Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van richtlijn nr. 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen (PbEG L 212) (29031).

(Zie vergadering van 19 mei 2004.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Mijnheer de voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording en haar brief, waarin zij nog een aantal zaken nader toelicht.

Mijn fractie blijft bij dit wetsvoorstel met twee belangrijke problemen zitten. Het ene probleem betreft de lange periode van onzekerheid waarin ontheemden onder deze richtlijn komen te verkeren of zij uiteindelijk wel of niet recht hebben op een verblijfsstatus en de wijze van toepassing van de minimumnormen in de richtlijn met betrekking tot de omstandigheden en de voorzieningen waaronder zij hier verblijven.

De minister heeft in de brief toegelicht dat hetgeen over de lange periode van onzekerheid in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting wordt gesteld, niet wil zeggen dat een beslissing over het verlenen van een status niet eerder dan na afloop van de tijdelijke bescherming zou mogen worden gegeven. Die beslissing zou wel degelijk kunnen vallen voordat de tijdelijke bescherming is afgelopen. In dezelfde brief schrijft de minister op pagina 3, tweede blok: "Om die reden is een beslistermijn die eerst afloopt na beëindiging van de maximale bescherming noodzakelijk." Daarna schrijft zij weliswaar dat het een maximale beslistermijn blijft en dat waar mogelijk eerder zal worden beslist, maar mijn fractie houdt de indruk dat de bedoeling in feite is om pas na afloop van de tijdelijke bescherming over te gaan tot de beslissing en om dat halfjaar te nemen. Wij vinden dat niet wenselijk en niet rechtvaardig tegenover deze groep mensen.

Mijn fractie vindt de formulering in het wetsvoorstel nog steeds niet helder en niet gelukkig. Ik ben het met anderen hier eens, dat die formulering wel degelijk suggereert dat een halfjaar de termijn zal zijn en dat dus een halfjaar na afloop van de tijdelijke bescherming een beslissing zal worden genomen. Wij willen dat explicieter en duidelijker wordt gezegd dat het een uiterlijke termijn is. Wij krijgen hier graag een nadrukkelijker toelichting van de minister dat het wat haar betreft eerder zou moeten. Wij houden wel vast aan het indienen van een wijzigingsvoorstel. Ik zal ons eigen amendement (stuk nr. 8) op het wetsvoorstel intrekken. Ik onderteken mede het wijzigingsvoorstel dat de heer De Vries heeft ingediend, dat inhoudt dat deze ontheemden evenals gewone asielzoekers binnen de termijnen die nu al in de Vreemdelingenwet zijn geregeld, uitsluitsel dienen te krijgen over een eventueel verzoek om een verblijfsvergunning in Nederland.

Wij vinden overigens dat het in deze situatie ook een groot probleem blijft, dat de betrokkenen geen enkele mogelijkheid hebben om in beroep te gaan en niet bij de minister kunnen aankloppen en kunnen zeggen dat ze echt eerder behoefte hebben aan duidelijkheid over hun situatie. In die zin willen wij vasthouden aan de termijnen die in de Vreemdelingenwet geregeld zijn. Dan weten mensen binnen een redelijke termijn waar zij aan toe zijn. Daarom willen wij samen met de heer De Vries een dergelijk amendement indienen.

De voorzitter:

Het amendement-Vos (stuk nr. 8, I en II) is ingetrokken.

Ik neem aan dat het amendement-Klaas de Vries (stuk nr. 7, I en II) zal worden gewijzigd in verband met uw medeondertekening.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ja.

Voorzitter. Wij hebben ook een probleem met de wijze waarop de minimumnormen, die aan deze ontheemden toch een bepaalde bescherming en bepaalde rechten geven, in de richtlijn worden geïmplementeerd. Dat gebeurt op en bijna onder het minimumniveau. Daartegenover laat hun zekerheid over een status veel langer op zich wachten. Die twee zaken laten zich wat ons betreft absoluut niet rijmen. Je kunt mensen niet zolang in onzekerheid laten verkeren onder voorzieningen en rechten die bijna niet méér zijn dan die van gewone asielzoekers.

Wij blijven een probleem houden met de wijze waarop nu het recht op werk is geregeld. Aan de ene kant hebben deze mensen zeker de rechten die ook gewone asielzoekers hebben, in die zin dat zij twaalf weken mogen werken in een periode van 52 weken. Dat schetst de minister ook in haar brief. Zij zegt dan dat betrokkenen daarnaast en daarbovenop ook mogen werken, wanneer het gaat om werk waarvoor er geen prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt is. In de praktijk zal het erop neerkomen dat in feite dit werk er nauwelijks is en dat men toch bijna niet méér rechten geniet dan een asielzoeker. Wat ons betreft was het absoluut niet nodig geweest het prioriteitgenietend aanbod hierin op te nemen; wij zijn op dit punt niet blij met de wijze waarop het geïmplementeerd is.

Van de mogelijkheden om toegang te verkrijgen tot volwassenenonderwijs en beroepsonderwijs zegt de minister dat dit allemaal prima en best is, maar dat de mensen dit zelf moeten betalen. Dat zal in de praktijk de toegang ertoe vrijwel onmogelijk maken. Ook op dat punt vinden wij dat er weinig tegemoet wordt gekomen aan hetgeen de richtlijn zegt.

Het laatste punt betreft het fatsoenlijk onderkomen. Ik heb daar al eerder over gezegd dat op dit moment de regels en de normen die wij hebben voor asielzoekerscentra, onvoldoende zijn wanneer het gaat om mensen die daar mogelijkerwijs, zoals dit bij deze groep het geval is, drie jaar of langer zullen verblijven. Wij vinden dat dit niet voldoet aan wat je zou moeten hebben, te weten een fatsoenlijk onderkomen. Ook op dit punt blijven wij kritiek houden op de wijze waarop de richtlijn in Nederland geïmplementeerd wordt.

De heer Visser (VVD):

Begreep ik het goed dat u in een tussenzin zei dat u niet zou willen dat de toets op prioriteitgenietend aanbod plaatsvindt bij de groep mensen die onder deze richtlijn en deze wet vallen? Dit ongeacht of het er nu 10.000, 20.000 of 30.000 zijn?

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Nee, wat de fractie van GroenLinks betreft zouden deze mensen moeten kunnen solliciteren op de Nederlandse arbeidsmarkt.

De heer Visser (VVD):

Dat betekent toch de facto dat je vrij verkeer van werknemers invoert met het betrokken land van herkomst?

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Het betekent in die situatie dat de mensen die onder dergelijke omstandigheden naar Nederland zijn gekomen, wat ons betreft gewoon aan het werk zouden moeten kunnen. Het zou dan niet zo moeten zijn dat eerst de toets op prioriteitgenietend aanbod dient te geschieden.

De heer Visser (VVD):

Dat is de facto vrij verkeer van werknemers met een land van buiten de Europese Unie.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Dat ben ik niet met u eens, want het gaat om een heel bijzondere situatie, waarin mensen die in een noodsituatie verkeren, in een land waar oorlog is of wat dan ook, hier naartoe zijn gekomen. Onze conclusie is dat onder deze omstandigheden het waarschijnlijk nauwelijks mogelijk is voor deze mensen om aan het werk te komen, in ieder geval niet in meerdere mate mogelijk dan voor asielzoekers. Dat betreft die twaalf weken maximaal per jaar en dat vinden wij gewoonweg te weinig. Wij vinden dat je meer mogelijkheden zou moeten creëren.

