Advies Raad van State inzake het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen)

Nader Rapport

10 april 2020

Nr. 2883111

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Aan de Koning

Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 16 maart 2020, nr. 2020000538, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 1 april 2020, nr. W16.20.0055/II, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele technische correcties aan het wetsvoorstel toe te voegen. Zo is een samenloopbepaling toegevoegd ter correctie van foutieve verwijzingen in het wetsvoorstel verwijzingsportaal bankgegevens (Kamerstukken 35 238) en is een voorziening getroffen om de definitie van ‘jaar’ weer gelijkluidend te bepalen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Aanvullend is gefaseerde inwerkingtreding mogelijk gemaakt om de uitvoeringsorganisaties de gelegenheid te bieden zich waar nodig langer op bepaalde wijzigingen voor te bereiden.

Ik moge U hierbij verzoeken het gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker.

Advies Raad van State

No. W16.20.0055/II

’s-Gravenhage, 1 april 2020

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000538, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Reparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), met memorie van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Reparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten te wijzigen in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere wijzigingen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 36e, tweede lid, onder b, wordt ‘uitgereikt aan het openbaar ministerie’ vervangen door ‘uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan’ en wordt ‘de uitreiking aan het openbaar ministerie’ vervangen door ‘deze uitreiking’.

B

In artikel 36g, tweede lid, vervalt ‘of het elektronisch adres, bedoeld in artikel 27a, derde lid,’.

C

In artikel 36l wordt ‘uitgereikt aan het openbaar ministerie’ vervangen door ‘uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan’ en wordt ‘Het openbaar ministerie zendt’ vervangen door ‘Deze autoriteit zendt’.

D

Artikel 84 vervalt.

E

In artikel 509d wordt ‘de artikelen 14a,490, derde lid, 493, 495a tot en met 497 en 6:6:37, vierde en vijfde lid’ vervangen door ‘de artikelen 14a, 490, derde lid, 493, 495a tot en met 497 en 6:6:38’.

F

Artikel 539, eerste lid, eerste volzin, komt te luiden: Indien na herziening ingevolge het Derde Boek, Titel VIII, Eerste Afdeling, de onherroepelijke uitspraak is vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd, wordt, op verzoek van de gewezen verdachte of van zijn erfgenamen, wat betreft de ondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel een schadevergoeding toegekend.

G

Aan artikel 6:1:19, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. de ter beschikking gestelde waarvan de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de instelling waarin hij krachtens de voorwaarde is opgenomen.

H

Aan artikel 6:1:23 wordt een artikellid toegevoegd, luidende:

  • 8. De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van geldsommen, tot betaling waarvan de veroordeelde op grond van een vonnis, arrest of strafbeschikking verplicht is, niet gedurende de tijd dat op grond van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een afkoelingsperiode is afgekondigd voor de veroordeelde.

I

Na artikel 6:2:13 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6:2:13a

Deze titel is niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

J

Artikel 6:3:12, vierde lid, vervalt.

K

In artikel 6:4:2, vierde lid, wordt ‘nadat de veroordeelde reeds in verzuim was’ vervangen door ‘nadat de veroordeelde niet verwijtbaar in verzuim was’.

L

In artikel 6:4:5, derde lid, wordt ‘de officier van justitie’ vervangen door ‘Onze Minister’.

M

In artikel 6:4:12, eerste lid, onder c, wordt ‘gebruik’ vervangen door ‘gebruiker’.

N

In artikel 6:6:1, zevende lid, onder b, onder 1°, wordt na ‘een jaar of meer’ ingevoegd ‘, dan wel een half jaar of meer in geval van een jeugdige’.

O

Artikel 6:6:3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘indien daarvan sprake is’ vervangen door ‘indien daartoe aanleiding is’.

2. In het zesde lid wordt ‘de artikelen 495b tot en met 498, 6:6:37, vierde en vijfde lid’ vervangen door ‘de artikelen 495b tot en met 498 en 6:6:38’.

P

In artikel 6:6:4, vierde lid, wordt ‘325 tot en met 327a, 330’ vervangen door ‘325 tot en met 330’.

Q

Artikel 6:6:10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel f, onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel f, en de volzin na onderdeel f (nieuw).

2. In het tweede lid wordt ‘De artikelen 38, tweede lid, en 38a van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door ‘De artikelen 38, tweede en vijfde lid, en 38a van het Wetboek van Strafrecht’.

3. In het derde lid wordt ‘wordt de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd’ vervangen door ‘kan de rechter de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigen’.

4. Het vierde lid vervalt.

R

Na artikel 6:6:10 wordt, onder vernummering van artikel 6:6:10a tot artikel 6:6:10b, een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6:6:10a
  • 1. Indien de ter beschikking gestelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechter-commissaris, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot tijdelijke opname van de ter beschikking gestelde geven voor de duur van maximaal zeven weken in een door de rechter aangewezen instelling.

  • 2. De tijdelijke opname kan door de rechter-commissaris op vordering van het openbaar ministerie met ten hoogste zeven weken worden verlengd.

  • 3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na de indiening van de vordering, bedoeld in het eerste of tweede lid. De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar.

  • 4. De tijdelijke opname kan plaatsvinden zonder bereidverklaring van de ter beschikking gestelde.

S

Artikel 6:6:10b (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘onder de voorwaarde dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert’ vervangen door ‘onder de voorwaarde dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert’.

2. In het tweede lid wordt na ‘terug te keren,’ ingevoegd ‘bedoeld in het eerste lid en artikel 6:2:18, derde lid,’.

T

Artikel 6:6:11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zesde lid wordt ‘Indien op grond van artikel 6:3:15 de aanhouding van de ter beschikking gestelde is bevolen’ vervangen door ‘Indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 6:3:15’.

