Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 17, item 3

3 Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2014 (33750-VIII).

De voorzitter:

Ik heet de minister en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van harte welkom. Fijn dat de staatssecretaris ondanks allerlei lichamelijke gebreken aanwezig is.

De eerste spreker is de heer Van Dijk van de SP-fractie, want de grootste oppositiepartij mag als eerste. Aan hem geef ik het woord.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat kwam even als een verrassing, voorzitter. Ik moest nog even snel mijn tekst afmaken. "In het huidige onderwijssysteem lijkt een tendens te bestaan om regels, protocollen en cijfers centraal te stellen ter vervanging van de kennis, wijsheid en intuïtie van de leraar", aldus René Kneyber en Jelmer Evers in hun boek "Het Alternatief: Weg met de afrekencultuur in het onderwijs". Het is een aanval op het doorgeslagen geloof in toetsen en cijfers. De bewindslieden kennen het boek ongetwijfeld, want het is mede tot stand gekomen met behulp van het ministerie. Graag verneem ik hun reactie.

Een compliment voor het extra geld voor onderwijs. Er is geld voor schoolleiders, leraren en conciërges. De gelden voor leerwegondersteuning worden behouden. De gratis schoolboeken mogen zelfs blijven. Er is geld voor onderzoek. In 2013, dus dit jaar, komt er al 650 miljoen euro vrij. Dat is mooi, maar hoe gaat de minister verzekeren dat dit geld goed terechtkomt? Het wordt in één klap naar de scholen overgemaakt, dus het kan ook worden besteed aan managers, mooie kantoren aan de Zuidas of aan andere prestigeprojecten. Hoe gaan de minister en de staatssecretaris dat voorkomen? Graag een reactie. Het extra geld is knap werk; vooral van de gedoogpartners. Niet van de coalitie, want die kwam met een eigen begroting op Prinsjesdag. Ik vraag de bewindslieden niet of zij dit een verbetering vinden, want dat is het vanzelfsprekend. Wel heb ik de vraag waarom zij dat niet zelf hebben geregeld.

Er zijn allerlei vragen door alle recente aanpassingen. Door het geschuif met geld is onduidelijk hoe een en ander wordt gefinancierd. Vanmorgen, nee twintig minuten geleden, kregen we nog een brief. Eigenlijk kan dat natuurlijk niet, zo laat nog een brief, maar goed. Over het onderwijsakkoord heb ik gisteren al vragen gesteld bij het begrotingsonderzoek. Zijn er in de dekking overlappingen met het Herfstakkoord? Graag een reactie.

Nu het leenstelsel. De minister zegt in antwoord op mijn Kamervragen dat zij zich zal beraden als het leenstelsel er niet komt, of later komt. Dat betekent wel dat de dekking van het onderwijsakkoord op losse schroeven staat. De prijsbijstelling betreft 170 miljoen euro voor OCW, waarvan ongeveer 120 miljoen voor onderwijs. Kan dit bedrag van de 500 miljoen euro worden afgetrokken? Dan blijft er 380 miljoen over. Dat is nog steeds mooi, maar wel iets minder dan gedacht. Graag een reactie. Bovendien is er natuurlijk al jaren sprake van de zogenaamde "stille bezuinigingen": alleen al in het basisonderwijs zo'n 500 miljoen euro. En er is, niet te vergeten, al jarenlang een nullijn ter waarde van ongeveer 1,5 miljard euro. Worden er gaten gedicht met het extra geld?

Is het onderwijs hiermee voldoende geholpen? Dat is met name ook een vraag aan de gedoogpartners, bijvoorbeeld aan de heer Van Meenen. In het debat op 4 september zei hij nog dat zijn hart bloedde vanwege de grote problemen in het basisonderwijs, de hoge werkdruk, de grote klassen, de achterstanden in het onderhoud. Bloedt zijn hart niet meer? Is het onderwijs voldoende geholpen? Zo ja, wat zegt hij dan tegen de leraren die zich grote zorgen maken over passend onderwijs, die de combinatie van steeds grotere klassen met steeds meer zorgleerlingen niet zien zitten?

Mijnheer Van Meenen, ik zal dit deel even afmaken. Het is allemaal aan u gericht. Dan kunt u uw interruptie goed voorbereiden. Is er nog ruimte om zaken te regelen of zijn de geliefde oppositiepartijen vanaf vandaag met handen en voeten gebonden aan de regering? Moet ik voortaan ook tegen D66 oppositie voeren? Gaat u akkoord met de invoering van passend onderwijs volgend jaar, terwijl 60% van de schoolleiders dit helemaal niet ziet zitten? Hebt u nog ruimte om daartegen te ageren?

De voorzitter:

Begrijp ik hieruit dat u straks de heer Van Meenen niet gaat interrumperen?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee. Dit spaart een interruptie uit, voorzitter. Daar bent u blij mee.

De heer Van Meenen (D66):

Het is ongebruikelijk dat een spreker een vraag stelt aan iemand die bij de interruptiemicrofoon staat. De heer Van Dijk zal uit mijn bijdrage zo meteen zeker kunnen opmaken dat er nog voldoende ruimte is om allerlei vragen die hij terecht stelt, aan de orde te stellen. Dat zal ik ook zeker doen. Laat hier geen misverstand over bestaan. Dit is een begrotingsakkoord. Ik zal er zelf straks iets over zeggen. Het gaat over geld, extra geld. Mijn partij is er ook heel trots op dat dit extra geld er is. Het is ook heel hard nodig. We zijn er echter nog lang niet. Mijn hart bloedde. Het is wat minder hard gaan bloeden, maar er zijn nog tal van zorgen. Daar zal ik in mijn bijdrage aandacht aan besteden. Dat laat onverlet dat dit goed nieuws is in moeilijke tijden. Laat ik eindigen met een vraag: daarover is de heer Van Dijk het toch met mij eens?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ja. Ik vind dit goed nieuws. Hiermee geeft D66 aan dat zij de handen vrijhoudt om stevige oppositie te kunnen voeren over de problemen in het onderwijs. Het is mooi dat er extra geld is. Ik las vanochtend in Trouw dat D66 uiteindelijk streeft naar een klas van twintig leerlingen. Dat vind ik bijzonder goed nieuws. Ik strijd ook al een paar jaar voor een "klassenstrijd". Laten we daar gezamenlijk voor pleiten.

De heer Van Meenen (D66):

De heer Van Dijk beschouwt het, net als ik, als goed nieuws dat er nog allerlei ruimte is om het allemaal nog beter te maken. Ik zal het straks in mijn bijdrage ook hebben over klassengrootte. Ik doelde op het goede nieuws dat er extra geld is dat voor het onderwijs de weg omhoog kan vormen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat, mijnheer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik ga gelijk door met de klassen. Dat is een urgent probleem. Door stille bezuinigingen van de afgelopen jaren worden groepen steeds groter. We zien steeds vaker klassen met meer dan 30 leerlingen. De vakbond LIA, Leraren in Actie, is een burgerinitiatief begonnen. Op hun website www.stopdeovervolleklassen.nl halen zij handtekeningen op om hun voorstel voor een maximale klassengrootte op de agenda te krijgen. Ik steun dit van harte.

De Algemene Onderwijsbond deed al eerder onderzoek en houdt nu een twitteractie. Kijk eens bij: #volleklas. Daar melden leraren hun ervaringen. Ik geef een paar voorbeelden. Stephanie: groep 3, 33 leerlingen, groep 4, 31 leerlingen, groep 5, 32 leerlingen, groep 6, 34 leerlingen. Marjolein: onze school telt 93 leerlingen; 35 daarvan zitten in mijn klas. Anouk: bewust gekozen voor een kleine school, maar nu zit mijn kind tussen 33 andere kleuters. Dit is uiteraard slechts een selectie. Wat is de reactie van de regering? Zij zegt dat de gemiddelde groepsgrootte wel meevalt. Gemiddeld is er ook geen armoede in de wereld. Dat zegt dus niets. De regering zou moeten erkennen dat dit een sluipend proces is dat tot grote problemen leidt. Kijk naar alle brieven, reportages en noodkreten.

Gisteren heeft de regering mijn Kamervragen hierover beantwoord. Dat is hartstikke goed. Uit het tabelletje blijkt dat 30% van de klassen op basisscholen meer dan 26 leerlingen heeft. Van de grote scholen heeft zelfs 30% 28 leerlingen, en niet 15% zoals staat in het antwoord op vraag 4. De kern van de boodschap is dat grote klassen steeds meer toenemen. En die maken het onderwijs steeds moeilijker, juist vanwege de bijkomende omstandigheden, te weten het passend onderwijs waardoor er meer zorgleerlingen komen, de eis om meer maatwerk te leveren en te differentiëren, de eis om met excellentie aan de slag te gaan en de talloze eisen rond administratie, handelingsplannen, leerlingvolgsystemen et cetera. Begrijpt de regering dat deze combinatie een giftige cocktail is die elk werkplezier om zeep helpt? Stel nu dat je leraar wilt worden en je kijkt naar de uitzending van Brandpunt van vorige week zondag; je ziet leraren die geen kwaliteit meer kunnen bieden en je ziet schoolleiders die de komst van zorgleerlingen niet aankunnen. Leerlingen worden geweigerd. 60% is niet klaar voor passend onderwijs. Wat zegt de regering tegen een student die leraar wil worden? Gemiddeld valt het wel mee? Dat is een dooddoener.

Laatst was ik op bezoek bij de Paus Johannesbasisschool in Enschede. De schoolleiding had ons uitgenodigd omdat deze werd geconfronteerd met boze ouders. Boos vanwege de grote klassen, terwijl de school niet anders kon als gevolg van de bezuinigingen. De school roeit met de riemen die men heeft. Tegelijkertijd hoort die school de regering zeggen dat scholen meer aandacht moeten hebben voor excellentie en differentiatie. Dat doet pijn, want ouders horen dat ook en klagen bij hun school, maar de scholen krijgen minder geld. Begrijpt de regering dat dit knelt en dat schoolleiders dan vragen om een eerlijk verhaal? Graag een reactie.

Volgens de PO-Raad is de afgelopen jaren ongeveer 500 miljoen euro bezuinigd. Dat zijn stille bezuinigingen op bestuur en management, onderwijsachterstanden, subsidies en leerlingenzorg. En ook gemeenten geven minder uit aan onderwijs. Nu komt er 500 miljoen euro bij voor het gehele onderwijs. Met een beetje geluk komen scholen dus op nul uit, maar tegelijkertijd worden hogere eisen gesteld en is er de komst van passend onderwijs. Dat gaat dan niet samen. Dan wordt die druk op leraren niet weggenomen. Daarom stel ik voor om op z'n minst te wachten met de invoering van passend onderwijs. Onder de huidige omstandigheden is het niet uitvoerbaar en leidt het tot problemen. Zorg ervoor dat scholen er klaar voor zijn en maak een plan voor kleine klassen. Zorg voor meer ondersteuning in de klas. In het debat van 4 september zegt de staatssecretaris zelf ook: als we zo'n soort besluit willen nemen, dan moet het dit najaar. Het is dus urgent. Ik verneem hierop dan ook graag de reactie van de staatssecretaris.

De SP wil de beste leraren voor de klas. Dat betekent bevoegde leraren. Nu is bijna een kwart van de leraren in het middelbaar onderwijs onbevoegd. Dat is een ongelofelijk hoog aantal. Stelt u zich voor dat een kwart van de chirurgen onbevoegd zou zijn. Het land zou te klein zijn. Dit moet echt anders. Ondanks mooie woorden zijn de maatregelen van de regering boterzacht. Het blijft mogelijk om jarenlang onbevoegde leraren aan te stellen. In de Lerarenagenda is sprake van onderwijsgevenden. Een handige truc om ook instructeurs et cetera mee te tellen als leraar. Er zijn geen sancties als een school onbevoegde leraren aanstelt. Onbevoegde leraren mogen zich in het lerarerenregister inschrijven. De inspectie hoeft het aantal onbevoegde leraren niet meer bij te houden. Hiermee ga je er niet mee komen. Mijn voorstel is dat alle onbevoegde leraren binnen twee jaar hun bevoegdheid halen. Alleen bij hoge uitzondering mag nog tijdelijk een onbevoegde docent worden aangesteld en als dat gebeurt, vraagt de school om een ontheffing bij de inspectie. Daarnaast moet je natuurlijk zorgen voor uitstekende lerarenopleidingen. Dan weet je dat nieuwe leraren het juiste niveau hebben. Stem de bekwaamheidseisen af met de beroepsgroep. Zorg voor een hoog eindniveau. Stop met allerlei verkorte opleidingen die het niveau omlaag halen. We zien ook een belangrijke rol voor academici in de klas. Uiteindelijk zal elke leraar universitair geschoold moeten zijn, het Finse model. Natuurlijk moet je dan zorgen voor goede opleidingen die zijn toegesneden op het onderwijs dat ze geven, de bovenbouw van het middelbaar onderwijs, het vmbo of het basisonderwijs, maar het gaat om het stoppen van de uitholling van het vak.

De heer Bisschop (SGP):

Ik wil de heer Van Dijk graag een vraag stellen over de bevoegdheid van leraren. In 2015 moeten alle leraren bevoegd zijn, volgens hem. Als dit echter niet het geval is, betekent dit dan het ontslag van de onbevoegde docent? Accepteert de heer Van Dijk daarmee dat bepaalde lessen en vakken op scholen niet worden gegeven? Hoe ziet de heer Van Dijk dat voor zich?

Mijn tweede vraag is hieraan gekoppeld. Wij hebben tussen nu en tien jaar te maken met de uitstroom van de grijze golf. Om die op te vangen, moeten jonge mensen worden opgeleid. Zij doen ervaring op tijdens hun opleiding en geven dus onbevoegd les. Kan dit dan niet meer? Zij runnen bijvoorbeeld twee klassen en gaan jarenlang onbevoegd lesgeven, al zijn zij wel op weg naar hun bevoegdheid. Hoe moet dit na 2015?

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Bisschop beschrijft het proces van de afgelopen decennia. Precies om hetgeen hij net heeft gezegd, is de afgelopen decennia gezegd: laat die onbevoegde leraar maar voor de klas staan, want anders is er helemaal geen leraar. Dat is uiteindelijk funest. Stelt u zich eens voor dat wij dat met chirurgen zouden doen, zoals ik net al zei. Dat zou onaanvaardbaar zijn. U zou toch ook niet geopereerd willen worden door een onbevoegde chirurg? Dat is de kern van mijn boodschap: wij moeten de spiraal naar beneden veranderen in een spiraal naar boven. Dat doen wij door heel streng te zijn en door te zeggen tegen de leraren die nu zonder het juiste diploma voor de klas staan: u moet zo snel mogelijk het juiste diploma halen en wij zullen u daarbij op alle mogelijke manieren helpen. Uiteindelijk willen wij de eisen zo streng maken dat het beroep zo veel aan gezag wint, dat mensen in de rij staan om leraar te worden. Nu wordt de lerarenopleiding te vaak als een "second best"-opleiding gezien.

De heer Bisschop (SGP):

Ik vind het hartverwarmend om kennis te nemen van het utopisch socialisme van de heer Van Dijk, maar ik constateer dat hij aan mijn vragen voorbijgaat. De consequentie van zijn draconische voorstel is dat er vanaf 2015 op bepaalde scholen geen lessen in bepaalde vakken meer worden gegeven. Scholen kunnen dan dus niet meer aan de formele wettelijke eisen van het aanbod van onderwijs voldoen, met alle consequenties van dien. Dat is de uiterste consequentie van het voorstel van de heer Van Dijk. Is dat echt de bedoeling? Ik teken hierbij aan dat ik de vergelijking met een chirurg, die een eigen opleidingstraject volgt, nogal scheef vind. Ook docenten volgen een eigen opleidingstraject. Daar hoort het opdoen van praktijkervaring bij.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat laatste vind ik een buitengewoon schimmig verhaal. Chirurgen volgen een eigen opleiding en leraren niet? Nee, het gaat om de vergelijking. Voor het vak van chirurg zouden wij nooit ongediplomeerde personen toelaten; voor het vak van leraar doen wij dat wel. Dat is de spiraal naar beneden. Ik stel vast dat de heer Bisschop dat prima vindt en niet wil ingrijpen. Ik stel tevens vast dat hij niet goed heeft geluisterd. In noodsituaties kan een school gedwongen zijn om tijdelijk een onbevoegde leraar aan te stellen, maar dat moet echt een uitzondering zijn waarvoor ontheffing gevraagd wordt bij de inspectie. Zo was het altijd, maar die maatregel is geschrapt. Daardoor staan er nu veel meer onbevoegde leraren voor de klas.

De heer Bisschop (SGP):

Ik vraag mij af of dat er de oorzaak van is dat er meer onbevoegde docenten voor de klas staan. Ik wil echter de vinger leggen bij het volgende. Heeft de heer Van Dijk in de gaten dat onbevoegd lesgeven onvermijdelijk is als het opleiden van docenten gestructureerd is zoals wij het nu gestructureerd hebben? Dat kun je niet voorkomen, want dat is dan structureel. Je moet dat dan accepteren en inkaderen. Natuurlijk moeten wij daar eisen aan stellen. Het beleid moet erop gericht zijn om die docenten zo snel mogelijk een bevoegdheid te laten halen. Daarover bestaat geen verschil van mening. De weg die de heer Van Dijk wijst, is alleen zodanig dat het een ramp wordt voor het onderwijs. Dat heb ik willen onderstrepen. Dat heeft de heer Van Dijk ook nadrukkelijk gedemonstreerd.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is precies andersom. Er is nu sprake van een spiraal naar beneden. We staan nu toe dat onbevoegde leraren voor de klas staan. Ik wil daar een eind aan maken. Het vak van onderwijzer moet gezag uitstralen en het moet hoog aangeslagen worden. Je mag dus niet iedereen voor de klas zetten.

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb twee vragen, maar wil eerst nog een kleine observatie maken. Als er nu één beroep is dat je kunt uitoefenen zonder bevoegdheid, dan is het wel dat van Kamerlid. Ik ben benieuwd of we daar ook ooit nog een bevoegdhedenregeling voor in het leven gaan roepen, maar dat even terzijde.

De heer Van Dijk weet als geen ander allerlei zorgen en problemen te benoemen. Dat geldt natuurlijk ook voor de SP in bredere zin. Die zorgen en problemen worden overigens voor een deel veroorzaakt door regelgeving waarvoor in het verleden met hartstocht is gepleit. Ik heb de volgende vraag aan de heer Van Dijk. Wat heeft de docent nu aan het in deze zaal benoemen van al die problemen? Dat gebeurt nu immers. Ik ben het ook met een groot deel van die problemen hartstochtelijk eens. Waar was de SP toen het ging om het strijden om echt iets te doen aan de problemen? De SP is niet eens ingegaan op de uitnodiging van het kabinet om zaken te bespreken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat laatste heeft te maken met het feit dat wij het niet eens zijn met de fundamentele richting die dit kabinet inslaat. Het kabinet zegt namelijk: wat we ook doen, we moeten van Brussel bezuinigen en daar gaan we aan gehoorzamen. Daar heeft D66 altijd minder moeite mee dan de SP. Het extra geld voor onderwijs is hartstikke mooi, maar het wordt wel weggehaald bij de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Daar komen wij ook nog over te spreken.

De heer Van Meenen vraagt waar de SP was. Met alle respect, ik werk hier nu al twaalf jaar, waarvan de helft als Kamerlid en de andere helft als medewerker. Ik ben al twaalf jaar bezig om het probleem van de uitholling van het beroep leraar te agenderen. Het uithollen daarvan is door vorige kabinetten gedaan. Er hoefde geen ontheffing meer gevraagd te worden bij de inspectie en er mochten tijdelijk onbevoegde leraren voor de klas worden gezet. Dat "tijdelijk" werd jaren. Als een school dat wil, mag dat al gedurende vier tot vijf jaar. Dat is het punt, mijnheer Van Meenen. Als gevolg van de lumpsumbekostiging is een school verantwoordelijk voor zijn eigen financiering. Een school kijkt naar zijn kostenposten en ziet dat de leraren de grootste kostenpost vormen. Wat is goedkoper: een onbevoegde leraar die wat minder goed geschoold is of een dure, academische leraar die uitstekend geschoold is? Zo is een proces ingezet van steeds minder kwalitatief geschoolde leraren.

De heer Van Meenen (D66):

Over dat laatste kunnen we wel een ochtendje vullen, maar ook hier zie ik weer heel veel wantrouwen in de richting van het veld, dat zich zomaar weer kan vertalen in nieuwe regels. Daar moeten we erg voorzichtig mee zijn. D66 zou vooral kiezen voor versterking van de medezeggenschap. Ik laat dit nu maar even rusten en constateer slechts dat de heer Van Dijk de problemen benoemt, maar dat de docent in de klas daar eigenlijk niet zo veel bij gebaat is, behalve dat het geluid geregeld herkenbaar is.

Mijn tweede vraag gaat het over het passend onderwijs. We weten inmiddels dat de SP zal voorstellen om de invoering van het passend onderwijs uit te stellen. Ik deel de zorgen van de heer Van Dijk. Ik denk dat men op heel veel plekken in het land niet klaar is om de leerlingen op de goede manier van dienst te zijn. Ik zal straks het voorstel doen om het gefaseerd in te voeren. Op plekken waar men er klaar voor is en men alles op orde heeft, moet het passend onderwijs vooral wel mogelijk worden gemaakt. Op plekken waar dat niet het geval is, en het ook niet in het belang van kinderen is, moet het een jaar uitgesteld worden. Anders komen kinderen in de knel. Hoe kijkt de heer Van Dijk naar zo'n nuance?

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Van Meenen heeft een heel lange interruptie gehouden. Hij doet eerst een aantal insinuaties. Hij zegt dat de SP allerlei dingen niet zou doen. Ik moet wel even markeren dat ik dat volstrekt niet met hem eens ben. Ik sta hier te pleiten voor kwalitatief goed opgeleide docenten. Ik stel vast dat het de afgelopen jaren de verkeerde kant op is gegaan. Ik hoop dat de heer Van Meenen mij daarin steunt.

Hij stelde ook een vraag over het gefaseerd invoeren van het passend onderwijs. Ik heb ook gezien dat de Algemene Onderwijsbond dat heeft voorgesteld. D66 neemt dat voorstel nu blijkbaar over. Dat is een verbetering van het huidige plan om de scholen per augustus volgend jaar te dwingen om over te gaan op passend onderwijs. De heer Van Meenen en ik weten allebei dat een deel van scholen in grote problemen zit. U mag ook weten dat de SP altijd kritisch is geweest over passend onderwijs. Het betekent dat het speciaal onderwijs on hold wordt gezet, dat daar geen nieuwe leerlingen meer bij mogen komen en dat leerlingen met gedragsstoornissen of met een lichamelijke handicap in de praktijk op gewone scholen moeten worden opgenomen vanwege het budget. Dit kan tot een knellende situatie leiden. Ik pleit ervoor dat er voor leerlingen voor wie het echt nodig is, altijd een plekje is in het speciaal onderwijs.