Voorzitter. Het betekent dat, gelet op de wijze waarop de richtlijn nu is geïmplementeerd in het wetsvoorstel, de minister niet op de steun van de fractie van GroenLinks zal kunnen rekenen. Ik heb al gezegd dat het amendement dat wij samen met de heer De Vries indienen over de periode waarbinnen men duidelijkheid moet krijgen over de status, op tafel blijft. Wij wachten nader het antwoord van de minister af.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Voorzitter. Zoals mevrouw Vos al aangaf, is haar amendement ingetrokken en hebben wij gezamenlijk een amendement ter vervanging van dat van mij ingediend; dat is gedrukt op stuk nr. 11.

Voorzitter. Ik wilde vier punten nog aan de orde stellen, ook naar aanleiding van de brief van de minister; voor deze brief zeg ik haar dank.

Een eerste punt betreft het extra besluitmoratorium, waarover mevrouw Vos en ik een amendement hebben ingediend. De minister heeft gezegd dat zij dit wel sympathiek vindt. De heer Visser heeft dat overigens ook gezegd en dat is in deze koude dagen al heel wat. Maar de minister vond toch eigenlijk dat wij het amendement niet moesten aannemen en daar heeft zij een aantal argumenten voor genoemd. In de eerste plaats gaat het daarbij om de extreem grote aantallen ontheemden die mogelijkerwijs ons land binnenkomen. Nu is het besluitmoratorium dat thans al in de wet staat, juist ingesteld omdat bij een massale toestroom van asielzoekers niet binnen de normale termijn kan worden beslist. In artikel 43c van de Vreemdelingenwet staat dat de minister dat mag uitstellen als het aantal ingediende aanvragen uit een bepaald land of een bepaalde regio zo groot is dat onze minister niet in staat is daarop tijdig een beschikking te geven. Dat is dus niets nieuws. Het heeft mijn sterke voorkeur dat wij ons daaraan houden. Ik kan niet overzien of er nu veel verschil is tussen massaal of extreem grote aantallen. Het moeten altijd aantallen zijn om met gebruikmaking van het bestaande besluitmoratorium tot een beslissing te komen.

Het tweede argument dat de minister aanvoert, is dat het raadsbesluit langer dan een jaar zou kunnen duren. Het amendement zou opdragen dat over de aanvraag moet worden beslist terwijl de tijdelijke bescherming mogelijk nog voortduurt. Dat is inderdaad juist. Er moet worden beslist over de aanvraag. De minister stelt dat dan de mogelijkheid bestaat dat er slechte, onzorgvuldige beslissingen worden genomen omdat er geen informatie kan worden verkregen in het land van herkomst. Dan komt er misschien wel beroep en dat zou extra belasting betekenen van de IND en van de rechtbank, aldus de minister.

Het voorkomen van onzorgvuldig genomen beslissingen is natuurlijk van groot belang. Vandaar dat een besluitmoratorium daarvoor extra tijd geeft. Het is niet helemaal duidelijk over welke informatie de minister vreest niet te kunnen beschikken. De minister heeft een heleboel informatie. Zij weet dat mensen uit een bepaald land afkomstig zijn en zij weet ook dat zij onder de bescherming vallen van de Europese richtlijn. Dat is op dat moment eigenlijk wel voldoende. Bovendien kan na beëindiging van het raadsbesluit de situatie in het land van herkomst nog zodanig onoverzichtelijk zijn dat een aantal zaken niet helemaal duidelijk is.

Ook de huidige Vreemdelingenwet voorziet in dit punt. In de memorie van toelichting op de Vreemdelingenwet staat: Het is mogelijk dat na ommekomst van de duur van het besluitmoratorium de situatie in het land van herkomst nog steeds onduidelijk is. In dat geval kan dan een vergunning voor bepaalde tijd worden verleend op grond van artikel 2a, eerste lid, onder d. Vreemdelingenwet 2000. Ik verwijs even naar de memorie van toelichting (Kamerstukken 1999/2000, 26732, nr. 7, pagina 177). Dat is dus voorzien. Er is wat dat betreft helemaal niets nieuws aan de orde.

Het derde punt dat ik hier tegenin zou willen brengen, is dat de minister zich altijd op het standpunt stelt dat een belangrijk deel van de bewijslast bij de vreemdelingen dient te liggen; dat de Nederlandse overheid geen onderzoek hoeft te doen in het land van herkomst. Hoe ziet de minister in dezen de stelplicht en de onderzoeksmogelijkheden die zij nodig denkt te hebben?

De argumentatie die aan de Vreemdelingenwet ontleend is, leidt ertoe dat wij zeggen dat het bepaald niet noodzakelijk is om nog een extra moratorium in de wet te zetten. Wij pleiten voor de maximale beslistermijn die thans in de wet gegeven is: 1,5 jaar in plaats van mogelijkerwijs 3,5 jaar. Het is immers niet de bedoeling dat ontheemden die asiel zoeken in individuele gevallen eventueel twee jaar langer in onzekerheid moeten verkeren.

De minister heeft op interrupties van mijn kant geantwoord dat zij niet verwacht dat categoriaal beleid door haar minder zal worden toegepast nu er ook een mogelijkheid komt om tijdelijke ontheemden op basis van een Europese richtlijn bescherming te bieden. Zij is er wel voor om het categoriaal beleid terughoudend toe te passen. Ik neem aan dat zij dat alleen wil doen als er in strikte zin aan de criteria van de wet wordt voldaan.

Wat is het wezenlijke verschil tussen het verlenen van tijdelijke bescherming en categoriaal beleid? De minister stelt dat er een keuze dreigt tussen massale verblijfsaanvaarding en massaal terugzenden en dat asielzoekers nooit op voorhand en masse een verblijfsvergunning asiel krijgen. Daarvoor is in ieder individueel geval onderzoek nodig dat uitwijst dat op grond van de individuele merites kan worden vastgesteld dat er reden is om zo'n vergunning aan de desbetreffende vreemdeling te verlenen. Dat is in beginsel ook zo, maar bij het toepassen van artikel 29d van de Vreemdelingenwet wordt ook niet naar het individuele relaas gekeken. Daar wordt alleen gekeken waar de betrokken vreemdeling vandaan komt, bijvoorbeeld centraal Irak. Bij categoriaal beleid wordt een verblijfsvergunning toegekend zonder dat individuele verhalen daarbij een rol spelen. Men krijgt een D-status voor bepaalde tijd. Ook bij toepassing van tijdelijke bescherming gaat het erom waar de vreemdeling vandaan komt. Alleen hier wordt onderzoek naar verricht net als bij de D-status en niet naar het individuele relaas. Komt hij uit een land waarvoor een raadsbesluit is genomen, dan krijgt de vreemdeling bescherming als ontheemde.