2. In het zevende lid vervalt ‘of artikel 6:6:10, vierde lid’.

U

In artikel 6:6:13, eerste lid, wordt ‘artikel 6:6:10’ vervangen door ‘artikel 6:6:10, eerste lid, onder d, e en f, en derde lid,’

V

Artikel 6:6:14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt ‘bij het opleggen van de maatregel’ vervangen door ‘bij het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders’.

W

Artikel 6:6:15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt ‘, de ter beschikking gestelde en degene die is geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders’ vervangen door ‘en de veroordeelde’ en vervalt ‘binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter’.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het openbaar ministerie kan beroep instellen binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter en de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening van de beslissing van de rechter.

3. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. De artikelen 409, eerste lid, 410, 449, eerste lid, 450 tot en met 454 en 455, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

X

Artikel 6:6:16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het eerste lid (nieuw) vervalt ‘echter’.

Y

Aan artikel 6:6:19 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In het geval, bedoeld in artikel 38, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechter de voorwaarden zo nodig opnieuw vaststellen in de zes maanden voorafgaand aan het ontslag uit detentie. Artikel 38, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

Z

Artikel 6:6:20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld ingediend indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 6:3:15. Tegelijk met de vordering, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt een vordering ingediend als bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid.

2. In het zesde lid vervalt ‘bedoeld in het eerste lid’.

AA

Aan artikel 6:6:21 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Bij toepassing van het eerste lid, onder a, of het tweede lid beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:6:20, eerste lid, onder a, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft ter zake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.

  • 8. In het geval dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen nadat zij is geschorst, wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf geacht te zijn hervat op de dag van de aanhouding, bedoeld in artikel 6:3:15.

BB

Artikel 6:6:22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen tegen:

    • a. de beslissingen, bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder c en d;

    • b. de beslissingen, bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid, voor zover deze deel uitmaken van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De artikelen 6:6:15, vierde lid, 6:6:16, eerste lid, en 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.

CC

Na artikel 6:6:22 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6:6:22a
  • 1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep in cassatie instellen tegen de beslissing van het gerechtshof, genomen op grond van artikel 6:6:22, eerste lid, onder b, voor zover deze deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit.

  • 2. De artikelen 6:6:15, vierde lid, 6:6:16, eerste lid, en 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.

DD

In artikel 6:6:23b, zesde lid, wordt ‘de artikelen 537, 6:3:15, 6:6:3, 6:6:4, 6:6:20, 6:6:21 en 6:6:22’ vervangen door ‘de artikelen 537, 6:3:15, 6:6:20 en 6:6:22’.

EE

Artikel 6:6:23f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt ‘en degene die is veroordeeld tot een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking’ vervangen door ‘en de veroordeelde’ en vervalt ‘binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter’.

2. In het eerste lid, onder a, b en c, wordt ‘de beslissing tot’ telkens vervangen door ‘de beslissing ter zake van’.

3. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De artikelen 6:6:15, vierde lid, 6:6:16, eerste lid, en 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.

4. In het derde lid vervalt de tweede volzin.

FF

In artikel 6:6:25, tweede lid, wordt ‘de rechter’ vervangen door ‘de kantonrechter’.

GG

In artikel 6:6:29 vervalt ‘op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde’.

HH

In artikel 6:6:34, derde lid, wordt ‘Artikel 77w, tweede lid, eerste volzin, derde tot en met negende lid, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door ‘Artikel 77w, tweede lid, eerste volzin, en derde tot en met achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht’.

II

Artikel 6:6:35, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De artikelen 6:3:10 en 6:6:23 zijn van overeenkomstige toepassing.

JJ

Artikel 6:6:37 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder a, b en c, wordt ‘de beslissing tot’ telkens vervangen door ‘de beslissing ter zake van’.

2. In het eerste lid wordt, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel d, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. de beslissing ter zake van tijdelijke opneming in een justitiële jeugdinrichting;

3. Het tweede en derde lid komen te luiden:

  • 2. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen:

    • a. de beslissingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en d;

    • b. de beslissing ter zake van terugplaatsing in een inrichting;

    • c. de beslissing ter zake van omzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de maatregel tot terbeschikkingstelling.

  • 3. De artikelen 6:6:15 tot en met 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Het vierde en vijfde lid vervallen.

KK

Na artikel 6:6:37 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6:6:38
  • 1. Voor zover niet anders is bepaald, worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte of veroordeelde tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van zijn raadsman.

  • 2. Alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats indien deze een bekende verblijfplaats binnen Nederland hebben. Aan samenwonende ouders wordt slechts één stuk uitgereikt.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 36f, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede ‘artikel 6:4:19 van het Wetboek van Strafvordering’ wordt vervangen door ‘artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering’.

2. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende: Artikel 77l, tweede lid, en artikel 6:6:30, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt de tweede volzin.

2. Het vijfde en negende lid vervallen, onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot vijfde tot en met zevende lid, en van het tiende lid tot achtste lid.

3. In het vijfde lid (nieuw) vervalt ‘als bedoeld in het eerste en vierde lid’.

C

In artikel 38n, derde lid, wordt ‘bij het opleggen’ vervangen door ‘bij of na het opleggen’.

D

Artikel 77w, achtste lid, vervalt, onder vernummering van het negende en tiende lid tot achtste en negende lid.

E

In artikel 77x, tweede lid, wordt ‘Artikel 6:6:11 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door ‘Artikel 6:6:10a van het Wetboek van Strafvordering’.

F

Artikel 77z, derde lid, onder b, komt te luiden:

  • b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

ARTIKEL III

In artikel 28, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt ‘door bij de rechtbank Noord-Nederland door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland’ vervangen door ‘bij de rechtbank Noord-Nederland’.

ARTIKEL IV

In artikel 67, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt ‘de artikelen 6:6:15 en 6:6:37 van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 38ag van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door ‘de artikelen 6:6:15, 6:6:23f en 6:6:37 van het Wetboek van Strafvordering’.

