Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 8, item 3

3 Algemene Financiële Beschouwingen

Aan de orde zijn de Algemene Financiële Beschouwingen,

en de behandeling van:

  • -de Nota over de toestand van 's Rijks financiën (35000).

De voorzitter:

Ik heet de minister en de staatssecretaris van Financiën van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van Strien.

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Ook dit jaar begin ik de Algemene Financiële Beschouwingen met een paar eenvoudige statistische gegevens. Ik doe dit op dezelfde wijze als vorige jaren en evenals vorig jaren kom ik tot de treurige conclusie dat de jubelstemmingen van het kabinet, de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenning volslagen misplaatst zijn. Voor Henk en Ingrid kun je bij al dat macro-economische gegoochel maar het beste kijken naar het beschikbare inkomen van huishoudens in Nederland. En iedereen merkt: dat blijft achter. Volgens Eurostat lopen wij op dit punt ver achter bij het EU-gemiddelde en bij de ons omringende landen. Als je een voortschrijdend gemiddelde over elf jaar neemt, dan wordt de vergelijking voor Nederland niet beter maar nog slechter.

In elf jaar tijd is het beschikbaar inkomen in Nederland nu met gemiddeld 0,7% gestegen. Dat is aanmerkelijk minder dan in de ons omringende landen en fors minder dan in de landen die weinig of geen asielzoekers opnemen zoals Polen en Tsjechië. Een oorzakelijke relatie lijkt mij voor de hand te liggen. De eerste kop uit de Miljoenennota zou dan ook in plaats van "Het gaat goed met Nederland maar er zijn ook risico's", beter kunnen luiden: "Het gaat niet goed met de Nederlanders en er zijn bovendien ernstige risico's". Voor de Macro Economische Verkenning zou ik dan gelijk de titel "De economie bloeit" willen wijzigen in: "De economie bloeit maar de Nederlander bloedt".

Voorzitter. Om te beginnen is het groeicijfer van de economie eigenlijk misleidend. Deze groei wordt namelijk voor een belangrijk deel bepaald door migratie. De laatste jaren krijgt Nederland er door immigratie circa 80.000 inwoners per jaar bij. Dit zijn voor het merendeel asielzoekers en nareizigers die weliswaar alleen potverteren, maar wel meetellen in de economie, en daarnaast ook nog arbeidsmigranten die vooral laaggeschoolde arbeiders verdringen en de lonen drukken. Vervolgens hebben wij dan nog de natuurlijke aanwas van iets meer dan 20.000 per jaar die geheel op het conto komt van de allochtonen en dan ook nog vrijwel uitsluitend niet-westerse allochtonen. En dat terwijl de autochtone bevolking licht krimpt. Bij elkaar een jaarlijkse groei van de bevolking van om en nabij de 100.000 personen. Dat is evenveel als de gemeente Venlo waar ik woon, om dicht bij huis te blijven: stad Venlo met alle omliggende dorpen per jaar ieder jaar erbij. Bij elkaar een stijging van 0,6% van de bevolking per jaar en die steeds groeiende bevolking maakt de spoeling enerzijds eenvoudigweg dunner en anderzijds leven die nieuwkomers grotendeels van uitkeringen. Van wat er vervolgens overblijft, merkt de gewone Nederlander dus helemaal niets door alle lastenverhogingen.

Voorzitter. Ik ben daarmee aangeland bij het beruchte koopkrachtplaatje. U weet wel, die puntenwolk die uit net zoveel zandkorrels bestaat als er nodig zijn om mensen in de ogen te strooien. Het is een grafiek, deze keer op bladzijde 69 van de Macro Economische Verkenning, die een aparte bijlage behoeft om hem te kunnen begrijpen. Meestal dient een grafiek om in één oogopslag te kunnen zien wat er aan de hand is, maar hier even niet. Deze grafiek dient vooral om te verhullen hoe de verhogingen van het lage btw-tarief, de energiebelasting en de ODE uitpakken. De ODE is dit keer ook geen gedicht waarin een verheven onderwerp wordt bezongen, maar de belastingopslag duurzame energie. Allemaal bedoeld om de vleespotten van Egypte, in dit geval dus de subsidiepotten, te financieren.

Voorzitter. Leg daarnaast de meest recente publicatie van het CBS over de koopkracht en dan zien wij dat vorig jaar de helft van de bevolking erop achteruit ging. Hoe het in 2019 zal zijn, moeten wij afwachten, maar de overheid laat hier echt een kans liggen om die koopkracht te verbeteren vooral doordat ze zo nodig het lage btw-tarief wil verhogen. In plaats van de koopkracht te verbeteren, drijft Rutte III zelf de prijzen op met de verhoging van het lage btw-tarief. Dit is een maatregel die alle gezinnen treft.

Voorzitter. Steeg de collectieve lastendruk onder Rutte II van 36% naar 38,7%, Rutte III is nog maar net begonnen of de collectieve lastendruk stijgt al van 38,7% naar 39,2%. Geen endogene stijging maar beleidsmatig. Zowel gezinnen als bedrijven zien in 2019 een lastenverzwaring bij belastingen en premies. De totale beleidsmatige lastenverzwaring bij belastingen en premies in 2019 is 5,3 miljard euro, zo lezen wij in de Macro Economische Verkenning. Voor gezinnen gaat het daarbij, volgens de Macro Economische Verkenning, om een lastenverzwaring bij premies en belastingen per saldo van 800 miljoen euro.

Voor het buitenland had dit kabinet aanvankelijk wel een lastenverlichting van 2 miljard in petto in de vorm van de afschaffing van de dividendbelasting. Maar van die aderlating zijn wij gelukkig dan toch verlost na dat sms'je van Unilevertopman Paul Polman; dat had meer invloed dan de bokkende coalitiegenoten. Je kunt je dan ook afvragen wie dit land regeert. Dit is een uitgelezen mogelijkheid, zou je zeggen, om die andere blunder ongedaan te maken, te weten de zojuist genoemde verhoging van het lage btw-tarief van 6% naar 9%. De kosten van het ongedaan maken van die lastenverzwaring van 2,4 miljard kunnen bijna uit het niet-afschaffen van de dividendbelasting worden gedekt, zeker als je het overschot van 8 miljard op de begroting, waarvan we nu al weten dat het groter wordt, daarbij ook nog in beschouwing neemt.

Voorzitter. Hiermee ben ik dan gelijk op mijn jaarlijks grote punt van ongenoegen beland: de extra financiële ellende die ook dit kabinet met diezelfde btw-verhoging voor de grensstreek betekent. Op gemeentelijk en provinciaal niveau in de grensstreken spelen de zittende partijen de vermoorde onschuld als het gaat om de door de overheid veroorzaakte verslechtering van de concurrentiepositie, maar hier in Den Haag schijnt geen van die partijen zich ook maar iets aan te trekken van de problemen in de grensstreek. Die btw-verhoging veroorzaakt overal een forse extra aanslag op het gezinsbudget, maar in de grensstreek verslechtert daardoor in nog ernstiger mate de positie van de kleine en grote winkeliers. Schande!

In dit verband heb ik ook nog een vraag aan de minister. Is in die 2,4 miljard die de btw-verhoging moet gaan opbrengen— als ik het goed heb uitgerekend €308 per gezin waarvan de regeringspartijen net doen alsof dat peanuts zijn — de verminderde omzet in de grensstreek verdisconteerd? Zo ja, hoeveel is die en hoeveel kleine middenstanders gaan hierdoor naar schatting weer extra het loodje leggen?

Voorzitter. Ik kom bij de kosten van de klimaatwaanzin, door de rest van deze Kamer energietransitie genoemd. Het grootste probleem bij dit onderwerp is dat wij hier met een nieuwe religie van doen hebben. Rationele argumenten doen er totaal niet toe. Bijgevolg ontaardt iedere discussie in de grootst mogelijke luchtfietserij door dit kabinet dat geheel uit gelovigen bestaat. Ondertussen betaalt de burger de rekening. Ruim vijf jaar geleden interrumpeerde ik de toenmalige minister Kamp van Economische Zaken die toen uitlegde dat 16% van het energieverbruik in 2020 hernieuwbare energie moest zijn. Ik vroeg hem toen aan te geven op welke wijze dit doel globaal gehaald zou kunnen worden zonder extreme financiële gevolgen. In 2013 zaten wij op 4,8% van het energieverbruik dat hernieuwbaar was. Nu weet ik dat de doelstelling voor 2020 inmiddels wijselijk is bijgesteld naar 14% en de 16%-doelstelling staat nu voor 2023. Nog steeds waanzinnig en economisch onverantwoord. Nadat miljarden subsidies zijn weggepompt, is op dit moment 5,5% van het totale energieverbruik hernieuwbaar; 0,7% hoger. Daarbij moeten we weten dat SDE+ al vanaf 2011 van kracht is en dat daar op dit moment zo'n 6 miljard per jaar in verbrand wordt, op te hoesten door Henk en Ingrid. Het klimaateffect is overigens, ook als doelstellingen gehaald zouden worden, sowieso 0,0.

Voorzitter. Een paar belangrijke punten die door alle klimaatfantasten stelselmatig onder tafel geschoven worden zijn de volgende. 51% van het verbruik van energiedragers door de industrie valt onder niet-energetisch verbruik. Hierbij wordt de energiedrager gebruikt voor het maken van een product dat geen energiedrager is. De voor het productieproces gebruikte energie blijft daarbij in het product aanwezig. Het gebruik van olie als grondstof voor plastic of aardgas voor kunstmest bijvoorbeeld. We verbruiken in dat geval die koolwaterstoffen, maar niet hun energie. Als die industrie dezelfde productie moet blijven leveren, betekent besparen van 10% op hun koolwaterstoffen in feite in feite een besparing van 20% op hun energieverbruik.

Twee. Van het totale energieverbruik gaat 20% naar bunkering van buitenlandse schepen en vliegtuigen. Daar kunnen we dus helemaal niets aan doen, tenzij je de afbraak van Nederland als transportland nog wat zou willen versnellen.

Drie. De vergelijking met landen als Noorwegen en Zweden gaat volledig mank omdat men daar een turbine onder een waterval zet en klaar is Kees. Doelstelling alternatieve energie gehaald. Wij hebben nu eenmaal geen watervallen.

Voorzitter. Wij hebben deze minister als collega leren kennen als iemand met een goed gezond verstand. Mijn vraag is: wanneer gaat hij dat nu als minister van Financiën daadwerkelijk gebruiken en stopt hij deze geldverkwisting die onze welvaart te gronde gaat richten?

Voorzitter. Ik kom op de pensioenen. Jarenlang hadden wij het meest fantastische pensioenstelsel van de wereld. Als je vandaag de dag aan een willekeurige Nederlander vraagt hoe het met zijn pensioen staat, dan zal hij of zij bedenkelijk kijken. Het vertrouwen in het pensioenstelsel is volledig geknakt. De oorzaak? Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau bijna uitsluitend het uitblijven van indexeringen en het korten van de uitkeringen, met directe gevolgen voor de koopkracht van 65-plussers. Maar ook voor de huidige werkenden, aangezien hen na hun pensionering een lager pensioen wordt voorgespiegeld. Ligt dat aan ons pensioenstelsel? Nee, dat ligt uitsluitend aan dit en het vorige kabinet. De totale pensioenreserves zijn van 683 miljard eind 2007 gestegen tot 1.338 miljard eind 2017.

Als we kijken naar de ontvangen premies, dan liggen die rond de 30 miljard euro per jaar. Iets meer dan de pensioenuitkeringen, die rond de 28 miljard schommelen. Dat betekent dat de pensioenreserves vrijwel uitsluitend op hun rendement in tien jaar tijd verdubbeld zijn. Met de bankenformule, die onze minister van Financiën ongetwijfeld kent, weten we dat we bij een verdubbelingstijd van tien jaar een gemiddeld rendement, in dit geval over alle pensioenfondsen tezamen, van 7% te doen hebben. Welk weldenkend mens kan bedenken dat we dan de pensioenverplichtingen van de pensioenfondsen moeten verdisconteren met 1%? Natuurlijk is het nuttig een bepaalde zekerheidsmarge te hanteren. Vóór 2005 hadden we voor de berekening van de pensioenverplichtingen de vaste rekenrente van 4%. Dat lijkt een heel redelijk percentage, alleen al omdat dat het gemiddelde is van 7, het werkelijke rendement, en 1, het percentage van alle eurofiele Draghi-supporters.

Maar 1% is een volslagen onzinnige rekenrente voor de verplichtingen van de pensioenfondsen. En waartoe dient het? Geen mens die de problematiek kent, begrijpt het. Het wordt allemaal nog erger als een heel scala aan mist- en rookgordijnen wordt opgetrokken, zoals: we worden allemaal ouder. Dat worden we al 100 jaar. Een ander argument: de economie kan tegenzitten. Voorzitter. Ik had het over een gemíddeld rendement over tien jaar. Daarom zit én die leeftijdsgroei én die dip in de economie al in de zojuist genoemde cijfers verdisconteerd. Geen wonder dat veel gepensioneerden zich gewoon opgelicht voelen.

Laten we eens kijken wat er gebeurt als we bijvoorbeeld nu besluiten om de pensioenen te verhogen met pakweg 10% die die gepensioneerden de afgelopen jaren met list en bedrog is afgepakt. Dan betekent dat dat het vermogen van de pensioenfondsen volgend jaar niet stijgt met 94 miljard, zijnde het rendement van 7%, maar het totale pensioenvermogen stijgt dan met 91 miljard. Graag hoor ik van de minister wanneer hij een einde gaat maken aan de grootschalige verspreiding van nepnieuws rond de pensioenfondsen en zich gaat inzetten om te komen tot een redelijke rekenrente.

Voorzitter. Als je jong bent en als Nederlander een gezin wilt stichten, dan word je het leven eveneens zo zuur mogelijk gemaakt. In de Miljoenennota lezen we: huizenprijzen stijgen. Dat is als je überhaupt nog een huis kunt kopen. Want de Staat heeft er alles aan gedaan om dat moeilijk of onmogelijk te maken. De wet-Hillen is afgeschaft, de aftrekbaarheid van hypotheekrente afgebroken, het maximale leenbedrag is verlaagd en gaat u maar door.

