Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 82, item 4

4 Integriteit en transparantie energiemarkt

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Wet op het financieel toezicht, de Wet op de economische delicten en het Wetboek van Strafvordering (uitvoering van een verordening betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie) (33510).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Leegte (VVD):

Voorzitter. We spreken nu over de transparantie en de integriteit van de groothandelsmarkt voor energie. De implementatie van de Europese verordening maakt deel uit van de zogenaamde wetgevingsagenda STROOM. Die agenda bestaat uit vier wetswijzigingen die gezamenlijk voorzien in een grondige actualisatie van de wet- en regelgeving op energiegebied. Maandag 3 juni zullen wij de hele dag spreken over een aantal andere wijzigingen. Voor mijn inbreng begint, wil ik graag de minister bedanken voor het laten verzorgen van de technische briefing aan de vaste Kamercommissie over de resterende wijzigingen. Zo zullen wij goed op de hoogte zijn van de inhoud en de gebeurtenissen en zullen wij die debatten goed kunnen voeren.Vandaag gaat het erom dat de groothandelsmarkt voor energie goed functioneert en dat marktpartijen erop kunnen vertrouwen dat de markt integer en transparant is. Transparantie is immers essentieel om te kunnen optreden tegen marktmisbruik. Het is van belang omdat de Europese markt steeds verder integreert en misbruik in land 1 grote gevolgen kan hebben voor consumenten in land 2. Het belang van het onderwerp wordt onderstreept door het feit dat we spreken over de invoering van een verordening en niet over een richtlijn of een mededeling, die veel meer speelruimte overlaat voor aanpassingen in de verschillende landen. Maar goed, de ruimte voor de verschillende parlementen om input te leveren is ruim geweest in de voorbereidende fase. Dat was ook het geval tijdens de verschillende algemene overleggen ter voorbereiding op de vergadering die de minister in Brussel had. Ten slotte heeft de Raad van State geen opmerkingen over dit wetsvoorstel. In aanvulling op deze constateringen heeft de VVD drie hoofdvragen.

Ten eerste. Is Nederland niet strenger dan de verordening vraagt? Met andere woorden, zetten wij met deze wijziging nog koppen op de Europese wetgeving? Graag wil ik een bevestiging van de minister dat dit niet het geval is.

Ten tweede. Voeren andere landen de verordening wel echt uit zoals die bedoeld is? Met name voor het toezicht op de naleving en de handhaving is het belangrijk dat alle landen deze verordening adequaat uitvoeren. Immers, een wet zonder sanctie is als een krijtstreep onder een voetzool. Het risico van misbruik blijft dan bestaan, met alle financiële risico's voor inwoners van andere landen van dien. Graag hoor ik van de minister hoe hij in de gaten houdt dat ook andere landen toezicht en handhaving niet alleen op papier maar ook in de praktijk goed zullen regelen.

Ten derde. In hoeverre kan de minister inzichtelijk maken dat de toename van administratieve lasten als gevolg van deze wet geminimaliseerd is?

Lezende over de gegevensverzameling en registratie, bekroop mij ineens het Icesave-scenario: een bank die ingeschreven stond in een fatsoenlijk land als IJsland werd door de Nederlandsche Bank slechts marginaal getoetst. We kennen de uitkomst. De afronding kennen we nog niet helemaal, maar de uitkomst wel. Mijn vraag aan de minister is dan ook: in hoeverre worden Icesave-achtige toestanden voorkomen binnen de energiesector? Iedereen vertrouwt immers op de initiële registratie in een land. Dit is geen pleidooi voor extra administratieve lasten. Dit moet gezien worden in het licht van mijn eerdere vraag over het gelijke speelveld tussen landen op het gebied van toezicht en handhaving.

Maar wat wij vragen van anderen, moeten wij natuurlijk ook zelf goed voor elkaar hebben. De minister legt de verantwoordelijkheid voor het toezicht primair bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Op onderdelen zal de ACM afspraken maken met de Autoriteit Financiële Markten over de samenwerking. Kan de minister aangeven hoe die samenwerking precies gaat verlopen? Wat is de procedure als er verschil van inzicht ontstaat tussen beide instellingen? Hoe heeft de minister gewaarborgd dat de ACM voldoende is toegerust op haar nieuwe taak en voldoende capaciteit heeft?

Ten slotte heb ik een vraag naar aanleiding van deze wet. Graag wil ik de minister kort meenemen naar een iets bredere context van deze wet, want energie is een wereldwijd vraagstuk. De ontwikkeling van schaliegas in de Verenigde Staten heeft direct gevolg op de prijs van kolen in de Europese Unie. Ontwikkelingen rond kernenergie in Japan voelt Europa in de prijs en in de beschikbaarheid van lng. Natuurlijk zou iedereen willen dat wij vandaag een energiebron hebben die gratis is, waarbij geen sprake is van CO2-uitstoot en die bovendien betrouwbare levering van energie kan garanderen. Het eerlijke verhaal is echter dat er geen energiebronnen zijn zonder nadelen. Het erkennen van deze feitelijkheid vergt een zekere politieke moed, want het bederft het feestje van alle mensen die zo graag willen geloven dat wij in Europa of in Nederland een eigen koers kunnen varen en dat de oplossingen binnen handbereik zijn. Ook de VVD-fractie zou willen dat het anders is. Echter, zolang 2 miljard mensen op deze aarde hunkeren naar betaalbare energie, zullen alle goedkope fossiele brandstoffen ergens in de wereld opgestookt worden. Dat is een van de belangrijkste redenen waarom de wereldwijde CO2-uitstoot blijft stijgen, en stijgen, en stijgen. We hebben onlangs weer een nieuw record gemeten.

Ik sprak onlangs met een hoge ambtenaar uit de Verenigde Staten. Hij vroeg zich af waarom Europa klimaatleiderschap claimt. Deze man zag heel veel woorden, maar weinig wol. De CO2-uitstoot in Duitsland groeit immers, en nog belangrijker: de CO2-import neemt steeds verder toe. Ik kan niet genoeg benadrukken dat de CO2-import een belangrijke indicator is voor het verdwijnen van werkgelegenheid uit Europa. Het gevolg is dat de wereld warmer, en Europa armer wordt. En dat terwijl het juist zo is dat, hoe meer chemische producten Europa bijvoorbeeld zou maken, hoe beter dat is voor klimaat en milieu. Wij doen dat namelijk efficiënter dan de rest van de wereld. Wiegel zei het vroeger al: politici moeten niet kakelen, maar eieren leggen.

Wie zich echt zorgen maakt over de ontwikkelingen, kan niet anders dan concluderen dat in Europa beter moet worden samengewerkt. Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken is een voorbeeld. Het is belangrijk voor de verdere integratie van de interne energiemarkt. Het wetsvoorstel is echter in zekere zin noodzakelijk, maar onvoldoende. In hoeverre denkt de minister dat deze verordening een eerste stap is op de verdere weg naar een landsoverschrijdende TSO? Pas als er bijvoorbeeld één TenneT is voor de hele Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt, kunnen wij echt slagen maken in de Europese samenwerking, kosten besparen, en daarmee ook CO2.

