Aan de orde is de behandeling van:

het voorstel van rijkswet Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (23029, R1461).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Dittrich (D66):

Mijnheer de voorzitter! Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen is van grote betekenis voor iedereen die in Nederland leeft maar ook voor Nederlanders in het buitenland. Het verkrijgen van een bepaalde nationaliteit of zelfs maar het enkele aanvragen daarvan is een zeer belangrijk emotioneel moment in iemands leven en dus ook van vreemdelingen die in Nederland wonen. De vragen die worden gesteld aan een vreemdeling die Nederlander wil worden, kunnen zeer ingrijpend zijn. Dit geldt met name voor vragen rond het inburgeringsvereiste.

Voorzitter! Staat u mij toe dat ik een voorbeeld uit de privésfeer noem. Mijn vader was vluchteling en zijn nationaliteit was hem afgenomen. Toen ik geboren werd, was ik statenloos. Toen mijn vader voor hemzelf en voor de kinderen de Nederlandse nationaliteit aanvroeg, kwam er op een dag dat mijn vader naar zijn werk was een agent van de vreemdelingenpolitie aan de deur. Deze zei toen tegen mijn moeder dat hij achtergrondinformatie nodig had, onder andere om te beoordelen of mijn vader goed was ingeburgerd. Tijdens het gesprek dat zich ontspon, vroeg hij haar op welke politieke partij zij stemde. Mijn moeder vroeg of dat niet geheim was, maar de agent gaf aan dat dit voor de beoordeling van de inburgering van belang kon zijn. Ik moet hierbij zeggen dat dit zich heel lang geleden afspeelde, in elk geval vóór 1966. Hoewel mijn moeder het heeft ervaren als een inbreuk op haar privacy, antwoordde zij naar waarheid dat zij KVP stemde. Of dit antwoord er wat mee te maken heeft, weet ik niet, maar korte tijd later werden wij Nederlander.

Voorzitter! Dit brengt mij op het eerste punt en dat is het inburgeringsvereiste. Artikel 8 bepaalt dat vreemdelingen in aanmerking kunnen komen voor het Nederlanderschap als zij onder andere in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kunnen worden beschouwd op grond van het feit, dat zij beschikken over een voor het algemeen maatschappelijk verkeer voldoende kennis van de Nederlandse taal en zij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving hebben doen opnemen. Maar wat houdt dit vereiste nu in concreto in? De regering schrijft in de nota naar aanleiding van het eindverslag van januari 1994 dat een belangrijk element van inburgering de kennis van de Nederlandse taal is en dat zij van plan is om met betrekking tot de taalbeheersing tot een grotere uniformiteit van beoordeling te komen. Een externe instantie heeft opdracht gekregen om de mogelijkheden te onderzoeken van een objectieve methode van toetsing. Ik hoor graag van de staatssecretaris wat de resultaten van het aangekondigde onderzoek zijn.

D66 vindt het overigens een loffelijk streven om te komen tot uniformering, objectivering en standaardisering van de toetsing van het inburgeringsvereiste, waarin de taaleis is inbegrepen. Maar houdt dit nu ook in dat het kunnen schrijven en lezen van het Nederlands als selectiecriterium wordt aangenomen? D66 heeft daar geen behoefte aan. Ik heb een amendement van het CDA op dit punt gezien, dat naar de mening van mijn fractie niet zou moeten worden aangenomen. Wij vinden het belangrijk dat iemand zelfredzaam is in de samenleving, maar er moet rekening mee worden gehouden dat veel mensen die Nederlander willen worden, uit een land komen met een heel ander type schrift en op latere leeftijd nauwelijks meer Nederlands kunnen leren schrijven. Dat is erg moeilijk: een aantal naturalisanten is analfabeet, maar er zijn bijvoorbeeld ook mensen bij met een handicap. Wat de fractie van D66 betreft, hoeft dat schrijfvaardigheidsvereiste niet in de wet te worden opgenomen.

De heer Verhagen (CDA):

Is de heer Dittrich niet met mij van mening dat het op grond van artikel 10, de hardheidsclausule, mogelijk is om analfabeten op hogere leeftijd die niet meer in staat zijn om taalvaardigheid te verwerven, of visueel gehandicapten, vrij te stellen van de eisen die in artikel 8 worden gesteld?

De heer Dittrich (D66):

Artikel 10 is de hardheidsclausule. Ik kan mij een eerdere discussie met de heer Verhagen herinneren die ook over een hardheidsclausule ging. Het lijkt mij belangrijk dat een hardheidsclausule beperkt wordt gehouden en dat niet heel grote groepen mensen die aan te wijzen zijn, onder een hardheidsclausule worden gebracht. Ik zie een hardheidsclausule als iets waaraan individueel getoetst moet worden. Het lijkt mij geen goede zaak om heel grote groepen onder het bereik van artikel 10 te laten vallen, want dat is wat de heer Verhagen suggereert. Dan moet de hoofdregel anders geformuleerd worden.

De heer Verhagen (CDA):

Heeft de heer Dittrich aanduidingen dat het om heel grote groepen gaat? Ik leid hieruit namelijk af dat dit zijn voornaamste bezwaar is.

de heer Dittrich (D66):

Ik kan hierover geen cijfers geven. Uit ervaringen die allerlei instanties hebben opgedaan, bijvoorbeeld het NCB, met mensen die de Nederlandse nationaliteit aanvragen, blijkt echter dat bijvoorbeeld analfabetisme bij oudere mensen een belangrijke rol kan spelen.

Wat D66 betreft zouden er ook geen eisen moeten worden gesteld aan de kennis van de Nederlandse maatschappij en staatsinrichting, die ook niet aan autochtone Nederlanders met een vergelijkbaar opleidingsniveau worden gesteld. Wordt er overigens bij de beoordeling van de inburgering rekening mee gehouden, dat in veel gemeenten erg lange wachtlijsten bestaan om een cursus Nederlands en Nederlandse maatschappijleer te volgen? Als de vreemdeling zijn best heeft gedaan om Nederlands te leren, maar de gemeente kon geen cursusplaats verzorgen, behoort het in de opvatting van D66 niet aan de vreemdeling te worden tegengeworpen.

In maart 1995 komt de minister van Binnenlandse Zaken na overleg met de Vereniging van Nederlandse gemeenten met een uitgewerkt plan voor de inburgeringstrajecten. Wil de staatssecretaris aangeven wat nu de relatie is tussen inburgeringstrajecten voor nieuwkomers en de toetsing van het inburgeringsvereiste in het kader van deze Rijkswet op het Nederlanderschap? Spreken wij dan over verschillende gradaties van ingeburgerd zijn of ingeburgerd worden? Graag hoor ik hierover wat meer duidelijkheid.

Voorzitter! Dan kom ik op een belangrijk punt van het wetsvoorstel: de naturalisatie als onderdeel van de integratie. Verkrijging van het Nederlanderschap is een belangrijk element bij de integratie van vreemdelingen in ons land. Vanuit Nederland gezien is het onwenselijk om generaties lang een grote groep vreemdelingen binnen de landsgrenzen te herbergen. Vanuit de immigranten gezien is het beter om op een gegeven moment volledig aan het politieke leven te kunnen deelnemen en geen belemmeringen te ondervinden, bijvoorbeeld bij het maken van internationale reizen of bij het aanvaarden van bepaalde beroepen. Ondanks het behoud van hun oorspronkelijke nationaliteit moet naturalisatie mogelijk zijn, in het bijzonder ook voor de tweede en volgende generaties. Die mensen zijn hier geboren, hebben hier op school gezeten en zijn in de samenleving geïntegreerd geraakt.

D66 onderschrijft dan ook dat het mogelijk moet zijn de nationaliteit van het land van herkomst te behouden, als men dat wenst. Wij vinden het prima dat de Nederlandse overheid de vreemdeling die een verzoek tot naturalisatie doet, op de voor- en nadelen wijst van het hebben van zo'n dubbele nationaliteit, maar in beginsel moet het worden overgelaten aan de keuze van de vreemdeling, of hij zijn oorspronkelijke nationaliteit laat varen of niet. Indien de vreemdeling ervoor kiest, zijn oorspronkelijke nationaliteit te behouden, wil dat niet zeggen dat hij geen sterke band heeft met Nederland. Wij moeten niet verlangen dat de immigrant volledig assimileert in de Nederlandse gemeenschap en cultuur. Met behoud van eigen identiteit, inclusief de oorspronkelijke nationaliteit, kan de vreemdeling actief aan de Nederlandse samenleving deelnemen. D66 ziet deze keuzevrijheid als consequentie van een liberaal standpunt. Het individu beslist en de overheid heeft in dezen een meer voorlichtende taak.

Ik heb dan ook een amendement ingediend op stuk nr. 25, waarmee ik in artikel 9 vastleg dat de naturalisant uitdrukkelijk een keuze moet maken of hij zijn oorspronkelijke nationaliteit wil behouden of niet. Behoud van de oorspronkelijke nationaliteit moet geen automatisme zijn. In het door de naturalisant in te vullen formulier mag daar wat D66 betreft best naar gevraagd worden, mits het de naturalisant duidelijk is dat hij, als hij kiest voor behoud van zijn nationaliteit, toch voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit in aanmerking kan komen, als hij aan alle andere voorwaarden voldoet. Het moet ook duidelijk zijn voor de behandelend ambtenaar die met hem spreekt, dat de overheid de opgegeven redenen niet inhoudelijk gaat toetsen.

In dit verband wijs ik erop dat de spiegelbepaling van artikel 9 in artikel 15 ligt opgesloten. De Nederlander in het buitenland behoeft ook niet allerlei redenen aan te voeren waarom hij zijn Nederlanderschap wil behouden. Hij brengt zijn wens uitdrukkelijk naar voren, bijvoorbeeld door een paspoort aan te vragen of een verklaring van Nederlanderschap. Die symmetrie van de wet wordt door mijn amendement intact gelaten. Ik hoor graag van de staatssecretaris of de regering bereid is, mijn amendement op dit punt over te nemen.

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter! Het gaat bij artikel 15 toch om die mensen die op grond van de wetgeving in het land waar zij geboren zijn de nationaliteit van dat land verkrijgen naast de Nederlandse nationaliteit die zij bezitten omdat zij een kind zijn van Nederlandse ouders?

De heer Dittrich (D66):

De Raad van State heeft bij de schriftelijke voorbereiding kritiek uitgeoefend toen de Nederlandse regering het standpunt innam, de afstandseis af te schaffen. De raad vond dat er sprake moest zijn van evenwicht in de wetgeving, daarbij verwijzend naar Nederlanders die in het buitenland wonen en daar een andere nationaliteit hebben gekregen. De regering heeft daarop het wetsvoorstel herzien en opnieuw aan de Raad van State aangeboden. Dat evenwicht zit nu in de wet. Ik ben dan ook bang dat als je teveel vastlegt in artikel 9, je die symmetrie, die evenwichtigheid doorbreekt.

De heer Verhagen (CDA):

De kritiek van de Raad van State was erop gericht dat het behoud van de oude nationaliteit en het verkrijgen van een dubbele nationaliteit mogelijk werd gemaakt voor mensen die de Nederlandse nationaliteit aanvroegen. Op grond van de bestaande rijkswet verliezen mensen die in het buitenland woonachtig zijn na tien jaar hoe dan ook hun Nederlandse nationaliteit. Deze aanpak was onevenwichtig. Daarin is voorzien door de wijziging van artikel 15, lid c.

