tot behoorlijke herschikkingen en vormen van ondersteuning om de economische structuur in het Noorden te versterken. Deze motie vraagt eigenlijk om te kijken wat wij verder nog kunnen doen. Wat ik hier zeg, is dat het maximale al wordt gedaan. In die zin vind ik de motie sympathiek als ondersteuning van beleid, maar het is geen claimmotie, want er wordt niet gevraagd om nieuw geld. 

De heer Pechtold (D66):

Ik vind dat wij wel helder moeten zijn. Er staat "zoals het Pact van het Noorden". Dat is heel sympathiek, maar er zijn dus ook andere regio's; laten we zeggen in totaal twaalf provincies, die daarvoor in aanmerking komen. 

Minister Rutte:

Er staat ook "binnen de bestaande kaders", dus er wordt geen nieuw geld uitgezocht. Als ik naar het Noorden kijk, zeg ik dat daar echt al heel veel gebeurt. Ik zou zo gauw niet weten wat je daar nog verder uit kunt persen, maar misschien lukt dat. Er wordt al heel veel gedaan. Omdat er geen claim staat op nieuw geld, acht ik de motie te dragen en is dit ondersteuning van beleid. 

De motie-Wilders op stuk nr. 12 ontraad ik met verwijzing naar het debat dat we daarover gevoerd hebben. 

De motie-Wilders op stuk nr. 13 ontraad ik. 

Ik kom op de motie-Pechtold/Van Haersma Buma op stuk nr. 14, waarin de datum 1 februari wordt genoemd. In het debat hebben we daar uitvoerig over gesproken. Het kabinet wil haast maken, maar er is geen absolute urgentie om het per se voor 1 februari te doen. Sowieso zal niet alles per 2016 veranderd kunnen worden. We gaan daar de eerste tranche voorstellen voor doen. Ook als je kijkt naar eerdere belastinghervormingen, kun je constateren dat het altijd stapsgewijs zal gebeuren. Dat heb ik al gezegd in antwoord op de vragen van de heer Zijlstra. Je zet een toekomstperspectief neer. Daar komt een stappenplan tegenaan. In deze motie wordt echter de datum van 1 februari genoemd. Dat vind ik te stellig. Daarom ontraad ik de motie, maar met de geest van de motie zijn we het denk ik allemaal eens: liever sneller dan later. Nu wordt echter zo stevig de datum van 1 februari neergezet. Onder verwijzing naar de discussie van vanochtend ontraad ik deze motie. 

Ik kom op de motie-Pechtold/Van Ojik op stuk nr. 15. In het debat dat ik hierover met de heer Pechtold voerde, ging het erover dat in het regeerakkoord een en ander staat over een superprovincie. We waren een heel eind, maar de besprekingen zijn vastgelopen. Ik begreep dat de heer Pechtold zei: we gaan opnieuw praten over de superprovincie. Nu wordt het kabinet echter gevraagd om een hele agenda op te stellen. Dat is volgens mij niet de deal die we net in het debat hebben gesloten. Ik had begrepen dat de heer Pechtold zei: ik kom terug aan tafel om te praten over de superprovincie en ik neem ook de heer Van Ojik mee. Dat vind ik zeer sympathiek. Dan zitten minister Plasterk en ik onmiddellijk klaar met de koffie, maar het kan niet de bedoeling zijn om weer een heel nieuwe agenda op te stellen. Die agenda ligt er. Dat is het regeerakkoord. Daarin staat een zeer concreet voornemen, namelijk de superprovincie als eerste grote stap op weg naar bestuurlijke vernieuwing. Zo heb ik het begrepen, maar misschien is dat een misverstand. 

De heer Pechtold (D66):

In het regeerakkoord staat een en ander over de gemeenten met het streefcijfer 100.000 plus en de gemeenschappelijke samenwerkingen. Daarin staat een en ander over de waterschappen, zowel over het opschalen als over het uit de Grondwet halen. Daarin staat een en ander over de provincies. De superprovincie staat erin. De heer Van Ojik en ik zoeken naar een dialoog met alle belanghebbenden. Dat kunnen de gemeenten, de waterschappen en de provincies zijn. Het mag echter niet te lang duren, want we moeten tot actie komen. Die dialoog zou kunnen leiden tot iets wat uiteindelijk bij het provinciale niveau terechtkomt. Maar dan is het wel nodig dat de minister van BZK al die relevante partners erbij betrekt. Ik kijk even om naar de heer Van Ojik. Hij is het met mij eens. 

Minister Rutte:

De heer Pechtold heeft mij in dit debat ervan overtuigd dat je moet oppassen met al die dialogen. Daardoor kan het ook weleens wat te traag gaan. Ik ontraad de motie, want het lijkt mij geen goed idee om nu weer een heel nieuwe agenda op te stellen. In het regeerakkoord staat namelijk de eerste stap. Maar wat mij betreft houdt de heer Pechtold die motie aan en geeft hij ons de kans om opnieuw het gesprek te openen over de superprovincie. Dat is namelijk de eerste stap. Dan staan de heer Plasterk en ik onmiddellijk klaar. Het waren goede gesprekken. We waren echt een heel eind. Ik ben ervan overtuigd dat we dat laatste stapje kunnen zetten. We moeten even door het dooie punt heen en dan lukt het. Hier zie ik trouwens die datum van 1 april nergens staan; dat is ook zo gek. 