De minister zegt: de criteria voor categoriale bescherming worden duidelijk omschreven in de Vreemdelingenwet; daar houden wij ons natuurlijk aan. Kijken wij naar de criteria, dan blijkt dat de criteria in de richtlijn en de indicatoren voor het instellen van categoriaal beleid in hoge mate overeenkomen. Ik zie er helemaal geen verschil tussen. In de richtlijn staat dat het moet gaan om onderdanen van derde landen of staatlozen die hun land of regio hebben moeten verlaten, met name ingevolge een verzoek van internationale organisaties. Er moet sprake zijn van de onmogelijkheid van terugkeer onder veilige en duurzame omstandigheden. De betrokkenen kunnen ook onder andere verdragen vallen. Eventueel vallen zij zelfs onder het Vluchtelingenverdrag. Het moet gaan om personen in het bijzonder die uit een gewapend intern conflict hebben moeten vluchten dan wel ernstig gevaar lopen slachtoffer te worden van systematische of algemene mensenrechtenschendingen. Dat is mij nogal wat. Dan is er een raadsbesluit dat geldt voor alle EU-lidstaten. Dat zijn de indicatoren van het Vreemdelingenbesluit waarin het categoriaal beleid wordt toegelicht.

Het gaat dan om drie dingen. Het gaat om de aard van het geweld, met name de ernst van de mensenrechtenschendingen, schending van het humanitaire recht, mate van willekeur en het voorkomen van spreiding van geweld. Verder gaat het om activiteiten van de internationale organisaties. En het gaat om het beleid van de andere Europese landen. Dat is bij de ontheemdenregeling in confesso. Hoe kan de minister nu in redelijkheid volhouden dat bij het nemen van een raadsbesluit er niet ook sprake zal zijn van een situatie waarin categoriale bescherming noodzakelijk is nu deze criteria overeenkomen? De minister verwijst keer op keer naar de systematiek van de wet, waarop geen inbreuk mag worden gemaakt. Door tijdelijk beschermden te onderscheiden van categoriaal beschermden gebeurt dit nu juist echter wel. Ook beroept de minister zich iedere keer weer op het uitzonderlijke karakter van de richtlijn. Zij zegt dat de asielprocedure hierin niet voorziet. Maar ziet categoriale bescherming niet reeds op uitzonderlijke situaties van extreme onveiligheid en geweld in een bepaald land? Zo vaak en lichtvaardig gaat de minister niet over tot het voeren van een categoriaal beleid. Dat is al uitzonderlijk en het geldt alleen in extreme situaties.

Ik kom bij het beroep op het bestaan van een uitzonderlijke situatie wegens de tijdelijkheid en de onzekerheid. Een vergunning op basis van categoriaal beleid is in eerste instantie tijdelijk, een vergunning voor bepaalde tijd. Met het nieuwe wetsvoorstel wordt die termijn zelfs opgerekt naar vijf jaar. Voorts is intrekking tijdens deze vijf jaar te allen tijde mogelijk wegens het vervallen van de verleningsgrond, artikel 32c, bijvoorbeeld indien de situatie in het land van herkomst is verbeterd. Ik zie mij dan ook genoodzaakt om samen met mevrouw Vos de in eerste termijn aangekondigde motie in te dienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ingevolge de Richtlijn 2001/55/EG aan ontheemden tijdelijke bescherming dient te worden geboden;

overwegende dat de regering hen daartoe, in plaats van het instellen van een nieuwe status, rechtmatig verblijf als asielzoeker zal toekennen;

overwegende dat op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ook bescherming kan worden geboden aan (tijdelijk) ontheemden door toepassing van het categoriaal beschermingsbeleid;

overwegende dat de rechten die aan (tijdelijk) ontheemden op basis van het categoriaal beschermingsbeleid toekomen op een beduidend hoger niveau liggen dan de rechten van asielzoekers;

overwegende dat het niet de bedoeling is van de Europese richtlijn om (tijdelijk) ontheemden die naar ons land komen, een slechtere rechtspositie te geven dan wanneer zij volgens de Nederlandse wet- en regelgeving in aanmerking zouden komen voor categoriale bescherming;

verzoekt de regering, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, gedurende het van kracht zijn van een Raadsbesluit over het instellen van tijdelijke bescherming, ook te besluiten tot categoriale bescherming, zodat aan (tijdelijk) ontheemden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klaas de Vries en Vos. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12(29031).

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Voorzitter. Mijn volgende punt betreft de arbeidsmogelijkheden voor ontheemden. Daarover is in eerste termijn enige verwarring ontstaan. De minister zei eerst dat aan prioriteitgenietend aanbod moet worden getoetst en dat dat in de praktijk betekent dat ontheemden 12 weken mogen werken. Met de brief van 25 mei is het beeld duidelijker geworden. Men mag werken als asielzoeker, dus 12 weken, en daarnaast is er de mogelijkheid om werkzaam te zijn als er geen prioriteitgenietend aanbod is. De ontheemde krijgt dan een tewerkstellingsvergunning en hoeft niet te voldoen aan een MVV-vereiste. Ik hoop dat ik dat goed begrijp. Zijn er voor deze ontheemden inderdaad twee mogelijkheden om te werken? Ik leid dat af uit de brief, maar ook uit de eerdere stukken, die ik in het licht van de brief nog eens gelezen heb. Ik zou het prettig vinden als op dit punt geen twijfel blijft bestaan. Rest de vraag of de positie die ontheemden krijgen op basis van de Europese richtlijn niet iets gunstiger is dan die van de gewone asielzoekers in ons land.

Ik kom op de tekst van artikel 43a. Ik heb daar een amendement op ingediend. Mocht het voorgestelde artikel toch worden aangenomen, dan vraag ik de minister om toch nog eens naar de tekst te kijken. Volgens mij geeft de tekst aanleiding tot misverstanden. Ik vind niet dat wij wetgeving moeten maken waar mensen bij denken: lees maar, er staat niet wat er staat. Ik zou het erg op prijs stellen als er een nota vanKlaas de Vries wijziging zou komen die de wetstekst duidelijk maakt. Het gaat om een maximale of een uiterste termijn; de minister mag daar elk gepast woord voor kiezen. De tekst wekt nu de indruk dat de toetsing pas begint nadat de beslistermijn is afgelopen.

De heer Visser (VVD):

Ik kom even terug op het vorige onderwerp. De heer De Vries vroeg zich af of hij de passage over werk goed begrepen had. Als dat zo is, is hij het er dan mee eens?

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Kunnen wij prealabel even vaststellen of u ook denkt dat ik het goed begrepen heb?

De heer Visser (VVD):

Ik denk dat u het goed begrepen hebt.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Dan stellen wij dus met terugwerkende kracht vast dat de heer Van Fessem het de vorige keer niet goed begreep.

De heer Visser (VVD):

Hij heeft vorige keer precies hetzelfde gezegd.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Nee, de heer Van Fessem heeft gezegd: als je recht op werk krijgt, dan kan de Nederlandse Staat beslissen dat het maar 12 weken mag zijn. Ik heb het stenogram daar grondig op nagelezen. Als de heer Van Fessem dat anders bedoeld mocht hebben, dan ben ik daar verheugd over. Ik begrijp dat er twee mogelijkheden voor deze ontheemden zijn om aan het werk te gaan: 12 weken of gewoon op de Nederlandse arbeidsmarkt, mits er getoetst is aan prioriteitgenietend aanbod. Daarmee is naar mijn smaak aan de voorschriften van de richtlijn voldaan.

De heer Visser (VVD):

Daar bent u het mee eens?

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Ja, dat acht ik een juiste uitwerking van de richtlijn.