Bij symmetrie gaat het ook om keuzen. Degene die geboren is in een land waar hij op grond van de wetgeving aldaar, de nationaliteit van dat land krijgt, doet dat niet op grond van een eigen keuze, maar op grond van de wetgeving aldaar.

De heer Dittrich (D66):

In dit geval gaat het er juist om dat een Nederlander in het buitenland na tien jaar als het ware gestraft wordt met het verlies van zijn nationaliteit. De regering vond dat geen goed idee. Zij wilde de mensen de mogelijkheid bieden, in het buitenland de Nederlandse nationaliteit te behouden door die wens uitdrukkelijk te kennen te geven, bijvoorbeeld door een verklaring van Nederlanderschap aan te vragen. Mijn punt is dus dat aan die Nederlanders geen opgave van redenen wordt gevraagd, waarom zij die Nederlandse nationaliteit willen behouden. Op dat punt heeft de heer Verhagen niet gereageerd. De overheid blijft in dat geval buiten die redenen. Vandaar dat ik in mijn amendement op artikel 9 vastleg dat ook in dit geval de overheid buiten de motieven moet blijven.

De heer Korthals (VVD):

Voorzitter! Mag ik de heer Dittrich een korte vraag stellen? Ik geef een voorbeeld. Een Spanjaard wil zich naturaliseren tot Nederlander. Mag hij de Spaanse nationaliteit behouden?

De heer Dittrich (D66):

Wij kennen natuurlijk allemaal het verdrag dat gesloten is. Ik neem aan dat de heer Korthals daarop doelt. Het is natuurlijk frappant, te zien welke rol het Verdrag van Straatsburg en het tweede protocol hebben gespeeld in deze discussie. Er is ontzettend veel over geschreven. Ik kan daar kort over zijn.

Ik zie een aantal mogelijkheden. Nederland zegt het Verdrag van Straatsburg op, omdat wij, althans D66, het niet eens zijn met de hoofddoelstelling van dat verdrag, namelijk dat het ontstaan van dubbele nationaliteiten moet worden voorkomen. Nederland kan ook het tweede wijzigingsprotocol ratificeren dat die hoofdregel weer aanmerkelijk verzacht. Nederland zou ook heel actief kunnen gaan deelnemen aan de commissie die het Verdrag van Straatsburg fundamenteel herziet. Ik hoor dan ook graag van de staatssecretaris hoe de regering in dit spanningsveld opereert en wat de meest recente stand van zaken is aan dit internationale front. Als medewetgever hebben wij de verantwoordelijkheid om nieuwe wetten niet in strijd te laten zijn met verdragen waar Nederland partij bij is.

De heer Korthals (VVD):

Ik keer even terug naar het amendement van de heer Dittrich. Hij stelt dus een amendement voor waarvan hij zelf zegt dat het in strijd is met het Verdrag van Straatsburg?

De heer Dittrich (D66):

Het is niet in strijd met de letterlijke tekst en met de manier waarop de regering die invult. De heer Korthals heeft dat in de stukken kunnen lezen. Ik moet toegeven dat, gezien de discussies die plaatsvonden voordat het verdrag werd gesloten, men in de jaren vijftig inderdaad meende dat het hebben van een dubbele nationaliteit zoveel mogelijk voorkomen moest worden. Begin jaren zestig is het verdrag gesloten. Daarna is er een omwenteling in het denken geweest en heeft men, juist om de integratiegedachte te bevorderen, gemeend dat het goed is dat mensen een dubbele nationaliteit kunnen hebben. Ik ben het echter met u eens dat mijn amendement en het wetsvoorstel van de regering in strijd zijn met de oorspronkelijke gedachte van het Verdrag van Straatsburg.

De heer Korthals (VVD):

Nee. Artikel 1 van het Verdrag van Straatsburg bepaalt nog steeds dat het niet kan. Dat ligt ook vast in onze wet. Als u consequent wilt zijn, moet u eerst het verdrag opzeggen en vervolgens met een amendement als het onderhavige naar voren komen.

De heer Dittrich (D66):

Nee. Ik ben het niet met u eens. Je kunt artikel 1 op verschillende manieren lezen. Je kunt het artikel eng interpreteren of ruim interpreteren. Daar is discussie over mogelijk, ook onder deskundigen. Die discussie vindt ook al jarenlang plaats. De neerslag daarvan is te vinden in alle papieren. Bovendien hebben wij nu het tweede protocol. Ik ontken niet dat er een spanningsveld is. In dit spanningsveld moet de regering de weg wijzen. Als wij met mijn amendement en met dit wetsvoorstel akkoord gaan, ontstaat er spanning met het verdrag. Ik vraag aan de regering om daar een einde aan te maken. De regering moet de weg wijzen.

De heer Korthals (VVD):

Het is nogal een verstrekkend amendement. Artikel 1 van het verdrag verklaart duidelijk dat men afstand moet doen. Meerderjarige onderdanen van de verdragsluitende partijen – in dit geval dus Spanje en Nederland – verliezen hun nationaliteit indien zij tengevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring de nationaliteit van een andere partij verkrijgen door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit. Aan hen mag geen vergunning worden gegeven hun vroegere nationaliteit te behouden. Dat is dus niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

De heer Dittrich (D66):

Dat is het wel, namelijk als je leest dat de verdragsluitende staat de eigen nationaliteit kan intrekken. Hier gaat het juist om de nationaliteit van de ander. Dat is de discussie tussen de geleerden geweest en dat is het verschil tussen de enge en de ruime interpretatie van artikel 1 van het Verdrag van Straatsburg.

Voorzitter! Ik wil kort iets zeggen over het opbouwen van jaren. D66 is het ermee eens dat de termijn van naturalisatie aanvangt op het moment dat aan alle voorwaarden voor een vergunning tot verblijf is voldaan. Hieronder valt ook de voorwaardelijke vergunning tot verblijf. D66 is het dan ook niet eens met het CDA waar het CDA zich beroept op het voorwaardelijke karakter van de VVTV. Na drie jaar wordt die VVTV omgezet in een gewone vergunning tot verblijf. Wij vinden het dan ook onredelijk als de termijn van drie jaar niet zou meetellen.

De heer Verhagen (CDA):

Het voorlopige karakter van de humanitaire verblijfsvergunning betekent dat men teruggaat als de situatie in het land van herkomst zich wijzigt. Met andere woorden, juist in die periode blijft men alle banden met het land van herkomst dusdanig cultiveren dat men terug kan zodra de situatie thuis gewijzigd is. Men maakt geen emotionele keuze, ook niet voor Nederland. De integratie in de Nederlandse samenleving zal ook aanmerkelijk minder zijn dan wanneer er sprake is van een vestiging zonder beperking.

De heer Dittrich (D66):

Ik ben het daar niet mee eens. De vreemdeling kiest er juist voor om zijn land te verlaten en, in dit geval, naar Nederland te komen. In Nederland kennen wij dan de voorwaardelijke vergunning tot verblijf en blijft Nederland bekijken hoe de situatie zich in het land van herkomst zich ontwikkelt. In de tussentijd is men in Nederland en neemt men deel aan de Nederlandse maatschappij. Wij hebben al afgesproken dat die mensen hier ook mogen werken en dat zij opleidingen en dergelijke krijgen gedurende die drie jaar. Als men na drie jaar in aanmerking komt voor een onvoorwaardelijke vergunning tot verblijf, vindt mijn fractie het uitermate onredelijk om de genoemde drie jaar niet mee te tellen.

De heer Verhagen (CDA):

Geldt dat ook voor degene die wij sinds gisteren "witten"?

De heer Dittrich (D66):

Daar geldt dat niet voor. Zij hebben immers geen voorwaardelijke vergunning tot verblijf gekregen. Gisteren hebben wij gesproken over mensen die illegaal verblijven in Nederland. Zij hebben geen toestemming van de Nederlandse overheid om hier te verblijven. Bovendien staat in dit wetsvoorstel, naar ik meen in artikel 1, dat toelating een bewuste keuze van de Nederlandse overheid is.

De heer Korthals (VVD):

Uit de stukken blijkt dat de D66-fractie het daarmee niet helemaal eens is.

De heer Dittrich (D66):

Ik kan u verklappen dat ook ik die passage in de stukken heb gelezen. Ik wil graag luid en duidelijk verklaren dat mijn fractie zich niet meer op dat standpunt stelt. Wij vinden dus dat de verblijfsjaren in Nederland van iemand die hier illegaal verblijft, niet behoren mee te tellen voor de naturalisatie-opbouw.

Ik wil iets zeggen over naturalisatie door erkenning. Wij zijn heel erg blij dat de wetswijziging een halt toeroept aan de schijnerkennig. Daarvan is veel misbruik gemaakt, dus de regering doet terecht een voorstel om hier wijziging in te brengen. Het is wel de vraag of de bonafide erkenningen in het voorstel niet onevenredig zwaar worden getroffen. In lid 1.c van artikel 6 wordt bepaald dat de vreemdeling die tijdens zijn minderjarigheid door een Nederlander is erkend, het Nederlanderschap kan verkrijgen als hij na de erkenning en vóór zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van ten minste drie jaar verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij erkend is. Ik verzoek de staatssecretaris, te reageren op de volgende casuspositie.

Een minderjarige in Nederland wonende vreemdeling wordt door een Nederlander erkend. Hij wordt in het gezin van die Nederlander opgenomen, maar als gevolg van allerlei familie-omstandigheden in het gezin, bijvoorbeeld ziekte van de erkenner, wordt hij na twee jaar verblijf door een familielid buiten het gezin van de erkenner opgevangen. Dat familielid verzorgt de minderjarige verder en voedt hem op. Mijn fractie heeft brieven ontvangen over deze casuspositie. Mijn vraag is of krachtens artikel 6 het Nederlanderschap aan de minderjarige vreemdeling uit het voorbeeld wordt onthouden. Als dat zo is, wat is daarvan dan de zin? Ik had zoëven een interruptiedebatje met de heer Verhagen over de hardheidsclausule; ik kan mij voorstellen dat je voor zo'n heel specifiek geval naar de hardheidsclausule kijkt. In die clausule zijn echter maar twee artikelen genoemd, de artikelen 8 en 9. Vandaar dat ik voor dergelijke gevallen een amendement heb ingediend om ook artikel 6 in die clausule op te nemen.

Kan de staatssecretaris verder aangeven in welke gevallen de vreemdeling die Nederlander wil worden maar niet in Nederland woonachtig is, toch voor de Nederlandse nationaliteit in aanmerking kan komen? Je kunt namelijk uit artikel 10, de hardheidsclausule, de conclusie trekken dat dit mogelijk is. Er wordt dus op het wonen in Nederland een uitzondering gemaakt. Ik begrijp niet goed wat daarmee wordt bedoeld. Wil de staatssecretaris aangeven hoe vaak de hardheidsclausule ongeveer wordt toegepast?

