Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 17, item 6

6 Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2014 (33750-VIII).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Ons onderwijs is zo goed als de leraar in de klas. Daarom zal alles en iedereen erop gericht moeten zijn om de kwaliteit van het zittende lerarenkorps en instromende leraren te verbeteren. Daarom ook heeft het CDA eerder moties ingediend om te komen tot selectie bij de poort bij de lerarenopleiding en een motie om te komen tot een realistisch tijdpad om toe te werken naar het punt dat alle leraren uiteindelijk een masteropleiding hebben, zodat uiteindelijk alleen de beste studenten kiezen voor het beroep van leraar. Wij willen terughoudendheid met overheidsinterventies, maar deelt het kabinet de opvatting dat selectie aan de poort en het hoger opleiden van onze leraren cruciale overheidsinterventies zijn die wij wel moeten plegen? En hoe staat het met de selectie aan de poort bij de pabo, waarover de regering wel positief was en waartoe zij stappen aankondigde? Hoe staat het met de pabo-opleidingen, waar een onderscheid zou komen tussen het jonge en het oudere kind? Het CDA wil ook af van onbevoegde en onderbevoegde leraren. Wij steunen het beleid om hen binnen twee jaar via scholingsactiviteiten op te leiden tot volledig bevoegde leraren. Wij willen slechts een uitzondering voor de beroepsgerichte vakken in het beroepsonderwijs.

Het CDA wil dat Den Haag zich leert beheersen. Het CDA wil niet steeds meer wetten en regels aan het onderwijs opleggen, want de meest waardevolle initiatieven komen uit de samenleving zelf. Ik noem Leraren met Lef, het Onderwijslab en de stichting leerKRACHT. Door hen worden precies de juiste interventies gepleegd om de stap van goed naar geweldig onderwijs te zetten, door leraren en onderwijskundige schoolleiders die continu samenwerken aan een continue verbetercultuur: de klasdeuren opengooien, lesobservaties plegen, elkaar van feedback voorzien, samen lessen voorbereiden en de leerlingen zorgvuldig bespreken om tot verbeteracties te kunnen komen. Het CDA wil dat juist deze initiatieven ruim baan krijgen. Wij willen scholen die hiervan gebruikmaken, ontlasten van onze Haagse regelzucht.

Het CDA maakt zich zorgen over het gebrek aan vertrouwen vanuit de overheid ten aanzien van het onderwijs. De bewindslieden schrijven in de begroting dat de overheid op hoofdlijnen stuurt en dat de regeldruk met 45% zou zijn afgenomen, maar scholen en leraren ervaren dat steeds meer vanuit Den Haag wordt bepaald hoe het onderwijs moet worden ingericht: niet alleen het wat, maar ook het hoe, tot een voorgeschreven antipestprogramma aan toe. Het inspectietoezicht wordt bij iedere wet en ieder beleidsvoornemen verder uitgebreid en de toets-, meet- en vergelijkgekte heeft zelfs onze kleuters bereikt. Het CDA wil minder regeldruk, minder inspectietoezicht en minder toetsgekte.

De voorzitter:

Voordat ik de heer Klaver het woord geef voor een interruptie: ik laat twee interrupties toe, in tweeën.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dank u.

Ik ben ontzettend blij met de woorden van de heer Rog. Hij zegt dat wij de toetsmanie moeten tegengaan en dat wij het onderwijs niet moeten overstelpen met allerlei wetgeving vanuit Den Haag. Als ik echter één bewindspersoon moet noemen die dit heel veel heeft gedaan, dan is het wel Marja van Bijsterveldt. De laatste keer dat ik het checkte, was zij lid van het CDA. Zij is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de invoering van het actieplan Beter presteren in mei 2011, en voor de wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht. Volgens mij heeft zij ook nog aan het laatste toezichtskader gewerkt. Neemt de heer Rog afstand van het beleid van deze CDA-minister?

De heer Rog (CDA):

Ons beleid, hier in de Tweede Kamer, is continu aan veranderingen onderhevig. Tijdens de verkiezingscampagne bestreed de VVD socialisten, maar nu leidt die partij het meest nivellerende kabinet sinds het kabinet-Den Uyl. Daaruit blijkt al dat er soms sprake is van grote veranderingen. Bij het CDA is er op een aantal punten inderdaad sprake van voortschrijdend inzicht. We zien hoe een aantal zaken nu uitpakt. Daarover zeggen we: die moeten we stoppen en we moeten ervan af. Als de heer Klaver mij vraagt of ik afstand neem van beleid, dan wil ik erop wijzen dat de genoemde minister ook bijvoorbeeld experimenteerruimte mogelijk heeft gemaakt. Het is dus niet zo zwart-wit als de heer Klaver nu doet voorkomen. Ik zeg echter wel dat wij de verantwoordelijkheid hebben om continu de thermometer in de samenleving te stoppen. Wij moeten weten wat er speelt en het beleid daarop aanpassen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik ben blij met dit heel heldere antwoord. De heer Rog hoeft voor mij geen afstand te nemen van beleid; ik vind het prima. Hij geeft wel aan dat de positie van het CDA op dit punt 180o is gedraaid. Dat bedoel ik niet negatief. Sterker nog, ik juich het toe als partijen tot inzicht komen en daarvoor ook openlijk uitkomen, hier in de Kamer.

De heer Rog (CDA):

Het CDA heeft bij meerdere gelegenheden gevraagd om experimenten met regelarme scholen. Dit zal leiden tot minder tijd en geld voor verantwoording, en meer geld en tijd voor kwaliteitsverbetering. De bewindspersonen hebben dit CDA-initiatief helaas niet omarmd. Ik lees in deze begroting ook niets terug over de belofte uit het regeerakkoord dat de stofkam door de administratieve lasten en voorschriften zou worden gehaald. Misschien is dit daarom een natuurlijk moment om te stoppen met die stofkamoperatie en die te vervangen door de operatie "de bezem erdoor".

Het CDA wil allereerst een fundamenteel debat aangaan over de taak en rol van de inspectie. Leraren klagen erover dat de focus veel te veel zit op een papieren werkelijkheid. Wat mij betreft is de Ibn Ghaldoun-school daarvan een uitstekend voorbeeld. Op papier leek alles prima in orde, maar in werkelijkheid was er sprake van een sociaal onveilig klimaat, van onbevoegde leraren en zelfs van leraren die het Nederlands niet machtig waren. Kunnen we een deel van die inspectietaken niet beleggen bij leraren zelf, zoals bij het initiatief van die Stichting leerKRACHT gebeurt? Zouden scholen zich niet beter kunnen verantwoorden naar ouders, leerlingen en studenten, in plaats van naar de inspectie? Hoe is het mogelijk dat één hbo-bestuur tegelijkertijd aan zeventien inspectieonderzoeken kan worden blootgesteld? Waarom moeten scholen eerst een uitgebreid accountantsonderzoek doorlopen, om vervolgens weer een accountantsreview door de inspectie te moeten ondergaan? Hoe kan het zo zijn dat de inspectie via haar toezichtskader scholen afrekent op een kleutertoets, terwijl er geen enkele wet bestaat die de scholen zo'n toets oplegt? Zou het niet beter zijn om de inspectie zich te laten richten op een aantal feitelijke resultaten, op het financieel toezicht en het toezicht op de bevoegdheid van de leraren, en verder scholen meer ruimte te geven?

De heer Beertema (PVV):

Dit had de Ibn Ghaldoun-school toch niet geholpen? De heer Rog stelt dat de inspectie kennelijk een aantal dingen niet heeft geconstateerd. Daarom wil hij af van de rol van de inspectie. Mijn logische conclusie zou zijn, de inspectie op de juiste manier nóg meer te laten inspecteren. Wij zijn het erover eens dat het nu vaak niet op de juiste manier gebeurt. Ik stel voor om de inspectie handvatten te geven om in te grijpen en te handhaven, want dat gebeurt niet. Dat moet het verhaal zijn en dat is de juiste conclusie. Er moet worden ingegrepen waar het nodig is en risicogericht toezicht moet worden ingezet als het kan.

De heer Rog (CDA):

Ja, ik weet dat de heer Beertema alleen maar meer inspectietoezicht wil. Daarover denken wij anders en wij beleven dit anders. We zien dat het huidige inspectietoezicht nog steeds toelaat dat dit soort dingen gebeurt. Het huidige toezichtskader van de inspectie leidt bovendien tot grote onvrede bij leraren en schoolleiders. Ik zoek naar een balans tussen enerzijds het behouden van een aantal taken van de inspectie, en anderzijds het kunnen onderzoeken hoe een aantal inspectietaken anders kunnen worden belegd, met daarbij behoud van het goede. Ik zal daartoe straks een aantal concrete voorstellen doen.

De heer Beertema (PVV):

De balans die de heer Rog zoekt, daar heb ik wel waardering voor. Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe leraren een rol kunnen spelen in het onder druk zetten van hun eigen bestuur om bepaalde zaken niet te doen. Ik wilde dat het waar was, maar die positie heeft de leraar niet. Die rol van de docenten vind ik dus erg onduidelijk.

De heer Rog (CDA):

Het is me helder dat het u onduidelijk is. Ik wil dat via experimenten wordt bekeken, op welke manier docenten wel die ruimte kunnen krijgen en kunnen invullen.

Naast een debat over de inspectie wil het CDA ook een einde aan de doorgeslagen toets-, meet- en vergelijkgekte. Onderwijs gaat over vorming, over bilden, over het leren wat van waarde is. Niet alles van waarde is te meten. We zijn doorgeslagen in de citoïsering van ons onderwijs. Dat leidt tot verschraling en standaardisering. Steeds meer onderwijstijd gaat verloren aan het toetsen van leerlingen en aan teaching to the test. Maar niet alleen de onderwijstijd, ook de schaarse onderwijsmiddelen gaan daaraan op. Dat is leuk voor cito, maar niet goed voor het onderwijs aan onze kinderen. In de begroting staat zelfs dat de doelstelling van dit kabinet is, de gemiddelde cito-scores te verhogen. Wat een cijferfetisjisme. Waar zijn we mee bezig? Laten we hiermee stoppen. We misbruiken cito nu voor het afrekenen van scholen om de prestaties van een school door de inspectie te kunnen kwantificeren. Hier was cito toch nooit voor bedoeld?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik dacht dat mijnheer Rog nog iets verder zou doorgaan over de inspectie. Maar ik zie net online een onderzoek waaruit blijkt dat 99% van de ouders vindt dat de inspectie nog steeds een rol moet spelen in de scholen, terwijl 41% vindt dat scholen minimaal eens per jaar moeten worden gecontroleerd door de inspectie. Wat is de reactie van mijnheer Rog daarop?

De heer Rog (CDA):

Mijn reactie gaat u straks horen in de vorm van een aantal actiepunten en voorstellen tot experimenten. Maar ik ben bereid om daarin alvast een inkijkje te geven. Wat ik graag zou willen, is dat scholen op een beperktere manier door de inspectie worden gecontroleerd. Vervolgens — daarmee wil ik experimenteren — een alternatief voor de inspectie, door leraren zelf collegiale consultaties te laten voorbereiden en door interactie tussen docenten. Daar moet het verschil worden gemaakt. Dat kán een inspectie doen, maar dat is een nogal vreemde figuur in ons systeem, want dan is de inspectie eerst bezig met begeleiding, om een school vervolgens af te fakkelen als het niet goed gebeurt. Ik denk dat we het vertrouwen van het onderwijsveld, en ook de kwaliteit van het onderwijs, veel meer verbeteren als we die punten bij de beroepsgroep zelf leggen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Uit een onderzoek onder 600 ouders blijkt dat 77% van de ouders uw plan om scholen dat zelf te laten doen, in plaats van de inspectie, dat geen goed plan vindt. Wat vindt u ervan dat 77% van de ouders het niet met u eens is?

