Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 november 2022, nr. IENW/BSK-2022/203483, houdende vaststelling van de Regeling bodemkwaliteit 2022

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 8a, 9, tweede en vierde lid, 10, eerste en derde lid, 11, derde lid, 12, tweede lid, 17, eerste en tweede lid, 19, 20, 25, eerste lid, 25b, derde lid, 25g, eerste, zesde, zevende, achtste en negende lid, en 25h, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit;

BESLUIT:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 (begripsomschrijvingen)

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    andere relevante parameter:

    parameter, niet zijnde een stof of bodemvreemd materiaal, die een partij van een bouwstof of een partij grond of baggerspecie ongeschikt kan maken voor het toepassen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam volgens artikel 2.11 en paragraaf 4.123, onderscheidenlijk paragraaf 4.124, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    andere verontreinigende stof dan in bijlage A vermeld:

    stof die niet in bijlage A is vermeld en die een partij van een bouwstof ongeschikt kan maken voor het toepassen volgens artikel 2.11 en paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    andere verontreinigende stof dan in bijlage B vermeld:

    stof die niet in kolom 1 van tabel 1 of tabel 2 van bijlage B is vermeld en die een partij grond of baggerspecie ongeschikt kan maken voor het toepassen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam volgens artikel 2.11 en paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    AP 04:

    door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer in het kader van het Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen uitgegeven normdocument;

    AS 3000:

    door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer-in het kader van het Accreditatieschema voor Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek uitgegeven normdocument;

    ASTM-norm:

    door de American Society for Testing and Materials uitgegeven normdocument;

    bepalingsgrens:

    laagste concentratie van een stof die met een redelijkerwijs te vergen nauwkeurigheid kan worden bepaald, zoals opgenomen in bijlage L;

    besluit:

    Besluit bodemkwaliteit;

    bijlage:

    bij deze regeling behorende bijlage;

    bodem:

    bodem als bedoeld in de Omgevingswet;

    Bodem+:

    onderdeel van Rijkswaterstaat;

    bodemvreemd materiaal:

    materiaal dat niet van nature in de bodem wordt aangetroffen en dat niet voldoet aan de omschrijving van grond of baggerspecie in artikel 1 van het besluit;

    BRL:

    als beoordelingsrichtlijn uitgegeven normdocument;

    BRL SIKB:

    door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer als BRL uitgegeven normdocument;

    CAS-nr:

    uniek identificatienummer dat is toegekend aan alle chemische stoffen die zijn geregistreerd door de Chemical Abstracts Service, die onderdeel is van de American Chemical Society;

    gammatoets:

    methode ter bepaling van de keuringsfrequentie als bedoeld in bijlage H;

    k-waardetoets:

    methode ter bepaling van de keuringsfrequentie als bedoeld in bijlage H;

    MsPAF:

    Meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen, waarmee de potentiële risico’s van bodemverontreiniging voor het ecosysteem worden aangeduid;

    NEN:

    door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut als Nederlandse Norm uitgegeven normdocument;

    NEN-EN:

    door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut als Europese Norm uitgegeven normdocument;

    NEN-ISO:

    door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut als Internationale Norm uitgegeven normdocument;

    NPR:

    door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut als Nederlandse Praktijkrichtlijn uitgegeven normdocument;

    NVN:

    door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut als Nederlandse Voornorm uitgegeven normdocument;

    ontgravingslocatie:

    bodemlocatie waaruit een partij grond of baggerspecie is of wordt ontgraven;

    oppervlaktewaterlichaam:

    oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de Omgevingswet;

    producent:

    de persoon die partijen van een bouwstof, grond of baggerspecie vervaardigt of laat vervaardigen dan wel onder volledige eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit of hoedanigheid daarvan partijen van een bouwstof, grond of baggerspecie aan een ander afgeeft of op de markt brengt;

    produceren:

    vervaardigen, laten vervaardigen dan wel onder volledige eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit of hoedanigheid daarvan aan een ander afgeven of op de markt brengen van partijen van een bouwstof, grond of baggerspecie die op grond van een daarvoor verleend productcertificaat als gecertificeerd product aan een ander mogen worden afgegeven of op de markt mogen worden gebracht;

    productcertificaat:

    certificaat voor het produceren van een bepaald producttype van een bouwstof, grond of baggerspecie dat het recht geeft om de bouwstof, grond of baggerspecie als gecertificeerd product aan een ander af te geven of op de markt te brengen;

    producttype:

    producten die dezelfde kenmerken en eigenschappen gemeenschappelijk hebben, waarmee zij zich onderscheiden van vergelijkbare producten, zoals benaming, productiewijze, herkomst, grondstoffen, samenstelling en toepassingsgebied;

    standaardonderzoekspakket:

    geheel van alle stoffen die in een onderzoek ten behoeve van een milieuverklaring bodemkwaliteit voor een partij grond of baggerspecie altijd moeten worden onderzocht, zoals opgenomen in bijlage J;

    toepassingslocatie:

    bodemlocatie waar een partij grond of baggerspecie wordt toegepast;

    verdelingsvrije toets:

    methode ter bepaling van de keuringsfrequentie als bedoeld in bijlage H;

    verificatiekeuring:

    keuring die volgens artikel 4.29, eerste lid, of artikel 5.53, eerste lid, moet worden uitgevoerd om gebruik te mogen blijven maken van het recht om voor partijen van een bouwstof, onderscheidenlijk partijen grond of baggerspecie, een erkende kwaliteitsverklaring af te geven;

    voormalige mijnbouwgebieden:

    bij ministeriële regeling op grond van artikel 3.48r, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen herkomstgebieden en toepassingsgebieden van mijnsteen en vermengde mijnsteen in de provincie Limburg;

    vormgegeven bouwstof:

    bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;

    waterbeheerder:

    Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor oppervlaktewaterlichamen, of onderdelen daarvan, waarvoor het waterkwaliteitsbeheer bij het Rijk berust, dan wel het algemeen bestuur van het waterschap, voor oppervlaktewaterlichamen, of onderdelen daarvan, waarvoor het waterkwaliteitsbeheer bij dat waterschap berust;

    zoet oppervlaktewaterlichaam:

    oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een zout oppervlaktewaterlichaam;

    zout oppervlaktewaterlichaam:

    Zeeuwse Delta, Waddenzee of Noordzee, met inbegrip van de havens die hiermee in open verbinding staan en die geen open verbinding hebben met hun achterland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III bij de Omgevingsregeling.

