Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2007, 201Verdrag

A. TITEL

Statuut van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht;

’s-Gravenhage, 31 oktober 1951

B. TEKST

De tekst van het Statuut is geplaatst in Trb. 1953, 80. Zie ook Trb. 1955, 150.

De op 30 juni 2005 herziene Franse tekst en de op diezelfde datum vastgestelde Engelse tekst zijn geplaatst in Trb. 2005, 239.

C. VERTALING

Zie Trb. 1953, 80 en Trb. 1955, 150.

De vertaling van de op 30 juni 2005 herziene tekst van het Statuut luidt als volgt:


STATUUT VAN DE HAAGSE CONFERENTIE VOOR INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT1)

(In werking getreden op 15 juli 1955. Gewijzigd op 30 juni 2005)

De Regeringen van de hierna genoemde landen:

De Bondsrepubliek Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Italië, Japan, Luxemburg, Noorwegen, Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Zweden en Zwitserland;

Gelet op het permanente karakter van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht;

Geleid door de wens dat karakter te benadrukken;

Het daartoe wenselijk geoordeeld hebbend de Conferentie van een Statuut te voorzien;

Zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

Artikel 1

Het doel van de Haagse Conferentie is te werken aan de geleidelijke eenmaking van de regels van internationaal privaatrecht.

Artikel 2

  • 1. Leden van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht zijn de Staten die reeds hebben deelgenomen aan een of meer Zittingen van de Conferentie en die dit Statuut aanvaarden.

  • 2. Lid kunnen worden alle andere Staten wier deelneming uit juridisch oogpunt van belang is voor het werk van de Conferentie. Over de toelating van nieuwe Lidstaten wordt door de Regeringen van de deelnemende Staten, op voorstel van één of meer van hen, bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen beslist binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop dit voorstel aan de Regeringen is voorgelegd.

  • 3. De toelating krijgt zijn beslag door de aanvaarding van dit Statuut door de betrokken Staat.

Artikel 3

  • 1. De Lidstaten van de Conferentie kunnen, tijdens een vergadering betreffende algemene zaken en beleid waarbij de meerderheid van de Lidstaten aanwezig is, bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, besluiten eveneens als Lid toe te laten elke regionale organisatie voor economische ontwikkeling die een verzoek om lidmaatschap bij de Secretaris-Generaal heeft ingediend. Verwijzingen naar de Leden ingevolge dit Statuut omvatten mede deze organisaties die Lid zijn, behoudens waar uitdrukkelijk anders is bepaald. De toelating wordt van kracht na de aanvaarding van het Statuut door de betrokken regionale organisatie voor economische integratie.

  • 2. Om in aanmerking te komen voor het lidmaatschap van de Conferentie, dient een regionale organisatie voor economische integratie een organisatie te zijn die uitsluitend uit soevereine staten bestaat, waaraan de staten die daar lid van zijn de bevoegdheid ter zake van een reeks van aangelegenheden op het terrein van de Conferentie hebben overgedragen, met inbegrip van de bevoegdheid om ten aanzien van die aangelegenheden voor haar lidstaten bindende besluiten te nemen.

  • 3. Elke regionale organisatie voor economische integratie die een verzoek tot lidmaatschap indient, dient tegelijk met dit verzoek een verklaring van bevoegdheid in te dienen waarin de aangelegenheden zijn vermeld ter zake waarvan de bevoegdheid door haar lidstaten aan haar is overgedragen.

  • 4. Elke organisatie die Lid is en haar lidstaten dienen ervoor zorg te dragen dat elke wijziging betreffende de bevoegdheid of het ledenbestand van de organisatie die Lid is ter kennis van de Secretaris-Generaal wordt gebracht, die deze informatie aan de andere Leden van de Conferentie doet toekomen.

  • 5. De lidstaten van de organisatie die Lid is, worden geacht hun bevoegdheid te behouden over alle aangelegenheden ter zake waarvan de overdracht van bevoegdheid niet specifiek is verklaard of ter kennis is gebracht.

  • 6. Elk Lid van de Conferentie kan de organisatie die Lid is en haar lidstaten verzoeken informatie te verstrekken over de vraag of de organisatie die Lid is bevoegd is ter zake van specifieke kwesties die bij de Conferentie aanhangig zijn. De organisatie die Lid is en haar lidstaten dienen ervoor zorg te dragen dat naar aanleiding van een dergelijk verzoek deze informatie wordt verstrekt.