De heer Visser (VVD):

Ik vroeg het, omdat mevrouw Vos net iets anders zei. Zij wilde het prioriteitgenietend aanbod laten vervallen. In eerste termijn leek het nog alsof u beiden op dezelfde koers zat.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Dat klopt, er waren wat misverstanden.

De heer Van Fessem (CDA):

Ik constateer dat mijn opmerking niet zo onnozel was als de heer De Vries haar noemde.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Nu maakt u het nog erger. Ik heb het stenogram nog eens nagelezen. U zegt: "In artikel 12 staat dat het toegestaan is om te werken. Er staat niet dat men 52 weken moet werken. Als men mag werken, dan kan de Staat vervolgens bepalen dat dit niet meer dan 12 weken per jaar mag zijn." Dat is dus onjuist, omdat er hier een richtlijn is die uitgevoerd moet worden en door de minister ook uitgevoerd wordt. Daarmee ontstaat het recht om meer dan 12 weken te werken.

De heer Van Fessem (CDA):

Als een Europese richtlijn iets aangeeft, wil dat niet zeggen dat de Nederlandse wet niet iets strengers mag doen.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Nee, daar is geen sprake van.

De heer Van Fessem (CDA):

Dan zijn wij het nog steeds niet eens.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Wat ik over uw opmerking gezegd heb, blijft staan: die had u beter niet kunnen maken.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording. Zij is na haar mondelinge beantwoording op een aantal punten later nog schriftelijk ingegaan. De SGP-fractie kan zich op hoofdlijnen vinden in de voorgestelde wijze van implementatie. Ik ben overigens blij dat de toelichting aangeeft dat niet, zoals in het vorige debat werd gesuggereerd, in alle opzichten op het laagste niveau is geïmplementeerd. Er is niet gezocht naar het absolute minimum.

Er is een vraag gerezen over de betaalde arbeid, maar ik denk met de heer De Vries dat dit punt voldoende verhelderd is.

Voorzitter. De heer De Vries kaartte het punt aan van de formulering van artikel 43a eerste lid. De tekst zegt dat de beschikking op de asielaanvraag van de tijdelijk beschermde binnen zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming wordt gegeven. De minister zegt in de toelichting nu ook dat uiteraard bedoeld is "uiterlijk" zes maanden. Ook de SGP-fractie is van mening dat dit dan helder gezegd dient te worden in de wettekst, zodat hierover geen misverstand kan blijven bestaan. Ik vraag de minister om op dit punt te komen met een nota van wijziging. De Kamer zal anders op dit punt met een amendement moeten komen.

Voorzitter. Ik kom tot slot nog terug op het amendement dat ik heb ingediend op stuk nr. 9. De minister heeft in haar brief gezegd dat zij dit amendement overbodig acht en dat de wijze waarop het nu in de wet staat, niet tot verwarring hoeft te leiden. Zij vertrouwt op een goede informatieverschaffing die deze verwarring kan voorkomen.

Voorzitter. Ik geloof niet dat het vruchtbaar is om nu te gaan speculeren over de kans op verwarring. Ik stel vast dat er een overlap is tussen de twee besluitmoratoria, zoals op pagina 20 van de nota naar aanleiding van het verslag al eerder is aangegeven. De resterende duur van het al ingestelde besluitmoratorium kan tijdelijk met de nieuwe beslistermijn van artikel 43a overlappen. Deze overlap kan tot verwarring aanleiding geven. Het is daarom beter om de tekst te preciseren, zoals ik in mijn amendement heb voorgesteld. Ik vraag de minister of er iets op tegen is om het te doen op de wijze, zoals ik in mijn amendement heb voorgesteld. De minister zegt dat het niet nodig is, maar ik heb niet gehoord dat er iets op tegen zou zijn.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

De heer Van der Staaij heeft ongetwijfeld gelezen dat de minister stelt dat de rechter bij eventuele problemen voor een oplossing kan zorgen. De rechter ziet wat er in de beschikkingen staat. Eventuele verwarring kan dus door de rechter beslecht worden. Vindt de heer Van der Staaij dat geen begaanbare weg?

De heer Van der Staaij (SGP):

Waarom zullen we het daarop aan laten komen? We hebben het daar de vorige keer ook over gehad. Je krijgt dan discussies of er procesbelang is over een beroep dat is ingesteld tegen een eerder genomen besluit. Je krijgt daarover dan in de rechtszaal weer een discussie. Je kunt stellen dat je niet weet hoe lang het nieuwe moratorium geldt en dat de situatie op een gegeven moment misschien weer anders is. Waarom voor de oplossing bij eventuele verwarring naar de rechtszaal verwijzen, als we de kwestie met een eenvoudige tekstwijziging helder kunnen maken?

De heer Visser (VVD):

Ik ben het met u eens, mijnheer Van der Staaij dat we verwarring moeten voorkomen. Ik heb met het oog op mijn eigen duidelijkheid even een vraag. U praat over een overlap en twee moratoria. Bedoelt u dan overlap voor een individu dat Nederland binnenkwam onder een eerste moratorium, terwijl later in de tijd een tweede moratorium kan gelden dat het eerste vervangt? U bedoelt niet de overlap van twee moratoria die voor een grote groep zouden gelden? Ik weet niet of ik de verwarring nu nog groter maak, maar het is belangrijk. U bedoelt verwarring die kan ontstaan door twee opeenvolgende moratoria met een verschillende achtergrond, die voor één persoon zouden kunnen gelden?

De heer Van der Staaij (SGP):

Iemand valt eerst onder artikel 43, het normale besluitmoratorium zoals we dat nu al kennen. Daarna komt er een nieuw besluitmoratorium van artikel 43a, wat op dezelfde persoon betrekking heeft. Ik vind dat je, als dat besluitmoratorium voor die persoon gaat gelden, het oude besluitmoratorium voor hem of haar niet meer moet laten gelden.

De heer Visser (VVD):

Voorzitter. Voor mijn fractie staan na de eerste termijn nog drie punten ter discussie: het amendement en het wettelijk slot op de deur – dat is nu één amendement geworden – de reguliere arbeidsmarkt versus de arbeidsmarkt voor asielzoekers en de vraag of er op basis van deze richtlijn wel of niet een speciale status moet worden ingevoerd.

Moet er wel of geen wettelijk slot op de deur komen? In eerste termijn heb ik het desbetreffende amendement sympathiek genoemd. Wel moet worden bekeken of er geen zwaarwegende averechtse effecten zijn. Moet dit bestuurlijk worden opgelost of moet dit via de organisatie worden opgelost? Alles afwegende kiest mijn fractie voor het laatste. De intentie moet zijn dat zaken zo snel mogelijk worden afgehandeld, maar je moet een organisatie geen onmogelijke opdracht geven. Dit is geen vrijbrief aan de IND of een andere uitvoerende organisatie om nu maar op de handen te gaan zitten, en zeker niet voor een periode van 3,5 jaar, in theorie het extreemste geval. Wij kiezen ervoor om de uitvoering van een maatregel zoals deze in de praktijk nauwkeurig te controleren. Daarna kan worden bezien of de zaken zijn gegaan zoals dat was bedoeld. Ik raakte een beetje in verwarring door de opmerking van de heer De Vries dat dit eigenlijk niets nieuws was. Als het niets nieuws is, wat is dan de toegevoegde waarde van het amendement? Ik neem aan dat hij een goede reden heeft om het amendement toch te handhaven. Mijn voorkeur gaat ernaar uit om de ellenlange onzekerheid via een organisatorische aanpak op te lossen.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Hier doet zich een misverstand voor. Met "het is niks nieuws" bedoelde ik te zeggen dat de argumentatie die de minister aanvoert om een nieuw, extra moratorium in te voeren, indertijd ook bij de totstandkoming van de wet is gebruikt, en wel ter toelichting van het eerste moratorium. De minister heeft dus geen nieuwe argumenten om aan te tonen dat er een moratorium moet bij komen. Dat is wat ik bedoelde.