Voorzitter! Ik ben bijna aan het eind van mijn verhaal. Wat geldt voor de immigrant met betrekking tot zijn oorspronkelijke nationaliteit, zou ook moeten gelden voor de Nederlander die in het buitenland leeft. D66 vindt dat de regering na de kritiek van de Raad van State in het uiteindelijke voorstel een redelijk evenwicht heeft gevonden. De hoofdregel is dat wie objectief gezien geen werkelijke band met de Nederlandse samenleving heeft, de Nederlandse nationaliteit zal verliezen. Wij vinden het begrijpelijk dat dit onderdeel van het wetsvoorstel heftige reacties oproept, omdat een emotionele maar niet aanwijsbare band in het leven van iemand desondanks heel belangrijk kan zijn. Mijn fractie heeft hierop ontzettend veel reacties van Nederlanders in het buitenland ontvangen. Wij vinden het dan ook goed dat de regering bij nota van wijziging heeft bepaald dat een Nederlander in het buitenland het vermoeden dat hij geen werkelijke band meer met Nederland heeft, kan weerleggen door het aanvragen van een paspoort, een bewijs van Nederlanderschap of een consulaire verklaring of door langer dan een jaar in Nederland te verblijven. De Nederlander moet dus zelf eens in de zoveel jaar in actie komen om verlies van het Nederlanderschap te voorkomen. Overigens hoeft hij – ik zei het zoëven al tegen de heer Verhagen – geen redenen op te geven waarom hij Nederlander wil blijven. D66 vindt ook dat de overheid daar eigenlijk buiten moet blijven. Vandaar dat artikel 15 een spiegelbepaling is van artikel 9, inclusief mijn amendement.

Als je alles leest over het overgangsrecht, blijkt dat dit knap ingewikkeld in elkaar zit. Uiteindelijk komt het erop neer dat elke bipatride Nederlander die in het bezit is van een geldig reisdocument of van een recent bewijs van Nederlanderschap, zijn Nederlandse nationaliteit niet verliest. De overgangsregeling kent ook een bepaling die met terugwerkende kracht geldt. Wij zijn 1 januari 1995 gepasseerd, dus er zijn Nederlanders in het buitenland die hun Nederlandse nationaliteit aan het verliezen zijn en daarmee bijvoorbeeld rechten, zoals kiesrecht en het recht op consulaire bijstand. Ik vraag de staatssecretaris of de omvang van dit probleem in kaart te brengen is.Dittrich

Tot slot nog iets over de duur van naturalisatieverzoeken. Wij zijn erg blij met de gewijzigde eerste volzin van artikel 9, waaruit blijkt dat er binnen één jaar over het verzoek beslist moet worden. Wordt het verzoek geacht te zijn toegewezen als die beslissing niet binnen één jaar plaatsvindt? Ik vraag dit omdat uit de praktijk blijkt dat ondanks de agentschapstatus van de IND en ondanks allerlei organisatorische maatregelen het toch voorkomt dat de behandeltermijn langer is dan één jaar.

Ik heb een paar dagen geleden weer een brief ontvangen, waarin beweerd wordt dat het heel erg lang duurt voordat de Koningin haar handtekening heeft gezet. Ik hoor de staatssecretaris nu opmerken dat dit niet aan de Koningin ligt. Dat geloof ik direct. Ik wil echter graag vernemen waar het wèl aan ligt. Voor degene die het Nederlanderschap aanvraagt, is het namelijk heel erg vervelend om zo ontzettend lang te moeten wachten. Ik wil dus graag vernemen wat de oorzaken van die vertraging zijn.

De heer Schutte (GPV):

Mijnheer de voorzitter! Mijn bijdrage aan dit debat lever ik mede namens de fractie van de RPF. Ik vind het plezierig dat wij nu ook van de coalitiefracties toestemming hebben gekregen voor het voeren van dit debat. Uiteraard zijn wij zeer benieuwd naar de grote problemen die hen hebben weerhouden van eerdere medewerking aan het voeren van dit debat.

Het wetsvoorstel dat we nu behandelen, staat in het kader van een beleid, gericht op integratie van leden van allochtone minderheden in de Nederlandse samenleving, een beleid dat in algemene zin steun verdient, maar dat in de praktijk stuit op het feit dat de ene allochtoon de andere niet is. Wie als vluchteling binnenkomt, zal vaak de hoop koesteren dat de situatie in zijn vaderland verbetert, waarna terugkeer mogelijk is. Anders is de situatie voor die vreemdelingen die hier gekomen zijn omdat man of vader hier ooit werk gevonden heeft. En binnen beide categorieën zijn de verschillen groot. Een beleid, gericht op integratie, zal met al deze verschillen rekening moeten houden.

Het is ongetwijfeld waar dat naturalisatie tot Nederlander de integratie in de Nederlandse samenleving kan bevorderen. Maar tegelijk is duidelijk dat het verkrijgen van een andere nationaliteit dan de oorspronkelijke zodanig ingrijpend is, zowel voor de vreemdeling als voor de samenleving, dat het pas aan de orde kan zijn als het proces van integratie zo ver is voortgeschreden dat de vreemdeling aan een keuze voor de Nederlandse samenleving toe is.

Tot zover zullen er, dunkt mij, tussen de regering en onze fracties geen meningsverschillen bestaan. De vraag waar het nu om gaat, is of een keuze voor de Nederlandse samenleving kan samengaan met het in stand houden van een gelijkwaardige band met de samenleving waaruit men afkomstig is. Tot voor kort werd deze vraag nationaal en internationaal vrij algemeen ontkennend beantwoord. De nog maar tien jaar oude Rijkswet op het Nederlanderschap doet het ook. Toch wil de regering daarop nu terugkomen. De vraag of dubbele nationaliteit een bezwaar is, wil de regering niet meer in algemene zin zelf beantwoorden, maar dit in elke concrete situatie door de naturalisandus zelf laten doen.

De inhoudelijke argumenten zijn tweeërlei. Naturalisatie kan het gewenste proces van integratie een extra impuls geven èn het kan eraan bijdragen dat de leden van één gezin zoveel mogelijk dezelfde nationaliteit bezitten. Daarnaast gelden als feitelijke argumenten dat dubbele nationaliteit nu ook al niet altijd te vermijden is en dat er internationaal ontwikkelingen in gang zijn in de richting van het accepteren van dubbele nationaliteit.

Dat laatste feit heeft de regering vooral aanvankelijk nogal benadrukt. Weliswaar gaat het Verdrag van Straatsburg er nog steeds van uit dat dubbele nationaliteit moet worden tegengegaan, maar, aldus de regering, sinds 1992 is er een tweede protocol bij dit verdrag, waarvan het uitgangspunt is dat het streven de meervoudige nationaliteit te beperken, niet in de weg mag staan aan de integratie van buitenlanders door naturalisatie, noch aan het streven om binnen één gezin zoveel mogelijk een gemeenschappelijke nationaliteit te verwezenlijken. Dat lijkt dus de weg te banen voor het onderhavige wetsvoorstel.

Alvorens hieraan te veel zelfstandige betekenis toe te kennen, moet worden vermeld dat dit protocol alleen nog door Frankrijk en Italië is aanvaard. Een groot aantal andere verdragstaten van het Verdrag van Straatsburg voelt hiervoor niets, waaronder Duitsland, Luxemburg en de Scandinavische landen. Zij willen zonder meer vasthouden aan de enkelvoudige nationaliteit. De kans is dus groot dat binnen de verdragstaten twee blokken ontstaan: een relatief groot blok van landen die aan de enkelvoudige nationaliteit vasthouden en een waarschijnlijk kleiner blok dat het ontstaan van dubbele nationaliteit niet meer wil tegengaan. Binnen het laatste blok zal Nederland het land zijn dat de mogelijkheden die het protocol biedt, maximaal zal benutten. Het protocol staat de toetredende staten toe, in bepaalde gevallen af te wijken van de verdragsregel die dubbele nationaliteit wil tegengaan, maar Nederland zal in alle gevallen waarin de naturalisandus ervoor kiest, van deze regel afwijken.

Dit brengt mij tot enkele concrete vragen. Waarom willen landen zoals Duitsland en Denemarken zonder meer vasthouden aan de enkelvoudige nationaliteit? Zij staan toch voor dezelfde integratievragen als wij? Welke specifieke situatie in Nederland brengt de regering ertoe, voor een eigen weg te kiezen? Uiteraard zal ik de laatste willen zijn om het recht van Nederland op een dergelijke weg te ontkennen, maar het gebruik maken van dit recht vergt wel een zorgvuldige afweging en motivering. Het belang van de integratie als argument lijkt mij dan niet afdoende. Kan het zijn dat in andere landen meer dan in Nederland betekenis wordt toegekend aan een ondubbelzinnige keuze voor de nationale samenleving?

In de memorie van antwoord is de regering uitvoerig ingegaan op onze vragen over de betekenis van de nationaliteit in dit verband. Ik realiseer mij dat een discussie hierover risico's meebrengt. Maar al te gemakkelijk kom je in nationalistisch vaarwater. Welke gevolgen dat kan hebben, zien we om ons heen.

Ik ben het ook met de regering erover eens dat je niet in algemene of in zeer gedetailleerde zin kunt aangeven welke rechten en plichten aan het bezit van de Nederlandse nationaliteit verbonden behoren te zijn, maar dit mag ons er niet toe brengen, aan de begrippen "natie" en "nationaliteit" elke feitelijke betekenis te ontzeggen. De regering beroept zich op een recente dissertatie van G.R. de Groot, waarin de stelling wordt verdedigd dat nationaliteit een begrip is dat geen vast omschreven inhoud heeft. Dat vind ik te weinig gezegd. Zonder mij aan vaste, voor alle tijden en plaatsen geldende definities te binden, meen ik dat positieve kenmerken van een natie en een nationaliteit wel genoemd kunnen worden.

Om de gedachten te bepalen, maar ook niet meer dan dat, noem ik een omschrijving van de historicus Smitskamp, die de natie bestempelt als een groep van personen, georganiseerd in een eigen staatsverband of zo'n staatsverband begerend, die zich op de grondslag van een gezamenlijk doorleefd verleden en doorgaans ook van een zekere homogeniteit van taal, cultuur en afstamming, als een eenheid voelt en deze eenheid in stand wil houden. Wat in deze omschrijving opvalt, is dat het gaat om een als zodanig ervaren en gewilde staatkundige eenheid, met een zekere homogeniteit als kenmerk, waarbij een gezamenlijk verleden een rol speelt. Wie een andere nationaliteit aanvaardt, treedt dus toe tot een staatkundige eenheid, aan welker verleden hij geen deel heeft. Dat kan en is de eeuwen door ook regelmatig gebeurd. Wie enige waarde hecht aan de natie als staatkundig-culturele eenheid, zal echter beseffen dat naturalisatie altijd iets heeft van een nieuwe keuze, een nieuwe verbondenheid. Aan die keuze zijn vervolgens ook wederzijdse rechten en plichten verbonden, die behoren bij de samenleving waarvan men deel uitmaakt.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Uit uw betoog leid ik af dat de burgers van dit land met een dubbele nationaliteit een zwakker gevoel hebben voor de Nederlandse natie, waarmee ik net zo min als u op nationalistische gevoelens doel, dan mensen met alleen een Nederland paspoort. Misschien is het u bekend dat veel jongeren uit de Marokkaanse, Turkse en Surinaamse gemeenschap meedoen aan alle competitiewedstrijden – voetbalwedstrijden, bokswedstrijden, enz. – daarbij eigenlijk de Nederlandse natie vertegenwoordigend. Ik denk dat er geen beter bewijs is voor het gevoel tot de Nederlandse natie te behoren dan dit soort optreden, zeker als wij weten dat het optreden van deze jongeren ertoe leidt, dat ook de gezinnen, in hun kielzog eigenlijk, de Nederlandse nationaliteit overnemen, daarmee zich ook identificerend met Nederland.

