Aan de orde zijn:

de algemene financiële beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 1996 (24400)

,

- de behandeling van de wetsvoorstellen:

- Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 1996 (24400 IXA);

- Wijziging van hoofdstuk IXA (Nationale Schuld) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 1994 (slotwet/rekening) (24303);

- Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 1996 (24400 IXB);

- Wijziging van hoofdstuk IXB (Ministerie van Financiën) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 1994 (slotwet/rekening) (24304);

- Wijziging van de begroting van de lasten en de baten en van de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het Staatsmuntbedrijf voor het jaar 1994 (slotwet/rekening) (24318);

- Wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet op belastingen van rechtsverkeer (wijziging van enige fiscale wetten in het kader van de lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf) (24423);

- Wijziging van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 (terugsluis opbrengst reparatiewetsvoorstel-btw) (24428);

- Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (24458);

- Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de totstandkoming van de Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn-btw (24466);

- Wijziging van enkele belastingwetten (belastingplan 1996) (24463);

- Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op de belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken (24172);

- Wijziging van de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting (belastingheffing in geval van tijdelijke genotsrechten op zaken en op rechten die niet op zaken betrekking hebben), alsmede van de loonbelasting (aanpassing regime werknemersspaarregelingen) (23219).

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Boorsma (CDA):

Mijnheer de voorzitter! Toen ik vanmorgen de tekst van mijn diskette wilde laten printen, bleek die besmet te zijn met een virus. Het gevaar bestond dus dat ik snel uitgepraat zou zijn; iets wat nog nooit is voorgekomen. Gelukkig is het de dames van de afdeling tekstverwerking en de heer Breebaart gelukt deze vervuilde diskette toegankelijk te maken.

Voorzitter! Vorig jaar heb ik namens de CDA-fractie kritiek geuit op bepaalde voornemens van het kabinet. Mijn bedoeling daarmee was de minister van Financiën een duwtje in de rug te geven. Hij heeft dat in eerste instantie opgevat als een schot hagel in de rug, doch in tweede termijn is de juiste bedoeling wat verduidelijkt. Nu kijkend naar de Miljoenennota 1996 en vooral naar de vele belastingmaatregelen is dat duwtje, als steun, zeker weer geboden. Ik kom daar op terug, want ik wil beginnen met mijn bezorgdheid uit te spreken over het fiscaal-wetgevend programma. Collega Stevens gaat daar voornamelijk op in, op de grote lijn en op de details, maar ik wil er één opmerking over maken.

Kennis nemend van hetgeen de afgelopen jaren is gedaan, komt men gemakkelijk tot de conclusie dat de commissie voor Financiën gewend is om in juni en december een flinke hoeveelheid wetsvoorstellen tamelijk grondig te behandelen. Maar de hoeveelheid werk neemt zodanig toe, dat de kwaliteit van het werk van de medewetgever in het geding dreigt te komen. Wij hebben bewondering voor de vakkennis en de creativiteit van de huidige staatssecretaris – dat geldt overigens ook voor de minister – maar de wetgever is er niet mee gebaat als de medewetgever niet voldoende zorgvuldig en kritisch naar de wetsvoorstellen kan kijken, en de belastingbetaler al helemaal niet. Bij de fiscale wetsvoorstellen wordt vooral vanuit de beroepspraktijk vaak gewezen op het belang van de beoordeling van wetsvoorstellen door de wetenschap en de praktijk, ook na behandeling in de Tweede Kamer. Uit mijn eigen ervaring van meer dan acht jaar weet ik hoe belangrijk de commentaren van derden soms zijn. Daar ontbreekt thans vaak de tijd voor. De tijd ontbreekt om nog eens derden te raadplegen na kennisneming van de voorstellen, en zeker na kennisneming van de memorie van antwoord.

De regering moet beseffen dat vooral de kleinere partijen de werkdruk in december alleen kunnen verwerken door heel selectief te zijn, hetgeen betekent dat alleen die wetsvoorstellen worden bestudeerd waarvan men het gevoel heeft dat ze politiek belangrijk zijn, omdat er in de Tweede Kamer door de partijgenoten tegen is gestemd, of omdat er een duidelijke botsing is met de eigen politieke identiteit. In de huidige praktijk kunnen dus de fiscale wetsvoorstellen alleen maar enigszins grondig worden bestudeerd door de drie of vier grote partijen: de collega's van de andere partijen willen mij deze opmerking hopelijk vergeven, want ik heb geen kritiek op hen, integendeel. Zelfs de grotere fracties hebben volgens mij moeite met het verwerken van de geboden voorstellen en met het op een voldoende zorgvuldige manier doen van het werk, zo leert mij althans enige introspectie.

Door het tempo en de hoeveelheid van het wetgevingsprogramma komt nogmaals de kwaliteit van de medewetgever, Tweede en Eerste Kamer, onder druk te staan. Daarmee bedreigt de regering de kwaliteit van de democratische rechtsstaat. Bij eerdere gelegenheden ben ik in dit huis uitvoeriger ingegaan op de relatie tussen het ontstaan van de democratie enerzijds en belastingen en het budgetrecht van het parlement anderzijds. Dat laat ik nu achterwege, onder verwijzing naar het prachtige boek van Grapperhaus. Graag hoor ik het oordeel van de minister over dit probleem. Hij kan weten dat ik me daar eerder zorgen over heb gemaakt. Dat ik daar nog niet echt onder gebukt ga – ik slaap nog goed – komt doordat ik nog steeds voldoende vertrouwen heb in de integriteit en kwaliteit van bewindslieden en ambtenaren, maar wij moeten in dit huis waakzaam zijn. Overigens zie ik dat gevaar ook heel duidelijk binnen andere delen van het wetgevingsprogramma, waar collega's amper de tijd krijgen om de dossiers te bestuderen.

Eerder heeft vooral collega Schuurman waarschuwende woorden geuit over de in zijn ogen toenemende politisering van dit huis. Hij heeft gesteld dat wij vooral wetten moeten beoordelen op kwaliteit, op strijdigheid met de Grondwet en op uitvoerbaarheid. Vroegere collega's hebben woorden van gelijke strekking geuit, zoals Schinck en Vis. Ik wil mijn collega's vragen of zij met mij van mening zijn dat de kwaliteit van de wetgeving inderdaad in het gedrang dreigt te komen. Overigens spreek ik dit niet uit als voorzitter van de commissie Financiën, maar op eigen titel, en hoop ik dat de leden het met mij eens zijn.

Voorzitter! Dan nu de financiële en economische situatie van het land. Er zijn veel positieve signalen. Daarnaast zijn er enkele zwakke punten. Het CDA heeft waardering voor het beleid van de minister, maar wil daar nadrukkelijk enkele kanttekeningen bij plaatsen. Zo daalt de overheidsschuld slechts langzaam als percentage van het nationale inkomen. De minister laat in de Miljoenennota zien dat onder enkele gunstige voorwaarden de schuldquote kan dalen tot 72% in het jaar 2000. Wil de minister nog eens aangeven wat nu volgens hem de stand van de discussie is over het over korte tijd ingaan van de EMU en de eventuele Nederlandse toetreding? Moeten wij dan volgens de afspraken niet een duidelijker daling van de schuldquote kunnen laten zien? Zit dat in het verschiet? Mijns inziens niet.

Sprekend over de EMU: de heer Wallage heeft zich een paar dagen geleden afgevraagd of wij in 1998 wel moeten toetreden tot de EMU. Hij schijnt gesteld te hebben dat wij onze uitgaven en belastingen niet laten dicteren door Brussel. Stel, dat het waar is, waar zat de heer Wallage dan toen het vorige kabinet besloot om het Verdrag van Maastricht te omarmen? Had hij toen niet kunnen bedenken wat de consequenties zouden zijn van een tekort dat in 1993/1994 zelfs nog opliep en van een schuld die opliep? En wat heeft de PvdA-fractie aan de overkant berekend toen zij de norm van de schuldquote zag? Overigens is Wallage niet de enige: ook in Duitsland is een levendige discussie over hetzelfde probleem ontstaan. Onder anderen prof. Seifert heeft gesuggereerd om de EMU maar uit te stellen, terwijl Waigel in Die Welt van gisteren heeft gezegd dat zulk gedrag – het vragen om uitstel – al is voorspeld bij de totstandkoming van dat verdrag.

Voorts daalt de werkloosheid slechts langzaam. Dit is mede het gevolg van het succes dat is behaald door de herintreding van gekeurde WAO'ers. Het CDA hoopt met de recente voorstellen met betrekking tot het minimumloon in "Nieuwe wegen, vaste waarden" een bijdrage te leveren aan de vormgeving van het beleid dat is gericht op het terugdringen van de werkloosheid. Dit kabinet beweerde dat alles in het teken stond van "werk, werk, werk", maar het kabinet en de coalitie zullen zich, hoop ik, toch wel eens achter de oren krabben als zij de werkloosheidscijfers zien? Of niet? Zijn de woordvoerders van de coalitie een beetje tevreden over de behaalde werkloosheidsdaling? Kan het kabinet na de grote woorden daar niet wat meer van maken?

De arbeidsinkomensquote is in de vette jaren 1994-1995 te weinig gedaald. En volgens de Miljoenennota stijgt die in het jaar 1996 ook nog een fractie. De winsten en de solvabiliteit van bedrijven zijn dus niet voldoende hersteld, zij het dat er wellicht een duidelijk onderscheid is tussen de exportsector aan de ene kant en de sector die werkt voor de binnenlandse bestedingen aan de andere kant. Deelt minister Zalm de mening dat Nederlandse bedrijven te weinig de kansen van globalisering benutten, zoals recent is gesteld door minister Wijers? En wat vindt de minister overigens van die te hoge arbeidsinkomensquote? Wat moet er in zijn ogen aan worden gedaan? De bedrijfsinvesteringen geven na de piek – een groei van 9% in 1995 – volgens de Miljoenennota een terugval te zien naar een groei van 2,75% in 1996. Is de minister van mening dat de terugval van deze bedrijfsinvesteringen samenhangt met de te hoge arbeidsinkomensquote?

Het is voorts duidelijk dat het economische tij meezit. Heeft het kabinet in de periode van hoogconjunctuur genoeg gedaan op het terrein van de tekortreductie? Neen, zegt de Raad van State, het belangrijkste adviesorgaan van de regering, zeer beslist. Neen, zeggen ook vele anderen. Forsere tekortreductie is gewenst nu het goed gaat met de economie. Daarover van onze kant enkele opmerkingen. Wij hebben steeds gepleit voor een snellere reductie van het financieringstekort. Dat deed deze CDA-fractie, en daarbuiten deed ik het wellicht nog langer. Sinds 1987 was dat een hoofdpunt van onze inzet in de Eerste Kamer. Het pleidooi dat ik nog maar twee jaar geleden in dit huis hield om haast te maken met de tekortreductie, bracht Bomhoff er nog toe om in zijn column in de NRC te stellen dat ik ongeveer de enige econoom was die daar nog op aandrong. Hij moet toch wel even beteuterd zijn geweest toen vrij kort daarna ook de president van De Nederlandsche Bank met een gelijke boodschap kwam. Een snellere reductie van het tekort is gewenst om de schuldenquote terug te dringen.

Wat kan de minister van Financiën nu doen om dat te bereiken? Om te beginnen is het door het kabinet gekozen uitgavenkader dus toch nog te royaal en/of is dus het lastenverlichtingsprogramma niet goed van omvang of timing. Op de timing van de lastenverlichting kom ik terug. Wil de minister ons nog eens de jongste lijst van deelnemingen voorleggen en aangeven wat op redelijke termijn kan worden verkocht om op die wijze het tekort incidenteel te verkleinen – het gaat niet om het politiek relevante, maar om het te financieren tekort – omdat daarmee permanent de staatsschuld kan worden verkleind? Denkend aan deelnemingen, wil ik graag weten of de Staat nog een derde belang heeft in DSM. Heeft de Staat nog deelneming in het thans wel renderende Vredestein? Is de bandenbusiness een "core business" voor de Staat? Is het aandelenbezit in het vroegere Rijkscomputercentrum niet eenvoudig te verkopen, als dat al niet is gebeurd? Sprekend over het uitgavenkader, vraag ik mij af of het kabinet toch niet te royaal is geweest met nieuwe uitgaven. Als het conjunctureel straks wel gaat tegenvallen, blijkt immers een royaal gebaar dat nu is gemaakt, straks meer dan tegen te vallen. De minister herinnert zich de benadering van het kabinet-Lubbers III: dat heeft ook nieuwe uitgaven in gang gezet bij de aanvang van het kabinet, maar twee jaar later was de Tussenbalansoperatie nodig. Wij menen dat meer had moeten worden omgebogen teneinde het tekort verder terug te dringen.

Als critici zeggen dat het kabinet meer had moeten doen tijdens deze vette hoogconjunctuurjaren, dan zou de minister met recht kunnen zeggen dat het kabinet heeft gekozen voor een structureel uitgavenkader in navolging van de adviezen van de commissie-Zijlstra. Daarin passen geen conjuncturele argumenten die zijn ontleend aan hoog- of laagconjunctuur. Ik zou het met dat verweer eens kunnen zijn, ware het niet dat politici juist conjuncturele argumenten van stal halen als het slecht gaat met de economie. Keynesianen bepleiten om het tekort flink te laten dalen in een hoogconjunctuur, zodat bij een laagconjunctuur stimulerende maatregelen kunnen worden genomen. Maar politici misbruiken de theorie van Keynes, zo volg ik Buchanan, door te profiteren van de hoogconjunctuur en door bij een tegenvallende conjunctuur te pleiten voor stimulerende maatregelen. In die lijn paste de handelwijze van de vorige minister van Financiën, Kok, die in 1993 besloot om het beleid met betrekking tot de tekortreductie "een tandje lager" te zetten. Ik heb die handelwijze hier eerder gekritiseerd en geef de minister van Financiën de waarschuwing, het steuntje in de rug waar ik eerder op doelde.

Wat doet de minister van Financiën als de conjunctuur volgend jaar verder inzakt en de werkloosheid oploopt? Wat doet hij als de minister-president dan ook weer pleit voor een tandje lager, bijvoorbeeld omdat het tekort dan de waarde heeft bereikt die in het regeerakkoord is vastgelegd?

Ik ga nog even door over hetzelfde punt. Is het niet verwonderlijk dat ondanks de vette jaren de tekortreductie toch zo beperkt is? Wil de minister dat nog eens verklaren? Overigens komt het voor een deel door de lastenverlichtingen. De eerder bedoelde critici geven aan dat het kabinet in de twee vette jaren te weinig heeft gedaan aan de tekortreductie en dat een en ander te veel geconcentreerd is geweest op de lastenverlichting. Keynesiaans is het niet wijs om lastenverlichtingen te geven in de jaren van behoorlijke economische groei. Het ware vanuit die optiek beter geweest om te wachten tot bijvoorbeeld 1997, 1998.