De heer Visser (VVD):

Dan heb ik dat verkeerd begrepen; neem mij niet kwalijk.

De VVD vindt de gedachte sympathiek. Je moet een en ander zo snel mogelijk afhandelen en geen 3,5 jaar wachten. Als de VVD dit amendement niet steunt, geeft zij daarmee niet aan dat zij vindt dat de overheid langzaam op moet treden, maar wel dat de overheid niet aan onmogelijke opdrachten is gebonden. Als het aantal dermate hoog is dat een en ander niet binnen zes maanden kan worden gerealiseerd, dan kunnen er goede redenen zijn om het later te doen. Nogmaals: dit is geen vrijbrief om dit het theoretische tijdsbestek van 3,5 jaar te laten duren.

Een tweede punt dat in de eerste termijn open bleef, is de vraag hoe de regels op de reguliere arbeidsmarkt, bij de reguliere migratie, zich verhouden tot de regels bij asielmigratie. Ik vind dat wij die regels moeten blijven scheiden. Wij hebben de Wet arbeid vreemdelingen niet voor niks. Om die reden vroeg ik aan mevrouw Vos of je de facto geen vrij verkeer van werknemers invoert als je de prioriteit genietende aanbodtoets laat vallen. Met de uitleg van de heer De Vries was dat aspect enigszins verhelderd. Ik vind dat het huidige voorstel er goed uit ziet. Het MVV-vereiste vervalt, waardoor mensen kunnen toetreden. De spelregels hebben wij echter niet voor niets geïntroduceerd. Wij moeten asielmigratie en reguliere migratie wel blijven scheiden. Deze zaken mogen niet door elkaar lopen en dat kan in dat geval wel gebeuren.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Ik hoor de heer Visser spreken over een nadere brief van de minister, maar als je goed kijkt, zie je dat het eigenlijk ook al enigszins in de stukken staat. Het is duidelijk geworden dat deze tijdelijke ontheemden een ruimere toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt krijgen dan de gewone asielzoeker. Is de heer Visser het daarmee eens?

De heer Visser (VVD):

Ja, want het MVV-vereiste vervalt. Daarover ben ik het dus met de heer De Vries eens.

Een derde punt is de vraag of wel of geen speciale status moet worden gegeven aan de asielzoekers waar het nu om gaat. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij verbaasde dat die discussie opkwam. Een aantal jaren geleden hebben wij er immers niet voor niets voor gekozen om nog maar één vluchtelingenstatus te hebben. Wij hadden immers geen goede ervaringen met het bestaan van diverse statussen naast elkaar. Er waren problemen met doorprocederen, etc. Het verbaast mij verder dat er geen wijzigingsvoorstel voorligt om een status in te voeren. Het is wel makkelijk om te vragen "hoe kunt u dit nou steunen", maar dan moet er wel een alternatief voorliggen en dat lag er niet. Om deze twee redenen was ik erover verbaasd dat die discussie in eerste termijn zo pregnant naar voren kwam.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Die verbazing was helemaal niet nodig, als de minister zou doen wat ik met mevrouw Vos in een motie voorleg. In situaties waarin er aanleiding is voor categoriaal beschermingsbeleid, krijgt men een asielstatus D en dat is een betere status dan die men nu heeft. Ik heb in eerste termijn al betoogd dat men had kunnen zeggen dat deze tijdelijk ontheemden in ons land worden behandeld als toegelaten vluchtelingen. Dat is geen nieuwe status, maar dan worden zij op dezelfde manier behandeld.

De heer Visser (VVD):

Wij hadden een soortgelijke situatie, met VTV's en VVTV's. Als mensen "nee" kregen, maar wel die andere status, namen zij daar geen genoegen mee en gingen zij doorprocederen voor die ene echte status. Ik was verbaasd, omdat dat nog niet zo lang geleden niet voor niets door het vorige kabinet is afgeschaft. Om kort daarna weer een pleidooi voor een soortgelijke situatie te houden verbaast mij gewoon.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Dat is alleen waar als u het betrekt op de status als zodanig. Ik heb het gehad over de rechten die aan een bepaalde status verbonden zijn; behandeling alsof men vluchteling was geweest. Ik weet niet of men in andere landen zegt: u bent vluchteling en u krijgt de bijbehorende papieren, terwijl die mensen worden behandeld alsof zij vluchteling waren. Dat kan natuurlijk.

Ik heb ervoor gepleit dat onder omstandigheden wel gebruik wordt gemaakt van het categoriaal beschermingsbeleid dat onze wet kent. Bent u het daarmee eens?

De heer Visser (VVD):

Dat hangt van de omstandigheden af. Een van die omstandigheden is wat er in andere landen van Europa gebeurt. Als Nederland als enige daartoe overgaat, hebben wij gezien dat de effecten heel groot zijn. Nederland heeft er niet voor niets voor gekozen om in te zetten op harmonisatie in Europa, met thema's als burden sharing etc. Wanneer deze richtlijn in werking is getreden, is de feitelijke situatie dat in heel Europa hetzelfde geldt. Dan zijn die omstandigheden en bezwaren dusdanig veranderd dat wij het daarmee eens zijn.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Dan zegt u dus dat aan mensen die op deze wijze tot ons zijn gekomen, een status op grond van de Vluchtelingenwet kan worden gegeven.

De heer Visser (VVD):

Het kabinet heeft er niet voor niets voor gekozen om maar één status te hebben. Het zou goed zijn als wij binnen Europa zeggen dat wij met die methode goede ervaringen hebben opgedaan en dat wij ook in Europa nog maar één status moeten hebben. Dat zou heel logisch zijn op basis van de wettelijke beslissingen die wij een aantal jaren geleden hebben genomen. Ik neem aan dat ik u aan mijn zijde kan scharen om daarvoor in Europees verband te pleiten.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

U mag ook naast mij komen staan, dat kan mij niet zoveel schelen, als wij maar naast elkaar staan.

De heer Visser (VVD):

Wat dit punt betreft wel.

Dat waren mijn opmerkingen over het wetsvoorstel. Wij zullen goed letten op de uitvoering van het wetsvoorstel, wanneer het in werking treedt. Ik zeg er eerlijk bij dat ik hoop dat wij geen gebruik hoeven te maken van de hier geformuleerde richtlijn.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Minister Verdonk:

Voorzitter. Ik wijs er nog even op dat wij hier spreken over een uitzonderlijke situatie. Wij praten over een richtlijn tijdelijke bescherming die al in 2001 is vastgesteld. Het gaat erom dat ontheemden in groten getale in Europa asiel aanvragen op grond van een onveilige situatie in het land van herkomst.