En hoe die stijging van de huizenprijzen wordt veroorzaakt, daar kom ik nog op terug. Maar als Henk en Ingrid op de lijst staan voor een sociale huurwoning, dan worden ze pas echt te grazen genomen. Die sociale huurwoningen zijn er namelijk vrijwel niet. Wat erbij komt, door aankoop en nieuwbouw, wordt in het kader van de omvolking van Nederland toegewezen aan statushouders. Lees over de bevolkingsontwikkeling de recente artikelen van onze hoofddemograaf van het CBS, prof. dr Jan Latten, die sedert hij wegens pensionering niet meer in overheidsdienst is nu gewoon mag zeggen wat hij wil. Als je aan de woningcorporaties vraagt duidelijkheid te geven over het aantal sociale huurwoningen dat toegewezen wordt aan statushouders, dan kun je het antwoord schudden. Men kan zich afvragen: waarom wordt hier geen openheid van zaken gegeven?

Maar ook de minister van Binnenlandse Zaken geeft in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer aan, het niet te weten. Dus moeten we zelf aan het rekenen met wat we hebben. In de periode 2014 tot en met 2016 zijn er 76.510 statushouders, grotendeels met Syrische nationaliteit, uit asielzoekerscentra uitgestroomd naar gemeenten. Het merendeel daarvan zal naar een sociale huurwoning zijn verhuisd, vaak met meerdere mensen samen. Het COA gaat daarbij uit van gemiddeld 1,7 per woning. Dat betekent dat in de periode 2014 tot en met 2016 45.000 sociale huurwoningen zijn toegewezen aan statushouders. Het aantal sociale huurwoningen dat in die periode is bijgebouwd en aangekocht, is 52.000. Terwijl er al jarenlang een enorm tekort is aan sociale huurwoningen gaat 86% van het aantal bijgebouwde en aangekochte woningen dus naar statushouders.

Wat er vervolgens gebeurt, is dat een klein deel van de mensen die eigenlijk recht hebben op een sociale huurwoning met leningen, van familie en dergelijke, de onderkant van de koopmarkt betreedt, daarmee de prijzen aan de onderkant opwaarts drukkend. Vervolgens zijn het de beleggers in woningen, die je overigens in de beste families schijnt tegen te komen, die een verdere opwaartse prijsdruk op de woningmarkt veroorzaken. Mijn vraag aan de minister is: wat gaat hij aan maatregelen in de financiële sfeer inzetten om de woningnood in zowel huur- als koopsector te bevorderen?

Voorzitter. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het maken van een uitzondering voor de woningcorporaties, waar de beperking van de renteaftrek volgens Aedes 300 miljoen euro gaat kosten. Gaat de minister daar nog wat aan doen?

Voorzitter. Ik kom bij de verkwisting aan en in het buitenland en buitenlanders. Genoemd heb ik al de 6 miljard aan klimaatsubsidies die uitsluitend bedoeld zijn om goede sier te maken in het buitenland. Voor het klimaat maken ze sowieso niet uit. Wat frustrerender zal worden, is dat het buitenland zich helemaal niets van ons aantrekt. Enkele tientallen kilometers van mij vandaan, aan de Duitse kant van de grens met Limburg, ligt Garzweiler II. Dat is een bruinkoolwinningsgebied. Misschien hebt u daar wel eens van gehoord, want er zijn recent nog wat Greenpeace-jongens en -meisjes al protesterend uit een boom gevallen. Maar Garzweiler II kan gewoon doorgaan, ook onder verantwoordelijkheid van de ministers van Noordrijn-Westfalen van de Groenen. Maar ja, het gaat dan ook om 40.000 arbeidsplaatsen, waarvan 12.000 direct betrokken bij Rheinbraun. Hoewel heel Duitsland al vol staat met windmolens, redt men het daar om voor de hand liggende redenen toch niet mee. Daarom wordt 25% van de stroom opgewekt in elektriciteitscentrales die met bruinkool gestookt worden. Dat is omdat Angela een keer geschrokken is en toen de Kernkraftausstieg verordonneerd heeft. Voor Noordrijn-Westfalen, voor een groot deel grenzend aan Nederland, is het percentage bruinkoolstroom zelfs 40%. Waar Duitsland er dus met medewerking van De Groenen nog een extra schepje bruinkool bovenop gooit, wil hier een VVD-minister ons van het gas afhalen en moeten wij ons blauw betalen aan klimaatsubsidies. Hoeveel linkser kan de VVD nog worden?

Voorts gaat er nog 4 miljard per jaar naar corrupte regimes in Afrika, 8,5 miljard naar Brussel en 7,5 miljard naar uitkeringen voor 600.000 niet-westerse allochtonen, die wij vooral hebben omdat het van Europa moet, of door andere slinkse verdragen waar wij ingerommeld zijn. Als de voortekenen niet bedriegen, gaan er binnenkort nog meer miljarden naar Brussel. Dat alles te regelen voor de Europese verkiezingen, anders zou de bevolking zich er nog eens mee gaan bemoeien. Tientallen miljarden weggegooid geld. En dan krijgen wij binnenkort Italië nog. Bij dit onderwerp is mijn vraag aan de minister wie hij binnenkort gelijk gaat geven. De populisten in Italië, op onze kosten, of de populisten in Nederland, die vinden dat ieder land recht heeft op zijn eigen financieel-economisch beleid, maar dan vooral niet in de eurozone en bij voorkeur ook niet in de EU.

Voorzitter. Het moet en het kan anders. Als het aan de PVV ligt, stoppen wij de zojuist genoemde miljardenverspilling aan immigratie, klimaathysterie, ontwikkelingshulp en Europa. Dan is er geld om niet alleen de btw-verhoging niet door te laten gaan, maar om btw- en accijnsniveau op gelijke hoogte of onder dat van de ons omringende landen te brengen. Dan is er bovendien geld voor onze gezondheidszorg, voor het verlagen van de huren en voor onze ouderen. Geld voor de Nederlanders. Ik wacht de antwoorden van de minister met belangstelling af.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Strien. Ik geef het woord aan de heer Wever, maar voor ik dat doe, druk ik eerst op de knop om te melden dat dit een maidenspeech betreft, zodat iedereen zich hierheen kan reppen. Meneer Wever, u heeft het woord. U weet dat u tijdens uw maidenspeech niet geïnterrumpeerd kunt worden.

De heer Wever (VVD):

Voorzitter. Vandaag mag ik mijn maidenspeech afleggen als Eerste Kamerlid voor de VVD en wel bij de Algemene Financiële Beschouwingen. Een mooier moment is haast niet denkbaar. Immers, op dit moment vervul je wellicht niet de bekendste taak van de Eerste Kamer, namelijk het controleren van wetgeving, maar heb je ook de kans om de discussie te voeren over hoe het huishoudboekje van ons land er volgens het kabinet uitziet, hoe jouw fractie daartegen aankijkt, waar mogelijke risico's aanwezig zijn en, ten slotte, waar jouw fractie een ander accent zou willen leggen.

Laten we overigens eerst eens bij het begrip "huishoudboekje" beginnen. Thuis hebben we het dan al snel over wat er binnenkomt aan salaris, toelagen et cetera en wat we uitgeven aan woonlasten, kleding en eten en drinken, waarbij we er gemiddeld genomen voor zorgen dat we minder uitgeven dan er binnenkomt, en ook nog wat geld overhouden en sparen voor moeilijkere tijden.

Het lezen van de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenning zal de gemiddelde burger niet het gevoel geven van een huishoudboekje met uitgaven en inkomsten, maar meer het beeld oproepen van een economische dissertatie voor cum lade afgestudeerde economen over de staat van de financiële situatie in ons land. Mijn eerste vraag aan de minister is dan ook of het kabinet er, ondanks het hoge niveau en de kwaliteit van de stukken, naar zou willen streven om de komende jaren te willen werken aan de verbetering van de leesbaarheid van de stukken voor de gemiddelde burger. Ik word hierin gesterkt door het advies van de Raad van State, die stelt dat de Algemene Financiële Beschouwingen de komende jaren meer zouden moeten gaan over de nota's van de planbureaus, waarmee de beschouwingen in een breder perspectief komen dan alleen het noemen van cijfers en zich meer zouden moeten focussen op wat die cijfers gaan betekenen voor onze burgers. Vanzelfsprekend moet financiële degelijkheid daarbij wel voorop blijven staan voor de VVD.

Voorzitter. De VVD-fractie in de Eerste Kamer is in het algemeen positief over de Miljoenennota en de staat waarin ons land zich bevindt, ook al zullen we vandaag weer fors met elkaar debatteren over de percentages — we zagen dat zo-even al — de interpretatie van stukken en of het glas half vol of half leeg is. Voor ons als VVD-fractie is het glas zeker half vol. Wij worden hierin ondersteund door de diverse planbureaus. Het CBS meldt dat de brede welvaart in ons land hoog is. Volgens het SCP groeit het optimisme in ons land, evenals het vertrouwen in de economie. Het CPB meldt in de Macro Economische Verkenning dat het consumenten- en producentenvertrouwen boven het langjarig gemiddelde ligt. En het PBL zegt dat de leefomgevingskwaliteit op veel fronten verbeterd is. We zien het ook terug in de cijfers in de miljoenennota en de MEV, zoals ruim 6 miljard lastenverlichting, stijgende koopkracht, economische groei van 2,6%, investeringen in de publieke sector et cetera. En ten slotte zien we het terug in diverse onderzoeken waarin Nederland telkenmale goed scoort. Nederland heeft de beste werk-levenbalans ter wereld, aldus het World Economic Forum. Nederland is de nummer 3 qua persvrijheid in de wereld. Nederland staat in de top 5 van de meest competitieve economieën in de wereld. Nederland behoort tot de 6 meest innovatieve landen aldus de EU. En ga zo maar door. Op vrijwel alle lijstjes staan we met de Scandinavische landen in de top 10. Dit willen wij graag zo houden als VVD-fractie. Daarom wil ik in het vervolg van mijn beschouwingen ingaan op de volgende punten.

- Behoud en versterking van ons vestigingsklimaat om onze toppositie te behouden.

- Risico's die wij zien rondom de thema's klimaat, zorg en internationale ontwikkelingen.

- Een verantwoord financieel beleid om ook de komende jaren gezond te kunnen blijven.

Allereerst ons vestigingsklimaat. Zowel de Miljoenennota als de MEV, maar ook diverse internationale rapporten, tonen aan dat Nederland over een prima vestigingsklimaat beschikt. We kennen een hoogopgeleide beroepsbevolking, beschikken over een goede infrastructuur, kennen macro-economische en politieke stabiliteit en hebben een aantrekkelijk klimaat om zaken te doen en te investeren. Onze fractie is dan ook verheugd dat dit kabinet naast het verlagen van belastingen en premies voor zowel burgers als bedrijfsleven fors investeert in zorg, politie, defensie, onderwijs en infrastructuur — meer dan de afgelopen jaren in de publieke sector heeft plaatsgevonden — en dan niet alleen in extra agenten, handen aan het bed en leerkrachten, maar ook in verhoging van salarissen en versterking van materieel.

Ondanks dat wij er begrip voor hebben dat de investeringen in de publieke sector in 2018 in bijvoorbeeld zorg en defensie niet volledig gerealiseerd zijn, zou de VVD-fractie gaarne van het kabinet horen op welke wijze het ervoor gaat zorgen dat dit probleem in 2019 niet weer gaat spelen. Wij vragen ons hierbij tevens af of het kabinet bij de investeringen in de publieke sector ook extra gaat investeren in het verminderen van de regeldruk in bijvoorbeeld de zorg en bij de politie, waardoor de te investeren middelen daadwerkelijk aan het bed terecht komen, de facto echt leiden tot minimaal 750 wijkagenten actief op straat, tot minder ziekteverzuim bij de politie, tot meer uren voor de klas en in concreto dus tot werkgelegenheid in de maatschappij. Wij vragen het kabinet dan ook om inzage te geven in de opbrengst die gehaald kan worden door actief te investeren in vermindering van regeldruk.

Met een economische groei van 2,6% in 2019, een stijging van de consumptie, meer investeringen, een dalende werkloosheid naar 3,5%, groei van onze export, een gemiddelde koopkrachtstijging van 1,5% en een daling van de staatsschuld naar 49,6% zijn de randvoorwaarden uitstekend om ons vestigingsklimaat nog verder te versterken en Nederland in de internationale concurrentieslag aan de top te houden, hetgeen cruciaal is in tijden van onzekerheid ten gevolge van internationale ontwikkelingen zoals de brexit, mogelijke handelsoorlogen en de onrust in de Eurozone vanwege de Italiaanse begrotingsperikelen. Investeren in de economie door middel van innovatie en onderzoek is in onze ogen de belangrijkste randvoorwaarde voor het creëren van structurele verbetering van de arbeidsmarkt en een nog verdere verlaging van de werkloosheid, en daarmee voor een daling van de uitgaven in de sociale zekerheid. Een cruciale daling, omdat we in de Miljoenennota zien dat de uitgaven in de sociale zekerheid, mede ten gevolge van de toenemende vergrijzing en daarmee een toenemend beroep op de AOW, de komende jaren zeer hoog zullen blijven. Verbeteren van ons vestigingsklimaat kan alleen maar lukken door onze economie nog verder te stimuleren, enerzijds door verlagen van belastingen, zoals de vennootschapsbelasting voor bedrijven en door specifieke maatregelen voor het midden- en kleinbedrijf, zoals de lasten op arbeid, de werkkosten en de doorbetaling bij ziekte. Wij onderschrijven deze maatregelen dan ook, evenals de ruimte die het kabinet creëert voor daadwerkelijke extra investeringen in de economie. Echter, op dat laatste punt zouden wij graag wel wat meer toelichting ontvangen ten aanzien van de volgende punten.

- In de Macro Economische Verkenning worden klimaat, energie en digitalisering als kansrijke speerpunten voor investeringen gezien. Heeft het kabinet ook deze sectoren aangemerkt als kansrijk? Op welke wijze krijgt dit een plaats in de geboden investeringsruimte?