Ik kom op de motie-Pechtold c.s. op stuk nr. 16 over energieafhankelijkheid. Deze motie is ondersteuning van beleid. We streven naar een duurzame energievoorziening in 2050. Dan zijn we ook onafhankelijk van bijvoorbeeld Russische olie en gas. Uiteraard zullen daar allerlei tussenstappen voor nodig zijn. Ik noem het verkleinen van de gasafhankelijkheid et cetera. Maar per saldo is deze motie ondersteuning van beleid. 

Ik kom op de motie-Slob/Pechtold op stuk nr. 17. Een standpunt van het Comité van Ministers wordt in november 2014 verwacht. Daarom ontraad ik deze motie. Er komt een uitspraak van het Comité van Ministers in november. Het kabinet zal daar dan snel op reageren. Volgens de afgesproken procedure wachten we dat oordeel af. Daarna komt het kabinet met een opvatting. 

De motie-Slob c.s. op stuk nr. 18 gaat over de herverdelingseffecten. Die motie is ondersteuning van beleid. De afspraak is om voor 2016 de budgetten te verdelen op basis van objectieve criteria in plaats van de historische uitgaven. Ik noemde dat al in eerste termijn. Er ligt nu een onderzoek en met de gemeenten wordt besproken hoe wij het moeten doen. Daarbij moeten wij bezien of de criteria voldoen en wat het ingroeipad is naar een nieuw model. Daarbij zullen wij eventuele ongewenste effecten adresseren. Ik beschouw de motie dus als ondersteuning van beleid. 

Dat geldt ook voor de motie-Slob c.s. op stuk nr. 19. De toeslag huishoudelijke hulp zorgt ervoor dat huishoudelijke hulpen hun baan kunnen behouden. Meer middelen betekent meer banen. Dat is nodig voor een verantwoorde transitie. 

Ik zou eigenlijk willen voorstellen dat de heer Van Ojik zijn motie op stuk nr. 20 aanhoudt tot aan de behandeling van de brief van de heer Wiebes over het belastingstelsel. Het lastige is, dat er een aantal doelen bij wordt gelegd. Wat mij betreft wordt het thema duurzame groei betrokken bij de stelselwijziging. De Kamer vroeg ons, keuzes te maken en dat hebben wij gedaan: het hoofddoel van het kabinet is vereenvoudiging en meer werkgelegenheid. Dat alles natuurlijk in het kader van een rechtvaardige inkomensverdeling. Niet dat wij die hiermee verder willen bevorderen; dat doen wij al in het regeerakkoord. Op zichzelf genomen is het allemaal netjes, maar ik wil voorkomen dat wij doelstellingen stapelen. Dit vraagt nog wel enig debat, dus mijn advies is echt om de motie aan te houden tot het debat over de brief van de heer Wiebes. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De minister-president zegt het al: het zijn inderdaad de doelen uit het regeerakkoord. Maar die doelen realiseer je natuurlijk niet door ze in het regeerakkoord te zetten; daar heb je een instrumentarium voor nodig. De belastingherziening is bij uitstek het instrument waarmee je die doelen kunt realiseren. Dat is de achtergrond van deze motie. Daarom had ik eigenlijk verwacht dat de minister-president, gegeven het regeerakkoord, zou zeggen: dit is nu echt ondersteuning van beleid. 

Minister Rutte:

Nogmaals, ik adviseer de motie aan te houden, want anders moet ik haar ontraden. Als de motie niet wordt aangehouden, is mijn advies dus: ontraden. 

In de motie-Van Ojik op stuk nr. 21 wordt de regering verzocht, de inzet op energiebesparing te intensiveren. Dat is op zichzelf genomen natuurlijk ondersteuning van beleid. Het energieakkoord bevat ambitieuze doelstellingen. Het doel is een besparing van jaarlijks gemiddeld 1,5% van het finale energiegebruik. Dat zijn die 100 petajoule in 2020. Daarvoor worden op dit moment ontzettend veel specifieke en concrete maatregelen uitgewerkt. In 2016 wordt het energieakkoord geëvalueerd. Wij hebben daarover gesproken in eerste termijn. Een borgingscommissie onder leiding van Ed Nijpels behartigt de voortgang. 