Ik zal beginnen met het antwoord op de vraag van mevrouw Vos en de heer De Vries over de mogelijkheden om te werken. Die zijn nu volgens mij heel duidelijk in de brief verwoord. Mevrouw Vos heeft nog gevraagd of de regeling die in de brief staat in overeenstemming is met de richtlijn. Laat er geen twijfel over bestaan dat die regeling volledig in overeenstemming is met de richtlijn.

Dan kom ik bij de vraag over de huisvesting en een fatsoenlijk onderkomen voor mensen. De vraag was of de regeling niet noopt tot een hoger niveau. Dat is niet zo. De regeling eist een fatsoenlijk onderkomen en de voorzieningen die wij in Nederland voor asielzoekers hebben, voldoen daaraan. Ik ben op bezoek geweest in andere lidstaten en ik kan de Kamer verzekeren dat wij hier een adequaat niveau hebben voor de opvangvoorzieningen van asielzoekers.

Een andere vraag was of de onzekerheid voor de tijdelijk beschermden niet veel te lang duurt. Dat heb ik vorige keer ook toegelicht. Dat is niet het geval. Ontheemden die een asielaanvraag indienen, laten wij echt niet zo lang mogelijk wachten. Daar schiet niemand wat mee op. De tijdelijk beschermde wil zo snel mogelijk zekerheid over zijn status en wij willen die zekerheid ook zo snel mogelijk geven. Wij willen wel voorkomen dat wij een beslissing nemen op grond van onzekerheid. Het moet duidelijk zijn dat de IND er geen enkel belang bij heeft om de beslissingen over aanvragen allemaal tot het eind te laten liggen. Dan bezorgen wij onszelf een hoop problemen. Wij gaan ze gewoon afhandelen en wij nemen gewoon een beslissing over asielaanvragen, voor zover dat mogelijk is.

Dan kom ik bij de vraag van de heer De Vries over de termijn.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik wil nog één punt onder de aandacht brengen. U zegt nu dat sommige ontheemden recht hebben op de vluchtelingenstatus. Zij moeten dus uiteindelijk drieënhalf jaar wachten voordat zij erkend worden. Ik vind dat een zeer ongelukkige situatie. Vindt u dat ook en ziet u mogelijkheden om daar iets aan te doen?

Minister Verdonk:

Zo is het niet. Als het mogelijk is om een beslissing te nemen over een asielaanvraag, dan zal dat ook binnen die termijn gebeuren. Als op basis van de gronden die in de wet staan, blijkt dat iemand vluchteling is, dan zal die beslissing ook binnen die termijn genomen worden. Dat wil zeggen, als die beslissing genomen kan worden. Dan wachten wij niet tot het eind. Als iemand echt vluchteling is – dat zal tot uiting komen door het onderzoek en na de asielprocedure – dan wordt die beslissing gewoon genomen. Dan zeggen wij niet dat iemand drieënhalf jaar moet wachten.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

De heer Van der Staaij en ik hebben ervoor gepleit om het duidelijker in de wetstekst op te nemen. Kan de minister haar reactie op dit pleidooi geven?

Minister Verdonk:

In het vorige debat heb ik u verzocht om op deze vraag later te mogen antwoorden. Ik kan dat nu doen. Ik ben van mening dat de woorden "maximaal" of "uiterlijk" geen toegevoegde waarde hebben, omdat er sprake is van een maximale termijn. Verder moet het artikel ook niet worden gelezen alsof er sprake is van een begintermijn. Ik kan wellicht met andere argumenten nog duidelijker maken wat er precies wordt bedoeld. Met het oog op de opmerkingen van een aantal Kamerleden heb ik middels een nota van wijziging artikel 43a, eerste lid aangepast. Nu staat daar: binnen zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming. Deze woorden zullen worden vervangen door: op een tijdstip gelegen tussen de ontvangst van de aanvraag en zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming. Ik hoop dat ik hiermee aan de wens van de Kamer ben tegemoetgekomen.

Voorzitter. De heer De Vries en mevrouw Vos vragen in hun motie of de regering, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, bereid is om gedurende het van kracht zijn van een raadsbesluit over het instellen van tijdelijke bescherming te besluiten tot categoriale bescherming, zodat aan tijdelijk ontheemden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Voor het instellen van categoriale bescherming, een vorm van bescherming die alleen binnen Nederland geldt, zijn indicatoren neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Die indicatoren komen kort gezegd neer op de aard van het geweld, de activiteiten van internationale organisaties en de internationale gemeenschap, en het beleid in andere EU-lidstaten. Die criteria komen niet geheel overeen met de criteria op grond waarvan de Raad kan besluiten tot het instellen van tijdelijke bescherming. Daarvoor is onder meer een massale instroom of een imminent massale instroom noodzakelijk. Dat laatste kan voor de regering een reden zijn om een besluitmoratorium in te stellen, maar niet om hele groepen categoriale bescherming te bieden op grond van een verblijfsvergunning asiel.

Uiteraard verloopt ook de besluitvorming in de Europese Raad anders dan de besluitvorming in de Nederlandse ministerraad. Verder wijs ik op de maximale duur van de tijdelijke bescherming. Die bedraagt op grond van de richtlijn maximaal drie jaar. Voor categoriale bescherming geldt op grond van de Nederlandse vreemdelingenwetgeving geen maximale termijn. Ook dat is een verschil. Ten slotte is categoriale bescherming in Nederland op grond van een verblijfsvergunning asiel een nationaal instrument, waarbij overigens terdege rekening wordt gehouden met het beleid in andere EU-lidstaten. Het blijft echter nationaal beleid.

De Nederlandse regering streeft naar harmonisatie van het Europese asielrecht en de bijbehorende regelgeving. Dit streven is ook een speerpunt van het Nederlandse voorzitterschap. Verder spreek ik regelmatig met mijn collega's over de voordelen van het Nederlandse systeem met één asielstatus. Een dergelijk systeem heeft heel veel voordelen en daarom vind ik vind dat wij aan dit systeem met één status moeten vasthouden. Dat betekent dat wij deze richtlijn moeten implementeren in het huidige asielstelsel. Daar komt wat mij betreft geen nieuwe status bij. Ik sluit mij op dit punt graag aan bij het betoog van de heer Visser.

Het moge duidelijk zijn dat ik de aanneming van deze motie met klem ontraad. Aanneming van deze motie zou immers tot gevolg hebben dat wij binnen de EU uit de pas gaan lopen, juist op het moment dat middels deze richtlijn een eerste stap in de richting van harmonisatie op het terrein van asiel en migratie wordt gezet.

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister vindt het onwenselijk, maar is het op zichzelf wel mogelijk in de systematiek van de wetgeving? Is het rechtmatig om het te doen als dit wetsvoorstel wordt aangenomen?

Minister Verdonk:

Wij spreken over harmonisering van regelgeving in Europa. Daarom hebben wij deze richtlijn inzake ontheemden met elkaar afgesproken als een minimumrichtlijn binnen Europa. Dat betekent dat wij ons ook aan die richtlijn houden en niet nog eens op grond van nationaal beleid zeggen: wij gaan het alsnog anders doen. Overigens hebben wij die mogelijkheid helemaal niet. Maar stel: wij passen niet de richtlijn toe, maar kiezen voor categoriaal beleid. Dat betekent dat wij een heel andere standaard kiezen dan de andere EU-lidstaten.