  • 2. Voorts wordt in deze regeling verstaan onder:

    specifieke kwaliteit van een partij baggerspecie:

    hierna vermelde kwaliteit van een partij baggerspecie die is vereist voor de daarachter vermelde specifieke toepassing van de partij volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving:

    • a. ‘emissiearme baggerspecie’ voor het grootschalig toepassen van baggerspecie op of in de landbodem of in een oppervlaktewaterlichaam;

    • b. ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem;

    • c. ‘voor verspreiden in zoet oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ voor het verspreiden van baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam;

    • d. ‘voor verspreiden in zout oppervlaktewater geschikte baggerspecie’ voor het verspreiden van baggerspecie in een zout oppervlaktewaterlichaam;

    • e. ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte baggerspecie’ voor het toepassen van baggerspecie in een diepe plas; en

    • f. ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie’ voor het toepassen van baggerspecie als afdeklaag in een diepe plas;

    specifieke kwaliteit van een partij grond:

    hierna vermelde kwaliteit van een partij grond die is vereist voor de daarachter vermelde specifieke toepassing van de partij volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving:

    • a. ‘emissiearme grond’ voor het grootschalig toepassen van grond op of in de landbodem of in een oppervlaktewaterlichaam;

    • b. ‘voor toepassen in een diepe plas geschikte grond’ voor het toepassen van grond in een diepe plas;

    • c. ‘voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond’ voor het toepassen van grond als afdeklaag in een diepe plas; en

    • d. ‘tarragrond’ voor het toepassen van tarragrond op de landbodem;

    specifieke toepassing van een partij baggerspecie:

    toepassing van een partij baggerspecie op een wijze die is aangeven in de omschrijving van het begrip ‘specifieke kwaliteit van een partij baggerspecie’;

    specifieke toepassing van een partij grond:

    toepassing van een partij grond op een wijze die is aangeven in de omschrijving van het begrip ‘specifieke kwaliteit van een partij grond’.

Artikel 1.2 (verantwoordelijkheden van de normadressaten)

  • 1. De persoon die op grond van deze regeling met betrekking tot bouwstoffen, grond of baggerspecie een rapport uitbrengt of een milieuverklaring bodemkwaliteit of afleverbon afgeeft, draagt, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, zorg voor de uitvoering van deze werkzaamheid volgens de bepalingen van deze regeling en met toepassing van de hierin aangewezen normdocumenten.

  • 2. De persoon die op grond van deze regeling met betrekking tot bouwstoffen, grond of baggerspecie een rapport uitbrengt of een milieuverklaring bodemkwaliteit of afleverbon afgeeft, draagt, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevergd, zorg voor de juistheid, volledigheid en actualiteit van de daarin opgenomen informatie die relevant is voor het toepassen van het materiaal volgens artikel 2.11 en de paragrafen 4.123 en 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3. De persoon die op grond van deze regeling met betrekking tot bouwstoffen, grond of baggerspecie op grond van deze regeling een rapport uitbrengt, draagt, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, zorg voor een toereikende onderbouwing en motivering van de daarin opgenomen conclusies.

  • 4. De persoon die op grond van deze regeling met betrekking tot bouwstoffen, grond of baggerspecie een rapport uitbrengt of een milieuverklaring bodemkwaliteit of afleverbon afgeeft, bewaart het rapport met de daaraan ten grondslag liggende documenten waarin een onderbouwing en motivering van de daarin opgenomen conclusies is gegeven, een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit, onderscheidenlijk een kopie van de afleverbon, gedurende ten minste vijf jaar na het opstellen daarvan.

Artikel 1.3 (uitgaven normdocumenten)

Als in deze regeling naar normdocumenten wordt verwezen, worden de volgende uitgaven bedoeld:

  • a. als het een in bijlage C aangewezen normdocument betreft: de uitgave van het normdocument die in bijlage C is vermeld; en

  • b. als het een niet in bijlage C aangewezen normdocument betreft: de uitgave van het normdocument die in bijlage D is vermeld.

HOOFDSTUK 2 KWALITEIT VAN DE UITVOERING

Artikel 2.1 (aanwijzing van werkzaamheden)

Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 8a van het besluit zijn aangewezen de werkzaamheden die zijn omschreven in bijlage C.

Artikel 2.2 (vereiste van een erkenning bodemkwaliteit)

  • 1. Als werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 15, eerste lid, van het besluit een erkenning bodemkwaliteit is vereist om ze te mogen uitvoeren, zijn aangewezen de werkzaamheden die zijn omschreven in bijlage C.

  • 2. Een erkenning bodemkwaliteit kan worden beperkt tot het uitvoeren van een of meer deelwerkzaamheden of werkgebieden die vallen binnen de reikwijdte van het normdocument dat achter de omschrijving van de werkzaamheid in bijlage C is vermeld.

  • 3. Als normdocumenten die dienen als grondslag voor de verlening van een erkenning bodemkwaliteit voor een werkzaamheid die in bijlage C is aangewezen, zijn aangewezen de normdocumenten die voor die werkzaamheid zijn vermeld in bijlage C.

  • 4. Als normdocumenten waarin voorschriften zijn opgenomen die gelden voor het uitvoeren van een werkzaamheid die in bijlage C is aangewezen, zijn aangewezen: de normdocumenten die voor die werkzaamheid zijn vermeld in bijlage C.

