Noot 1 (zie blz. 472)

BIJVOEGSEL

Schriftelijke antwoorden van de staatssecretaris van Financiën, op vragen gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de wetsvoorstellen Belastingplan 2005 (29 767), Overige fiscale maatregelen 2005 (29 758) en Fiscale onderhoudswet 2004 (29 678)

De leden van de fractie van de PvdA hebben twijfels bij het afschaffen van de omkeerregel. Zij geven aan dat feitelijk een dubbele heffing wordt toegepast. Deze maatregel moet in hun ogen een sterk «eens maar nooit meer» karakter hebben.

In economische zin heeft de voorgestelde heffingssystematiek voor omslaggefinancierde regelingen inderdaad dubbele heffing tot gevolg. Hetzelfde inkomen wordt twee maal belast, zowel bij inleg als bij uitname. Juridisch is dit echter niet het geval. Hetzelfde object wordt wel twee keer belast, maar dit is niet het geval voor het subject. Dezelfde persoon wordt niet twee keer voor hetzelfde inkomensbestanddeel belast. Een voorbeeld waar dit ook van toepassing is, is de AOW. Men mag de betaalde AOW-premie niet aftrekken, maar moet over ontvangen AOW wel belasting betalen. Benadrukt wordt wel dat het om een uitzondering gaat. Dit was bij de aanpassing van de fiscale behandeling van omslaggefinancierde regelingen noodzakelijk omdat het toepassen van de hoofdregel (aanspraken belast en uitkeringen vrijgesteld) juist tot een gunstigere behandeling van dergelijke regelingen zou leiden dan het blijven toepassen van de omkeerregel (aanspraken vrijgesteld en uitkeringen belast), omdat de aanspraak bij toekenning nog niet of nauwelijks waarde heeft. Met de door het kabinet voorgestelde maatregel worden omslaggefinancierde regelingen fiscaal ontmoedigd. Met het oog op de vergrijzing zijn dergelijke regelingen naar de mening van het kabinet niet houdbaar. In dat licht is het kabinet van mening dat deze maatregel gerechtvaardigd is. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling in de Eerste Kamer der Staten-Generaalkan hierover verder van gedachten worden gewisseld.

Het Centraal Planbureau komt in een doorrekening tot een beter resultaat (banen en financieringstekort) als de loonkosten aan de onderkant worden beperkt dan wanneer de Vpb wordt verlaagd. De fractie van de PvdA wil daarom dat een deel van de 1,2 mld euro van de Vpb-verlaging wordt ingezet voor een verlaging van de loonkosten voor lagere loonschalen.

Ik neem aan dat de heer van Driel hier doelt op de doorrekening van de tegenbegroting van PvdA door het CPB. Deze tegenbegroting omvatte een heel pakket aan beleidsmaatregelen, waaronder een verhoging van de Vpb met 1,5 procentpunt ten opzichte van het kabinetsvoorstel en een verlaging van de werkgeverslasten op arbeid (vrijstelling werkgeverspremies voor werkgevers die jongeren in dienst nemen; afdrachtsvermindering voor scholing en in dienst nemen van ouderen; verlaging werkgeverspremies voor WAO en AWF).

Volgens de doorrekening van het CPB leidde de tegenbegroting van de PvdA tot een EMU-tekort in 2005 (na inverdieneffecten) dat 0,1% BBP gunstiger uitviel dan in de kabinetsvoorstellen zoals gepresenteerd in de MN2005. De werkgelegenheid (in personen) viel 0,3% gunstiger uit. In het CPB memorandum waarin de doorrekening van de tegenbegroting van PvdA is gepresenteerd, geeft het CPB aan dat de effecten op de structurele groei niet afzonderlijk zijn geanalyseerd en dat op voorhand geen uitspraak kan worden gedaan over de effecten op de structurele groei.

Zoals gezegd omvat de tegenbegroting van de PvdA een geheel pakket aan maatregelen. Om de effecten van een verlaging van de Vpb en een verlaging van de loonkosten te vergelijken, zouden deze effecten afzonderlijk in beeld moeten worden gebracht. Op de internetsite van het CPB worden verschillende doorrekeningen met het model JADE gepresenteerd (CPB document nr. 30, mei 2003). Er wordt ook een doorrekening gepresenteerd van een verlaging van de Vpb en een verlaging van de werkgeverslasten. Om een goede vergelijking te maken, berekent het CPB het effect van verschillende maatregelen met hetzelfde budgettaire beslag (1% BBP).

De spoorboekjes van het CPB geven de volgende resultaten op lange termijn (na 16 jaar):

 BBPWerkgelegenheid (fte)
Verlaging VPB met 1% BBP1,20,9
Verlaging werkgeverslasten met 1% BBP0,70,6

Op lange termijn zijn de economische effecten van een verlaging van de Vpb dus gunstiger dan een verlaging van de werkgeverslasten. Wel moeten worden opgemerkt dat op kortere termijn de effecten van een verlaging van de Vpb minder gunstig zijn. Dit komt doordat het aannemen van mensen makkelijker is dan het aanpassen van de kapitaalgoederenvoorraad (machines etc). Op korte termijn zal een verlaging van de lasten op arbeid daarom een positiever effect hebben op de economische groei dan een verlaging van de lasten op kapitaal.

De leden van de fractie van de PvdA maken zich zorgen over de kwaliteit en de kwantiteit van de opsporing van fraude door de Belastingdienst. Ze plaatsen deze opmerking mede in het licht van een recent rapport van de Algemene Rekenkamer. Zij zijn van oordeel het opsporen van fraude moet worden geïntensiveerd. Dit is, aldus deze leden, ook van groot belang voor het vestigingsklimaat.

We zijn met de leden van de fractie van de PvdA van oordeel dat de overheid actief moet blijven in het bestrijden van fraude. In dat verband willen we opmerken dat er nog steeds 400 à 450 fiscale strafzaken per jaar aan het Openbaar Ministerie worden aangeboden. Er is daarbij geen sprake van vermindering. Wat betreft de kwaliteit van de aangeboden processen-verbaal is de lijn ook duidelijk: gestreefd wordt die zaken aan te pakken die het meest tot de verbeelding spreken, zowel wat betreft het fiscale belang, als ook de maatschappelijke impact. Uit gegevens van FIOD-ECD blijkt dat we daarin ook slagen. Ondertussen gaat het om een gemaximeerd aantal zaken dat aan het Openbaar Ministerie wordt voorgelegd. Het OM is niet in staat om meer dan het genoemde aantal per jaar af te nemen en te verwerken. Daarom is het ook van belang dat de Belastingdienst zijn eigen sanctiearsenaal ten volle benut wanneer sprake is van het niet naleven van fiscale verplichtingen. De Belastingdienst werkt dan ook op basis van risicoanalyses. Het fiscale toezicht wordt vooral daar ingezet waar de kans op non-compliance het grootst is. Dit beleid werpt vruchten af: het gemiddelde bedrag aan correcties gaat de laatste jaren omhoog. Zo is het gemiddelde correctiebedrag voor de vennootschapsbelasting gestegen van 325 000 euro in 2000 tot 630 000 euro in 2003.