De heer Schutte (GPV):

Voorzitter! Het gaat er mij niet zozeer om of ik iets zou kunnen aangeven van wat mensen voelen, namelijk of zij zich meer of minder voelen betrokken bij een land, een cultuur, enz. Ik denk dat je als overheid, als je wetgeving tot stand brengt, vooral moet afgaan op de formele criteria en dan zeg ik het volgende. Als je om uiteenlopende redenen – daarom kan het nooit een zwart/wit-schema zijn – voor de situatie kiest of staat, waarin je kiest voor de Nederlandse nationaliteit, maar tevens de Turkse of welke nationaliteit dan ook behoudt, dan heb je daarbij iets tweeslachtigs in je, als het erom gaat, je te bekennen tot een bepaalde natie, nationaliteit of cultuur. Ik zeg nogmaals dat het niet zwart/wit is.

Dat ik er hier nu de nadruk op leg, wil niet zeggen dat ik vind dat daarmee het wetsvoorstel niet goed is. Ik trek pas aan het einde mijn conclusie. Wel vind ik dat de regering daar in haar motivering wat gemakkelijk aan voorbijgaat en dat ik de indruk heb, dat zij wat weinig materiële inhoud geeft aan het begrip nationaliteit. Ik vind dat, als je dit debat voert, je het principiële debat moet voeren, in de zin van: is het inderdaad zo dat je weinig objectief-inhoudelijks kunt koppelen aan het begrip nationaliteit in de moderne situatie? Of is dat een misverstand en moet je er anders tegenaan kijken? Die principiële discussie wil ik gevoerd hebben. Als deze gevoerd is, zal ik mijn houding bepalen, namelijk of ik vind dat we inderdaad een stap terug moeten zetten in de richting van het accepteren van dubbele nationaliteit.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Ik begrijp u volledig. Ik denk dat de regering probeert om dat aan te geven: zij probeert objectieve mogelijkheden aan te geven, bijvoorbeeld als het gaat om de Nederlandse taal, inburgering, enz. Maar ik denk wel – ik ben geïnteresseerd in uw mening daarover – dat het moeilijk is om dit aan te geven, omdat het subjectief is.

De heer Schutte (GPV):

Precies, en juist daarom vind ik dat je zo weinig mogelijk de subjectieve elementen erin moet brengen. Een objectief gegeven is dan het volgende. Men heeft een keuze voor òf één nationaliteit, òf twee nationaliteiten. Het kiezen voor twee, met uiteenlopende achtergronden, is een objectief gegeven en ik vind dat je daar als wetgever primair naar moet kijken. Daar is het laatste woord niet mee gezegd, maar het is wel de primaire ingang voor mij.

Voorzitter! Past dan een dubbele nationaliteit als structurele en gelijkwaardige mogelijkheid? Dat is de vraag die wij mijns inziens nu moeten beantwoorden. Betekent dit in feite niet dat een naturalisandus geen echte keuze maakt, maar twee ijzers in het vuur wil houden? Daarvoor kunnen zeer uiteenlopende en respectabele redenen bestaan. Maar betekenen deze niet dat hij aan een keuze voor de Nederlandse samenleving en dus aan integratie in die samenleving, nog niet echt toe is? Wordt op deze manier de betekenis van de nationaliteit niet tot een puur theoretische? Ik hoop dat de staatssecretaris op deze beschouwingen wil ingaan. Ik wil met haar meedenken over mogelijkheden voor een goede integratie van allochtonen in onze samenleving, maar met een integratie op papier is, dunkt mij, niemand gediend.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! De heer Schutte heeft gesproken over formele eisen en daarom zou ik hem het volgende willen vragen. Hij weet dat in de huidige wet meervoudige nationaliteit toegestaan wordt.

De heer Schutte (GPV):

Ja, node.

De heer Apostolou (PvdA):

Vindt u niet dat wij een rechtsongelijkheid hebben ten aanzien van burgers, in die zin dat sommigen wel hun nationaliteit kunnen behouden en anderen niet? Ik vind dat een formeel punt, waar u ook een antwoord op zou moeten hebben.

De heer Schutte (GPV):

Weet u, de moeilijkheid met dit soort zaken is, dat wij het niet als Nederland alleen kunnen regelen. Wat dat betreft zou het heel plezierig zijn, als wij zouden kunnen zeggen: wij maken hier een nationaliteitswetgeving en daar passen de andere landen zich wel bij aan. Maar wij leven in een internationale volkerengemeenschap en in Turkije bijvoorbeeld heeft men daar zijn eigen regels voor. Dat kan ertoe leiden dat je er met een bepaalde hoofdregel opgenomen in de wet als uitgangspunt, uitzonderingen op moet accepteren, omdat je niet bereid bent de gevolgen te accepteren van het niet accepteren van de uitzonderingen.

De heer Apostolou (PvdA):

Dus uw argument is: omdat andere landen het niet doen, moeten wij het ook niet doen?

De heer Schutte (GPV):

Nee. Als je noodzakelijkerwijze uitzonderingen moet accepteren, mag dat op zichzelf niet een argument zijn om de hoofdregel te veranderen.

De heer Dittrich (D66):

Zegt u nu, dat Nederlanders die in het buitenland wonen en daar een andere nationaliteit krijgen, per definitie hun Nederlandse nationaliteit moeten verliezen?

De heer Schutte (GPV):

Daar kom ik zo op.

De heer Dittrich (D66):

Ik ben heel benieuwd hoe u dat gaat oplossen.

De heer Schutte (GPV):

In begrijp het, maar u krijgt uw antwoord.

Een reeds bestaande voorwaarde voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit is, dat de verzoeker is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving. Ik begrijp dat het moeilijk is, hiervoor concrete richtlijnen te geven. Met individuele omstandigheden moet rekening worden gehouden, maar de beheersing van de Nederlandse taal is zo essentieel voor inburgering, dat hier niet lichtvaardig mee mag worden omgegaan. We beslissen immers niet over toelating tot Nederland, maar over het toekennen van de Nederlandse nationaliteit, waardoor iemand volledig deel gaat uitmaken van onze samenleving. Mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid moeten dan het uitgangspunt zijn, met uitzonderingen in gevallen waarin die door bijvoorbeeld opleiding of leeftijd redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

De toezegging om ook enige kennis van de Nederlandse maatschappij en staatsinrichting te verlangen, past ook goed bij de door mij bepleite betekenis van de keuze voor de Nederlandse nationaliteit.

Tijdens de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel heeft de regering een koerswending gemaakt in de spiegelbeeldige situatie van de naturalisatie tot Nederlander. Talloze oud-landgenoten en hun organisaties, getooid met oer-Hollandse namen als Neerlandia en De Laatste Stuiver, wendden zich verontrust tot de Kamer omdat de oorspronkelijke regeringsplannen ertoe dreigden te leiden, dat in het buitenland wonende Nederlanders buiten hun wil de Nederlandse nationaliteit zouden verliezen.

Tot op zekere hoogte is dit de spiegelbeeldige situatie van de buitenlandse werknemer in Nederland, al is het de vraag hoever de vergelijkbaarheid van de situatie opgaat. Ik denk dat de verscheidenheid binnen de groep Nederlanders in het buitenland zeer groot is. Duidelijk werd in ieder geval wel dat het gaat om mensen die zeer bewust hun Nederlanderschap beleven en deze nationaliteit dan ook niet willen verliezen.

Het standpunt van de regering was, dat het Nederlanderschap verloren zou moeten gaan als er objectief bezien geen sprake meer was van een band met Nederland. Dat zou dan kunnen worden afgemeten aan het feit dat iemand zonder wezenlijke onderbreking tien jaar of langer in het buitenland woont. Dat voorstel ligt nu niet meer voor en behoeft dus geen bespreking meer. Ik wil er alleen van zeggen, dat de wens naar objectiviteit wat erg ver was doorgeslagen, maar dat op zichzelf aan de redenering enige logica niet kon worden ontzegd. Het beleid was er immers op gericht, het ontstaan of bestaan van dubbele nationaliteit tegen te gaan. De grootste zwakte in het voorstel was echter dat de regering voor de allochtonen in Nederland al afstand had gedaan van dat beleid. Wie dat doet, heeft geen enkele rechtsgrond meer om Nederlanders in het buitenland hun nationaliteit te ontnemen ter voorkoming van dubbele nationaliteit. In die zin ben ik blij met de op dit punt aangebrachte nota's van wijziging.

Ten slotte vraag ik nog aandacht voor een formeel punt. Wij voeren vandaag een vrij principieel debat over een wat achterhaalde zaak. Zo lijkt het tenminste. Immers, de regering past het nieuwe beleid dat in het wetsvoorstel is opgenomen, al enkele jaren toe krachtens de circulaire van december 1991. Ik weet dat dit niet buiten medeweten van de Kamer gebeurt en toch vind ik het geen goede werkwijze.

De heer Dittrich (D66):

Ik wil toch nog graag een vraag stellen over uw vorige onderwerp. We hadden het over het spiegelbeeld en u zei blij te zijn dat de regering het zo heeft aangepast. Ik vind dat u nu weer terug moet gaan naar de vreemdelingen in Nederland die de Nederlandse nationaliteit willen hebben. In eerste instantie zei u daarover dat wij daar wat strenger in moeten zijn omdat nationaliteit niet zomaar iets is. Welke consequenties verbindt u nu voor de vreemdelingen in Nederland aan uw standpunt dat het goed is dat Nederlanders in het buitenland niet zomaar meer hun nationaliteit kwijtraken?

De heer Schutte (GPV):

U keert nu de zaak om.

De heer Dittrich (D66):

Bij een spiegelbeeld is dat vaak zo.

De heer Schutte (GPV):

Maar bij een spiegelbeeld moet je aan de goede kant beginnen. Het eerste voorstel van de regering is verruiming van de mogelijkheden van dubbele nationaliteit voor mensen die van elders naar Nederland gekomen zijn. Als je dat voorstelt, moet je ook de spiegelbeeldige situatie toepassen. In die zin vind ik het ook een goede nota van wijziging. U keert nu de zaak om: omdat je de nota van wijziging goed vindt, zou je ook het omgekeerde moeten voorstellen. Maar voor mij is de hoofdzaak: wat wil de regering in de voorstellen voor mensen die van elders zijn gekomen en die Nederlander willen worden. Als ik daar ja tegen zeg, zeg ik uiteraard ook ja tegen de spiegelbeeldige situatie. Maar ik begin aan de andere kant.

De heer Dittrich (D66):

Maar de hoofdzaak is toch dat er een symmetrie bestaat?

De heer Schutte (GPV):

Zeker.

De heer Dittrich (D66):

Vindt u dat Nederlanders in het buitenland als het ware bevoordeeld mogen worden boven vreemdelingen die in Nederland Nederlander willen worden?