De voorzitter:

Mijnheer Van Dijk, u hebt gelijk dat de heer Van Meenen een heel lange interruptie heeft gepleegd, maar u hebt ook een heel lang antwoord gegeven. Ik stel voor dat er korte interrupties worden gepleegd en dat er korte antwoorden worden gegeven.

Mijnheer Van Meenen, tot slot.

De heer Van Meenen (D66):

De heer Van Dijk heeft ook nog even uitgelegd wat passend onderwijs is. Dat is altijd goed voor de luisteraars. We zijn het op dit punt eens. We trekken op veel punten samen op. Dat zou ik hierbij ook willen doen. Mijn voorstel aan de heer Van Dijk is: laten we het doen waar het kan en laten we waar het niet kan, het niet eens toestaan dat het op dat moment gebeurt. Dus laten we hierbij niet alleen niet dwingen, maar ook niet toestaan dat het gebeurt, in het belang van het kind.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zie het voorstel van D66 met belangstelling tegemoet. Ik ben benieuwd hoe dit wettelijk is in te passen, want hiermee wordt afgezien van de verplichte invoering per augustus. Ik ben dus heel benieuwd.

De heer Rog (CDA):

We hadden het over de bevoegdheid van docenten. Terecht maakt de heer Van Dijk daar een punt van. Zijn voorstel is buitengewoon ambitieus als het gaat om de termijn waarop er geen enkele onbevoegde docent meer voor de klas staat. Geldt dit ook voor de beroepsgerichte vakken in het beroepsonderwijs?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee, daar geldt het niet voor. Juist de mensen uit de praktijk, zoals de technicus, willen we voor de klas hebben op het mbo en eventueel op het vmbo. Ik hoorde de minister vanochtend op de radio nog iets zeggen over de "Johan Cruijff" die voor de klas staat. Natuurlijk willen wij die graag voor de klas bij de beroepsgerichte vakken. Voor het geven van kennisvakken moeten leraren wel bevoegd zijn. Tegen mensen uit de praktijk die deze vakken willen geven, zou ik zeggen: welkom, kom erbij, maar haal in ieder geval een pedagogische aantekening.

De heer Rog (CDA):

Betekent dit ook dat een bevoegde docent geschiedenis nooit meer het vak maatschappijleer mag geven op de havo? Over die zaken moeten we het wel met elkaar hebben. Ik deel de angst van de heer Van Dijk over het grote aantal onbevoegden, maar die onbevoegden zijn ook vaak mensen die onderbevoegd zijn, zoals de tweedegraads leraar die toch een tijdje in de bovenbouw lesgeeft of de leraar die een aanpalend vak geeft. Wil de heer Van Dijk die leraren ook uitsluiten of gedeeltelijk ontslaan? Ik wil daar graag helderheid over hebben.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is een heel goede vraag. Ik ben zelf maatschappijleraar. Ik heb zelf ook in die situatie gezeten. Dat is alweer dertien jaar geleden. Destijds werd er heel soepel mee omgegaan op die school. Ik hoop dat de heer Rog mijn pleidooi begrijpt. Ik pleit voor het stoppen van de spiraal naar beneden en het stoppen van het te makkelijk inzetten van leraren voor vakken waarvoor zij niet bevoegd zijn. Uiteindelijk is mijn antwoord op de vraag van de heer Rog: nee, dat moeten we niet toestaan. Een leraar die een vak geeft, moet daarvoor bevoegd zijn. Dat lijkt mij eerlijk gezegd vanzelfsprekend.

De voorzitter:

De heer Rog, tot slot.

De heer Rog (CDA):

Mijn vraag is heel kort en krachtig. Betekent dit dan ook dat deze docenten kunnen worden ontslagen?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het betekent dat zo'n leraar wordt aangesproken op school en dat hem scholing wordt aangeboden. Stel dat een maatschappijleraar ook geschiedenis geeft. De heer Rog gaf een voorbeeld waarbij de situatie net andersom was. Hij had het over een geschiedenisleraar die ook maatschappijleraar geeft. Ik zou zeggen: we zien dat je daar plezier in hebt, maar we willen wel dat je daar een bevoegdheid voor haalt. Daar moet zo snel mogelijk een programma voor worden gemaakt. Als die leraar zijn bevoegdheid niet haalt, moet er een echte maatschappijleraar voor de klas worden gezet.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Is de heer Van Dijk het met mij eens dat er op dit moment kinderen tussen wal en schip vallen als het gaat om passend onderwijs? De doorlooptijden zijn lang, de indicatiestelling is ontzettend complex, en kinderen en hun ouders worden in de steek gelaten. Afgelopen jaar hebben hierdoor zelfs 2.500 kinderen vier weken lang thuis gezeten. Heb ik nu echt begrepen dat de heer Van Dijk desondanks het passend onderwijs een jaar lang wil uitstellen?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Leuk voorbereid, deze interruptie. Hier zien we een fout die de Partij van de Arbeid vaak maakt: ze gaat uit van de papieren werkelijkheid en niet van de praktijk op school. Ik zeg namelijk tegen mevrouw Ypma dat ze naar Brandpunt moet kijken, dat ze de onderzoeken moet lezen, dat ze de mails en brieven moet lezen van de ouders, de leraren en de kinderen die heel bezorgd zijn over de situatie die eraan komt of die er nu al is. Kinderen kunnen niet meer naar het speciaal onderwijs, simpelweg omdat het budget dat niet toelaat binnen de samenwerkingsverbanden. Ik ben er erg op tegen dat kinderen lang thuiszitten. Dat is vanzelfsprekend en dat weet mevrouw Ypma ook. Dus moeten we zorgen voor genoeg plekken in het regulier onderwijs, maar ook in het speciaal onderwijs. Het laatste wordt echter afgeknepen, mede onder verantwoordelijkheid van de partij van mevrouw Ypma.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Dit geeft wat verheldering, maar ik hoop toch dat de heer Van Dijk niet meedoet aan de indianenverhalen dat het speciaal onderwijs helemaal zou ophouden te bestaan. Er blijven 70.000 plekken bestaan. Natuurlijk moeten kinderen daar terechtkomen. Ik hoop ook dat de heer Van Dijk het met de Partij van de Arbeid eens is dat er echt een verbetering moet komen voor de kinderen en hun ouders, die nu zelf op zoek moeten gaan naar een school. Er komt straks een zorgplicht, waardoor scholen een plek moeten bieden aan kinderen. Dat is toch een verbetering, mijnheer Van Dijk?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Zeker. De zorgplicht is een verbetering, dat heb ik ook gezegd bij de wetsbehandeling. Past u echter op, mevrouw Ypma, dat u niet te veel uitgaat van een papieren werkelijkheid. Op papier ziet die zorgplicht er natuurlijk geweldig uit. Voor elk kind een passende plek. De term "passend onderwijs" is ook geweldig gekozen. Als het echter in de praktijk knellend onderwijs wordt, omdat er vanwege het afknijpen van het budget voor een kind geen geld meer is in het speciaal onderwijs en het kind dus noodgedwongen in een klas van 30 leerlingen wordt opgenomen, dan is het in de praktijk onwerkbaar. Dat is wat 60% van de schoolleiders zegt in het onderzoek van CNV, mevrouw Ypma. Daar moet u op reageren!

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dan heb ik nog een vraag over medezeggenschap voor leraren. Hoe staat het met de uitvoering van mijn motie van 27 mei, om de medezeggenschap op drie punten te versterken: rechtsbijstand, geschillen en de nietigheid van besluiten? Hoe staat het met het instemmingsrecht op de begroting? Vorig jaar hebben D66 en de SP daartoe een motie aangehouden. Inmiddels zijn we een jaar verder en het is nog niet geregeld.

Dan een ontwikkeling waar ik al naar verwees, namelijk de toetsgekte en de afrekencultuur in het onderwijs. Toetsen zijn een handig hulpmiddel, maar deze regering slaat helemaal door, met rekentoetsen, tussentoetsen, ranglijsten, protocollen en noem maar op, niet te vergeten de verplichte Cito-toets en rankings van scholen in de media. Welkom op het songfestival! School A: twelve points; school B: zero points. Helaas voor school B, die bakt er niets van, en iedereen mag het weten. Het gevolg is "teaching to the test", scholen die hun onderwijs afstemmen op de Cito-toets. Het gaat dus niet meer om goed onderwijs, maar om een hoge Cito-score of eigenlijk een hoge notering bij "Ranking the schools". Het ministerie heeft zelfs als doelstelling dat de Cito-eindscore met 2,5 punt moet stijgen. Daar is de Cito-toets helemaal niet voor bedoeld. Zijn de bewindslieden het met mij eens dat dit plan beter geschrapt kan worden?

Het gevolg: wantrouwen vanuit de top door angst voor imagoschade, en volgzame leraren. Bestuurders en managers komen met protocollen, leraren voeren mechanisch hun taken uit, elke creativiteit wordt doodgeslagen. Dit gaat natuurlijk niet de goede kant op. Daarom vraag ik de bewindslieden om te kijken naar de suggesties van de heren Kneyber en Evers in hun boek met de titel Het Alternatief. Zij zeggen: flip the system. Kijkt u naar het figuur op pagina 270 van het boek. Niet langer staan het ministerie, bestuurders en managers aan de top. We draaien het om. Het ministerie staat onderaan en leraren staan bovenaan. Power to the teacher. Dat geeft energie, dat levert creativiteit op. Graag hoor ik of de regering dit experiment wil aangaan, al is het maar op enkele scholen. In de Verenigde Staten werkt het goed. Kern van de boodschap is: stop met de afrekencultuur en geef leraren het gezag dat zij verdienen.

Er komt meer geld voor het hoger onderwijs, maar studenten profiteren daarvan weinig. Sterker nog, zij mogen fors bijdragen aan alle mooie plannen. In totaal 1,2 miljard euro wordt ingeboekt door afschaffing van de basisbeurs en het uitkleden van de ov-jaarkaart. De prijs is hoog, namelijk minder toegankelijkheid en hogere reiskosten. Er is wel een klein probleem met het draagvlak voor dit plan. Dat is er namelijk niet, niet bij studenten en niet in de Eerste Kamer. Is de minister het met mij eens als ik zeg dat je dan je conclusies moet trekken? Voorkom een herhaling van het drama met de langstudeerboete. Trek niet aan een dood paard. Stop met dat leenstelsel. Ik hoor graag een reactie.

Ik heb nog enkele vragen over een aantal belangrijke onderwerpen. Is de regering bereid om de maatschappelijke stage te behouden? Er is veel draagvlak voor en er is veel verbazing over het feit dat deze stage ineens wordt opgeheven. Dat komt neer op zwabberbeleid.

De ouderbijdrage is bedoeld voor extraatjes en mag geen drempel vormen voor ouders met minder geld. Helaas zijn er veel scholen die verzwijgen dat de ouderbijdrage vrijwillig is. Daarom zou het goed zijn om een maximum af te spreken. Ik hoor graag een reactie.

Is de regering bereid om niet alleen voor schoolboeken het lage btw-tarief te hanteren, maar ook voor digitale leermiddelen? Ik hoor graag een reactie.

Over het beroepsonderwijs zeg ik het volgende. Maak werk van kleine vakscholen. Zet managers voor de klas in plaats van in een kantoor. Grijp in bij roc's die leerlingen met autisme weigeren. Waar blijft, in het kader van de schaalvergroting, de lijst van scholen die "too big to fail" zijn?

Wat doet de minister tegen de genadezesjes, die laatst weer zijn uitgedeeld bij Hogeschool Zeeland? Wat doet zij ertegen dat studenten met een beperking al bij de intake worden geweigerd?

Ik roep op om het normale collegegeld voor een studie te rekenen en om af te zien van het experiment voor zogenaamde topopleidingen. Daarbij mag het dubbele collegegeld worden gevraagd, namelijk €4.000. Dat werpt een onwenselijke drempel op voor studenten met ouders met een lager inkomen.

De heer Duisenberg (VVD):

Voorzitter. In de eerste alinea van het regeerakkoord Bruggen slaan, schrijft de regering over een onverwoestbaar geloof in de toekomst en over een rotsvast vertrouwen in wat Nederlanders samen voor elkaar kunnen krijgen. We spreken vandaag over de onderwijsbegroting voor 2014, maar ongetwijfeld komen we vandaag ook te spreken over het Nationaal Onderwijsakkoord en het Herfstakkoord. De effecten hiervan komen nog bij deze begroting.

Ik wil beginnen met mijn waardering uit te spreken voor de bruggen die zijn geslagen tussen de partijen bij het Herfstakkoord, en tussen de partijen buiten de Kamer bij het Nationaal Onderwijsakkoord. Natuurlijk zijn er verschillen, maar zowel in het onderwijsveld als binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben we in het afgelopen jaar de samenwerking opgezocht. Ik ben ervan overtuigd dat de richting die we op willen met het onderwijs, ons ook in het nieuwe jaar weer zal verbinden.

In 2020 staat ons onderwijs aan de internationale top. We willen van goed naar geweldig, of van goed naar excellent. Deze ambitie is inmiddels breed uitgesproken en bekend, en dat is goed. Wat mij daarbij aanspreekt, is het beeld dat vaak wordt gebruikt van een hoogvlakte met daarin veel pieken. Hoe krijgen we die hoogvlakte als geheel nog hoger, en daarbovenop pieken die tot de top van de wereld behoren? Er wordt vaak gerefereerd aan good degrade. Mijn collega Straus haalde dat vorig jaar al aan bij de begrotingsbehandeling. Eigenlijk is het heel simpel, volgens de stappen van Jim Collins: eerst wie, dan wat, begin met de mensen, confronteer ze met de harde feiten, een cultuur van discipline en gebruik de technologie. Hé, kan dat ook in het onderwijs? Ja, dat kan.

De VVD wil haar inbreng doen langs vier lijnen. Ik zal er twee behandelen, te weten goed opgeleide en vakkundige leraren en een doelmatige inzet van onderwijsgeld naar onderwijs. Collega Straus behandelt hierna hoe we leerlingen motiveren om het beste uit zichzelf te halen, en ten slotte de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

De leraar staat centraal. Precies een jaar geleden heb ik hier in mijn maidenspeech vier van mijn leraren bedankt voor hun inspiratie en voor wat ik van hen heb geleerd. Ze zaten toen op de tribune. Er zijn veel bevlogen en goede docenten. Maar de inspectie stelt ook vast dat op dit moment een op de vijf leraren niet aan een van de basisvaardigheden voldoet, en dat in het voortgezet onderwijs 25% van de lessen wordt gegeven door onbevoegde leraren. Ouders waarderen leraren in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs slechts met een magere voldoende, zo blijkt uit Trends in beeld, het boekje dat wordt uitgegeven door het ministerie. De VVD wil dat we van gemiddeld een zes naar gemiddeld een acht gaan. Daarvoor moeten we niet alleen de onderkant adresseren, al wil ik het belang daarvan hier nogmaals onderstrepen, want het is natuurlijk onacceptabel dat een op de vijf van het belangrijkste menselijke kapitaal niet voldoet. Het gaat de VVD erom, het niveau over de hele linie omhoog te trekken en bovenop die hoogvlakte ruimte te geven aan pieken van kwaliteit en bevlogenheid.

In de afgelopen jaren zijn daartoe verschillende stappen in de goede richting genomen. Dat is vermeld in het Nationaal Onderwijsakkoord en de Lerarenagenda. Soms is het concreet, maar vaak nog te vrijblijvend. Concreet is bijvoorbeeld: iedereen geregistreerd in het lerarenregister en geen onbevoegden voor de klas vanaf 2017. Maar veelal zijn de voornemens te vrijblijvend. We roepen scholen op, we roepen pabo's op, we zullen inzetten op vergroting van, in 2020 willen we meer masteropgeleide leraren in het onderwijs, vooral als het gaat om universitair masteropgeleide leraren, kun je lezen in het Nationaal Onderwijsakkoord en de Lerarenagenda. Maar hoeveel meer is dat dan? 1, 2, 100, 200, 1.000, 10.000? Ik weet het niet. Dat hebben we in het verleden ook vaak gezien. Veel mooie voornemens, maar uiteindelijk zien we dat het Nederlandse onderwijs er in de laatste twintig jaar weinig mee vooruit is gegaan. Om te zorgen dat we echt vooruitgaan, kan de ambitie niet hoog en niet concreet genoeg zijn. Zonder heldere doelen ben ik bang voor wat de grote managementfilosoof Johan Cruijff ooit noemde: veel beweging, maar weinig goals. Ook de Amerikaanse president John F. Kennedy zou het roerend met Cruijff eens zijn geweest. Hij zei in 1963: education is the keystone in the arts of freedom and progress. Maar Kennedy zette ook heldere doelen. Want in een andere context zei hij in 1961: I believe that this nation should commit itself to achieving the goal before this decade is out of landing a man on the moon and returning him safely to the earth. En ziedaar: acht jaar later, voor het decennium om was, op 20 juli 1969, zette Neil Armstrong zijn voet op de maan.

Dit moeten we ook doen: gewoon heldere doelen stellen. Dus: "in 2020, voor het decennium om is, hebben wij ..." De VVD wil graag ambitieuze, maar realistische vlaggen plaatsen. Laat ik als voorbeeld een eerste vlag plaatsen. Wij willen in 2020, dus voor het eind van dit decennium, dat voor de bovenbouw van het vwo alle leraren een universitaire, academische opleiding hebben. Het betreft hier de bovenbouw van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. De leraren zouden dan ook wetenschappelijk opgeleid moeten zijn, zodat leerlingen maximale ervaring opdoen met een wetenschappelijke benadering van onderwijs en les krijgen van leraren die weten wat wetenschappelijk onderwijs inhoudt. Daarnaast kunnen leerlingen beter worden opgeleid in een kritische en onderzoekende houding, vaardigheden die van belang zijn voor de 21ste eeuw.

Wat betekent dit concreet? Er zijn ongeveer 7.000 leraren in de bovenbouw van het vwo. Van hen is 60% academisch geschoold; 40% dus niet. Als we de 100% willen halen, is dat een stijging van ongeveer 3.000 leraren. Er is sprake van uitstroom, bijvoorbeeld omdat leraren met pensioen gaan tussen nu en 2020, maar er is ook een daling van het aantal leraren. Wellicht wordt het daarmee deels gecompenseerd. Het doel is dus om 100% van de leraren academisch geschoold te laten zijn in de bovenbouw van het vwo. Hun aantal zou daarvoor met zo'n 3.000 moeten stijgen.

Wat is daarvoor nodig? Ik zeg dit vragenderwijs omdat ik deze vragen uiteindelijk aan de staatssecretaris stel. Even de denkexercitie. Bij nieuwe vacatures kan worden afgesproken dat altijd een leraar met een universitaire opleiding wordt aangenomen. Vervolgens is nieuwe aanwas nodig uit de opleidingen. Hoe groot is die? Wat kan de lerarenbeurs doen voor het bijscholen van de bestaande leraren? Hoeveel is er nodig voor de nieuwe aanwas? We hebben het programma Eerst de Klas, een succesvol programma voor academici, voor nieuwe academische, jonge leraren. We gaan daarbij naar 160 studenten per jaar. Dat zijn er 800 over 5 jaar. Dan worden er onderwijstraineeships gepland, zoals te lezen valt in de brief inzake de impuls voor leraren van tekortvakken. In die brief staat het plan voor 1.500 nieuwe leraren over 5 jaar. Daarnaast is er nog een basis uit de lerarenopleidingen, die er nu al is in het wetenschappelijk onderwijs. Dat gaat om 850 leraren in 2012. Het kabinet wil dat aantal verdubbelen naar 1.600 extra tot 2017. Moeten de opleidingen aantrekkelijker worden voor academici? Misschien moeten ze iets korter worden? Moeten we daarbij iets doen aan de starre verwantschapstabellen? Je wordt nu bijvoorbeeld met een studie bouwkunde niet toegelaten om leraar wiskunde te worden. Moeten we meer postinitieel opleiden? Om hoeveel gaat dat dan? In de brief over de impuls voor tekortvakken staat dat er in 2016 een tekort van 2.200 leraren is in het voortgezet onderwijs. Maar met mijn voorbeelden kom ik toch al snel uit op zo'n 3.900 extra academici uit diverse trajecten. Ik plant een vlag: 100% academici in de bovenbouw van het vwo. Ik denk dat dit haalbaar is en denk dat we dit concrete doel gewoon moeten markeren. Ik vraag de staatssecretaris om een reactie daarop.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is een prachtig voorstel. De heer Duisenberg zegt dat we de ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar moeten keren. Mijn vraag aan hem is: hoeveel jaar heeft de VVD in de afgelopen twintig jaar in de regering gezeten?

De heer Duisenberg (VVD):

Ik weet dat niet zo uit m'n hoofd. De VVD heeft er zeker de afgelopen jaren wel voor gepleit om het niveau van leraren te verhogen. Ik denk dat zij een van de partijen is die daar het hardst voor heeft gepleit.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is ongeveer vijftien, zestien jaar. Dat is een fors aantal. Precies in die tijd — dat zei u zelf — is het niveau te veel naar beneden gegaan, vooral in de laatste jaren. Laat ik vooropstellen dat we het helemaal eens zijn dat het niveau van leraren omhoog moet. Ik steun dus uw pleidooi. De VVD zegt dat er in ieder geval voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs academisch opgeleide leraren moeten zijn, maar hoe zit het dan met die 3 vwo-leerling? Waarom moet hij geen academisch opgeleide leraar hebben?

De heer Duisenberg (VVD):

Ik begrijp uw vraag. We willen dat het niveau van de leraar over de hele linie omhooggaat. Dat kun je bereiken door te zeggen dat je meer bevoegden voor de klas wilt, maar ook door voor de bovenbouw alleen academische leraren neer te zetten. Waarom doen we het niet voor die 3 vwo-leerling of niet voor het hele vwo? Ik wil ambitieuze doelen stellen, maar ik wil ook dat die realistisch zijn. Ik heb geprobeerd aan te geven met alle initiatieven die lopen, dat het haalbaar moet zijn. Ik wil dat het ambitieus en realistisch is. Daarom vind ik de bovenbouw van het vwo, dus de klassen 4, 5 en 6, zeker als start een ambitieus en realistisch doel

De voorzitter:

De heer Van Dijk, tot slot.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik steun de intentie. De uitwerking moeten we nog even zien. Vandaar mijn vraag hoe de heer Duisenberg dit precies gaat realiseren. Komt hij met een motie of met een plan?

De heer Duisenberg (VVD):

Ik heb een reactie van de staatssecretaris gevraagd. Mogelijkerwijs wil ik dit met een motie bekrachtigen.

