Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 24901 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 24901 | advies Raad van State |
Den Haag, 3 juli 2026
Nr. WJZ/ 64403930 (ID27885)
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 10 april 2026 nr. 2026000776, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 3 juni 2026, nr. W05.26.00094/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2026, no.2026000776, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar, met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel verlengt de maximale looptijd van subsidies die op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid worden verleend.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de effectiviteit van het wetsvoorstel. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.
De Wet op het specifiek cultuurbeleid regelt, onder meer, de wijze waarop culturele instellingen door het rijk kunnen worden gefinancierd. Culturele instellingen worden rechtstreeks door de minister of door tussenkomst van cultuurfondsen gesubsidieerd. De minister kan bovendien aan openbare lichamen specifieke uitkeringen voor subsidiëring van cultuuruitingen verstrekken. Bij ministeriële regeling worden voorwaarden voor subsidies bepaald. De wet verplicht de verantwoordelijke minister ertoe om de beide Kamers van de Staten-Generaal periodiek te informeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid.
De door de minister aan cultuurfondsen en instellingen verleende subsidies, de specifieke uitkeringen, de ministeriële regeling en de nota over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid hebben een looptijd van in beginsel vier jaar. Omdat de cultuurfondsen zelfstandige bestuursorganen zijn, is het aan hen om te bepalen onder welke voorwaarden en voor welke duur zij culturele instellingen subsidiëren. De mogelijkheid tot sturing door de minister is beperkt. Op grond van de wet en de daarop steunende normen moeten de fondsen een beleidsplan opstellen. Die beleidsplannen moeten voldoen aan door de minister in een beleidskader opgenomen inhoudelijke, financiële en organisatorische aanwijzingen.1
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan een aanbeveling van de Raad voor Cultuur om de maximumduur van financiering te verlengen van vier jaar naar acht jaar.2 Een langere beleids- en financieringstermijn sluit beter aan op de praktijk van een deel van de culturele sector. Door de verlenging kunnen de administratieve en financiële lasten van zowel de fondsen als culturele organisaties worden verlaagd, wordt rust in de subsidieperiodes geboden, ontstaat meer ruimte voor langetermijninvesteringen en artistieke ontwikkeling en kan een betere balans tussen stabiliteit en vernieuwing worden gevonden.3
Het wetsvoorstel beoogt culturele instellingen rust en ruimte te bieden. Zoals de regering onderkent wordt met het wetsvoorstel evenwel niet verzekerd dat ook de cultuurfondsen ertoe zullen overgaan de looptijd van de door hen verleende subsidies te verlengen.4 Het is immers aan de besturen van de fondsen om, weliswaar met inachtneming van het door de minister vastgestelde beleidskader, de werkwijze, de procedures en de criteria voor subsidiëring te bepalen.5 In zijn advies over het concept van het wetsvoorstel pleitte de Raad voor Cultuur ervoor de maximale looptijd van door de fondsen verstrekte subsidies op vier jaar te houden. Daarmee wordt, zo stelde de Raad voor Cultuur, een duidelijke grenslijn aangebracht tussen de rechtstreeks door de minister gesubsidieerde instellingen en de fondsen.6 De regering volgt deze aanbeveling niet omdat zij de fondsen op dit punt de vrije hand wil laten.7
De Afdeling heeft er begrip voor dat de regering de maximale looptijd van subsidies wil verlengen van vier naar acht jaar. Wel vraagt zij naar een nadere motivering van de effectiviteit van deze maatregel. In de lopende subsidieperiode is immers meer dan de helft van de middelen die op de rijksbegroting voor cultuursubsidies zijn bestemd, toebedeeld aan de fondsen.8 Het wetsvoorstel en de toelichting maken niet inzichtelijk of, en zo ja, hoe de regering voornemens is te bevorderen dat de fondsen meer rust en ruimte bieden aan de door hen gesubsidieerde culturele instellingen. Zowel de Wet op het specifiek cultuurbeleid als de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bieden daartoe zo nodig instrumenten.9
De Afdeling adviseert in de memorie van toelichting nader op het voorgaande in te gaan voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
In reactie op het advies van de afdeling advisering van de Raad van State is de memorie van toelichting aangevuld (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.5, Risico-mitigatie, en algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen). Er is inzichtelijk gemaakt op welke wijze de regering zal bevorderen dat de rijkscultuurfondsen ook meer rust en ruimte zullen bieden aan de door hen gesubsidieerde instellingen. De concrete uitwerking hiervan wordt opgenomen in de beleidsuitgangspuntenbrief voor de bis-periode 2029 e.v., in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in de onderliggende beleidskaders voor de rijkscultuurfondsen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om naast bovenstaande aanpassing een aantal aanvullingen op de memorie van toelichting te doen op de volgende onderwerpen:
• Verhouding tot nationale wetgeving (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3, Verhouding tot nationale wetgeving). De aanvulling betreft een nadere toelichting op de verhouding tussen het wetsvoorstel en artikel 4.10, tweede lid en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 Artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 vereist dat een subsidieregeling niet later vervalt dan vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling. Het derde lid van datzelfde artikel biedt een uitzondering op deze bepaling indien de vijfjaartermijn afbreuk doet aan de effectiviteit van de gesubsidieerde activiteiten en er dus een langere termijn noodzakelijk is. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat in casu een langere termijn noodzakelijk is, omdat organisaties daarmee in het benodigde vermogen kunnen worden voorzien om structureel te investeren in grote producties, faciliteiten en organisatievraagstukken en om hiervoor ook andere financieringsbronnen aan te spreken. De minister zal bij de vaststelling van nadere regels op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid dan ook van voornoemde uitzondering gebruikmaken en op het niveau van de relevante ministeriële regeling nader uitwerken hoe dat concreet vorm krijgt.
• Specifieke uitkeringen (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.4 Motivering instrumentkeuze). De aanvulling betreft een nadere toelichting op de verlenging van de termijn voor specifieke uitkeringen (spuks) van vier naar acht jaar. Het is de wens van de regering om de termijn van de specifieke uitkeringen te wijzigen van vier naar acht jaar. Deze termijn sluit namelijk beter aan bij de doelen waarvoor de minister van OCW tot op heden specifieke uitkeringen heeft afgegeven: een vierjaartermijn is hiervoor te kort. De achtjarige termijn vergroot daarnaast de effectiviteit van het beleid van de minister van OCW in de afstemming met decentrale overheden.
• Toevoeging paragraaf 2.5 ‘Risico-mitigatie’ (memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.4, onder ‘Motivering instrumentkeuze’). De toevoeging betreft de omschrijving van de volgende mogelijke risico’s, alsmede hoe deze gemitigeerd worden:
• In de memorie van toelichting wordt verder toegelicht dat er minder aanvraagmomenten zijn waar het gaat om organisaties die direct vanuit het Rijk subsidie ontvangen, maar dat de fondsen met dit wetsvoorstel de mogelijkheid krijgen meer differentiatie aan te brengen in hun instrumentarium.
• Staatssteun. Er is een inconsistentie aangetroffen in de toelichting waardoor in de tekst de indruk wordt gewekt dat er een bijzonder risico ligt bij de staatssteuncheck. Dit is niet correct geformuleerd in de toelichting. Dit vraagt om een aanpassing van de memorie van toelichting op dit punt.
De memorie van toelichting is daarnaast op enkele punten redactioneel aangepast en aangevuld om de formulering, leesbaarheid en begrijpelijkheid te verbeteren, zonder dat daarmee een inhoudelijke wijziging is beoogd.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert.
No. W05.26.00094/I
’s-Gravenhage, 3 juni 2026
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2026, no.2026000776, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar, met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel verlengt de maximale looptijd van subsidies die op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid worden verleend.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de effectiviteit van het wetsvoorstel. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.
De Wet op het specifiek cultuurbeleid regelt, onder meer, de wijze waarop culturele instellingen door het rijk kunnen worden gefinancierd. Culturele instellingen worden rechtstreeks door de minister of door tussenkomst van cultuurfondsen gesubsidieerd. De minister kan bovendien aan openbare lichamen specifieke uitkeringen voor subsidiëring van cultuuruitingen verstrekken. Bij ministeriële regeling worden voorwaarden voor subsidies bepaald. De wet verplicht de verantwoordelijke minister ertoe om de beide Kamers van de Staten-Generaal periodiek te informeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid.
