Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 6, item 4

4 Voorwaardelijke invrijheidstelling/Rechterlijk gebieds- of contactverbod

Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (32319);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod) (32551).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nogmaals welkom in de Eerste Kamer. De minister van Veiligheid en Justitie, die eveneens bij dit debat aanwezig zou zijn, heeft zich verexcuseerd wegens bezigheden elders. Ik heb dat verzoek gehonoreerd.

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. De PvdA-fractie is ingenomen met de beide wetsvoorstellen die wij vanmiddag gecombineerd bespreken. Van het wetsvoorstel inzake de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn wij zelfs ronduit enthousiast geworden. Zo kan het ook! De doelstelling van de regering is dat een deel van de korte gevangenisstraffen wordt vervangen door voorwaardelijke veroordelingen. Een korte gevangenisstraf biedt namelijk onvoldoende gelegenheid om gedragsverandering bij de veroordeelde te bewerkstelligen. En voor het verminderen van recidive is gedragsverandering noodzakelijk. Een voorwaardelijke straf, met haar proeftijd, geeft meer mogelijkheden voor gedragsverandering en daarmee voor het terugdringen van recidive. Dit wetsvoorstel biedt de rechter extra instrumenten om bij het bepalen van de straf maatwerk te leveren: maatwerk dat rekening houdt met het gepleegde misdrijf, het risico voor de maatschappij en de vaak psychische problematiek van de dader. Juist de combinatie van verschillende voorwaarden maakt het mogelijk dat de strafrechtelijke reactie de kern van de problematiek van de dader aanpakt. Uit de recidivemonitor van het WODC blijkt dat de recidive na voorwaardelijke straffen significant lager ligt dan na onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Het is dus terecht dat de regering inzet op de toename van voorwaardelijke straffen waar dat passend is.

Voor het succes van voorwaardelijke straffen is een goed functionerend reclasseringstoezicht essentieel. In het wetsvoorstel zijn niet alleen de mogelijkheden voor het opleggen van een adequate voorwaardelijke straf verbeterd, maar zijn ook de mogelijkheden voor beter toezicht verruimd. Zo kan de rechter onder omstandigheden bepalen dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving daarvan uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarmee kan worden voorkomen dat een tot een voorwaardelijke straf veroordeelde zich door het instellen van hoger beroep aan het toezicht van justitie onttrekt. Daarnaast regelt het voorstel de mogelijkheid van voorlopige tenuitvoerlegging van de straf die voorwaardelijk is opgelegd als de veroordeelde zich niet lijkt te houden aan de opgelegde voorwaarden. Het komt immers de geloofwaardigheid van de voorwaardelijke veroordeling ten goede als snel kan worden opgetreden in geval van overtreding van de voorwaarden.

Toch kleven er juist aan de dadelijke uitvoerbaarheid en de voorlopige tenuitvoerlegging ook risico's. Als in hoger beroep de voorwaardelijke veroordeling niet in stand blijft, heeft de persoon in kwestie zich achteraf ten onrechte al een periode aan de voorwaarden moeten houden en is die persoon ten onrechte onderworpen geweest aan reclasseringstoezicht. Bij de voorlopige tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf – indien de rechter-commissaris oordeelt dat er ernstige redenen zijn voor het vermoeden dat een voorwaarde niet wordt nageleefd – doet zich iets vergelijkbaars voor als de zittingsrechter uiteindelijk de vordering tenuitvoerlegging afwijst. Als gevolg van de voorlopige tenuitvoerlegging heeft de persoon in kwestie dan mogelijk al een vrij lange periode – achteraf ten onrechte – gevangen gezeten. Ik heb in dit kader enkele vragen aan de staatssecretaris. Het voorgestelde artikel 14l regelt dat in het laatste geval de rechter aan de persoon in kwestie een schadevergoeding kan toekennen. Zie ik het goed dat een dergelijke bepaling ontbreekt in het geval van de dadelijke uitvoerbaarheid van een voorwaardelijke straf die in hoger beroep onderuit gaat? Zo ja, waarom voorziet het wetsvoorstel niet in die mogelijkheid? Heeft de veroordeelde die als gevolg van die dadelijke uitvoerbaarheid al onderworpen is aan de voorwaarden en het reclasseringstoezicht ook mogelijkheden om versneld een uitspraak te krijgen van de rechter bij wie het hoger beroep aanhangig is?

Bij de voorlopige tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf heeft de PvdA-fractie de volgende vragen. Kan de veroordeelde schorsing van de tenuitvoerlegging vragen of ten minste het krijgen van een beslissing van de zittingsrechter bespoedigen? En hoe zit het met de mogelijkheid van schadevergoeding op basis van artikel 14l als de rechter-commissaris de vordering voorlopige tenuitvoerlegging afwijst, terwijl de persoon in kwestie dan wel al een aantal dagen heeft vastgezeten?

Dat brengt mij bij het wetsvoorstel dat het rechterlijk gebieds- of contactverbod regelt. Daar speelt iets vergelijkbaars. Dat wetsvoorstel heeft namelijk een duidelijke relatie en gelijkenis met het voorstel inzake de voorwaardelijke veroordeling. In het wetsvoorstel rechterlijk gebieds- of contactverbod wordt de rechter de mogelijkheid gegeven een gebiedsverbod, contactverbod en/of een meldplicht op te leggen als maatregel. Onder het huidige recht kan de rechter een dergelijke vrijheidsbeperking uitsluitend opleggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde. Er zijn echter gevallen waarin het opleggen van een voorwaardelijke straf niet passend of mogelijk is. Voor die gevallen wordt nu voorgesteld de rechter de mogelijkheid te geven een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen ter beveiliging van de maatschappij en het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De PvdA-fractie waardeert de toevoeging van dit stuk gereedschap aan de gereedschapskist van de rechter en de bijdrage die dit levert aan de mogelijkheid voor de rechter om maatwerk te leveren, maar wij hebben nog enkele vragen aan de regering over, wederom, de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel. Waarom voorziet het voorstel niet in een mogelijkheid voor de toekenning van schadevergoeding in de gevallen waarin de rechter in eerste aanleg de vrijheidsbeperkende maatregel direct uitvoerbaar heeft bevolen en de maatregel vervolgens in hoger beroep geen stand houdt? De persoon in kwestie is in de periode tot de uitspraak in hoger beroep immers in zijn vrijheid beperkt door de maatregel en dat blijkt achteraf ten onrechte te zijn gebeurd. Ook vragen wij de minister of de betreffende persoon mogelijkheden heeft om versneld een uitspraak te krijgen van de rechter bij wie het hoger beroep aanhangig is.

Het zou logisch zijn als ik ook nog vragen zou stellen over de vervangende hechtenis en de manier waarop daar de schadevergoeding is geregeld of over de snelheid van de procedure. Dat zijn echter zaken die in het betreffende artikel juist heel goed geregeld zijn. Het is misschien goed om dit aan de staatssecretaris mee te geven. Wij wachten de antwoorden van de regering met belangstelling af.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Zoals ik al zei, spreek ik vandaag ook namens de Partij voor de Dieren.

De voorwaardelijke strafrechtelijke interventie moet een volwaardig alternatief bieden voor de onvoorwaardelijke straf of vrijheidsstraf. Met het wetsvoorstel 32319 worden de criteria voor een voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling verduidelijkt, zodat de rechter in zijn vonnis nauwkeuriger kan aangeven aan welke voorwaarden een veroordeelde zich dient te houden.

De D66-fractie begrijpt op zichzelf genomen goed dat adequate voorwaarden voor voorwaardelijke sanctiemodaliteiten een goed justitieel kader bieden voor een meer persoonsgerichte aanpak, met name om recidive te voorkomen. Uiteraard moet dan duidelijk zijn onder welke condities voorwaardelijke modaliteiten effectief kunnen zijn. De kwaliteitseisen die in het algemeen worden gesteld aan strafrechtelijke interventies zijn zekerheid, snelheid, strengheid en rechtsgehalte. Zekerheid ten aanzien van een vonnisconforme uitvoering van een voorwaardelijke interventie, een snelle uitvoering als stimulans voor daadwerkelijke gedragsverandering, en een proportionele en bij de geldende rechtswaarborgen aansluitende interventie ter versterking van de maatschappelijke geloofwaardigheid en acceptatie. Wij hebben de regering gevraagd in hoeverre in de praktijk deze elementen terug te vinden zullen zijn. In zijn uitvoerige reactie – waarvoor dank – zet de staatssecretaris samengevat uiteen dat het voorstel een codificatie van de bestaande praktijk tot doel heeft. Een zo goed mogelijk op die praktijk toegesneden wettelijke grondslag stelt vervolgens de rechter in staat de bijzondere voorwaarden in zijn uitspraak adequaat te formuleren. Dat versterkt ook wat mijn fractie betreft de wettelijke en rechterlijke legitimatie en vergroot daarmee de rechtszekerheid, de effectiviteit en ook de geloofwaardigheid van de voorwaardelijke bestraffing. Dit punt laten wij daarom verder rusten.

Mijn fractie heeft gelet op het advies van de Raad van State vervolgens aandacht gevraagd voor de vraag in hoeverre een voorlopige tenuitvoerlegging in geval van overtreding van een opgelegde voorwaarde strijdig is met het onschuldbeginsel van artikel 6, lid 2 van het EVRM. In het geval dat de rechter-commissaris toetst of er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de algemene voorwaarde niet is nageleefd en zo nodig de voorlopige tenuitvoerlegging beveelt, blijft de rechter-commissaris volgens de regering binnen de grenzen van het in het EVRM genoemde criterium van "state of suspicion". De rechter die vervolgens over het nieuwe strafbare feit oordeelt, zou met die vaststelling van de rechter-commissaris immers niets van doen hebben, zo herhaalt de staatssecretaris nog eens in de memorie van antwoord. Mijn fractie kan deze redenering op zichzelf genomen wel volgen, maar het is en blijft de vraag of dit standpunt houdbaar is in het licht van de ruimte en de onzekerheid die de toepasselijke jurisprudentie laat bestaan als gevolg van het casuïstische karakter daarvan. Graag zou ik de staatssecretaris nog eens willen vragen of de opvatting van de regering onweerlegbaar aansluit bij het begrip "state of suspicion" als bedoeld in het toepasselijke EVRM-artikel.

Wetsvoorstel 32551 introduceert met het rechterlijke gebieds- of contactverbod een door de rechter op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel, eveneens gericht op het voorkomen van herhaling van strafbare feiten. Dat was tot dusver alleen mogelijk in de vorm van het opleggen van een bijzondere voorwaarde, maar blijkt in die context niet in alle opzichten effectief te functioneren.

De D66-fractie vindt het belangrijk dat dit voorstel geen wijziging aanbrengt in het bestaande stelsel van voorwaardelijke bestraffing. Wij ondersteunen in zijn algemeenheid het streven naar minder recidive, bijvoorbeeld door de inzet op blijvende gedragsverandering. In die zin kunnen wij onderschrijven dat de selectiviteit en differentiatie in het opleggen en effectueren van straffen het mogelijk maken de aard en wijze van effectuering van een sanctie toe te snijden op het type delict en de persoon van de dader. In die context beoordeelt mijn fractie ook dit voorstel als een methode die de rechter kan helpen, een op de persoon van de veroordeelde gerichte wijze van gedragsverandering te stimuleren. Het is de vraag hoe groot deze behoefte is, nu het probleem zich alleen lijkt voor te doen op het punt van de effectiviteit.

Daarnaast blijven wij kritisch ten opzichte van verdere en eendimensionale aanscherpingen van het repressieve karakter van het strafrecht en de strafvordering. Om die reden heeft mijn fractie in de schriftelijke voorbereiding gevraagd naar de plaats van deze nieuwe maatregel in het geheel van vrijheidsbeperkende sancties en naar de samenhang met vergelijkbare bestuursrechtelijke interventiemogelijkheden. De cumulatie van mogelijkheden voor vrijheidsbeperkende maatregelen, zowel op grond van strafrechtelijke bevoegdheden ter bescherming van de rechtsorde, als op grond van bestuursrechtelijke bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde, roept problemen van samenloop en afstemming op. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij zich hiervan bewust is, in hoeverre hij dat ook tot de zorg van het ministerie rekent en op welke wijze binnen het ministerie met dit vraagstuk wordt omgegaan.

Binnen mijn fractie, maar ook daarbuiten – en niet alleen bij de Partij voor de Dieren – bestaan zorgen over de toenemende repressie van de kant van de overheid, zonder dat voor deze trend een objectieve en rationele aanleiding bestaat. De in de afgelopen jaren gerealiseerde cumulatie van opsporings- en handhavingsbevoegdheden heeft de stoot gegeven tot een veelheid aan gedifferentieerde modaliteiten van sanctionering en handhaving. De Raad van State kenschetst deze ontwikkeling als een fragmentatie van het strafrechtelijke en bestuursrechtelijk sanctiestelsel; dat is niet onbelangrijk. Terecht stelt de Raad van State dat een heroriëntatie op de interne samenhang en consistentie van het strafrechtelijke sanctiestelsel geboden lijkt. Mijn fractie roept in deze Kamer al jaren op tot een systematische analyse van en fundamentele bezinning op de op dit terrein vastgestelde wetgeving. Ik heb moeten vaststellen dat de regering tot dusver weinig behoefte lijkt te tonen, in brede zin daarop te reflecteren. Juist nu de staatssecretaris in de memorie van antwoord aangeeft dat voorshands geen verdere vrijheidsbeperkende maatregelen worden voorzien, zou het thans een goed moment zijn, een substantiële evaluatie uit te voeren. Graag vraag ik of de staatssecretaris wil toezeggen hiervoor een voorstel te ontwikkelen. Het zal duidelijk zijn – dit zeg ik uiteraard in alle vriendelijkheid – dat het antwoord van de staatssecretaris zwaar zal wegen bij het eindoordeel van de D66-fractie en, naar ik vermoed, bij het eindoordeel van de Partij voor de Dieren.

De heer Holdijk (SGP):

Voorzitter. Indien u daarin toestemt, zal ik beide wetsvoorstellen aansluitend aan elkaar, in de volgorde van de agenda bespreken. Bij beide thans voorliggende voorstellen past onze fracties enige terughoudendheid bij de plenaire behandeling, aangezien wij niet deel hebben genomen aan de schriftelijke voorbereiding. Met inachtneming van dit voorbehoud, mogen wij ons wellicht toch veroorloven, over beide voorstellen enkele opmerkingen naar voren te brengen.

Ik ga eerst in op het wetsvoorstel 32319. Dit wetsvoorstel hangt samen met het beleid van het kabinet om recidive te verminderen en re-integratie te bevorderen. Doelstelling is dat het aantal straffen met bijzondere voorwaarden toeneemt. Van de persoonsgerichte aanpak om recidive te verminderen, worden maximale effecten verwacht. Persoonlijk ben ik daarover helaas niet zo optimistisch gestemd, ook al zijn het diagnostische instrumentarium, de gedragsinterventies, de zorg en de behandeling zo veel mogelijk wetenschappelijk onderbouwd. Belijdenis van schuld, een diep berouw en een ernstig voornemen om zich niet weer te ontgaan, lijken mij belangrijkere voorwaarden. Dat neemt niet weg dat ik op zichzelf wel geneigd ben de algemene opvatting te delen dat een voorwaardelijke straf meer mogelijkheden voor het veranderen van gedrag biedt dan een korte vrijheidsstraf. Een ruimere toepassing van voorwaardelijke sancties zou kunnen leiden tot een afname van het aantal korte onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, die gelden als de minst effectieve in termen van recidivevermindering.

Ook deel ik de wens van de regering dat het voorstel een bijdrage zal leveren aan het verhogen van de effectiviteit en geloofwaardigheid van de voorwaardelijke bestraffing.

Eveneens deel ik de opvatting dat in de huidige praktijk de invulling van de bijzondere voorwaarden nog te veel wordt overgelaten aan de reclassering, die zelf ook niet gelukkig lijkt te zijn met de zeer open en ruime opdrachtverlening. Het codificeren in de wet, zonder dat deze een limitatieve opsomming geeft, en het specificeren van de voorwaarden in het vonnis beschouw ik als winst, zowel voor de veroordeelde als voor de reclassering, als meer in het algemeen voor de rechtshandhaving.

Ten slotte acht ik het ook een verbetering dat het voorstel ertoe kan leiden dat een snellere reactie van reclassering en justitie op niet-naleving van de voorwaarden volgt, maar eveneens dat verplicht reclasseringstoezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden mogelijk wordt in de periode voorafgaand aan het onherroepelijk worden van een veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf.

Een niet onbelangrijk, maar wel omstreden onderdeel van het wetsvoorstel is de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Ook de Raad van State was op dit punt kritisch en meende dat aanhouding en voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf bij schending van de algemene voorwaarde zich niet verdraagt met de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, EVRM. De heer Engels sprak daar ook over. We moeten alle discussies op dit punt niet over willen doen. Het kabinet heeft voor een bepaalde constructie gekozen. De vraag is hoe kwetsbaar deze zal blijken bij toetsing door hogere rechtelijke instanties. Hoewel het Openbaar Ministerie in algemene zin verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van sancties, is hier, bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf wegens schending van een voorwaarde, een rol voor de rechter-commissaris weggelegd, terwijl de zittingsrechter moet oordelen over de strafbaarheid van het nieuwe feit. Als ik het zo samenvat, geef ik dan de figuur die de regering verdedigt, goed weer?

Ook een gevoelig punt is de bijzondere voorwaarde voor de veroordeelde, illegale en ongewenst verklaarde vreemdeling om te voldoen aan de verplichting Nederland te verlaten, terwijl deze niet in aanmerking komt voor vroegtijdige beëindiging van een opgelegde vrijheidsstraf. Volgens de regering is geen strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel aan de orde. Voor zover daarvoor het argument wordt gehanteerd dat het om personen gaat die na hun detentie niet in Nederland mogen blijven en waarbij dus van terugkeer in de Nederlandse samenleving geen sprake is, kan mij dat overtuigen. Overigens heb ik kennisgenomen van de mededeling dat een specifieke regeling voor deze categorie is aantocht is.

