Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2010, 180Verdrag

48 (1996) Nr. 3

A. TITEL

Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart;

(met Bijlagen en Aanhangsels)

Straatsburg, 9 september 1996

B. TEKST

De Nederlandse, de Franse en de Duitse tekst van het Verdrag, met Bijlagen en Aanhangsels, zijn geplaatst in Trb. 1996, 293.

Zie voor een correctie in de Nederlandse tekst Trb. 1997, 97.

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart heeft in 2002 gecorrigeerde teksten van het Verdrag, met Bijlagen en Aanhangsels, vastgesteld.

De gecorrigeerde Nederlandse tekst1) luidt als volgt:


Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart

De Bondsrepubliek Duitsland

Het Koninkrijk België

De Franse Republiek

Het Groothertogdom Luxemburg

Het Koninkrijk der Nederlanden

De Zwitserse Bondsstaat

overwegende dat het voorkomen van afval alsmede de verzameling, afgifte en inname van afval ter verwerking en verwijdering vanwege de bescherming van het milieu, alsmede vanwege de veiligheid en gezondheid van scheepspersoneel en verkeersdeelnemers, voor de binnenvaart en de daarmee samenhangende bedrijfstakken een vereiste is en dat zij daartoe een versterkte bijdrage willen leveren,

in de overtuiging dat daartoe internationaal afgestemde, uniforme regelingen getroffen moeten worden, om concurrentievervalsing te voorkomen,

voorts ervan overtuigd dat de verzameling, afgifte, inname en verwijdering van scheepsafval op basis van het beginsel „de vervuiler betaalt” gefinancierd moet worden,

constaterende dat in het bijzonder de heffing van een internationaal uniform vastgestelde bijdrage, gebaseerd op de aan de binnenvaart verkochte hoeveelheid gasolie voor de inname en verwijdering van olie- en vethoudende scheepsbedrijfsafvalstoffen, het beginsel van douane- en belastingvrijdom in de Rijnoeverstaten en in België, zoals neergelegd in de Overeenkomst van 16 mei 1952 betreffende het douane- en belastingregime voor gasolie, die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt, niet schendt,

wensende dat andere staten waarvan de voor de binnenvaart openstaande vaarwegen in verbinding staan met die van de Verdragsluitende Staten, toetreden tot dit Verdrag,

zijn het volgende overeengekomen:

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

a) „scheepsafval”:

de in de onderdelen b tot en met f nader bepaalde stoffen of voorwerpen, waarvan de bezitter zich ontdoet, wil ontdoen dan wel moet ontdoen;

b) „scheepsbedrijfsafval”:

afval en afvalwater, dat bij het in bedrijf zijn en het onderhoud van het vaartuig aan boord ontstaat. Hieronder valt het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en het overige scheepsbedrijfsafval;

c) „olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval”:

afgewerkte olie, bilgewater, en overig olie- en vethoudend afval, zoals afgewerkt vet, gebruikte filters, gebruikte poetslappen, vaten en verpakkingsmateriaal van dit afval;

d) „bilgewater”:

oliehoudend water uit de bilge van de machinekamer, de voor- en achterpiek, de kofferdammen en de ruimten tussen zijwand en beunwand;

e) „overig scheepsbedrijfsafval”:

huishoudelijk afvalwater, huisvuil, zuiveringsslib, slops en klein gevaarlijk afval, bedoeld in Deel C van de Uitvoeringsregeling;

f) „afval van de lading”:

afval en afvalwater, dat in verband met de lading aan boord van het schip ontstaat. Hiertoe behoren niet de restlading en overslagresten, bedoeld in Deel B van de Uitvoeringsregeling;

g) „schip”:

een binnenschip, zeeschip of drijvend werktuig;

h) „passagiersschip”:

een voor het vervoer van passagiers gebouwd en ingericht schip;

i) „zeeschip”:

een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;

j) „ontvangstinrichting”:

een schip dan wel een inrichting aan land, door de bevoegde autoriteiten toegelaten voor het in ontvangst nemen van scheepsafval;

k) „schipper”:

degene onder wiens leiding het schip staat;

l) „gemotoriseerd schip”:

een schip waarvan de hoofd- of hulpmotoren, met uitzondering van ankerlieren, verbrandingsmotoren zijn;

m) „gasolie”:

van douanerechten en andere belastingen vrijgestelde brandstof voor binnenschepen;

n) „bunkerbedrijf”:

bedrijf waarvan schepen gasolie betrekken;

o) „exploitant van de overslaginstallatie”:

degene die beroepsmatig het laden en lossen van schepen uitvoert;

p) „verlader”:

degene die de vervoersopdracht heeft verleend;

q) „vervoerder”:

degene die zich beroepsmatig tot het vervoer van goederen verbindt;

r) „ladingontvanger”:

degene die gerechtigd is de goederen in ontvangst te nemen.

Artikel 2 Geografisch toepassingsgebied

Dit Verdrag is van toepassing op de in Bijlage 1 genoemde vaarwegen.

BIJZONDERE BEPALINGEN VERPLICHTINGEN VAN DE STATEN

Artikel 3 Verbod tot inbrengen en lozen
  • 1. Het is verboden scheepsafval en delen van de lading vanaf schepen in de in Bijlage 1 genoemde vaarwegen te brengen of te lozen.

  • 2. De Verdragsluitende Staten dragen er zorg voor dat het in het eerste lid genoemde verbod wordt nageleefd.

  • 3. Uitzonderingen op dit verbod zijn slechts toegestaan in overeenstemming met Bijlage 2 en de daarbijbehorende aanhangsels, hierna te noemen de „Uitvoeringsregeling”.

Artikel 4 Ontvangstinrichtingen
  • 1. De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe langs de in Bijlage 1 genoemde vaarwegen een voldoende dicht net van ontvangstinrichtingen in te richten of te laten inrichten en dit internationaal af te stemmen.

  • 2. De Verdragsluitende Staten voeren overeenkomstig de Uitvoeringsregeling een uniforme procedure in met betrekking tot de verzameling van scheepsafval en de afgifte aan de ontvangstinrichtingen. Van deze procedure maakt wat betreft de in artikel 1, onderdelen c, d en f genoemde afvalsoorten, een document ten bewijze van de reglementaire afgifte van dit scheepsafval deel uit. De reglementaire afgifte van slops en zuiveringsslib als bedoeld in Deel C van de Uitvoeringsregeling dient overeenkomstig nationale voorschriften aangetoond te worden.

  • 3. De ontvangstinrichtingen zijn verplicht het scheepsafval overeenkomstig de in de Uitvoeringsregeling vastgelegde procedure aan te nemen.

  • 4. De Verdragsluitende Staten dragen er zorg voor dat de ontvangstinrichtingen hun verplichting tot inname van scheepsafval overeenkomstig de nationale regelingen nakomen.

Artikel 5 Grondslag van de financiering

De Verdragsluitende Staten voeren een uniforme financieringswijze in voor de inname en verwijdering van scheepsafval.

Artikel 6 Financiering van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval
  • 1. De financiering van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval geschiedt door middel van een verwijderingsbijdrage, die van gemotoriseerde schepen, voor zover zij gasolie gebruiken, wordt geheven, met uitzondering van zeeschepen. De hoogte van de verwijderingsbijdrage is in alle Verdragsluitende Staten gelijk. Deze wordt vastgesteld op basis van de som van de inname- en verwijderingskosten, na aftrek van de eventuele opbrengsten van de verwerking van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en van de hoeveelheid geleverde gasolie, volgens de in Deel A van de Uitvoeringsregeling vastgelegde procedure. Het bedrag wordt aan de kostenontwikkeling aangepast. Ter bevordering van het voorkomen van afval dienen criteria uitgewerkt te worden en bij de vaststelling van de hoogte van de verwijderingsbijdrage in acht te worden genomen. De betaalde verwijderingsbijdragen zijn uitsluitend voor de financiering van de inname en de verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan te wenden.

  • 2. De in het eerste lid genoemde procedure wordt indien nodig met inachtneming van de bij de uitvoering van het systeem opgedane ervaringen getoetst.

  • 3. De betaling van de verwijderingsbijdrage geeft recht op afgifte van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan de door de nationale instituten aangewezen ontvangstinrichtingen.

  • 4. De Verdragsluitende Staten stellen zeker dat de schippers en de bunkerinrichtingen de voor hen ingevolge Deel A van de Uitvoeringsregeling geldende verplichtingen in het bijzonder bij elke levering van gasolie nakomen.