Ik ben niet zo'n sterke leerling van Keynes, eerder van de neo-klassieken, zoals Lucas, die pas de Nobelprijs heeft gewonnen. Het blijkt hoe moeilijk het is om de juiste stimulansen aan de economie te geven. Daarom een andere redenering. Wij hebben ook lang in dit huis gewezen op de noodzaak van lastenverlichting naast tekortreductie, vanwege het belang voor de werkgelegenheid op langere termijn. Zo beschouwd, is het goed om zo snel mogelijk lastenverlichting te geven, zoals het kabinet heeft besloten. Al te lang is de collectieve-lastendruk te hoog geweest. Maar vanwege de prioriteit die wij geven aan de tekortreductie plus schuldquotereductie ware het beter geweest om de lastenverlichting wat later in de rit te geven, of in vier gelijke tranches.

Uiteraard hopen wij op een doorgaande economische groei. Maar de groei zwakt al af en de kans is redelijk groot dat de groei in 1997 lager zal zijn dan de veronderstelde groei van 1,5%. Als het kabinet dan wordt geconfronteerd met de noodzaak van een verhoging van de sociale premies, wat doet het dan? Tekorten accepteren in de sociale fondsen? Dat kan ik me niet voorstellen, dus de premies verhogen. Maar dat is strijdig met de doelstelling van 9,5 mld. netto lastenverlichting. Dan moet het kabinet de belastingtarieven compenserend verlagen, waardoor het tekort weer oploopt en dus de staatsschuld. Deelt de minister deze redenering? Hoe groot is de kans dat dit scenario zal uitkomen?

Sprekend over de belofte van dit kabinet over een netto lastenverlichting van 9 mld., vraag ik mij af hoe hard het kabinet zijn belofte aan de kiezers en aan de werklozen, macro-gezien, wil nakomen. Het kabinet presenteert lastenverlichtingen en terugsluisoperaties, maar netteert de lastenverzwaringen niet altijd met lastenverlichtingen. De maatregelen, gericht op het tegengaan van de BTW-constructies, waar Stevens vorig jaar om heeft gevraagd, en op de overdrachtsbelasting, zijn op microniveau pure lastenverzwaringen, of niet? Waarom worden die dan niet gecompenseerd, conform de belofte aan de kiezers? Hoe staat het overigens met de lastenverzwaringen op lokaal niveau? Worden die wel of niet betrokken in de belofte van 9,5 mld. netto lastenverlichting? Als dat niet het geval is, wat is de belofte van dit kabinet dan waard, als lagere overheden via ander beleid worden gestimuleerd om de lasten te verzwaren?

Minister Zalm is alom geprezen om zijn structurele benadering van de uitgaven, gegeven de andere budgettaire afspraken. Zonder daar op af te dingen, wil ik toch een enkele zwakke stee aanwijzen, enkele scheuren in het pantser. Binnen de ijklijn voor de zorguitgaven is een overschrijding door het kabinet geaccepteerd van 0,5 mld. Het kabinet haalt daar de schouders over op, omdat de uitgaven in de sociale zekerheid onder de ijklijn vallen. In totaal valt het allemaal wel mee, maar waarom heeft de minister dan verschillende ijklijnen en spelregels? De uitgaven in de sociale zekerheid vallen ten dele structureel mee, maar ten dele ook conjunctureel. De conjuncturele compensatie is tijdelijk en mag eigenlijk alleen maar als de overschrijding in de zorgsector ook tijdelijk is. Weet de minister nog wat hij heeft geschreven als directeur van het CPB over de volumegroei in de zorg? Is het uitgangspunt van 1,3% groei niet duidelijk te laag, zoals al blijkt uit de eerste overschrijding van die 0,5 mld.? Ik kom nog terug op de zorgsector.

Een tweede scheur in het pantser is het feit dat de norm geldt voor de netto-uitgaven. Die netto-uitgavennorm wordt dus ondergraven door de zogenaamde belastinguitgaven. Daarop is al de nodige kritiek geleverd. Ik zou graag een overzicht krijgen van de ontwikkeling van deze belastinguitgaven.

Een derde scheur, die buiten minder aandacht heeft getrokken, is dat de netto-uitgaven ook worden verlaagd met de niet-belastingmiddelen. Geldt dit voor alle niet-belastingmiddelen, of alleen voor die met een profijtkarakter? Uiteraard is het goed dat de departementen een prikkel hebben om de tarieven tijdig op te trekken, maar anderzijds kunnen zij de tariefverhogingen als vluchtweg gebruiken, juist binnen de ijklijn voor de uitgaven voor de rijksbegroting in enge zin. Voor de burgers en bedrijven zijn dergelijke tariefverhogingen ook lastenverzwaringen.

Een vierde zwakke stee, in de ramingen en niet zozeer in de systematiek, betreft de verwerking van de ombuigingen. Ook de Raad van State maakte daar een opmerking over. Die betreft de zogenaamde besparingsverliezen op ingeboekte ombuigingsmaatregelen. Wijst de lange praktijk van 20 jaar ombuigingen niet uit dat voorgenomen maatregelen meestal in de tijd tegenvallen, zowel qua omvang als qua timing? Zal er dus geen verdere tegenvaller optreden in die uitgavenbeheersing?

Is de minister, afgezien van de common-areagelden, tevreden over de afspraken over de financiering van de grote projecten? Wil de minister op een rij zetten welke investeringen in welke grote projecten de komende vijf jaar nodig zijn en hoe die worden gefinancierd?

Ik zei zojuist dat ik nog terug zou komen op de zorgsector en de overschrijdingen daarbinnen. Wij komen daarover uitvoeriger te spreken bij de behandeling van de begroting van VWS, maar in het kader van de algemene financiële beschouwingen misstaat een opmerking over een sector, waarin zo'n 50 mld. omgaat, echt niet. Er is een budgettair kader uitgestippeld met daarin een ijklijn voor de zorguitgaven, voor zover zogenaamd collectief gefinancierd; een dubbele "misnomer". Daarbij is uitgegaan van een volumegroei van 1,3%. Maar hoe gaat het kabinet de kostenbeheersing en dus de terugdringing van de volumegroei in de gezondheidszorg van 1,8% naar 1,3% tijdig genoeg realiseren? Welke maatregelen zijn de afgelopen anderhalf jaar genomen om de kostenstijging in de zorgsector te beheersen en terug te dringen? Ik zie tot nu toe eigenlijk alleen maar een ongedaan maken van eerder aangekondigde maatregelen. Daarmee kun je mensen wel bezighouden, maar dat leidt niet tot een reductie van de kostenstijgingen. Daarnaast zie ik hooguit maatregelen voor de toekomst, maar daar ga ik nu niet op in.

Het moet ons ook van het hart dat de extra rijksbijdrage van 2,75 mld. aan de ziekenfondsen ons om meerdere redenen niet zint. Ik kan mij niet voorstellen dat de minister daar wel gelukkig mee is. Wil hij op een rij zetten wat de rijksbijdragen in die sfeer zijn geweest de afgelopen tien jaar? Wij hebben het beleid van het kabinet Lubbers II gesteund, gericht op het terugdringen van de rijksbijdragen om de premies kostendekkend te laten zijn. Een verhoging van de rijksbijdrage wordt veelal later toch weer via een bezuiniging ongedaan gemaakt. Zo houden wij ambtenaren, politici en beheerders van de sociale fondsen bezig. Het toekennen van en het daarna weer bezuinigen op de rijksbijdragen is een jojo-beleid, puur ingegeven door inkomenspolitieke argumenten. Die vinden wij ook belangrijk, maar onzes inziens staan er staan andere wegen open om inkomenspolitieke doelen te bereiken.

Ik wil kort de mening van de minister weten over de adviezen van twee macro-economen. Die gaan lijnrecht in tegen het beleid van het kabinet. Eerst het advies van Kleinknecht. Hij wil dat meer loonverschillen worden toegelaten in het bedrijfsleven, conform eventuele verschillen in produktiviteit in de bedrijfstak. Ik kan mij daar wel wat bij voorstellen, maar Kleinknecht gaat nog verder als hij bepleit om het beleid en de praktijk van inkomensmatiging te beëindigen, omdat die marginale bedrijven in stand houdt en te weinig dynamische prikkels aan het bedrijfsleven verschaft om de produktiviteit te verhogen. Ik kan een aantal argumenten aangeven waarom ik het niet eens ben met Kleinknecht, maar ik ben meer benieuwd naar de mening van de minister op dit punt.

Dan het advies van Van Schaik. Hij analyseert dat de groei van de Nederlandse export, hoewel fraai, toch niet voldoende is geweest, kijkend naar de forse groei van de wereldhandel. Zijn advies is om de band van de gulden met de D-Mark los te laten. Ik heb ook argumenten waarom ik hiertegen ben, maar ook wat dit betreft ben ik meer benieuwd naar de mening van de minister.

In het verlengde van het laatste moet het ons van het hart dat we de Miljoenennota misschien wel wat te optimistisch vonden, zo men wil op sommige punten iets te zelfvoldaan. Inderdaad, verschillende zaken gaan goed en daar zijn wij met het kabinet verheugd over. Maar om eens een punt te noemen: heeft het kabinet opeens de boodschap uit vorige Miljoenennota's vergeten over de globalisering van de economie? We hebben daar vorig jaar ook over gesproken, dus het is voor een deel herhaling. Inderdaad, de globalisering biedt kansen op nieuwe markten voor het Nederlandse bedrijfsleven, welke ook worden benut, zoals in Oost-Europa en het Midden-Oosten.

Maar de globalisering bergt ook het gevaar in zich van een verschuiving van werk naar landen met lage lonen en een goed geschoolde bevolking. Het argument is bekend. Is het niet merkwaardig dat minister Wijers recent nog weer eens zijn bezorgdheid uitsprak over het tekort aan dynamiek in het Nederlandse bedrijfsleven om de kansen van de globalisering te benutten, terwijl de Miljoenennota die onderliggende structurele ontwikkeling niet eens noemt? Wij menen dat de Miljoenennota op dat punt duidelijk te optimistisch is.

Mijnheer de voorzitter! Ik heb enkele minuten geleden gesproken over een aantal scheuren in het pantser van de uitgavendiscipline. Ik zou de minister tot slot willen vragen om mij uitleg te geven over een punt waar ik aarzel. Het betreft de behandeling van de rijksbijdrage van 2,75 mld. aan het ziekenfonds. Hoe is dat verwerkt binnen twee van de drie compartimenten waar een ijklijn voor geldt? Is het wel verwerkt in de ijklijn voor de rijksuitgaven? En zo ja, hoe? En waar kan ik dat precies terugvinden in de Miljoenennota?

Mijnheer de voorzitter! Wij wachten met belangstelling de reactie van de bewindslieden af.

De heer Stevens (CDA):

Voorzitter! Dit is de tweede maal dat wij de bewindslieden mogen begroeten in dit huis bij de behandeling van de financiële beschouwingen en het dekkingsplan. Dat is ons een groot genoegen. Ik zou graag van de gelegenheid gebruik maken om althans te openen met enkele algemene bespiegelingen over de huidige trends, de toekomstige ontwikkelingen van het belastingrecht en de voorstellen die door het kabinet zijn uitgezet.

Als ik begin met de trends die ik meen te mogen bespeuren aan de hand van lezing van de Miljoenennota, dan kan ik constateren dat het kabinet zich zeer duidelijk richt op een vermindering van de administratieve druk en het scheppen van ruimte voor persoonlijk initiatief, de bevordering van het MKB via fiscale faciliteiten, de financiering van starters en doorgroeiers en ten slotte de bevordering van de fiscale infrastructuur voor internationaal opererende bedrijven die concurrerend moet zijn.

De CDA-fractie ondersteunt dit beleid van harte en is met name gelukkig met de voorstellen van het kabinet richting MKB en infrastructuur voor het internationale bedrijfsleven. Dat zijn zeer duidelijke signalen van deze bewindslieden naar het bedrijfsleven – groot en klein. Deze worden ook positief opgevat in de praktijk. Het doet mij ook genoegen dat de ruling-praktijk zeer duidelijk tekenen vertoont dat dit beleid zich heeft vertaald in een vlotte afhandeling van rulings. Ook dat is een onderwerp dat in het verleden nog wel eens reden tot zorg gaf. Het lijkt mij dat die tijd voorbij is.

Als ik nu op korte termijn het belastingplan bekijk, dan zie ik dat er zeer zware en zeer gecompliceerde wetsvoorstellen aan dit huis zijn voorgelegd. De ecotax-discussie is achter de rug, maar we hebben nog een groot aantal wetsvoorstellen voor ons liggen, met name de wijziging van de wet omzetbelasting in verband met bestrijding constructies met betrekking tot onroerende zaken en de wijziging van de wet inkomstenbelasting en vermogensbelasting betreffende belastingheffingen in geval van tijdelijke genotsrechten. Deze wetsvoorstellen zijn alle drie uiterst gecompliceerd en ook bij de andere wetsvoorstellen die zijn voorgelegd, staat de vereenvoudiging onder zware druk. Dit komt mede – dat zal ik als eerste toegeven – door het wel zeer taaie gehalte van de onderwerpen.

Een vraag die ik aan de bewindslieden zou willen stellen, is of deze wetsvoorstellen getoetst zijn op hun dereguleringsgehalte en of zij langs de commissie Toetsing wetgevingsprojecten zijn gegaan. Zo ja, zijn de rapporten daarvan beschikbaar?

Het belastingplan zelf concentreert zich naast de gebruikelijke aanpassingen van tarieven en schijven op de aanpassingen die noodzakelijk zijn voor de tante Agaath-regeling en bevat daarmee naar het oordeel van onze fractie geen controversiële zaken. Nieuw in de aanpak van deze bewindslieden en het kabinet is de terugsluisaanpak, het terugsluizen van de opbrengst van het reparatiewetsvoorstel BTW en bij de ecotax van de opbrengsten van de kleinverbruikersheffing, naar zeer specifieke aanwendingen, zoals ook heel duidelijk in een soort fiscale structuurnota is aangegeven in de Miljoenennota. Zo leidt bijvoorbeeld de opbrengst van het BTW-pakket tot verlaging van de BTW-tarieven op sport, cultuur, kinderopvang, gezinsplanning etcetera, maar ook tot aanwendingen buiten de BTW-sfeer. Onze fractie vraagt zich af of dit een trend is die wenselijk is, of dit een trend is die eenmalig is en of deze trend door dit kabinet wordt omhelsd. Wij zetten daar persoonlijk vraagtekens bij. Het is moeilijk om helemaal in te schatten wat de consequenties zijn. Politiek kan het zeer interessant zijn om de koppeling zo duidelijk te leggen en ook naar de volksvertegenwoordiging toe zo duidelijk aan te geven waar de opbrengsten naar toe gaan. Aan de andere kant vraag ik mij af of zo'n beleid, als dit zich zo voort zou zetten, ook weer niet een heel andere richting uit zou kunnen werken en dan contraproduktief zou zijn richting kabinet, omdat men zich dan iedere keer ook vanuit de volksvertegenwoordiging geconfronteerd ziet met specifieke verzoeken voor aanwending van belastingopbrengsten. Dit is een nieuw fenomeen. Ik ben zeer benieuwd om te horen hoe de bewindslieden op langere termijn hierover denken.

Opvallend is ook de discussie die in de Tweede Kamer al even is aangeroerd over de versmalling van de grondslag die optreedt bij een aantal wetsvoorstellen. Het is een onderwerp dat mij zeer aan het hart gaat, te meer omdat ik van oordeel ben dat vereenvoudiging juist te bereiken is met een verbreding van de grondslag. Ik vraag mij dan ook af of de tijd is aangebroken, hetgeen ook in de Tweede Kamer aan de orde is geweest, om de discussie op te starten waar nu de grenzen zijn van de versmalling van de grondslag en wat de consequenties zijn voor de tarieven, met name het tarief in de eerste schijf dat als een gevolg daarvan zou kunnen worden onderworpen aan verhogingen.

