Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 29, item 4

4 Toekomst van het Koninkrijk

Aan de orde is het debat over de toekomst van het Koninkrijk in brede zin.

De voorzitter:

Ik heet de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik verwelkom ook de gevolmachtigd minister, die wel gesignaleerd, maar nog niet aanwezig is.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Voorzitter. Sinds het historische moment van 10-10-10 is meer dan tweeënhalf jaar verstreken. In die tweeënhalf jaar is in alle landen veel gebeurd. Wij hebben allemaal de eerste ervaringen kunnen opdoen met het nieuwe koninkrijksverband. Nu, halverwege de termijn voor de evaluatie van de grondstructuren, is het goed om in een beleidsdebat met de eerstverantwoordelijke minister van gedachten te kunnen wisselen over de opgedane ervaringen, en de situatie nu, vooral met een blik op de toekomst.

De CDA-fractie heeft steeds volledig achter de staatkundige hervorming gestaan. Wij hebben daarbij ook altijd duidelijk gemaakt dat de staatkundige hervorming voor ons geen doel op zich is. Wij hebben de transitie alleen gezien als een middel om een verder reikend doel te dienen: dat van een sterk Koninkrijk dat ook in deze moderne tijd in staat is op een goede manier het welzijn van zijn burgers te dienen, in welk deel van het Koninkrijk deze zich ook bevinden. De constructieve houding van Aruba bij deze transitie, vooral bij de totstandkoming van de nieuwe rijkswetgeving, hebben wij zeer gewaardeerd.

Voor de CDA-fractie stond vanaf het begin vast dat met het tot stand komen van de Rijkswet wijziging Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en de andere noodzakelijke regelingen de staatkundige hervorming niet is afgerond. Sterker nog: wij hebben die afronding gezien als een startpunt, een startpunt van een proces dat echt vorm moet krijgen in de onderlinge verhouding tussen de eilanden en Nederland en in de bestuurlijke, politieke en maatschappelijke praktijk van alledag in alle afzonderlijke Koninkrijksdelen. Voor het slagen is veel meer nodig dan alleen goed doortimmerde wetgeving, al is die natuurlijk onontbeerlijk. De weg naar de toekomst, zo zeiden wij toen, zal ingeslagen moeten worden met een combinatie van vertrouwen over en weer en het blijvende besef van de kleinschaligheid van het Caribische deel van het Koninkrijk. Dit neemt niet weg dat er bij ons ook zorgen bestaan over de ontwikkelingen binnen het Koninkrijk, zoals de moord op de Curaçaose politicus Wiels, aanhoudende berichten over verstrengeling van onderwereld en bovenwereld en daarmee een ondermijning van de samenleving en de rechtsstaat. Op de BES-eilanden groeit het ongenoegen over de relatie met Nederland. Dit zijn allemaal zaken die tot nadenken moeten stemmen en moeten leiden tot het verenigen van krachten om deze ontwikkelingen ten goede te keren.

Bij een beleidsdebat als dit moeten keuzes gemaakt worden. In mijn bijdrage beperk ik mij tot een aantal hoofdlijnen. Ik ga eerst in op de samenwerking tussen de landen, waarbij ik mij vooral richt op de inhoudelijke mogelijkheden en niet zozeer op de juridische en formele structuren. Daarna richt ik mijn blik op de BES-eilanden en de verhouding van de BES-eilanden tot Nederland. Ik begin dus met het Koninkrijk als zodanig en de samenwerking tussen de landen.

Wij hebben in het verleden veel gesproken over een visie op het Koninkrijk. Het is nu tijd om een visie te realiseren door daadwerkelijk belangrijke onderwerpen voor de toekomst te agenderen en verder te brengen.

Voorafgaande aan de staatkundige hervorming heeft de toenmalige politieke stuurgroep voor staatkundige veranderingen besloten dat minstens één keer per jaar een Koninkrijksconferentie wordt georganiseerd. Als basisuitgangspunten voor deze jaarlijkse conferenties gelden "de wil (...) samen te werken ter behartiging van wederzijdse belangen" en "gelijkwaardigheid, vertrouwen en respect voor elkaar en voor de eigen verantwoordelijkheid van de landen", zo lezen wij in de overwegingen bij de conclusies van de Koninkrijksconferentie van 14 december 2011 in Den Haag. De conclusies van die eerste conferentie zijn nogal formeel van aard. Aan de orde komen het reglement van orde voor de conferentie, enkele grondtrekken van het buitenlands beleid van het Koninkrijk en initiatieven om het interlandelijke verkeer te regelen en om tot een geschillenregeling en een procedure voor beëindiging van de staatkundige rechtsorde te komen. Uiteraard zijn dit belangrijke en vooral randvoorwaardelijke onderwerpen. Ze horen bij de eerste start van een overleg als dit. Kijkend naar de toekomst zou het naar de overtuiging van de CDA-fractie echter goed zijn om tot verder inhoudelijk overleg te komen en om de samenwerking ter behartiging van wederzijdse belangen daadwerkelijk een stap verder te brengen.

Het is jammer dat de voorziene Koninkrijksconferentie van 2012 geen doorgang heeft kunnen vinden. Wij gaan er vanuit dat de reden daarvoor de demissionaire status van het toenmalige kabinet was. Is dit het geval? Dat maakt het des temeer noodzakelijk om de conferentie van dit najaar te benutten, indien die plaatsvindt. De lijst van potentiële gespreksthema's is groot. Ik noem een drietal zaken die naar de overtuiging van mijn fractie belangrijk zijn.

Allereerst de aanpak van werkloosheid, ook onder de jeugd, en vooral de mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Voor Nederland is dit al een probleem, voor de eilanden zeker. Het is jammer wanneer zowel voor functies waarvoor een hoge scholing vereist is als voor functies waarvoor lage scholing voldoende is, arbeidskrachten van buiten worden gehaald terwijl dat niet nodig is. Ook is het jammer wanneer bij een gelijk niveau van scholing vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten.

Ten tweede het onderwijs. Het is nodeloos te zeggen dat "drop-out" van scholen zowel voor de betrokkenen als voor de samenleving als geheel een groot nadeel is. Wij hebben van diverse zijden vernomen dat de bezuinigingen in het lager onderwijs, zeker op Curaçao, voor de leerlingen en de opvang van leerlingen slecht uitpakken. Dat is niet alleen zorgelijk voor de leerlingen en hun families, maar ook voor de toekomst van het eiland zelf. Onlangs is in een UNICEF-rapport ook zorgelijke berichtgeving naar voren gekomen over de situatie van kinderen op de Caribische eilanden. Volgens het rapport is er sprake van veel armoede, onveiligheid en ongezonde voeding. Dat kan ons niet onverschillig laten.

Het derde punt is de organisatie van de gezondheidszorg op de eilanden. Ik noem hier kortheidshalve de trefwoorden: uitzendingen naar Zuid-Amerika en de toekomst van de ziekenhuizen op Curaçao en Sint-Maarten. Als nationale overheid voor de BES-eilanden heeft Nederland voor de organisatie van de gezondheidszorg een bijzondere verantwoordelijkheid.

Aan deze drie zaken voeg ik nog toe de interlandelijke afstemming en het overleg op economisch vlak, zodat de landen of eilanden elkaar versterken in plaats van beconcurreren. Ik denk daarbij aan de plannen voor de hubfuncties van de eilanden tussen Europa aan de ene kant en Latijns-Amerika en de Verenigde Staten aan de andere kant.

Ik ben mij ervan bewust dat dit allemaal majeure thema's zijn die zich niet een-twee-drie laten behandelen of oplossen in één vergadering. Het is naar ons oordeel wel van belang deze zaken te benoemen, op het hoogste gezamenlijke niveau als relevant te onderkennen en te zien hoe wegen kunnen worden gevonden om bij de aanpak ervan elkaar te ondersteunen. Let wel: het gaat ons uitdrukkelijk niet om het verlenen van bijzondere financiële steun vanuit Nederland. Het gaat ook niet om inmenging in elkaars interne aangelegenheden. Waar het wel om gaat, is om binnen de staatkundige kaders, namelijk gelijkwaardigheid en de middelen om samen te werken, verder te komen. Geen financiële steun dus, maar wel het identificeren van best practices, het uitwisselen van deskundigheid, het met elkaar in contact brengen van maatschappelijke organisaties of zusterorganisaties, dus activering van de civil society, en het maken van onderlinge afspraken. De regeringen van de landen kunnen hierin een belangrijke initiërende en stimulerende functie vervullen.

Onderkent de minister het belang van deze zaken? Is de minister bereid deze zaken te agenderen of te bevorderen dat deze thema's geagendeerd worden, waarbij ook concrete doelstellingen worden opgenomen? Ziet de minister daarnaast andere thema's die in zijn ogen evenveel of meer prioriteit moeten krijgen?

Zoals gezegd is het in dit debat niet mijn bedoeling om de staatkundige structuur van het Koninkrijk "nieuwe stijl" aan de orde te stellen. Die structuur is in 2010 vastgelegd en het is nu zaak om daarmee ervaring op te doen. De rijkswetten op het gebied van politiek en justitie waren weldoordacht, maar creëerden onontkoombaar een wat complexe structuur. Wij zijn dan ook uiterst benieuwd naar de evaluatie van deze wetgeving, die in 2015 is voorzien. In dit debat wil ik daar niet op vooruitlopen. Als uitvloeisel van de staatkundige verandering wachten wij nog op verdere voorstellen voor rijkswetgeving. Ook daarop wil ik niet vooruitlopen. Wel vraag ik de minister of hij nu al op de terreinen van deze wetgeving ervaringen heeft of gehoord heeft van knelpunten of onderdelen die nu al aandacht behoeven.

Eén thema met een institutionele dimensie wil ik wel ter sprake brengen. Door het wegvallen van het land Nederlandse Antillen en door de verkrijging van de autonome status van de nieuwe landen is de positie van de landelijke wetgevers veranderd. Die krijgen meer verantwoordelijkheden: als ik het goed zie zowel kwalitatief als kwantitatief. Voor de taakuitoefening van de onderscheiden gouverneurs heeft dit in afgeleide zin ook de nodige consequenties. Daar komt bij dat de nodige en deels al ingezette hervormingen op financieel, sociaal en economisch vlak van de eilanden ook complexe wetgeving vergen die gevolgen heeft voor andere delen van reeds bestaande wetgeving. Vakmanschap op het terrein van de wetgeving is daarbij essentieel. Dat weten wij ook in Nederland. Voor de eilandsregeringen en de Staten is dit natuurlijk een autonome aangelegenheid. De verantwoordelijkheid voor de ondersteuning op dit vlak van de onderscheiden gouverneurs ligt bij Nederland. Hoe staat de minister tegenover versterking van de ondersteuning van de gouverneurs op het terrein van de wetgeving en sowieso de versterking van de positie van de gouverneurs? Ziet hij evenals mijn fractie het grote belang daarvan en is hij bereid om voor die versterking de nodige stappen te zetten? Heeft de minister signalen opgevangen van zijn ambtsgenoten van de andere landen dat zij ook het belang van goede wetgevingsondersteuning zien en deze functie willen versterken?

Ik kom nu bij de BES-eilanden. De vorming van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba vormde onderdeel van de staatkundige verandering en daarom is het van belang om daar aandacht aan te besteden in dit debat. Bij het werkbezoek dat een delegatie van de Eerste Kamer in januari van dit jaar aflegde aan de BES-eilanden bleek dat er in de beeldvorming over en weer veel te verbeteren valt. Dat is ook het geval voor concrete ontwikkelingen in wetgeving en beleid die elk voor zich en gezamenlijk grote impact hebben op de bewoners van de BES-eilanden. Het is van groot belang dat Nederland goed reageert op deze zaken. Het gaat om het welzijn van de burgers die rechtstreeks deel uitmaken van de Nederlandse Staat en om het draagvlak bij de bevolking voor het beleid. Wanneer terecht of onterecht wrijvingen ontstaan dan is het belangrijk die niet op hun beloop te laten, maar de oorzaken ervan te adresseren.

De BES-constructie wordt in 2015 geëvalueerd. Wij vinden het echter belangrijk om nu al structurele spanningen en vragen te signaleren, juist ten behoeve van de evaluatie. Ik zal proberen te vermijden om in een opsomming van allerlei specifieke wrijvingen te vervallen en deze in enkele hoofdpunten samen te brengen. Achtereenvolgens zijn dit ten eerste de legislatieve terughoudendheid, ten tweede de communicatie tussen Nederland en de eilanden, ten derde de noodzaak van een doordenking van het welvaartsniveau van de BES-eilanden en ten vierde de evaluatie van de BES-constructie zelf.

Ik begin met de legislatieve terughoudendheid. Het is goed dat er consensus bestaat over legislatieve terughoudendheid, maar wij zien dat een inhoudelijke consensus ontbreekt over wat die terughoudendheid betekent. Wij hebben sterk het gevoel dat achter die term heel uiteenlopende beelden schuilgaan en dat de discussie over legislatieve terughoudendheid bepaald niet ten einde is. De praktijk van de wetgeving is dat de Nederlandse wetgeving slechts van toepassing is op de BES wanneer dit uitdrukkelijk bepaald wordt. Er zal daarover dus steeds een afweging moeten plaatsvinden. In andere gevallen wordt, geënt op de Nederlandse situatie, een aangepaste, specifieke regeling voor de BES gemaakt. Verder geven de ministers op verzoek van de Eerste Kamer periodiek een overzicht van wetgeving en voorstellen die ook van toepassing zijn op de BES. Het klinkt uitstekend, maar toch blijken de eilanden problemen te hebben met deze wetgeving. Tijdens het werkbezoek in januari werd dit door de bestuurscolleges van de eilanden duidelijk verwoord.

Ook mij bekruipt regelmatig het gevoel dat het ook anders kan. Om te beginnen wordt ook het wetgevingsproces top-down ingevuld. Dat wil zeggen dat de Nederlandse wetgeving het uitgangspunt blijft en dat die, al dan niet in aangepaste vorm, wordt overgenomen. Dat betekent dat die vaak niet aansluit bij de werkelijkheid op de eilanden, met als gevolg onuitvoerbaarheid, extreem hoge uitvoeringslasten en verspilde tijd en moeite. Er wordt te veel gedacht vanuit het aanbod van de wetgever en te weinig vanuit de vraag van de eilanden. Gedeputeerde El Hage van Bonaire maakte bovendien duidelijk dat een ander gevolg van deze werkwijze is dat het moeilijk wordt om als bestuurscollege een samenhangend beleid te voeren, doordat de regeling van centrale en decentrale bevoegdheden in elke wet doorgaans de rationaliteit van de Nederlandse wet volgt. Op het ene punt is er dan wel beleidsvrijheid, maar de benodigde beleidsvrijheid in een aangrenzende wet ontbreekt vervolgens weer. Dat alles maakt de positie van het bestuur kwetsbaar en geeft burgers en bestuurders het gevoel geen ownership te hebben van het eiland. "Ownership" is een woord uit het verslag van het werkbezoek. Dit zijn beide fundamentele zaken. Graag verneem ik de reactie van de minister hierop. Ook vraag ik hem of hij deze twee kwesties in de evaluatie wil betrekken. Is hij daarnaast bereid om na te denken om tot een andere manier van wetgeving te komen, waarin niet zozeer vanuit de rationaliteit van de Nederlandse wetgevingssystematiek wordt gedacht, maar vooral vanuit die van goed bestuur van de eilanden wordt gedacht? Ik voeg hier nog aan toe dat het niet alleen om formele wetgeving gaat, maar zeer zeker ook om uitvoeringsregelingen. Die laatste zijn niet alleen talrijk, maar vaak ook waanzinnig complex.

In de discussie over de bezuinigingen op het zorgpakket hebben wij gemerkt dat de consultatieprocedure van de WolBES in de praktijk niet altijd goed werkt. Minstens even belangrijk is dat die niet goed kán werken als wij op deze manier doorgaan. Voor de eilandsbesturen gaat ofwel te veel energie verloren in het uitpluizen van gedetailleerde regelingen ofwel worden de regelgevingsvoorstellen gelaten voor wat ze zijn, waardoor geen sprake is van een reële consultatie.

In het verlengde hiervan ligt de kwestie van het contact tussen de eilandsbesturen en de Nederlandse regering. De WolBES heeft wijselijk voorzien in een orgaan dat een liaison vormt tussen de Nederlandse overheid en de eilanden: de Rijksvertegenwoordiger. Wij staan achter dit orgaan en vinden dat het een belangrijke functie kan vervullen in de communicatie over en weer. Naar onze overtuiging is de naam "Rijksvertegenwoordiger" echter achteraf bezien ongelukkig gekozen. In de beeldvorming wekt deze naam de indruk dat het orgaan exclusief een verlengstuk is van de Nederlandse centrale overheid op de eilanden. Is de minister het met ons eens dat de functie van Rijksvertegenwoordiger in het teken staat van de communicatie over en weer? De huidige naamgeving dekt deze lading niet. Is de minister het met ons eens dat de naam "BES-vertegenwoordiger" veel beter is of dat naar een heel andere naam moet worden gezocht?

Een inhoudelijk manco in de wettelijke vormgeving van de functie is dat de functionaris geen doorzettingsmacht heeft. Zeker gelet op wat wij zojuist over de wetgevingsprocedure naar voren brachten, vindt de CDA-fractie het nodig dat er wel een vorm van doorzettingsmacht is. Is de minister bereid om in het kader van de evaluatie van 2015 een verandering van de naamgeving te overwegen en aan de functie ook reële doorzettingsmacht te koppelen? Ik maak even een vergelijking met de functieverandering van de commissaris van de Koning in Nederland, die zich ontwikkeld heeft van ogen en oren van de Koning in de provincies tot pleitbezorger van de provincies in Den Haag. Hoe denkt de minister verder over een aparte vertegenwoordiger vanuit de BES, gestationeerd in Nederland?

De heer Thom de Graaf (D66):

De vergelijking van mevrouw Van Bijsterveld van de Rijksvertegenwoordiger met de commissaris van de Koning begrijp ik op zichzelf. Ik kan mij echter geen doorzettingsmacht van de commissaris van de Koning voor de geest halen. Misschien kan mevrouw Van Bijsterveld daar nog even op inzoomen. Wat bedoelt zij precies met de doorzettingsmacht van de Rijksvertegenwoordiger, ten opzichte van het Rijk of van de BES-besturen?

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Dit is volgens mij een heel belangrijke vraag. Ik denk eigenlijk in de richting van een bevoegdheid voor deze functionaris om wanneer er wetgevingsvoorstellen uit Nederland naar de BES komen die procedure op een bepaalde manier op te schorten totdat er inderdaad inhoudelijke communicatie, inhoudelijk overleg hierover, heeft plaatsgevonden. Het is ook belangrijk dat de functionaris de mogelijkheid heeft om met effect aan de bel te trekken als hij ziet dat er vanuit de uiteenlopende departementen allemaal verkokerde wetgeving, zoals ik het maar even zal noemen, op de eilanden wordt afgestuurd die in onderlinge samenhang bezien niet goed uitkomt. Het moet natuurlijk geen bevoegdheid zijn waardoor de Rijksvertegenwoordiger de zaak uiteindelijk tegen kan houden. Er moet voor worden gezorgd dat het mogelijk wordt dat om een pauze in te lassen in het proces om echt een gesprek te voeren.

De heer Thom de Graaf (D66):

Mevrouw Van Bijsterveld heeft ook gesuggereerd om de naam "Rijksvertegenwoordiger" te veranderen in "BES-vertegenwoordiger". Van wie is die vertegenwoordiger dan eigenlijk? Moet die dan volgens haar worden aangesteld door de BES-eilanden of moet die nog steeds door het kabinet worden aangewezen om namens het kabinet de belangen van het Rijk in relatie tot de BES-eilanden te behartigen?