De heer Bisschop (SGP):

De heer Duisenberg houdt een gloedvol pleidooi over het vergroten van de kwaliteit, maar ook op dit punt wil ik de vraag stellen of dit de goede weg is. Heeft de heer Duisenberg zich gerealiseerd dat dit betekent dat de eerstegraads hbo-opleidingen gaan verdwijnen? Op dit moment is immers een eerstegraadsbevoegdheid nodig om les te kunnen geven in de bovenbouw, maar de heer Duisenberg zegt dat dit niet toereikend is en dat een academisch niveau vereist zou moeten zijn. Dat betekent dus het eind voor de hbo-eerstegraders, want alleen academici mogen dan nog lesgeven in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

De heer Duisenberg (VVD):

Het gaat mij er vooral om dat wij over de hele linie het niveau willen verhogen. Dit is de vlag die ik plant voor de bovenbouw van het vwo, maar ik vind dat wij het niveau over de hele linie moeten verhogen. Ik heb dit als voorbeeld genomen, maar ik vind dit wel een belangrijk voorbeeld. Ik vraag de staatssecretaris om daarop te reageren. Het liefst heb ik dat de staatssecretaris met de sector gaat uitwerken wat de consequenties daarvan zijn. Ook de consequenties voor de eerstegraadslerarenopleiding op hbo-niveau zullen daarbij moeten worden meegenomen. Dit betekent volgens mij overigens niet dat die opleidingen gaan verdwijnen, want het zijn nog steeds uitstekende opleidingen waarmee je ook in andere klassen les kunt geven.

De heer Bisschop (SGP):

Ja, maar de noodzaak om die opleiding te volgen, verdwijnt. Je volgt dan een hbo-tweedegraadsopleiding, zodat je in de onderbouw les kunt geven; of je volgt een academische eerstegraadsopleiding, zodat je in de bovenbouw les kunt geven. Er is dus geen behoefte meer aan de hbo-eerstegraadsopleiding. Ik vraag mij af of dat noodzakelijk is en of hier niet twee dingen door elkaar gaan lopen: het pleidooi dat wij erop moeten toezien en ernaar moeten streven dat de bevoegdheid van docenten op orde is, is iets anders dan het streven om het niveau van alle docenten op alle niveaus omhoog te krikken. Dan zou je dus eerstegrader moeten zijn om in de onderbouw les te kunnen geven. Als we dat willen, moeten we dat zeggen, maar dat is iets heel anders dan binnen de huidige context pleiten voor het behalen van de vereiste bevoegdheid. We moeten erop letten dat deze twee discussies niet door elkaar gaan lopen, want dan wordt het eigenlijk een vertroebeld geheel, soep en vla op één bord. Dat is geen smakelijk diner.

De heer Duisenberg (VVD):

Ik moet inderdaad niet denken aan soep en vla op één bord, want dat lijkt mij vreselijk. Misschien hangt dat nog af van de vraag welke vla het is, maar dat is een ander verhaal. Ik begin achteraan, namelijk bij het belang van de leerlingen en het niveau dat wij willen behalen. De consequentie daarvan moeten we daarna gaan uitwerken. Ik heb al gezegd dat ik niet denk dat die opleidingen gaan verdwijnen. Ik denk dat wij vooral moeten focussen op wat wel kan, op de bestaande mogelijkheden en op het niveau dat we willen halen. Vandaar dit voorstel, maar ik begin dus achteraan, bij het belang van de leerlingen, die uiteindelijk door moeten naar het wetenschappelijk onderwijs.

De voorzitter:

De heer Bisschop, tot slot en kort.

De heer Bisschop (SGP):

Ik snap dat, maar ik denk dat het in dit stadium verstandig is om de focus te richten op ervoor zorgen dat de docenten daadwerkelijk hun bevoegdheid hebben. Misschien is het een illusie om te streven naar 100%, maar het streven is erop gericht om het percentage te verhogen. Daarna volgt dan de discussie of het niveau überhaupt over de hele linie moet worden verhoogd, maar dat is volgens mij volgtijdelijk.

De heer Duisenberg (VVD):

Ik zet het niet voor niets op 2020. Ik zie dit ook als stappen op weg naar een doel. 2020 is naar mijn mening echter dichtbij genoeg om vandaag over dit concrete doel te spreken, om vandaag te zeggen: dit zou de ambitie moeten zijn en hier zouden wij naartoe willen. Dit laat onverlet dat wij ook die ambitie hebben voor die bevoegdheid. Daar hebben wij 2017 bij gezet. Ik wil het vandaag graag over beide hebben.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik heb waardering voor het feit dat de heer Duisenberg John F. Kennedy aanhaalt, want deze oud-president kan naar mijn mening niet vaak genoeg worden aangehaald. De heer Duisenberg maakt echter wel een klassieke fout. Wat Kennedy begin jaren zestig zei, namelijk dat wij binnen tien jaar een man op de maan zouden zetten, was een realistische ambitie. Dat was eigenlijk een ambitie die niemand voor mogelijk hield begin jaren zestig. Dat was de kracht van die belofte en daarom is de belofte van de heer Duisenberg over wat wij voor elkaar zullen krijgen in 2020 — "puntje, puntje, puntje" vult hij in als: academici in de bovenbouw van het vwo — te bescheiden.

De heer Duisenberg (VVD):

Ik gaf het als voorbeeld.

De heer Klaver (GroenLinks):

Mijn vraag is: wat gaan wij eraan doen om ervoor te zorgen dat de kinderen op het vmbo ook de allerbeste docenten krijgen, want de uitdagingen die daar liggen zijn misschien nog wel groter dan in de bovenbouw van het vmbo?

De heer Duisenberg (VVD):

Ik heb gezegd dat dit een voorbeeld is van een stap die ik wil zeten. Het is niet zo dat dit mijn grote en enige ambitie is. Ik vind dat wij meer van dit soort vlaggen moeten plaatsen, omdat dat iets losmaakt net als Kennedy begin jaren zestig deed. Dat maakte iets los en mensen zeiden: wij gaan er gewoon voor. De muffe deken die nu over de sector ligt waardoor mensen zeggen "dit kan niet en dat kan niet", moeten wij van ons afwerpen. Wij moeten zeggen: hier gaan wij voor, wij plaatsen daar een aantal vlaggen voor en daarvoor gaan wij strijden. Wat Kennedy losmaakte, moeten wij nu hier in Nederland losmaken.

De heer Klaver (GroenLinks):

Daar ben ik het mee eens, maar laat mij dan een bescheiden vlaggetje planten. Ik vind dat kinderen in het vmbo de allerbeste docenten verdienen. Juist in dit type onderwijs zitten kinderen met grote problemen, maar ook vaak met veel talenten. Staat de heer Duisenberg aan mijn zijde als ik vandaag en morgen in dit debat probeer ervoor te zorgen dat de beste docenten ook in het vmbo worden ingezet opdat die kinderen de beste kansen van de wereld krijgen?

De heer Duisenberg (VVD):

Ik zie de woordvoerder vmbo van de VVD-fractie heftig ja knikken. De heer Klaver vindt ons dus aan zijn zijde. Nogmaals, het gaat mij erom dat wij die vlaggen planten. Met alle waardering die ik overigens heb voor het Onderwijsakkoord, voor wat de bewindslieden en het veld hebben bereikt, vind ik het nog te veel een uiting van: wij gaan ons best doen en wij gaan een kant op. Ik gaf het voorbeeld van de stelling dat wij meer masteropgeleide leraren willen, zonder dat wordt gezegd of dat er één, vijf, duizend of tienduizend moeten zijn. Ik meen dat wij moeten zeggen: wij gaan een kant op en in 2020 gaan wij hiernaartoe, daaraan gaan wij met elkaar werken. Ik denk dat dit werkt, een doel stellen en daar heel gericht naartoe werken. Ik heb al gezegd dat wij meegaan in het vmbo.

De voorzitter:

Mijnheer Van Meenen, ook kort graag.

De heer Van Meenen (D66):

Zeker, voorzitter, u kent mij.

Voordat wij hier een soort vlaggetjesdag gaan vieren, wil ik het met de heer Duisenberg hebben over de betekenis van een vlag. Wij planten hier geen vlaggen, wij maken hier wetten of niet. Dus het is van tweeën één. De heer Duisenberg kan wel een vlag planten, maar wat betekent dat dan feitelijk voor het onderwijs? Dus of hij zegt: er staat werkelijk geen docent zonder universitaire masteropleiding voor de klas in de bovenbouw van het vwo en dat leggen wij vast, of hij zegt: wij laten het over aan iedereen die die vlag wel of niet wil zien. Welke van de twee wordt het vandaag?

De heer Duisenberg (VVD):

Ik denk niet dat er een keuze moet worden gemaakt. Het zal eraf hangen wie aan zet is. Ik vind het belangrijk dat wij ambities hebben waarop wij ons heel serieus richten. Wij moeten daarop niet te veel toegeven en niet zeggen dat het wel een tandje minder kan of anders, want dan verschuift dat weer en krijg je een sfeer van pappen en nat houden. Voor een deel zullen die vlaggen hier worden geplant, omdat het binnen de bevoegdheden van de bewindspersonen en de Kamer ligt om daarover wetten af te spreken. Voor een deel zullen die vlaggen worden geplant in het onderwijsveld zelf. Mijn antwoord aan de heer Van Meenen is dus: zowel hier als buiten.

De heer Van Meenen (D66):

De heer Duisenberg begon zijn betoog met de opmerking dat we te veel bezig zijn met slechts dingen te zeggen en het onderwijs op te roepen tot dit en dat. Dat is naar mijn mening precies wat hij met deze vlag doet. Wij planten hier via wetten de vlaggen die daadwerkelijk iets uitmaken, al kun je natuurlijk niet met wetten de werkelijkheid maken. Maar wat de heer Duisenberg hiermee doet, is eigenlijk opnieuw zo'n vlag planten en het veld oproepen om iets daarmee te gaan doen. Straks gaan we het hele veld weer volplanten met allerlei vlaggetjes. Daar heeft het veld geen behoefte aan; dat heeft behoefte aan duidelijkheid. Ik vraag de heer Duisenberg daarom om eens duidelijk te zijn. Ik begrijp van hem dat er helemaal geen wet komt, maar alleen een vlag.

De heer Duisenberg (VVD):

Nee, in dit geval gaat het om de vraag wat er nodig is om dit doel te bereiken. Daarvoor ligt de bal nu eerst in de Kamer. Het begint ermee dat we tussen de oren hebben wat we concreet willen bereiken. Vervolgens ga je bekijken wat daarvoor nodig is. Ik wil weg van alleen maar oproepen doen en hopen dat het goed komt.

De heer Rog (CDA):

Ik heb veel waardering voor de ambitie van de heer Duisenberg van de VVD om het niveau van de leraren omhoog te brengen. Het onderwijs is immers zo goed als de leraar voor de klas, dus dat niveau moet omhoog. Ik vraag hem echter waarom zijn ambitie start met het vwo, waar over het algemeen les wordt gegeven door eerstegraadsbevoegde leraren, dus leraren die dat beetje extra al hebben. Slechts een fractie van de eerstegraadsleraren heeft al een academische opleiding. Is het dan niet verstandiger om in de breedte van het voortgezet onderwijs te beginnen, dus leraren die tweedegraadsbevoegd zijn verder op te leiden tot een eerstegraadsbevoegdheid, in plaats van hbo-masters op te leiden tot academische masters?

De heer Duisenberg (VVD):

Nogmaals, ik heb een voorbeeld gekozen, iets waar ik een specifiek "doel" op zou willen zetten. Ik wilde dat andere woord even vermijden, want de heer Van Meenen ziet overal vlaggen. Het zou best kunnen dat er een pad is dat langs de mastertitel naar een wetenschappelijke titel gaat. Er is overigens al het doel om meer leraren met een master voor de klas te krijgen. Dat doel ligt dichterbij. Als je dit uitwerkt en je het doel stelt om in 2020 academische graden in de bovenbouw van het vwo te hebben, kun je die zaken gewoon volgtijdelijk inplannen.

De heer Rog (CDA):

Mijn vraag was anders. Wij willen iets concreets: een helder stappenplan. Ik deel dat. Maar waar begin je dan? Begin je bij tweedegraadsbevoegde leraren die je opleidt tot een eerstegraadsbevoegdheid, een hbo- of academische master? Of begin je met het opleiden van al die hbo masters tot academische masters? De keuze die u voorstelt, lijkt mij persoonlijk onverstandig, terwijl ik de ambitie van het opkrikken van het niveau met u deel.

De heer Duisenberg (VVD):

Ik vraag de staatssecretaris om dit uit te werken. Als u mij vraagt waar je zou moeten beginnen, denk ik dat mijn uitgangspunt is dat ik in de bovenbouw van het vwo, dus het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, wetenschappelijk opgeleide leraren wil hebben. Dat betekent dat ik een leraar die nu een tweedegraadsbevoegdheid heeft en die les wil geven in de bovenbouw van het vwo, van harte zou adviseren om een wetenschappelijke vervolgopleiding te doen, via bijscholing, een lerarenbeurs en dergelijke.

De heer Rog (CDA):

Een heel korte vervolgvraag. Eerder heeft het CDA een motie ingediend met het verzoek aan de regering om met een tijdpad te komen om te realiseren dat alle leraren een masteropleiding hebben. Als ik die motie opnieuw indien, kan zij dan wel rekenen op de steun van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie?

De heer Duisenberg (VVD):

Die heb ik toen niet gesteund. Ik vond dat er niet scherp genoeg werd geschoten op een heel specifiek doel in dit segment. We zijn het eens over het verhogen, maar ik wil specifiek voor dit niveau scherper schieten en hoger richten.

In het kader van het Nationaal Onderwijsakkoord is afgesproken dat 150 miljoen wordt vrijgemaakt om 3.000 jonge leraren in dienst te houden of extra in dienst te nemen. Ik denk dat dit een goed initiatief is. Ik vraag de staatssecretaris om te reageren op het volgende. Ik vind het een wrange constatering dat we aan de ene kant 150 miljoen besteden om jonge leraren in dienst te houden, terwijl aan de andere kant het lifo-principe, last in, first out, nog steeds wordt gehanteerd binnen scholen als er wordt gereorganiseerd. Ik vind dat met elkaar in tegenspraak. Ik vraag de staatssecretaris of een afspraak hierover is gekoppeld aan die 150 miljoen.

Het wordt tijd dat scholen met hun arbeidsmarktbeleid de 21ste eeuw in schuiven. Wat de VVD betreft geldt hetzelfde voor het functie- en beloningshuis. In het functiehuis van leraren is het systeem van beloning nog altijd in hoge mate gebaseerd op anciënniteit, in plaats van kwaliteit. Twee leraren, van wie de een goed presteert en de ander niet, verdienen hetzelfde. Dat klopt gewoon niet. De VVD is voor meer differentiatie, want ook dat hoort bij een professionele werkomgeving. De pilot die in Amsterdam is aangekondigd met juniors en seniors, die in de Lerarenagenda staat, juicht de VVD van harte toe. Ik vraag de staatssecretaris welke bredere gedachten er zijn over meer differentiatie aanbrengen in het functiehuis.

Mijn tweede onderwerp is het besteden van onderwijsgeld aan onderwijs. We willen allemaal waar voor ons belastinggeld. We besteden per jaar zo'n 30 miljard aan onderwijs. Zaak is om in de eerste plaats te bekijken hoe we ons geld beter kunnen inzetten. Als mederapporteur bij het jaarverslag en de begroting heb ik aangegeven dat de inzet van middelen en de resultaten kort gevolgd moeten worden en moeten kunnen worden. Ook voor de inzet van de structurele middelen uit het Herfstakkoord willen we dit kunnen. De VVD wil kunnen vaststellen of dit extra geld iets oplevert. Het is niet zomaar een rondje van de zaak. We investeren in kwaliteit. Hoe gaan we om met de vraag: krijg ik waar voor mijn geld? Volgens mij is deze vraag terecht, vanuit de verantwoordelijkheid van de Kamer. Hiermee loop je echter ook aan tegen de vrijheid die instellingen of scholen hebben om het onderwijs vorm te geven en tegen de rapportageverplichtingen die je mogelijkerwijs kunt krijgen. Die willen we namelijk laag houden. Graag een reactie van de bewindspersonen op de vraag hoe zij om willen gaan met dit dilemma, met enerzijds het verzoek en anderzijds de nadelen daarvan.

De VVD is tevreden met de ombuigingen en intensiveringen in deze begroting voor 2014. We zien ook uit naar de maatregelen die er volgens ons voor zullen zorgen dat onderwijsgeld op de lange termijn effectiever zal worden ingezet, zoals het sociaal leenstelsel en de alternatieve, maar goedkopere ov-studentenkaart.

Op een andere manier aan doelmatigheid werken kan ook door de methodiek van bekostiging te evalueren en meer vraaggestuurd te maken en door meer concurrentie aan te moedigen tussen aanbieders. Vooral voor de ontwikkeling van het leven lang leren kan dit een belangrijke accelerator zijn. Kan de minister de stand van zaken toelichten van het experiment open bestel en het gebruik van onderwijsvouchers in het deeltijdonderwijs?

De regering heeft in het regeerakkoord aangekondigd dat het meer publieke competitie wil. Instellingen moeten over hun prestaties en ingezette middelen rapporteren. De VVD juicht dit toe. Wat is de stand van zaken? Ik lees in een onderzoek van de AOb dat slechts 32% van de scholen zijn jaarverslag op het internet zet. 30% weigert dit zelfs na aanvraag te verstrekken. Volgens mij hebben we nog een lange tijd te gaan op het gebied van transparantie. Welke doelen zal het kabinet stellen ten aanzien van transparantie? Voor het beste onderwijs in 2020 heb ik gesproken over de leraar, professionaliteit, cultuur, meer concrete doelen stellen en hoe we onderwijsgeld naar onderwijs brengen. Of het nou Collins, McKinsey of Veerman is, iedereen wil van goed naar geweldig. Iedereen wil die hoogvlakte die ons onderwijs is, nog hoger maken en daarop duizenden pieken van individuele talenten en kansen zetten. Ik heb een onverwoestbaar geloof in deze toekomst en een rotsvast vertrouwen dat we dit samen voor elkaar gaan krijgen.

Mijn collega Straus zal nu de andere twee invalshoeken voor haar rekening nemen, te weten de leerlingen en de aansluiting met de arbeidsmarkt.

De heer Beertema (PVV):

Ik heb nog een korte vraag aan de heer Duisenberg. Heeft hij ook een rotsvast geloof in het lerarenregister? Dat register kan natuurlijk een heel belangrijke rol spelen bij de verdere professionalisering van de leraar en de verhoging van het niveau van het beroep et cetera. Er is nogal wat geharrewar over wie nou uiteindelijk de regie moet hebben over dat lerarenregister. Moet dat de beroepsgroep zelf zijn of moeten dat de werkgeversorganisaties zijn?

De heer Duisenberg (VVD):

Ik heb er wel vragen over die ik ook aan de orde zal stellen bij het algemeen overleg over de Lerarenagenda. Mijn antwoord nu op uw vraag is dat de regie uiteindelijk bij de beroepsgroep én de werkgevers moet liggen. Ik denk dat het iets van de sector moet zijn. Ik heb in een eerdere discussie gezegd dat ik niet begrijp waarom we er zo krampachtig mee omgaan in de zin dat het de een of de ander zou moeten zijn. Het leidt bijvoorbeeld tot dubbele lijstjes, want de een beoordeelt op dit en de ander wil zich ontwikkelen op dat, terwijl je het volgens mij op één manier moet doen.

Een ander ding dat ik niet begrijp, is dat wanneer je overlegt met de beroepsgroep, je dan opeens ook tegen allemaal gezichten van de vakbonden aankijkt. Dan vraag ik me af wat we dan met dat lerarenregister eigenlijk aan het doen zijn. Het gaat volgens mij om de beroepsgroep, om de bevlogen leraar, en die had ik graag toen tegenover mij willen zien en niet allerlei mensen van alle vakbonden in Nederland.

De heer Beertema (PVV):

De vraag is natuurlijk wie het meest schadelijk zijn geweest voor de kwaliteit van het onderwijs: de vakbonden of de werkgevers. Ik neig er nog steeds naar om te zeggen dat het de werkgevers, de sectorraden enz. zijn geweest. U twijfelt. U kiest voor een onduidelijke oplossing. U zegt dat ze het samen beheren. In ieder geval geef ik u morgen dat boekje van Martin Sommer met als titel Onder onderwijzers, en dan bent u het ongetwijfeld met mij eens dat het echt een autonome organisatie moet worden, los van de werkgevers. Over de rol van de vakbonden komen we dan nog wel te spreken.

De heer Duisenberg (VVD):

Ik kreeg inderdaad dat boekje nog van u.

De voorzitter:

Dat staat bij dezen nu ook in de Handelingen.

De heer Duisenberg (VVD):

Inderdaad, dus dat staat genoteerd. Ik kom ook uit organisaties van buiten het onderwijs. Met die blik van buiten begrijp ik niet de krampachtige discussie over werkgevers versus beroepsgroep. Dus ik denk het op een heel andere manier mogelijk is om samen te werken aan die kwaliteit. Vooral moet daarbij de gedrevenheid, dat vuur naar voren komen.

De heer Beertema (PVV):

U gaat versteld staan!

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Als kersverse woordvoerder Onderwijs voor de VVD heb ik tijdens de begrotingsbehandeling van vorig jaar een belangrijk schrijver over leiderschap en excellentie, Jim Collins, centraal gesteld. Collega Duisenberg refereerde er al aan. Ook dit jaar wil ik u meenemen in het gedachtegoed van Collins, juist omdat het naar mijn mening zo goed past in onze ambitie. Collins schreef in 2001 zijn boek "Good to great", waarin hij op zoek ging naar de succesfactoren van buitengewoon presterende organisaties. In deze organisaties zijn het de mensen die het verschil maken. Mensen die zich met overtuiging en professionaliteit ten dienste stellen van het geheel, met een gemeenschappelijk doel: vanuit je passie de allerbeste willen zijn. Dat is in het kort waar "Good to great" over gaat. Het afgelopen jaar ben ik heel veel mensen tegengekomen die graag zien dat het pad from good to great ook voor het onderwijs wordt bewandeld. Voor hen wil ik vandaag mijn pleidooi houden. Voor mensen zoals Hetty, die elke keer opnieuw erin slaagt om een school die door anderen is opgegeven, uit de modder te trekken. Voor Erik, die vastberaden is om de kans die hij vroeger heeft gekregen om te ervaren wat uitdagend onderwijs doet met je zelfvertrouwen, ook aan zijn leerlingen te bieden. Voor Martin, die als onderwijsman het vak van leraar het mooiste beroep van de wereld vindt en die zich hiervoor, ook al werkt hij nu in de ICT, met ziel en zaligheid blijft inzetten. Voor Jaap, die zijn topbaan on hold heeft gezet om zich er volledig op te richten om van scholen echt lerende organisaties te maken. Voor Mark, die in zijn achterban in het bedrijfsleven de vraag stelt: wat kun jij voor het onderwijs betekenen? En voor Sjef, die gelooft in zijn vmbo-kids en die het lef heeft gehad om zijn hele school daarop in te richten.