- Onderzoek en innovatie komen het best tot hun recht bij weinig regeldruk, een multidisciplinaire benadering, zoals een triple helix, en het bieden van ruimte aan start-ups en scale-ups. Hoe gaat het kabinet bevorderen dat er ruimte komt voor deze wijze van innoveren?

- Ten slotte vraagt de VVD-fractie zich af in hoeverre de investeringsruimte van het kabinet gezien wordt als een vorm van cofinanciering, waarbij als uitgangspunt geldt dat ook bedrijfsleven, onderwijs en onderzoek substantieel bijdragen, zodat er een multipliereffect kan ontstaan?

Voorzitter. Naast de positieve teneur in de Miljoenennota die wij onderschrijven, ziet de VVD-fractie ook wolken aan de horizon. Ik wil daarbij een drietal risico's bespreken die daadwerkelijk forse impact kunnen hebben.

Een eerste punt van aandacht in onze begroting betreft de uitgaven voor de zorg. Mede door de vergrijzing zijn de zorgkosten de afgelopen jaren fors gestegen en zien wij ook voor de komende jaren, ondanks alle maatregelen, een toename van het budget. Wij zijn blij met de ingrepen van de minister van VWS in het vorige kabinet om de stijging van uitgaven te beperken. Ook zijn wij te spreken over de inzet van de huidige bewindslieden om dit voort te zetten en maatregelen te nemen om de uitgaven in de zorg in de hand te houden. Uiteindelijk hebben maatregelen als de hoofdlijnakkoorden ten aanzien van de GGZ, de huisartsen en de specialisten en de afspraken over de kosten van medicijnen een positief effect gehad op de vermindering van de groei van de zorguitgaven. Tegelijkertijd lezen wij echter in de media dat het rommelt rondom de hoofdlijnenakkoorden. Wij lezen ook dat de Raad van State zorgen heeft over de collectieve zorguitgaven en adviseert om stappen te zetten. Verder constateren wij dat bepaalde medicijnen slecht of moeilijk verkrijgbaar zijn in Nederland, juist door diezelfde kabinetsmaatregelen. Wij vragen daarom de minister om inzage te geven in de wijze waarop het kabinet denkt de groei van de zorguitgaven en daarmee het houdbaarheidstekort in de komende jaren op een acceptabel niveau te houden. Wij herhalen hierbij de vraag die we vorig jaar bij de Algemene Financiële Beschouwingen in deze Kamer gesteld hebben, namelijk of het kabinet bereid is om de mogelijkheid van een ex-antekoppeling van de zorguitgaven aan de ontwikkeling van het bbp te overwegen. Wij zijn benieuwd of de minister hierover reeds gesproken heeft met het CPB.

Een specifiek punt van aandacht voor onze fractie betreft de ontwikkeling van de jeugdzorg bij gemeenten. Wij blijven van mening dat de transitie in de zorg en het overhevelen van taken op het gebied van Wmo, jeugdzorg en participatie van Rijk naar gemeenten een prima zaak is geweest. Wij hechten ook waarde aan een integrale aanpak van de voornoemde taakvelden dicht bij de burger, het vergroten van preventieve maatregelen en het meer benutten van mantelzorg. Dit zijn juist zaken waar gemeenten specifiek op toegerust zijn.

Op het gebied van de jeugdzorg ziet onze fractie echter ook worstelingen bij gemeenten, deels veroorzaakt doordat de transformatie naar een andere werkwijze tijd en daarmee ook geld kost, terwijl ook een bezuinigingstaakstelling bereikt moet worden. Op dit moment constateren wij dat door enerzijds tekorten in de budgetten voor jeugdzorg en anderzijds door het achterblijven van het accres van het Gemeentefonds, onder andere door het niet realiseren van de door het Rijk geplande uitgaven in 2018, veel gemeenten gedwongen worden om bezuinigingen door te voeren in de volle breedte van hun begroting. Overigens zie ik ook in mijn werk als consultant gemeenten die op creatieve wijze successen boeken.

Ook aan de overkant in de Tweede Kamer is voor deze problematiek aandacht gevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft de minister van Financiën namens het kabinet geantwoord dat hij bereid is om in gesprek te gaan met de gemeenten. Nu juichen wij het altijd toe als een bewindspersoon bereid is om in gesprek te gaan, maar wij zouden in dit specifieke geval toch graag willen weten of die bereidheid zich ook uitstrekt tot een tijdelijke bereidheid om de transformatie een impuls te geven, c.q. prikkels te geven aan gemeenten die excellent opereren.

Voorzitter. Een ander punt van zorg voor de VVD-fractie zijn de ontwikkelingen rondom het klimaatakkoord en met name de uitvoering daarvan. Het Planbureau voor de Leefomgeving is positief over het klimaatbeleid van het kabinet, maar tekent daarbij tevens aan dat de noodzakelijke transitie "koersvast, richtinggevend en flexibel" moet zijn en dat de kosten en verdeling van de lasten op grond van het klimaatakkoord nog moeten komen. Wij vragen ons af of de minister ons vast enig gevoel kan geven bij wat het kabinet verstaat onder de termen "koersvast, richtinggevend en flexibel", en zo niet, wanneer wij dat wel kunnen verwachten. Wij zijn in dat verband ook nieuwsgierig naar de wijze waarop het kabinet samen wil werken met andere overheden, het bedrijfsleven, onderzoeks- en onderwijsinstellingen, en wat dit betekent voor het kostenplaatje voor overheid, bedrijven en burgers.

Over de kosten en de verdeling daarvan zouden wij vanzelfsprekend ook meer willen weten, maar zonder een concretisering van het akkoord en realistische uitvoeringsplannen valt daarover ongetwijfeld op dit moment nog niets te melden, ook al horen wij graag van de minister wanneer dit wel gepresenteerd kan worden. Voor de VVD staat daarbij voorop, dat de plannen betaalbaar, behapbaar en kostenefficiënt moeten zijn. Naar ons inzicht is haast geboden, mede gelet op de uitspraken van de Raad van State, waarin gerept wordt van grote maatschappelijke gevolgen door de klimaatverandering en de noodzaak van Europese afstemming. En pas op bij dat laatste; dat mag uiteraard niet leiden tot vertraging.

Voorzitter. Ik kom aan het laatste onderdeel van mijn beschouwingen, een verantwoord financieel beleid naar de toekomst toe. De VVD-fractie hecht veel waarde aan een meerjarig solide financieel beleid en aan een overheid die goed is voorbereid op minder rooskleurige tijden. De ervaring van de afgelopen decennia leert ons namelijk dat veranderingen in de conjunctuur razendsnel kunnen gaan. De risico's die wij internationaal om ons heen zien, kunnen een dergelijke verandering tot stand brengen.

Ik benadruk nogmaals dat de VVD-fractie verheugd is over de staat van ons land en over veel van de plannen zoals door het kabinet gepresenteerd. Wij zien echter ook, zoals reeds eerder genoemd, grote risico's naar de toekomst toe zoals de conjunctuur en de gevolgen voor de budgetten sociale zekerheid en zorg; de brexit en de gevolgen voor onze export en ons vestigingsklimaat; mogelijke handelsconflicten, laat staan conflicten rondom wapenverdragen; de Italiaanse begroting en de gevolgen daarvan voor de eurozone.

Naast deze risico's zien wij ook concreet het voorstel van de Europese Unie voor het toekomstig Meerjarig Financieel Kader dat ons grote zorgen baart. Ondanks de insteek van ons kabinet om minder geld af te dragen en een kleinere begroting door het vertrek van het Verenigd Koninkrijk, presteert de Commissie het om een kader neer te leggen met een hogere begroting en een hogere bijdrage voor Nederland. Een Nederlandse topambtenaar in Europa, de DG Financiën, vond dat Nederland hierin niet kleinzielig moest doen. Een presentatie onlangs in de gezamenlijke commissies Europese Zaken en Financiën door ambtenaren van Buitenlandse Zaken en Financiën leert ons echter dat de nettobijdrage van Nederland geacht wordt om met 25% — in mijn ogen zelfs 30%, zijnde 2,5 miljard per jaar — te stijgen. Hoezo kleinzielig? Onze vraag hierover aan de minister is tweeledig. Wat gaat het kabinet doen om te voorkomen dat deze stijging realiteit wordt en hoe kansrijk acht het kabinet zich hierbij? Heeft het kabinet, stel dat het niet lukt, een buffer aangelegd om deze stijging te kunnen opvangen zonder dat lastenverzwaring of bezuiniging noodzakelijk worden?

De hoofdeconoom van het IMF liet in het NRC van 9 oktober jongstleden weten dat groei niet vanzelfsprekend is, ook niet in Nederland, en dat het raadzaam is om buffers aan te leggen in goede tijden. De minister zei in de Tweede Kamer dat het lastig is om een balans te vinden tussen én investeren én lasten verlichten én overheidsfinanciën op orde brengen en houden. Wij hebben daar begrip voor. Echter wij zien ook dat wij per jaar 5,6 miljard aan rente betalen en dat, ondanks dat onze staatsschuld daalt, deze met 49,6% nog aanzienlijk hoger is dan voor aanvang van de crisis in 2008, toen het percentage 43% was.

Wij zien verder dat de kosten voor de WIA en de AOW stijgen en voorzien dat dit de komende jaren doorzet. Gelet op de goede economische omstandigheden waarin wij thans verkeren, wordt deze kostenstijging opgevangen door een daling van de uitgaven voor WW en bijstand. Bij een verandering van de conjunctuur, bijvoorbeeld ten gevolge van een van de door mij eerder genoemde risico's, krijgen we direct te maken met een forse toename van uitgaven en gedwongen ingrepen door het kabinet. Gelet op de gezonde staat waarin onze economie zich thans bevindt en de in onze ogen terechte uitspraken van de hoofdeconoom van het IMF, vragen wij daarom de minister of hij ons inzage kan geven in de wijze waarop het kabinet actief is met het aanleggen van buffers en het nemen van maatregelen om eventuele komende tegenslagen goed op te kunnen vangen.

Voorzitter. Ik sluit af met een citaat van de beroemde econoom Keynes, toch niet echt de huiseconoom van onze VVD. "Het politieke probleem van de mensheid is om drie dingen te combineren: economische efficiëntie, sociale rechtvaardigheid en individuele vrijheid." In onze ogen heeft het kabinet met deze Miljoenennota deze combinatie goed weten uit te werken. Wij zijn benieuwd naar de antwoorden op onze vragen, omdat wij wel voorzien dat er zich ondanks de blauwe lucht enige wolken aan het samenpakken zijn.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Wever. Blijft u even staan. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen.

U hebt bestuurskunde gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam, in het bijzonder de juridisch-bestuurswetenschappelijke richting. Na uw afstuderen hebt u in verschillende functies bij meerdere gemeentes gewerkt, voordat u in 2001 secretaris werd van Parkstad Limburg, een samenwerkingsverband in Zuidoost-Limburg. Tegelijk was u ook secretaris van de werkvoorziening Oostelijk Zuid-Limburg. Sinds 2005 werkt u bij de BMC Groep in Amersfoort. BMC is een adviesbureau dat zich richt op de bedrijfsvoering bij de overheid. U begon als senior adviseur en werd vervolgens manager en directeur. Van 2012 tot 2015 was u opnieuw betrokken bij een regionale samenwerking. U werkte toen als interim-secretaris-directeur voor de stadsregio KAN, Knooppunt Arnhem Nijmegen, dat betekent KAN. Sinds 2017 bent u directeur van PublicSpirit BMC. Op de website van PublicSpirit heeft u als motto: "Samenwerken kost geld; niet samenwerken kapitalen!". Heel toepasselijk vandaag bij dit debat over de Miljoenennota.

Naast uw werk en het lidmaatschap van de Eerste Kamer bent u voorzitter van de raad van toezicht van XONAR, dat in Limburg gespecialiseerd is in jeugd- en opvoedhulp. Tevens bent u lid van de raad van toezicht van de leerstoel innovatie en samenwerking aan de Universiteit Twente. Binnen de VVD bent u sinds 2017 lid van de scoutingscommissie van de VVD in Limburg. Het lidmaatschap van de Eerste Kamer is uw eerste functie als volksvertegenwoordiger. In uw vrije tijd loopt u graag hard. Zo heeft u, naar ik begrijp, onder meer de Zevenheuvelenloop op uw palmares bijgeschreven. Ook houdt u van wintersport — of dat nu echt sporten is of alleen maar wandelen weet ik niet — reizen en geschiedenis.

Nogmaals van harte welkom. We kijken uit naar uw verdere inbreng in de Eerste Kamer. Ik schors de vergadering voor een kort moment om de collegae de gelegenheid te geven om u geluk te wensen met uw maidenspeech. Ik zal u als eerste gelukwensen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de voortzetting van de eerste termijn van de kant van de Kamer van de behandeling van wetsvoorstel 35000, Miljoenennota 2019. Ik geef het woord aan de heer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Voorzitter. Nou, daar kwam-ie dan: de eerste eigen begroting van het kabinet. We hebben er bijna een jaar op moeten wachten. Maar hoe teleurstellend het resultaat! Niet dat de Miljoenennota meeslepende lectuur moet zijn, maar je hoopt toch wel op een verhaal dat je meeneemt in de plannen van dit kabinet om dit land beter te maken. En dan hoef je het nog niet eens eens te zijn met die plannen. Maar welke plannen en ambities heeft dit kabinet eigenlijk? Na het lezen van de Miljoenennota kom ik toch niet heel veel verder dan dat iedereen het nu eindelijk, en nu echt — de vorige keren kwamen we ook weer bedrogen uit — moet gaan merken dat het goed gaat met de economie, dat de staatsschuld nog verder afgelost moet worden en dat we natuurlijk verder moeten blijven werken aan een goed vestigingsklimaat. En dat is het. Ja, als hervormingsgezinde oppositiepartij ben je dan toch teleurgesteld. Vorig jaar sprak ik op deze plaats de hoop uit dat met de eerste eigen begroting de hand naar de oppositie toch echt uitgestoken zou worden. Maar opnieuw zie ik die hand niet, al wil ik niet op voorhand uitsluiten dat het vandaag alsnog gebeurt. Ik ken deze minister immers als iemand die ook graag de samenwerking zoekt. Vol verwachting klopt ons hart, zeg je dan in deze dagen.