De heer Rog (CDA):

Ik ben niet meteen ontzettend onder de indruk van een cijfertje over een plan dat nog helemaal niet ontwikkeld is. Ik wil graag straks een voorstel doen aan deze bewindslieden voor een experiment. Zullen we dat eens de ruimte geven? Zullen we tien scholen eens de ruimte geven om te bekijken hoe met een ander inspectietoezicht de kwaliteit kan worden verbeterd. Daar ga ik ook nog randvoorwaarden stellen. Dan wil ik daarna nog wel laten kijken hoe de ouders van die scholen erover denken. Wat mij betreft wordt dat toegevoegd aan het experiment. Dat lijkt mij van waarde.

Mevrouw Straus (VVD):

Mijnheer Rog laat het lijken alsof de inspectie een soort boeman is die het onderwijs met de knuppel in de hand bezoekt. Maar ik kom in de praktijk toch ook heel andere geluiden tegen. Zo kwam ik leraren tegen die mij vroegen waarom de inspectie al zo lang niet meer bij hen was geweest. Ik zei toen: waarschijnlijk omdat jullie het goed doen. Ze zeiden dat ze dat jammer vinden, want ze hebben zulke mooie voorbeelden die ze zo graag aan de inspectie willen laten zien. Kijk, meneer Rog, zo kan het ook. Als u die route bewandelt, vindt u mij aan uw zijde, maar zoals u het nu stelt, gaat u een brug te ver.

De heer Rog (CDA):

Ik heb niet gepleit voor het afschaffen van de inspectie of om scholen die daar waarde aan hechten, dat niet meer toe te staan. Ik vraag om een experiment voor scholen die daar wel moeite mee hebben en voor lerarenteams die wat de inspectie in het gunstigste geval doet, op een andere manier invullen. Die scholen moeten de ruimte krijgen om daarmee te experimenteren. Dat lijkt mij een vrijheid waar de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie toch moeilijk tegen kan zijn.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik probeer het voorstel te begrijpen.

De heer Rog (CDA):

Ik ga het zo vertellen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Eerst heeft het CDA de regels verscherpt en nieuwe wetten gemaakt waarin staat dat er meer toezicht moet komen en dat er meer toetsen moeten komen omdat we alles in kaart moeten brengen. Nu de regels er zijn, wordt er vervolgens gezegd dat we die niet naleven. Dat is raar. Zou het niet veel consistenter zijn als de heer Rog zou zeggen: eigenlijk moeten we ervoor zorgen dat de wetten die we nog niet zo lang geleden hier met elkaar hebben aangenomen, weer van tafel gaan en dat er meer ruimte komt? Is dat niet veel chiquer dan het niet naleven van regels?

De heer Rog (CDA):

Dat lijkt mij niet de juiste route. Ik wil dat ernstige signalen uit het veld, waar mensen zich overbelast voelen door Den Haag, serieus worden genomen. We moeten binnen de kaders van de Experimentenwet daadwerkelijk experimenten toepassen en scholen meer vrijheid en ruimte geven. Dat kan binnen het huidige kader. Laten we dat gaan doen en kijken wat daarvan de opbrengsten zijn.

De heer Klaver (GroenLinks):

De heer Rog gaat voorbij aan het punt dat ik maak. Nog niet zolang geleden, nog geen twee jaar terug, zijn de wetten waartegen de heer Rog nu tekeergaat en die op initiatief van een CDA-minister zijn ingediend, behandeld en aangenomen. Vervolgens zegt hij: die wetten zijn nu in werking getreden, maar ik wil niet dat ze worden nageleefd. Dat is een rare figuur. Daarmee stel je de inspectie in een verkeerd daglicht. Zouden we niet samen moeten optrekken om die wetten van tafel te krijgen?

De heer Rog (CDA):

Ik geef aan dat ik binnen de bestaande wetgeving zoek naar ruimte voor afwijkingen en experimenten om ons onderwijs beter te maken. Ik zal straks nog voor een ander punt aandacht vragen, namelijk dat ik ervan af wil dat er de hele tijd van de hak op de tak wordt gesprongen, waarbij iets wordt gesloopt net nadat het is ingevoerd. Zoek dan binnen de Experimentenwet naar ruimte om scholen uit te zonderen om te bezien of het anders beter kan.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik ga zo meteen met interesse luisteren naar het voorstel van de heer Rog. Er is al experimenteerruimte; daar heb ik in mijn eigen bijdrage al naar verwezen. In de discussie over de kleine scholen hebben wij ook gevraagd om experimenteerruimte. Het is helemaal niet zo dat de heer Rog hier een Kamer tegenover zich vindt die helemaal niks wil en alleen maar heel strak wil vasthouden aan dingen die er zijn. Ik verzet mij tegen de uitspraak van de heer Rog dat het allemaal van Den Haag moet.

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Straus verzet zich daartegen. Dat heb ik ook gemerkt in het interruptiedebatje dat ik met haar heb gevoerd over de kleutertoets. Zij vindt het allemaal wel best dat via de achteruitgang zo'n kleutertoets wordt opgelegd aan het veld. Als wij hier in de Kamer niet in meerderheid een standpunt over ingenomen hebben, moeten we dat niet doen. Dat gebeurt nu wel, en dat wil ik veranderen.

Voorzitter. Ik heb eerder in het debat al verwezen naar lerares Erica Ritzema, die stopte als kleuterjuf. Zij gaf aan dat het kleuteronderwijs in Nederland zo ver is afgedreven van haar ideeën over hoe je moet lesgeven en hoe kleuters in hun ontwikkeling staan, dat zij gereduceerd zijn tot vaatjes waar zij dagelijks van bovenaf opgelegde informatie in moet stoppen om het vervolgens onmiddellijk te registeren in observatie- en registratiemodellen. Dit zijn de leraren voor wie ik aandacht wil hebben en voor wie ik vraag: kunnen wij niet met een aantal actiepunten de afrekencultuur stoppen die ons onderwijs teistert en schoolleiders en leraren meer de ruimte geven? Ik kom met vijf concrete voorstellen. Mijn eerste voorstel betreft een experiment waarbij goed presterende scholen die deelnemen aan een verbeterprogramma van samenwerking, intervisie en coaching, niet meer eens in de vier jaar worden bezocht door de inspectie. In plaats daarvan is de schoolgids leidend.

Mijn tweede voorstel behelst dat bij nieuwe wetgeving standaard moet worden aangegeven op welke wijze de administratieve lasten en de controlelast van de overheid worden beperkt.

Een derde voorstel is onderzoek te doen naar het verminderen van de taken van de inspectie waarbij gelijktijdig wordt toegewerkt naar meer horizontaal toezicht, dus naar ouders, studenten en scholieren, en naar peer review, opdat de inspectie zich uitsluitend richt op het wat en niet op het hoe.

In de vierde plaats stel ik voor de kleutertoets uit het toezichtkader van de inspectie te schrappen.

Tot slot stel ik voor dat de Cito-indicatoren uit de begroting worden geschrapt.

Ik verneem graag de reactie van de bewindslieden op deze concrete punten om de lastendruk voor het onderwijs te verminderen.

Ik kom nu bij het Nationaal Onderwijsakkoord en het Herfstakkoord. Ik maak de sociale partners met wie de bewindslieden een akkoord hebben kunnen sluiten, een compliment. Dat is goed nieuws. Ik maak ook de partners in de Kamer van libertaire en reformatorische snit een compliment omdat zij ervoor hebben gezorgd dat een aantal verbeteringen in de begroting is geconcretiseerd.

Ik heb vorig jaar aangedrongen op een Nationaal Onderwijsakkoord. Ik vind het mooi dat het er is, maar ik constateer tegelijkertijd ook dat ouders, leerlingen, schoolleiders en studenten niet aan tafel zaten. Ik vind dat teleurstellend, net zoals ik het teleurstellend vind dat de grootste onderwijsbond, de AOb, niet heeft meegetekend. Het is wel positief dat in het akkoord een aantal goede ombuigingen en veranderingen is opgenomen. Ik denk dan aan een moderne invulling van de BAPO-regeling, de 1.040 urennorm die is aangepast en het lerarenregister dat meer body krijgt, maar ik zeg hier wel bij: kabinet, dit is een initiatief van de sector, laat het daar en maak het geen onderwerp van Haagse regel- en controlezucht.

De heer Mohandis (PvdA):

Ik kom terug op de inleiding van de heer Rog. Hij heeft verschillende partijen gecomplimenteerd en degenen die het Nationaal Onderwijsakkoord voor elkaar hebben gekregen. Ik vraag aan de heer Rog wat het CDA heeft gedaan om ook extra onderwijsinvesteringen in haar tegenbegroting te realiseren. Waar waren die investeringen?

De heer Rog (CDA):

Het wordt nu een heel interessant debat. Ik krijg nu een vraag van de onderwijswoordvoerder van de Partij van de Arbeid die de dag voor de verkiezingen van 2012 bepleitte dat er 600 miljoen netto in onderwijs zou worden geïnvesteerd en een dag na de verkiezingen verdedigde dat er nul euro werd geïnvesteerd met het argument: het is een crisis en het is al prachtig dat het onderwijs is ontzien. Ik vind het eerlijk gezegd geen pas geven dat de heer Mohandis mij deze vraag stelt. Ik zeg wel dat het CDA 100 miljoen euro meer op de tegenbegroting had staan dan het kabinet voorstelde. Dat hij nu met de onderwijsveren van ChristenUnie, SGP en D66 pronkt, vind ik eerlijk gezegd niet erg chique.

De heer Mohandis (PvdA):

Dit is een heel gemakkelijk en een heel ontwijkend antwoord.

De heer Rog (CDA):

Nee, 100 miljoen!

De heer Mohandis (PvdA):

Dat had ik niet verwacht van mijn collega van het CDA. Vijf partijen hebben dit mooie resultaat mede mogelijk gemaakt. In mijn optiek is de heer Rog iets te snel voorbijgegaan aan de verbeteringen. Dat is veel meer dan het CDA heeft gedaan. Dit kabinet investeerde, nu investeren wij nog meer en daar kan hij van leren.

De heer Rog (CDA):

Ik laat deze opmerking maar bij de heer Mohandis. Het antwoord op zijn vraag is: 100 miljoen euro meer dan wat deze coalitie in de begroting heeft geleverd. 100 miljoen euro meer. Maar nogmaals van mijn kant een compliment aan de collega's van D66, ChristenUnie en de SGP, die dit hebben verhoogd.

Ik wilde nog even doorgaan met complimenteren, maar ik loop door mijn tijd heen en zal dus snel doorgaan. De gratis schoolboeken blijven. Dat is helemaal mooi. Het geld voor conciërges, middelen om zittenblijven tegen te gaan, heel erg mooi. Ik heb anderhalf jaar geleden zelf gevraagd om die pilot met zomerscholen. Die is echt een waanzinnig succes. Ik zie echt kansen om daarmee ons onderwijs te verbeteren, dus ik ben daar zeer tevreden mee. Waar ik niet tevreden over ben — en dat zal ook niemand verbazen — is het weer afschaffen van de maatschappelijke stage, twee jaar nadat we die hebben ingericht. Ik vind dat heel erg jammer. Ik vraag de bewindslieden hoe zij hebben gerold na de toezegging van premier Rutte, die tijdens de algemene politieke beschouwingen zei dat hij hier nog eens nadrukkelijk naar zou gaan kijken. De maatschappelijke stage is een zinvolle invulling van de vormende taak van het onderwijs en wordt alom gewaardeerd, door ouders, door leerlingen en door schoolbestuurders. Door die maatschappelijke stage leren jongeren dat zij iets kunnen betekenen voor anderen. Dat is in onze samenleving van groot belang. Ik begrijp dat de participatiesamenleving inmiddels zelfs door de Partij van de Arbeid en de VVD zeer wordt omarmd. Ik hoor graag van de bewindslieden wat zij hebben gedaan met de toezegging van de premier, zodat ik weet hoe ik daar in tweede termijn mee kan omgaan.