ARTIKEL V

Artikel IVa, tweede lid, van de Wet straffen en beschermen wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel B, onder 2, onderdeel H, aanhef, wordt na ‘worden’ ingevoegd ‘, onder vernummering van artikel 6:2:13a tot artikel 6:2:13c,’.

2. In onderdeel B, onder 2, onderdeel I, komt artikel 6:6:8, vierde lid, te luiden:

  • 4. De artikelen 21 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing. De behandeling van het bezwaarschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.

3. In onderdeel B, onder 2, onderdeel J, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. In het tweede lid, tweede volzin, vervalt ‘of b’.

4. In onderdeel B, onder 2, onderdeel K, onder b, wordt ‘, onder a’ vervangen door ‘, onder a,’

5. In onderdeel B, onder 2, komt onderdeel L te luiden:

L

Artikel 6:6:22, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘artikel 6:6:20, eerste lid, onder c en d’ vervangen door ‘artikel 6:6:20, eerste lid, onder b en c’.

b. In onderdeel b wordt ‘beslissingen’ vervangen door ‘beslissing’ en wordt ‘uitmaken’ vervangen door ‘uitmaakt’.

6. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

C

Artikel IV, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Artikel III van deze wet heeft geen gevolgen voor veroordelingen tot vrijheidsstraf die door de rechtbank of het gerechtshof zijn uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet. Bij deze veroordelingen wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL VI

In de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen vervalt artikel II, onderdeel Z.

ARTIKEL VII

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 26 november 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de nadere versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Wet uitbreiding slachtofferrechten) (35 349) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, komt artikel I, onderdeel JJ, van deze wet als volgt te luiden:

JJ

Artikel 6:6:37 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder a, b en c, wordt ‘de beslissing tot’ telkens vervangen door ‘de beslissing ter zake van’.

2. In het eerste lid wordt, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel d, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. de beslissing ter zake van tijdelijke opneming in een justitiële jeugdinrichting;

3. Het tweede, vierde, vijfde en zesde lid vervallen, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

4. Na het tweede lid (nieuw) worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen:

    • a. de beslissingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en d;

    • b. de beslissing ter zake van terugplaatsing in een inrichting;

    • c. de beslissing ter zake van omzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de maatregel tot terbeschikkingstelling.

  • 4. De artikelen 6:6:15 tot en met 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 26 november 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de nadere versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Wet uitbreiding slachtofferrechten) (35 349) tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking treedt dan deze wet, wordt in artikel IV, onderdeel T, van die wet ‘onder vernummering van het derde, vierde en vijfde lid tot vierde, vijfde en zesde lid’ vervangen door ‘onder vernummering van tweede en derde lid tot derde en vierde lid’.

ARTIKEL VIII

Een voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van het Wetboek van Strafvordering bevolen tenuitvoerlegging vanwege overtreding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, wordt, behoudens de gevallen waarin op grond van artikel 6:6:20 van dat wetboek is besloten tot voorlopige tenuitvoerlegging, pas ten uitvoer gelegd nadat onherroepelijk is komen vast te staan dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Indien na aanwending van een rechtsmiddel niet onherroepelijk komt vast te staan dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, vervalt een gegeven bevel tot tenuitvoerlegging van rechtswege. In die gevallen is artikel 537 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL IX

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

ARTIKEL X

Deze wet wordt aangehaald als: Reparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister voor Rechtsbescherming,

MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen deel

Dit wetsvoorstel wijzigt het Wetboek van Strafvordering (Sv), het Wetboek van Strafrecht (Sr) en enkele andere wetten vanwege onvolkomenheden die zijn geconstateerd sinds de inwerkingtreding per 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82) en de Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2019, 504). Enkele correcties kennen grote spoed, zoals het herstellen van rechtsmiddelen die (abusievelijk) zijn geschrapt bij het overzetten van de tenuitvoerleggingsbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht naar het Wetboek van Strafvordering. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om verkeerde verwijzingen en aperte verschrijvingen te herstellen en om enkele andere correcties voor te stellen.

Gezien het technische karakter van de voorgestelde wijzigingen wordt volstaan met een artikelsgewijze toelichting. Doordat het enkel technische wijzigingen betreft, heeft dit wetsvoorstel geen noemenswaardige financiële en administratieve consequenties.

Artikelsgewijs deel

Artikel I
Onderdelen A en C

Als het niet lukt een gerechtelijke mededeling te betekenen omdat de geadresseerde niet in persoon bereikbaar is (noch via e-mail, noch op een adres in de basisregistratie personen, noch op een bekende feitelijke woon- of verblijfplaats), wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan het openbaar ministerie (artikelen 36e, tweede lid, onder b, en 36l Sv). Deze uitreiking aan het openbaar ministerie als laatste stap in een rechtsgeldige betekening is ingevoerd met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen ter vervanging van de zogenoemde griffiebetekening (zie Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 50). Voorgesteld wordt in deze bepalingen ‘het openbaar ministerie’ te vervangen door ‘de autoriteit van welke zij is uitgegaan’. Reden hiervoor is dat het uitgangspunt van de betekeningsregeling weliswaar is dat de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen op last van het openbaar ministerie geschiedt, maar dat bij wet anders kan worden bepaald (artikel 36a Sv). Zo is in het Wetboek van Strafvordering bepaald dat bepaalde gerechtelijke mededelingen uitgaan van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. In die gevallen waarin de opdracht tot betekening niet door het openbaar ministerie wordt gegeven, ligt het in de rede dat de gerechtelijke mededeling uiteindelijk niet wordt uitgereikt aan het openbaar ministerie, maar aan de autoriteit die het stuk heeft doen uitgaan. Daarin voorzien deze wijzigingsopdrachten.

Onderdeel B

Met de Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is artikel 27a, derde lid, Sv vervallen, maar is verzuimd de verwijzing naar dat artikellid te schrappen in artikel 36g Sv. Die omissie wordt hersteld.

