Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1998-1999nr. 37, pagina 1591-1592

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Samenvoeging van de gemeenten Hoevelaken en Nijkerk (26366).

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Pastoor, die zijn maidenspeech houdt.

De heer Pastoor (CDA):

Mijnheer de voorzitter! De CDA-fractie stelt zich positief op wat betreft de samenvoeging van de gemeenten Hoevelaken en Nijkerk. Met name het vrijwillige karakter van deze herindeling heeft ons doen besluiten tot die stellingname. Dat neemt niet weg dat na de behandeling in de Tweede Kamer en na de schriftelijke voorbereiding in deze Kamer één onderwerp overgebleven is waarvan wij het wenselijk en, gezien het indringende karakter ervan, noodzakelijk vinden daarover vandaag met de minister van gedachten te wisselen. Dat betreft de duurzaamheid van dit herindelingsvoorstel.

Bij de schriftelijke voorbereiding in deze Kamer hebben wij de aandacht er op gevestigd dat noch in de behandelingsprocedure in de Tweede Kamer noch in de briefwisseling tussen de minister en de gemeente Nijkerk in mei van dit jaar onomstotelijk duidelijkheid wordt geschapen of garantie wordt verschaft dat Amersfoort niet alsnog na 2010 een deel van het gebied van de nieuw te vormen gemeente nodig zal hebben. Naar aanleiding van onze vraag heeft de minister in de memorie van antwoord opnieuw, met name voor de periode na 2010, geen garantie willen geven dat dit na 2010 ook niet zal geschieden. Dat is om twee redenen onbegrijpelijk.

In de eerste plaats is sinds september 1995, toen het kabinetsstandpunt Vernieuwing bestuurlijke organisatie werd vastgesteld, één van de zeven uitgangspunten voor gemeentelijke herindeling dat: "een gemeente in potentie over een zodanige bestuurskracht moet beschikken dat zij in principe voor een periode van ten minste 25 jaar in staat moet zijn zelfstandig een substantieel pakket van sturende en verdelende lokale taken te behartigen". De huidige minister heeft in zijn beleidsnotitie van 27 november 1998 over gemeentelijke herindeling die de titel "krachtige gemeenten" heeft meegekregen, dat beleidskader gemeentelijke herindeling overgenomen, in ieder geval op het punt van de duurzaamheid van 25 jaar.

In de tweede plaats is het herindelingsplan C20-gemeente Amersfoort, tevens provinciale grenswijziging Utrecht/Gelderland, kortgeleden, in 1997, buitengewoon helder over de duurzaamheid van de grenscorrecties die ten behoeve van Amersfoort op onder meer het grondgebied van Nijkerk en Hoevelaken hebben plaatsgevonden. Op niet mis te verstane wijze is in dat plan neergeschreven dat de grenswijzigingen voor een periode van 25 jaar soelaas bieden aan Amersfoort.

Mijnheer de Voorzitter! Het kan toch niet zo zijn dat terwijl de herindeling van Hoevelaken en Nijkerk op 1 januari 2000 haar beslag krijgt, meteen een paar maanden daarna in het begin van 2000 – wanneer volgens de minister het beleidsvoornemen inzake de Vijfde nota ruimtelijke ordening wordt uitgebracht – de zekerheid over het in deze vorm duurzaam voortbestaan van de nieuwe gemeente door rijksbeleid al weer aan een eerste begin van discussie wordt onderworpen met als gevolg dat na 2010 alle mogelijkheden weer openliggen. Ik stel de minister daarom nogmaals de vraag of het niet in de rede ligt om, gerelateerd aan de eigen beleidsvisie van de minister over duurzaamheid van een herindeling, de nieuwe gemeente Hoevelaken/Nijkerk onomstotelijke duidelijkheid te bieden over een duurzame toekomst. Is de minister bereid dienovereenkomstig toch meer garanties te geven?

De voorzitter:

Ik wens de heer Pastoor geluk met zijn eerste rede als lid van deze Kamer. Het is passend dat deze rede een bestuurlijk onderwerp betreft, want in zijn loopbaan die aan het lidmaatschap van deze Kamer voorafging, heeft de heer Pastoor ruimschoots zijn sporen verdiend in het binnenlands bestuur. Hij heeft dat gedaan als burgemeester en als lid van de Provinciale en de Gedeputeerde Staten. Die loopbaan vindt nu zijn bekroning in het lidmaatschap van deze Kamer die haar wortels vindt in de provincie. Zoals het een goed lid van de Eerste Kamer betaamt, wordt het vervullen van het lidmaatschap gecombineerd met een andere functie. Voor sommigen is dat nog een volle baan, voor anderen is dat een deeltijdbaan. Nadat de heer Pastoor jarenlang ambtenarenrechter is geweest, is hij, sinds de ambtenarengerechten zijn geïntegreerd in de rechtbanken, maar liefst in drie rechtbanken rechter-plaatsvervanger. Naar ik aanneem, zal hij daar actief zijn in bestuursrechtelijke zaken en ambtenarenzaken. Ik wens hem van harte geluk met – wat ik indachtig het verzoek van de heer Hirsch Ballin een keer niet in het Engels, maar in het Latijn zal uitdrukken – zijn oratio virginalis.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Peper:

Mijnheer de voorzitter! Mag ik de heer Pastoor gelukwensen met zijn eerste rede in deze Kamer? Dat is misschien ook een poging tot vertaling van het Engels. Ik neem daarbij aan dat hij lang geleden niet al eerder lid is geweest van deze Kamer.

De vraag die de heer Pastoor heeft gesteld, is ook in de Tweede Kamer gesteld. Ik heb daar gezegd dat het uitgangspunt is van beleid dat de gemeentelijke herindelingen een zekere duurzaamheid met zich meebrengen, waarbij als oriëntatie 25 jaar is genoemd. Ik heb op deze vraag in de Tweede Kamer dus positief gereageerd. Het feit dat je rekening houdt met de theoretische mogelijkheid dat een Staten-Generaal na 2010 misschien vanwege voortschrijdend inzicht een andere beslissing zou nemen, wekt een zekere vrees op. Ik zal mij dus niet meer overgeven aan deze theorie. Het staat vast dat ik er dan als minister niet meer zal zijn. U moet deze opmerking in dat licht zien. Ik heb wel vaker dingen in Nederland zien veranderen, waarvan ik dacht: "Dat had ik niet voor mogelijk gehouden", al komt dat niet zo vaak voor. Ik kan niet overzien of in dat theoretische geval de dan optredende minister van Binnenlandse Zaken door de bestuursrechter zal worden gekapitteld. Mijn bedoeling is echter om de termijn van ongeveer 25 jaar vast te houden. De voorafschaduwing van een eerdere datum, bijvoorbeeld 2010 wekt zoveel onrust en geeft zo weinig tijd tot inbedding van de nieuwe verhoudingen in de nieuwe gemeente, dat dit niet erg voor de hand ligt. Als je kijkt naar de geschiedenis, geloof ik ook niet dat er zoveel gevallen te noemen zijn waarbij die periode niet is gehaald. Ziet u het daarom als een meer theoretische opmerking en denkt u niet dat dit ook maar enigszins de bedoeling zou kunnen zijn van deze minister.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.