Artikel 7 Financiering van de inname en verwijdering van overig scheepsbedrijfsafval
  • 1. In havens, bij overslaginstallaties alsmede bij ligplaatsen en sluizen worden voor de inname en verwijdering van huisvuil geen aparte heffingen geheven.

  • 2. Met betrekking tot de inname en verwijdering van klein gevaarlijk afval zullen de Verdragsluitende Staten afgestemde regelingen treffen voor een financieringssysteem waarin de kosten voor de inname en verwijdering van het genoemde afval, ongeacht of het afval afgegeven wordt, in de haven- of liggelden inbegrepen zijn dan wel het schip anderszins opgelegd worden.

  • 3. Voor passagiersschepen geldt dat de kosten voor de inname en verwijdering van huishoudelijk afvalwater en zuiveringsslib alsmede van huisvuil en klein gevaarlijk afval de schipper afzonderlijk in rekening kunnen worden gebracht.

  • 4. De kosten voor de inname en verwijdering van slops kunnen de schipper afzonderlijk in rekening worden gebracht.

Artikel 8 Financiering van het nalossen, het wassen alsmede de inname en verwijdering van afval van de lading
  • 1. De verlader of de ladingontvanger draagt de kosten voor het nalossen en het wassen van het schip alsmede voor de inname en verwijdering van afval van de lading overeenkomstig Deel B van de Uitvoeringsregeling.

  • 2. Indien het schip vóór het laden niet overeenstemt met de voorgeschreven losstandaard en indien de ladingontvanger of verlader van het vorige transport zijn verplichtingen is nagekomen, draagt de vervoerder de kosten voor het nalossen of het wassen van het schip, alsmede voor de inname en verwijdering van het afval van de lading.

Artikel 9 Nationaal instituut
  • 1. Iedere Verdragsluitende Staat wijst een nationaal instituut aan dat verantwoordelijk is voor de organisatie van het uniforme financieringssysteem voor de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval overeenkomstig de in Deel A van de Uitvoeringsregeling vastgelegde bepalingen.

  • 2. De samenstelling alsmede de details van de organisatie en de werkwijze van het nationale instituut worden in nationale regelingen van de Verdragsluitende Staten vastgelegd. In het nationale instituut moeten vertegenwoordigers van de binnenvaartbranche zijn opgenomen.

  • 3. De bedrijfs- en administratiekosten van ieder nationaal instituut worden door de desbetreffende Verdragsluitende Staat gedragen.

Artikel 10 Internationale financiële verevening – Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan
  • 1. De internationale financiële verevening geschiedt op grond van dit Verdrag, alsmede aan de hand van Deel A van de Uitvoeringsregeling.

  • 2. Er wordt een internationaal verevenings- en coördinatieorgaan opgericht. Dit orgaan dient onder andere:

    • a) zorg te dragen voor de financiële verevening tussen de nationale instituten met betrekking tot de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval overeenkomstig de door haar op grond van Deel A van de Uitvoeringsregeling bepaalde procedure;

    • b) te toetsen in hoeverre het voorhanden zijnde net van ontvangstinrichtingen, met inachtneming van de behoeften van de scheepvaart en de economische doelmatigheid van de afvalverwijdering, aangepast dient te worden;

    • c) het in artikel 6 bedoelde financieringssysteem van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan de hand van de in de praktijk opgedane ervaringen jaarlijks te evalueren;

    • d) voorstellen voor te leggen voor de aanpassing van de hoogte van de verwijderingsbijdrage aan de kostenontwikkeling;

    • e) voorstellen voor te leggen in hoeverre ten aanzien van de hoogte van de verwijderingsbijdrage rekening moet worden gehouden met technische maatregelen ter voorkoming van afval.

    Dit orgaan bestaat uit twee vertegenwoordigers van elk nationaal instituut, waarvan één afkomstig dient te zijn uit de nationale binnenvaartbranche.

  • 3. Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan stelt een huishoudelijk reglement op dat met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld en waarin de nadere details van de internationale financiële verevening worden vastgelegd.

  • 4. De organisatie van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan is in Deel A van de Uitvoeringsregeling vastgelegd.

  • 5. Het secretariaat van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan wordt gevoerd door het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

  • 6. De kosten van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan, worden vooraf aan de hand van een begroting voor het volgende jaar geraamd, waaraan de Verdragsluitende Staten voor gelijke delen bijdragen.

VERPLICHTINGEN EN RECHTEN VAN DE BETROKKENEN

Artikel 11 Algemene zorgplicht

De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord, de verlader, de vervoerder, de ladingontvanger, de exploitanten van overslaginstallaties, alsmede de exploitanten van ontvangstinrichtingen moeten de door de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid betrachten om verontreiniging van de vaarwegen te voorkomen, de hoeveelheid scheepsafval zo gering mogelijk te houden en vermenging van verschillende afvalsoorten zo veel mogelijk te voorkomen.

Artikel 12 Verplichtingen en rechten van de schipper
  • 1. De schipper kan het scheepsafval aan de ontvangstinrichtingen van elke Verdragsluitende Staat afgeven onder de in de Uitvoeringsregeling opgenomen voorwaarden.

  • 2. De schipper dient de in de Uitvoeringsregeling opgenomen verplichtingen na te komen. Hij dient in het bijzonder, behoudens de in de Uitvoeringsregeling opgenomen uitzonderingen, het verbod om vanaf het schip scheepsafval en delen van de lading in de vaarweg te brengen dan wel te lozen, in acht te nemen.

  • 3. Indien de schipper niet verantwoordelijk gesteld kan worden, kunnen achtereenvolgens de vervoerder, de exploitant van het schip of de scheepseigenaar voor het nakomen van de verplichtingen in dit Verdrag verantwoordelijk worden gesteld.

Artikel 13 Verplichtingen van de vervoerder, de verlader en de ladingontvanger alsmede van de exploitanten van overslaginstallaties en ontvangstinrichtingen
  • 1. De vervoerder, de verlader, de ladingontvanger, alsmede de exploitanten van overslaginstallaties en ontvangstinrichtingen dienen ieder hun verplichtingen overeenkomstig de Uitvoeringsregeling na te komen.

  • 2. De ladingontvanger is verplicht restlading, overslagresten en afval van de lading aan te nemen. Hij kan daartoe een derde machtigen.

CONFERENTIE DER VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

Artikel 14 Organisatie en bevoegdheid
  • 1. De Verdragsluitende Partijen richten een Conferentie der Verdragsluitende Partijen op die met het toezicht op de uitvoering van dit Verdrag is belast. Deze Conferentie komt eenmaal per jaar bijeen. De Conferentie kan op verzoek van ten minste twee Verdragsluitende Partijen voor een buitengewone vergadering bijeengeroepen worden.

  • 2. De Conferentie toetst wijzigingen van dit Verdrag en van de bij het Verdrag behorende bijlagen en beslist hierover, overeenkomstig de in artikel 19 neergelegde procedure.

  • 3. De Conferentie besluit op voorstel van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan over:

    • a) de jaarlijkse financiële verevening;

    • b) de vaststelling van de verwijderingsbijdrage voor het komende jaar, overeenkomstig de in artikel 6 vastgelegde procedure;

    • c) wijzigingen van de voorlopige en jaarlijkse financiële vereveningsprocedure;

    • d) verlaging van de verwijderingsbijdrage in verband met technische maatregelen tot het voorkomen van afval op schepen.

    Op voorstel van het internationale verevenings- en coördinatieorgaan doet de Conferentie aanbevelingen aan de Verdragsluitende Staten ten aanzien van aanpassingen van het voorhanden zijnde net van ontvangstinrichtingen.

  • 4. De Conferentie beslecht geschillen met betrekking tot de uitlegging en toepassing van dit Verdrag, alsmede geschillen ontstaan binnen het internationale verevenings- en coördinatieorgaan, zonder dat hierdoor de lopende, voorlopige financiële verevening wordt opgeschort.

  • 5. De Conferentie stelt een huishoudelijk reglement op, dat met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld.

  • 6. De Conferentie stelt voor het volgende jaar een begroting op, waaraan de Verdragsluitende Staten voor gelijke delen bijdragen.

Artikel 15 Secretariaat

Ter uitvoering van dit Verdrag wordt het Secretariaat van de Conferentie der Verdragsluitende Partijen gevoerd door het Secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

SANCTIES

Artikel 16 Sancties

De Verdragsluitende Staten vervolgen de op hun grondgebied begane overtredingen van de in dit Verdrag en zijn Uitvoeringsregeling vastgelegde ge- en verboden overeenkomstig de desbetreffende nationale regelingen.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 17 Ondertekening, bekrachtiging, toetreding
  • 1. Dit Verdrag is voor ondertekening opengesteld van 1 juni 1996 tot en met 30 september 1996 voor de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat.

