Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-2020nr. 36, item 8

8 Aanvullingswet natuur Omgevingswet

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingswet natuur Omgevingswet) ( 34985 );

en van:

  • -de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 6 september 2019 inzake aanbieding van het ontwerp-Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (34985, letter B);

en van:

  • -het ontwerp-Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet;

  • -de nota van toelichting bij het ontwerp-Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet,

en van:

  • -de motie-Rietkerk c.s. over jaarlijkse evaluatierapportages (34985, letter K).

(Zie vergadering van 30 juni 2020.)

De beraadslaging wordt heropend.

De voorzitter:

Ik geef het woord achter het spreekgestoelte aan de heer Recourt.

De heer Recourt (PvdA):

Dank, voorzitter, dank collega's en minister voor de mogelijkheid van deze korte derde termijn. De motie-Rietkerk c.s. regelt een jaarlijkse evaluatie, ook over het functioneren van de overheden. Mijn fractie vraagt de minister of zij bereid is bij deze jaarlijkse evaluatie te betrekken de samenwerking tussen de centrale en decentrale overheden, en de structuren waarbinnen deze samenwerking plaatsheeft, met name op het onderdeel natuur. Hoe functioneert dit? Ik vraag de minister hierbij te betrekken de wijze waarop de landelijke en decentrale ambities op het terrein van met name natuurbescherming en -versterking wel of niet worden gehaald, alsook of de samenwerkingsstructuren voldoende functioneren om de gestelde doelen op een efficiënte manier te realiseren.

Dat was mijn vraag, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Recourt. Zijn er andere leden die in derde termijn het woord willen voeren? Dat is niet het geval.

Dan geef ik nu het woord aan de regering in derde termijn. Ik geef het woord aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Minister Schouten:

Hartelijk dank, voorzitter. En hartelijk dank aan de heer Recourt voor de aanvullende vraag die nog in de derde termijn is gesteld. De heer Recourt vraagt eigenlijk of er bij de evaluatie die al bij de motie-Rietkerk c.s. is gevraagd nog een onderdeel gaat worden betrokken, met name rondom de samenwerking van de centrale en decentrale overheden ten aanzien van de ontwikkeling van de natuur en het halen van de ambities. Wij rapporteren ook over de realisatie van de ambities ten aanzien van natuur, en ook over de afspraken die we daarover hebben gemaakt met de decentrale overheden. Ik kan toezeggen dat ik, op het moment dat de ambities niet gehaald worden, zal kijken wat de reden daarvan is. Uiteindelijk is dat ook wat je wilt weten, denk ik. Mag ik de vraag als volgt uitleggen? Wij rapporteren over de ontwikkelingen van de aanleg van de natuur. Wij rapporteren ook over hoe dat zich verder ontwikkelt. Als wij zien dat zaken niet goed gaan, zullen wij bekijken wat de onderliggende redenen daarvan zijn. Als ik dit op die manier aan de heer Recourt mag toezeggen ... Ik moet even met collega Ollongren bekijken of we dit kunnen doen in de reactie op de brief die zij nog zal sturen, of dat ik separaat een brief zal sturen. Dat moeten we nog even onderling afstemmen, maar daar kan ik u dan op die manier over informeren.

De heer Recourt (PvdA):

Dat is fijn. De vraag behelst ook of bij de evaluatie de relatie tussen centraal en decentraal standaard bekeken wordt, of er gekeken wordt of dat goed gaat. Dus los van het realiseren van die doelen: hoe gaat die samenwerking?

Minister Schouten:

In het algemeen kan ik daar een uitspraak over doen, maar ik denk dat het met name interessant is om op het moment dat het niet goed gaat, te kijken wat de onderliggende redenen zijn. Dat hoeft niet per se in de samenwerking te liggen. Er kunnen ook andere redenen zijn, maar ik kan toezeggen dat ik zal proberen te duiden wat de onderliggende reden is.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan sluit ik de beraadslaging, of wil de heer Recourt nog een laatste interruptie plegen op de minister?

De heer Recourt (PvdA):

Ik wil de minister danken. Dit maakt het voor mijn fractie mogelijk om voor deze wet te stemmen, omdat onze grote zorg hiermee in ieder geval in beeld komt en er ingegrepen kan worden als dat nodig is. Daarmee is een stemverklaring niet meer nodig, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Recourt.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij gaan over tot de stemmingen.