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Ik zie verschillende mogelijkheden. Je kunt besluiten om de huidige functie van de functionaris te handhaven, maar de naam te veranderen in "BES-vertegenwoordiger". Ook die naam is misschien helemaal optimaal. Ik zei immers dat er sprake moet zijn van communicatie over een weer. Dan zou het van "Rijksvertegenwoordiger" naar "BES-vertegenwoordiger" gaan. Ik denk dat het een verbetering zou zijn. Ik heb de minister echter ook gevraagd of het denkbaar is om een andere naam te kiezen, die het wederkerige beter uitdrukt. Daarnaast zou je kunnen overwegen om, met steun vanuit de BES-eilanden of met steun van Nederland, een vertegenwoordiger van de BES-eilanden in Nederland aan te wijzen. Deze vertegenwoordiger kan in een vroegtijdig stadium van wetgeving zien wat er gebeurt. Wetgeving bereikt de eilanden dan niet pas in een laat stadium. Dit geheel heb ik nog niet compleet doordacht, maar ik vind wel dat we in die richting moeten denken. Zoals het systeem nu functioneert, is het naar mijn idee op termijn niet houdbaar. Het geeft aanleiding tot wrijvingen en kan ook inhoudelijk niet aan het doel beantwoorden. Dat geldt voor de naamgeving, maar ook voor de inhoudelijke vormgeving ervan.

In het verlengde daarvan is het naar het oordeel van mijn fractie voor de eilanden en de Kamers, en ook naar de ervaring van de Eerste Kamer, belangrijk om voor BES-zaken een aanspreekpunt bij de regering te hebben. De meest aangewezen persoon hiervoor is natuurlijk de minister van Binnenlandse Zaken. Hij heeft al aangegeven dat hij zichzelf in die rol ziet. Wij vragen de minister om dat nog eens te bevestigen.

Er is nog een andere reden waarom die coördinerende rol naar onze overtuiging heel hard nodig is. Wij hebben sterk het gevoel dat soms weliswaar goede wetgeving wordt geformuleerd vanuit een bepaald departement, maar dat de samenhang tussen wetgeving die van verschillende departementen afkomstig is, ontbreekt. Ik zei dat net al in antwoord op de vraag van de heer Thom de Graaf. Wij zien als onderdeel van die coördinatie het bereiken van samenhang in wetgeving, en misschien ook het vaststellen van prioriteiten en posterioriteiten in het wetgevingsprogramma. Tijdens het werkbezoek hebben we gezien dat sommige wetgeving heel snel wordt ingevoerd, terwijl je soms denkt dat eerst andere wetgeving ingevoerd zou moeten worden. Wetgeving die al wel is ingevoerd, zou logischerwijs misschien beter daarna kunnen komen.

Ik kom dan op het derde punt. Dat zijn de kosten van levensonderhoud. Uit een naar onze overtuiging zeer teleurstellende discussie tussen deze Kamer en de minister van Volksgezondheid over het verdwijnen van tandheelkundige zorg en fysiotherapie uit het zorgpakket, blijkt naar de overtuiging van mijn fractie temeer hoe belangrijk goede, open en eerlijke communicatie met de eilanden is. Ook blijkt daaruit de fundamentele noodzaak om bij het vormgeven van beleid niet eenvoudig te denken vanuit de Nederlandse realiteit, maar de situatie op de eilanden vanuit haar eigen merites te bezien. Al eerder, maar zeker in de nasleep van deze discussie, is door deze Kamer het vraagstuk van de kosten van levensonderhoud en het voorzieningenniveau op de BES-eilanden aan de orde gesteld. Met een eerder onderzoek naar de ontwikkeling van de koopkracht kon mijn fractie niet zo heel goed uit de voeten. Wij stonden daarin niet alleen. Koopkracht is immers een relatief gegeven. Het gaat er om of het inkomen van mensen in absolute zin voldoende is om de normale kosten van levensonderhoud te dragen. Is de minister bereid hierin inzicht te doen verschaffen?

Zoals uit het verslag van de schriftelijke correspondentie in de nasleep van deze discussie blijkt, blijft de toepassing van het gelijkheidsbeginsel c.q. de differentiatieclausule onhelder. Mijn fractie acht het van belang dat er ruimte is voor differentiatie. Mijn inbreng wijst dan ook voortdurend in die richting. Belangrijk daarbij is wel dat het welzijn van de bevolking leidend is en dat vanuit een samenhangende visie wordt gedacht. Het kan niet zo zijn dat in het ene geval lukraak een beroep wordt gedaan op gelijke behandeling – denk daarbij aan de ingrepen in het zorgpakket – zonder dat de overige relevante omstandigheden worden meegenomen. Ook kan het niet zo zijn dat die gelijke behandeling dan bijvoorbeeld weer niet geldt wanneer het om andere voorzieningen gaat. Voor de legitimiteit van het bestuur is een dergelijke doordenking van heel groot belang. Hoe gaat de minister zich hiervoor inzetten?

Tot slot kom ik op de evaluatie van de BES-constructie. Deze Kamer heeft de behandeling van de eerste lezing van het grondwetsherzieningsvoorstel opgeschort tot na de evaluatie. De belangrijkste reden is dat het voorstel naar het oordeel van deze Kamer vooruitloopt op de evaluatie. In de discussie over de behandeling van dit voorstel stelde de minister zich op het standpunt dat daarvan geen sprake is. Is dat zo? Welke elementen zijn in de evaluatie ingebouwd om te verzekeren dat ook de constructie zelf deel is van de evaluatie en dat alle opties open blijven? Omwille van de tijd zal ik niet op dit punt ingaan, maar voor ons is de organisatie van het kiesrecht een belangrijk punt, ook waar het gaat om de Eerste Kamerverkiezingen.

Wij zien met belangstelling de reactie van de minister op onze visie tegemoet en zijn benieuwd naar de beantwoording van de afzonderlijke vragen.

De aanvaarding van de wetsvoorstellen in deze Kamer die de transitie mogelijk maakte, was een uniek moment. Ze vormde een mijlpaal in de geschiedenis van het Koninkrijk. Niet alleen dat moment was echter belangrijk. Wij verkeren nu in de unieke situatie dat wij deel uitmaken van een koninkrijksverband dat zich uitstrekt tot beide zijden van de oceaan. Mijn bijdrage van vandaag staat in het teken van het welslagen van de nieuwe vormgeving van het koninkrijksverband ten behoeve van de inwoners, om wie het uiteindelijk allemaal te doen is.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Het is een goede zaak dat we vandaag in meer algemene zin over het Koninkrijk kunnen spreken. De zaken die we aan de orde hebben in de relatie met de Caribische zusterlanden binnen het Koninkrijk en in de relatie met het Caribisch deel van het land Nederland, hebben immers niet alleen of zelfs maar in de eerste plaats betrekking op wetgeving die deze Kamer moet passeren. Vaker gaat het om de onderliggende vragen naar de toekomst van het Koninkrijk en naar de staatsrechtelijke en praktische verhoudingen binnen het Koninkrijk. Het past dan ook bij haar rol van chambre de réflexion als deze Kamer juist over die onderliggende vragen spreekt.

Wie bij het spreken over de toekomst ook het verleden betrekt, beseft onmiddellijk dat veel van onze discussies nog altijd te maken hebben met een koloniaal verleden, al is het maar omdat daardoor bepaald is dat Nederland niet uit het koninkrijksverband kan stappen en een verantwoordelijkheid houdt voor het geheel. Ook een deel van de gevoeligheden en spanningen die er bij tijd en wijle zijn, is alleen te begrijpen in het licht van onze postkoloniale verhoudingen. Naar mijn inschatting zullen die in de komende decennia nog regelmatig opspelen. Daar hebben we maar mee te leven.

We kunnen echter meer ontdekken als we kijken naar de geschiedenis. Zo is in de expansiedrift van Nederland in vroeger eeuwen en de ontwikkeling tot een koloniale mogendheid een drietal motieven te herkennen. Ze zijn eigenlijk nog steeds van belang als we denken over de kern van ons op elkaar betrokken zijn in het Koninkrijk. Je zou ze kunnen aanduiden met de termen law, faith en trade. Het eerste motief is juridisch, het tweede ideologisch en het derde economisch. Het juridische motief benadrukt de verbreiding van rechtsstatelijke principes en het borgen van grondrechten. Het ideologische motief gaat over gedeelde waarden. Vroeger had het betrekking op missie en zending, vandaag op zaken als humanitaire beginselen en emancipatie. Het economisch motief gaat over handelsbelangen, zeg maar over de VOC-mentaliteit, waar premier Balkenende zich eens zo hilarisch in verslikte.

Deze drie motieven komen steeds terug, al verandert wel de verhouding afhankelijk van de situatie en de spreker. Misschien helpt dit ons als wij ons vandaag afvragen welke motieven sturend zijn in ons nadenken over het Koninkrijk. We kunnen bijvoorbeeld kijken naar de visie die het kabinet hierover heeft opgeschreven en die het uitdraagt. Daarbij valt op dat het kabinet in de argumentatie rondom de toekomst van het Koninkrijk vaak vooral benadrukt dat het verleden ons juridisch vastlegt op bepaalde verantwoordelijkheden en dat de toekomst vooral economisch van belang is. Dat gebeurt niet alleen op papier. Als de minister-president enthousiasmerend wil spreken over de verhoudingen binnen het Koninkrijk – en zo horen wij hem soms – heeft hij het bij herhaling over samen veel geld verdienen. Natuurlijk past dat bij de ongelukkig kortzichtige en zielloze metafoor van een bv Nederland. Hij doet hetzelfde als hij weigert over Europese vergezichten te spreken. Het is echter allemaal wel erg mager. Is het Koninkrijk niet meer dan een vruchtbare handelssamenwerking?

Ik vraag de minister hoe hij de verhouding van deze drie motieven taxeert. Is hij het met mij eens dat een puur economische benadering van de verhoudingen binnen het Koninkrijk te weinig is? Ik vind die benadering overigens wel belangrijk, maar is een duurzame economische samenwerking niet alleen mogelijk als ze meer oplevert dan wederzijds voordeel en is ingebed in een bredere relatie waarin ook gedeelde waarden een rol spelen? Welke gezamenlijke waarden ziet de minister en op welke wijze wordt daar vorm aan gegeven? Het mag duidelijk zijn dat de leden van mijn fractie hierbij niet denken aan een totaal gedeelde culturele gelijkheid. Integendeel, juist de culturele diversiteit geeft kracht en rijkdom aan de samenlevingen. Maar ook dan zijn er waarden te benoemen die we delen en samen uitdragen binnen en buiten het Koninkrijk. Wij denken dan bijvoorbeeld aan zaken als individuele vrijheden en sociale samenhang en de verhouding tussen die twee, aan ontplooiing door onderwijs, emancipatie van seksuele minderheden, goede reproductieve gezondheidszorg in de vorm van preventie van en begeleiding bij ongewenste zwangerschappen, het bewaken van ecologische rijkdommen, bestuurlijke integriteit enzovoorts. Bij deze meer waardegestuurde benadering blijven het juridische en economische van belang, maar die zijn niet het een en het al.

Voordat de minister zijn toevlucht neemt tot het voor mij te gemakkelijke antwoord dat veel van deze zaken behoren tot de interne verantwoordelijkheid van de autonome landen, kan ik zeggen: dat ben ik helemaal met hem eens. Maar als dat het enige antwoord zou zijn, dan zou dat opnieuw een reductie zijn, dit keer naar het puur juridische niveau. De vraag is op welke wijze wij in het Koninkrijk zoeken naar een gedeelde basis waarop deze ook immateriële waarden worden geborgd met het oog op het welzijn en geluk van alle inwoners in de vier landen van het Koninkrijk. Welke rol speelt deze "laag van waarden en geluk", om het zo maar te noemen, in het gemeenschappelijk beleid van de regeringen? Op welke wijze spreekt men elkaar erop aan dat het in het Koninkrijk om meer gaat dan wetjes en centjes?

Tot de fundamentele waarden van de rechtsstaat behoren de democratische principes. Dat wil onder meer zeggen een constructief-kritisch samenspel van regering en parlement. Het bewaken daarvan is ook een verantwoordelijkheid op Koninkrijksniveau, zoals het Statuut aangeeft. Uiteraard is dat bij uitstek iets wat in de autonome landen zelf dient te worden geregeld. Te vaak wordt in een discussie de waarborgfunctie erbij gehaald als een dreigement zodra er zaken gebeuren waar wij hier niet gelukkig mee zijn. Zo moet het niet in de onderlinge verhoudingen, maar dat neemt niet weg dat er op verschillende momenten zorgen kunnen zijn over de kwaliteit van het bestuur en het vermogen van de parlementaire democratie om dat te redresseren. Wij hebben daar regelmatig over gesproken in het licht van Curaçao, maar ook wat Sint-Maarten betreft ligt op dat terrein levendige vragen. Daarom is mijn vraag aan de minister: wat is er mogelijk om onze zusterlanden te ondersteunen bij het goed laten functioneren van de democratische instellingen, zonder in te grijpen in hun autonome structuren? En concreter: welke behoeften aan ondersteuning leven op dat punt in de zusterlanden?

Ik wil ook een specifieke vraag stellen over de ondersteuning via ngo's. Op allerlei vlakken kunnen die een rol spelen in het versterken van de samenleving, het bestuur enzovoorts. Mijn fractie krijgt echter signalen dat ngo's die in het Caribisch deel van het Koninkrijk actief zijn, soms tussen de wal en het schip vallen. Omdat deze eilanden geen binnenland en geen buitenland zijn, vallen ze buiten beide beleidskaders voor ondersteuning. Herkent de minister dit beeld en ziet hij mogelijkheden om eventuele belemmeringen weg te nemen, zodat de vaak effectieve bijdrage van ngo's optimaal kan worden ingezet in het Koninkrijk?

Ik ga naar een ander aspect van onze koninkrijksrelaties: Caribisch Nederland. Sinds de magische datum van de staatkundige veranderingen hebben wij een bijzondere relatie met Bonaire, Saba en Sint-Eustatius. Dat geeft ons een extra verantwoordelijkheid, waarbij we ook de hulp van onze zusterlanden nodig hebben om een en ander na te komen. We hebben tijdens onze reis in januari kunnen zien en horen dat er veel goede dingen gebeuren, maar ook dat er op verschillende punten onvrede is. Misschien is de reden daarvoor dat men meer en anders had verwacht. In dat geval moet er iets aan verwachtingsmanagement worden gedaan. Maar misschien is de reden dat men ziet dat er wel een duur apparaat uit de grond wordt gestampt voor de Rijksvertegenwoordiging terwijl de eilanden nog steeds armoede ervaren. Misschien is de reden dat een aantal noodzakelijke verbeteringen aan infrastructuur en gezondheidszorg uitblijven. Misschien is de reden wel dat men ervaart dat Nederlandse wetgeving wordt uitgerold op de eilanden, ook als die niet past op de schaal van de eilanden. Collega Van Bijsterveld had het daar ook terecht over. Misschien is de reden wel dat men door de veranderingen in het belastingsysteem en dergelijke in koopkracht achteruitgaat. Misschien is de reden wel dat men het gevoel heeft niet werkelijk gehoord en begrepen te worden, omdat constructieve voorstellen over de problematische aanpassing van het zorgstelsel gewoon worden genegeerd.

Ik begrijp goed dat het hier gaat om heel verschillende beleidsterreinen en dat de minister van Koninkrijksrelaties daarin alleen een coördinerende rol kan spelen. Toch vraag ik hem hoe hij deze coördinatie voor zich ziet. Welke mogelijkheden ziet hij om hierin stappen vooruit te zetten? Immers, momenteel staat niet alleen de voortgang op elk dossier afzonderlijk op het spel, maar ook de opbouw van een relatie van wederzijds vertrouwen. Die vraagt tijd, inzet en zichtbare ontwikkelingen en vooruitgang. Op welke wijze heeft de minister zijn coördinerende rol ingevuld? Ziet het kabinet deze onderwerpen in samenhang van de opbouw van deze eilanden met een complexe geschiedenis? En hoe bewaakt de minister die samenhang? Hoe zorgt hij ervoor dat zijn collega's en hun departementen goed begrijpen hoe centraal beleid uitwerkt op deze kleine eilanden op grote afstand van Europees Nederland? Welke routekaart is er inmiddels voor het inhalen van achterstallig onderhoud op het terrein van infrastructuur, gezondheidszorg en dergelijke? In welke mate zijn de inwoners daar en hun vertegenwoordigers betrokken bij deze routekaart? Natuurlijk kan niet alles binnen één jaar geregeld zijn, maar is er wel een perspectief?

Er was een tijd dat Nederland als koloniale mogendheid tot de wereldtop behoorde. Die tijd is gelukkig voorbij, want met de huidige morele maatstaven zijn dergelijke verhoudingen niet acceptabel. Maar laten we niet de ambitie opgeven om onze rechtsstatelijke principes en fundamentele waarden uit te dragen en vorm te geven ook binnen het Koninkrijk. Dat is namelijk de meest duurzame grond om samen te zijn, samen te werken en samen succesvol te zijn.

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Aan het begin van dit debat wil mijn fractie haar afschuw uitspreken over de brute moord op het Curaçaose Statenlid Helmin Wiels. Hij was een markant politiek leider en een bron van inspiratie voor velen. Wij wensen zijn familie alle sterkte bij het verwerken van dit vreselijke verlies.

Dit debat over de toekomst van de koninkrijksrelaties vindt plaats halverwege de ingrijpende Statuutverandering van 10 oktober 2010 en de voorziene evaluatie in 2015. Het is een goed moment om stil te staan bij een aantal ontwikkelingen en een tussenbalans op te maken. 10-10-10 markeert een meer dan symbolisch punt in de geschiedenis tussen Nederland en de voormalige Nederlandse Antillen. De Antillen werden gesplitst in twee landen: Curaçao en Sint-Maarten. Bonaire, Saba en Sint-Eustatius verkregen de status van een openbaar lichaam. Aruba verloor zijn status aparte. En Nederland zelf maakt ook deel uit van Caribisch Nederland via de BES-eilanden.

Als we het visiedocument "De Toekomst van het Koninkrijk" van het vorige kabinet er nog eens bij nemen, dan valt op dat deze visie vooral getuigt van een juridisch-bestuurlijke optiek en weinig toekomt aan een inhoudelijk-strategische positiebepaling waarin ook de onderliggende waardegemeenschap, verbondenheid en wederzijdse belangen op aansprekende wijze worden uitgewerkt. De balans is zoek. Onduidelijk blijft waar we als koninkrijksverband nu precies met elkaar naar toe willen. Als de grondstructuur van het Koninkrijk zo vergaand wordt geherdefinieerd, wil je ook zien welke toekomstagenda wij als koninkrijkslanden met elkaar delen. Is de minister het met deze constatering eens? Deelt hij de insteek van dit sleuteldocument over de toekomst van ons Koninkrijk of legt hij eigen en andere accenten en, zo ja, welke zijn dat dan?

We moeten als vier landen in een nieuw koninkrijksverband de samenwerking opnieuw bepalen. Daarvoor is visie nodig, een appellerende visie. 10-10-10 heeft als evident gevolg dat we verder naar elkaar toe zullen groeien, maar waarheen? Als enige van de drie Caribische landen heeft Aruba een eigen visie ontwikkeld op het Koninkrijk en in het verlengde daarvan op de relaties met de Europese Unie. Aruba stelt nadrukkelijk dat het Koninkrijk zich veel meer moet ontwikkelen tot een strategisch partnerschap gebaseerd op een gezamenlijk toekomstperspectief. Graag hoort mijn fractie een reactie van de minister op dit Arubaanse "position paper".

In het verlengde hiervan stel ik de vraag of Nederland een voortrekkersrol wil vervullen in het realiseren van deze gezamenlijke visie. Dan gaat het om de vraag hoe het nieuwe koninkrijksverband zich strategisch moet verhouden tot een snel globaliserende economie, waarin bijvoorbeeld Zuid-Amerika steeds belangrijker wordt. Maar het gaat ook om de vraag hoe we elkaar op sociaal en cultureel gebied kunnen versterken, ook via het maatschappelijk middenveld. We kunnen daarbij ook denken aan het mobiliseren van het "human capital", de grote groep Antillianen die naar ons land gemigreerd zijn. Vaak horen we dat Antilliaanse jongeren die hier studeren of werken onder bepaalde condities graag terug zouden willen om hun land te helpen. Kunnen zij een rol vervullen om de verbindingen tussen Nederland, de Cariben en Zuid-Amerika te versterken? Mijn fractie denkt onder andere aan economisch onderwijs in Nederland speciaal gericht op ondernemerschap in het Caribische deel. Ziet de minister mogelijkheden om ook deze sociale zijde van economische samenwerking nadrukkelijk over het voetlicht te brengen?