De wetsvoorstellen voor 1996, het komende jaar, bevatten opnieuw een uiterst ambitieus programma. Ik moet zeggen dat ik – en dat geldt voor mijn hele fractie – buitengewoon gelukkig ben met het initiatief van de staatssecretaris om een aantal werkgroepen in te stellen over een aantal zeer prangende onderwerpen die spelen in het belastingrecht en ook in de maatschappij. Ik denk dan met name aan de flexibilisering van de pensioenen, de fiscale infrastructuur en de technische herziening van loonbelasting en inkomstenbelasting, een uiterst belangrijk onderwerp. Ik heb altijd gesteld – en ik stel dat ook in dit huis – dat juist deze aanpak, een low key-aanpak, de gelegenheid geeft om ook de inbreng van de hoogleraren uit Nederland tot hun recht te laten komen, weliswaar achter gesloten deuren. Juist die inbreng geeft de kans om een aantal belangrijke stappen die gezet zouden moeten worden vooraf in de politieke week te leggen. Een aantal werkgroepen heeft gerapporteerd. De uitkomsten zijn bemoedigend. Wij hopen van harte dat zij zich zullen vertalen in wetgeving. Wij zijn met name bijzonder geïnteresseerd in de uitkomsten van de werkgroep-Witteveen over de technische herziening. Zij zijn geagendeerd voor rapportage op 1 april 1996. Dat is laat voor het wetgevend proces, indien het kabinet nog met wetgeving wil komen. Wij vragen ons dus af of het niet aangewezen zou zijn om wellicht de belangrijkste onderwerpen bij wijze van tussenrapportage naar voren te halen, zodat de bewindslieden meer gelegenheid krijgen om eventuele vruchtbare voorstellen van deze commissie in wetgeving om te zetten. Wij zien daar met belangstelling naar uit.

Als ik op lange termijn het beleid bekijk, dan valt het mij op dat de vergroening van het fiscale stelsel ook in 1997 en verder op de agenda staat. Ik heb met grote interesse geluisterd naar de sobere opmerkingen die de staatssecretaris in dit huis heeft geuit over de marges die het belastingrecht kent en ook de marges om een verschuiving te realiseren van directe naar indirecte belastingen, met name in het geval van de ecotax. Ik vond het een indrukwekkend betoog. Ik vraag mij dan ook af wat de visie is van de bewindslieden op langere termijn met betrekking tot de marges om inderdaad tot een "vergroening" van het belastingstelsel te komen. Ik vind het nogal een uitspraak, maar zo staat het in de Miljoenennota.

Ook de EU-raad heeft allerlei richtlijnen in petto. Het zijn een aantal oude richtlijnen die worden opgeschoond of uitgebreid. Ik denk met name aan de moeder-dochterrichtlijn en aan de verliesverrekening. Interessant blijft natuurlijk de discussie over de bronheffing op interest en royalty's. Ik ben zeer benieuwd om van de bewindslieden te horen wat hun visie daarop is. Het is een discussie die we al vaker ook in dit huis hebben gevoerd.

Ten slotte staat ook daar op de agenda de CO2-energieheffing. Opnieuw speelt daar de discussie die ook bij ons in het kader van de ecotax speelt.

Het rapport-Ruding is enigszins in de vergetelheid geraakt. Heeft dat naar het oordeel van de bewindslieden nog onderwerpen die voor ons van belang zijn en die onzerzijds nog worden ingebracht in het overleg dat in de Europese Unie plaatsvindt op fiscaal gebied? Ik denk dan met name aan de Ecofin.

Meer in het algemeen is mijn vraag aan de bewindslieden of zij nu reeds, hoewel het nog maar aan het begin is van dit kabinet, een visie hebben op de vraag waar het met de belastingen naartoe gaat. Gaan wij naar een filosofie van verbreding of versmalling van de grondslag? Gaan wij naar het Deense model wat de heffing betreft, waarbij de computer wordt gebruikt om vooraf alle posten aan te laten melden via de inhouders, zodat er ten departemente al een aangiftebiljet tot stand kan komen? Gaan wij toe naar heffing van de sociale premies door de belastingdienst? Gaan wij toe naar een verschuiving van direct naar indirect of naar een vergroening? Of gaan wij in de richting die prof. Cnossen heeft ontwikkeld, die uiteraard zeer ver gaat? Gaan wij in de richting van een analytisch systeem? Kortom, er staan een aantal zeer grote en zeer belangrijke onderwerpen op de fiscale agenda, waarover de bewindslieden ongetwijfeld hun gedachten hebben ontwikkeld of aan het ontwikkelen zijn.

Een ander onderwerp dat mij ook zeer ter harte gaat, is het effect van fiscale stimuleringsmaatregelen. Dit kabinet heeft daar in een aantal gevallen zeer specifiek voor gekozen. Het heeft de doelgroepen goed geïdentificeerd en spreekt de hoop uit dat deze maatregelen hun effect zullen hebben. Ik deel die hoop met hen. De vraag is echter of dit te meten is. Zijn er in het verleden studies geweest om het effect van fiscale stimuleringsmaatregelen te meten of gaat Financiën zelf studies ondernemen?

De staatssecretaris heeft bij de behandeling van de ecotax heel duidelijk aangegeven dat het enorm belangrijk is om de positie van Nederland ook fiscaal goed in kaart te houden, vanwege de concurrentie die binnen de Europese Unie juist via de fiscale band plaatsvindt, sinds het nog maar in zeer beperkte mate is toegestaan om met subsidies te werken. Onze vraag is of het niet interessant zou zijn om in de toekomst het effect van fiscale stimuleringsmaatregelen te meten. Zo ja, zou men hierover dan met de volksvertegenwoordiging van gedachten willen wisselen? Zijn de bewindslieden bereid om een fiscale effectrapportage voor stimuleringsmaatregelen in overweging te nemen?

Voorzitter: Heijne Makkreel

De heer Stevens (CDA):

Bij de uitvoering van de belastingwetten zou ik een aantal kanttekeningen willen plaatsen. Over het tax ruling regime heb ik al enige lovende opmerkingen gemaakt. Ik was bijzonder verheugd, toen ik uit de pers vernam dat de staatssecretaris een brief had ontvangen van de Europese Commissie dat ons tax ruling regime niet in strijd is met de regels van de Europese Unie. Dat is belangwekkend voor de praktijk en geruststellend voor ons allemaal. Ik vraag de staatssecretaris of hij globaal de contouren kan schetsen van de verklaring die door de Europese Commissie is uitgegeven.

Ik vraag hem ook wat de stand van zaken is bij de belastingregeling voor het Koninkrijk. Wanneer kunnen wij een wetsvoorstel tegemoet zien? Zoals bekend, staat dit geagendeerd in het wetgevend programma. De ingangsdatum is hierbij ook van belang.

Bij wijze van gedachtenstreepje zou ik de positie van artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting aan de orde willen stellen. Artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting houdt geen rekening met buitenlandse onderworpenheid. Destijds is weliswaar de toezegging gedaan om bij dit artikel de hardheidsclausule toe te passen, maar in de praktijk bereiken mij signalen dat dit toch nog altijd een moeizame weg is.

Bij de vennootschapsbelasting zijn wij geconfronteerd met een nieuwe ontwikkeling. Bij artikel 13, lid g, is een opening gemaakt voor de deelnemingsvrijstelling vanwege de Europese Unie. Mijn vraag is of het niet aangebracht zou zijn om deze gedachte naar artikel 29a van de inkomstenbelasting door te trekken, met name wanneer er sprake is van een deelneming in een vennootschap die in een ander land van de Europese Unie is gevestigd, en die aldaar onderworpen is aan belasting tegen de normale tarieven ter plaatse. Men zou bijvoorbeeld kunnen denken aan een Nederlandse ingezetene die een onroerend-goedvennootschap heeft in Duitsland, die aldaar onderworpen is aan vennootschapsbelasting. Wij vernemen graag de opvattingen van de bewindslieden hierover. Nogmaals, de vraag is naar een visie op de lange termijn.

Wij zagen in hoofdstuk IXB dat het eindrapport van de werkgroep over de fiscale infrastructuur is verschenen en met de vaste kamercommissie is besproken. De vraag is of deze melding correct is. Zo ja, is de staatssecretaris bereid dit rapport te bespreken met de vaste kamercommissie van de Eerste Kamer?

Ik heb met grote belangstelling de paragrafen gelezen in de Miljoenennota en in hoofdstuk IXB over het functioneren van de belastingdienst. De strategie van de belastingdienst is daarin helder uiteengezet. Deze strategie spreekt mij zeer aan. De strategische doelstelling om de bereidheid van belastingplichtigen tot compliance centraal te stellen is een zeer juist uitgangspunt.

Bij het beleid voor rechtshandhaving stellen de bewindslieden zeer duidelijk dat zij willen gaan werken in de actualiteit. Dat wordt omschreven als een verschuiving in de afhandeling van dossiers van belastingplichtigen naar de momenten dat de fiscaal relevante gebeurtenissen plaatsvinden. Dat is een intrigerende opmerking. Ik zou graag een nadere toelichting horen op wat hen daarbij voor ogen staat.

Vorig jaar intrigeerde de opmerking over het fiscaal belang en het fiscaal risico mij, en nu nog meer, omdat ik het inmiddels al drie keer ben tegengekomen. Wat is het risicoprofiel van de belastingplichtige? Wanneer word je een fiscaal risico? Dat is voor de belastingplichtige niet onbelangrijk. Mijn vraag is of er inmiddels duidelijk herkenbare richtlijnen zijn opgesteld. Zijn deze toegankelijk voor de belastingplichtige? Zo ja, waar kan hij ze vinden? Hoe kan hij uitvinden of hij inmiddels geen fiscaal risico meer is? Ik denk dat dit van zeer groot belang is voor de rechtszekerheid en voor iedere belastingplichtige.

Ik lees met enige zorg dat de komende jaren 1100 belastingambtenaren van de divisie particulieren worden overgeplaatst naar die voor grote ondernemingen. Wat betekent dit in de praktijk voor de produktkwaliteit bij de afdeling loon- en inkomstenbelasting? Ik heb ook een opmerking gelezen dat er een dividendrenseignering onderweg is in het kader van de fraudebestrijding, en dat er een onderzoek plaatsvindt naar de administratieve lasten van renseignering bij de banken. Hoe reageren de banken op deze verzwaring van de administratieve lasten, die door het kabinet juist zouden worden bestreden?

Dan kom ik op het emancipatiebeleid van het kabinet bij de belastingdienst. Het valt mij op dat er een hoge doelstelling is uitgezet om het emancipatiebeleid op het departement vorm te geven. Het aantal vrouwen heeft zich in 1994 gestabiliseerd op 26%. In de hogere rangen, vanaf schaal 10, zijn vrouwen ondanks een lichte stijging nog sterk ondervertegenwoordigd: 2,2% in 1994. Per 1 januari 1997 moeten deze cijfers omhoog, en aanzienlijk. De methode die daarvoor door de bewindslieden is gekozen, is om zowel bij interne als bij externe vacaturevervulling de voorkeur te geven aan vrouwen, bij gelijke geschiktheid.

Maar dat niet alleen, er wordt ook een mogelijkheid van kinderopvang gerealiseerd. Per 1 januari 1996 worden er minimaal 360 kinderopvangplaatsen gerealiseerd. Ik vraag de bewindslieden hoeveel plaatsen er al zijn voor kinderopvang.

De ambitieuze doelstelling om meer vrouwen aan te trekken bij de belastingdienst wordt door ons onderschreven, daar wil ik geen enkel misverstand over laten bestaan. Maar zij roept bij ons toch de vraag op of positieve discriminatie van toepassing zal zijn op alle rangen. Zo ja, wordt er dan bij gelijke geschiktheid uitgegaan van gelijke kwaliteit? Ik kan mij voorstellen dat twee kandidaten even geschikt zijn, maar dat er een kwalitatief beter is. Kiest men dan voor de vrouw vanwege de achterstelling bij het emancipatiebeleid of gaat men voor kwaliteit? Ik denk dat dit belangrijk is, omdat kwaliteit uiteraard ook hoog in het vaandel staat.

Hoe verdraagt dit beleid zich overigens met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens? Wij hebben een recente uitspraak gehad, waarbij het hoofd van de plantsoenendienst te Bremen zich hierop beriep bij het bestrijden van positieve discriminatie.

Ter afronding kom ik op de drie specifieke wetten, waarvan ik er al twee heb genoemd. De derde is niet onbelangrijk, hoewel zij op het eerste gezicht niet zo belangrijk lijkt. Het betreft de aanpassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 aan de tweede vereenvoudigingsrichtlijn BTW. Via dit wetsvoorstel wordt opnieuw de Wet op de omzetbelasting aangepast, naar aanleiding van de problematiek die is gerezen bij de opheffing van de binnengrenzen van de Europese Unie in 1993.

Indien men door de voor Nederlandse begrippen ingewikkelde en ongebruikelijke teksten van de richtlijnen heenkijkt, komen de oplossingen er in hoofdzaak op neer dat de goederen niet meer fysiek worden gevolgd, maar administratief, via facturen, al dan niet met zogenaamde verleggingen. Wij keren dan terug naar hetgeen waarop een BTW als een algemene verbruiksbelasting in haar eenvoud en principe is gebouwd, namelijk de facturering en de administratie. In die zin mag dan ook van vereenvoudigingsrichtlijnen worden gesproken. Simons acht zo'n terugkeer naar vereenvoudiging "de stille kracht" van het recht. Tot dusverre zijn die vereenvoudigingsmaatregelen echter verwezenlijkt via speciale regels, die uitsluitend betrekking hebben op intracommunautaire transacties en daardoor een eigen, op zichzelf gerichte rechtswereld vormen.

In het huidige wetsvoorstel is evenwel een element betrokken dat een basiselement is in onze binnenlandse BTW. Teneinde de veredelingsproblematiek bij intracommunautaire zaken te regelen, is de oplevering van roerende goederen door degene die de goederen heeft vervaardigd, dat van oudsher als levering is gezien, in een dienst veranderd. Ten aanzien van de grondslag van die heffing is in de memorie van toelichting niets gezegd. Daar zouden naar ons oordeel binnenlandse problemen kunnen gaan ontstaan. De basisgedachte in de Nederlandse verbruiksbelasting is om de begrippen levering en diensten beiden naar maatschappelijke en economische opvattingen te interpreteren en niet alleen naar civielrechtelijke inzichten. Door nu uit de leveringen een wezenlijk onderdeel te wijzigen in een dienst kunnen er wellicht openingen voor ontwijking van belasting en nieuwe BTW-constructies gaan ontstaan. Wij vergelijken in dit verband de problematiek van de grens tussen roerende en onroerende zaken. De verschillen tussen plaats en levering van dienst kunnen worden uitgenut. Ook de herziening van investeringsgoederen van vijf of meer jaar kan worden ontgaan. Ik noem een voorbeeld. Een door een carrosseriebouwer opgeleverde vrachtauto kan bij oplevering aan een gedeeltelijk belaste ondernemer, zoals een gemeente, een bank of verzekeringsmaatschappij, eerst korte tijd worden gebruikt in de belaste afdeling en daarna definitief in de vrijgestelde afdeling, waardoor toch 100% BTW-aftrek mogelijk zou worden. Mijn vraag aan de bewindslieden is of zij in dit soort situaties gevaar zien voor mogelijk misbruik of oneigenlijk gebruik, en zo ja, of zij mogelijkheden zien om dit te voorkomen casu quo bereid zijn om dit aan te pakken.