Ik ga over tot bespreking van het voorstel tot invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een gebieds- of contactverbod dan wel een meldplicht. Dit staat net als het vorige wetsvoorstel in het teken van het terugdringen van de criminaliteit in het algemeen en het voorkomen van recidive meer in het bijzonder. De maatregel komt in beeld in situaties waarin een voorwaardelijke strafoplegging een te zwaar instrument is, dat bovendien niet aan zijn doel zou beantwoorden. De maatregel heeft een subsidiair karakter ten opzichte van een bijzondere voorwaarde bij voorwaardelijke bestraffing, hoewel een bijzondere voorwaarde die niet is genoemd in het voorgestelde artikel 14c, tweede lid, mogelijk is, aldus de aldaar onder 14° bedoelde "andere voorwaarden". Ik sprak daar zo-even al over toen ik het had over een niet-limitatieve opsomming.

De mogelijkheid tot oplegging van de voorgestelde nieuwe sanctie zie ik als aanvullend. Deze kan in beginsel toepassing vinden bij de veroordeling voor ieder strafbaar feit. Deze mogelijkheid is tevens van aanvullende aard, gelet op de vele andere vrijheidsbeperkende interventies in het bestuurs- en strafrecht welke voorafgaan aan berechting. In de memorie van antwoord schrijven de bewindslieden op pagina 6: "Met dit wetsvoorstel wordt het instrumentarium van de rechter gecompleteerd." Wat bedoelen ze eigenlijk in dit verband met het woord "compleet"? Moet het worden verstaan als "volledig", en dus afgerond, of slechts als "aangevuld", dus als voorlopige uitbreiding? Moet ik de laatstgenoemde interpretatie van het "compleet zijn" aannemen, gelet op de mededeling van de minister in de memorie van antwoord op pagina 5, waar hij schrijft: "Voor het overige zijn mij geen concrete voornemens tot nieuwe vrijheidsbeperkende maatregelen bekend."?

Het karakter van de voorgestelde maatregel en daarmee het onderscheid tussen straffen en maatregelen roept bij ons nog wel wat vragen op. De grens tussen beide soorten vrijheidsbeperking dreigt onzes inziens te vervagen. Dat kan bezwaren opleveren, niet eens alleen vanwege het feit dat het voor de veroordeelde soms niet duidelijk zal zijn wat de aard van de vrijheidsbeperking is; mogelijk interesseert hem dat niet of heel weinig. De maatregel heeft geen strafkarakter en kan opgelegd worden voor gedragingen die op zich zelf niet strafbaar zijn, zoals het veroorzaken van overlast. Toch is een eis dat de rechter het strafbare feit waarvoor gedagvaard is, bewezen acht om deze maatregel op te kunnen leggen. De maatregel kan slechts gericht zijn op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten of het beëindigen van ongewenst hinderlijk gedrag. Een verband tussen het strafbare feit waarvoor de veroordeling wordt uitgesproken en de vrijheidsbeperkende maatregel die wordt opgelegd, is voor ons een voorwaarde voor acceptatie van de voorgestelde nieuwe maatregel. Het ongewenste gedrag waar het om gaat, mag dan niet strafwaardig zijn en de maatregel mag dan geen strafkarakter hebben, toch moet de koppeling tussen de veroordeling wegens het strafwaardige feit en de oplegging van de maatregel heel helder zijn. Is dat ook het geval of blijft het ook nog mogelijk dat van een straf wordt afgezien door de rechter, maar dat wel een maatregel wordt opgelegd?

Een punt dat met het voorgaande in verband staat, is de vraag hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin een opgelegde maatregel niet is nageleefd. Dan immers is de vraag aan de orde dat de rechter-commissaris moet beslissen over de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende voorlopige hechtenis en in principe is dat een finale beslissing, een voorlopig eindoordeel dus, zo wordt in de stukken gesteld. Dat is dus een andere figuur dan bij de niet-naleving van de voorwaardelijke strafmodaliteiten, waar de beslissing van de rechter-commissaris geldt als een voorlopig oordeel. Voor dat verschil moeten goede redenen bestaan.

Na afweging van de verschillende argumenten zijn wij tot de conclusie gekomen dat het verschil acceptabel is, gezien het verschil in karakter en doel van de vrijheidsbeperking, waarbij de beoogde blijvende gedragsverandering het criterium is. Dat verschil kan rechtvaardigen dat er bij niet-naleving van de maatregel voor een andere door de rechter-commissaris te volgen route wordt gekozen dan bij niet-naleving van de voorwaarden bij een voorwaardelijke vrijheidsstraf en bij een voorwaardelijke invrijheidstelling. Intussen blijft het wel de vraag of het opleggen van voorlopige hechtenis niet een zware sanctie is voor het niet naleven van een maatregel die op zich zelf geen strafkarakter heeft. Wil de staatssecretaris nog eens op die vraag ingaan?

Ten slotte. Ook bij dit voorstel is het punt aan de orde dat ik bij de bespreking van wetsvoorstel 32319 ter sprake bracht, namelijk de mogelijkheid van aanhouding van de veroordeelde door het Openbaar Ministerie op grond van niet-naleving van de maatregel. Bij dat wetsvoorstel heb ik hierover opmerkingen gemaakt in relatie tot de artikelen 14 fa en 15h van het Wetboek van Strafrecht en die zou ik hier kunnen herhalen, maar dat zal ik niet doen.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Voorzitter. Zo boos als wij zijn over het voorgaande wetsvoorstel over de taakstraf (32169), zo tevreden zijn wij over dit wetsvoorstel, waarin aan het wetboek van strafrecht geen nieuw strafbaar feit of een nieuwe straf wordt toegevoegd, maar een maatregel ter beveiliging van de samenleving c.q. van een of meer personen in die samenleving, of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.

Ik begin met het rechterlijk gebieds- of contactverbod, want daarover heb ik weinig te zeggen, en kom zo dadelijk op het andere wetsvoorstel. Ik hoop dat de staatssecretaris daardoor niet in de war raakt, maar dat vertrouw ik hem wel toe. Indien de rechter het ten laste gelegde strafbare feit bewezen acht en de verdachte deswege schuldig, kan hij op grond van artikel 9a Sr bepalen dat geen straf zal worden toegepast. De rechter kan dan wel met dit wetsvoorstel in de hand een gebieds- of contactverbod of een meldplicht opleggen, geen straf maar een maatregel. De meer technische vragen die wij daarover in de voorbereiding hebben gesteld, zijn helder beantwoord, waarvoor dank.

Voor de zekerheid kom ik nog even terug op artikel 38w j° 38x. Begrijpen wij goed dat, als de duur van de vervangende hechtenis is gesteld op drie dagen, de rechter-commissaris ingevolge artikel 38x kan beslissen dat twee dagen voldoende proportioneel is? Het kan dan voorkomen dat de betrokkene pas de derde dag gehoord wordt. Hij heeft dan recht op schadevergoeding. Klopt dat?

Wij willen hier nog wel onze zorg uitspreken over een mogelijk aanzuigende werking van deze maatregel. Het moet niet zo zijn dat zaken die voorheen door het OM werden afgedaan met een vergelijkbare maatregel, of, sterker nog, zaken waarin de politie adviseerde in kort geding, dus in het civiele recht, een straat- of contactverbod te vragen op grond van gepleegde onrechtmatige daad, nu op de strafzitting zullen worden aangebracht. Dat lijkt ons niet de bedoeling. Hoe denkt de staatssecretaris dat te voorkomen?

Ook herhalen wij onze zorg over alles wat de gemeente en de politie ook hier weer extra op hun bord krijgen zonder voldoende extra middelen om die taken waar te maken. Wij kennen het antwoord al: de gemeente krijgt genoeg geld en kan het allemaal veel goedkoper, maar wij zijn zo vrij om ons daarover toch zorgen te blijven maken. Het beter doen met minder geld is niet voor iedereen weggelegd.

Ik ga nu over naar het volgende wetsvoorstel, over de voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling. Dit is een goed wetsvoorstel, maar er zit een klein addertje onder het gras. Het wetsvoorstel voorziet in een verbetering van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen, hetgeen de SP-fractie uiteraard van harte ondersteunt. Het voorziet ook in een toezegging aan ons gedaan bij gelegenheid van de behandeling van de wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Dank daarvoor.

Helaas is in dit wetsvoorstel in onze visie niet alles rozengeur en maneschijn. Ik kom daarom terug op het punt van de onschuldpresumptie en van de al dan niet ongelijke behandeling van mensen zonder verblijfsvergunning. Daarnaast hebben wij ook hier zorgen over de werklastverzwaring voor de rechterlijke macht.

Ik begin bij dit laatste. Wij hebben niet terug kunnen vinden of, en zo ja, hoe is gereageerd op de brief van de Raad voor de rechtspraak van 12 augustus 2010 over de toevoeging van artikel 77 cca Wetboek van Strafrecht aan het wetsvoorstel, nadat de raad zijn advies had uitgebracht. De raad noemt een werklastverzwaring van met name de rechter-commissaris met betrekking tot minderjarigen op een aantal onderdelen en becijfert dat hiermee een bedrag gemoeid is van € 209.000 per jaar, bovenop de reeds becijferde werklastverzwaring waarop al wel was gereageerd. Ook het voorstel inzake de Wet versterking positie rechter-commissaris is in aantocht. Dit, opgeteld bij het feit dat een fors aantal rechters en een fors deel van de ondersteuning op dit moment al aan het primaire proces zijn onttrokken in verband met het vooruitlopen op het voorstel inzake de Wet herziening gerechtelijke kaart, maakt dat wij ons grote zorgen maken over het handhaven van een voldoende niveau van kwaliteit voor het primaire proces in de rechtspraak. Graag een reactie. Het is misschien meer iets voor de minister, maar de staatssecretaris moet dit maar even voor hem waarnemen. Ik heb er alle vertrouwen in dat hij dit zal kunnen.

Ik kom op de onschuldpresumptie. De staatssecretaris is in de memorie van antwoord uitvoerig ingegaan op de door de fracties van D66 en de SP geuite bedenkingen inzake de mogelijkheid om een veroordeelde vast te zetten bij overtreding van de algemene voorwaarde dat hij geen strafbare feiten meer zal plegen, hoewel de verdenking een feit betreft waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is. Op het eerste gezicht lijkt dit op oneigenlijk gebruik van artikel 14 fa, en als zodanig in strijd met de onschuldpresumptie. Ik moet echter toegeven dat het onlogisch is om een voorwaardelijk veroordeelde wel te kunnen vastzetten indien er ernstige redenen bestaan om te vermoeden dat een bijzondere voorwaarde, bijvoorbeeld een verbod om zich op een bepaalde locatie te bevinden, is overtreden, maar niet indien er een ernstige reden is om te vermoeden dat een strafbaar is gepleegd. Bij een verdenking van een zwaarder feit zou geen aanhouding mogelijk zijn en bij verdenking van een lichter feit wel. Wij hopen dat het Europese Hof dit ook goed zal vinden. De tijd zal het leren.

De ervaring leert dat in de huidige situatie overtreding van de bijzondere voorwaarden alleen bij betrapping op heterdaad tot aanhouding kan leiden, hetgeen tot gevolg heeft dat veroordeelden donders goed weten hoe machteloos het justitiële apparaat is. Het is voor de geloofwaardigheid van de hele strafrechtketen goed als opgelegde straffen snel ten uitvoer worden gelegd en op de naleving van opgelegde voorwaarden effectief wordt toegezien. Wij laten onze bezwaren met betrekking tot de onschuldpresumptie dus bij nader inzien varen. Dit is voortschrijdend inzicht.

Helaas, voorzitter, heeft langer nadenken geen wijziging gebracht in onze verontwaardiging over de wijziging van artikel 15 lid 3. Onder c wordt voorgesteld de veroordeelde die een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, niet voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking te laten komen. In het oorspronkelijk voorstel stond, in artikel 15a, derde lid onder 10, dat de bijzondere voorwaarde kon inhouden: het voldoen aan een op grond van artikel 6 van de Vreemdelingwet 2000 bestaande verplichting Nederland te verlaten en niet in Nederland terug te keren. De Raad van State maakte hierover een opmerking, waarna de staatssecretaris met zijn tweede nota van wijziging kwam. Deze wijziging ziet de SP-fractie wel als een verduidelijking, maar niet als een verbetering. Wij blijven van oordeel dat hier sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en derhalve van strijd met de Grondwet en het EVRM. Waar het om gaat, is dat mensen die door de strafrechter worden afgestraft zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met hun verblijfsstatus, in de executiefase ineens anders worden behandeld. De SP-fractie zou zich kunnen voorstellen dat je als rechter, dit wetende, deze mensen een straf oplegt die een derde korter is dan wanneer betrokkene een verblijfsvergunning zou hebben of gewoon Nederlander was. Hoe denkt de staatssecretaris daarover? De SP-fractie had graag gezien dat deze nota van wijziging aan de Raad van State was voorgelegd. Is daarover nagedacht? Is het geen goede, staatsrechtelijk juiste, gewoonte om een zo ingrijpende wijziging alsnog voor te leggen?

De staatssecretaris motiveert het verschil in behandeling met de aanname dat de veroordeelde niet terugkeert in de Nederlandse samenleving. Kan de staatssecretaris cijfers verschaffen over het volgende? Hoe vaak komt het voor dat een gedetineerde rechtstreeks vanuit de gevangenis terugkeert naar het land van herkomst? Hoe vaak lukt dit niet? Wat is dan de oorzaak dat het niet lukt de vreemdeling rechtstreeks vanuit de gevangenis op het vliegtuig te zetten? De staatssecretaris weet ook dat het voorkomt dat mensen die op het vliegtuig zijn gezet, met het eerstvolgende vliegtuig naar Nederland worden teruggestuurd door hun eigen zogenaamde land van herkomst. Keren deze vreemdelingen zonder verblijfsvergunning dan toch terug in de samenleving? Zo nee, wat gebeurt er dan met hen? Zo ja, is het dan toch niet verstandiger om hen wel te laten resocialiseren? De staatssecretaris stelt dat er geen landen zijn die structureel weigeren hun onderdanen terug te nemen als zij zelf willen terugkeren. De vraag is echter niet of er landen zijn die structureel geen onderdanen terug willen nemen, die dat dus nooit willen, maar wat er gebeurt als het land van herkomst in een concreet geval iemand niet terug wil nemen. De staatssecretaris weet heel goed dat veel illegaal in Nederland verblijvende mensen geen papieren hebben aan de hand waarvan zij kunnen aantonen dat zij onderdaan zijn van een bepaald land, of zij die nu nooit gehad hebben of en route hebben laten verdwijnen. Vindt de staatssecretaris het beter voor de Nederlandse samenleving om deze mensen in dat geval extra lang vast te houden en vervolgens onvoorbereid over de schutting te kieperen? Wie wordt daar beter van?

Het goede dat dit wetsvoorstel biedt, wordt ernstig overschaduwd door het kwade dat met artikel 15, derde lid onder c bij tweede nota van wijziging is ingevoegd. Wij zouden graag zien dat dit artikel alsnog aan de Raad van State wordt voorgelegd.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Wij behandelen deze wetsvoorstellen gezamenlijk, maar ik ga eerst in op de wijzigingen met betrekking tot de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling. Anders dan bij het eerder besproken wetsvoorstel over de taakstraffen, staat onze fractie positief tegenover de invulling van de bijzondere voorwaarden die kunnen worden opgelegd bij de voorwaardelijke invrijheidstelling. Wij gaan ervan uit dat dit wetsvoorstel de kans op een effectieve toepassing van de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling zal vergroten. Immers, de bijzondere voorwaarden zien op gedragswijziging en perspectiefverbetering. Beide zijn vaak essentieel om recidive tegen te gaan. Voor het slagen ervan moet natuurlijk wel zijn zeker gesteld dat de naleving van de voorwaarden wordt gecontroleerd. In dat verband heeft mijn fractie toch enige twijfels bij de capaciteit van de huidige strafrechtketen. De Raad van State wees op het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing, Uitvoering reclasseringstoezicht voorwaardelijke veroordeling casus J.C. Volgens de inspectie is de volledige uitvoering van een vonnis niet voldoende geborgd met reclasseringstoezicht, vanwege structurele onvolkomenheden in de samenwerking tussen de verantwoordelijke organisaties. Onderschrijft de regering deze serieuze kwalificatie en zo ja, hoe meent zij deze onvolkomenheden op te lossen en de noodzakelijke samenwerking voor de uitvoering van dit wetsvoorstel te versterken?

Vervolgens is het de vraag hoe kan worden gehandeld zodra niet-naleving van de voorwaarden is geconstateerd. De regering wil voor dat moment in de wet voorzien in de mogelijkheid van aanhouding en voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf op bevel van de rechter-commissaris. De regering is het niet eens met de Raad van State dat hiermee de onschuldpresumptie en daarmee artikel 6 EVRM wordt geschonden. Zij vergelijkt de bevoegdheid van de rechter-commissaris met die ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Mijn fractie meent dat op deze vergelijking wat valt af te dingen omdat daarbij andere criteria een rol spelen, zoals de vraag in hoeverre de samenleving door middel van voorlopige hechtenis beschermd moet worden tegen een verdachte. Dat speelt hier natuurlijk minder. Bij dit wetsvoorstel gaat het vooral over de vraag of de bijzondere voorwaarden niet zijn nageleefd en daarom alsnog tot omzetting in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden overgegaan. Het argument om de rechter-commissaris hierin een rol te geven, is waarschijnlijk de noodzaak van een snelle reactie. Kan die ook geborgd worden met tussenkomst van de rechter? Ik sluit mij op dit punt aan bij de vragen van mevrouw Beuving, waaronder de vraag over de schadevergoeding als achteraf blijkt dat de rechter anders oordeelt dan de rechter-commissaris.