Niet alleen voor hen en velen met hen sta ik hier vandaag, maar ook voor alle ouders die zich, net als ik, realiseren dat goed onderwijs onmisbaar is voor de toekomst van je kinderen. Collega Duisenberg heeft het al gezegd: de ambitie van de VVD richting 2020 kent vier hoofdlijnen. Twee daarvan heeft hij al naar voren gebracht. Aan mij de eer om namens de VVD de andere twee thema's voor het voetlicht te brengen: ervoor zorgen dat leerlingen worden gemotiveerd om het beste uit zichzelf te halen en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

Ieder kind het beste uit zichzelf laten halen is voor de VVD de kern van het onderwijs. Helaas slagen wij hier in Nederland maar ten dele in. Wij zijn wereldkampioen als het gaat om de prestaties van moeilijk lerende kinderen en dat moeten wij vooral zo houden. Onze hoogvliegers doen het echter veel minder goed dan hun leeftijdsgenoten in de landen om ons heen. Het is ronduit treurig te noemen dat slechts 25% van de jongeren het onderwijs uitdagend vindt. Daarom wordt het tijd om in te zetten op excellentie, op een inspirerende leeromgeving die kinderen meer uitdaagt. Dat geldt niet slechts voor hoogbegaafde kinderen of kinderen op het gymnasium, maar voor alle leerlingen: voor de uitvinder in de dop, het aanstormend talent timmerman en het kind met de talenknobbel.

In zijn toptalentenbrief legt de staatssecretaris er gelukkig de nadruk op dat je talenten tegenkomt op alle niveaus, dat het niet alleen om de bollebozen gaat, maar ook om degenen die iets extra's in hun mars hebben op het gebied van creativiteit, vaardigheden of vakmanschap. De VVD vindt het belangrijk, deze talenten niet alleen te herkennen, maar ook te waarderen. Ik vraag de staatssecretaris hoe wij dit gaan doen bij leerlingen van het basisonderwijs. Ik zie scholen die op dit gebied al goede ideeën hebben. In de vorige periode heeft de VVD er mede voor gezorgd dat in de onderwijswetgeving een ruime experimenteeromgeving is opgenomen. Is er voldoende ruimte voor deze scholen om hiermee aan de slag te gaan?

De VVD vraagt de staatssecretaris om in het plan van aanpak niet alleen te komen met inputmaatregelen, maar ook met concrete doelstellingen. Collega Duisenberg refereerde er al aan. Een van de huidige doelstellingen is om de 20% beste leerlingen op het vwo verder te verbeteren. Wij zouden graag zien dat er ook een 20%-doelstelling komt voor de beste leerlingen van het vmbo en de havo. Wij hebben immers niet alleen knappe koppen nodig, maar ook gouden handjes.

De heer Van Meenen (D66):

Ik kom even terug op de experimenteerruimte. Dat is inderdaad een goed ding. Recentelijk was ik op een school in Roermond, Niekée. Mevrouw Straus kent die school ook. De conclusie daar was dat de experimenteerruimte niet voldoende was om echt te kunnen doen wat men wilde doen, namelijk elke vmbo-leerling een eigen leertraject aanbieden. Is mevrouw Straus, net als ik, van mening dat wij de experimenteerruimte verder zouden moeten uitbreiden in het belang van dit soort scholen en kinderen?

Mevrouw Straus (VVD):

Ja. Op het vmbo is dit inderdaad een van de scholen die mij voor ogen staat als ik deze vraag aan de staatssecretaris stel. Hebben scholen voldoende ruimte om het personaliseren van het leren tot volle bloei te laten komen? Dat is wat men op die school in Roermond met de vmbo-leerlingen wil doen. De mensen daar gaven aan dat het hun lukt binnen de huidige regels, maar dat het soms wel lastig is, dat zij graag verder willen gaan en dat zij daarvoor meer experimenteerruimte nodig hebben. Dat is precies de reden voor mijn vraag aan de staatssecretaris. Ook ik zou graag zien dat scholen juist wel uit de voeten kunnen met die experimenteerruimte.

De heer Van Meenen (D66):

Mag ik dan constateren dat mevrouw Straus dat weliswaar aan de staatssecretaris vraagt, maar wel met de intentie om die ruimte te vergroten?

Mevrouw Straus (VVD):

Ja, als blijkt dat de experimenteerruimte op dit vlak nu tekortschiet, dan moeten we bezien in hoeverre die ruimte verruimd kan worden, zodat dit soort voorbeelden daar ook onder zou kunnen vallen.

Ik vervolg mijn betoog. En of je nu een kind hebt dat of een knappe kop is of juist gouden handjes heeft, dat maakt eigenlijk niet uit. Als ouders goed geïnformeerd zijn, kunnen zij hun kind thuis ook veel beter helpen. Gelukkig zijn er steeds meer scholen die zich realiseren dat ouders een belangrijke schakel zijn voor de schoolprestaties van een kind. Daarbij is het belangrijk om al heel vroeg in te zetten op het betrekken van ouders bij de schoolloopbaan van hun kind en hen daarin als het ware te laten meegroeien. In groep 1 begeleiden ouders hun kinderen zelfs tot in de klas. Het contact met de leerkracht ontstaat spontaan en is meestal heel positief. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze positieve relatie wordt bestendigd, ook als het kind ouder wordt? Voor de VVD speelt een rol dat scholen oudertevredenheid belangrijk vinden en dat zij daar ook open over zijn. We willen de staatssecretaris dan ook vragen om zich ervoor in te spannen dat in de Vensters voor het po net als in de Vensters voor het vo de tevredenheid van ouders wordt opgenomen.

De VVD heeft in juli een expertbijeenkomst georganiseerd over ICT in het onderwijs. Het gebruik van ICT biedt het onderwijs veel kansen, niet alleen als leermiddel maar ook door de mogelijkheden van digitale content, dus inhoud, en doordat een docent op die manier veel beter kan inspelen op de leerbehoeften van individuele leerlingen. De scholen waar ook de heer Van Meenen aan refereerde, maken daar onder andere gebruik van. Wanneer mogen we van het kabinet de toegezegde notitie over ICT in het onderwijs verwachten? Wij willen vragen om in deze notitie concrete doelstellingen op te nemen over het verbeteren van het gebruik van ICT in het onderwijs.

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Straus wil een heleboel leraren de ruimte geven. Ik wil daar nog even op terugkomen. Ik heb ook een bericht gelezen van juf Erica, waarin staat dat kleuters geen kleuters meer mogen zijn. En juf Daniëlle droomt ervan om weer eens een leuke les voor te kunnen bereiden, in plaats van dat zij de hele dag bezig is met het administreren van de vorderingen van kleuters. Dan gaat het er bijvoorbeeld om welke kleuren kleuters kennen en of ze weten hoe ze een driehoek moeten tekenen. Vindt de VVD-fractie ook dat deze leraren de ruimte zouden moeten hebben en dat deze kinderen de ruimte zouden moeten krijgen om spelenderwijs te leren?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik heb ook de verhalen gelezen in het zwartboek Kleuters in de knel. Veel van die verhalen lijken mij enigszins spookverhalen te zijn. Eén verhaal sprak mij in het bijzonder aan. Het is het verhaal van een docente die van de ene naar de andere school was gegaan. Op die nieuwe school namen haar collega-leerkrachten de houding in van "het is zo afgesproken, we moeten met de methode werken, we moeten het doen van de inspectie en van Den Haag". Deze docente heeft daarop gezegd: het kleuteronderwijs hoeft niet op die manier ingericht te worden, het kan ook anders. Zij kwam immers van een school waar het anders kon. Ook op een andere manier kan worden voldaan aan de kerndoelen en aan de eisen van de inspectie. En dat is wat ik graag zie: dat er in het kleuteronderwijs een eigen invulling wordt gegeven aan de eisen. Als een school dat doet, kan hij toch voldoen aan de kerndoelen en aan de eisen van de inspectie.

De heer Rog (CDA):

Ik schrik echt enorm van de houding van de VVD. Mevrouw Straus zet de ernstige verhalen van kleuterjuffen weg als spookverhalen. De werkelijkheid is dat de inspectie toeziet op het naleven van allerlei Cito-toetsen en allerlei vereisten en daarmee geen rechtdoet aan de kennis van die kleuterjuffen over het helpen en sturen van die kinderen in hun ontwikkeling. Die kleuterjuffen willen weer de ruimte hebben om daar aandacht aan te kunnen besteden. Dat kan mevrouw Straus niet zomaar eventjes afdoen als een spookverhaal. Is de VVD bereid die ruimte te geven?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik probeerde te vertellen dat die ruimte er nu is, maar heel vaak niet zo wordt ervaren. Daarom is het belangrijk om je af te vragen waarom die ruimte niet wordt ervaren. Ik heb de inspectie en het ministerie gevraagd of het inderdaad verplicht is om één bepaalde toets te hebben en of die toets inderdaad in een bepaald tijdvak moet worden gehouden. Ik heb ook gevraagd of het waar is dat er geen ruimte meer is voor het onderwijzend personeel om daar zelf invulling aan te geven en dat er een kleutermethode gebruikt moet worden in de kleuterklassen. Hun antwoord op deze vragen is: nee.

De voorzitter:

De heer Rog, tot slot.

De heer Rog (CDA):

Mevrouw Straus moet misschien kennisnemen van het toetsingskader van de inspectie. Het is duidelijk dat er in de groepen 1 en 2 gebruikt moet worden gemaakt van genormeerde instrumenten voor het volgen van de ontwikkeling van de kinderen. De school voldoet aan deze indicator wanneer in de groepen 1 en 2 één keer in de kleuterperiode een landelijk gerenommeerde toets wordt ingezet voor het meten van de resultaten op het gebied van taal, rekenen en wiskunde. Dit slaat alle creativiteit voor die kleuterjuffen dood. Dit zorgt voor eenvormigheid van het onderwijs. Nu de VVD dit weet, vraag ik haar of zij bereid is op dit punt meer vrijheid toe te staan. Wij hebben in deze Kamer nooit wettelijk vastgelegd dat dit zou moeten.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik vind het heel realistisch dat je bij een kind een toets afneemt in de kleuterperiode en dat het hierbij gaat om een tijdvak van twee jaren, zelfs vaak langer dan twee jaren, opdat je weet hoe een kind ervoor staat. Maar dat is iets heel anders dan vervolgens zeggen dat dit een keurslijf is waarin je het onderwijs moet inrichten. In die zin begrijp ik niet precies welk beeld het CDA wil schetsen. Als scholen er inderdaad invulling aan geven op de manier waarop de meeste verhalen uit het zwartboek zijn vormgegeven, dan vind ik dat heel erg jammer. Ik denk namelijk dat het niet nodig is.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

We hebben het net over de kleutertoets gehad. Er komt ook een wetsvoorstel aan over tussentijds toetsen in het voortgezet onderwijs. Als de VVD minder bureaucratie en minder toetsen wil, zouden we dit voorstel vandaag kunnen intrekken.

Mevrouw Straus (VVD):

Toetsen hoort bij het onderwijs. Het is heel belangrijk voor een docent om op gezette tijden te bezien hoe zijn leerlingen ervoor staan. Ik zie niet in dat dit een probleem zou moeten zijn.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het is weer een extra stressmoment voor kinderen en een extra belasting voor de leraren. Die kinderen zitten nog maar in de tweede of de derde klas en vervolgens krijgen ze alweer een toets waar ze aan moeten voldoen en naartoe moeten werken. Het is een momentopname. Als de VVD wil dat de aandacht echt uitgaat naar het leren, het ondersteunen van kinderen en het lesgeven, zouden we dit soort momenten moeten uitstellen totdat het echt relevant is.

Mevrouw Straus (VVD):

Het gaat hier over een diagnostische toets, die bedoeld is om onderwijzend personeel te helpen om beter te kunnen bezien hoe een kind ervoor staat. Het is net zoals bij proefwerken en dergelijke. Het is wat mij betreft eenzelfde vorm van toetsing.

De voorzitter:

De heer Bisschop, kort graag.

De heer Bisschop (SGP):

De vraag is of dit via een afgedwongen, opgelegde of voorgeschreven tussentijdse diagnostische toets moet, maar dat terzijde. Mijn hart slaat een slag sneller als mevrouw Straus zegt dat het hierbij niet alleen gaat over de intellectueel begaafde kinderen, maar ook over de gouden handjes. Vervolgens sluit zich een kille hand om mijn hart als zij spreekt over kleutertoetsen en die verdedigt. Zou mevrouw Straus in haar benadering iets meer de pedagogiek kunnen inbrengen? Kinderen hebben in hun verschillende leeftijdsfasen verschillende benaderingswijzen nodig. Ik bespeur in het betoog van mevrouw Straus over de kwaliteit van het onderwijs te zeer de intellectualistische benadering. Ik wil weten of ik dat goed voel of dat ik niet goed luister.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik kan natuurlijk niet over het gevoel van de heer Bisschop oordelen. Ik bedoelde te zeggen dat die toets er is om te kijken hoe een kind ervoor staat. Dat heeft er ook mee te maken dat wij allemaal erkennen dat je, als je bij een kind een taalachterstand constateert, heel vroeg moet beginnen om te bezien of je dat nog kunt inlopen. Daarvoor heb je wel een instrument nodig, en dat is bijvoorbeeld die toets. Dat laat onverlet — ik zei dat ook in antwoord op de vraag van de heer Rog — dat ik het heel jammer zou vinden als het kleuteronderwijs zich enkel daarop zou richten. Ik denk namelijk dat de observerende kwaliteiten van de kleuterjuf heel erg cruciaal zijn in de kleuterperiode.

De heer Bisschop (SGP):

Is het niet gewoon zo dat zo'n kleuterjuf erop getraind is om juist door observeren constateringen te doen en te zien waar een kind extra begeleiding nodig heeft? Daar heb je toch helemaal geen voorgeschreven of intellectuele toets met kleurtjes en weet ik het allemaal voor nodig? Die vakvrouw voor de klas is toch juist heel goed in staat om zelf het instrument te bepalen waarmee zij het niveau kan vaststellen, zodat zij daar vervolgens ook actie op kan zetten? Daartoe hebben we die hele kleutertoets domweg niet nodig, net zo min als de tussentijdse diagnostische toets. Dat kunnen de vakmensen toch zelf bepalen?

Mevrouw Straus (VVD):

Misschien moet ik even teruggaan naar het begin, en dat is eigenlijk de discussie die we naar aanleiding van de commissie-Dijsselbloem met elkaar hebben gehad. Daarin hebben we heel duidelijk gezegd: wij gaan over het wat, en het onderwijs zelf gaat over het hoe. Wij hebben het hier over het wat. Wij hebben het hier over de vraag wat er uiteindelijk geleerd moet worden. Daarvoor heb je wel een meetinstrument nodig. Als je dat goed vaststelt, komt er juist heel veel ruimte voor het hoe. Dan komt er ruimte voor de pedagogische vaardigheden van de docent om daar zelf invulling aan te geven.

De voorzitter:

Tot slot de heer Bisschop, heel kort graag.

De heer Bisschop (SGP):

Zeer verhelderend, dit onderscheid. Het gaat bij het verplichten van het afnemen van een toets niet om het wat, maar om het hoe. Daarmee zegt mevrouw Straus dus eigenlijk dat dit bij het domein van de vakvrouw of vakman voor de klas behoort. Daar ben ik heel blij mee.

De voorzitter:

De heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Ik ga daar toch nog even over door.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter!

De voorzitter:

Was u eerst, mijnheer Beertema? Dat is prima. Dan moet u echt bij de microfoon blijven staan en niet gaan wandelen.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ik zal niet meer wandelen.

Ik wil aan mevrouw Straus iets voorleggen. Ik hoor hier nu dat er onder aanvoering van het CDA een beeld wordt geschetst van zwetende kleuters die onder enorme stress examen zitten te doen. Ik herken mij niet in dat beeld en volgens mij mevrouw Straus ook niet. Wat mij betreft is het inderdaad die professionele leidster die op een heel gemakkelijke, simpele manier via een tabelletje een aantekeningetje maakt. Dat zijn geen intellectualistische examens, toch? Het gaat er toch om, heel snel even te kijken hoe een kind ervoor staat? Is het dan niet handiger om woorden als "toets" en "test" te vervangen? Anders raken deze heren echt in de war.

Mevrouw Straus (VVD):

Als we deze discussie zouden kunnen oplossen met alleen maar het vervangen van het woord, dan ben ik daar zeker voor. Het gaat niet om een toets en een test en daarmee inderdaad zwetende kinderen aan een bureautje. Het gaat erom, te bekijken hoe een kind ervoor staat, en daar moeten we wel een meetinstrument voor hebben.

De heer Beertema (PVV):

Oké, dan ben ik het helemaal eens met mevrouw Straus. We moeten de heren hier een beetje geruststellen. Laat de heren ook eens gaan kijken hoe het er aan toegaat. Dan zijn al deze grote woorden helemaal niet nodig.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik heb het onlangs mogen ervaren. Mijn eigen zoon heeft deze test gedaan. Daar zitten echt geen zwetende kinderen in de klas. De juf weet heel goed hoe ze die toets wel of niet moet inzetten, hoe ze een en ander moet analyseren en hoe ze daarmee moet omgaan.

De voorzitter:

En dan nu de heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Ik kan een heel eind met mevrouw Straus meegaan, zolang zij het erover heeft dat we moeten vaststellen of het met een kind goed gaat of dat er een achterstand dreigt et cetera. Dan sluit zij echter elke keer af met de woorden: en daarom is er een meetinstrument nodig. Is dat dan niet eigenlijk weer een voorbeeld van gestold wantrouwen? Blijkbaar hebben we geen vertrouwen in de ogen van de docent en van de ouders, geen vertrouwen erin dat de professional en de ouder samen wel kunnen vaststellen of het zo is. Waartoe anders is het toetsinstrument er dan dat de inspectie kan vaststellen of het ook werkelijk gebeurd is?

Mevrouw Straus (VVD):

Het laatste dat de heer Van Meenen noemt, is natuurlijk het doel. We moeten kunnen nagaan of dit daadwerkelijk op een gestructureerde manier gebeurt. Ik zeg nogmaals dat het mij niet gaat om een toets, en zeker niet om dé toets. Dat zou ik echt niet goed vinden. Het gaat mij er echter wel om dat we ergens in het systeem een soort nulmeting kunnen doen. Dat is ook al belangrijk als we naar een systeem van leerwinst willen gaan. Over zo'n "nulmeting" moet je wel een aantal afspraken maken.

De heer Van Meenen (D66):

De docent is het toetsinstrument. Zijn ogen, haar oren zijn de toetsinstrumenten. Mevrouw Straus zegt dat inderdaad het doel is dat de inspectie vast kan stellen of dit daadwerkelijk gebeurt. Nee, het doel van het onderwijs is dat het goed gaat met kinderen en dat wordt voorkomen dat kinderen een achterstand oplopen. Dat is het doel! Het doel mag nooit zijn dat de inspectie kan vaststellen dat de docent werkelijk een toets heeft afgenomen. Ik vind dit heel erg jammer, want volgens mij zitten we heel dicht bij elkaar. Ik vraag daarom mevrouw Straus en de VVD-fractie om nog echt eens te zoeken naar de ruimte op dit punt.

Mevrouw Straus (VVD):

Die ruimte is er wat mij betreft. Ik weet niet precies waar de heer Van Meenen licht ziet tussen mijn antwoord en zijn stelling.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Deze discussie wordt al jaren gevoerd. De voorganger van mevrouw Straus, mevrouw Dezentjé, was een groot voorstander van een begintoets en een eindtoets. Dit is dus echt een VVD-punt. Ik wil daarom mevrouw Straus vragen om glashelder te zijn. Is zij voor of tegen een begintoets in het basisonderwijs zoals die hier, in het papier dat ik nu voor mij heb, door de inspectie verplicht is gesteld?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik ben voorstander van een meetpunt aan het begin van het basisonderwijs dat als startpunt kan dienen om met de leerwinst te gaan werken. Hoe dit vervolgens wordt uitgewerkt in het toetsingskader van de inspectie, is vers twee.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Waarom draait mevrouw Straus er zo omheen? Waarom zegt ze niet gewoon: ja, de VVD is voor een begintoets? Voor zo'n toets was de voorganger van mevrouw Straus ook altijd. Voor zo'n toets was de VVD altijd. Nu maakt mevrouw Straus er een "meetpunt" van. In het papier dat ik voor mij heb, staat dat de inspectie moet controleren dat in de kleuterperiode een landelijk genormeerde toets wordt ingezet. Is mevrouw Straus daar voor, of is ze daar tegen?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik ben er voor dat er in de kleuterperiode een meetpunt is op basis waarvan je kunt starten met het meten van leerwinst.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik moet dus vaststellen dat de VVD voor een begintoets is. Dat is precies waar talloze leraren en auteurs zo veel kritiek op hebben. Mevrouw Straus reduceert basisscholen daarmee tot toetsfabrieken. Kleuters worden voortdurend getoetst, en leerlingen daarna ook tot in groep 8 en daarna. Dat gebeurt terwijl wij weten dat het toetsen op jonge leeftijd enorm moeilijk is. Dat wil de VVD niet zien. Het toetsen van kinderen op zo'n jonge leeftijd is niet goed mogelijk, blijkt uit talloze wetenschappelijke onderzoeken!

Mevrouw Straus (VVD):

Ja. Precies daarom heb je de observerende kwaliteiten van de docent nodig. Die docent moet heel goed kunnen beoordelen op welk moment een kind eraan toe is om die meting te doen.

De voorzitter:

Mevrouw Straus gaat verder met haar betoog.

Mevrouw Straus (VVD):

Mijn tweede punt gaat over de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. Wist u dat de top tien van gevraagde banen in 2012, banen zijn die in 2004 nog niet bestonden? De banen van gisteren zijn totaal anders dan de banen van morgen. We leiden studenten dus op voor een baan die nu nog niet bestaat. Dit leidt ertoe dat scholen, nog meer dan voorheen, op deze veranderingen moeten inspelen. Bij de vorige begrotingsbehandeling is een motie van de VVD aangenomen waarin wordt opgeroepen om ook in het mbo prestatiebekostiging in te voeren, waarbij de aansluiting bij de arbeidsmarkt een van de indicatoren is. De minister zegt dat zij liever spreekt over kwaliteitsafspraken in plaats van over prestatieafspraken. Wij houden vast aan het woord "prestatieafspraken", want als ik het laatste ROA-rapport lees, vrees ik dat op dit punt in het mbo echt nog een prestatie geleverd moet worden. Het onderwijs wordt over de hele linie als meer uitdagend ervaren, behalve in het mbo. Voor de VVD moet het doel zijn dat de tevredenheid van studenten en het bedrijfsleven over het beroepsonderwijs stijgt. Die tevredenheid moet dus als een belangrijke maatstaf worden meegenomen in de uitwerking van deze afspraken per roc. Ik hoor graag een reactie van de minister hierop. Ik hoor ook graag hoe deze afspraken zich verhouden met de mbo-kennisakkoorden die in diverse sectoren zijn afgesloten.