Het wetsvoorstel over belastingheffing in geval van tijdelijke genotsrechten is het tweede en voorlaatste wetsvoorstel dat ik aan de orde wil stellen. Allereerst wil ik mijn erkentelijkheid uitspreken, mede namens mijn fractie, voor de zeer snelle en ook zeer toegankelijke en leesbare nota naar aanleiding van het verslag. Het was een "last minute"-exercitie en wij hebben het zeer op prijs gesteld dat die nota ons tijdig heeft bereikt, temeer ook daar op een aantal punten een belangrijke verheldering is gebracht. Er is duidelijkheid gebracht in een aantal voorgelegde gevallen in de ouder-kinder-relatie. Wij zijn bijzonder gelukkig met die nadere duidelijkheid. Naar ons oordeel is het eigenlijk nu zo dat er nog slechts één situatie is waarin er een mogelijk verschil zou kunnen ontstaan tussen de oude en de nieuwe situatie.

Ik heb dan het oog op de situatie waarbij gelijktijdig, of zoals het heet, gesplitst, wordt aangekocht. Het gaat dan om het gesplitst aankopen van vruchtgebruik en de blote eigendom van de derde verkoper. Als wij de stukken goed begrijpen, komt het erop neer dat in de toekomst in dit geval de vrijstelling van artikel 25 niet van toepassing is, maar dat in alle andere gevallen, wanneer de ouders eerst het huis hebben gekocht en vervolgens de blote eigendom overdragen, de vrijstelling wel van toepassing is. Dat is de nieuwe wet. Men kan daar verschillend over denken. Wij denken er, ook gezien de tekst van de wet, misschien wel anders over. Ons valt echter op dat als een gevolg van deze nieuwe wetgeving de oude gevallen, waarbij in het kader van de huidige notariële praktijk volstrekt geen onderscheid hoeft te worden gemaakt, gezien de wet en de rechtspraak, nu wel uiteen vallen in gevallen waarin men gelijktijdig de blote eigendom en het vruchtgebruik aankocht en gevallen waarin dat heel kort of langer na elkaar gebeurde. Voor die gevallen wil ik de aandacht vragen. Het lijkt mij billijk tegenover die gevallen om te komen tot een regeling waarin althans aan de oude gevallen, die als zodanig zijn geconstrueerd voordat de nieuwe wet in werking treedt, een eerbiedigende werking wordt toegestaan. Wij praten dan uitsluitend over de situaties waarin het ouderlijk huis een rol speelt en niet over andere situaties. Wij kunnen ons niet voorstellen dat hierbij sprake zou kunnen zijn van oneigenlijk gebruik of van misbruik. Dat was toch een van de motieven op grond waarvan deze wet is aangepast.

Wij hebben bij de nota, technisch gezien, een aantal kanttekeningen te plaatsen. Wij zijn het niet op alle plaatsen eens met de stellingen die worden ingenomen. Ik ga daar op dit moment niet verder op in. Dat is aan de wetenschap om daar verder over te filosoferen. Ik wil afronden met het laatste wetsvoorstel, nummer 24172. Bij dat wetsvoorstel, dat ook een turbulente historie achter de rug heeft, maar dat nu in een enigszins rustig vaarwater terecht is gekomen, zijn een aantal vragen bij ons opgekomen vanuit de praktijk. Ik stel het op prijs de vragen aan de bewindslieden voor te leggen. Ik doe dat uitsluitend omdat ik van oordeel ben dat de praktijk, en wij allen, gediend zijn bij zo veel mogelijk helderheid wanneer het wetgevend proces eenmaal is afgelopen.

De eerste vraag betreft de overgangsregeling voor belaste verhuur. Na aanvaarding van het amendement op stuk nr. 19 is de overgangsregeling voor de optie met belaste huur verlengd van 31 december 1995 tot 1 april 1996. Die regeling is getroffen voor reeds lopende bouwprojecten die nagenoeg, maar nog niet op 1 januari 1996, zijn voltooid. De staatssecretaris heeft aangegeven dat bij de verkoop van een dergelijk pand de overgangsregeling niet van toepassing is, omdat er dan naar zijn mening sprake is van nieuwe verhoudingen waarop de nieuwe regeling onverkort van toepassing is. Het gevolg van dit standpunt is dat de overgangsregeling niet geldt voor panden die na de bouw in verhuurde staat door een projectontwikkelaar aan een belegger worden overgedragen. Begrijpen wij de staatssecretaris goed dat in de situatie dat een projectontwikkelaar een pand heeft gebouwd dat hij vóór 1 januari 1996 in verhuurde staat aan een koper, bijvoorbeeld een belegger, overdraagt, de overgangsregeling voor het door de projectontwikkelaar afgesloten contract ook voor de koper geldt? De datum van 1 januari 1996 loopt echter niet synchroon met de datum van de overgangsregeling, zoals die gewijzigd is na het amendement op stuk nr. 19, te weten 1 april 1996. Hierdoor ontstaat een inconsistentie. Ingebruikneming vóór 1 april 1996 is tijdig. Bij verkoop moet ingebruikneming vóór 31 december 1995 plaatsvinden en komt de overgangsregeling niet volledig tot haar recht. Wij vragen de staatssecretaris of hij bereid is, toe te zeggen dat de overgangsregeling in de hiervoor omschreven situatie ook van toepassing is wanneer het pand door projectontwikkelaars en dergelijk wordt overgedragen vóór 1 april 1996.

Een tweede vraag betreft de fiscale eenheid. In de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer geeft de staatssecretaris de zienswijze weer dat de overgangsregeling voor bestaande verhuurcontracten ook van toepassing dient te zijn op de "artikel 7, lid 2, b"-verhuurder. Die moet worden opgenomen om de fiscale eenheid van zijn huurder in beginsel te kunnen delen. Kan de staatssecretaris aangeven op welke wijze hij de concrete toepassing voor de uitvoeringspraktijk zal uitwerken? Betekent het, bijvoorbeeld, dat in dergelijke situaties de voeging vooralsnog, namelijk tot het eind van de herzieningsperiode, achterwege blijft?

Tot slot de optie voor de belaste levering. In de nota naar aanleiding van het verslag, sub 5, merkt de staatssecretaris op dat hij een voorziening zal treffen die het mogelijk maakt de optie voor belaste levering te hanteren voor een zelfstandig te gebruiken gedeelte van een onroerende zaak. Zulks is al mogelijk bij de optie voor belaste huur. Voor belaste verhuur is immers goedgekeurd dat bij onroerende zaken die in gedeelten worden verhuurd de optie kan worden uitgeoefend per gedeelte dat een zelfstandig onderwerp is van een overeenkomst van huur en verhuur. Is de staatssecretaris bereid, met de te treffen voorziening voor belaste levering aan te sluiten bij de verhuursituatie, zodat voor die gedeelten die belast worden verhuurd ook geopteerd kan worden voor de belaste levering? Met een dergelijke regeling wordt voorkomen dat het pand tegen hoge kosten in appartementsrechten moet worden gespitst.

Naar aanleiding van dit wetsvoorstel maak ik nog een enkele opmerking vanuit de uitvoeringspraktijk. Ik praat in dit verband over de lopende huurcontracten die worden gerespecteerd gedurende het gehele nog resterende gedeelte van de herzieningsperiode van de omzetbelasting. Belastingplichtigen kunnen echter alleen in aanmerking komen voor de toepassing van de overgangsregeling mits aan twee voorwaarden wordt voldaan, te weten a. er moet sprake zijn van een reële huur en b. er moet binnen vier weken na inwerkingtreding van de wet, derhalve vóór 1 februari 1996, aan de fiscus gemeld worden dat een beroep wordt gedaan op de overgangsregeling. Op dit moment is met betrekking tot deze meldingsplicht onduidelijk wie moet melden, enkel de verhuurder of verhuurder samen met de huurder, wat gemeld moet worden en welke vormvoorschriften daarbij in acht moeten worden genomen. Logistiek gezien, is deze periode aan het eind van het jaar voor vele accountantskantoren die hiermee worden belast een moeilijke. De vraag die zich opwerpt, is of de staatssecretaris bereid is, de termijn te verlengen van drie tot maximaal zes maanden. Ik laat dat graag aan de staatssecretaris over. Ik neem daarbij in aanmerking dat de fiscus de meldingen pas zal toetsen bij de laatste aangifte over het jaar 1996. Dat is derhalve eind januari 1997 of eind april 1997.

Wij zijn de staatssecretaris erkentelijk dat hij zo voortvarend de BTW-constructie met betrekking tot onroerend goed heeft aangepakt. Het was immers mede onze fractie die daarop aandrong bij de algemene financiële beschouwingen in het afgelopen jaar. Minder gelukkig is de fractie met de koppeling aan de wijziging van de wet aangaande de belastingen van rechtsverkeer. De bewindslieden zijn, naar wij aannemen, bekend met de motie-Boorsma van deze Kamer, waarin de regering wordt verzocht om bij clustering van fiscale voorstellen in het kader van het belastingplan ervoor te waken dat voorstellen van verschillende aard, belang en/of urgentie niet in één voorstel worden samengevoegd. Ook als die voorstellen beleidsmatig en budgettair een sterke samenhang vertonen, is het naar de mening van mijn fractie niet noodzakelijk hen in een wetsvoorstel aan elkaar te klinken. Om onze constitutionele taak naar behoren te kunnen uitvoeren, hechten wij aan de gedachte die ten grondslag ligt aan de motie-Boorsma. Wij verzoeken de bewindslieden in de toekomst daarmee rekening te houden.

Een tweede element dat een belangrijke rol speelt bij de afweging, is de terugwerkende kracht tot de datum van het persbericht voor de economische eigendomsoverdrachten. Onze fractie erkent en is er verheugd over dat op dit punt ten aanzien van de BTW-constructies de staatssecretaris voldoende is tegemoetgekomen. Ook bij de economische eigendomsoverdrachten is duidelijkheid gebracht over contracten die vóór de datum van het persbericht waren afgesloten.

Het blijft echter een feit dat door deze procedure een nieuw belastbaar feit en een heffing op een nieuwe grondslag zijn gecreëerd met ingang van de datum van het persbericht. Met name bij belastingen die sterk zijn gebaseerd op de vorm van de transactie, zoals de overdrachtsbelasting nu eenmaal is, telt dit voor ons extra zwaar. De staatssecretaris heeft verzoeken onzerzijds om de terugwerkende kracht te elimineren naast zich neergelegd en wij betreuren dat. Ik constateer aan de andere kant dat het gevaar dat de staatssecretaris voor ogen stond in het kader van de aankondiging, en de effecten die daarvan zouden kunnen uitgaan, in feite wel is geweken, omdat iedereen in de praktijk de nieuwe wetsvoorstellen reeds heeft toegepast, althans nagenoeg iedereen, en in ieder geval de notarissen.

Er rijzen nog wel een paar vragen in het kader van de uitvoering. Ik denk met name aan de vraag wat er moet gebeuren met de rente die op depot is gezet door notarissen, hangende de aanvaarding van dit wetsvoorstel. Kan de verplichte melding beschouwd worden als een aangifte en, zo ja, in hoeverre? Of moet er opnieuw aangifte worden gedaan nadat het wetsvoorstel is aangenomen? En wie moet dat dan doen? Als er door de fiscus aanspraak zou worden gemaakt op de rente vanaf de datum vanaf het persbericht, en als die hoger zou zijn dan de rente die bijvoorbeeld de notarissen of partijen hebben kunnen krijgen bij een depot, wie moet dan het verschil bijstorten? Is het wel verstandig om die hoge rente dan te innen?

Dergelijke kwesties bij de uitvoering kan men op een galante manier omzeilen, te meer omdat de aankondigingseffecten geen zorg meer oproepen bij de bewindslieden. Men zou natuurlijk kunnen zeggen: "De wet gaat in op 1 januari van het volgende jaar, althans op de ingangsdatum die in het wetsvoorstel is voorzien, en het verleden laten wij rusten. Wij hoeven niet na te heffen, want wij hoeven op dit moment geen enkele zorg meer te hebben dat er nog misbruik zal worden gemaakt van deze constructie, en dat was immers de reden voor de introductie van dit wetsvoorstel." Ik geef deze gedachtengang gaarne aan de bewindslieden in overweging.

Voorzitter: Tjeenk Willink

De heer Hilarides (VVD):

Mijnheer de voorzitter! Het economische beeld is niet ongunstig. Volgens het Internationale Monetaire Fonds groeit de wereldeconomie dit jaar met 3,7% en in 1996 met 4,1%. Achter deze cijfers gaan echter grote veranderingen schuil. De economie in de ontwikkelingslanden groeit met meer dan 6%, terwijl de economie in de ontwikkelde landen een groei van nog geen 3% behaalt. Dat laatste is overigens al de afgelopen 25 jaar het geval. Als deze trend zich voortzet, zullen de ontwikkelingslanden binnen tien jaar een groter aandeel van de wereldproduktie opeisen dan de geïndustrialiseerde landen, die thans nog goed zijn voor 55%. Dat is het algemene beeld, waartegen wij de Nederlandse prestaties moeten beoordelen.

De Nederlandse economie groeit dit jaar met 2,7% en het volgend jaar met circa 2,5%, althans volgens recente cijfers van de Europese Commissie. In het legioen van geïndustrialiseerde landen vallen wij dus nog niet zo erg uit de toon. Wij zitten zo ongeveer in het midden van het peloton. Als wij vandaag met het kabinet de financiële onderbouwing van het Nederlandse beleid bespreken, dat ervoor moet zorgen dat wij voldoende meekomen in de vaart der volkeren, zien wij dat een aantal zaken goed gaat, maar bekruipen ons toch ook enige zorgen.

De rijksbegroting voor 1996 levert een belangrijke bijdrage op weg naar gezonde overheidsfinanciën. Het kabinet blijft binnen het overeengekomen uitgavenkader. Het financieringstekort blijft onder het plafond dat in het regeerakkoord is afgesproken. Deze begrotingsdiscipline maakt ruimte voor een forse lastenverlichting in het jaar 1996. Een en ander heeft een sterke banengroei tot gevolg. Bovendien neemt het aantal mensen dat afhankelijk is van een uitkering voor het eerst sinds jaren af. Een goede prestatie van het kabinet als geheel en de minister van Financiën in het bijzonder.

Binnen het uitgavenkader heeft het kabinet voor 1996 ruimte gevonden voor een aantal beleidsintensiveringen tot een bedrag van ongeveer 3 mld. Ik wil hier een enkele vraag over stellen. Wat gebeurt er indien de eveneens nog voor deze kabinetsperiode en specifiek voor het jaar 1996 voorgenomen ombuigingen niet of niet tijdig worden gerealiseerd? Te denken valt daarbij aan maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid en bezuinigingen op de arbeidsvoorwaarden bij de overheid. Ziet het kabinet dan af van genoemde uitgaven voor extra beleid?