Ik wil nu een aantal opmerkingen over wetgeving op de BES-eilanden maken. Aangezien de BES-eilanden Nederlandse gemeenten zijn, dient Nederlandse wetgeving in principe ook daar te gelden. Echter, het zijn natuurlijk heel bijzondere gemeenten qua taal, cultuur, ligging, omvang, ontwikkeling en middelen. We constateren dat er nu drie min of meer volgordelijke filters zijn om wetgeving die niet van toepassing zou moeten zijn op de eilanden te ondervangen. De ministeries moeten hier ten eerste zelf op toezien, vervolgens heeft de Rijksvertegenwoordiging een taak en als laatste hebben de eilanden zelf de mogelijkheid om in een consultatieperiode aan te geven of een regeling voor hen al dan niet van toepassing is. Er zijn inmiddels diverse regelingen over bijvoorbeeld riolering, postcodes en vergunningen, waaruit blijkt dat ze pas op de eilanden zelf gefilterd worden. Dat is te laat dus. Tijdens het laatste overleg met de bestuurscolleges van Bonaire, Saba en Sint-Eustatius gaf men de nodige, soms ook wat gênante voorbeelden van inadequate filtering. Mijn fractie ziet twee problemen bij de huidige manier van werken. De eerste twee filters lijken niet goed te functioneren en de aanpak is niet structureel genoeg. Hierdoor komt er veel terecht bij de toch al beperkte capaciteit van de eilanden, zowel qua personele bezetting als financieel. Het leidt ook tot onbegrip en frustratie. Kan de minister zich vinden in deze analyse? Kunnen de ministeries in Nederland de filteringsfase niet efficiënter organiseren? Geldt dat ook voor de Rijksvertegenwoordiger? Legislatieve terughoudendheid is een mooi principe, maar alleen als het werkt.

In eerdere overleggen met de verantwoordelijke ministers heeft mijn fractie grote bezorgdheid uitgesproken over het aantal abortussen op de eilanden. Uit onderzoek blijkt dat abortus een veel toegepaste vorm van anticonceptie is geworden. Tussen de 25% en 40% van de zwangerschappen eindigt in abortus. Minister Spies en daarna minister Schippers zegden toe, een gerichte preventieve bewustwordingscampagne en voorlichtingsacties op scholen op de BES-eilanden te entameren. Kan de minister een beeld geven van de stand van zaken? Hoe schat hij de effectiviteit in? Is er ook overleg met de kerken en maatschappelijke organisaties rond de abortuskwestie? Wordt additioneel beleid overwogen?

De senaat heeft de afgelopen maanden uitvoerig met minister Schippers gecommuniceerd over haar bezuinigingsmaatregelen in de zorg in Caribisch Nederland. Dat kwam zojuist ook al even aan de orde. Die golden onder andere mondzorg en fysiotherapie, behandelingen van de inwoners van de BES-eilanden in Colombia en Guadeloupe en het invoeren van eigen bijdragen. Mijn fractie moet helaas constateren dat er weinig begrip was voor de specifieke situatie in Caribisch Nederland en de zorgachterstand die daar heerst. Ook was het overleg met de lokale stakeholders bepaald onvoldoende. Zeker, de ontwikkeling van de kosten in de zorg baart ook mijn fractie zorgen, maar dat moet met meer gevoel en begrip voor de lokale situatie. Basispakketten in Europees en Caribisch Nederland kunnen niet zonder meer gelijkgetrokken worden. Ik wil de minister vragen welke conclusies het kabinet trekt uit deze kwestie wat betreft vergelijkbare bezuinigingsmaatregelen. In welke mate mag de eigenheid van de lokale situatie een rol spelen, mede gezien de vaak afwijkende verzekeringsmogelijkheden?

De ChristenUnie heeft altijd veel aandacht gevraagd voor de leefsituatie van kinderen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Kinderrechten worden vaak met voeten getreden. Vorige maand publiceerde UNICEF de resultaten van een groot onderzoek, waaruit blijkt dat veel kinderen op de eilanden opgroeien in onveilige en ongezonde omstandigheden. Mevrouw Van Bijsterveld ging daar ook al even op in. De situatie waarin de 90.000 kinderen zich bevinden voldoet niet aan het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Ongezonde eetgewoonten, onveilige woonplekken, gebrekkige zorg, afwezigheid van voorzieningen voor gehandicapte kinderen, mishandeling, verwaarlozing en tienerzwangerschappen zijn veel voorkomende fenomenen die het rapport plaatst tegen de achtergrond van armoede, de zwijgcultuur en het opgroeien binnen vaderloze eenoudergezinnen.

De combinatie van een vaak gebrekkige thuissituatie, beperkte ontwikkelmogelijkheden op school en weinig kansen op de arbeidsmarkt maken het leven op de eilanden voor jongeren moeilijk. Mijn fractie maakt zich grote zorgen over deze diepgewortelde problemen. De minister kreeg twee weken geleden dit UNICEF rapport aangeboden dat oproept tot stevige actie van de Nederlandse regering. Maatschappelijke organisaties daar voelen zich niet voldoende en vooral niet blijvend gesteund vanuit Den Haag. Mijn fractie vraagt de minister om een reactie op dit rapport en de daarin genoemde uitgangspunten voor verbeteringen en verzoekt hem met de senaat te delen welke concrete stappen de regering gaat ondernemen om de rechten van kinderen in het Caribisch deel van het Koninkrijk te beschermen.

Voor veel onderwerpen die wij regulier in dit huis bespreken geldt dat we dankbaar gebruik kunnen maken van een keur aan gegevens die trendmatige ontwikkelingen op tal van beleidsterreinen weergeven. Nederland beschikt – met het CBS, het CPB en het SCP – over een uitstekende informatievoorziening en dat komt de kwaliteit van het politieke debat zeker ten goede. Wat het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft, staat deze voorziening nog in de kinderschoenen en dat bemoeilijkt het debat. Dat geldt zeker voor discussies over ingrepen in de sociale zekerheid en in de zorg, die de leefsituatie van de bevolking direct raken. We ontberen goede en periodieke trendgegevens rond basale issues als koopkracht, prijsontwikkelingen, arbeidsparticipatie, zorg, migratie en gebruik van sociale voorzieningen. Dat hangt uiteraard ook direct samen met de omvang van de eilanden. Dat geldt zeker voor de BES-eilanden. Daarvoor hebben wij alle begrip. Het is mijn fractie overigens bekend dat ons CBS het nodige doet aan bijstand op dit punt. Zijn er concrete plannen om te investeren in een upgrading van de informatievoorziening in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Dat zou de onderbouwing van beleid en de beoordeling van beleidseffecten veel sterker maken. Graag hoort mijn fractie de visie van de minister op dit punt.

De verantwoording van het gebruik van overheidsgelden in het Caribisch deel van het Koninkrijk is een terugkerend probleem. Op rijksniveau is er terecht fors ingezet op de controle daarop en de Kamer wordt via frequente rapportages van het College financieel toezicht op de hoogte gesteld van de voortgang. Mijn fractie heeft behoefte aan een generieke conclusie van de minister op het punt van het financiële reilen en zeilen van het overheidsbestuur op de eilanden. Is deze conclusie positief of negatief en differentieert dit naar land? Wil het kabinet het beleid continueren of liggen aanscherpingen in het verschiet?

Mijn fractie ziet uit naar de evaluatie van 2015 van de nieuwe Koninkrijksstructuur. Er lijken licht positieve punten te zijn, hoewel de stevigheid nog ontbreekt. Over welke punten maakt de minister zich de meeste zorgen in de opmaat naar de evaluatie? Waar liggen we op koers en waar niet? Mijn fractie vraagt de minister voorts aan te geven hoe de evaluatie zal worden voorbereid. Wie gaat de evaluatie ter hand nemen? Zijn daar voldoende middelen voor beschikbaar? Kan de minister toezeggen dat er een rol en format is weggelegd voor de landenparlementen om concrete onderwerpen voor de evaluatie aan te dragen?

Het debat in Nederland over onze koninkrijksrelaties heeft vaak een hoog "gedoe-gehalte" en daar is soms ook de nodige aanleiding voor. Laten we dat niet ontkennen. Het zou mijn fractie echter veel waard zijn indien de vier landen en de drie BES-eilanden binnen ons Koninkrijk elkaar zouden vinden in een positieve en inspirerende gezamenlijke agenda die zich er op richt hoe we elkaar sterker kunnen maken en van elkaar kunnen leren. Op economisch gebied, maar ook op sociaal en cultureel terrein. Juist in een globaliserende economie kunnen we veel voor elkaar betekenen. Voor ons land geldt dat het Caribisch deel van het Koninkrijk een geweldige economische hub is naar de snel opkomende markten in Zuid-Amerika. Daar kunnen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten ons sterker maken. En ook omgekeerd zijn er goede proposities, bijvoorbeeld in het ontsluiten van een betere toegang tot de landen van de Europese Unie. Wederzijdse empowerment is hier het motto, maar we hebben daarvoor wel economische, sociale en culturele showcases nodig die laten zien dat we niet alleen een verleden en een heden delen, maar ook een prachtige toekomst. Laten we daaraan werken. Wij zien uit naar de antwoorden van de minister op onze vragen.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Voorzitter. Tien dagen geleden kwam deze minister, onderweg naar mevrouw Merkel, in vliegende vaart in Leiden langs om het symposium Koninkrijkskinderen toe te spreken; het is niet voor het eerst dat dit vandaag gezegd wordt. De dienstauto bleef met draaiende motor voor het universiteitsgebouw wachten. De minister nam het rapport van UNICEF, Kinderrechten in Caribisch Nederland, in ontvangst en sprak ons toe. Dat werd zeer gewaardeerd, niet in de laatste plaats omdat het ook veel mediabelangstelling genereerde, wat goed is voor kinderrechten.

Het is natuurlijk wel een beetje jammer dat dit rapport verre van positief is over de situatie van kinderen in ons tropisch Nederland. De BES-eilanden maken immers deel uit van ons staatsbestel. Maar de sfeer op het symposium, waar ministers van alle landen van het Koninkrijk aanwezig waren, waar de rectoren van de universiteiten van Aruba en Sint-Maarten workshops leidden, waar de gevolmachtigde minister van Curaçao behartigenswaardige woorden sprak over wat wij van Curaçao kunnen leren en waar ook veel hulpverleners van overzee aanwezig waren om samen met ons aan de slag te gaan met de rapporten van UNICEF, was hartverwarmend. Dit symposium was een levend bewijs dat wij, anders dan de collega van de VVD nog wel eens wil roepen, niet alleen het paspoort gemeen hebben.

Laat ik beginnen met de drie autonome landen in de Caribische Zee. Wij constateren dat er nog steeds verwarring bestaat over wat er nu is overgebleven van onze rol met betrekking tot Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Op dit moment zien wij de ontwikkelingen op Aruba met vertrouwen tegemoet. En dat geeft ook weer hoop voor Curaçao en Sint-Maarten, want kennelijk, en begrijpelijk, heeft de groei naar verantwoord zelfbestuur tijd nodig. De onrust komt voort uit het vermaledijde waarborgartikel en de onduidelijkheid over de vraag waarvoor Nederland nu wel en niet medeverantwoordelijk is. Persoonlijk vind ik artikel 43 van het Statuut een prachtig artikel. Het drukt zoiets uit als een huwelijk, verbondenheid for better and for worse. De echtgenoten, lees: landen, staan elkaar bij in voor- en tegenspoed. Er is echter één verschil: we kunnen uit ons huwelijk stappen maar we kunnen niet uit het Koninkrijk stappen. De landen overzee kunnen dat wel; zo hebben de VN dat bepaald op grond van de geschiedenis. Mijn partij hecht veel waarde aan VN-resoluties. Wij zitten dus vast aan dat Koninkrijk, in voor- en tegenspoed.

Voordat ik verderga over het waarborgartikel wil ik graag zeggen dat ik het geweldig vind dat er een paar tropische eilanden ver weg in de Caraïben liggen waarmee wij verbonden zijn door een gezamenlijke geschiedenis. Het is geen fraaie geschiedenis – dat moet hardop gezegd worden – maar toch een geschiedenis die ons verbindt, die ervoor zorgt dat we dezelfde taal spreken, voor zolang als dat nog duurt, en dat vakantiegangers uit Europees Nederland onder de tropische zon pina colada kunnen drinken maar ook chocoladehagelslag op brood kunnen eten. Wij besteden niet veel aandacht aan onze banden met onze voormalige koloniën. Ik betreur het dat er op school nauwelijks, of in het geheel geen, aandacht wordt besteed aan dit stukje geschiedenis. Slavernij, denkt de huidige generatie, dat hadden ze toch in de Verenigde Staten? Misschien is het schaamte, maar verzwijgen heeft nog nooit een probleem opgelost. Ik hoop dat de viering van 200 jaar Koninkrijk in Europees Nederland wat aandacht voor de eilanden zal opleveren. Dat samenwerken ons ook economisch voordeel kan brengen, moge duidelijk zijn, zoals Rutte ieder jaar tegen de parlementaire delegaties van de Antillen zegt: lekker samen veel geld verdienen! Ik ben niet de enige die dit opmerkt.

Ik ga terug naar de waarborgfunctie: elk der landen draagt zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur; het waarborgen daarvan is aangelegenheid van het Koninkrijk. Het gaat dus om autonome bevoegdheden waarvoor wij, ondanks de autonomie, als het mis dreigt te gaan gezamenlijk verantwoordelijk zijn. Is dat nu zo gek? Lijkt dat niet erg op onze gemeentelijke autonomie, die door artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet kan worden aangetast? Het axioma dat je geen verantwoordelijkheid kunt dragen en hoeft te dragen voor zaken waarop je nauwelijks invloed hebt, gaat in het leven niet op: ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen ook al kunnen zij hun gedrag onder bepaalde omstandigheden niet sturen, en een minister is verantwoordelijk voor de daden van zijn voorganger. Daarvan liggen wij niet wakker; dat is nu eenmaal zo. Met het Koninkrijk is het niet anders. We moeten met elkaar doen wat we kunnen en dat is het dan. We blijven wel met elkaar in gesprek en staan elkaar waar nodig en mogelijk bij.

De zoektocht naar hoe je dat vormgeeft is nog maar net begonnen. De werkgroepen van zowel de parlementen als de regeringen vorderen langzaam. Toch zijn wij van mening dat we door moeten gaan. Een lange adem is nodig, maar uitzichtloos is het niet. Alleen al de verbeterde sfeer op het IPKO is een uiting van de wil van de delen van het Koninkrijk om iets voor elkaar te kunnen betekenen. Goed bestuur op de eilanden is iets waarvoor wij ons mee verantwoordelijk voelen op grond van, jawel, de waarborgfunctie. Tegelijkertijd ben ik er echter van overtuigd dat het feit dat de landen een democratisch bestel kennen dat redres van misstanden mogelijk maakt, juridisch voldoende is om te stellen dat het inzetten van de waarborgfunctie op dit moment niet aan de orde is. Dat neemt niet weg dat wij de situatie op Sint-Maarten buitengewoon zorgelijk vinden en dat wij hopen dat het Openbaar Ministerie alle medewerking krijgt om de onverkwikkelijke situatie aldaar tot een oplossing te brengen. Bestuurders en parlementariërs moeten vrij zijn van iedere verdenking van corruptie of incompetentie.

Curaçao zit, na een moeizame start, in een nieuwe fase die door Helmin Wiels in gang is gezet. Ik werd getroffen door de woorden die de vooraanstaande ex-politicus Dean Rozier, die zich na het debacle van het kabinet-Schotte uit de politiek terugtrok, daags na de laffe moord in het Antilliaans Dagblad sprak: "Ik heb misschien een steen gelegd. Wiels heeft een pad gelegd. We weten nu welke weg we moeten bewandelen. We moeten "nee" zeggen tegen verkeerde en malafide praktijken. Een keiharde strijd tegen de onderwereld, met steun van het Koninkrijk, van andere landen, van derden. Het is belangrijk dat we alle hulp aanvaarden, daar moeten we ons niet voor schamen. We kunnen het nu niet alleen." Het kabinet-Betrian en het kabinet-Hodge, die door Wiels in het zadel zijn geholpen, hebben een goede aanzet gegeven voor een politiek die het land verder brengt. Wij doen een beroep op de opvolger van Wiels, in zijn geest te blijven handelen en af te zien van een machtsstrijd die het land eerder in de ellende heeft gedompeld. Misschien kan de minister ons nog nadere informatie geven over de huidige stand van zaken.

Ik kom nu op de Islaraffinaderij. Mijn fractie maakt zich nog steeds grote zorgen over de schending van het recht op gezondheid dat op dit moment en al jarenlang een deel van de bevolking van Curaçao teistert. Het gaat om vele doden en duizenden ziektegevallen per jaar. Ik heb met bewondering geluisterd naar minister van volksgezondheid Whiteman in de ZEMBLA-documentaire Stikken in het paradijs. Hij had de moed om de heer Van Leeuwen van SMOC, de milieuorganisatie die jaar in, jaar uit, onvermoeibaar strijdt tegen de luchtvervuiling op het eiland, in de documentaire te woord te staan. Hij straalde absolute onmacht uit. Het moet anders, zei hij, maar ik kan het niet regelen. We kunnen de werkgelegenheid niet missen, we kunnen de nodige aanpassingen niet doen en we hebben geen macht om PDVSA, de Venezolaanse maatschappij die de olie raffineert, te dwingen om de voorwaarden in het contract na te komen. En zo is het ook: de Islaraffinaderij sluiten is geen optie in verband met de werkgelegenheid, de Islaraffinaderij schoonmaken kan de minister niet, en Curaçao kan de Venezolaanse PDVSA niet dwingen.

Ik heb lang gedacht dat dit een autonome aangelegenheid was – ik zit inmiddels zes jaar op dit dossier – maar ik ben tot de conclusie gekomen dat Curaçao het inderdaad niet alleen kan. Straks loopt het contract af met PDVSA. Hier worden op grote schaal mensenrechten geschonden en Curaçao kan het echt niet oplossen. Is het niet zo dat wij mede verantwoordelijkheid dragen voor de ontstane situatie? Zouden wij, samen met Curaçao, niet moeten nagaan in hoeverre we Shell dat zich laat voorstaan op maatschappelijk verantwoord ondernemen, alsnog tot enige genoegdoening kunnen brengen? Zou onze minister van Buitenlandse Zaken in zijn contacten met Venezuela – voor zover ons bekend is, is hij er op dit moment – niet kunnen aandringen op nakoming van de voorwaarden van het contract en nakoming van het memorandum of understanding van juni 2008, waarin werd beloofd binnen een maand te komen met projecten die de uitstoot van de raffinaderij moeten beperken? Wij vragen deze minister om daar bij zijn ambtgenoot op aan te dringen. De leaseovereenkomst met PDVSA eindigt in 2019. Wij zouden ook graag zien dat minister Timmermans Venezuela aanspreekt op de noodzaak om de plannen voor na 2019 bekend te maken. Het zou voor Curaçao immers rampzalig zijn als er niet tijdig op welke voornemens dan ook geanticipeerd kan worden.

De SMOC procedeert tegen Nederland bij het Europese Hof. Het zal lang duren, maar de kans is groot dat ze gelijk krijgt. Het Koninkrijk der Nederlanden, nog steeds een van de rijkere landen ter wereld, schendt het recht van haar inwoners op gezondheid, zoals genoemd in art. 12 van het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, art. 24 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind en art. 8 van het EVRM. We kunnen ons niet langer verschuilen achter het feit dat milieu onder de autonome bevoegdheden van het land valt. Het valt onder de waarborgfunctie. Het land kan het probleem niet oplossen. Is de minister dat met ons eens? Is de minister bereid om samen met Curaçao en Venezuela naar een oplossing te zoeken?