In 2002 is door het kabinet opdracht gegeven om de kwalificatiestructuur van het mbo te moderniseren. Aan de wirwar van opleidingen in het mbo zou een einde komen. We zijn nu elf jaar verder, en de nieuwe kwalificatiedossiers zijn er bijna, maar nog steeds niet helemaal. En dan zijn ze er straks, maar zijn ze dan ook voldoende flexibel om op veranderingen in te spelen? Is er bijvoorbeeld voldoende ruimte om ook cross-sectorale opleidingen in te richten? Een medisch technoloog, een beroep dat enkele jaren geleden nog niet bestond, wordt nu eenmaal niet binnen zorg en welzijn opgeleid, maar veeleer binnen elektrotechniek.

Daarnaast zou de discussie over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt wat de VVD betreft ook niet moeten ophouden bij de landsgrenzen. In Zeeuws-Vlaanderen zijn studenten geografisch gezien nu al georiënteerd op Antwerpen en Gent. In Limburg zou men toch wel heel kortzichtig zijn als men zich niet zou realiseren dat de toptechnische mbo-instelling net over de grens in België ligt, en de toptechnische universiteit net over de grens in Duitsland. Het regionale bedrijfsleven realiseert zich dit in ieder geval wel. Zo heeft de RWTH Aachen University zich nu zelfs op de Chemelot-campus in Geleen gevestigd, tot grote tevredenheid van studenten en bedrijven. Hoe kijkt de minister aan tegen dit internationale aspect?

Maar ook in het po en vo is het internationale aspect niet meer weg te denken. De VVD wil aanvullend op de recente brief van de staatssecretaris aandacht vragen voor buurtaalonderwijs. De VVD vindt dit een mooi initiatief. Niet alleen omdat het een verrijking is om al vroeg met vreemde talen in aanraking te komen, maar juist ook omdat deze leerlingen bekend worden gemaakt met de taal van de buren, zodat het zoeken naar een stage of een baan over de grens later geen onnodige belemmeringen oplevert. In die zin draagt dit bij aan de verbetering tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Zeker voor kinderen die een beroepsopleiding gaan doen, is arbeidsmobiliteit toch vaak beperkt tot de eigen regio. Juist zij hebben de meeste baat bij het kennismaken met de taal van de buren. Graag wil de VVD de staatssecretaris vragen, het buurtaalonderwijs niet alleen in Zuid-Nederland, maar ook langs de oostgrens van ons land onder de aandacht te brengen. Kan hij zich inspannen om daar waar nodig het buurtaalonderwijs een handje te helpen, bijvoorbeeld door het verbeteren van de accreditatie van docenten tussen Nederland, België en Duitsland? Ter inspiratie heb ik voor de staatssecretaris een cadeautje, het handboek grensoverschrijdend buurtaalonderwijs, dat door de euregio-scholen in Nederland, België en Duitsland samen is ontwikkeld en dat onlangs nog een Europese prijs heeft gekregen.

De voorzitter:

Keurig met een oranje strikje erom, zie ik.

Mevrouw Straus (VVD):

Met strik, ja. Een vervroegd sinterklaascadeau.

Er is nog steeds veel behoefte aan technisch personeel in Nederland. Bedrijven in kansrijke sectoren, zoals de energie, de tuinbouw, de chemie en de life sciences and health hebben duizenden uitdagende banen voor zowel praktische mbo'ers als universitaire toponderzoekers. In andere sectoren is momenteel vaak geen stageplaats te vinden. Maar in de techniek blijven stageplaatsen te vaak onvervuld. De VVD wil inzetten op het prominenter op de kaart zetten van vakmanschap in Nederland. We hebben daarom het initiatief genomen voor een rondetafelconferentie hierover. Het doel hiervan is om op zoek te gaan naar wat nodig is om de waardering voor het vakmanschap in Nederland te bevorderen. We denken zelf aan stipendia door bedrijven, aan stages en werkgaranties door bedrijven voor het mbo. De voorzitter van de SER schreef onlangs treffende woorden over vakmanschap, woorden die ik wil onderschrijven. Hij zegt: door de eeuwen heen hebben vakkrachten gezorgd voor velerlei innovaties. Daarmee vormen zij een onmisbare schakel in de innovatieketen en dragen zij bij aan de sterke concurrentiepositie van ons land.

Vandaag heb ik mij namens de VVD gefocust op twee thema's: leerlingen motiveren het beste uit zichzelf te halen en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. In mijn bijdrage heb ik willen laten zien hoe deze twee pijlers onderdeel zijn van onze ambitie, van good degrade in het Nederlands onderwijs.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb nog een vraag over passend onderwijs. In mijn bijdrage heb ik voorgelegd dat daar grote zorgen over zijn, met name over de combinatie van enerzijds grote klassen en anderzijds de verwachting dat in die klassen steeds meer zorgleerlingen komen. Herkent mevrouw Straus die zorg bij leraren en schoolleiders, van wie 60% zegt dat dat volgend jaar niet wordt gehaald? Hebt u begrip voor die mensen?

Mevrouw Straus (VVD):

Voor hen heb ik zeker begrip. We spreken drie keer per jaar over dit onderwerp met de staatssecretaris. Telkens hebben wij gezegd dat het belangrijk is dat deze discussie niet alleen op bestuursniveau wordt gevoerd, maar dat de leerkrachten zelf daadwerkelijk worden betrokken bij de inrichting van het passend onderwijs. Dat zij er zorgen over hebben of zij dat wel kunnen, begrijp ik heel goed.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mijn vraag zou zijn: dus? Mevrouw Straus beschrijft het proces dat aan de hand is. Er wordt een nieuw systeem ingevoerd. Dat leeft, hoop je, op de scholen. Wat is haar conclusie als 60% van de schoolleiders zegt dat zij het niet gaan redden volgend jaar augustus? Maakt dat iets los bij de VVD of zegt zij: nee, wij gaan door als een bulldozer, het moet er komen, punt uit, want dat is nu eenmaal in Den Haag afgesproken?

Mevrouw Straus (VVD):

Van bulldozereffecten in dit proces is absoluut geen sprake. Dit onderwerp is jaren geleden door de sector zelf aangedragen als een verbetering van de huidige werkwijze. Mevrouw Ypma heeft daar terecht al een punt van gemaakt. Vervolgens is een traject ingezet om op weg te gaan om dit te realiseren. In de tussentijd hebben we hier heel veel discussies met elkaar over gevoerd omdat er in eerste instantie nog een bezuinigingsslag overheen zou gaan. Die is door collega-partijen helemaal eraf gehaald. In principe zijn er in dat opzicht heel veel blokkades uit het proces gehaald en zouden alle stoplichten feitelijk op groen moeten staan om door te gaan. Ik zie dat die andere 40% van de scholen er al wel klaar voor is. Mijn vraag is veel meer wat de kritische succesfactoren zijn geweest waardoor die scholen er, ten opzichte van die 60% die zich nu wel zorgen maakt, wel in geslaagd zijn om zich geen zorgen te maken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mevrouw Straus beschrijft constant wat er gebeurt op dit moment, maar zou het niet eerlijker zijn als zij ingaat op de situatie dat heel veel schoolleiders — dat zijn geen domme mensen — zeggen het volgend jaar niet te gaan halen? 60%! Dat is een ruime meerderheid. Is er met de VVD te praten over een aanpassing van dat besluit of gaat zij als een bulldozer door en is er met haar niet te praten?

Mevrouw Straus (VVD):

Als ik op werkbezoek ben en met veel mensen praat over passend onderwijs, zie ik dat er heel veel informatie niet op de werkvloer landt. In augustus 2014 wordt de eerste stap gezet in de invoering. Het gaat immers om een gefaseerde invoering tot, ik geloof, 2021. Pas dan is die helemaal afgerond. In de tussenfase zijn er heel veel extra mogelijkheden om ondersteuning te vragen. Als ik dit met schoolleiders bespreek, zie ik heel vaak dat zij zich niet ervan bewust zijn dat die ondersteuning er is. In eerste instantie wil ik vasthouden aan de invoeringsdatum. Tegen alle mensen die zich zorgen maken, zeg ik: wat ga jij doen om te zorgen dat je het wel haalt? Daarvoor zijn mogelijkheden en ondersteuning.

De voorzitter:

Mijnheer Van Meenen, een heel korte vraag.

De heer Van Meenen (D66):

Mevrouw Straus heeft het over de kritische succesfactoren: waarom lukt het in de ene regio wel en in de andere niet? Dat is op zich een heel interessante vraag, maar is de vraag waar het eigenlijk om gaat niet of er geen kinderen in de knel komen door vast te houden aan de invoering op elke plek ongeacht of het er goed gaat?

Mevrouw Straus (VVD):

Zeker, dat is een heel belangrijke vraag. Ik wil echter de huidige situatie, waarin kinderen ook in de knel komen, ook niet onnodig langer laten duren. Ik vraag vooral de scholen die zich zorgen maken om te kijken wat ze wel allemaal kunnen doen om de komende drie kwart jaar goed te besteden, opdat er zo min mogelijk, liefst geen, kinderen in de knel komen.

De heer Van Meenen (D66):

Als we dan zien — daarvoor is nog één gelegenheid, namelijk bij de volgende tussenrapportage — dat er regio's zijn waar de docenten nog steeds niet betrokken zijn, ongeacht waar de schuld daarvan ligt, mogen we toch wel constateren dat men in die regio niet op tijd zal zijn om de kinderen te ontvangen die in het kader van passend onderwijs naar hen toe zouden komen? Op dat vlak is er helemaal geen sprake van een gefaseerde invoering. Die kinderen komen gewoon, ze staan daar op 1 augustus gewoon op de stoep.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik zou dan toch in eerste instantie willen kijken hoe kan worden verklaard dat die regio's er niet in slagen om dit voor elkaar te krijgen en wat wij zouden kunnen doen om ervoor te zorgen dat zij daar alsnog wel in slagen. Dat zou mijn eerste prioriteit zijn.

De voorzitter:

Ik stel voor drie minuten te schorsen voordat wij verdergaan met de overige sprekers.

De vergadering wordt van 12.02 uur tot 12.05 uur geschorst.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Het wordt weer tijd voor een stukje echte oppositie!

De Elsevier die was gewijd aan Prinsjesdag noemde deze minister "de minister van stilstand". Wij spreken liever van de "minister van achteruitgang". Daarmee is de toon gezet. Deze regering heeft namelijk voor het voortgezet onderwijs en voor het mbo de norm voor het minimumaantal lesuren losgelaten. Terwijl de kwaliteit van de beheersing van de kernvakken taal en rekenen zodanig te wensen overlaat dat hbo's en universiteiten bijspijkerprogramma's in het leven moeten roepen om die studenten alsnog te leren rekenen en lezen, schaft deze minister de urennorm af.

Nog erger is het tweede voorbeeld van de achteruitgang. Onder deze staatssecretaris en minister is ook de Cito-toets afgeschaft. Die is namelijk zo ver in het schooljaar doorgeschoven, naar de maand mei, dat hij niet meer van invloed is op de aanmelding bij het voortgezet onderwijs. Alleen het advies van de basisschool telt. Het voortgezet onderwijs moet maar afwachten of dat advies van de basisschoolleraren een correct advies was. Daarbij ging het om fingerspitzengefühl, want na dat afschaffen van de Cito-toets is er geen objectieve en meetbare norm meer. Wat gebeurt er als de basisschool te hoog adviseert? Dat gebeurt namelijk, aantoonbaar, altijd als er geen centrale eindtoets plaatsvindt. Ouders oefenen druk uit om zo hoog mogelijk te adviseren en scholen zijn daar vaak niet tegen bestand. Dat is de vervelende realiteit. Wat nu als die te late Cito-toets laat zien dat een leerling onterecht op de havo is toegelaten en dat hij veel beter tot zijn recht zou komen op het vmbo? Vroeg of laat gaat die leerling "afstromen", zoals dat heet. De inspectie geeft de havo dan een minnetje, want afstromen, dat moeten we van de inspectie niet willen. Het is toch logisch dat het vo zijn knopen dan telt en maar zelf gaat toetsen? Als we het vo afrekenen op zittenblijvers en afstromers, is het redelijk dat het vo zeggenschap wil hebben in welke leerling het best matcht met welke schoolsoort. In het hbo en wo gebeurt dit ook, en wel steeds strenger. Dat is prima. Waarom zouden we het vo het recht op toelatingsexamens willen ontzeggen? Ik vraag de staatssecretaris dus het volgende: is hij bereid om de Cito-toets weer naar voren te halen, zodat deze kan worden gebruikt als matchingsinstrument voor het vervolgonderwijs? Het is zo zonde om de dure infrastructuur van die aloude Cito-toets niet meer te gebruiken voor iets waar zij eigenlijk voor is ontwikkeld.

Het beleid van het kabinet is volgens ons gericht op bestuurders, en te weinig op leraren. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen uitvoering gegeven aan de PVV-motie om leraren aan zet te krijgen bij de invulling van de pedagogisch-didactische uitgangspunten van een school. Ik vraag de minister hoe het staat met deze instemmingsbevoegdheid, die moet voorkomen dat er weer allerlei experimenten op de scholen worden losgelaten.

Het onderwijs is en blijft uitgesproken links. Tot nu toe zijn wij redelijk terughoudend geweest om dit te benoemen; de sector gaat tenslotte zelf over de inhoud. Maar de inhoud van de schoolboeken, van de lesmethoden op de pabo's, maar ook de benoeming van de mensen op de sleutelposities in het onderwijsveld, het is allemaal hevig links en "policor", politiek correct. Elke terughoudendheid lijkt zoek sinds deze minister aan het bewind is. Dat zijzelf lang links politiek activist is geweest, is voor veel onderwijsgremia kennelijk een vrijbrief om elke schijn van objectiviteit te laten varen. Heel veel ouders in Nederland ergeren zich enorm aan de agitprop waaraan leerlingen dag in dag uit worden blootgesteld: de klimaatopwarming; de zegeningen van de massa-immigratie; de noodzaak van een federaal Europa en van het opheffen van de natiestaat Nederland; de noodzaak dat Nederlandse meiden emanciperen terwijl stelselmatig wordt weggekeken van de vernederende positie van islamitische meiden; de eeuwige uitstapjes naar de moskee, nooit naar een synagoge of christelijke kerk. Stel je voor, een kerk! In de peilingen zijn wij al maanden stabiel de grootste partij van het land. Al onze kiezers ergeren zich groen en geel aan die linkse agitatie en propaganda, aan de PVV-bestrijding, aan de indoctrinatie waaraan onze kinderen dagelijks worden blootgesteld. Onlangs werd de ex-GroenLinks-partijgenoot van deze minister bij de VO-raad als voorzitter benoemd. Een ex-PvdA-wethouder uit Utrecht werd voorzitter van de PO-Raad. En een zittend PvdA-Kamerlid werd voorzitter van het Mondriaan College. Sinds 2010 hebben we vier voorzitters gehad van de HBO-raad. Een van hen heeft, net als de nieuwe voorzitter van de VO-raad, actief bijgedragen aan het giftige klimaat waarin de moord op professor Pim Fortuyn plaatsvond. De andere drie hebben actief bijgedragen aan het giftige klimaat waar de Partij voor de Vrijheid dagelijks mee te maken heeft. Ik vraag de minister of zij zich kan voorstellen dat veel Nederlanders zich hieraan ergeren. Is zij het met mij eens dat de linkse dominantie te groot is? De PVV-leraren worden zonder pardon ontslagen of komen niet verder in hun carrière, terwijl de kleilaag rond het onderwijs het exclusieve bezit is van politiek-correct links. Hoe verklaart de minister dit? Wat gaat zij eraan doen?

De heer Van Meenen (D66):

Waar moet ik beginnen?

De heer Beertema (PVV):

Dan zijn we meteen klaar! We zijn meteen klaar, want hij weet niet waar hij moet beginnen.

De heer Van Meenen (D66):

Laat ik beginnen met een vraag aan de heer Beertema. Wat is de docent in de klas, voor wie de heer Beertema zo warm pleit, opgeschoten met dit pleidooi? Wat is de visie van de heer Beertema op de toekomst? Gaan we linkse leraren ontslaan? Gaan we hier in de Kamer alle schoolboeken beoordelen? Gaan we elke benoeming in de Kamer laten passeren, zodat de heer Beertema ook een vinger in de pap kan hebben? Wat is zijn plan? Ik hoor geen plan, ik hoor alleen maar "agitprop".

De heer Beertema (PVV):

Ik begrijp dat D66 er geen enkel probleem mee heeft, en het probleem niet ziet dat heel veel mensen, al onze kiezers, zich ergeren aan de dominantie van links in het onderwijs. Dat zijn veel meer mensen dan de kiezers van D66, die uiteindelijk alleen maar in de grachtengordel wonen of in een grachtenpandje in Leiden. Ik begrijp dat D66 het geen probleem vindt, maar mijnheer Van Meenen, deze mensen vinden dat allemaal wel. Deze mensen zijn er en hebben een politiek onderdak, net als u, en hebben het volste recht om hun meningen in het onderwijs belicht te zien. Dat is mijn boodschap. Ik heb geen plan. Ik vraag de minister of zij het met ons eens is dat er eindelijk eens een eind moet komen aan die linkse dominantie en dat er misschien wat meer balans moet komen in het onderwijs, net als bij de publieke omroep.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Rog.

De heer Beertema (PVV):

Nou, ik wil eigenlijk aan de heer Van Meenen vragen of hij die dominantie ontkent.

De voorzitter:

Nee, we gaan geen discussies vanaf het katheder voeren met andere woordvoerders. Laat ik het zo zeggen: dat is niet de bedoeling. De heer Van Meenen wil echter graag kort reageren.

De heer Van Meenen (D66):

Ik kan niet ontkennen — dat blijkt ook uit onderzoeken — dat veel mensen in het onderwijs voornamelijk links stemmen. Het is echter nog steeds niet zo dat wij vanuit de Kamer voorschrijven waar mensen op moeten stemmen. Wellicht herkent men in de inbreng van partijen die de heer Beertema voor het gemak even links noemt, veel meer van de problemen die men werkelijk voelt dan in de bijdragen die van de zijde van de heer Beertema komen. Laat ik het daarbij laten.

De heer Rog (CDA):

De heer Beertema zegt net in zijn weerwoord dat hij geen plan heeft. Dat is duidelijk. Hij had vanochtend in de krant nog wel een plan, namelijk om scholen tuigvrij te maken.

De heer Beertema (PVV):

Ik ben nog niet klaar. Dat komt allemaal nog.

De heer Rog (CDA):

Mijn vraag aan de heer Beertema is dan: vindt hij dat wij in de Kamer goed voorbeeldgedrag moeten laten zien?

De heer Beertema (PVV):

Ik voorspel nu al dat de heer Rog van het CDA mij gaat verwijten dat ik dingen gezegd heb die vanuit ons perspectief ontzettend waar zijn, maar die in zijn fijnbesnaarde optiek geen plaats mogen hebben. Ik heb geen verkeerd woord gezegd. Ik heb bijvoorbeeld gezegd dat het heel opvallend is dat vier voorzitters van de HBO-raad een links-activistisch verleden hebben, dat zich voornamelijk heel direct, heel nadrukkelijk, heeft gericht tegen Pim Fortuyn, Geert Wilders en de PVV. Ze hebben er bijna hun raison d'être aan te danken. Dat is toch geen toeval, zo vraag ik de heer Rog.

De heer Rog (CDA):

Ik had graag een antwoord gekregen van de heer Beertema op de vraag of hij het met mij eens is dat wij in de Tweede Kamer het goede voorbeeld moeten geven als wij hufterigheid in het onderwijs een halt willen toeroepen.

De heer Beertema (PVV):

Wat is er hufterig aan mijn constateringen?

De heer Rog (CDA):

Mijn vraag aan de heer Beertema is hoe hij in dat kader het politieke optreden van zijn eigen politiek leider waardeert, die de premier beschimpt en zegt "doe eens normaal, man", die collega's hier in de Kamer verwijt dat het miezerige mannetjes zijn. Welk voorbeeld geeft de PVV aan die kinderen in het onderwijs?

De heer Beertema (PVV):

We zijn hier bezig met heel scherpe debatten, waarin allerlei dingen worden benoemd. Als u er niet tegen kunt als iemand zegt "een miezierig mannetje", zou ik zeggen: ga terug naar het CNV Onderwijs. Dat is misschien wel die fijnbesnaarde omgeving. "If you can't stand the heat, stay out of the kitchen", zou ik zeggen. Ik heb er niet zo heel veel moeite mee. Ik zou willen, mijnheer Rog, dat dat het ergste scheldwoord geweest was in de 34 jaar dat ik in Rotterdam-Zuid heb gewerkt: mijnheer Beertema, u bent een miezerig mannetje. Mijnheer Rog, ik luisterde daar niet eens naar; ik gaf zo'n leerling een compliment om aan te geven dat hij het sociaal verkeer uitstekend beheerst.

De voorzitter:

Ik vraag de kinderen op de publieke tribune om niet te laten blijken wat ze van dit debat vinden.

De heer Rog (CDA):

Ik heb geen vervolgvraag. Het is duidelijk dat de heer Beertema geen afstand neemt van het gedrag van zijn eigen politiek leider en het is ook duidelijk dat hij daarmee bijdraagt aan het klimaat dat hij zelf wil bestrijden.

De heer Klaver (GroenLinks):

Het begint een beetje een vertrouwd beeld te worden. De eerste tien minuten van de bijdrage van de heer Beertema zijn altijd een soort therapeutische sessies. Ik weet niet wat hem in de afgelopen 34 jaar is aangedaan, maar ik hoop in ieder geval voor hem dat het oplucht en bovendien luister ik er altijd graag naar.

De heer Beertema heeft het gehad over het "vermaledijde linkse onderwijs" en heeft gevraagd wat de minister daaraan gaat doen. Volgens mij kennen we gewoon de vrijheid van onderwijs. Dus als de heer Beertema graag een school wil gebaseerd op het gedachtegoed van de PVV staat het hem vrij om zo'n school te stichten. Dus wat is nou de extra stap die dit kabinet zou moeten zetten hierin? We kennen vrijheid van onderwijs in Nederland. Wat vraagt de heer Beertema nu concreet van dit kabinet, behalve dan dat hij even therapeutisch wil uitweiden over alles wat hem is aangedaan?

