Noot 1 (zie blz. 4030)
Interpellatievragen van het lid Verhagen (CDA) aan de minister-president,
inzake Irak.
1
Kunt u duidelijk maken of Nederland achter het Amerikaanse standpunt staat
dat geweld niet uit te sluiten valt om Irak te dwingen te voldoen aan de VN-eisen
of staat Nederland achter het Franse standpunt? Deelt u de mening dat het
dreigen met geweld nodig is om diplomatieke druk tot het uiterste op te voeren?
2
Op basis van welke concrete in het kabinet heeft de minister van Defensie
met zijn Amerikaanse collega Cohen gesproken over een eventuele militaire
bijdrage van Nederland? Is van Amerikaanse zijde een concreet verzoek tot
een militaire bijdrage gedaan?
3
Hoe verhoudt uw uitspraak dat van een «mededeling absoluut geen
sprake is» en er geen toezegging is gedaan aan minister Albright, zich
tot de uitspraak van de staatssecretaris van Defensie dat een Nederlands fregat
kan deelnemen aan gevechtsacties? Op basis van welke concrete toezeggingen
stelt minister Albright dat Nederland medewerking geeft aan de VS en Nederland
op één lijn zit met Canada en Duitsland?
4
Wat is de inhoud geweest van uw telefoongesprek met president Clinton?
Welke afspraken zijn gemaakt?
5
Hoe is minister Albright tot de conclusie gekomen dat Nederland volledige
medewerking geeft aan de VS indien de minister van Defensie geen enkele toezegging
gedaan heeft aan zijn Amerikaanse college van Defensie, zoals gesteld wordt
in de brief die wij vandaag kregen?
6
Is afgesproken dat de staatssecretaris van Defensie in Washington een
Nederlands aanbod bekend zou maken?
7
Kunt u uitleggen waarom het zenden van een fregat een gebaar van politieke
solidariteit genoemd wordt? Wordt hier geen kunstmatig onderscheid gemaakt
tussen een politiek en een militair gebaar? Waarom stelt de brief dat het
fregat geen offensieve acties zal ondernemen terwijl de staatssecretaris van
Defensie in Washington gesproken heeft over «gevechtsacties»?
8
Wat zal de precieze taak van het fregat zijn? Waar ligt het nieuwe muurtje
van Relus, van Joris in dit geval?
9
Zijn de tegengestelde uitspraken van de diverse bewindslieden een bewijs
van onzorgvuldige voorbereiding of van verdeeldheid binnen de coalitie en
het kabinet over het standpunt dat moet worden ingenomen?