Onderdeel D

Artikel 84 Sv kan vervallen, nu de inhoud van dat artikel over de aanhouding van een verdachte die voorwaarden niet naleeft, reeds is opgenomen in de artikelen 6:3:15 en 6:6:20 Sv.

Onderdeel F

Artikel 539 Sv bevat regels over schadevergoeding na een vernietiging na herziening (ten voordele). Met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zijn de verschillende schadevergoedingsartikelen, die aanvankelijk verspreid waren opgenomen over het Wetboek van Strafvordering, zoveel mogelijk bij elkaar geplaatst in één titel. Bij het overnemen van de artikelen 480 en 482 Sv (oud) in artikel 539 Sv is nagelaten in de wettekst op te nemen dat die vergoeding enkel betrekking heeft op een vernietiging na herziening. De wettekst spreekt van vernietiging in cassatie, waardoor de reikwijdte van het artikel onbedoeld is verruimd. Met dit wijzigingsvoorstel wordt dit hersteld.

Onderdeel G

In artikel 6:1:19, eerste lid, Sv is geregeld in welke gevallen de termijn van de terbeschikkingstelling niet loopt. Voor de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en de terbeschikkingstelling met voorwaarden zijn steeds twee situaties ondervangen: die waarin de ter beschikking gestelde uit andere hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen (onderdeel a respectievelijk b) en die waarin hij langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de instelling (onderdeel c respectievelijk d). Voor de ter beschikking gestelde bij wie de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd, is slechts één van deze situaties geregeld, namelijk die waarin de ter beschikking gestelde uit andere hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen (onderdeel e). Er ontbreekt voor deze variant dus een bepaling voor het geval dat de ter beschikking gestelde langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de instelling waarin hij krachtens een voorwaarde is opgenomen. Met onderhavige wijziging wordt deze toegevoegd.

Onderdeel H

Met de Wet van 31 januari 2018 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere strafrechtelijke wetten met het oog op het aanbrengen van enkele hoofdzakelijk procedurele verbeteringen ten behoeve van de rechtspraktijk (Stb. 2018, 30) is aan artikel 76a Sr (oud) een achtste lid toegevoegd. De genoemde wet bevatte in artikel X een samenloopbepaling met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, die erin moest voorzien de wijziging van artikel 76a Sr (oud) ook door te voeren in diens rechtsopvolger, artikel 6:1:23 Sv. De samenloopbepaling bevatte echter alleen een voorziening voor het geval de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen eerder in werking zou treden, terwijl deze wet uiteindelijk later in werking is getreden. Daardoor is artikel 76a Sr (oud) onvolledig overgenomen in artikel 6:1:23 Sv. Met onderhavige wijziging wordt het achtste lid teruggeplaatst.

Onderdeel I

Met het voorgestelde artikel 6:2:13a Sv wordt verduidelijkt dat de bepalingen over voorwaardelijke invrijheidstelling niet van toepassing zijn op het jeugdstrafrecht. Dit volgde voorheen uit artikel 77a Sr. Door het overhevelen van de bepalingen over voorwaardelijke invrijheidstelling (de voormalige artikelen 15 tot en met 15l Sr) naar het Wetboek van Strafvordering vallen zij echter niet meer binnen de opsomming in artikel 77a Sr en is onduidelijkheid ontstaan over hun gelding. Voor het jeugdstrafrecht staat een eigen regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling in artikel 6:6:28 Sv.

Onderdeel J

In artikel 6:3:12 Sv kan het vierde lid vervallen, nu dit een herhaling is van het bepaalde in artikel 6:1:23, derde lid, Sv.

Onderdeel K

In artikel 6:4:2, vierde lid, Sv – het oude artikel 24b, vierde lid, Sr – is bepaald dat het doorvoeren van verhogingen op geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen achterwege blijft als er na verzuim (alsnog) een betalingsregeling wordt getroffen of uitstel van betaling wordt verleend. Voorgesteld wordt te verduidelijken dat deze regel alleen geldt wanneer de veroordeelde kan aantonen niet verwijtbaar in verzuim te zijn geweest. Dit uitgangspunt was oorspronkelijk expliciet opgenomen in artikel 24b Sr (zie Kamerstukken II 1975/76, 13 386, nr. 2). Met het amendement-Roethof (Kamerstukken II 1975/76, 13 386, nr. 10) is de formulering van de wettekst uiteindelijk gewijzigd. Het amendement hield echter geen verband met de verwijtbaarheid, waardoor die eis onbedoeld uit het artikellid is verdwenen (zie Handelingen II 1975/76, nr. 78, p. 4063–4064). Met onderhavige tekstuele wijziging wordt de wettekst weer in lijn gebracht met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever.

Onderdeel L

In artikel 6:4:5 Sv wordt gecorrigeerd dat niet de officier van justitie, maar de minister – feitelijk het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) – in beroep kan gaan tegen de beslissing op verzet bij verhaal zonder dwang. Dit is met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen reeds op overeenkomstige wijze geregeld in artikel 26a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

Onderdeel M

Dit betreft een correctie van een verschrijving in artikel 6:4:12, eerste lid, Sv.

Onderdeel N

Uit artikel 6:6:1, zevende lid, Sv vloeit voort dat vorderingen tot tenuitvoerlegging strekkende tot vrijheidsbeneming van minder dan een jaar in beginsel worden behandeld door de enkelvoudige rechter. In jeugdzaken geldt op grond van artikel 495, tweede lid, Sv echter een lagere grens: de (enkelvoudige) kinderrechter kan jeugddetentie tot zes maanden opleggen. Voorgesteld wordt dit uitgangspunt voor het jeugdstrafrecht overeenkomstig door te voeren in artikel 6:6:1 Sv.