De door de minister aan cultuurfondsen en instellingen verleende subsidies, de specifieke uitkeringen, de ministeriële regeling en de nota over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid hebben een looptijd van in beginsel vier jaar. Omdat de cultuurfondsen zelfstandige bestuursorganen zijn, is het aan hen om te bepalen onder welke voorwaarden en voor welke duur zij culturele instellingen subsidiëren. De mogelijkheid tot sturing door de minister is beperkt. Op grond van de wet en de daarop steunende normen moeten de fondsen een beleidsplan opstellen. Die beleidsplannen moeten voldoen aan door de minister in een beleidskader opgenomen inhoudelijke, financiële en organisatorische aanwijzingen.1
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan een aanbeveling van de Raad voor Cultuur om de maximumduur van financiering te verlengen van vier jaar naar acht jaar.2 Een langere beleids- en financieringstermijn sluit beter aan op de praktijk van een deel van de culturele sector. Door de verlenging kunnen de administratieve en financiële lasten van zowel de fondsen als culturele organisaties worden verlaagd, wordt rust in de subsidieperiodes geboden, ontstaat meer ruimte voor langetermijninvesteringen en artistieke ontwikkeling en kan een betere balans tussen stabiliteit en vernieuwing worden gevonden.3
Het wetsvoorstel beoogt culturele instellingen rust en ruimte te bieden. Zoals de regering onderkent wordt met het wetsvoorstel evenwel niet verzekerd dat ook de cultuurfondsen ertoe zullen overgaan de looptijd van de door hen verleende subsidies te verlengen.4 Het is immers aan de besturen van de fondsen om, weliswaar met inachtneming van het door de minister vastgestelde beleidskader, de werkwijze, de procedures en de criteria voor subsidiëring te bepalen.5 In zijn advies over het concept van het wetsvoorstel pleitte de Raad voor Cultuur ervoor de maximale looptijd van door de fondsen verstrekte subsidies op vier jaar te houden. Daarmee wordt, zo stelde de Raad voor Cultuur, een duidelijke grenslijn aangebracht tussen de rechtstreeks door de minister gesubsidieerde instellingen en de fondsen.6 De regering volgt deze aanbeveling niet omdat zij de fondsen op dit punt de vrije hand wil laten.7
De Afdeling heeft er begrip voor dat de regering de maximale looptijd van subsidies wil verlengen van vier naar acht jaar. Wel vraagt zij naar een nadere motivering van de effectiviteit van deze maatregel. In de lopende subsidieperiode is immers meer dan de helft van de middelen die op de rijksbegroting voor cultuursubsidies zijn bestemd, toebedeeld aan de fondsen.8 Het wetsvoorstel en de toelichting maken niet inzichtelijk of, en zo ja, hoe de regering voornemens is te bevorderen dat de fondsen meer rust en ruimte bieden aan de door hen gesubsidieerde culturele instellingen. Zowel de Wet op het specifiek cultuurbeleid als de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bieden daartoe zo nodig instrumenten.9
De Afdeling adviseert in de memorie van toelichting nader op het voorgaande in te gaan.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen met betrekking tot subsidies ten behoeve van cultuuruitingen te wijzigen om de subsidietermijn aan te passen van vier naar acht jaar;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
A
In artikel 3, eerste lid, wordt ‘vier jaar’ vervangen voor ‘acht jaar’.
B
Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ’vier jaar’ vervangen door ‘acht jaar’ en ‘vier kalenderjaren’ door ‘acht kalenderjaren’.
2. In het derde lid wordt ‘vier jaar’ vervangen door ‘acht jaar’.
3. In het vierde lid wordt ‘vier jaar’ vervangen door ‘acht jaar’.
C
In artikel 4c wordt ‘vier kalenderjaren’ telkens vervangen door ‘acht kalenderjaren’.
D
In artikel 5, tweede lid, wordt ‘4 jaren’ vervangen door ‘acht jaar’.
E
In artikel 8, vierde lid, wordt ‘vier jaren’ vervangen door ‘acht jaar’.
F
Na artikel 12 wordt een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:
Ten aanzien van de subsidies die vóór de inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar (Stb. 20xx, xxx) op grond van artikel 4a zijn verstrekt voor de kalenderjaren 2025 tot en met 2028, blijven artikel 4a en de daarop berustende ministeriële regeling van toepassing, zoals zij luidden op het moment direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
|
I. Algemeen |
|
|
1. |
Inleiding |
|
2. |
Algemeen |
|
2.1 |
Context vierjarige subsidiestelstel |
|
2.2 |
Aanleiding wetswijziging |
|
2.3 |
Probleemomschrijving |
|
2.4 |
Motivering instrumentkeuze |
|
3. |
Wetsvoorstel |
|
3.1 |
Doel van het wetsvoorstel |
|
3.2 |
Inhoud van het wetsvoorstel |
|
3.3 |
Verhouding tot nationale wetgeving |
|
4. |
Doeltreffendheid en doelmatigheid |
|
5. |
Monitoring en evaluatie |
|
6. |
Financiële gevolgen |
|
7. |
Gevolgen voor bedrijfsleven |
|
8. |
Gevolgen voor decentrale overheden |
|
9. |
Toetsen en consultatie |
|
9.1 |
Uitvoerings- en handhavingsgevolgen |
|
9.1 |
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
|
9.2 |
Raad voor cultuur |
|
9.3 |
Rijkscultuurfondsen |
|
10. |
Advies en internetconsultatie |
|
10.1 |
Advies Adviescollege toetsing regeldruk |
|
10.2 |
Advies Raad voor cultuur |
|
10.3 |
Internetconsultatie |
|
11. |
Uitvoerings- en handhavingsgevolgen |
|
11.1 |
Inwerkingtreding |
|
11.2 |
Overgangsbepaling |
|
II. Artikelsgewijze toelichting |
|
De Wet op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Wsc) legt de wettelijke taak van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) vast ten aanzien van het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen en het vormen van cultuurbeleid. De Wsc biedt een wettelijke grondslag om in dat kader specifieke uitkeringen te verstrekken en nadere regels te stellen over de subsidiëring van cultuuruitingen. Daarnaast richt de Wsc de Raad voor cultuur op en machtigt de Wsc de minister om rijkscultuurfondsen (hierna: fondsen) op te richten. Met de subsidiëring en de fondsen draagt het Rijk bij aan een landelijk gespreid aanbod van culturele voorzieningen van hoge kwaliteit. Zo regelt de Wsc in artikel 4a, eerste lid, dat de minister eenmaal per vier jaar bij ministeriële regeling regels vaststelt voor de verstrekking van subsidies in de op die periode volgende periode van vier kalenderjaren. In dit geval gaat het om de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Rsc).
De wens van de wetgever is om deze beleidscyclus aan te passen naar acht jaar, zodat een langere maximale financieringstermijn wordt gecreëerd die beter aansluit op de praktijk van een deel van de culturele sector. De aangepaste beleidscyclus biedt de ruimte om te werken aan de vermindering van de administratieve- en financiële lasten van culturele organisaties, meer rust te brengen in de subsidieperiodes, meer ruimte te bieden voor langetermijninvesteringen en artistieke ontwikkeling, en een betere balans te vinden tussen stabiliteit en vernieuwing in de culturele sector. Hiervoor is een wijziging van de Wsc nodig.