Als ik zo zie welke namen er onder de motie-Van Ojik c.s. op stuk nr. 22 staan, maakt die motie wel enige kans om te worden aangenomen. Toch zou ik willen voorstellen, de motie aan te houden tot de behandeling van de BZ-begroting, simpelweg omdat er strikt genomen geen dekking in zit, of ik heb de motie te snel gelezen. Er wordt gevraagd om extra financiële middelen, dus dan moet ik wel weten waar die vandaan moeten komen. Of het moet om €10.000 gaan, maar ik neem niet aan dat dat de bedoeling is. Als dit allemaal uit de HGIS-middelen moet komen, vraagt dat om een deugdelijke dekking binnen HGIS. Ik vind het overigens een sympathiek doel en ik begrijp helemaal wat de opstellers van de motie beogen. Maar het vraag echt nog wel om een uitwerking, omdat HGIS, de homogene groep internationale samenwerking, niet zomaar een grabbelton is. Nogmaals: het doel is sympathiek en volgens mij moeten wij het doen, maar mijn advies zou zijn om de motie aan te houden tot aan de behandeling van de BZ-begroting. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik moet voorzichtig zijn, want ik moet nu mede namens de constructieve vijf spreken. Voor ik het weet, zeg ik iets verkeerds. Stel dat ik de motie niet aanhoud en dat deze in stemming wordt gebracht en wordt aangenomen. Voor de begrotingsbehandeling ontvangen wij dan een brief van de verantwoordelijke bewindslieden, waarin zij aangeven hoe zij deze motie denken uit te voeren. Zou dat niet een goede manier zijn om dit op te lossen? 

Minister Rutte:

In de motie wordt voorgesteld om het uit de HGIS-middelen te dekken. Dat is een pot geld waaruit al allerlei dingen worden betaald. Ik denk dat het best doenlijk is, maar het is wel een vrij stevige operatie om het precies te doen. Het lijkt mij iets waarvan ook de Kamer misschien iets vindt. In feite zegt de heer Van Ojik nu dat het kabinet helemaal mag bepalen hoe je binnen HGIS herprioriteert. Ik zou mij kunnen voorstellen dat de indieners zeggen: wij schuiven de motie door naar de BZ-begroting. Ik zie de woordvoerder Buitenlandse Zaken van de VVD nu enthousiast reageren. Misschien doen anderen dat ook. Schuif het door naar de BZ-begroting, is mijn advies. Mijn ragfijne politiek gevoel zegt mij opnieuw dat de motie het gaat halen. De namen die allemaal onder de motie staan, laten dat zien. Dan hebben we even die discussie. Het blijft een motie en er staan heel veel namen onder. Het is de motie-Van Ojik c.s. Dan hebben de indieners twee keer prijs. 

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Van Ojik. Betekent dit dat de motie wordt aangehouden? 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik zal even overleggen met de constructieve vijf. Dan laat ik voor de stemming weten of ik de motie aanhoud of in stemming breng. 

Minister Rutte:

Dan kom ik op de motie-Van der Staaij c.s. op stuk nr. 23. In het dictum van die motie staat dat "het Defensiebudget in de komende jaren in die zin zal worden bijgesteld ...". Ik ga ervan uit dat de indieners bedoelen binnen de huidige financiële middelen, dat het dus geen claim is. Daar ga ik vanuit. Daarvan uitgaande, kan ik zeer goed met die motie leven. De motie sluit ook aan bij de begroting, bij wat daarover staat en bij de aankondiging, die in de begroting is gezet, om de prioriteiten in beeld te brengen. Daar kan de minister van Defensie mee uit de voeten. Als het echter een claim is voor toekomstig geld, dan moet ik de motie ontraden. Ik ga er zonder meer vanuit, gezien de indieners en hun financiële prudentie, dat het de bedoeling is om dit te doen binnen de financiële kaders. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Het is niet een stiekeme claim waarbij nu in één keer grote bedragen worden belegd. De motie stelt de inhoud voorop. Kijk wat er extra nodig is in de toekomst en ga daar vervolgens een beleidslijn aan verbinden. Op welke termijn zou je dat kunnen inlopen? Het is dus geen stiekeme claim, maar een duidelijke inventarisatie van wat er in de toekomst nodig is. De inhoud is bepalend en daarna wordt er gekeken welk budget beschikbaar is. 

Minister Rutte:

Is het dan niet beter om deze motie aan te houden tot de begrotingsbehandeling van Defensie en haar daar in alle rust te bespreken? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Over de invulling voor 2015, het concrete budget, hebben we al duidelijkheid. Het gaat nu juist om een doorkijk naar de toekomst. Daar vragen we om: een doorkijk naar de toekomst, de strategie, het ambitieniveau. Wat is er nodig in de toekomst, in de huidige geopolitieke situatie? De motie is meer toekomstgericht. 

Minister Rutte:

Ja, maar dan is dit wel wat ik in kabinetstermen "een claimbrief" zou noemen. Dan is het: schetst u nog eens even ... Nogmaals, ik vind het een sympathieke motie. Logisch, het hele kabinet vindt dat. We hebben allemaal gezegd: er is een trendbreuk nodig. Maar ik vind ook dat ik zuiver moet zijn. Als de motie zo wordt toegelicht, is het wel een beetje een claimmotie. Dat heb ik natuurlijk zo niet gehoord, want ik ken de heer Van der Staaij, zoiets doet hij niet. Dat heb ik hem ook niet horen zeggen. Dan denk ik toch dat we in ieder geval zouden moeten afspreken dat we het erover eens zijn dat hier geen claim wordt gelegd op nieuw geld voor de toekomst. Daar moeten we namelijk echt in de toekomst over besluiten. Ik heb het gehad over de opwaartse druk die je op dit budget voelt. We moeten in de toekomst bezien of die gehonoreerd wordt, want er zijn ook andere wensen. Het is ook een wens om de lasten te verlichten, om een nieuw belastingstelsel mogelijk te maken. Er zijn meer wensen in deze samenwerking van vijf partijen. Mijn suggestie is om vast te stellen dat het geen claim betreft. Dan denk ik dat de motie verder prima is, maar dan hebben we daar in ieder geval duidelijkheid over. Als de heer Van der Staaij dat ook zegt ... Hij zei het eigenlijk al. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Volgens mij is de oplossing een heel precieze formulering van de motie. Dat is wat er gebeurd is. Er staat niet: nu moet er ineens gezegd worden dat er dit of dat bedrag bij komt. Er staat: kijk wat de ambities voor de toekomst moeten zijn. Dan is er politieke besluitvorming nodig om te bepalen op welk moment je wat kunt doen. We moeten echter wel een doorkijkje naar de toekomst kunnen maken. 

Minister Rutte:

Dat doet de krijgsmacht regelmatig. We moeten oppassen dat het geen "plug and play"-systeem wordt, waarbij je allemaal units neerzet en als er geld bij komt, kun je de volgende unit erbij schakelen. Dat zou ik niet helemaal zuiver vinden. Laten we het zo doen. Ik begrijp dat u de motie in stemming laat brengen. Als de motie wordt aangenomen, zullen wij haar zo interpreteren dat ze geen claim omvat. Dan zijn we het daarover eens. 

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 24. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Als een van de ondertekenaars van de motie op stuk nr. 23 heb ik de volgende vraag. De stappen snap ik, maar er staat met name: een visie op hoe het verder moet. Daaruit volgt eventueel later een claim. Mijn gedachte was dat het kabinet bij aanneming wel met een schriftelijke reactie komt op het verzoek en dus aangeeft wat er de komende tijd nodig is. De volgende fase is dan de uitwerking daarvan in de toekomst. Ik kijk even met de indiener mee, maar volgens mij is dat de bedoeling. 

Minister Rutte:

Volgens mij is dat de begroting van Defensie, maar goed. Laten we het als volgt doen. De motie ligt hier nu. Ik zie aan de heer Van der Staaij, die normaalgesproken zo soepel is, dat hij vandaag op dit punt echt niet flexibel is. Dat begrijp ik ook en ik respecteer dat. Ik stel vast dat het geen claim is. Als de motie wordt aangenomen, gaat de kabinet er op een verstandige manier mee om vanuit de gedachte dat het geen claim is. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Het woord "claim" komt er niet in voor. 

Minister Rutte:

Nee, maar "bijgesteld" wel. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Dat is de trendbreuk. Ik probeer alleen maar invulling te geven aan wat het kabinet, de minister-president, als trendbreuk heeft benoemd. Volgens mij is iedereen het er wel over eens dat we niet eerst moeten kijken naar de financiën en vervolgens pas welke visie voor de krijgsmacht daarbij past, dat we daarmee moeten stoppen. We moeten het omdraaien. We moeten eerst kijken wat de ambities voor de toekomst zijn en wat onze visie is op wat we nodig hebben. Over de manier waarop je dat gaat invullen, vindt vervolgens later politieke besluitvorming plaats. 

Minister Rutte:

Het lastige is dat ik hier de kerk natuurlijk in het midden moet houden, zo zeg ik tegen de heer Van der Staaij. Ik denk dat dit heel breed in de Kamer, van PvdA tot VVD en alles daartussen, sympathiek wordt gevonden. Als je het zo zegt, is echter een risico dat er ook moties komen waarin wordt gevraagd om dat eens aan te geven voor de landbouw of het onderwijs: stel dat er meer geld is, waaraan ga je dat dan uitgeven? Dan krijg je allemaal van die studies en voor je het weet worden dat claims. Dan ontstaat een soort "creep". Ik bedoel niet creep als "een vals iemand". Dan ontstaat "mission creep", dan gaat het kruipen. Dat zou ik willen voorkomen. Mijn interpretatie van de motie is dat het geen claim is en mijn verzoek is om ons als kabinet er op een verstandige manier mee om te laten gaan. Ik hoop dat de indieners met die uitleg kunnen leven. De heer Zijlstra gaat nog een poging doen, zie ik. 

De heer Zijlstra (VVD):

Zo klinkt het volgens mij goed. De minister-president zei echter ook al dat de claims er al liggen, dat de begroting van Defensie er al ligt. Ja, voor dit jaar. De hele portee van zo ongeveer alle partijen tijdens deze algemene politieke beschouwingen is echter geweest dat er iets is veranderd in de wereld en dat dit consequenties heeft voor onze veiligheid. Dan vind ik dit te mager. Dan moet dus helder zijn dat er op defensiegebied moet worden gekeken naar wat er in de wereld in de hand is en wat dat gaat betekenen voor ons defensieapparaat. Natuurlijk betekent dat dan dat wij hier vervolgens moeten besluiten of daar financiële claims achter vandaan komen. Anders had er immers een dekking in moeten staan. 