Onderdeel O

In artikel 6:6:3, tweede lid, Sv is thans bepaald dat het openbaar ministerie in rechterlijke procedures degene oproept die met het reclasseringstoezicht is belast, indien daarvan sprake is. Verduidelijkt wordt dat oproeping achterwege kan blijven indien de betreffende zaak geen betrekking heeft op het reclasseringstoezicht. Die situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij de veroordeelde die wordt verdacht van een nieuw strafbaar feit (schending algemene voorwaarde), maar die zich overigens heeft gehouden aan eventuele bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht. De voorgestelde wijziging van artikel 6:6:3, tweede lid, Sv maakt het mogelijk voor het openbaar ministerie om per zaak te wegen of aanwezigheid van de reclassering gewenst is.

De wijziging van het zesde lid wordt toegelicht bij de voorgestelde wijziging van artikel 6:6:37 Sv.

Onderdeel P

In artikel 6:6:4, vierde lid, Sv wordt een onvolledige verwijzing hersteld.

Onderdelen Q en R (in samenhang met onderdeel T)

Met deze wijzigingsopdrachten wordt artikel 6:6:10 Sv op enkele onderdelen gewijzigd. Voorts wordt de tijdelijke crisisopname van tbs-gestelden om systematische redenen ondergebracht in het voorgestelde artikel 6:6:10a Sv.

Allereerst wordt de volzin aan het slot van artikel 6:6:10, eerste lid, Sv geschrapt. Deze volzin is zonder letteraanduiding na onderdeel g geplaatst door een ongelukkig geformuleerde wijzigingsopdracht in de Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. De betreffende zin is een herhaling van onderdeel c en kan om die reden vervallen.

Met de wijziging van artikel 6:6:10, tweede lid, Sv wordt de regel hersteld dat een ter beschikking gestelde zich altijd bereid moet verklaren tot naleving van te stellen voorwaarden als de verpleging van overheidswege voorwaardelijk wordt beëindigd. Deze regel was voorheen opgenomen in artikel 38g, tweede lid, Sr (oud), maar is abusievelijk komen te vervallen bij de verplaatsing van die bepaling naar artikel 6:6:10 Sv.

Op grond van artikel 6:6:10, derde lid, Sv volgt voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege nadat het proefverlof van de ter beschikking gestelde twaalf maanden heeft geduurd, zonder dat in deze periode de terbeschikkingstelling is verlengd. Dit stond voorheen in artikel 38h Sr (oud). Bij het verplaatsen van die bepaling naar het Wetboek van Strafvordering is bij abuis weggevallen dat dit een rechterlijke beslissing is. De huidige bepaling doet vermoeden dat de voorwaardelijke beëindiging van rechtswege intreedt, of in ieder geval dat de rechter geen beoordelingsruimte heeft. Dat is niet bedoeld; vanuit een oogpunt van veiligheid zal altijd een rechterlijke toetsing moeten plaatsvinden of een ter beschikking gestelde daadwerkelijk toe is aan een voorwaardelijke beëindiging onder voorwaarden. De formulering van het derde lid is om die reden gewijzigd.

De introductie van artikel 6:6:10a Sv houdt verband met de verplaatsing bij wege van de Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen van de tijdelijke crisisopname van tbs-gestelden van artikel 6:6:11 Sv naar artikel 6:6:10 Sv. Als gevolg van de plaatsing in artikel 6:6:10 Sv is onbedoeld niet langer de rechter-commissaris, maar ‘de rechter’ bevoegd te beslissen over de tijdelijke opname (zie artikel 6:6:10, eerste lid, aanhef, Sv). Dat is gelet op de spoedeisende belangen bij een eventuele crisisopname onwenselijk. Er gelden bovendien bijzondere regels over de beslistermijn (binnen driemaal vierentwintig uur na indiening van de vordering) en de uitvoerbaarheid van de beslissing (dadelijk uitvoerbaar), die ook afwijken van de overige beslissingen genoemd in artikel 6:6:10 Sv. Daarom wordt voorgesteld de tijdelijke crisisopname onder te brengen in een apart wetsartikel, het nieuw voorgestelde artikel 6:6:10a Sv. Het huidige artikel 6:6:10a Sv wordt dan vernummerd tot artikel 6:6:10b Sv. Een samenhangende verwijzing in artikel 6:6:11, zevende lid, Sv wordt eveneens aangepast.

Onderdeel S

Dit onderdeel betreft allereerst een redactionele wijziging van artikel 6:6:10b, eerste lid, Sv (nieuw). De tekst van dat artikellid wijkt af van het inhoudelijk gelijke artikel 6:2:18, derde lid, Sv. De huidige formulering impliceert dat een vreemdeling verplicht is Nederland te verlaten, maar dat wordt niet – zoals wel het geval is bij artikel 6:2:18 Sv – expliciet bepaald. Met deze wijziging wordt de formulering van beide bepalingen gelijkgetrokken. Voorts wordt in het tweede lid verduidelijkt dat de terbeschikkingstelling herleeft, ongeacht of de (geschonden) voorwaarde is opgelegd krachtens artikel 6:2:18 Sv of artikel 6:6:10b Sv (nieuw).

Onderdelen T en Z

De artikelen 6:6:11, zesde lid, en 6:6:20, tweede lid, Sv bepalen thans dat vorderingen tot het nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen door de rechter-commissaris onverwijld worden ingediend nadat op grond van artikel 6:3:15 Sv de aanhouding van de veroordeelde is bevolen. De rechter-commissaris dient vervolgens binnen driemaal vierentwintig uur te beslissen op de vordering. Deze spoedeisendheid is echter alleen vereist als de veroordeelde daadwerkelijk is aangehouden. Daartoe strekt de voorgestelde wijziging van de beide artikelleden.