Het subsidiestelsel zoals wij het nu kennen vindt zijn oorsprong in 2005.1 Een sterk toegenomen aantal aanvragen, de verhoogde eisen van de procedure en de rechtsbescherming maakte dat het subsidiestelstel zich had ontwikkeld tot een ‘hoge graad van (beheersmatige) rationaliteit’. De oplossing werd gevonden in een benadering waarbij niet de duur en status van een subsidie van doorslaggevend belang was, maar de vraag welk arrangement de culturele organisatie het beste toerustte. Er werd een onderscheid gemaakt tussen drie afzonderlijke categorieën van organisaties die voor een aaneengesloten periode van vier jaar konden worden gesubsidieerd.2 Ten eerste een categorie organisaties waarbij náást (artistieke) kwaliteit ook beleidsmatige overwegingen over de positie in het culturele bestel een rol speelden. Zij werden op basis van een vierjarige subsidieregeling direct door het Rijk gefinancierd. Ten tweede een categorie organisaties die een zodanige positie in het culturele bestel vervulden dat ze alleen goed te beoordelen waren in samenhang met instellingen die eenzelfde positie hebben. Zij kregen een langjarig perspectief waarbij alleen de hoogte van de subsidie eens per vier jaar werd aangepast.3 Een laatste categorie organisaties, waarbij de artistieke overwegingen de doorslag gaven, werd overgeheveld naar de fondsen. De eerste twee categorieën vormden de landelijke culturele infrastructuur.4 Vanaf 2008 werden ook de fondsen, op advies van de Raad voor cultuur, tot de landelijke culturele infrastructuur gerekend.5
De drie categorieën werden wettelijk verankerd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Artikel 4, lid a, verplichtte de minister om eenmaal per vier jaar via een ministeriële regeling regels vast te stellen voor de verstrekking van subsidies in de op die periode volgende periode van vier kalenderjaren. Artikel 4, lid b, gaf de minister de bevoegdheid om instellingen of groepen van instellingen aan te wijzen waaraan hij telkens voor een periode van vier kalenderjaren een subsidie kon verstrekken. Dit artikel, en daarmee de mogelijkheid om organisaties een langer perspectief te bieden dan vier jaar, is in het kader van een breed bezuinigingspakket door het kabinet-Rutte I (2010–2012) geschrapt.6 Artikel 4, lid c, zorgde ervoor dat de minister aan de fondsen telkens voor een periode van vier kalenderjaren een subsidie kan verstrekken. Het fonds kon deze middelen vervolgens verstrekken aan culturele organisaties. Artikel 10, lid 4, verplichtte het bestuur van een fonds om één of meer reglementen vast te stellen waarin in ieder geval de werkwijze, de procedures en de criteria worden vastgelegd die het bestuur bij het verstrekken van subsidies hanteert, en ook de verplichtingen die aan de subsidieontvanger worden opgelegd. De fondsen en de organisaties met een langjarig perspectief werden beoordeeld via een visitatiesysteem.7
De voorwaarden voor het ontvangen van de subsidies in het kader van artikel 4, lid a en lid c, zijn vastgelegd in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (Rsc). In deze ministeriële regeling worden onder meer de aanvraagprocedure en de inhoudelijke criteria voor het toekennen en verdelen van de subsidie vastgelegd. De Wsc regelt de lengte van de beleidscyclus en de daarmee samenhangende subsidieperiode. De Rsc wordt elke nieuwe subsidieperiode herzien.
Op 20 oktober 2022 constateerde de staatssecretaris Cultuur en Media in haar Kamerbrief Toekomst culturele basisinfrastructuur dat er ‘allereerst (...) behoefte is aan rust en ruimte’ in de cultuursector. Aan deze rust is tegemoetgekomen via de uitgangspunten voor de periode 2025–2028.8 Er waren daarnaast vraagstukken die ‘een langere adem en doordenking’ nodig hadden. Zo constateerde de staatssecretaris dat de afbakening tussen de basisinfrastructuur en de fondsen verwaterd was en sprak zij over ‘een mogelijke herijking van de inrichting van het bestel, zoals vastgelegd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.’ Op 2 maart 2023 volgde een adviesaanvraag aan de Raad voor cultuur (hierna: de Raad) over de subsidieperiode(n) vanaf 2029.9 De Raad bracht daarop het advies Toegang tot cultuur uit en adviseerde verschillende elementen in het bestel aan te passen, waaronder de maximumduur van financiering.10 Dit laatste punt werd in 2025 door de Raad nogmaals herhaald en is eerder ook bepleit door belangenvereniging Kunsten ’92.11, 12 De Tweede Kamer nam op 19 november 2024 een motie aan om de subsidieperiode aan te passen, en te onderzoeken hoe de aanvraagprocedure vereenvoudigd kan worden met als doel het substantieel verlagen van de voorbereidings- en aanvraagkosten.13 Een deel van de vereenvoudiging moet worden gevonden in een wijziging van de Rsc. De Rsc zal, zoals gebruikelijk, voor de eerstvolgende nieuwe subsidieperiode (vanaf 2029) worden herzien. De subsidieperiode is echter vastgelegd in de wet en voor een wijziging van de periode moet dus ook de Wsc worden gewijzigd.
De sector en de culturele organisaties waarvoor de subsidies zijn bedoeld, zijn de afgelopen twintig jaar complexer en dynamischer geworden. Het cultuurbeleid heeft gezorgd voor een bestel dat een breed spectrum aan makers, organisaties en projecten bedient, maar de manier waarop het bestel is ingericht past niet meer goed bij de verschillende typen organisaties die in de sector actief zijn, waarbij voornamelijk de vierjarige beleidscyclus als knelpunt wordt gezien.
De huidige beleidscyclus van vier jaar is te kort voor organisaties die lange lijnen uitzetten, zeker gezien de aanvraag- en verantwoordingscyclus en de zakelijke onzekerheid die een vierjarige beleidscyclus met zich brengt. Het beperkt organisaties in hun vermogen om structureel te investeren in grote producties, faciliteiten en organisatievraagstukken en om hiervoor ook andere financieringsbronnen aan te spreken. Vooral grotere culturele organisaties, die werken met een lange planningshorizon, ondervinden hier hinder van. Producties worden vaak jaren vooruit gepland en contractueel vastgelegd. De vierjarige subsidiëring biedt ook een beperkte zekerheid voor andere financiers om langjarig te ondersteunen. Ook investeringen die niet direct aan een productie gekoppeld zijn, maar wel een artistiek doel dienen, zijn minder goed extern te financieren in de vierjaarlijkse cyclus.
De huidige periode van vier jaar waarvoor subsidie kan worden verleend aan culturele organisaties werkt belemmerend voor de praktijk van de (artistieke) ontwikkeling en innovatie. Veranderende werkpraktijken, waarin artistieke ontwikkeling en innovatie vaker gepaard gaan met samenwerkingen met maatschappelijke partners of het direct betrekken van groepen uit de samenleving, maken dat processen complexer en langduriger zijn. Omdat de financiering maar voor vier jaar is vastgelegd ontstaat een beperking bij het plannen en vastleggen. In de vier jaar moet de artistieke visie zijn vertaald in producties, omdat daarna weer een nieuwe periode start. Een langere beleidscyclus geeft deze processen meer ruimte.
De verdeling van cultuursubsidies betreft een verdeling van schaarse middelen. Dat vraagt om een transparante, controleerbare en rechtvaardige tenderprocedure. De maatschappij en de politiek vragen daarnaast steeds meer van culturele organisaties, bijvoorbeeld op de onderwerpen artistieke kwaliteit, toegankelijkheid van cultuur voor een breed publiek, regionale spreiding, educatie en eerlijke betaling; onderwerpen die zich niet laten vangen in simpele kwantitatieve criteria. Dat heeft ertoe geleid dat de aanvraagdruk is gestegen en een toenemende juridisering van de aanvraagprocedure. Het gaat met name bij instellingen die direct door het Rijk worden gefinancierd om een bewerkelijke procedure ten opzichte van het aantal veranderingen dat elke vierjarige periode plaatsvindt.14 Verschillende partijen, waaronder Kunsten ’92 en de Raad voor cultuur, hebben dit in aanloop naar de huidige meerjarige subsidieperiode ook opgemerkt.
Als laatste beperkt de beleidscyclus van vier jaar de mogelijkheden van de fondsen om te variëren in de subsidieperiodes en flexibiliteit van hun eigen subsidieregelingen. Een fonds kent immers ook een beleidscyclus van vier jaar. Hierdoor gaan de fondsen geen verplichtingen aan over de grens van vier jaar, omdat daar geen financiële dekking voor is. Dat beperkt de mogelijkheid om de subsidieperiode van meerjarige subsidies aan te laten sluiten op de karakteristieken van organisaties.
De aanpassing van de beleidscyclus biedt de minister de mogelijkheid om het cultuurbeleid meer in samenhang te ontwikkelen, zonder dat elke vier jaar een herverdelingsmoment de sector opschudt. Tegelijk houdt de minister de mogelijkheid om elke acht jaar een nieuwe afweging te maken, mede op grond van ontwikkelingen in het culturele veld. Een achtjarige beleidscyclus biedt culturele organisaties die het betreft de ruimte om te innoveren, de impact van hun werk te vergroten en duurzame samenwerkingen op te zetten. Dit bevordert niet alleen de culturele ontwikkeling, maar heeft ook een positieve invloed op de bredere maatschappelijke en economische waarde van de sector.