Ik vind het te zuinig — laat ik daar gewoon helder in zijn — om gezien het hele debat dat wij hier hebben gevoerd en de grote woorden die bijna alle partijen hebben gesproken te zeggen: nou ja, de begroting van 2015 ligt er. Ja die ligt er en er is 100 miljoen bij gekomen. We moeten vooruitkijken en waarderen wat dit betekent op het gebied van onze veiligheid. Als dat vervolgens tot gesprekken gaat leiden tussen het kabinet en partijen in de Tweede Kamer over mogelijke financiële consequenties, zien we dat wel. In die zin is het inderdaad geen claim. Het is wel, in het licht van het debat van vandaag en gisteren, vooruitkijken naar de toekomst wat betreft onze veiligheidssituatie. 

Minister Rutte:

Ik ben toch even heel precies. Ik sta hier niet als voorman van de VVD, maar als voorman van deze coalitie en de samenwerking van vijf partijen. Die staan niet allemaal onder deze motie. Daarom wil ik heel precies zijn. Ik voel inderdaad een breed draagvlak in deze Kamer voor de trendbreuk. Daar hebben we ook echt over gesproken. Ik merk ook dat iedereen in deze Kamer heeft gezegd dat er een nieuwe geopolitieke situatie is en dat daarom die trendbreuk nodig is. Als wij nu op één beleidsterrein, op basis van een motie waar niet alle partijen uit de samenwerking onder staan, gaan zoeken naar wat we zouden gaan doen als er meer geld zou zijn — hoe sympathiek ik het misschien ook persoonlijk vind— dan kan ik me heel goed voorstellen dat andere partijen voorstellen om dat ook voor het onderwijs te doen of voor ontwikkelingssamenwerking. Dat vind ik het lastige. Ik wil hier niet te lang bij stilstaan. De motie komt in stemming. Het is geen claim, daar zijn we het allemaal over eens. Laat het dan even aan het kabinet hoe het met de motie omgaat, dan hoeven we dat nu niet expliciet te maken. Als je dat nu expliciet gaat maken dan kom je er volgens mij niet uit. 

De heer Zijlstra (VVD):

Nogmaals, om het helder te maken: het is geen claim. Dat heeft de premier helder verwoord. 

Minister Rutte:

Ik heb hem voor 50% binnen. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik vind dat het beter wordt, maar we moeten niet te zuinig zijn en niet even het debat van de afgelopen anderhalve dag negeren. Wij hebben daarin verschillende partijen heldere woorden horen spreken. Die heldere woorden gebruikt het kabinet ook in de Miljoenennota. Wij moeten dan ook inzichtelijk maken of dat consequenties heeft, want er staat eigenlijk: moet dat consequenties hebben? Dat "of" wordt dan eerst inzichtelijk gemaakt. Daarna gaan we bekijken of dat misschien ook financieel iets betekent. Dit gaat allemaal over toekomstige politieke besluitvorming en over politieke weging in de toekomst. In die zin is dit dus geen claim, maar ik wil wel even helder maken wat de positie van de VVD hierin is. Dat is de lading die ik hierin wil leggen. De premier zegt welke lading hij hierin legt. 

Minister Rutte:

Ik begrijp dat. De heer Zijlstra weet ook dat als deze discussie in het kabinet zou hebben plaatsgevonden, dit zou grenzen aan het leggen van een claim. Ik probeer dat nu juist weg te houden door te zeggen dat het geen claim is. Dat zegt de heer Zijlstra ook. Laat het nu even aan het kabinet over, te bepalen hoe het de motie op een verstandige manier gaat uitvoeren in het geval zij wordt aangenomen. Ik denk dat we elkaar dan kunnen vinden. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dit gaat om de toekomst van onze veiligheidssituatie, een van de kernpunten van het debat. Het is dus niet zo gek dat deze motie wordt ingediend. Het is ook niet gek dat dit in de begroting nog niet staat, want de situatie is veranderd. De minister-president zegt nu: wij zullen er op onze wijze mee omgaan. Dan komt dit dus terug en kunnen we in de Kamer bekijken of we het goedvinden. Kan de minister-president toezeggen dat hij dit in een brief zal laten terugkomen die de Kamer voor de behandeling van de Defensiebegroting zal ontvangen? Op die manier kunnen we hierover verder spreken bij de behandeling van de begroting van Defensie. 

Minister Rutte:

Het antwoord is ja. 

Ik kom bij de motie op stuk nr. 24. Die gaat opnieuw over de hervorming van het belastingstelsel. Ook in deze motie wordt de datum 1 februari genoemd. Om die reden kom ik voor deze motie met hetzelfde advies als eerder. Ik ontraad deze motie. Ik wijs er bovendien op dat vergroening dus niet het hoofddoel van de belastinghervorming is. De hoofddoelen zijn werkgelegenheid en vereenvoudiging van het belastingstelsel. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

De minister-president zegt dat hij de motie ontraadt omdat er de deadline van 1 februari in staat. 