Wij zijn het dan ook niet eens met de vragenstellers dat het met de fraudebestrijding slechter is gesteld dan voorheen. De concrete resultaten geven geen aanleiding tot die constatering. De aandacht gaat uiteraard vaak uit naar de zichtbare strafrechtelijke handhaving, terwijl er ook veel gebeurt op fiscaal terrein. Vanwege het feit dat het optreden van de fiscus niet in de openbaarheid plaatsvindt komen de resultaten van het fiscale toezicht minder duidelijk in beeld. We zijn het wel eens met de vragenstellers wanneer zij stellen dat het vestigingsklimaat gediend wordt wanneer de overheid onvermoeid de fraude blijft bestrijden. Waar mogelijk willen we daaraan bijdragen. De Belastingdienst zal mede daarom de komende jaren het toezicht intensiveren. Dit blijkt o.a. uit de plannen om nieuwe medewerkers te gaan werven die vooral hierop zullen worden ingezet.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de betrouwbaarheid van de overheid zou zijn gebaat met wat minder onzekerheid rond het rulingbeleid. Zij merken op dat er nog steeds wordt geklaagd over het feit dat er geen zekerheid en duidelijkheid heerst over de vereisten die het rulingteam en of het Ministerie van Financiën voor het verkrijgen van een ruling stelt. Deze leden merken op dat voorspelbaarheid, duidelijkheid en betrouwbaarheid op dit punt voor het vestigingsklimaat van groot belang zijn.

Wij onderschrijven dat het van groot belang is om vooraf zekerheid te verkrijgen over een ruling. Zoals bekend is de rulingpraktijk per 1 april 2001 omgevormd in een APA/ATR-praktijk. Uitgangspunt van het nieuwe beleid is dat de praktijk op dit terrein aan de OESO-normen voldoet. Door deze aanpak wordt gewaarborgd dat uitkomsten internationaal door de beugel kunnen, wat de betrouwbaarheid en bestendigheid juist vergroot. Ook worden de afspraken hiermee toegesneden op de specifieke situatie van belastingplichtigen. Dit alles dient het Nederlandse vestigingsklimaat.

Waar ervaringen met de APA/ATR-praktijk daartoe aanleiding geven, zal ik de belastingplichtige trachten tegemoet te komen. Denk bijvoorbeeld aan de besluiten die ik in augustus van dit jaar heb uitgebracht over de APA/ATR-praktijk. In het bijzonder wil ik wijzen op het vraag en antwoord besluit over Dienstverleningslichamen (DVL's), dat helderheid geeft over de vraag onder welke voorwaarden DVL-APA's tot stand kunnen komen. Tevens is in deze besluiten onder meer de mogelijkheid vastgelegd van een «casemanagementplan» en een «prefilingmeeting» tussen Belastingdienst en belastingplichtige, wat bijdraagt aan snelheid en betrouwbaarheid.

Ook signalen «uit de markt» over de nieuwe APA/ATR-praktijk bevestigen dat we op de goede weg zijn. Ik zal de ontwikkelingen overigens op de voet blijven volgen.

De leden van de PvdA-fractie krijgen klachten dat kennisgroepen van de Belastingdienst nogal intern gericht zijn. Deze leden merken op dat de staatssecretaris dit aanpakt door te streven naar meer kennisuitwisseling met belastingconsulenten. De indruk van deze leden bestaat dat een en ander traag verloopt en dat de externe gerichtheid naar ondernemingen beter zou kunnen.

Het beeld dat de kennisgroepen van de Belastingdienst nogal intern gericht zijn, is in overeenstemming met de taakopdracht die zij hebben. De kennisgroepen dienen immers – afgezien van een tweetal extern opererende kennisgroepen – als backoffice voor de inspecteur. Het is de competente inspecteur die het rechtstreekse contact met de belastingplichtigen onderhoudt.

De leden van de CDA-fractie constateren een steeds belangrijkere rol van de Belastingdienst in de samenleving, onder meer in de sfeer van kinderopvang, de verzilveringsregeling en de op stapel staande toeslagen. Zij vragen zich af hoe de burgers die hier recht op hebben ook daadwerkelijk de weg naar de fiscus weten te vinden. Omdat deze burgers niet kunnen terugvallen op professionele belastingadviseurs verdienen organisaties als ouderenbonden, patiëntenverenigingen en fiscale EHBO's alle steun van de overheid. Zij vragen zich af hoe de staatssecretaris van Financiën denkt te voorkomen dat mensen die het hard nodig hebben door drempelvrees of onwetendheid geen gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn en welke mogelijkheden hij ziet om de betrokken organisaties te ondersteunen. De Belastingdienst ondersteunt thans reeds verschillende organisaties die hulp verlenen op het gebied van het invullen van aangiften inkomstenbelasting. Het gaat hier om ouderenbonden, vakbonden en sociaal raadslieden. De ondersteuning bestaat uit het verzorgen van relevante opleidingen, het verstrekken van voorlichtingsmateriaal en dergelijke. De ondersteuning is op maat, afhankelijk van de behoeften van de organisatie.

Om ervoor te zorgen dat burgers hun weg weten te vinden voor de nieuwe toeslagen is in een scala van maatregelen voorzien. Zo zal de Belastingdienst de groep rechthebbenden zoveel mogelijk rechtstreeks benaderen. Naar schatting 90% van de groep rechthebbenden kan op deze wijze worden bereikt. Daarnaast is voorzien in massamediale campagnes, zoals spotjes op radio en televisie, advertenties in kranten en dagbladen en dergelijke. Er is door het ministerie van Sociale Zaken een radiospotje gemaakt over de compensatie van bijzondere ziektekosten dat door 46 omroepen gemiddeld dertig keer is uitgezonden. Postbus 51 heeft via telefoonlijnen, brochures en websites bijna 20 000 mensen voorzien van informatie over teruggave en bijzondere bijstand. Vanaf eind juni 2004 heeft het ministerie van VWS een herziene brochure met de titel «Ik heb wat, krijg ik ook wat?» breed verspreid. De Belastingdienst heeft ongeveer 270 000 ouderen met een laag inkomen, die de afgelopen jaren geen buitengewone uitgaven hebben opgevoerd, een briefgestuurd om ze op deze mogelijkheid te wijzen. Verder is ook aan circa 25 000 Wajong'ers een brief gestuurd om ze op deze mogelijkheid te wijzen.

Ten slotte wijs ik erop dat de ouderenbonden – die ons helpen bij de hulp bij aangifte – de KBO, de ANBO, de PCOB, en de Gehandicaptenraad ook aandacht hebben besteed aan de belastingteruggave en de bijzondere bijstand. Ze hebben dat onder andere op hun websites gedaan. Een aantal ouderenbonden is er ook in hun ledenbladen op ingegaan. In aanvulling hierop worden acties ondernomen om samen te werken met de nieuwe organisaties die een rol spelen bij de nieuwe regelingen. Het gaat hier onder meer om de zorgverzekeraars en woningbouwcorporaties. De wijze van samenwerking en ondersteuning zal in overleg met deze organisaties nog nader worden bepaald. In 1998 hadden 580 000 mensen een aftrekpost voor buitengewone uitgaven opgevoerd. In 2003 was dat al toegenomen tot 1 600 000 mensen. Het budgettaire beslag is gegroeid van 800 mln in 1998 tot 2,9 mld in 2003. Tot nu toe hebben 112 000 mensen gebruikgemaakt van de verzilveringsregeling.