Als oplossing voor de problematiek zijn meerdere varianten overwogen. De hoge administratieve en financiële lasten voor organisaties kunnen voor een deel worden verminderd door de indieningsvereisten voor het aanvragen van subsidies te wijzigen. Daarvoor is een wetswijziging niet noodzakelijk, dit kan binnen de ministeriële regeling. Gelet op de procedure en grote belangen die aan de subsidie gebonden zijn, zijn de denkbare aanpassingen echter beperkt. Er is daarom gekozen voor het aanpassen van de termijn, waardoor organisaties minder vaak deze lasten hoeven te dragen. Ook een structurele bekostiging is overwogen. Een structurele bekostiging vergt echter een ingrijpende herziening van het financieringsstelsel. Nadelen van structurele bekostiging zijn een te complexe administratie voor instellingen, een belemmering voor innovatie en een mismatch tussen bekostiging en de praktijk van culturele instellingen, die sterk artistiek gedreven is en bepaald wordt door autonomie. Structurele bekostiging vraagt daarnaast om een inspectie die toezicht houdt op de kwaliteit van het aanbod, wat de uitvoeringslasten voor het ministerie fors zou verhogen. Er is ook overwogen om voor bepaalde organisaties de subsidieperiode na het vierde jaar automatisch met een extra periode te verlengen, zonder dat deze organisaties opnieuw een aanvraag hoeven in te dienen. Tijdens de coronapandemie is deze optie onderzocht. Toen is geconcludeerd dat dit vanwege financiële, bestuurlijke en juridische consequenties niet de voorkeur had.15 Het huidige wettelijk kader biedt niet de ruimte om de subsidieperiode zonder meer te verlengen, aangezien daarin slechts wordt voorzien in de bevoegdheid om subsidie te verstrekken voor de duur van vier kalenderjaren. Daarnaast zou dit mogelijk leiden tot ongelijke behandeling van organisaties en biedt het niet de langdurige financiële stabiliteit die de hierboven besproken problematiek oplossen.
Binnen de aanpassing van de subsidieperiode zijn verschillende mogelijkheden. Er kan gekozen worden voor een aanpassing naar zes jaar, acht jaar of tien jaar. In verband met de Comptabiliteitswet is tien jaar het maximale.16 Bij een periode van zes jaar of tien jaar zou de besluitvorming bij decentrale overheden op andere momenten plaatsvinden. Dit maakt de samenloop met decentrale procedures complexer, wat de beoogde rust en stabiliteit juist ondergraaft.
Naast de hiervoor genoemde voordelen, kent een achtjarige cyclus ook enkele risico’s. Een langere subsidieperiode beperkt bijvoorbeeld de budgetflexibiliteit van de Rijksbegroting, omdat voor een langere periode verplichtingen worden aangegaan. Bij toekenning van de subsidie zal daarom altijd het voorbehoud worden opgenomen dat de begrotingswetgever voldoende middelen beschikbaar stelt. Dit is nu ook het geval. Dit betekent dat het mogelijk blijft voor de Eerste en Tweede Kamer om het budget tijdens de lopende subsidieperiode aan te passen. Dit op voorwaarde dat een neerwaartse aanpassing van het budget tijdens de periode van acht jaar zorgvuldig gebeurt en met inachtneming van een redelijke termijn, waarbij rekening wordt gehouden met reeds aangegane verplichtingen door de subsidieontvangers. Daarnaast zijn er minder momenten waarop culturele organisaties op hun plannen worden beoordeeld. Hoewel er minder aanvraagmomenten zijn, krijgen de fondsen de mogelijkheid hun beleid voor acht jaar vorm te geven en kunnen zij daarmee differentiatie aanbrengen in hun instrumentarium waardoor er voldoende ruimte voor vernieuwing is. Het precieze gevolg wordt concreter gemaakt bij publicatie van de Rsc.
Met het wetsvoorstel wordt een beleidscyclus gecreëerd die beter aansluit op de praktijk van de culturele sector. Deze langere beleidscyclus biedt de ruimte om te werken aan de vermindering van de administratieve- en financiële lasten van culturele organisaties, biedt meer rust en stabiliteit in de subsidieperiodes, meer ruimte voor langetermijninvesteringen en artistieke ontwikkeling, en een betere balans tussen stabiliteit en vernieuwing in de culturele sector.
Dit wetsvoorstel bevat wijzigingen van de Wsc. Om de uitvoerbaarheid en de consistentie van het wettelijk stelsel te bewaken zal de genoemde aanpassing over de gehele breedte van de Wsc worden doorgevoerd.
Ten eerste regelt dit wetsvoorstel dat de minister voortaan ten minste eens per acht jaar beide Kamers der Staten-Generaal zal informeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid. Deze noodzaak vloeit voort uit eerdergenoemde wijzigingen, aangezien het cultuurbeleid onlosmakelijk samenhangt met de subsidiëring van cultuuruitingen.
Ten tweede voorziet dit wetsvoorstel erin dat de minister voortaan voor de periode van acht jaren regels vaststelt over de verstrekking van subsidies ten behoeve van cultuuruitingen.
Ten derde regelt dit wetsvoorstel dat aan fondsen voortaan voor de periode van acht jaren subsidie wordt verstrekt.
Tot slotte maakt dit wetsvoorstel het mogelijk dat de minister een specifieke uitkering ten behoeve van cultuuruitingen voortaan gedurende ten hoogste acht jaar verstrekt.
Artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 vereist dat een subsidieregeling niet later vervalt dan vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling. Aangezien met deze wetswijziging een verlenging van de subsidieperiode naar acht jaar wordt beoogd zullen subsidieregelingen die voortaan op grond van de Wsc worden vastgesteld hier niet aan voldoen. Artikel 4.10, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 biedt echter een uitzondering op deze bepaling onder bepaalde voorwaarden. De minister zal bij de vaststelling van nadere regels op grond van de Wsc van deze uitzondering gebruikmaken en dit op het niveau van de relevante ministeriële regeling nader uitwerken. Dit heeft in ieder geval gevolgen voor de Rsc, die zoals gezegd in aanloop naar 2029 zal worden gewijzigd.
Een langere periode vermindert de administratieve lasten voor instellingen en overheid, waardoor meer middelen en tijd besteed kunnen worden aan de inhoudelijke en artistieke activiteiten. Ook biedt het instellingen financiële stabiliteit, waardoor zij strategischer kunnen plannen en investeren in personeel, gebouwen en programma’s. Dit bevordert de continuïteit van artistieke ontwikkeling, die vaak meer tijd vergt dan de huidige subsidieperiode toelaat. Daarnaast krijgen instellingen de kans om publiek duurzaam op te bouwen, samenwerkingen in de regio te versterken en hun maatschappelijke en educatieve rol beter te verankeren. Ook internationaal biedt het culturele organisaties meer ruimte om mee te doen aan meerjarige producties en partnerschappen.
De voorgenomen monitoring en evaluatie bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste zullen na de eerste beleidsperiode de uitkomsten van het beleid geëvalueerd worden, waarbij wordt onderzocht of de aanpassing van de beleidsperiode het gewenste effect heeft gehad. Bij deze evaluatie wordt een onafhankelijk deskundige betrokken. Daarnaast zal tussentijdse verslaglegging plaatsvinden over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de subsidieregeling vanaf 2029. Dit betreft een verplichting die voortkomt uit de Comptabiliteitswet; de kaders voor deze verslaglegging worden tegelijk met de aanstaande wijzigingen van de Rsc vormgegeven. De tussentijdse verslaglegging wordt gedeeld met de Tweede en Eerste Kamer en kan worden gebruikt om bij te sturen op de doelen. Organisaties die subsidie ontvangen zullen net als nu worden gemonitord door de subsidieverstrekker op basis van de subsidievoorwaarden. De aanpassing van de beleidscyclus verandert niets aan de gangbare monitoring van de subsidievoorwaarden, waarbij de tussentijdse verantwoording en monitoring van toepassing blijven. Uitgangspunt daarbij is dat dit niet mag leiden tot meer administratieve lasten, maar mogelijkheden voor tussentijdse bijsturing behouden moeten blijven.