Minister Rutte:

Ik noemde daarnaast de reden dat er in de motie een hoofddoel wordt toegevoegd. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

In de motie staat dat de regering wordt verzocht, voor 1 februari een kader te presenteren waarin een substantiële vergroening van het belastingstelsel wordt verankerd. Dat is toch geheel in lijn met wat ik deze middag en ook gisteren heb gehoord van de minister-president? 

Minister Rutte:

Ik lees in de motie dat er aan de bestaande hoofddoelen, ten minste het hoofddoel vergroening moet worden toegevoegd. Vergroening als subdoel is heel goed denkbaar, want bij de belastingherziening kijken wij natuurlijk naar het verlagen van de belasting op arbeid door bijvoorbeeld de accijnzen of andere indirecte belastingen te verhogen. In de motie staat echter dat een substantiële vergroening van het belastingstelsel moet worden verankerd. Dat gaat echt veel verder. Deze motie moet ik daarom echt ontraden. 

Ik kom op de motie op stuk nr. 25, van mevrouw Thieme. Die motie is ondersteuning van beleid. De minister van Economische Zaken en de staatssecretaris van I en M hebben in maart 2014 een brief over groene groei naar de Kamer gezonden. In deze brief staat als doel, de belasting van het milieu en de afhankelijkheid van fossiele energie terug te dringen. Daarbij wordt ingezet op slimme inzet van marktprikkels, op stimulerende wet- en regelgeving, op innovatiebevordering en op de overheid als netwerkpartner. Deze motie is dus ondersteuning van bestaand beleid. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik kom nog even terug op de motie op stuk nr. 24, van mij en de heer Pechtold. Als ik er nu eens in zet: "verzoekt de regering, voor 1 februari een kader te presenteren voor de hervorming van het belastingstelsel waarin als subdoel een substantiële vergroening van het belastingstelsel wordt verankerd"? 

Minister Rutte:

Dan blijft mijn hoofdbezwaar staan, namelijk dat de datum 1 februari erin wordt genoemd. Daarom heb ik ook andere moties ontraden. Ik blijf de motie dan dus ontraden. 

Ik kom op de motie van de heer Krol op stuk nr. 26, waarin hij voorstelt om een ambassadeur ter bestrijding van de ouderenwerkloosheid aan te stellen. Dit stelt hij voor, terwijl de heer Krol nu toch zelf weer aan het werk is, althans tijdelijk. Nou, ik wil deze motie afwijzen. Ik heb dat eerder ook gedaan. Er is al een complete aanpak. Hieraan kleeft ook het onbedoelde risico dat we hiermee juist vooroordelen over ouderen versterken. Dat risico loop je door apart beleid te maken voor het aan het werk helpen van ouderen. Bij jongeren is niet dat vooroordeel het probleem, maar de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Dat is dus anders dan bij ouderen. We zien dat de arbeidsmarktpositie van ouderen geleidelijk aan verbetert en dat er steeds meer mensen van tussen 60 jaar en 65 jaar aan het werk zijn, straks 66 jaar of 67 jaar. We zien de cijfers dus de goede kant op gaan. 

De motie-Krol op stuk nr. 27 gaat over de mantelzorg. Het kabinet kan niet garanderen dat iemand er niet op achteruitgaat als die persoon een dag minder gaat werken om voor een naaste te zorgen. Mantelzorg verlenen doe je overigens ook niet uit financiële overwegingen. Ik ontraad deze motie. 

De motie-Klein op stuk nr. 28 gaat over een eenmalige inhaalindexatie. Dit lijkt mij echt een onbegaanbare weg, omdat we daarmee generaal de regels aan de kant schuiven. Dat moet je volgens mij niet doen, want dat is slecht voor het pensioenstelsel. Ik ontraad deze motie. 

De motie-Bontes op stuk nr. 29 ontraad ik. Ik heb het belastingplan van de heer Bontes besproken. De effecten daarvan zijn tamelijk dramatisch. Het lijkt mij daarom verstandig om die motie niet aan te nemen. 

Voor de motie van het lid Klein is het misschien nog een optie dat hij de motie aanhoudt tot het debat over het financieel toetsingskader. Dan hoef ik haar nu niet te ontraden. Dat zou nog een optie zijn die de heer Klein zou kunnen overwegen. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Ik heb gevraagd om een verkenning en om te kijken wat de mogelijkheden zouden zijn voor een eenmalige inhaalindexatie. Daar zitten nauwelijks huidige regels in. De FTK volgt daar dan op. Wellicht is het makkelijker — dan hoef ik motie niet eens meer aan te houden — als de minister-president zegt dat hij wel wil verkennen of er mogelijkheden zijn. Als die er dan niet zijn, dan weten we dat ook. 

Minister Rutte:

Ik zie daar niets in, maar ik kan me voorstellen dat de heer Klein de motie betrekt bij het debat over de FTK, maar als hij dat niet doet en haar in stemming brengt, dan moet ik ook duidelijk zijn en dan ontraad ik haar met enige klem. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Ik zal het goed overwegen en bekijken wat het verstandigst is. Het gaat er namelijk om hoe je een achterstand in de indexaties kunt compenseren. Dat kan op deze wijze heel eenvoudig via de pensioenfondsen. 