Bovendien zullen we moeten nadenken over hoe landen slim gebruik kunnen maken van elkaars comparatieve voordelen. Het onlangs uitgekomen groenboek A 2030 framework for climate and energy policies van de Europese Unie is vanwege het totaal ontbreken van welke concrete keuze dan ook een enorme kans om in Europees verband nu wel de goede dingen te gaan doen. Drie dingen zijn daarbij voor de VVD belangrijk. Ten eerste moet er na 2020 één CO2-doelstelling komen. Ten tweede moet er één gemeenschappelijke capaciteitsmarkt ontstaan voor elektriciteit. Ten derde moet de energiepolitiek gericht zijn op betaalbaarheid en op maatregelen die mondiaal tot een echte oplossing leiden. Met die bril zal de VVD ook alle andere wetsvoorstellen in het kader van stroom beoordelen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter. Misbruik van marktmacht moet aangepakt worden, in alle sectoren van de economie. Dat geldt ook voor de energiesector. De hamvraag is of deze EU-verordening en de verankering daarvan in Nederlandse wetgeving ervoor zorgen dat dit goed geregeld wordt. De verordening heeft alleen betrekking op transacties binnen de Europese Unie. De Europese Unie is op mondiale schaal echter een zeer bescheiden speler op de energiemarkt. Ook de bedrijven die opereren op de Europese energiemarkt zijn vaak onderdeel van een mondiaal systeem. Mijn eerste vraag aan de minister is daarom of deze wet voorkomt dat het misbruik van marktmacht juridisch plaatsvindt op een locatie die niet onder EU-wetgeving valt. En zo nee, kunnen we dan verwachten dat deze achterdeur in de toekomst op grote schaal gebruikt wordt? Wat gaan we daaraan doen?

Dan kom ik bij mijn tweede vraag. Het wetsvoorstel heeft betrekking op misbruik van marktmacht bij de handel in gas en elektriciteit. Hoe is die bescherming tegen misbruik bij de handel in andere energiedragers als kolen en aardolie geregeld? Als die niet nog geregeld is, zou dan niet naar analogie een vergelijkbaar stelsel opgetuigd moeten worden?

De SP-fractie vroeg bij de schriftelijke inbreng naar de argumentatie om marktdeelnemers een rol te geven in de handhaving van de wet. Dat is een vorm van zelfregulering die naar onze mening risico's oplevert. De minister stelde in zijn antwoord: "Op de naleving van de verplichting voor marktdeelnemers om voorwetenschap te melden, wordt door de NMa toezicht gehouden en zal bij overtreding zo nodig worden gehandhaafd." Kan de minister aangeven hoe dit toezicht wordt vormgegeven? Is er sprake van actief of passief toezicht? Kunnen alleen bedrijven worden aangepakt, of ook personen?

De handhaving bij geconstateerde overtredingen wordt toevertrouwd aan de nationale toezichthouders, en eventueel aan de nationale openbaar ministeries. Is er enige waarborg dat deze nationale autoriteiten in lidstaten geen strategisch gedrag gaan vertonen, bijvoorbeeld omdat de overtreder een sterke machtspositie heeft binnen de nationale economie?

De SP-fractie vraagt zich verder af of er binnen het kader van het wetsvoorstel ook iets gedaan kan worden aan het groeiend probleem van de frequentiebeheersing op het elektriciteitsnetwerk, waarvan steeds duidelijker wordt dat de bestaande marktmechanismen niet in staat zijn om dit op een deugdelijke wijze te regelen bij een groeiend aandeel duurzame stroom. Marktpartijen optimaliseren op hun eigen financiële rendement en dat kan ertoe leiden dat ze kiezen voor trage kolencentrales op het net terwijl dit extra risico's en extra maatschappelijke kosten oplevert op het gebied van de leveringszekerheid. Weliswaar is er in juridisch zin geen misbruik van marktmacht in die situatie, maar is het wel een direct gevolg van de anarchistische wijze waarop de groothandelsmarkt in elektriciteit na de liberalisatie van de energiemarkt geregeld is. Hoe gaan we daarin verandering brengen? De heer Leegte pleitte zojuist in zijn inbreng voor een Noordwest-Europese TSO. Op dat punt deelt de SP-fractie zijn analyse. Ook wij denken dat het hoog tijd wordt dat er minimaal een regionale netbeheerder komt voor alle grensoverschrijdend en binnenlandse dikke kabels en leidingen. Wat de SP-fractie betreft zou die TSO in meerderheid in publieke handen moeten zijn. In Nederland is die op dit moment 100% in publieke handen en in sommige andere landen is die volledig geprivatiseerd, maar wij denken dat zo'n TSO minimaal voor 51% in handen van de overheid zou moeten zijn. Het eigendom zou dan naar rato verdeeld moeten zijn over de deelnemende landen, afhankelijk van het aantal inwoners of de hoeveelheid kabels en leidingen in die landen.

Die maatregel is volgens ons echter niet voldoende om ook op termijn de balans op het netwerk te handhaven, ook met het oog op de risico's voor het frequentiebeheer. Het is ook hoog tijd dat de regulering van de elektriciteitsmarkt wat minder gebaseerd wordt op de anarchie van de vrije markt en wat meer op een optimale verzekering van de leveringszekerheid en optimale inpassing van duurzame stroomproductie. Ik zou van de minister graag vernemen op welke termijn hij denkt op dat punt met voorstellen naar de Kamer te komen. Ik overweg op dat punt een motie. Ik zie de minister nu een beetje onrustig op zijn stoel heen en weer schuiven, dus laat ik hem van de spanning verlossen: de SP-fractie zal het wetsvoorstel steunen.

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. Vandaag behandelen we het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet en een aantal andere wetten ten behoeve van de transparantie van de groothandelsmarkt voor energie. Ik dank de minister en zijn ambtenaren voor de uitgebreide schriftelijke beantwoording die vooraf is gegaan aan dit overleg.

In het wetsvoorstel wordt geregeld dat de ACM instrumenten krijgt om de transparantie van de groothandelsmarkt voor energie te bevorderen en om machtsmisbruik te voorkomen. Het is een belangrijk onderwerp. In de Verenigde Staten hebben we begin 2000 gezien dat er behoorlijk wat gemanipuleerd is en dat er sprake was van gaming, hetgeen leidde tot een grote stroomstoring waar veel consumenten de dupe van waren en tot faillissement van het lokale energiebedrijf. De energiebedrijven worden in dit voorstel verplicht om voorkennis onverwijld te melden aan de toezichthouder. Zij worden ook verplicht om informatie over de productie-, opslag- en transportcapaciteit door te geven aan de toezichthouder. Dit betreft de doorvertaling van een al aangenomen en van kracht zijnde Europese richtlijn uit 2011. De regels van deze verordening zijn door de rechtstreekse werking dus in beginsel al van kracht.