De heer Schutte (GPV):

Neen. Ik vind dat je één lijn moet trekken. Maar de lijn is begonnen bij de allochtonen, in verband met het belang van de integratie. Als wij daarvoor kiezen, moeten wij de spiegelbeeldige situatie ook accepteren. Anders was ik over de spiegelbeeldige situatie niet begonnen. Die hebben wij namelijk tien jaar geleden al geregeld.

De heer Dittrich (D66):

Maar het gaat er toch niet om waar de lijn begonnen is? Het gaat er toch om waar het evenwicht zit?

De heer Schutte (GPV):

Neen. Ik vind dat je grote waarde moet hechten aan het begrip "nationaliteit" en aan het voorkomen van een dubbele nationaliteit. Daarom sta ik voorlopig nog gereserveerd tegenover het wetsvoorstel zoals in eerste instantie ingediend en beoogd. Zeggen wij straks met elkaar dat wij er toch maar voor moeten kiezen, dan is het een logische consequentie dat ook dat andere wordt aanvaard. Maar wij keren de zaak niet om.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Voorzitter! Ik wil een opmerking maken naar aanleiding van de symmetrie. Ik ben daar voor, dit vooropgesteld. De heer Schutte koppelt het hebben van de Nederlandse nationaliteit aan enige inburgering. Maar het zal ook hem opgevallen zijn dat de politieke partijen, met name de VVD, de afgelopen jaren hier veel initiatieven hebben ontwikkeld om de Nederlanders in het buitenland te bereiken, zodat ook zij gaan stemmen. En dat percentage stemmers is eigenlijk heel laag. Hier bestaat bij de migranten echter grote behoefte om te stemmen, desnoods op de KVP zoals de heer Dittrich aangaf. Zij krijgen echter niet de kans, alleen al vanwege het aspect van onvoldoende inburgering.

De heer Schutte (GPV):

Ik vind inderdaad de koninklijke weg om te komen tot een stemrecht voor met name landelijke en provinciale verkiezingen, de weg van de naturalisatie. Via naturalisatie geef je te kennen, volwaardig deel te willen uitmaken van de Nederlandse samenleving. Je hebt dan dus ook het recht om te kiezen. Maar ik vind het al een winstpunt dat wij deze discussie voeren. Ik herinner mij dat wij er hier over hebben gediscussieerd om kiesrecht aan buitenlanders woonachtig in Nederland te geven, los van naturalisatie. Dat stadium zijn wij kennelijk voorbij. Wat dat betreft gaan wij de goede kant op!

Voorzitter! Nogmaals, wij voeren vandaag een vrij principieel debat over een achterhaalde zaak. Zo lijkt het tenminste. Ik wijs op de circulaire van december 1991, waarvan de Kamer overigens wel wist. Toch vind ik dit geen goede werkwijze.

Artikel 9 van de rijkswet gaat alleen akkoord met naturalisatie zonder verlies van de oorspronkelijke nationaliteit, indien dit verlies redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Dat is de huidige wettekst. Die laatste zinsnede ziet duidelijk op de mogelijkheid van incidentele afwijking van de hoofdregel. De regering heeft er echter een beroep op gedaan om geheel in het algemeen de eis los te laten, met als argument dat het afstandsvereiste op een in belangrijke mate willekeurige en toevallige wijze al dan niet tot verlies van de nationaliteit van oorsprong leidt. Op grond daarvan zou in redelijkheid van naturalisandi niet meer verlangd kunnen worden al het mogelijke te doen om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Dit is mijns inziens een oneigenlijk gebruik van een wettelijke bevoegdheid. Daaraan doet niet af dat de Kamer ervan afwist en evenmin dat een wetsvoorstel zou worden ingediend. Als ik het argument van de regering serieus neem, zou de Kamer het wetsvoorstel niet meer kunnen verwerpen. Dan zou immers een bepaling gehandhaafd blijven die in redelijkheid niet meer gehandhaafd kan worden. Dat is het argument van de regering.

Voorzitter! Ik ben meer dan gewoon benieuwd naar het antwoord van de regering en uiteraard ook naar de opvattingen van de collega's. Aan een positief oordeel over het wetsvoorstel ben ik nog niet toe. Misschien vormt dit een uitdaging voor een verdere fundamentele discussie.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Is de heer Schutte er niet voor dat Nederlanders in het buitenland hun Nederlanderschap behouden als zij een andere nationaliteit aannemen, bijvoorbeeld in Canada of Australië?

De heer Schutte (GPV):

Het antwoord kan duidelijk zijn. Ik ben over het algemeen voorstander van een eenduidige keuze, uiteraard na een overgangsperiode. Als je de nationaliteit van een ander land aanvaardt, heb je dus gekozen voor het andere land, ja. Dat is de hoofdlijn. Ik erken wel dat je in interstatelijke verhoudingen allerlei uitzonderingen moet maken.

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter! De CDA-fractie heeft reeds in het verleden nadrukkelijk gesteld dat een goede rechtspositie voor de legale migranten van groot belang is voor hun integratie in de Nederlandse samenleving. Een goede rechtspositie staat naast de noodzaak van een humaan doch terughoudend toelatingsbeleid voor vreemdelingen en ook naast de noodzaak van de bestrijding van illegaal verblijf. Ook meent de CDA-fractie dat bij toenemende verblijfsduur de rechtspositie van de legale vreemdeling in onze samenleving versterkt moet worden.

Gelijke rechten en gelijke plichten, dat dient onzes inziens dan ook met inachtneming van het recht op eigenheid te worden bevorderd. Het door ons onderschreven streven naar gelijke behandeling houdt hierbij overigens nadrukkelijk niet in, dat gestreefd moet worden naar het ongedaan maken van een aantal wetten, zoals de Kieswet, de Wet op het Nederlanderschap of de Vreemdelingenwet, die wel degelijk onderscheid maken tussen Nederlanders en vreemdelingen. Voor de volledige gelijkstelling zal dan ook de betrokken vreemdeling aangewezen moeten blijven op het kiezen voor en verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. Die volledige gelijkstelling omvat dan met name het landelijk en provinciaal kiesrecht, de benoembaarheid in bepaalde ambten en functies en het recht op hervestiging in Nederland.

De CDA-fractie heeft er nimmer twijfel over laten bestaan dat zij vindt dat deze rechten en plichten alleen samengaan met het Nederlanderschap. Met andere woorden: volledig gelijke rechten na een duidelijke keuze voor het Nederlanderschap. Ik zou in dit verband aan de collega's van PvdA en D66 willen vragen, hoe hun lijn is met betrekking tot het landelijk en provinciaal kiesrecht. Wij hebben daar zojuist een kort debatje over gehad naar aanleiding van de inbreng van de heer Schutte. De hele discussie over de verruiming van de mogelijkheden tot naturalisatie is eigenlijk begonnen met de discussie over kiesrecht voor mensen die volledig ingeburgerd, geïntegreerd zijn in onze samenleving. Het kan dan naar de mening van de CDA-fractie niet zo zijn dat wij kiezen voor verruiming van de mogelijkheden tot naturalisatie en tegelijkertijd nog steeds op de lijn blijven zitten van het streven naar kiesrecht voor een ieder die hier legaal verblijft.

Volledig gelijke rechten en plichten na een keuze voor het Nederlanderschap houdt tegelijkertijd in dat de verwerving van het Nederlanderschap als voltooiing van het proces van voortschrijdende participatie en integratie in de Nederlandse samenleving mogelijk moet zijn. In die zin onderschrijft de CDA-fractie de achterliggende gedachte van het voorliggende wetsvoorstel, dat het streven naar een beperking van meervoudige nationaliteit, zoals in het Verdrag van Straatsburg is neergelegd, niet zo absoluut moet worden opgevat dat het de integratie van buitenlanders door naturalisatie in de weg zou staan. Het hebben van een andere nationaliteit mag derhalve ook onzes inziens geen absolute blokkade vormen voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. Dat is ook de reden geweest waarom de CDA-fractie de motie-Soutendijk-van Appeldoorn/Apostolou mede heeft ingediend. Wij waren en zijn van mening dat vanwege de wens en de noodzaak tot volledige integratie van vreemdelingen in onze samenleving, een ruimhartiger beleid met betrekking tot de dubbele nationaliteit mogelijk moet zijn dan in de huidige wetgeving ter zake geformuleerd is.

Tegelijkertijd is in de motie expliciet gesteld dat de wetswijziging een individueel keuzemoment moet blijven inhouden en derhalve niet per definitie tot meervoudige nationaliteit zou moeten leiden. Het vorige kabinet en dit kabinet hebben echter gemeend de afstandseis van de oorspronkelijke nationaliteit geheel te moeten laten vervallen. Reeds in het schriftelijke deel van de behandeling van dit wetsvoorstel heeft de CDA-fractie aangegeven dat zij hier moeite mee heeft en dit ook niet in overeenstemming acht met de motie-Soutendijk-van Appeldoorn/Apostolou.

Ondanks het gegeven dat wij nadrukkelijk de grondgedachte van het wetsvoorstel ondersteunen, menen wij dat het hebben van een meervoudige nationaliteit niet onnodig verder mogelijk moet worden gemaakt. Daarvoor kleven er te veel bezwaren aan meervoudige nationaliteit. Over die bezwaren kun je heen stappen op het moment dat je de voordelen zwaarder vindt wegen dan de nadelen, maar de bezwaren op het gebied van het personen- en familierecht, alsmede op het gebied van het strafrecht moeten niet worden veronachtzaamd.

De heer Dittrich (D66):

Vindt u niet dat het uiteindelijk aan de vreemdeling zelf is om te beoordelen of de voordelen opwegen tegen de nadelen?

De heer Verhagen (CDA):

Ik denk dat wij op dat punt enigszins van mening verschillen. U ziet de rol van de overheid in dezen meer in de voorlichtende sfeer, terwijl ik een ruimere inschatting heb van die overheidsrol. U staat het blijkbaar wel toe dat de overheid conform het bepaalde in artikel 8 kan beoordelen of de verzoeker voldoende in de Nederlandse samenleving is geïntegreerd, want daarover heb ik u niet gehoord. Maar waarom zou de overheid niet tegelijkertijd een oordeel mogen geven over de motieven die de verzoeker heeft om zijn oude nationaliteit te behouden? Zij kan dan bijvoorbeeld bezien of die motieven niet haaks staan op de eis van voldoende integratie in de Nederlandse samenleving.

De heer Dittrich (D66):

Stel dat de vreemdeling als motief opgeeft dat hij met het afstand doen van zijn oude nationaliteit ook zijn rechten op onroerend goed in het land van herkomst zou verliezen. Toch wil hij de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Moet de overheid dan volgens u zeggen: wij kennen u de Nederlandse nationaliteit niet toe, want dat zou gezien het verlies van uw rechten op onroerend goed in uw nadeel zijn?

De heer Verhagen (CDA):

U noemt een prachtig voorbeeld dat in de praktijk zeer vaak voorkomt of is voorgekomen. Het gaat dan met name om mensen met de Turkse of de Egyptische nationaliteit. Maar juist in die gevallen laat de huidige wettekst al toe dat de eis van afstand vervalt, aangezien men redelijkerwijs niet kan verlangen dat iemand zijn erfenis misloopt omdat hij zijn oude nationaliteit moet opgeven. Volgens de Turkse en Egyptische wetgeving kan men alleen erven als men de Turkse respectievelijk Egyptische nationaliteit bezit. Volgens de Marokkaanse wetgeving is het überhaupt onmogelijk om afstand te doen van de Marokkaanse nationaliteit. In dat soort gevallen wordt op grond van de huidige wettekst niet de afstandseis gesteld.