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren):

Ik ben het niet eens met de minister-president als het gaat om de duiding van het belastingplan dat ik heb ingediend. Werkenden gaan 20% tot 30% minder inkomstenbelasting betalen. We verlagen de accijnzen. We verlagen de btw. Er komt een robuuste kindregeling. Dat staat ook in het plan. En we verhogen de AOW. Dat laatste is overigens een niet-fiscale regeling. Ik krijg hierop graag een reactie van de minister-president. 

Minister Rutte:

Ik heb vanmorgen geschetst welke desastreuze effecten deze belastingvoorstellen op allerlei terreinen zouden hebben. Ik ben daar vanmorgen uitgebreid op ingegaan. Dit is echt te wild. Er wordt met heel veel geld geschoven, met als gevolg grote inkomenseffecten, bijvoorbeeld voor mensen met een kleine beurs en voor werkenden met een kleine beurs. Tegelijkertijd heeft het ook aanzienlijke andere maatschappelijke effecten. Ik wil dit voorstel dan ook echt ontraden. 

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren):

De werkgelegenheid neemt enorm toe met dit plan, met bijna een miljoen banen, en het verdubbelt de economische groei. Dat wordt ook onderbouwd in het onderliggende rapport van Quid Novi. Ik ga ervan uit dat de minister-president dat heeft gelezen. 

Minister Rutte:

Niet alle bijlagen. 

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren):

Dat is jammer. Ik vind de reactie van de minister-president verre van liberaal. 

Minister Rutte:

Als je de hele sociale zekerheid afschaft, heb je waarschijnlijk ook een miljoen banen erbij. Als je de gezondheidszorg afschaft, heb je misschien wel twee miljoen banen erbij. Er zal echter altijd een balans moeten zijn in dit land tussen allerlei maatschappelijke doelen en het zo veel mogelijk ondersteunen van de werkgelegenheidsgroei. Ik denk dat er in het plan een onbalans zit. Over de gedachte van een flattax kun je een heel debat voeren. De heer Zijlstra heeft daar gisteren iets over gezegd dat mij wel aansprak, namelijk dat het ingewikkeld is, omdat je uiteindelijk toch altijd weer een toptarief en een instaptarief nodig hebt. Op zichzelf is een flattax helemaal geen idiote gedachte, maar op dit niveau geprikt en met deze enorme effecten, kan ik die echt niet ondersteunen. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik heb even met de heer Pechtold overlegd, omdat wij eraan hechten dat de motie over de vergroening van het belastingstelsel kan rekenen op de steun van dit kabinet en dat ze wordt gezien als ondersteuning van beleid. Ik wil even voorlezen hoe die motie dan luidt: verzoekt de regering, een kader te presenteren voor de hervorming van het belastingstelsel en daarin ook te zorgen voor een duidelijke vergroening van het belastingstelsel. 

Minister Rutte:

Nee. Ik heb het al een paar keer gezegd: waarom weer allerlei doelen toevoegen aan het belastingstelsel? We hebben twee hoofddoelen. Om die te bereiken moeten we ook kijken naar belasting op accijnzen en verdere vergroeningsmogelijkheden; al dat soort zaken. We gaan dat nog allemaal bezien. U voegt het nu toe als doel. Mijn suggestie zou zijn om de motie, ook de aangepaste, te betrekken bij het debat met de heer Wiebes. Kijk hoever u komt met elkaar. Maar om dit nu in de algemene beschouwingen even toe te voegen, eigenlijk als hoofddoel … Immers, als subdoel is het daarmee in feite het derde hoofddoel geworden. We moeten de consequenties daarvan ook overzien. De heer Pechtold sprak gisteren over het verhogen van de accijnzen op benzine en diesel, de autoaccijnzen. Ik zie hem nee schudden. Dan heb ik hem verkeerd begrepen; sorry. Gezien zijn Volvo S80 dacht ik al: dat is nogal een behoorlijke greep uit de eigen portemonnee. Het is ook niet echt een gratis auto! Maar ik ben blij … 

De heer Pechtold (D66):

Die is vijftien jaar oud! 

Minister Rutte:

… dat de echte liberaal nog aanwezig is. Maar er zijn echt risico's om dat zomaar te doen. Een en ander moet in samenhang worden bekeken. Houd de motie nu aan. De aangepaste motie klinkt al sympathieker, maar houd haar aan tot de behandeling van het belastingvoorstel. 

Mevrouw Thieme (PvdD):

De afgelopen twee dagen hebben we gesproken over taboes die er al dan niet zijn ten aanzien van een herziening van het belastingstelsel. We hebben de minister-president duidelijk horen spreken over mogelijkheden om ook te kijken naar indirecte belasting op consumptie en vervuiling. Deze motie lijkt me ondersteuning van zijn verhaal. Ik begrijp echt niet waarom je deze motie zou ontraden. 

Minister Rutte:

Ik vind het geen onsympathieke gedachte, maar de Kamer zou op één onderdeeltje van een nog compleet verder politiek uit te onderhandelen herziening van het belastingstelsel — precies zoals u net zei, heeft de coalitie inmiddels taboes doorbroken — op één onderdeel een motie in stemming brengen. Mijn suggestie zou zijn: betrek de motie bij het debat over de belastingbrief. Ik vind het ingewikkeld om te zeggen: doe dit. Dan laat je immers op één onderdeeltje een motie aannemen. De motie op stuk nr. 20 is goed te doen, dat is een motie die me aanspreekt. Maar deze is te ingewikkeld. 