  • 2. Dit Verdrag vereist de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de ondertekenende Staten. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

  • 3. Na inwerkingtreding staat dit Verdrag open voor toetreding door alle Staten waarvan de voor de binnenvaart openstaande vaarwegen met die van de Verdragsluitende Staten in verbinding staan. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

Artikel 18 Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ondertekenende Staten. Het treedt voor elke andere Verdragsluitende Partij in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de nederlegging van de akte van toetreding door die Verdragsluitende Partij.

Artikel 19 Wijzigingen van het Verdrag en de bijlagen daarbij
  • 1. Iedere Verdragsluitende Partij kan wijzigingen van dit Verdrag en de bijlagen daarbij voorstellen. De voorstellen tot wijziging worden op de Conferentie der Verdragsluitende Partijen getoetst.

  • 2. De tekst van elk voorstel tot wijziging alsmede de onderbouwing van dit voorstel worden aan de depositaris voorgelegd, die het voorstel uiterlijk drie maanden voor aanvang van de Conferentie aan de Verdragsluitende Partijen ter kennis brengt. Alle met betrekking tot een voorstel binnengekomen standpunten worden door de depositaris aan de Verdragsluitende Partijen ter kennis gebracht.

  • 3. Wijzigingen van dit Verdrag en van de bijlagen daarbij worden met eenparigheid van stemmen aangenomen.

  • 4. Wijzigingen van dit Verdrag vereisen de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de Verdragsluitende Partijen. Zij treden in werking op de eerste dag van de zesde maand volgende op de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

  • 5. Wijzigingen van de bijlagen van dit Verdrag treden in werking op de overeengekomen datum, uiterlijk negen maanden na de aanneming, voor zover geen van de Verdragsluitende Partijen binnen zes maanden mededeelt dat zij niet instemt met de wijzigingen.

Artikel 20 Opzegging
  • 1. Dit Verdrag kan na het verstrijken van vijf jaar vanaf de dag waarop het Verdrag voor de desbetreffende Verdragsluitende Partij in werking is getreden door een Verdragsluitende Partij te allen tijde worden opgezegd door een aan de depositaris gerichte mededeling.

  • 2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een jaar vanaf de datum van ontvangst van de mededeling, echter niet eerder dan na afsluiting van de jaarlijkse financiële verevening met betrekking tot het voorafgaande boekjaar, dan wel na het verstrijken van een in de mededeling bepaalde langere termijn.

Artikel 21 Depositaris
  • 1. De Secretaris-Generaal van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart is de depositaris van dit Verdrag. Deze zorgt voor een protocol van de nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding en zendt alle in artikel 17, eerste lid, genoemde Partijen alsmede alle Partijen die zijn toegetreden tot dit Verdrag, een gewaarmerkt afschrift van deze akten en van het protocol van nederlegging toe.

  • 2. De depositaris zendt alle in artikel 17, eerste lid, genoemde Partijen alsmede alle Partijen, die tot dit Verdrag zijn toegetreden, gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag in de in artikel 22 genoemde talen.

  • 3. De depositaris zendt alle in artikel 17, eerste lid, genoemde Partijen alsmede alle Partijen die tot dit Verdrag zijn toegetreden, dan wel deelt hen mede:

    • a) iedere volgende ondertekening, alsmede de dag waarop deze ondertekening heeft plaatsgevonden;

    • b) de in artikel 19, tweede lid, bedoelde documenten;

    • c) de teksten van iedere wijziging van dit Verdrag en van de bijlagen daarbij in de in artikel 22 genoemde talen;

    • d) de dag van de inwerkingtreding van dit Verdrag, alsmede van de wijzigingen van dit Verdrag en van de bijlagen bij dit Verdrag;

    • e) mededelingen van de Verdragsluitende Partijen dat zij met een wijziging van de bijlagen niet instemmen en iedere andere mededeling die ingevolge enig artikel van dit Verdrag voorgeschreven is;

    • f) iedere opzegging van dit Verdrag en de dag waarop deze in werking treedt.

Artikel 22 Talen

Dit Verdrag is opgesteld in een enkel origineel exemplaar in de Nederlandse, Duitse en Franse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE waarvan de hiertoe naar behoren gemachtigde ondertekenaars dit Verdrag hebben ondertekend,

GEDAAN te Straatsburg, op 9 september 1996.


Bijlage 1
Behorende bij het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart

Vaarwegen als bedoeld in artikel 2

Duitsland:

Alle voor het openbaar verkeer openstaande binnenvaarwegen.

België:

Alle voor de binnenvaart openstaande wateren.

Frankrijk:

Deel A van de Uitvoeringsregeling: Rijn, gekanaliseerde Moezel tot Metz (km 298,5).

Delen B en C van de Uitvoeringsregeling: Rijn, gekanaliseerde Moezel tot Neuves-Maisons (km 392,45), kanaal Niffer-Mulhouse, het kanaal tussen de sluis van Pont Malin (km 0,0) en de Frans-Belgische grens (km 36,561), het kanaal bestemd voor grote schepen, tussen de sluis van Pont Malin (km 0,0) en de sluis van Mardyck (km 143,075), het kanaal tussen Bauvin (km 0,0) en de Frans-Belgische grens (km 33,850).

Groothertogdom Luxemburg:

Moezel

Nederland:

Alle voor de binnenvaart openstaande wateren.

Zwitserland:

Rijn tussen Basel en Rheinfelden.


Bijlage 2
Behorende bij het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart

Uitvoeringsregeling

Deel A Verzameling, afgifte en inname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval.

Deel B Verzameling, afgifte en inname van afval van de lading.

Deel C Verzameling, afgifte en inname van overig scheepsbedrijfs afval.

Aanhangsels:

I. Model voor een olie-afgifteboekje.

II. Eisen aan het nalenssysteem.

III. Losstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften voor het toestaan van lozing van waswater, regenwater en ballastwater met ladingrestanten.

IV. Model voor een losverklaring.

V. Grens- en controlewaarden voor boordzuiveringsinstallaties van passagiersschepen.

DEEL A VERZAMELING, AFGIFTE EN INNAME VAN OLIE- EN VETHOUDEND SCHEEPSBEDRIJFSAFVAL

HOOFDSTUK I VERPLICHTINGEN VAN DE ONTVANGSTINRICHTING
Artikel 1.01 Bevestiging van afgifte

De exploitanten van ontvangstinrichtingen tekenen de afgifte van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval door een schip aan in het olie-afgifteboekje, overeenkomstig het model in Aanhangsel I.

HOOFDSTUK II VERPLICHTINGEN VAN DE SCHIPPER
Artikel 2.01 Verbod van inbrenging en lozing
  • 1. Het is verboden olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval vanaf schepen in de vaarweg te brengen of te lozen.

  • 2. Indien het in het eerste lid genoemde afval of afvalwater vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval, alsmede hoeveelheid en aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.

  • 3. Van het in het eerste lid genoemde verbod is uitgezonderd het lozen in de vaarweg door toegelaten bilgeboten van van olie gescheiden water, indien het maximale restoliegehalte in het afgescheiden water constant en zonder voorafgaande verdunning voldoet aan de nationale voorschriften.

Artikel 2.02 Verzameling en behandeling aan boord

De schipper dient zeker te stellen dat olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval aan boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs respectievelijk het bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld. De verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt kunnen worden en het lekken gestopt kan worden.

Het is verboden:

  • a) los aan dek staande verzamelreservoirs te gebruiken voor de opslag van afgewerkte olie;

  • b) afval aan boord te verbranden;

  • c) reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd reinigingsmiddelen die de verwerking van het bilgewater door de ontvangstinrichtingen niet bemoeilijken.

Artikel 2.03 Olie-afgifteboekje, afgifte aan ontvangstinrichtingen
  • 1. Elk gemotoriseerd schip moet, indien het gasolie gebruikt, een geldig olie-afgifteboekje, volgens het model opgenomen in Aanhangsel I, aan boord hebben, dat door de bevoegde autoriteit wordt verstrekt. Dit olie-afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na verkrijging van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande olie-afgifteboekje ten minste zes maanden na de laatste daarin opgenomen vermelding van afgifte aan boord worden bewaard.

  • 2. Olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval moet met regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip afhankelijke, tussenpozen tegen ontvangstbewijs worden afgegeven aan de ontvangstinrichtingen. Het bewijs bestaat in een aantekening door de ontvangstinrichting in het olie-afgifteboekje.