Bepaalde categorieën vreemdelingen worden uitgezonderd van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Mevrouw Quik is hier al uitvoerig op ingegaan. Ook ik vraag mij af in hoeverre het onderscheid tussen rechtmatig en niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen rechtmatig is. Kan de regering bevestigen dat deze uitzondering alleen geldt voor degenen die echt uitzetbaar zijn, en dus niet voor de vreemdelingen die hier een verblijfstitel behouden als zij hun straf hebben uitgezeten? Ik denk in dit verband onder meer aan Unieburgers, Turkse burgers en langdurig ingezetenen, voor wie geldt dat hun het verblijfsrecht pas kan worden ontzegd als er sprake is van een actuele en ernstige bedreiging van de openbare orde.

Voor de vreemdelingen die niet meer in Nederland mogen blijven na het uitzitten van hun straf, geldt het systeem van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet, zoals ik zojuist al aangaf. De regering wil wel een uitzondering maken voor degenen die daadwerkelijk uit Nederland kunnen vertrekken. Mijn fractie wil graag van de regering weten waarom deze uitzondering niet ook geldt voor vreemdelingen die niet kunnen vertrekken, bijvoorbeeld omdat zij geen reisdocumenten kunnen verkrijgen of omdat er medische beletselen zijn om te reizen. Graag verneem ik de beantwoording van de staatssecretaris, want de algemene stelling dat landen altijd iemand terugnemen, voldoet niet om deze vragen te beantwoorden. De situatie blijft bestaan dat er in individuele gevallen beletselen kunnen zijn.

Ik kom nu te spreken over het wetsvoorstel inzake het gebieds- of contactverbod. Terwijl het zojuist besproken wetsvoorstel de rechter mogelijkheden biedt om gedragsbeïnvloedende voorwaarden op te leggen, waaronder de mogelijkheid van een gebieds- of contactverbod, heeft de regering het daarenboven nodig geacht middels een afzonderlijk wetsvoorstel de gebieds- of contactontzegging te regelen. Mijn fractie heeft een aantal vraagtekens bij dit wetsvoorstel. Het biedt de rechter een extra instrument om maatwerk te leveren bij een veroordeling voor een strafbaar feit, maar dan in de vorm van een maatregel. Het mag blijkbaar niet als een sanctie worden uitgelegd, hoewel de veroordeelde dat uiteraard wel zo zal beleven.

Het betitelen van de verboden als een maatregel heeft als consequentie dat de rechtsbescherming van de veroordeelde wordt beperkt. Zo hoeft de inhoud van het verbod niet direct in relatie te staan tot de ernst van het delict en de mate van schuld. De maatregel is onmiddellijk na de veroordeling ten uitvoer te leggen, terwijl een sanctie pas kan worden opgelegd als het vonnis onherroepelijk is geworden. Bij het schenden van het verbod is de rechter gehouden aan een minimumstraf van drie dagen vervangende hechtenis per keer dat het verbod geschonden is. De rechter heeft daarom minder ruimte de persoonlijke omstandigheden mee te wegen. De redenen van deze verminderde rechtsbescherming ontgaan mijn fractie. Is de regering het met mijn fractie eens dat het opleggen van een dergelijke maatregel heel degelijk en precies onderbouwd moet zijn? Dit geldt des te meer als er geen direct verband te leggen is met het strafbare feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.

De regering erkent dat er een samenloop is van strafrechtelijke instrumenten, enerzijds bijvoorbeeld de bijzondere voorwaarde en de nu aan de orde zijnde maatregel, en anderzijds de bestuurs-, civiel- en strafrechtelijke maatregelen. De regering heeft de verhouding tussen de instrumenten weliswaar uiteengezet in de parlementaire documenten, maar mijn fractie, evenals de D66-fractie, houdt de behoefte aan een samenhangende visie van het kabinet op alle sanctiemodaliteiten die inmiddels bestaan. Dat is niet in het minst van belang voor de rechtszekerheid van burgers.

Is er een bepaalde volgorde die de rechter dient te hanteren bij het bepalen van het soort instrument? De regering stelt impliciet in de memorie van antwoord dat de rechter eerst zal bekijken of een contact- of gebiedsverbod als bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd en daarna pas de mogelijkheid van een maatregel in beschouwing zal nemen. Heb ik dat juist gelezen? Is de maatregel in dat opzicht te beschouwen als een ultimum remedium? Als dat zo is, wat is dan precies het karakter van de maatregel? De regering beweert immers bij hoog en laag dat de maatregel niet als een sanctie is bedoeld. Graag ontvangen wij daarop een toelichting.

Voor mijn fractie luistert het nauw welk te beschermen belang de wetgever op het oog heeft met deze maatregel. Voor het voorkomen van overlast in het algemeen zijn er naar onze mening genoeg bestuursrechtelijke mogelijkheden. Bij de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van concrete slachtoffers kan dat anders liggen; die belangen wegen voor ons zwaar, maar daarbij is wel de vraag hoe deze gebieds- en contactverboden precies passen binnen het gehele plaatje van de huidige mogelijkheden, waaronder civiele mogelijkheden als een contact- en straatverbod, bestuursrechtelijke mogelijkheden als het huisverbod, en strafrechtelijke voorwaarden. In de brief van 24 oktober jongstleden van de minister van Veiligheid en Justitie en de staatssecretaris van VWS, over de aanpak van huiselijk geweld, komt naar voren dat de regering vindt dat er in de strafrechtketen en het bestuursrecht al ontzettend veel bereikt is op het vlak van de aanpak van huiselijk geweld. De regering zegt dat vooral verbetering te vinden is op het vlak van de preventie, dus het voorkomen van huiselijk geweld en intergenerationele overdracht van huiselijk geweld. Voor welk probleem uit de praktijk biedt dit wetsvoorstel een oplossing? Welke soort delicten heeft de regering hier op het oog?

Onze fractie wil door de regering graag overtuigd worden van de meerwaarde van dit wetsvoorstel. Bovendien krijgen wij graag meer zekerheid dat er een zekere relatie bestaat tussen het strafbare feit en de maatregel die kan worden opgelegd. Kan de staatssecretaris hier nader op ingaan? Het lijkt ons van belang dat de wetgever, los van de rechterlijke vrijheid, nadere criteria geeft voor het soort verband dat zou moeten bestaan, al is het maar in de context van de behandeling van dit wetsvoorstel. Onze fractie hecht aan de zekerheid dat deze maatregel alleen wordt toegepast als de belangen van de openbare orde of de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer zwaarder wegen dan die van de veroordeelde. Ook een veroordeelde kan immers in zijn belang worden geschaad, bijvoorbeeld als hij een gebiedsverbod heeft voor het gebied waar ook zijn ouders of andere familie wonen. Ook dat belang moet worden meegewogen.

Staan de veroordeelde voldoende rechtsmiddelen ter beschikking tegen de maatregel of de duur van de maatregel? Is er voldoende mogelijkheid tot schadevergoeding? Juist omdat er al sprake is van een verminderde rechtsbescherming in vergelijking met een strafrechtelijke sanctie, is het van belang dat deze zaken voldoende zorgvuldig worden geregeld.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

Voorzitter. De wetsvoorstellen 32319, over de voorwaardelijke invrijheidstelling, en 32551, over het rechterlijk gebieds- of contactverbod, worden vandaag in dit plenaire debat niet voor niets samen behandeld. Juist de combinatie van de mogelijkheden die beide wetsvoorstellen biedt, geeft de rechter het instrumentarium voor een op de persoon van de dader gerichte aanpak. Die aanpak is erop gericht om gepleegde strafbare feiten effectief en voortvarend af te doen en recidive te verminderen.

Voor het verminderen van recidive is gedragsverandering noodzakelijk. Die gedragsverandering kan bereikt worden door de veroordeelde een voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij hij in de proeftijd aan een of meer bijzondere voorwaarden moet voldoen. Dergelijke voorwaardelijke straffen zijn vanzelfsprekend slechts dan effectief als de verdachte, voordat de veroordeling wordt uitgesproken, zich bereid toont om de voorwaarden na te leven die de rechter overweegt op te leggen.

De minister geeft in de memorie van antwoord van 30 september jongstleden bij wetsvoorstel 32551, inzake het rechterlijk gebieds- of contactverbod, nog eens heel duidelijk de samenhang aan tussen de wetsvoorstellen 32319 en 32551: "Het thans voorliggende wetsvoorstel vult het gat in dat ontstaat indien de rechter van oordeel is dat een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht aangewezen is als reactie op het gepleegde strafbare feit, maar deze vrijheidsbeperking niet effectief als bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd."

Laat ik maar meteen duidelijkheid verschaffen: wij stemmen graag in met beide wetsvoorstellen. Wij zijn van mening dat de persoonsgerichte aanpak van de verdachte die in beide wetsvoorstellen centraal staat, inderdaad positief zal kunnen uitwerken, vooral ter voorkoming van recidive. Wij vragen ons echter wel af of er bij de reclassering en de politie wel voldoende capaciteit aanwezig is om het vereiste toezicht te houden. Wij hebben dit ook al in het voorlopig verslag aan de orde gesteld. Hoe meer voorwaardelijke veroordelingen met op de persoon van de dader toegesneden bijzondere voorwaarden en hoe meer gebiedsverboden, contactverboden of meldplichten, des te meer begeleiding en toezicht door de reclassering moet worden geleverd en des te meer inzet vereist is van de politie. Zijn daarvoor voldoende middelen voor de reclassering en de politie beschikbaar? Als zou blijken uit de recidivemonitor en ander wetenschappelijk onderzoek, onder andere van het WODC, dat de voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden en meer gebiedsverboden, contactverboden of meldplichten een doorslaand succes zijn in de strijd tegen de recidive en de rechter om die reden veelvuldiger van deze instrumenten gebruik zal maken, moeten er wellicht aanvullende middelen voor reclassering en politie ter beschikking worden gesteld. Zal dat ook gebeuren? Wij horen graag van de staatssecretaris of de bijstelling van de capaciteitsanalyse van de politie waarover de staatssecretaris het heeft in de memorie van antwoord van 8 september 2011 bij wetsvoorstel 32319, al heeft plaatsgevonden, en zo ja, wat de uitkomsten daarvan zijn.

Wij hebben ook zorgen over de toename van de werkdruk voor de rechter. De persoonsgerichte aanpak door de rechter zal in ieder geval extra rechterlijke tijd en inspanning vereisen. Vervolgens is de rechter degene die moet beoordelen of de vrijheidsstraf ten uitvoer moet worden gelegd als de veroordeelde een voorwaarde schendt. Meer voorwaardelijke veroordelingen met bijzondere voorwaarden betekent ongetwijfeld in totaliteit meer schendingen van de voorwaarden en dus vaker een vordering door het OM bij de rechter om te beoordelen of de vrijheidsstraf ten uitvoer moet worden gelegd. Ook de mogelijkheid die wetsvoorstel 32319 opent tot voorlopige tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf op bevel van de rechter-commissaris in geval van een vermoeden dat de algemene voorwaarde niet is nageleefd, leidt tot verhoging van de werkdruk van de rechter-commissaris. Worden hiervoor extra middelen aan de rechterlijke macht ter beschikking gesteld?

De minister heeft aan de Tweede Kamer toegezegd wetsvoorstel 32551 drie jaar na inwerkingtreding te evalueren. Geldt dit ook voor wetsvoorstel 32319? Is de staatssecretaris bereid om niet alleen expliciet aandacht te laten besteden aan de gevolgen voor de politiecapaciteit, zoals door de minister is toegezegd aan de Tweede Kamer, maar ook aan de gevolgen voor de capaciteit van de reclassering en niet te vergeten die van de rechterlijke macht, dat wil zeggen: rechter, rechter-commissaris en openbaar ministerie?

Mijn fractie wacht de beantwoording van onze vragen door de staatssecretaris met belangstelling af.

De heer Reynaers (PVV):

Voorzitter. Ik kan het kort houden. Ook mijn fractie past enige bescheidenheid bij de behandeling van in ieder geval een van deze wetsvoorstellen. Bij wetsvoorstel 32319 hebben wij inderdaad niet meegedaan aan de schriftelijke voorbereiding; bij wetsvoorstel 32551 wel, zij het in de tweede schriftelijke ronde.

Wij hebben naar aanleiding van deze wetsvoorstellen geen vragen meer. De vragen die wij hadden, zijn in de schriftelijke voorbereiding afdoende beantwoord. Ik wil met enige opmerkingen het standpunt van mijn fractie duidelijk maken.

Evenals in het eerder vandaag behandelde wetsvoorstel herkent de fractie van de Partij voor de Vrijheid in deze twee wetsvoorstellen een lijn die zij van harte ondersteunt: het terugdringen van criminaliteit en recidive, alsmede de bescherming van de belangen van slachtoffers en in het verlengde daarvan de maatschappij. Voor ons moet ieder wetsvoorstel op strafrechtelijk gebied daaraan worden getoetst. Tot ons genoegen constateren wij dat de twee wetsvoorstellen daaraan in aanzienlijke mate bijdragen.

Straffen is maatwerk. Beide wetsvoorstellen getuigen ervan dat deze regering begrepen heeft wat dat betekent. Maatwerk betekent dat een straf moet passen bij de daad en bij de dader, maar even zo goed bij de mate waarin de rechtsorde is geschokt en bij wat het slachtoffer in het bijzonder is aangedaan. Het verheugt ons dan ook te kunnen constateren dat beide wetsvoorstellen de mogelijkheden enerzijds verduidelijken en anderzijds aanzienlijk verruimen. Het resultaat is dat straffen, voorwaarden en maatregelen in onderlinge samenhang zodanig op de veroordeelde kunnen worden toegesneden dat deze naadloos aansluiten bij waaraan in het concrete geval behoefte bestaat: cut to the bone, om in kleermakerstermen te blijven.

In het bijzonder zijn wij verheugd over het wetsvoorstel over het gebieds- en contactverbod. Eerder vandaag heb ik al duidelijk gemaakt waar de loyaliteit van de PVV ligt: bij de slachtoffers en in het verlengde daarvan bij de maatschappij. Daarom zijn wij van mening dat daders streng maar rechtvaardig dienen te worden aangepakt. Het gebieds- en contactverbod en de meldplicht zullen daarbij zeker van nut zijn. Wie zich misdraagt, zal de consequenties daarvan aan den lijve ondervinden; niet alleen omdat men dan het risico loopt tussen vier muren te worden vastgezet, maar ook omdat de bewegingsvrijheid buiten de gevangenis kan worden beperkt.

In de schriftelijke voorbereiding is door verschillende partijen gewezen op de vervaging tussen straffen en maatregelen. Ook wij hebben dat gedaan, want ook wij zien in dat vooral het gebieds- en contactverbod een punitief karakter kan hebben. Zo wordt het in ieder geval beleefd door de dader. Wij zien dat echter niet als een echt obstakel om met deze wetsvoorstellen in te stemmen. Zo lang strenger straffen er nog even niet in zit, kunnen we ook gewoon strenger zijn. Daaraan voldoen deze wetsvoorstellen.

De voorzitter:

Wij hebben even gekeken of wij zouden kunnen versnellen. Wij hebben echter vastgesteld dat er direct een aantal commissievergaderingen plaatsvindt waarbij ook leden zullen aanschuiven die vandaag in dit debat actief zijn. Wij houden daarom de tijd van het schema aan.

De vergadering wordt van 16.10 uur tot 17.30 uur geschorst.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Allereerst felicitaties van de zijde van de regering aan mevrouw Beuving en de heer Reynaers voor het fantastisch voltooien van hun eerste inbreng hier in de senaat. Ik denk dat dit veel voorspelt voor de toekomst. Dat zullen beide leden ook merken aan mijn antwoorden op hun inbreng.

Ik zal eerst het wetsvoorstel 32319 bespreken over de voorwaardelijke sancties, de voorwaardelijke invrijheidstelling en de bijzondere voorwaarden daarbij. Daarna zal ik spreken over het rechterlijk gebiedsverbod. Ik vat de reacties op het eerste wetsvoorstel kort samen. De PvdA-fractie was ronduit enthousiast over het wetsvoorstel met de voorwaardelijke sancties en de voorwaardelijke invrijheidstelling. De heer Engels van de D66-fractie had begrip voor de gedachte dat adequate voorwaarden een goed kader kunnen bieden bij voorwaardelijke sancties voor de persoonsgerichte aanpak. De heer Holdijk was geneigd de algemene opvatting te delen dat een voorwaardelijke straf meer mogelijkheden biedt voor het veranderen van het gedrag dan een korte vrijheidsstraf. Hij heeft daarbij uiteraard een aantal opmerkingen gemaakt. Daar kom ik later op terug. Mevrouw Quik sprak wel in het algemeen haar steun uit, maar had nog wel een aantal spitsvondige vragen en een aantal karakteristieke aanmerkingen. Mevrouw Strik was volgens mij ronduit positief over het voorstel. Mevrouw Broekers sprak haar steun uit voor de persoonsgerichte aanpak, maar stelde wel een aantal vragen over de implementatie, de capaciteit en de analyse die moet worden gepleegd. Hierop kom ik later terug. De heer Reynaers zei iets bij zijn bijdrage over het andere wetsvoorstel wat ik heel mooi vond: het geweten is wel gesust, maar het geheugen vergeet niet altijd. Deze opmerking kan volgens mij voor beide wetsvoorstellen gelden.

Beide wetsvoorstellen zijn van groot belang voor het veiliger maken van Nederland. Daarom vind ik het ook zeer juist dat deze Kamer de wetsvoorstellen tegelijk behandelt. Tussen de wetsvoorstellen bestaan de nodige overeenkomsten. De doelstelling van beide wetsvoorstellen is dezelfde: het vergroten van de effectiviteit van de sanctietoepassing. Er is ook een aantal belangrijke verschillen. Een aantal leden heeft daarvoor ook aandacht gevraagd. Ik kom daar nog op terug.