Onderdeel U

De wijziging van artikel 6:6:13 Sv houdt verband met een abusievelijke dubbeling in de termijnen die gelden voor het onderzoek van de zaak door de rechter. Op grond van de eerste volzin van het eerste lid geldt een termijn van twee maanden voor de verlenging van de tbs-maatregel (artikelen 6:6:11 en 6:6:12 Sv). Voor de beslissingen die zijn opgenomen in artikel 6:6:10 Sv geldt volgens de tweede volzin een termijn van een maand. De beslissing tot verlenging van de tbs-maatregel staat echter ook vermeld in de opsomming van artikel 6:6:10 Sv. Verduidelijkt wordt dat de termijn van een maand geldt voor de overige beslissingen die zijn opgenomen in artikel 6:6:10 Sv.

Onderdeel V

Het eerste lid van artikel 6:6:14 Sv kan vervallen, nu dit een herhaling is van artikel 38n, derde lid, Sr. Vanwege het vervallen van het eerste lid wordt in het tweede lid verduidelijkt dat het artikel betrekking heeft op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Onderdeel W

Artikel 6:6:15 Sv wordt op enkele onderdelen gewijzigd.

Allereerst wordt in een nieuw tweede lid verduidelijkt dat de beroepstermijn voor de veroordeelde steeds begint te lopen nadat de rechterlijke beslissing aan hem is betekend. Zo wordt – in lijn met artikel 6:6:5, derde lid, Sv – voorkomen dat de beroepstermijn al loopt voordat de beslissing waartegen beroep mogelijk is, aan de veroordeelde is betekend. Middels verwijzingen geldt dit uitgangspunt ook in de andere bepalingen die zien op het rechtsmiddel beroep (de artikelen 6:6:22, 6:6:23f en 6:6:37 Sv).

In het nieuwe vierde lid vervalt de verwijzing naar artikel 6:3:3 Sv. Die verwijzing is overbodig, aangezien de algemene systematiek van de tenuitvoerleggingsregeling met zich brengt dat artikel 6:3:3 Sv – net als de overige artikelen in de eerste titel van hoofdstuk 6 – ook gelden in hoger beroep. Door expliciet te verwijzen naar artikel 6:3:3 Sv wordt onterecht de indruk gewekt dat de overige algemene bepalingen niet van overeenkomstige toepassing zouden zijn. Om verwarring hierover te voorkomen, wordt de verwijzing geschrapt.

Onderdeel X

In artikel 6:6:16 Sv vervalt het eerste lid. De reden is dezelfde als hiervoor toegelicht bij de wijziging van artikel 6:6:15, vierde lid, Sv (nieuw).

Onderdeel Y

Met dit onderdeel wordt artikel 38, vijfde lid, Sr ondergebracht in artikel 6:6:19 Sv. Dit betreft immers een rechterlijke beslissing in de fase van de tenuitvoerlegging.

Onderdeel AA

Met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zijn de artikelen 14g en 15j Sr (oud) opgegaan in het nieuwe Boek 6 Sv (o.a. in artikel 6:6:21 Sv). Abusievelijk zijn daarbij het zesde lid van artikel 14g Sr (oud) en het tweede lid van artikel 15j Sr (oud) niet overgenomen. Het betreft de verrekening van een in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging ondergane detentie, respectievelijk het bepalen van het startmoment van de vrijheidsstraf bij de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling na een schorsing van diezelfde voorwaardelijke invrijheidstelling. Met onderhavige wijzigingsopdracht worden beide artikelleden hersteld.

Onderdelen BB en CC

Met de wijziging van artikel 6:6:22 Sv wordt voorgesteld in het hoofdstuk over rechterlijke beslissingen in de fase van de tenuitvoerlegging te verduidelijken dat hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de rechter tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf of maatregel in geval van schending van de algemene voorwaarde (artikel 6:6:21, eerste lid, onder a, Sv). Deze beroepsmogelijkheid staat thans niet expliciet in Boek 6 Sv, maar volgt uit artikel 361a Sv, waarin is bepaald dat in geval van gelijktijdige behandeling van de tenlastelegging en de vordering tot tenuitvoerlegging, het vonnis de beslissing over beide inhoudt, in samenhang met artikel 407, eerste lid, Sv, dat bepaalt dat hoger beroep slechts tegen het vonnis in zijn geheel kan worden ingesteld.

Deze wijziging wordt voorgesteld in reactie op uitspraken in eerste aanleg waarin wordt beschreven dat deze beroepsmogelijkheid per 1 januari 2020 is komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zonder voldoende de gevolgen te onderkennen van de mogelijkheid dat er in hoger beroep een vrijspraak volgt. Omdat dan de in eerste aanleg toegewezen vordering tenuitvoerlegging door het ontbreken van een beroepsmogelijkheid al onherroepelijk zou zijn, zou zich de situatie voordoen dat de verdachte de eerdere voorwaardelijke straf zal (hebben) ondergaan, niet omdat hij voor een nieuw strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld, maar alleen omdat hij verdachte is geweest in een nieuwe strafzaak.1 Inmiddels heeft de Hoge Raad bevestigd dat de beroepsmogelijkheid nog steeds bestaat, omdat de eerdergenoemde artikelen 361a en 407 Sv niet zijn gewijzigd door de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.2 Het is wenselijk artikel 6:6:22 Sv hiermee in overeenstemming te brengen door te expliciteren dat hoger beroep openstaat tegen de beslissing op een vordering tenuitvoerlegging wegens schending van de algemene voorwaarde. De behandeling van dat beroep loopt dan tegelijk op met het eventuele hoger beroep in de connexe strafzaak.

Een vergelijkbare situatie doet zich voor als er beroep in cassatie wordt ingesteld. Om deze reden wordt een artikel 6:6:22a Sv voorgesteld, waarmee wordt verduidelijkt dat beroep in cassatie mogelijk is tegen de in hoger beroep genomen beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging, voor zover die beslissing onderdeel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit.