Artikel 2.3 (certificatie, accreditatie)

  • 1. Een erkenning bodemkwaliteit voor het uitvoeren van een werkzaamheid waarvoor op grond van artikel 15, eerste lid, van het besluit een erkenning bodemkwaliteit is vereist om ze te mogen uitvoeren, wordt gebaseerd op een certificaat of een accreditatie die voor die werkzaamheid is verstrekt aan de persoon of instelling die de erkenning bodemkwaliteit aanvraagt.

  • 2. Een erkenning bodemkwaliteit wordt gebaseerd op een certificaat of een accreditatie, volgens de vermelding achter de omschrijving van de werkzaamheid waarop de erkenning bodemkwaliteit betrekking heeft, in bijlage C.

Artikel 2.4 (persoonsregistratie)

Als handelingen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het besluit, waarvoor in een erkenning bodemkwaliteit die aan een persoon of instelling is verleend, de naam moet worden vermeld van de natuurlijke persoon die bij de erkende persoon of instelling werkzaam is en een dergelijke handeling uitvoert, zijn aangewezen: de handelingen waarvoor het vereiste van persoonsregistratie achter de omschrijving van de werkzaamheid in bijlage C is vermeld.

Artikel 2.5 (aanwijzing website voor lijsten met erkende personen en instellingen)

Als website waarop lijsten met erkende personen en instellingen als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het besluit beschikbaar zijn gesteld, wordt aangewezen: https://loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken.

Artikel 2.6 (werkzaamheden die in onafhankelijkheid moeten worden verricht)

  • 1. Als handelingen als bedoeld in artikel 17, eerste of tweede lid, van het besluit die in verband met de onafhankelijkheid waarmee de handelingen moeten worden verricht, niet mogen worden verricht in gevallen als in artikel 17, eerste en tweede lid, van het besluit bedoeld, zijn aangewezen de handelingen waarvoor dat achter de omschrijving van de werkzaamheid in bijlage C is vermeld.

  • 2. Als personen of instellingen als bedoeld in artikel 17, eerste of tweede lid, van het besluit die in verband met de onafhankelijkheid waarmee handelingen als bedoeld in het eerste lid moeten worden verricht, een dergelijke handeling niet mogen verrichten in gevallen als in artikel 17, eerste en tweede lid, bedoeld, zijn aangewezen de personen en instellingen waarvoor dat achter de omschrijving van de werkzaamheid in bijlage C is vermeld.

Artikel 2.7 (aanvraagformulieren)

Een formulier als bedoeld in artikel 10, eerste lid, 12, tweede lid, 19 of 20 van het besluit is verkrijgbaar bij Rijkswaterstaat Bodem+, via de volgende website: https://loket.rijkswaterstaat.nl.

HOOFDSTUK 3 BEPALING VAN HET TYPE MATERIAAL

AFDELING 3.1 BOUWSTOFFEN

Paragraaf 3.1.1 Bepaling of sprake is van een bouwstof
Artikel 3.1 (bepaling of sprake is van een bouwstof)
  • 1. In geval van twijfel of materiaal moet worden aangemerkt als een bouwstof wordt volgens deze paragraaf het totaalgehalte aluminium, calcium en silicium bepaald en getoetst aan de omschrijving van het begrip bouwstof in artikel 1 van het besluit.

  • 2. In geval van twijfel of materiaal moet worden aangemerkt als een bouwstof dan wel als grond of baggerspecie wordt volgens paragraaf 3.3 eerst uitgesloten dat sprake is van grond of baggerspecie.

Artikel 3.2 (monsterneming en voorbehandeling)
  • 1. Uit een partij van het te onderzoeken materiaal worden aselect ten minste twaalf grepen genomen, die om beurten over drie mengmonsters van een gelijk aantal grepen worden verdeeld.

  • 2. Elk mengmonster wordt voorbehandeld door het te drogen bij 40 °C volgens NVN 7312.

  • 3. Elk voorbehandeld mengmonster wordt vermalen met een kruisslagmolen of een vergelijkbare molen met een zeef van 500 µm. Elk vermalen mengmonster wordt in deelmonsters verdeeld door middel van roterend verdelen volgens hoofdstuk 7.7.2 van NVN 7312.

  • 4. Uit elk mengmonster wordt één deelmonster van minimaal 250 gram genomen.

  • 5. Elk deelmonster wordt vermalen tot 250 µm volgens hoofdstuk 7.6.3 van NVN 7312.

Artikel 3.3 (monsterneming en voorbehandeling: elementen en proefstukken)
  • 1. Als het te onderzoeken materiaal bestaat uit elementen of proefstukken worden daar, in afwijking van artikel 3.2, eerste lid, aselect twaalf stukken van ten minste 80 gram vanaf gehaald, die om beurten over drie mengmonsters van een gelijk aantal stukken worden verdeeld.

  • 2. Elk mengmonster wordt vermalen met een kruisslagmolen of een vergelijkbare molen met een zeef van 500 µm.

  • 3. Uit elk vermalen mengmonster wordt één deelmonster van minimaal 250 gram genomen.

  • 4. Elk deelmonster wordt vermalen tot 250 µm volgens hoofdstuk 7.6.3 van NVN 7312.

Artikel 3.4 (analyse)
  • 1. Voor elk vermalen deelmonster van het te onderzoeken materiaal dat volgens artikel 3.2 of 3.3 is verkregen, worden eerst afzonderlijk de gehalten aluminium, calcium en silicium bepaald en wordt vervolgens het totaalgehalte bepaald door optelling van de gehalten aluminium, calcium en silicium, uitgedrukt in gewichtsprocenten.

  • 2. De gehalten van elk deelmonster worden bepaald volgens ASTM-norm D 3682-13, uitgedrukt in gewichtsprocenten.