Voorwaardelijke straffen en voorwaardelijke invrijheidstelling met bijzondere voorwaarden kunnen naar het oordeel van de regering bijzonder bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit en daarmee aan het verminderen van recidive en het vergroten van de veiligheid van de samenleving in het algemeen en van slachtoffers in het bijzonder. Ik zeg dit ook in relatie met de bespreking van het wetsvoorstel na de dinerpauze. Juist in zaken waarin sprake is van ernstige criminaliteit, moeten wij een gedragsverandering proberen te bewerkstelligen bij personen. Een taakstraf leent zich niet voor een gedragsverandering bij gevallen waarin sprake is van een ernstige impact op slachtoffers. Ik kom daar later op terug. De bijzondere voorwaarden die we hier bespreken, kunnen die gedragsveranderingen wel bewerkstelligen. Dat is het grote voordeel van dit wetsvoorstel.

Het kabinet vraagt van veroordeelden dat zij hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Alleen dan kan er naar ons oordeel worden geïnvesteerd in behandeling en begeleiding. Als mensen niet bereid zijn hun eigen verantwoordelijkheid te nemen, zullen wij dat niet doen. Een goede samenwerking tussen de verschillende instanties is voor de effectiviteit van het werken met die bijzondere voorwaarden van groot belang. Alle deelnemers aan de strafrechtketen, het Openbaar Ministerie, de zittende magistratuur en de reclassering, moeten ervoor zorgen dat het één vloeiende beweging is, van begin tot eind. Zij moeten er ook voor zorgen dat de veroordeelde uiteindelijk wordt begeleid en dat er toezicht op hem wordt gehouden. Voor de behandeling gericht op gedragsverandering spelen de instellingen die forensische zorg aanbieden een belangrijke rol. Juist als de opgelegde voorwaarden niet worden nageleefd, is een goede samenwerking tussen die instanties noodzakelijk.

Een aantal leden heeft gevraagd of er meer middelen beschikbaar moeten worden gesteld. Is er voldoende capaciteit? Ik zal deze vragen straks nog explicieter beantwoorden, maar ik kan nu in ieder geval zeggen dat dit wetsvoorstel is ingebed in een programma waarin onder andere het Openbaar Ministerie, de reclassering, de rechterlijke macht en de politie samenwerken om tot een betere uitvoeringspraktijk te komen voor de toepassing van de bijzondere voorwaarden. Door de combinatie van een wetswijziging en het investeren in een verbetering van de uitvoeringspraktijk kan in de visie van het kabinet het beoogde effect van het verminderen van recidive en het verhogen van veiligheid worden bereikt.

Ik zal nog even de elementen schetsen. De leden hebben daar in hun eerste termijn al veel aandacht aan besteed. Er zit een aantal kernelementen in dit wetsvoorstel. De lijst met bijzondere voorwaarden is expliciet opgenomen in de wet. Het is eigenlijk een codificatie van sommige dingen die nu al gebeuren. Er zit ook een algemene bijzondere voorwaarde in, waaronder een aantal maatregelen vallen. Er is een mogelijkheid gecreëerd om snel in te grijpen, indien de voorwaarden niet worden nageleefd. De dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaarden en het toezicht zijn opgenomen in het wetsvoorstel.

Ik zal wat dieper ingaan op het afschaffen van de voorwaardelijke invrijheidstelling bij illegale vreemdelingen. Strafrechtelijk illegale vreemdelingen keren na het ondergaan van hun straf niet terug in de Nederlandse samenleving. Naar het oordeel van de regering is het traject van detentiefasering voor vreemdelingen zonder verblijfsrecht niet aan de orde. Evenmin is het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van deze vreemdelingen aan de orde. Dat speelt hierbij niet. Nu het met de voorwaardelijke invrijheidstelling beoogde doel voor vreemdelingen zonder verblijfsrecht niet bereikbaar is, is een voor de situatie van de illegale vreemdeling toegespitste regeling noodzakelijk. De heer Holdijk sprak al over een dergelijke regeling. Deze regeling zal erin voorzien dat ook de tot een vrijheidsstraf veroordeelde vreemdeling zonder verblijfsrecht vervroegd kan vrijkomen, mits het daadwerkelijke vertrek uit Nederland mogelijk is. Om voor vroegtijdige beëindiging in aanmerking te komen, zal de desbetreffende illegale vreemdeling alles in het werk moeten stellen om zijn vertrek uit Nederland mogelijk te maken. Ik ben nog wel in gesprek met collega Leers over een regeling waarin staat dat men niet de hele straf hoeft uit te zitten. Als men in staat is Nederland te verlaten, kan de straf op een eerder tijdstip worden onderbroken.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Het is mooi dat u dat zegt, maar het is een beetje wishful thinking dat iedereen aan wie Nederland geen verblijfsvergunning wenst te geven, uiteindelijk kan worden uitgezet. Hoe zit het met die mensen die volgens Nederland moeten worden uitgezet, maar niet worden geaccepteerd door hun land, omdat ze geen papieren hebben en niet kunnen aantonen waar ze vandaan komen? Ik heb ook meegemaakt dat gestoorde mensen door Egypte met hetzelfde vliegtuig werden teruggestuurd omdat Egypte gewoon geen zin heeft in gestoorde mensen. Wat moet er gebeuren met die mensen?

Staatssecretaris Teeven:

Die mensen zullen dus niet in aanmerking komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling. Die voorwaardelijke invrijheidstelling met de bijzondere voorwaarden is gericht op een stelsel waarin we mensen terug willen brengen in de Nederlandse samenleving. Deze mensen moeten weer integreren in de Nederlandse samenleving. Dat willen we op een zo goed mogelijke manier regelen. De categorie mensen waarover mevrouw Quik spreekt, valt niet onder deze regeling.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ze komen echter wel terug in de Nederlandse samenleving, weliswaar in de illegaliteit, en het is de vraag of het slim is om hen gewoon ondergronds te laten gaan. Hebben we daar niet meer last van dan plezier?

Staatssecretaris Teeven:

Dan komt de vraag aan de orde of we dat hier, via het strafrecht, moeten oplossen of dat we daarvoor andere regelingen moeten gebruiken. Het standpunt van het kabinet is in ieder geval dat het niet juist is om deze regeling ook toe te spitsen op mensen die illegaal in Nederland zijn en Nederland niet kunnen verlaten. Als we te maken hebben met illegale vreemdelingen die Nederland kunnen verlaten, kijken we of de detentietijd op enig moment kan worden afgebroken. Dat is vergelijkbaar met burgers die gewoon in Nederland terugkeren in de samenleving. Voor mensen die niet in Nederland mogen zijn, maar die we niet kunnen uitzetten, maken we geen regeling om de straf korter te maken.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Er is ook nog een soort schemergebied, van mensen die geen verblijfstitel hebben, die soms als niet-onrechtmatig verblijvend worden gekenschetst maar die bijvoorbeeld op grond van medische redenen niet hoeven terug te keren omdat van hen is gezegd dat zij in Nederland kunnen blijven. Wat geldt er dan voor die groep mensen?

Staatssecretaris Teeven:

Zoals gezegd, zullen collega Leers en ik voor het eind van het jaar met een regeling komen, want wij moeten hierover iets gaan regelen, dus wij zullen al die verschillende groepen gaan opnemen. Maar de hoofdregel is dat mensen moeten integreren. Daarvoor hebben wij nu dit wetsvoorstel met de bijzondere voorwaarden. Voor de andere categorie, die uitzetbaar is, gaan wij de detentiefasering gebruiken. Dan blijft er ook nog een categorie mensen over die onder geen van beide groepen valt. Wij zullen per groep moeten kijken hoe wij daarmee in die regeling omgaan. Maar dat wil ik uiteraard eerst nog met collega Leers van het andere departement bespreken.

De combinatie van een aantal in voorkomende gevallen ook verregaande voorwaarden, samen met de langere duur van de proeftijd, maakt de voorwaardelijke straf vaak ingrijpender en zwaarder voor een dader dan een korte gevangenisstraf en uiteraard ook zwaarder – dit zeg ik ook een beetje in het licht van de bespreking na de dinerpauze – dan een taakstraf van beperkte duur. Juist de combinatie van verschillende voorwaarden maakt het ook mogelijk dat de strafrechtelijke reactie de kern van de individuele problematiek aanpakt. Met het reclasseringstoezicht kan de vinger aan de pols worden gehouden en kan worden opgetreden bij niet-naleving van de voorwaarden. Naar mijn mening is gedragsbeïnvloeding als onderdeel van de bijzondere voorwaarden kansrijk door de combinatie met de gevangenisstraf als stok achter de deur. Het overtreden van voorwaarden leidt tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.

Tot zo ver met betrekking tot het algemene deel van wetsvoorstel 32319. Ik kom nu toe aan de bespreking van de vragen van de leden met betrekking tot dit wetsvoorstel.

Mevrouw Beuving heeft gevraagd hoe het zit met de schadevergoeding op een tweetal momenten na het ten onrechte niet-naleven van bijzondere voorwaarden, dan wel het reclasseringstoezicht, en met het ten onrechte ondergaan van de voorlopige hechtenis. Op het punt van achteraf ten onrechte ondergane detentie is uiteraard de regeling van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, dus dan is geregeld dat er om schadevergoeding kan worden gevraagd. Dit betreft dus de voorlopige tenuitvoerlegging, waarbij het gaat om de dadelijke uitvoerbaarheid. Op het punt van het achteraf bezien ten onrechte moeten naleven van voorwaarden – want dat is een wat ander verhaal dan de ondergane hechtenis – en het ten onrechte moeten ondergaan van reclasseringstoezicht kan de betrokkene om schadevergoeding vragen bij het Openbaar Ministerie. Dat is eigenlijk de regeling die ook wordt gehanteerd als bij het Openbaar Ministerie in de huidige situatie om schadevergoeding wordt gevraagd voor zaken die niet onder de regeling van artikel 89 kunnen worden gebracht, of onder een andere regeling die in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen. Dit verzoek, dat je dan bij het College van PG's zou moeten doen, wordt beoordeeld op causaal verband tussen de schade en het hebben moeten ondergaan van voorwaarden en toezicht op grond van civielrechtelijke normen. Dan zul je dus de regels moeten volgen van het civielrecht. De vraag of er dan daadwerkelijk schade is geleden, is minder evident dan bijvoorbeeld bij detentie. Daarom is hiervoor geen specifieke regeling getroffen, die vergelijkbaar is met de regeling van de voorlopige tenuitvoerlegging.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dus als ik het goed begrijp, zegt u: voor het geval dat achteraf ten onrechte de voorwaarden hebben gegolden en het reclasseringstoezicht, geldt de regeling van eventuele schadevergoeding via het College van PG's?

Staatssecretaris Teeven:

Zeker.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Maar voor het achteraf ten onrechte hebben ondergaan van detentie, dus bij de voorlopige tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zelf, verwijst u naar artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering, als ik het goed begrijp ...

Staatssecretaris Teeven:

Ja.

Mevrouw Beuving (PvdA):

... terwijl daar ook artikel 14l geldt in het wetsvoorstel zelf, dat inderdaad verwijst naar artikel 89.

Staatssecretaris Teeven:

Dat is gekoppeld aan artikel 89 en artikel 90 tot en met 93.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik stelde juist een vraag over de voorlopige tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, dus van de detentie, terwijl ik had gezien dat artikel 14l is opgenomen en een schadevergoedingsregeling geeft, vanwege het feit dat artikel 14l het alleen heeft over de vordering tot tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 14g als die wordt afgewezen door de zittingsrechter. Artikel 14l bevat niet een regeling voor de situatie dat het al mis gaat bij de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging bij de rechter-commissaris. In dat geval kan iemand al een aantal dagen hebben vastgezeten.

Staatssecretaris Teeven:

Zeker. Dan zou je de situatie kunnen hebben dat iemand die wordt voorgeleid bij de rechter-commissaris al twee dagen, maximaal 48 uur, in een vergelijkbare regeling als bij de inverzekeringstelling heeft gezeten.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ja, de rechter-commissaris moet binnen driemaal 24 uur beslissen, dus dat is de maximumtermijn.

Staatssecretaris Teeven:

Dus de termijn die je normaal gesproken in het Wetboek van Strafvordering hebt, is eventueel de periode van drie dagen van inverzekeringstelling. Die verlenging zit er hier niet in, maar daarvoor geldt die regeling. Dan kun je ook terugvallen op artikel 89.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Goed, maar dan zonder de route van artikel 14l.

Staatssecretaris Teeven:

Ja.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dus wat u hier voor de praktijk zegt, is: dit geval is in artikel 14l niet geregeld in vergelijking met het andere wetsvoorstel dat wij op dit moment bespreken, waar wel een regeling in zit, en wel artikel 38ij, als ik het goed heb. Beide varianten, als het al mis loopt bij de rechter-commissaris of als het mis loopt bij de rechter, worden daar meegenomen in de schadevergoedingsbepaling van artikel 38ij. Het viel mij op dat dat hier niet was gebeurd. Het lijkt mij dat het voor de praktijk prettig is dat men in ieder geval aan de hand van de Handelingen van onze bespreking duidelijkheid krijgt hoe dat zit bij artikel 14l.

Staatssecretaris Teeven:

Dat moet dus analoog worden toegepast met de koppeling met artikel 89. Als het gaat om voorwaarden die niet worden nageleefd of anderszins, kom je in het civielrecht. Dan spreek je het college aan. Als dat dan uiteindelijk zegt dat er geen schadevergoeding komt, kom je terecht bij de civiele rechter. Dus dan ga je met de Staat in de slag.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dank u wel.

Staatssecretaris Teeven:

Dan heeft mevrouw Beuving ook nog gevraagd of de veroordeelde om schorsing van de voorlopige tenuitvoerlegging kan vragen of ten minste het krijgen van een beslissing van de zittingsrechter kan bespoedigen. De veroordeelde kan niet om een schorsing vragen, maar kan wel de zittingsrechter vragen om het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging op te heffen. Dat zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als de zittingsrechter al snel tot het oordeel zou komen dat er geen reden is om de voorlopige tenuitvoerlegging voort te zetten. Die situatie zou zich kunnen gaan voordoen. In de voorgestelde wijziging van artikel 14h, tweede lid is voorzien in een behandeling van de vordering tenuitvoerlegging binnen 30 dagen. Deze termijn geldt overigens niet als de vordering tenuitvoerlegging meegaat in een nieuwe vervolging voor een nieuw strafbaar feit. Dat lijkt mij logisch.

De heer Engels, mevrouw Quik en mevrouw Strik hebben opmerkingen gemaakt over de voorlopige tenuitvoerlegging in relatie tot het onschuldbeginsel. Ik dacht dat de heer Engels ook sprak over de state of suspicion, een term die ik nog wel herkende. Ik denk dat het bij het criterium over de toepassing van de voorlopige tenuitvoerlegging inderdaad gaat om een state of suspicion. Aansluiting is gezocht bij het voorlopige hechteniscriterium van de ernstige bezwaren zoals wij dat nu al in het Wetboek van Strafvordering kennen. Het gaat dus niet om het vaststellen van schuld maar om vermoedens van schuld. Ik denk dat wij dat duidelijk moeten hebben. De zittingsrechter oordeelt vervolgens of er bewijs is dat het strafbare feit is gepleegd. Dat is de situatie. Als het gaat om vermoedens van schuld laat de Europese jurisprudentie die ruimte naar ons oordeel ook toe.

De heer Engels (D66):

Even ter bekorting van de tweede termijn: het was naar ik meen ook de heer Holdijk die vroeg naar de kwetsbaarheid van wat wij nu gaan regelen. Ik heb het woord "onweerlegbaar" gebruikt. Dat is wel heel streng, maar hoe kunnen wij ervan uitgaan dat wij niet in problemen komen in relatie tot datgene wat in artikel 6, lid 2 van het EVRM op dit punt is vastgelegd? Dus hebben wij genoeg vertrouwen in het feit dat deze regeling voldoet aan de termen van verdragsconformiteit? Dat is eigenlijk de zorg die hierachter zit.

Staatssecretaris Teeven:

Ik begrijp die zorg van de heer Engels. Uiteraard hebben wij er in het kabinet ook over nagedacht hoe wij hiermee moeten omgaan. Daarom hebben wij gezegd dat het niet gaat om het vaststellen van schuld in deze situatie, maar om het vermoeden van schuld. We zoeken dus ook echt aansluiting bij de situatie zoals we die kennen van het voorlopigehechteniscriterium en de vaststelling van de ernstige bezwaren. Die vergelijking moet je maken. Naar ons oordeel heeft het voldoende draagvlak om dat te schragen. Wij maken ons daar geen zorgen over.

Voorzitter. De heer Holdijk heeft er terecht op gewezen dat belijdenis van schuld, diep berouw en het voornemen om niet opnieuw de fout in te gaan, de beste voorwaarden zijn om recidive te beperken. Ik kan alleen maar vaststellen dat de door de heer Holdijk genoemde voorwaarden heel belangrijke elementen zijn in de behandeling en bij gedragsinterventies als bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd. Als die elementen er niet zijn, wordt het toch nog heel erg lastig met deze regeling. Voor gedragsverandering is essentieel dat de veroordeelde daadwerkelijk inziet wat hij heeft gedaan. Als er geen bereidheid is om gedrag te veranderen, is een voorwaardelijk traject niet aan de orde. Dat is de enige logische conclusie. Ook hierbij – ik durf het bijna niet te zeggen, maar dit kabinet heeft het vaker gezegd – staat de eigen verantwoordelijkheid centraal.

De heer Holdijk vraagt of hij het goed heeft gezien dat bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf een rol is weggelegd voor de rechter-commissaris, terwijl de zittingsrechter oordeelt over het nieuwe strafbare feit. Dat heeft de heer Holdijk geheel juist gezien. De rechter-commissaris velt in het kader van zijn beslissing over de voorlopige tenuitvoerlegging geen oordeel over de strafbaarheid van het nieuwe feit en helemaal niet over de vraag of dat feit is gepleegd. De zittingsrechter beoordeelt het nieuwe feit en betrekt daar de vordering tenuitvoerlegging bij in verband met het oude feit. Zo zal de zittingsrechter ermee omgaan.

