Wijziging van het besluit inzake de vrijgestelde beleggingsinstelling van 10 maart 2008 nr. CPP2008/291M Staatscourant 2008, 49

Directoraat-generaal Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek

Besluit van 25 november 2024, nr. 2024-28160

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit wijzigt het besluit inzake de vrijgestelde beleggingsinstelling van 10 maart 2008, nr. CPP2008/291M (Stcrt. 2008, 49). De wijziging betreft de vermelding van de wijziging van de wettelijke definitie van de vrijgestelde beleggingsinstelling met ingang 1 januari 2025 (artikel I, onderdeel B). Ook is het onderdeel over de centrale uitvoering aangepast (artikel I, onderdeel C).

ARTIKEL I

Het besluit van 10 maart 2008, nr. CPP2008/291M (Stcrt. 2008, 49), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 juni 2020, nr. 2020-4943 (Stcrt. 2020, 34995) wordt als volgt gewijzigd:

A

Het cursieve opschrift komt te luiden:

Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) van artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en is meest recent gewijzigd bij besluit van 25 november 2024, nr. 2024-28160, (Stcrt. 2025-1741). De aanpassing betrof de vermelding van de wijziging van de wettelijke definitie van de vrijgestelde beleggingsinstelling met ingang 1 januari 2025 (artikel I, onderdeel B). Ook werd het onderdeel over de centrale uitvoering aangepast (artikel I, onderdeel C).

B

Onderdeel 2 wordt vernummerd tot 2.1 en er wordt een nieuw onderdeel 2.2 toegevoegd, luidende:

2.2. Wetswijziging met ingang van 2025

Met ingang van 2025 is het wettelijke regime met betrekking tot de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) gewijzigd. Een belangrijke wijziging betrof de aanscherping van de wettelijke definitie van de VBI. In deze nieuwe definitie is vastgelegd dat een vrijgestelde beleggingsinstelling moet kwalificeren als een beleggingsinstelling of ICBE, in de zin van artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft).1

Deze wijziging beoogt met name een belemmering op te werpen tegen de toegang tot het VBI-regime voor lichamen die worden gebruikt voor individueel vermogensbeheer, zoals familieconstructies. De koppeling van het begrip vrijgestelde beleggingsinstelling aan de begrippen beleggingsinstelling en ICBE in de zin van de Wft sluit namelijk uit dat deze beleggingsinstellingen kunnen worden gebruikt voor familieconstructies. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de Wft, waaruit expliciet blijkt dat beleggingsinstellingen en ICBE's in de zin van de Wft niet zijn bedoeld voor individueel vermogensbeheer.2

C

Onderdeel 5 komt te luiden:

5. Centrale uitvoering door de Belastingdienst Grote Ondernemingen Noordoost/kantoor Groningen en Noordwest/kantoor Amsterdam

Ter bevordering van de eenheid van rechtstoepassing en de snelheid van afhandeling wijs ik hierbij de bevoegdheid tot afhandeling van verzoeken en het afgeven van de beschikkingen toe aan de Belastingdienst Grote Ondernemingen Noordoost/kantoor Groningen en de Belastingdienst Grote Ondernemingen Noordwest/kantoor Amsterdam, op de wijze zoals hieronder beschreven.

Indien het verzoek afkomstig is van een partij met een vergunning ingevolge de Wft zonder vrijstelling of ontheffing, wijs ik de Belastingdienst Grote Ondernemingen Noordwest/kantoor Amsterdam, Unit Financiële Instellingen aan als bevoegd voor de afhandeling en het afgeven van beschikkingen.

Indien het verzoek afkomstig is van een partij zonder vergunning ingevolge de Wft, wijs ik de Belastingdienst Grote Ondernemingen Noordoost/kantoor Groningen aan als bevoegd voor de afhandeling en het afgeven van beschikkingen.

De Belastingdienst Grote Ondernemingen Noordoost/kantoor Groningen blijft daarnaast bevoegd om te beslissen op splitsingsverzoeken die (mede) zijn gericht op het verkrijgen van de VBI-status (zie paragraaf 4 van dit Besluit).

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Den Haag, 25 november 2024

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, H.G. Roodbeen Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken


X Noot
1

Zie artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals gewijzigd door de Wet aanpassing Fonds voor Gemene Rekening en Vrijgestelde Beleggingsinstelling (Stb. 2023, 503).

X Noot
2

Zie Kamerstukken II 33 235, nr. 3, blz. 11 en 46.

Naar boven