Nu het beroepsonderwijs. Het CDA wil dat het kabinet de gemeenten de mogelijkheid biedt om de verlengde kwalificatieplicht in te voeren. Ik zou graag horen hoe het daarmee staat, want daar waren discussies over. Ik zou graag weten hoe het kabinet hiernaar kijkt. Is het kabinet bereid om daar via experimenten aan mee te werken? Wij maken ons grote zorgen over de afschaffing van de vermindering van de afdrachtsbelasting en over de enorme korting op de kenniscentra. Juist in deze tijden, waarin het mkb, de hofleverancier van stageplaatsen, in een crisis zit en daarvoor geen ruimte biedt, wordt daar 280 miljoen op bezuinigd. Dat baart mijn fractie zorgen. Het CDA wil de regering verzoeken om te bekijken of wij elementen uit het Duitse beroepsonderwijs kunnen overnemen in ons systeem. Met name spreekt het ons aan dat toptalenten, die hier alleen hogere opleidingen doen, in Duitsland ook kiezen voor het beroepsonderwijs, omdat zij daarin ook op andere vlakken worden uitgedaagd. Ik kan mij voorstellen dat onze economie daar veel baat bij zal hebben.

Ik kom bij een aantal laatste punten. Wij constateren dat het kabinet doorgaat op de doodlopende weg van het leenstelsel. Het maatschappelijk draagvlak daarvoor ontbreekt ten enenmale. Wij begrijpen dat zelfs een van de gedoogpartijen zich heldhaftig blijft verzetten tegen dat leenstelsel. Wij vinden dat een heel gelukkige figuur, maar tegelijkertijd maken wij ons zorgen over het feit dat er nu toch nog een wetsvoorstel ligt bij de Kamer voor de masterfase. Wij willen de studenten graag de rust en zekerheid geven waar zij aan toe zijn.

De coalitiepartijen leken met de desbetreffende motie de infrastructuur van het Nederlandse onderwijs in het buitenland te willen helpen, maar in werkelijkheid zullen vele scholen moeten sluiten. Een wrang voorbeeld is het Lycée International in Frankrijk, dat al per 1 januari aanstaande dicht moet. Daardoor staan 200 kinderen gewoon op straat en krijgen zij geen Nederlands taal- of cultuuronderwijs meer. Dit is in strijd met de uitgangspunten die de bewindslieden hebben verkondigd bij de bezuinigingsbrief van 200 miljoen euro; het primaire proces zou namelijk worden ontzien. Kan de minister in dit geval iets betekenen, bijvoorbeeld door een hogere inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor alle ouders, dus ook voor ambtenaren? Is het mogelijk om te zoeken naar overhead, naar niet-primaire processen in andere groepen die hun subsidie wel wisten te behouden? Overigens hebben we het nu over vijf, zes, zeven ton. Ik zou dus zeggen: dit moet lukken. Is er welwillendheid bij het kabinet om dit onderwijs te behouden?

Het CDA heeft een vraag over de pilots rond laaggeletterdheid, net als de Partij van de Arbeid. Ik begrijp inmiddels dat er geen budgettaire besluiten worden genomen voordat de in het AO toegezegde evaluatie is gedaan. Het zou wat ons betreft eeuwig zonde zijn als nieuwe werkende concepten worden ontwikkeld die vervolgens ongebruikt blijven, terwijl alle 400 gemeenten vanaf 2016 opnieuw het wiel moeten uitvinden.

Wij blijven bezorgd over de kleine scholen. Het is prachtig dat er 20 miljoen in het Herfstakkoord staat, maar wat betekent dit concreet voor de scholen? Kunnen zij openblijven? Het CDA vraagt de staatssecretaris om het voorgestelde experiment met een coöperatie de ruimte te bieden. Hierin zitten zeven scholen, verspreid over het land. Is die ruimte er ook voor de "niet-laatste" school in een gemeente? Hoe pakt dit financieel uit? Blijft de kleinescholentoeslag ook hiervoor bestaan?

Is het kabinet bereid om de Experimentenwet te gebruiken om initiatieven voor integrale kindcentra, ook buiten de krimpregio's, ruim baan te geven? Hierdoor kunnen belemmerende regels opzij worden geschoven en verschillende geldstromen bij elkaar worden gevoegd.

Het passend onderwijs blijft een punt van zorg. Berichten dat het veld er nog niet aan toe is, blijven zich maar opstapelen. We hebben het er zo vaak over gehad. Hoe dichter bij de werkvloer, hoe minder men betrokken is. Het CDA maakt zich daar grote zorgen over. Er zijn al vragen over gesteld en ik sluit me daar zeer bij aan. Ik hoop van harte dat we een bevredigend antwoord krijgen op de vraag of we dat passend onderwijs kunnen uitrollen volgend jaar en zo ja, hoe breed we dit kunnen uitrollen.

Ik rond af. Het CDA kiest voor meer vertrouwen en verantwoordelijkheid voor het onderwijs en voor minder wetten en wantrouwen door de overheid. Zo maken we ons onderwijs nog beter.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Mijn leven lang is het onderwijs mij lief. Waarom? Omdat ik zelf heb mogen zien hoe een onzekere puber een eersteklas automonteur werd, hoe een meisje van de huishoudschool een aantal jaren later werd benoemd tot commissiegriffier in Leiden, nadat ze was afgestudeerd in de bedrijfseconomie, en omdat ik heb mogen zien hoe een immigrante door taallessen haar weg vond en een zelfbewuste en waardevolle deelneemster aan onze samenleving werd. Dat is het belang van onderwijs. Goed onderwijs geeft mensen, kinderen en volwassenen, de kans zich te ontwikkelen. Wat is er mooier en belangrijker dan dat?

Wij in de Kamer hebben hierbij vergeleken een bescheiden rol. Scholen, en leraren in het bijzonder, doen het echte werk. Daarom vraag ik vandaag niet om extra regels, nieuwe wetten of nog meer Haagse normen. Ik vraag om ruimte en vertrouwen voor scholen en leraren, om persoonlijke aandacht voor elke leerling en student en om onderwijs dat toekomst biedt.

Ik ben ongelooflijk blij met de 500 miljoen extra investering in onderwijs. Is die voldoende? Nee. Is het evenveel als wij in ons programma hadden staan? Nee. Is het een belangrijke stap op weg naar beter onderwijs? Ja. Dit geld zorgt er namelijk voor dat scholen weer conciërges en klassenassistenten kunnen aannemen en dat leraren de kans krijgen zich verder te ontwikkelen, om nog beter onderwijs te geven. Het extra geld zorgt er ook voor dat scholen de ruimte krijgen om hun klassen kleiner te maken of om te investeren in de beste leermiddelen.

De grootste fout die we hier in Den Haag kunnen maken, is dat we elke cent van deze 500 miljoen vastleggen en labelen. Scholen zijn namelijk verschillend, net zoals leerlingen verschillend zijn. De ene school heeft heel andere dingen nodig dan de andere school. Denk aan een remedial teacher of iPads, meer leraren of nieuwere schoolboeken, of het investeren in kleinere klassen om een einde te maken aan plofklassen van 30 leerlingen of meer. Laten we dus niet opnieuw de fout maken van labeling, prestatieboxen of stapels papieren verantwoording. Maar hoe zorgen we er dan wel voor dat het geld terechtkomt waar het hoort, in de klas en bij de leerling? Hoe zorgen we er tegelijk voor dat scholen het geld niet aan een boekhouder behoeven uit te geven? Het antwoord is simpel: geef het vertrouwen aan leraren. Zij willen namelijk niets anders dan wij hier: goed onderwijs voor hun leerlingen. Breng docenten, leerlingen, studenten en ouders in een positie waarin ze kunnen meebeslissen waaraan het geld wordt uitgegeven. Geef hun medezeggenschap. Juist zij weten waar het geld het hardst nodig is. We gaan er nog apart over spreken. Ik ga er nu verder dus geen reactie op vragen. Die mag natuurlijk altijd gegeven worden; als u zegt dat u nu eindelijk overtuigd bent dat het moet gebeuren, vind ik dat ook prima, maar anders hebben we het er nog wel een keer over.

Vertrouwen in scholen en leraren is dus van het grootste belang maar ik proef nog steeds wantrouwen richting scholen, richting leraren en soms ook richting ouders. Dit zien we bijvoorbeeld in de gekte rond de toets. Ik noem het dreigende drama van de rekentoets. Er wordt niet geluisterd naar deskundigen die het rekenonderwijs willen onderbrengen bij wiskunde. Hoewel de toets evident het verkeerde meet, moet en zal de uitslag beslissend zijn voor slagen of zakken. Zo organiseer je schooluitval in plaats van beter onderwijs. Ik durf het te zeggen want ik ben een wiskundeleraar. De Cito-toets is verworden tot een kwaliteitscriterium voor scholen met als effect dat zwakkere leerlingen al aan de poort van de basisschool geweigerd dreigen te worden. Dat is afschuwelijk. Om het nog gekker te maken: het doel van dit kabinet lijkt niet dat leraren goed en beter onderwijs geven maar dat — let op — "de gemiddelde Cito-score in 2015 537 zal zijn". Waar eindigt dit en bij welk kabinet? Als uiteindelijk elk kind 550 heeft gehaald? Wil het kabinet niet liever dat alle kinderen boven het gemiddelde scoren? Ik vind dit zo gek, dat ik graag een reactie van de staatssecretaris hoor. Er staat ook een smiley achter mijn tekst. Laat ik maar alvast verklappen dat ik op dit punt een motie overweeg. D66 is voor toetsen maar dan om te zien wat een kind kan.

De heer Beertema (PVV):

Ik denk dat we het met D66 eens zijn dat die generieke verhoging van twee punten geen goede zaak is. Die slaat eigenlijk nergens op; het is een beetje een dom voorstel. Zou D66 met ons mee kunnen gaan als wij voorstellen dat die verhoging met twee punten per individuele school wel bespreekbaar is? Het past tenslotte in een ambitieuze onderwijscultuur waar u en ik beiden toch voor zijn?

De heer Van Meenen (D66):

Met dat laatste ben ik het eens, met het eerste niet. We zien nu al dat de Cito-score een indicatie zou moeten zijn — misschien in uw ogen wel maar in de mijne niet — van de kwaliteit van een school. Ik denk dat het heel belangrijk is dat je denkt in termen van hoe een leerling op school binnenkomt en wat de school daaraan weet toe te voegen. Dat is echt iets anders dan alleen maar het meten van het eindniveau, wat nu gebeurt, met behulp van de Cito-toets. Dus ik ben zo ver nog niet. Ik kan mij wel voorstellen dat je op een bepaald moment tot de constatering komt dat, gezien de leerlingen die op een school zitten, de scores die behaald worden wat onder de maat zijn. Dan kan dat reden zijn voor een gesprek. Ik heb echter veel liever dat de Cito-toets gebruikt wordt om het kind ten dienste te zijn, om te kijken wat het kind nodig heeft en om na te gaan of er nog zwaktes zijn, of er verder geleerd moet worden en of ondersteuning plaats moet vinden.