De heer Pechtold (D66):

Ik snap het echt niet. Stel dat de premier serieus is met zijn verhaal dat hij naar draagvlak zoekt en een belastingstelsel wil maken dat banen oplevert en dat houdbaar is. Belastingstelsels gaan tien à vijftien jaar mee. Vervolgens wordt vanuit de Kamer opgeroepen om van vergroening een substantieel deel van het belastingstelsel te maken. Dat heeft het kabinet ook bij de vorige begroting gedaan. Bij de algemene politieke beschouwingen worden meer oproepen gedaan waarvan de premier ook kan zeggen: het zit al in die richting. Dan snap ik werkelijk niet waarom je in dit geval moet zeggen: doe het niet. Ik zou zeggen: pak de handschoen op. Premier, u gaat naar een klimaatconferentie, u vindt het zelf belangrijk. Ooit was u van groen rechts. Toen dacht ik: dan koop ik die auto. Ik zou zeggen: verbaas ons weer met uw positieve oordeel over deze motie. 

Minister Rutte:

Hoe sympathiek ook, ik wil echt adviseren om de motie te betrekken bij de behandeling van de brief van de heer Wiebes. Anders gaan we op één onderdeeltje van het belastingstelsel een uitspraak van de Kamer vragen. Laat ik heel precies zijn. Ik kijk voor het draagvlak ook naar andere partijen in de Kamer. Die schrikken dan op dit punt misschien terug van de gesprekken, niet de maatschappelijke dialoog maar wel het politieke overleg. Mevrouw Thieme, ik heb al een paar gezegd dat dit wat mij betreft onderdeel van de gesprekken is, een logisch onderdeel ook. Dit vastleggen in een motie is echter een additioneel politiek signaal. Mijn advies is dan ook om de motie te betrekken bij de behandeling van de brief van Eric Wiebes, de staatssecretaris van Financiën. 

Ter afsluiting van mijn bijdrage aan dit debat het volgende. Alle sprekers in deze Kamer hebben gisteren, de dag na de Troonrede, stilgestaan bij de vliegramp in Oekraïne, bij de slachtoffers en de nabestaanden. Ik voel dat we allen, ook hier, één zijn in onze verbondenheid met hen bij de verwerking van verlies en verdriet. Zoals de heer Buma al zei in het slot van zijn bijdrage, zal dat ook tot uitdrukking komen in de nationale herdenking op 10 november in Amsterdam. 

Deze algemene politieke beschouwingen stonden in het teken van verschillende opvattingen — om het maar eens voorzichtig te zeggen — van de fracties over het kabinetsbeleid. Die verschillende opvattingen weerspiegelen en vertegenwoordigen de verschillende opvattingen en meningen in ons land. In deze Kamer en in het debat kan het daarbij af en toe behoorlijk knetteren. Het toont tegelijk hoe een parlementaire democratie functioneert en moet functioneren, namelijk open, duidelijk en bij alle tegenstellingen ook gericht op samenwerking, gericht op concrete resultaten. Dat is een groot goed en tegelijkertijd een baken en een voorbeeld in een turbulente internationale omgeving, waarin wij ons als land bevinden. Hiermee heeft deze parlementaire week, die begon met het tweede eeuwfeest van Prinsjesdag, een goede en toekomstgerichte afsluiting gevonden. 

Ik dank u zeer. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik dank de minister-president heel hartelijk voor zijn komst naar de Kamer met zijn voltallige ploeg, die op enig moment iets minder voltallig was vanwege verplichtingen in het buitenland. Wij nodigen u allen heel vaak uit. Bijna altijd bent u bereid om hiernaartoe te komen. Ik hoop dat u dan ook altijd voelt dat u welkom bent. Als dat niet altijd in woorden tot uiting komt, dan vind ik dat ook heel erg. Ik kan als Voorzitter niet iets zeggen over de inhoud, maar ik kan mij voorstellen dat dit soms gevoeld wordt in de vorm, maar dat is ongetwijfeld niet de bedoeling van eenieder in deze zaal. Nogmaals dank voor uw komst. 

De stemmingen over de ingediende moties vinden vanavond plaats, samen met een aantal andere stemmingen. Er is gevraagd om een schorsing van 50 minuten. Het mag ook minder; het mag ook een dinerpauze worden. 

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter. Ik doe het volgende voorstel. Het is iets over halfacht. Ik stel voor om tot 21.00 uur te schorsen zodat we én dinerpauze hebben én we beraadslagingen kunnen hebben binnen fracties. Om 21.00 uur kunnen we dan stemmen. Ik hoor dat 20.45 uur wordt voorgesteld. Dat is ook prima. 

De voorzitter:

Dan schors ik de vergadering tot dat tijdstip. 

De vergadering wordt van 19.34 uur tot 20.52 uur geschorst.