Waar wij het nu over hebben – daar heeft de discussie rond de motie-Soutendijk-van Appeldoorn/Apostolou in geresulteerd – is de vraag of de mogelijkheden, naast de genoemde gevallen van wettelijke belemmeringen in het land van herkomst, niet kunnen worden verruimd. De toenmalige staatssecretaris Kosto heeft nadrukkelijk gezegd dat het juist om legaal in Nederland verblijvende en volledig in onze samenleving geïntegreerde personen gaat die het niet over hun hart kunnen verkrijgen om hun oorspronkelijke nationaliteit op te geven, omdat zij daar grote emotionele bezwaren tegen hebben. Men denkt bijvoorbeeld dat het afstand doen zou worden gezien als verraad tegenover de nog in het land van herkomst verblijvende familie. Zo zijn er meer redenen. Juist om die groep gaat het. Om het ook voor die mensen mogelijk te maken de Nederlandse nationaliteit te verwerven en gelet op het feit dat in het wetsvoorstel nadrukkelijk een koppeling werd gelegd met de integratie, heeft de CDA-fractie de motie-Soutendijk-van Appeldoorn/Apostolou ingediend. Dat heeft uiteindelijk tot het voorliggende wetsvoorstel geleid.

De heer Dittrich (D66):

Maar toen is door uw fractie ook gezegd dat dit soort motieven, bijvoorbeeld dat de familie in het land van herkomst het afstand doen zou zien als verraad, niet objectief te meten is. Je kunt die niet met elkaar gaan vergelijken en classificeren. Daarom is uiteindelijk in de motie gesteld dat er een keuzemoment moet zijn. In de motie staat echter niet dat de Nederlandse overheid die keuze moet maken; dat is aan de vreemdeling zelf. De heer Apostolou zou dat overigens nog veel beter kunnen vertellen.

De heer Verhagen (CDA):

Ik zie voor de overheid een bredere rol weggelegd dan alleen in voorlichtende zin, zoals u haar ziet. U loopt al vooruit op het amendement dat ik namens de CDA-fractie heb ingediend, maar dat ik in mijn betoog nog niet had toegelicht. De bedoeling van het amendement is om het keuzemoment overeind te houden en de mogelijkheden te verruimen op grond waarvan men de oude nationaliteit, naast de Nederlandse, mag behouden, maar tegelijkertijd om niet te kiezen voor een automatisme van dubbele nationaliteit. Ik krijg daarop overigens graag ook nog een reactie van de staatssecretaris.

De heer Dittrich (D66):

Waarom is dat toen niet in de motie vastgelegd? Uw amendement gaat verder dan de motie.

De heer Verhagen (CDA):

Uit de Handelingen blijkt dat de CDA-fractie bij de indiening van de motie naar voren heeft gebracht dat zij van de afstandseis wil afzien als de betrokkene daarvoor goede redenen kan aangeven. Dit mag echter niet tot een automatisme leiden. Mevrouw Soutendijk heeft dat duidelijk naar voren gebracht.

De heer Dittrich (D66):

De tekst van de motie is doorslaggevend. Deze zeer fundamentele opvatting staat niet in de motie.

De heer Verhagen (CDA):

In de motie is sprake van een zekere versoepeling van de huidige afstandseis.

De heer Dittrich (D66):

Het gaat erom wie de keuze maakt; het individu of de Staat der Nederlanden. In de motie geeft de CDA-fractie aan dat er een keuzemoment moet zijn, maar niet dat de uiteindelijke beslissing door de overheid moet worden genomen. Die beslissing is aan de vreemdeling.

De heer Verhagen (CDA):

De motie is een compromis. Uit de reactie van de PvdA-fractie blijkt ook dat zij wellicht niet duidelijk genoeg is geformuleerd. In het voorlopig verslag staat letterlijk dat het laten vervallen van de afstandseis volgens de CDA-fractie niet spoort met de opdracht uit de motie. De vraag om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit moet formeel in de procedure – en dus in de wettelijke bepalingen – een rol blijven spelen.

De heer Dittrich (D66):

De motie dateert van 1990 en het voorlopig verslag van twee jaar later.

De heer Verhagen (CDA):

De discussie over het verkrijgen van het Nederlanderschap is indertijd uitvoerig in een UCV gevoerd. Een en ander heeft tot de genoemde motie geleid. Hierin wordt de regering aangespoord om met wetsvoorstellen ter zake te komen. Men mag toch verwachten dat die voorstellen de Kamer binnen een redelijke termijn bereiken? Wij hebben niet voorzien dat het vier jaar zou duren. De tijdsduur mag overigens niet als argument gebruikt worden. Ik wijs erop dat wij steeds hebben vastgehouden aan de afstandseis.

De heer Dittrich (D66):

U doet alsof de motie het begin van de discussie was en dat klopt niet. Er was een discussie en vervolgens hebben de fracties van CDA en PvdA een motie ingediend. Deze motie was een neerslag van de discussie. Daarna is het wetsvoorstel ingediend.

De heer Verhagen (CDA):

In de Handelingen staat dat op grond van de motie een versoepeling van de afstandseis mogelijk is. De invulling van een en ander zou in het wetsvoorstel plaatsvinden.

De heer Rabbae (GroenLinks):

De heer Verhagen zegt dat de overheid een grotere rol moeten hebben dan alleen voorlichter. Ik doe mijn best om zijn redenering te volgen, maar toch heb ik er behoefte aan om enkele "spoken" uit de weg te ruimen. Ik kan mij voorstellen dat de Staat zich op dit punt zorgen maakt, bijvoorbeeld als het om de militaire dienst gaat. Wat betekent dit voor het belang van de Staat ten opzichte van andere landen? Er kan later een conflict ontstaan. Ook dat is een zorg die door ons wordt onderkend. Gelukkig is door de Nederlandse Staat een oplossing gevonden voor Turkije, want dat was eigenlijk het enige probleem op dit punt.

De heer Verhagen noemde ook het familierecht. Uit eigen ervaring kan ik aangeven dat de problemen met het familierecht oud zijn en lang kunnen duren, maar ook dat zij los staan van de dubbele nationaliteit. Daar komt bij dat het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit vooral voor de migrantenvrouwen een extra versterking van hun positie betekent. Dit is beter dan wanneer zij terechtkomen in een rechtspositioneel vacuüm. De heer Verhagen gaf aan dat er veel bezwaren bestaan tegen deze kwestie. Tot nu toe zijn er volgens deze procedure ongeveer 100.000 mensen genaturaliseerd. Kan de heer Verhagen ook aangeven hoeveel problemen zich op deze drie terreinen hebben voorgedaan?

De heer Verhagen (CDA):

Zoveel problemen dat het voor het kabinet aanleiding was om zeer recent een speciale commissie in te stellen die zich gaat buigen over de oplossing van de problemen die ontstaan door het hebben van dubbele nationaliteiten in Nederland. Drie weken geleden stond dit in de Staatscourant. Op grond van de huidige wetgeving is het Marokkanen al toegestaan om hun oude nationaliteit te behouden, om de doodeenvoudige reden dat het op grond van de wetgeving in hun eigen land niet mogelijk is om die op te geven. Maar als er geen enkele reden is om de oude nationaliteit te behouden, moet dat niet worden aangemoedigd.

Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris op de bedoeling van mijn amendement. Ik ben best bereid om over een andere tekst te praten, want daarvoor is dit debat. Als wordt gesteld dat de huidige formulering van dit amendement bepaalde problemen oplevert, of als juristen aangeven dat er problemen in de uitvoering ontstaan als de tekst letterlijk wordt overgenomen, valt er met de CDA-fractie uiteraard te praten over een andere formulering. Mij gaat het erom, de afstandseis niet geheel te laten vervallen, zoals nu wordt voorgesteld. De mogelijkheden voor het hebben van een dubbele nationaliteit dienen te worden verruimd, zodat het juist voor de groep mensen waarover staatssecretaris Kosto zich zo'n zorgen maakte, mogelijk wordt om een dubbele nationaliteit te hebben, zonder dat dit er automatisch toe leidt dat iedereen een dubbele nationaliteit heeft.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Ik vind het verheugend, te horen dat de heer Verhagen bereid is om de tekst van zijn amendement te wijzigen.

De heer Verhagen (CDA):

De staatssecretaris heeft er nog niet op gereageerd. Nu de Kamer problemen blijkt te hebben met mijn amendement, valt daarover te praten. Wij praten over de voorbereiding van wetgeving, en wij willen allemaal wetgeving die goed uitvoerbaar is en tegelijkertijd datgene regelt wat wij wenselijk vinden.

De heer Apostolou (PvdA):

Nogmaals, ik vind het verheugend. Ik heb inderdaad problemen met het amendement en ik ga hiervoor terug naar de geschiedenis van de motie. Daarin staat dat de regering verzocht zal worden, de afstandseis te laten vervallen, maar dat dit niet automatisch inhoudt dat mensen gemakkelijk meerdere nationaliteiten krijgen. Stel, dat er een tekst zou worden opgesteld waarin precies datgene wordt verwoord wat in de motie staat, valt daarover dan ook met de heer Verhagen te praten?

De heer Verhagen (CDA):

Ja, maar de motie was al niet geheel begrijpelijk. Er was althans sprake van een verschil in interpretatie van de exacte betekenis van de motie tussen de PvdA en het CDA. Ik zou dan ook niet de letterlijke tekst van de motie in een wet willen opnemen, omdat er dan problemen met juristen ontstaan. Laten wij op grond van deze discussie bekijken hoe wij datgene kunnen bereiken wat wij willen. De eerste termijn van de heer Apostolou komt nog. Hij heeft een amendement ingediend naar aanleiding van mijn amendement, net als de heer Dittrich. Nadat de CDA-fractie hierover een amendement had ingediend, kwam er een lawine van amendementen. Blijkbaar wordt er op dit moment toch gedacht over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan verruiming van de mogelijkheden voor dubbele nationaliteit, waarbij niet zo rigoureus te werk wordt gegaan als het kabinet doet door de afstandseis geheel te laten vervallen.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Ik constateer dat de heer Verhagen geen afstand neemt van die motie. Op grond van die motie is een circulaire rondgegaan, die vanaf januari 1992 geldt. Daarin staat ook een interpretatie van de motie. Op grond daarvan hebben ambtenaren in dit land drie jaar lang gehandeld. Neemt de heer Verhagen nu afstand van die praktijk?

De heer Verhagen (CDA):

In de motie stond dat er een zekere versoepeling mocht plaatsvinden van de afstandseis.

De heer Apostolou (PvdA):

Voor de overgangsperiode.

De heer Verhagen (CDA):

Voor de overgangsperiode, vooruitlopend op de wetgeving die een zekere versoepeling zou vastleggen.

De heer Apostolou (PvdA):

Omdat de huidige wet de mogelijkheid voor die verruiming moest geven. Zodra er een wetswijziging zou zijn, zou de afstandseis vervallen. Daarom was er een overgangsperiode. Anders zouden wij buiten de wet handelen.