De leden van de CDA-fractie vragen of het restrictieve aannamebeleid van de Belastingdienst voor de aanslagregeling leidt tot een vergrijzend personeelsbestand. Voorts willen zij weten of er daardoor een generatiekloof dreigt te ontstaan tussen inspecteurs en belastingadviseurs. Ten slotte vragen zij of het vanuit een oogpunt van personeelsopbouw wel wenselijk is om een dergelijke personeelsstop zolang door te voeren. Hierbij wordt er op gewezen dat de beperkte externe werving ten behoeve van de processen invordering en materieel toezicht de zorgen niet wegneemt.

Van een steeds verder vergrijzend inspecteursbestand is geen sprake. De meerderheid van de inspecteurs bevindt zich in de leeftijd van 35 tot 50 jaar. De gemiddelde leeftijd van de inspecteurs is ca. 44 jaar; deze zal de komende jaren verder teruglopen als gevolg van het met de bonden overeengekomen FPU-arrangement. Het personeelsbestand «ontgrijst» als het ware. De personele capaciteit voor de aanslagregeling zal ongeveer gelijk blijven. Enerzijds kan de Belastingdienst door de verdergaande digitalisering beschikbare fiscale deskundigheid doelmatiger inzetten. Anderzijds wordt de interne doorstroom van medewerkers naar het fiscale proces gerealiseerd. Op korte en middellange termijn is er dan ook een evenwichtige personeelsopbouw in de aanslagregeling.

Wij zijn van mening dat de beperkte instroom in de Belastingdienst niet leidt tot een generatiekloof tussen inspecteurs en belastingadviseurs. Er zijn weliswaar geringe leeftijdsverschillen in de opbouw van het personeelsbestand waarneembaar, maar bij lange na niet ter grootte van een generatie (ca. 20 jaar).

Met de verlaging van het Vpb-tarief komt ook weer een ander falen van de Nederlandse ondernemingswinstbelasting aan het licht, namelijk het ontbreken van een rechtsvormneutrale winstbelasting. Hierdoor dreigt een toename van het aantal BV's louter om fiscale redenen. Wij blijven dan ook bij ons standpunt dat het wenselijk is onderzoek te doen naar een vorm van rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting en dit onderzoek indien mogelijk nog te betrekken bij het thans uit te voeren onderzoek in het kader van de nieuwe Wet Vpb 2007. In dit verband verdient tevens aandacht het wetsvoorstel om openbare personenvennootschappen in de toekomst rechtspersoonlijkheid te verlenen. Als de vennootschapsrechtelijke verschillen steeds kleiner worden, waarom trekken we dat dan niet door naar de belastingbelastingheffing?

De leden van de fractie van het CDA vragen nogmaals aandacht voor hun standpunt dat een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting wenselijk is, mede ter voorkoming van louter fiscaal geïndiceerde rechtsvormkeuzes.

In de nota naar aanleiding van het verslag zijn we reeds op dit punt ingegaan. In de literatuur wordt ook met zekere regelmaat aandacht gevraagd voor een ondernemingswinstbelasting. Wij denken echter dat een ondernemingswinstbelasting weliswaar vanuit wetenschappelijk perspectief interessant zou kunnen zijn maar dat er nogal wat praktische bezwaren aan zouden kleven.

Kort gezegd, brengt het Vpb-pakket naar onze inschatting een beperkte verschuiving met zich van het winstniveau waarbij het fiscaal aantrekkelijker is om door middel van een BV te ondernemen dan via een IB-onderneming. In zoverre verwachten wij geen vlucht in de Vpb-sfeer. In de nota naar aanleiding van het verslag is ook aangegeven dat bij de invoering van de Wet IB 2001 niet is gekozen voor een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting. Wel is er voortdurend aandacht voor de verhouding tussen de inkomstenbelastingdruk op het winstinkomen van de ondernemer in de inkomstenbelasting en de gecombineerde druk van de inkomsten- en vennootschapsbelasting op het winstinkomen van een directeur-grootaandeelhouder.

Bij een ondernemingswinstbelasting wordt de winst, evenals bij lichamen het geval is, tegen een afzonderlijk proportioneel tarief belast. De onttrekkingen worden belast tegen het progressieve tarief waarbij de eerdere belasting als voorheffing fungeert. Vanuit het bedrijfsleven – met uitzondering van de RZO – bereiken ons geen signalen dat een ondernemingswinstbelasting wenselijk zou zijn.

Het wetsvoorstel tot herziening van het personenvennootschappenrecht – het laatste punt dat deze leden noemen – is thans bij de Tweede Kamer in behandeling. Het betreft een aanpassing van de regeling voor personenvennootschappen die goeddeels dateert van 1838. Met het wetsvoorstel wordt vennootschapsrechtelijk meer flexibiliteit geboden dan thans het geval is. Naar ons oordeel biedt de fiscaliteit al langer een dergelijke flexibiliteit in de vorm van regelingen die het mogelijk maken om zonder wezenlijke fiscale belemmeringen de rechtsvorm te wijzigen.

Een onderzoek naar een rechtsvormneutrale winstbelasting kan niet goed betrokken worden bij de Vpb 2007. Het belangrijkste doel van de Vpb 2007 is het versterken van het fiscale vestigingsklimaat en het meer EU-proof maken van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit onder de randvoorwaarde van budgettaire neutraliteit. Gelet op deze doelen en de stand van de heroriëntatie ligt het niet in de rede om een onderzoek naar een rechtsvormneutrale winstbelasting in deze heroriëntatie op te nemen.

De leden van zowel de fractie van het CDA als de leden van de fractie van de VVD gaan voorts in op de eis die wordt gesteld aan de mate waarin privé gebruik van een bestelauto door een ondernemer wordt toegestaan.

Deze eis dient, gelet op doel en strekking van de regeling, naar de mening van de leden van de fractie van het CDA strikter te zijn dan de toets in het wetsvoorstel van «meer dan bijkomstig» gebruik, omdat particulier gebruik door een ondernemer op gespannen voet staat met de bedoeling van het voorstel. In dezen verschilt ondergetekende van mening met deze leden. Voorop moet staan dat degene die voor de tegemoetkoming opteert, met betrekking tot de bestelauto kwalificeert als ondernemer. Dat blijkt afdoende indien wordt voldaan aan het criterium «meer dan bijkomstig» gebruik. Is daaraan eenmaal voldaan, dan vereisen doel en strekking van de regeling niet dat gebruik van de bestelauto in de onderneming aan striktere eisen wordt gebonden dan aan de eis dat de auto meer dan bijkomstig voor de onderneming wordt gebruikt. Voor de correctie vanwege particulier gebruik dient bij ondernemers de winstcorrectie privé-gebruik auto, analoog aan de autokostenfictie voor werknemers.

De leden van de fractie van de VVD vragen of dit criterium voldoende onderscheidend is en hoe het gebruik wordt gemeten. Als richtsnoer acht de ondergetekende het onderscheidende vermogen van dit criterium in dit stadium voldoende. Hoe het gebruik van de auto wordt gemeten valt niet op voorhand eenduidig te bepalen. Of bijvoorbeeld het aantal ritten, dagen of kilometers maatgevend is, hangt in vrije bewijsleer mede af van de beschikbaarheid en kwaliteit van de boekhouding van de belastingplichtige.