In artikel VIII wordt een overgangsrechtelijke regeling voorgesteld voor beslissingen tot tenuitvoerlegging die na inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn genomen waarbij onduidelijkheid is blijven bestaan over de onherroepelijkheid van een in eerste aanleg gegeven bevel tot tenuitvoerlegging.

Onderdeel DD

In artikel 6:6:23b, zesde lid, Sv wordt een verwijzing gecorrigeerd.

Onderdeel EE

De wijziging van artikel 6:6:23f Sv is drieledig. Allereerst wordt in het eerste lid verduidelijkt dat beroep openstaat ter zake van de opgesomde beslissingen. De huidige formulering (‘beslissing tot’) doet namelijk vermoeden dat alleen beroep openstaat tegen toewijzende beslissingen van de rechter. Omdat echter ook het openbaar ministerie beroep kan instellen, en dit meestal zal zijn tegen een afwijzende beslissing, wordt de tekst verduidelijkt. In het tweede lid wordt een verwijzing gecorrigeerd, in navolging van de wijzigingen van de artikelen 6:6:15 en 6:6:16 Sv. En in het derde lid kan de tweede volzin vervallen, nu dit een herhaling is van het gestelde in artikel 6:6:6 Sv.

Onderdeel FF

In artikel 6:6:25, tweede lid, Sv wordt verduidelijkt dat de kantonrechter bevoegd is tot kennisneming van een gijzelingsvordering bij geldboetes die zijn opgelegd in een strafbeschikking. In die gevallen is er immers geen rechter die ‘in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd’ (artikel 6:6:1, eerste lid, Sv). Daardoor kan onduidelijkheid ontstaan over de competentie van de kantonrechter. Met de voorgestelde wijziging wordt aangesloten bij de tekst van artikel 578b Sv (oud), de voorganger van artikel 6:6:25 Sv.

Onderdeel GG

Artikel 6:6:29 Sv regelt de mogelijkheid van omzetting van jeugddetentie in een andere straf. De tekst van dit artikel wordt zodanig gewijzigd dat de rechter ook ambtshalve kan overgaan tot omzetting (conform het oude artikel 77dd, derde lid, Sr).

Onderdeel HH

Deze correctie van een verwijzing in artikel 6:6:34 Sv houdt verband met de wijziging in dit wetsvoorstel van artikel 77w Sr.

Onderdeel II

Het openbaar ministerie beslist over de toepassing van vervangende jeugddetentie indien de jeugdige zich niet houdt aan de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (artikel 6:6:35 jo. artikel 6:3:10 Sv). Vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen kon de veroordeelde hiertegen bezwaar maken op grond van artikel 77wc, vierde lid, Sr (oud) in samenhang met artikel 77p Sr (oud). Die bezwaarmogelijkheid is thans opgenomen in artikel 6:6:23 Sv, maar daarnaar wordt niet expliciet verwezen. Met onderhavige wijziging wordt voorgesteld dat alsnog te doen, om eventuele onduidelijkheid hierover weg te nemen.

Onderdelen JJ en KK (in samenhang met onderdelen E en O)

Per abuis zijn bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen de mogelijkheden vervallen om in beroep te komen tegen de beslissing tot terugplaatsing van een jeugdige in een inrichting (thans artikel 6:6:32, derde lid, onder c, voorheen artikel 77tb Sr) en de beslissing om de pij-maatregel om te zetten in de maatregel van terbeschikkingstelling (thans artikel 6:6:33, voorheen artikel 77tc Sr). Met de thans voorgestelde wijziging van artikel 6:6:37 Sv wordt dit gecorrigeerd.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de bepalingen over het in kennis stellen van de ouders of voogd en de raadsman over gerechtelijke mededelingen (artikel 6:6:37, vierde en vijfde lid, Sv) onder te brengen in een afzonderlijk artikel 6:6:38 Sv, aangezien deze bepalingen een bredere gelding hebben dan enkel beroepszaken en dus systematisch beter in een afzonderlijk artikel kunnen worden ondergebracht. De verwijzingen naar artikel 6:6:37, vierde en vijfde lid, Sv in de artikelen 509d en 6:6:3 Sv zijn overeenkomstig aangepast.

Artikel II
Onderdeel A

In artikel 36f, vijfde lid, Sr worden twee correcties doorgevoerd. Allereerst wordt een foutieve verwijzing naar de bepaling over het dwangmiddel gijzeling (artikel 6:4:20 Sv) gecorrigeerd. Voorts wordt de verwijzing naar artikel 77l, tweede lid, Sr in ere hersteld. Laatstgenoemde verwijzing is met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen per abuis geschrapt. Met het herleven van de verwijzing kan de rechter bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel in jeugdstrafzaken (weer) bevelen dat vervangende jeugddetentie wordt toegepast indien volledige betaling of volledig verhaal uitblijft. Deze mogelijkheid laat onverlet dat de rechter ook altijd de duur van de gijzeling moet bepalen. Dat dwangmiddel kan worden toegepast in geval van een betalingsonwillige veroordeelde (artikel 6:4:20 Sv).

Onderdeel B

In de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen was een wijzigingsopdracht opgenomen voor artikel 38 Sr (artikel II, onderdeel Z, van die wet). De wijziging bleek echter onjuist geformuleerd en is om die reden niet in werking getreden (Stb. 2019, 507). Onderhavig onderdeel corrigeert de wijzigingsopdracht en neemt deze inhoudelijk over in dit wetsvoorstel. De wijzigingsopdracht in de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen komt daarmee te vervallen (zie artikel VI). Het te schrappen vijfde lid van artikel 38 Sr wordt ondergebracht in artikel 6:6:19 Sv.