De laatste tijd bereiken ons berichten over mogelijke overschrijdingen in de zorgsector. Zo is in 1995 voor een bedrag van 500 mln. in deze sector niet gecompenseerd. Ik neem aan dat men hier op deze wijze niet mee door kan gaan. Graag een reactie van de minister inzake mogelijke financiële tegenvallers in de zorgsector en de eventuele gevolgen voor de uitvoering van de rijksbegroting in het komende jaar.

In dit begrotingskader wijs ik ook op de ontwikkeling van de zogenaamde belastinguitgaven. De vorig jaar verschenen Bouwstenennotitie van het ministerie van Financiën geeft een aardig beeld van de gang van zaken rond de belastinguitgaven. In de periode van 1984 tot 1994 zijn de belastinguitgaven met 75% gestegen tegenover een groei van 23% van de relevante rijksuitgaven. Belastinguitgaven kunnen in het huidige begrotingsbeleid een alternatief gaan vormen voor subsidies. Deze fiscale faciliteiten zijn deels onzichtbaar en maken het belastingstelsel gecompliceerd. Maar waar het hier om gaat, is in hoeverre de belastinguitgaven het strakke uitgavenbeleid van het kabinet kunnen aantasten. Graag een reactie van de minister.

Ik kom toe aan een onderwerp dat mijn fractie in het bijzonder ter harte gaat en waarover de nodige zorg bestaat: de omvang van de staatsschuld en de geringe daling van de schuldquote in 1996. Wij steken ons steeds dieper in de schulden. Als quote daalt de totale overheidsschuld minimaal tot 78,4% in 1996, maar dat is geheel te danken aan de lagere schulden van de lagere overheid en de niet stijgende schulden van de sociale fondsen. De staatsschuldquote blijft echter stijgen, en wel van 62,9% tot 63,2% en in absolute bedragen zelfs tot 17 mld. of met ruim 4%. De gevolgen van de staatsschuld drukken zwaar op de rijksbegroting. Een jaarlijkse rentepost van zo'n 30 mld. moet te denken geven. Dit bedrag is niet beschikbaar voor kerntaken van de overheid, zoals noodzakelijke investeringen in infrastructuur en technologie ter versterking van onze internationale concurrentiepositie, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Alleen al op grond van nationaal beleid is het van groot belang dat de staatsschuld vermindert.

Daarbij komt bovendien dat de toetreding tot de derde fase van de EMU voor de deur staat. De criteria om toe te treden zijn duidelijk: een schuldquote van ten hoogste 60% van het BBP of het in bevredigende tempo naderen daarvan. Met een schuldquote van 78,4% in 1996 zijn wij nog ver verwijderd van dit doel. Een vermindering van 0,3% in 1996 kan zeker niet als bevredigend worden aangemerkt. Kan de minister wellicht aangeven hoe hij de EMU-schuldquote althans in de richting van de vereiste 60% denkt te kunnen brengen in de komende jaren? Wat is volgens de minister een voldoende tempo van schuldquotevermindering om in 1999 voor het EMU-examen te kunnen slagen?

Wil Nederland voldoen aan de EMU-spelregels, dan zal volgens de president van De Nederlandsche Bank de EMU-grens van 60% in tien jaar moeten zijn bereikt. Dat betekent dat er gemiddeld ieder jaar 2%-schuldquotereductie zal moeten worden gerealiseerd. Dat lijkt economisch en beleidsmatig een politiek bijna onmogelijke zaak. Maar een ding is duidelijk: de sanering van de Nederlandse overheidsschuld zal voortvarend moeten worden aangepakt.

De laatste tijd wordt binnen Europees verband veel gesproken over de EMU. Er is sprake van enige nervositeit bij een aantal landen en dat valt te betreuren. Een ieder, overheid en bedrijfsleven, is erbij gebaat dat er een duidelijk en consistent beleid wordt gevoerd, zodat men vroegtijdig weet waar men aan toe is. Met name is het voor het bedrijfsleven van belang om de overgang naar één Europese munt soepel te doen verlopen.

Voor het kabinet is het van belang binnen een redelijk tijdsbestek aan te geven op welke wijze voldaan kan worden aan de reeds genoemde criteria. Verlaging van de schuldquote is daarvoor onontbeerlijk. Mijn fractie gaat er van uit, dat met name deze problematiek een belangrijke rol zal spelen bij het opstellen van de rijksbegroting voor het jaar 1997. Kortom, alles moet erop gericht zijn de EMU-schuldquote in voldoende mate te benaderen.

Het lijkt mij niet verstandig in te gaan op de hier en daar naar voren komende geluiden om de criteria te versoepelen of de toetredingsdatum uit te stellen. Voorwaarde nummer één voor ons land moet zijn dat onze harde gulden alleen dan kan worden ingeruild, indien er een even sterke Europese munt voor in de plaats komt. Het gaat daarbij niet alleen om het moment van realisatie van de EMU, maar ook om de waarborg van een sterke Europese munt op termijn. Sancties en/of boeteregelingen, ter handhaving van de zo noodzakelijke begrotingsdiscipline van de deelnemende landen, kunnen daarbij een rol spelen.

Ik ben vrij uitvoerig ingegaan op de EMU, omdat toetreding daartoe wellicht een van de belangrijkste beleidsbeslissingen zal gaan worden tijdens deze kabinetsperiode. Om op voorhand reeds een bijdrage te leveren, geef ik het kabinet in overweging om weinig tijd te besteden aan wat er met de budgettaire meevallers moet gebeuren. Meevallers dienen aangewend te worden voor verkleining van de staatsschuld. De minister van Financiën zit, dacht ik, op dezelfde lijn. Het beleid van dit paarse kabinet mag wat mijn fractie betreft best wat zalmkleuriger worden. Mijn fractie zou het erg op prijs stellen als de minister van Financiën nader ingaat op de gehele gang van zaken met betrekking tot de toetreding van ons land tot de EMU.

Mijnheer de voorzitter! In het kader van de algemene financiële beschouwingen is een beschouwing over de belastingwetgeving zeker op zijn plaats. Door de jaren heen is de fiscus altijd creatief geweest in het vinden van nieuwe belastingbronnen. Recent hebben we daar een voorbeeld van gezien in de vorm van de regulerende energiebelasting voor kleinverbruikers. Met enige bezorgdheid ziet mijn fractie in dit verband uit naar de resultaten van de werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel, die onderzoekt welke andere mogelijkheden het fiscale stelsel biedt om het milieu ten dienste te staan. Mijn fractie maakt zich daarbij grote zorgen over de gevolgen voor het vestigingsklimaat in Nederland, indien een algemene ecologisering van de belasting zou gaan plaatsvinden en Nederland ook hier een gidsfunctie moet gaan vervullen. Deelt de minister deze zorg?

De staatssecretaris is op tal van punten bezig de belastingwetten te herzien en aan te passen aan specifieke beleidsdoelen van dit paarse kabinet. Hij doet dit met grote inzet, kennis van zaken en inventiviteit en hij verdient daarvoor lof. Bovendien is in zijn beleid af en toe wel een liberale vonk te vinden. Anderzijds kan er echter wel enige zorg bestaan voor de lange-termijneffecten van dit beleid. Dreigt niet het gevaar dat de belastingwetgeving, waarvan de moeilijkheidsgraad werkelijk al hoog genoeg is, te versnipperd en te casuïstisch wordt?

De toenemende ingewikkeldheid is bezwaarlijk voor de uitvoerbaarheid en misschien ook voor de rechtsgelijkheid, in die zin dat niet iedereen de mogelijkheden en faciliteiten kan kennen die op hem of haar van toepassing zijn. Dit zou zelfs gevolgen kunnen hebben voor wat in het fiscale jargon de belastingmoraal heet. De burger moet het systeem van heffing redelijk kunnen achten en daarvoor is allereerst nodig dat hij het kan begrijpen. De eenvoud en inzichtelijkheid van de belastingwet is toch op zichzelf ook wel te zien als een beleidsdoel dat prioriteit moet hebben.

De voorstellen tot een herziening van het belastingrecht die thans in diverse commissies worden voorbereid, worden met belangstelling afgewacht. In het algemeen bestaat in mijn fractie de opvatting dat de problemen die voortvloeien uit een fundamentele wijziging, niet moeten worden onderschat. Het is immers een ervaringsfeit dat ook eenvoudige wetsvoorstellen in de loop van de behandeling in het parlement, door de invloed ook van belangengroepen die op zichzelf te respecteren belangen nastreven en daarvoor terecht gehoor vinden, behoorlijk ingewikkeld kunnen worden. Dit is altijd zo geweest. Voorzichtigheid lijkt dus wel geboden, maar op sommige onderdelen van de inkomstenbelasting, zoals dat van de inkomsten uit vermogen, lijkt wetswijziging zeker verdedigbaar.

Belangrijker is het naar de mening van mijn fractie om langere-termijndoelen scherp voor ogen te houden. Een aantal belastingen zullen het komende decennium sterk verlaagd moeten worden, of zelfs geheel moeten worden afgeschaft. Tot de eerste categorie behoort de overdrachtsbelasting en de vermogensbelasting en tot de tweede categorie de kapitaalbelasting. In het kader van de overdrachtsbelasting hebben wij zorgen dat door de terechte verbreding van de heffingsgrondslag via de economische eigendom, geen overeenkomstige verlaging van het tarief plaatsvindt. Wij hechten eraan dat een hogere opbrengst uiteindelijk zal leiden tot een lager tarief.

Daarnaast signaleren wij, door de beschreven uitholling van de heffingsgrondslagen in de loon- en inkomstenbelasting, dat er geen aandacht en ruimte bestaat voor generieke tariefverlaging. Onze tarievenstructuur is in vergelijking met andere Europese landen erg compact. De eerste schijf is al erg duur en je zit snel in de laatste schijf, die noodzakelijkerwijs ook een erg hoog tarief heeft. Als lange-termijndoel is een overall-tariefverlaging met 10% gewenst, met oprekking van de lengte van de eerste en tweede schijf.

Om een en ander te kunnen realiseren dienen we ook in dit verband extra aandacht te geven aan het terugdringen van onze staatsschuld, zoals dat de laatste jaren met succes in Nieuw Zeeland is toegepast. De effecten van deze politiek leiden daar, via een begrotingsoverschot, vervolgens tot vermindering van de belastingdruk, een grotere economische groei en een dalende werkloosheid.

Mijnheer de voorzitter! Van de lange termijn weer even terug naar de korte termijn: het belastingplan 1996, als onderdeel van de rijksbegroting voor het komende jaar. Hierover kan ik kort zijn. De koerswijziging die door dit kabinet vorig jaar is ingezet, wordt onverminderd voortgezet. De richting is goed, maar de mate waarin kan nog altijd beter. Het pakket van maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid, dat resulteert in een verdere lastenverlichting voor burgers en bedrijven, is wederom een stap in de goede richting. De voorgestelde maatregelen, zoals de verhoging van het arbeidskostenforfait, een verhoging van de belastingvrije som, de verlaging van de overhevelingstoeslag en verlenging van de tweede schijf, hebben de instemming van mijn fractie.

Een enkele opmerking wil ik nog maken met betrekking tot de verlenging van de tweede schijf. Hiervoor is in 1996 een bedrag beschikbaar gesteld van 75 mln. Dit is slechts een deel van de 300 mln. die het kabinet voornemens is voor dat doel beschikbaar te stellen. Mijn fractie hecht zeer aan een verdere verlenging van de tweede schijf in de inkomstenbelasting. Dit is van belang voor een evenwichtige inkomensontwikkeling en dient tevens ter compensatie als gevolg van het niet doorgaan van de inflatiecorrectie gedurende een aantal jaren tijdens de vorige kabinetsperiode. Mijn fractie gaat ervan uit, dat in 1997 en 1998 zonder meer de gehele 300 mln. beschikbaar komt. Kan de minister dit bevestigen?

Voorzitter! In het kader van het belastingplan nog een opmerking over de fiscale regeling voor startende ondernemers. Dit is een regeling die vooral ook bedoeld is om jonge ondernemers een kans te geven. Het lijkt mij zinvol deze regeling over enkele jaren te evalueren en te toetsen op effectiviteit en eenvoud van regelgeving.

Over het merendeel van de overige wetsvoorstellen die nu gezamenlijk aan de orde zijn, kan ik kort zijn. Na de uitvoerige behandeling aan de overzijde heeft mijn fractie er geen behoefte aan dat in dit huis nog eens over te doen en kan zij met deze voorstellen instemmen.

Over de wijziging van de omzetbelasting – wetsvoorstel 24172 – en de wijziging van de inkomstenbelasting en vermogensbelasting – wetsvoorstel 23219 – zal mijn collega Rensema het woord voeren.

Mijnheer de voorzitter! Ik wil nog een tweetal specifieke onderwerpen onder de aandacht van de bewindslieden brengen en wel de zogenoemde Europese uitgaven en de mogelijke voorstellen tot beperking van de aftrekbaarheid van consumptieve rente.

De komende jaren zal ons land meer afdragen aan Europa dan er wordt ontvangen. Deze problematiek heeft – terecht – de aandacht van de minister, vooral omdat het om subsidies gaat. Zo'n 80% van alle Europese uitgaven bestaan uit subsidies. Het rondpompen van geld is voor mijn fractie geen favoriete bezigheid. Integendeel, we moeten de Europese subsidiepomp zeer kritisch blijven volgen. In dit verband wil ik wijzen op het onlangs verschenen rapport Beheer en controle EG-geldstromen in Nederland van de Algemene Rekenkamer, met daarin zeer behartigenswaardige constateringen over controle en effectiviteit van de beschikbaar gekomen geldmiddelen. Subsidies en bijdragen behoren niet terecht te komen waar zij eigenlijk niet horen. Welke instantie uiteindelijk ook de controle voor haar rekening neemt, hetzij de Europese Commissie, hetzij de betrokken lidstaat, doet in feite weinig ter zake, als er maar een doelmatige controle is. Graag een reactie van de minister.

Een onderwerp dat ons wellicht gaat bezighouden, is de voorgenomen beperking van de aftrekbaarheid van consumptieve rente. Vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid is een zorgvuldige analyse nodig om tot een dergelijke regeling te komen, aldus de staatssecretaris in antwoord op vragen in de Tweede Kamer. Deze conclusie lijkt mij juist. Het gaat hier om een ingewikkelde materie; fiscale renteaftrek is een geïntegreerd onderdeel van ons fiscale stelsel. De Wet IB 1964 kent slechts het begrip "rente van schulden". Dat is het ten titel van rente betaalde bedrag ter vergoeding voor het ter beschikking stellen van een hoofdsom. Het doet er niet toe of die hoofdsom wordt aangewend ter verwerving van inkomen of ter besteding. "Consumptief krediet" en "hypothecair krediet" zijn als zodanig niet gedefinieerd in de Wet IB en onderscheid tussen beide vormen van rente is niet te maken. Er zullen in de praktijk dan ook allerlei verschuivingen plaatsvinden. Bovendien zijn gedragseffecten van te voren moeilijk te schatten. Een en ander zal ook gevolgen hebben voor de uiteindelijke opbrengst van deze fiscale maatregel. Ik noem slechte enkele aspecten die hier een rol spelen. Aan de staatssecretaris geef ik mee: Weet wel waaraan u begint!