De heer Van der Staaij (SGP):

Het is duidelijk dat de minister het niet wenselijk acht. Mijn simpele vraag is echter: is het binnen het kader van de wet wel rechtmatig om het op deze manier te doen? Dat is ook voor toekomstige politieke discussies interessant om te weten.

Minister Verdonk:

Het zou kunnen.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

De minister zegt nu iets heel opmerkelijks, namelijk dat zij met nadruk in Europees verband kiest voor minimumnormen terwijl er onder omstandigheden – zoals ik ook in de laatste overweging heb gezet – op basis van de situatie waarin de ontheemden zich bevinden aanleiding zou zijn voor categoriaal beschermingsbeleid. Dat is niet vreemd aan onze wet, maar dat is een onderdeel van onze wetgeving. Ik heb vorige week gevraagd: denkt u dat door deze ontheemdenrichtlijn minder vaak categoriale bescherming zal worden geboden? De minister zei toen: nee, dat denk ik niet. De minister wil zich ook aan de wet houden. Ik zou het op prijs stellen om van de minister te horen waarom zij vandaag zegt dat zij niet van plan is categoriale bescherming te bieden in gevallen waarin die volgens onze eigen wetgeving zou kunnen of moeten worden geboden. Sterker nog: zij werpt dit met kracht van zich af.

Minister Verdonk:

Tijdelijke bescherming is Europees en zolang die loopt is er geen reden tot het voeren van nationaal beleid. Wij hebben dan Europees beleid. Indien ik gedwongen word te beslissen voordat de tijdelijke bescherming is afgelopen, dan betekent dit dat Nederland wel heel aantrekkelijk wordt binnen Europa. Ik word dan feitelijk gedwongen tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid en het verlenen van een vergunning. Dat is niet de bedoeling van de richtlijn. De richtlijn gaat over tijdelijke bescherming.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Dat kan allemaal wel zijn, maar wij hebben de Nederlandse wet waarin voorgeschreven staat wanneer er categoriale bescherming kan worden geboden. De criteria daarvoor worden ook genoemd in het Vreemdelingenbesluit. Er wordt ook daadwerkelijk categoriale bescherming geboden. Ik geloof niet dat het acceptabel is dat de minister nu zegt: als er een Europese richtlijn is, passen wij de Nederlandse wet niet meer toe. Het merkwaardige is dat zij vorige week nog met zoveel woorden heeft gezegd dat zij niet dacht dat er minder categoriale bescherming zou worden geboden als gevolg van die nieuwe richtlijn.

Minister Verdonk:

De richtlijn ziet op tijdelijke bescherming van grote groepen ontheemden die naar Nederland komen. Daarover hebben wij in Europees verband afspraken gemaakt. Ik stel mij voor dat wij ons aan die Europese afspraken houden.

De heer Visser (VVD):

Wij hebben het nu over samenloop tussen Europees en Nederlands beleid. Het is toch zo dat deze richtlijn in werking treedt nadat de Raad daarover heeft besloten bij gekwalificeerde meerderheid?

Minister Verdonk:

Er is al besloten.

De heer Visser (VVD):

Nee, ik doel op het in werking treden van de richtlijn. Er doet zich in de wereld iets voor waardoor de Commissie een voorstel doet en het is dan aan de Raad om te zeggen "wij doen het wel" of "wij doen het niet". Volgens mij gebeurt dat op basis van gekwalificeerde meerderheden.

Minister Verdonk:

Ja.

De heer Visser (VVD):

Dan kan er ook een minderheid zijn die dat tegenhoudt. Als dat het geval is, komt de vraag aan de orde: vind je als afzonderlijk land dat de nationale wetgeving in werking moet treden wanneer Europa het niet doet? Je zou dan met een aantal landen kunnen zeggen: wij hebben wel geen meerderheid in Europa, maar wij doen het toch. In dat geval is het instrument categoriaal beleid van toepassing, maar niet door elkaar en op hetzelfde moment.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Dat is een mogelijke interpretatie, maar dan is hier iets heel anders aan de hand dan wat de minister vorige week nog heeft gezegd. Ik heb haar vorige week gevraagd: wordt er door deze richtlijn minder gebruik gemaakt van de Nederlandse wetgeving inzake categoriaal beleid? De minister heeft toen gezegd: dat is natuurlijk niet zo want de Nederlandse wet wordt volledig toegepast. Nu zegt zij dat zij niet meer van plan is om de Nederlandse wetgeving op dit punt toe te passen omdat er Europees beleid is. Er kan inderdaad sprake van samenloop zijn. Dat is niet onbelangrijk voor de persoon in kwestie, omdat de vluchtelingenstatus-D meer rechten geeft dan de asielzoekerstatus die de minister toekent.

Minister Verdonk:

Begrijp ik goed dat de heer De Vries voorstelt om tijdelijk beschermden in Nederland een status te verlenen op grond van het categoriale beleid? Als dat zo is, loopt Nederland uit de pas in vergelijking met Europa. Mensen krijgen hier dan een betere status aangeboden dan in andere lidstaten. U en ik weten wel welke gevolgen dat heeft.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Ik geloof dat u zich vergist. De bedoeling van de Europese richtlijn is toch dat de mensen worden verdeeld over de lidstaten? Nederland krijgt dan toch een groep toegewezen? Het is dan toch mogelijk dat de Nederlandse regering op basis van haar eigen wetgeving vaststelt dat de rechten die aan deze mensen moeten worden gegeven, de rechten zijn die de Vreemdelingenwet in deze omstandigheden aan dit soort mensen toekent? U hebt dit vorige week nog staan betogen.

Minister Verdonk:

Dat spreek ik tegen. Ik heb dat vorige week niet staan betogen. Ik heb vorige week betoogd dat de Europese regelgeving wordt geharmoniseerd, dat dit een eerste stap is in de harmonisatie en dat het om uitzonderlijke situaties gaat.

De heer Visser (VVD):

Voorzitter. Dit is een belangrijk punt. Wij constateerden vorige week in de eerste termijn dat in de richtlijn een systeem van echte burden sharing ontbreekt en beschouwden dat als manco. Europa is van de noodzaak van een dergelijk systeem niet doordrongen. Het systeem van verdeling van mensen over de Europese landen zou burden sharing zijn. Dat bepleit de heer De Vries. Andere landen in Europa ging dat echter te ver. Dat systeem treedt met de invoering van deze richtlijn dus niet in werking. Het onderscheid tussen nationaal beleid en Europees beleid en de wijze waarop de richtlijn in werking treedt, zijn wel van belang.

Minister Verdonk:

Ik zet mijn betoog voort. De heer Van der Staaij heeft gezegd dat er niets tegen het amendement was. Als dat inderdaad niet zo is, waarom zouden wij dan een in dit geval overbodig amendement overnemen? Ik vind de argumentatie in de brief zeer helder.

Niemand van ons hoopt waarschijnlijk dat de situatie ontstaat die de heer Visser schetste. Mocht dat wel gebeuren, dan hoopt hij dat het hele proces nauwkeurig wordt gevolgd. Dat ondersteun ik van harte, want het is zeer belangrijk. Wij moeten ervoor zorgen dat voor een dergelijk onverhoopt geval een goed plan klaarligt.