De heer Verhagen (CDA):

Hierover verschillen wij van mening, zoals bij de schriftelijke voorbereiding ook is gebleken. Achteraf kun je vraagtekens zetten of de praktijk zover doorgevoerd had moeten worden als op basis van die circulaire mogelijk was. Er is toentertijd een motie ingediend die een richting aangaf. Wij verschillen van mening over welke richting dat zou moeten zijn. Het kabinet heeft gekozen voor het geheel laten vervallen van de afstandseis. Toen is er een circulaire gekomen die dat in praktijk bracht. In de veronderstelling dat er vrij snel een wetsvoorstel zou komen, heeft men dat geaccepteerd.

De heer Apostolou (PvdA):

Als een fractie het niet eens is met de uitvoering van iets dat wij in de Kamer hebben besproken, kan zij dat toch niet onbesproken laten? U hebt deze praktijk vier jaar lang toegestaan. Als u het daarmee niet eens was, had u daarover moeten spreken.

De heer Verhagen (CDA):

Zodra de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel is gestart, heeft de CDA-fractie kenbaar gemaakt dat zij het geheel laten vervallen van de afstandseis geen goede interpretatie vond van de motie-Soutendijk-van Appeldoorn/Apostolou.

De heer Korthals (VVD):

Voorzitter! Die motie was indertijd al niet geheel duidelijk, maar het is belangrijk om nu wel duidelijkheid te krijgen. Het gaat om het uitgangspunt of het CDA het afstandsvereiste wil laten vervallen of niet. Daaraan kunnen allerlei gradaties worden gegeven, maar de vraag is of het CDA het afstandsvereiste wil handhaven in de wet, eventueel met wat uitzonderingen, of het wil laten vervallen en de meervoudige nationaliteit op andere wijze wil terugdringen.

De heer Verhagen (CDA):

Het CDA wil dat in ieder geval aan de verzoeker gevraagd blijft worden om afstand te doen van de oude nationaliteit, terwijl bij het aanvoeren van bezwaren daartegen de mogelijkheid wordt verruimd om af te zien van die afstandseis.

De heer Korthals (VVD):

Dit is toch volstrekt onwerkbaar? Je moet ergens voor kiezen: òf wij laten het afstandsvereiste vervallen, òf wij handhaven het. Ik begrijp best dat er in de praktijk in sommige gevallen moeilijkheden zijn en dat men redelijkerwijs alles moet doen om afstand te doen van de oude nationaliteit, maar er moet duidelijkheid komen over wat wij als wetgever willen.

De heer Verhagen (CDA):

Ja. Ik stel voor dat wij als wetgever willen dat wij de mogelijkheden om naast de Nederlandse de oude nationaliteit te behouden, aanmerkelijk verruimen ten opzichte van de thans geldende wet. Dan hebben wij niet meer zo'n strikte naleving van het Verdrag van Straatsburg in de wet. De reden hiervoor is doodeenvoudig dat ik de bezwaren die kleven aan het niet verlenen van de Nederlandse nationaliteit aan mensen die volledig zijn ingeburgerd in onze samenleving, groter acht dan de bezwaren tegen het niet strikt naleven van het Verdrag van Straatsburg, waar de heer Korthals blijkbaar voor kiest.

De heer Korthals (VVD):

Ik concludeer het tegendeel. De heer Verhagen wil het afstandsvereiste laten vervallen.

De heer Verhagen (CDA):

De vraag, afstand te doen, wil ik in de wet opgenomen zien. Als er bezwaren tegen het opgeven van de oude nationaliteit worden opgevoerd, moeten deze gehonoreerd worden. Dat komt neer op het slechten van juridische drempels die het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit in de weg staan, omdat wij dat van belang achten voor een samenleving waarin wij met en naast elkaar leven.

Mijnheer de voorzitter! Ik vervolg mijn betoog. Als je bepaalde juridische drempels slecht, zal het duidelijk moeten zijn dat het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit de juridische en emotionele voltooiing is van de integratie van de allochtonen in onze samenleving. Vandaar dat wij hechten aan een uitdrukkelijke toets van de daadwerkelijke integratie in de Nederlandse samenleving.

In het wetsvoorstel wordt daartoe voorgesteld, artikel 8 te wijzigen. De CDA-fractie is van mening dat deze wijziging enige aanscherping behoeft, vooral de eis van kennis van de Nederlandse taal en de kennis van Nederlandse staatsinrichting en maatschappij als te toetsen voorwaarden. Naast een redelijke kennis van de Nederlandse taal mag onzes inziens verwacht worden dat de verkrijger van de Nederlandse nationaliteit voldoende kennis van de Nederlandse samenleving en de Nederlandse staatsinrichting heeft om aldus invulling te kunnen geven aan de rechten en plichten die het bezit van de Nederlandse nationaliteit meebrengt.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Voorzitter! Dan kun je meteen naar de universiteit.

De heer Verhagen (CDA):

Neen. Wij moeten natuurlijk redelijk blijven. Dat blijkt uit de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het eindverslag. Hierin staat letterlijk dat aan de kennis van de Nederlandse taal te stellen eisen duidelijker zullen worden omschreven dan nu het geval is en dat ook enige kennis van de Nederlandse maatschappij en staatsinrichting zal worden gevraagd. De vraag is dus of je door de huidige formulering van artikel 8 datgene realiseert wat blijkens de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het eindverslag gewenst dan wel bedoeld is.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Voorzitter! Ik ga ervan uit dat wij hier nuchter en redelijk politiek bedrijven. Wij moeten geen onmogelijke eisen stellen aan mensen. Er zullen altijd allochtonen en migranten zijn die aan al die eisen kunnen voldoen. Dat is echter niet normaal. De meesten kunnen dat niet. Drie jaar geleden maakte ik deel uit van de stuurgroep alfabetisering, ingesteld door de minister van Onderwijs. Wij hebben geïnventariseerd dat er 1 miljoen analfabeten in Nederland zijn. Dat zijn niet alleen migranten. Moet deze mensen hun nationaliteit ontnomen worden omdat zij niet weten hoeveel gemeenten er in Nederland zijn, of wie de baas is van de gemeenten en de Nederlandse Staat?

De heer Verhagen (CDA):

Wij hebben in Nederland de leerplicht. Als ik door geboorte in Nederland de Nederlandse nationaliteit bezit omdat mijn ouders ook Nederlanders zijn, ga ik naar school. Je mag dan verwachten dat een bepaalde kennis van de Nederlandse taal aanwezig is. Door die leerplicht neem je deel aan het onderwijs. Dat is dus geen kwestie van eisen, dat is de praktijk.

Met betrekking tot het niveau kun je aansluiten bij alfabetiseringscursussen die aangeboden worden. De heer Rabbae spreekt daar ook over.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Als de heer Verhagen op de tweede en derde generatie doelt, hoop ik dat dit mogelijk is. Wij spreken nu ook over mensen die helemaal geen school hebben gehad, daar noch hier. Voor die mensen is het vaak onmogelijk een plaatsje te vinden op die alfabetiseringscursussen. Er is een wachtlijst van 15.000 à 18.000 mensen voor een cursus Nederlands. Daarvoor is geen geld.

De heer Verhagen (CDA):

Dat is een heel ander probleem dat de heer Rabbae nu aansnijdt.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Zelfs als iedereen toegang zou kunnen krijgen tot een alfabetiseringscursus, kun je van deze mensen niet verwachten dat zij de staatsinrichting volledig paraat hebben. Dat kunnen sommige parlementariërs ook niet, laat staan mensen die nog nooit een school hebben gezien.

De heer Verhagen (CDA):

Het kabinet heeft zelf in de memorie van antwoord gesteld dat juist omdat het Nederlanderschap met zich brengt dat men landelijk en provinciaal kiesrecht krijgt, enige kennis van de Nederlandse maatschappij en staatsinrichting wordt verlangd. Dat heeft het kabinet toegezegd in de nota naar aanleiding van het verslag. Als je dat gaat verlangen – dat blijkt uit de nota naar aanleiding van het verslag – waarom zet je het dan niet in de wet? Dan weet ook iedereen waar men aan toe is. Er is hier al eens een discussie geweest over wat telt: de memorie van antwoord, het debat hier of de wettekst. Op het moment dat de staatssecretaris mij kan aangeven op welke wijze zij hetgeen in de nota naar aanleiding van het verslag door de regering is toegezegd kan realiseren, ben ik bereid om daarover na te denken. Ook al zou je het niet expliciet in de wettekst opnemen. Het feit is dat in de nota naar aanleiding van het verslag door de regering gesteld wordt dat men die kennis gaat verlangen. Ik doe niets meer dan in de wet vastleggen wat het kabinet al lang heeft toegezegd.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Dat waardeer ik. Wij moeten het antwoord van de staatssecretaris maar afwachten. Lijkt het u, los daarvan, niet dat als iemand die opteert voor het Nederlanderschap een redelijk gesprek kan voeren in het ziekenhuis, op het postkantoor, het werk of de sociale dienst en dus ook met een ambtenaar, daarmee aangeeft dat hij of zij zijn best doet? Dat is toch het gemiddelde van de Nederlandse samenleving? Laten wij eerlijk zijn!

De heer Verhagen (CDA):

Er zit een verschil tussen hetgeen je als overheid vraagt van de mensen die in onze samenleving verblijven en hetgeen je vraagt van de mensen die de Nederlandse nationaliteit verwerven. Wat u vraagt qua kennis van de taal, dat iemand boodschappen kan doen of een gesprek met zijn buren kan voeren, wordt blijkens het regeerakkoord en de daarin genoemde inburgeringscontracten al gevraagd van een ieder die in de Nederlandse samenleving verblijft. Enige kennis van de Nederlandse taal heb ik gisteren ook vermeld gezien. Het verwerven van de Nederlandse nationaliteit brengt rechten en plichten met zich. Daarom is artikel 8 zo geformuleerd. Er is op dit moment zelfs een externe instantie die aan het onderzoeken is hoe je komt tot een objectieve toetsing van kennis ter zake. Op grond van dat onderzoek zouden richtlijnen opgesteld worden. De heer Dittrich heeft ernaar verwezen. Hij heeft gevraagd hoe het ermee staat. Ik wil een aanvullende vraag stellen. Ik wil graag de mogelijkheid hebben om nader met de staatssecretaris van gedachten te wisselen over die richtlijnen en zo op de hoogte gesteld te worden van de resultaten van dit onderzoek.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Wij wachten het antwoord van de staatssecretaris af. Wij zullen deze zaak ook met haar bespreken. Ik wil even terug naar u. U heeft aan het begin van uw betoog gezegd dat het CDA voor een beleid is dat gericht is op gelijke behandeling van mensen die in Nederland mogen wonen. Neem nu twee buren. Zij spreken allebei de Nederlandse taal een beetje. Zij kunnen zich verstaanbaar maken op de markt, in het ziekenhuis of bij een arts. De ene is van oorsprong Nederlander, de ander is een migrant die voor de Nederlandse nationaliteit opteert. Zij gaan allebei stemmen, even goed geïnformeerd of helemaal niet geïnformeerd. Kortom, zij hebben hetzelfde niveau. Wat is voor u dan de ratio om verschil tussen hen te maken?