  • 7. De organisatie die Lid is oefent afwisselend met haar lidstaten die Lid van de Conferentie zijn de lidmaatschapsrechten uit, naar gelang ieders bevoegdheid.

  • 8. De organisatie die Lid is kan, tijdens alle vergaderingen van de Conferentie waaraan zij mag deelnemen, met betrekking tot aangelegenheden binnen haar bevoegdheid een aantal stemmen uitbrengen dat gelijk is aan het aantal van haar lidstaten die hun bevoegdheid ter zake van de desbetreffende aangelegenheid hebben overgedragen aan de organisatie die Lid is, en die bevoegd zijn hun stem uit te brengen en zich voor de betreffende vergaderingen hebben aangemeld. Wanneer de organisatie die Lid is haar stemrecht uitoefent, oefenen haar lidstaten hun stemrecht niet uit, en omgekeerd.

  • 9. Onder „regionale organisatie voor economische integratie” wordt verstaan een internationale organisatie die uitsluitend bestaat uit soevereine staten, waaraan de staten die daar lid van zijn de bevoegdheid over een reeks van aangelegenheden hebben overgedragen, met inbegrip van de bevoegdheid om ten aanzien van die aangelegenheden voor haar lidstaten bindende besluiten te nemen.

Artikel 4

  • 1. De Raad voor Algemene Zaken en Beleid (hierna „de Raad”) draagt zorg voor het functioneren van de Conferentie. De vergaderingen van de Raad worden in beginsel jaarlijks gehouden.

  • 2. De Raad kwijt zich van deze taak door middel van een Permanent Bureau, waarvan de werkzaamheden door haar worden geleid.

  • 3. De Raad onderzoekt alle voorstellen bestemd om op de agenda van de Conferentie geplaatst te worden. De Raad is vrij te beoordelen welk gevolg aan deze voorstellen dient te worden gegeven.

  • 4. De Nederlandse Staatscommissie tot voorbereiding der codificatie van het internationaal privaatrecht, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1897, stelt, na overleg met de Leden van de Conferentie, de datum van de Diplomatieke Zittingen vast.

  • 5. De Staatscommissie wendt zich tot de Nederlandse Regering voor de bijeenroeping van de Leden. De Voorzitter van de Staatscommissie zit de Zittingen van de Conferentie voor.

  • 6. De Gewone Zittingen van de Conferentie worden in beginsel om de vier jaar gehouden.

  • 7. Indien nodig kan de Raad, na overleg met de Staatscommissie, de Nederlandse Regering verzoeken de Conferentie in Buitengewone Zitting te doen bijeenkomen.

  • 8. De Raad kan de Staatscommissie raadplegen over elke andere voor de Conferentie relevante aangelegenheid.

Artikel 5

  • 1. Het Permanent Bureau heeft zijn zetel te ’s-Gravenhage. Het bestaat uit een Secretaris-Generaal en vier Secretarissen die op voordracht van de Staatscommissie worden benoemd door de Nederlandse Regering.

  • 2. De Secretaris-Generaal en de Secretarissen moeten over behoorlijke rechtskennis en praktijkervaring beschikken. Bij hun benoeming dient ook rekening te worden gehouden met de verscheidenheid van de geografische vertegenwoordiging en van juridische deskundigheid.

  • 3. Het aantal Secretarissen kan, na overleg met de Raad, in overeenstemming met artikel 9 worden vergroot.

Artikel 6

Het Permanent Bureau is, onder de leiding van de Raad, belast met:

  • a. de voorbereiding en organisatie van de Zittingen van de Haagse Conferentie, alsmede van de bijeenkomsten van de Raad en de Bijzondere Commissies;

  • b. de secretariaatswerkzaamheden van de Zittingen en bovenbedoelde bijeenkomsten;

  • c. alle werkzaamheden die tot de taak van een secretariaat behoren.

Artikel 7

  • 1. Teneinde de communicatie tussen de Leden van de Conferentie en het Permanent Bureau te vergemakkelijken, wijst de Regering van elk van de Lidstaten een nationaal orgaan aan en wijst elke organisatie die Lid is een contactorgaan aan.

  • 2. Het Permanent Bureau kan met alle aldus aangewezen organen en met de bevoegde internationale organisaties corresponderen.

Artikel 8

  • 1. De Zittingen en, in de periode tussen de Zittingen, de Raad, kunnen Bijzondere Commissies in het leven roepen voor het uitwerken van ontwerp-Verdragen of ter bestudering van alle vraagstukken op het gebied van internationaal privaatrecht die vallen binnen het doel van de Conferentie.