Ik kom op de BES-eilanden, bijzondere gemeenten van Nederland. Over de problemen die na de transitie nog niet opgelost zijn, hebben we al schriftelijk van gedachten gewisseld. De vorige sprekers zijn daar ook uitgebreid op ingegaan. Een probleem dat er blijkens het rapport van UNICEF op de BES-eilanden uitspringt, is huiselijk geweld. Ook de kinderen worden veel geslagen en uitgescholden. Het feit dat iedereen iedereen kent en de schaamte maken dat er niet over gesproken wordt. Saba is vast besloten daarmee aan de gang te gaan en het probleem bespreekbaar te maken. In de workshop over Bonaire viel op dat een aantal problemen zoals schooluitval, verveling, kattenkwaad en tienerzwangerschappen allemaal terug te voeren zijn op het feit dat te veel kinderen vanaf 13.00 uur, als de school uitgaat, alleen thuis zijn of voor broertjes en zusjes moeten zorgen en dan verveeld rondhangen. Er is wel enig aanbod, bijvoorbeeld van waterpolo, maar daar gaan ze niet heen. Er is geen toezicht, er wordt niet samen gegeten en dus wordt er ook weinig met elkaar gepraat. Dat dit uiteindelijk makkelijk kan leiden tot een criminele carrière is begrijpelijk: geen diploma, geen werk en geen discipline, want dat is ze, door afwezigheid van ouders, nooit geleerd. Het schrijnende is, en daarom is het van belang het hier te bespreken, dat deze problemen voor een groot deel terug te voeren zijn op het feit dat de moeders, die net als overal elders in de wereld het beste willen voor hun kinderen, hen toch alleen moeten laten omdat ze met één baan het hoofd niet boven water kunnen houden. Ze hebben dus twee en soms drie banen.

Dat brengt mij op het differentiatieartikel in het Statuut dat het kabinet nu ook in de Grondwet wil opnemen met het oog op Caribisch Nederland. In onze Grondwet staat nu dat allen in het Koninkrijk in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Het differentiatieartikel voegt daar niets aan toe, maar roept daarom wel de vraag op waarom deze zinloze toevoeging nodig zou zijn in een immers sobere Grondwet. Het artikel roept niet alleen vragen maar ook weerstand op. En terecht. Waarom die toevoeging? Is de minister het met ons eens dat gelijke behandeling in gelijke gevallen impliceert dat er differentiatie mogelijk is in ongelijke gevallen? Natuurlijk kan er op grond van de eilandelijke situatie, de schaal van de eilanden et cetera sprake zijn van ongelijke gevallen, die dan ook ongelijk of gedifferentieerd mogen worden behandeld. Maar wat is er eigenlijk nodig om daadwerkelijk in een concreet geval ongelijk te mogen behandelen? Het College voor de rechten van de mens stelt daarover in zijn advies "Gelijke Behandeling bij de toepassing van het kinderrechtenverdrag in Caribisch Nederland" in zijn algemeenheid het volgende: voor differentiatie moet altijd gekeken worden naar zowel vergelijkbaarheid als rechtvaardiging van gemaakt onderscheid. Ik verwijs graag naar het desbetreffende advies van 3 april 2013. Er kan ons inziens daarom in elk geval niet volstaan worden met verwijzing naar de in de aanloop naar de transitie gemaakte afspraken, zoals de minister doet in antwoord op de in de aanloop naar dit debat gestelde vragen. Dat doet Nederland overigens ook niet als het gaat om legislatieve terughoudendheid nu er beduidend meer nieuwe wetgeving over de eilanden is uitgestort dan de partijen aan tafel destijds voor ogen stond. De conclusie van het College voor de rechten van de mens – kort geleden hebben we dat college met veel vertrouwen geïnstalleerd – is dat gelijke behandeling gaat boven differentiatie en dat er voor differentiatie altijd een impact assessment nodig is.

Het toepassen van dit principe op de inkomenssituatie van mensen op de BES-eilanden lijkt heel hard nodig. In Nederland kan iemand van één baan, ook de laagst betaalde, leven, zij het in deze tijd met moeite. Maar mede dankzij toeslagen zoals kinderbijslag, huurtoeslag en bijdragen van de overheid en werkgevers aan kinderopvang et cetera lukt dat. Er is zodoende altijd de mogelijkheid het leven zo in te richten dat toezicht op en leiding geven aan de opvoeding mogelijk is. En als de minister zegt dat er geen sprake is van méér armoede in Caribisch Nederland dan in Europees Nederland waar blijft dan het onderzoek daarover van het Sociaal en Cultureel Planbureau? Wij hebben immers duidelijk gemaakt dat de tot nu toe gepresenteerde onderzoeken ons in het geheel niet overtuigen. Met betrekking tot de huidige situatie van de kinderen in Caribisch Nederland vragen wij de minister nogmaals om met spoed het SCP onderzoek te laten doen, zoals ook in Nederland wordt gedaan, naar de armoede in Caribisch Nederland, en dan gedifferentieerd naar eiland, want dat schijnt nogal verschillend te liggen.

Daarnaast willen wij graag weten of de overlegtafels die de staatssecretaris van SZW en de bestuurscolleges medio dit jaar met de relevante partijen, met name werkgevers en werknemers, zouden organiseren reeds hebben plaatsgevonden. Zo ja, wat zijn hiervan de resultaten? Voorts vragen wij of de minister het met ons eens is dat de keuze om geen kinderbijslag, huurtoeslag et cetera uit te keren, gelet op het advies van het College voor de rechten van de mens, juridisch niet gebaseerd kan worden op afspraken in het verleden, zodat dit onderscheid, deze differentiatie, zonder impact assessment niet langer houdbaar is?

Uiteraard moet op de BES-eilanden ook het probleem van de afwezige vaders aangepakt worden. Sint-Maarten overweegt wettelijk te regelen dat het verplicht is bij aangifte van een geboorte de naam van de vader te noemen. Dat kan in Caribisch Nederland natuurlijk niet, want wij hebben onze eigen wetgeving, maar het probleem moet wel aangepakt worden. Na een bewustwordingscampagne zou bijvoorbeeld gestimuleerd kunnen worden dat vaderschapsacties worden gevoerd, zodat het zwangere meisjes duidelijk wordt dat het niet normaal en niet nodig is dat ze er alleen voor opdraaien, en het de jongens duidelijk wordt dat ze er niet mee wegkomen. Ook met zo'n voorstel lopen we weer aan tegen het feit dat de jonge moeders geen geld hebben om tegen de verwekker te procederen. Ik ben er wel van overtuigd dat, als een halfjaar lang consequent iedere jongen verplicht zou worden, desnoods via de rechtbank, om alimentatie voor het door hem verwekte kind te betalen, het gebruik van condooms een stuk populairder zou worden.

Ik sluit met betrekking tot de BES-eilanden af met, ook als volksvertegenwoordiger van Caribisch Nederland, mijn dank uit te spreken aan deze minister dat hij, anders dan zijn voorganger, een coördinerende rol op zich heeft willen nemen. In de ogen van mijn fractie is dat bepaald geen overbodige luxe. Het is van groot belang alle wetten en regelingen in samenhang te bezien. Dat is voor de departementen bepaald nog geen tweede natuur geworden. Dat lijkt ons, minstens tot de evaluatie is voltooid, van groot belang. De boeiende gedachtewisseling die wij in de aanloop naar dit debat schriftelijk hebben gevoerd, zal in elk geval voortgezet worden bij gelegenheid van de evaluatie, en zo nodig, denk aan de gezondheidszorg, al op korte termijn.

Dit was het wat de SP betreft. Wij hebben twee hoofdvragen gesteld: een over gelijke rechten voor inwoners van de BES-eilanden en een over de vervuiling van de Islaraffinaderij. Twee vragen die voor ons van het grootste belang zijn. Beide gaan over schendingen van mensenrechten. Nederland, met Den Haag als legal capital of the world, heeft een reputatie hoog te houden. Wij hopen dat deze minister zich daarvoor, samen met zijn ambtgenoten, in antwoord op onze vragen wil inzetten.

Voorzitter: Franken

De heer Thom de Graaf (D66):

Voorzitter. Om te beginnen betuig ik namens mijn fractie mijn deelneming aan de bevolking van Curaçao met de verschrikkelijke moord op Helmin Wiels. Er is een tijd geweest dat aanslagen op politieke leiders in ons Koninkrijk ondenkbaar waren. Dat was iets voor andere, barre oorden waar recht geen traditie kent en macht geen grenzen. Zo naïef zijn wij niet meer. Ook in Nederland hebben wij inmiddels hierin recente geschiedenis.

Wat de motieven en achtergronden van deze aanslag ook zijn geweest, de daders hebben met hun schoten niet alleen een mens, maar ook het land Curaçao en het Koninkrijk in het hart geraakt. Wij weten niet of dat de opzet was, maar wel dat de golven van verontwaardiging ook op de Nederlandse kusten zijn aangespoeld. Het is goed om te constateren dat juist in moeilijke tijden het koninkrijksverband meer is dan slechts een formele, juridische structuur. Solidariteit, een gedeeld verleden en de inzet voor een gedragen rechtsstaat, voor welvaart en welzijn, zijn waarden die van minstens zo groot belang zijn. Ik wil nadrukkelijk deze waarden benoemen, in de hoop dat onze koninkrijksgenoten op Curaçao zich daardoor gesterkt weten. De waarden vormen voor mijn fractie de kern van de toekomst van het Koninkrijk en strekken zich uit tot alle landen en alle eilanden. Het Koninkrijk is op 10-10-10 weliswaar van vorm veranderd, maar niet van inhoud en betekenis.

Het is goed dat wij vandaag het debat over de toekomst van het Koninkrijk voeren. Tegelijkertijd is het betrekkelijk lastig en zelfs enigszins ontijdig. Het is verstandig om van tijd tot tijd de actuele onderwerpen, zoals de Islaraffinaderij op Curaçao, de zorgkosten op Sint-Eustatius of de invoerheffingen van Sint-Maarten te overstijgen, en ons te richten op de achterliggende structuren en de wijze waarop het Koninkrijk en zijn afzonderlijke onderdelen functioneren. Ik zeg dit met alle respect voor de inbreng van mevrouw Quik-Schuijt. Maar er zit ook iets lastigs in. Het Koninkrijk zoals wij dat nu qua vorm en structuur kennen, is de resultante van een gezamenlijke, deels pijnlijke koloniale en neokoloniale geschiedenis. Die heeft ervoor gezorgd dat de samenstellende delen weliswaar bij elkaar zijn gebleven, maar zich niet altijd verbonden hebben gevoeld. De laatste veertig jaar is het ook een geschiedenis geweest van niet goed met, maar ook niet goed zonder elkaar kunnen. With or without you, om met een bekende rockband te spreken.

Spreken over de toekomst van het Koninkrijk gaat dan ook niet alleen over staatsrechtelijke verbanden, waarborgfuncties en deugdelijk bestuur, maar ook over culturele, economische en historische afhankelijkheden en de gevoeligheden die aan de weerszijden van de oceaan in de loop der tijd zijn ontstaan. Wie nu de wereld opnieuw zou ontwerpen, zou een confederatieve staatsvorm als dit Koninkrijk, met onderdelen die duizenden kilometers van elkaar afliggen en gescheiden worden door water, klimaat, cultuur en bevolkingsaard, niet hebben kunnen verzinnen. Ons Koninkrijk is een door de historie aan ons overgeleverde rechts- en samenlevingsvorm, waar wij gezamenlijk het beste van moeten maken. Dat doen wij omdat wij die gezamenlijke historische ankers hebben, omdat er verantwoordelijkheden in het verleden zijn opgebouwd, omdat we toch, ondanks de grote afstanden, cultureel verbonden zijn en omdat het koninkrijksverband sociaaleconomisch en geopolitiek profijtelijk kan zijn voor het geheel en voor elk deel afzonderlijk. Het is een onmogelijk verband als je er puur rationeel naar kijkt, met ongelijksoortige landen en ongelijksoortige gevoelens, maar voortgedreven door een groot verleden en de vaste wil om op de een of andere wijze verbonden te blijven. Vanzelfsprekend is het steeds aan de Caribische delen om te besluiten zich uit dit verband los te maken of juist niet. Van autonomie naar onafhankelijkheid is een keuze die rechtens de bevolkingen van de Caribische landen toekomt. Die keuze heeft Nederland als oud-kolonisator niet. Het eenzijdige afstoten van voormalige koloniën is in het internationale volkenrecht immers niet toegestaan. Onszelf terugtrekken uit het Koninkrijk zou niet alleen om deze reden onbestaanbaar zijn, het zou wat mij betreft ook moreel niet aanvaardbaar zijn.

Het is wellicht ook ontijdig om nu over de toekomst van het Koninkrijk te spreken. We hebben pas tweeëneenhalf jaar geleden de bakens verzet, want zo kort is 10-10-10 nog maar geleden. Vijf jaar na de structuurverandering zou een evaluatie worden gehouden. Dat roept een vraag op. In de Tweede Kamer zei de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties recentelijk dat deze evaluatie binnen tweeëneenhalf jaar moet zijn afgerond. Ik zie de minister hoofdschudden, maar vorige maand noemde hij in de Tweede Kamer de periode "binnen tweeënhalf jaar vanaf nu". Dat lijkt mij een uitstekend streven, ik zeg het hem graag na. Het spoort alleen niet helemaal met zijn schriftelijke uiteenzetting aan de Eerste Kamer waarin staat dat de evaluatie in oktober 2016, dus over drieënhalf jaar, klaar moet zijn. Hij voerde deze termijn aan als het argument tegen het besluit van de Eerste Kamer om de eerste lezing van de grondwetsherziening, die onder meer het kiesrecht voor de Eerste Kamer aan de eilandvertegenwoordigingen op de BES-eilanden wil toekennen, te verdagen totdat de evaluatie beschikbaar is. Misschien dat de minister nog eens de timetable voor deze evaluatie wil schetsen. Mijn fractie zou dat op prijs stellen.

Ook zou ik op korte termijn graag van de minister willen weten hoe deze evaluatie in zijn werk gaat. Ik heb begrepen dat de minister net als wij kiest voor een onafhankelijke evaluatie die op koninkrijksniveau, dus niet alleen door Nederland, wordt uitgevoerd door gezaghebbende mensen met draagvlak in alle landen. Ik krijg daar graag een bevestiging van.

Ik voeg er ook de vraag aan toe of de onafhankelijke commissie die deze evaluatie gaat uitvoeren, tevens advies zou kunnen uitbrengen over de modernisering en actualisering van het Statuut. Van de eerdere voornemens om het Statuut, dat inmiddels bijna 60 jaar oud is, kritisch tegen het licht te houden, is weinig terecht gekomen. Ik reken mij dat ook zelf aan, want tien jaar geleden had ik als rechtsvoorganger van de minister dat voornemen al en ook toen stonden tussen droom en daad misschien geen wetten, maar wel praktische bezwaren. Toen moest immers eerst worden nagedacht en besloten over de ontmanteling van het land Nederlandse Antillen. Ook latere bewindslieden zijn er niet meer aan toegekomen: de transitie van 10-10-10 trok alle aandacht en energie weg. Een doordenking van het Statuut en zijn regelingen van onderlinge waarborgen, koninkrijksverantwoordelijkheden en -instrumenten, is thans echt op zijn plaats. Een staatscommissie zou dit kunnen entameren, maar het kan ook, zoals ik suggereerde, samengaan met de evaluatie van de nieuwe structuur. Ik hoor graag de reactie van de minister.

De transitie van het land Nederlandse Antillen naar de autonome landen Curaçao en Sint-Maarten en de bijzondere Nederlandse openbare lichamen, de BES-eilanden, heeft D66 van harte gesteund. Mijn partij heeft in het kabinet-Balkenende II mede aan de basis gestaan van deze transitie door niet langer van de vanzelfsprekendheid van het landsniveau Antillen uit te gaan en een status aparte van de grotere eilanden bespreekbaar te maken.

Het rapport van de bipartite commissie-Jesserun uit 2004 heeft de weg geopend die uiteindelijk leidde tot de ontmanteling van de Nederlandse Antillen en de vestiging van nieuwe verhoudingen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. De structuur die in de loop van dit proces werd overeengekomen, is zeker geen eenvoudige en kost tot op de dag van vandaag veel hoofdbrekens. Maar naar onze overtuiging was de stap absoluut noodzakelijk en onvermijdelijk. Het land Nederlandse Antillen was een onvruchtbaar gebleken constructie geworden, die op Curaçao tot een dubbeling van bestuursstructuren leidde en op de andere eilanden tot grote afstand en veel wantrouwen. De status aparte van Aruba sinds 1986 leerde bovendien dat autonomie op een kleinere schaal weliswaar moeizaam maar niet onmogelijk behoefde te zijn. En kijk eens waar Aruba nu staat: als we ons in het Koninkrijk over één land op dit moment geen zorgen maken, is het wel Aruba: economisch dynamisch, investerend in internationale relaties en in betrouwbaarheid van bestuur en bedrijfsleven. Dat is een compliment aan het adres van premier Mike Eman en zijn kabinet, maar ook een richtingwijzer voor Curaçao en Sint-Maarten. In dit kader vraag ik de minister wat er overigens is geworden van het samenwerkingsprotocol dat Nederland in oktober 2011 met Aruba sloot en dat voorzag in de intensivering van de bilaterale samenwerking op onder meer bestuurlijke vernieuwing, openbare financiën, onderwijs en politie. Ik neem aan dat daar inmiddels concrete acties op zijn ondernomen.

Ik zei al dat de gekozen structuur niet eenvoudig is. De autonomie van de nieuwe landen Curaçao en Sint-Maarten staat wat mij betreft niet ter discussie, ook niet bij de evaluatie. Bij de evaluatie zal volgens mij echter wel het uitgangspunt van de eenvormigheid nog eens goed tegen het licht moeten worden gehouden. Is het verstandig geweest om voor Sint-Maarten, veel kleiner en nog kwetsbaarder voor externe beïnvloeding, corruptie en georganiseerde criminaliteit, dezelfde regelingen te maken als voor Curaçao en Aruba? Ik ben daar achteraf bezien niet helemaal gerust op. Een punt in dit verband is bijvoorbeeld ook de gemeenschappelijk Centrale Bank voor Curaçao en Sint-Maarten. Is dit ook op de lange termijn te prefereren? Mijn fractie kan zich voorstellen dat we in de toekomst meer differentiëren in de verhoudingen tussen Koninkrijk en landen, waarbij tussen de huidige constructies van aan de ene kant een autonoom land en aan de heel andere kant een Nederlands openbaar lichaam nog tussenvormen denkbaar zijn: wel autonoom maar met meer toezicht en meer controle bijvoorbeeld. Dit is ook afhankelijk van de grootte van de eilanden. Wij zullen daar met een open blik naar moeten kijken en bepaalde tussenvormen niet bij voorbaat moeten uitsluiten.

Vooralsnog staan stabilisering en consolidatie voorop. Het Koninkrijk is kwetsbaar, ook in de nieuwe structuur. Dat werd al pijnlijk duidelijk in de verhoudingen met het kabinet-Schotte op Curaçao: de ministers waren moeizaam gescreend, de premier weigerde zich naar het geldende staatsrecht te gedragen, de Koninkrijksregering leek machteloos te moeten toezien en bovendien was er een aanwijzing via een Algemene Maatregel van Rijksbestuur over de financiële huishouding binnen twee jaar na de autonome status van Curaçao. Dat alles gaf ernstig te denken.