Mijnheer de voorzitter! Het regeerakkoord begint met de volgende woorden: Nederland is een land met toekomst. Onze economie is hoog produktief en de sociale samenhang is nog steeds sterk. Toch is het behoud van nationale verworvenheden in een open-wereldsysteem steeds minder vanzelfsprekend.

Om deze nationale verworvenheden te kunnen handhaven, is het gezond zijn van de overheidsfinanciën een eerste vereiste. Het kabinet heeft gekozen voor een beleid gericht op verlaging van het financieringstekort, een strak uitgavenbeleid en lastenverlichting en is daarmee naar het oordeel van mijn fractie op weg om de overheidsfinanciën gezond te maken. Mijn fractie gaat ervan uit, dat het kabinet onverminderd doorgaat op deze ingeslagen weg.

Met belangstelling wacht ik het antwoord van de minister en de staatssecretaris af.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Rensema, die zijn maiden-speech zal houden.

De heer Rensema (VVD):

Mijnheer de voorzitter! Het doet mij veel genoegen, dat ik vandaag op deze plek namens mijn fractie het woord mag voeren. Dat is vooral het geval, omdat achter de regeringstafel de heer Vermeend zit. Ik ken hem van een kwart eeuw geleden, toen hij studeerde aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Ik heb hem toen wekelijks mogen toespreken en ik had de indruk, dat dat heel vruchtbaar was, al bekroop mij ook wel eens het gevoel, dat hij alles al wist wat hem verteld werd. Het belastingrecht was toen nog wat eenvoudiger dan nu, want het reparatiemonster had nog geen verwoestend spoor getrokken door de logische eenvoud van het belastingrecht. Hij gaf toen altijd meteen de goede en precieze antwoorden. De verhoudingen zijn nu geheel gewijzigd, maar van deze gewoonte van hem stel ik mij ook voor de komende jaren veel voor.

Voorzitter! De vorige spreker, de heer Hilarides, heeft namens mijn fractie enkele vraagtekens geplaatst bij het gebruik van de belastingwetgeving louter als instrument voor het bereiken van op zichzelf nuttige nevendoeleinden. De wetsontwerpen die thans aan de orde zijn, betreffen echter puur fiscale regelgeving, die zijn te kenschetsen als reparatiewetgeving. In beide gevallen gaat het immers om het uitbannen van belastingbesparende constructies. Het woord "constructie" moet met enige voorzichtigheid gehanteerd worden, want een heldere wetenschappelijke definitie lijkt te ontbreken. Anderzijds moet echter gezegd worden dat het woord in arresten van de Hoge Raad wel is gebruikt, zodat er toch een legitimatie is. Constructies zijn er in soorten en maten. In het algemeen zal bij "constructies" worden gedacht aan scherpzinnige manipulaties van feiten en rechtshandelingen gericht op belastingbesparing door het gebruik maken van leemten in de wet. Deze definitie is wat vaag maar hoe dan ook, het verschijnsel bestaat en we kunnen het woord niet missen: Eben wo Begriffe fehlen da stellt ein Wort zur rechten Zeit sich ein.

Het bestrijden van deze constructies heeft onze volledige instemming. Daarvoor geldt natuurlijk een budgettaire reden en het is ook een eis van rechtvaardigheid, dat ieder het zijne bijdraagt tot de algemene middelen. Dit zijn reeds belangrijke redenen, maar er is nog een ander belangrijk motief om door striktere wetgeving de constructies aan te pakken. Deze aanpak verlost ons namelijk ook van een ernstig ethisch probleem. Het probleem van wat wettelijk wel kan maar toch niet mag, is niet goed op te lossen. Er is daarom inderdaad sprake van een dilemma. Enerzijds mag het gehele speelveld volledig worden benut en is er geen andere grens dan de wet, anderzijds gaat het, naar wij allen zullen beseffen, niet aan om de belasting te ontgaan. Nu zou men kunnen zeggen dat de mensen hier volgens hun geweten moeten beslissen. Hier geldt het woord van Goethe: Der Mensch in seinem dunklen Drange ist sich des rechten Weges wohl bewusst.

Zo duidelijk is dat echter niet altijd. Juist omdat de wet ingewikkeld is, zal de burger geneigd zijn om de beslissingen over te laten aan zijn adviseur en die adviseur heeft geen andere referentiekader dan de wet. Hij zal er moeilijk toe komen om tegen de cliënt te zeggen dat het wel kan maar volgens diens geweten niet mag. En ook al zou hij een ethisch voorbehoud formuleren, dan tekent dit het bestaan van het dilemma. Hier komt bij, dat de burger niet weet wat gebruikelijk is. Kleine constructies worden allerwegen gebruikt en aanvaard. Het is dus vooral de maatvoering die een handelwijze tot een bedenkelijke of een onbehoorlijke in ethisch opzicht kan maken. Hierover kan echter heel verschillend worden gedacht.

Het ethische probleem is niet goed oplosbaar en de wetgever behoort dit probleem niet op de schouders van de burgers te laten. Het bestaan van dit dilemma wordt voorbeeldig geïllustreerd door de gang van zaken met de BTW-constructie, die ook wel de stadhuis-constructie wordt genoemd en die hier thans aan de orde is. Het is gebleken dat veel gemeenten en instellingen er gebruik van hebben gemaakt en daardoor besparingen hebben bereikt die per geval tot in de miljoenen guldens konden lopen. Andere gemeenten en instellingen hebben deze voordelen echter op principiële gronden afgewezen, omdat zij zich niet wensten in te laten met wat in feite een belastingconstructie was. Een woord van respect is hier op zijn plaats. Het is heel goed dat aan deze toestand een einde komt, want voor het belastingrecht mag niet de regel gelden dat de brutalen de halve wereld hebben. Het gaat hier ook om de bescherming van de rechtvaardigen.

Iedere keer als reparatiewetgeving nodig is, omdat blijkt dat er een nieuwe constructie wordt toegepast die niet met gewone wetsuitleg is te keren, is het van belang dat de reparatiewet snel tot stand komt. Indien te lang wordt gewacht, zoals mijns inziens met de onderhavige wetsvoorstellen het geval is geweest, ontstaan er patronen die ingeslepen raken. De reparatie stuit dan op heftige weerstand en ook wel op praktische bezwaren. De vele brieven die ons hebben bereikt, spreken voor zichzelf.

Bij de zekerheid van snelle reparatie zal ook de neiging om steeds nieuwe constructies te bedenken en toe te passen, afnemen. Bovendien zou bij snelle reparatie terugwerkende kracht vermeden kunnen worden. Tegen terugwerkende kracht bestaan in mijn fractie ernstige bezwaren. Aangezien dit onderwerp bij de schriftelijke behandeling en in de Tweede Kamer al uitvoerig aan de orde is gekomen, ga ik er slechts kort op in. Het blijkt dat er naast principiële ook praktische bezwaren zijn. Een notaris heeft bijvoorbeeld op grond van het persbericht, nadat dat in de vakliteratuur was verschenen, een advies gegeven aan een cliënt. Dat advies was op dat moment geheel terecht. Maar wat gebeurt er vervolgens in de Tweede Kamer? Daar wordt een versoepeling bereikt. Na enkele maanden realiseert de notaris zich dat hij een verkeerd advies heeft gegeven. Zijn cliënt sprak hem daarop aan.

Het is ook van groot belang dat er wordt gestreefd naar eenvoud. De te veel gehoorde opvatting dat de wet niet eenvoudig kan zijn omdat de maatschappij zo ingewikkeld geworden is, wat daar overigens ook van zij, is een te gemakkelijk excuus. De beslissing over de toepassing en de uitleg van de wet ligt uiteindelijk bij de rechter in belastingzaken. En die rechter heeft soms maar een enkel wetswoord nodig om tot rechtvaardige beslissingen te komen. Als voorbeeld kan worden gewezen op de reparatie van de Successiewet die in een grijs verleden haar beslag heeft gekregen. Door een aantal simpel geformuleerde fictiebepalingen is het karwei geklaard. De onderhavige wetsvoorstellen steken daar wel heel schril bij af.

Dit land is van oudsher in grote mate een land geweest van vrije boeren en burgers. Daarbij past een traditie om zelf de geboden te lezen zonder al te zeer afhankelijk te zijn van de schriftgeleerden. Voor het belastingrecht kan dat helaas niet meer gelden. Het lijkt er thans veel meer op dat zelfs deskundigen de precieze strekking van sommige wetsbepalingen nauwelijks nog kunnen bevatten.

Het wetsontwerp inzake de BTW-constructies heeft onder meer betrekking op de heffing van de omzetbelasting en eventueel ook de overdrachtsbelasting in de bouw- en handelsfase en daarna bij verhuur. Deze regeling is nimmer eenvoudig geweest en dat dreigt er nu niet beter op te worden. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de schade aan de eenvoud hier achteraf bezien toch nogal meevalt, zodat er ook reden is voor een compliment. Het lijkt er inderdaad op dat de praktijk die door de terugwerkende kracht reeds begonnen is, zich met deze regeling goed zal kunnen redden.

Bijzondere aandacht hebben wij bij herhaling gevraagd voor het voorgestelde artikel 12a van de Wet op de omzetbelasting 1968, omdat de tekst voor meer dan één uitleg vatbaar leek. Wij kunnen ons vinden in de uitleg die de staatssecretaris in zijn nadere memorie van antwoord heeft gegeven. Indien bij de verkoop geopteerd is voor belastingheffing en het blijkt dat de koper niet voldoet aan de eis dat hij voor 90% of meer aan die zaak toe te rekenen belaste prestaties zal verrichten, volgt een naheffing bij de koper, hoewel het hier de correctie betreft van de voorbelasting die de verkoper in aftrek heeft gebracht. Het is ingewikkeld, maar zo is het! Het bedrag dat wordt nageheven, is het gedeelte van de in aftrek gebrachte voorbelasting waarvoor de herzieningsperiode nog niet verstreken is. Dit lijkt geheel overeen te komen met de bedoelingen van de indieners van het amendement dat heeft geleid tot dit artikel. Voor de interpretatie van deze wetsbepaling is het wellicht van belang dat deze bedoeling, deze wetsuitleg, hier wordt vastgelegd.

Een geheel andere vraag is of deze regeling nu een verleggingsregeling is. De correctie van de te veel genoten aftrek van voorbelasting wordt nageheven van een ander. Het verbaast mij dat de staatssecretaris zo stellig zegt dat dit geen verlegging inhoudt.

Het wetsontwerp heeft veel beroering gewekt, want het gaat hier om praktijken die sinds korte of lange tijd als vaste patronen zijn ingeslepen en waarmee grote bedragen zijn gemoeid. De VVD-fractie in de Tweede Kamer heeft zich bij monde van de heer Van Rey bijzonder ingespannen om tal van knelpunten, overgangsproblemen en andere ernstige bezwaren van de vele briefschrijvers, waaronder diverse organisaties, te ondervangen. Het oorspronkelijke wetsvoorstel is door dit optreden en met medewerking van de staatssecretaris en de coalitiegenoten op veel manieren gewijzigd en versoepeld. Daarover kan tevredenheid bestaan.

Over de heffing van de overdrachtsbelasting op economisch eigendom kan verschillend worden gedacht, maar belastingheffing lijkt aanvaardbaar. Een nevenargument zou nog kunnen zijn dat de vloed aan leveringen van economische eigendom, waarbij dus wel het risico en het belang worden verlegd maar niet de eigendom in juridische zin, onduidelijkheid schept die ook kan dienen tot het witwassen van criminele gelden.

De economische eigendom is al een oud fenomeen. Reeds 25 jaar geleden leerde wijlen prof. H. Broekema aan de Rijksuniversiteit in Groningen dat een notaris er geen enkel probleem mee had om in een notariële akte neer te leggen dat geleverd werd de economische eigendom van een onroerende zaak. Toch keek menigeen daar even van op, omdat een echte civilist toch zou denken dat er in zo'n geval juist niet geleverd wordt.

In mijn fractie is nog de vraag gesteld of de levering van de economische eigendom van onroerende zaken ook langs civielrechtelijke weg bestreden zou kunnen worden. Dat is een interessante gedachte. De praktijk leert dat bepaalde civielrechtelijke figuren, waaronder ook het vruchtgebruik, fiscaal worden uitgemolken. Prof. dr. J.E.A.M. van Dijck te Tilburg en anderen hebben daar herhaaldelijk en indringend over geschreven. Zou het dan niet mogelijk zijn om daar langs civielrechtelijke weg wat aan te doen? In beginsel zou dat zeker mogelijk moeten zijn. Er moet immers gesproken worden van één rechtsorde, waarvan ook het belastingrecht deel uitmaakt. Indien civielrechtelijke figuren worden misbruikt voor het behalen van onrechtvaardige belastingvoordelen, zou ook de civielrechtelijke wetgever zich dit kunnen aantrekken. De indruk bestaat dat daarvoor echter weinig belangstelling is. In het nieuwe BW ben ik de woorden "belastingen" en "belastingrecht" niet of nauwelijks tegengekomen. Ik ben ze niet tegengekomen. Ik zeg "nauwelijks" voor het geval ik toch iets over het hoofd heb gezien. Dat is toch wel wat merkwaardig, want wij weten allen dat de belastingheffing diep ingrijpt in het maatschappelijk leven.

Hoewel de civielrechtelijke weg dus in beginsel zeker niet moet worden afgewezen, zou hij mijns inziens geen oplossing kunnen bieden voor de economische eigendom. Men zou kunnen denken aan een bepaling dat de levering van economische eigendom geen enkel rechtsgevolg heeft. Dat is echter niet goed denkbaar, omdat er natuurlijk wel een obligatoire overeenkomst is en vervolgens veelal ook een betaling. Met deze rechtshandelingen is op zichzelf genomen niets mis en men kan de contractspartijen moeilijk verbieden om met de gevolgen van deze rechtshandelingen rekening te houden. Er is ook nog contractsvrijheid. Het is hier niet de plaats voor een diepgaand onderzoek, zodat ik meen met deze wat oppervlakkige opmerkingen te moeten volstaan.

Ik kom nog even op een punt betreffende de overdrachtsbelasting. De staatssecretaris heeft aan een zekere koppelverkoop gedaan. Hij heeft een constructie gerepareerd en dat is heel goed, maar hij heeft ook enkele andere bepalingen aangescherpt. De noodzaak daarvan is ons eigenlijk minder duidelijk. In dit verband wil ik nog noemen de vrijstelling in artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet op de belasting van rechtsverkeer. Het gaat hier bijvoorbeeld toch ook om de bedrijfsopvolging in de landbouw. Dat punt is mij altijd zeer ter harte gegaan. Twee broers hebben samen een boerderij. De ene houdt ermee op en draagt de zaak over aan de ander; dat kan toch gebeuren. In het verleden was de zaak vrijgesteld van overdrachtsbelasting, maar nu moet er overdrachtsbelasting worden geheven. De vraag is of daar in het kader van een bedrijfsopvolging die echt geboden is niet iets aan gedaan zou kunnen worden. Ik leg het maar neer en wacht het antwoord van de staatssecretaris af.