De leden van de CDA-fractie menen dat er behoefte bestaat aan een alomvattend pakket van maatregelen dat bestaande fiscale knelpunten in het kader van de bedrijfsopvolging wegneemt. Deze leden hebben de indruk dat thans sprake is van een enigszins gefragmenteerde aanpak van deze thematiek. De leden van de fractie van de VVD hebben zich bij deze vraag aangesloten.

De in het belastingplan voorgestelde maatregelen zijn onder meer een uitvloeisel van het onderzoek naar de fiscale behandeling van bedrijfsoverdrachten dat is uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van Vroonhoven-Kok c.s. (Kamerstukken II, 2002/2003, 28 607, nr. 49). Bij dit onderzoek zijn de fiscale aspecten rond de bedrijfsoverdracht uitvoerig in beeld gebracht. Er is in onze visie geen sprake van een fragmentarische benadering van de problematiek maar van gerichte maatregelen die passen in het totaalbeeld zoals dat uit het genoemde onderzoek naar voren kwam. Op de aftrek van financieringsrente die door een bedrijfsopvolger wordt betaald ter zake van de overname van een aanmerkelijkbelangpakket is in de nota naar aanleiding van het verslag reeds uitvoerig ingegaan. Wij blijven van mening dat de aftrek van financieringsrente bij bedrijfsovernames tegen het progressieve tarief, waar deze leden aandacht voor vragen, een inbreuk zou betekenen op het huidige boxensysteem en ook op het uitgangspunt dat het totaal van de werkelijk door de belastingplichtige behaalde voordelen uit aanmerkelijk belang worden belast tegen 25%.

De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat de regering de mening van de meerderheid van de Tweede Kamer deelt, dat de voorgestelde percentages voor het vrijgestelde ondernemingsvermogen in de successiewet niet leiden tot een strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Voor de regering is het uitgangspunt dat de omvang van de faciliteit voor ondernemingsvermogen in de successiewet adequaat moet zijn om problemen bij de bedrijfsopvolging weg te nemen maar niet over zijn doel heen mag schieten. Op basis van dit uitgangspunt moet een concreet percentage voor de vrijstelling worden vastgesteld. Dat is een kwestie van inschatting. Wij kunnen in dat licht deze percentages accepteren. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de wetgever de percentages niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel acht.

Zij vragen of het wenselijk is de regeling inzake de bedrijfsopvolging dat maximaal 15% beleggingsvermogen in een vennootschap aanwezig mag zijn, te herzien.

De regeling voor bedrijfsopvolging staat om praktische redenen toe dat in het vermogen van een vennootschap maximaal 15% beleggingsvermogen aanwezig is. Hierdoor worden onnodige discussies over vermogensetikettering vermeden. Zolang ons geen signalen hebben bereikt dat in de praktijk onbedoeld gebruik wordt gemaakt van de regeling, hebben wij geen voornemens om deze bepaling, die al sinds 1 januari 1997 van kracht is in regelingen voor bedrijfsopvolging in het successie- en schenkingsrecht, aan te passen. Hierbij kan worden opgemerkt dat indien onbedoeld gebruik van enige betekenis wordt gesignaleerd, het percentage van 15 indien nodig snel kan worden verlaagd door aanpassing van artikel 7a van de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956; een wetswijziging is daarvoor niet nodig.

De leden van de CDA-fractie stellen dat zij nu al vrijwel zeker weten dat ook na de aanpassingen in de invorderingssfeer van de conserverende aanslag de huidige exitheffingen op gespannen voet staan met het EU-recht. De fiscale vakliteratuur staat hier bol van. Dat geldt in versterkte mate voor de exitheffingen in de winstsfeer, die meteen afrekening opleggen in plaats van uitstel tot het moment van realisatie. Wat bedoelt de staatssecretaris in dit verband met de opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag dat naast unilaterale en bilaterale oplossingsrichtingen, de multilaterale oplossingsrichting vooralsnog onderdeel van het beleid blijft om de heffing over op Nederlands grondgebied aangegroeide meerwaarden te verzekeren? Wat doet Nederland? Wacht het een uitspraak van het of van Justitie af, of gaat het proactief aan de slag in Europa?

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een (eventueel) vervolg op de maatregelen die nu worden voorgesteld naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant. Zij stellen onder verwijzing naar de vakliteratuur dat het ook na deze maatregelen twijfelachtig is of zowel de conserverende aanslag bij grensoverschrijding als de eindafrekening in de Wet inkomstenbelasting 2001 en Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij verplaatsing van de onderneming in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht. In het navolgende ga ik eerst in op de conserverende aanslagen bij grensoverschrijding en daarna op de eindafrekening.

Conserverende aanslag

In het kader van de conserverende aanslag bij grensoverschrijding wordt allereerst gewezen op de wens om na grensoverschrijding het daadwerkelijk gerealiseerde deel van de gedurende het verblijf in Nederland opgebouwde inkomstenbelastingclaim in Nederland in de heffing te betrekken. Deze wens laat zich verklaren uit het feit dat de bedoelde claim naar mening van de regering een uitvloeisel is van een evenwichtig geheel van rechten en verplichtingen tussen Nederland en haar burgers. Het zonder meer verliezen van de claim zou een verstoring van deze balans betekenen, hetgeen ongewenst is. Desalniettemin hecht de regering zeer aan de waarborging van de in het EG-verdrag vastgelegde vrijheden, hetgeen uiteraard ook in dit kader opgeld doet.

Ondanks de door deze leden geuite bedenkingen en de eerder aangehaalde twijfels in de vakliteratuur is naar de mening van de regering de conserverende aanslag bij grensoverschrijding wel in overeenstemming met het gemeenschapsrecht. Dit laat echter onverlet dat – bij gebrek aan een sluitend bilateraal of multilateraal alternatief – de naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant eenzijdig door Nederland genomen maatregelen niet het sluitstuk hoeven te vormen. De regering streeft immers niet alleen op unilateraal maar ook op bilateraal en multilateraal niveau naar een verdere verfijning waarbij alle betrokken partijen zijn gebaat en de nagestreefde doelstelling wordt bereikt. In de nota naar aanleiding van het Verslag aan beide Kamers1 van de Staten-Generaal heb ik een dergelijke inspanning op multilateraal (Europees) niveau als positief gekenschetst waarbij eveneens is aangegeven dat een en ander reeds onderdeel vormt van het Nederlandse beleid in deze. Mijn eerdere opmerking omtrent de multilaterale inspanningen hebben dan ook betrekking op de conserverende aanslag bij grensoverschrijding en niet zoals deze leden lijken te suggereren op de eindafrekening bij de verplaatsing van de onderneming vanuit Nederland naar een andere lidstaat van de EU als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Eindafrekening