De heer Beertema (PVV):

De heer Van Meenen is heel lang schoolleider geweest en hij weet als geen ander in dit huis dat een schoolleider heel veel kan betekenen bij de prestaties van een schoolteam. Ambitie hoort daar bij. Hele teams kunnen in de loop van zo'n twee jaar inderdaad met sprongen vooruitgaan. Dan zou het voor zo'n school en dus ook voor zo'n schoolleider toch een fantastische uitdaging zijn om de score van 528 naar 530 te brengen? Dat is toch de ambitie die we zoeken?

De heer Van Meenen (D66):

Jawel. Ik ben het ook met u eens dat een schoolleiding daar ook een belangrijke rol in kan spelen. Waar dat mogelijk is met de kinderen die in huis zijn, moeten we dat vooral ook willen. Wat ik echter ook gezien heb, is de keerzijde. Ik heb eindeloze ruzies met inspecteurs gemaakt over het feit dat ik op een vmbo-school mijn kinderen kansen wilde geven. Ik werd er echter op afgerekend omdat ze wat langer over hun opleiding deden en ze niet aan de gemiddelde score voldeden. Ze hadden vervolgens wel een hoger diploma en ze hielden dat niveau vast in het mbo. Als een school kinderen kansen biedt, wordt hij daar op dit moment in dit systeem genadeloos op afgerekend. Ik vind dat schoolleiders geen willoze werktuigen in de handen van de overheid moeten zijn, maar echt voor hun school moeten staan en zeggen: wij bieden kinderen kansen en dat is echt iets anders dan wat wij op dit moment aan het meten zijn.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik ga voor een groot deel mee in het betoog van de heer Van Meenen dat de Cito-toets niet zo vreselijk veel zegt. Is hij ook voorstander van gedifferentieerd toezicht? Vindt hij ook dat je scholen die investeren in passend onderwijs — de heer Van Meenen gaf daar net een voorbeeld van — en die investeren in sommige kinderen zodat het maximale uit het kind wordt gehaald ondanks het feit dat dit niet zo'n hoge Cito-score oplevert, moet belonen via gedifferentieerd toezicht?

De heer Van Meenen (D66):

Dat ben ik met mevrouw Ypma eens. Het toezicht tendeert langzaam maar zeker naar die kant. Ik weet dat de inspectie daar ook over wil nadenken. Het kabinet wil daar volgens mij ook naar kijken. "Verdiend vertrouwen" is een term die vaak valt. Ik zie het graag echt concreet gemaakt. Ik denk dat er veel scholen zijn die ons vertrouwen ten volle verdienen. Dat onderscheid moeten wij vooral gaan maken. De afgelopen jaren hebben wij nogal eens de neiging gehad om, als er iets misgaat in een sector, van hieruit te reageren met een nieuwe laag regels. Volgens mij zijn wij er het afgelopen jaar in geslaagd om dat te voorkomen. Dat zou ik inderdaad graag vertaald zien in toezicht waar het nodig is en verminderd toezicht — de heer Rog wil geen toezicht, maar dat vind ik erg ver gaan — waar het kan.

Ik pleit ook erg voor horizontaal toezicht. Dat wil ik veel sterker maken — vandaar dat ik pleit voor medezeggenschap et cetera — ten opzichte van de verantwoording naar hier.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Die twee punten over het toezicht begrijp ik, maar ik bedoel iets anders. Ik doel op de investering in passend onderwijs. Een leerkracht moet steeds bepalen waarin hij zijn tijd investeert: in kinderen die de Cito-score omhooghalen, of in kinderen waaruit je met een extra investering het maximale kunt halen, ook al zie je dat niet terug in de Cito-score. De heer Smaling van de SP-fractie en ik hebben hierover voor het reces een motie ingediend. Wij stellen: zorg voor gedifferentieerd toezicht, waarin je scholen beloont, in punten of anderszins, als zij het maximale uit ieder kind halen, ondanks het feit dat het niets oplevert in de Cito-score.

De heer Van Meenen (D66):

Ik ben daarvoor. Ik vat het onder de noemer "toegevoegde waarde". Belonen voor goed gedrag vind ik prima, maar liefst zonder al te veel ingewikkeldheden eromheen. Wij moeten af van het principe van belonen of straffen op basis van gemiddelde Cito-scores.

Voorzitter. Voordat er misverstanden over ontstaan, merk ik op dat D66 voor toetsen is om te zien wat een kind kan. Een toets moet en kan een kind verder helpen en een docent laten zien waaraan een kind behoefte heeft, maar wat nu voorgesteld wordt, is gestold wantrouwen naar scholen en leraren. Het leidt tot een afrekencultuur van cijfers en afvinklijstjes. Meten is makkelijk, maar veel is onmeetbaar. Daarom pleit D66 voor vertrouwen in de leraar en voor vertrouwen in de waarneming van mensen. Waarnemen is echt iets anders dan meten. Meten gaat over getalletjes, maar waarnemen is goed naar de kinderen kijken, het liefst met professionele ogen. Degenen die het kind kennen, kunnen er veel meer over zeggen dan degenen die het kind "meten".

Ik kom op het belang van persoonlijke aandacht voor ieder kind — kortom: passend onderwijs — dat in 2014 naar het reguliere onderwijs gaat. Achter de schermen werken mensen hard aan de invoering van passend onderwijs, maar ze werken nu vooral nog hard aan structuren en protocollen. Daar hebben de kinderen niets aan. In de klas gebeurt er op dit moment veel te weinig. Docenten zijn niet of nauwelijks betrokken, terwijl zij over een paar maanden al te maken krijgen met complexe verschillen in hun klas. Het risico daarvan is dat kwetsbare kinderen het slachtoffer worden. Daarom stelt D66 voor om het passend onderwijs gefaseerd in te voeren. Regio's die er klaar voor zijn, kunnen in 2014 van start; er zijn er zelfs al een paar nu gestart. Regio's die achterlopen, moeten wat ons betreft een jaar uitstel krijgen. Ik zeg dit alleen maar in het belang van de kinderen. Zij verdienen die persoonlijke aandacht en maatwerk. Dat kan alleen maar als de scholen daar klaar voor zijn. Er mogen geen kinderen in de knel komen.

Ook in het mbo staat de persoonlijke aandacht voor de ontwikkeling van leerlingen onder druk. Het mbo is een beroepsopleiding voor leerlingen die vakman of vakvrouw willen worden. Maar terwijl ons land schreeuwt om vaklui, wordt het mbo meer en meer een algemeen vormende opleiding. De stukadoor moet weten hoe hij stuukt en niet hoe je dat in het Frans zegt, of zelfs in het Nederlands spelt. Doe allemaal mee aan beterspellen.nl, dan leer je dat. Best lastig! In het Frans is het overigens een platrier, ik wist dat niet.

Voor buitenlandse studenten is het vaak zelfs onmogelijk om een beroepsopleiding te volgen. Ze zijn namelijk verplicht, een examen in het Nederlands af te leggen, zelfs als de opleiding helemaal of bijna helemaal Engelstalig is. Ik krijg hierop graag een reactie van de staatssecretaris en ik overweeg ook een motie op dit punt.

Terwijl ons land schreeuwt om vaklui — over acht jaar hebben we nog zo'n 230.000 vacatures openstaan — is de ironie dat steeds minder leerlingen een beroepsopleiding kunnen volgen omdat er simpelweg te weinig leerwerkplekken en stages zijn. Daarom stelt D66 voor om het voor de 800.000 zzp'ers in dit land gemakkelijker te maken om stages en werkplekken aan te bieden. Ik vraag de minister om te onderzoeken hoe we dit zo snel mogelijk kunnen doen.

Het doet pijn om te zien dat het hoger onderwijs steeds meer gaat lijken op een koekjesfabriek. Efficiëntie en doelmatigheid winnen het van verbreding en verdieping, van het zelf als student vormgeven aan je leven. Het resultaat? Veel middelmaat en weinig uitblinkers. Ik geef een voorbeeld. Studenten die een tweede master willen doen, betalen zich blauw aan collegegeld. Volgens dit kabinet mogen studenten die al een opleiding hebben zich niet verder ontwikkelen, maar zo winnen we de internationale strijd om kennis en innovatie niet. D66 wil ambitieuze studenten aanmoedigen. Daarom pleiten we al tijden voor een laag collegegeld, ook voor de tweede studie. Stap voor stap komen we er wel. Sinds vorig jaar is een tweede studie betaalbaar als een student die tegelijk met zijn eerste studie doet. Maar dit jaar wil D66 voorstellen dat studenten een tweede educatieve bachelor of master kunnen volgen voor een regulier collegegeld. Leraren met meerdere bevoegdheden zijn heel belangrijk, bijvoorbeeld in de onderbouw van het vmbo of in krimpgebieden, maar eigenlijk overal. D66 stelt voor, de 10 miljoen euro die over is van het bedrag om dure tweede studies te compenseren in te zetten voor deze tweede educatieve opleiding. Daar zouden ongeveer 1.500 docenten gebruik van kunnen maken. Ik vraag de minister, dat hier en nu met mij af te spreken.

Ook vraag ik de minister naar de mogelijkheden van deelcertificering in het hbo. Hoe kijkt zij hiernaar, mede vanuit "een leven lang leren"?

De heer Duisenberg (VVD):

U hebt het over het belang van een tweede studie, maar u weet toch dat het juist dit kabinet is dat deze regeling in het leven heeft geroepen en dat heeft gezorgd dat het mogelijk is die tweede studie te doen naast de eerste studie? Dat is ook gedaan na een motie van PvdA en VVD.

De heer Van Meenen (D66):

Jazeker. Ik zeg ook dat wij er stap voor stap komen. Ik zeg niet dat dat allemaal de verdienste van D66 is. Maar ik voeg er nu weer een stapje aan toe. Ik zou graag zien dat je niet noodzakelijkerwijs twee studies tegelijk moet volgen, maar als je een educatieve studie hebt gedaan — een bachelor of een master— en dus docent bent geworden, zou je nog de mogelijkheid moeten krijgen om een tweede bevoegdheid te halen door een tweede bachelor of master, tegen regulier collegegeld. Daar pleit ik voor. Zo, stap voor stap, komen wij ooit wellicht in de situatie dat alle tweede studies voor een regulier collegegeld kunnen worden gevolgd.

Onderwijs met een toekomstvisie is wat wij nodig hebben. D66 daagt dit kabinet continu uit om verder te kijken dan de volgende begroting. Dat wil ik ook graag vandaag weer doen. Een eerste visionaire daad van het kabinet en van de minister zou kunnen zijn om goed onderzoek te kopiëren naar Nederland. Hoogwaardig wetenschappelijk Zweeds/Nederlands onderzoek op de lange termijn toonde aan dat niets zo goed is voor de prestatie van een kind als een kleine klas, op de korte en ook op de lange termijn. Is de minister bereid, een concrete strategie voor te stellen om Nederlandse klassen substantieel kleiner te maken? Een tweede visionele daad van de minister, en overigens ook van de staatssecretaris, zou kunnen zijn dat fors wordt ingezet op ICT in het onderwijs. D66 heeft deze week een visie gepresenteerd op ICT in het onderwijs. Ik ben benieuwd naar de visie van het kabinet. Hoe gaan we ICT beter benutten in ons onderwijs? Dan heb ik het over ICT als middel, dus niet als doel op zich. In onze ogen is ICT een heel goed middel.