De heer Verhagen (CDA):

Als iemand achttien jaar in de Nederlandse samenleving heeft doorgebracht, heeft hij een bepaalde kennis van die samenleving voordat hij op grond van zijn leeftijd het kiesrecht verwerft. Wanneer iemand vanwege de leerplicht jarenlang onderwijs heeft genoten, mag je een bepaald niveau veronderstellen, of hij dat onderwijs nu heeft afgerond of niet. Hij heeft in ieder geval een aantal jaren de Nederlandse taal kunnen leren. Ik heb ook gezegd dat ik wil aansluiten bij de alfabetiseringscursussen. Ik zou dus graag van de staatssecretaris vernemen of dat onderzoek naar de vaststelling van richtlijnen ook kan worden gericht op een objectieve toets van de schriftelijke taalvaardigheid.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Voorzitter! Ik hoor dat de heer Verhagen zich wil oriënteren aan de hand van het antwoord van de staatssecretaris. Dat wachten wij dus af.

De heer Verhagen (CDA):

Waarbij ik nogmaals wil aantekenen dat op grond van artikel 10 altijd een uitzondering kan worden gemaakt, bijvoorbeeld voor analfabeten op hogere leeftijd of visueel gehandicapten. Dat heb ik tijdens de interruptie al tegen de heer Dittrich gezegd en daarop doelt ook de heer Rabbae. Je mag geen bovenmatige eisen stellen, dus als je in gemoede niet kunt verlangen dat iemand nog in staat is om zich de schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal eigen te maken, kun je altijd op grond van artikel 10 een uitzondering maken.

Mijnheer de voorzitter! Ik vervolg mijn betoog. Het invoeren van een systeem van objectieve toetsing en het hanteren van uniforme richtlijnen moet volgens de CDA-fractie vergezeld gaan van een scholingsplan voor de uitvoeringsfunctionarissen. Ik vind dat toch wel van belang wanneer hiervoor een eenduidig systeem ontstaat. Daarnaast is het van belang dat er een bezwaarprocedure wordt ontworpen om eventuele klachten of een beroep tegen negatieve beslissingen te kunnen behandelen. Op die wijze zijn de voordelen van een standaardtest beter te realiseren.

De heer Dittrich (D66):

Als het resultaat van iemands taaltest onvoldoende is, wordt hem het Nederlanderschap onthouden. Daar kan hij natuurlijk tegen in beroep gaan. Ik begrijp dus niet wat u bedoelt met een extra bezwaarprocedure wat de taaleis betreft.

De heer Verhagen (CDA):

Ik vind het normaal dat men daartegen beroep kan aantekenen. Ik pleit voor een uniforme test, een standaardtest, en voor een scholingsplan voor de uitvoerende functionarissen, omdat de behandeling van naturalisatieverzoeken is gedecentraliseerd. En het mag toch niet zo dat zijn dat iemand met een bepaald niveau in Amsterdam wel de Nederlandse nationaliteit krijgt, terwijl iemand in Maastricht daar met hetzelfde niveau niet voor in aanmerking zou komen. Daarom moet objectief vaststaan waarop de aanvrager zich moet voorbereiden. Op een standaardtest kan hij zich voorbereiden. Daarnaast maakt een bezwaarprocedure het mogelijk, om bepaalde redenen bezwaar aan te tekenen tegen het oordeel van degene die de toets heeft afgenomen. Dat lijkt mij normaal. U wilde toch steeds een beroepsprocedure inbouwen?

De heer Dittrich (D66):

Daartegen heb ik op zichzelf ook niet zo'n bezwaar, maar de praktijk is nu dat iemand met een onvoldoende taalniveau niet meteen wordt afgewezen, maar in de wachtkamer wordt gezet. Hij kan een cursus volgen en het over een halfjaar nog eens proberen. Nu wil ik een informatieve vraag aan u stellen, omdat ik u niet helemaal begrijp. Bent u voorstander van continuering van de huidige praktijk of moet die volgens u afgeschaft worden? Dat is namelijk misschien veel praktischer dan wat u nu voorstelt.

De heer Verhagen (CDA):

Ik wens in ieder geval een standaardtest, dus dat die in Amsterdam dezelfde is als in Maastricht. Vanwege de decentralisatie mag er namelijk geen ongelijke behandeling ontstaan.

De heer Dittrich (D66):

Daar ben ik het mee eens en daar heb ik dus geen probleem mee.

De heer Verhagen (CDA):

Ik hoop dat de staatssecretaris toezegt dat zij hierop ingaat.

U stelt dat men bij een beroepsprocedure in de wachtstand kunt komen. Wat mij betreft, kan uiteraard de eindconclusie zijn dat men na het beroep toch afgewezen wordt, maar met de mededeling: als u die bepaalde cursus volgt, komt u over een halfjaar of een jaar eens terug. Dat staat een ieder vrij. Bij een standaardtest moet het voor de aanvrager op grond daarvan ook mogelijk zijn om in beroep te gaan tegen het besluit. Als degene die toetst tegen de aanvrager zegt dat hij onvoldoende kennis van de Nederlandse taal heeft, moet de aanvrager daar in principe tegen in beroep kunnen gaan. Men moet toch de mogelijkheid hebben om aan te tonen dat men voldoende kennis bezit van de Nederlandse taal?

De heer Dittrich (D66):

Dat is een interessante gedachte. Dat betekent wel een extra, zij het beperkte, beroepsgang inzake de kennis van de taal. U zei zoëven tegen mij dat ik altijd zo voor extra beroepsgangen ben. Ik heb begrepen dat het CDA daartegen is. Het is heel leuk dat u die gedachte nu naar voren brengt.

De heer Verhagen (CDA):

Ik breng dat nu naar voren, omdat het hierbij gaat om mensen die volledig zijn geïntegreerd in onze samenleving en juist daarom de Nederlandse nationaliteit willen verwerven.

De heer Janmaat (CD):

In de vragen van de heer Dittrich klinkt nog altijd zijn praktijk door in de advocatencollectieven, in die zin dat hij opkomt voor dit soort gevallen. Is de heer Verhagen het met de CD-fractie eens dat het een volstrekt academische discussie is? De overheid legt de normen voor inburgering weliswaar niet volledig naast zich neer, maar schuift die wel terzijde bij naturalisaties. Dat is in het verleden sterk gebleken. Dit geldt ook voor de kennis van de taal. Er zijn mensen genaturaliseerd die 50 jaar in Nederland wonen en geen Nederlands spreken. De overheid licht daar dus de hand mee.

De heer Verhagen (CDA):

Vandaag praten wij over de normen voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. Op het wetsvoorstel ter zake heeft het CDA een aantal amendementen ingediend.

De heer Janmaat (CD):

Dan is er natuurlijk de vraag van de controle. De controle op naturalisaties is niet voor niets bij het parlement vandaan gehaald.

De heer Verhagen (CDA):

Er was sprake van een bepaalde praktijk, waarmee het parlement had ingestemd. Ik hoop dat de praktijk van de naturalisaties conform de wet is die wij hier uiteindelijk in meerderheid vaststellen.

Voorzitter! Er bestaat de mogelijkheid dat iemand van tevoren kan aantonen dat hij de Nederlandse taal volwaardig beheerst, bijvoorbeeld omdat hij een Nederlands onderwijsdiploma heeft gehaald, dus een school in Nederland heeft voltooid. Kan die persoon dan vrijgesteld worden van de toets waarover ik zojuist gesproken heb? Immers, in de praktijk heeft diegene al bewezen kennis van de Nederlandse taal te hebben en te beschikken over Nederlandse taalvaardigheid. Met het oog op de werklast ligt het mijns inziens voor de hand dat er voor deze groep mensen wordt afgezien van die toets.

Ik wil graag van de staatssecretaris vernemen of zij het tot haar verantwoordelijkheid rekent om erop toe te zien dat er bij naturalisaties via andere koninkrijksdelen voldaan is aan de inburgeringseisen. Wij behandelen nu per slot van rekening een rijkswet. Hierop verneem ik graag een antwoord.

Ik wil ook nog graag een nadere toelichting ontvangen op de wijziging van artikel 3, lid 3, van de rijkswet. Waarom is er afgezien van een nota van wijziging die wat dit artikel betreft in lijn is met de tweede tranche? Het kabinet stelt op dit punt een heel andere tekst voor de tweede tranche voor. Ik heb een amendement ingediend om het gelijk te trekken, zodat er geen tijdelijke verruiming van naturalisatie plaatsvindt waardoor mensen die op grond van de huidige tekst de Nederlandse nationaliteit verwerven, op grond van de tweede tranche, die bijvoorbeeld over een halfjaar in werking treedt, niet in die gelegenheid worden gesteld. Dit kan nooit de bedoeling zijn. Ik hoop dan ook dat de staatssecretaris mijn amendement ter zake overneemt.

In artikel 8, lid 4a, is het gat inzake schijnhuwelijken en schijnerkenningen gedicht. Hoe zit het echter met schijnsamenlevingen? Hoe wordt er getoetst of er sprake is van een echte samenleving of van een schijnsamenleving?

Over artikel 15, de verliesbepalingen voor het Nederlanderschap, hebben wij al gesproken. Wij vinden dat er nu meer recht wordt gedaan aan de bezwaren die door de hele Kamer naar voren gebracht zijn. Vereist is dan wel dat al het mogelijke wordt gedaan om deze regel onder de Nederlanders in het buitenland bekend te maken. Uit de antwoorden van de staatssecretaris op schriftelijke vragen van de heer Apostolou, de heer Dittrich en mijzelf blijkt dat het kabinet inderdaad initiatieven heeft genomen om deze regeling onder de Nederlanders in het buitenland bekend te maken. Hebben deze initiatieven resultaten opgeleverd waaruit mag worden afgeleid dat de regeling bekend is bij de Nederlanders die in het buitenland woonachtig zijn? Is het kabinet ertoe bereid, specifiek nog voorlichting te geven aan bedrijven in Nederland waarvan bekend is dat zij veel werknemers naar het buitenland uitzenden?

Tot slot maak ik een opmerking over de behandeling van naturalisatieverzoeken. Uit de aanvullende informatie die de staatssecretaris heeft gestuurd naar aanleiding van de vragen die wij in december gesteld hebben, blijkt dat zij duidelijke maatregelen getroffen heeft om ervoor zorg te dragen dat er geen nieuwe achterstanden ontstaan. Ook de heer Dittrich vroeg ernaar, eigenlijk naar aanleiding van het probleem dat de ombudsman naar voren bracht. Door de extra bezetting is er orde op zaken gesteld. Ik ben daar blij om. Wij gaan ervan uit dat de staatssecretaris na aanvaarding van dit wetsvoorstel, inclusief de door de fractie van het CDA ingediende amendementen, ervoor zorg zal dragen dat er orde op zaken blijft.

De voorzitter:

Deze termijn van de Kamer duurt langer dan op grond van de spreektijden was voorzien. Lettend op de vragen en op de discussie die onderling gevoerd wordt, is dat ook nodig om volgende week tot een goede eindbeslissing te komen. Ik was van plan, rond 15.00 uur een theepauze in te lassen. Ik stel nu voor, de theepauze te benutten voor een heel kort debatje over de gelegenheidsarbeid. Dat is een twee-minutendebatje, dat in hoog tempo gevoerd kan worden. Naar mij blijkt, bestaat hiertegen geen bezwaar. Dan wordt over een kwartier, twintig minuten, wanneer dat debatje is afgerond, het debat over het Nederlanderschap voortgezet.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

Naar boven