  • 3. Zeeschepen die beschikken over een oliejournaal ingevolge het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen (Marpol), zijn vrijgesteld van de verplichting tot het voeren van een olie-afgifteboekje als bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK III ORGANISATIE EN FINANCIERING VAN DE VERWIJDERING VAN OLIE- EN VETHOUDEND SCHEEPSBEDRIJFSAFVAL
Artikel 3.01 Heffing van de verwijderingsbijdrage
  • 1. De verwijderingsbijdrage bedraagt in het eerste jaar 7,5 ECU per 1000 l verkochte gasolie.

  • 2. De verwijderingsbijdrage wordt betaald door middel van zegels die bij een nationaal instituut zijn aangeschaft. De zegels worden door het internationale verevenings- en coördinatieorgaan uitgegeven.

  • 3. De schipper geeft bij het bunkeren een met de te betrekken hoeveelheid gasolie overeenkomende hoeveelheid zegels aan het bunkerbedrijf af.

  • 4. Het bunkerbedrijf maakt bij elke levering van gasolie het aantal zegels ongeldig dat overeenkomt met de waarde van de met de geleverde hoeveelheid gasolie overeenkomende verwijderingsbijdrage.

  • 5. De bunkerbedrijven moeten elk kwartaal de, tegen overlegging van zegels, geleverde hoeveelheid gasolie melden aan het nationale instituut of de op grond van nationale regelgeving bevoegde autoriteiten.

  • 6. De bijzonderheden van de procedure worden, na afstemming in het internationale verevenings- en coördinatieorgaan, op nationaal niveau vastgesteld.

Artikel 3.02 Nationaal instituut

Het nationale instituut heft de verwijderingsbijdrage en legt aan het internationale verevenings- en coördinatieorgaan voorstellen voor ter vaststelling van het vereiste nationale net van ontvangstinrichtingen. Het instituut heeft voorts in het bijzonder de taak, op internationaal eenvormige wijze, regelmatig de hoeveelheden verwijderd olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval, alsmede het totaal van de geheven verwijderingsbijdragen te registreren. Het nationale instituut of de op grond van nationale regelgeving bevoegde autoriteit ziet toe op de verwijderingskosten. Het nationale instituut is vertegenwoordigd in het internationale verevenings- en coördinatieorgaan en dient met name de door dit orgaan vastgestelde voorlopige en definitieve vereveningsbedragen op het daartoe vastgestelde tijdstip aan de andere nationale instituten af te dragen.

Artikel 3.03 Controle van de heffing van de verwijderingsbijdrage en van de kosten van inname en verwijdering
  • 1. Bij iedere afname van gasolie dient door het bunkerbedrijf een bunkerverklaring te worden opgemaakt. Deze verklaring moet ten minste de volgende gegevens bevatten: de naam van het schip, officieel scheepsnummer of een andere vermelding ter identificatie van het schip, naam van de schipper, betrokken/geleverde hoeveelheid gasolie, waarde van de afgegeven/ontvangen zegels, plaats en datum, handtekeningen van de schipper en het bunkerbedrijf.

    De schipper ontvangt een afschrift dat hij ten minste zes maanden aan boord moet bewaren. Een ander afschrift blijft bij het bunkerbedrijf, die het overeenkomende aantal zegels onlosmakelijk moet bijvoegen en ongeldig maken.

  • 2. De overeenstemming tussen de door de schepen betrokken hoeveelheden gasolie en de waarde van de afgegeven zegels wordt door het nationale instituut of door de op grond van nationale regelgeving bevoegde autoriteiten gecontroleerd aan de hand van de door de bunkerbedrijven over te leggen afschriften van de bunkerverklaringen.

  • 3. De op grond van nationale regelgeving bevoegde autoriteit kan aan boord van de schepen de betaling van de verwijderingsbijdrage alsmede de hoeveelheden verwijderde olie- en vethoudende scheepsbedrijfsafval controleren door vergelijking van de in de daartoe geëigende scheepsdocumenten aangetekende reizen met de in de bunkerverklaring vermelde gegevens.

  • 4. Het nationale instituut of de op grond van nationale regelgeving bevoegde autoriteit kan bij de ontvangstinrichtingen de gegevens met betrekking tot de verwijderde hoeveelheden, alsmede de kosten van verwijdering aan de hand van daartoe geëigende documenten controleren.

  • 5. De details van de procedure worden, na afstemming in het internationale verevenings- en coördinatieorgaan, op nationaal niveau vastgesteld.

HOOFDSTUK IV INTERNATIONALE FINANCIËLE VEREVENING
Artikel 4.01 Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan

Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan komt eenmaal per jaar in het laatste kwartaal bijeen, om te besluiten over de financiële verevening van het voorafgaande jaar en, in voorkomend geval, de Conferentie der Verdragsluitende Partijen een voorstel te doen tot wijziging van de hoogte van de verwijderingsbijdrage dan wel tot een eventueel noodzakelijke aanpassing van het aanwezige net van ontvangstinrichtingen, met inachtneming van de behoeften van de scheepvaart en de economische doelmatigheid van de afvalverwijdering. Het kan op elk moment bijeenkomen indien de vertegenwoordigers van twee nationale instituten daarom verzoeken.

Artikel 4.02 Voorlopige financiële verevening
  • 1. De nationale instituten melden het internationale verevenings- en coördinatieorgaan, volgens een eenvormig model, elk kwartaal, in ieder geval uiterlijk 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december:

    • a) de in het voorafgaande kwartaal ingenomen en verwijderde hoeveelheden olie- en vethoudend afval;

    • b) de totale inname- en verwijderingskosten voor de onder a aangegeven hoeveelheden;

    • c) de in het voorafgaande kwartaal aan de schepen afgegeven hoeveelheden gasolie;

    • d) het bedrag van de in het voorafgaande kwartaal geïnde verwijderingsbijdragen;

    • e) de financiële consequenties van de in artikel 6, eerste lid, vijfde zin, van dit Verdrag bedoelde maatregelen. De omrekening van de valuta’s geschiedt aan de hand van de op de genoemde peildata geldende wisselkoersen.

  • 2. Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan stelt, op grond van de ingevolge het eerste lid gedane mededelingen en de vereveningsprocedure, bedoeld in artikel 4.04, de voorlopige bedragen van de kwartaalverevening vast en deelt deze binnen vier weken na ontvangst van de mededelingen aan de nationale instituten mede.

  • 3. De nationale instituten die in het kader van de kwartaalverevening een betaling moeten verrichten, zijn verplicht dit bedrag binnen vier weken na ontvangst van de betalingsvordering te voldoen aan de nationale instituten die recht hebben op de betaling.

Artikel 4.03 Jaarlijkse financiële verevening
  • 1. De nationale instituten leggen hun jaarrekening met betrekking tot het voorafgaande jaar uiterlijk op 1 augustus van het lopende jaar aan het internationale verevenings- en coördinatieorgaan voor. Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan stelt op zijn gewone vergadering de financiële verevening voor het voorafgaande jaar vast.

  • 2. De nationale instituten zijn verplicht de vereveningsbetalingen op grond van de definitieve financiële verevening voor het voorafgaande jaar overeenkomstig artikel 4.02, derde lid, te verrichten. De omrekening van de valuta’s geschiedt aan de hand van de op 31 december van het voorafgaande jaar geldende wisselkoersen.

Artikel 4.04 Procedure van financiële verevening
  • 1. De financiële verevening ingevolge de artikelen 4.02 en 4.03 wordt voor elk nationale instituut als volgt berekend:

    waarbij verstaan moet worden onder

    Cn

    =

    vereveningsbedrag voor een nationaal instituut N;

    positief: het instituut heeft recht op een vereveningsbetaling;

    negatief: het instituut is verplicht tot het doen van een vereveningsbetaling

    Xn

    =

    door een nationaal instituut N geïnde verwijderingsbijdragen ingevolge artikel 4.02, eerste lid.

    Zn

    =

    daadwerkelijke inname- en verwijderingskosten van een nationaal instituut N ingevolge artikel 4.02, eerste lid.

    ∑ Xn

    =

    som van de door alle nationale instituten geïnde verwijderingsbijdragen.

    ∑ Zn

    =

    som van de daadwerkelijke inname- en verwijderingskosten van alle nationale instituten.

  • 2. Vereveningsbedragen Cn die lager zijn dan een bepaald minimumpercentage van de door een nationaal instituut N geïnde verwijderingsbijdragen, worden niet verevend. Het minimumpercentage wordt door het internationale verevenings- en coördinatieorgaan vastgesteld.