  • 3. Op basis van de totaalgehalten in elk deelmonster wordt voor de deelmonsters tezamen het totaalgehalte aluminium, calcium en silicium in het materiaal bepaald volgens ASTM-norm D 3682-13, uitgedrukt in gewichtsprocenten.

Artikel 3.5 (rapportage)
  • 1. De wijze waarop aan de bepalingen van deze paragraaf toepassing is gegeven, en de resultaten die aldus zijn verkregen, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. In het rapport wordt een conclusie opgenomen of het onderzochte materiaal een bouwstof betreft en worden de naam en het adres vermeld van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport.

Paragraaf 3.1.2 Bepaling of een bouwstof vormgegeven is
Artikel 3.6 (criteria voor vormgegeven bouwstoffen)
  • 1. In geval van twijfel of een bouwstof moet worden aangemerkt als een vormgegeven bouwstof wordt het karakter van de bouwstof met het oog op de toetsing aan de voor bouwstoffen geldende kwaliteitseisen bepaald volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2. Om te bepalen of sprake is van een vormgegeven bouwstof worden het volume per kleinste eenheid en de duurzame vormvastheid van de bouwstof bepaald.

  • 3. Het volume per kleinste eenheid van een bouwstof wordt bepaald volgens het toepasselijke artikel 3.7 of 3.8.

  • 4. De duurzame vormvastheid van een bouwstof wordt bepaald volgens artikel 3.9.

Artikel 3.7 (bepaling volume kleinste eenheid op basis van afmetingen)
  • 1. Als sprake is van een bouwstof die uit eenheden van ongeveer gelijke grootte bestaat, wordt het volume van de kleinste eenheid van de bouwstof bepaald door de lengte, breedte en hoogte ervan, uitgedrukt in cm, met elkaar te vermenigvuldigen en vervolgens van het aldus berekende volume het volume van de holten en gaten aan het oppervlak af te trekken.

  • 2. Als het volgens het eerste lid berekende volume van de kleinste eenheid van de bouwstof tussen 50 cm3 en 100 cm3 bedraagt, wordt het volume nader bepaald door de te onderzoeken eenheid in water onder te dompelen volgens hoofdstuk 8 van NEN-EN 13383-2 en vervolgens het volume te berekenen met toepassing van de formule die is weergegeven in paragraaf 1 van bijlage F.

Artikel 3.8 (bepaling volume kleinste eenheid op basis van zeefproef)
  • 1. Als sprake is van een granulaire bouwstof met een opbouw in korrelgrootte wordt het volume van de kleinste eenheid van de bouwstof bepaald volgens dit artikel.

  • 2. Er wordt een zeefproef uitgevoerd volgens NEN-EN 13383-2 om de korrelverdeling van de bouwstof te bepalen, waarbij uit een partij van de bouwstof aselect het volgende aantal monsters wordt genomen:

    • a. als sprake is van een statische partij: zes monsters; en

    • b. als sprake is van een stroom: drie monsters.

  • 3. Elk monster, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit één greep, genomen volgens hoofdstuk 4.5 van NEN-EN 13383-2. Elk monster is minimaal zo groot dat de getalswaarde van de massa in kg ten minste tweemaal de getalswaarde bedraagt van de d95 in mm. Hierbij is de d95 gelijk aan de maat van de zeef, waardoor ten minste 95% van de massa van een monster valt.

  • 4. De korrelverdeling van de bouwstof wordt voor het totaal van de genomen monsters bepaald volgens hoofdstuk 5 van NEN-EN 13383-2.

  • 5. Het volume van de kleinste eenheid van de onderzochte bouwstof bedraagt ten minste 50 cm3 als de volgens het vierde lid bepaalde korrelverdeling voldoet aan paragraaf 2 van bijlage F.

Artikel 3.9 (bepaling duurzame vormvastheid)
  • 1. De duurzame vormvastheid van een bouwstof wordt bepaald door het uitvoeren van een diffusieproef volgens NEN 7375.

  • 2. Er is sprake van duurzame vormvastheid als een bouwstof gedurende 64 dagen minder massaverlies vertoont dan:

    • a. als sprake is van lichtgebonden steenmengsels voor wegfunderingen: 1500 g/m2, bepaald door de in het eerste lid bedoelde diffusieproef uit te voeren direct na een verhardingstijd van 28 dagen;

    • b. als sprake is van lichtgebonden steenmengsels: 500 g/m2, bepaald door de in het eerste lid bedoelde diffusieproef uit te voeren direct na een verhardingstijd van 91 dagen bij een temperatuur van 20°C en een relatieve vochtigheid van ten minste 90%;

    • c. als sprake is van cementgebonden minerale reststoffen die worden toegepast als gebonden fundering in de grond-, weg- en waterbouw volgens BRL 9322: 200 g/m2; en

    • d. als sprake is van andere materialen: 30 g/m2.

  • 3. De bouwstoffen, bedoeld in paragraaf 3 van bijlage F, worden niet als duurzaam vormvast aangemerkt als de bouwstoffen bestemd zijn om toe te passen op de wijze die is beschreven in paragraaf 3 van bijlage F.

Artikel 3.10 (rapportage)
  • 1. De wijze waarop aan de bepalingen van deze paragraaf toepassing is gegeven, en de resultaten die aldus zijn verkregen, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. In het rapport wordt een conclusie opgenomen of het onderzochte materiaal een vormgegeven bouwstof betreft en worden de naam en het adres vermeld van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport.

Paragraaf 3.3 Grond en baggerspecie
Artikel 3.11 (bepaling of sprake is van grond of baggerspecie)
  • 1. Om te bepalen of materiaal moet worden aangemerkt als grond of baggerspecie wordt een onderzoek verricht naar de geschiedenis van ontgraven en verplaatsen van het materiaal.