Een derde visionele daad is ons onderwijs aan jonge kinderen te verbeteren en achterstanden te voorkomen in plaats van achterstanden weg te werken tot aan het mbo en het hbo. Dit kan worden gedaan door vroeg- en voorschoolse educatie, kinderopvang, basisschool en peuterspeelzaal te stroomlijnen en samen te brengen in één organisatie. Welke stappen gaat het kabinet hierin zetten? D66 gaf haar visie al in de notitie Kiezen voor kwaliteit: op weg naar de alles-in-één-school. Ik krijg graag een reactie van het kabinet daarop.

Als we toch vooruitkijken, wil ik erop wijzen dat vanaf 2015 fors wordt gekort op de aanpak van laaggeletterdheid. D66 zal daarmee niet akkoord gaan. Juist deze aanpak geeft mensen die moeite hebben met lezen en schrijven, de kans om weer volledig mee te doen. Wellicht kunnen de bewindspersonen hiermee in de volgende begroting alvast rekening houden en deze bezuiniging terugdraaien.

Ten slotte wil ik ook namens mijn collega Pia Dijkstra aandacht vragen voor de rechten van transgenders en homoseksuelen. Het is een beetje een zijdelings punt, maar er is geen andere plek hiervoor. We moeten het er toch even over hebben. Het Sociaal en Cultureel Planbureau constateert dat transgenders grote problemen ervaren op de gebieden veiligheid, arbeidsmarkt en gezondheidszorg. De minister had een breed masterplan toegezegd, maar nu blijkt dat er niet te komen. Wil zij dit alsnog opstellen? Wanneer geeft de minister definitief uitsluitsel over de uitvoering van de motie van D66 en de VVD over het monitoren van homovoorlichting door de inspectie en onderzoek naar homoacceptatie op het vmbo en het mbo?

De voorzitter:

Bent u al klaar?

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb nog één alinea.

De voorzitter:

Maak die alinea maar af. Ik constateer dat de leden die willen interrumperen, dat ook goed vinden.

De heer Van Meenen (D66):

Ik sprak vandaag over het belang van ruimte en vertrouwen voor scholen en leraren, persoonlijke aandacht voor elke leerling en onderwijs met een visie op de toekomst. Alleen zo krijgen alle leerlingen en studenten in Nederland het onderwijs dat ze verdienen. Alleen zo vinden jonge mensen de weg naar een zelfstandig en betekenisvol leven.

De heer Mohandis (PvdA):

Als de heer Van Meenen het goed vindt, kom ik nog even terug op het punt van ICT. Hij heeft daar, dacht ik, afgelopen maandag een plan voor gelanceerd.

De heer Van Meenen (D66):

Ja.

De heer Mohandis (PvdA):

Een aangehouden motie van mij gaat over ICT-bekwaamheid en ICT als kans in plaats van als bedreiging. Misschien is het een idee om bijvoorbeeld bij het AO over de Lerarenagenda te bekijken hoe wij elkaar kunnen vinden en hoe wij iets kunnen doen met die aangehouden motie, en er zo voor te zorgen dat die aangehouden motie wordt aangenomen. Het gaat hierbij om ICT als kans.

De heer Van Meenen (D66):

Ik zou deze uitgestoken hand graag aannemen. Dat doe ik zo veel mogelijk en graag bij de heer Mohandis.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U bent heel streng bij interrupties, voorzitter. Daarom ga ik twee vragen in één interruptie stellen.

De voorzitter:

Dat soort trucjes ken ik, maar gaat u verder, mijnheer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik dacht: ik vertel het maar eerlijk. D66 is belangrijk in dit debat. De heer Van Meenen heeft een hoop geregeld. Als nieuwe coalitiepartner moeten we hem een beetje kunnen bevragen. De eerste vraag heb ik in mijn termijn ook al gesteld. Is de heer Van Meenen tevreden? Is hij zo tevreden dat hij nu zegt: dat leenstelsel is prima en dat mag er komen?

De tweede vraag gaat over passend onderwijs. In de krant van vanochtend zegt de heer Van Meenen dat klassen idealiter twintig leerlingen moeten hebben. Dat is hartstikke mooi. Dat is fantastisch. Ik heb ook voorgesteld om een stappenplan die kant op te maken. Dat gaat ongetwijfeld een paar jaar duren. Maar wat doen we als scholen zeggen dat zij er vanwege de grote klassen niet klaar voor zijn om passend onderwijs te realiseren, ook niet volgend jaar? Wat voor ruimte geeft D66 die scholen?

De heer Van Meenen (D66):

Volgens mij ben ik daar glashelder over geweest. Als scholen in samenwerkingsverband er niet klaar voor zijn, moeten wij niet eens toestaan dat zij daarmee beginnen. Dat zou immers ten koste gaan van de meest kwetsbare kinderen. Dat het op allerlei plekken goed gaat, zoals mevrouw Ypma ook aangaf, is fijn, mooi en belangrijk. Dat is waar wij allemaal naar streven, maar het gaat mij echt te ver om te zeggen: het moet en het zal op 1 augustus 2014. Ik denk vanuit het belang van de kinderen die zich in een samenwerkingsverband bevinden waar de zaak niet op orde is. Dan moeten wij de situatie echt nog even consolideren. Dan moet je echt streng zijn, ook voor de schoolbesturen, in de zin dat dan de noodzakelijke stappen worden gezet om een jaar verder te gaan. Dat is de ruimte die ik zou willen hebben en ook zou willen geven. Ik kom straks nog wel te spreken over het leenstelsel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Wij moeten even precies zijn. Wat wil D66? Wilt u die scholen dan nog een jaar geven, of zegt u: nee, totdat ze er klaar voor zijn? Dan kan het langer dan een jaar duren. Vandaar mijn vraag, in relatie tot uw mooie pleidooi voor kleinere klassen, waarvoor ook de SP pleit. De klacht van de docenten is: passend onderwijs kan wellicht, maar niet in zulke grote klassen.

De heer Van Meenen (D66):

Daar ben ik het mee eens, maar kleinere klassen kosten een onnoemelijke hoeveelheid geld, althans wanneer je ze echt substantieel kleiner wilt maken. Daarom vraag ik om een stappenplan, want het moet wel een ambitie zijn op langere termijn. Ik denk dat het belang van veel kinderen ondertussen wel gediend is bij de introductie van passend onderwijs. Met die gedachte is eigenlijk iedereen het wel eens. Het gaat vooral om de vraag in hoeverre de docent daarop is voorbereid. Dan is een grote klas inderdaad een sta-in-de-weg. Ik wijs er wel op dat de komst van passend onderwijs naar het regulier onderwijs extra middelen gaat opleveren, namelijk door herverdeling; middelen die eerst vooral naar het speciaal onderwijs gingen, gaan nu voor een deel naar het regulier onderwijs. Er komen dus extra mogelijkheden. Het is allemaal heel erg spannend, maar zolang klassen misschien nog te groot zijn, kun je niet zeggen dat je kinderen die eigenlijk in het regulier onderwijs thuishoren, dan toch maar in het speciaal onderwijs houdt. Dat gaat mij ook echt te ver. Maar ik wel dat zo'n leerling, als hij naar het regulier onderwijs gaat, wordt ontvangen door een docent die weet wat hij met hem of haar aan moet. Daar maak ik mij zorgen over.

In zo'n beetje het eerste interruptiedebatje heb ik het al gezegd: wij hebben slechts een begrotingsakkoord afgesproken. Dat gaat alleen maar over geld en verder nergens over. Het gaat ook niet over een sociaal leenstelsel. Zoals u wellicht uit mijn bijdrage hebt kunnen opmerken, heb ik nog voldoende punten waarvan ik van harte hoop dat het allemaal nog veel beter zal gaan, zoals ruimte, vertrouwen en maatwerk. Op die punten is nog ontzettend veel te doen, en overigens ook op het gebied van geld. Ik ben dus nog steeds, met u, een oppositiepartij. Maar goed, ik zal de verschillen tussen ons niet uitvergroten, maar wij zitten niet in de coalitie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik begin met de staatssecretaris te bedanken voor het feit dat hij hier aanwezig is. Ik heb begrepen dat hij gisteren nog een operatie heeft moeten ondergaan. Ik vond het wel een mooie opening, omdat het misschien wel symbool staat voor en een voorbeeld is van het doorzettingsvermogen in het onderwijs; leraren die ondanks de moeilijke omstandigheden met passie doorgaan. Zo zie ik de staatssecretaris hier al weer een dag na zijn operatie zitten. Ik heb daar zeer veel waardering voor.

De ChristenUnie vindt dat onderwijs geen kostenpost mag zijn, maar juist een investering in de toekomst van ons land. Daarom heeft de ChristenUnie zich ervoor ingespannen om bij het begrotingsakkoord extra geld voor onderwijs vrij te spelen. Ik moet D66 daarvoor ook de credits geven. Dit is gelukkig gelukt en daarmee kan er meer geld voor onderwijs komen, kunnen mogelijkerwijs de klassen worden verkleind en kan er worden geïnvesteerd in leraren. Dat is hard nodig, want na de stille bezuinigingen van de afgelopen jaren werden de klassen groter en werd de druk op de leraren groter. De druk op het passend onderwijs zou ook groter worden. Door deze investeringen zien we dat het onderwijs financieel weer lucht krijgt. Een pleidooi van de ChristenUnie is wel dat dit niet gepaard mag gaan met extra verplichtingen en regels. Geef het onderwijs de ruimte en het vertrouwen die het verdient, een thema dat we verschillende keren van verschillende woordvoerders hebben gehoord. Meer geld betekent niet meer regels. Het geld is bedoeld om de klassen te verkleinen en het onderwijs te verbeteren, niet om extra taken te verzinnen voor de al overbelaste leraren. In het Onderwijsakkoord is een belangrijke afspraak opgenomen om te werken aan minder bureaucratie, werkdruk en regeldruk in het onderwijs. Dat betekent ook dat de huidige wetsvoorstellen misschien opnieuw bekeken kunnen worden. Ik denk aan onderwerpen die we vandaag al langs hebben horen komen: de kleutertoets bijvoorbeeld, of de Cito-toets die met twee punten hoger moet. In een interruptiedebatje heb ik de tussentijdse diagnostische toets in het voortgezet onderwijs genoemd. Het wetsvoorstel is nu in de schriftelijke ronde. Dit is uw kans, zeg ik tegen de staatssecretaris, om meteen werk te maken van minder regels. Trek dit wetsvoorstel in, dat zou daadkracht zijn.

Gelukkig is de 1.040 urennorm in het voortgezet onderwijs van de baan, een langgekoesterde wens van de ChristenUnie. Wij willen geen starre urennormen. Laat de scholen zelf invulling geven aan de kwaliteit. Toch worden scholen op dit moment met terugwerkende kracht beboet, omdat ze de urennorm enkele jaren geleden niet zouden hebben gehaald. Een boete die gevolgen zal hebben voor de huidige onderwijskwaliteit, terwijl die kwaliteit prima op orde is. Mij ontgaat het nut van deze forse boetes. Is de staatssecretaris bereid om deze boetes alsnog terug te trekken?

Een belangrijk punt voor de ChristenUnie is de onderwijsvrijheid. Over de toekomst van artikel 23 komen we binnenkort te spreken in een rondetafelgesprek en een notaoverleg. De ChristenUnie is blij dat het kabinet de waarde inziet van de vrijheid van onderwijs. Tegelijkertijd zien we voorstellen op de Kamer afkomen, die de pluriformiteit en de keuzevrijheid fors onder druk zetten. Met name het schrappen van het richtingenbegrip heeft belangrijke gevolgen als de laatste school van een bepaalde richting verdwijnt. Verdwijnt daarmee ook veel invloed van de ouders om een school te kiezen die aansluit bij hun levensovertuiging? Dat zou een kaalslag betekenen in het pluriforme onderwijsaanbod.