Er zijn geen additionele middelen nodig die verband houden met deze wetswijziging. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen budgetstromen. Enerzijds middelen die voortkomen uit het opstellen van de hoofdlijnen van het cultuurbeleid. Daar de termijn van maximaal vier naar maximaal acht gaat, is te verwachten dat de uitvoeringslasten hiervoor hoogstens gelijk blijven of dalen. Anderzijds de middelen die verband houden met de op grond van artikel 4a van de Wsc vast te stellen regelingen. Deze worden gebudgetteerd bij het vaststellen van de betreffende regelingen en blijven, behoudens politieke besluitvorming, in principe gelijk.
Met dit voorstel tot wijziging van de Wsc wordt beoogd meer ruimte te creëren voor de artistieke ontwikkeling en maatschappelijke impact van culturele organisaties, terwijl de administratieve lasten voor hen worden verlaagd. Dit zorgt voor een betere financiële duurzaamheid van culturele organisaties en daarmee een sterkere culturele sector. De aanpassing van de wetgeving zal via de onderliggende ministeriële regeling effect hebben op verschillende stakeholders in het culturele veld. Dit hoofdstuk gaat in op de effecten die het bedrijfsleven kan ondervinden door de aanpassing van de wetgeving. Er is voor gekozen om geen doenvermogentoets uit te voeren, daar de wijziging voornamelijk het mkb raakt. Er zijn in het kader van de MKB-toets geen extra gesprekken gevoerd met de doelgroep van de wetgeving. Het voorstel voor de aanpassing van de termijn, en eventuele effecten, van de wetgeving is immers ook terug te vinden in het advies Toegang tot cultuur van de Raad voor cultuur.17 Dit advies is in samenspraak met 400 mensen uit de culturele sector opgesteld. Het gaat hierbij zowel om zelfstandigen, mensen van de fondsen, als om mensen die werkzaam zijn bij culturele organisaties.
De Wsc raakt alle culturele en creatieve organisaties die werkzaam zijn in Europees Nederland en op Bonaire, Sint-Eustatius of Saba. Het type bedrijf van de culturele organisaties loopt uiteen van micro-onderneming, klein- tot middenbedrijf. Er werken mensen in loondienst, vrijwilligers en zelfstandigen zonder personeel bij en voor culturele organisaties.
De aanpassing van de subsidieperiode naar acht jaar zorgt ervoor dat de administratieve lasten voor organisaties kunnen worden verlaagd. Culturele organisaties die rechtstreeks door het Rijk worden gefinancierd starten op dit moment veelal in het tweede jaar van een subsidieperiode met nadenken over de volgende periode. Het werkelijke schrijven van een aanvraag vindt in het derde jaar plaats, in het vierde vindt besluitvorming plaats en kunnen organisaties zich voorbereiden op de nieuwe periode. Er is dus een bijna doorlopende last die samenhangt met het aanvraagproces. Dat vraagt aanzienlijke inzet van menskracht, middelen en tijd. Met de aanpassing van de Wsc, en de doorwerking naar de Rsc, hoeven organisaties maar één keer in de acht jaar een aanvraag in te dienen, in plaats van elke vier jaar. De tijd, financiële middelen en capaciteit die een organisatie kwijt is aan een subsidieaanvraag blijft in principe gelijk, maar wordt dus minder vaak toegepast. Daar staat tegenover dat het belang van een goede aanvraag, en daarmee eventueel de tijd die wordt geïnvesteerd in de aanvraag, kan stijgen. Een toekenning voor acht jaar biedt organisaties immers meer rust en zekerheid.
De kosten voor het aanvragen van de subsidie voor organisaties bestaan onder andere uit het kennisnemen van de subsidiecriteria, het ontwikkelen van een artistiek en zakelijk plan, het schrijven van de inhoudelijke subsidieaanvraag, het opmaken van de begroting en het vormgeven van de aanvraag. Op basis van gesprekken met de doelgroep en een analyse van Kunsten ’92 komt naar voren dat organisaties die subsidie aanvragen op basis van artikel 4a van de Wsc op dit moment tussen de € 50.000 en € 150.000 per aanvraag begroten. Bij de berekening van het bovengenoemde bedrag is rekening gehouden met het door het Ministerie van Economische Zaken voorgeschreven Handboek meting regeldrukkosten.18 In onderstaande tabel is een vereenvoudigde weergave van de berekening opgenomen.
|
Kleine organisaties |
Uren |
Tarief |
Kosten |
||
|---|---|---|---|---|---|
|
Kennisgeving regeling |
16 |
€ 54 |
€ 864 |
||
|
Opstellen artistiek beleid |
|||||
|
Artistiek leider |
160 |
€ 77 |
€ 12.320 |
||
|
Artistiek team en productie |
288 |
€ 54 |
€ 15.552 |
||
|
Opstellen zakelijk beleid |
|||||
|
Zakelijk leider |
120 |
€ 77 |
€ 9.240 |
||
|
Overige zakelijk beleid |
142 |
€ 54 |
€ 7.668 |
||
|
Schrijven en redactie |
21 |
€ 39 |
€ 819 |
||
|
Vormgeving |
40 |
€ 54 |
€ 2.160 |
||
|
Bureaukosten |
€ 1.000 |
||||
|
Formulieren invullen |
5 |
€ 39 |
€ 195 |
||
|
Totaal |
€ 49.818 |
||||
|
Grote organisaties |
Uren |
Tarief |
Kosten |
||
|---|---|---|---|---|---|
|
Kennisgeving regeling |
32 |
€ 54 |
€ 1.728 |
||
|
Opstellen artistiek beleid |
|||||
|
Artistiek leider |
288 |
€ 77 |
€ 22.176 |
||
|
Artistiek team en productie |
1.000 |
€ 54 |
€ 54.000 |
||
|
Opstellen zakelijk beleid |
|||||
|
Zakelijk leider |
270 |
€ 77 |
€ 20.790 |
||
|
Overige zakelijk beleid |
720 |
€ 54 |
€ 38.880 |
||
|
Schrijven en redactie |
88 |
€ 54 |
€ 4.752 |
||
|
Vormgeving |
80 |
€ 54 |
€ 4.320 |
||
|
Bureaukosten |
€ 3.000 |
||||
|
Formulieren invullen |
8 |
€ 54 |
€ 432 |
||
|
Totaal |
€ 150.078 |
||||
Deze bedragen zijn mede afhankelijk van de grootte van de organisatie en de inzet van externe inhuur en digitale hulpmiddelen. Deze kosten hoeft een organisatie straks niet meer één keer per vier jaar te maken, maar één keer per acht jaar. Van organisaties die subsidie ontvangen wordt verwacht dat zij jaarlijks een jaarverslag en jaarrekening indienen. Dit blijft ook bij een achtjarige cyclus het geval. De kosten voor verantwoording veranderen daarom niet. Bij de hierboven genoemde bedragen moeten twee kanttekeningen worden geplaatst. Ten eerste zijn deze kosten niet alleen aan een subsidieaanvraag toe te rekenen. Een deel van deze kosten kan ook onder de reguliere bedrijfsvoering worden geschaard. Elke culturele organisatie zal immers een meerjarenplan en -begroting opstellen, ongeacht of men subsidie gaat aanvragen of niet. Voor de volledigheid zijn deze kosten wel meegerekend in bovenstaand bedrag. Ten tweede dat dit bedrag is berekend op basis van de huidige criteria in de ministeriële regeling. Aanpassingen aan de regeling kunnen de tijdsinvestering voor een subsidieaanvraag veranderen. Hetzelfde geldt voor de verantwoordingslasten.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) heeft in zijn advies opgemerkt dat een inschatting van het aantal organisaties dat te maken krijgt met deze regeldrukvermindering ontbreekt. Hier is bewust voor gekozen. Het aantal verwachte subsidieaanvragen op basis van artikel 4a van de Wsc volgt uit de reikwijdte van de Rsc. De nieuwe subsidieregeling wordt in 2027 gepubliceerd. Zoals de minister van OCW in zijn brief van 3 oktober 2025 constateerde is een langere maximale financieringsduur niet voor alle instellingen de beste oplossing.19 Het vraagstuk voor welk type organisatie dit wel en voor welke dit niet het geval is, wordt meegenomen in de doorontwikkeling van de Rsc. Het opnemen van het aantal organisaties dat te maken krijgt met deze regeldrukvermindering is daarom niet mogelijk en kan een onjuist beeld geven.
De voorgestelde oplossing zoals beschreven is werkbaar en uitvoerbaar, sluit goed aan op de noden van de bedrijfstak en draagt ten positieve bij aan de verlaging van de druk op de bedrijfsvoering van culturele organisaties die worden opgenomen binnen de landelijke culturele infrastructuur per 2029.