In dat kader was het goed dat de voorgangers van deze minister, de heer Donner en mevrouw Spies, hun licht hebben laten schijnen over de betekenis van het Koninkrijk en de waarborgfunctie uit het Statuut. Daar zou ik de minister ook graag over horen. Mijn fractie ziet overigens een grote en groeiende betrokkenheid van de minister bij dit deel van zijn portefeuille. Hij lijkt daar tijd voor te kunnen en willen inruimen. Wij juichen dat toe. Hij is immers de eerste hoeder van het Statuut en van de onderlinge koninkrijksverhoudingen en als zodanig verwachten wij van hem ook heldere visies. Staat de minister in dit verband achter de eerdere notitie van zijn ambtsvoorganger Donner over de waarborgfunctie of heeft hij daar inmiddels eigen gearticuleerde opvattingen over?

De waarborgfunctie van het Koninkrijk is wat mij betreft een moeizaam en lastig leerstuk. De landen zijn autonoom verantwoordelijk voor de verwezenlijking van fundamentele rechten en vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijk bestuur, aldus artikel 43, eerste lid van het Statuut. Maar het tweede lid van dit artikel maakt het waarborgen van deze rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur tot een aangelegenheid van het Koninkrijk. Het gaat hier om een verantwoordelijkheid voor ingrijpen in laatste instantie, als redres in eigen kring niet meer mogelijk is, een ultimum remedium dus.

Mijn fractie denkt dat wij in het verleden genoegzaam hebben kunnen vaststellen dat dit ultimum remedium uit zijn aard en gelet op de verhoudingen een dode letter dreigt te worden. Het Statuut kent meerdere bepalingen over mogelijke schending van internationale verdragen of koninkrijksrecht dan wel taakverwaarlozing, maar de verhoudingen binnen het Koninkrijk maken het moeizaam voorstelbaar dat daadwerkelijk in het landsbestuur zal worden ingegrepen door of vanwege de Koninkrijksregering. De reden daarvoor is dat de Koninkrijksregering wordt gedomineerd door Nederland en dat daadwerkelijk ingrijpen door de voormalige kolonisator moeizaam zal worden begrepen, niet alleen door anderen, maar ook in eigen kring. Het Statuut is op dit punt gewoon moeizaam, misschien zelfs wel onbruikbaar gebleken.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Over die waarborgfunctie hebben wij het eigenlijk altijd gehad in het kader van goed bestuur. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de mensenrechten nog vóór dat goede bestuur in het artikel stonden. Door toestanden zoals bij Isla komt de gezondheid van mensen in het geding. Gezondheid is een mensenrecht waarvoor de waarborgfunctie wel degelijk geldt. Daar kunnen wij iets mee. Het is heel erg moeilijk om in te grijpen in het bestuur, maar op dat andere vlak zouden wij kunnen helpen. Ziet de heer De Graaf dat ook zo?

De heer Thom de Graaf (D66):

Tussen helpen en ingrijpen zit echt een groot verschil. Samenwerken gaat vooraf aan ingrijpen. Ik ben een groot voorstander van alle mogelijke samenwerkingsconstructies. Soms betekent dit dat je daarin moet willen investeren, ook financieel. Ik sluit dat ook niet uit. Dat is echter iets anders dan dat wij tegen de wil van de zittende regering van een land ingrijpen, omdat wij menen dat een mensenrecht zodanig geschaad is dat er sprake is van een schending van artikel 43, eerste lid. Dan gaan wij voorbij aan dat bestuur. Dat betekent dat wij in sommige gevallen misschien de tent moeten overnemen. Ik zie dat niet voor mij. Sterker nog, de enige keer dat er iets is gebeurd – ik meen dat dit in 1969 was – hebben wij nog heel sterk voor ogen. Niemand wil dat opnieuw.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Daar ben ik het helemaal mee eens. Waar staat dat het begrip "waarborgen" betekent "ingrijpen tegen de wil van de mensen"? Hier zouden wij ingrijpen met welnemen van de mensen. Dat is toch ook waarborgen? Misschien moeten wij de Van Dale erbij halen.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik kijk even naar de ontstaansgeschiedenis van dit artikel en naar de interpretatie die de regering eerder heeft gegeven. Artikel 43, lid 2 gaat echt over het ingrijpen als ultimum remedium zodra een correctie en een activiteit, een handelen in de eigen autonome kring, niet langer gebeurt of mogelijk is. Dan ga je dus voorbij aan en over de autonome regering van dat land heen.

De voorzitter:

Nog één keer, mevrouw Quik.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Dit moge zo zijn. Ik neem onmiddellijk van de heer De Graaf aan dat het artikel zo is ontstaan. Inmiddels hebben wij geleerd dat wij eigenlijk wat dat betreft heel erg weinig, zo niet helemaal niets kunnen doen tegen de zin van de landen in. Voortschrijdend inzicht zou kunnen leiden tot een iets andere definitie van het begrip "waarborgen" of sluit de heer De Graaf dat uit?

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik denk dat wij niet aan begripsvervaging moeten doen. Het is verstandig om de waarborgfunctie zo op te vatten zoals die bedoeld is. Dit sluit niet uit dat wij in een aantal voorkomende gevallen meer kunnen samenwerken en meer samenwerking kunnen aanbieden. Dat is iets anders dan de autonomie op een enkel punt gewoon doorbreken en zeggen dat wij vinden dat men het niet goed doet en dat, als men het niet anders wil doen, wij het zullen doen. Daar gaat het over in die waarborgfunctie. Met "wij" bedoel ik dan het Koninkrijk en niet per se het land Nederland. Het probleem is wel, zoals ik al zei, dat de Koninkrijksregering en de Nederlandse regering erg veel op elkaar lijken. Zo zal het ook altijd worden gepercipieerd.

Mevrouw Quik heeft echter gelijk, want in het kader van samenwerking kan veel. Ik denk bijvoorbeeld ook aan het Recherche Samenwerkingsteam (RST), de kustwacht en aan het financieel instrumentarium. Al deze elementen zijn behulpzaam in het streven naar goed bestuur en het verzekeren van mensenrechten en fundamentele vrijheden. Dat Nederland in de gedaante van het Koninkrijk daadwerkelijk, al dan niet tijdelijk, het bestuur van een land zou overnemen om de waarborgfunctie van het Statuut uit te oefenen, lijkt mijn fractie een feitelijke onmogelijkheid die we dan ook gewoon moeten vergeten tenzij er sprake is van een zodanig totale noodtoestand dat men er met het normale recht niet meer uit kan komen. Het kabinet-Rutte I stelde, ik citeer: "Het streven van alle landen in het Koninkrijk dient erop gericht te zijn die onderlinge samenwerking zo goed als mogelijk invulling te geven, waardoor elk van de landen volledig in staat zal zijn eigenstandig de in het Koninkrijk geldende normen en waarden op het gebied van deugdelijk bestuur, rechtszekerheid en de fundamentele rechten en vrijheden te garanderen. Wanneer de landen van het Koninkrijk daar in slagen, komt het Koninkrijk nooit aan uitoefening van de waarborgfunctie toe." Ik voeg daaraan toe: als zij daar niet in slagen, ook niet. Dat is gelijk ons probleem. Ik ben overigens benieuwd hoe de minister daartegenaan kijkt.

De situatie op de verschillende eilanden verschilt zeer. Ik sprak al mijn zorgen uit over de intrinsieke kwaliteit van bestuur en rechtshandhaving op Sint-Maarten. Ik hoor daar graag het oordeel van de minister over. Over Aruba ben ik positief. Ik zie ook vele handreikingen tot samenwerking en een gemeenschappelijke inzet om aan het koninkrijksverband ook een economische meerwaarde te verschaffen. Mijn voorgangers achter deze katheder hebben daar al eerder over gesproken. Denk daarbij aan de hubfunctie die Aruba wil uitoefenen tussen Europa en de Amerika's.

Curaçao is sinds het interim-kabinet-Betrian en het goede werk van het huidige zakenkabinet-Hodge een nieuwe en wat ons betreft positieve weg ingeslagen. Wij zullen afwachten wat de reconstructie onder leiding van de beoogde nieuwe premier Ivar Asjes zal betekenen. Ook zullen wij afwachten of in het nieuwe kabinet goede mensen zitting zullen nemen of blijven houden. De stabiliteit van Curaçao is er, dunkt mij, mee gediend dat het beleid van Hodge cum suis, gericht op financiële reinheid en regelmaat en nieuwe economische ontwikkeling, wordt voortgezet. Ik heb er ook vertrouwen in dat de stappen die genomen zijn in het kader van deugdelijk bestuur – ik denk aan de screeningswet – verder worden uitgebouwd. Laat dat ook de erfenis van Helmin Wiels zijn.

De BES-eilanden blijven de bijzondere verantwoordelijkheid van Nederland. Wij hebben al meermalen met de minister en zijn collega's over problemen van de kleine eilanden mogen spreken. Ik ga dat nu niet herhalen. De ligging, de omvang, het insulaire karakter en de beperkte mogelijkheden van Bonaire, Statia en Saba brengen met zich mee dat de Nederlandse wetgeving niet al te absoluut en direct moet worden vertaald. De inkomsten zijn beperkt, de verbinding met voorzieningen buiten de eilanden zijn extreem duur en de prijzen van importproducten rijzen de pan uit. De opmerking die mijn fractie de afgelopen periode het meest in het verkeerde keelgat is geschoten, komt van minister Schippers, die meent dat de omvang van het basiszorgpakket gelijk moet zijn met dat in Nederland, omdat zij dat anders niet aan de burgers hier kan uitleggen. Niet alleen is dat een argument dat zichzelf in de staart bijt – dan moet zij het maar beter uitleggen – het is ook gebaseerd op de foute aanname dat de omstandigheden daar min of meer gelijk zijn aan die in Nederland. Dat zijn ze niet en dat zullen ze ook nooit worden.

Het staat nog niet vast of de BES-eilanden gemeenten zullen worden of bijzondere openbare lichamen blijven. Wel staat vast dat zij een aparte positie binnen de Nederlandse Staat zullen blijven innemen. De legislatieve terughoudendheid dient dan ook als leidraad voort te bestaan en de regering zal zich, nu en in de toekomst, moeten realiseren dat de drie kleine eilanden tot bijzondere uitgaven nopen, ook bovenop hetgeen jaarlijks op grond van de FinBES-wetgeving wordt uitgekeerd. Maatvoering is bij de BES-eilanden doorslaggevend. De bewijslast voor nieuwe regelgeving en nieuwe verplichtingen dient verzwaard bij de Nederlandse regering te liggen.

In algemene zin merk ik op dat de belangen van deze kleine eilanden beter kunnen en moeten worden behartigd, door henzelf, wellicht ook via een eigen vertegenwoordiging in Den Haag, maar ook door de Rijksdienst Caribisch Nederland. De Rijksvertegenwoordiger is de representant van het Nederlandse toezicht, een commissaris van de Koning in miniatuurvorm, maar hij heeft als bestuurder – hij is immers geen ambtenaar – ook een eigenstandige positie. Hij is niet alleen maar de spreekbuis en de uitvoerder van de Nederlandse regering. De Rijksvertegenwoordiger kan die eigenstandige positie gebruiken als intermediair en postillon. Ik nodig hem uit om die positie te gebruiken, in het belang van de kleine eilanden. In dit verband merk ik op dat de door mevrouw Van Bijsterveld gemaakte opmerkingen zeer interessant zijn. Graag hoor ik de reactie van de minister daarop. Wij hebben er overigens grote waardering voor dat de minister niet, zoals zijn beide voorgangers, wegduikt voor de coördinatie van het rijksbeleid op de BES-eilanden, maar daadwerkelijk de eerste verantwoordelijkheid wil dragen en daarop wil worden aangesproken. Dat doen wij dan ook graag.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik sluit aan bij de opmerkingen over de Rijksvertegenwoordiger. In de aanloop naar dit debat hebben wij daar vragen over gesteld. Uit de beantwoording van die vragen door de minister was het duidelijk dat de Rijksvertegenwoordiger geen eigen verantwoordelijkheid heeft. Ik sluit mij derhalve aan bij de vraag hoe het precies zit. Als hij geen eigen verantwoordelijkheid heeft, hoe krijgen wij dan de stem van de eilanden hier te horen?

De heer Thom de Graaf (D66):

Als de Rijksvertegenwoordiger geen eigen verantwoordelijkheid zou hebben, is hij ook geen bestuurder, maar gewoon een ambtenaar met een ambtelijk mandaat. Niettemin heeft de regering een- en andermaal nadrukkelijk gezegd dat de Rijksvertegenwoordiger geen ambtenaar, maar een bestuurder is. Dat wisselt niet per persoon; het maakt niet uit of het gaat om Rijksvertegenwoordiger Kamp of Rijksvertegenwoordiger Stolte. Als er een bestuurlijke verantwoordelijkheid is, is er dus ook een eigenstandige verantwoordelijkheid, die niet alleen maar een-op-een de uitvoering van rijkstaken betreft. Graag hoor ik de reactie van de minister op dit punt.

Ik sluit af met een laatste vraag over de nog steeds relevante discussie over de verhouding tussen de Caribische delen van het Koninkrijk en de Europese Unie. Minister Timmermans heeft hierover onlangs nog een brief naar de Tweede Kamer gezonden. Daarin laat hij opnieuw weten dat de LGO-status wat hem betreft meer voordelen oplevert dan wel wordt gedacht. De vraag naar de toepassing van het Unierecht zal bij de evaluatie aan de orde moeten komen. Het lijkt mijn fractie dat de status van ultraperifeer gebied, een gebied waar het Unie-acquis met derogatiemogelijkheden geldt, voor de Nederlandse openbare lichamen in het Caribisch gebied, de BES-eilanden, uiteindelijk voor de hand ligt. Ik verwijs in dit verband naar het artikel dat professor Bröring daarover heeft geschreven. De autonome landen zullen hun eigen keuze moeten maken – die keuze kunnen wij niet voorschrijven – maar zij kunnen die keuze niet eindeloos voor zich uit schuiven. Ziet de minister op dit punt een tijdpad?

Mijn fractie wacht met grote belangstelling de reactie van de minister op mijn vragen en opmerkingen af.

De heer Van Dijk (PVV):

Voorzitter. De inbreng van de PVV-fractie over de toekomst van het Koninkrijk zou een halfjaar geleden waarschijnlijk alleen over Curaçao zijn gegaan. Door de onvoorstelbare puinhoop die de vorige regering van ex-minister-president Schotte van het eiland had gemaakt, werd de aandacht volkomen afgeleid van de andere eilanden. Een regering Schotte, vol duistere figuren, zou nooit zijn benoemd als er vooraf deugdelijke controles hadden plaatsgevonden. Ondanks waarschuwingen, zelfs van de veiligheidsdienst op het eiland, heeft de Koninkrijksregering nooit ingegrepen. De waarborgfunctie bleek een loze letter in het Statuut en een crimineel wanbeleid bleef ongestraft.

Na de verkiezingen op Curaçao van eind vorig jaar en de draai van 180 graden van de PS bij de kabinetsformatie, is begin 2013 het huidige zakenkabinet van minister-president Hodge aangetreden. Het moet gezegd dat er vanaf dat moment verbetering zichtbaar is op het eiland. Toch houden wij ons hart vast, want dit zakenkabinet zal binnenkort waarschijnlijk plaatsmaken voor een politiek kabinet. Mede door de laffe moord op de leider van de PS, Helmin Wiels, is de toekomst van de politiek op Curaçao en daarmee de toekomst van heel Curaçao uiterst onzeker. Zolang duistere figuren als Gerrit Schotte met zijn maffiaconnecties, zoals de door Interpol gezochte maffiabaas Corallo, lid kunnen zijn van de Staten van Curaçao, is continuïteit van deugdelijk bestuur nu en in de toekomst uiterst onzeker. En deugdelijk bestuur is, zoals gezegd, de verantwoordelijkheid van het Koninkrijk. Ik wijs op artikel 43 van het Statuut, inzake de waarborgplicht.

Na de sanering, in oktober 2010, met het astronomische bedrag van 1,7 miljard euro Nederlands belastinggeld voor Curaçao en Sint-Maarten, lopen de tekorten inmiddels weer schrikbarend op. Het College financieel toezicht concludeert tot onze verbijstering dat beide landen 2012 met een tekort afsluiten en ook over 2013 hun zaken nog lang niet op orde hebben. De Koninkrijksregering heeft in juli vorig jaar een aanwijzing gegeven aan Curaçao om voor 1 september 2012 met passende maatregelen te komen. Die datum is niet gehaald. Kan de minister mij vertellen wat de huidige stand van zaken is? Als het aan de PVV ligt, gaat er van de Nederlandse belastingbetaler geen euro meer richting Curaçao en Sint-Maarten.

Wij constateren dat de huidige regering van Aruba, onder leiding van minister-president Mike Eman, zijn uiterste best doet om iets van het eiland te maken en dat er successen zichtbaar zijn. Echter, ook op Aruba is de financiële situatie zorgelijk en ook daar hangt er voortdurend politieke onzekerheid in de lucht. Een regeringswissel zou op dit moment wel eens desastreus kunnen zijn voor het eiland. Ik hoorde net collega De Graaf zeggen dat hij zich geen zorgen maakt over Aruba. Dan heeft hij niet het Antilliaans Dagblad van hedenmorgen gelezen, waarin staat dat Aruba dit jaar afstevent op een staatsschuld van 3,2 miljard, wat 71,2% van het bbp is. Daar maken wij ons wel zorgen om.

De voorkeur van de PVV is om als Europees Nederland uit het Statuut te stappen, dus afscheid te nemen van de eilanden. Maar ook wij weten dat datzelfde Statuut bepaalt dat Nederland de koninkrijksbanden niet eenzijdig kan verbreken. Daar ligt dan ook de reden dat wij vinden dat het Statuut niet deugt. Curaçao, Sint-Maarten en Aruba kunnen de koninkrijksrelaties namelijk wel eenzijdig verbreken, maar Nederland kan dat niet. Daarom heeft de PVV altijd gezegd dat het Koninkrijksstatuut gewijzigd moet worden.

De heer Thom de Graaf (D66):

Bent u het met mij eens dat het, zelfs als je het Statuut zou veranderen in de door u gewenste richting, nog steeds niet kan, omdat het in strijd is met het internationale recht en het ook zou leiden tot een veroordeling van de VN?

De heer Van Dijk (PVV):

Dat is denkbaar. Maar er zal eerst gesproken moeten worden over wijziging van het Statuut voordat we die conclusie kunnen trekken. Maar u zou gelijk kunnen hebben dat het in strijd is met de regels van de Verenigde Naties. Helaas is dat zo.

De heer Thom de Graaf (D66):

Dan maakt uw verzoek om het Statuut te wijzigen dus niet heel veel indruk, want dan leidt het nog steeds niet tot een vrije keuze van Nederland om uit het Koninkrijk te gaan, of de andere eilanden eruit te schoppen.

De heer Van Dijk (PVV):

Dat zijn uw woorden, dat hebt u mij niet horen zeggen.

De heer Thom de Graaf (D66):

Wat wilt u nu precies? U wilt het Statuut gewijzigd hebben, zodat Nederland eenzijdig kan besluiten om het koninkrijksverband te beëindigen.

De heer Van Dijk (PVV):

Ja, als het op die manier kan worden geregeld. Anders op welke andere denkbare manier dan ook.

De heer Thom de Graaf (D66):

Maar het kan niet, vanwege het internationale recht. Heeft uw oproep dan erg veel zin?

De heer Van Dijk (PVV):

Dat is uw standpunt niet, en het onze wel.

Van gelijkheid tussen verschillende delen van het Koninkrijk is trouwens nooit sprake geweest. Nederland, het Europese deel van het Koninkrijk, is altijd in het nadeel geweest, niet alleen financieel, maar ook op het punt van de migratie. Grote groepen kansarme Antillianen kwamen naar Nederland en hoefden nooit aan vestigingseisen te voldoen. Omgekeerd moesten Nederlanders uit het Europese deel van het Koninkrijk die zich op bijvoorbeeld Curaçao wilden vestigen, wel aan allerlei vestigingseisen voldoen. Deze ongelijkheid is te zot voor woorden, bestaat al veel te lang en is de PVV een doom in het oog. Wij willen graag van het kabinet weten wanneer deze ongelijkheid zal worden beëindigd.