Mijnheer de voorzitter! Ik kom bij de behandeling van het wetsontwerp op stuk nr. 23219 betreffende bloot eigendom. Uit de Handelingen blijkt dat de jonge mensen aan de overzijde zich hier en daar nogal vrolijk gemaakt hebben over de combinatie van genotsrechten en blote eigendommen. Wij weten echter dat het hier om zeer serieus te nemen zaken gaat, namelijk om aftrekposten, geforceerde aftrekposten. Het wetsontwerp betreffende de blote eigendom van onroerende zaken heeft rechtstreeks te maken met de kern van het fiscale inkomensbegrip. De oorspronkelijke conceptie van het inkomensbegrip is ontwikkeld op basis van simpele wetteksten in de jurisprudentie, vooral die van de Hoge Raad. In het algemeen heeft dit geleid tot een aanvaardbaar en sluitend systeem, maar er is een grote uitzondering en die staat bekend als het probleem van de sfeerovergang. Door de objectivering en het kasstelsel wijkt het fiscale regime voor inkomsten uit vermogen af van het winstbegrip. Door vermogensbestanddelen over te hevelen naar een ondernemingsvermogen of omgekeerd kunnen in de sfeerovergang grote voordelen worden behaald. Deze sfeerovergang is te zien als een weeffout in het inkomensbegrip, waarvoor de Hoge Raad geen oplossing heeft weten te bedenken.

Ook het misbruik of het oneigenlijk gebruik van genotsrechten heeft voornamelijk te maken met deze sfeerovergang. Het had daarom wel voor de hand gelegen, als er was gezocht naar een oplossing door middel van een aanpak van de sfeerovergang. Dat is ook geadviseerd door de Raad van State. Het lijkt toch wel zeker dat langs die weg een resultaat had kunnen worden bereikt dat niet alleen dogmatisch veel fraaier had geoogd, maar dat ook veel eenvoudiger zou zijn geweest. Volstaan had kunnen worden met het belasten van een genotsrecht op het moment dat het aan een onderneming wordt verkocht of langs andere weg in een onderneming wordt gebracht. Het genotsrecht gaat dan als inkomensbron teniet, al is theoretisch de achterliggende zaak de bron van inkomen.

Als deze heffing te rigoureus geacht wordt, valt te denken aan een regeling waarbij het voordeel over tien jaren kan worden gespreid. Deze oplossing, die hier slechts in grote lijnen is aangegeven, had evenwel het nadeel dat de vele constructies die reeds hun beslag hebben gekregen ongemoeid zouden zijn gebleven, terwijl de staatssecretaris thans door de gevolgen van de constructies aan te pakken ook de oude gevallen min of meer meeneemt. Zo gezien is dit alles toch ook een argument voor de stelling dat eenvoud bij de reparatiewetgeving wel kan, mits er zeer snel ingegrepen wordt.

Ik heb niet de indruk dat de maatschappelijke behoefte aan vruchtgebruiken en andere genotsrechten buiten de sfeer van gezin en erfrecht erg groot is. Het is daarom wel merkwaardig dat er thans met betrekking tot deze materie twee geheel verschillende systemen in de wet worden neergelegd. Er was namelijk al een systeem voor de rechten die niet op zaken zijn gevestigd; dat zijn dus de vorderingen en effecten, waarbij de belasting wordt geheven op grond van een forfaitair rendement. Het had voor de hand gelegen, als het dan al zo was dat een regeling via de sfeerovergang niet in aanmerking kwam, om aan te sluiten bij dit forfaitaire rendement. Tegengeworpen zou kunnen worden dat de gecompliceerdheid niet zo erg zal storen, omdat de regeling door haar afschrikwekkende werking wellicht weinig zal behoeven te worden toegepast. Hier rijst zelfs het perspectief van een nieuw fenomeen, namelijk dat van de prohibitieve ingewikkeldheid.

In het voorgaande heb ik enige kritiek geuit, maar er is ook reden voor nuancering daarvan. In de voorliggende wetsontwerpen worden zeer belangrijke problemen geregeld. In beide gevallen raken deze ontwerpen aan de fundamenten van onze belangrijkste belastingen: de omzetbelasting en de inkomstenbelasting. De regelingen zijn gecompliceerd en gedetailleerd en zullen niet iedereen tot tevredenheid stemmen. Hier geldt echter het woord van de Engelsen: "It is no more possible to tax and to please than to fall in love and be wise." Voorop moet staan dat zeer belangrijke mogelijkheden om de belastingheffing te ontgaan, om onrechtvaardige belastingvoordelen te behalen ten koste van de andere burgers, met deze wetsontwerpen worden uitgeschakeld. Deze bijdrage aan de rechtvaardigheid van de belastingheffing verdient onze lof.

Zoals al opgemerkt, zijn vele knelpunten tijdens de behandeling in de Tweede kamer opgeruimd of versoepeld. Dat behoeft niet te betekenen dat alle onbillijkheden definitief zijn verdwenen. De praktijk is altijd weerbarstiger dan zich achter de studeertafel laat voorstellen. Ik vertrouw erop dat de staatssecretaris, die zich ook in deze zin heeft uitgelaten, voor bonafide gevallen een passende oplossing zal bevorderen. Dit geldt vooral voor onvoorziene knelpunten in de overgangsperiode.

Mijnheer de voorzitter! Aan het slot van mijn toespraak wil ik nog even terugkomen op mijn pleidooi voor de logische eenvoud in het belastingrecht, omdat het belastingrecht juist bij uitstek het recht is waar alle burgers mee te maken hebben. Enkele tientallen jaren geleden schreef Max Dendermonde zijn boek "De wereld gaat aan vlijt ten onder". Nu denk ik dat het met die wereld op dit punt wel zal meevallen, maar voor het belastingrecht kan men daar iets minder zeker van zijn. De indruk kan bestaan dat de ambtenaren die de staatssecretaris adviseren buitengewoon bekwaam en bovendien zeer ijverig zijn. Zij schrijven achter elkaar lange volzinnen, waarvan je na tien keer lezen moet bekennen dat ze nog kloppen ook. Wie meent dat ik hier schromelijk overdrijf, wordt vriendelijk verzocht om nog eens de 17 leden van artikel 25 van de Wet op de inkomstenbelasting te lezen en daarna zijn oog te laten vallen op artikel 25b. Deze ijver is heel mooi, maar zij kan leiden tot enige ingewikkeldheid. Het zou daarom aanbeveling kunnen verdienen om eens te zoeken naar een begaafde luiaard, want die heeft wellicht een aangeboren instinct voor eenvoud.

De voorzitter:

U versterkt in de Kamer de fiscale deskundigheid. Als iets uit deze maiden-speech blijkt, is het dat. U kent dat terrein zowel vanuit uw universitaire werk – u refereerde er zelf aan ten opzichte van staatssecretaris Vermeend – als vanuit de rechtspraktijk als vice-president van het hof te Amsterdam. Die kennis en ervaring kunnen wij in de Kamer goed gebruiken, zeker in december. Uit de antwoorden van de minister en de staatssecretaris zal overigens blijken hoe effectief uw vroegere werk en uw huidige inbreng zijn. Maar u heeft ook andere belangstellingen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de citaten in uw maiden-speech en uit het lidmaatschap van de stichting Beeldende kunst in West-Friesland. Ik wens u van harte geluk met deze maiden-speech.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer De Boer (GroenLinks):

Voorzitter! De grenzen van wat deze amateurpoliticus naast een pittige baan en zonder medewerkers of hulpgrage studenten aan leeswerk en te produceren bijdragen redelijkerwijs kan verstouwen, worden de laatste weken ruimschoots overschreden. Dat is niet goed voor mijn nachtrust, het bedreigt mijn arbeidssatisfactie, het leidt, aangenomen dat anderen er ook last van hebben, tot kwaliteitsverlies in bijdragen en discussies en het is zeker niet bevorderlijk voor een kritisch toetsen van het financieel beleid en ingrijpende wetten die in een tamelijk adembenemend tempo door het parlement gesleurd worden. Deze weken zaaien wij de kiemen van de noodzakelijke reparatiewetgeving van morgen. Ik ben daar niet zo blij mee. Dit is tegelijk een antwoord op collega Boorsma, die daarover in eerste termijn een vraag stelde. Hij heeft gelijk. Ik, als onderdeel van een kleine fractie, slof het op dit moment absoluut niet meer bij. Dat betekent dus dat je selectief bent in de wetgeving waar je nog aan deelneemt en veel laat lopen in de hoop dat grotere fracties wel de ruimte hebben om daar nauwkeurig naar te kijken. Maar goed is het niet. Het voordeel is wel dat ik de heren achter de tafel dit jaar niet al te lang van het regeren af zal houden, want mijn bijdrage zal kort zijn. Ik heb ondertussen echter wel doorgeschreven, dus zij dijt wel weer uit.

Naast fysiek onthand, voel ik mij tegenover deze bewindslieden ook inhoudelijk en daarmee psychisch wat in het nadeel. Het kost mij geen moeite om vast te stellen dat er op Financiën een sterk en deskundig koppel zit. Voor een generalist als ik valt het dan niet mee om enkele thema's te vinden waarmee je tegenover zoveel overgewicht achter de tafel – dit keer niet zoveel op de ambtenarentribune; zij kunnen het kennelijk alleen – toch een punt of althans een behoorlijke discussie kunt neerzetten. Maar wie niet denkt te kunnen, realiseert niks.

Wat mij bij de huidige financiële neringdoenden bevalt, zijn: de tamelijk ontspannen ogende werkwijze, een financieel beleid dat zich ook richt op de wat langere termijn, een wat minder zich verliezen in wat ik maar verkrampt fetisjisme van cijfertjes achter de komma noem, een zich doorzettende begrotingsdiscipline en het behoudend ramen van de economische groei. Dat is allemaal prachtig. Maar als de heren hun klassieken hebben bijgehouden of met goed gevolg een cursus onderhandelen hebben doorlopen, weten zij dat het vriendelijk aanbieden van de spiegels en de kraaltjes wel werkt om "on speaking terms" te komen, maar nog geen garantie biedt tegen de koude douche die je daarna over je heen krijgt.

Laat ik maar eens met wat opwekkends beginnen: de EMU-norm en de munt die "Euro" moet gaan heten. Is dat laatste wel heel fantasieloze idee overigens door de Nederlandse regering omarmd? Persoonlijk zou ik "florijn" veel aardiger vinden. Dat in de 13de eeuw in Florence geslagen geldstuk was toen toch ook al een Europese munt. Waarom houden wij dat gewoon niet zo?

De EMU-norm. Naarmate de discussies over deze budgettaire "foudre" uit Maastricht niet opschieten, bekruipt mij steeds meer het gevoel dat die hele EMU-norm eigenlijk een volledig uit de lucht gegrepen getal is. Is er wel iemand die een objectief onderbouwd cijfer kan noemen waarmee de financiële gezondheid van een land gemeten kan worden? Hangt dat gezond zijn niet ook af van andere factoren, bijvoorbeeld de financiering van de overheidspensioenen via omslag of via fondsvorming, bijvoorbeeld het kwaliteitsniveau van het industrieel en dienstverlenend potentieel, bijvoorbeeld het niveau van arbeidsproduktiviteit, arbeidsparticipatie en toekomstgericht onderwijs? Als Ierland er bijvoorbeeld in slaagt het huidige tempo van saneren richting EMU-norm tot een goed einde te brengen, is het daarmee dan met stip het best gekwalificeerde land om toe te treden? Kortom, hoe valide is eigenlijk die EMU-norm?

Die vraag wordt klemmender naarmate de diverse regeringen zenuwachtiger gaan opereren. Het laatste weinig geruststellende voorbeeld is Frankrijk. Daar valt nu te zien hoe samenlevingsontwrichtend een rigide op een theoretische norm gerichte bezuinigingspolitiek uitwerkt. Ook in Nederland ligt het halen van de EMU-norm als een zweep over het regeringsbeleid en holt nagenoeg het hele economische en politieke wereldje blindelings achter dit zelf verzonnen fantoom aan. Maar wat is er nu zo helder aan die norm? Waarom 3% financieringstekort en niet 2 of 4%? Wat zijn nu de concrete voordelen? Is Engeland met zijn speciale positie in het nadeel bij de andere wel krampachtig de criteria najagende gelovigen? En wanneer beginnen wij, naast het EMU-gedoe, eindelijk eens de discussie over het sociale gehalte dat er nog zal zijn in dat Europa met die ene munt? Heeft secretaris-generaal Geelhoed gelijk, dat straks door het ontbreken van de correctiefactor wisselkoers de werknemers nog mobieler moeten worden en de lonen en prijzen sterker moeten fluctueren? Met andere woorden: meedoen aan de munt betekent voor Nederland het opgeven van veel wat na 1950 als verzorgingsstaat is opgebouwd. Of is dat niet waar? Betekent de EMU op termijn in feite niet dat de nauwelijks democratische uniemachthebbers straks de beslissingen nemen over het sociaal-economische beleid in dit land en, nog een stap verder, over de begroting waar wij het nu over hebben en morgen over besluiten? Ik wil de minister graag uitnodigen aan dit onderwerp vanavond een belangwekkende beschouwing te wijden. Op grond van welke argumenten is de norm gekozen zoals hij er ligt? Hoe wil de Nederlandse regering die norm gehanteerd zien als een groot aantal landen in het beoogde jaar niet op de afgesproken manier aan de norm zal voldoen? Hoe gaat Nederland om met de krakende discussie die nu op gang komt? Wordt het "samen uit, samen niet thuis"? Gaan de belangrijkste landen verder, ook als niet iedereen het haalt? Kortom, genoeg vragen. Ik wacht op het antwoord.

Ik sla dit jaar de thema's "financieringstekort" en "collectieve-lastendruk" verder over. Hoewel: wat mij niet bevalt, is dat in het paarse levensgevoel ook het denken over deze twee fenomenen een hoog sjabloongehalte heeft gekregen: ze moeten omlaag, want dat is goed. Feitelijk is dat natuurlijk niet altijd waar. Iedere ondernemer weet toch dat investeren in de toekomst en daarvoor geld lenen afhankelijk zijn van het rendement op de investering, van de vraag of je de rente kunt betalen en van de invloed die dit heeft op je vermogenspositie. De antwoorden daarop zijn niet altijd makkelijk, maar "minder is altijd beter" is op dit vlak wat al te simpel. Investeren in onderwijs, technologie, milieu en een sociale-zekerheidsstelsel dat een werkelijk sociaal niveau en een daarmee gepaard gaand verhoudingsgewijs hoog niveau aan binnenlandse bestedingen waarborgt, is belangrijker dan het laatste halve punt in het CLD-cijfer of het financieringstekort.

Ik wil hiermee een signaal laten horen tegenover de al te rigide opstelling die onder de fictieve druk van de EMU opgeld doet, zonder daarmee het belang van de richting te ontkennen. Een losse vraag: heeft de minister, gezien de lage rentestand, een operatie in gedachten van ombouw van hoogrentende leningen naar leningen tegen het huidige wel zeer lage rentepercentage? Dit om even wakker te worden.