Verschillende leden hebben vragen gesteld over de mogelijke effecten op de straftoemeting als gevolg van het afschaffen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van vreemdelingen. Bij de totstandkoming van het voorstel zoals dat nu in het wetsvoorstel is opgenomen, is onderkend dat het uitsluiten van illegale vreemdelingen van voorwaardelijke invrijheidstelling een anticipatie-effect zou kunnen hebben op de straftoemeting. Mevrouw Quik-Schuijt zal dat als rechter herkennen. Ik heb echter niet de verwachting dat die effecten zich daadwerkelijk voordoen. Ik zou daarvoor een aantal redenen willen noemen. Ook nu is het al zo dat de tenuitvoerlegging van een opgelegde gevangenisstraf bij illegale vreemdelingen anders verloopt dan bij Nederlanders of vreemdelingen met een verblijfsrecht. Strafrechtelijk illegale vreemdelingen komen nu ook niet in aanmerking voor een penitentiair programma of detentiefasering, dat wil zeggen plaatsing in een zbbi, een zeer beperkt beveiligde inrichting. Die zaken hebben geen effect op de straftoemeting gehad en ik verwacht dat ook in de toekomst niet. Het uitsluiten van de illegale vreemdelingen van de v.i. wordt gecombineerd met het voorstel voor een op illegale vreemdelingen toegesneden regeling. De v.i. wordt dus weliswaar afgeschaft, maar er komt een andere regeling voor in de plaats. De strafrechtelijk illegale vreemdeling kan straks dus wel vervroegd in vrijheid komen, maar dat is dan afhankelijk van het feit of hij daadwerkelijk Nederland verlaat.

Er is dus geen sprake – mevrouw Quik-Schuijt vroeg daarnaar – van een ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel doordat bij nota van wijziging dit onderdeel in het wetsvoorstel is opgenomen. Ik heb om die reden de wijziging niet voorgelegd aan de Raad van State. De nieuwe regeling voor de vervroegde invrijheidstelling van illegale vreemdelingen zal worden opgenomen in een Algemene Maatregel van Bestuur met bredere strekking. Ik sprak daar zojuist al over in het interruptiedebat.

Mevrouw Quik-Schuijt vroeg waarom het niet lukt om de vreemdeling rechtstreeks vanuit de gevangenis op het vliegtuig te zetten. Daar zijn tal van redenen voor, bijvoorbeeld omdat vreemdelingen niet in het bezit zijn van een reisdocument. Dat kan allerlei oorzaken hebben, niet in het minst door eigen schuld, maar er kunnen ook andere oorzaken zijn waardoor zij niet beschikken over een reisdocument.

Verder vroeg mevrouw Quik-Schuijt of het vaak voorkomt dat een gedetineerde rechtstreeks vanuit de gevangenis terugkeert naar het land van herkomst en hoe vaak dat niet lukt. Ik heb het departement van minister Leers gevraagd of daar cijfers van beschikbaar zijn. Sinds 2009 heeft ongeveer 70% van de vreemdelingen in de strafrechtketen uit de case load van de Dienst Terugkeer en Vertrek Nederland aantoonbaar, al dan niet aansluitend op vreemdelingenbewaring, verlaten. Circa 30% van die mensen verlaat Nederland niet aantoonbaar. Je zou kunnen zeggen: twee derde wel en een derde niet.

Ik heb al gesproken over de reisdocumenten. Ik weet als staatssecretaris heel goed dat mensen soms geen reisdocument hebben, maar ik heb al gezegd dat dit geen reden is om te zeggen dat mensen dan toch maar van de voorwaardelijke invrijheidstelling gebruik moeten kunnen maken.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik begrijp het niet helemaal. Soms weet je van tevoren dat het niet zal lukken om mensen uit te zetten, want ze hebben geen papieren. Dan weet je dus ook dat ze terugkeren in de Nederlandse samenleving. En toch proberen wij als samenleving dan niet om het op een goede manier te doen. Nee, hele straf uitzitten en dan zoek je het maar uit. Ik denk dat wij daar geen goed aan doen. Dat is voor de samenleving als geheel geen goede zaak.

Staatssecretaris Teeven:

Ik maak mevrouw Quik-Schuijt erop attent dat we natuurlijk ook personen hebben die inmiddels als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt door de minister. Die weten dus dat ze Nederland moeten verlaten. Er zijn mensen die dan uiteindelijk Nederland verlaten, omdat ze in Nederland steeds opnieuw worden aangehouden vanwege het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven. Zij raken zo ontmoedigd van de handelingen die de Nederlandse overheid pleegt, dat ze Nederland verlaten. Maar er zijn ook mensen die Nederland niet zullen verlaten, op geen enkele manier, zelfs niet als ze tot ongewenst vreemdeling zijn verklaard. Die laten zich elke keer opnieuw aanhouden, zelfs als we hen bestraffen via artikel 197. Dat is echter geen reden om deze regeling op hen van toepassing te verklaren. Het is wel zo dat we in de Algemene Maatregel van Bestuur zullen kijken naar groepen die vanwege bijzondere redenen Nederland niet kunnen verlaten. Maar je kunt niet zeggen dat we, omdat iemand zijn reisdocumenten heeft kwijt gemaakt of niet in dit land mag blijven maar toch niet vertrekt en daar ook geen pogingen toe onderneemt, toch maar iets in de voorwaardelijke invrijheidstelling moeten gaan regelen. Dat is niet de bedoeling.

Mevrouw Strik heeft mij gevraagd of ik de conclusies onderschrijf van het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing dat het reclasseringstoezicht niet geborgd is omdat er onvolkomenheden zijn in de samenwerking tussen de organisaties. Ik wijs erop dat dit een oud rapport is, uit 2007. Het ging om de gebrekkige samenwerking tussen de ketens bij nazorg. Dat is aanleiding geweest tot een intensief verbetertraject onder de naam Redesign Toezicht. Dat heeft inmiddels plaatsgevonden. Er heeft ook een aanscherping van de uitvoeringspraktijk plaatsgevonden door het snel starten van toezicht, het verbeteren van de uitwisseling tussen de ketenpartners en al in de gevangenis beginnen met nazorg. Daar zijn we heel druk mee bezig. De Kamer heeft ook afschriften van de brieven ontvangen over de plannen die het kabinet nog heeft op het terrein van nazorg.

De voornaamste ketenafspraken zijn vastgelegd in de OM-aanwijzing advies toezicht en naleving voorwaardelijke sancties van 1 juli 2010. Ik wijs erop dat op 20 mei van dit jaar het Openbaar Ministerie, de reclassering en de politie een samenwerkingsconvenant hebben ondertekend over het toezicht houden op vrijheidsbeperkende voorwaarden. Daarnaast hebben we ook reclasseringsbalies gepositioneerd bij de parketten van het OM voor een betere procesbewaking. Als de politierechter of de meervoudige kamer een straf oplegt, moest je je vroeger als veroordeelde die niet in voorlopige hechtenis zat of die niet tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf was veroordeeld, binnen een bepaalde periode bij de reclassering melden. Als je dat niet deed, moest je opnieuw gezocht worden. Nu is het zo dat – ik geef het voorbeeld van Amsterdam – aan de overkant van de zittingszaal een loket van de reclassering zit. Daar kun je je als veroordeelde meteen melden en zeggen: ik heb net een taakstraf opgelegd gekregen en ik wil een afspraak maken voor het verrichten van de groepswerkstraf. Dat willen we bij alle rechtbanken en parketten zo gaan uitrollen.

Mevrouw Quik-Schuijt heeft nog gevraagd naar het inschakelen van de rechter bij de voorlopige tenuitvoerlegging. Er zijn andere criteria dan bij de voorlopige hechtenis en is daarbij geen strijdigheid met de onschuldpresumptie? Door in het wetsvoorstel te voorzien in een rol voor de rechter-commissaris bij de voorlopige tenuitvoerlegging is juist in een waarborg van de rechterlijke betrokkenheid voorzien. Voor de voorlopige tenuitvoerlegging kan het oordeel van de zittingsrechter niet worden afgewacht. Het criterium voor de toepassing van voorlopige hechtenis is daarmee dus in hoge mate vergelijkbaar, zoals ik al zei in reactie op de opmerking die de heer Engels hierover heeft gemaakt.

Mevrouw Strik vroeg naar het uitsluiten van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) voor vreemdelingen met een verblijfsrecht. Zij vroeg of het klopt dat wij de v.i. uitsluiten voor deze groep. Ja, dat klopt. De v.i. wordt dus alleen uitgesloten voor vreemdelingen die Nederland na een strafrechtelijke detentie moeten verlaten. Dit geldt dus niet voor burgers van de Europese Unie die hun verblijfsrecht niet hebben verloren, maar het geldt wel voor mensen die tot ongewenst vreemdeling zijn benoemd.

Ik kom bij de vragen van de CDA-fractie. Die had geen inbreng voor dit wetsvoorstel.

De VVD-fractie heeft enkele vragen gesteld over de beschikbare capaciteit en de beschikbare middelen bij de politie, de reclassering en de rechterlijke macht. Mevrouw Broekers verwees naar een analyse in de memorie van antwoord bij de voorwaarden. Deze wordt eind november afgerond. Die analyse heeft niet alleen betrekking op de politie, maar ook op het geheel van de voorwaardelijke sancties, dus ook de rechterlijke macht en de reclassering. We gaan daarin het geheel van de keten bekijken. Op basis van de uitkomsten van die analyse zullen de minister en ik met de ketenpartners afspreken of een bijstelling van de capaciteitsbehoefte noodzakelijk is. Die uitkomsten zullen worden meegenomen in de meerjarige prognosemodellen voor de politie, de rechterlijke macht en de reclassering. Ik heb de Tweede Kamer al toegezegd dat ik binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Wet voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling een evaluatie ga uitvoeren naar de werking en naar de effecten.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat er bekeken zal worden of er een uitbreiding van de capaciteitsbehoefte nodig is bij de politie, de reclassering en de rechtelijke macht, de hele keten, maar begrijp ik dan, even in normaal taalgebruik, dat er geld voor vrijkomt, als dit zo is?

Staatssecretaris Teeven:

Als wij hier wetten maken waarmee we Nederland veiliger willen maken en als we vervolgens constateren dat er een enorm capaciteitsbeslag is op de politie dat wij niet hadden voorzien, dan zullen we de middelen daarvoor ter beschikking moeten stellen. Die kostbare middelen moeten we dan weer ergens anders vandaan halen, maar dat moet dan wel gebeuren. Een van de redenen waarom ik het elektronisch toezicht wil uitbreiden, zeker ook bij de toepassing van voorwaarden, heeft hier natuurlijk mee te maken. Dat sluit wel een beetje aan bij wat mevrouw Broekers zegt. Alles wat je niet met mensen hoeft te controleren, maar wat je heel effectief kunt controleren met elektronische middelen, zoals met de enkelband, daar moeten we niet omheenlopen. Die kunnen namelijk bij het toezicht houden op het naleven van de bijzondere voorwaarden buitengewoon effectief blijken.

Voor de vrijheidsbeperkende maatregel geldt dat het veelal gaat om personen die reeds bij de politie in beeld zijn en toch al meer gebruikelijke aandacht en capaciteitsinzet vergen. Ik kom straks nog op de bespreking van het wetsvoorstel, maar elektronisch toezicht op de naleving van de rechterlijke maatregel is onder de huidige wettekst in dat wetsvoorstel niet mogelijk. Op dit punt wijkt die regeling dus af van het toezicht op de bijzondere voorwaarden, waar het expliciet wel is bepaald dat hier elektronisch toezicht aan kan worden verbonden. We zullen het evalueren. Ik kan de Kamer nu al toezeggen dat we, ook bij het gebieds- en het contactverbod, expliciet zullen bekijken of zich omstandigheden voordoen waarbij elektronisch toezicht wel gewenst is. We zullen er dan alsnog voor zorgen dat het in die wet wordt opgenomen. We hebben dit echter vooralsnog niet gedaan.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Is de staatssecretaris klaar met de centen? Of komt hij nog terug op de brief van de Raad voor de rechtspraak over de € 200.000 voor jeugdigen, die later is toegevoegd?

Staatssecretaris Teeven:

Ik ben eigenlijk klaar met de financiële middelen, maar als mevrouw Quik mij nog vragen wil stellen over de centen, dan zal ik die graag beantwoorden.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik heb nog geen antwoord gevonden op die brief van augustus 2010. Ligt dat aan mij en is de brief wel beantwoord? Zo nee, is de staatssecretaris dan bereid om daar nu op te reageren?

Staatssecretaris Teeven:

Ik ben op enig moment gebeld door de Raad voor de rechtspraak zelf, omdat de raad door dit wetsvoorstel en de bijzondere voorwaarden een verhoogde druk zag. Ik meen mij te herinneren dat ik toen heb gezegd dat we eerst maar met die zaak aan het werk moesten gaan en daarna moesten bekijken hoe het verder moet. Dit is van belang voor de meerkosten voor de rechtspraak van het uitvoeren van een snelle reactie, omdat de Raad voor de rechtspraak zijn begroting jaarlijks vooraf indient. Die begroting is ook gebaseerd op de instroom. Mevrouw Quik weet dat die instroom wordt gebaseerd op ketenbrede prognosemodellen. Op basis van de begroting worden jaarlijks productieafspraken gemaakt met de Raad voor de rechtspraak. De effecten van dit wetsvoorstel worden dus meegenomen in de outputfinanciering. We hebben dus wel degelijk gezegd dat we dit moeten meenemen. Om in deze moeilijke tijd echter meteen vooraf een extra claim met financiële middelen te honoreren, terwijl het wetsvoorstel nog niet is ingevoerd en we nog niet weten welk beslag het gaat leggen op de zittende magistratuur, vonden we wat ver gaan.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik ben helemaal tevreden.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik miste nog een antwoord op een vraag over de rol van de rechter-commissaris, die moet constateren of de voorwaarden zijn nageleefd. Moet dit erin blijven zitten in verband met het tempo en omdat men snel tot een besluit moet komen? Als dat het geval is, is er dan ook bekeken of het besluit door de zittingsrechter kan worden genomen via een versnelde procedure?

Staatssecretaris Teeven:

Mevrouw Strik vraagt waarom ik heb gekozen voor de procedure met de rechter-commissaris. Zij heeft gezien dat wij in dit wetsvoorstel ook de mogelijkheid voor de hulpofficier van justitie, los van de officier, hebben opgenomen om bij overtreding van de bijzondere voorwaarden en bij dringende noodzakelijkheid over te gaan tot aanhouding. Dit kan op elk moment in de week gebeuren en op elke plaats. Het algemene criterium dat iemand binnen drie dagen en vijftien uur voor een onafhankelijke rechter moet zijn geleid bij vrijheidsbeneming, geldt echter wel. Dit heeft ertoe geleid dat we de procedures blijven volgen zoals we die al kennen met de inverzekeringstelling en de voorgeleiding bij de rechter-commissaris. Die procedure bestaat al. De zittingsrechter was mogelijk geweest, maar bijvoorbeeld in het geval van een aanhouding op donderdagmiddag kun je soms een zaak heel lastig bij een zittingsrechter krijgen binnen die drie dagen en vijftien uur. Wij denken dat het op zich een goede zaak is om dit bij de rechter-commissaris te doen, niet alleen vanwege de snelheid, maar ook vanwege het feit dat je dan twee verschillende oordelen hebt. De rechter-commissaris bekijkt namelijk in het dossier of de bijzondere voorwaarden zijn overtreden en de aanhouding in opdracht van de officier van justitie of de directe parate executie door de hulpofficier terecht is geweest. Die toets wordt met betrekking tot de aanhouding uitgevoerd. Vervolgens kan de zittingsrechter hier opnieuw over oordelen. Wij zien niet altijd de mogelijkheid om deze zaak binnen drie dagen en vijftien uur bij een onafhankelijke rechter te krijgen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dat praktische punt begrijp ik, maar ik deel de mening van de staatssecretaris niet dat er een voordeel aan zit dat er twee verschillende besluiten worden genomen. Daarmee wordt namelijk wel het risico genomen dat de zittingsrechter tot een ander besluit komt en er wellicht ten onrechte tot een bepaalde tenuitvoerlegging is besloten.

Staatssecretaris Teeven:

Dat is waar, maar dit geldt voor elke andere procedure binnen de strafvordering op dit moment ook al. In die zin is dit niet anders dan de procedure die we op dit moment hebben.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Daar kan ik heel mooi op aansluiten met de vragen die nog niet volledig beantwoord zijn. Ik heb zowel voor de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zelf als voor de voorlopige tenuitvoerlegging adequaat antwoord gekregen op de vragen naar de schadevergoedingsmogelijkheden. Ik heb echter het gevoel dat in beide gevallen nog niet volledig is geantwoord op de vragen naar de mogelijkheid van het versnellen van de uitspraak van de rechter die de eindbeslissing moet nemen. Ook daar had ik namelijk allereerst een vraag gesteld over de dadelijke of onmiddellijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zelf. Dat is dus nog voordat we het hebben over tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, namelijk gewoon het feit dat je onder de voorwaarden en het reclasseringstoezicht zelf komt te vallen. Dat is immers een inperking van iemands vrijheid. Als dan later in hoger beroep blijkt dat de voorwaardelijke veroordeling onderuitgaat, is de inperking van de vrijheid van die persoon achteraf gezien ten onrechte geweest. Ook daarbij had ik de vraag gesteld of je zo'n beslissing in hoger beroep, waarschijnlijk bij het gerechtshof, versneld kunt krijgen.

Staatssecretaris Teeven:

Ik begrijp nu wat mevrouw Beuving bedoelt. De minister en ik zullen ervoor zorgen, in overleg met het College van procureurs-generaal, dat zaken waarbij dit speelt met voortvarendheid door de ressortsparketten worden aangebracht bij het gerechtshof.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Prachtig. Want het zijn mensen op vrije voeten, onder voorwaarden?