Het Caribische deel van het Koninkrijk levert ons land helaas ook veel criminaliteit en overlast op. Ongeveer één op de drie Antilliaanse jongeren is in de periode tussen 2007 en 2011 in aanraking geweest met justitie. Dat is een gigantische oververtegenwoordiging, waarbij de gepleegde misdaden vaak ook gepaard gaan met geweld en seksuele agressie. Nederland stuurt grote bedragen geld naar de West en krijgt er criminelen voor terug. Wat de PVV betreft is de grens al geruime tijd geleden bereikt. Ik vraag het kabinet om serieus werk te gaan maken van het uitzetten van criminele Antillianen, uiteraard na het uitzitten van hun gevangenisstraf.

Daarbij kunnen we mogelijk dezelfde systematiek hanteren als nu al gebeurt voor criminele vreemdelingen die weliswaar niet beschikken over de Nederlandse nationaliteit, maar ook uit een ander land afkomstig zijn. Dit heet de zogenaamde glijdende schaal. Hierin wordt, afhankelijk van de duur van het verblijf in Nederland en de strafmaat, bepaald wanneer tot uitzetting kan worden overgegaan. Het voor de Antillianen laten gelden van de glijdende schaal zal niet alleen zorgen voor het vertrek van veel criminelen, maar zal zeker ook een preventieve werking hebben. Graag een reactie van de minister hierop.

Op 10-10-2010 zijn de Nederlandse Antillen opgeheven en zijn Curaçao en Sint-Maarten, naast Aruba, autonome landen binnen het Koninkrijk geworden. Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, de BES-eilanden, zijn bijzondere gemeenten van Nederland geworden. De PVV is altijd een gekend tegenstander van deze constructie geweest. In onze ogen absoluut geen oplossing, nee, zelfs niet eens het begin van een oplossing. Nederland had zich veel beter moeten verdiepen in de transitie naar de nieuwe constitutionele status en in het effect van de implementatie van honderden nieuwe wetten en regels op deze eilanden met hun buitengewoon beperkte administratieve capaciteit. De goedwillende bewoners van de eilanden verdienen beter. Bewoners wier welzijn ons aan het hart gaat. Persoonlijk ken ik Curaçao al decennia lang, ik ken de cultuur, de taal en de mensen. Ik heb er goede vrienden. Het produceren van schijnoplossingen voor de staatkundige toekomst verdienen de bewoners niet. De toekomst van de eilanden ligt niet in een nauwe band met Nederland, op ruim 8.000 kilometer afstand. De toekomst ligt wat ons betreft in de regio, het Caraïbisch gebied. Een lappendeken van tientallen grote en kleinere eilanden, veel daarvan zelfstandig of met een grote mate van autonomie. Zonder uitzondering met vergelijkbare problemen als de Caribische eilanden van het Koninkrijk. Intensieve samenwerking met de regio, in welk staatkundig verband dan ook, zal blijken de best denkbare toekomst voor de eilanden te zijn.

Wij zijn benieuwd naar de opvatting van de regering hierover en willen graag van de minister weten of er al eens serieus naar deze optie is gekeken.

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Ik spreek deze bijdrage uit mede namens de Partij voor de Dieren.

Vandaag houden we ons beleidsdebat over de toekomst van het Koninkrijk, waarbij we ons richten op de gebieden overzee. Daarin is in de afgelopen jaren op veel terreinen een grote mate van verscheidenheid ontstaan. We hebben nu de zogenaamde landen en gebieden overzee, de LGO's, waartoe behoren de eilanden Curaçao, ongeveer 2,5 keer zo groot als Texel met ongeveer 150.000 inwoners, Aruba, ongeveer zo groot als Texel met ongeveer 110.000 inwoners, en Sint-Maarten, vijf keer zo klein als Texel met ongeveer 40.000 inwoners. Daarnaast hebben we Caribisch Nederland met de BES eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, die de status van bijzondere gemeenten hebben, met elkaar minder dan twee maal Texel aan oppervlak bezitten en ongeveer 21.000 inwoners herbergen. Totaal spreken we over ruim 300.000 inwoners, heel wat minder dan van onze kleinste provincie Flevoland met ongeveer 400.000. De eilanden liggen op grote afstanden van elkaar en hebben cultureel, geografisch, geologisch, economisch en qua natuurwaarden weinig met elkaar gemeen. Dat vormt ontegenzeggelijk een enorm bestuurlijk probleem.

Het feit dat de eilanden deel uitmaken van ons Koninkrijk is een overblijfsel van ons koloniaal verleden, waarin de West-Indische Compagnie (WIC) een sleutelrol heeft gespeeld. In augustus 1634 veroverde de WIC Curaçao op de Spanjaarden. Met dit eiland verkreeg de WIC een uitvalsbasis voor handel en kaapvaart. Curaçao lag gunstig ten opzichte van de Spaanse koloniën op het vasteland en had ook de beste haven tot dan toe bekend in het Caribisch gebied. Daarnaast zocht de WIC naar een goede bron van zout. Curaçao werd het Nederlandse verzamelpunt voor de slavenhandel. Met name aan dat laatste worden we nu liever niet meer herinnerd. Men kan zich überhaupt afvragen of we in de context van het Koninkrijk niet veel definitiever dan tot dusver is gebeurd schoonschip moeten maken met dit koloniale verleden. Ik kom daar op terug.

De bestuurlijke geschiedenis is gecompliceerd en vooral de recente geschiedenis is van belang. Op 2 november 2006 werd er een akkoord gesloten tussen Nederland, Curaçao en Sint-Maarten, waarbij die eilanden een status aparte binnen het Koninkrijk krijgen vergelijkbaar met de status die Aruba al eerder verworven had. Eerder waren al afspraken gemaakt waarbij Saba, Sint-Eustatius en Bonaire Nederlandse gemeenten worden met een burgemeester, wethouders en een gemeenteraad. Nederlandse wetgeving zal daar in de plaats komen van de Antilliaanse. De mensen daar mogen stemmen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement. Curaçao en Sint-Maarten behouden hun eigen wetgeving. Er komt een gemeenschappelijk hof van justitie voor Nederland, Curaçao en Sint-Maarten. Nederland neemt de schulden van de Antillen, 4 miljard euro, over. In ruil daarvoor mogen de eilanden geen leningen meer afsluiten. Het was de intentie dat de Nederlandse Antillen als land binnen het Koninkrijk aan het einde van 2008 zou worden ontbonden. Uiteindelijk werd dit op 10 oktober 2010 een feit en bepaald niet zonder slag of stoot. De huidige situatie is ingewikkeld en heeft grote implicaties. Bovendien is de situatie onderhevig aan grote veranderingen en voorgenomen wijzigingen in juridische zin die in veel gevallen nog niet zijn voltooid. Een zinvolle discussie over een beleid voor de toekomst kan slechts plaatsvinden als we het heden kennen. Waar staan we momenteel?

Grondwettelijk behoren de LGO bij Nederland en zijn geen onafhankelijke staten. Hun onderdanen bezitten het Nederlandse staatsburgerschap. Vanaf het begin zijn ze bij de EG betrokken geweest en door het Verdrag van Rome tot oprichting van de EEG in 1957 is aan deze LGO de status van geassocieerd land toegekend.

Bij de BES eilanden ligt het anders. Aanhangig in de Eerste Kamer is een wijziging van de Grondwet om de leden van de eilandsraden van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba het actief kiesrecht te verlenen en om de verkiezing van leden van de Eerste Kamer en tevens de drie openbare lichamen een eigen constitutionele basis te geven: "Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en het regelen van de betrokkenheid van hun algemeen vertegenwoordigende organen bi] de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer". In het nieuwe artikel 132a van de Grondwet wordt bepaald dat bij wet in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan provincies en gemeenten kunnen worden ingesteld en opgeheven. In de titel van het betreffende hoofdstuk worden deze Caribisch openbaar lichaam genoemd.

Als er één ding duidelijk is, dan is het wel dat zonder de koloniale voorgeschiedenis niemand die bij zinnen is de huidige structuur zelf bedacht zou hebben. Het is dan ook zeer de vraag of voortdurende relatief kleine veranderingen in die structuur, die op zich genomen al tot de nodige commotie leiden, wel de juiste benadering bieden en of er geen drastischer stappen nodig zijn. Er zijn naar de mening van mijn fractie heel goede redenen om drastischer stappen te overwegen, met het uiteindelijke doel een definitieve streep te zetten onder de gevolgen van het koloniale verleden. Dat dit overigens, zelfs als er een politieke meerderheid voor zou zijn, een eenvoudige en snel uit te voeren opgave zou zijn, daar gelooft ook mijn fractie niet in. Het zal voorlopig dus wel bij wensdenken blijven, maar dat is geen reden om hier vandaag in een debat dat toch gaat over de toekomst van het Koninkrijk niet op in te zetten.

Bestuurlijke structuren ontwerpen we niet voor bestuurders maar voor de burgers die ermee te maken krijgen. De vraag of die burgers tevreden zullen zijn staat dus automatisch centraal. Bij de toekomst van het Koninkrijk zijn zowel de burgers in Nederland, als de burgers overzee betrokken. Nu zijn de burgers in Nederland geen homogene groep, en waarschijnlijk de burgers overzee nog veel minder, gezien hun steeds weer oplaaiende meningsverschillen. Maar duidelijk is wel dat de beelden die men in Nederland en in de gebieden overzee van elkaar heeft bepaald niet positief of vleiend zijn.

Naar de mening van veel burgers overzee stelt Nederland zich nog steeds op als de koloniale mogendheid van weleer die de eilanden de les wil lezen en geen oog heeft voor de lokale belangen. Evenzeer als een euro die gebaseerd is op de illusie van "one size fits all" niet zal overleven, zal een beleid dat geen rekening houdt met de enorme verschillen tussen gebiedsdelen gedoemd zijn uiteindelijk te mislukken. De culturele en economische verschillen en de diepe kloven die bestaan op het punt van tradities zijn naar alle waarschijnlijkheid nog gedurende minstens een generatie onoverbrugbaar en in elk geval een voortdurende steen des aanstoots. De roep om onafhankelijkheid klinkt regelmatig, al zijn de implicaties van een dergelijk streven ook niet altijd naar ieders zin. De burger overzee is niet zo dol op Nederland, tenzij het erom gaat financiële steun te verlenen.

De Nederlandse burger lijkt het vaak een beetje gehad te hebben met hetgeen er uit de West in de media naar de lage landen overwaait. En dan gaat het om een assortiment als corruptie, maffia, misdaad, inadequaat financieel beleid, politiek banditisme, politieke moord, belangenverstrengeling van politici, nepotisme, cliëntelisme, het opofferen van natuurwaarden aan commerciële belangen, en een financieel beleid waar ook onze Algemene Rekenkamer weinig goeds over te zeggen heeft. Ook de overlast veroorzaakt door met name jongeren die uit dit deel van de wereld naar Nederland zijn gekomen, draagt niet bij aan een warm gevoel bij de burger. In een situatie waarin in eigen land de crisis en de economische ellende op de burger worden afgewenteld, komt voor veel mensen de aandacht voor een matig – om maar een understatement te gebruiken – functionerend groepje eilanden aan het andere eind van de wereld overbodig en zelfs ongewenst over. Misschien is niet alles wat de media ons melden voor de volle 100% correct, maar de boodschap klinkt luid en duidelijk.

Intussen hebben we wel te maken met bestaande wetgeving, maar zullen we onder ogen moeten zien dat de Nederlandse wet niet wordt gehandhaafd in een gemeente zoals Bonaire nu sinds kort is, zoals die wordt gehandhaafd in Buren of Delfzijl. Om een voorbeeld te geven: het grote natuurgebied dat Bonaire omgeeft zou ten minste de bescherming moeten krijgen die de Nederlandse natuur krijgt in het kader van de Flora- en Faunawet. Deze bescherming stelt in de praktijk weliswaar al niet veel voor, maar zou toch overal binnen het Koninkrijk als absolute minimumgrens moeten gelden. Ook de erbarmelijke omstandigheden van bijvoorbeeld verwilderde ezels op Bonaire zouden naar Nederlandse begrippen moeten worden aangepakt. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is immers ook van toepassing op Bonaire. De lijst van problemen met handhaving van diverse wetten in de gebieden overzee is hiermee overigens bepaald niet uitgeput.

Wat betekent dit alles voor toekomstig beleid? De huidige en vorige regeringen zijn steeds uitgegaan van de aanname dat het bij elkaar houden van de wel zeer diverse partners binnen het Koninkrijk de te verkiezen strategie was. Deze strategie geeft, zoals ik betoogd heb, de nodige problemen van feitelijke aard, alsook in de perceptie van de burger. Men kan hopen dat hier op termijn verandering in komt, maar mijn fractie ziet vooralsnog weinig aanleiding voor een dergelijk optimisme. Kan het anders, en vooral, kan het beter? Gezien de enorme verschillen tussen alle partners ligt het naar mijn mening veel meer voor de hand dat de eilanden in alle opzichten onafhankelijk worden van Nederland. Indien er voor onafhankelijkheid per eiland onvoldoende economische basis is, kunnen de eilanden zelf onderling een federatief verband los van Nederland vormen, of aansluiting zoeken bij andere landen in de regio. Deze vorm van volledige zelfbeschikking zou wel eens onverwacht effectief kunnen zijn. Bovendien wordt vanuit het perspectief van alle betrokkenen definitief gebroken met alle ongewenste naweeën van een voorbij kolonialisme.

Samenvattend, mijn fractie is niet optimistisch over de kansen op succes van het thans gekozen beleid. Er zijn te veel bezwaren op velerlei gebied waarvoor vooralsnog geen oplossing in het verschiet ligt, en al zeker niet in het nabije verschiet. De regering zou er verstandig aan doen in overleg met alle betrokkenen op dit punt naar geheel nieuwe mogelijkheden en wegen te zoeken. Doel van dergelijk overleg zou moeten zijn de nu nog veel te dominerende rol van Nederland op te veel gebieden te reduceren, en bij voorkeur te elimineren. Niettemin is mijn fractie niet optimistisch. Ook een dergelijk proces, als er al voldoende politieke steun voor zou bestaan, zal langdurig, kostbaar en frustrerend zijn. Maar het geboden perspectief voor een betere toekomst voor iedereen maakt het naar mijn mening het nastreven meer dan waard.

Ik wacht de reactie van de minister met belangstelling af.

De voorzitter:

Ik maak van de gelegenheid gebruik om nu ook de gevolmachtigde minister van Aruba, de heer Abath, te verwelkomen, die het debat vanaf de gastentribune volgt.

Het woord is aan de heer Van Kappen.

De heer Van Kappen (VVD):

Voorzitter. Er is veel aan de hand in ons Koninkrijk, zoals al eerder gezegd door de vorige sprekers: de bestuurlijke en politieke problemen op Curaçao en Sint-Maarten, de hardnekkige signalen over de vermenging van de onderwereld en de bovenwereld op deze eilanden, de schokkende en laffe moord op de Curaçaose politicus Helmien Wiels, de onvrede op de BES-eilanden en de constante wrijving tussen de landen van het Koninkrijk. Dit zijn allemaal indicaties dat het niet echt goed gaat met ons Koninkrijk. Alleen met Aruba gaat het redelijk goed, hoewel de financiële situatie daar allerminst rooskleurig is.

De verleiding is dan ook groot om een breed scala aan onderwerpen aan te snijden. Mijn fractie heeft er echter voor gekozen om onze bijdrage te richten op de betekenis en de toekomst van ons Koninkrijk. Dat is naar ons idee al een hele uitdaging. Zoals bijzonder hoogleraar in het constitutionele Koninkrijksrecht mr. Jaime Saleh opmerkte in zijn rede, uitgesproken op 28 april 2006 aan de Universiteit Utrecht: "Het feit dat gebieden die zo ver uit elkaar liggen een staatsrechtelijk verband onderhouden, vindt geen basis in de logica, maar kan alleen historisch worden verklaard." En zo is het maar net.

Het is overigens wel zo dat historisch gezien de band tussen het Koninkrijk en de Caraïbische eilanden van het Koninkrijk langer bestaat dan die met de provincie Limburg. Leuk om te weten maar verder irrelevant. Wel relevant is dat het lastig is om uit te leggen hoe het Koninkrijk nu eigenlijk in elkaar steekt. Ik heb wel eens getracht om dat aan een aantal collegae uit de Verenigde Staten uit te leggen en ik moet tot mijn spijt bekennen dat ik aan het einde van mijn exposé het gezelschap in totale verwarring heb achtergelaten. Het staat, denk ik, als een paal boven water dat, als we het Koninkrijk in alle rust en rede hadden kunnen ontwerpen, het er echt heel anders zou hebben uitgezien. Maar dat is allemaal water onder de brug; het is zoals het is.

Misschien is het daarom verstandig om toch maar weer eens kort op een rijtje te zetten hoe "het is". Dan hebben wij in ieder geval zicht op de begrenzingen van het speelveld. Het belangrijkste gegeven is dat het Statuut onze hoogste staatsregeling is. Het Statuut staat dus boven onze Grondwet en de Staatsregelingen van de andere landen van het Koninkrijk. De landen van het Koninkrijk maken voorts vrijwillig deel uit van het Koninkrijk en hebben dus het recht om op ieder moment uit het Koninkrijk te treden. Behalve Nederland dan, want Nederland heeft dit recht niet. Dit blijkt zowel uit het Statuut als uit het volkenrecht. Het Statuut kan bovendien alleen gewijzigd worden met instemming van alle landen van het Koninkrijk. De mening van Nederland met bijna 17 miljoen inwoners telt wat dit betreft even zwaar als de mening van bijvoorbeeld Sint-Maarten met ongeveer 55.000 inwoners.

Verder is het zo dat het staatsburgerschap van het Koninkrijk der Nederlanden ongedeeld is. Of je nu geboren en getogen bent op Aruba, Curaçao, Sint-Maarten of in Klazienaveen, het maakt allemaal niets uit: iedereen heeft hetzelfde paspoort in zijn zak. Dat is overigens geen Nederlands paspoort, maar een paspoort van het Koninkrijk der Nederlanden. Een belangrijk gegeven is ook dat ingevolge artikel 43 van het Statuut de landen van het Koninkrijk weliswaar zelf verantwoordelijk zijn voor het handhaven van de fundamentele rechten en vrijheden, maar dat de waarborging van deze rechten is opgedragen aan het Koninkrijk. In de ogen van velen is dat, gezien de samenstelling van de Koninkrijksregering, synoniem aan Nederland. De heer De Graaf heeft dat ook al opgemerkt. Dat is dus het speelveld, of we het nu leuk vinden of niet.

De overgrote meerderheid van de inwoners van het Koninkrijk weet overigens weinig over het Statuut. Als zij er al iets van af weten, is het oordeel vaak negatief. Door velen in Nederland wordt het Statuut ervaren als een wurgcontract, waar men zo snel mogelijk van af wil. Gezien het voorgaande is dat dus best lastig. Ook in de Caribische landen van het Koninkrijk is men veelal niet tevreden over het Statuut. Men ziet het vaak als een dekolonisatiedocument waarbij Nederland er op listige wijze voor heeft gezorgd dat Nederland uiteindelijk toch aan de touwtjes blijft trekken. Slechts een minderheid in het Koninkrijk ziet het Statuut als een genereus en visionair document.

Hoe het ook zij, of men het Statuut nu beschouwt als een visionair document of als een dekolonisatiedocument of als een wurgcontract, het valt niet te ontkennen dat de relatie tussen de landen van het Koninkrijk gekenmerkt wordt door zich regelmatig voordoende spanningen, meningsverschillen en wantrouwen. Ik heb het al eens eerder in deze zaal gezegd: het Koninkrijk bestaat, maar het koninkrijksgevoel bestaat niet. Dat is niet verwonderlijk want het Koninkrijk is geen vlees en geen vis. Het is duidelijk geen eenheidsstaat en het is duidelijk ook geen confederatie. De landen van het Koninkrijk zijn immers geen soevereine staten. Het is daarom ook geen gemenebest. Het heeft weliswaar enkele kenmerken van een federatie, maar is het toch ook weer niet. Immers, er is geen echte federale regering en er is ook geen federatief parlement. Ook is er geen constitutioneel hof om meningsverschillen over de verdeling van bevoegdheden tussen het centrale gezag en de federale onderdelen te beslechten. Evenmin zijn er federatieve regelingen op financieel gebied getroffen.