De fractie van de Partij van de Arbeid is voorstander van integere en transparante energiemarkten. Dit wetsvoorstel kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Er is daarom zeker geen bezwaar tegen het wetsvoorstel. Ik wil toch nog wat puntjes op de i zetten.

Het valt op dat er maar liefst vier instanties betrokken zijn bij deze wet: de ACM, het Europees agentschap ACER, de AFM en het OM. Heb ik het nu goed begrepen dat de marktdeelnemers inbreuk op de artikelen artikel 3, 4 en 5 van de verordening, dus marktmanipulatie en melding van voorkennis, moeten melden bij de ACM, dat die markttransacties zelf gemeld worden bij ACER en dat deze laatste op verzoek van de ACM de gegevens weer aan de ACM verstrekt? Hoe werkt dat dan in de praktijk? Is er sprake van goede afstemming tussen die organisaties? Ik heb begrepen dat er met het maken van afspraken tussen de ACM, het OM en de AFM wordt gewacht tot de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Waarom gebeurt dat niet nu al? Ik denk dat we daar zo snel mogelijk de gang in kunnen zetten.

Op blz. 7 van de nota naar aanleiding van het verslag staat dat de ACM nog zal beslissen over de structurele inzet voor het toezicht op de verordening. Wanneer kan hier meer duidelijkheid over verwacht worden?

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Mevrouw Agnes Mulder van het CDA zal het wetsvoorstel recenseren in 60 seconden.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. Het is goed dat er in de Europese Unie gezorgd wordt voor een gelijk speelveld met betrekking tot integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie. In een energiemarkt, en zeker steeds meer in een Noord-Europese energiemarkt, zijn openheid en integriteit van groot belang. De CDA-fractie vraagt zich af of de strafmaat in Nederland hetzelfde is als in de andere EU-lidstaten. Of is die afwijkend en, zo ja, waar is dit dan het geval? In hoeverre hebben de andere lidstaten inmiddels de verordening in nationale wetgeving omgezet?

De CDA-fractie is tegen koppen op Europese wetgeving. Wij vinden dat we het netjes moeten doen, maar roomser dan de paus is beslist niet nodig.

De vergadering wordt van 11.51 uur tot 12.03 uur geschorst.

Minister Kamp:

Voorzitter. Wij spreken over de REMIT-verordening. REMIT staat voor Regulation on Energy Markets, Integrity and Transparancy. Het is het Europese kader om integriteit en transparantie op de energiemarkt in Europa te waarborgen. Voor de financiële markten in Europa bestond al geruime tijd Europese regelgeving. Nu komt deze regelgeving er ook voor de energiemarkt en dan in het bijzonder betreffende elektriciteit en gas.

De Europese energietoezichthouders hebben een analyse gemaakt. In Nederland is de ACM die toezichthouder. In Europa zijn er ook toezichthouders op de financiële markten. In Nederland zijn dat de Nederlandsche Bank en de AFM. Die toezichthouders zijn georganiseerd in koepels; de energietoezichthouders in de ERGEG en de financiële toezichthouders in de CESR. Die beide koepels zijn bij elkaar gekomen en zij hebben gezegd dat voor de Europese markt voor gas en elektriciteit het toezicht inhoudelijk op dezelfde manier moet worden geregeld als voor de financiële markt.

De Europese Commissie heeft hierop gereageerd. Zij heeft vastgesteld dat door het garanderen van de integriteit en transparantie van die markten, ook kan worden gegarandeerd dat op de juiste manier een efficiënte prijs tot stand komt en dat de juiste investeringssignalen worden gegeven. Je bereikt dan dat je die investeringen krijgt die je voor de toekomst wilt hebben. De integriteit van de markten houdt in dat er eerlijk gedrag moet zijn van de marktpartijen. De transparantie van de markt houdt in dat er op een bepaald niveau informatie beschikbaar moet zijn zodat op grond daarvan verzekerd kan worden dat er een goede marktwerking zal zijn.

De verordening regelt een aantal zaken: een verbod op voorwetenschap, verplichting tot het tijdig openbaar maken van wetenschap, een verbod op marktmisbruik en een rapportage over transactiedata. Als je iets doet, rapporteer je aan het Europese agentschap ACER dat je iets hebt gedaan en wat, vervolgens moet het agentschap die transactiedata monitoren en combineren met andere informatie waarover het beschikt. Die informatie is dan toegankelijk voor de toezichthouders in alle Europese lidstaten die vervolgens op grond van die informatie de naleving van en het toezicht op de Europese verordening die nu door de Europese Commissie is opgesteld, kunnen regelen.

Een Europese verordening heeft rechtstreekse werking en behoeft geen implementatie door ons. Wij moeten de naleving en de handhaving van die verordening wel regelen en dat gebeurt met het wetsvoorstel dat nu voorligt. In de verordening wordt gesteld dat alle lidstaten voor 29 juni de zaak geregeld moeten hebben. Dan moet duidelijk zijn hoe de nationale toezichthouder het toezicht zal houden en welke bevoegdheden de toezichthouder heeft voor onderzoek en handhaving. Als dit wetsvoorstel voor 29 juni wordt aangenomen door de Tweede en de Eerste Kamer, hebben wij de zaak op orde. Op dit moment hebben alleen Duitsland en Frankrijk het geregeld; de andere landen van de Europese Unie, inclusief Nederland, nog niet. Wij zijn er echter wel vlak bij.

Om aan de eisen van de verordening tegemoet te komen, zijn wij van mening dat in Nederland zowel bestuursrechtelijke handhaving door de ACM moet plaatsvinden als ook strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie. Daarover wordt ook verschillend gedacht. In Duitsland gebeurt het net zo, maar in Frankrijk is alleen bestuursrechtelijke handhaving. Wij vinden dat beide vormen van handhaving er moeten komen. De Europese Commissie zegt dat er effectieve en afschrikwekkende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de verordening wordt nageleefd. De Europese Commissie zal dus steeds beoordelen wat elk land nu precies heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de verordening wordt nageleefd. Is dat voldoende? Als het niet voldoende is, kan de Commissie optreden. Men is inmiddels gewend om dat te doen, via een zogenaamde infractieprocedure. Dat heeft, zeg ik tot uw geruststelling, niets met schaliegas te maken.