Provincies en gemeenten maken zelfstandig de afweging over hun beleid en (de termijn van) toekenningen, ongeacht de termijn van de beleidscyclus van het Rijk. De verwachting is daarom dat het directe effect van de wijziging van de Wsc voor alle provincies en gemeenten beperkt is. Een langere beleidscyclus kan wel een indirect effect teweegbrengen. In deze paragraaf beschrijven we de effecten en de manier waarop decentrale overheden zijn meegenomen in de besluitvorming rondom de aanpassing van de Wsc.
Decentrale overheden zijn vanaf de start van dit wetswijzigingstraject betrokken bij het proces. In de verschillende fasen van de beleidsontwikkeling zijn op ambtelijk en op bestuurlijk niveau gesprekken gevoerd tussen het ministerie van OCW en het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de G920 en de deelnemende overheden aan de cultuurconvenanten.21 In de bestuurlijke overleggen met andere overheden is door hen aandacht gevraagd voor vernieuwing, innovatie en het faciliteren van nieuwe toetreders tot de landelijke culturele infrastructuur.
Het merendeel van culturele organisaties die direct van het Rijk subsidie ontvangen wordt ook gefinancierd door decentrale overheden. Daarbij gaat het met name om grote gemeenten. De financiering vanuit decentrale overheden staat los van de financiering die het Rijk verstrekt aan culturele organisaties. Er bestaat een mogelijkheid dat decentrale overheden ervoor kiezen om organisaties die door het Rijk voor een periode van acht jaar worden gesubsidieerd ook voor acht jaar te subsidiëren, om de cyclus te harmoniseren met het Rijk. Dat blijft een keuze die de decentrale overheid zelf maakt. De keuze voor een aanpassing van vier naar acht jaar laat de decentrale overheden die een beleidscyclus van vier jaar hanteren de vrijheid om die te handhaven. De keuze voor acht jaar wordt onderschreven door de VNG en IPO.22
Wanneer het Rijk zijn beleid en subsidies voor een langere periode vaststelt creëert dat een langdurige financiële voorspelbaarheid en leidt tot betere voorspelbaarheid van de financiële gezondheid van een culturele organisatie. Ook voor gemeenten ontstaat daardoor meer zekerheid over hun gemeentelijke culturele infrastructuur. Zij kunnen daarop anticiperen in hun culturele beleid, wat een langetermijnvisie op gemeentelijk niveau kan versterken.
Kleine gemeenten zijn als onderdeel van een cultuurregio vertegenwoordigd in de cultuurconvenanten die door de minister van OCW zijn ondertekend op 17 januari 2025. Kleine gemeenten hebben over het algemeen geen culturele organisaties die direct door het Rijk worden gesubsidieerd op basis van deze wet. In de besprekingen met IPO en VNG en dankzij de brede scope van de samenwerkende cultuurregio’s binnen de culturele convenantgebieden, maken kleine gemeenten onderdeel uit van de besprekingen over de wijziging van de subsidiecyclus van de landelijke culturele infrastructuur. In het bestuurlijk overleg met de convenantpartners van 21 mei 2025 is de steun uitgesproken voor een cyclus van acht jaar. Relevanter voor de kleine gemeenten is de regionale functie van culturele organisaties die gevestigd zijn in grotere gemeenten, ook voor omliggende gebieden. Niet alleen de vestigingsplaats, maar ook het omliggende gebied is daarbij van belang. Tijdens het bestuurlijk overleg van 21 mei 2025 is ingebracht dat een langere subsidieperiode van de Wsc ook een grotere verantwoordelijkheid zou moeten betekenen voor deze organisaties in het omliggende gebied. De keuze hiervoor wordt verder uitgewerkt in de Rsc.
De ambtelijke capaciteit bij gemeenten blijft een aandachtspunt, vooral bij kleinere gemeenten. Dit staat echter los van de wijziging van de Wsc. Gemeenten hebben aangegeven dat de druk op de beschikbare ambtenaren groter is ten tijde van het beoordelen van subsidieaanvragen. Mocht een gemeente besluiten om de gewijzigde subsidieperiode van de Wsc te willen volgen, dan zou er een werkdrukverlichting kunnen ontstaan.
Het politiek mandaat en de autonomie om al dan niet mee te gaan met de cyclus van het Rijk ligt bij de gemeenteraden en de provinciale staten.
Het aanpassen van de beleidstermijn en de maximale financieringstermijn in de Wsc laat de bestaande systematiek van het vaststellen van een ministeriële regeling in stand. Om die reden zijn er weinig consequenties voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De wijziging draagt bij aan de vermindering van administratieve handelingen en taken die verricht moeten worden binnen het ministerie. Waar nu maximaal iedere vier jaar een beleidscyclus wordt doorlopen, wordt dat met dit wetsvoorstel maximaal acht jaar. De op grond van artikel 4a van de Wsc vast te stellen regelingen zullen afzonderlijk op deze aspecten worden bezien.
De Raad voor cultuur heeft op basis van de Wsc als wettelijk adviesorgaan de taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk op het terrein van de cultuur. Daarnaast is er ook nog het reguliere gevraagde en ongevraagde advieswerk van de Raad. Bij aanpassing van de beleidscyclus naar acht jaar, zal de Raad slechts één keer in de acht jaar over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid een advies geven, in plaats van iedere vier jaar.
De rijkscultuurfondsen zorgen voor doorstroming, vernieuwing, talentontwikkeling en zoeken actief naar verbinding met publiek, makers, kunstenaars en regio. De fondsen zijn zelfstandige bestuursorganen (zbo) en voeren een overheidstaak uit. Als zbo maken de fondsen zelf de afweging welke termijn zij hanteren voor de meerjarige subsidieregelingen, binnen de kaders van de Wsc. Voor de fondsen zal de aanpassing van de subsidieperiode naar acht jaar gevolgen hebben. De fondsen zelf worden in de nieuwe situatie voor een periode van acht jaar gefinancierd door het Rijk. Omdat de fondsen zelf verantwoordelijk zijn voor het opstellen en vaststellen van (het aantal) subsidieregelingen, is het echter niet mogelijk vooraf met zekerheid te zeggen welk effect de aanpassing van de subsidieperiode naar acht jaar heeft. Wel kunnen gevolgen worden ingeschat. De fondsen zullen hun meerjarenplannen niet voor vier, maar voor acht jaar vormgeven, waarmee de inspanningen in frequentie voor de medewerkers van het fonds die zich bezighouden met het ontwikkelen van het meerjarenplan worden verlaagd. Daarnaast kunnen fondsen meer differentiatie aanbrengen in de termijnen van hun regelingen. Als fondsen besluiten huidige vierjarige regelingen om te zetten naar achtjarige regelingen, kan de regeldruk voor die regelingen worden beperkt. Immers, minder vaak beoordelen betekent lagere advieskosten, een afname van juridische en administratieve handelingen en minder procedurele handelingen voor het fonds.
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft op een conceptversie van dit wetsvoorstel een advies uitgebracht. Het college oordeelde positief over het nut en de noodzaak van de wetswijziging en had geen opmerkingen bij de minder belastende alternatieven. Het college adviseerde wel om de regeldrukberekening, overeenkomstig de Rijksbrede methodiek, inzichtelijk te maken en aan te vullen met een inschatting van het aantal organisaties. Op basis van het advies is hoofdstuk 7 aangevuld met de berekening, is er beter onderbouwd waarom is gekozen om de inschatting van het aantal organisaties niet op te nemen en is er uitleg gegeven over de verantwoordingslast.
Dit wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de Raad voor cultuur. De Raad heeft op 8 januari 2026 op het advies gereageerd.23 De Raad ondersteunt de aanpassing van de beleidscyclus en ziet het als een noodzakelijke stap voor de vernieuwing van het Nederlandse cultuurbestel. Een verlengde cyclus biedt instellingen meer ruimte voor artistieke en inhoudelijke innovatie en maakt hen aantrekkelijker voor private co-financiers om te investeren. Bovendien zorgt een achtjarige cyclus voor een aanzienlijke vermindering van de administratieve lasten en biedt het de rijkscultuurfondsen de kans een langjarige visie te ontwikkelen. Ook wijst de Raad op de meerwaarde voor andere overheden die de mogelijkheid krijgen een langjarige visie te ontwikkelen op het cultuurbeleid en op de culturele instellingen die een sleutelrol kunnen spelen in de regionale ecosystemen.