  • 2. Als sprake is van materiaal dat is of wordt ontgraven uit de landbodem of waterbodem, wordt het materiaal aangemerkt als grond, onderscheidenlijk baggerspecie.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt wanneer de bodem is opgehoogd of in hoge mate is vermengd met materiaal dat niet als grond of baggerspecie kan worden aangemerkt, of in andere gevallen van twijfel of sprake is van grond of baggerspecie een onderzoek verricht volgens het vierde tot en met zevende lid.

  • 4. Voor het onderzoek wordt een mengmonster dat representatief is voor de partij samengesteld uit zes aselect genomen grepen van 180 gram.

  • 5. In afwijking van het vierde lid mag ook gebruik worden gemaakt van een mengmonster dat beschikbaar is uit een eerdere partijkeuring of eerder bodemonderzoek met betrekking tot de partij.

  • 6. Het gehalte organische stof wordt bepaald volgens NEN 5754.

  • 7. De hoeveelheden minerale delen, uitgesplitst naar lutum, silt, zand, en schelpen en grind, worden bepaald volgens NEN 5753 en NEN 5104.

  • 8. Op grond van de resultaten van het onderzoek volgens deze bepaling wordt met gebruikmaking van de methodiek die is beschreven in NEN 5104, bepaald of sprake is van een partij grond of baggerspecie.

Artikel 3.12 (rapportage)
  • 1. De wijze waarop aan artikel 3.11 toepassing is gegeven, en de resultaten die aldus zijn verkregen, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. In het rapport wordt een conclusie opgenomen of het onderzochte materiaal grond of baggerspecie betreft en worden de naam en het adres vermeld van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport.

HOOFDSTUK 4 HET AFGEVEN VAN EEN MILIEUVERKLARING BODEMKWALITEIT VOOR PARTIJEN BOUWSTOFFEN

Paragraaf 4.1 Verklaring op grond van een partijkeuring

Artikel 4.1 (toepassingsgebied)
  • 1. Het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij van een bouwstof en het verrichten van een partijkeuring van een partij van een bouwstof vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2. Een partijkeuring kan om de volgende redenen worden verricht:

    • a. ten behoeve van het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring;

    • b. in het kader van het toelatingsonderzoek dat is vereist voor het verkrijgen van het recht tot het afgeven van een erkende kwaliteitsverklaring;

    • c. in het kader van het toelatingsonderzoek dat is vereist voor het verkrijgen van het recht tot het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring; of

    • d. in het kader van de verificatiekeuring die is vereist om een erkende kwaliteitsverklaring te mogen blijven afgeven.

Artikel 4.2 (omschrijving partijkeuring)

In een partijkeuring wordt onderzocht in hoeverre de partij van een bouwstof:

  • a. voor alle stoffen, uitgezonderd asbest, die in bijlage A zijn vermeld, voldoet aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen;

  • b. ingeval de bouwstof blijkens een verkennend onderzoek als bedoeld in NEN 5897 verdacht is op de aanwezigheid van asbest, voldoet aan de kwaliteitseis die voor asbest is opgenomen in bijlage A; en

  • c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters bevat.

Artikel 4.3 (grootte van de partij)
  • 1. De grootte van een partij van een bouwstof die in een partijkeuring wordt onderzocht, bedraagt ten hoogste 10.000 ton.

  • 2. Ingeval de bouwstof blijkens een verkennend onderzoek als bedoeld in NEN 5897 verdacht is op de aanwezigheid van asbest bedraagt de grootte van een partij van een bouwstof die in een partijkeuring wordt onderzocht, ten hoogste 2.000 ton.

Artikel 4.4 (monsterneming en voorbehandeling)
  • 1. Uit de te onderzoeken partij van een bouwstof worden aselect ten minste twaalf grepen genomen, die om beurten over ten minste twee te onderzoeken mengmonsters van een gelijk aantal grepen worden verdeeld volgens de toepasselijke werkwijzen die daarvoor zijn beschreven in SIKB-protocol 1002 en SIKB-protocol 1003.

  • 2. Ingeval de bouwstof blijkens een verkennend onderzoek als bedoeld in NEN 5897 verdacht is op de aanwezigheid van asbest worden voor het onderzoek naar asbest aanvullend mengmonsters overeenkomstig NEN 5897 genomen.

  • 3. De volgens het eerste en tweede lid verkregen mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AP 04.

Artikel 4.5 (bepaling emissies)
  • 1. De emissies van de te onderzoeken stoffen die in tabel 1 van bijlage A zijn vermeld, in de volgens artikel 4.4 verkregen mengmonsters worden bepaald door het verrichten van een beschikbaarheidsproef volgens NEN 7371 of, naar keuze van de opdrachtgever voor het onderzoek, een kolomproef volgens NEN 7373 of NEN 7383.

  • 2. Als voor een van de te onderzoeken stoffen in een vormgegeven bouwstof een diffusiegecontroleerd traject kan worden vastgesteld volgens NEN 7375, mogen de emissies van alle te onderzoeken stoffen uit de bouwstof ook worden bepaald door het uitvoeren van een diffusieproef volgens NEN 7375.

  • 3. Als bij het verrichten van een diffusieproef als bedoeld in het tweede lid voor een te onderzoeken stof een diffusiegecontroleerd traject kan worden vastgesteld, wordt de emissie van de stof uit de bouwstof berekend voor een periode van 64 dagen volgens onderdeel 9.4 van NEN 7375.

  • 4. Als bij het verrichten van een diffusieproef als bedoeld in het tweede lid voor een te onderzoeken stof geen diffusiegecontroleerd traject kan worden vastgesteld, wordt de emissie van de stof uit de bouwstof bepaald door de bovengrens van de uitloging te berekenen voor een periode van 36.500 dagen volgens onderdeel 9.6 van NEN 7375 en de uitkomst vervolgens te delen door 24.

  • 5. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de emissies van de te onderzoeken stoffen in zeer open asfaltbeton (ZOAB), zeer open cementbeton en open colloïdaal beton bepaald door het verrichten van een kolomproef volgens NEN 7373 of NEN 7383.