  • 2. De Zittingen, de Raad en de Bijzondere Commissies verrichten hun werkzaamheden zoveel mogelijk op basis van consensus.

Artikel 9

  • 1. De begrote kosten van de Conferentie worden over de Lidstaten van de Conferentie omgeslagen.

  • 2. Van een organisatie die Lid is wordt niet verlangd dat deze naast de bijdrage van haar lidstaten aan de jaarlijkse begroting van de Conferentie bijdraagt; in plaats daarvan betaalt zij een bedrag dat door de Conferentie, in overleg met de organisatie die Lid is, wordt vastgesteld ter dekking van de aanvullende administratieve kosten die uit haar lidmaatschap voortvloeien.

  • 3. In ieder geval komen de reis- en verblijfskosten van de gedelegeerden naar de Raad en naar de Bijzondere Commissies ten laste van de vertegenwoordigde Leden.

Artikel 10

  • 1. De begroting van de Conferentie wordt ieder jaar onderworpen aan de goedkeuring van de Raad van Diplomatieke Vertegenwoordigers van Lidstaten te ’s-Gravenhage.

  • 2. Deze Vertegenwoordigers stellen eveneens vast hoe de kosten, welke door de begroting ten laste van de Lidstaten worden gebracht, over deze laatste worden verdeeld.

  • 3. De Diplomatieke Vertegenwoordigers komen tot dit doel bijeen, onder voorzitterschap van de minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 11

  • 1. De kosten, voortvloeiend uit de Gewone en Buitengewone Zittingen van de Conferentie, worden gedragen door de Nederlandse Regering.

  • 2. In ieder geval komen de reis- en verblijfskosten van de gedelegeerden ten laste van de onderscheiden Leden.

Artikel 12

De gebruiken van de Conferentie blijven van kracht, voorzover zij niet in strijd zijn met dit Statuut of de Reglementen.

Artikel 13

  • 1. Wijzigingen in het Statuut dienen tijdens een bijeenkomst betreffende algemene zaken en beleid bij consensus door de aanwezige Lidstaten te worden aangenomen.

  • 2. Deze wijzigingen worden ten aanzien van alle Lidstaten van kracht drie maanden nadat zij zijn goedgekeurd door twee derde van de Lidstaten in overeenstemming met hun onderscheiden nationale procedures, doch niet eerder dan negen maanden na de datum van aanneming ervan.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde bijeenkomst kan de in het tweede lid bedoelde tijdvakken bij consensus wijzigen.

Artikel 14

De bepalingen van dit Statuut worden aangevuld met Reglementen, teneinde de uitvoering ervan te verzekeren. Deze Reglementen worden opgesteld door het Permanent Bureau en onderworpen aan de goedkeuring van een Diplomatieke Zitting, de Raad van Diplomatieke Vertegenwoordigers of de Raad voor Algemene Zaken en Beleid.

Artikel 15

  • 1. Dit Statuut wordt onderworpen aan de aanvaarding van de Regeringen van de Staten die aan een of meer Zittingen van de Conferentie hebben deelgenomen. Het treedt in werking zodra het is aanvaard door de meerderheid van de Staten die vertegenwoordigd waren tijdens de Zevende Zitting.

  • 2. De verklaring van aanvaarding moet worden nedergelegd bij de Nederlandse Regering, die haar ter kennis zal brengen van de Regeringen in het eerste lid van dit artikel bedoeld.

  • 3. Bij toelating van een nieuw Lid stelt de Nederlandse Regering alle Leden in kennis van de verklaring van aanvaarding van dat nieuwe Lid.

Artikel 16

  • 1. Ieder Lid kan dit Statuut opzeggen na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van zijn inwerkingtreding krachtens artikel 14, eerste lid.

  • 2. De opzegging moet ter kennis worden gebracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden, ten minste zes maanden voor het einde van het begrotingsjaar van de Conferentie en heeft gevolg na afloop van dat jaar, doch alleen ten aanzien van het Lid dat van de opzegging kennisgeving heeft gedaan.

De Engelse en de Franse tekst van dit Statuut, als gewijzigd op 30 juni 2005, zijn gelijkelijk authentiek.


E. PARTIJGEGEVENS

Zie Trb. 1955, 150 en rubriek F van Trb. 1955, 150.