De Raad gaat in zijn advies in op enkele specifieke punten uit de memorie van toelichting. De Raad adviseert om duidelijker aan te geven dat een subsidieperiode van maximaal acht jaar geldt voor de budgetten die OCW beschikbaar stelt aan de rijkscultuurfondsen zelf, maar niet voor de subsidies die deze fondsen zelf verstrekken. Als zelfstandig bestuursorgaan maken de fondsen zelf de afweging welke termijn zij hanteren voor de meerjarige subsidieregelingen, binnen de kaders van de Wsc. De fondsen zijn goed in staat om in te schatten wat nodig is om hun regelingen te laten aansluiten op de karakteristieken van de organisaties waarvoor deze bedoeld zijn. De wetgever vindt het niet nodig dit vooraf in te perken. Daarnaast adviseert de Raad om een overzicht op te nemen van mogelijke instrumenten die tot een vereenvoudiging van het systeem kunnen leiden en adviseert een andere uitwerking van de monitoring en evaluatie. Dit zijn onderwerpen die worden meegewogen bij het opstellen van de onderliggende ministeriële regeling. Als laatste merkt de Raad op dat de beschreven taken van de Raad niet volledig zijn. In de uitwerking van de memorie van toelichting is de wetgever bij de tekst in de wet gebleven en heeft hij ervoor gekozen taken die voortkomen uit de Rsc niet op te nemen.
De Raad gaat in zijn advies in op de verdeling van de categorieën instellingen die direct door het Rijk worden gefinancierd en die door de fondsen worden ondersteund. De Raad stelt daarbij dat goed gekeken dient te worden naar de categorieën instellingen die direct door het Rijk worden gefinancierd en hoe deze zich verhouden tot het deel van de cultuursector dat door de rijkscultuurfondsen wordt ondersteund. De Raad wil ervoor waarschuwen dat om praktische redenen, zoals bijvoorbeeld bezuinigingen, wordt besloten om het aantal instellingen dat direct door het Rijk wordt gefinancierd zodanig te verkleinen dat zij voornamelijk nog zal bestaan uit gecanoniseerde en Randstedelijke instellingen. Daarnaast vindt hij het vanzelfsprekend dat, wanneer het aantal categorieën instellingen dat direct door het Rijk wordt gefinancierd kleiner wordt, voor deze categorieën wel ruimte en bijbehorende financiële middelen komen bij de rijkscultuurfondsen. Ook dit zijn onderwerpen die bij het opstellen van de onderliggende ministeriële regeling en het formuleren van de beleidskaders voor de fondsen zullen worden meegewogen.
Tot slot vraagt de Raad aandacht voor aanvullende onderwerpen waarvan de Raad van mening is dat deze ook wettelijk verankerd dienen te worden om de stabiliteit van het stelsel te vergroten. De wetgever constateert dat de voorstellen die de Raad in dat verband doet buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel vallen.
Op basis van de internetconsultatie zijn geen inhoudelijke aanpassingen op het wetsvoorstel gedaan. Het voorstel is wel op onderdelen redactioneel aangepast, uitsluitend ter bevordering van de leesbaarheid. De aanpassingen hebben geen invloed op de inhoudelijke strekking van het document.
De binnengekomen reacties op de internetconsultatie zijn overwegend positief. Insprekers zien de waarde van de aanpassing van de termijn van vier naar acht jaar. Een langere looptijd biedt organisaties en makers meer financiële stabiliteit, het vergroot de mogelijkheden voor meerjarige programmering en publieksopbouw en maakt het mogelijk om structureel te investeren in organisatieontwikkeling en samenwerking.
Insprekers hebben suggesties gegeven voor aanpassing van het wetsvoorstel, en/of kritische kanttekeningen geplaatst bij het wetsvoorstel. De suggesties en kanttekeningen zijn hieronder uiteengezet en onderverdeeld op volgorde van belang voor dit wetsvoorstel. Het betreft samengevoegde hoofdonderwerpen, namelijk administratieve lasten en samenwerking, en doorstroom en vernieuwing en de thema’s evaluatie en toetsing en regionale spreiding. Een aantal meer uiteenlopende onderwerpen zijn samengevat en hieronder beantwoord als overige onderwerpen.
De verlenging van de subsidieperiode wordt gezien als het startpunt om de aanvraag- en beoordelingslasten te verminderen. Tegelijk wordt erop gewezen dat de verschillen in procedures en de versnippering tussen verschillende subsidiegevers blijft bestaan. Er wordt daarom gepleit voor verdere vereenvoudiging, harmonisatie van eisen en betere interbestuurlijke samenwerking, door bijvoorbeeld een gezamenlijke set van indicatoren en criteria. Respondenten benadrukken dat decentrale overheden een eigen verantwoordelijkheid en afwegingsruimte moeten behouden bij het bepalen van subsidieperiodes. De bestuurlijke partners stellen voor om het algemeen kader dat betrekking heeft op de interbestuurlijke samenwerking te wijzigingen en te komen tot nieuwe afspraken. Ook vanuit de sector wordt gepleit voor betere afspraken tussen overheden.
De wetgever herkent de op dit thema gemaakte opmerkingen. De voorwaarden en criteria voor het aanvragen van subsidies, en de daarmee verbonden procedures zijn vastgelegd in de ministeriële regeling. Deze regeling wordt in 2027 opnieuw vastgesteld. Deze onderwerpen worden meegewogen bij het opstellen van de ministeriële regeling. Provincies en gemeenten maken zelfstandig de afweging over hun beleid en (de termijn van) toekenningen. De opmerkingen over de samenwerking tussen Rijk, provincies en gemeentes neemt de minister mee in zijn gesprekken met de decentrale overheden.
Doorstroom en vernieuwing worden door insprekers gezien als belangrijke uitgangspunten bij het uitvoering geven aan de Wet op het specifiek cultuurbeleid. In meerdere reacties wordt gewezen op een zorg over de flexibiliteit en vernieuwing van het stelsel. In een aantal reacties wordt gepleit voor aanvullende instrumenten, zoals specifieke regelingen voor instroom en experiment om daarmee jonge makers en snel ontwikkelende disciplines tegemoet te treden.
Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 krijgen de fondsen de mogelijkheid hun beleid voor acht jaar vorm te geven en kunnen zij daarmee differentiatie aanbrengen in hun instrumentarium waardoor er voldoende ruimte voor vernieuwing blijft bestaan. De beleidskaders voor de fondsen worden samen met de Rsc in 2027 vastgesteld. Ook dit zijn onderwerpen die bij het opstellen van de onderliggende ministeriële regeling en het formuleren van de beleidskaders voor de fondsen zullen worden meegewogen.
Meerdere insprekers merken op dat het van belang is dat een langere periode gepaard gaat met tussentijdse evaluatiemomenten. Enkele keren wordt daarbij gewezen op controlemomenten buiten de reguliere monitoring. De evaluatie zou volgens insprekers gericht moeten zijn op kwaliteit, doelbereik, de codes en ruimte moeten bieden voor bijsturing.
In hoofdstuk 5 wordt beschreven hoe de evaluatie en monitoring plaats zal gaan vinden. Het uitgangspunt daarbij is dat dit niet mag leiden tot meer administratieve lasten, maar tegelijkertijd wel mogelijkheden biedt voor het behoud van tussentijdse bijsturing. De voorwaarden voor de monitoring en evaluatie worden nader uitgewerkt in de ministeriële regeling.
Er wordt in enkele reacties gewezen op het belang van geografische spreiding, waaronder ook Caribisch Nederland, zodat organisaties en makers in alle regio’s gelijke kansen hebben. Bij beoordeling dient rekening gehouden te worden met de regionale context. Een sterke infrastructuur vraagt om goed gefinancierde organisaties per regio.
In artikel 2 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is opgenomen dat de minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor onder andere de geografische spreiding of anderszins verbreiden van cultuuruitingen. Aan het betreffende artikel wordt niets gewijzigd. Het onderwerp heeft in de uitwerking van de Rsc de aandacht.