De bestuursrechtelijke handhaving vindt plaats door de ACM. Wij laten dit doen door onze mededingingsautoriteit. De strafrechtelijke handhaving gebeurt natuurlijk door het Openbaar Ministerie. Wat de rapportageverplichting betreft: er moet over allerlei zaken worden gerapporteerd. Wij hebben ons ervoor ingezet in Europees verband dat dit effectief moet zijn, maar administratief niet te gecompliceerd. De rapportageverplichting moet niet allerlei onnodige rompslomp meebrengen. Het is nu zo georganiseerd dat ieder bedrijf een en ander in Europa moet melden. Dat is heel verstandig, omdat sommige bedrijven iets doen wat voor de helft in het ene land en voor de andere helft in een ander land effect heeft. Ook kunnen ze in het ene land zitten en iets doen dat alleen in het andere land werkt. Er zijn allerlei dingen mogelijk, waarbij je in een land iets doet wat effect heeft op een ander land. In het andere land is de desbetreffende informatie dan niet bekend bij de toezichthouder. Wat wij nu gaan regelen is dat alle informatie door iedere betrokken instelling en persoon bij het Europees Agentschap moet worden gemeld. Daar wordt de informatie gecombineerd met andere informatie waarover men beschikt. Er wordt voor gezorgd dat al die toezichthouders in de Europese landen er de beschikking over krijgen en dat zij ervoor kunnen zorgen dat de maatregelen worden genomen die noodzakelijk zijn. Ik heb al gezegd dat het wat Nederland betreft zowel om bestuursrechtelijke als strafrechtelijke handhaving gaat. Mevrouw Mulder vroeg of dit inhoudt dat behalve bedrijven ook personen aangepakt kunnen worden. Het antwoord daarop is ja. Dat houdt het inderdaad in.

Wij denken dat van deze combinatie van rapportageplicht – waarbij men moet vertellen wat men gaat doen – monitoring, strafbaarstelling en toezicht op de naleving een grote preventieve werking zal uitgaan. Het gaat om bedrijven die grote elektriciteits- en gasnetten beheren. Het zijn dus geen cowboys, maar bedrijven die belang hebben bij een goede relatie, niet alleen met hun afnemers, maar ook met overheden. Als wij hun duidelijk maken waaraan zij zich te houden hebben en wat de straffen zijn als zij dat niet doen, mag je ervan uitgaan dat je er een heel eind mee komt. Mocht dit niet zo zijn, dan zullen die straffen worden uitgedeeld. Wij verwachten dus een grote preventieve werking van deze aanpak. Om die reden hebben wij met overtuiging dit voorstel aan de Kamer gedaan.

De heer Leegte vroeg zich af of Nederland met deze verordening strenger is dan zou moeten en of wij in een of andere vorm een Nederlandse kop erop hebben gezet. Dat doen wij absoluut niet. Wij doen alleen wat in de verordening staat. Wij doen dat op zodanige manier dat wij denken dat wij materieel aan de bedoeling van de verordening tegemoetkomen. De Europese Commissie zal dat beoordelen, maar daarover maken wij ons niet ongerust.

De heer Leegte vroeg zich af of andere landen dit ook doen. Ik kan de heer Leegte vertellen dat mijn ervaring iedere keer opnieuw is dat de Europese Commissie de verordeningen en de uitwerking van richtlijnen in de vorm van wetten in de verschillende landen nauwgezet volgt. Als er iets niet goed is krijgt men een waarschuwing en anders een infractieprocedure. Voordat je heet weet, sta je voor het Europese Hof. Op grond van de ervaring ben ik er echt van overtuigd dat de Europese Commissie ervoor zal zorgen dat deze verordening door alle landen in Europa naar de letter en de geest zal worden nageleefd.

De heer Leegte zegt dat hij niet voor onnodige administratieve lasten is. Het mag volgens hem ook niet zo zijn dat wij ons in slaap laten wiegen met een registratie die verder niet veel voorstelt en dat er vervolgens op een Icesave-achtige manier allerlei problemen gaan ontstaan. Het laten registreren van een transactie ontslaat je niet van je verplichtingen. Die verplichtingen zijn vastgelegd in landelijke en in Europese regels. Daar heeft men zich sowieso aan te houden. Daar bovenop komt nog een registratieverplichting. Die maakt het mogelijk om na te gaan of men inderdaad doet wat men moet doen, en of men, als men iets doet, dat ook op de juiste manier doet. Dat geeft een extra mogelijkheid om toezicht en handhaving te vereenvoudigen. Het gaat niet om een vergunningssysteem, het gaat alleen om een registratiesysteem. Voor de rest blijven alle regels en voorschriften ten aanzien van vergunningen gewoon in stand.

Ik heb al gezegd dat een en ander Europees wordt gedaan en dat de informatie in kwestie weer naar de betrokken landen gaat. Bij grensoverschrijdende transacties zal het Europees Agentschap ervoor zorgen dat de toezichthouders in de desbetreffende landen erop geattendeerd worden, zodat ze daar adequaat kunnen gaan handelen.

De heer Leegte vroeg ook of ik kan aangeven hoe dit in de praktijk zal verlopen en hoe de samenwerking tussen de ACM voor de energiemarkt en de AFM voor de financiële markten zal gaan lopen. Hij vroeg ook of men op een adequate manier tot een conclusie zal kunnen komen indien zich daarin problemen voordoen. Voorts vroeg hij of ik gewaarborgd heb dat de ACM voldoende is toegerust op deze nieuwe taak en daar voldoende capaciteit voor heeft. Ik denk dat er voor de opsporing van overtredingen en het verzamelen van bewijs een heel nuttig verband gelegd kan worden tussen wat er op de energiemarkt gebeurt en de financiële markten. Het gaat om heel grote investeringen, grote transacties. Deels zijn dat transacties in contents op de energiemarkt en deels zijn het transacties in geld. De informatie over beide moet aan elkaar gekoppeld worden om de toezichthouders hun werk goed te laten doen. De toezichthouders hebben hun eigen regels daarvoor. Ze kennen elkaar heel goed. Ze hebben afspraken gemaakt over het uitwisselen van informatie. Dat zijn heel praktische zaken. Zij kunnen in concrete gevallen ook gezamenlijk onderzoek doen en ze zijn allebei wettelijk gemachtigd om informatie aan de andere toezichthouder over te dragen en dat doen ze ook. Ze hebben ook absoluut de intentie om de gemaakte afspraken goed na te komen. Om dat nog eens extra duidelijk te maken, zijn ze van plan om dat in een samenwerkingsovereenkomst vast te leggen.

Wat precies de capaciteit is die de ACM daarvoor zal vrijmaken, kan ik niet zeggen. Dat wil ik ook graag overlaten aan de ACM. We hebben met elkaar besloten om één toezichthouder te maken, waar de OPTA in zit, de Autoriteit Consument en Markt en de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Dat is de nieuwe ACM geworden, die beschikt over honderden mensen en over allerlei mogelijkheden. De ACM heeft ook allerlei verplichtingen en taken, en ze moet er met de mogelijkheden die ze heeft, voor zorgen dat ze al die taken op een goede manier kan uitvoeren. Hoe ze dat precies gaat doen, moet ze zelf nader bestuderen en uitwerken. Ze moet ook in de praktijk kijken of het goed werkt en als dat niet zo is, moet ze dingen verschuiven. Ik denk dat we dat in alle vertrouwen aan de ACM kunnen overlaten.