DEEL B VERZAMELING, AFGIFTE EN INNAME VAN AFVAL VAN DE LADING

HOOFDSTUK V ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 5.01 Begripsbepalingen

In dit deel wordt verstaan onder

a) „eenheidstransporten”:

transporten waarbij tijdens opeenvolgende reizen in het laadruim of de ladingtank van het schip dezelfde lading of andere lading, waarvan het transport geen reiniging van het laadruim of de ladingtank vereist, wordt vervoerd;

b) „restlading”:

vloeibare lading die na het lossen, zonder gebruikmaking van een nalenssysteem in de ladingtank en in het leidingsysteem achterblijft, alsmede droge lading die na het lossen zonder gebruikmaking van bezems, veegmachines of vacuümreinigers in het laadruim achterblijft;

c) „ladingrestanten”:

vloeibare lading die niet door het nalenssysteem uit de ladingtank en het leidingsysteem verwijderd kan worden, alsmede droge lading die niet door gebruikmaking van veegmachines, bezems of vacuümreinigers uit het laadruim verwijderd kan worden;

d) „nalenssysteem”:

systeem voor het zo volledig mogelijk legen van de ladingtanks en het leidingsysteem, overeenkomstig Aanhangsel II, waarbij slechts de niet lensbare ladingrestanten achterblijven;

e) „overslagresten”:

lading die bij de overslag buiten het laadruim op het schip terechtkomt;

f) „bezemschoon laadruim”:

laadruim waaruit de restlading is verwijderd met behulp van reinigingsapparaten, zoals bezems en veegmachines, doch zonder gebruikmaking van zuigende of spoelende apparaten, en waarin zich nog slechts ladingrestanten bevinden;

g) „nagelensde ladingtank”:

ladingtank waaruit de restlading met behulp van een nalenssysteem is verwijderd en waarin zich nog slechts ladingrestanten bevinden;

h) „vacuümschoon laadruim”:

laadruim waaruit de restlading door middel van afzuiging is verwijderd en waarin zich beduidend minder ladingrestanten bevinden dan in een bezemschoon laadruim;

i) „nalossen”: het verwijderen van restlading uit de laadruimen, ladingtanks en leidingsystemen met behulp van daartoe geschikte middelen (bijv. bezems, veegmachines, afzuiging, nalenssysteem), waardoor de losstandaard: „bezemschoon laadruim” of „vacuümschoon laadruim” of „nagelensde ladingtank”

wordt verkregen, alsmede het verwijderen van overslagresten en verpakkings- en stuwmateriaal;

j) „wassen”:

het verwijderen van ladingrestanten uit een bezemschoon of een vacuümschoon laadruim dan wel uit een nagelensde ladingtank door middel van gebruik van stoom of water;

k) „wasschoon laadruim of wasschone ladingtank”:

een laadruim of een ladingtank die na het wassen in beginsel voor elke soort lading geschikt is;

l) „waswater”:

water dat gebruikt is bij het wassen van een bezemschoon of vacuümschoon laadruim dan wel een nagelensde ladingtank. Hiertoe wordt eveneens gerekend het ballastwater en regenwater dat uit deze laadruimen of ladingtanks komt.

Artikel 5.02 Verplichting van de Verdragsluitende Staten

De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe om binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit Verdrag de infrastructurele en andere voorzieningen voor de afgifte en inname van restlading, overslagresten, ladingrestanten en waswater tot stand te brengen dan wel te laten brengen.

Artikel 5.03 Zeeschepen

Dit Deel B geldt niet voor het laden en lossen van zeeschepen in zeehavens aan zeetoegangswegen.

HOOFDSTUK VI VERPLICHTINGEN VAN DE SCHIPPER
Artikel 6.01 Verbod tot inbrengen en lozen
  • 1. Het is verboden vanaf schepen delen van de lading, alsmede afval van de lading in de vaarweg te brengen dan wel te lozen.

  • 2. Van het in het eerste lid bedoelde verbod is uitgezonderd waswater met ladingrestanten van stoffen, ten aanzien waarvan in Aanhangsel III uitdrukkelijk is bepaald dat zij mogen worden geloosd, indien de bepalingen van dit aanhangsel in acht zijn genomen.

  • 3. Indien stoffen ten aanzien waarvan in Aanhangsel III uitsluitend een afgifte ter bijzondere behandeling voorgeschreven is, vrijkomen of dreigen vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.

  • 4. De bevoegde nationale autoriteit beoordeelt de geoorloofdheid van de lozing of inbrenging van afval van de lading van stoffen die niet zijn vermeld in de Stoffenlijst opgenomen in Aanhangsel III van de Uitvoeringsregeling en stelt een voorlopige lozingsstandaard vast.

  • 5. De Conferentie der Verdragsluitende Partijen toetst dit voorstel en gaat eventueel over tot uitbreiding van de Stoffenlijst.

Artikel 6.02 Overgangsbepalingen
  • 1. Gedurende een overgangstermijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag geldt

    • a) indien het droge lading betreft:

      • in plaats van de in Aanhangsel III vereiste losstandaard „va cuümschoon” is de losstandaard „bezemschoon” toegestaan;

      • waswater dat overeenkomstig Aanhangsel III in de riolering gebracht moet worden, mag in de vaarweg geloosd worden, indien voldaan is aan de losstandaard „bezemschoon”;

    • b) indien het vloeibare lading betreft:

      • het nalenzen van ladingtanks ingevolge artikel 7.04 is niet vereist, doch beschikbare systemen moeten zoveel mogelijk worden gebruikt, ook wanneer deze systemen nog niet voldoen aan het bepaalde in Aanhangsel II.

  • 2. Indien is voldaan aan de voorwaarden voor het naleven van de losstandaard „vacuümschoon”, voor de afgifte van waswater aan ontvangstinrichtingen dan wel voor het nalenzen van tankschepen, kan de bevoegde nationale autoriteit voor haar bevoegdheidsgebied dan wel delen van haar bevoegdheidsgebied reeds voor het einde van de overgangstermijn voorschrijven dat de bepalingen van Aanhangsel III voor de desbetreffende goederensoorten onverkort worden toegepast. Zij stelt de Conferentie der Verdragsluitende Partijen hiervan vooraf op de hoogte.

Artikel 6.03 Losverklaring
  • 1. Ieder schip dat binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag is gelost, moet een geldige losverklaring aan boord hebben overeenkomstig het in Aanhangsel IV opgenomen model. Deze losverklaring moet ten minste zes maanden na afgifte aan boord worden bewaard. Bij schepen zonder vaste bemanning mag de losverklaring ook op een andere plaats dan aan boord door de vervoerder worden bewaard.

  • 2. Bij het nalossen alsmede bij de afgifte en inname van afval van de lading moeten de losstandaarden en de afgifte- en innamevoorschriften overeenkomstig Aanhangsel III in acht worden genomen.

  • 3. Het schip mag na het laden de reis pas voortzetten, nadat de schipper zich ervan overtuigd heeft dat de overslagresten zijn verwijderd.

  • 4. Het schip mag na het lossen de reis pas voortzetten, nadat de schipper in de losverklaring heeft bevestigd dat restlading alsmede overslagresten zijn overgenomen.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op schepen die eenheidstransporten uitvoeren.

  • 6. Indien laadruimen of ladingtanks gewassen worden en indien het waswater ingevolge de losstandaarden en de afgifte- en innamevoorschriften ingevolge Aanhangsel III niet in het water mag worden geloosd, mag het schip de reis pas voortzetten nadat de schipper in de losverklaring heeft bevestigd dat dit waswater overgenomen is dan wel dat hem een ontvangstinrichting is aangewezen.

HOOFDSTUK VII VERPLICHTINGEN VAN DE VERVOERDER, DE VERLADER, DE LADINGONTVANGER EN DE EXPLOITANT VAN DE OVERSLAGINSTALLATIE
Artikel 7.01 Bevestiging van de inname
  • 1. De ladingontvanger geeft ten aanzien van het schip in de losverklaring bedoeld in artikel 6.03, de bevestiging inzake het lossen, het nalossen en, voor zover hij daartoe verplicht is, het wassen van de laadruimen of ladingtanks, alsmede de inname van afval van de lading dan wel eventueel de toewijzing van een ontvangstinrichting.

  • 2. Voor zover de ladingontvanger het waswater, dat niet in de vaarweg geloosd mag worden, niet zelf aanneemt, bevestigt de exploitant van de ontvangstinrichting het schip de inname van het waswater.

Artikel 7.02 Beschikbaarstelling van het schip
  • 1. De vervoerder stelt de verlader het schip met een zodanige losstandaard ter beschikking dat de lading onbelemmerd vervoerd en afgeleverd kan worden. Dat is in de regel het geval met een losstandaard „laadruim bezemschoon” of „nagelensde ladingtank” en wanneer het schip vrij van overslagresten is.