Partij

Ondertekening

Ratificatie

Type*

In werking

Opzegging

Buiten werking

Albanië

 

04-06-02

T

04-06-02

  

Argentinië

 

28-04-72

R

28-04-72

  

Australië

 

01-11-73

T

01-11-73

  

Belarus

 

12-07-01

T

12-07-01

  

België

 

01-09-53

R

15-07-55

  

Bosnië-Herzegovina

 

07-06-01

R

07-06-01

  

Brazilië

 

23-02-01

T

23-02-01

  

Bulgarije

 

22-04-99

T

22-04-99

  

Canada

 

07-10-68

R

07-10-68

  

Chili

 

25-04-86

T

25-04-86

  

China

 

03-07-87

T

03-07-87

  

Cyprus

 

08-10-84

T

08-10-84

  

Denemarken

 

26-02-54

R

15-07-55

  

Duitsland

 

14-12-55

R

14-12-55

  

EG (Europese Gemeenschap)

 

03-04-07

T

03-04-07

  

Egypte

 

24-04-61

T

24-04-61

  

Estland

 

13-05-98

T

13-05-98

  

Finland

 

02-12-55

R

02-12-55

  

Frankrijk

 

20-04-64

R

20-04-64

  

Georgië

 

28-05-01

T

28-05-01

  

Griekenland

 

26-08-55

T

26-08-55

  

Hongarije

 

06-01-87

R

06-01-87

  

Ierland

 

26-08-55

T

26-08-55

  

IJsland

 

14-11-03

T

14-11-03

  

Israël

 

24-09-64

T

24-09-64

  

Italië

 

26-06-57

R

26-06-57

  

Japan

 

27-06-57

R

27-06-57

  

Joegoslavië (< 25-06-1991)

 

09-10-58

R

09-10-58

  

Jordanië

 

13-06-01

T

13-06-01

  

Kroatië

 

12-06-95

R

12-06-95

  

Letland

 

11-08-92

R

11-08-92

  

Litouwen

 

23-10-01

T

23-10-01

  

Luxemburg

 

12-03-56

R

12-03-56

  

Macedonië, Voormalige Joegoslavische Republiek

 

20-09-93

R

20-09-93

  

Maleisië

 

02-10-02

T

02-10-02

  

Malta

 

30-01-95

T

30-01-95

  

Marokko

 

06-09-93

T

06-09-93

  

Mexico

 

18-03-86

T

18-03-86

  

Monaco

 

08-08-96

T

08-08-96

  

Montenegro

 

01-03-07

VG

01-03-07

  

Nederlanden, het Koninkrijk der

– Nederland

– Ned. Antillen

– Aruba

 

25-09-54

25-09-54

25-09-54

R

R

R

VG

15-07-55

15-07-55

15-07-55

01-01-86

  

Nieuw-Zeeland

 

05-02-02

T

05-02-02

  

Noorwegen

 

15-07-55

R

15-07-55

  

Oekraïne

 

03-12-03

T

03-12-03

  

Oostenrijk

 

16-09-54

R

15-07-55

  

Panama

 

29-05-02

T

29-05-02

  

Paraguay

 

28-06-05

T

28-06-05

  

Peru

 

29-01-01

T

29-01-01

  

Polen

 

29-05-84

R

29-05-84

  

Portugal

 

08-12-53

R

15-07-55

  

Roemenië

 

10-04-91

R

10-04-91

  

Russische Federatie

 

06-12-01

R

06-12-01

  

Servië

 

26-04-01

R

26-04-01

  

Slovenië

 

18-06-92

R

18-06-92

  

Slowakije

 

15-03-93

R

15-03-93

  

Spanje

 

08-12-53

R

15-07-55

  

Sri Lanka

 

27-09-01

T

27-09-01

  

Suriname

 

07-10-77

T

07-10-77

  

Tsjechië

 

28-01-93

R

28-01-93

  

Tsjechoslowakije (<01-01-1993)

 

29-05-68

R

29-05-68

  

Turkije

 

26-08-55

T

26-08-55

  

Uruguay

 

27-07-83

T

27-07-83

  

Venezuela

 

25-07-79

T

25-07-79

  

Verenigd Koninkrijk, het

 

03-01-55

R

15-07-55

  

Verenigde Staten van Amerika, de

 

15-10-64

T

15-10-64

  

Zuid-Afrika

 

14-02-02

T

14-02-02

  

Zuid-Korea

 

20-08-97

T

20-08-97

  

Zweden

 

09-12-53

R

15-07-55

  

Zwitserland

 

06-05-57

R

06-05-57

  

* O=Ondertekening zonder voorbehoud of vereiste van ratificatie, R= Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of kennisgeving, T=Toetreding, VG=Voortgezette gebondenheid, NB=Niet bekend

Uitbreidingen

China

Uitgebreid tot

In werking

Buiten werking

Macau SAR

20-12-1999

 

Portugal

Uitgebreid tot

In werking

Buiten werking

Macau (<20-12-1999)

 

20-12-1999

Wijziging van 30 juni 2005

Goedkeuring is voorzien in artikel 12 van het ongewijzigde Statuut.