Het kabinet moet dan wel bereid zijn zijn visie te veranderen. Waar voor ons echt de schoen wringt, is niet de ogenschijnlijke visieloosheid maar juist de visie die achter deze begroting schuilgaat. Achter het technocratische vocabulaire van uitgavenplafonds, houdbaarheidssaldo's et cetera gaat een ideologie schuil die uiteindelijk, zoals mijn fractievoorzitter ook betoogde in de Algemene Politieke Beschouwingen, maakt dat dit kabinet faliekant faalt in zijn ambitie dit een begroting voor iedereen te maken. Naast het gebruikelijke staatschuldfetisjisme zit de ideologische kern van het financieel-economische beleid van ook dit derde kabinet-Rutte nog steeds in een neoliberale politiek die zich, als het erop aankomt, voegt naar de vermeende dwingende logica van de markt en de eisen van het kapitaal. Het is dus een politiek die haar eigen primaat opgeeft en liever aan de leiband loopt van de economische elite, een leiband die ons meetrekt in een race naar de bodem in plaats van een weg omhoog naar meer menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit — de voor mijn partij leidende waarden in de politiek.

Ook het CPB erkent in zijn macro-economische verkenningen dat de toegenomen vrijheid van het kapitaal leidt tot concurrentie tussen staten, waaronder een belastingconcurrentie die wereldwijd het belastinginkomen van overheden erodeert. Zijn de minister en de staatssecretaris het met het CPB eens? Zo ja, waarom kiest dit kabinet er dan voor niet alleen mee te doen, maar zelfs voorop te lopen in de race naar de bodem door de belastingen op winsten van bedrijven nog verder te verlagen dan al was voorgenomen? Is dat echt omdat de minister vreest dat bedrijven anders verkassen of hier niet meer komen investeren? Geven we dan niet toe aan economische chantage, zo vraag ik de minister? Is dat dan niet een capitulatiepolitiek tegenover het kapitaal?

Voorzitter. Het was een dergelijke capitulatiepolitiek die ertoe leidde dat deze coalitie het absurde plan had opgevat om jaarlijks 2 miljard over de balk te smijten door de dividendbelasting af te schaffen. En dat voor een kabinet, deze minister voorop, dat zich graag laat voorstaan op een prudent begrotingsbeleid. Het is dezelfde capitulatiepolitiek die dit kabinet ertoe heeft gebracht de maatregel weer in te trekken na slechts één sms'je van Paul Polman, na een hoop oppositie in de Tweede en Eerste Kamer. Wat een treurnis dit hele dividenddebacle. Een politiek die zichzelf te kijk zet. Een politiek die zich uitlevert aan de bestuurskamers van Shell en Unilever.

Dezelfde capitulatiepolitiek heeft dit kabinet doen besluiten om het ene cadeau aan het bedrijfsleven om te ruilen voor het andere, alsof het een cadeaubon betrof. Want ja, er moet nu eenmaal een "aantrekkelijk pakket" zijn voor het bedrijfsleven, en we moeten nu eenmaal een "aantrekkelijk vestigingsklimaat" hebben voor bedrijven die het voor het uitzoeken hebben. Dus gaan we nu de vennootschapsbelasting naar een tarief van 20,5% brengen, ruim beneden tarieven in buurlanden zoals België, Duitsland en Frankrijk, waar de winstbelasting zo'n 10% hoger ligt. En dit met het argument dat we tegenover die landen "concurrerend" moeten blijven. Hoe denken de minister en de staatssecretaris dat andere landen, die uiteraard eveneens "concurrerend" willen zijn, hierop zullen reageren? En waar eindigt dit proces dan?

Het gemiddelde Vpb-tarief in de EU is gedaald van 35% eind jaren negentig naar 21,3 % in 2018. Nu duikt Nederland onder dat gemiddelde, dat daarmee nog weer lager zal komen te liggen. Zal dat een reden zijn voor nog weer een verdere verlaging, zeker als andere landen ons slechte voorbeeld volgen? Met de verdere verlaging van de bedrijfsbelasting is vanaf 2021 jaarlijks in totaal 3 miljard gemoeid. Dat gaat ons 3 miljard per jaar kosten. Vinden de minister en de staatssecretaris het nu echt verantwoord om jaarlijks zoveel geld weg te geven aan het bedrijfsleven, dat weer volop winst maakt? Graag een reactie.

Voorzitter. In het conservatieve wereldbeeld van Rutte III zijn er nu eenmaal multinationals die "voor ons het geld verdienen" en die we dus aan ons moeten binden. En het is nu één keer zo dat die multinationals kunnen gaan en staan waar ze willen, dus moeten wij ons aan hun eisen aanpassen in plaats van andersom. Ik roep dit kabinet op om over zijn eigen schaduw heen te springen en de koe een keer bij de horens te vatten door te erkennen dat kapitaal veel te mobiel is geworden, dat het met de neoliberale globalisering en dito Europese eenwording te veel bewegingsvrijheid heeft gekregen, ten koste van onze samenleving, van mensen en van onze democratie. Landen worden in de strijd om het aantrekken en behouden van kapitaal tegen elkaar uitgespeeld. En tegenover dit kapitaal verliezen ook werknemers en vakbonden steeds meer macht en invloed. Dit proces is in Nederland versterkt door de totaal doorgeslagen flexibilisering van de arbeidsmarkt. In de Miljoenennota lezen we dat teveel flexibiliteit negatieve gevolgen kan hebben voor het verdienvermogen van Nederland. Kan de minister bevestigen dat dit nu het geval is? En vindt de minister het met ons een probleem dat in onze geflexibiliseerde arbeidsmarkt de lonen, na jaren van stagnatie, nog steeds achterblijven bij de economische groei? Zo ja, wat wil hij hier dan aan doen?

Voorzitter. In een land waarin de politiek naar de pijpen danst van het kapitaal en te weinig investeert in de gemeenschap, in mensen, neemt de tweedeling al jaren toe en de eensgezindheid af. Het is een tweedeling die zich onder andere uit in het feit dat, zo lezen wij in De sociale staat van Nederland, mensen met een lagere opleiding en een lager inkomen minder positief zijn over Nederland en waar het naartoe gaat in onze samenleving, en ook minder vertrouwen hebben in de politiek dan hoger opgeleiden en beter verdienenden. En dat is ook logisch, want met die eerste groep gaat het ook minder goed en het is vooral deze eerste groep die de prijs voor de crisis betaald heeft en die ook nu het minst reden tot optimisme heeft. Het gaat om mensen die zich zorgen maken over hoge huren en nu geconfronteerd worden met een verlaging van de huurtoeslag en een eigen zorgrisico dat ze niet meer kunnen betalen maar dat deze regering weigert te verlagen. Aan deze mensen was tijdens de vorige Prinsjesdag ook al beloofd dat zij nu ook eindelijk zouden gaan merken dat de crisis voorbij was. Maar zij kwamen opnieuw bedrogen uit.

En wat doet dit kabinet voor deze mensen en aan deze tweedeling? Ik hoor het graag van de minister, want ik heb er in zijn Miljoenennota bar weinig over kunnen lezen. Dit kabinet doet in ieder geval niets aan het terugdringen van de ongelijkheid. Zelfs in percentages blijven de lage inkomens volgend jaar opnieuw achter bij de rest, met een stijging van naar verwachting, als die al uitkomt, 1,1% voor inkomens tot 150% van het minimumloon tot rond de 1,7% voor de categorieën daarboven. In harde euro's levert het nog veel grotere verschillen op. Welke boodschap moet hier nu van uitgaan, zo vraag ik de minister. Dat hoe dikker de portemonnee is, hoe meer euro's er bijgestopt worden? Vindt de minister dat rechtvaardig? In plaats van deze vlaktaks in te voeren, waar dit kabinet voor kiest en waar vooral de hogere inkomens van profiteren, zouden we wat ons betreft de belastingen voor de hoogste inkomens juist moeten verhogen. En zelfs als we het stelsel niet rechtvaardiger maken maar enkel afzien van het denivellerende tweeschijvenstelsel, scheelt dat 3,9 miljard op de begroting voor volgend jaar.

Over de absurd grote vermogensongelijkheid in dit land — volgens ook in het SCP-rapport geciteerd onderzoek van mijn collega Reuten de grootste vermogensongelijkheid van 27 OESO-landen! — hoor ik dit kabinet al helemaal niet. Een probleem dat makkelijk aan te pakken zou zijn, bijvoorbeeld door de belasting op vermogens boven de 1 miljoen euro te verhogen, zoals onze partij samen met PvdA en GroenLinks heeft voorgesteld in de Tweede Kamer. Erkennen de minister en de staatssecretaris dat deze extreme vermogensongelijkheid een probleem is, of vinden ze dat er niets mis is met een situatie waarin de rijkste 20% maar liefst 81% van al het vermogen bezit en de rijkste 1% rond de 28%, als het niet meer is? Uit opinieonderzoek blijkt dat driekwart van de Nederlandse kiezers, over alle partijen heen, een gelijkere verdeling van vermogens zou wensen. Is de regering het met deze grote meerderheid van de bevolking eens en, zo ja, welke maatregelen wil zij dan treffen om deze grote vermogensongelijkheid terug te dringen? Graag een reactie van beide bewindslieden.

Voorzitter. Terwijl de rijkdom aan de top jaar in, jaar uit toeneemt en de economie op volle stoom is gekomen, komen veel mensen in Nederland maar niet uit de armoede waar ze al zo lang in zitten. Onlangs bleek uit een SCP-rapport dat het aantal armen in Nederland, waaronder juist ook veel werkende armen, zelfs is toegenomen. Dat is toch niet uit te leggen in een tijd van hoogconjunctuur? Wat vindt deze minister daarvan? Weinig, althans als we op de Miljoenennota afgaan, waarin het woord "armoede" slechts vier keer voorkomt, waarvan twee keer in een internationale context. Over armoede in ons rijke land lezen we slechts dat "een groeiend aantal mensen zich zorgen maakt over armoede". Je kan je, als het armoedeprobleem zo wordt afgedaan, moeilijk aan de indruk onttrekken dat de leden van deze regering niet behoren tot dat groeiende aantal mensen dat zich zorgen maakt over armoede. Maar dat verbaast mij van deze minister, want zo ken ik hem niet.

Mijn fractie was destijds heel blij met zijn steun, toen nog als collega in dit huis, voor onze motie over kinderarmoede. Dat, ook nu we al enkele jaren uit de crisis zijn, honderdduizenden kinderen in armoede opgroeien in dit land, is onaanvaardbaar. Daar is iedereen in deze Kamer, van links tot rechts, het over eens. Daarom heeft eerdergenoemde motie ook een vervolg gekregen met een motie die de regering verzoekt om de invoering van een reductiedoelstelling inzake de terugdringing van armoede onder kinderen. Toen ik de minister tijdens de vorige Algemene Financiële Beschouwingen vroeg naar de uitvoering van die motie, vroeg hij om geduld, want de motie was nog maar net aangenomen en het kabinet nog maar net begonnen. We zijn nu meer dan een jaar verder. Ons geduld begint op te raken, zoals we ook bij de Algemene Politieke Beschouwingen hebben laten weten. De premier zei toen daar begrip voor te hebben, maar vroeg deze Kamer nog tot begin komend jaar te wachten. Deelt de minister onze opvatting dat er komend voorjaar ook echt geleverd moet worden, zodat aansluitend de reductiedoelstelling wordt geïmplementeerd en het aantal kinderen dat in armoede leeft in dit land significant gaat dalen?

En voorzitter, waar de kassen van het zeer winstgevende bedrijfsleven nog verder gespekt worden met de Vpb-verlaging, worden de dagelijkse boodschappen van hen die het al niet breed hebben weer duurder door een verhoging van het lage btw-tarief met 50%. Dit is een van de redenen waarom wij twijfels hebben bij de koopkrachtplaatjes van het kabinet. Die zouden volgens mijn fractie voor veel mensen weleens anders kunnen uitpakken. Het zou goed zijn als de gevolgen van de btw-verhoging nu eindelijk eens echt goed in kaart gebracht zouden worden.

Voorzitter. De tweedeling uit zich ook op de woningmarkt. Een tweedeling tussen huurder en kopers, en ook tussen mensen die al een eigen huis hebben en mensen die weliswaar nog de hoop hebben ooit huiseigenaar te worden maar voor wie dat in toenemende mate onmogelijk gemaakt wordt, mede door de toenemende rol van vastgoedbeleggers die massaal huizen opkopen om vervolgens in de vrije sector te verhuren. De noodzakelijke nieuwbouw van sociale huurwoningen dreigt op veel plaatsen in ons land bijna stil te vallen, nu de woningcorporaties naast de volstrekt contraproductieve verhuurderheffing straks ook meer vennootschapsbelasting moeten betalen. Dit als onbedoeld gevolg van de op zich wenselijke beperking van de renteaftrek. Dit gaat de corporaties 300 miljoen euro per jaar kosten. Gaan er nu al twee maanden huur per jaar naar de belasting, over enkele jaren zijn dat er drie! De corporaties houden op deze manier zo weinig geld over dat ze de afgesproken investeringen in nieuwbouw en verduurzaming van hun woningbestand niet meer kunnen opbrengen. Erkent de minister dit probleem? En, zo ja, wat gaat de regering hieraan doen?