Staatssecretaris Teeven:

Zeker, en als zij in hoger beroep gaan, dan ...

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dan duurt dat over het algemeen langer dan ...

Staatssecretaris Teeven:

Ik zou me ook kunnen voorstellen dat je die zaken concentreert, dat het hof zittingen maakt waarop dit soort zaken wordt geconcentreerd. Er heeft namelijk ooit al iemand naar zo'n zaak gekeken; het gaat alleen om overtreding van de voorwaarden.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik hoopte dit antwoord te krijgen.

Het laatste deel van mijn vraagstelling ging over de tenuitvoerlegging van de detentie op het moment dat het ernaar uitziet dat de persoon de voorwaarden niet heeft nageleefd en dus echt de gevangenis in gaat. Ik heb ook gevraagd naar de mogelijkheid van het versneld krijgen van de eindbeslissing in die gevallen. De staatssecretaris is daar deels op ingegaan, maar ik wil het iets scherper krijgen. Het is interessant dat het daarbij gaat om het onderscheid tussen het niet naleven van de bijzondere voorwaarde en het niet naleven van de algemene voorwaarde. Uit het antwoord van de staatssecretaris meen ik te begrijpen dat voor de bijzondere voorwaarde iets in de wet wordt opgenomen, zodat dat een snelle procedure wordt, omdat het dan alleen gaat om een TUL-zitting en niet om een nieuw strafbaar feit.

Staatssecretaris Teeven:

Ja.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dat heb ik goed begrepen?

Staatssecretaris Teeven:

Ja.

Mevrouw Beuving (PvdA):

En als het gaat om het niet naleven van de algemene voorwaarde hebben we meteen een nieuwe strafzaak, waar dan vaak de TUL mee gecombineerd gaat worden. Juist omdat het een nieuwe strafzaak is, die door de zittingsrechter gerust enige maanden later kan worden afgedaan, blijft ook de TUL al die tijd liggen en zit iemand wel in detentie, op basis van een beslissing van de rechter-commissaris. Vandaar dat ik vroeg of daar een schorsingsmogelijkheid geïntroduceerd moet worden of anders op zijn minst een evidente versnellingsmogelijkheid. Ik pleit het meest voor een schorsingsmogelijkheid omdat in de memorie van toelichting door de regering de vergelijking is gemaakt met de voorlopige hechtenis. Daar geldt een schorsingsmogelijkheid die hier niet bestaat.

Staatssecretaris Teeven:

Ja, maar er bestaat wel de mogelijkheid om, wetende dat dit speelt, snel een nieuwe strafzaak te agenderen. We zijn nu bezig met de ontwikkeling van een systeem om dit soort zaken snel op zitting te krijgen.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik heb dezelfde vraag gesteld in de voorbereidingsronde. We kennen deze figuur ook van de uithuisplaatsing van kinderen. Daar wordt niet geschorst door het hoger beroep, maar je kunt er wel om vragen. Waarom weigert de regering zo hardnekkig om hierover na te denken? Het hoeft niet nu, het mag ook in een later voorstel, maar ik vind het volstrekt voor de hand liggend dat er een schorsingsmogelijkheid komt.

Staatssecretaris Teeven:

Ik zoek de oplossing niet in de schorsingsmogelijkheid, maar in het sneller behandelen van nieuwe zaken. Überhaupt zoekt het kabinet mogelijkheden om de periode tussen het plegen van het feit en de berechting van het feit korter te laten duren. In dit soort zaken moet er daadwerkelijk worden geprioriteerd.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik had de indruk dat deze kwestie in de schriftelijke ronde vooral heeft gespeeld bij de dadelijke uitvoerbaarheid, dus bij de vraag of je iets kunt als je al onder het reclasseringstoezicht valt. Het is ingewikkeld dat een aantal situaties erg samenhangt en op elkaar lijkt. De staatssecretaris heeft al gezegd dat hij dit gaat opnemen met de praktijk om te bekijken of het versneld kan worden aangebracht in de hoger beroepszaken bij het gerechtshof. In het geval waar ik het nu over heb, gaat het nog een stapje verder. Hier gaat het om detentie. In de memorie van toelichting wordt het ook vergeleken met een voorlopige hechtenis. Je hebt niet de mogelijkheid om er schorsing van te vragen.

Staatssecretaris Teeven:

Als je een algemene voorwaarde overtreedt en het nieuwe feit snel ter zitting agendeert, heb je wel de mogelijkheid om het heel snel in die nieuwe zaak aan de rechter voor te leggen.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Welke mogelijkheid is dat dan? Het is wel een nieuwe zaak die nog in onderzoek is.

Staatssecretaris Teeven:

Zeker. Het hangt ook een beetje van de feiten af. Je zou ook de mogelijkheid kunnen hebben dat die hechtenis afzonderlijk beoordeeld wordt. Ik zal hier in tweede termijn op terugkomen.

Voorzitter, dan ga ik verder met wetsvoorstel 32551. Dank voor de complimenten die over het wetsvoorstel zijn geuit door de verschillende sprekers. Mevrouw Broekers wees op het gat dat door dit wetsvoorstel wordt gedicht. Mevrouw Beuving en mevrouw Quik steunden de nieuwe maatregel die de rechter kan opleggen. Ook andere sprekers noemden de positieve kanten van dit wetsvoorstel. De heer Reynaers toonde zich verheugd over dit wetsvoorstel en over de toelichting op en de vormgeving van de maatregel. Ik heb dat goed tot me genomen. Laat ik overgaan tot het behandelen van de gestelde vragen.

De heer Engels vroeg of een brede evaluatie van het strafrechtelijk en bestuursrechtelijk sanctiestelsel zou kunnen worden toegezegd. Ik wijs erop dat bij de totstandkoming van de nieuwe wet- en regelgeving al terdege rekening wordt gehouden met de interne samenhang en consistentie van het sanctiestelsel. In de bescheiden over wet- en regelgeving wordt ook vermeld dat we dat moeten doen. Dit wetsvoorstel is hiervan een voorbeeld, aangezien deze maatregel voortkomt uit de geconstateerde lacune dat de rechter nu niet in alle gevallen een gebieds- of contactverbod of meldplicht kan opleggen. Er zijn situaties waarin je niet komt tot een voorwaardelijke straf en dus ook niet tot de bijzondere voorwaarde van een gebieds- of contactverbod of meldplicht. Daar kan dit wetsvoorstel een oplossing voor bieden. Daarnaast is het bij nieuwe wetgeving normaal om te voorzien in de evaluatie van de effecten van de wet in de praktijk. Bij de evaluatie zal dus ook de samenhang met de verwante regelgeving worden bezien. Ik deel de zorg van de heer Engels en wil dit ook langs deze weg bewaken. Ik zie echter geen aanleiding om naast wat we al gedaan hebben een evaluatie naar het gehele sanctiestelsel te starten. Die noodzaak zie ik op dit moment niet omdat we daar in het wetgevingsproces al behoorlijk rekening mee houden.

De heer Engels (D66):

Ik begrijp wat de staatssecretaris zegt. Ik heb ook geen enkele reden om te betwijfelen of er bij het voorbereiden van wetgeving naar die aspecten gekeken wordt. De gedachte achter mijn vraag gaat verder en haakt aan bij wat de Raad van State hierover heeft gezegd. Er is de laatste jaren veel wetgeving ontwikkeld, ook door voorgaande kabinetten, rond handhaving, opsporing en overigens in de justitiële sfeer. Ik denk bijvoorbeeld aan terrorismebestrijding. Zowel vanuit de wetenschap als vanuit de Raad van State worden regelmatig zorgen geuit. De wetgever zit nogal immanent in dit proces en daarom zou het misschien goed zijn om met wat meer distantie te kijken naar de ontwikkeling van het strafrecht en de strafvordering sinds ongeveer 2002. Ons strafrecht en onze strafvordering hebben al tientallen jaren een bepaalde cultuur en inhoud die aanhaken bij klassieke beginselen. De indruk bestaat dat we de laatste tien jaar daar wat versneld vanaf zijn geraakt. Ik denk dat het de verantwoordelijkheid van de wetgever zou kunnen zijn om – los van politieke voorkeuren – in het algemeen te bekijken hoe we het gedaan hebben, of de tijd intussen misschien weer is veranderd, wat de resultaten zijn en of ons strafrecht echt is veranderd of dat het wel meevalt. Deze vraag stijgt dus uit boven individuele wetgeving. Daarom zou ik het plezierig vinden als de staatssecretaris op zijn minst zou willen toezeggen dat dit belangwekkend genoeg is om op het ministerie te bekijken of dit dienstig zou zijn.

Staatssecretaris Teeven:

Ik wil niet meteen een toezegging doen. Wat je bij het Wetboek van Strafvordering op zich wel zou moeten doen, is dat boek weer eens helemaal opnieuw bekijken. Misschien moeten we het herindelen, want inmiddels is het een beetje een lappendeken geworden. Bij zo'n gelegenheid zou je kunnen bekijken wat we hebben, of er zaken in de gereedschapskist missen en of er dingen dubbel geregeld zijn. Er zijn bijvoorbeeld veel verschillende gebiedsverboden: civielrechtelijk, bestuursrechtelijk, vanuit de burgemeester, vanuit de zittingsrechter, vanuit het OM en je hebt nog de bijzondere voorwaarden gekoppeld aan de voorwaardelijke straf. Kortom, er is een totaal palet. Ik kan de vraag van de heer Engels vandaag niet beantwoorden, maar ik zal haar meenemen naar de minister. Ik kan wel toezeggen dat we per brief zullen berichten hoe we dit kunnen meenemen. Ik zou me kunnen voorstellen dat we er in het kader van de volgende begroting iets mee doen.

De heer Engels vroeg ook naar de samenloop van de maatregelen. Wij zien dat ook wel, maar die samenloop tussen bijvoorbeeld bestuursrecht en strafrecht zal zich niet snel voordoen. De strafrechter legt alleen een maatregel op in zaken die worden vervolgd en voorgelegd. Dat zijn zaken waarin een bestuurlijke aanpak niet volstaat. Daarom zijn we eigenlijk ook met dit wetsvoorstel gekomen. In geval van een strafbaar feit beslist natuurlijk de officier van justitie of er strafrechtelijke vervolging moet volgen en zo ja, of dan een gebiedsverbod of contactverbod binnen het strafrecht moet worden opgelegd. Een van de leden, ik geloof mevrouw Strik, heeft gevraagd om een voorbeeld. De Voetbalwet is zo'n voorbeeld. Daarin wordt geregeld dat de officier van justitie in een bepaald geval beslist; de burgemeester kan dan geen gebiedsverbod opleggen als de officier, vooruitlopend op de rechterlijke behandeling, een gedragsaanwijzing geeft. De officier geeft een gedragsaanwijzing; de burgemeester kan op zo'n moment dan geen gebiedsverbod opleggen. Dat kan niet als de officier van justitie die stap al heeft gezet. In de Voetbalwet is dat helemaal uitgeschreven. De heer Engels verzoekt om dit in het totale palet te bekijken; zo vat ik zijn verzoek op. Hoe moet je een en ander in het totale palet inzetten, niet specifiek met betrekking tot gebieds- of contactverboden, maar veel breder? Zo begrijp ik zijn verzoek.

Mevrouw Beuving heeft in relatie tot deze wet gevraagd waarom er geen wettelijk recht op schadevergoeding is voor een in hoger beroep vrijgesproken verdachte die ten onrechte een vrijheidsbeperking heeft ondergaan. De maatregel wordt door de rechter opgelegd na zorgvuldige afweging van de omstandigheden; dat weet mevrouw Beuving, met haar achtergrond, als geen ander. Bij het bepalen van de omvang van de vrijheidsbeperking wordt daarnaast door de rechter gestreefd naar het zo veel mogelijk ontzien van de materiële belangen van de veroordeelde. Er zal dus niet heel snel sprake zijn van materiële schade door de opgelegde vrijheidsbeperking; dat is althans de verwachting van de regering. Uiteraard kan ook hier de gewezen verdachte een verzoek tot schadeloosstelling indienen bij het Openbaar Ministerie. Dat is op dit moment staande praktijk. Naar ons oordeel behoeft dit dus geen wettelijke regeling. Als hier aanleiding toe bestaat, als zo'n verzoek wordt gedaan, is het nu al zo dat het College van procureurs-generaal een schadevergoeding toekent. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de onschuld van de voormalige verdachte is komen vast te staan. Als iemand die in hoger beroep is vrijgesproken de vrijheid is ontnomen vanwege schending van de maatregel, kan de schadevergoeding worden toegekend door de rechter in hoger beroep. Dat staat in artikel 38ij.

Mevrouw Beuving heeft ook gevraagd: geldt bij een onmiddellijk uitvoerbaar verbod de reguliere hogerberoepstermijn, of is een spoedvoorziening noodzakelijk om de appelrechter sneller te laten oordelen of de vrijheidsbeperkende maatregel terecht is opgelegd? Voor rechterlijke uitspraken waarin een onmiddellijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, geldt geen afwijkende termijn voor de behandeling van het hoger beroep. Indien de appelrechter tot het oordeel komt dat de dadelijke uitvoerbaarheid of oplegging van de maatregel niet passend is of dat verdachte van het onderliggende feit dient te worden vrijgesproken, kan het gerechtshof direct de beëindiging van de tenuitvoerlegging bevelen. Waar mogelijk – dit heb ik al met mevrouw Beuving gewisseld aangaande haar andere punt – zal hiermee rekening worden gehouden in de planning van het hoger beroep van een zaak waarbij in eerste aanleg een dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dat sluit aan bij het antwoord dat de staatssecretaris gaf over het vorige wetsvoorstel. Dat is voor mij een zeer adequaat antwoord. Ik wil nog even de puntjes op de i te zetten. Voor de schadevergoeding wees de staatssecretaris op de route via het College van procureurs-generaal, zoals hij dat ook deed bij de dadelijke uitvoerbaarheid bij de voorwaardelijke straf in de situatie dat die in hoger beroep onderuitgaat. Er is dus geen wettelijke route voor schadevergoeding in dit wetsvoorstel. Tegelijkertijd noemt de staatssecretaris echter artikel 38ij. Ik neem aan dat dit elkaar tegenspreekt, dus dat artikel 38ij alleen geldt voor de vervangende hechtenis en dat de route via het College van procureurs-generaal hier, bij de dadelijke uitvoerbaarheid, nog de enige openstaande route is.

Staatssecretaris Teeven:

Dat klopt. Als sprake is van detentie moet je uiteindelijk bij de regeling van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering uitkomen.

De heer Engels en mevrouw Strik hebben gevraagd hoe groot de behoefte is aan de voorgestelde rechterlijke maatregel. Na de pauze, bij het andere wetsvoorstel, gaan wij natuurlijk nog veel uitgebreider bespreken of er nu een probleem is. Ik ben van mening dat het wetsvoorstel zowel een juridische als een praktische lacune invult. De voorgestelde vrijheidsbeperkende maatregel neemt een eigen plek in binnen de maatregelen. In de rechtspraktijk zijn er gevallen waarin het gewenst is om een gebiedsverbod, een contactverbod of een meldplicht als bijzondere voorwaarde op te leggen bij een voorwaardelijke straf, maar waarin het kader van de voorwaardelijke strafoplegging onvoldoende passend is.

Ik geef drie voorbeelden. Dit kan het geval zijn als bij voorbaat duidelijk is dat de voorwaarde niet het gewenste effect zal sorteren omdat de strafdreiging die resteert bij een overtreding van de voorwaarden bij relatief lichte delicten te klein zal zijn om de veroordeelde te motiveren, de voorwaarde na te leven. Als er maar een klein voorwaardelijk deel is van enkele weken, zal dit dus niet werken. Stel: een voetbalvandaal krijgt een geldboete van € 500, te vervangen door een aantal dagen subsidiaire hechtenis; dat zal niet voldoende zijn om iemand van een en ander te weerhouden. Een ander voorbeeld is dat de veroordeelde niet bereid is om mee te werken aan begeleiding door de reclassering zodat oplegging van bijzondere voorwaarden onder toezicht van de reclassering ook minder passend is. Als iemand dat op de zitting in eerste aanleg al meteen zegt, kun je het wel doen, maar heeft het niet heel veel zin. Dit wetsvoorstel biedt ook een oplossing voor het probleem in een casus die iedereen in deze zaal kent. Met iemand die niet met de reclassering wil meewerken, die zich niet wil houden aan aanwijzingen van de reclassering en die zich overal tegen verzet, is het kwaad kersen eten. Deze maatregel biedt dan een oplossing. Er zijn ook gevallen waarin slechts een onvoorwaardelijke sanctie passend is. Dat zijn situaties waarin de rechter een onvoorwaardelijke straf oplegt, maar deze wel combineert met deze maatregel. In deze gevallen beschikt de rechter in de huidige situatie niet over de mogelijkheid om te komen tot een vrijheidsbeperkende interventie. Die lacune wordt met dit wetsvoorstel opgevuld. Ik kan het niet mooier zeggen dan mevrouw Broekers-Knol het in haar termijn deed.

De heer Holdijk vroeg of het instrumentarium van de rechter met deze maatregel nu volledig en afgerond is, of dat het gaat om een aanvulling of voorlopige uitbreiding. Voor het antwoord op die vraag verwijs ik naar de tekst in de memorie van antwoord die de heer Holdijk zelf aanhaalde: buiten de maatregelen die genoemd zijn in de nota naar aanleiding van het verslag en de memorie van antwoord, zijn er geen concrete voornemens voor nieuwe vrijheidsbeperkende maatregelen bekend. Ook wijs ik op de zin die hier direct na staat, op pagina 6 van de memorie van antwoord. Daarin wordt melding gemaakt van het onderzoek naar meer ingrijpende zelfstandige vrijheidsbeperkende maatregelen dat nog aan de Staten-Generaal moet worden gezonden. Uit onderzoek of nieuwe ontwikkelingen kan natuurlijk altijd volgen dat het wenselijk is, de rechter nog een andere sanctiemogelijkheid te geven, maar nu kan ik dus niet stellen dat de gereedschapskist van de rechter compleet is. Op dit moment zijn er geen concrete voornemens voor uitbreiding, maar dat betekent niet dat de gereedschapskist compleet is, want uit de dikke Van Dale blijkt ook dat "completeren" een synoniem is van "aanvullen". Je kunt dat een beetje met elkaar vergelijken.