Het Koninkrijk past dus in geen van de gangbare staatsvormen. Het is een staatsvorm sui generis. Het is dus geen wonder dat het vaak wringt tussen de landen van het Koninkrijk. De geografische distantie en de aanzienlijke verschillen in taal, cultuur, sociale omstandigheden en mentaliteit maken het nog eens extra moeilijk om samen oplossingen te vinden voor meningsverschillen die met de regelmaat van de klok opduiken.

De recente wijziging van het Statuut, die de herstructurering van het Koninkrijk mogelijk maakte en die op 10 oktober 2010 in werking is getreden, heeft weinig verbetering gebracht in de onderlinge verhoudingen. Het was dan ook geen fundamentele herziening van het Statuut. Het was slechts een bijstelling om de nieuwe staatkundige structuur mogelijk te maken. Zoals ik al aangegeven heb aan het begin van mijn betoog, is de gekozen staatkundige constructie in ieder geval geen onbesproken succes.

Ongetwijfeld was het Statuut in 1954 een visionair document, dat paste in de periode van dekolonisatie na de Tweede Wereldoorlog. Wij leven nu echter in 2013 en de wereld ziet er echt heel anders uit. Het is naar de mening van mijn fractie dan ook de hoogste tijd om de bouwtekening van het Koninkrijk nu eens echt grondig tegen het licht te houden. Het kabinet was in 2011 overigens nog een andere mening toegedaan. In de notitie De Toekomst van het Koninkrijk van 15 juli 2011, in hoofdstuk 6.1, derde alinea, stelt het kabinet dat om tot een goede samenwerking en betrekkingen te komen een wijziging van het Statuut niet nodig is, omdat het thans al de nodige ruimte daartoe biedt. Mijn eerste vraag aan de minister is dan ook of dit nog steeds zijn standpunt is of dat hij nu met ons van mening is dat het Statuut wel degelijk aanpassing behoeft aan de tijd waarin wij leven.

Een poging daartoe is overigens reeds in het begin van de jaren negentig ondernomen. De daartoe ingestelde werkgroep modernisering Statuut, die bestond uit ambtelijke leden van de landen van het Koninkrijk, produceerde medio 1993 een Proeve van een vernieuwd Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Daarna werd het angstig stil. Het bleef dus bij een proeve. Ook de notitie Investeren in gezamenlijkheid van het Comité 2004, onder voorzitterschap van mr. Pieter van Vollenhoven, waarin gezaghebbende personen uit de Antillen, Aruba en Nederland zitting hadden, heeft weinig teweeg gebracht. Het Comité 2004 is inmiddels een zachte dood gestorven. Daarvoor in de plaats is het Comité koninkrijksrelaties opgericht dat moet komen tot een meer structurele en concrete aanpak. Hoe staat het daar eigenlijk mee? Bestaat het nog? Heeft het al iets geproduceerd waar wij iets aan hebben? Graag een antwoord van de minister op deze vragen.

Ook de notitie van de minister van 15 juli 2011 betreffende de toekomst van het Koninkrijk bevat weinig nieuws. Er wordt nog eens omstandig uitgelegd hoe ingewikkeld het allemaal is en dat de landen van het Koninkrijk alleen samen een visie kunnen ontwikkelen. Het Statuut kan immers alleen maar gewijzigd worden als alle landen daarmee instemmen. Van de Caribische landen van het Koninkrijk heeft alleen Aruba een visie op het Koninkrijk gegeven. De kern daarvan is dat Aruba het Koninkrijk ziet als een strategisch verbond tussen de landen van het Koninkrijk dat grote voordelen kan opleveren voor alle landen van het Koninkrijk. Immers, het Koninkrijk heeft een unieke trans-Atlantische dimensie. Het verbindt Nederland als Europees land met de Caribische landen van het Koninkrijk die op de stoep liggen van zowel Noord- als Zuid-Amerika. De eilanden kunnen dus een belangrijke schakelfunctie tussen drie continenten vervullen en daarmee kunnen alle landen van het Koninkrijk hun voordeel doen.

Deze visie sluit overigens naadloos aan bij het betoog dat ik eerder namens mijn fractie heb gehouden tijdens het debat over de noodzakelijke wijziging van het Statuut om de nieuwe staatkundige structuur mogelijk te maken. Mijn fractie was en is ervan overtuigd dat het uitbuiten van de trans-Atlantische dimensie van ons Koninkrijk grote kansen biedt en dat we daarmee actief aan de slag moeten. De visie van Curaçao en Sint-Maarten hebben wij overigens tot op de dag van vandaag niet ontvangen.

Het schiet dus niet echt op. Dat blijkt ook al uit het feit dat de koninkrijksconferentie dit jaar weer niet kan doorgaan, omdat de indertijd ingestelde werkgroepen te weinig voortgang hebben geboekt. Er wordt nu slechts voorzien in een Koninkrijksberaad. Een teken aan de wand: het gevoel voor urgentie ontbreekt blijkbaar volledig. Jammer, want het is hoog tijd dat de landen van het Koninkrijk elkaar eens diep in de ogen kijken en de koers vaststellen voor de toekomst van het Koninkrijk. Welke richting willen wij nu inslaan?

Op de keper beschouwd is er slechts een beperkt aantal hoofdrichtingen die wij in kunnen slaan. Willen wij het Koninkrijk uitbouwen tot een echte federatie, een confederatie of een gemenebest of blijft het Statuut een staatsregeling sui generis? Het voordeel van een federatie is dat die het beste aansluit bij het bestaande Statuut, maar dan moeten zowel het Statuut als onze Grondwet en de Staatsregelingen van de Caribische landen ingrijpend worden gewijzigd. Het kan, maar erg realistisch is dit niet. De gemenebeststructuur en de confederatie hebben als voordeel dat de waarborgfunctie, die velen in Nederland als een graat in de keel steekt, komt te vervallen. Het gaat immers bij zowel een gemenebest als een confederatie om afspraken tussen onafhankelijke landen en daar zit hem nu net de kneep. De Caribische landen van het Koninkrijk moeten dan wel alle drie kiezen voor volledige onafhankelijkheid en dat zie ik niet zo een-twee-drie gebeuren. De confederatie en het gemenebest vallen hierbij dus van het radarscherm.

Dan blijft dus over een Koninkrijk met een staatsvorm sui generis. Dat is in feite nu ook al het geval, maar dat betekent niet dat we alles moeten laten zoals het is. Als we hiervoor kiezen, zal het Statuut als hoogste constitutionele staatsregeling moeten worden aangescherpt en verstevigd door het opnemen van een aantal uitgangspunten en beginselbepalingen die de rechtstatelijke grondslagen van het Koninkrijk vormen. Wij denken hierbij onder meer aan beginselbepalingen over grondrechten, waarborgen voor de rechtsstaat, onafhankelijkheid van de rechtspraak en behoorlijk bestuur. Ook moet de mogelijkheid worden geschapen om wettelijke voorschriften door de rechter te laten toetsen aan het Statuut.

De waarborgfunctie in artikel 43 moet ook scherper worden gedefinieerd. Het is momenteel een zeer zwaar middel, een ultimum remedium, dat slechts wordt toegepast als het betrokken land zelf geen enkele mogelijkheid meer heeft om een ontoelaatbare toestand te redresseren. De zwaarte van dit middel is de reden dat wij in het verleden te vaak hebben weggekeken. Een meer verfijnd instrumentarium van het toezichtmechanisme is dan ook hard nodig evenals een meer verfijnd instrumentarium om bij te kunnen sturen.

Misschien is het een goed idee om een onafhankelijke raad van gezaghebbende deskundigen in te stellen die jaarlijks rapporteert over de naleving door de landen van het Koninkrijk van de eerder genoemde gemeenschappelijke beginselen van het Koninkrijk. Dit is ook al eerder betoogd door de voormalig gouverneur van de Nederlandse Antillen, professor Saleh. De raad zou zo nodig aanbevelingen aan de rapportage kunnen verbinden. Mochten deze aanbevelingen niet worden opgevolgd dan moet de Koninkrijksregering daarin voorzien. Wat vindt de minister van dit idee?

Mijn fractie heeft weliswaar een voorkeur voor een gemenebest, maar wij realiseren ons dat dit gezien het feit dat alle landen dan moeten kiezen voor onafhankelijkheid een weinig realistisch scenario is. Het meest waarschijnlijke scenario is dat het Koninkrijk een staatsvorm sui generis blijft, maar dan wel hopelijk met de door mij eerder in dit betoog genoemde aanpassing van het Statuut aan de eisen van deze tijd. Wij zijn benieuwd of de minister onze analyse deelt, of dat hij nog andere mogelijkheden ziet. Ik hoor hier graag een reactie op.

Een ander belangrijk punt is dat de dialoog tussen het Europese deel en het Caribische deel van het Koninkrijk vaak wordt verstoord door emoties over een vermeende aantasting van de autonomie. Dit probleem is niet op te lossen met wetgeving, omdat het veeleer een kwestie is van emotie en perceptie. Autonomie is overigens een relatief begrip. Geen enkel land is meer volledig autonoom in deze globaliserende en in hoog tempo veranderende wereld. De belangrijkste uitdaging is hoe daarmee om te gaan. Het is immers een kwestie van overleven. Darwin parafraserend: het zijn niet de sterken die overleven, maar diegenen die zich het best kunnen aanpassen. Anders was de heersende soort in deze wereld immers tyrannosaurus rex en niet homo sapiens.

De beste kans om met succes te overleven, is ongetwijfeld om dit samen te doen met gelijkgestemde landen die bovendien een besef van lotsverbondenheid met elkaar delen. De EU is een dergelijk verbond, maar het Koninkrijk is dat, weliswaar in zakformaat, in feite ook. De grote vraag is in hoeverre we gelijkgestemd zijn. Daar zit wat mijn fractie betreft de twijfel. Als we nog iets willen maken van het Koninkrijk dan zullen we de volkeren van het Koninkrijk moeten overtuigen van het feit dat het Koninkrijk meer is dan een juridische constructie, en dat het waarde heeft. Is de minister dat met ons eens en, zo ja, is hij dan ook bereid om een proces op te starten om dit te bereiken?

Ik wil in het laatste stuk van mijn betoog de focus verleggen naar de BES-eilanden. Er is, zeker op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, veel bereikt. Wat is dan toch de verklaring van de onvrede en de toenemende roep op de eilanden om referenda en lossere banden met Europees Nederland? Er wordt weliswaar over van alles en nog wat geklaagd, maar een steeds weer terugkerende klacht is dat het voor Nederland aanvaardbare voorzieningenniveau nooit concreet is gemaakt. Wordt het niet tijd om daarover in ieder geval duidelijke afspraken te maken? Wat vindt de minister daarvan?

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik wil even terug naar het vorige punt dat de heer van Kappen aansneed, namelijk het belang van de waarden. Ik heb er in mijn bijdrage ook op gewezen. Ik ben benieuwd of de heer Van Kappen daar wat invulling aan kan geven. Aan welke waarden denkt hij waar het gaat om die gedeelde waarden voor ons Koninkrijk? Heeft hij daar een idee bij?

De heer Van Kappen (VVD):

Ik heb ze genoemd. Het zijn de dingen die ik graag vastgelegd zie in het Statuut, namelijk de grondbeginselen van de rechtsstaat, onafhankelijkheid van de rechtspraak en de rest van het riedeltje dat ik heb afgedraaid. Dat zijn de zaken die naar ons idee in het Koninkrijk van zodanig groot belang zijn dat wij ze moeten vastleggen in het Statuut, onze hoogste staatsregeling.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Als ik het goed begrijp, betreft dat vooral procedurele waarden van onze rechtsstaat.

De heer Van Kappen (VVD):

Nee, want later in mijn betoog heb ik al gezegd dat er ook een emotie in het debat zit. Er is sprake van een zeker wantrouwen. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het verleden, maar ook met een groot verschil in cultuur en mentaliteit. Als je nog iets wilt maken van het Koninkrijk dan zal je daar iets aan moeten doen. Dan zal je de volkeren van het Koninkrijk ervan moeten overtuigen dat het Koninkrijk ook waarde heeft. Dat is meer dan procedures.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik zoek natuurlijk naar de inhoud van die waarden. Het is een proces, daar ben ik het helemaal mee eens. Ik ben op zoek naar eventuele aanzetten tot het formuleren van de inhoud.

De heer Van Kappen (VVD):

Ik zal een belangrijk punt noemen. Misschien is dat een typische VVD-benadering, maar dat is dan maar zo. Ik denk dat als wij met name economisch die trans-Atlantische dimensie van het Koninkrijk weten uit te buiten, wij daar allemaal voordeel aan kunnen hebben. Om het even heel rechtuit te zeggen: als je gezamenlijk geld kunt verdienen, bindt dat ook. Je kunt allerlei prachtige visionaire ideeën hebben over wat je van je land wilt maken, maar als je economie niet het geld genereert om dat waar te kunnen maken dan gebeurt er helemaal niets. Ik denk dat wij daar echt mee aan de slag moeten. Aruba heeft dat opgepikt. Daar is men daar echt mee bezig. Aruba heeft ook net weer een conferentie georganiseerd onder de titel "Europe meets the Americas". Zij spelen dus helemaal in op die trans-Atlantische dimensie. Ik vind dat de andere eilanden van het Koninkrijk daar ook van zouden moeten profiteren en dat Nederland, als grootste partner in het Koninkrijk, dat actief zou moeten stimuleren. Als die eilanden op een gegeven moment een eigen economie kunnen opbouwen die voldoende geld genereert om het eiland in stand te houden, kunnen zij ook hun visie realiseren op wat zij van het eiland willen maken. Daar kunnen wij bij helpen. En wij kunnen daar ook nog zelf voordeel van hebben, denk ik.

Ik wil, zoals gezegd, in het laatste stuk van mijn betoog de focus verleggen naar de BES-eilanden. Er is, zeker op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, heel veel bereikt. Ik heb al gevraagd wat dan toch de verklaring is van de onvrede en de toenemende roep om referenda en lossere banden met Europees Nederland. Ik heb al gezegd dat een van de oorzaken waarschijnlijk het voorzieningenniveau is. Ik hoop dat wij nu eindelijk het voorzieningenniveau eens duidelijk kunnen vastleggen, want daar bestaat een hoop onvrede over. Niemand weet eigenlijk wat dat voor Nederland aanvaardbare voorzieningenniveau nu precies is.

Ook over de toename van de lastendruk na 10-10-10 wordt in toenemende mate geklaagd. Volgens onze informatie hebben de Nederlandse ministeries in totaal 230 miljoen euro voor de BES-eilanden op de begroting staan. Volgens de minister kwam er echter per saldo 60 miljoen euro aan belastingen en premies van de eilanden binnen. De BES-eilanden zouden de Nederlandse belastingbetaler dus per saldo 170 miljoen euro kosten. Maar kloppen deze cijfers wel? Volgens de Belastingdienst/Caribisch Nederland bedroeg de opbrengst van belastingen en premies in 2011 112 miljoen dollar en in 2012 117 miljoen dollar. Dat is dus omgerekend respectievelijk ongeveer 86 en 90 miljoen euro. Wat zijn nu de juiste cijfers? Het antwoord op deze vraag is van belang, omdat het mede bepalend is voor het berekenen van de collectievelastendruk. Graag dus een antwoord van de minister op deze vraag.

Volgens het onderzoek van bureau Ecorys was de collectievelastendruk op de eilanden 25,7% in 2010 en 32,6% in 2011. Voor 2011 baseerde Ecorys zich echter op voorlopige cijfers over de belastingopbrengsten in 2011. Volgens de cijfers van de Belastingdienst/Caribisch Nederland die ik net heb genoemd, zou de berekening van de collectievelastendruk in 2011 echter uitkomen op 33,8%. De stijging ten opzichte van 2010 is dus echt aanzienlijk. Geen wonder dat de bevolking klaagt. Wat is nu het juiste percentage voor de collectievelastendruk?

Het lijkt mijn fractie overigens een goed idee om een soort ontwikkelagenda voor de BES-eilanden op te stellen: waar zijn wij nu, waar willen wij naartoe en wat zijn de tussenstappen? Wat gaan wij doen? Daar is in het verleden wel over gesproken, maar zijn daar nu ook concrete afspraken over gemaakt? Wij tillen vrij zwaar aan dit punt en willen heel graag de mening van de minister over dit idee horen.

Een ander punt van wrevel betreft de afgesproken terughoudendheid op legislatief gebied. Het is door voorgaande sprekers ook al genoemd. Nog steeds komt er nieuwe regelgeving bij waar de eilanden niet om hebben gevraagd. Een voorbeeld is de geluidszonering voor luchthavens. Daar zit op de BES-eilanden echt niemand op te wachten. Het heeft er alle schijn van dat hier een oplossing is gezocht voor een niet bestaand probleem. Wellicht is het een idee om voordat men in dit stadium met dit soort wetsvoorstellen komt, de minister van BZK in zijn coördinerende rol te raadplegen. Hoe ziet de minister dit?

Dan is er nog het punt van de evaluatie. Met name op Bonaire en op Statia wordt de evaluatie in 2015 door een deel van de bevolking gezien als een mogelijkheid om de integratie in het Nederlandse staatsbestel terug te draaien en te komen tot een vorm van vrije associatie met Nederland. De minister van BZK spreekt echter over finetuning van de huidige constructie. Wat als de bevolking een referendum wil, met als optie een vrije associatie met Europees Nederland of een andere constructie? Zal de minister zich verzetten tegen de roep om een referendum of niet? Als de meerderheid in een referendum kiest voor een andere constructie, zijn er dan scenario's ontwikkeld voor de wijze waarop we met een dergelijke uitslag om moeten gaan?

Ik heb nog een laatste punt. Mijn fractie maakt zich al geruime tijd zorgen over de integriteit van het bestuur op Curaçao en Sint-Maarten. Ook de minister heeft, ondanks het feit dat dit primair een verantwoordelijkheid is van de landen zelf, diverse keren hierover zijn zorgen uitgesproken en onder andere gepleit voor een adequate screening van bestuurders in deze landen. Op Bonaire, waar wij directe verantwoordelijkheid dragen voor de integriteit van het bestuur, is echter ook het een en ander aan de hand. Twee gedeputeerden en twee eilandsraadleden zijn momenteel onderwerp van gerechtelijke onderzoeken waarbij hun integriteit in het geding is. Het is zeer wel denkbaar dat uit één of meerdere gerechtelijke vonnissen zal blijken dat de betreffende bestuursleden niet integer zijn, maar desondanks in functie willen blijven. Mocht de eilandsraad daar niet tegen optreden, is de minister dan bereid en in staat om in te grijpen?

Ik kom tot een afsluiting. In hoofdstuk 7 van de notitie De Toekomst van het Koninkrijk van 15 juli 2011, getiteld Tot slot, stelt de regering: "De tijd is aangebroken om het verleden af te sluiten en de toekomst te beginnen. Immers, het Koninkrijk is er, het bestaat en zal voortbestaan." Even verderop staat "dat een visie alleen een toekomst heeft als men zich voor de verwezenlijking daarvan inspant". En daar wringt nu net de schoen. Het wordt tijd dat we ons echt gaan inspannen om er iets van te maken. Veel keus hebben we immers niet, want het staatsrecht en het volkenrecht geven ons niet de mogelijkheid om de stekker uit het Koninkrijk trekken. Dan dus maar de schouders eronder.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Voorzitter. Het is altijd lastig om de laatste spreker te zijn, omdat heel veel dan al gezegd is. Wellicht scheelt dat echter bij de beantwoording.