De heer Van Strien (PVV):

De heer Van Apeldoorn snijdt een terecht probleem aan: het volstrekt achterblijven van de bouw van nieuwe huurwoningen. Zoals ik in mijn verhaal al heb aangegeven, is een ander probleem dat wat er gebouwd wordt, naar statushouders gaat. Kan de SP daar eens wat meer over zeggen? Wat vindt de SP ervan dat daardoor ook een zeer groot deel van de problemen op de sociale huurmarkt zijn ontstaan?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik denk dat de heer Van Strien het nu omdraait. Hij moet de problemen zoeken waar ze zijn en waar ze op te lossen zijn. Het probleem is een gebrek aan voldoende sociale huurwoningen voor iedereen die die nodig heeft in het land, of het nu statushouders zijn of Nederlanders die hier al heel lang wonen. Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat er voldoende woningen zijn. Dat is het probleem. Dat is al jaren het probleem. Volgens mij zijn de heer Van Strien en ik het daarover eens. Dat is een probleem dat voortkomt uit keuzes die dit kabinet gemaakt heeft. Ik denk dat niemand ermee geholpen is, ook niet de niet-statushouders die op zoek zijn naar een sociale huurwoning, als we een soort zondebokpolitiek gaan bedrijven door te zeggen "het ligt aan de statushouders die de huurwoningen inpikken". Als er voldoende gebouwd zou worden, zou dat probleem zich überhaupt niet hebben voorgedaan en zou de heer Van Strien deze vraag nu niet hebben kunnen stellen. Nogmaals, ik denk dat wij het probleem moeten oplossen door eerst een juiste analyse van het probleem te maken en het daar aan te pakken.

De heer Van Strien (PVV):

Ik ben het volstrekt met de heer Van Apeldoorn eens dat er te weinig wordt gebouwd. Er wordt overigens al jaren te weinig gebouwd. Het versnellen van de bouw lost ook nog niet de problemen op de sociale huurmarkt op korte termijn op. Bij wat voor versnelling dan ook blijf je nog jaren, echt nog jaren, zitten met tekorten in de sociale woningbouw. Dan gaat het om de vraag of statushouders dan een voorrangsrecht moeten hebben ten opzichte van de autochtone Nederlanders. Dat is de vraag.

De heer Van Apeldoorn (SP):

De sociale woningmarkt is wat mij betreft bedoeld voor die mensen die het nodig hebben en daarbij wil ik geen onderscheid maken tussen statushouders en autochtone Nederlanders of wat voor Nederlanders dan ook, zoals u ze noemt. Sociale huurwoningen zijn bedoeld voor diegenen die het nodig hebben. Mensen die statushouder zijn hebben ook recht op woonruimte. Zij hebben namelijk een status gekregen en daarmee hebben zij ook recht op een fatsoenlijk bestaan in Nederland. Dat is voor mij het principiële punt. Vervolgens is onze analyse — en dat delen wij volgens mij met de PVV-fractie — dat er de afgelopen jaren veel te weinig is gebouwd en dat het huidige beleid, onder andere de beperking van de renteaftrek, ervoor zal zorgen dat er misschien nog minder zal worden gebouwd vergeleken met wat nodig is.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Strien, op dit punt.

De heer Van Strien (PVV):

Ik constateer dat door de SP binnenkort misschien iedereen op kruisingen van wegen voorrang zal hebben. Dat is hetzelfde als wat u nu zegt. Iedereen heeft voorrang op een sociale huurwoning. Dat is niet zo, op dit moment hebben statushouders voorrang boven autochtone Nederlanders. Dit betekent dat zij in het bijzonder worden geraakt door de problemen op de sociale huurmarkt.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Wij vervallen in herhalingen. Wat mij betreft is deze discussie een andere discussie dan het onderwerp dat nu aan de orde is. Wij hebben het nu over het al jarenlange gebrek aan sociale huurwoningen door onderinvesteringen. Daar moeten wij iets aan doen. De discussie die de heer Van Strien graag wil voeren, is volgens mij niet de discussie die nu aan de orde is.

De heer Postema (PvdA):

Ik steun graag de gedachte dat de statushouders hier nu niet echt de oorzaak van het probleem zijn. Dat geldt overigens ook voor de renteaftrek. Ik houd de heer Van Apeldoorn graag voor dat die zwaardere fiscale belasting van de woningbouwcorporaties eigenlijk iets is wat in de eigen staart bijt. Dat leidt tot minder productie en daarmee ook tot minder fiscale afdracht van diezelfde corporaties. Je zou je ook kunnen voorstellen dat juist een intensief investeringsprogramma tot hogere staatsinkomsten zou kunnen leiden. Zou u daar ook nog eens op willen reflecteren?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik denk dat de beperking van de renteaftrek als onbedoeld gevolg van de ATAD, de richtlijn die belastingontwijking moet tegengaan, ook in samenhang met de verhuurdersheffing moet worden gezien. De SP-fractie staat ervoor dat als woningbouwcorporaties kiezen voor meer investeren in verduurzaming en nieuwbouw, dan bijvoorbeeld de verhuurdersheffing naar beneden kan. Uiteindelijk zou die wat ons betreft afgeschaft moeten worden. Maar dit zou een eerste stap zijn zoals ook is voorgesteld in bijvoorbeeld de Tweede Kamer door onze fractie en ook door die van de heer Postema en van GroenLinks.

De voorzitter:

Gaat u verder, meneer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dank, voorzitter. Met betrekking tot het tegengaan van klimaatverandering —- en naar het oordeel van mijn fractie reiken de Nederlandse ambities op dat terrein dat zo cruciaal is voor onze toekomst, nog niet ver genoeg — dreigt nu een nieuwe tweedeling te ontstaan: een tweedeling tussen gewone mensen die de rekening moeten betalen maar dat niet of nauwelijks kunnen, en de kleine elite die het zich kan permitteren om elektrisch te rijden of een warmtepomp te installeren; en een tweedeling tussen de burger in het algemeen die moet opdraaien voor kosten van de noodzakelijke transitie, en de grote bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de meeste uitstoot maar die nog te veel worden ontzien. Integendeel, wij geven bedrijven als Shell zelfs gratis emissierechten. Waar blijft dan de klimaatrechtvaardigheid, zo vraag ik de minister. Wat mijn fractie betreft vervangen we dit stelsel geheel door een CO2-belasting voor bedrijven. Dan is het echt de vervuiler die betaalt.

Voorzitter. Of het nu gaat om eerlijk delen, om het uitbannen van armoede uit onze samenleving, om betaalbare woningen of om klimaatrechtvaardigheid, de kwaliteit van onze samenleving laat zich maar zeer ten dele vangen in groeicijfers, in statistische gemiddelden zoals koopkrachtplaatjes en dergelijke, en al helemaal niet in het bnp als dé maatstaf van ons welvaren. Daarom was ook mijn fractie blij met het initiatief van collega’s Ester en Sent — ook wel meneer en mevrouw Ester genoemd tegenwoordig — om de planbureaus te vragen jaarlijks ook met een brede analyse van onze welvaart en welzijn te komen. En we hopen dat we in de toekomst hier ook jaarlijks een bredere reflectie op tegemoet kunnen zien van het kabinet, conform ook diverse moties in beide Kamers.

Wat ook in zo’n analyse thuishoort, is de staat van onze publieke sector, een sector die essentieel is als het gaat om ons welvaren in bredere zin, maar die publieke sector staat er na jaren van kaalslag door voorgaande kabinetten niet best voor. Dat na die kaalslag een inhaalslag nodig is, zal bijna iedereen beamen, alleen vindt mijn fractie dat we daar met dit kabinet nog te weinig van zien. De investeringen die nu gedaan worden, zijn volstrekt onvoldoende om ook nog maar een begin te maken met het terugdraaien van de destructieve megabezuinigingen van rond de 50 miljard van de voorbije crisisjaren.

Voorzitter. Het is niet voor niets dat de publieke sector in actie is gekomen. Naast POinactie kregen we ook WOinActie en nu is de hele publieke sector in opstand gekomen. Maar dit kabinet schroeft de bedrijfswinsten liever nog verder op door de Vpb te verlagen dan ervoor te zorgen dat leraren, docenten en verpleegkundigen niet alleen fatsoenlijk betaald worden, maar ook niet bezwijken onder de toenemende werkdruk. Neemt de minister de signalen uit de publieke sector — zoals onlangs nog luidkeels afgegeven toen duizenden naar de Dam togen — nu eindelijk serieus? Ik hoop het van harte, want hier staat echt de toekomst van onze samenleving op ons spel.

Voorzitter. Als iets het pleidooi om het kapitaal te beteugelen in plaats van het de vrije loop te laten kracht zou moeten bijzetten, dan zijn het wel de lessen van de financiële crisis. Maar welke lessen heeft deze regering hier, nu ruim tien jaar na de val van Lehman Brothers, eigenlijk geleerd? Veel reflectie hierop lezen we niet in de Miljoenennota. Hebben we de financiële sector nu echt weer dienstbaar gemaakt aan de reële economie en aan de samenleving? Daarvoor is volgens mijn fractie nog veel meer nodig. Zo praten we al jaren over de noodzaak van hogere buffers voor banken, maar nu wordt in EU-verband een eis van 3% ingevoerd, terwijl Nederland eerder nog inzette op 4%. Hoe zit dat, wil mijn fractie weten. En wanneer gaan we nou eens eindelijk over op het volledig splitsen van het zaken- en het nutsdeel van banken, destijds een van de centrale aanbevelingen van de commissie-De Wit? Waarom horen we hier niets meer van? Waar we ineens wel weer van horen, is de eigen begrotingscapaciteit voor de EU die als een duveltje uit een doosje weer terug is op de agenda nadat Macron en Merkel het hier kennelijk over eens zijn geworden. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat die duvel voor eens en altijd in zijn doosje blijft?

Voorzitter. Ik rond af. Een begroting die de belasting voor bedrijven verlaagt en tegelijkertijd de btw voor de dagelijkse boodschappen met 5% verhoogt, die de verschillen vergroot door een vlaktaks in te voeren waar de hogere inkomens het meest van profiteren, die kiest voor de race naar de bodem in plaats van de weg omhoog naar een socialer Nederland, die liever geld weggeeft aan het bedrijfsleven dan meer te investeren in leraren, agenten en medewerkers in de zorg, die niet kiest voor een eerlijk klimaatbeleid door de vervuiler te laten betalen, die op de arbeidsmarkt, in de woningmarkt en in onze samenleving in het algemeen de tweedeling niet tegengaat, en die de reductie van het overheidstekort belangrijker lijkt te vinden dan het terugdringen van armoede onder kinderen, zo'n begroting is niet de begroting van en voor iedereen, zoals dit kabinet beweert. In plaats daarvan is dit een begroting die vooral de grote bedrijven en hun aandeelhouders bedient. Het is geen rechtvaardige begroting en wat ons betreft is het tijd voor rechtvaardigheid en dus voor andere keuzes. De kans dat we het eens zullen worden, acht ik klein, maar ik zie zoals altijd uit naar de beantwoording van de minister en de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Apeldoorn. Ik geef het woord aan de heer Van Kesteren.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Voorzitter, dank u wel. De rijksbegroting voor het jaar 2019 ziet er goed uit. Zij weerspiegelt een periode van economische groei. Er is voor het derde achtereenvolgende jaar sprake van een overschot op de begroting, de staatsschuld daalt en de werkloosheid is laag. Dit ondanks het feit dat de gaskraan wordt teruggedraaid en er dus aanzienlijk minder inkomsten zijn. Dan is er ook nog extra geld voor onderwijs, defensie, veiligheid en infrastructuur. Een knappe prestatie van de bewindslieden van Financiën en de rest van het kabinet.

Deze begroting staat in een lange traditie. Wie een reeks van jaren overziet, kan vaststellen dat Nederland een solide begrotingstraditie heeft. Sinds decennia is er sprake van een trendmatig begrotingsbeleid, van het reduceren van de staatsschuld en van het treffen van structuurversterkende maatregelen. Deze begroting en deze Miljoenennota passen in de school van Ruud Lubbers en Wim Kok, twee dit jaar overleden oud-premiers die het financieel-economisch beleid van dit land op een voortreffelijke manier hebben vormgegeven. Ook formateur en oud-minister Gerrit Zalm kan tevreden constateren dat zijn erfenis goed wordt beheerd.

Nederland staat er door deze traditie van soliditeit en structuurversterking goed op. Wij staan hoog in alle relevante internationale vergelijkingen. Onze economie is concurrerend, het onderwijs en de zorg scoren hoog, evenals de infrastructuur en de pensioenen. De Nederlandse bevolking is over het algemeen gelukkig. De macrocijfers zijn indrukwekkend en die zijn, zoals ik al zei, het gevolg van een combinatie van soberheid en structuurversterkende maatregelen. Bij het laatste kan het gaan om een veelheid van zaken. Wie het recente verleden overziet, kan een rode draad herkennen van stelselherzieningen op het gebied van sociale zekerheid en zorg, van investeringen in onderwijs en fysieke infrastructuur en van belastingverlagingen. Veel van die aanpassingen zijn in overleg met maatschappelijke organisaties tot stand gekomen.

Een belangrijke factor in het economisch succes van ons land zijn instituties die mede helpen om een effectieve koers te bepalen. Op economisch gebied is het Centraal Planbureau met name van groot belang. Het houdt ons bij de les als het gaat om ook op langere termijn houdbaar beleid.

De heer Van Strien (PVV):

Ik hoor de heer Van Kesteren zeggen dat de macro-economische cijfers fantastisch zijn. Er zijn ook een heleboel fantastische macro-economische cijfers, maar de koopkracht is in de afgelopen jaren ver achtergebleven bij de rest van Europa en ver achtergebleven bij de ons omringende landen. Waarom hoor ik het CDA daar niet over? Ik dacht dat het CDA toch wat meer betrokken zou zijn bij de mensen zelf.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Meneer Van Strien, het CDA is zeer betrokken bij de mensen zelf. Ik kom daar zo meteen nog op als ik inga op het punt van de pensioenen. U zult daar dan veel in herkennen van wat u zelf heeft gezegd. Een economie is er niet alleen voor bedrijven en voor de bovenlaag van de bevolking. Dit uitgangspunt onderschrijf ik zeer. Een land heeft behoefte aan een goede verzorgingsstaat en daarbij behorende regelingen. Dat is geen discussiepunt.