  • 2. Een hogere losstandaard of beschikbaarstelling na wassen kan vooraf worden overeengekomen.

  • 3. Bij aanvang van het laden wordt het schip geacht door de vervoerder ter beschikking te zijn gesteld in de toestand welke overeenkomt met de eisen van het eerste of tweede lid.

Artikel 7.03 Laden en lossen
  • 1. Tot het laden en lossen van een schip behoren ook de maatregelen tot nalossen en wassen, die ingevolge dit Deel B zijn vereist. De restlading behoort zo veel mogelijk aan de lading te worden toegevoegd.

  • 2. Bij het laden draagt de verlader er zorg voor dat het schip vrij van overslagresten blijft. Zijn echter toch overslagresten ontstaan, dan draagt de verlader na het laden zorg voor de verwijdering van deze overslagresten, tenzij iets anders is overeengekomen.

  • 3. Bij het lossen draagt de ladingontvanger er zorg voor dat het schip vrij van overslagresten blijft. Zijn echter toch overslagresten ontstaan, dan draagt de ladingontvanger zorg voor de verwijdering. Overslagresten behoren zo veel mogelijk aan de lading te worden toegevoegd.

Artikel 7.04 Oplevering van het schip
  • 1. Bij droge lading dient de ladingontvanger ervoor te zorgen dat na het lossen, overeenkomstig de losstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften bedoeld in Aanhangsel III, het laadruim bezemschoon dan wel vacuümschoon ter beschikking wordt gesteld. Hij is verplicht aanwezige restlading alsmede overslagresten van het geloste schip in ontvangst te nemen. Bij vloeibare lading dient de verlader ervoor te zorgen dat na het lossen de ladingtank nagelensd ter beschikking wordt gesteld. Het lossen met inbegrip van het nalossen met behulp van een nalenssysteem wordt door de schipper uitgevoerd, tenzij in de vervoersovereenkomst iets anders is overeengekomen. De leiding voor de inname van restlading dient van een aansluiting overeenkomstig model 1 van Aanhangsel II te zijn voorzien. Bij gebruik van het nalenssysteem aan boord van het schip mag vóór het moment van nalenzen de tegendruk in het buizenstelsel van de ladingontvanger 3 bar niet overschrijden. De exploitant van de overslaginstallatie is verplicht de restlading in ontvangst te nemen.

  • 2. Bij droge lading is de ladingontvanger, bij vloeibare lading is de verlader verplicht voor een wasschoon laadruim respectievelijk wasschone ladingtank te zorgen, indien:

    • a) het schip voor de laatste belading deze reinigingstoestand had en dit, indien de ladingontvanger tot wassen verplicht is, in de losverklaring van de voorgaande lossing wordt aangetoond, en

    • b) het schip goederen heeft vervoerd waarvan de ladingrestanten overeenkomstig de losstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften van Aanhangsel III niet met het waswater in het water geloosd mogen worden.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op laadruimen en ladingtanks van schepen die eenheidstransporten uitvoeren.

  • 4. Indien de ladingontvanger of de verlader het schip na de overeengekomen lostijd of de overeengekomen ligdagen niet overeenkomstig de bepalingen van dit artikel alsmede van artikel 7.03 aflevert, kan de vervoerder het schip in de voorgeschreven toestand brengen dan wel laten brengen. De kosten hiervoor, met inbegrip van de daardoor ontstane liggelden, voor zover deze niet op een toerekenbare tekortkoming van de vervoerder terug te voeren zijn, komen ten laste van de ladingontvanger of de verlader.

Artikel 7.05 Ladingrestanten en waswater
  • 1. Bij droge lading is de ladingontvanger verplicht het waswater in ontvangst te nemen dat na het wassen overeenkomstig artikel 7.04, tweede lid, is ontstaan, dan wel na overleg met de vervoerder de schipper een ontvangstinrichting toe te wijzen.

  • 2. Bij vloeibare lading is de verlader verplicht de vervoerder in de vervoersovereenkomst een ontvangstinrichting toe te wijzen voor het waswater, dat na het wassen overeenkomstig artikel 7.04, tweede lid, ontstaat.

  • 3. Deze ontvangstinrichting behoort zich in de nabijheid van de overslaginstallatie of langs de weg naar de volgende door het schip aan te lopen overslaginstallatie te bevinden.

Artikel 7.06 Kosten
  • 1. Bij droge lading draagt de ladingontvanger de kosten van het nalossen en het wassen van het laadruim ingevolge artikel 7.04 en de kosten van inname van waswater ingevolge artikel 7.05, eerste lid, met inbegrip van de daardoor ontstane kosten voor wachttijden en omwegen. Dat geldt ook voor regenwater dat in de laadruimen is geraakt nadat met het laden is begonnen doch voordat het lossen overeenkomstig artikel 7.03, eerste lid, is beëindigd, indien niet was overeengekomen dat het vervoer afgedekt zou plaatsvinden.

  • 2. Bij eenheidstransporten voor dezelfde verlader neemt deze op eigen kosten vóór het beladen het regenwater in ontvangst, dat na beëindiging van de voorafgaande lossing in het laadruim terecht is gekomen.

  • 3. Bij vloeibare lading draagt de verlader de kosten van het nalossen en van het wassen van de ladingtanks overeenkomstig artikel 7.04, en de kosten van de inname van waswater ingevolge artikel 7.05, tweede lid, met inbegrip van de eventueel daardoor ontstane kosten voor wachttijden en omwegen.

  • 4. De kosten van afgifte van waswater uit laadruimen en ladingtanks die niet met de voorgeschreven losstandaarden overeenstemmen, komen ten laste van de vervoerder.

Artikel 7.07 Overeenkomst tussen de verlader en de ladingontvanger

Verlader en ladingontvanger kunnen onderling ook een verdeling van hun verplichtingen overeenkomen, die afwijkt van de in deze bijlage beschreven verdeling van verplichtingen, zonder dat dit gevolgen mag hebben voor de vervoerder.

Artikel 7.08 Overgang van rechten en verplichtingen van de verlader of de ladingontvanger op de exploitant van de overslaginstallatie

Indien de verlader of de ladingontvanger bij het laden of het lossen van het schip gebruik maakt van een overslaginstallatie, gaan de rechten en verplichtingen van de verlader of de ladingontvanger, zoals neergelegd in de artikelen 7.01, eerste lid, alsmede 7.03, 7.04 en 7.05, over op de exploitant van de overslaginstallatie. Met betrekking tot de kosten bedoeld in artikel 7.06 geldt dit slechts voor de verwijdering en inname van de overslagresten.

Artikel 7.09 Vervoersdocumenten

De verlader vermeldt in de vervoersovereenkomst en in de vervoersdocumenten de naam en het vier-cijferige nummer volgens Aanhangsel III van elke goederensoort die hij voor vervoer heeft aangeboden.

DEEL C VERZAMELING, AFGIFTE EN INNAME VAN OVERIG SCHEEPSBEDRIJFSAFVAL

HOOFDSTUK VIII ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 8.01 Begripsbepalingen

In dit deel wordt verstaan onder:

a) „huishoudelijk afvalwater”:

afvalwater uit keukens, eetruimten, wasruimten en bijkeukens, alsmede toiletwater;

b) „huisvuil”:

organisch en anorganisch afval afkomstig uit het huishouden en van restaurants, echter zonder bestanddelen van het overig gedefinieerde scheepsbedrijfsafval;

c) „zuiveringsslib”:

restanten, die bij gebruik van een zuiveringsinstallatie aan boord van het schip ontstaan;

d) „slops”:

verpompbaar of niet verpompbaar mengsel bestaande uit ladingrestanten met waswaterrestanten, roest of slib;

e) „klein gevaarlijk afval”:

scheepsbedrijfsafval, met uitzondering van het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en de in de onderdelen a tot en met d genoemde afvalsoorten;

f) „hotelschip”:

een passagiersschip met hutten voor de overnachting van passagiers.

Artikel 8.02 Verplichtingen van de Verdragsluitende Staten
  • 1. De Verdragsluitende Staten zijn verplicht ontvangstinrichtingen voor huisvuil ter beschikking te stellen of ter beschikking te laten stellen:

    • a) bij de overslaginstallaties of in havens,

    • b) aan de aanlegplaatsen voor passagiersschepen voor de daar aanleggende passagiers schepen,

    • c) bij bepaalde ligplaatsen en sluizen voor de doorgaande scheepvaart.