De heer Holdijk heeft stilgestaan bij het onderscheid tussen de straf en de maatregel. Hij stelt dat de voorgestelde maatregel ook kan worden opgelegd voor gedragingen die op zichzelf niet strafbaar zijn. Op grond daarvan maakt hij zich zorgen over de koppeling tussen de veroordeling vanwege het strafbare feit en de oplegging van de maatregel. Het is misschien goed dat ik hierop nog even inga, want het is een punt dat voor onduidelijkheid kan hebben gezorgd in de behandeling van het wetsvoorstel. Ik ontkracht graag dat de maatregel kan worden opgelegd voor gedragingen die op zichzelf niet strafbaar zijn. De rechter kan de maatregel alleen opleggen bij een veroordeling vanwege een strafbaar feit. Wel is het zo, dat overtreding van de maatregel op zichzelf niet altijd een strafbaar feit behoeft te zijn. Ik geef een concreet voorbeeld. Als een gebiedsverbod is opgelegd, is het enkel je begeven in dat gebied aanleiding om je aan te houden en je voor de rechter-commissaris te geleiden voor de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis; dat is de consequentie. Er moet uiteraard wel een verband bestaan tussen het gepleegde strafbare feit en de opgelegde maatregel. Ik zeg er het volgende bij: het staat in de tekst van het wetsvoorstel, maar ik wil hierover geen misverstanden krijgen. Het kan dus zo zijn dat de rechter zegt: het strafbare feit is wel gepleegd, maar er wordt geen straf opgelegd. Dat is de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Dan kan de combinatie met de maatregel weer wel worden gemaakt. De invulling van de vrijheidsbeperkende maatregel is aan de rechter. Het spreekt voor zich dat de rechter een gebied aanwijst voor het gebiedsverbod, een persoon voor het contactverbod en een tijdstip en plaats voor de meldplicht, dat in verband staat met het gepleegde strafbare feit en het vervolggedrag dat de rechter met de maatregel beoogt te voorkomen.

De heer Holdijk heeft ook gevraagd of het opleggen van vervangende hechtenis niet een te zware sanctie is voor het niet naleven van een maatregel die op zichzelf geen strafkarakter heeft. Dat is het mijns inziens niet, want de rechter stelt in zijn vonnis het belang van het slachtoffer, het belang van de omgeving en het voorkomen van nieuwe strafbare feiten boven een volledige bewegingsvrijheid van de veroordeelde. Het is belangrijk dat de veroordeelde zich houdt aan die gerichte vrijheidsbeperking die door de rechter is opgelegd. Daarvoor is een voldoende grote stok achter de deur nodig die zorgt voor de naleving. In dit geval is de vervangende hechtenis de stok achter de deur, en niet de bijl boven het hoofd.

Mevrouw Quik heeft gevraagd naar de duur van de vervangende hechtenis en de samenhang tussen artikel 38w en artikel 38x van het Wetboek van Strafrecht. Ik kan het vermoeden van mevrouw Quik bevestigen: als de zittingsrechter de duur van de vervangende hechtenis heeft gesteld op drie dagen per keer dat de maatregel niet wordt nageleefd, kan de rechter-commissaris oordelen dat een tenuitvoerlegging van twee dagen voldoende proportioneel is. Ook is het zo dat de veroordeelde, als hij deze beslissing van de rechter-commissaris pas op de derde dag verneemt, dan op grond van artikel 38ij van het Wetboek van Strafrecht recht heeft op schadevergoeding voor die ene ten onrechte ondergane dag vervangende hechtenis, wat dan weer volgt uit de combinatie met artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering.

Mevrouw Quik heeft ook gevraagd of de maatregel mogelijk een aanzuigende werking zal hebben doordat zaken waarin voorheen door het OM of via het civiele recht een straat- of contactverbod werd opgelegd, nu op de strafzitting worden aangebracht. Mevrouw Quik wil voorkomen dat we meer strafzaken krijgen, terwijl we deze zaken vroeger op andere wijze oplosten. De vrijheidsbeperkende maatregel kan alleen door de rechter worden opgelegd en dat zal alleen gebeuren bij strafbare feiten en bij verdachten die niet meer in aanmerking komen voor een buitengerechtelijke afdoening. Als een buitengerechtelijke afdoening meer evident is, wordt die weg gevolgd. Bij veel voorkomende strafbare feiten die normaal gesproken door het OM zelf worden afgedaan, kan het gaan om gevallen die gelet op de omstandigheden te ernstig zijn voor een OM-afdoening dan wel gevallen waarin de veroordeelde niet bereid is tot medewerking aan de OM-afdoening. De voorgestelde vrijheidsbeperkende maatregel is bedoeld om in die gevallen een op de persoon van de dader en de omstandigheden van het geval toegesneden sanctie te kunnen opleggen. Ik verwacht geen grote aanzuigende werking, maar ik verwacht wel dat gerichter strafrechtelijk kan worden gereageerd.

Voor de samenhang met civielrechtelijke contactverboden, waarnaar mevrouw Quik ook vroeg, beschouw ik het vooral als winst dat het slachtoffer bij behandeling van het strafbare feit reeds kan worden beschermd tegen ongewenst contact met de dader. Een slachtoffer hoeft daar zelf niet meer achteraan te rennen. Hij of zij hoeft niet meer naar de civiele rechter te gaan en allerlei acties te ondernemen om ervoor te zorgen dat die bescherming tot stand komt. Ik wijs bijvoorbeeld op een zaak die niet zo lang geleden heeft gespeeld in de kop van Noord-Holland. Daarbij moest de vader van een overleden slachtoffer ten behoeve van zijn gezin civielrechtelijk een contactverbod afdwingen. Dat is typisch een casus die de publiciteit heeft gehaald, maar veel vaker voorkomt in Nederland. Het departement wordt vaak benaderd met de vraag of dit nu eens geregeld kan worden. Deze maatregel kan in dergelijke zaken een oplossing bieden, waar anders een te lange weg moet worden gevolgd door het slachtoffer of de nabestaanden.

Mevrouw Strik vroeg of de vrijheidsbeperkende maatregel te beschouwen is als een ultimum remedium, nu eerst moet worden bekeken of een gebieds- of contactverbod of andere voorwaarden kunnen worden opgelegd. Toepassing van de rechterlijke maatregelen is inderdaad subsidiair aan toepassing van de voorwaarden. Het is goed om die rangorde aan te brengen. Zoals ik heb aangegeven, heeft gedragsverandering altijd de voorkeur. Je moet geen dingen doen waarmee de gedragsverandering niet kan worden beïnvloed als je ook maatregelen kunt treffen waarmee die wel kan worden beïnvloed, want een gedragsverandering beïnvloeden is altijd beter. Dat komt straks in het debat over wetsvoorstel 32169 ook nog aan de orde; soms is een voorwaardelijke straf veel beter dan een taakstraf. Dit betekent echter niet dat het hier een ultimum remedium betreft. Het gaat erom dat we nu een gat in het sanctie-instrumentarium van de rechter opvullen. Er zit dus een rangorde in, maar als de vrijheidsbeperkende maatregel een ultimum remedium was, zou dat betekenen dat we eerst al het andere moeten doen voordat we hiertoe over kunnen gaan. Het is uiteraard ter beoordeling van de rechter om deze maatregel toe te passen.

Mevrouw Strik heeft ook gevraagd welk belang de wetgever wil beschermen met de vrijheidsbeperkende maatregel. Ik denk dat ik daarover al duidelijk ben geweest. Men kan bijvoorbeeld denken aan een situatie van huiselijk geweld. Als iemand al een voorwaardelijke straf heeft gehad met een bijzondere voorwaarde waarin in eerste instantie al allerlei maatregelen zijn opgenomen om gedragsbeïnvloeding te bewerkstelligen en dit alles blijkt niet te werken, dan kan de vrijheidsbeperkende maatregel een heel bruikbare variant vormen.

Mevrouw Strik heeft verder gevraagd of de rechtsbescherming van de veroordeelde beperkt is bij de vrijheidsbeperkende maatregelen. De beslissing over het opleggen van de maatregelen is in handen van de strafrechter gelegd. Deze weegt alle omstandigheden mee. De vrijheidsbeperking is op de persoon toegesneden, maar de maatregel hangt ook samen met de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het opleggen daarvan. Dat kun je niet los van elkaar zien. Tegen het opleggen van de maatregel staat hoger beroep open. Bij het vermoeden dat de maatregel niet wordt nageleefd, legt het OM dit voor aan de rechter-commissaris. Zo is in de rechtsbescherming voorzien. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris is uiteraard beroep mogelijk bij de zittingsrechter. Ik wijs verder op de mogelijkheid van schadevergoeding als ten onrechte de vrijheid is ontnomen.

Tot slot heb ik nog een opmerking over het opheffen van de voorlopige tenuitvoerlegging, waar mevrouw Beuving naar heeft gevraagd. Ik wijs op artikel 14fa, lid 8: de hogerberoepsrechter kan dat ook doen. Het schijnt toch in de wet te staan dat ook de hogerberoepsrechter een mogelijkheid heeft om in dezen in te grijpen. In tweede termijn kom ik hier nog wat uitgebreider op terug.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Ik kan het heel kort houden. Het merendeel van mijn vragen is afdoende of zeer adequaat beantwoord. Daarmee is een stuk duidelijkheid voor de praktijk gegeven over een aantal ingewikkelde kwesties die spelen in diverse situaties die onderling op elkaar lijken, maar net weer anders zijn. Kortom, een puzzeltje. Het is fijn dat men daarover met behulp van deze Handelingen in de praktijk wat meer duidelijkheid krijgt.

Er staat inderdaad nog een puntje open, zoals de staatssecretaris zojuist al zei. Hij verwees naar artikel 14fa, lid 8, waaruit blijkt dat de rechter die hierover moet beslissen, de mogelijkheid heeft om in te grijpen bij een voorlopige tenuitvoerlegging. Dit geeft maar deels antwoord op mijn vraag, want dit zorgt er inderdaad voor dat de voorlopige tenuitvoerlegging kan worden opgeheven, maar daarmee krijgen we niet per definitie de versnelling waar ik om vroeg. Omdat het hier om een echte detentie gaat en ik de vergelijking aanhaalde die in de memorie van toelichting werd gemaakt met de voorlopige hechtenis, kwam bij mij de vraag naar een echte schorsingsmogelijkheid op. Ik zie namelijk niet goed hoe je een versnelling voor de persoon in kwestie kunt bewerkstelligen in de in artikel 14fa voorziene procedure. Mijn vraag of hier niet een schorsingsmogelijkheid aan de orde zou moeten zijn, blijft dus openstaan.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Ook ik kan het kort houden. Ik dank de staatssecretaris voor zijn zeer verhelderende reactie. Onze voornaamste zorg over wetsvoorstel 32319 ging over de verdragsconformiteit en de kwetsbaarheden in dat opzicht. De staatssecretaris heeft aangegeven dat er een groot vertrouwen is dat daarmee geen ongelukken zullen gebeuren. Het lijkt me redelijk om de regering daarin te volgen. Bij het wetsvoorstel 32551 hadden wij twee punten. Het eerste is de vraag naar de noodzaak. Die werd opgehangen aan het gebrek aan effectiviteit van het huidige stelsel. Ik stel vast dat de staatssecretaris zowel de juridische als de praktische lacune helder over het voetlicht heeft gebracht. Dat is mij duidelijk geworden. Het tweede is het algemene punt. De staatssecretaris heeft toegezegd dat hij in overleg met de minister de systeemconformiteit van vooral het Wetboek van Strafvordering en de transparantie van het sanctiestelsel wil bekijken. Hij heeft tevens toegezegd ons na het overleg met de minister nader per brief te informeren over de wijze waarop het ministerie deze zaak mogelijk zal aanvatten. Ik vind dit voorshands een redelijk antwoord.

Ik denk dat de staatssecretaris recht heeft op mijn conclusie. Deze luidt dat mijn fractie geen problemen heeft om wetsvoorstel 32319 te aanvaarden. Het is wel lastig dat ik vanwege de samenhang met wetsvoorstel 32551 verplicht ben met dit verhaal terug te keren naar mijn fractie, gelet op het voortraject dat wij intern hebben meegemaakt. Ik ben nog niet zo ver dat ik op eigen houtje de beslissing kan nemen dat mijn fractie hiermee zal instemmen. Dat zal ik nog even intern moeten bespreken.

De heer Holdijk (SGP):

Voorzitter. Ik kom in hoofdzaak vanwege de goede mores weer naar dit spreekgestoelte, in die zin dat ik de staatssecretaris namens de beide fracties die ik vertegenwoordig, bedank voor zijn adequate beantwoording. Ik zal niet weer op afzonderlijke onderdelen ingaan. Eén punt licht ik er slechts uit. Dat is de kwestie van de speciale categorieën vreemdelingen waarvoor nog een bijzondere regeling zal worden getroffen, in samenspraak met de bewindslieden die met de uitvoering van het vreemdelingenrecht zijn belast. In eerste instantie is de vraag gesteld, niet door ons, maar door anderen, waarom de Raad van State naar aanleiding van de nota van wijziging niet opnieuw hierbij is betrokken. Ik begrijp dat er een Algemene Maatregel van Bestuur komt voor de speciale categorieën waarvoor een oplossing deels buiten het strafrecht moet worden gezocht. Ik denk dat de staatssecretaris, dan wel de minister voor vreemdelingenzaken toch opnieuw bij de Raad van State terecht zal komen.

Ik eindig met de opmerking die ik in eerste instantie niet expliciet heb verwoord, namelijk dat de fracties van zowel de SGP als de ChristenUnie met beide wetsvoorstellen akkoord zullen gaan.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Voorzitter. De staatssecretaris lokt mij uit mijn tent door steeds weer met de eigen verantwoordelijkheid te zwaaien. Ik kan het niet laten om te zeggen dat ik als kinderrechter heb gezien dat je niet alleen allemaal wordt geboren met verschillende genen, maar dat je ook in de opvoeding totaal verschillende dingen kunt meekrijgen en dat die eigen verantwoordelijkheid in mijn visie een betrekkelijk begrip is, waarmee je niet altijd iedereen om de oren kunt slaan. Goed, dat slaat helemaal nergens op met betrekking tot deze wetsvoorstellen, maar ik wilde dit toch even kwijt.

Ik blijf mijn twijfels hebben over de ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Ik ben het met de heer Holdijk eens dat dit wellicht op een andere manier bij de Raad van State zal komen. Anders is er vast wel een actieve vreemdelingenadvocaat die dit aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zal voorleggen. Ik betreur dat dit niet op voorhand aan de Raad van State is voorgelegd. Het zou een kleine moeite zijn geweest. De Raad van State had dit snel kunnen beantwoorden, maar goed, het mocht niet zo wezen.

Ik heb een vraag gesteld over het geld. De staatssecretaris zegt dat men dit in de begroting moet opnemen, maar niet dat het er dan ook komt. Daarover heb ik heel veel zorgen. Ik ken de werkdruk bij de rechterlijke macht op dit moment. Te veel werkdruk leidt tot kwaliteitsverlies. Ik denk dat de rechterlijke macht op dit moment op het randje verkeert van wat nog haalbaar is. Ik vraag daarvoor veel aandacht.

Ik kom op de schorsing. Over het snelle aanbrengen gaat de staatssecretaris niet. Daarover gaat het Hof zelf. Dat kan men wel willen, maar het zal niet altijd lukken. Ik bepleit dus sterk dat er een schorsingsmogelijkheid komt. De staatssecretaris komt daarop in de tweede termijn terug, zei hij. Dat hoor ik graag aan.

Er is al gezegd dat men wil overleggen in de fractie. Ook mijn fractie zal de volgende week met een beslissing komen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik hoorde u net zeggen dat u helemaal tevreden was met het antwoord over de centen, maar u hebt second thoughts, begrijp ik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Het nadenken stopt bij ons nooit, voorzitter. Voorzitter. Ook ik bedank de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie van harte voor zijn adequate beantwoording. Een en ander is duidelijker geworden, ook in de sfeer van de toezeggingen. Wij moeten een wetsvoorstel ook toetsen op uitvoerbaarheid. Ik heb gevraagd in hoeverre de strafrechtketen is toegerust om die bijzondere voorwaarden en alles wat daarbij komt kijken, voldoende te verwerken. Het is een beetje gek dat de staatssecretaris eigenlijk zegt: eerst moet het wetsvoorstel worden aangenomen en dan gaan wij kijken wat er nodig is. Ik houd hem echter aan de toezegging dat handreikingen zullen worden gedaan als blijkt dat de strafrechtketen daartoe nog niet voldoende is uitgerust.

Ik ben ook blij met de toezeggingen aan mevrouw Beuving over de moeite die zal worden gedaan om de beroepszaken, de toetsing van de beslissingen van de RC, versneld te kunnen laten behandelen. Het is natuurlijk waar wat mevrouw Quik-Schuijt zegt, namelijk dat het de vraag is in hoeverre de staatssecretaris daarover gaat. Hij kan daartoe in ieder geval inspanningen verrichten. Dat geldt, neem ik aan, ook voor de beslissing van de RC over het beroep van de maatregelen, van het gebieds- en contactverbod.

Wat de vreemdelingen betreft is er een AMvB in de maak. Geldt daarvoor een voorhangprocedure, hebben wij de mogelijkheid om die maatregel te toetsen? Op de ongewenstverklaring en de niet-uitzetbaarheid zal ik terugkomen bij de behandeling van de Implementatiewet Terugkeerrichtlijn.