Deze leden stellen vervolgens dat omtrent de hiervoor bedoelde eindafrekeningen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 eveneens – zo niet eerder dan omtrent de conserverende aanslagen bij grensoverschrijding – twijfel bestaat over de europeesrechtelijke houdbaarheid. Deze conclusie van deze leden deel ik niet. Ik verwijs in dit kader nogmaals naar mijn eerder uitlatingen omtrent de europeesrechtelijk houdbaarheid van de eindafrekeningen na de uitspraak van het Hof in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant2. Deze uitspraak werpt naar mijn mening geen nieuw licht op het eerder ingenomen standpunt dat de eindafrekening zich goed verhoudt met het gemeenschapsrecht. In het kader van de verplaatsing van een IB-onderneming over de grens wijs ik op de in beginsel gelijke behandeling die een IB-ondernemer ten deel valt als hij zijn IB-onderneming binnen Nederland verplaatst. Vervolgens is in relatie tot de eindafrekening in de Wet op de vennootschapbelasting 1969 de uitspraak van het Hof in de zaak Daily Mail (C-81/87) van belang. Het Hof heeft in deze uitspraak een met de eindafrekening vergelijkbare regeling in overeenstemming met het gemeenschapsrecht geoordeeld. Deze uitspraak heeft naar mijn mening in de loop der jaren voor de Nederlandse eindafrekeningsbepalingen niets aan geldingskracht verloren. In het licht van de geldende jurisprudentie is een gecoördineerde aanpak op Europees niveau wat de Nederlandse regering betreft op het gebied van de eindafrekening op dit moment dan ook geen onderwerp van discussie.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom het tarief in box 3 geen progressieve structuur kent.

De vormgeving van het systeem van de vermogensrendementsheffing is in essentie gebaseerd op de analyses die zijn verricht ten behoeve van de notitie: «Belastingen in de 21ste eeuw een verkenning» (Kamerstukken II 1997/98, 25 810, nr. 2). Bij de keuze voor het uiteindelijke tarief als onderdeel van het stelsel van de vermogensrendementsheffing heeft een aantal overwegingen een rol gespeeld. De belangrijkste daarbij waren: het versterken van de economische structuur, het bereiken van een evenwichtige verdeling van de belastingdruk, het realiseren van een stabiele opbrengst en het vereenvoudigen van het belastingstelsel. Doordat de heffing niet kan worden ontgaan – en in samenhang met de Benthamse progressie die ontstaat door de voetvrijstelling die kleine vermogens ontziet – is sprake van een stelsel waarmee een belangrijke stap is gezet in de richting van een hernieuwd vormgegeven draagkrachtbeginsel op het terrein van het inkomen uit vermogen, zo is destijds overigens door een aantal fracties in de Tweede Kamer der Staten-Generaal ook bevestigd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts naar de toekomst van de Belastingdienst. Zou die bijvoorbeeld ook niet de bijzondere bijstand kunnen uitvoeren en wellicht op termijn een soort centrale verrekeningsfunctie kunnen krijgen?

Het ligt in de bedoeling dat de Belastingdienst drie nieuwe taken gaat uitvoeren. Het gaat om de uitbetaling van de tegemoetkoming kinderopvang, de huurtoeslag en de zorgtoeslag. Het gaat daarbij om massale processen waarbij de bij de Belastingdienst al bekende inkomensgegevens van de aanvragers van wezenlijke betekenis zijn. In dergelijke gevallen kan de uitvoering op efficiënte wijze plaatsvinden door de Belastingdienst vanwege het feit dat optimaal kan worden geprofiteerd van automatisering. De bijzondere bijstand is altijd een vorm van maatwerk waarbij individuele beoordeling noodzakelijk is. Het ligt daarom niet voor de hand dat een dergelijke taak goed zou kunnen worden uitgevoerd door de Belastingdienst.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het ministerie door het bedrijfsleven of adviseurs is benaderd met vragen over of knelpunten met betrekking tot de zogenoemde Bosal-wetgeving.

Ten aanzien van mogelijke knelpunten in de Bosal-wetgeving is, zoals eerder is opgemerkt, nog weinig informatie beschikbaar. Over een paar onderwerpen die tijdens de behandeling van het wetsvoorstel aan de orde zijn gekomen, zijn in de praktijk vragen gesteld. Genoemd kunnen worden bedrijfsovername, bedrijfsopvolging en de behandeling van leasecontracten. Het aantal gevallen waarin dit gebeurde was beperkt, de signalen zijn gemengd en de periode waarin ervaring is opgedaan met de nieuwe wetgeving is te kort om al conclusies te trekken.

De leden van de fractie van de VVD ontvangen graag een nadere motivatie, waarom ik van oordeel ben dat de Staat geen kostenvergoeding hoeft te geven aan burgers, die op basis van de naar achteraf blijkt in het licht van de EU-regelgeving foutieve Nederlandse wetgeving kosten hebben gemaakt om zekerheid te geven voor de conserverende aanslag.

Naar ik aanneem doelen deze leden op het standpunt dat een belastingschuldige wier uitstelbeschikking onherroepelijk vaststaat slechts onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komt voor vergoeding van de in verband met de zekerheidstelling gemaakte kosten3. Dit standpunt is een uitvloeisel van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Kühne & Heitz (C-453/00). In deze uitspraak besloot het Hof dat onder strikte voorwaarden de zogenoemde formele rechtskracht doorbroken kan worden, hierdoor kan het voorkomen dat in een eerder stadium voor bezwaar vatbare beschikkingen zelfs na het definitief worden, moet worden herzien. Allereerst moet het bestuursorgaan (i.c. de Belastingdienst) bevoegd zijn terug te komen op onherroepelijk vaststaande besluiten. Daarnaast dient het betreffende besluit onherroepelijk te zijn geworden na de beoordeling door een gerechtelijke instantie wier uitspraken niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Vervolgens dient op een later tijdstip te blijken dat deze gerechtelijke instantie het gemeenschapsrecht foutief heeft uitgelegd en derhalve ten onrechte heeft verzuimd prejudiciële vragen te stellen. Ten slotte dient het betrokken rechtssubject zich onmiddellijk na de uitspraak van het Hof met een verzoek om herziening te richten tot het bestuursorgaan. Het voorgaande betekent dat de formele rechtskracht van een definitief vaststaande beschikking (bijvoorbeeld een uitstelbeschikking of een definitieve (conserverende) aanslag) slechts wordt doorbroken indien:

1. de Hoge Raad de betreffende beschikking in een eerder stadium heeft beoordeeld en destijds het stellen van prejudiciële vragen – naar achteraf blijkt onterecht – achterwege heeft gelaten, en;

2. de belastingplichtige of -schuldige zich onmiddellijk na de uitspraak van het Hof tot de Belastingdienst heeft gewend.

Nu de hiervoor geschetste situatie zich niet heeft voorgedaan en betrokkenen de mogelijkheden die het Nederlandse rechtssysteem hen heeft geboden ongebruikt hebben laten passeren, ligt het niet in de rede de formele rechtskracht van de betreffende beschikkingen te doorbreken en (alsnog) de door betrokkenen in verband met de zekerheidstelling gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Het toekennen van een kostenvergoeding op dit moment zou bovendien verwachtingen kunnen scheppen voor toekomstige enigszins vergelijkbare en veel omvangrijkere gevallen. Dientengevolge wens ik niet af te wijken van de door het Hof neergelegde jurisprudentie.

De leden van de fractie van de VVD gaan in op het ingangstijdstip van de 10-jaarstermijn uit de Invorderingswet 1990. Deze termijn begint eerst te lopen op de dag na de vervaldag van de voor de belasingaanslag geldende enige of laatste betalings-termijn. In de praktijk kan er hierdoor sprake zijn van een termijn van 13 jaar. Voor het aanmerkelijkbelangvoorbehoud begint de tienjaarstermijn te lopen op het moment van de emigratie zelve. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom hij deze aanvangstijdstippen niet gelijk laat vallen?