De heer Beertema (PVV):

Eerst even over die flauwe opmerkingen van u over therapie en over wat mij is aangedaan. Er is mij niets aangedaan. Ik heb een ongelofelijk rijke ervaring opgedaan in het onderwijs in Rotterdam-Zuid waar u nog een puntje aan zou kunnen zuigen. Het slaat helemaal nergens op mij verwijten te maken dat ik hier mijn gram sta te halen of zo. Het enige wat ik constateer, is dat er kiezers zijn van de PVV in de tijd van de LPF die jarenlang in het onderwijs niets herkend hebben van hun eigen standpunten. We zijn een democratisch land. Wat ik hier aan de orde stel, is dat er een disbalans is tussen wat er bij kinderen thuis gebeurt en hoe er daar gedacht wordt, en de grachtengordelmentaliteit of de Wageningse mentaliteit van GroenLinks, die u misschien bekend voorkomt, en die heerst in Wageningse studentencafés waar onder anderen Volkert van der Graaf bekend waren. Daar heb ik het over. Ik begrijp wel dat u er niet aan wil; u bent goed vertegenwoordigd in het onderwijs. Links en politiek correct links zijn daarin uitstekend vertegenwoordigd. Van u mag dat zo blijven. Echter, de enorme "silent majority" van de kiezers die aan onze kant staan, is niet vertegenwoordigd in het onderwijs. U wilt dat tegenhouden. Samen met de heer Van Meenen van D66 vindt u het niet nodig om er zelfs maar een vraagteken bij te plaatsen. Dat zegt meer over uw democratische uitgangspunten, die wat mij betreft afwezig zijn, dan de onze.

De heer Klaver (GroenLinks):

Over democratische uitgangspunten gesproken: ik spreek hier niet over kiezers die aan mijn kant staan. Ik ben volksvertegenwoordiger en als ik hier sta voel ik mij iemand die evenzeer de kiezers van de Partij voor de Vrijheid vertegenwoordigt …

De heer Beertema (PVV):

Maar dat doet u niet.

De heer Klaver (GroenLinks):

… als de kiezers van GroenLinks, als de bevolking van Nederland. De heer Beertema is hier aan het uitweiden. Hij probeert er van alles bij te halen. Laten we het nu eens even klein houden, mijnheer Beertema. De vraag die ik u stelde, was heel simpel. U hebt het over het linkse onderwijs en dat daar te veel grachtengordel rondloopt. Welke belemmeringen zijn er in Nederland voor iemand als u of anderen die vinden dat het onderwijs in Nederland te links georiënteerd is, om zelf een wat rechtser onderwijs te beginnen? Wat wilt u nu precies weten van het kabinet? Welke actie wilt u dat het kabinet onderneemt? Volgens mij bent u hier gewoon therapeutisch aan het uitweiden over alles wat er mis zou zijn in het onderwijs. Wat u echt wilt veranderen, is mij totaal onduidelijk.

De heer Beertema (PVV):

Ik vind dit nogal een pedante opstelling van deze volksvertegenwoordiger van GroenLinks, die ook nota bene alle kiezers van de PVV vertegenwoordigt. U mocht het willen! Daar is geen enkele sprake van. U kwam weer met een uitweiding over het therapeutische. Die hebben wij al gehad; doe dat nou niet drie keer, want het wordt zo vervelend. Verder is er geen sprake van dat ik een PVV-school zou willen oprichten. U moet beter luisteren, mijnheer Klaver. Het enige wat ik gevraagd heb aan de minister, is: vindt u het ook een probleem dat er een disbalans is en vindt u ook dat daaraan iets moet gebeuren? Dat is mijn vraag geweest. U ontkent dat er een disbalans is, mijnheer Klaver. U vindt het allemaal best dat onze mensen niet vertegenwoordigd zijn en geen politiek onderdak krijgen. Het liefst worden we helemaal de Kamer uit gezwiept als het aan u ligt. Dat gaat echter niet gebeuren. We zijn er en onze fractie wordt groter terwijl die van u kleiner wordt. Leer ermee leven, wees een vent en houd erover op.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ten eerste hoor ik graag van de heer Beertema wanneer ik een voorstel heb gedaan om de PVV uit de Kamer te verwijderen. Als hij dat voorbeeld niet kan geven, wil ik graag dat hij zijn woorden op dat punt terugneemt. Het is namelijk onjuist. Ik ben een democraat in hart en nieren.

Ten tweede vraag ik de heer Beertema wat hij wil. Hij vraagt of het kabinet zijn constatering deelt. Welke actie vraagt hij dan van het kabinet? Wat wil de heer Beertema dat er verandert? Ik krijg graag een heel helder antwoord.

De heer Beertema (PVV):

Ik ga helemaal niets terugnemen. Dat is weer zo'n slimmigheidje van de heer Klaver. Hij pakt me op een woordje en dan moet ik iets terugnemen. Hij maakt er een heel gewichtig iets van voor de Kamer en de Handelingen. Ik ga er niet aan beginnen. Nogmaals: het enige wat ik wil, is een uitspraak van de minister. Daar zal ik op wachten en in tweede termijn op reageren. Ik laat mij er door u helemaal niet toe verleiden om hier verder op te reageren.

De voorzitter:

Mijnheer Klaver, u mag nog reageren in verband met een persoonlijk feit.

De heer Beertema (PVV):

Wat was het persoonlijke feit? Het is al heel gauw een persoonlijk feit bij de heer Klaver. Maar ga uw gang, mijnheer Klaver.

De voorzitter:

De heer Klaver heeft het woord.

De heer Beertema (PVV):

De heer Klaver heeft lange tenen.

De voorzitter:

De heer Klaver heeft het woord.

De heer Klaver (GroenLinks):

Gelukkig gaat de heer Beertema niet over de orde.

De heer Beertema heeft er een handje van om te strooien met beschuldigingen naar mensen binnen en buiten de Kamer. Zojuist zei hij: als het aan mensen als de heer Klaver ligt, zou de PVV uit de Kamer moeten verdwijnen. Ik ben het ten principale oneens met heel veel standpunten van de PVV, maar ik heb nooit gezegd dat de PVV zou moeten verdwijnen. Dat is voor mij een belangrijk punt; daar hecht ik aan. Ik ben een democraat in hart en nieren, zoals ik zei. De heer Beertema heeft er een handje van om mensen te beschuldigen, maar als ik hem vraag om zijn beschuldiging waar te maken, om aan te geven wanneer ik het voorstel heb gedaan dat de PVV zou moeten verdwijnen, dan krijg ik nul op het rekest. Dat vind ik niet betamelijk voor een volksvertegenwoordiger. Als je met een standpunt komt, onderbouw dat dan ook met argumenten.

De heer Beertema (PVV):

Ik wil de democraat in hart en nieren, als hij dat inderdaad is, nog toevoegen dat hij mij dan ook de vraag aan de minister moet gunnen of er sprake is van een disbalans en of dat een probleem is. Als u zo'n democraat bent, mijnheer Klaver, dan gunt u ons dat er in dat politiek correcte onderwijs ook eens wat aandacht wordt gegeven aan onze vragen. Is er inderdaad wel sprake van menselijk handelen bij de klimaatopwarming? Is de multiculturele samenleving niet mislukt? Dat zijn heel legitieme vragen. U misgunt ons dat. U bent geen democraat in hart en nieren. Eigenlijk zegt u: richt maar een eigen school op, dan hoef je die grachtengordelpraat niet meer aan te horen.

De voorzitter:

Mijnheer Klaver, ik begrijp dat u wilt reageren, maar het lijkt mij verstandiger dat de heer Beertema zijn betoog vervolgt. U krijgt nog de gelegenheid om te interrumperen, als u daar behoefte aan hebt.

De heer Beertema (PVV):

Ik kom bij mijn laatste punt. Er zijn prachtige mbo-opleidingen, met een vruchtbaar leer- en werkklimaat, waar gewerkt wordt in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Op veel plaatsen is de schoolcultuur echter behoorlijk verziekt. Een dieptepunt zagen wij in een item van PowNews over het Mondriaan College, nota bene op de Dag van de Leraar. Leerlingen werd gevraagd om voor de camera een leuke boodschap aan hun leraren te geven. Ik som enkele uitspraken op. Die horen in dit huis niet thuis. Ik bied daarvoor bij voorbaat mijn excuses aan. Ik doe het echter toch, want dit is de taal waar leraren op roc's dagelijks mee geconfronteerd worden. Het is gelukkig niet hun hele dagelijkse werkelijkheid, maar wel een deel daarvan. Ik vraag de bewindslieden en mijn collega's om het even aan te horen, omdat het een doel dient. "Ze zijn allemaal stupid", zegt een leerling. "Mevrouw E., ik haat u, je bent een kankerwijf." "Mevrouw V., u stinkt, fuck you allemaal." De interviewer vraagt: "wat zou je dan willen zeggen?" "Dat hij een grote hoerenzoon is en dat hij dood mag vallen."

Ik heb hier een transcriptie van de uitzending. Ik wil niet nog meer uitspraken voorlezen, want die zijn buitengewoon schokkend. Realiseert men zich wel dat dit leerlingen zijn die geen 7 jaar oud zijn, maar tussen de 17 en de 20 jaar? De leeftijd des onderscheids is ruim bereikt. Mijn vraag is: wat heeft het Mondriaan gedaan met deze leerlingen? Zijn zij geschorst? Een volgende vraag luidt: wat doen deze studenten eigenlijk op school, behalve het schoolleven van al die goedwillende leerlingen en goede leraren dag in dag uit tot een onderwijshel maken? Hoeveel ouders van kinderen die op een roc zitten, hebben dit met afgrijzen aangezien en wanhopig gedacht: ik had zo graag gewild dat mijn zoon of dochter een havoadvies had gehad, zodat het kind niet veroordeeld zou zijn tot een roc? Dat is wat dit soort tuig bewerkstelligt. Ze horen niet op school. Laten ze gaan werken. Verwijder ze van school, ontzeg ze de toegang tot andere mbo-opleidingen en stuur ze naar een definitieve reboundschool of naar het UWV. Laat ze laaggeschoold werk doen. Bescherm de goedwillende leerlingen tegen dit tuig dat het mbo verziekt. Het moet eens afgelopen zijn met die onzin. We hebben als Nederlandse samenleving een uitgebreid en peperduur onderwijsstelsel opgetuigd dat alle jongeren fantastische kansen biedt, maar dat helaas door een hardnekkige groep jongeren als hangplek wordt gebruikt.

Wij hebben in dit verband vragen bij de kwalificatieplicht. Hoe staat de minister tegenover een reboundschool met een permanent karakter voor leerplichtige leerlingen die het onderwijsklimaat op het mbo verzieken? Hoe staat zij tegenover het plan om de kwalificatieplicht te vervangen door een kwalificatierecht. Het kwalificatierecht wordt uitgeoefend op een normale roc, met leerlingen die gemotiveerd zijn. De leerplicht wordt vervuld in een reboundschool tussen soortgenoten, waarna deze leerlingen zo snel mogelijk bemiddeld worden naar werk. Daarmee wordt voorkomen dat ongemotiveerde jongeren jarenlang in het mbo blijven rondhangen tot ze uiteindelijk een startdiploma weten te behalen en daarbij het leven van goedwillende leerlingen en van leraren tot een hel maken. Het invoeren van een kwalificatierecht wordt overigens ook ondersteund door het rapport "Klaar voor de start" van de RMO. De raad wijst daarin terecht op een aantal negatieve aspecten van de kwalificatieplicht. Een van de belangrijkste overwegingen is dat terwijl de arbeidsmarkt nog steeds behoefte heeft aan laaggeschoold werk, jongeren die voor dat werk in aanmerking komen, zich vaak in dit soort moeizame, verplichte kwalificatietrajecten bevinden. Alternatieve routes naar werk worden geblokkeerd. De rebound zou zich kunnen richten op allerlei routes naar de startkwalificatie via leer-werkcombinaties. Wij zijn het met de RMO eens dat deze flexibele werkelijkheid meer de norm zou moeten worden dan die nu is.

De heer Van Meenen (D66):

Voor de verandering ben ik het een keer grotendeels eens met de heer Beertema. Ik vind dat deze leerlingen en studenten soms heel slordig omgaan met de kansen die wij hun bieden. Ik heb er ook wel enkelen gezien. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris op het voorstel van de heer Beertema reageert. Ik wil het echter even beter begrijpen. Hij zegt aan de ene kant dat ze maar moeten gaan werken, maar hij zegt aan de andere kant dat een permanente reboundschool moet worden ingericht. Wat moet het nu zijn?

De heer Beertema (PVV):

Die permanente rebound moet gelden voor de leerlingen die nog leerplichtig zijn. Dat is mijn idee. Vanaf het moment dat ze niet meer leerplichtig zijn, zouden ze wat mij betreft bemiddeld moet worden naar leer-werktrajecten of direct via het UWV naar ongeschoold of laaggeschoold werk. Dat is er immers wel degelijk. Ik ben benieuwd naar de reactie van de regering daarop.

De heer Van Meenen (D66):

Heel veel van die dingen gebeuren natuurlijk ook al op roc's. Het feit dat in de opname waar de heer Beertema zijn hele verhaal aan ophangt, sprake is van leerlingen die een school binnenkomen, wil niet zeggen dat er ook niet aan alle kanten op die school aan gewerkt wordt om juist dat soort trajecten mogelijk te maken. Met andere woorden, ik constateer dat de PVV ook voor maattrajecten in het mbo is.

De heer Beertema (PVV):

Zeker.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik was ook geschokt door de beelden die de heer Beertema heeft aangehaald. Ik hoop dat die docenten aangifte hebben gedaan van het feit dat zij zo hevig werden beledigd. Ik heb van de heer Beertema gehoord hoe hij daartegen aankijkt. Ook hield hij een pleidooi over de manier waarop deze jongens moeten worden aangepakt. Misschien gaat het hierbij ook om meisjes, maar in het voorbeeld gaat het om jongens. Ik heb echter niet gehoord hoe hij denkt over de rol van de ouders van deze leerlingen.

De heer Beertema (PVV):

Ik vind datgene wat mevrouw Straus nu inbrengt, heel interessant. De rol van de ouders is natuurlijk van enorm belang, zeker als het gaat om leerlingen op de voorschool, op de basisschool en in het vo. Op het moment dat zij in de derde cyclus van het onderwijs terechtkomen — ik heb het hier over het mbo — wordt de rol van die ouders natuurlijk al een stuk minder. Dat heeft niet mijn voorkeur, maar dat is wel de maatschappelijke realiteit. Als de ouders moeilijk bereikbaar zijn, moet je ook concluderen dat die leerlingen moeilijk bereikbaar zijn. Mijn belangrijkste insteek is dat de status, de efficiëntie en de kwaliteit van het mbo eroderen door dit soort leerlingen per se een plaats te willen bieden tussen al die goedwillende leerlingen, die in hun leven ook maar één kans hebben op een goede beroepsopleiding. Ik heb die leerlingen zien verdwijnen omdat zij het niet volhielden onder de terreur van dit soort leerlingen, waar de school niet vanaf kon. Dat moet veranderen.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik begrijp heel goed dat de heer Beertema dit zegt. Ik zou wel graag willen zien dat we niet te makkelijk opgeven en dat we ouders wel een rol geven in het geheel. Ouders zijn immers verantwoordelijk voor hun kinderen totdat die kinderen 18 jaar zijn. In die zin wil ik graag dat de heer Beertema omarmt dat, welke kant dit verhaal ook opgaat, ouders daarin een heel belangrijke rol gaan spelen.

De heer Beertema (PVV):

Dat beaam ik, maar ik wil er wel voor waken dat we de scholen, de roc's weer gaan opzadelen met een heel duur instrumentarium om bij ouders op bezoek te gaan en ouderwerkgroepen te vormen. Houd daar alsjeblieft mee op! Laten we het simpel houden en deze leerlingen in een reboundvoorziening zetten.

De heer Mohandis (PvdA):

Voorzitter. Voordat ik begin, wil ik even zeggen dat mijn collega Ypma passend onderwijs, primair onderwijs, voortgezet onderwijs en alles wat daaronder valt voor haar rekening neemt. Het is goed voor de collega's om dat te weten.

Ik neem u mee naar september 2018, naar de eerste schooldag van mijn dochter. Deze ochtend fietsen we samen naar school, zij met zijwieltjes en ik als supertrotse vader. Bij aankomst worden we ontvangen door de conciërge. Na jaren van stille bezuinigingen is er de laatste jaren extra geld bij gekomen om zijn werk weer mogelijk te maken. Hetzelfde geldt voor de baan van klassenassistent. Alle leraren staan inmiddels in het lerarenregister. Mijn dochter krijgt te maken met twee leraren. Juf Mieke geeft een paar dagen les en is daarnaast leerlingenbegeleider. Meester Piet is parttime leraar. Het gaat om een school waar leraren talent vormen en werken om hun eigen talent op peil te houden, want ook leraren zijn nooit uitgeleerd.

De eerste schooldag is superspannend voor mijn dochter, die haar ogen uitkijkt. De leraren beginnen op maandag eerder. Voor het starten van de lessen, bereiden ze gezamenlijk de lessen voor en proberen ze knelpunten aan te pakken. Op scholen hangt een cultuur van elkaar aanspreken. Leraren helpen elkaar. Een cultuur van coachen en feedback is op elke school een feit geworden. Lesgeven met de deuren open is normaal, en het eilandengedrag — ieder voor zich — bestaat niet meer. Wat was het verstandig om in te zetten op werkgelegenheid en jong talent in het onderwijs! Er is niet alleen meer zekerheid en meer loon, maar ook de professionele ruimte die daarbij hoort. Den Haag werkte hieraan mee, maar uiteindelijk deden de leraren het zelf. Zij staan dagelijks voor de klas, niet de politici, niet de werkgevers. Op alle basisscholen hebben steeds meer docenten hun master behaald. Zij krijgen gelegenheid om ook hun analytische en onderzoekende kant alle ruimte te geven. Niet de werkgevers spreken de leraren aan op hun vakbekwaamheid, maar de leraren onderling. Zij stimuleren elkaar om nog beter te worden. Er is inmiddels ook sprake van vergrijzing, en steeds meer jonge docenten hebben vanuit flexcontracten uitzicht op een volledige baan. Wat was het belangrijk om in te zetten op werkgelegenheid om jonge, talentvolle leraren te behouden voor het onderwijs!

Ik kan nog wel even doorgaan met mijn beeldschets van 2018, maar ik ga nu toch terug naar vandaag. Het onderwijs verbetert in kleine stappen in de goede richting. Er kunnen nog veel dingen beter, maar dat gaat niet van vandaag op morgen. We moeten blijven investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Deze begroting maakt dat mogelijk. Sterker nog, er wordt fors geïnvesteerd. Ik complimenteer niet alleen allen die hebben meegewerkt aan het Nationaal Onderwijsakkoord, maar ook alle partijen die hun nek hebben uitgestoken om te komen tot een begrotingsakkoord.

Ik ga in op een drietal zaken in het nu: de positie van jonge docenten, de positie van scholieren en studenten, en als laatste punt stages. Ik heb diverse jonge docenten gesproken, die zich afvroegen of ze wel in het onderwijs willen blijven werken. Een van de belangrijkste redenen is dat ze te lang blijven zitten in flexcontracten en geen uitzicht hebben op zekerheid. Juist jonge, talentvolle onderwijzers moeten we vasthouden om tekorten in de toekomst aan te pakken en om de kwaliteit van het onderwijs een impuls te geven. We moeten de extra middelen maximaal inzetten voor werkgelegenheid. In de komende begrotingen komen we te spreken over structurele middelen voor conciërges en begeleiders. Ik vraag aandacht voor talentvolle jonge docenten. De extra impuls van 3.000 jonge leraren is een goed begin. Als we het probleem in de toekomst echter willen tackelen, mag deze ambitie ruimer. Ik vraag het kabinet om in deze periode meer jonge docenten voor het onderwijs te behouden. Er komt ook op andere manieren geld vrij voor deze kwaliteitsverbetering. Ik noem de lumpsum en de extra maatregelen. De beste vorm van kwaliteitsverbetering in het onderwijs is door jong talent een betere positie te geven, meer zekerheid voor jonge docenten om talent te behouden. De Partij van de Arbeid acht het aantal van 3.000 een goed begin, maar in deze kabinetsperiode is 5.000 of meer mogelijk. Graag hoor ik daarop een reactie van het kabinet.

Dan kom ik op de positie van studenten. We hebben in eerdere debatten gesproken over persoonlijke begeleiding. In de brainstormsessies die ik de afgelopen periode heb gehad — ik zal daar actief mee doorgaan — is veel gesproken over de vraag hoe studenten het ervaren om te studeren. Soms lopen zij tegen een muur aan. De service voor de studenten is niet altijd optimaal. Er is vanuit instellingen geen eenduidig beleid, niet één loket waar men terechtkan. Dat kan veel overzichtelijker, met één centrale plek waar men terechtkan met klachten of voor studieadvies. Daarnaast zou het handig zijn als alle instellingen in het hoger onderwijs werken met een openbaar digitaal klachtenmeldpunt. Dat zou overigens ook kunnen werken voor het mbo. Hoe ziet het kabinet dit? Wat is de huidige stand van zaken?

Via de wet kwaliteitsborging hebben we in ieder geval geregeld dat studenten recht hebben op een schadevergoeding. Als ik studenten spreek, hoor ik vaak dat zij dat helemaal niet weten. Ik vind dat studenten gewezen moeten worden op hun plichten, en dat wordt ook vaak gedaan, maar wat zijn hun rechten? Hebben alle instellingen dit ook opgenomen in hun examen- en onderwijsreglement, in het OER? Hoe is een en ander vastgelegd? Kunnen we informatie over het een niet verbinden met informatie over het ander? Voor studenten moet helder zijn dat zij recht hebben op een vergoeding indien de opleidingsinstelling afspraken niet nakomt. Te denken valt aan het aantal lesuren, studiebegeleiding, herkansingsmogelijkheid, het uitvallen van lessen en alle andere zaken die zijn afgesproken. Niet goed, geld terug. De Partij van de Arbeid heeft ook al eerder aandacht gevraagd voor een bundeling van deze zaken. Studenten moeten leveren, maar dat moeten scholen ook. Het is belangrijk dat instellingen ook transparant zijn over het publiceren van klachten en verbeterplannen in hun jaarverslagen. Dit gebeurt niet altijd, terwijl het moet. Hoe gaat het kabinet instellingen ertoe bewegen om zo transparant mogelijk te zijn over klachten en verbeterplannen, bijvoorbeeld in hun jaarverslagen of op hun website?

In de begroting hebben wij kennisgenomen van het feit dat meer serviceloketten van DUO gaan sluiten. We gaan terug naar zes loketten. Hoe verhoudt deze taakstelling zich tot een toekomstige groep studenten en ouders die meer behoefte zullen hebben aan informatie en persoonlijk advies door de invoering van het sociaal leenstelsel? Worden de huidige servicekantoren minder bezocht doordat er meer digitaal gebeurt?