  • 2. De Verdragsluitende Staten zijn verplicht, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, voor slops en klein gevaarlijk afval ontvangstinrichtingen in havens in te richten of te laten inrichten.

  • 3. De Verdragsluitende Staten verplichten zich overeenkomstig de voorschriften van artikel 4, eerste lid, van dit Verdrag vóór de in artikel 9.01, derde lid, genoemde tijdstippen ontvangstinrichtingen voor huishoudelijk afvalwater in te richten of te laten inrichten bij bepaalde als vaste of voor overnachting dienende ligplaatsen van: a) hotelschepen met meer dan 50 slaapplaatsen, b) passagiersschepen die toegelaten zijn voor het vervoer van meer dan 50 passagiers.

HOOFDSTUK IX VERPLICHTINGEN VAN DE SCHIPPER
Artikel 9.01 Verbod tot inbrengen en lozen
  • 1. Het is verboden huisvuil, slops, zuiveringsslib en klein gevaarlijk afval vanaf schepen in de vaarweg te brengen of te lozen.

  • 2. Indien het in het eerste lid genoemde afval vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.

  • 3. De lozing van huishoudelijk afvalwater is verboden:

    • a) voor hotelschepen met meer dan 50 slaapplaatsen, met ingang van 1 januari 2005;

    • b) voor andere passagiersschepen, die toegelaten zijn voor het vervoer van meer dan 50 passagiers, met ingang van 1 januari 2010.

    Voor het overige is de lozing van huishoudelijk afvalwater in het water toegestaan.

  • 4. Het in het derde lid genoemde verbod geldt niet voor passagiersschepen die beschikken over toegelaten zuiveringsinstallaties, welke voldoen aan de grens- en controlewaarden zoals opgenomen in Aanhangsel V.

  • 5. Het in het derde lid genoemde verbod geldt niet voor zeeschepen in zeehavens aan zeetoegangswegen die moeten voldoen aan de bepalingen van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen (Marpol).

Artikel 9.02 Afwijkingen van het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater

De Verdragsluitende Staten kunnen voor schepen als bedoeld in artikel 9.01, derde lid, voor welke de nakoming van het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater praktisch moeilijk uitvoerbaar is of onredelijk hoge kosten met zich meebrengt, een passend regime voor uitzonderingsmogelijkheden overeenkomen en de voorwaarden vastleggen waaronder deze uitzonderingen als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt.

Artikel 9.03 Verzameling en behandeling aan boord, afgifte aan ontvangstinrichtingen
  • 1. De schipper dient zeker te stellen dat het in artikel 9.01, eerste lid, genoemde afval gescheiden wordt verzameld en afgegeven. Huisvuil dient, indien mogelijk, gescheiden naar de categorieën papier, glas, overige her te gebruiken stoffen en overig afval te worden afgegeven.

  • 2. Het is verboden het in artikel 9.01, eerste lid, genoemde afval aan boord te verbranden.

  • 3. De exploitanten van passagiersschepen die over boordzuiveringsinstallaties beschikken welke voldoen aan Aanhangsel V, dienen zelf op passende wijze te zorgen voor de correcte afgifte van het zuiveringsslib tegen ontvangstbewijs volgens de nationale voorschriften.

HOOFDSTUK X VERPLICHTINGEN VAN DE EXPLOITANT VAN DE ONTVANGSTINRICHTING
Artikel 10.01 Inname door de ontvangstinrichtingen
  • 1. De exploitant van de ontvangstinrichting dient zeker te stellen dat het in artikel 9.01, eerste lid, genoemde afval gescheiden afgegeven kan worden.

  • 2. De exploitant van de ontvangstinrichting geeft de schipper overeenkomstig de nationale voorschriften een verklaring inzake de afgifte van slops.



Aanhangsels

Aanhangsel I
Behorende bij de Uitvoeringsregeling

Model voor het olie-afgifteboekje

Olie-afgifteboekje

Bladzijde 1

Afgifte van het olie-afgifteboekje

Het eerste olie-afgifteboekje, daartoe op bladzijde 1 voorzien van het volgnummer 1, wordt slechts afgegeven door de autoriteit die het scheepsattest heeft afgegeven. Deze autoriteit vult tevens de gegevens op bladzijde 1 in.

Alle volgende olie-afgifteboekjes worden door een plaatselijke bevoegde autoriteit uitgegeven nadat deze daarop het aansluitende volgnummer heeft aangebracht. Ieder volgend olie-afgifteboekje mag echter slechts na overlegging van het vorige boekje worden afgegeven. Het vorige boekje wordt, nadat het op onuitwisbare wijze is voorzien van een aanduiding „ongeldig”, aan de schipper teruggegeven. Het moet na de laatste vermelding van een afgifte gedurende zes maanden aan boord worden bewaard.

Bladzijde 2

en volgende


Aanhangsel II
Behorende bij de Uitvoeringsregeling

(Artikel 5.01, onderdeel d)

Eisen aan het nalenssysteem

  • 1. Het nalenssysteem moet vast op het schip geïnstalleerd zijn.

  • 2. De walaansluiting van de laad- en losleiding, waarmee geladen of gelost wordt, moet voorzien zijn van een inrichting voor de afgifte van restlading overeenkomstig model 1.

  • 3. Het nalenssysteem moet voor de ingebruikname met water als beproevingsmiddel door een door de bevoegde autoriteiten toegelaten onderzoeksbureau worden beproefd. Beproeving en vaststelling van de resthoeveelheden moeten geschieden overeenkomstig model 2. Wordt het systeem later omgebouwd dan dient voor de hernieuwde ingebruikname dezelfde beproeving uitgevoerd te worden. De volgende resthoeveelheden mogen niet worden overschreden:

    • i. bij dubbelwandige schepen:

      • a. 5 liter gemiddeld per ladingtank;

      • b. 15 liter per pijpleidingsysteem;

    • ii. bij enkelwandige schepen:

      • a. 20 liter gemiddeld per ladingtank;

      • b. 15 liter per leidingsysteem.

    De als uitkomst van de beproeving van het nalenssysteem vastgestelde resthoeveelheden moeten in het bewijs overeenkomstig model 3 worden vermeld. Dit bewijs moet aan boord van het schip worden meegevoerd.

Aanhangsel II

Model I Inrichting voor de afgifte van resthoeveelheden

  • 1. Aansluiting voor de afgifte van resthoeveelheden. Aansluiting conform CEFIC.

  • 2. Aansluiting voor de walinstallatie om de resthoeveelheden door middel van gas aan land te persen. Aansluiting conform CEFIC.

Aanhangsel II

Model 2 Beproeving van het nalenssysteem

  • 1. Voor de aanvang van de beproeving moeten de ladingtanks en de bijbehorende pijpleidingen schoon zijn. De ladingtanks moeten zonder risico betreden kunnen worden.

  • 2. Tijdens de beproeving mogen slagzij en trim van het schip niet boven de normale operationele waarden liggen.

  • 3. Tijdens de beproeving moet een tegendruk worden gegarandeerd van ten minste 300 kPa (3 bar) ter plaatse van de inrichting voor de afgifte aan de losleiding.

  • 4. De beproeving moet inhouden:

    • a) het met water vullen van de ladingtank totdat de zuigmond in de ladingtank onder water staat;

    • b) het leeg pompen en het met behulp van het nalenssysteem ledigen van de ladingtanks en de bijbehorende pijpleidingen;

    • c) het op de volgende plaatsen verzamelen van waterrestanten:

      • in de nabijheid van de zuigmond;

      • op de bodem van de ladingtank waarop water is achtergebleven;

      • op het laagste punt van de lospomp;

      • op alle laagste punten van de bijbehorende pijpleidingen tot aan de inrichting voor de afgifte.

  • 5. De hoeveelheid, overeenkomstig punt 4, onder c, verzameld water moet nauwkeurig worden vastgesteld en in de verklaring van de beproeving van het nalenssysteem overeenkomstig model 3 worden vermeld.

  • 6. De bevoegde autoriteit of het erkende classificatiebureau moet alle voor de beproeving vereiste operationele handelingen in de verklaring van de beproeving vastleggen. Deze verklaring moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

    • trim van het schip tijdens de beproeving;

    • slagzij van het schip tijdens de beproeving;

    • volgorde waarin de ladingtanks gelost werden;

    • tegendruk aan de inrichting voor de afgifte;

    • resthoeveelheid per ladingtank;

    • resthoeveelheid per pijpleidingsysteem;

    • duur van het nalenzen;

    • ingevuld ladingtankplan.

