Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1997-1998nr. 28, pagina 1410

Aan de orde is het verlenen van instemming met het standpunt van de regering bij de toetsing van de in artikel 109J, eerste lid, van het Verdrag van Maastricht neergelegde criteria inzake de deelname van Nederland aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (25107, nr. 13).

De voorzitter:

Wenst een van de leden hierover het woord te voeren? Dat blijkt niet het geval. Dan stel ik vast, dat wat deze Kamer betreft, de regering instemming heeft verkregen met haar standpunt bij de toetsing van de in artikel 109J, eerste lid, van het Verdrag van Maastricht neergelegde criteria.

Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 26 februari 1996 te Brussel tot stand gekomen Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht...

De heer Veling (GPV):

Voorzitter! Neemt u mij niet kwalijk dat ik u onderbreek. Het ging net bij de besluitvorming over de EMU zo rap. Is er geen mogelijkheid om aantekening te vragen, geacht te willen worden tegen te hebben gestemd?

De voorzitter:

Dat kan. Die aantekening wordt verleend aan degenen die daarom vragen.

De heer Veling (GPV):

Dat doe ik. Er zijn er meer die dat willen doen. Het is niet ongebruikelijk dat de voorzitter daar even naar informeert.

De voorzitter:

Het is niet ongebruikelijk wanneer dat gebeurt bij wetsvoorstellen. Het wordt echter niet gedaan wanneer de Kamer na het voorhangen instemming verleent met bijvoorbeeld de voorstellen tot stilzwijgende goedkeuring van algemene maatregelen van bestuur en dergelijke. Die procedure heb ik toegepast. Inderdaad, ten onrechte, ik had hierbij moeten informeren of er leden waren die aantekening verzochten. Deze aantekening zal alsnog worden verleend.

De aanwezige leden van de fracties van het GPV, de SGP, de RPF en GroenLinks wordt conform artikel 121 van het Reglement van orde aantekening verleend, dat zij geacht willen worden zich niet met het verlenen van instemming met het standpunt van de regering bij de toetsing van de in artikel 109J, eerste lid, van het Verdrag van Maastricht neergelegde criteria inzake de deelname van Nederland aan de derde fase van de EMU te hebben kunnen verenigen.