Bedenkelijk is wel de negatieve staatsbalans. Nog bedenkelijker is dat deze balans het laatste jaar met, geloof ik, zo'n 20 mld. is verslechterd. Het precieze getal ken ik niet. En dat gebeurde dan ondanks alle privatiseringen en zogenaamde winstgevende uitverkopen van bijvoorbeeld KPN. In 1981 was het saldo nog 90 mln. positief. Daarna ging het bergafwaarts, sinds 1989, toen de PvdA weer een beetje ging meedoen, zelfs in een versneld tempo. Begin 1992 waren wij al beland op een negatief saldo van 60 mld., eind 1992 70 mld. Eind 1994 viel het voorlopige record van 92 mld. negatief te noteren. Als je in dit land om je heen kijkt, geloof je het niet, maar Nederland is eigenlijk failliet. De minister heeft ook op dit punt behoorlijk wat uit te leggen.

Ook over de privatisering op zich wil ik graag wat meer horen. De Algemene Rekenkamer heeft daarvan een niet opwekkend tafereel laten zien, waarna de argeloze burger zich afvraagt: (a) waarom gebeurt dat eigenlijk, (b) wie vraagt erom, (c) wat is nu precies het rendement van die privatiseringsmode en (d) wie wordt er, behalve het beursmilieu, feitelijk beter van?

Ik zou het op prijs stellen als de minister van Financiën vanavond vanuit zijn optiek een beschouwing wil houden over het nut en het risico van privatiseren en aan welke concrete criteria je een privatiseringsoperatie moet toetsen, voor je die echt opzet.

Ondanks veel mooie woorden in de Miljoenennota wordt naar mijn smaak nog te weinig gekeken naar wat er met het geld gebeurt; de effectiviteit dus. Zouden wij de Algemene Rekenkamer niet meer moeten gebruiken om met name de effectiviteit van het overheidsbeleid grondiger te toetsen en daarover meer te rapporteren? Ik heb het dan over het kwalitatief functioneren van de rijksdienst, het open informatie geven over het eigen functioneren, vooral over de eigen miskleunen en wat daaraan wordt gedaan en ook de effectmeting van de reorganisatie. Een glanzend voorbeeld daarvan is de reorganisatie aan de universiteiten. Als je je oor daar te luisteren legt, dan valt er heel wat op te snuiven over wat men daar intern vindt over het positieve resultaat van al dat reorganisatiegedoe van de laatste vijf jaar. Ik neem aan dat op diverse ministeries en gemeenten soortgelijke verhalen op te sporen zijn. Het gaat mij niet om die verhalen en om een hoop sensatie daarover, maar wel over wat wij daarvan kunnen leren voor de toekomst. Ik heb dat ook al gezegd in mijn algemene beschouwingen. Ik zou graag willen dat ook de overheid een meer lerende organisatie wordt. Daar zijn wij nog een heel eind van verwijderd. Het ministerie van Financiën zou daar een belangrijke rol in kunnen spelen, want zo langzamerhand zouden wij wat meer moeten worden ontwikkeld op de effectmeting bij de overheid en vooral op wat je daarvan leert en hoe je dat omzet in een beter beleid voor de toekomst. Ook daar wil ik wat over horen.

Het tweede losse onderwerp is het flitskapitaal. Door de heer Mitterrand en ook door een commissie die de VN aan andere inkomsten wil helpen, is het idee geopperd om wereldwijd, door de VN, door de Wereldbank, of door een andere club, actie te ondernemen tegen de oncontroleerbare grote geldstromen die elektronisch over de wereldbol heen en weer schieten, het zogenaamde flitskapitaal. Is de minister het met mij eens dat dit flitskapitaal, dat in handen is van een kleine groep steenrijke valuta- en beursspeculanten, nu de belangrijkste verstoorder is van de internationale stabiliteit? Er zijn schrijnende voorbeelden van een door een land jarenlang gevoerd sociaal-economisch beleid, dat in een paar dagen om zeep wordt geholpen door een gecoördineerde inzet van dit flitskapitaal. De al steenrijken houden aan die acties vele miljoenen over. Het land in kwestie blijft na de actie min of meer ontredderd achter en kan voor een deel opnieuw beginnen. Het sociale klimaat en de armen zijn zoals gewoonlijk de dupe.

Dit vrije kapitaalverkeer is een betrekkelijk nieuw verschijnsel. Tot voor kort waren de overheden en de centrale banken de stuurders van de internationale geldstromen. Dat is voorbij. Vindt de minister het geen tijd worden voor maatregelen? Is hij met anderen van mening dat het op zichzelf niet moeilijk is om dit flitskapitaal langzaam maar zeker onder controle te brengen als je dat wilt? De elektronica legt al die geldstromen tamelijk bloot. Er liggen nu ideeën om dit flitskapitaal te gaan belasten, bijvoorbeeld met als controleur de World Trade Organisation, en de inkomsten te gebruiken om de VN te financieren. Heeft Nederland een positie in die discussie? Als die er is, hoe wordt die gebruikt? Als die er nog niet is, nemen wij die dan in?

Ik kom langzaam maar zeker op het werkterrein van de staatssecretaris. Vorig jaar hebben wij bij de begrotingsbehandeling Financiën een boeiende discussie met de staatssecretaris gehad over de BTW-constructies op onroerende zaken. Staande de vergadering ging er nog een brief uit naar de inspecties. Naar ik aanneem, was dat niet dankzij de indrukwekkende bijdragen in deze zaal, maar het was toch een opmerkelijk detail. Nu ligt er het wetsvoorstel 24172. Mijn fractie steunt dit voorstel, dat het oneigenlijk opteren voor belaste huur aan banden legt. Aan de overzijde zijn de merkwaardige BTW-capriolen rond de Melkert-banen al even aan de orde geweest. Als ik het goed heb begrepen, dan moet de uitlenende instantie bij een Melkert-detachering een rekening sturen, inclusief de BTW over de kostprijs, na eerst het subsidiebedrag daarvan te hebben afgetrokken. Als de uitlenende instantie het arbeidsbureau of Bureau Start is, dan ligt het nog weer anders. Vindt de staatssecretaris het niet onlogisch dat de banenpool, de JWG, de ITB en de kinderopvang voor de BTW zijn vrijgesteld, terwijl over een Melkert-baan in bijvoorbeeld de zorgsector wel BTW moet worden berekend? Kan daarom rond de op stapel staande WIW nog enige op consistentie gerichte creativiteit worden ontwikkeld?

Ik wil deze discussie nog wat verbreden. Op veel plekken in het onderwijs en in gemeentelijke diensten is de mobiliteit veel te laag. Ik weet niet hoe het bij de ministeries zit, maar het geldt wel voor het veld dat ik kan overzien. Mensen blijven veel te lang hangen op hun werkplek. Dat is slecht voor die mensen, maar het is nog slechter voor de organisatie. In diverse regio's worden daarom intergemeentelijke mobiliteitsscenario's ontwikkeld. Doel: door uitruil van en detachering van medewerkers bij andere gemeenten het bevorderen van de motivatie en de mobiliteit.

Tot mijn stomme verbazing blijkt er op dit punt een warrige discussie te ontstaan over de vraag of voor deze detacheringen BTW in rekening moet worden gebracht. De deskundigen van de VNG en het ministerie spreken elkaar op dit punt tegen. Het lijkt mij dus op zijn plaats om rechtstreeks informatie te vragen bij de hoogste baas op dit terrein. Dat kan vandaag. Om het leuk en concreet te houden, heb ik een paar voorbeelden. Een gemeente detacheert het hoofd van één van haar openbare basisscholen voor twee jaar naar de gemeentelijke onderwijsafdeling. Moet daarover BTW in rekening worden gebracht en door wie? Een gemeente leent op detacheringsbasis voor twee jaar een hoofd basisschool uit aan een naburige gemeente om daar een probleem op te lossen. Moet de uitlenende gemeente daarover BTW in rekening brengen? In het kader van het mobiliteitsplan detacheert de gemeente een medewerker juridische zaken naar een naburige gemeente. Dezelfde vraag. Als een medewerker van een plantsoenendienst wordt gedetacheerd, dan moet daar wel BTW over worden afgedragen, want de plantsoenendienst heeft vaak BTW-plichtige afdelingen. De reden van de detachering is duidelijk: geen vaste formatie bij de inlener en behoud van rechten bij de gedetacheerde. Over dit gedoe moet een keer helderheid komen. Als dat vanavond kan, dan zou dat prachtig wezen.

Ik ben niet vrolijk geworden van de ook warrige discussie over de BTW-verlaging voor de culturele sector. Is het al tamelijk dubieus om een BTW-verlaging te koppelen aan de door de belastingplichtige "vrijwillig" terug te storten helft van de meevaller in het Cultuurfonds, uitvoeringstechnisch blijkt deze koppeling al vóór de wet kan ingaan enige forse problemen te geven. Inhoudelijk vind ik de BTW-verlaging op dit punt te generiek. Het ontgaat mij waarom hard commerciële amusementsfabrieken als Endemol en anderen onder het mom cultuur profijt moeten hebben van deze BTW-verlaging. Al met al is een gewoon cultuurfonds, maar dan gevoed uit de algemene middelen, wellicht toch een veel betere oplossing. Ik snap niet waarom die niet is gekozen. De kwestie van die algemene middelen mag dan best op een andere manier boven water komen. Ik vind dit allemaal niet zo geweldig, de staatssecretaris ook niet, geloof ik, maar dat mag hij vanavond vertellen. Ik wil ook weten wat de stand van zaken is.

Het lage BTW-tarief voor arbeidsintensieve en milieusparende activiteiten is al enige keren aan de orde geweest. Kan de staatssecretaris vanavond exact aangeven welke speelruimte de Europese richtlijn ter zake nog aan de nationale regeringen laat? Is die speelruimte absoluut nihil? Is die er nog een beetje en waar ligt die dan? Als die er is, gebruiken wij die dan optimaal in Nederland? Hoe staat het met de Europese discussie op dit punt? Wat is de inzet van de Nederlandse regering? In het algemeen krijg ik er overigens genoeg van dat je hier in deze zaal geen gedachte meer kunt ventileren, zonder dat het rechterdeel van het politieke spectrum Pavlov-achtig "Europa, Europa" begint te blaten. Als je financieel-economisch of fiscaal geen vin meer kunt verroeren of geen millimeter meer kunt afwijken van wat elders in Europa gebeurt, dan kunnen wij dit land beter opheffen. Ik word er een beetje flauw van. Bovendien miskent het de grote comparatieve voordelen die het op termijn kan hebben als je wel voorop durft te lopen met sommige zaken. Ik noem er twee. De kapitaaldekking van de overheidspensioenen is een stralend voorbeeld van het comparatieve voordeel dat je hebt in vergelijking met anderen als je die keuze hebt gemaakt, of nog gaat maken. Verder kan een verder ontwikkelde ecotax ook zeer comparatieve voordelen krijgen als je dat op een goede manier doet.

De zoals bekend vrolijke Fransjes op Financiën hebben hun goede humeur ook weten uit te strekken tot de reclamespotjes van de belastingdienst. Met "pretogende" ludieke voorbeelden wordt de burger wijs gemaakt dat de belastingdienst weliswaar niet nog leuker zal gaan doen, maar dat ze het ons wel gemakkelijker gaan maken. Dat moet nog blijken. Weliswaar oogt de belastingdienst minder bedompt, wat frisser, opener en klantgerichter, maar een kwalijk bijverschijnsel van al dat moois is dat die ontspannen aanpak gepaard gaat met een hoger foutpercentage dan vroeger het geval was en dat ook het aantal de bezwaarschriften schijnt toe te nemen. Ik wil daar wel eens wat cijfers over horen en horen of dat waar is en, zo ja, hoe erg het dan is. Is het nu allemaal eenvoudiger aan het worden?

Vindt de staatssecretaris met mij dat de Oort-operatie goeddeels is mislukt en dat allerlei rumoer vanuit het belastingadviserende volksdeel van het hele Oort-bolwerk een behoorlijke gatenkaas heeft gemaakt, met als voorlopig dieptepunt het weer aftrekbaar maken van snoepreisjes, symposia in Davos en allerhande andere feestelijkheden voor ondernemend Nederland? Ik vind dat nogal schrijnend voor hen die er steeds minder in slagen om in dit welvarende land hun hoofd zelfs maar boven het minimumpeil te houden. Ik snap eerlijk gezegd niet hoe je dat allemaal kunt verkopen. Maar ja, wie ben ik?

Voor ik afsluit met onze visie op het belastingplan, wil ik nog een paar losse onderwerpen behandelen. Zijn er nog plannen rond de vereenvoudiging en herstructurering van de inkomstenbelasting, anders dan het groene scenario? Dat zal namelijk ook wel geen vereenvoudiging opleveren. Het schrappen van een aantal aftrekposten bijvoorbeeld of het brengen van alle aftrekposten onder het lage tarief of het idee om alle aftrek van autokosten woon-werkverkeer te schrappen en alleen nog verkeer op de fiets of via het openbaar vervoer aftrekbaar te maken? Zelfs werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan is daar een voorstander van. Zo'n verfrissend voorstel zou de milieuschade verminderen, een bijdrage leveren aan het fileprobleem en een eind maken aan heel veel autogezeur.

Mijn fractie zal schoorvoetend meegaan met de afdrachtkorting loonbelasting en de verlaging van de overhevelingstoeslag. Het eerste heeft wellicht een positief effect op de banengroei aan de onderkant. Het wordt wel eens een sociale manier genoemd om het minimumloon te verlagen. Het tweede hoort bij de terugsluis van de ecotax. Ons bezwaar bij beide is dat deze "subsidies" vooral generiek ten goede komen aan de grotere bedrijven, zonder dat daar een inspanningsverplichting tegenover staat. Het wordt overgelaten aan het vrije spel op de markt, maar wij allen weten hoe die markt blijft doorgaan met de uitstoot van vooral laag betaalde arbeid. In die zin heb ik er wat moeite mee, maar je moet toch een beetje consequent blijven.

Mijn fractie heeft op twee onderdelen van het belastingplan onoverkomelijke bezwaren: het arbeidskostenforfait en de verlenging van de tweede schijf. Ons ontgaat volledig wat de bijdrage aan de werkgelegenheid is van een verhoging van het arbeidskostenforfait. Werkenden zijn al zo veel in het voordeel boven niet-werkenden. Waarom moet er dan nog zo'n denivellerend douceurtje bovenop? Ik begrijp dat niet en ik wil het, eerlijk gezegd, niet eens begrijpen.

De verlenging van de tweede schijf is helemaal een knieval voor de VVD. Het gaat dan nota bene om 5% van de belastingplichtigen. Het draagt op geen enkele manier bij aan de werkgelegenheid, die zo hoog in het vaandel staat. Die 5% van de belastingplichtigen hebben deze meevaller bovendien absoluut niet nodig, die zitten al lang goed. Ik vind eerlijk gezegd dat de Partij van de Arbeid zich moet schamen om dit geheel tegen hun gehalte en traditie indruisende voorstel te steunen. De rijken worden rijker en dat met steun van de sociaal-democratie. Het kan verkeren.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Direct na de lunchpauze, om 14.15 uur, worden de stemmingen gehouden over twee wetsvoorstellen inzake de regulerende energieheffing en de motie-De Boer.

De vergadering wordt van 13.00 uur tot 14.15 uur geschorst.

Naar boven