Onderdeel C

In artikel 38n, derde lid, Sr is een wettelijke grondslag opgenomen om bij de oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders te bepalen dat de noodzaak van de voortzetting van de maatregel na een bepaalde periode wordt getoetst. In deze bepaling ontbreekt de bevoegdheid voor de rechter om niet alleen bij, maar ook na de oplegging te besluiten een tussentijdse toetsing uit te voeren. Dit was eerst wel zo bepaald in artikel 38s, eerste lid, Sr (oud). De rechter heeft daardoor niet langer de mogelijkheid om op eigen initiatief de tenuitvoerlegging van de maatregel te volgen. Dit wordt hersteld.

Onderdeel D

In artikel 77w Sr vervalt het achtste lid. Met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is de inhoud van dat artikellid namelijk reeds overgenomen in de artikelen 6:3:12, tweede lid, en 6:6:13, tweede lid, onder b, Sv.

Onderdeel E

In artikel 77x, tweede lid, Sr wordt een onjuiste verwijzing gecorrigeerd.

Onderdeel F

Met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is in artikel 14c Sr verduidelijkt dat onder ‘medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht’ mede moet worden verstaan het melden bij de reclasseringsinstelling. Er is nagelaten dit op dezelfde wijze door te voeren in het inhoudelijke gelijke artikel 77z Sr voor het jeugdstrafrecht. Met onderhavige wijziging gebeurt dat alsnog.

Artikel III

Sinds de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel L, van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (per 1 januari 2018; Stb. 2017, 496) wordt in artikel 28, eerste en derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) niet langer verwezen naar een specifiek parket van het openbaar ministerie bij het indienen van een gijzelingsvordering. Daarmee is wettelijk uiting gegeven aan de ontwikkeling binnen het openbaar ministerie dat beslissingen in het kader van de Wahv zoveel mogelijk centraal worden voorbereid en genomen. In artikel 28, eerste lid, Wahv is echter een (tweede) verwijzing naar een concreet parket over het hoofd gezien. Met onderhavige wijziging wordt ook die verwijzing geschrapt.

Artikel IV

In artikel 67, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt een foutieve verwijzing gecorrigeerd.

Artikel V

Dit artikel behelst een zestal correcties van de samenloopbepaling in de Wet straffen en beschermen. De hierna genoemde artikelen hebben alle betrekking op die wet, tenzij anders vermeld.

Allereerst wordt het overgangsrecht in artikel IV, derde lid, hersteld. De overgangsrechtelijke bepaling is thans toegespitst op artikel II, waarin de wijzigingen zijn opgenomen van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. In verband met de (eerdere) inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zal artikel II echter komen te vervallen (zie artikel IVa, tweede lid). De inhoud van artikel II wordt materieel verplaatst naar artikel III. Er is abusievelijk nagelaten de overgangsrechtelijke bepaling hieraan aan te passen. Onderhavig wetsvoorstel voorziet hierin alsnog door een onderdeel C toe te voegen aan de samenloopbepaling. Daarmee blijft het overgangsrecht behouden.

Voorts wordt verduidelijkt dat de bezwaarschriftprocedure – na inwerkingtreding opgenomen in artikel 6:6:8 Sv – nog steeds een raadkamerprocedure betreft. In de samenloopbepaling is abusievelijk de zin weggevallen waaruit blijkt dat de raadkamerprocedureregels (de artikelen 21 tot en met 25 Sv) van overeenkomstige toepassing zijn. Dit is hersteld om te voorkomen dat de regel van artikel 6:6:4, eerste lid, Sv zal gelden.

De overige correcties houden verband met de wijzigingen in artikel I van dit wetsvoorstel en zijn louter technisch van aard.

Artikel VI

Het vervallen van artikel II, onderdeel Z, van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen houdt verband met de wijziging van artikel 38 Sr in dit wetsvoorstel, zoals toegelicht bij artikel II, onderdeel B.

Artikel VII

Dit artikel regelt de samenloop van onderhavig wetsvoorstel met het wetsvoorstel uitbreiding slachtofferrechten (Kamerstukken 35 349). De wijziging in dit wetsvoorstel van artikel 6:6:37 Sv loopt namelijk samen met een wijziging van hetzelfde wetsartikel in het wetsvoorstel uitbreiding slachtofferrechten. De samenloopbepaling voorziet in aanpassing van onderhavig wetsvoorstel of het wetsvoorstel uitbreiding slachtofferrechten – afhankelijk van welke regeling eerder in werking treedt – om ervoor te zorgen dat de parallelle wijzigingen beide tot hun recht komen.

Artikel VIII

Dit artikel voorziet in overgangsrecht voor de in artikel I, onderdelen BB en CC, voorgestelde explicitering van de mogelijkheden beroep in te stellen tegen een beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. Er is aanleiding te voorzien in bepalingen voor beslissingen op de tenuitvoerleggingsvorderingen die sinds 1 januari 2020 en tot de inwerkingtreding van deze reparatiewet zijn genomen en onherroepelijk zijn geworden. De Hoge Raad heeft in een cassatie in het belang der wet geoordeeld dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in hoger beroep aan het oordeel van het hof is onderworpen op grond van de artikelen 361a en 407 Sv.3 Voor het geval er in specifieke zaken onduidelijkheid blijft over de onherroepelijkheid of uitvoerbaarheid van een gegeven bevel tenuitvoerlegging, wordt in dit overgangsrecht voorzien. In het eerste lid wordt voorgesteld dat toegewezen vorderingen tenuitvoerlegging pas worden uitgevoerd op het moment dat in rechte is komen vast te staan dat de algemene voorwaarde is overtreden. Het voorgestelde tweede lid bepaalt dat op het moment dat er na het instellen van rechtsmiddelen tegen de veroordeling voor het nieuwe strafbare feit geen veroordeling volgt, de eerste beslissing van rechtswege vervalt.

De Minister voor Rechtsbescherming,


X Noot
1

Vgl. Rb. Gelderland 13 januari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:146 en ECLI:NL:RBGEL:2020:147.

X Noot
2

Vgl. HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389.

X Noot
3

HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389.

Naar boven