Het is moeilijk om een goede lijn te bepalen in het punt van de koopkracht. Natuurlijk moet de koopkracht stijgen, dat is vanzelfsprekend, maar wij weten allemaal, u ook, dat koopkrachtplaatjes enorm veel subjectieve elementen bevatten. Ik heb daar in mijn werkzame leven ook altijd met enig scepticisme naar gekeken en daarom noem ik het begrip hier ook niet expliciet. Bijna altijd blijkt dat koopkrachtplaatjes niet kloppen. Je kunt daar weinig algemeenheden op loslaten. Ik ben het met u eens dat, gegeven de crisis die we hebben gehad, als je een aantal jaren terugkijkt, de koopkracht is achtergebleven. Dat heeft te maken met belastingmaatregelen die nodig waren in de crisisperiode. Het heeft er ook mee te maken — dat onttrekt zich aan de mogelijkheden die een overheid heeft — dat in het bedrijfsleven lonen zich anders ontwikkelen dan in het verleden. Je ziet dat de positie van vakbonden minder sterk is geworden. Daar kun je van alles van vinden. Ik persoonlijk vind dat niet goed, maar het is wel aan de hand en dus hebben collectieve arbeidsovereenkomsten minder collectieve uitkomsten dan in het verleden.

Dus ik onderschrijf het punt dat koopkracht moet stijgen, maar je kunt dan niet alleen naar de overheid wijzen als die koopkracht zich blijkens de cijfers minder ontwikkelt. Overigens moeten we ook zien dat sinds de crisis voorbij is, de koopkracht weer harder stijgt, wat ook logisch is. Je ziet dat ook, denk ik, de komende jaren terug in de uitkomsten van het arbeidsvoorwaardenoverleg.

De heer Van Strien (PVV):

Ik had het niet over koopkrachtplaatjes, want ik heb zelf ook al aangestipt dat die puntenwolken meer verduisteren dan dat ze licht brengen. Ik heb het over een ontwikkeling gedurende een lange reeks van jaren in de koopkracht, een negatieve ontwikkeling ten opzichte van de ons omringende landen, waar door dit kabinet nog steeds niets aan gedaan wordt. Daar heb ik het over.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ik bestrijd dus dat het kabinet hier zo heel veel aan kan doen. Het kabinet introduceert een nieuw belastingstelsel en zoekt ook naar wegen om de belasting op arbeid te verlagen. Dat zijn stappen die in de goede richting gaan. Verder moeten we natuurlijk kijken hoe dat zich in de reële economie ontwikkelt. U ziet — ik kom daar zo meteen in mijn speech ook op — dat het veel voorkomen van zzp'ers ook weer een ander beeld geeft van de werkelijkheid. De werkelijkheid zoals die in het buitenland bestaat, is weer totaal anders dan die van ons, omdat onze arbeidsmarkt ook heel anders in elkaar steekt. Dus ik denk dat u ook niet zo gemakkelijk die vergelijking kunt maken.

De voorzitter:

De heer Van Strien, tot slot.

De heer Van Strien (PVV):

Eén opmerking nog wat mij betreft. De heer Van Kesteren doet het voorkomen alsof het kabinet hier machteloos is. Een van de maatregelen die direct gevolgen heeft voor de koopkracht is de btw-verhoging van het lage tarief. Een van de maatregelen die echt flink ingrijpen in de koopkracht.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

U weet ook dat die btw-verhoging weer is gebruikt om de belastingen elders te verlagen. Dus het is denk ik ook wat dat betreft wat eenzijdig zoals u het voorstelt.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Over de btw-verhoging komen we misschien ook nog wel te spreken, maar ik wou even teruggrijpen naar een punt dat de heer Van Kesteren net maakte in zijn beantwoording. Hij had het over de afgenomen onderhandelingsmacht van vakbonden in onze polder. Ik heb de heer Van Kesteren het punt vaker horen maken, ook onlangs in de krant, dat hij dat betreurt. Nou, daar vinden de fracties van CDA en SP elkaar, dat wij zien dat die arbeidsmarkt eigenlijk uit het lood geslagen is, als het gaat om de verhoudingen tussen werkgevers en werknemers. Mijn vraag aan de heer Van Kesteren is: heeft hij of heeft de CDA-fractie ook een analyse van waar dat aan ligt en wat er eventueel aan te doen zou zijn, ook vanuit nationaal beleid?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Het zou heel ver voeren om die analyse hier in extenso te maken. Ik heb die analyse wel. In essentie komt het erop neer dat door afgenomen ledenaantallen van vakbonden, door de individualisering, door de flexibilisering, de onderhandelingsverhoudingen zijn verschoven. Ik denk dat wij op een punt zijn dat dat niet meer in balans is. Hoe je dat precies moet herstellen, is een vraag waar ik niet direct een antwoord op heb, omdat je mensen niet kunt dwingen om lid te zijn van een vakbond. Dat is heel lastig. Er zijn werkgeversorganisaties in dit land die zich inspannen om de vakbonden meer leden te laten hebben. U weet ook dat er heel veel geld door werkgevers wordt betaald om de vakbonden financieel te ondersteunen. Dus het is heel lastig om dat verhaal in zijn algemeenheid te kunnen afwenden. Ik kom zo meteen verderop in mijn verhaal ook nog te spreken over de positie van zzp'ers en het feit dat we daar ook in sociaal opzicht tekortschieten. Dus ik denk dat wij niet ver van elkaar afstaan in de analyse van het probleem. Maar ik heb niet een recept beschikbaar om de machtsverhoudingen op de arbeidsmarkt direct te beïnvloeden, want dat berust uiteindelijk op vrije keuzes van mensen. Ik verbaas mij erover dat ook bijvoorbeeld zzp'ers zich weinig organiseren.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik denk dat de uitvoering van het SP-verkiezingsprogramma ons al een heel eind op de goede weg zou helpen als het gaat om het herstellen van de machtsbalans tussen arbeid en kapitaal.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ja, dat ...

De heer Van Apeldoorn (SP):

Maar dit terzijde. Ik wou even aanhaken op wat de heer Van Kesteren net zei over flexibilisering. U noemt dat nu een paar keer, maar dat is toch geen natuurramp die ons overkomen is? Daar zijn wij toch ook zelf bij? De flexibilisering is toch ook het gevolg van bepaalde politieke keuzes die hier in Den Haag gemaakt zijn en nog te maken zijn? Dat heeft toch ook te maken met nationaal beleid? In die zin hebben wij daar toch ook een verantwoordelijkheid voor? Dus ziet de heer Van Kesteren ook daar een verband? Want het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft ook vastgesteld dat het aantal vaste banen sinds 2008 is gedaald. Zou het niet ook een verantwoordelijkheid zijn van de Haagse politiek om dat tij te keren? Die flexibilisering heeft niet zomaar plaatsgevonden.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Nee, maar die flexibilisering berust niet alleen op de hebzucht van het kapitaal maar ook voor een groot deel op vrije keuzes die mensen maken, als het gaat over het zijn van zzp'er. Ik erken met u dat er in het geheel van zzp'ers natuurlijk verschillen te maken zijn tussen krachtigere en zwakkere partijen, maar u moet niet onderschatten hoeveel mensen — ik kom daar verderop ook nog op terug — echt bewust kiezen voor het zijn van zzp'er. Dat laat onverlet dat ik het met u eens ben dat de overheid mogelijkheden heeft om op de arbeidsmarkt te interveniëren. Dat kan, en er is natuurlijk ook wetgeving in de maak of ligt al voor, op het gebied van de arbeidsmarkt. Daar zouden we op dat moment over moeten spreken om te bepalen of de maatregelen voldoende zijn om de flexibiliteit te reguleren.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Tot slot op dit punt. De heer Van Kesteren heeft het veel over zzp'ers en ik erken ook dat daar een deel van het probleem ligt. Maar het gaat ook over de scheve verhouding tussen vast en flexibel onder die werknemers die gewoon een contract hebben. Het aantal vaste contracten is, zoals ik al zei, de afgelopen jaren gestaag gedaald. Mijn vraag was of daar niet ook een taak ligt voor de politiek en of de heer Van Kesteren daar gedachten over heeft. Dat is ook een deel van die doorgeschoten flexibilisering.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Zeker. Ik ben het met u eens. Naarmate het hebben van vaste medewerkers meer verplichtingen met zich meebrengt voor ondernemers zal de keuze voor flexibiliteit groter zijn. Die balans moeten we vinden. Daar komt wetgeving over. Ik denk dat we dan in deze Kamer moeten zien of we vinden dat die balans werkelijk wordt bereikt of dat die nog steeds in onbalans blijft, wat die is.

Voorzitter. Het is van groot belang, zeker ook in deze tijd van populisme en wankele politieke meerderheden, dat er instituties zijn die op grond van gedegen analyses de feiten laten spreken. De Macro Economische Verkenning 2019 van het CPB is een interessant en waardevol document omdat een aantal nuchtere feiten worden geëtaleerd. Een paar voorbeelden die de waan van de dag temperen.

Wat betreft de woningbouw zegt het CPB: op korte termijn houdt de krapte op de woningmarkt aan, maar op de middellange termijn kan het aanbod de vraag naar woningen wel weer bijbenen. Dat is een wat verrassende constatering als je de media volgt en alles wat daarover wordt gezegd. Kan het kabinet hier een reactie op geven?

Een ander feit dat het CPB aandraagt, is dat er geen sprake is van verdringing van Nederlanders door buitenlanders op de arbeidsmarkt. Het CPB schrijft dat door migratie geleverde arbeid complementair is aan het binnenlandse arbeidsaanbod. Geen onbelangrijke informatie in deze tijden, waar xenofobie op de loer ligt. Het presenteren van de feiten is uitermate waardevol in een periode waarin facts free policy steeds gebruikelijker wordt. Dat is een gevaarlijke tendens vanwege de altijd aanwezige kloof tussen de politieke werkelijkheid en de werkelijkheid zoals die in de voetbalkantine wordt beleefd.

Voorzitter. Het omgaan met die kloof is de grootste opgave waar ons bestel voor staat. Maatregelen die we nemen, moeten niet alleen aan hun economische effectiviteit worden afgemeten maar ook aan hun potentie om de verschillen in de maatschappij te verkleinen.

Terug naar de begroting sec. Het kabinet beweegt zich op het pad van de structuurversterkingen. Het meest zichtbaar is dat tot nu toe op het gebied van de belastingherziening. Op andere gebieden, zoals de pensioenen en het klimaatbeleid, is er nog niet veel tastbaars te melden.

Eerst de belastingen, die uiteraard in extenso bij de behandeling van het Belastingplan aan de orde komen. Wij hebben, laat ik het mild zeggen, de geschiedenis van de dividendbelasting achter de rug. Afgemeten aan wat ik zojuist zei over het overbruggen van verschillen in de samenleving was het voorstel om de dividendbelasting af te schaffen ongelukkig. Economisch gezien was er het een en ander voor te zeggen, maar het voorstel kon geen stand houden vanwege de tegenstellingen die het opriep. De voorstellen die thans ter tafel liggen, zijn evenwichtiger en dragen bij aan een versterking van de economie, dit ook tegen de achtergrond van het reeds bestaande belastingklimaat van het mkb.

De heer Postema (PvdA):

De heer Van Kesteren spreekt over een meer evenwichtig voorstel, maar volgens mij is dat helemaal niet het geval, want het gaat nog steeds om dezelfde 3,3 miljard die wel is uitgetrokken voor het bedrijfsleven en niet voor de gezinnen en burgers in dit land.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ik bedoelde met evenwichtig ook evenwichtig ten opzichte van wat er lag ten aanzien van de economie. De voorstellen die gedaan zijn, de belastingverlaging, zijn gericht op versterking van de economie. Verlaging van de vennootschapsbelasting, zo heeft het verleden geleerd, is een van de meest probate middelen om het bedrijfsleven te versterken. Het gaat niet alleen om het internationale bedrijfsleven, want een misverstand is vaak dat de Vpb alleen betaald wordt door multinationals. Maar de Vpb is de belasting die alle iets grotere ondernemingen betalen. Dus als je de analyse maakt, zoals het kabinet doet en die analyse onderschrijf ik, dat het goed is om ook in een hoogconjunctuur door te gaan met het versterken van de structuur van ons ondernemingsklimaat, dan is het verstandig om de vennootschapsbelasting te verlagen.

De heer Postema (PvdA):

Versterking van de structuur voor het ondernemersklimaat kan op vele manieren. Als je kijkt naar de concurrentie-index, waar we altijd heel hoog op staan in Nederland, en je kijkt naar de indicatoren, dan hebben we het over indicatoren als onderwijs, dat u zelf ook al noemde, infrastructuur, veiligheid en goede woningen in het land, als belangrijke factoren voor vestigingsklimaat en voor het bedrijfsleven. Waar ik mij tegen verzet, is die term "evenwichtig" als u het hebt over een investering van 3,3 miljard structureel door dit kabinet. Dat is meer dan in welke sector dan ook in dit regeerakkoord, voor het bedrijfsleven. Dat lijkt me op geen enkele manier evenwichtig.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Dat is toch een kwestie van appreciatie. Evenwichtig vind ik de maatregelen tussen het grootbedrijf en het kleinbedrijf en het is volgens mij ook evenwichtig om in het totaal van de uitgaven die de overheid doet ook te blijven kiezen voor de lange termijn. Die lange termijn vraagt nou eenmaal dat je het bedrijfsleven sterk houdt. Want zonder bedrijfsleven hebben we ook veel andere zaken niet, en het moet doorgaan. Je kunt niet zeggen: het gaat nu even goed met het bedrijfsleven, dus laten we die belastingen maar niet verlagen. Want er is nooit een gunstig moment om belastingen te verlagen. Als het slecht gaat, is er geen geld voor en als het goed gaat, is het niet nodig.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Postema.

De heer Postema (PvdA):

U suggereert nu dat de enige manier om het bedrijfsleven in Nederland sterk te maken is door ze fiscale douceurtjes te geven. Ik verzet me daartegen. Ik vind dat eerlijk gezegd ook een weinig intelligente en structurele oplossing. Er werd terecht al gerefereerd aan een race to the bottom als het gaat om Europese belastingverlaging in de Vpb-sfeer. Zou die versterking er nou niet juist zo uit moeten zien dat er geïnvesteerd wordt in de mensen die het bedrijfsleven mogelijk maken, die elke dag aan het werk zijn voor dat bedrijfsleven? Is dat nou niet een veel betere investering dan douceurtjes van 3,3 miljard?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ik verzet mij tegen de term "douceurtjes". "Douceurtjes" veronderstelt dat je iets geeft aan mensen die iets niet nodig hebben. Dat lijkt mij geen goede term. Ik ben het eens met de vaststelling dat het vestigingsklimaat, het ondernemingsklimaat, méér omhelst dan alleen belastingen. Er moet goede infrastructuur zijn, goed onderwijs, goede gezondheidszorg. Dat is allemaal waar, maar je kunt niet zeggen: als we dat hebben en we doen niks aan de belastingen, dan hebben we het voor elkaar. Er moet een pakket aan maatregelen komen en ik vind dat dit kabinet een evenwichtig pakket heeft neergelegd.