De heer Leegte gaf aan dat er naar zijn mening maar één netbeheerder in Europa zou moeten zijn, althans in Noordwest-Europa. Ik neem aan dat hij één netbeheerder voor de elektriciteit bedoelt en één netbeheerder voor het gas. Ook de heer Jansen heeft daar wat over gezegd. Ik zal ook daarop straks ingaan. Ik denk dat je één netbeheerder in Noordwest-Europa op termijn als doel zou kunnen hebben. Laten we vaststellen dat er al heel veel gebeurt. We hadden in Nederland heel veel netten met heel veel netbeheerders. Nu is het voor wat de elektriciteit betreft, en dan doel ik met name op de hoogspanning, allemaal ondergebracht bij TenneT. Voor wat het gas betreft hebben we het ondergebracht bij de Gasunie. Zowel TenneT als de Gasunie is ook actief in Duitsland. Zeker TenneT is er op heel grote schaal mee bezig, maar de Gasunie ook. Op dit moment oriënteren zich ook andere Nederlandse bedrijven op de Duitse markt, dus er gebeurt al heel veel aan opschaling. Het kan zijn dat je straks aparte bedrijven hebt per land die heel goed samenwerken en die alles goed op elkaar hebben aangesloten en dat wij heel tevreden zijn over het resultaat. Het kan ook zijn dat wij denken: hier is toch geen optimale situatie, het zou nog een stap verder moeten gaan. Dan zou de situatie kunnen groeien die de heer Leegte schetst. Ik denk dat dat mogelijk is maar niet een doel moet zijn. Het doel is dat het goed moet werken. Het zou op die manier kunnen en misschien ook op een andere manier. Wij zullen de komende tijd moeten zien hoe zich dat ontwikkelt.

De heer Paulus Jansen (SP):

Dat het doel moet zijn dat het goed werkt ben ik helemaal met de minister eens, maar ik constateer dat het op dit moment niet zo supergoed werkt. Wij hebben vrij grote problemen met het balanceren van het netwerk. Dat heeft deels te maken met de snelle groei van duurzame energie, wat sowieso veranderingen vereist in het beheer, maar ook door de grenzen die er nog steeds zijn tussen landen. Ik weet dat de minister als ik het wel heb op 1 november op bezoek is geweest in Duitsland en dat hij binnenkort een keer in België gaat praten met zijn collega's daar. Zou het in het kader van dat soort gesprekken niet logisch zijn om ook deze mogelijkheid te verkennen? Mijn gevoel zegt mij namelijk dat het in ieder geval een aantrekkelijke optie zou kunnen zijn, een alternatief dat wij op dit moment al moeten verkennen om zo snel mogelijk als het nodig is daarop te kunnen voortborduren.

Minister Kamp:

De heer Jansen sneed een concreet en reëel punt aan, maar hij relativeerde het zelf al een beetje. Hij zei ook al dat dit voorstel ondanks zijn vraagstelling op dat punt zijn steun krijgt. Die frequentiebeheersing is iets wat aandacht moet hebben. Daarbij is van alles aan de hand. Wat er in Duitsland gebeurt en met elektriciteit die op netten van andere landen wordt gezet, soms zelfs tegen negatieve prijzen, waardoor er een overbelasting is van netwerken in Tsjechië, in Polen en in Nederland, is allemaal heel reëel. Dat is een probleem dat moet worden opgelost. Op Europees niveau zijn er onderzoeken gaande hoe dat kan worden opgelost. Ik ben inderdaad in Duitsland geweest. Ik ben twee weken geleden ook in België geweest en ik heb volgende week weer contact op ministerieel niveau op de grens van Nederland en Duitsland. Dus wij zijn er voortdurend mee bezig om ervoor te zorgen dat wij al die dingen die zich afspelen op de zich snel ontwikkelende Europese energiemarkt in goede banen laten lopen. Wij willen duurzame energie, wij willen dat er dus niet alleen maar energie wordt geleverd aan afnemers maar dat de afnemers als zij zelf produceren ook weer kunnen terugleveren. Wij willen dat de netten van de verschillende landen en de elektriciteitsproductiecentrales ook met elkaar in verband worden gebracht. Over al die dingen wordt op dit moment intensief gesproken. Ik praat het probleem van de frequentiebeheersing helemaal niet weg, maar dat is een aandachtspunt voor de komende tijd, wat ons niet hoeft te weerhouden, zoals de heer Jansen al zei, om dit wetsvoorstel aan te nemen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Dat kan ik bevestigen, maar onderschrijft de minister dan niet de gedachte dat een Noordwest-Europese TSO waarvan landen ook naar rato aandeelhouder zijn het veel natuurlijker zou maken om bijvoorbeeld nieuwe investeringen te doen? Daarmee zouden discussies kunnen worden voorkomen zoals in Duitsland met TenneT en de Gasunie die hebben geleid tot een substantiële prijserosie voor het netbeheer. Die is wellicht toch ook een gevolg van het feit dat nu een tweetal publieke Nederlandse bedrijven eigenaar is van ongeveer 30% van de Duitse infrastructuur. Dat is toch een beetje onlogisch, lijkt mij. Zou het niet veel natuurlijker zijn om een gemeenschappelijk belang zoals dit ook op een gemeenschappelijke manier te organiseren?

Minister Kamp:

Ik geef de heer Jansen graag toe dat het, als je dit nu from scratch zou gaan organiseren, heel goed denkbaar is dat je er dan in Noordwest-Europa één netbeheerder op zet, dat je zoals de heer Jansen zegt, ten minste 51% van die aandelen in overheidshanden houdt en dat je het dan ook naar rato over de verschillende Noordwest-Europese landen verdeelt. Alleen, we kunnen niet from scratch werken. We moeten uitgaan van de bestaande situatie. Die is een gegeven. We zien dat er in die bestaande situatie heel veel gaande is. In Nederland is alles al samengegaan. We zien al dat Duitsland en Nederland naar elkaar toe groeien. Duitse bedrijven hebben Nederlandse centrales in eigendom. Nederlandse bedrijven, TenneT en Gasunie, hebben Duitse netten in eigendom. We zijn ook de interconnectieverbindingen die er al zijn tussen Nederland en Duitsland aan het verbeteren, bij Doetinchem komt er weer een. We gaan die ook met België verbeteren. We hebben een kabel met Groot-Brittannië. We leggen misschien een kabel met Noorwegen, waar dan ook Denemarken aan wordt gekoppeld. En we hebben verbindingen met Rusland. Er gebeurt op dat punt dus van alles. Het kan zijn dat de uiteindelijke situatie is zoals de heer Jansen die nu al voor ogen heeft.