Aanhangsel II

Model 3 Verklaring inzake de beproeving van het nalenssysteem


Aanhangsel III
behorende bij de Uitvoeringsregeling

Losstandaarden en afgifte-/innamevoorschriften met betrekking tot het geoorloofd lozen van waswater, regen- en ballastwater met ladingrestanten

Losstandaarden en afgifte-/innamevoorschriften met betrekking tot het geoorloofd lozen van waswater, regen- en ballastwater met ladingrestanten

Inleidende opmerking

Voor het lozen van waswater, regenwater of ballastwater met ladingrestanten uit laadruimen of ladingtanks die voldoen aan de gedefinieerde losstandaarden in artikel 5.01 van Deel B van de Uitvoeringsregeling, worden in de volgende tabel, afhankelijk van de soort lading en de losstandaard van de laadruimen en ladingtanks, de afgifte-/innamevoorschriften aangegeven. De kolommen in de tabel hebben de volgende betekenis:

  • 1. Kolom 1: vermeldt het goederennummer volgens NSTR (goederennaamlijst voor de vervoersstatistiek).

  • 2. Kolom 2: Aard van de goederen, omschrijving volgens NSTR.

  • 3. Kolom 3: Lozing van waswater, regenwater of ballastwater in het water toegestaan, mits voor het wassen is voldaan aan de voorgeschreven losstandaard, te weten

    A: bezemschoon of nagelensd in de laadruimen of ladingtanks

    of

    B: vacuümschoon in de laadruimen.

  • 4. Kolom 4: Afgifte van waswater, regenwater of ballastwater ter lozing op de riolering door middel van de daartoe bestemde aansluitingen, mits voor het wassen is voldaan aan de per geval voorgeschreven losstandaard, te weten

    A: bezemschoon of nagelensd in de laadruimen of ladingtanks

    of

    B: vacuümschoon in de laadruimen.

  • 5. Kolom 5: Afgifte van waswater, regenwater of ballastwater aan ontvangstinrichtingen voor bijzondere behandeling S. De behandelwijze hangt af van de aard van de soort lading, bijv. over de opgeslagen lading spuiten, afvoeren naar een zuiveringsinstallatie, verwerking in een installatie voor afvalwater.

  • 6. Kolom 6: Verwijzingen naar opmerkingen in de voetnoten.

    Verdere aanwijzingen voor de toepassing van de tabel.

    • a) Indien de laadruimen of ladingtanks niet voldoen aan de voorgeschreven losstandaard A of B, is afgifte voor bijzondere behandeling S verplicht.

    • b) Betreft het ladingrestanten van verschillende goederen dan is het goed met het strengste afgifte-/innamevoorschrift in de tabel voor de verwijdering bepalend.

    • c) Bij vervoer van stukgoed zoals bijv. voertuigen, containers, grootverpakkingsmateriaal, verpakte goederen, goederen op pallets, wordt het afgifte-/innamevoorschrift bepaald door de hierin aanwezige losse of vloeibare goederen die als gevolg van beschadigingen of lekkages zijn vrijgekomen.

    • d) Regenwater en ballastwater uit wasschone laadruimen en ladingtanks mag in het water geloosd worden.

    • e) Waswater van bezemschone gangboorden en van andere licht vervuilde oppervlakken bijv. luiken, dekken etc. mag in het water geloosd worden.


Aanhangsel IV
De Uitvoeringsregeling

Model Losverklaring


Aanhangsel V
behorende bij de Uitvoeringsregeling

Grens- en controlewaarden voor zuiveringsinstallaties aan boord van passagiersschepen

Zuiveringsinstallaties aan boord van passagiersschepen moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:

  • 1. Bij de typekeuring moet aan de volgende grenswaarden worden voldaan:

parameter

concentratie

proef

biochemisch zuurstofverbruik (BZV5)

25 mg/l

24-uurs mengproef, gehomogeniseerd

     

ISO N5815 van 1981

40 mg/l

Steekproef, gehomogeniseerd

chemisch zuurstofverbruik (CZV)

125 mg/l

24-uurs mengproef, gehomogeniseerd

     

ISO N6060 van 1986

180 mg/l

steekproef, gehomogeniseerd

De Verdragsluitende Staten kunnen gelijkwaardige methodes gebruiken.

  • 2. Bij in gebruik zijnde installaties moet aan de volgende controlewaarden worden voldaan:

parameter

concentratie

proef

biochemisch zuurstofverbruik (BZV5)

ISO N5815 van 1981

40 mg/l

steekproef, gehomogeniseerd

chemisch zuurstofverbruik (CZV)

ISO N6060 van 1986

180 mg/l

steekproef, gehomogeniseerd

De Verdragsluitende Staten kunnen gelijkwaardige methodes gebruiken. Bij de steekproef moet voldaan worden aan de waarde.

  • 3. Mechanisch-chemische methodes waarbij gebruik wordt gemaakt van chloorhoudende middelen zijn niet toegestaan.

  • 4. Voor de opslag en het koelen van het zuiveringsslib dienen toereikende voorzorgsmaatregelen te worden getroffen.


Het Besluit van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 25 april 1996 is geplaatst in rubriek J van Trb. 1997, 97.

D. PARLEMENT

Artikel I van de Wet van 26 november 1998 ( Stb. 1998, 687) luidt als volgt:


„Artikel I

Het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, waarvan de Duitse, de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 1996, nr. 293, wordt goedgekeurd voor Nederland.”.

Deze Wet is gecontrasigneerd door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat J. M. DE VRIES, de Minister van Buitenlandse Zaken J. J. VAN AARTSEN, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer J. P. PRONK en de Minister van Justitie A. H. KORTHALS.

Voor de behandeling in de Staten-Generaal zie Kamerstukken II 1997/1998, 25851; Handelingen II 1998/1999, blz. 1056-1067 en blz. 1144; Kamerstukken I 1998/1999, 25851; Handelingen I 1998/1999, blz. 205-206.

E. PARTIJGEGEVENS

Zie Trb. 1996, 293.

Partij

Onder tekening

Ratificatie

Type*

In werking

Opzegging

Buiten werking

België

09-09-96

22-09-09

R

01-11-09

   

Duitsland

09-09-96

10-03-04

R

01-11-09

   

Frankrijk

09-09-96

15-09-05

R

01-11-09

   

Luxemburg

09-09-96

14-05-02

R

01-11-09

   

Nederlanden, het Koninkrijk der

09-09-96

         

– Nederland

 

10-07-00

R

01-11-09

   

– Ned. Antillen

 

 

   

– Aruba

 

 

   

Zwitserland

09-09-96

16-07-98

R

01-11-09

   

* O=Ondertekening zonder voorbehoud of vereiste van ratificatie, R= Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of kennisgeving, T=Toetreding, VG=Voortgezette gebonden heid, NB=Niet bekend

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van het Verdrag, met Bijlagen en Aanhangels, zijn ingevolge artikel 18 van het Verdrag op 1 november 2009 in werking getreden.

Artikel 6 van het Verdrag zal met ingang van 1 juli 2010 worden toegepast conform een op de zitting van 13 oktober 2009 goedgekeurd besluit van de Conferentie van Verdragsluitende Staten.

Het Verdrag, met Bijlagen en Aanhangsels, is ingevolge artikel 18 van het Verdrag voor het Koninkrijk der Nederlanden op 1 november 2009 in werking getreden.

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, geldt het Verdrag alleen voor Nederland.

Voor de staten, waarvan de voor de binnenvaart openstaande vaarwegen met die van de verdragsluitende staten in verbinding staan, die na 1 november 2009 hun akte van toetreding nederleggen, treedt het Verdrag, met Bijlagen en Aanhangels, ingevolge artikel 18, in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van nederlegging van de akte.

J. VERWIJZINGEN

Zie voor verwijzingen en andere verdragsgegevens Trb. 1996, 293 en Trb. 1997, 97.

Titel

:

Overeenkomst nopens de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging;

Bern, 29 april 1963

Laatste Trb.

:

Trb. 2003, 148

     

Titel

:

Aanvullende Overeenkomst bij de op 29 april 1963 te Bern ondertekende Overeenkomst nopens de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging;

Bonn, 3 december 1976

Laatste Trb.

:

Trb. 2003, 149

     

Titel

:

Overeenkomst tot wijziging van de Herziene Rijnvaart akte, ondertekend te Mannheim de 17e oktober 1868;

Straatsburg, 20 november 1963

Laatste Trb.

:

Trb. 2007, 33

Uitgegeven de zeventiende juni 2010.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. VERHAGEN


XNoot
1)

De gecorrigeerde Duitse en Franse teksten liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en zijn eveneens te vinden op http://www.ccr-zkr.org/index.php (onder „Documenten die gedownload kunnen worden”).