Is keuzevrijheid ineens minder belangrijk geworden in het leerlingenvervoer op grond van richtingbezwaren? Waarom wil de staatssecretaris de mogelijkheid van thuisonderwijs geheel verbieden, terwijl een beperkte groep ouders het thuisonderwijs op een gewetensvolle manier invult? Is de staatssecretaris bereid om met de thuisonderwijssector een gesprek aan te gaan? Inzake de onderwijsvrijheid zijn wij erg tevreden met het behoud van het GVO en het HVO, godsdienstonderwijs op de publieke scholen. Daar dank ik de staatssecretaris dan ook voor.

Wij zijn blij met de extra investeringen die zijn afgesproken in het begrotingsakkoord en het onderwijsakkoord. Bij het onderwijsakkoord is er afgesproken dat 3.000 jonge docenten in het onderwijs werkzaam zullen worden in de komende jaren. Hierover hebben collega Ypma en ikzelf voor het zomerreces een motie ingediend. Wij zijn blij dat dit nu verankerd is in het onderwijsakkoord. Ik vraag de staatssecretaris echter wel hoe hij die toezegging aan het onderwijsveld gaat waarmaken. Het bedrag zit immers in de lumpsum van de scholen. Zijn er met de diverse sectoren afspraken gemaakt om die 3.000 jonge docenten ook daadwerkelijk aan het werk te krijgen? Ik hoor daar graag een reactie op van de staatssecretaris.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ook de ChristenUnie heeft meegewerkt aan de afspraken voor het extra geld voor onderwijs. Heel goed. Een van de punten — ik vroeg er net al naar — was natuurlijk de maatschappelijke stage. Die is er gekomen ten tijde van het unieke kabinet waar ook de ChristenUnie deel van uitmaakte. Heeft de heer Voordewind dat niet even kunnen regelen bij de onderhandelingen?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ook de ChristenUnie heeft grote waardering gehad voor de maatschappelijke stage. In het kabinet-Balkenende IV hebben we daar ook voor gepleit. We hebben ook de onderzoeken gezien van de besturenraad. De meeste scholen zijn positief over de maatschappelijke stage. Ik denk dat het goed zou zijn als scholen daarmee doorgingen. De scholen zijn er vrij in om dat voort te zetten. De ChristenUnie betreurt het dat de verplichting van de maatschappelijke stage eraf wordt gehaald. Dat zeg ik er meteen bij. Dit staat ook verderop in mijn tekst. De vraag blijft of je bereid bent om er geld aan toe te voegen als je het verplicht maakt. Ook daarover valt met de ChristenUnie alsnog te spreken, ware het niet dat die 650 miljoen, 500 miljoen netto, wel is vrijgespeeld. Dat wordt doorgesluisd naar de lumpsum van de scholen. Zij kunnen daarbij zelf kiezen of zij geld willen vrijmaken om de maatschappelijke stages volledig voort te zetten of hier in een afgeslankte vorm mee door te gaan.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik moet een aantal dingen vaststellen. De heer Voordewind zegt heel terecht dat je eigenlijk wel weet hoe het zal gaan als je de verplichting eraf haalt. Scholen zwemmen niet in het geld, ook niet met het extra geld dat er nu bij komt. Je weet dus welke kant het op gaat. De heer Voordewind was groot voorstander van de verplichte maatschappelijke stage, net als wij. Het past perfect in de participatiesamenleving. Bovendien is het zwabberbeleid als je het nu afschaft: weer een regel die wordt ingevoerd en een jaar later weer weg kan! Helaas is dit niet in de begrotingsafspraken geregeld. Kunnen wij niet bekijken of het ons lukt om een deel van het budget van 500 miljoen toch vrij te maken voor de maatschappelijke stage?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik sta open voor voorstellen die hierover gaan. Het gaat wel om de dekking: waar haal je het geld vandaan? Zoals de heer Van Dijk al zei: als je het verplicht, moet je er ook geld voor vrijmaken. Ook al valt het geld weg, de scholen willen toch bekijken hoe zij dit in afgeslankte vorm voortzetten. Natuurlijk vind ik ook dat je moet bekijken welke kosten ermee gepaard gaan als je ergens bewust voor kiest en als je iets verplicht maakt. Ik sta dus open voor voorstellen, maar het zal van de dekking afhangen.

Voorzitter. Het onderwerp passend onderwijs ligt ons na aan het hart omdat het over kwetsbare kinderen gaat. Gelukkig heeft de ChristenUnie de 300 miljoen die gepaard zou gaan met de invoering van het passend onderwijs, in het Lenteakkoord ongedaan kunnen maken. Wij waren zeer blij dat dit van de baan was. Ook onder Rutte II stond een bezuiniging van 50 miljoen op het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs gepland. Ook dit hebben wij samen met de PvdA zo goed als ongedaan kunnen maken, met dank aan de staatssecretaris. Toch bereiken ons berichten dat men vreest dat bij de doorvoering van het passend onderwijs door de verevening aardig wat banen, capaciteit, kennis en ervaring op de tocht staan, met name in Brabant, Gelderland en Overijssel. Het risico is dat ten gevolge daarvan kinderen thuis komen te zitten, vooral in Oost- en Zuid-Nederland. De ChristenUnie pleit er dan ook voor om de afgesproken 50 miljoen vanaf 2016 grotendeels in te zetten voor deze regio's. In hoeverre is de staatssecretaris bereid om de negatieve gevolgen van de verevening zo goed mogelijk ongedaan te maken? Het gaat om een oplopende schaal waarvoor wij die 50 miljoen mogelijk goed zouden kunnen gebruiken.

In he voorjaar organiseerde de ChristenUnie een rondetafelgesprek over de kabinetsplannen voor de kleine scholen. De kleine scholen waren zeer met de plannen begaan. Het gaat om een kwart van het aantal basisscholen in Nederland. Gelukkig is de grens van 100 leerlingen van de baan, maar gisteren sprak ik nog een leraar die op een school van 130 leerlingen werkt. Die school gaat alsnog de toeslag voor kleine scholen missen. Is het niet veel erger geworden nu deze norm eraf gaat, maar eigenlijk de hele scholentoeslag eraf wordt gehaald voor de scholen die 145 leerlingen en minder hebben? Het gaat met name om scholen in plattelandsgemeentes en scholen van kleine richtingen. De leefbaarheid van de dorpsgemeenschappen komt onder druk te staan als een school uit het dorp verdwijnt. De keuzevrijheid van de ouders is in het geding als een school van de gewenste richting niet meer in de buurt aanwezig is. De staatssecretaris zei toentertijd in het debat dat een kleinescholentoeslag een perverse prikkel is, maar is het niet pervers om prima functionerende kleine scholen te laten omvallen? Scholen boeten niet zozeer aan kwaliteit in als ze kleiner zijn. Daarvan zijn genoeg voorbeelden en het blijkt ook uit onderzoek. Vanuit de Stichting Behoud Kleine Scholen kwam een prima voorstel. Daarbij werd ervan uitgegaan dat er geld vrijkomt als een kleine school wordt opgeheven. Men stelt voor om dit budget in te zetten voor de samenwerkingsbonus, zoals de staatssecretaris dat zou willen. Tegelijkertijd kunnen de kleine scholen die het prima zelf redden, voortbestaan. Ik geef de staatssecretaris die optie ook maar mee. We moeten bekijken hoe we de prima functionerende kleine scholen toch kunnen behouden. Ik zeg nogmaals dat het hierbij gaat om een kwart van alle basisscholen.

Over de maatschappelijke stage heb ik al het een en ander gezegd, dus daaraan hoef ik verder niet veel woorden te besteden.

Ik kom op de ouderorganisaties. Voor de zomer heeft de Kamer een motie van de Partij van de Arbeid en de VVD aangenomen om te komen tot één centrale ouderorganisatie. De ChristenUnie heeft tegen dat voorstel gestemd, maar het is wel aangenomen. OUDERS & COO verliest hierdoor de rijksfinanciering per 1 januari. Tegelijkertijd is er voldoende draagvlak bij de christelijke scholen en bij ouders om op eigen benen te staan. De tijd ontbreekt echter op dit moment om de wegvallende financiering op te kunnen vangen. Is de staatssecretaris bereid om de ouderorganisaties die op eigen benen willen blijven staan, meer tijd te geven voor die overgang, bijvoorbeeld via een overgangsfinanciering?

Ik kom op het leenstelsel. Over de toekomst van de studiefinanciering heerst inmiddels al drie jaar onduidelijkheid. De ChristenUnie is en blijft voor het behoud van het de basisbeurs.

De heer Mohandis (PvdA):

Ik kom nog even terug op het vorige punt, van de ouderorganisaties. De motie om te komen tot één centrale ouderorganisatie is inderdaad aangenomen in de Kamer. Vindt de heer Voordewind het niet echt jammer dat OUDERS & COO niet is meegegaan met het idee van de centrale ouderorganisatie, om daarmee de krachten te bundelen?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het bundelen van krachten is altijd goed, maar soms hebben organisaties hun eigen kracht en meerwaarde al bewezen. Volgens de ChristenUnie heeft in ieder geval OUDERS & COO dat al gedaan. Maar goed, wij zien ook dat er geen meerderheid is voor behoud van die subsidie. Daarom vraag ik de staatssecretaris of hij op z'n minst de afbouw van de subsidies in de komende jaren in overweging wil nemen.

De heer Mohandis (PvdA):

Kan ik uit de woorden van de heer Voordewind afleiden dat hij het ook goed had gevonden als OUDERS & COO gewoon had meegedaan, conform de motie?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Nee, daarom hebben wij ook tegen de motie gestemd. Wij waren voorstander van het behoud van OUDERS & COO. Dat voorstel heeft het echter niet gehaald. Ik hoor nu de geluiden van OUDERS & COO over het stoppen per 1 januari. In ieder geval stopt de financiering per 1 januari. Daarom vraag ik of de staatssecretaris bereid is om te bezien of hij tot een afbouwpercentage voor de financiering kan komen.

Ik had het over het leenstelsel. Er is al drie jaar onduidelijkheid over de studiefinanciering. De ChristenUnie is en blijft voor het behoud van het basisstelsel. Nu ook GroenLinks niets meer ziet in het leenstelsel, vraag ik de minister hoe lang zij de weg richting een nederlaag nog blijft volgen. We hebben inmiddels gezien bij de pensioenplannen hoe het mis kan gaan in de Eerste Kamer. Waarom stopt de minister niet met het telkens aanpassen van een plan dat geen meerderheid heeft? Hoe kunnen studenten een afgewogen keuze maken over hun toekomst als de plannen constant boven de markt blijven hangen? Geef aankomende studenten hierover duidelijkheid, vraag ik de minister.

Ook de basis- en tussenjaren ervaren weer de gevolgen van de onduidelijkheid. De minister heeft in het voorjaar toegezegd om met de EH in Amersfoort een gesprek aan te gaan. Dit gesprek heeft naar mijn weten nog niet plaatsgevonden. Wil zij dit alsnog oppakken?

Ik wil afsluiten met een aanbeveling aan de bewindspersonen. Benader het onderwijsveld met vertrouwen. Laat de afweging of een toets bijdraagt aan de ontwikkeling van een jongere, over aan de professionals. Leraren hebben het beste met hun leerlingen voor. Waarom moeten docenten dan zo zwaar verantwoorden, middels een complete papierwinkel? Scholen in het voortgezet onderwijs leveren een prima kwaliteit onderwijs, ook als dat soms met iets minder dan de 1.040 uren was. Waarom dan alsnog de boetes opleggen aan scholen die de 1.040 urennorm niet haalden?