De voorzitter:

Ik stel voor, de beraadslaging te sluiten.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Voorzitter. Ik verzoek u om de beraadslaging gedurende een halve minuut te schorsen, omdat ik zoek naar wat de vorige keer tegen de Kamer is gezegd. Als ik mij niet vergis, wil ik daarover nog enkele vragen aan de minister stellen.

De voorzitter:

Dat is goed.

De algemene beraadslaging wordt enkele ogenblikken geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Voorzitter. Dank voor het geduld dat u altijd voorbeeldig opbrengt.

Ik heb de vorige keer inderdaad gesproken over de categoriale bescherming. Ik heb erop gewezen dat het kabinet zegt, dat het de categoriale bescherming terughoudend wil hanteren. Ik heb toen gevraagd: "Als deze tijdelijke regeling er niet zou zijn gekomen, had u dan wel vaker gebruik moeten maken van categoriale bescherming?" De minister antwoordt: "De criteria voor categoriale bescherming worden duidelijk omschreven in de Vreemdelingenwet, en wij houden ons daar natuurlijk aan." Maar dat is dus niet de bedoeling. Hier wordt de categoriale bescherming in de Vreemdelingenwet in het geval van uitwerking en toepassing van de Europese richtlijn om zeep geholpen.

Minister Verdonk:

Wij helpen natuurlijk ons goede nationale beleid niet om zeep. Wij hebben wel in Europees verband met elkaar afspraken gemaakt. Het gaat hier om de ontheemden, om die uitzonderlijke situatie. Daar ga ik mee aan het werk. Wij zullen de richtlijn toepassen. Het is cruciaal dat wij hier met elkaar zeggen dat wij Europese regelgeving uitvoeren, als daarvan sprake is. Als deze regeling er niet zou zijn, hebben wij te maken met het nationale beleid. Dat kan bijvoorbeeld zijn categoriale bescherming.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Met de implementatie van de richtlijn maken wij er Nederlands recht van. U zegt nu dat u het recht dat wij in Nederland maken door de implementatie van de richtlijn voor de tijdelijke ontheemden, voorrang geeft op de categoriale bescherming die al sinds lange tijd in onze wet staat. Ik acht dat zeer onjuist. U hebt de vorige keer iets anders gezegd. U hebt toen gezegd dat het kabinet de wet zou toepassen als die er is en dat u zich daaraan zou houden. U bent dat dus niet van plan. U wilt nu voorrang geven aan de uitwerking van de Europese richtlijn en de categoriale bescherming om die reden minder vaak toepassen.

Minister Verdonk:

Wij praten over een Europese richtlijn. Die richtlijn is aangenomen en wij worden geacht die richtlijn te implementeren. Wij implementeren die richtlijn in ons nationale stelsel. Op het moment dat er geen Europese richtlijn is, pas ik inderdaad het nationale beleid toe. Als wij in Europees verband een richtlijn opstellen, in dit geval die over tijdelijke bescherming, en afspreken om die te implementeren, zal ik die ook implementeren. Ik zal die toepassen en invoeren in ons eigen asielstelsel. Op het moment dat er geen richtlijn is, kan ik zeggen dat ik meteen nationaal beleid zal voeren. Is er wel een richtlijn, dan zal ik daarmee rekening moeten houden.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

Na dit moment is de richtlijn niet meer interessant, want die is in de wetgeving opgenomen. Nu bepaalt een deel van onze wetgeving dat onder bepaalde omstandigheden categoriale bescherming mogelijk is. U wilt die niet meer toepassen, omdat u een nieuw stukje wetgeving hebt dat u beter uitkomt.

De heer Visser (VVD):

Er is zojuist gezegd dat op deze manier ons nationale beleid om zeep wordt geholpen. Dat is natuurlijk niet zo. De memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag zijn over deze procedure uitermate duidelijk. Op het moment dat deze richtlijn in wetgeving is omgezet, is er een nieuwe besluitvormingsstructuur. De besluitvorming vindt voor een deel in Brussel en Europa plaats. Daar wordt met gekwalificeerde meerderheid beslist of een bepaald land met een groep vreemdelingen die er vandaan komt onder deze wet valt. Dan is er een vertrekmoratorium over deze groep. Als er in Brussel geen meerderheid voor is, is er heel andere besluitvorming. Dan kunnen wij in dit parlement in Nederland of anderen in parlementen in andere Europese landen besluiten om andere elementen in de wet tot stand te brengen en in werking te laten treden. Daaronder vallen de gewone moratoria en het categoriale beleid. U moet niet alles door elkaar halen en doen alsof alles op het hetzelfde moment gebeurt.

De heer Klaas de Vries (PvdA):

De heer Visser heeft daar gelijk in. Natuurlijk kan dat dan ook. Het kan echter onder alle omstandigheden. Als er omstandigheden in het buitenland zijn waardoor wij aan vluchtelingen een bepaalde status kunnen geven, hebben wij dat ook te doen. Onze wet biedt nu eenmaal de mogelijkheid van categoriaal beleid. Dat is niet alleen gereserveerd voor het geval dat Brussel ons niet uit de problemen helpt. De minister brengt nu een totaal nieuw element in, dat in strijd is met wat zij de vorige week heeft gezegd.

Minister Verdonk:

Tja...

De voorzitter:

Nee, ik zou het ook niet meer weten. Pardon!

Het woord is aan de minister.

Minister Verdonk:

Voorzitter. Ik zou nog een keer een poging kunnen doen om de heer De Vries te overtuigen. Wij hebben met elkaar afgesproken dat wij harmoniseren op Europees niveau en dit is daarvoor een eerste stap. Wij gaan deze richtlijn implementeren in onze eigen, nationale regelgeving en om aan te geven wat dit betekent, verwijs ik naar al hetgeen ik vanmiddag heb gezegd.

De voorzitter:

Nog één keer een interruptie van de heer De Vries!

De heer Klaas de Vries (PvdA):

De derde keer, voorzitter. Ik zal het ook nooit meer doen!

Als de minister het implementeert in onze nationale regelgeving, dan wordt daarmee meteen mogelijk wat op het ogenblik voorgeschreven staat in de Vreemdelingenwet, namelijk dat onder bepaalde omstandigheden ook categoriale bescherming kan worden geboden aan mensen. Toevallig krijgen ontheemden die daaronder vallen, een hogere vorm van bescherming dan zij hebben onder een richtlijn waarvan wij nu nog niet precies weten hoe dat allemaal gaat uitpakken. Wij hebben het over Nederlandse wetgeving, maar de minister wil een deel daarvan niet meer gaan toepassen omdat, zo zegt zij, het andere haar beter uitkomt. Dat vind ik zeer bedenkelijk.

Minister Verdonk:

Het gaat om een uitzonderlijke situatie. Wat wij doen, is volkomen in overeenstemming met de richtlijn. Wij willen binnen Europa niet een aparte positie hebben. Wij houden ons aan een richtlijn die wij met elkaar hebben afgesproken en díe gaan wij implementeren. Ik kan er op dit moment niet méér van maken.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, volgende week woensdag te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering tot 19.45 uur. Dat lijkt niet alleen lang, maar het is lang. De reden is dat het volgende debat plaatsvindt met de minister van Economische Zaken en de minister van Economische Zaken pas om ongeveer zeven uur uit het buitenland terugkomt.

De vergadering wordt van 16.18 uur tot 19.45 uur geschorst.

Naar boven