De aanmerkelijkbelanghouder die een conserverende aanslag krijgt opgelegd ter zake van zijn emigratie naar een andere EU-lidstaat verkrijgt vanaf 11 maart 2004 onvoorwaardelijk en automatisch uitstel van betaling voor een periode van 10 jaar. De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat Nederland in de bilaterale belastingverdragen die zijn afgesloten sinds de invoering per 1 januari 1997 van het gewijzigde aanmerkelijkbelangregime veelal nog tien jaar het heffingsrecht heeft over de aanmerkelijkbelangaandelen van de dan buitenlands belastingplichtige aanmerkelijkbelanghouder. Deze leden verzoeken nader in te gaan op het aanvangstijdstip van beide tienjaarstermijnen. In antwoord hierop wijs ik deze leden op de opmerkingen van mijn ambtsvoorganger tijdens de parlementaire behandeling van de Wet van 12 december 2002 tot goedkeuring van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II en briefwisseling (Trb. 2001, 136)4 die ik volledig onderschrijf. Anders dan de leden van de fractie van de VVD nu stellen, is toentertijd reeds aangegeven dat de tienjaarstermijn in het bilaterale belastingverdrag niet loopt gedurende een aaneengesloten periode van 10 maal 12 maanden volgend op het moment van emigratie maar tot en met het tiende jaar volgend op het jaar waarin is geëmigreerd. Deze tienjaarstermijn sluit dichter aan op de in de Invorderingswet 1990 opgenomen tienjaarstermijn. De termijn in de Invorderingswet 1990 begint immers te lopen op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Mocht een belastingschuldige in de periode waarin de tienjaarstermijn in het van toepassing zijnde bilaterale belastingverdrag is verstreken maar de termijn in de Invorderingwet 1990 nog niet overgaan tot de vervreemding van zijn aanmerkelijkbelangaandelen, kan – ook ingeval nog een (deel van) conserverende belastingaanslag openstaat – geen sprake zijn van dubbele heffing. Immers, ook na de in dit wetsvoorstel gedane aanpassingen in de Invorderingswet 1990 kan aan belastingschuldige kwijtschelding van belasting worden verleend tot een bedrag gelijk aan de in het buitenland feitelijk geheven belasting over de voordelen uit vervreemding. Een eventuele afwijking in aanvangstermijn leidt dan ook niet tot onredelijke gevolgen.

De leden van de fractie van de VVD vragen verder welke criteria worden gehanteerd bij het al dan niet opnemen van een voorstel tot wetswijziging in een fiscale onderhoudswet als de onderhavige.

In antwoord op deze vraag merk ik op dat exacte criteria hiervoor moeilijk zijn te geven, omdat op voorhand niet bekend is welke zaken zich voor een fiscale onderhoudswet zullen aandienen. In principe komen wetswijzigingen voor opname in een fiscale onderhoudswet in aanmerking gelet op de volgende aspecten:

– De wijziging is technisch van aard en heeft geen zwaar politiek belang;

– de wijziging heeft geen budgettaire gevolgen die samenhangen met de begrotingscyclus;

– de wijziging is te klein voor een zelfstandig wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de gewenste wetswijzigingen, die worden genoemd op pagina 65 en 66 van Vakstudie-Nieuws nr. 2004/34.2, niet zijn opgenomen.

De aangekondigde reparatie van artikel 13c Wet Vpb wordt in een apart wetsvoorstel opgenomen.

De meeste in het Vakstudie-Nieuws genoemde wetswijzigingen hebben betrekking op onderwerpen waarover binnen het kader van de Vpb-heroriëntatie wordt nagedacht. Verder wordt melding gemaakt van een onduidelijkheid in de tekst van artikel 15ai Wet Vpb, deze kan bij een volgende gelegenheid worden gerepareerd.

De leden van de fractie van de VVD wijzen op de benadeling van de concurrentiepositie van maatschappijen, die binnenlandse vluchten verzorgen en vliegscholen. Deze leden achten dit in strijd met het beleid om het fiscale ondernemingsklimaat te verbeteren. Vanuit verschillende invalshoeken is er aanleiding om de bestaande vrijstelling voor vliegtuigbrandstoffen te wijzigen. Er is geen goede reden waarom een rit met de autobus of een auto tussen twee plaatsen binnen Nederland wel belast zou moeten zijn, terwijl dezelfde reis met een luchtvaartuig dat niet is. Er gaan al langer stemmen op, niet alleen binnen Nederland, om ook het internationale vliegverkeer te belasten. Dat laatste is thans niet mogelijk omdat internationale verdragen en communautaire wetgeving daartoe niet de ruimte biedt. Deze bieden daarentegen wel de mogelijkheid om het nationale vliegverkeer in de accijnsheffing te betrekken. Nederland maakt daar nu gebruik van. Dat dit de concurrentiepositie van de maatschappijen die binnenlandse vluchten uitvoeren zou benadelen is naar mijn mening niet juist. Alle maatschappijen die hier te lande tanken en vervolgens zo'n binnenlandse vlucht uitvoeren worden in gelijke mate door deze maatregel getroffen. In zoverre wordt geen enkele maatschappij op achterstand gezet. Dat de maatregel de concurrentiepositie wijzigt ten opzichte van andere wijzen van vervoer (autobus, trein of auto) is evident. Zij worden daarmee echter niet op een achterstand geplaatst, de voorsprong die zij hadden ten opzichte van die andere vormen van vervoer (die immers wel accijns betalen over hun brandstof) wordt (ten dele) weggenomen. Ik ben overigens van mening dat deze maatregel geen afbreuk doet aan de belangrijke verbetering van het fiscale ondernemingsklimaat dat met dit Belastingplan wordt bewerkstelligd.

Deze leden vragen voorts naar de opbrengst van de maatregel en het aantal bedrijven dat dit bedrag moet opbrengen. Op basis van de CBS-statistieken inzake het binnenlandse verbruik van vliegtuigbrandstof is een opbrengst geraamd van ongeveer 15 mln euro. Er zijn thans geen gegevens bekend over het aantal bedrijven dat dit bedrag zal opbrengen. Er is bij de raming geen rekening gehouden met de eventuele tweede orde effecten als gevolg van ontwijkgedrag. Dat zou ook in strijd zijn met de gebruikelijke ramingmethodieken. Dergelijke effecten laten zich overigens niet of nauwelijks voorspellen.

De leden van de VVD-fractie vragen om meer inzicht te geven in de methodes waarmee de werkgever op effectieve en efficiënte wijze de hem aangeboden rittenadministraties kan controleren. De leden van deze fractie vragen zich verder af waarom de Belastingdienst deze controles niet zelf kan doen. Het spreekt deze leden niet aan dat de Belastingdienst alle informatie heeft om zelf een sluitende controle te doen, maar desondanks deze taak zonder enige compensatie aan de werkgever opdraagt.