Wij hebben gevraagd om uit te leggen waarvoor het gebieds- en contactverbod precies is bedoeld. Ik neem graag van de staatssecretaris aan dat het in een leemte kan voorzien. In ieder geval is het een extra instrument voor de rechter. Wij hebben er vertrouwen in dat deze hiermee op een verstandige manier zal omgaan en de juiste belangenafweging zal maken. Het is in ieder geval belangrijk dat er een verband bestaat tussen de maatregel en het strafbare feit waarvoor een veroordeling heeft plaatsgevonden. Wel blijft het zo dat er geen relatie hoeft te bestaan tussen de maatregelen en de ernst van het delict en de mate van schuld. In die zin blijft de proportionaliteit die de rechter moet hanteren van belang. Wij gaan ervan uit dat deze daarmee verstandig kan omgaan.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

Voorzitter. Ook de VVD-fractie dankt de staatssecretaris voor de adequate en deskundige beantwoording. Over twee kleine punten wil ik iets nader horen van de staatssecretaris, maar ik denk dat dit heel eenvoudig is. Het eerste betreft de capaciteit bij politie, reclassering en rechterlijke macht. Over drie jaar vindt een evaluatie plaats, maar ik mag toch aannemen dat de middelen beschikbaar worden gesteld als komend jaar blijkt dat dit een succes is en de werkbelasting vooral bij de rechter, maar ook bij de politie en de reclassering, is toegenomen. Mevrouw Quik heeft er aan gerefereerd, maar ik heb er daarom ook in het voorlopig verslag al nadrukkelijk naar gevraagd. Ik neem aan dat wij niet hoeven te wachten tot de evaluatie na drie jaar heeft plaatsgevonden. Dan zijn wij niet verstandig bezig.

Het tweede punt is maar heel klein. Zullen de evaluaties van wetsvoorstel 32551 en die van wetsvoorstel 32319 tegelijkertijd plaatsvinden? Van het ene weten wij het, maar van het andere weten wij het nog niet zeker.

De voorzitter:

Ik geef de staatssecretaris thans de gelegenheid om te dupliceren. Als ik goed geluisterd heb naar de leden van de Kamer, dan moet dat vrij vlot kunnen.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Dit herinnert mij aan een president van het gerechtshof in Amsterdam, waar ik ooit stond als waarnemend advocaat-generaal. Hij zei tegen mij: uw repliek kan zeker wel kort? Ik antwoordde dat vragen van de advocaat mij noopten tot een nog uitvoeriger repliek dan ik al in gedachten had. De schrik sloeg hem daarna om het hart. Dat antwoord geef ik nu niet, voorzitter.

De voorzitter:

Dat is heel goed, want anders neem ik maatregelen.

Staatssecretaris Teeven:

Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng in tweede termijn. Ik ontkom er niet aan om uitgebreid in te gaan op het enige puntje dat volgens mij nog tussen een aantal leden van de Kamer en mij is blijven liggen, te weten de schorsingszaak. Ik wil er helder over zijn waarom wij hebben gekozen voor de rechter-commissaris en niet voor de zittingsrechter. Ik wijs erop dat de voorlopige TUL een snelle reactie op het niet naleven mogelijk maakt. Omdat het hierbij gaat om vrijheidsbeneming, is een rol voor de rechter aangewezen. Dat is de rechter-commissaris, die in ons strafrechtelijk stelsel de taak heeft om op korte termijn over vrijheidsbeneming te beslissen. De zittingsrechter geeft vervolgens een definitief oordeel over de TUL. De zittingsrechter kan het bevel tot voorlopige TUL eventueel opheffen, ook op verzoek van de veroordeelde. Dat staat in het artikel waarop ik wees en waarvan mevrouw Beuving zegt dat zij dit nog niet genoeg vindt. Dat kan aan de orde zijn – ik wijs in dit verband op artikel 14a, lid 8 – als de zittingsrechter al snel tot het oordeel komt dat er geen reden is om de voorlopige TUL voort te zetten. Bij de dadelijke uitvoerbaarheid hebben wij een vergelijkbare situatie. De hogerberoepsrechter kan het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid opheffen. Dat is opgenomen in artikel 14e, lid 2. In dat artikel is die opheffingsmogelijkheid voor de hogerberoepsrechter geschapen. De hogerberoepsrechter kan van die mogelijkheid gebruikmaken als hij bijvoorbeeld voorziet dat hij tot een andere waardering van de feiten komt. Dat brengt mij ertoe dat ik, gezien de snelle procedure en de waarborgen die wij via de beide artikelen hebben geschapen, geen reden zie voor het opnemen van een schorsingsartikel. Als de hogerberoepsrechter voorziet dat hij uiteindelijk tot een andere waardering van de feiten komt, zal hij op dat moment overgaan tot opheffing van de maatregel en niet tot schorsing daarvan.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Begrijp ik het goed dat dit pas aan de orde is op het moment dat de rechter die de voorwaarde of de voorlopige tenuitvoerlegging kan opheffen, überhaupt aan de zaak is toegekomen en de zaak voorgelegd heeft gekregen? Voor het aanbrengen van een dergelijke zaak geldt de normale termijn. Voor de dadelijke uitvoerbaarheid betekent dit dat iemand die nog op vrije voeten is, moet afwachten wanneer zijn zaak in een zitting bij het gerechtshof voorkomt. In het andere geval, als er sprake is van voorlopige tenuitvoerlegging, zal de betrokkene moeten afwachten, als het gaat om een algemene voorwaarde, tot de nieuwe zaak en de tenuitvoerlegging van de oude zaak samen in één zaak bij de zittingsrechter zijn aangebracht. De staatssecretaris kan wel zeggen dat de rechter al heel snel tot opheffen kan overgaan, maar dat doet de rechter pas op het moment dat hij de zaak voor zich heeft, volgens de normale procedures en de normale termijnen. Kan daar een versnelling in worden verkregen?

Het is de staatssecretaris wellicht opgevallen dat ik dezelfde vraag niet heb gesteld bij de behandeling van wetsvoorstel 32551, toen het ging om de vervangende hechtenis. Ik heb dat niet gedaan omdat in artikel 38x, lid 7 van dat wetsvoorstel die snelheid al een beetje ingebakken zit. Het gaat in dat artikel om hoger beroep tegen de vervangende hechtenis. Dat hoger beroep moet al heel snel worden ingesteld en bovendien moet de rechter bij wie dat hoger beroep zal dienen, onverwijld een dag voor de behandeling vaststellen. Dan kan natuurlijk bij die maatregel heel goed, omdat er geen nieuw strafrechtelijk onderzoek loopt. Dat is ingewikkelder bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf; dat realiseer ik mij. Om die reden dring ik erop aan om, als er praktisch gezien geen mogelijkheid is voor de persoon in kwestie om een versnelling te krijgen, te denken aan een schorsingsmogelijkheid.

Staatssecretaris Teeven:

Als reactie op het begrijpelijke betoog van mevrouw Beuving merk ik op dat een verzoek tot opheffing op ieder moment in de procedure kan worden gedaan. Dat kan nu ook. Op ieder moment kan men een verzoek doen om opheffing van de detentie, van de dadelijke uitvoerbaarheid. Mevrouw Beuving lijkt ervan uit te gaan dat er geen enkel moment zit tussen de beslissing van de rechter-commissaris en het moment waarop de zittingsrechter eraan te pas komt, maar dat is niet zo. Er zijn meer momenten om een verzoek tot opheffing van de maatregel te doen.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik probeer mij dat praktisch voor te stellen. In het geval van de voorlopige tenuitvoerlegging probeer ik mij voor te stellen wat het inhoudt als de persoon in kwestie, de veroordeelde die ondertussen in detentie zit, alvast vraagt om opheffing, terwijl de zittingsrechter de nieuwe zaak nog niet voor zich heeft. Bij het vermoeden van overtreding van de algemene voorwaarde, dus het gepleegd hebben van een nieuw strafbaar feit, is het toch niet voorstelbaar dat de zittingsrechter tot opheffing overgaat, terwijl hij de nieuwe zaak nog niet kan beoordelen?

Staatssecretaris Teeven:

Wat zou voor de zittingsrechter een noodzaak kunnen zijn om, als dat gebeurd is, wel te schorsen? Zijn er op dat moment zulke overwegende persoonlijke omstandigheden in de situatie van de veroordeelde – die mogelijk recidiveert en zich niet heeft gehouden aan de maatregel die voor het oude feit is opgelegd, wat leidt tot een dadelijke tenuitvoerlegging – dat de rechter, als hij niet overgaat tot opheffing, de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde zou laten prevaleren? Dat kan ik mij bijna niet voorstellen.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Misschien moet mevrouw Quik met al haar ervaring op dit moment inspringen, maar ik begrijp dat de staatssecretaris het volgende zegt. In beide gevallen, zowel in het geval van een hogerberoepsituatie bij het gerechtshof als in het geval van een combinatie van nieuwe zaken en TUL bij de zittingenrechter, hebben de rechterlijke colleges de mogelijkheid te verzoeken om opheffing, nog voor de einduitspraak is gekomen. Als dat betekent dat beide rechterlijke colleges op dat moment naar de zaak gaan kijken, dan ben ik natuurlijk al heel erg tevreden gesteld.

Staatssecretaris Teeven:

In dit geval zouden wij de situatie kunnen hebben dat men een verzoek om opheffing doet bij de rekestenkamer en dat de rekestenkamer dat verzoek bekijkt met inachtneming van de nieuwe zaak die er op dat moment ligt. Het kan zijn dat een zaak niet binnen afzienbare termijn wordt berecht. Bij zittingen van de politierechter is dat minder aannemelijk, maar bij een meervoudige kamerzitting vinden er dan een regiezitting en een pro-formazitting plaats. In die pro-formazitting kan een verzoek om opheffing worden gedaan. Wij zijn in het kader van de versnellingsprocedure bezig met het zo spoedig mogelijk aanbrengen van dergelijke zaken. In de gevallen die worden behandeld door de meervoudige kamer, zou men naar een rekestenkamer kunnen gaan.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik ben geïntrigeerd door de mogelijkheid, die ik tekstueel ook wel in het wetsvoorstel zag, dat om opheffing verzocht wordt. Als dat betekent dat het rechterlijk college dan niet zegt dat daarmee moet worden gewacht, omdat men nog niet aan de zaak is toegekomen, maar daarentegen een vorm van behandeling laat plaatsvinden, waarbij ten minste marginaal getoetst wordt of de betrokkene wel vast moet blijven, een beetje vergelijkbaar met wat er in de voorlopige hechtenis rond schorsingen gebeurt, dan denk ik dat wij al een eind op weg zijn.

Staatssecretaris Teeven:

Daarbij maak ik wel de kanttekening dat er naar mijn oordeel en dat van de wetgever eigenlijk geen ruimte zou moeten zijn voor schorsing. Door het nieuwe feit en het feit dat men zich niet heeft gehouden aan de oude voorwaarde, zijn er naar mijn mening allerlei redenen om de persoonlijke omstandigheden niet zwaarder te laten wegen dan de reden op grond waarvan de maatregel of de dadelijke uitvoerbaarheid is toegepast. Er zou wel een situatie kunnen ontstaan bij opheffing. Als om opheffing wordt verzocht, kan een afweging worden gemaakt met betrekking tot bijvoorbeeld de geringe kans op succes van de tweede zaak. Die situatie kan zich voordoen. Als je opheft, moet er meer worden gekeken naar wat de nieuwe zaak is waarmee men te maken heeft dan naar het persoonlijke belang van de veroordeelde op dat moment.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik ben hier al heel content mee. Dit is precies de situatie die ik voor ogen had. Het gaat mij niet om de persoonlijke omstandigheden die moeten worden getoetst, maar vooral om de kansrijkheid of de voorlopige tenuitvoerlegging overeind blijft.

Staatssecretaris Teeven:

Als wij dat met elkaar eens zijn, zijn wij al een eind op streek.

De voorzitter:

Het staat allemaal in de Handelingen. De staatssecretaris gaat afronden.

Staatssecretaris Teeven:

Dit was de opmerking van mevrouw Beuving in tweede termijn.

De heer Engels heeft de toezegging die ik hem heb gedaan, goed begrepen. Ik ga overleggen met mijn ambtsgenoot op het ministerie van Veiligheid en Justitie. Ik dank de heer Engels voor de overige posities die zijn fractie wellicht gaat innemen. Dat heb ik goed verstaan.

De heer Holdijk dank ik ook. Ik wil iets zeggen over de opmerking die hij heeft gemaakt over de regeling inzake strafonderbreking bij illegale vreemdelingen. De AMvB komt volgend jaar en wordt voorgelegd aan de Raad van State. Ik hoor mevrouw Strik zeggen dat het in dat concrete geval een voorhang moet worden. Tot die tijd hanteren wij de ministeriële regeling. Die treedt in werking op 1 januari 2012, als ik daarover met mijn ambtsgenoot van Immigratie en Asiel overeenstemming heb bereikt.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Wordt daarbij een voorhang toegepast?

Staatssecretaris Teeven:

Ik zal dat overleggen met mijn ambtsgenoot en de Kamer daarover berichten.

Ik heb goede nota genomen van de opmerking die senator Quik heeft gemaakt over jeugdigen. Tegelijkertijd neem ik aan dat mevrouw Quik het met het kabinet eens is dat, naarmate de jeugdige een oudere leeftijd krijgt, de eigen verantwoordelijkheid een steeds belangrijker rol krijgt. De leeftijd van de jeugdige loopt synchroon met de eigen verantwoordelijkheid die wij moeten aanbrengen.

Mevrouw Quik spreekt over ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Ik begrijp dat niet helemaal. Als dat het geval zou zijn, zou dat buitengewoon ongewenst zijn. Je kunt echter ook een situatie hebben waarin die gevallen helemaal niet zo gelijk zijn. Een ongelijke behandeling van ongelijke gevallen is helemaal niet ongewenst. Sterker nog: een gelijke behandeling van ongelijke gevallen is heel ongewenst. Ik zie mevrouw Quik naar voren komen en ik heb dat enigszins uitgelokt. Zij vindt de gevallen gelijk en het kabinet vindt die ongelijk. Ik vrees dat dat ons scheidt.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik zie de ongelijkheid in het feit dat de strafrechter straft zonder aanzien des persoons. Hij houdt geen rekening met het feit dat de een legaal is en de ander niet. In de executiesfeer is dat wel het geval. Ik vind dat iets ongelijks hebben.

Staatssecretaris Teeven:

Ik denk dat er zaken kunnen spelen waarbij personen die ongelijk zijn vooral niet gelijk moeten worden behandeld. Juist in de executiesfeer kunnen er heel ongelijksoortige vreemdelingen zijn.

Mevrouw Broekers en mevrouw Quik vragen bij herhaling aandacht voor het geldtekort en de werkdruk van de rechterlijke macht. Ik ga op dit moment geen blanco cheque geven. Wij blijven altijd kijken wat de noden zijn die door deze wetgeving kunnen ontstaan, maar ik wijs er tegelijkertijd op dat wij op 20 mei 2011 al uitgebreid hebben gesproken over de implementatie. Er wordt al heel lang over de implementatie van wetsvoorstel 32319 gesproken. In de praktijk wordt geschreeuwd om de implementatie van dit wetsvoorstel. Aan de fracties in de Tweede Kamer, aan de toenmalige regering en aan deze regering wordt steeds gevraagd om het wetsvoorstel zo snel mogelijk te behandelen, omdat er veel behoefte aan is. Vanwege die roep uit de praktijk is nadrukkelijk gekeken of de praktijk dit allemaal aankan.

De werkdruk bij de rechterlijke macht is inderdaad aanwezig. Ik wijs er overigens op dat de productiecijfers van 2011 lager lijken te zijn dan vorig jaar, terwijl de bezetting gelijk is. Dat is een constatering die ik als lid van de regering op dit moment doe.

Met betrekking tot het langdurige implementatietraject heb ik al een aantal zaken toegezegd. Ik wil ingaan op een ander punt dat mevrouw Strik in haar tweede termijn heeft ingebracht. Zij zegt dat er geen relatie meer wordt gelegd tussen schuld en maatregelen. Dat is vaker zo met maatregelen in het Wetboek van Strafrecht. Er bestaat bijna nooit een directe relatie tussen de schuld die bestaat bij de verdachte/veroordeelde en de maatregel die wordt opgelegd. De maatregel wordt opgelegd omdat het individuele slachtoffer dan wel de samenleving als totaal daaraan behoefte heeft.

Mevrouw Broekers heeft gevraagd of de evaluaties van de twee wetten gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd. Ik zal de evaluaties samenvoegen en de termijn aanhouden die is toegezegd aan de Tweede Kamer, zijnde binnen vijf jaar.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

Ik heb in de stukken gezien dat de minister van Veiligheid en Justitie in de Tweede Kamer heeft toegezegd dat wet 32551 na drie jaar zou worden geëvalueerd. Ik hoor de staatssecretaris nu vijf jaar zeggen.

Staatssecretaris Teeven:

Als in de stukken staat dat wij aan de Tweede Kamer hebben toegezegd dat het drie jaar is, houden wij ons uiteraard aan de termijn van drie jaar. Ik ga ervan uit dat mevrouw Broekers het goed heeft gelezen. Wij berichten de Kamers uiteraard als er na drie jaar nog geen volledige evaluatie kan zijn. Die situatie kan ik mij voorstellen. Ik heb alle vragen beantwoord.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij komen tot afhandeling van de wetsvoorstellen. Wij doen dat per wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over wetsvoorstel 32319, de wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de wijziging van de regeling voorwaardelijke veroordeling en de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling? Mevrouw Quik-Schuijt wenst stemming. Ik stel voor om volgende week over dit wetsvoorstel te stemmen.

Dan kom ik bij wetsvoorstel 32551 inzake het rechterlijk gebieds- of contactverbod. Is er iemand die daarover stemming wenst? De heer Engels wenst stemming. Ik stel voor dat wij volgende week ook over dit wetsvoorstel stemmen.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De vergadering wordt van 19.15 uur tot 20.15 uur geschorst.