De voorzitter:

Meneer Binnema.

De heer Binnema (GroenLinks):

De GroenLinks-fractie deelt de waardering die u hebt voor de feiten die door instituten als het Sociaal en Cultureel Planbureau of het Centraal Planbureau worden geleverd. U verwees daar ook naar om te relativeren dat het eigenlijk best goed gaat met hoe de woningmarkt zich ontwikkelt — juist het CPB geeft dat aan — en hoe het in de zorg gaat en op allerlei andere fronten. Het verbaast mij dan ook, en dat is tegelijk de vraag die ik aan u heb, via de voorzitter: hoe komt het dan dat u toch ineens minder waarde hecht aan de feiten die het CPB levert, als het CPB in de verkenning constateert ons vestigingsklimaat, ons ondernemingsklimaat er eigenlijk prima voorstaat en dat er geen aanleiding in de verkenningen te vinden is om aan te nemen dat de belastingen nu de belangrijkste factor voor dat klimaat zouden zijn?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ik waardeer het CPB, maar ik hoef het ook niet met alles van het CPB eens te zijn. Ik kom zo meteen op het onderwerp pensioenen. Daar heb ik ook een wat andere opvatting over. Maar ik baseer mijn benadering op de ervaring die ik heb opgedaan in het bedrijfsleven dat het er toch uiteindelijk om gaat dat belastingen ... Het gaat niet alleen om multinationals. Het gaat ook om de familiebedrijven die toch de harde kern vormen van onze economie. Het is evident dat zij, als de belastingdruk voor die bedrijven zo laag mogelijk kan zijn, meer geld hebben om te investeren in dit land. Dat is wat mij motiveert en wat mij ook het standpunt doet innemen dat ik inneem, namelijk dat je niet moet denken dat je er bent met één bepaald belastingtarief. Je moet steeds proberen om ondernemingen de ruimte te laten om te investeren, want dat is toch voor de toekomst essentieel.

De heer Binnema (GroenLinks):

Een vervolg daarop. Wat mij altijd verbaast aan deze discussie, ook zoals die over de dividendbelasting gevoerd is, is dat er op een gegeven moment iets als "mijn ervaring" of "het gevoel dat ik erbij heb" of "the gut feeling" of dergelijke naar voren komen, terwijl we op heel veel andere fronten volgens mij over buitengewoon goede cijfers en indicatoren beschikken. De heer Postema verwees ook al naar alle indicatoren die aangeven dat Nederland buitengewoon goed scoort qua vestigingsklimaat en dat dan eigenlijk de verdediging van "we moeten de belastingen verlagen", neerkomt op "vertrouwt u maar op mijn ervaring of het gevoel dat ik heb dat het verstandig zou zijn voor de bedrijven om dit te gaan doen". Op basis waarvan maakt u de keuze op welke feiten van het CPB u vertrouwt, welke u gewoon als zodanig aanneemt en van welke u zegt: daar ga ik een aantal kanttekeningen bij plaatsen, want dat zit misschien toch iets anders in elkaar? Hoe maakt u ook als CDA-fractie de weging welk deel van het Centraal Planbureau u goed uitkomt en welk deel u minder goed uitkomt?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Nou, dat laatste suggereert dat wij opportunistisch zouden winkelen in de rapporten van het CPB. Dat is niet zo. Kijk, u kunt mij niet het recht ontzeggen dat ik, gegeven het feit dat ik 30 jaar in het bedrijfsleven heb gewerkt, weet wat de afwegingen zijn rond belastingen en andere vestigingsfactoren. De kern van mijn stelling is dat een zo gunstig mogelijk belastingtarief voor ondernemingen uiteindelijk leidt tot economische voorspoed en daarmee tot werkgelegenheid en daarmee ook tot middelen om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden. Dat is de trits van zaken die ik volg. Eerdere belastingverlagingen op dit gebied hebben ook aangetoond dat een gunstig Vpb-tarief positieve effecten heeft op de groei van de economie en daarmee van de werkgelegenheid.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Hierop aansluitend. Ik was blij te constateren dat de CDA- en de SP-fractie elkaar opnieuw vinden, namelijk in het oordeel over het voorstel om de dividendbelasting af te schaffen. Dat vond de heer Van Kesteren ondoordacht en onverstandig. Daar zijn wij het natuurlijk van harte mee eens. Ik vraag me wel af of dit alternatieve plan van de verdere verlaging van het Vpb-tarief nu wel zo weloverwogen is geweest, want dat plan kwam er al binnen een week. Dat geeft toch een beetje de suggestie van een cadeaubon. Aansluitend op wat mijn collega Binnema net zei, moeten we nu kennelijk vertrouwen op het oordeel en het gevoel van mensen uit het bedrijfsleven, waaronder de heer Van Kesteren, die 30 jaar in het bedrijfsleven heeft gezeten, terwijl alle analyses laten zien dat het vestigingsklimaat in Nederland uitstekend is. Maar ook als we nu meegaan in wat de heer Van Kesteren net betoogt, namelijk dat het, zoals hij net zei, nu eenmaal heel belangrijk is voor het bedrijfsleven dat er een gunstig belastingklimaat is, dan is voor mij toch nog de vraag: waar houdt het dan op? Als je het hebt over "evenwichtig", hoe weegt u dat af tegen de risico's die ik in mijn eigen bijdrage benoemd heb, van een race naar de bodem?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ja. Nou, die risico's zijn er. Ik denk dat het goed is om in de komende jaren te bezien — werkend ook met het begrip "brede welvaart", ik kom daar nog op terug — hoe we in dit land de verhoudingen tussen de diverse belangen kunnen vormgeven. Dus ik ontken niet dat het onverstandig is om maar eindeloos belastingen te verlagen. Daar zijn wij het over eens. Alleen vind ik het ook wel verstandig om een kleine voorsprong te houden op de landen om je heen. Dat is niet onverstandig. We moeten een evenwicht vinden tussen een nihilistische politiek aan de ene kant, van belastingverlagingen tot een heel laag niveau, wat je in sommige landen ziet, en een intelligente poging om het net iets beter te doen dan de omringende landen. Dat is wat mij verstandig lijkt.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ja, maar de heer Van Kesteren weet toch ook dat er in andere landen, zoals in Frankrijk of Duitsland of België, ook mensen zijn zoals de heer Van Kesteren, met 30 jaar ervaring in het bedrijfsleven ...

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ja, die zijn er wel.

De heer Van Apeldoorn (SP):

... die hetzelfde zeggen, die ook zeggen: het lijkt ons toch verstandig om die kleine voorsprong te houden? En wat nu als Duitsland of Frankrijk in reactie op ons, hún tarieven verlagen? Wat is dan het verhaal van de heer Van Kesteren? Dan moeten wij nog weer een klein stapje daaronder gaan zitten.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Niet altijd.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dat is toch de race naar de bodem? Dat kan hij toch niet anders uitleggen? De logica is hier toch glashelder?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ja, die logica is glashelder. Het gaat altijd om de maatvoering. Ik geef u toe dat ik net zomin als u een voorstander ben van eindeloze belastingverlagingen in internationaal verband. Dat moeten we niet doen. Het zal ook niet gebeuren, omdat ik eerder het tegenovergestelde zie gebeuren vanuit Europa. Daar zou u dan blij mee moeten zijn als corrigerende factor. Dus dat zie ik eerder gebeuren, maar ik blijf toch volhouden dat een zeker goed koopmanschap ook in dezen het land goede diensten heeft bewezen. Onze economie is toch sterker dan de economie van bijvoorbeeld Frankrijk of België.

De voorzitter:

Tot slot meneer van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik begrijp dus van de heer Van Kesteren dat wij er dan maar op moeten hopen dat de koopmannen van de ons omringende landen, de Van Kesterens van Duitsland en Frankrijk, minder invloedrijk zijn dan u hier bent, en niet elke keer dat stapje zullen maken, want dan kunnen wij die voorsprong behouden. Dat is uiteindelijk de analyse of het beleid waar de heer Van Kesteren voor staat. Nou, dat lijkt mij buitengewoon onverstandig.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Oké. Dank voor het compliment. Voorzitter, ik vervolg.

De voorzitter:

Meneer Schalk wil nog wat vragen.

De heer Schalk (SGP):

Ik wil even terug naar een iets eerder stukje van het betoog van de heer Van Kesteren dat hier wel mee te maken heeft. Hij gaf op een mooie manier aan dat het goed is dat de afschaffing van de dividendbelasting niet doorging en dat het plan dat er nu ligt, in ieder geval veel beter is. Hij gaf daarbij aan dat het daardoor beter in balans kwam. Ik neem aan hij daarmee bedoelde dat het beter in balans gekomen is ten aanzien van de bevolking van Nederland. Op welke manier moet ik dat nu zien?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Nou, ik denk dat deze belastingverlaging met name voor evenwicht zorgt tussen de diverse typen bedrijven. Het gaat hier namelijk om een bedrijvenbelasting. Dat is de dividendbelasting ook. De afschaffing daarvan gaat niet door, dus het geld komt terecht bij een bredere groep ondernemingen. Dat is wat ik met evenwichtig bedoel.

De heer Schalk (SGP):

Het is dus met name meer in evenwicht voor het bedrijfsleven. Kunnen we ook nog de slag maken naar wat dat betekent voor de burger in Nederland? Ik neem aan dat we zoeken naar het goede voor alle Nederlanders en niet alleen voor het bedrijfsleven.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Zeker, maar goed, we hebben verschillende typen belastingverlagingen. We hebben ook de verlaging van de inkomstenbelasting. Ik zei eerder al dat door te zorgen voor een evenwichtige belasting in het bedrijfsleven, de voorwaarden worden geschapen voor een goede economische ontwikkeling en daarmee voor een goede werkgelegenheid. Dat is toch de basis van het werken voor het algemeen belang als het gaat om de economie?

De voorzitter:

Gaat u verder, meneer Van Kesteren.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ook de invoering van een tweeschijvensysteem in de inkomstenbelasting en de daarmee gepaard gaande verlaging van de tarieven versterkt de economie. Een kanttekening past hier wel bij de maatregelen ten aanzien van de dga's. Deze maatregelen pakken negatief uit voor de betrokken groep, maar bestaande gevallen worden niet ontzien. Het schijnt dat dit zo is omdat de Belastingdienst dit niet aankan qua uitvoering. Graag een reactie hierop van de staatssecretaris. Hoe staat het in dit verband in algemene zin met de uitvoeringsvaardigheid van de Belastingdienst? Zijn de zaken weer meer op orde?

Bij een eerdere gelegenheid heb ik al eens gewezen op het vaak onderschatte belang van een goede uitvoering van regelgeving. Hier schort het vaak aan. Denk aan de recent aan het licht gekomen falende controle door het UWV op uitkeringen aan Poolse werknemers. Wat denkt u dat dit doet met de kloof tussen Den Haag en de voetbalkantine?

Ik kom op het punt van de andere structuurversterkende maatregelen, allereerst voor de arbeidsmarkt. Er ligt een wetsvoorstel dat wij later zullen bespreken. Ik beperk mij daarom vandaag tot de positie van de zelfstandigen zonder personeel. Deze hebben namelijk via de fiscale maatregelen een relatie met het onderwerp van vandaag.

Voorzitter. De CDA-fractie hecht sterk aan sociale evenwichtigheid op de arbeidsmarkt. Het is niet juist als mensen die door hun werk arbeidsongeschikt worden, in de bijstand belanden. Het is dringend noodzakelijk dat aan deze situatie een eind komt, maar hoe dit te doen zonder het risico te lopen ons socialezekerheidsstelsel te zwaar te belasten? Vooruitlopend op eventuele verdergaande maatregelen, zou het wellicht de aanbeveling verdienen om voor de zzp'ers en de kleine ondernemers op korte termijn in ieder geval de essentie op het gebied van de sociale zekerheid te regelen. Dat is niet het pensioen, want we hebben een AOW. Dat is ook niet het kortdurende ziekteverzuim, want dat behoort tot het ondernemersrisico. Wel is het essentieel dat zij verzekerd zijn voor blijvende arbeidsongeschiktheid. We hebben hiervoor in ons land de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten. Dit is een uitkering die men kan krijgen als men niet meer kan werken en er geen of een kleine kans op herstel is. Deze voorziening is zeer afgebakend en kent nauwelijks kans op misbruik. Zou het niet voor de hand liggen om zzp'ers en kleine ondernemers verplicht op te nemen in dit systeem? Dan doen we niet alles, maar wel het sociaal gezien essentiële. Graag het oordeel van het kabinet hierover.

Overigens, kan ook bezien worden of nadere regels noodzakelijk zijn? Dat is niet eenvoudig, zoals we bij de Wet DBA hebben gezien. De arbeidsmarkt is zeer dynamisch en het heeft voordelen om zzp'er te zijn. Zo las ik dat er sinds 2014 70.000 zzp'ers in de zorg bij zijn gekomen. In de Volkskrant van 25 oktober jongstleden stond dat er in de eerste negen maanden van dit jaar ook in de zorg alleen al 10.000 mensen voor het zzp-schap kozen. De reden was dat mensen de werkdruk en de bureaucratie beu waren. Er is dus veel aan de hand, meer dan alleen dat werkgevers graag flexibiliteit willen. Dat is ook zo, maar de behoefte aan vrijheid aan de kant van de zzp'ers is een minstens zo grote factor. Laten we derhalve voorzichtig zijn met het beperken van de vrijheid. En laten we het, als we het toch doen, tot het sociaal wenselijke beperken.