Ik sprak zojuist over de positie van studenten. Ik vind het onacceptabel als jongeren hun mbo-opleiding niet kunnen afronden doordat zij geen stage kunnen vinden of krijgen. Ik vind het onacceptabel als jongeren een niveau moeten zaken doordat zij geen stage kunnen lopen. Ik heb zelf aan den lijve ondervonden hoe cruciaal stagebegeleiding op het mbo is om uiteindelijk een stage te vinden; dat ene duwtje in de juiste richting. Door economische omstandigheden lukt het jongeren niet altijd om een stage te vinden. Sommige jongeren hebben nooit geleerd hoe zij een sollicitatiebrief moeten schrijven. Er zijn jongeren die niet de begeleiding krijgen die zij verdienen. Er zijn ook jongeren die heel vaak solliciteren, maar uiteindelijk nul op het rekest krijgen. Gemotiveerde jongeren die tijdens hun laatste jaren in een beroepsopleidende leerweg in het mbo moeite hebben met het vinden van een stage, verdienen alle steun. Is de minister bereid om in de kwaliteitsafspraken met het mbo duidelijk te maken wat de inspanningsverplichting van scholen is om jongeren te voorzien van de juiste informatie, voor te bereiden op een stage en alle begeleiding te geven die nu voor een groep ontbreekt, zodat alle jongeren uitzicht hebben op het behalen van een diploma? Geen diploma betekent geen werk, en dat betekent geen toekomstperspectief.

De voorzitter:

Ik zie de heer Rog staan, maar bent u al bijna klaar met uw betoog?

De heer Mohandis (PvdA):

Ik ben inderdaad bijna klaar. Ik heb nog een klein kopje.

Voorzitter. Tot slot. Met al deze investeringen gaan wij er in stappen voor zorgen dat elk talent tot zijn recht komt. Laten wij er de komende jaren voor zorgen dat wij jonge docenten behouden voor het onderwijs. Laten wij de leraar meer ruimte geven en het vertrouwen in de professional voor de klas centraal stellen. Laten wij het beeld dat ik heb geschetst, proberen te realiseren met de juiste stappen in de goede richting. Dat is het beeld van een onderwijslandschap waarin docenten trots zijn op hun beroep, een eensgezind onderwijsveld dat leerlingen, studenten en docenten centraal stelt. Wij gaan dat realiseren met alle betrokken onderwijspartijen in het veld en in de politiek; dat vertrouwen heb ik. Het gaat om de mensen in de klas. Voor hen zal ik mij altijd blijven inzetten.

De heer Rog (CDA):

De heer Mohandis geeft aan dat elke scholier die aan een mbo-opleiding begint, de garantie moet hebben dat hij een stage kan lopen. Van mevrouw Straus heb ik net begrepen dat de top tien van beroepen uit 2012 in 2004 nog helemaal niet bestond. Dat wordt dus hartstikke ingewikkeld. De voorzitter van de MBO Raad, Jan van Zijl, een oud-collega van de heer Mohandis, legt uit dat er door de crisis geen stageplaatsen zijn. Ik heb twee vragen voor de heer Mohandis. Hoe wil hij wettelijk garanderen dat al die scholieren die aan een mbo-opleiding beginnen, daadwerkelijk stage gaan lopen? En wat is de reden dat hij wel voor 280 miljoen euro bezuinigt op stagebegeleiding en het zoeken naar stageplaatsen?

De heer Mohandis (PvdA):

Dank voor de vraag. Er wordt geen 280 miljoen bezuinigd op stagebegeleiding. De heer Rog doelt op het budget uit de WVA. Dat gaan wij anders inzetten en moet doelmatiger worden. Het gaat over het samenvoegen van kenniscentra. Ik neem de heer Rog graag terug naar het probleem met de juiste begeleiding van de groep bol-studenten. Het maatschappelijke probleem dat hierachter zit, ligt veel dieper. Dat was ook al zo in de oude situatie, toen deze ombuiging of herinvestering nog niet aan de orde was. Het gaat om de vraag hoe wij kunnen voorkomen dat mbo'ers, die door de opleidingen met veel poeha worden binnengehaald, uitvallen doordat hun geen stage in het vooruitzicht wordt gesteld terwijl zij wel heel gemotiveerd zijn. Ik wil dus dat ook binnen het mbo wordt nagedacht over de vraag wie de probleemeigenaar is. Gaan wij het bestuurlijk op elkaar afschuiven? Of doen wij er alles aan om het systeem sluitend te krijgen voor deze jongeren, die gemotiveerd bezig zijn met een beroepsopleidende leerweg? Ik vind het onaanvaardbaar als ik jongeren in mijn Gouda en in andere steden tegenkom die zeggen: ik moest een niveautje zakken omdat ik geen stage kon vinden, of: ik ben van school gegaan omdat ik geen stage kon vinden.

De heer Rog (CDA):

Dit is een prachtig verhaal, het is bijna tranentrekkend, maar het is nog geen begin van een antwoord. Hoe gaat de Partij van de Arbeid de scholier die begint aan zijn opleiding, garanderen dat hij later daadwerkelijk stage kan lopen? Hoe verhoudt dit zich tot 200 miljoen euro bezuiniging op de WVA en 80 miljoen euro bezuiniging op de infrastructuur om juist aan die stageplekken te komen? Ik doel daarbij op de bezuinigingen op de kenniscentra. Op die vragen wil ik graag een antwoord horen.

De heer Mohandis (PvdA):

De heer Rog haalt een paar dingen door elkaar die volgens mij heel goed van elkaar moeten worden gescheiden. Hij koppelt een toekomstige ombuiging aan het probleem dat ik hier probeer neer te zetten. Laat ik daarover een paar dingen zeggen. Het kabinet investeert ook heel veel in bijvoorbeeld het oproepen van het bedrijfsleven. Er worden sectorplannen opgesteld vanuit Sociale Zaken. Er worden heel veel plannen gelanceerd waarbij het gaat om de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Ik had het echter over die student in de beroepsopleidende leerweg. Stel dat een gemotiveerde jongere niet aan een stage komt, bijvoorbeeld door discriminatie of door een probleem op de arbeidsmarkt in de regio. Daarover stelde de heer Rog mij een vraag. Instellingen moeten zich probleemeigenaar voelen en er dan alles aan gaan doen om deze jongere zo'n stage te garanderen. Er zijn voorbeelden, ik kan ze de heer Rog mailen. Bijvoorbeeld wordt in het mbo bekeken hoe men een jongere in zo'n situatie een alternatief kan aanbieden. De eindtermen moeten daarbij wel technisch overeind blijven. Dit kan en we zullen het moeten willen, want we moeten niet willen accepteren dat er jongeren in dit land van school gaan omdat ze aan het einde van hun opleiding stage moesten doen, maar geen stageplek konden vinden. Geen stage leidt tot geen diploma, en geen diploma leidt tot geen toekomstperspectief.

De heer Rog (CDA):

Ik begrijp dat er geen plan van de PvdA ligt over hoe die garantie kan worden geboden. Die indruk werd eerder wel gewekt. Ik ben wel gerustgesteld door het feit dat de Partij van de Arbeid nu stelt dat er enerzijds wel 200 miljoen euro wordt weggehaald bij de WVA, maar dat er anderzijds kennelijk via andere fondsen eenzelfde bedrag opnieuw zal worden geïnvesteerd door het kabinet om uiteindelijk de jeugdwerkloosheid tegen te gaan en om er uiteindelijk voor te zorgen dat de stageplaatsen er komen. Heb ik het zo goed begrepen?

De heer Mohandis (PvdA):

Sterker nog, het kabinet investeert heel veel in het bestrijden van jeugdwerkloosheid. Mirjam Sterk, een partijgenote van de heer Rog, maakt zich daar hard voor. Wij moeten hier nu echter niet het debat gaan voeren dat onze collega's over de begroting van Sociale Zaken gaan voeren. Ik heb daar alle vertrouwen in. Ik vind dat je bij een regeling zoals de wet over de vermindering van afdracht, ook moet kijken naar de doelmatigheid. Er blijft geld over en dat wordt in een subsidieregeling gestopt. Dat is bekend. Zelfs als wij het bij de oude situatie hadden gelaten, zou het maatschappelijk probleem blijven bestaan dat ik hier vandaag agendeer.

De heer Van Meenen (D66):

Over het probleem zijn we het van harte eens. De heer Mohandis kijkt nu vooral naar de verantwoordelijkheden van de scholen. Het is waarschijnlijk wat steviger in de media gekomen dan het nu hier blijkt te zijn. In de media stond dat scholen echt een garantie zouden moeten geven. Dat klonk als een garantie op een stageplek, maar blijkt nu een garantie op een inspanning van de scholen te zijn, als ik de heer Mohandis goed begrijp.

Mijn vraag gaat over de andere kant, namelijk die van de bedrijven. Wat vindt de heer Mohandis van het voorstel dat ik straks zal doen over mogelijkheden die zzp'ers hebben? Zzp'ers kunnen stages bieden. Ik noem daarbij ook de blokkades en hobbels waarmee zij te maken hebben. Wat vindt de heer Mohandis ervan om ook aan die kant te werken?

De heer Mohandis (PvdA):

Het voorstel klinkt heel sympathiek. Ik moet het eerst goed bekijken en ook beoordelen welke complicaties daarbij kunnen optreden. De gedachte vind ik goed, want hoe meer stages, hoe beter. Als dit daartoe leidt, vindt de heer Van Meenen mij aan zijn zijde. Ik wil het voorstel dus eerst even goed beoordelen. Laten we hierop dus later terugkomen.

Mevrouw Straus (VVD):

Laat ik vooropstellen dat ook de VVD zich zorgen maakt over de stages. Wij zien dat het in sommige sectoren inderdaad heel moeilijk is om een stageplek te vinden, maar dat er in andere sectoren stageplaatsen over zijn. De VVD heeft al heel lang gepleit voor een studiebijsluiter bij de opleidingen, zodat studenten van tevoren weten, hoe hun opleiding in elkaar zit en wat de kans is op een stage bij een bepaalde studie. Gelukkig worden daar nu stappen in gezet. Stel dat de indicator die de kans op een stage aangeeft rood is — het is dan heel moeilijk om een stageplaats te krijgen — maar de student toch besluit om die studie te doen, kijkt u daar dan anders tegenaan dan wanneer die indicator gewoon op groen zou staan?

De heer Mohandis (PvdA):

Als aan de poort van het mbo duidelijk wordt gemaakt dat men moet weten waaraan men begint — mijn ervaring is dat dat vaak niet het geval is en men daar later achter komt — dan ben ik het daarmee eens. Het gewoon kunnen schrijven van een sollicitatiebrief op niveau 2 of niveau 4 gaat vaak niet goed. Als iemand gemotiveerd is en geen stage kan vinden, moet zo iemand niet uitvallen. Ik denk dat er over de hele linie veel te verbeteren valt. Ik heb het kabinet gevraagd, dit sluitend te maken, zodat jongeren niet uitvallen. Daarom sta ik hier.

De voorzitter:

Korte interruptie, kort antwoord. Geef eens het goede voorbeeld, mijnheer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik ga het proberen. Gisteren met veel tamtam: PvdA wil stagegarantie voor mbo-studenten. Hartstikke mooi natuurlijk, want stages zijn heel belangrijk. Niet veel later een artikel in een krant: PvdA snapt beroepsonderwijs niet goed, afkomstig van oud-PvdA-Kamerlid Jan van Zijl. Van je vrienden moet je het hebben! Gaat de PvdA de stagegarantie nou wettelijk regelen? Of was het een proefballonnetje?

De heer Mohandis (PvdA):

Nee, het is zeker geen proefballon, want daarvoor is het maatschappelijk probleem te serieus. Ik heb de heer Van Zijl hierover gesproken. De reacties waren over het algemeen positief, omdat jongeren het voelen en in hun omgeving meemaken. In de beroepsopleidende leerweg moet voorkomen worden dat gemotiveerden uitvallen. Ik heb aan de minister gevraagd wat kan worden gedaan om de kwaliteitsafspraken op het punt van stagebegeleiding zo te organiseren dat dit gewoon niet meer voorkomt. U kunt ervan op aan dat u van mijn collega Jadnanansing, die officieel het woord voert op dit dossier, en van mij voorstellen krijgt. Maar wij zijn eerst benieuwd naar de kwaliteitsafspraken die er komen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Maar gisteren was het nieuws: PvdA wil stagegarantie. Dat is een belofte, en dat is hartstikke mooi, want stages zijn belangrijk. Begrijp ik nu dat u het voorstel enigszins intrekt, dat u verwijst naar kwaliteitsafspraken en dat u afwacht wat de regering wil doen? Het mbo zegt dat er soms gewoon geen stageplekken zijn, gelet op de crisis. Dat heeft ook bepaalde oorzaken. Gaat u hier nu een stagegarantie geven, of zegt u: nou, alleen als het kan? Daarmee zwakt u het voorstel af. Wat moeten we concluderen?

De voorzitter:

Korte reactie.

De heer Mohandis (PvdA):

U mag alles concluderen. Ik stel eerst de vraag aan het kabinet, dat wordt gesteund door een partij waarvan ik lid ben. Dat is de eerste stap die we moeten zetten. Ik wil dat het probleem wordt opgelost. Als daarvoor wet- en/of regelgeving voor nodig is, dan kijken we daarnaar. Ik heb dit punt zo neergezet, omdat ik jullie wil meenemen in de problematiek. Ik wil dat de minister met het mbo gaat praten, zonder dat zaken worden afgeschoven. Als het probleem van niemand is, dan zijn wij dat straks als politiek. We zullen moeten bekijken welke voorstellen voorkomen dat leerlingen in de laatste fase van een beroepsopleidende leerweg uitvallen. Om het heel concreet te maken: in het geval dat iemand echt geen stage vindt omdat die er niet is of vanwege andere redenen, moet je je afvragen met welke vervangende opdracht diegene met een diploma van school kunt laten komen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nu komt er opeens een vervangende opdracht om de hoek kijken. Dat is geen echte stage meer. De Partij van de Arbeid heeft gisteren in de media beloofd een stagegarantie te regelen. Ik moet helaas concluderen dat dit een proefballon is, een dode mus.

De heer Mohandis (PvdA):

Nee, mijnheer Van Dijk, daarvoor is het probleem te serieus. Ik heb aangegeven dat in het uiterste geval, als het gewoon niet lukt, moet worden gekeken naar een escape. Anders zijn de jongeren de dupe. Geen stage is in de praktijk immers geen diploma. Dat probleem wil ik tackelen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik steun het voorstel van de heer Mohandis om er alles aan te doen om mbo-leerlingen van een stage te voorzien. Mijn vraag gaat echter over het leenstelsel, een onderwerp dat hij daarvoor aansneed. De heer Mohandis zei: hopelijk komt het leenstelsel er uiteindelijk nog. De realiteit is anders. Dit wetsvoorstel ligt er al een tijdje, in verschillende vormen en maten. We hebben afgelopen zomer gezien dat ook GroenLinks het huidige wetsvoorstel niet kan steunen. Waarom trekt de Partij van de Arbeid dit voorstel niet gewoon in en geeft zij de studenten daarmee duidelijkheid en zekerheid over de wijze waarop zij hun studie kunnen invullen?

De heer Mohandis (PvdA):

Ik neem u even mee terug naar het moment waarop ik als voorzitter van de Jonge Socialisten bepleitte hoe je vanuit het profijtbeginsel eerlijker kunt delen wat betreft inkomensondersteuning enerzijds en kwaliteitsinvesteringen in het onderwijs anderzijds. U hebt het over het geven van zekerheid. Ik sta daarvoor omdat ik dat al een tijd vind en omdat het is afgesproken in het regeerakkoord. Er ligt een wetsvoorstel. Daarover zijn vragen gesteld door ons allemaal. We hebben als commissie afgesproken dat we nog dit jaar hierover in debat gaan. Ik ben het met u eens dat die duidelijkheid er moet zijn voor studenten. Die zal er niet zijn als je nu zegt: nou, we trekken het maar in en doen het even niet. Wellicht is er geen meerderheid in de Eerste Kamer, maar die meerderheid is hier wel. En ik sta hier.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

We staan hier in de Tweede Kamer. We weten dat dit wetsvoorstel ook in de Eerste Kamer een meerderheid zou moeten halen. We weten dat het pensioenakkoord na veel discussie in de Tweede Kamer is gestrand in de Eerste Kamer. Daarover was toentertijd veel onduidelijkheid. Nu is er mogelijk een herhaling van zetten. Waarom wordt er niet besloten om er gewoon mee te stoppen omdat er geen meerderheid is in de Eerste Kamer? Voor masteropleidingen moet het leenstelsel volgend jaar worden ingevoerd. Op dit moment is er geen meerderheid. Waarom wordt nu niet de stekker eruit getrokken, waarmee we duidelijkheid geven aan alle studenten die verder willen?

De heer Mohandis (PvdA):

Dat debat gaan we dit jaar nog krijgen. Op basis van dat debat moeten we met elkaar kijken hoe we tot elkaar kunnen komen om deze wet te realiseren. Als dat niet lukt, is dat de duidelijkheid die u op dat moment krijgt. Ik ben ook voor duidelijkheid voor studenten. Als een ruime meerderheid in deze Kamer het sociaal leenstelsel gewoon in het verkiezingsprogramma heeft staan, is het fair om de behandeling hier met elkaar te doen en op basis daarvan te kijken hoe we tot elkaar kunnen komen.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Ypma van de PvdA-fractie. De ene keer zeg ik "Iepma" en de andere keer "Ypma".

Mevrouw Ypma (PvdA):

Mevrouw de voorzitter, het is "Ypma". Loes voor de insiders.

De voorzitter:

Zo ken ik u!

Mevrouw Ypma (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Luuk van 9 jaar kwam afgelopen vrijdag superenthousiast thuis. Hij heeft in een groepje met zes andere kinderen iedere vrijdag les van de vader van Eileen. Ze praten dan over de economie, over vraag en aanbod, over consumenten en producenten. Ook krijgen ze uitdagende opdrachten waarover ze praten en denken en waarvan ze leren. Lisette is 8 jaar. Zij krijgt iedere vrijdag extra begeleiding in verband met haar dyslexie. Negen andere kinderen uit groep vijf lezen op vrijdag hun boek hardop met een tutor uit groep uit zeven of acht. De tutor helpt ze bij het lezen en legt de moeilijke woorden uit. Het zijn slechts voorbeelden hoe met passende vormen van onderwijs zowel achterstanden kunnen worden weggewerkt als toptalent kan worden gestimuleerd. Dit is passend onderwijs waar leerkrachten maar ook ouders, medeleerlingen en intern en ambulant begeleiders aan bijdragen.

Als excellent onderwijs betekent dat het maximale uit ieder kind wordt gehaald, wil ik heel graag mijn waardering uitspreken voor de oproep van de staatssecretaris om goede voorbeelden te geven voor de 2% tot 3% van de kinderen met een IQ boven 130. Kinderen zoals Luuk moeten leren leren op hun niveau, maar ik stel wel vast dat de term "excellent onderwijs" niet alleen betrekking heeft op toptalent, maar op het maximale halen uit ieder kind. Is de staatssecretaris dit met mij eens? Is hij bereid de teksten op bladzijde 11 vandaag te duiden en volgend jaar aan te passen? Wil hij heel helder maken dat excellent onderwijs niet alleen gaat over toptalent, maar over het maximale halen uit ieder kind?

De Partij van de Arbeid gunt ieder kind een passende plaats in het onderwijs. Hieraan kan niet genoeg aandacht worden besteed. Onderwijs is en blijft cruciaal voor de kansen van alle kinderen en jongeren, en ook van volwassenen om hun dromen waar te maken en hun doelen te bereiken. Ik vraag aandacht voor drie onderwerpen: het weigeren van leerlingen, de onzekerheid bij leerkrachten en het toezicht op de besteding van het budget zo veel mogelijk per school.

In Brandpunt hoorden wij dat 60% van de basisschooldirecteuren leerlingen weigert. Kinderen zijn regelmatig beter af in het speciaal onderwijs. Daarom blijven er ook in de toekomst 70.000 plekken beschikbaar voor kinderen in het speciaal onderwijs. Er zijn echter ook scholen die hoge prestaties behalen en goede leerkrachten hebben, maar die kinderen met een beperking of een extra leerbehoefte simpelweg weigeren. Ook die scholen moeten hun verantwoordelijkheid nemen en zorgleerlingen toelaten. Het moet geen wedstrijdje tussen scholen zijn, maar scholen binnen een samenwerkingsverband moeten er met elkaar uitkomen om alle kinderen met verschillende onderwijsbehoeften in de regio een passende onderwijsplek te geven in plaats van kinderen te etiketteren en buiten de deur te houden.

Dit geldt ook voor het voortgezet onderwijs en het mbo. Uit de bevindingen van het Meldpunt AUTI-Weigerscholen blijkt dat in vier maanden tijd 110 leerlingen met autisme door mbo-scholen zijn geweigerd. Achter deze meldingen gaat groot persoonlijk leed schuil. Jongeren voelen zich buitengesloten, raken gedemotiveerd en ouders maken zich grote zorgen over de toekomst van hun kind. Een moeder zei: "Helaas zit mijn zoon nu thuis en doet niks. Hij is zo teleurgesteld dat hij ook nergens meer iets wil proberen. Ik maak mij grote zorgen om zijn toekomst."

Ouders moeten nu zelf op zoek gaan naar een passende school, maar vanaf 1 augustus 2014 moeten scholen een passende onderwijsplek bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Deze zorgplicht betekent dat eerst wordt gekeken of het kind kan worden toegelaten op de school die de voorkeur heeft van de ouders. Als dit niet kan, gaat de school samen met de ouders op zoek naar een andere plek opdat het kind zo dicht mogelijk bij huis passend onderwijs krijgt.

Alle bezuinigingen op passend onderwijs zijn van tafel en de ambitie voor meer onderwijsbanen zorgt voor meer handen in de klas en bovendien voor minder handen in de administratie doordat wij dat ingewikkelde, complexe systeem van tafel gooien.

Investeren in leraren is noodzakelijk om te kunnen omgaan met de complexiteit in de klas. Uit gesprekken met leerkrachten blijkt dat zij zich afvragen: wat vraagt het passend onderwijs van mij als leerkracht, kan ik op de hulpvragen een passend antwoord geven, ben ik deskundig genoeg om het onderwijs zo aan te bieden dat ook deze kinderen daarvan kunnen profiteren? Leraren voelen zich gesteund door de school als zij bij een intern begeleider binnen school of een ambulant begeleider buiten school terecht kunnen en met ouders samen naar oplossingen kunnen zoeken. Het belangrijkste is dat leerkrachten de mogelijkheid krijgen om bij te leren. De ervaring van leerkrachten die dat doen, is zeer positief. Zij krijgen meer mogelijkheden om tegemoet te komen aan de behoefte van alle kinderen en leren op basis van reflecties. Hun blik reikt verder dan alleen hun eigen klas. Zij willen hiermee graag in hun team aan de slag en mengen zich in het beleid van de school. Het helpt niet als zij in medische modellen denken vanuit stoornissen, beperkingen en tekortkomingen, maar wel als zij zich in plaats daarvan de vraag stellen: hoe kunnen wij in onze omgeving zo werken dat alle kinderen kunnen meedoen aan het onderwijsproces? Als zij over zichzelf net zo nadenken als over hun leerlingen — wat zijn mijn mogelijkheden, wat kan ik al goed, hoe bouw ik dat uit, wat wil ik nog leren, wat zijn mijn hulpbronnen daarbij — kan er nog heel veel, want leerkrachten kunnen en weten al heel erg veel. Het is belangrijk om dat boven water te krijgen, te kijken hoe zij dat beter kunnen benutten en waarbij zij extra ondersteuning nodig hebben. Die moet dan ook worden geboden door de verbinding te leggen tussen het speciaal en het regulier onderwijs.