De heer Leegte (VVD):

Ik constateer met de minister en ook met collega Jansen van de SP-fractie dat er ontzettend veel gebeurt op de elektriciteitsmarkt, met als gevolg dat er in Duitsland met de kerst een negatieve prijs was van € 200 en op 20 januari van € 100. Dat krijgen de mensen als ze stroom afnemen. België wil een extra gascentrale bouwen, terwijl Eneco de nieuwe centrale die nog nooit is aan geweest, juist wil ontmantelen om de turbine te kunnen verkopen. Dat geeft aan dat er ongelofelijk veel instabiliteit is en nog onvoldoende samenwerking op het gebied van energie. De minister zegt terecht een middel aan te geven, maar eigenlijk te moeten spreken over het doel: de samenwerking. Kan ik van de minister de toezegging krijgen dat hij er in Europa voor gaat zorgen dat die samenwerking meer tot stand komt? We kunnen dat wat mij betreft dan bespreken bij het algemeen overleg Energiewende. Mijn zorg zit erin dat alle landen nationaal beleid hebben, deels door subsidies en deels door de doelstellingen die ze hebben, waardoor die samenwerking uiteindelijk niet optimaal is. Iedereen voelt dat we daaruit moeten springen, maar het gebeurt niet. Ik zou het goed vinden als Nederland daar leiderschap in toont en stelt dat we iets moeten doen omdat dat het goedkoopst is voor iedereen.

De voorzitter:

Helder.

Minister Kamp:

Dat gebeurt wel. Ik ben zeer gemotiveerd om voor gas en elektriciteit toe te werken naar een Noordwest-Europese markt en deze ook in het Europese verband ingekaderd te laten zijn. We doen heel veel om dat voor elkaar te krijgen. We doen ons uiterste best om tot een Noordwest-Europese grid te komen. Ook proberen we de activiteiten op zee met andere landen af te stemmen. Verder proberen we de elektriciteits- en gasnetten van de verschillende landen, ook buiten de Europese Unie om, op elkaar te laten aansluiten. We zijn met Duitsland intensief bezig om op het niveau van de milieuministers, de energieministers, maar ook op het niveau van de regeringsleiders te kijken op welke wijze we zo snel mogelijk de energiepolitiek van de beide landen op elkaar kunnen afstemmen, en dat vooral ook in Europees verband te doen. Dezelfde samenwerking zoek ik ook met België en Luxemburg en, vanuit die drie landen, met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Ik ben zeer gemotiveerd en ik geloof er absoluut niet in dat we dat in Nederland op eigen houtje gaan doen, ook om te voorkomen dat we op de ene plek iets opbouwen wat we op de andere plek onbenut laten, zoals de heer Leegte zei. De heer Leegte weet echter ook dat de capaciteit om de centrales in de verschillende landen aan elkaar te koppelen er nog niet is. Daar wordt aan gewerkt, maar deze capaciteit is er nog niet. Dat geeft ons de gelegenheid om in de tussentijd tot die samenwerking te komen. Die samenwerking is de enige goede weg en dat is ook precies de weg die ik met overtuiging bewandel.

De heer Leegte (VVD):

Ik dank de minister voor zijn antwoord. Zoals hij terecht zegt, valt het een beetje buiten het wetsvoorstel. We komen daarover ongetwijfeld nog verder te spreken bij de energietransitie.

Minister Kamp:

Dat lijkt me uitstekend.

Ik dacht dat de heer Leegte mij nog iets anders had gevraagd, maar ik geloof toch dat ik hiermee gereageerd heb op wat hij naar voren heeft gebracht. Mocht dat anders zijn, dan hoor ik dat graag van hem.

De heer Jansen vroeg zich af of er juridische uitwegen kunnen worden gevonden door bedrijven die op Europees niveau op het gebied van elektriciteit en gas actief zijn. Kunnen zij zich, door vestigingen in een ander land te hebben, onder de regels uitdraaien? Dat kan niet. De verordening is zo opgesteld dat als je actief bent in een Europees land, je ook aan de verplichtingen die in de verordening staan voor dat Europese land, moet voldoen. Of je je bedrijf nu op de ene of op de andere plek registreert, maakt niet uit. Het gaat erom waar je bedrijf actief is.

De heer Jansen vroeg voorts terecht naar de selectie die we maken. We maken hier namelijk regels voor de elektriciteitsmarkt en voor de aardgasmarkt, maar niet voor aardolie en kolen. Dat is juist. De oorzaak daarvan is, dat het hier verschillende markten betreft. De heer Jansen zal zich dat ontgetwijfeld ook realiseren. Elektriciteit en aardgas worden altijd gedistribueerd via netten. Als je grip hebt op die netten, heb je dus ook grip op de markt. Wij hebben de netten in Nederland in eigendom gehouden. Dat betekent dat wij via die netten ervoor kunnen zorgen dat allerlei dingen gegarandeerd zijn. Bij kolen en aardolie ligt dit anders. Dit zijn producten die je in een schip kunt laden. Die kun je daarna naar Japan brengen, maar ook naar Chili. Je kunt er dus mee doen wat je wilt. Deze producten zijn niet netgebonden. Daarbij is dus per definitie sprake van een wereldmarkt. De mogelijkheden die wij hebben voor elektriciteit en gas, hebben wij niet voor kolen en aardolie. Dat mag ons er echter niet van weerhouden om dat te doen met betrekking tot elektriciteit en gas, wat in het belang is van onze burgers. We moeten bezien hoe we met kolen en aardolie weer op een andere wijze die belangen van de burgers kunnen behartigen. We kunnen gelukkig vaststellen dat dit in de afgelopen tientallen jaren goed is gelukt.

De heer Jansen heeft ook gevraagd hoe nu precies dat toezicht wordt vormgegeven door de Autoriteit Consument en Markt. De vraag of ook personen kunnen worden aangepakt, heb ik al bevestigend beantwoord. Ik noemde daarbij mevrouw Mulder, maar het was een vraag van de heer Jansen. Hoe dit precies wordt vormgegeven, is aan de ACM. De ACM wordt dus nu met deze taak belast. Er is een Europese verordening en er is een Nederlandse wet. Het is nu een ding van de ACM om dit te doen. De mensen van de ACM moeten dit inderdaad gaan doen. Wij kunnen daarna weer beoordelen hoe dat is gedaan en of het werkt. Dit is echter de professionele, onafhankelijke verantwoordelijkheid van de ACM.

De heer Paulus Jansen (SP):

In principe is dit volgens mij een juiste benadering. De heer Leegte heeft in zijn termijn echter geïnformeerd naar de capaciteit die de ACM hiervoor krijgt. Hoeveel capaciteit krijgt zij om op dit vlak daadwerkelijk iets te doen, actief of passief? De minister zei daarop: dat is ook aan de ACM. Deze wet levert een extra taak op voor de ACM. Is daarvoor enig geld toegevoegd aan het budget van de ACM? Of moet zij gewoon woekeren met de middelen die zij al heeft?