Ik kom tot een ander onderwerp, de pensioenen. Als er één onderwerp is dat een bijdrage kan leveren aan het verkleinen of juist vergroten van de kloof tussen wat financieel-economisch het meest gewenst is en wat maatschappelijk verstandig is, zijn het de pensioenen wel. Miljoenen mensen zijn ervan afhankelijk, nu of in de toekomst. Al deze mensen worden al jaren geconfronteerd met het gegeven dat hun pensioen niet meegroeit met de prijsstijgingen en zelfs met de dreiging van een reële korting op hun pensioen. Dat gebeurt niet omdat pensioenfondsen onvoldoende geld in kas zouden hebben; het tegendeel is het geval. De pensioenfondsen zijn rijk en zouden zelf ook graag indexeren, maar dat mag niet, omdat wij onszelf op de pijnbank leggen door onze zogenaamde rekenrentesystematiek. De pensioenfondsen zijn namelijk verplicht hun toekomstige verplichtingen te waarderen tegen de geldende marktrente. Die is al jarenlang erg laag, dus is de zogenoemde dekkingsgraad laag, dus kan er niet geïndexeerd worden en dus moeten de pensioenen soms echt naar beneden. Als er iets is wat niet uit te leggen is, is het dit. In Europees verband wordt een rente gehanteerd die indexaties wel mogelijk zou maken. Maar wij blijven volharden in deze hardvochtige aanpak.

Voorzitter. Het is echt te hopen dat het op korte termijn komt tot een akkoord over de pensioenen en de AOW. Dan zou deze problematiek namelijk kunnen worden opgelost.

De heer Postema (PvdA):

Ik ben zeer verheugd over dit wat mij betreft nieuwe geluid van het CDA om de wijze waarop wij in Nederland met de rekenrente omgaan, echt te veranderen. De heer Van Strien had het er vanochtend al over en de partij van de heer Nagel heeft het er al zeer lang over. Ook mijn eigen partij heeft hier bij bijna elke financiële beschouwing ingebracht dat we naar een reële rekenrente moeten gaan. Mijn vraag aan de heer Van Kesteren is of dit volgens de Eerste Kamerfractie van het CDA ook echt een vereiste is voor het pensioenakkoord waaraan wordt gewerkt.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Allereerst zal ik even uw geheugen opfrissen. Ik heb deze tekst twee jaar geleden gebruikt, dus het is geen volstrekt nieuwe benadering. Dat zo zijnde wacht ik het overleg af. U weet net zo goed als ik waar het in dat overleg om draait: hierom, maar ook om de AOW-leeftijd. Als dat akkoord er komt, weet ik ook dat er elementen in zullen zitten die raken aan de omgang met de rekenrente. Er zijn vele manieren om indexaties mogelijk te maken. Dit kan ook als een pensioenfonds bijvoorbeeld minder buffers hoeft aan te houden. Dat kan leiden tot meer indexatie. Ik vind een pensioensysteem dat tien of vijftien jaar lang niet in staat is om pensioenen te indexeren, geen goed systeem. Daardoor groeit de onrust onder gepensioneerden in dit land namelijk. En dat is terechte onrust waar een einde aan moet komen. Dat kan door de rekenrente te veranderen, maar het kan ook door pensioenfondsen minder buffers te laten aanhouden, zoals ik al zei. Dan kunnen ze eerder indexeren. Mij gaat het om de indexatie.

De heer Postema (PvdA):

Dat is goed verstaan. U noemde zelf de rekenrente. Daarom wil ik toch expliciet vragen of u bereid zou zijn om met ons, met diverse fracties in dit huis, onze minister van Financiën aan te moedigen om de "njet" om met de rekenrente aan de slag te gaan, die er tot dusver is geweest vanuit Financiën en vanuit De Nederlandsche Bank, weg te halen.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ik wil mij niet volledig focussen op de rekenrente. Ik zeg u dat er andere methodes zijn om indexatie mogelijk te maken. Ik noemde het voorbeeld van de rekenrente, omdat ik het zo merkwaardig vind dat wij onszelf maatregelen opleggen die tot deze uitkomsten leiden. Ik vind indexatie behoren bij een goed pensioensysteem. De manier waarop die bereikt wordt, vind ik ondergeschikt.

De voorzitter:

Meneer Van Apeldoorn, u heeft iets anders voor uw interruptie of gaat die over hetzelfde punt? Dat is net afgehandeld, dus niet dezelfde vraag stellen graag.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik zal het proberen. Ik wil toch even constateren dat wij als SP-fractie verheugd zijn over wat de heer Van Kesteren zegt. Hij vond dat eerder en ik ben blij dat hij dat nog steeds vindt. Ik stel de vraag die toch nog voorligt, op een andere manier, want ik heb er nog niet echt duidelijk antwoord op gekregen. Wat kunnen we daar nu vanuit dit huis aan doen? Wat is de heer Van Kesteren bereid te doen met zijn terechte analyse dat die reële rekenrente eindelijk ingevoerd moet worden, aangezien er nu echt een probleem is met de indexatie van pensioenen dat veel te maken heeft met de rekenrente? Volgens mij zou een verzoek aan de regering om dit punt nu echt serieus te gaan nemen op brede steun kunnen rekenen in deze Kamer. Zou de heer Van Kesteren zich wat dat betreft daarbij kunnen aansluiten?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ik denk dat het moment waarop wij thans staan, bepalend is voor de mogelijkheden die wij hebben. Het overleg over de pensioenen gaat vanavond verder, als ik het goed gelezen heb. Ik verwacht daar wel een uitkomst van, hetzij positief, hetzij negatief, maar die uitkomst komt er. Ik denk niet dat wij in deze Kamer nu veel middelen hebben om dat overleg te beïnvloeden. Ook zou ik mij niet willen beperken tot alleen de discussie over de rekenrente.

De heer Van Apeldoorn (SP):

We zouden het natuurlijk breder kunnen trekken en kunnen zeggen dat er al jaren een probleem is met indexatie, waaraan we de vraag toevoegen hoe dat op te lossen. Een van de elementen is dan de rekenrente. We moeten de behandeling afwachten, maar we zouden als Kamer toch een uitspraak kunnen doen over wat wij wenselijk zouden vinden? Dit leg ik de heer Van Kesteren nog een keer voor.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Dat zouden we kunnen doen, maar ja, wenselijkheid is ook een kwestie van mogelijkheden die realiter bestaan.

De heer Nagel (50PLUS):

De heer Van Kesteren zegt dat hij twee jaar geleden al een pleidooi heeft gehouden voor die indexatie. Mijn vraag is tweeërlei. Eén: is twee jaar niet meer dan genoeg? En in de tweede plaats: als het CDA nu echt vindt dat er iets aan moet gebeuren, linksom of rechtsom, via buffers of rekenrente, mag ik die fractie dan vragen om met een concreet voorstel te komen waaruit blijkt dat zij indexatie willen, opdat we dat met een Kamermeerderheid kunnen aannemen? Dan heeft u de kans dat het niet nog eens een keer twee jaar duurt.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Ik zie daar nu geen reden voor.

De heer Nagel (50PLUS):

Vindt u twee jaar niet voldoende dan?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Nou, het gaat erom dat ...

De voorzitter:

Meneer Van Kesteren heeft het woord.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Het gaat erom dat er vandaag en morgen overleg gevoerd wordt over een pensioenstelsel. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt primair bij de werkgevers en de werknemers. Ik geef aan wat de opvatting is van onze fractie als het gaat over de wenselijkheid van indexaties. Ik zeg u maar dat ik het onverstandig zou vinden om daar nu, op dit moment, in te gaan interveniëren. Dat vind ik, omdat het overleg nu op zo'n cruciaal moment is. Daarom wil ik dat niet doen.

De heer Nagel (50PLUS):

De heer Van Kesteren vindt al vele jaren dat er geïndexeerd moet worden. De kans dat daar vandaag of morgen toe besloten wordt, is eigenlijk heel klein. Wat let hem om nu in een duidelijke Kameruitspraak zijn hartstochtelijke verlangen dat er weer geïndexeerd gaat worden, vast te leggen? Volgende week is de stemming. Dan kan hij de motie altijd nog intrekken.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Mij let de verantwoordelijkheidsverdeling. Vanavond en morgen wordt erover gesproken. Ik geloof niet dat het een bijdrage is als wij daar nu in interveniëren.

De voorzitter:

Meneer Van Strien heeft een andere vraag?

De heer Van Strien (PVV):

Ja, maar die gaat wel over hetzelfde onderwerp.

De voorzitter:

Hetzelfde onderwerp. Probeert u uw vraag een beetje te beperken met het oog op de tijd.

De heer Van Strien (PVV):

Ja. Het is een heel korte vraag, voorzitter.

De heer Van Kesteren zegt dat er ook andere mogelijkheden dan die rekenrente zijn om indexatie mogelijk te maken. Nu zijn alle andere door hem genoemde zaken een direct gevolg van de rekenrente. Als hij zegt: ik ga de pensioenverplichtingen verminderen, wekt hij de indruk dat de pensioenfondsen meer risico's gaan nemen, om het zo maar te zeggen. Dat is nou juist totaal niet aan de orde. Het verlagen van de rekenrente betekent helemaal niet dat de pensioenfondsen meer risico's nemen. De rekenrente veroorzaakt gewoon dat de verplichtingen buitensporig hoog worden, enkel en alleen de rekenrente en niks anders. Is de heer Van Kesteren dat met mij eens?

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Technisch gezien ben ik dat met u eens, maar politiek gezien moet je ook constateren dat er vele andere wensen leven rond een pensioenstelsel die maken dat die rekenrente een punt van grote discussie is. Dus moet je zoeken naar andere methodes om de indexatie te redden als de rekenrente sec niet kan worden veranderd.

De voorzitter:

Gaat u verder, meneer Van Kesteren.

De heer Niek Jan van Kesteren (CDA):

Een ander onderwerp. Onze economie, en daarmee ook de overheidsfinanciën, is in hoge mate afhankelijk van ontwikkelingen op het internationale toneel. Die ontwikkelingen geven reden tot zorg. Er is sprake van toenemende spanning en van een confrontatiepolitiek die wij in decennia niet hebben gekend. Dat maakt het risico op economische schokken groter, en dat is geen goed nieuws voor ons, want onze economie is nu eenmaal sterk op de export geënt. De overheidsfinanciën kunnen wel een stootje hebben, maar het zo veel mogelijk beperken van de staatsschuld is in dit verband wel verstandig als voorzorgsmaatregel.

Wat ook verstandig is, voorzitter, is het behouden van rust rond de euro. Ook hier is weer een balanceeract nodig tussen de economische wenselijkheid en de maatschappelijke haalbaarheid. Er is weinig begrip bij grote delen van de bevolking om bij te springen als de zuidelijke lidstaten hun economie en overheidsfinanciën niet op orde hebben en niet aan hun Europese verplichtingen voldoen. Dat hebben we gezien bij de Griekse crisis van enkele jaren geleden en dat zien we nu bij de ontwikkelingen in Italië. Het behoud van de euro en van een zo sterk mogelijk Europa is in het belang van Nederland. Een versnipperd Europa wordt economisch verzwakt en zal een speelbal worden van economische grootmachten in de wereld. Wij hebben behoefte aan een sterk Europa, dat ook qua buitenlands beleid en defensie een vuist kan maken. Daarvoor is een sterke economie nodig, want zonder geld begin je niets. Het in de waagschaal stellen van de euro is dus volstrekt contraproductief. Dat moeten alle lidstaten zich bedenken, de Italianen ook. Hun regering tart de Europese Commissie als het gaat om regels rond het jaarlijkse tekort en de staatsschuld. Nederland behoort tot de landen die de Italiaanse regering luidruchtig tegemoet treden en haar tot de orde roepen.

Wij zijn ook de aanvoerder van de zogenaamde Hanze-groep; prima. De minister verdient lof voor zijn voortvarende aanpak om bondgenoten te zoeken. Een groep van lidstaten die streeft naar een degelijk financieel beleid in Europa. Het meest recente voorstel van deze groep is om het verlenen van noodhulp door Europa aan lidstaten die in financiële problemen komen te verbinden met de eis dat deze landen hun staatsschuld onder controle hebben. Zo niet, dan moeten de particuliere bezitters van staatsleningen van het land hun verlies nemen om zo de staatsschuld te verkleinen. Wie dit voornemen legt langs de maatstaf van economisch juist en maatschappelijk haalbaar, kan tot de conclusie komen dat hiertussen op z'n zachtst gezegd enige spanning bestaat. Natuurlijk is het goed om de Italiaanse regering bij de les te houden, maar wie zich realiseert dat de Italiaanse staatsschuld voor een groot deel in handen is van Italiaanse burgers, speelt hoog spel. Door zo'n harde opstelling te kiezen kan men hopen dat de Italiaanse regering inbindt, maar het kan ook contrair werken. Er staat veel op het spel. Graag een reactie hierop van het kabinet.

Resumerend, voorzitter. De begroting voor 2019 is een mooie begroting. Het kan ook weleens een begroting zijn aan het einde van een tijdperk. Immers, internationale ontwikkelingen zullen onmiskenbaar nopen tot herijking van onze defensieverplichtingen. De energietransitie zal ingrijpende financiële consequenties hebben. In dit verband is het noodzakelijk na te denken over de gevolgen hiervan voor de rijksbegroting. Wat moet er veranderen om deze ontwikkelingen te financieren, met behoud van de welvaart die we hebben? In zijn advies introduceert de Raad van State het begrip "brede welvaart". Dit begrip moet waarborgen dat Nederland ondanks alle veranderingen ook voor toekomstige generaties een prima plek blijft om te wonen, te werken en te ondernemen. De raad adviseert het kabinet de Miljoenennota te benutten om jaarlijks een beschouwing te geven over de vraag hoe de regering de doelstelling van brede welvaart steeds een stap dichterbij kan brengen. Een dergelijke beschouwing moet samenhang, consistentie en voorspelbaarheid van het overheidsbeleid en het consequent uitvoeren daarvan bevorderen.

Voorzitter. De CDA-fractie vindt dit een interessante suggestie en is benieuwd naar de reactie van het kabinet hierop. Wij wachten in algemene zin met belangstelling de reacties van het kabinet af.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Kesteren. Ik kijk naar de klok. Ik schors de vergadering tot half twee voor lunchpauze.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.33 uur tot 13.35 uur geschorst.