De voorzitter:

Hebt u het artikel uitgelezen, meneer Van Dijk?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ja, fijn dat u zo meeleeft. Zal ik het voor u kopiëren?

De voorzitter:

Dat is goed.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is namelijk een ontzettend goed artikel. Ik hoop dat mevrouw Ypma het ook heeft gelezen. Het is een onderzoek naar het passend onderwijs, "De rek is eruit", in het Schooljournaal van het CNV. Mevrouw Ypma vertelt heel goed de theorie, hoe het passend onderwijs zou moeten zijn: scholen die met elkaar samenwerken, samenwerkingsverbanden, speciaal onderwijs erbij. Dat is allemaal fantastisch, maar dat is papier; daarnet hadden we het daar al over. Nu de praktijk: steeds grotere klassen en steeds meer zorgleerlingen die op een gegeven moment niet meer in die speciale school kunnen worden opgenomen omdat een plafond geldt.

De voorzitter:

Uw vraag is?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vraag mevrouw Ypma of zij wil reageren op het volgende citaat: "Deze zorgkinderen kunnen door ons niet zo goed worden geholpen als in het speciaal basisonderwijs. Iedereen die iets anders zegt, staat of niet voor de klas of heeft boter op zijn hoofd".

Mevrouw Ypma (PvdA):

Natuurlijk moeten kinderen die speciaal onderwijs echt nodig hebben, nog steeds in het speciaal onderwijs terechtkunnen. En we moeten geen indianenverhalen vertellen; er blijven 70.000 plekken in het speciaal onderwijs voor de kinderen die dat echt heel hard nodig hebben. Net als de heer Van Dijk lees ik veel, maar ik ga ook iedere maandag en vrijdag het land in om te spreken met leerkrachten, met kinderen, met ouders in het onderwijs en overigens ook in de jeugdzorg, om te weten wat er speelt, wat er kan, wat de beperkingen zijn maar ook wat de kansen zijn. Ik was afgelopen maandag in Deventer, op een school met een ontzettend enthousiaste directeur en een heel enthousiast team leerkrachten. Zij hadden in de afgelopen zes jaar slechts één leerling geweigerd. Op hun school zit wel 45% kinderen die zeer moeilijk kunnen leren en echt behoorlijke beperkingen hebben. Toch is dat lerarenteam gaan kijken naar wat het kan met elkaar en hoe het zichzelf zou kunnen bijscholen. Men heeft daar behoorlijk geïnvesteerd in bijscholing. Men is goed gaan samenwerken in het samenwerkingsverband en met een school voor speciaal onderwijs. Het ging om een experiment, waarmee werd bekeken hoe het straks kan worden aangepakt als het passend onderwijs komt. Het kán dus. Ik zou dit zo graag willen meegeven aan de heer Van Dijk. Ik zie natuurlijk ook wel dat dit ingewikkeld is en dat leerkrachten dit spannend vinden. Wij moeten daar aandacht voor hebben. We kunnen niet opeens van de vloer naar de zolder schieten; het zal in stapjes moeten gebeuren. Ik geloof echter dat dit het toekomstbeeld is en dat we daarnaar moeten toewerken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vond dit een voorbeeldig antwoord. Een beetje lang misschien, maar het waren een en al volzinnen, het klonk echt goed en ging als een trein. U beschrijft een school waar het goed gaat. Dat is hartstikke mooi. Er zijn meer scholen, misschien gaat het wel op 40% van de scholen goed. Misschien gaat het op 60% van de scholen niet goed. Dan rijst de vraag welke feeling voor de realiteit de Partij van de Arbeid nog heeft. In uw antwoord mag u straks weer een mooi voorbeeld geven van een andere school waar het geweldig gaat. Dat mag allemaal, maar u kunt toch niet ontkennen dat heel veel scholen en de meerderheid van de schoolleiders dit niet zien zitten? Volgens mij heeft u twee opties: of u zorgt voor een fors extra budget voor dit dossier, voor meer handen in de klas en kleinere klassen; of u zegt dat we de scholen waar het niet goed gaat, ruimte moeten laten en meer tijd moeten geven. Deelt u die mening?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Dit kabinet gaat fors extra investeren in het onderwijs. Ik zal verderop ertoe oproepen om dat budget gericht in te zetten om het passend onderwijs te ondersteunen, voor opleidingsbudgetten, voor meer handen in de klas. Leerkrachten geven namelijk in allerlei onderzoek aan dat zij daaraan behoefte hebben. Dat men daaraan behoefte heeft, hoor ik ook in mijn gesprekken met de sector, die meneer Van Dijk waarschijnlijk ook heeft. Daarin moeten we dus investeren. Volgens mij staan wij hiervoor zij aan zij.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat was een deel van een antwoord. U gaat dus pleiten voor meer investeringen in onderwijs. Die komen er inderdaad. Maar even heel precies: gaat u pleiten voor meer investeringen in passend onderwijs, in dit dossier? En, zo ja, hoeveel dan? Mijn andere vraag blijft staan. Als uit onderzoek blijkt dat het niet goed gaat vanaf augustus volgend jaar, staat u dan open voor een andere invulling? Ik denk aan een gefaseerde invoering, of uitstel.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Dat zijn twee vragen. Het antwoord op de tweede vraag is "nee". Het antwoord op de eerste vraag … Wat was de eerste vraag?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Die ging over het geld.

Mevrouw Ypma (PvdA):

O ja, over het budget. Ik heb ontzettend veel vertrouwen in het onderwijs. Ik hoor in het onderwijs heel veel over het passend onderwijs. Er bestaat onzekerheid over. Leerkrachten vragen zich af wat dit precies voor hen betekent. Er zijn extra budgetten en ik heb er vertrouwen in. Hierover zijn afspraken gemaakt in het Onderwijsakkoord, maar ook bij alle andere onderdelen. Ik denk dat we het onderwijs vertrouwen moeten geven en de vrijheid om de budgetten te besteden waar dat nodig is. Ik ga er volledig van uit dat dit geld tegoed zal komen aan meer handen in de klas, meer opleidingsbudgetten en het beter leren omgaan met verschillen in de klas.

De heer Van Meenen (D66):

Over het eindbeeld en het belang van passend onderwijs is iedereen in het onderwijs het volgens mij eens. Iedereen is het er ook over eens dat geld daarin een belangrijke rol speelt, om al die handen in de klas en de extra kennis mogelijk te maken. We moeten niet vergeten dat er met passend onderwijs ook extra geld gaat naar de reguliere scholen gaat.

Eén ding is echter een harde realiteit. Op 1 augustus 2014 zullen die kinderen zich op een reguliere school melden. Wat is het criterium voor de Partij van de Arbeid in dezen? Is 2014 gewoon een gegeven of is het belang van kinderen uiteindelijk het criterium? Ik kom op scholen en bij besturen waar men echt nog niet verder is gekomen dan het passeren van de statuten van het samenwerkingsverband bij de notaris. Zelfs de docent van het jaar uit het po wist nog niets van passend onderwijs. Er was nog geen enkel scholingsplan. Is mevrouw Ypma het met mij eens dat het in zo'n situatie onverantwoord is om passend onderwijs in te voeren?

De voorzitter:

Dit is echt een heel lange interruptie.

De heer Van Meenen (D66):

Ja, het is een lange interruptie, maar het is ook een groot probleem.

De voorzitter:

Alles is een groot probleem. Korte interrupties en een korte reactie graag.

Mevrouw Ypma (PvdA):

De heer Van Meenen en ik zijn het er zeer over eens dat leraren betrokken moeten worden bij het passend onderwijs. Het gesprek hierover moet ook worden aangegaan. Dit moet natuurlijk een volledig proces zijn en daarom is het logisch dat dit in stappen plaatsvindt. Wij zijn het totaal met elkaar eens en hebben ook bij verschillende AO's gevraagd om de leerkrachten aan de voorkant van het proces erbij te betrekken. Daarin zit geen verschil. De Partij van de Arbeid wil het kind centraal zetten. Het is echt in het belang van dat kind dat de huidige complexe organisaties van tafel gaan. Wij moeten ervoor zorgen dat de zorg, zonder indicaties, dichtbij op school kan worden geboden. Zo halen wij het maximale uit ieder kind.

De heer Van Meenen (D66):

Mevrouw Ypma gaat volstrekt aan mijn vraag voorbij. Is de Partij van de Arbeid van mening dat het verantwoord is om passend onderwijs in te voeren op de plekken waar dit nu niet op orde is en waar dit ook niet zal gebeuren voor 1 augustus 2014, omdat die docenten er nog helemaal niet bij betrokken zijn?

Mevrouw Ypma (PvdA):

In Deventer vertelden ze me dat ze in 2006 al de kick-off hadden voor passend onderwijs. In 2006! Dat betekent dat ze al jarenlang bezig zijn met dat passend onderwijs. Ik ben het met de heer Van Meenen eens dat je bij een grote verandering altijd voorlopers hebt en scholen die daar wat achteraan hobbelen. Ik ga ervan uit dat scholen binnen zo'n samenwerkingsverband elkaar helpen, corrigeren en samen de verantwoordelijkheid nemen voor al die kinderen. Ik ben dus geen voorstander van een gefaseerde invoering. Het lijkt me ook totaal onuitvoerbaar.

De heer Van Meenen (D66):

Het is al eerder gebeurd. De tweede fase is ook gefaseerd ingevoerd.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Mevrouw Ypma en ondergetekende hebben zich ingespannen om de bezuinigingen op het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs ongedaan te maken. Dat is, met dank aan de staatssecretaris, voor een groot deel gelukt. Nu kijken we naar de verevening bij het passend onderwijs. Mevrouw Ypma noemde net even het voorbeeld van Deventer. Ik heb het er even bij gezocht. Ik krijg geluiden uit Deventer dat ze zich nog wel zorgen maken over de ongelijke verevening voor de bestedingen in het passend onderwijs. Kunnen we richting Deventer ook gezamenlijk optrekken? Het gaat om de verdeling van de middelen voor het passend onderwijs. Kunnen we kijken naar de regio's buiten de Randstad, om zo tot een goede verdeling te komen?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Dit onderwerp hebben we weleens eerder bij een AO besproken, maar ik ga er graag nog eens op in. Ik zie ook die verdelingsproblematiek. Daarom is er ook gekozen voor een lang invoeringsproces, waarbij de verevening niet in een keer zal plaatsvinden. Ik wil graag nagaan op welke termijn het allemaal mogelijk is, maar uiteindelijk moeten we wel toe naar zo'n verevening, omdat je anders slecht bedrag beloont, namelijk het besteden van zo veel mogelijk budget en het niet efficiënt besteden ervan. En dat wil ik niet en dat wil de heer Voordewind volgens mij ook niet. Natuurlijk kijk ik graag met hem naar het invoeringsproces, maar uiteindelijk moeten we wel naar die verevening toe.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De verevening moet inderdaad uiteindelijk in werking treden, maar er gaan nog wel een aantal jaren overheen voordat dit het geval is. Ik zie ook dat aan het begin van de periode de kosten 15 miljoen zijn et cetera en dat mensen middelen gaan mislopen. Tegelijkertijd hebben we bij het begrotingsakkoord 50 miljoen gereserveerd voor het passend onderwijs. Dus ik neem graag de handschoen op om samen met de PvdA te kijken wat er nog mogelijk is.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. De opleidingsbudgetten vanuit het onderwijs- en begrotingsakkoord moeten de eerstkomende jaren zo veel mogelijk gericht worden ingezet voor dit doel, want de sleutel ligt bij leerkrachten. Het geld moet bij de praktische ondersteuning van de leerkrachten in de klas terechtkomen en bij het vergroten van het handelingsrepertoire van leraren door praktijkgerichte en individuele bijscholing bij problemen waar ze tegen aanlopen. We hebben hierover de volgende vraag aan de staatssecretaris. Hoe bevorderen we dat opleidingsbudgetten zo veel mogelijk gericht worden op individuele bijscholing en het omgaan met verschillen?

Bij de Wet passend onderwijs hebben we gekozen voor een enorm grote vrijheid ten aanzien van de wijze waarop samenwerkingsverbanden de zaken financieel regelen. Leerkrachten willen graag de zekerheid dat het budget voor passend onderwijs daadwerkelijk in de klas terechtkomt en besteed wordt aan de ondersteuning van kinderen en leerkrachten bij het passend onderwijs. Voor de PvdA is bij de verantwoording en het toezicht de betrokkenheid van ouders, kinderen, leerlingen, studenten en leerkrachten cruciaal. We willen graag dat er per school maximaal gestuurd kan worden op de inzet van de middelen voor passend onderwijs, het versterken van de basisondersteuningsvoorzieningen en de individuele professionalisering van leraren om te leren omgaan met verschillen. We zouden ook graag zien dat in Vensters voor verantwoording het onderwijs zelf verantwoording aflegt over het passend onderwijs. Dus niet voor iedere euro een formulier en alles verantwoorden. Wij zouden het liefst zien dat samen met het onderwijs een regelsnoei wordt ingezet om minder regels te hebben maar waarbij men er wel iets zinnigs voor terugkrijgt, zoals outcome.

Wij willen voorkomen dat er weer centrale indicatiestellingen komen. Verder willen wij graag dat er goed gemonitord wordt, maar de staatssecretaris heeft ons al verschillende malen verzekerd dat dit ook gaat gebeuren.

Ik heb ontzettend veel bewondering voor een prachtig initiatief in Kats, waar ouders, leerkrachten en de dorpsgemeenschap een coöperatie hebben opgericht met zeven scholen uit heel Nederland, met de pabo's en de vakbonden samen, om kwalitatief goed onderwijs dichtbij te kunnen bieden. Ik zou graag de staatssecretaris willen vragen om dat experiment te omarmen en ook regelvrijheid te geven, uiteraard binnen de financiering waarbij we aandacht hebben gevraagd voor de laatste school binnen 3 km. Ik weet dat Jan Schuurman Hess, de initiatiefnemer hiervan, de volgende week een gesprek heeft met de staatssecretaris die, naar ik hoop, dat plan zal omarmen.

De heer Rog (CDA):

Ik wil mevrouw Ypma bedanken voor het feit dat ze dit punt opbrengt. Ik ben zelf ook erg enthousiast over dit initiatief. De feitelijke situatie die straks dan ontstaat, is dat er een coöperatie is met meerdere kleine scholen die via een vernuftig systeem aanspraak willen blijven maken op die kleinescholentoeslag die we met elkaar bedacht hadden omdat kleine scholen nu eenmaal relatief hogere vaste lasten hebben. Is mevrouw Ypma het met mij eens dat ook dat aspect van het experiment behouden zou moeten blijven?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Het wordt een beetje een herhaling van zetten, want wij hebben dit debat al eerder gevoerd. Ook toen heb ik hiervoor aandacht gevraagd. Sterker nog, ik heb een motie ingediend — die is ook aangenomen — om ervoor te zorgen dat in de financieringssystematiek rekening gehouden wordt met de laatste school in een straal van 3 kilometer. Mevrouw Straus en ik hebben daar een motie voor ingediend. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij daarmee aan de slag gaat in de uitwerking. Ook bij dit initiatief kan daarmee dus rekening worden gehouden.

De heer Rog (CDA):

Dat vind ik ook prachtig. Ik ben heel blij dat in ieder geval de laatste school behouden blijft, maar mijn vraag is de volgende. Als er in zo'n coöperatie kleine scholen zijn die toevallig niet de laatst overgebleven school zijn in een gemeente, zouden die volgens mevrouw Ypma dan ook aanspraak kunnen maken op dat experiment en kan zo de kleinescholentoeslag dan behouden blijven? Als mevrouw Ypma dat ook vindt, zullen wij het helemaal eens worden met elkaar. Fantastisch!

Mevrouw Ypma (PvdA):

Wij worden het hierover helaas niet eens. De heer Rog weet heel goed hoe wij erin staan. Ik zal dat niet herhalen.

Tot slot wil ik nog een vraag aan de minister stellen. Recente cijfers tonen aan dat het aantal laaggeletterden in Nederland stijgt van 1,1 miljoen mensen naar 1,3 miljoen mensen. In de OCW-begroting wordt echter een halvering van het budget voor het Actieplan laaggeletterdheid aangekondigd en de pilots laaggeletterdheid stoppen. Uit de eerste bevindingen van de pilots blijkt dat met minder geld meer cursisten geschoold moeten worden. Dat laatste is hard nodig in een tijd waarin het aantal laaggeletterden zo stijgt. Ik verzoek de minister om geen budgettaire besluiten te nemen over de pilots laaggeletterdheid voordat deze geëvalueerd zijn. Immers, bij succes moet er ruimte zijn om nieuwe aanpakken landelijk uit te rollen. Daarnaast leg ik bij haar de nadrukkelijke wens van de PvdA neer voor extra financiële ruimte voor dit levensgrote probleem voor 1,3 miljoen mensen. Deze pilots gaan niet om vreselijk veel geld, maar wel om een heel groot maatschappelijk probleem.

Van de commissie-Dijsselbloem heb ik geleerd dat wij geen paniekvoetbal moeten spelen in het onderwijs, maar rust en ruimte moeten bieden. Daarom wil de PvdA het "wat" bepalen, investeren in leerkrachten en hun vertrouwen en ruimte geven, zodat zij het "hoe" kunnen bepalen en hierdoor het maximale uit ieder kind kunnen halen, zodat wij ieder talent ontdekken en ontwikkelen.

De voorzitter:

Mijnheer Van Dijk, een heel korte interruptie graag.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De maatschappelijke stage wordt helaas afgeschaft door dit kabinet. Die stage is met groot enthousiasme ingevoerd door de PvdA. Nu is er extra geld beschikbaar. Valt er met mevrouw Ypma te praten over het behoud van die prachtige maatschappelijk stage?

De voorzitter:

Een kort antwoord graag, mevrouw Ypma.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik heb uit onderzoeken begrepen dat zo'n twee derde van de scholen aangeeft de maatschappelijk stage in afgeslankte vorm in stand te houden. Ik heb prachtige voorbeelden van maatschappelijk stages gezien, ook in de gemeente waar ik wethouder ben geweest. Ik heb echter ook veel scholen gesproken die het niets vonden, die het een verplichting vanuit Den Haag vonden waar zij niet aan mee wilden werken. In deze tijd moeten wij prioriteiten stellen. Daarom willen wij dit budget graag inzetten om te investeren in leraren en schoolleiders. Het punt dat collega Mohandis net heeft gemaakt, is dat niemand het onderwijs mag verlaten zonder stage. Dat is onze prioriteit. Wij vinden de maatschappelijke stage van waarde, maar laten die doorgaan op de wijze die twee derde van de scholen aangeeft.

De heer Jasper van Dijk (SP):

In normaal Nederlands zegt u dus: schrap het budget maar en laat de scholen het zelf maar uitzoeken. Dat vind ik buitengewoon zonde. De PvdA heeft die stage nota bene zelf ingevoerd. Het is echt een teken van maatschappelijke betrokkenheid om eens buiten de school te kijken. Het is kapitaalvernietiging als je de inspanningen nu vernietigt. Het is ook zwabberbeleid. Die stage is net ingevoerd, de scholen zijn er net mee aan de gang en 80% van de schoolleiders vindt het een hartstikke goed punt. Wil mevrouw Ypma nagaan of, met het extra geld dat nu beschikbaar is, voortzetting van dit mooie fenomeen mogelijk is?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik wil altijd kijken naar goede voorstellen. Die krijgen dus ook altijd een kans. Ik wil wel benadrukken dat er sprake was van een aanvullende bekostiging bovenop de reguliere bekostiging van het onderwijs. Het onderwijs heeft een vrij ruime mogelijkheid om te bepalen hoe die reguliere bekostiging van het onderwijs wordt ingezet. Dat geld kan worden ingezet voor reguliere onderwijstijd, maar dat kan ook worden ingezet voor een maatschappelijke stage.

De heer Rog (CDA):

Ik wil mijn laatste interruptie voor een ander punt gebruiken. Mevrouw Ypma heeft de heer Dijsselbloem aangehaald en spreekt over ruimte voor leraren. Dat is mij natuurlijk uit het hart gegrepen. Dat kan niet bij woorden blijven, dat moeten we ook materialiseren. Mijn vraag aan mevrouw Ypma is de volgende. Wij hebben in dit huis vaker gesproken over het wel of niet verplicht stellen van een kleutertoets, maar er is nooit een parlementaire meerderheid geweest die deze kleutertoets wilde invoeren. Een ruime meerderheid, waarvan ook de fractie van mevrouw Ypma en die van mij deel uitmaakten, was tegen die kleutertoets. Via een omweg is de inspectie er echter in geslaagd om de kleutertoets toch op te leggen aan het basisonderwijs. Is mevrouw Ypma het met mij eens dat wij dat moeten stoppen?

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik ga me hier ietwat gemakkelijk van afmaken. Ik ben eerst benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris hierop. Ik heb heel veel kritische rapporten over de kleutertoets gezien. Ik lees dat het nog niet mogelijk is om kinderen in groep 1 en 2 goed te toetsen en dat het slechts momentopnames zijn. Maar ik ben aan de andere kant ontzettend benieuwd naar de pilot leerwinst aan de hand waarvan we kunnen zien hoe een kind een school binnenkomt en hoe het kind de school weer verlaat. Dan kun je namelijk iets zeggen over de toegevoegde waarde van een school. Dat zegt wat mij betreft veel meer dan de Cito-score. Die zegt eigenlijk vrij weinig over de kwaliteit van het onderwijs. Als je kunt gaan kijken naar de toegevoegde waarde van de school, zegt dat heel veel. Dat betekent wel dat je op enig moment moet beginnen met toetsen. Dat zou wel eens in groep 3 kunnen zijn. En er moet ook een eindtoets zijn.

De heer Rog (CDA):

Ik ben wel een beetje teleurgesteld dat we nooit met elkaar hebben gezegd dat we dit moeten invoeren en dat mevrouw Ypma gedoogt dat we een inspectie hebben die ervoor zorgt dat dit soort toetsen worden opgelegd aan het onderwijs. Dat vind ik niet passen bij het hartstochtelijke betoog van mevrouw Ypma om die ruimte voor leraren te organiseren.

De voorzitter:

Mevrouw Ypma, graag een korte reactie.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik heb eigenlijk geen vraag gehoord.

De voorzitter:

Dat klopt.

In verband met de lunchpauze zullen we tot 13.50 uur schorsen. Daarna gaan we verder met de behandeling van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.25 uur tot 13.50 uur geschorst.