Minister Kamp:

Ja, en daarmee mag zij blij zijn. Ik kan de heer Jansen namelijk vertellen dat er een permanente financiële druk staat op alle overheidsinstanties in Nederland. Ondanks die druk, hebben we vorig jaar 23 miljard euro uitgegeven die we eigenlijk niet hadden. Er is hier een overheidsinstantie die er een taak bij krijgt. We kunnen echter, vanwege de genoemde financiële druk, niet zomaar zeggen dat er vanwege de extra taak ook extra geld naar die overheidsinstantie moet. Zo gaat dat niet. We hebben een grote toezichthouder in Nederland. Die heeft veel geld gekregen en veel mensen beschikbaar. Het is vervolgens de taak van die toezichthouder om ervoor te zorgen dat deze mensen op een verantwoorde manier alle taken uitvoeren die de toezichthouder heeft. Daarvoor maken zij plannen en over de uitvoering leggen zij achteraf verantwoording af. Als er zich daarbij problemen voordoen, zullen we daar op reageren. Nu is het gewoon de taak van de toezichthouder om binnen het beschikbare budget en met de beschikbare mensen, dit in te passen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik vind dit iets te gemakkelijk. Ik geef toe dat de ACM en haar voorgangers, de NMa, de OPTA et cetera, enorm zijn gegroeid. Waarom zijn zij gegroeid? Omdat we de energiemarkt hebben geliberaliseerd, omdat we de postmarkt hebben geliberaliseerd, omdat we de telecommarkt hebben geliberaliseerd. Kortom, de toezichthouder heeft een hele stroom verantwoordelijkheden gekregen. Dat heeft geleid tot heel veel fuss. Daar horen mensen bij. Is de minister ten minste bereid om toe te zeggen dat hij op een redelijke termijn, dus na zes maanden of een jaar, de Kamer zal informeren over de vraag hoe de ACM daadwerkelijk invulling gaat geven aan de wettelijke verplichting die zij krijgt toevertrouwd? Op die manier kunnen wij bepalen of het wel of niet iets voorstelt.

Minister Kamp:

Ja, ik ben zeker bereid om de Kamer inzicht te geven in de vraag hoe, wat wij nu vastleggen in de wet, in de praktijk gaat uitpakken. Ik wil er mijnerzijds echter geen enkele suggestie aan koppelen dat dit aanleiding zou kunnen zijn voor het geven van extra budgetten. Het moet gedaan worden met het budget dat beschikbaar is. Deze taak moet op een verantwoorde manier worden uitgevoerd. Het wordt ook gemakkelijker voor de toezichthouder die verantwoordelijkheid heeft voor de energiemarkt, als er een systeem wordt opgezet waardoor mensen en bedrijven verplicht worden om met informatie naar Europa te gaan, waarna die informatie op een goede manier weer naar de toezichthouder toe wordt gesluisd. Op grond daarvan kan de toezichthouder zijn werk doen. Daardoor wordt het dus gemakkelijker voor de toezichthouder. Dit wordt op Europees niveau op een efficiënte manier georganiseerd. Ik denk dat het vervolgens aan de ACM is om dit op een professionele manier in de praktijk waar te maken. Ik ben graag bereid om op een gepast moment niet alleen de heer Jansen, maar de Kamer als geheel inzicht te geven in hoe dit in de praktijk gaat uitpakken. Ik ben al ingegaan op wat de heer Jansen zei over de frequentiebeheersing die noodzakelijk is, evenals op zijn opvatting over een Noordwest-Europese netwerkbeheerder, voor het merendeel in handen van de overheid. De heer Jansen heeft ook nog gesproken over de Europese maatregelen met betrekking tot de infrastructuur. Het Europees Parlement heeft samen met de Europese Commissie een infrastructuurpakket vastgesteld. De beleidsmaatregelen hebben betrekking op de Europese infrastructuur voor gas en elektriciteit. Het gaat erom dat die infrastructuur in Europa voldoende grootschalig moet zijn, voldoende leveringszeker moet zijn en voldoende met elkaar verbonden is om te kunnen garanderen dat de mensen in Europa krijgen wat ze nodig hebben. In dat verband is meegenomen wat er moet gebeuren voor de transitie, want je krijgt een transitie in Europa. Wij zijn bezig om de atoomenergie in Duitsland af te schaffen voor 2022. Dat wil zeggen dat die op een andere manier moet worden ingevuld. Men is daar al bezig om een duurzame energieproductiecapaciteit op te bouwen. Dat leidt tot allerlei problemen. De heer Leegte schetste dat ook al. Dat wordt allemaal meegenomen in het Europese pakket aan beleidsmaatregelen dat is vastgesteld. Dat moet nu verder worden uitgewerkt.

De heer Vos stelde vast dat de verschillende instanties inmiddels bij het geheel zijn betrokken. Het gaat om de ACM, het Europees Agentschap ACER, de AFM en het OM. Hij gaf ook aan dat marktdeelnemers inbreuken moeten melden bij de ACM. Personen die beroepshalve transacties tot stand brengen, moeten met de informatie over transacties komen. Het is niet zo dat iedereen wat dit betreft verplichtingen heeft. Het gaat om degenen die betrokken zijn bij transacties. Zij hebben de verplichting om de informatie aan Europa door te spelen. Anderen in het veld die iets zien wat ook voor Europa interessant is, hebben de mogelijkheid om dat te melden aan ACER. Dan zal ACER die informatie benutten. Ik heb al aangegeven dat ACER de meldingen krijgt, maar daarnaast krijgt men andere informatie. Soms is dat openbare informatie, maar soms informatie die op andere wijze is verkregen. Dat wordt ingebracht. Daarna komt het in de juiste vorm bij de toezichthouders in de diverse landen terecht. Op grond daarvan kunnen zij hun werk goed doen.

De heer Vos wees erop dat de ACM nog moet beslissen over de structurele inzet van het toezicht. Ik heb daar al het nodige over gezegd in de richting van de heer Jansen. Mogelijk wordt dit door de heer Vos als een afdoende reactie ervaren.

De heer Vos vroeg zich af of er nu al geen afspraken kunnen worden gemaakt tussen ACM, OM en AFM. Waarom zouden ze wachten tot na de inwerkingtreding van het voorstel? Die samenwerking kan in de praktijk starten nadat het wetsvoorstel in werking is getreden. Het overleg over hoe je het allemaal moet gaan doen, kan nu al plaatsvinden. Dat gebeurt ook. Er is al overleg tussen ACM, OM en AFM over hoe men het precies kan gaan doen. Men heeft ook een plan om tot een gezamenlijke werkovereenkomst te komen, zodat men van elkaar weet wat ieders prioriteit is en wat ieders aanpak is. Op grond van mijn ervaringen met deze toezichthouders en het OM heb ik de overtuiging dat dit gaat lukken. De heer Vos weet op wat er in de praktijk allemaal kan gebeuren. Hij verwees naar Californië en de Enron-zaak en vroeg zich af of er in Nederland geen voorbeelden bekend zijn van zaken waarbij op een vergelijkbare manier iets is misgegaan, bijvoorbeeld bij de handel met voorwetenschap of met marktmanipulatie. Ik heb die voorbeelden nog niet en ik ben blij dat ik ze niet heb. Laten wij hopen dat het zich niet heeft voorgedaan. In ieder geval hebben wij op dit moment de zaak zo geregeld dat wij kunnen afschrikken. Mocht het zich wel voordoen, dan kunnen wij het bestraffen. Bovendien gaan wij met dit wetsvoorstel toezicht mogelijk maken. Als de heer Vos voorbeelden zou willen hebben van de manier waarop ook in Nederland machtsmisbruik kan plaatsvinden, geef ik het volgende voorbeeld. Als elektriciteitsproducent kun je over informatie beschikken over een van jouw centrales, bijvoorbeeld over storingsgevoeligheid. Stel dat je die informatie voor jezelf houdt en dat er vervolgens transacties tot stand komen. Later blijkt dat de resultaten voor degenen die aan de transacties hebben deelgenomen, beïnvloed worden door de storingen die zich in die centrale voordoen. Dan heb je als elektriciteitsproducent relevante informatie aan anderen onthouden. Om daartegen op te treden en dat te voorkomen op de energiemarkt, is dit behulpzaam.