Het in de loonbelasting betrekken van de bijtelling voor privé-gebruik door de Belastingdienst past binnen de systematiek van de loonbelasting, waarbij de werkgever verantwoordelijk is voor een juiste en volledige afdracht van een voorheffing op de inkomstenbelasting. De verwachting bestaat dat verbeterd aangiftegedrag leidt tot extra inkomsten van 100 mln euro. De voorgestelde maatregel leidt weliswaar tot een administratieve last voor werkgevers van 12 mln euro, maar daar staat een substantiële belastingopbrengst en een besparing op de uitvoeringskosten van de Belastingdienst van 3 mln euro tegenover.

Met VNO-NCW heeft de Belastingdienst inmiddels afgesproken om in de eerste helft van 2005 een pilot te gaan houden onder een representatieve groep werkgevers om een efficiënte en effectieve methodiek te ontwikkelen die door werkgevers kan worden toegepast bij de controle van de rittenadministratie.

Bij de ontwikkeling van methodes waarmee de werkgever de aangeboden rittenregistraties kan controleren, kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de certificering van (geautomatiseerde) rittenregistraties (zoals Blackbox-systemen). Indien een dergelijk systeem of registratie door de werknemer juist en volledig is ingevuld, kan dit door de Belastingdienst worden geaccepteerd als sluitende rittenregistratie.

Het controleren of de rittenregistratie juist en volledig is ingevuld, is voor de werkgever eenvoudiger dan voor de Belastingdienst. De werkgever heeft immers veel meer zicht op het zakelijke gebruik van de auto en heeft hierbij, afgezien van het fiscale belang, ook een zakelijk belang.

Bedacht dient overigens te worden dat werkgevers slechts in een beperkt aantal gevallen een rittenregistratie ter beoordeling zullen krijgen voorgelegd, omdat in het overgrote deel van de gevallen de werknemer de auto voor privé zal willen gebruiken en dus zelf zal inschatten dat hij niet voldoet aan de 500 KM grens.

Er ontstaat geen congruentie tussen de behandeling van een optieregeling in de inkomstenbelasting enerzijds en de vennootschaps- en dividendbelasting anderzijds.

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer de studie naar de mogelijke gevolgen van het zogenoemde Falconsarrest (Hoge Raad, 22 november 2002, BNB 2003/34) is afgerond. Deze zal in de loop van 2005 worden afgerond. Op basis van de resultaten van deze studie zal vervolgens meer in het algemeen gekeken worden naar de behandeling van opties voor de vennootschaps-, kapitaals- en dividendbelasting. Voorts vragen deze leden of in deze studie ook zal worden ingegaan op de vraag of het meer voor de hand ligt om winst uit een optieregeling, die betrekking heeft op tenminste 5% van de aandelen van een vennootschap, te belasten volgens het aanmerkelijkbelangtarief in plaats van het progressieve tarief. Uit de wetssystematiek volgt dat voordelen uit hoofde van aandelenoptieregelingen die aan werknemers als loon zijn toegekend ook als inkomen uit die dienstbetrekking worden belast. Voor belastingheffing over voordelen van in het kader van de dienstbetrekking verkregen opties tegen een verlaagd tarief bestaat geen aanleiding. Een dergelijk voorstel van deze leden zou ook leiden tot een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling tussen degenen die een klein pakket opties ontvangen en degenen waarvoor opties tot een aanmerkelijk belang gaan horen.

De leden van de fractie van de VVD vragen ook waarom in het kader van de codificatie van het Besluit «Bijzondere regimes voor zeeslepers» de wet met terugwerkende kracht wordt aangepast.

De codificatie van het vorengenoemde besluit treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003. Het gaat daarbij om de uitsluiting van sleepbootactiviteiten die grotendeels in en rond havens en op binnenwateren van de Europese Gemeenschap worden uitgevoerd. Volgens de beschikking van de Europese Commissie van 19 juni 2002 (C (2002) 2158 def.) zijn de afdrachtvermindering zeevaart en het tonnageregime op dit punt onverenigbaar met de Gemeenschappelijke markt. De noodzaak de wet aan te passen volgt direct uit de beschikking van de Europese Commissie. Alvorens de wet aan te passen is er voor gekozen een Besluit uit te brengen waarin de voorgenomen aanpassing was opgenomen. Tevens is in dit Besluit aangekondigd dat wetswijziging zou plaatsvinden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003. Voor deze weg is gekozen, omdat hierdoor de gelegenheid ontstond nog in overleg te treden met de Europese Commissie over de vraag of de voorgenomen aanpassing ook daadwerkelijk in overeenstemming was met de afgegeven beschikking. Dat het wetsvoorstel vervolgens enige tijd op zich heeft laten wachten moet dan ook vanuit dit perspectief worden bezien. Echter dit verdient niet de schoonheidsprijs. Overigens zijn door de publicatie van het besluit zeeslepers in de Staatscourant belanghebbenden toch snel en op adequate wijze op de hoogte gesteld van de komende wetswijziging en de terugwerkende kracht die aan deze wetswijziging gegeven zou worden.

De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met de aangekondigde maatregelen met betrekking tot de publicatie van beleidsbesluiten. Zij vragen zich nog af of het niet voor de hand zou liggen om de besluiten naast het VNO-NCW ook ter beoordeling voor te leggen aan belanghebbende beroepsgroepen.

De huidige werkwijze is al dat concept-beleidsbesluiten niet slechts aan het VNO-NCW ter beoordeling worden voorgelegd, maar aan een brede vertegenwoordiging van belastingadviseurs en bedrijfsleven. Waaronder VNO-NCW. Over de hierbij te volgen procedures zijn met de vertegenwoordigers via de werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid (FUB) afspraken gemaakt. Een en ander is vastgelegd in het besluit van 25 februari 2004, DGB2003/6662M, stcrt 18 maart 2004, nr. 54.

Deze leden stellen nog enkele vragen over de fiscale en strafrechtelijke verantwoordelijkheid bij de elektronische ondertekening van de aangifte.

Ook wanneer een belastingplichtige langs elektronische weg zijn aangifte doet of laat doen is hij zelf daarvoor verantwoordelijk. Die situatie verschilt niet van de klassieke wijze van belastingaangifte. De belastingplichtige is verantwoordelijk voor zijn eigen aangifte, ook indien deze wordt gedaan door de adviseur, tenzij sprake is van de uitzonderlijke omstandigheid dat de aangifte niet aan hem is toe te rekenen. Voorts valt niet uit te sluiten dat de rol van de adviseur bij het doen van de aangifte onder omstandigheden met zich kan brengen dat hij daarvoor strafrechtelijke verantwoordelijkheid heeft. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan medeplichtigheid aan belastingontduiking. De feiten en omstandigheden van het concrete geval zullen hier uiteindelijk uitsluitsel over moeten geven.

In de Tweede Kamer is gesproken over de leeftijdsgrens bij de zelfstandigenaftrek. Is deze nu is verdwenen of niet? In het beleid dat de regering voert op het terrein van langer werken ook van ouderen, is het niet logisch om die leeftijdsgrens te hanteren naar de mening van de D66-fractie.

De leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek is nog steeds in de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen. Wij hebben toegezegd hier in een notitie op terug te komen. In deze notitie zullen wij ingaan op het thema van 10%-tarief voor 65-plussers en zullen wij ook de zelfstandigenaftrek voor 65-plussers betrekken. Deze notitie zal op een zodanig tijdstip naar het parlement gaan dat het mogelijk is om bij het belastingplan 2006 goed voorbereid op dit thema door te praten.