Ik wens de twee bewindspersonen heel veel wijsheid toe.

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Tot mijn grote vreugde is vanmorgen gesproken over John F. Kennedy. Volgens mij zijn er in de geschiedenis maar weinig politici geweest die zo in staat zijn geweest, een land op te tillen en boven zichzelf te laten uitstijgen. Ik denk dat zijn belangrijkste nalatenschap niet ligt in de kleine 1.000 dagen dat hij heeft geregeerd, maar vooral daarna. John F. Kennedy is politiek gezien een groot voorbeeld voor mij, maar intellectueel gezien nog veel meer zijn broer, Robert Kennedy. Met een citaat van hem wil ik vandaag beginnen. "Het bruto binnenlands product omvat luchtvervuiling, reclame voor sigaretten en de ambulances die op de snelwegen verkeersslachtoffers weghalen. Het rekent de speciale sloten voor onze deuren mee en ook de gevangenissen voor mensen die ze stuk maken. Het bruto binnenlands product omvat de vernietiging van de cedarwouden en de dood van Lake Superior. Het neemt toe met de productie van napalm, raketten en kernkoppen. Het houdt geen rekening met de gezondheid van onze gezinnen, de kwaliteit van het onderwijs of het genoegen dat we aan spelen beleven. Het is net zo onverschillig voor de properheid van onze fabrieken als voor de veiligheid van onze straten. Het telt niet de schoonheid van onze poëzie mee of de kracht van onze huwelijken, noch de intelligentie van het publieke debat of de integriteit van ambtenaren. Het meet, kortom, alles behalve dat wat het leven de moeite waard maakt."

Dit is een zeer bekend citaat van Robert Kennedy, maar het kan niet vaak genoeg gebruikt worden, want we vergeten het te veel. We behandelen hier met elkaar ontzettend vaak rapporten van allerlei wijze mensen, maar misschien wel het belangrijkste rapport dat we hier nooit expliciet hebben besproken, is "Onderwijsbeleid in Nederland; de kwantificering van de effecten." Dat is een CPB-achtergronddocument, bekend bij alle financiële woordvoerders. Hierin staan alle maatregelen opgesomd die verstandig en het meest kansrijk zijn als het gaat om onderwijs. Maar als je het goed doorleest, zie je iets heel interessants: dit hele stuk gaat niet over hoe we onderwijs in Nederland beter kunnen maken, maar over hoe we ervoor zorgen dat het Nederlandse onderwijs beter gaat presteren op de internationale ranglijsten. Er dient een relatie te worden gevonden tussen die ranglijsten en het presteren van de economie, dus het groeien van het bbp. Dat is waarom ik vandaag wilde beginnen met Robert Kennedy. We kunnen wel investeren in onderwijs, en ik vind ook dat dat moet gebeuren, maar als dat is gericht op het zo hard mogelijk laten groeien van de economie en op het zo veel mogelijk rendement daaruit halen, dan zegt dat nog niets over de kwaliteit van onze scholen, over hoe wij jongeren opleiden.

Het is geen tijd voor enkele accentverschuivingen met enkele miljarden, het is tijd voor een keerpunt. Maar ik tel mijn zegeningen. Ik wil mijn complimenten geven aan de partijen die het Herfstakkoord hebben gesloten, en ik wil ons allemaal feliciteren dat er extra geld voor onderwijs wordt uitgetrokken. Het is een belangrijke eerste stap, en het is voor het eerst dat de bewindspersonen op onderwijs zich niet in allerlei bochten hoeven te wringen: er wordt niet bezuinigd, er wordt wel bezuinigd, we worden ontzien. Het is helder: er komt geld bij voor onderwijs. Maar de vraag is wat we daarmee gaan doen. Gaan we het geld zo inzetten dat we maximale economische groei krijgen? Gaan we het geld zo inzetten dat we zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen op de arbeidsmarkt krijgen? Weet u nog: dat was het doel dat we hier twee keer geleden hebben besproken, toen het Herfstakkoord werd besproken. Toen ging het over de vraag hoe je ervoor zorgt dat de structurele werkgelegenheid toeneemt. Wat is het geval? Dat staat ook in dat mooie CPB-document: als we ervoor zorgen dat studenten minder lang over hun studie doen en als we prestatiebeloning invoeren, komen mensen eerder op de arbeidsmarkt, wat het arbeidsaanbod vergroot. We weten allemaal dat in de modellen van het CPB door het aanbod te vergroten de toekomstige vraag toeneemt. Dat is weer goed voor de structurele werkgelegenheid in de CPB-modellen. De vraag is echter wederom wat dit betekent voor de leerlingen en de docenten in de klas.

Ik stap over naar de toetsing. Ik ben heel erg blij met de niet-verwachte steun die er plotseling lijkt te zijn om de cito-scores die in de begroting als doel zijn opgenomen, te gaan schrappen. Reeds in 2011 heb ik hierover een motie ingediend. Die werd toen nog weggehoond. Er was een brede rechtse meerderheid voor om dat overeind te houden. Tot mijn vreugde bemerk ik dat bijvoorbeeld D66 en nu ook het CDA aangeven dat met het stellen van een stijging van de Cito-scores als doel in de begroting het doel voorbij wordt geschoten. Het Cito zelf geeft dat ook aan en zegt: wij maken toetsen die heel goed kunnen weergeven wat het niveau van een leerling is, maar ze zeggen niks over de kwaliteit van het onderwijs of hoe goed of slecht de bewindspersonen het doen; haal het eruit. Daarom herhaal ik mijn pleidooi uit 2011. Nu ik een bredere meerderheid zie, zal ik op dat punt dezelfde motie indienen om de Cito-scores uit de begroting te halen omdat ze verder niks toevoegen.

De afgelopen tijd ben ik in vele huiskamers geweest; ik doe een aantal huiskamergesprekken. Het is een heel simpel concept. Ik was al klaar met de werkbezoeken die worden gedaan. De rode loper wordt daarbij voor je uitgerold en je krijgt naar mijn gevoel niet echt een beeld van de werkelijkheid. Mensen die ik uit mijn netwerk ken, heb ik gevraagd om tien mensen in hun eigen huiskamer uit te nodigen om te praten over een willekeurig onderwerp. Zij mochten kiezen. Van de twintig gesprekken die ik in een korte tijd heb gehad, gingen er vijftien over onderwijs. Zo erg leeft het onderwijs; het kan overigens ook iets zeggen over mijn netwerk. Ik voerde gesprekken met zowel docenten als schoolleiders en ouders. Ik beperk mij nu tot gesprekken met schoolleiders en docenten. Daarin kwam naar voren dat zij zich erg zorgen maken over het onderwijsklimaat in de scholen. Jonge docenten spraken over de weinige ruimte die ze krijgen en zeiden weggedrukt te worden door docenten die er al 20, 30 jaar zitten. Laatstgenoemden hebben zo'n sterke arbeidsrechtelijke positie dat bij iedere ontslagronde jonge docenten worden verdrongen. Ik had het erover met schoolleiders, die zeiden heel graag die vernieuwing in hun scholen te willen, maar dat het ze niet lukt om die veranderingen in hun lerarenbestand door te voeren. De positie van de vakbond op dit punt is zo sterk dat iedere verandering en verbetering eigenlijk wordt tegengehouden. Het Onderwijsakkoord moest op dit punt verandering brengen. In hoeverre brengt het dan ook echt verandering, waardoor vernieuwing in scholen wat betreft docenten ook echt mogelijk is? Ik denk daarbij aan de BAPO. Die wordt afgeschaft, zo valt te lezen, maar de sociale partners kunnen centrale afspraken maken om een soort van BAPO te behouden. Op dat punt zou ik graag duidelijkheid willen hebben over wat er verandert.

De heer Duisenberg (VVD):

Even een punt van verduidelijking. De heer Klaver vraagt wat er precies verandert rondom de BAPO. Daar ben ik helemaal voor; de BAPO moet veranderen. Bedoelt hij impliciet met deze vraag te zeggen dat hij zou willen dat er nog veel meer verandert en wordt gemoderniseerd? Of heeft hij daarover een andere mening?

De heer Klaver (GroenLinks):

De vraag die ik nu stelde ging niet over mijn eigen inzet op dit punt, maar was echt een verhelderende vraag. Je ziet in allerlei sociaal akkoorden die worden gesloten, bijvoorbeeld in het pensioenakkoord, dat aan de ene kant de AOW-leeftijd wordt verhoogd, maar dat aan de andere kant weer zo veel middelen worden meegegeven dat decentraal op cao-tafels de stijging van de AOW-leeftijd kan worden ingeperkt. Dit zorg alleen voor meer onduidelijkheid, maar niet voor de verandering die nodig is.

De heer Duisenberg (VVD):

Wat is uw inzet? Vindt u ook dat het gemoderniseerd moet worden, dat de deken van conservatisme weg moet uit de sector?

De heer Klaver (GroenLinks):

Wat mij steeds duidelijker werd in die gesprekken is dat de hier bestaande tegenstelling tussen links en rechts, waarbij wij voor de vakbonden opkomen en jullie voor de werkgeversbelangen, in de scholen bijna niet bestaat. Eigenlijk is iedereen op zoek naar het antwoord op de vraag hoe kan worden gezorgd voor vernieuwing. Die vraag heb ik. Als er regelingen zijn die deze in de weg staan, zoals de BAPO, dan vind ik dat je die zou moeten veranderen, moderniseren. Dat is mijn standpunt. Ik vraag specifiek wat er is afgesproken. Mijn grote zorg over alle akkoorden die in de polder worden gesloten is dat aan de ene kant een stap vooruit wordt gezet en aan de andere kant twee stappen achteruit. Dat zorgt voor onduidelijkheid voor iedereen. Dat brengt ons niet verder.

De voorzitter:

U moet gaan afronden.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik neem wat meer tijd, voorzitter.

De voorzitter:

Dat is goed.

De heer Klaver (GroenLinks):

Met betrekking tot de beloning wil ik inzoomen op het vmbo. Juist de lastigste scholen hebben leraren niet voor het uitzoeken: 22% van het aantal leraren op het vmbo is onbevoegd en 4,8% is onderbevoegd. Bij het havo en het vwo liggen deze percentages lager: daar is ongeveer 12,4% onbevoegd. De cijfers over de functiemix zijn niet rooskleurig voor het vmbo. De doelstelling van het Convenant Leerkracht voor 2011 — dat is het meest recente convenant dat ik heb kunnen vinden — zijn niet gehaald. Er werd beoogd dat 19% in de LD-schaal zou vallen, maar dat is slechts 4,8% geworden. Er werd beoogd dat 52% in de LB-schaal zou vallen, maar ook dat is niet gehaald. De doelstellingen voor 2014 gaan evenmin gehaald worden. De cijfers stijgen niet hard genoeg. Om een eind te maken aan deze scheve loonperspectieven moeten vmbo's gestimuleerd worden tot het gebruikmaken van de functiemix om beter betaalde arbeidsplaatsen voor hoger opgeleide leraren in te stellen. Ik overweeg om op dat punt een motie in te dienen. Ik denk namelijk dat het belangrijkste is om docenten vast te houden op het vmbo. Met dit voorstel wil ik geenszins zeggen dat de docenten op het vmbo niet geschikt zijn, maar je hoort te vaak dat zij na vier of vijf jaar geen doorgroeimogelijkheden meer hebben en zich eigenlijk genoodzaakt voelen om over te stappen naar het havo of vwo, terwijl zij dolgraag in het vmbo willen blijven werken omdat zij denken dat zij daar het meeste talent voor hebben en dat zij ook de passie hebben om de kinderen daar verder te helpen.