Op 10 oktober 2010 werden de nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk van kracht. Uit inbrengen van anderen meende ik op te maken dat de evaluatie door sommigen gezien wordt als een evaluatie voor alle eilanden. Voor zover ik weet, is ze alleen op de BES-eilanden van toepassing. Misschien kan de minister dit straks even verduidelijken.

Afgesproken is dat de nieuwe structuur na vijf jaar geëvalueerd zou worden. Dat is ook logisch, want de weg die met de BES-eilanden is ingeslagen, was een volstrekt onbekende. Niemand wist waar hij zou eindigen. Het is dan altijd goed om de vinger aan de pols te houden, met name wat betreft de vraag of de nieuwe positie oplevert wat we er in 2010 allemaal van verwachtten, zowel hier als in het Caribisch deel van Nederland.

Dit is eigenlijk een heel mooi moment om een tussentijdse balans op te maken. We zijn ongeveer halverwege de tijd tot aan de evaluatie. Voor de autonome landen is voor zover ik weet geen evaluatie afgesproken. Dat lag en ligt ook niet in de lijn van de verhoudingen. Dat betekent echter niet dat Nederland als autonoom land binnen het Koninkrijk niets zou mogen vinden van de nieuwe situatie. De Nederlandse regering speelt immers een dominante rol in de Koninkrijksregering. Ook is het Koninkrijk medeverantwoordelijk voor het waarborgen van fundamentele menselijke rechten en vrijheden, en de rechtszekerheid en deugdelijkheid van het bestuur. Mijn fractie wil in dit beleidsdebat ook ten aanzien van de nieuwe landen een tussentijdse balans opmaken. Heeft de nieuwe staatkundige structuur voor alle landen gebracht wat wij er in 2010 van verwachtten?

Ik begin met de BES-eilanden. Deze Kamer heeft al eerder uitgesproken dat zij het gezien de ligging van, de kleinschaligheid van en de specifieke situatie op de eilanden noodzakelijk vindt dat één minister alle beleidsmaatregelen voor de BES-eilanden coördineert. Mijn fractie is dan ook verheugd dat deze minister heeft toegezegd dat hij een coördinerende minister zal zijn. De vraag is natuurlijk wel of de minister ook doorzettingsmacht heeft.

Op het terrein van samenhangend beleid is er nog het nodige werk te doen. Laat ik er maar geen doekjes om winden: mijn fractie vindt de situatie op de BES-eilanden zorgelijk. De BES-eilanden hadden het paradepaardje op het gebied van staatkundige verhoudingen moeten worden, maar dat zijn ze nog niet. Natuurlijk: er is op de eilanden op veel terreinen vooruitgang geboekt. Dat wordt ook door de bewoners erkend. Met name de gezondheidszorg en het onderwijs zijn sterk verbeterd. Er is echter ook veel onvrede. De heer Van Kappen noemde dat al. De kosten van levensonderhoud zijn enorm gestegen, evenals de belastingdruk. Toen wij daar in januari met onze commissie waren, deed dit een moeder verzuchten: wat heb ik aan goed onderwijs als ik mijn kinderen geen eten kan geven?

Volgens mijn fractie is het belangrijkste echter niet welke beleidsmaatregelen goed of verkeerd uitpakken, maar de manier waarop deze maatregelen worden getroffen, het proces. Dat is vooral van belang omdat in de komende periode de criteria voor de evaluatie zullen worden vastgesteld. Die evaluatie moet wat mijn fractie betreft niet alleen over de feitelijke stand van zaken gaan, maar ook over de vraag hoe keuzes worden gemaakt en hoe het daaruit volgende beleid geïmplementeerd wordt.

Een aantal maatregelen lijkt te zijn getroffen met wat ik maar even een "Haagse bril" zal noemen. Ik noem als voorbeeld de importheffingen. Ze zijn ingevoerd omdat ze in heel Nederland gelden. De ratio achter de invoerheffing is het voorkomen van oneerlijke concurrentie voor de eigen bedrijvigheid. Er is op de eilanden echter nauwelijks bedrijvigheid. Men moet er alles invoeren. Dat gebeurt meestal niet door importeurs, want de omvang van de bevolking is daar te klein voor. Het gebeurt door de mensen zelf. Het gevolg is een enorme bureaucratie. Iedere inwoner die iets invoert, moet invoerformulieren invullen. Ook zijn er douanebeambten nodig. Die kosten natuurlijk veel geld en ze moeten gehuisvest worden. Bovendien leidt de heffing tot dubbele belasting. Naast de invoerheffing moeten de bewoners van de BES-eilanden namelijk btw over de producten betalen. Dat deden ze overigens ook al voor 2010. Menig bewoner van de eilanden vraagt zich af of de kosten van deze heffing de baten niet ver overstijgen.

Mijn fractie wil benadrukken dat het haar er niet om gaat om schuldigen aan te wijzen. Niemand kon de gevolgen overzien van de beslissing om de BES-eilanden onderdeel te laten worden van Nederlands grondgebied. Het was voor alle betrokkenen een volkomen nieuw traject. Het is onvermijdelijk dat daar, met de beste bedoelingen, fouten bij worden gemaakt. Van belang is dat wij in staat zijn snel van onze fouten te leren en het beleid aan de hand daarvan bij te stellen of zo nodig helemaal om te gooien. Cruciaal voor mijn fractie is de manier waarop de bevolking daarbij betrokken wordt. Ik noem opnieuw een voorbeeld. In januari van dit jaar is de omzetbelasting op eerste levensbehoeften afgeschaft. Het was logisch geweest als de samenstelling van dit pakket in overleg met de inwoners tot stand was gekomen. Wat in Nederland als eerste levensbehoefte wordt gezien, hoeft dat in Caribisch Nederland niet te zijn. Op verse groenten is de btw afgeschaft. Voor diepvriesgroenten en groenten uit blik geldt dat echter niet. Dit is ongetwijfeld goed bedoeld, maar de werkelijkheid op de eilanden is dat het merendeel van de mensen zich geen verse groenten kan veroorloven. Verse groenten zouden misschien een eerste levensbehoefte moeten zijn, maar voor de meeste mensen zijn dat diepvriesgroenten of groenten uit blik. Op deze producten is de btw gehandhaafd. Kan de minister dat uitleggen?

Ook bij de wijzigingen in het zorgverzekeringspakket had een groot aantal problemen voorkomen kunnen worden als eerst met de bevolking was overlegd. De bewoners van de BES-eilanden zijn best bereid te bezuinigen, maar zij hebben het gevoel dat op de verkeerde dingen wordt bezuinigd. Enerzijds worden basale voorzieningen als fysiotherapie en tandheelkundige zorg beperkt. Anderzijds zijn er dure, vaak inefficiënt georganiseerde medische uitzendingen naar gebieden als Guadeloupe en Colombia. Deze week ontvingen wij een brief van de Werkgroep Zorg CN, die voor de tweede helft van dit jaar met vrijwillige bezuinigingsvoorstellen komt tot een bedrag van 1 miljoen euro. Dat is precies het bedrag dat met de voorgestelde pakketmaatregelen werd beoogd. Voor de komende jaren zijn op structurele basis concrete voorstellen uitgewerkt.

Ik kom hiermee op een dieper liggend probleem, dat ook al door de heer Van Kappen werd aangeroerd. In 2010 is nooit helder geformuleerd hoe wij de toekomst van de BES-eilanden zagen. Met "wij" bedoel ik dan burgers en politici in zowel het Europese als het Caribische deel van Nederland. Duidelijk was wel dat, als het welvaartsniveau op de BES-eilanden al zou kunnen en moeten worden verhoogd tot het Nederlandse niveau, dat in ieder geval niet in één klap zou kunnen. Voor het overige zou het vooral maatwerk worden. Waarop dat maatwerk gebaseerd is, en wanneer wel of geen rekening gehouden wordt met de specifieke positie van de eilanden, blijft ongewis. In het ene geval worden de BES-eilanden op één lijn gesteld met het Europese deel van Nederland, terwijl in het andere een volstrekt afwijkende regeling geldt. De bewoners van de eilanden hebben soms het gevoel dat Nederland aan cherrypicking doet: welke regeling gekozen wordt, hangt af van wat gunstig of ongunstig is voor Europees Nederland. Wat is het oordeel van de minister hierover?

Het lijkt mijn fractie van belang dat de bestuurders van de eilanden en de bestuurders in Europees Nederland gezamenlijk tot een langetermijnagenda en een langetermijnvisie komen. Ik sluit me hier alweer aan bij de woorden van de heer Van Kappen. Waar willen we in pakweg 2025 zijn? Dit zou dan vertaald moeten worden in een ontwikkelagenda per departement. Wat is de situatie nu? Wat is er nodig om het beoogde einddoel te bereiken? Hoe geven we dat gefaseerd vorm en welke inhaalslagen zijn nodig om bestaande achterstanden weg te werken? Een dergelijke aanpak kan een deel van de onzekerheid bij de bevolking wegnemen en zorgt ook voor duidelijkheid op de verschillende departementen. De Caribisch Nederland-week kan dan deels gebruikt worden om dit proces te volgen. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Overigens werkt het ministerie van OCW al in grote lijnen zo; ere wie ere toekomt. Op dit punt heeft mijn fractie één concreet verzoek. De begrotingen van de departementen worden opgesteld in euro's, maar de afrekening vindt plaats in dollars. Omdat de wisselkoers steeds wijzigt, is een goede planning nauwelijks mogelijk. Kan de in euro's opgestelde begroting worden afgekoppeld van de dollarkoers, zodat iedereen weet waar hij aan toe is? De minister heeft ongetwijfeld ambtenaren die heel precies kunnen uitwerken hoe dat handig zou kunnen.

Een laatste punt betreffende de BES zijn de kosten voor levensonderhoud. Twee jaar geleden hebben wij de toenmalige minister verzocht om een studie naar de koopkracht. Die is vorig jaar verschenen, maar veel wijzer zijn we er niet van geworden. Duidelijk is wel dat de belastingdruk is gestegen, evenals de kosten van levensonderhoud en dat de inkomens daarmee geen gelijke tred hebben gehouden. Maar er zijn meer gegevens die erop wijzen dat de inwoners van de BES steeds meer moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen.

Er zijn om te beginnen de cijfers van onze eigen Belastingdienst. Ik gebruik dezelfde cijfers als de heer Van Kappen, maar net iets anders aangevlogen. Uit deze cijfers blijkt dat tot de staatkundige hervorming 52 miljoen dollar aan belastingopbrengsten in de BES werd opgehaald. Omdat het hele belastingsysteem op de schop ging en onduidelijk was wat de gevolgen daarvan zouden zijn, is toen afgesproken dat dat bedrag niet verhoogd zou worden. Het zou 52 miljoen dollar blijven. Maar wat zien wij nu? In 2011 was het 112 miljoen dollar en in 2012 is het 117 miljoen dollar. Aangezien de belastingopbrengst meer dan is verdubbeld, kan het niet anders dan dat die grote gevolgen heeft voor de koopkracht. Hoe groot die effecten zijn, weten wij niet.

Wel zijn er wat feitelijke onderzoeken gedaan naar de leefsituatie op de eilanden. Er is een verkennend onderzoek naar armoede in Caribisch Nederland en het lijvige UNICEF-rapport over de kinderen van het Koninkrijk dat de minister ruim een week geleden heeft gekregen. Dat werd ook al door anderen aangehaald. Uit deze rapporten blijkt glashelder dat de positie van kinderen in het Caribisch deel van Nederland op tal van punten dringend verbetering behoeft en dat de armoede waarin zij opgroeien, daar een belangrijke rol bij speelt. Is de minister bereid om een onderzoek te laten doen naar het bestaansminimum op de BES-eilanden, en dan bij voorkeur door het instituut dat daar in Europees Nederland ervaring mee heeft, het Sociaal en Cultureel Planbureau?

Mijn fractie beseft dat het optrekken van de salarissen, gezien de ligging van de eilanden, lastig is. Maar wij zouden de minister graag twee maatregelen in overweging willen geven die de arbeidsmarkt niet verstoren en tegelijkertijd soelaas bieden voor de kwetsbaarste groepen op de eilanden: ouderen en eenoudergezinnen. De AOV, het equivalent van de AOW op de BES-eilanden, bedroeg in 2012 gemiddeld 550 dollar. Dat is echt onvoldoende om van rond te komen. Dat wordt ook erkend door de Nederlandse vertegenwoordiging in Caribisch Nederland.

Verbaasd is mijn fractie over het feit dat de bewoners van de eilanden geen kinderbijslag krijgen. Er is wel een kinderkorting, een verhoging van de belastingvrije voet, maar voor de laagste inkomens is dat geen oplossing. Hun inkomen ligt onder de grens, waardoor zij niet eens aan de maximale belastingvrijstelling komen. Er is hier ook sprake van een principieel punt. Iedereen die in Nederland woont of werkt en kinderen onder de 16 jaar heeft, heeft recht op kinderbijslag, maar voor de inwoners van Caribisch Nederland geldt dit niet. Vindt de minister dat redelijk en, zo ja, waarom? Is hij bereid te onderzoeken of ook op de BES-eilanden kinderbijslag kan worden toegekend?

Mijn fractie realiseert zich terdege dat een eventuele verhoging van uitgaven lastig is in deze tijden van bezuinigingen, die ook de inwoners van Europees Nederland hard treffen. Maar wij zouden de minister toch willen vragen hier serieus naar te kijken. De situatie van kinderen in Caribisch Nederland blijft volgens de genoemde rapporten ver achter bij die van kinderen in Europees Nederland.

Ten slotte heb ik nog een ingelast punt. Vanmorgen kreeg ik een brief onder ogen van de gezaghebber op Bonaire. Zij meldde dat het bestuurscollege met onmiddellijke ingang de taken "toezicht" en "handhaving" bij de gezaghebber heeft weggehaald en ondergebracht bij een van de gedeputeerden. Graag horen wij het oordeel van de minister over deze stap.

Onze relatie met de autonome landen is natuurlijk van een heel andere orde dan onze relatie met de BES-eilanden. Het zijn autonome landen, waarvoor het Koninkrijk maar op een beperkt aantal terreinen medeverantwoordelijkheid draagt. Toch mag naar het oordeel van mijn fractie ook ten aanzien van de autonome landen de vraag gesteld worden of de nieuwe staatkundige structuur verbeteringen heeft gebracht in de wijze waarop het Koninkrijk functioneert.

Voor Aruba is deze vraag niet echt aan de orde, want Aruba heeft al 28 jaar een autonome status. Wij constateren, net als zo ongeveer de hele Kamer, dat het land zijn geografische ligging als autonoom land binnen het Koninkrijk tot wederzijds voordeel probeert uit te nutten. Nederlandse bedrijven kunnen op Aruba een bruggenhoofd vinden naar Midden- en Zuid-Amerika. Zuid-Amerikaanse bedrijven kunnen via Aruba voet aan de grond krijgen in Europa. Dat spreekt ons aan, evenals de inzet om zich meer te richten op duurzaamheid en de opbrengsten van het toerisme meer ten goede te laten komen van de bevolking. In de woorden van president Mike Eman: we moeten niet alleen vijfsterrenhotels hebben, maar ook vijfsterrenscholen en vijfsterren ouderenvoorzieningen. Mijn fractie hoopt dat deze samenwerking verder zal worden uitgebouwd.

Zorgen hebben wij over Sint-Maarten en Curaçao. Op Sint-Maarten doen steeds dringender verhalen de ronde over corruptie door politici. Hoe reageert de minister daar op? Daarnaast is de begroting nog steeds niet op orde en verkeert het land in een bestuurlijke impasse. Ik heb het al eerder gezegd: ons past terughoudendheid, maar het lijkt erop dat op Sint-Maarten de rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur in het geding zijn. En dat zijn zaken waar het Koninkrijk, en dus ook Nederland, medeverantwoordelijk voor is. Hoe beoordeelt de minister de situatie op Sint-Maarten? Welke mogelijkheden ziet hij om de waarborgfunctie van het Koninkrijk te effectueren? Is de Koninkrijksregering wel voldoende geëquipeerd om met deze nieuwe staatkundige realiteit om te gaan?

Op Curaçao wordt een nieuwe regering gevormd. Wat het beleid van deze regering zal zijn, moeten we afwachten. Duidelijk is wel dat er op Curaçao al jaren sprake is van maatschappelijke misstanden, die door geen van de elkaar opvolgende kabinetten zijn aangepakt. Met mensen die misstanden aankaarten, lijkt te worden afgerekend. Het meest schokkende voorbeeld is uiteraard de moord op Helmin WieIs, maar het lijkt dieper verankerd te zijn. De tijdelijk inspecteur volksgezondheid heeft in de afgelopen maanden een aantal misstanden in de gezondheidszorg blootgelegd, variërend van ondeugdelijke operaties tot frauderende specialisten. In de Curaçaose pers was hiervoor waardering van de bevolking te lezen. Toch is het contract van de inspecteur niet verlengd. Dit is uiteraard een interne aangelegenheid, maar wij maken ons zorgen dat de aandacht voor misstanden in de gezondheidszorg hiermee weer wegebt. Een goede gezondheidszorg is van belang voor de bevolking van Curaçao, maar ook voor Nederland. Het zou voor alle partijen een uitkomst zijn als de inwoners van Bonaire weer gebruik zouden kunnen maken van het ziekenhuis op Curaçao. Heeft de minister over deze gang van zaken gesproken met de regering van Curaçao en, zo ja, wat hebben deze gesprekken opgeleverd?

Wij willen nog apart aandacht vragen voor de politiek-bestuurlijke situatie die is ontstaan na de moord op Helmin Wiels. Een breed onderschreven hypothese is dat Wiels vermoord is omdat hij de fraude en corruptie wilde blootleggen en aanpakken. De kans is uiteraard groot dat na deze moord mensen zich wel twee keer zullen bedenken voordat zij misstanden aankaarten. Gezien het vertrek van de inspecteur volksgezondheid zou dat overigens ook in bredere zin kunnen gelden. Dat is nu precies waar Curaçao aan ten gronde zou kunnen gaan: het voortwoekeren van misstanden waarbij alle verantwoordelijken hun verantwoordelijkheid ontlopen of, erger nog, elkaar de hand boven het hoofd houden. De bevolking van Curaçao verdient beter. Wij horen graag van de minister hoe hij een en ander ziet, of hij van mening is dat met deze ontwikkelingen de rechtszekerheid niet in het geding is en welke mogelijkheden hij ziet voor verbeteringen.

De medeverantwoordelijkheid van het Koninkrijk voor de autonome landen is beperkt, maar precies op de gebieden waar deze medeverantwoordelijkheid van kracht is, schuurt het. Zijn de mechanismes die we hebben, het Statuut en de Koninkrijksregering, nog wel toegesneden op de nieuwe staatkundige relaties? Wat is het oordeel van de minister hierover? Wij wachten zijn antwoorden met belangstelling af.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Ik kom nog even terug op een punt dat mevrouw Linthorst helemaal in het begin van haar betoog aanstipte, namelijk de evaluatie van de BES-constructie. Als ik mij goed herinner, zei ze ook dat het alleen de BES-constructie betrof, maar bij mijn weten zijn in de rijkswetgeving, die voor de landen geldt, ook clausules opgenomen voor de evaluatie daarvan. Als ik mij niet helemaal vergis, betreft de evaluatie de gehele transitie van 10-10-10. Misschien kan mevrouw Linthorst hierop antwoord geven en anders misschien straks de minister.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Het was mij onduidelijk en om die reden stelde ik de vraag aan de minister hoe het nu eigenlijk zit. In mijn perceptie had de evaluatie betrekking op de BES-eilanden, overigens wel in brede zin en dus niet alleen de constructie maar de gehele overgang. Ik heb altijd begrepen dat er ten aanzien van de autonome landen geen evaluatie zou zijn. Ik begon echter te twijfelen en om die reden heb ik daarnaar gevraagd.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Uitstekend. De rijkswetgeving wordt in ieder geval geëvalueerd.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.