De volgende leden hadden op 30 september 2006 kennis gegeven van hun goedkeuring aan de Secretaris-Generaal van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht1) :

Albanië

Argentinië

Australië

België

Bosnië en Herzegovina

Bulgarije

Canada

China

Cyprus

Denemarken

Duitsland

Egypte

Estland

Finland

Frankrijk

Griekenland

Hongarije

Ierland

Italië

Kroatië

Letland

Macedonië,

 Voormalige

 Joegoslavische Re-

 publiek

Maleisië

Malta

Mexico

Monaco

Nederland

Nieuw-Zeeland

Noorwegen

Oekraïne

Oostenrijk

Panama

Peru

Roemenië

Russische Federatie

Servië

Slovenië

Slowakije

Tsjechië

Turkije

Verenigd Koninkrijk

Verenigde Staten

 van Amerika

Zweden

Zwitserland

G. INWERKINGTREDING

Zie Trb. 1953, 80, Trb. 1955, 150, Trb. 1959, 181, Trb. 1960, 31, Trb. 1963, 22, Trb. 1965, 169, Trb. 1968, 117, Trb. 1969, 94, Trb. 1973, 66, Trb. 1978, 2, Trb. 1984, 141, Trb. 1994, 87 en Trb. 2005, 239.

In Trb. 2005, 239 staat vermeld dat de wijzigingen van het Statuut, mits goedgekeurd door tweederde van de leden, in werking zouden treden op 1 april 2006. Dit diende 1 januari 2007 te zijn.

In Trb. 2005, 239 staat tevens vermeld dat de Engelse tekst, mits de wijzigingen in werking waren getreden, vanaf 1 april 2006 zou gelden. Dit diende eveneens 1 januari 2007 te zijn.

De wijzigingen van het Statuut zijn ingevolge datzelfde artikel 12 van het ongewijzigde Statuut op 1 januari 2007 in werking getreden en de Engelse tekst is vanaf diezelfde datum geldig.

De wijzigingen van het Statuut zijn ingevolge artikel 12 voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 1 januari 2007.

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, gelden de wijzigingen voor het gehele Koninkrijk.

J. VERWIJZINGEN

Zie voor verwijzingen en overige verdragsgegevens Trb. 1953, 80, Trb. 1959, 181, Trb. 1960, 31 en 170, Trb. 1963, 22, Trb. 1965, 169, Trb. 1967, 32, Trb. 1968, 117, Trb. 1969, 94, Trb. 1973, 66, Trb. 1978, 2, Trb. 1984, 141, Trb. 1994, 87, Trb. 2002, 217 en Trb. 2005, 239.

Overige verwijzingen

Titel

:

Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie voor buitenlandse openbare akten;

’s-Gravenhage, 5 oktober 1961

Laatste Trb.

:

Trb. 2006, 139

   

Titel

:

Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen;

’s-Gravenhage, 25 oktober 1980

Laatste Trb.

:

Trb. 2006, 87

Uitgegeven de drieëntwintigste oktober 2007.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. VERHAGEN


XNoot
1)

Op 30 juni 2005 is het Statuut, behalve door de in de Preambule genoemde oprichtende lidstaten, aanvaard door de volgende Staten: Albanië, Argentinië, Australië, Wit-Rusland, Bosnië-Herzegovina, Brazilië, Bulgarije, Canada, Chili, de Volksrepubliek China, Kroatië, Cyprus, de Tsjechische Republiek, Egypte, Estland, Georgië, Griekenland, Hongarije, IJsland, Ierland, Israël, Jordanië, de Republiek Korea, Letland, Litouwen, Maleisië, Malta, Mexico, Monaco, Marokko, Nieuw-Zeeland, Panama, Paraguay, Peru, Polen, Roemenië, de Russische Federatie, Servië en Montenegro, de Slowaakse Republiek, Slovenië, Zuid-Afrika, Sri Lanka, Suriname, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Turkije, Oekraïne, de Verenigde Staten van Amerika, Uruguay, Venezuela.

XNoot
1)

Verdere gegevens zijn niet door de Haagse Conferentie beschikbaar gesteld.