Ik geef een ander voorbeeld. Een elektriciteitsproducent kan om oneigenlijke redenen een goedkope elektriciteitscentrale stilzetten, terwijl duurdere centrales blijven draaien. Tegen een te hoge prijs wordt dan elektriciteit geleverd aan de afnemers. Zo moet het niet. Het moet niet zo zijn dat je de kosten opdrijft, ten koste van je eindgebruikers. Als je een centrale stillegt, moeten daar andere redenen voor zijn dan het opjagen van de kosten. Om dat te kunnen onderkennen en ertegen op te treden, dient dit wetsvoorstel in het vervolg, indien de Kamer daartoe besluit.

Mevrouw Mulder vroeg of de strafmaat in Nederland hetzelfde is als in de andere Europese landen. Dat is niet zo. Ieder land heeft zo zijn eigen systeem. Het ene land zal het alleen bestuursrechtelijk doen en het andere bestuursrechtelijk én strafrechtelijk. Dat mogen de landen zelf weten. Zo zit het in Europa in elkaar. Maar wel is, zoals gezegd, in de verordening vastgelegd dat het effectief en afschrikwekkend moet zijn. Als het dat niet is, dan voldoe je niet aan de verordening en zal de Europese Commissie optreden.

De voorzitter:

Tot zover de eerste termijn. Om 13.00 uur, over twintig minuten, verschijnt hier de minister van Financiën voor het afleveren van de verantwoordingsstukken. Op dat tijdstip moeten wij echt klaar zijn. Ik hoop dat wij de tweede termijn in iets minder dan twintig minuten kunnen doen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter. Dank aan de minister voor zijn goede, feitelijke beantwoording. Ik denk dat wij het op heel veel punten met elkaar eens zijn. De minister is niet ingegaan op één punt dat ik in eerste termijn heb aangeroerd, namelijk het feit dat de handhaving van de wetgeving aan de nationale autoriteit is overgelaten en dat dit kan leiden tot strategisch gedrag. In mijn achterhoofd had ik de Icesave-affaire waarin de Nederlandsche Bank niet kon optreden en de IJslandse toezichthouder oogkleppen op had, om het zo te zeggen. Ik kan mij voorstellen dat dit ook in de energiesector kan voorkomen.

Ik heb nog een motie over de frequentiebeheersing. Ik ben het op zich in belangrijke mate met de minister eens, maar ik heb ook gewezen op het onvoldoende functioneren van het marktmechanisme in relatie tot de frequentiebeheersing, vandaar de volgende motie ter aanmoediging van de minister op dit punt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat frequentiebeheersing op het elektriciteitsnet een groeiend probleem is en dat de bestaande marktmechanismen niet in staat zijn, dit op deugdelijke wijze te regelen bij een groeiende duurzame energieproductie;

verzoekt de regering, te komen met een bij voorkeur Europees of Noordwest-Europees gecoördineerde aanpak van het netbeheer die tegen de laagste maatschappelijke kosten met inzet van meest milieuvriendelijke modaliteiten de netfrequenties beheersbaar maakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Paulus Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 7 (33510).

De heer Leegte en de heer Vos zien af van een inbreng. De minister zal de motie becommentariëren zodra hij haar heeft ontvangen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Kamp:

Mijnheer de voorzitter. De heer Jansen heeft twee punten naar voren gebracht. Ten eerste vroeg hij of de handhaving, die in de landen verschillend gebeurt, zodanig effectief kan zijn dat Icesave-achtige toestanden worden voorkomen. Laten we in ieder geval vaststellen dat we met elkaar hebben georganiseerd dat er een Europese verordening komt. Laten we tevens vaststellen dat die er gekomen is doordat de samenwerkende toezichthouders zowel op het punt van de financiële markten als op het punt van de energiemarkten gezegd hebben: dit hebben we nodig en dit moet gebeuren. Vervolgens is dat door de Europese Commissie gerealiseerd. Er is een organisatie opgezet waarbij aan iedereen duidelijk wordt gemaakt welke informatie aangeleverd moet worden. Die wordt centraal aangeleverd en daarna gecoördineerd naar de lidstaten toe gebracht. De lidstaten hebben hun toezichthouders zodanig laten samenwerken in Europees verband dat daar de goede impulsen van uitgaan. Ik heb op dit moment de overtuiging dat dit naar behoren is geregeld. Ik denk dat we ons wat dat betreft nooit in slaap moeten laten sussen. De vraagstelling van de heer Jansen beschouw ik als een nuttige aansporing om dit goed in de gaten te blijven houden.

Ten tweede diende de heer Jansen een motie in over frequentiebeheersing, de motie op stuk nr. 7. De overweging dat die op dit moment niet op deugdelijke wijze geregeld kan worden, is te stellig. Hij zegt dat de regering moet komen met een bij voorkeur Europees of Noordwest-Europees gecoördineerde aanpak. Ik ga er maar van uit dat hij niet van mij vraagt om vanuit Nederland een Europese of Noordwest-Europese aanpak te ontwikkelen, maar dat hij wenst dat ik mij inzet in Noordwest-Europees verband om met de andere landen tot zo'n aanpak te komen. Als dat zo is – ik begrijp uit de lichaamstaal van de heer Jansen dat hij dit bevestigt – laat ik graag het oordeel over deze motie aan de Kamer.

De voorzitter:

De minister laat het oordeel over de motie op stuk nr. 7 aan de Kamer. Ik stel vast dat hij daarmee klaar is met zijn betoog.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Aanstaande dinsdag D.V. zullen wij stemmen over het wetsvoorstel alsmede over de motie van de heer Paulus Jansen. Ik dank de minister van Economische Zaken voor zijn aanwezigheid en deelname aan het debat.

De vergadering wordt van 12.44 uur tot 13.00 uur geschorst.

Voorzitter: Van Miltenburg