De leden van de fractie van D66 hebben wel zorgen over de realisatie van het kabinetsbeleid inzake de terugdringing van de administratieve lasten. Het vorig jaar geaccepteerde beleid inzake het autokosten dossier is bijv. ook geen voorbeeld van vereenvoudiging gebleken. De leden hebben de grootste aarzeling of deze beleidsdoelstelling wordt gehaald. Evaluatie is in ieder geval nodig en graag horen de leden van de fractie van D66 van de staatssecretaris hoe hij een nulmeting wil realiseren om gesjoemel te voorkomen.

Voor de terugdringing van de administratieve lasten is van belang dat de voortgang in dit dossier in het ritme van de begrotingscyclus wordt gemonitord. Wij hebben inmiddels de rapportages van april en september dit jaar gehad. In januari a.s. nemen we vooruitlopend op de vaststelling van departementale plafonds in het voorjaar nog een keer de stand van zaken door met de vaste commissie in de Tweede Kamer op basis van de stand van zaken per 1 januari 2005. De basis voor het beoordelen van de stand van zaken is steeds de begin dit jaar totstandgekomen nulmeting naar de stand van 1 januari 2003. In januari a.s. zal blijken dat wij flinke vooruitgang hebben geboekt. Wij houden daarbij ook rekening met de verzwaringen die in de verschillende beleidsdossiers moeten worden geaccepteerd o.m. als gevolg van wijzigingen in het Belastingplan.

De heer Schuyer van de D66-fractie verzoekt om uitvoerig aandacht te geven aan de bij de Eerste Kamer binnengekomen brief van mr. Soppe namens Nijhoff Grindmaatschappij B.V. over de consequenties van het afschaffen van de vrijstelling van afvalstoffenbelasting voor niet-reinigbare verontreinigde grond. De heer Schuyer geeft aan dat de D66-fractie overtuigd is geraakt dat de voorgestelde maatregel weliswaar de administratieve lasten verlicht maar het milieu behoorlijk belast. In die afweging kiest de D66-fractie toch voor het milieubelang.

In de memorie van toelichting bij de totstandkoming van de Wet belastingen op milieugrondslag (kamerstukken II 1992–1993, 22 849, nr. 3) is opgemerkt dat de positie van verontreinigde grond en baggerspecie een bijzondere is vergeleken bij die van andere afvalstoffen. De bijzondere positie bestaat erin dat de verontreinigingen in baggerspecie en grond veelal gedurende lange tijd in het verleden zijn ontstaan en niet meer door de waterbeheerder of de eigenaar van de grond met brongerichte maatregelen ongedaan kunnen worden gemaakt. Gezien de wens om het tot stand komen van saneringsoperaties op dit terrein te bevorderen werd het destijds niet gerechtvaardigd geacht de afgifte van niet-reinigbare verontreinigde grond en baggerspecie te belasten.

In de brief van mr. Soppe wordt daaruit de conclusie getrokken dat de wetgever saneringsoperaties ter zake van verontreinigde ballastbedden heeft willen bevorderen. Deze conclusie is niet juist. De wetgever heeft blijkens de memorie van toelichting bodemsaneringsoperaties willen bevorderen. Door in de wettekst het begrip niet-reinigbare grond vrij te stellen van afvalstoffenbelasting, zonder dit begrip te koppelen aan de bodemsaneringsoperatie zijn, mede op basis van uitspraken van de Raad van State, naast de bij de bodemsanering direct uit de bodem vrijkomende stromen niet-reinigbare grond ook enkele andere afvalstromen onder de vrijstelling komen te vallen. Dit betreft onder andere het residu van de reiniging van ballastbedgrind.

Specifiek met betrekking tot ballastbedgrind signaleert het in de brief aangehaalde KPMG-rapport «Verkenning consequenties afschaffing Wbm-heffing grond» dat ook bij een vrijstelling van de afvalstoffenbelasting voor het storten van het residu van de reiniging van ballastbedgrind, deze methode van verwerken ongeveer 50–100% duurder is dan de alternatieve verwerkingsvorm bij puinbrekers. De kostenstijging als gevolg van het vervallen van de vrijstelling van afvalstoffenbelasting bedraagt minder dan 10%. De KPMG-studie spreekt dan ook de verwachting uit dat er een beperkt negatief effect zal uitgaan van de maatregel op het verwerken van het ballastbedgrind door middel van reiniging. Het is dus zeker niet zo dat de voorgestelde maatregel prohibitief uitwerkt voor deze afvalstroom. Bovendien concludeert het KPMG-rapport dat voor grond uit ontgravingen en het residu van de reiniging van grond er sprake is van een positieve (financiële) prikkel in de richting van meer reiniging en minder storten als gevolg van de voorgestelde maatregel. Uit genoemde verkenning is niet gebleken dat de Wbm-maatregel per saldo grote milieuhygiënische consequenties heeft voor het verloop van de grondstromen. Deze constatering wat het milieubelang betreft, en het feit dat het afschaffen van het onderscheid reinigbaar/ niet-reinigbaar wel leidt tot een vermindering van de administratievelastendruk, zijn de overwegingen die ten grondslag liggen aan het voorstel zoals het er nu ligt.

De heren Van Middelkoop van de fractie van deChristenUnie en Thissen van de fractie vanGroenLinks vragen uitleg over het cijfergegoochel over de economische effecten van een verlaging van de Vpb versus verlaging van de IB/LB, dat wil zeggen het verschil tussen MEV 2002 en het CPB document nr. 30 van mei 2003.

In het meest recente CPB document (nr. 30) worden de effecten gepresenteerd van een verlaging van de Vpb en een verlaging van de IB/LB na 1, 2, 3, 4, 8 en 16 jaar.

 Verlaging Vpb met 1% BBP
 1 jaar4 jaar16 jaar
Werkgelegenheid0,10,30,9
BBP0,20,51,2
 Verlaging IB/LB met 1% BBP
 1 jaar4 jaar16 jaar
Werkgelegenheid0,20,80,8
BBP0,20,90,9

Het beperkte verschil in economische effecten na 1 jaar tussen de MEV2002 en het CPB document heeft waarschijnlijk te maken met een actualisatie van de parameters in de modellen van het CPB tussen de publicatie van de MEV 2002 (zomer 2001) en de publicatie van het CPB document (mei 2003).

Zowel uit de MEV 2002 als uit de doorrekeningen in het CPB document blijkt dat een verlaging van de Vpb op lange termijn (16 jaar) gunstigere effecten heeft dan een verlaging van de IB/LB. Het omslagpunt ligt ongeveer bij 10 jaar. Dit komt doordat het aannemen van mensen makkelijker is dan het aanpassen van de kapitaalgoederenvoorraad (machines etc).

1 Kamerstukken II, 2004/05, 29 758, nr. 7, p. 22 & kamerstukken I, 2004/05, 29 758, C.

2 Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1317, Kamerstukken II, 2004/05, 29 758, nr. 7, p. 24.

3 Overigens zal de conserverende belastingaanslag ter zake waarvan uitstel wordt verleend veelal op hetzelfde moment onherroepelijk worden.

4 Kamerstukken II, 2001/02, 28 259, nr. 6, p. 33 en 34.

Naar boven