  • 6. De emissies van de te onderzoeken stoffen die volgens dit artikel zijn bepaald, worden geanalyseerd met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

Artikel 4.6 (bepaling emissies uit slecht doorlatende bouwstoffen)

Als bij een kolomproef als bedoeld in artikel 4.5, eerste of vijfde lid, door slechte doorlatendheid van de bouwstof onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, worden de emissies van de te onderzoeken stoffen uit de bouwstof berekend met toepassing van de formule in bijlage K.

Artikel 4.7 (bepaling samenstelling)

De concentraties, gehalten en waarden van de te onderzoeken stoffen die in bijlage A zijn vermeld, andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld en andere relevante parameters in de volgens artikel 4.4 verkregen mengmonsters worden bepaald met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

Artikel 4.8 (toetsing)
  • 1. De resultaten van het onderzoek naar de emissies en concentraties van de stoffen die in bijlage A zijn vermeld, worden getoetst aan de kwaliteitseisen die voor die stoffen zijn opgenomen in bijlage A.

  • 2. De toetsing aan de kwaliteitseisen vindt plaats met toepassing van onderdeel I van bijlage G, wanneer zich een daarin omschreven situatie voordoet.

  • 3. Een vormgegeven bouwstof die is onderzocht met een beschikbaarheidsproef of een kolomproef, wordt voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, getoetst aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen voor niet-vormgegeven bouwstoffen.

  • 4. Een bouwstof voldoet aan de kwaliteitseisen wanneer het rekenkundig gemiddelde van de emissies dan wel concentraties, die voor elk onderzocht mengmonster zijn bepaald, voor geen van de stoffen die in bijlage A zijn vermeld, de daarin voor die stoffen opgenomen kwaliteitseisen overschrijdt.

  • 5. In afwijking van het vierde lid voldoet een bouwstof die is onderzocht op de aanwezigheid van asbest, in geval de concentraties asbest in de mengmonsters niet binnen elkaars betrouwbaarheidsintervallen liggen, aan de kwaliteitseis die voor asbest is opgenomen in bijlage A, als de hoogst gemeten concentratie asbest aan die kwaliteitseis voldoet.

  • 6. Als blijkt dat tussen de emissies dan wel concentraties die voor de onderscheiden mengmonsters voor een stof, uitgezonderd asbest, zijn bepaald, een verschil van meer dan een factor 2,1 bestaat, wordt het vierde lid niet toegepast dan nadat de werkwijze die tot die uitkomst heeft geleid, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, op mogelijke fouten is gecontroleerd en daarbij geen fouten zijn gesignaleerd. Deze controle op fouten wordt uitgevoerd met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

  • 7. In afwijking van het vierde lid voldoet een bouwstof die voor 1 juli 2008 was toegepast, ook aan de kwaliteitseisen wanneer de emissie of concentratie voor ten hoogste twee stoffen die in bijlage A zijn vermeld, uitgezonderd asbest en, als het een asfaltproduct betreft, PAK’s (som), de daarin voor die stoffen opgenomen kwaliteitseisen overschrijdt en de emissie of concentratie ten hoogste tweemaal de waarde van de kwaliteitseis bedraagt.

Artikel 4.9 (rapportage partijkeuring)
  • 1. De resultaten van de partijkeuring worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en een nauwkeurige omschrijving van de bouwstof die is gekeurd;

    • b. een aanduiding of sprake is van een vormgegeven bouwstof of een niet-vormgegeven bouwstof;

    • c. bijzonderheden van de partij, waaronder een vermelding van de herkomst, de locatie waar de partij zich bevindt, een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en een aanduiding van de grootte in tonnen waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, tweede lid, van het besluit en niet is ontstaan door samenvoeging van partijen;

    • d. de naam en het adres van de persoon of instelling die de monsterneming heeft uitgevoerd;

    • e. de naam en het adres van de instelling die de monsters heeft voorbehandeld en geanalyseerd;

    • f. de data waarop de monsterneming, voorbehandeling en analyse van de monsters zijn uitgevoerd;

    • g. een vermelding van de gehanteerde normdocumenten en analysemethoden;

    • h. het monsternemingsplan en het monsternemingsformulier waarvan gebruik is gemaakt, met inbegrip van een onderbouwing van de keuze van de te onderzoeken stoffen en parameters;

    • i. een beschrijving van de wijze waarop de monsterneming, voorbehandeling en analyse van de monsters zijn uitgevoerd, waaronder een beschrijving van de relevante bijzonderheden van de monsters;

    • j. het rapport van de analyse van de monsters, met vermelding van de emissies, onderscheidenlijk concentraties, van de onderzochte stoffen in elk mengmonster;

    • k. een conclusie in hoeverre de onderzochte partij voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoet aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen;

    • l. een conclusie in hoeverre de onderzochte partij andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters bevat;

    • m. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld, en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • n. een uniek nummer van het rapport.

Artikel 4.10 (voorwaarden voor het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring)
  • 1. Een verklaring op grond van een partijkeuring is bestemd voor eenmalig gebruik bij het verrichten van een handeling met betrekking tot de partij van een bouwstof waarvoor zij is afgegeven, en wordt niet afgegeven als voor de partij al een andere milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven.

  • 2. Een verklaring op grond van een partijkeuring wordt voor een partij bouwstoffen alleen afgegeven als:

    • a. ten behoeve van de afgifte een partijkeuring volgens deze regeling is verricht;

    • b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, is opgesteld;

    • c. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 4.13;

    • d. uit de partijkeuring volgt dat de emissies en concentraties voor geen van de stoffen die in bijlage A zijn vermeld, de daarin voor die stoffen opgenomen kwaliteitseisen overschrijden; en

    • e. melding wordt gemaakt van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters waarvan de aanwezigheid in de partij waarschijnlijk is, en de emissies, concentraties, gehalten of waarden daarvan.