Andere onderwerpen die door verschillende insprekers zijn ingebracht gaan onder meer over het vastleggen van de wettelijke doelstellingen voor cultuur en de wettelijke verankering van de indexatie van de loon- en prijsbijstelling, en sectorspecifieke vraagstukken, waaronder de verdeling van het budget over de verschillende kunstdisciplines en gezelschappen, groepen makers en instellingen die zich niet expliciet in één discipline bewegen. Deze en andere consultatiereacties bevatten voorstellen die gaan over onderwerpen die niet tot het bereik van dit wetsvoorstel behoren. Deze blijven daarom buiten beschouwing. Het zijn onderwerpen die behoren tot het bereik van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, raakvlakken hebben met flankerend beleid of gaan over samenwerkingsafspraken tussen overheden. De onderwerpen die daarvoor in aanmerking komen worden meegewogen in het wijzigingstraject voor de ministeriële regeling.
De inwerkingtreding van de Wsc wordt bepaald bij Koninklijk besluit. Voor het moment van inwerkingtreding zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij het beleid inzake vaste verandermomenten. Het voornemen is om het wetsvoorstel op 1 juli 2027 in werking te laten treden.
Er is gekozen voor eerbiedigende werking. Indien op grond van deze wet een subsidie of specifieke uitkering is verstrekt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wetswijziging, is het nieuwe recht daarop niet van toepassing. In plaats daarvan blijft het oude recht van toepassing.
Dit artikel vormt de feitelijke uitwerking van hetgeen besproken is in het algemeen deel van deze toelichting. De minister stelt voor een periode van acht jaar regels vast voor de verstrekking van subsidies ten behoeve van cultuuruitingen. Aan de fondsen wordt voor een periode van acht jaar subsidie verstrekt en ook zal de minister voortaan ten minste eens per acht jaar beide Kamers der Staten-Generaal informeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid. Op deze manier wordt voor de gehele beleidscyclus de termijn van acht jaar gehanteerd.
Dit artikel bevat de overgangsbepaling die regelt dat de geldende ministeriële regeling, die nog uitgaat van vier jaar, blijft gelden tot en met het einde van de geldende subsidieperiode. Dit geldt ook voor de afgegeven subsidiebeschikkingen die gebaseerd zijn op vier jaar.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Artikel 8, eerste en tweede lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Zie Raad voor Cultuur, Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, januari 2024, p. 139 en het briefadvies over een nieuw cultuurbestel van 12 mei 2025, p. 2–3. De adviezen zijn beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen. Om vergelijkbare redenen heeft ook de verlenging van de maximale duur van specifieke uitkeringen niet per definitie gevolgen voor de met die uitkeringen gefinancierde subsidies die door decentrale overheden worden verstrekt; daarover de memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 8, Gevolgen voor decentrale overheden.
Advies van de Raad voor cultuur van 8 januari 2026 over het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/.
Artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Artikel 8, eerste en tweede lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Zie Raad voor Cultuur, Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, januari 2024, p. 139 en het briefadvies over een nieuw cultuurbestel van 12 mei 2025, p. 2–3. De adviezen zijn beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen. Om vergelijkbare redenen heeft ook de verlenging van de maximale duur van specifieke uitkeringen niet per definitie gevolgen voor de met die uitkeringen gefinancierde subsidies die door decentrale overheden worden verstrekt; daarover de memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 8, Gevolgen voor decentrale overheden.
Advies van de Raad voor cultuur van 8 januari 2026 over het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/.
Artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Te weten: de rijksgesubsidieerde musea, orkesten, operagezelschappen, grote dansgezelschappen en sectorinstituten.
In beleidsdocumenten en in debatten wordt dit ook wel de culturele basisinfrastructuur of ‘de bis’ genoemd.
Kamerstukken II 2006/07, 28 989. nr 44 – het gaat hier om de fondsen zelf, niet de door hen gesubsidieerde organisaties en projecten.
Raad voor cultuur. Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, 26 januari 2024.
Van de 117 organisaties die in de periode 2025–2029 subsidie ontvingen, ontving 89% dat ook in de periode 2021–2024.
Lid 3 van artikel 4.10 van de Comptabiliteitswet biedt de mogelijkheid om de vervaldatum van een subsidieregeling later te leggen dan vijf jaar na de inwerkingtreding van de subsidieregeling, doch niet later dan tien jaren.
Raad voor cultuur. Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, 26 januari 2024.
Zie handboek meting regeldrukkosten, versie 2.1 Handboek meting regeldrukkosten | Adviescollege toetsing regeldruk. De bruto uurlonen zijn verkregen uit de combinatie van de CBS-enquête Beroepsbevolking (EBB) en de Polisadministratie over het jaar 2020. De aldus verkregen bruto uurlonen zijn vervolgens opgehoogd met een opslag voor werkgeverslasten van 40%.
G9: Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Maastricht, Rotterdam en Utrecht.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in 9 cultuurconvenanten afspraken gemaakt met provincies, gemeenten en de cultuurregio’s voor de periode 2025-2028. Alle 12 provincies zijn hierin vertegenwoordigd. In de convenanten die op 17 januari 2025 zijn ondertekend door alle partijen, staan afspraken tussen het ministerie en de medeoverheden, vanuit het gedeelde belang van cultuur, over de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de cultuursector en de onderlinge samenwerking op cultuurgebied.
Raad voor Cultuur. Advies conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, 8 januari 2026.
Artikel 8, eerste en tweede lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Zie Raad voor Cultuur, Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, januari 2024, p. 139 en het briefadvies over een nieuw cultuurbestel van 12 mei 2025, p. 2–3. De adviezen zijn beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen. Om vergelijkbare redenen heeft ook de verlenging van de maximale duur van specifieke uitkeringen niet per definitie gevolgen voor de met die uitkeringen gefinancierde subsidies die door decentrale overheden worden verstrekt; daarover de memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 8, Gevolgen voor decentrale overheden.
Advies van de Raad voor cultuur van 8 januari 2026 over het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/.
Artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Artikel 8, eerste en tweede lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Zie Raad voor Cultuur, Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, januari 2024, p. 139 en het briefadvies over een nieuw cultuurbestel van 12 mei 2025, p. 2–3. De adviezen zijn beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/
Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 9.3, Rijkscultuurfondsen. Om vergelijkbare redenen heeft ook de verlenging van de maximale duur van specifieke uitkeringen niet per definitie gevolgen voor de met die uitkeringen gefinancierde subsidies die door decentrale overheden worden verstrekt; daarover de memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 8, Gevolgen voor decentrale overheden.
Advies van de Raad voor cultuur van 8 januari 2026 over het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, beschikbaar op https://www.raadvoorcultuur.nl/.
Artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Te weten: de rijksgesubsidieerde musea, orkesten, operagezelschappen, grote dansgezelschappen en sectorinstituten.
In beleidsdocumenten en in debatten wordt dit ook wel de culturele basisinfrastructuur of ‘de bis’ genoemd.
Kamerstukken II 2006/07, 28 989. nr 44 – het gaat hier om de fondsen zelf, niet de door hen gesubsidieerde organisaties en projecten.
Raad voor cultuur. Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, 26 januari 2024.
Van de 117 organisaties die in de periode 2025–2029 subsidie ontvingen, ontving 89% dat ook in de periode 2021–2024.
Lid 3 van artikel 4.10 van de Comptabiliteitswet biedt de mogelijkheid om de vervaldatum van een subsidieregeling later te leggen dan vijf jaar na de inwerkingtreding van de subsidieregeling, doch niet later dan tien jaren.
Raad voor cultuur. Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029, 26 januari 2024.
Zie handboek meting regeldrukkosten, versie 2.1 Handboek meting regeldrukkosten | Adviescollege toetsing regeldruk. De bruto uurlonen zijn verkregen uit de combinatie van de CBS-enquête Beroepsbevolking (EBB) en de Polisadministratie over het jaar 2020. De aldus verkregen bruto uurlonen zijn vervolgens opgehoogd met een opslag voor werkgeverslasten van 40%.
G9: Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Maastricht, Rotterdam en Utrecht.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in 9 cultuurconvenanten afspraken gemaakt met provincies, gemeenten en de cultuurregio’s voor de periode 2025-2028. Alle 12 provincies zijn hierin vertegenwoordigd. In de convenanten die op 17 januari 2025 zijn ondertekend door alle partijen, staan afspraken tussen het ministerie en de medeoverheden, vanuit het gedeelde belang van cultuur, over de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de cultuursector en de onderlinge samenwerking op cultuurgebied.
Raad voor Cultuur. Advies conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, 8 januari 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24901.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.