Ik ga nu in op het sociaal leenstelsel. Van de eerstejaarsstudenten in het hoger beroepsonderwijs zegt een kwart nog geen twaalf uur per week college te hebben. Van de eerstejaars die een universitaire opleiding volgen, is dat zelfs 41%. De minister maakt prestatieafspraken die met een ingewikkelde omweg boetes zetten op het gebrek aan contacturen. Werkt het systeem dan wel? Het hoger onderwijs heeft behoefte aan een cultuurverandering, waarbij de onderwijsmanagers minder belangrijk worden en de studenten de eerste zorg voor de universitaire docenten zijn. Het rapport-Veerman concludeert bovendien dat er geld nodig is om het hoger onderwijs toekomstbestendig te maken. Hoe kunnen de minister en de staatssecretaris de opbrengst van het leenstelsel dan gebruiken voor de uitvoering van het onderwijsakkoord, dat knelpunten in andere sectoren aanpakt? De 119 miljoen uit de studiefinanciering wordt in de brieven van vorige week immers nog steeds als intensiveringsmiddel genoemd. Gaan de "herfstpartijen" dan ook de invoering van het leenstelsel en de afschaffing van het ov-recht steunen of geeft de coalitie een ongedekte cheque uit?

Onderwijs is geen middel om onze economie te laten groeien. Onderwijs is er niet voor de beleidsmakers, noch voor het bedrijfsleven. Onderwijs is er voor de ontwikkeling van individuen tot democratische burgers in een pluralistische samenleving. Dat de economie groeit door investeringen in onderwijs, zegt niets over de kwaliteit van dat onderwijs, over de ontwikkeling van onze kinderen en over de vraag of zij gelukkig zijn en hun hart kunnen volgen. Mijn vraag aan de minister is: welk doel dient het onderwijs volgens haar? Is dat een economisch doel of gaat het om vorming? Mijn antwoord is duidelijk: het gaat om bildung, om een brede ontwikkeling als mens. Het is wat mij betreft tijd voor een keerpunt.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Je kunt wel merken dat dit een debat over de Onderwijsbegroting is. Heel veel collega's begonnen met het citeren van leerlingen, kinderen, jonge collega's of oudere collega's. Toen dacht ik: dat doe ik ook. Ik heb immers ook contact met het onderwijs. Ik ga echter niet vertellen over een schoolbezoek of wat dan ook. Nee, ik ga een vreugdevolle gebeurtenis met jullie delen toen ik net gekozen was als Kamerlid. De andere Kamerleden hebben ongetwijfeld soortgelijke ervaringen gehad. Op enig moment rolde een prachtig versierde felicitatie op A4-formaat door de brievenbus, met daarop in kleur geprint een klas, met de juf in het midden. Al die kindertjes zaten met de duim omhoog. Zij hadden hun uiterste best gedaan. Het was een groep 3. Voor de ouderen onder ons: dat is de eerste klas als je net begint te schrijven. De kindertjes hadden samen met de juf gewerkt aan een projectje. Zij hadden via het smartboard naar iets van de Tweede Kamer gekeken en de juf had hen een beetje geholpen. Zij hadden ook wat schrijfoefeningetjes gedaan en een paar daarvan waren op de felicitatie geplakt die zij zelf hadden gemaakt. De eerste luidde: "Fijn dat u op een blauwe stoel mag zitten". Dat is al hartverwarmend. De tweede was een bemoediging: "Doet u maar goed uw best. Dat doen wij ook." De derde, ook een stickertje met een kinderlijke hand: "De juf heeft ons geholpen hoor." Zo stonden er nog een paar opmerkingen op. Ik vond dat hartverwarmend en dan weet ik: dat is een goede juf. Het onderwijs daar is goed onderwijs. Ik kom daar straks bij mijn afronding nog op terug.

Ik wil beginnen met een vraag die ook collega Klaver aan de orde heeft gesteld: wat stellen wij in ons onderwijsbeleid centraal? Zetten wij het maximaliseren van prestaties en opbrengsten centraal? Zien wij onderwijs als motor voor onze economie, omdat daartussen een relatie zou bestaan? Of zien wij onderwijs als voertuig, als instrument om de ontwikkeling en vorming van kinderen en jongeren zo goed mogelijk te begeleiden? Het antwoord van de SGP-fractie op die vraag zal niemand verrassen; zij kiest nadrukkelijk voor het laatste uitgangspunt. Dit is echter een fundamenteel punt in de discussie over het onderwijs. Hoe kijk je naar onderwijs?

Ik vraag aandacht voor vijf punten en ik hoop dat dit in de spreektijd past. Ik begin met de meetbaarheidcultus. In de begroting worden pagina's gevuld met concrete indicatoren. Verschillende collega's hebben gesproken over de Cito-toetsscores, want die moeten twee punten omhoog. Wat meten wij dan eigenlijk? Het onderwijsveld heeft nu in navolging van Cito officieel bedenkingen geuit over de haalbaarheid van de gestelde doelen. De SGP-fractie is benieuwd of het kabinet dit signaal serieus zal nemen. Ik krijg hierop graag een reactie.

Je kunt opbrengsten, cijfers en scores vergaand beïnvloeden en verhogen. Hoewel, ook dat heeft allemaal zijn begrenzing natuurlijk. Het is naar mijn mening terecht dat dit in het onderwijsbeleid wordt geconstateerd en dat er ook ruimte is om dat te stimuleren, maar de kernvraag is of de werkelijkheid dan ook verbetert. In tegenstelling tot de staatssecretaris ben ik niet bij voorbaat geneigd om stijgende cijfers als teken van succes te zien. Ik krijg graag een reactie op de constatering van de inspectie dat het grootste deel van de verbetercapaciteit van leraren wordt opgeslokt door rekenen en taal. Is die eenzijdige besteding van de verbetercapaciteit wenselijk?

Mijn tweede punt is gericht op de vakman. Leraren kunnen beter lesgeven dan de overheid. De overheid moet de professionele vrijheid van leraren dus bewaken. Om dat te waarborgen en daaraan bij te dragen heeft de SGP afgelopen maandag een conceptwetsvoorstel naar het onderwijsveld gestuurd. Daarin pleiten wij ervoor dat de kwaliteit van het onderwijs wordt verbeterd door een betere afstemming tussen scholen en de inspectie. Door een duidelijkere afbakening van verantwoordelijkheden, door het controleren en stimuleren door de inspectie duidelijk te scheiden, kan de kwaliteit van onderwijs nadrukkelijk worden verbeterd. Onderkent het kabinet dat een heldere relatie tussen scholen en de inspectie een belangrijke schakel is om tot kwaliteitsverbetering te komen? Ik hoop dat de regering dit constructieve initiatief welwillend wil bezien.

Ik heb vorig jaar een motie aangehouden waarin de regering om een concreet overzicht wordt gevraagd van maatregelen om de ruimte voor leraren te vergroten. Dat was immers een prominent punt in het regeerakkoord. Inmiddels zijn verschillende documenten en actieplannen naar de Kamer gestuurd, maar ik heb een dergelijke lijst nog niet gezien. Vooralsnog blijft het bij de aankondiging dat er onderzoek wordt gestart. Kunnen wij die lijst met concrete actiepunten om de professionele ruimte van leraren te vergroten binnenkort verwachten? Mijn derde punt gaat over de startkwalificaties. Het is opmerkelijk dat een havodiploma of vwo-diploma wel als een startkwalficatie voor de arbeidsmarkt wordt beschouwd, maar dat van het vmbo niet. Wij horen hierop graag een reactie van de staatssecretaris. Wij vragen hem of het mogelijk is om de definities van de startkwalificaties nader te bezien. Er zijn immers zeker vmbo-sectoren waarvoor geldt dat een startkwalificatie wel degelijk een beoordeling of weging ten behoeve van de arbeidsmarkt zou kunnen zijn.

Ik ga verder over goed onderwijsbestuur. Inmiddels hebben we in bijna alle onderwijssectoren te maken met falende besturen. Dit heeft minder te maken met tekortschietende regels dan met een cultuurprobleem. De SGP is er nog niet gerust op dat er al een klimaatverandering is ontstaan. Wij wijzen hiervoor op het inspectierapport over de samenwerking tussen het ROC van Amsterdam en ROC Flevoland. Waarom heeft het zo lang geduurd? Wat zegt het volgens de minister als bestuurders een praktisch gerealiseerde fusie met allerlei juridische en formalistische argumenten willen ontkennen? Kan de minister bovendien eens uitleggen hoe er wordt voldaan aan de eis dat bestuurders niet in meerdere colleges van bestuur mogen zitten, wanneer beide bestuurders in een overkoepelend bestuur zitten dat feitelijk de leiding heeft? Fusieperikelen dus.

Mijn laatste inhoudelijke punt gaat over studiefinanciering en Europa. Een steeds groter deel van de Europese koek wordt besteed aan studiebeurzen. Europa heeft verder in toenemende mate in de melk te brokkelen als het gaat om onze studiefinanciering. De SGP wil in dit kader twee punten aan de orde stellen. Recentelijk was te lezen dat de Eurocommissaris ook beurzen wil gaan geven aan niet-Europeanen. De Erasmusbeurs wordt daarmee een soort lokmiddel om wereldburgers binnen te halen. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Past dit binnen de ambitie van het regeerakkoord om meer onderwerpen aan de lidstaten over te laten? De SGP vindt dat een dergelijke subsidie een brug te ver gaat. Het Europees Hof rekt voor studenten die geen band hebben met Nederland de mogelijkheden op om studiefinanciering te krijgen. Wij hebben hier vorig jaar uitvoerig over gesproken. Ik hoor graag hoe het hiermee staat.

Nog een enkele opmerking over het leenstelsel. Evenals de collega's vindt de SGP het belangrijk dat studenten en instellingen snel en definitief duidelijkheid krijgen van het kabinet over de toekomst van de studiefinanciering. In hoeverre is er nog de noodzaak van aanvullende investeringen in het hoger onderwijs, nu het Herfstakkoord er is? Graag een reactie. Een verwijzing naar het rapport van de commissie-Veerman volstaat voor mij niet, want daarin worden de financiële consequenties en de keuzes niet verder uitgewerkt.

Ik heb veel thema's laten liggen. Ik wacht de beantwoording van de bewindspersonen graag af. Ik sluit af met het volgende. Ik kom even terug op de juf die de klas die felicitatie liet sturen. Hoe weet je nu dat die juf van groep drie een goede juf is? Ik weet dat niet omdat zij — ik beken het maar eerlijk — mijn schoondochter is, maar omdat uit die uitnodiging, uit die met kinderhand geschreven tekstjes blijkt dat zij haar kinderen weet te stimuleren en te inspireren, dat zij hen op hun manier inleidt in moeilijke dingen en hen zodoende tot een hogere prestatie weet te brengen dan je van kinderen van 5 of 6 jaar zou verwachten. Zij weet hen als het ware boven zichzelf uit te tillen. Ik ben ervan overtuigd dat zij dat met een kleutertoets nooit en nimmer zou hebben gehaald.

De voorzitter:

Dank u, meneer Bisschop. Ik zie meneer Van Dijk bij de interruptiemicrofoon staan, maar hij is door zijn aantal interrupties heen.

De heer Bisschop (SGP):

Krijgt meneer Van Dijk geen interruptie meer?

De voorzitter:

Nee, helaas.

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb er nog twee. Hij mag er een van mij hebben.

De voorzitter:

Dat is heel aardig, maar hij heeft ook nog een tweede termijn.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Wij zijn hiermee aan het eind gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Het debat zal morgen om 11.45 uur worden voortgezet. De regering is dan aan de beurt.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorzitter: Van Miltenburg