  • 3. Een verklaring op grond van een partijkeuring wordt niet afgegeven voor een partij die door samenvoeging van partijen is ontstaan.

Artikel 4.11 (inhoud verklaring op grond van een partijkeuring)
  • 1. Een verklaring op grond van een partijkeuring bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de verklaring heeft afgegeven;

    • b. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid;

    • c. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid:

      • de naam en een nauwkeurige omschrijving van de bouwstof waar de verklaring betrekking heeft;

      • de grootte van de partij in tonnen;

      • een vermelding dat de partij voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoet aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen;

      • als het een bouwstof betreft die al voor 1 juli 2008 was toegepast en sprake is van een overschrijding van de kwaliteitseis als bedoeld in artikel 4.8, zevende lid: een vermelding van de overschrijding;

      • een vermelding van de eventuele aanwezigheid van onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters en de concentraties, emissies, gehalten en waarden daarvan;

    • d. eventuele voorwaarden en beperkingen die volgens informatie van de producent of leverancier van de bouwstof bij de toepassing onder de daarbij aangegeven omstandigheden ter bescherming van het milieu in acht moeten worden genomen;

    • e. een uniek nummer van de verklaring; en

    • f. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij van een bouwstof die blijkens bijlage A uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven te krijgen, wordt dat in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld.

  • 3. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij van een bouwstof die blijkens bijlage A uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, wordt dat in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld.

  • 4. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een bouwstof die al voor 1 juli 2008 was toegepast en in de verklaring overeenkomstig het eerste lid, 4°, een overschrijding van een kwaliteitseis is vermeld, wordt in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld dat de partij uitsluitend geschikt is om bij wijze van hergebruik zonder bewerking te worden toegepast.

Artikel 4.12 (samenvoeging van partijen)
  • 1. Als een partij van een bouwstof is ontstaan door samenvoeging van partijen van bouwstoffen van hetzelfde producttype en voor alle partijen afzonderlijke milieuverklaringen bodemkwaliteit beschikbaar zijn, verstrekt de persoon die de partijen heeft samengevoegd, bij de levering van de partij aan de afnemer van de partij een door hem afgegeven afleverbon en een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit voor een van de samengevoegde partijen.

  • 2. De afleverbon bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de partijen heeft samengevoegd;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de samengevoegde partij;

    • d. de unieke nummers van de milieuverklaringen bodemkwaliteit die horen bij de partijen die zijn samengevoegd;

    • e. bijzonderheden van de samengevoegde partij, waaronder een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en het producttype en een aanduiding van de grootte van de partij in tonnen, waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, tweede lid, van het besluit;

    • f. bijzonderheden van elke partij die is samengevoegd, waaronder een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en het producttype en een aanduiding van de grootte van de partij in tonnen;

    • g. een uniek nummer van de afleverbon; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit bevat de volgende extra informatie:

    • a. wanneer een of meer van de samengevoegde partijen blijkens de voor die partij verleende milieuverklaring bodemkwaliteit andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters bevat: voor elk van die stoffen of parameters de hoogste emissie, concentratie of waarde die in de milieuverklaringen bodemkwaliteit voor die partijen is vermeld;

    • b. een uniek nummer van de kopie; en

    • c. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 4.13 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij van een bouwstof is ontstaan door splitsing van een partij van een bouwstof verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij een door hem afgegeven afleverbon en een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 2. In afwijking van het eerste lid verstrekt de persoon die een partij van een bouwstof heeft gesplitst die is ontstaan door samenvoeging, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de afgesplitste partij:

    • a. een door hem afgegeven afleverbon;

    • b. een kopie van de volgens artikel 4.12, eerste lid, afgegeven afleverbon die betrekking heeft op de gesplitste partij; en

    • c. een kopie van de volgens artikel 4.12, eerste lid, verstrekte kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 3. De afleverbon, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, onder a, bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een uniek nummer van de afleverbon;

    • g. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk de kopie, bedoeld in het tweede lid, onder c, betrekking heeft; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in het eerste lid, een kopie van de afleverbon, bedoeld in het tweede lid, onder b, of een kopie als bedoeld in het tweede lid, onder c, bevat de volgende extra informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van afgifte van de kopie.

Paragraaf 4.2 Erkende kwaliteitsverklaring

Artikel 4.14 (toepassingsgebied)
  • 1. Het afgeven van erkende kwaliteitsverklaringen en het onderzoek ten behoeve van de erkenning van producenten van bouwstoffen die het recht hebben om voor door hen geproduceerde partijen van het producttype van een bouwstof een erkende kwaliteitsverklaring af te geven, vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2. Een erkende kwaliteitsverklaring heeft betrekking op partijen van een bepaald producttype van een bouwstof die uit een gecontroleerd productieproces komen en van gewaarborgde kwaliteit zijn.

Artikel 4.15 (voorwaarden voor het afgeven van een erkende kwaliteitsverklaring)
  • 1. Om het recht te verkrijgen om voor partijen van een bepaald producttype van een bouwstof een erkende kwaliteitsverklaring af te geven, beschikt de producent van de bouwstof over een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C.

  • 2. Een erkenning bodemkwaliteit voor het produceren van een bepaald producttype van een bouwstof is gebaseerd op een productcertificaat voor dat producttype dat is verleend op grond van een toelatingsonderzoek volgens de bepalingen van deze paragraaf en het normdocument voor de bouwstof, aangewezen in categorie 2 van bijlage C.

Artikel 4.16 (vereisten voor het toelatingsonderzoek)
  • 1. Een erkenning bodemkwaliteit voor het produceren van een bepaald producttype van een bouwstof wordt alleen afgegeven als het productcertificaat waarop de erkenning bodemkwaliteit is gebaseerd, is verleend op grond van een toelatingsonderzoek dat voldoet aan de bepalingen van deze paragraaf, door een certificeringsinstelling die:

    • a. op grond van de normdocumenten, aangewezen in categorie 6 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het certificeren van personen voor werkzaamheden die in de uitoefening van een bedrijf worden uitgevoerd; en

    • b. op grond van een normdocument, aangewezen in categorie 2 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor de bouwstof.

  • 2. Het toelatingsonderzoek omvat:

    • a. een productcontrole van partijen van het producttype van de bouwstof, die tot doel heeft om te controleren of de bouwstof voldoet aan de vereisten die in het derde lid zijn gesteld;

    • b. een beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert om te verzekeren dat de partijen van de bouwstof die hij produceert, tot hetzelfde producttype behoren en overeenkomen met de partijen van de bouwstof die in de productcontrole zijn onderzocht, en nog steeds voldoen aan de vereisten die in het derde lid zijn gesteld; en

    • c. de bepaling van de keuringsfrequentie waarmee voor stoffen en andere parameters volgens de artikelen 4.19 tot en met 4.21 verificatiekeuringen moeten worden verricht.

  • 3. In het kader van de productcontrole en kwaliteitsbewaking wordt nagegaan in hoeverre partijen van het producttype van de bouwstof:

    • a. voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoen aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen; en

    • b. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters bevatten.

Artikel 4.17 (toelatingsonderzoek: productcontrole)
  • 1. De productcontrole in het kader van het toelatingsonderzoek omvat partijkeuringen van vijf of, naar keuze van de producent, tien partijen van de bouwstof, die representatief zijn voor de kwaliteit van de partijen van de bouwstof die worden geproduceerd, en wordt uitgevoerd op de locatie waar de partijen zijn geproduceerd.

  • 2. De partijkeuringen in het kader van de productcontrole worden verricht volgens paragraaf 4.1 en de resultaten van elke partijkeuring worden vastgelegd in een rapport als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid.

  • 3. Bij de toepassing van het tweede lid hoeven in afwijking van artikel 4.7, eerste lid, en artikel 4.9, tweede lid, onder k, stoffen die in bijlage A zijn vermeld, niet te worden onderzocht en gerapporteerd als hiervoor een uitzondering is aangegeven in het normdocument dat op de bouwstof betrekking heeft.

  • 4. Verschillende producenten van bouwstoffen van hetzelfde producttype mogen partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek gemeenschappelijk uitvoeren.

  • 5. Het vierde lid geldt alleen als elke deelnemende producent:

    • a. ten minste één partijkeuring verricht die betrekking heeft op een door hemzelf geproduceerde partij van de bouwstof; en

    • b. aantoont dat de partijen van de bouwstof die hij produceert, tot hetzelfde producttype behoren en dezelfde kwaliteit, samenstelling en herkomst hebben als partijen van het producttype van de bouwstof die door de andere deelnemende producenten worden geproduceerd.

Artikel 4.18 (toelatingsonderzoek: beoordeling systeem van kwaliteitsbewaking)
  • 1. De beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking in het kader van het toelatingsonderzoek omvat een controle van de volledigheid, doeltreffendheid en juiste toepassing van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent in het toelatingsonderzoek hanteert.

  • 2. Het systeem van kwaliteitsbewaking omvat:

    • a. als de producent de bouwstof zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype van de bouwstof dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • b. als de producent de bouwstof niet volledig zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype van de bouwstof dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen, hulpstoffen en halfproducten dan wel afgenomen producten en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • c. een beschrijving van de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de partijen van de bouwstof die worden geproduceerd, behoren tot hetzelfde producttype van de bouwstof waartoe de partijen behoren die in de productcontrole zijn onderzocht, zodat:

      • de bouwstof voor alle stoffen als in bijlage A vermeld, voldoet aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen; en

      • de emissies, concentraties, gehalten of waarden van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld en andere relevante parameters geen toename vertonen ten opzichte van de hoogste emissies, concentraties, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld;

    • d. een handboek dat een beschrijving geeft van de organisatie, procedures, voorschriften, instructies en interne controlemechanismen, met inbegrip van de meet- en bepalingsmethoden en frequenties, die samen moeten waarborgen dat het systeem van kwaliteitsbewaking naar behoren functioneert en de geproduceerde partijen bouwstoffen aan de kwaliteitseisen voldoen;

    • e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om te verzekeren dat de erkende kwaliteitsverklaring alleen wordt afgegeven voor partijen bouwstoffen van hetzelfde producttype met een overeenkomende kwaliteit, samenstelling en herkomst; en

    • f. een register waarin op overzichtelijke en navolgbare wijze wordt bijgehouden hoe het systeem van kwaliteitsbewaking in de praktijk functioneert, met inbegrip van de controles die zijn verricht en de resultaten daarvan, waarbij in het bijzonder wordt vermeld in hoeverre de bouwstoffen aan alle daarvoor geldende vereisten voldoen en welke maatregelen als bedoeld in onderdeel e zijn genomen.

Artikel 4.19 (toelatingsonderzoek: keuringsfrequentie voor in bijlage A vermelde stoffen)
  • 1. In het toelatingsonderzoek wordt voor elke stof die in bijlage A is vermeld, met uitzondering van stoffen waarop artikel 4.17, derde lid, van toepassing is, de keuringsfrequentie voor het verrichten van de verificatiekeuringen bepaald, waarbij, naar keuze van de producent, gebruik kan worden gemaakt van de k-waardetoets, de gammatoets of de verdelingsvrije toets, en wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet, onderdeel I van bijlage G wordt toegepast, met dien verstande dat niet voor elke stof dezelfde methode hoeft te worden gekozen.

  • 2. De methoden ter bepaling van de keuringsfrequentie worden uitgevoerd volgens:

    • a. als het de k-waardetoets betreft: onderdeel 1 van bijlage H;

    • b. als het de gammatoets betreft: onderdeel 2 van bijlage H; en

    • c. als het de verdelingsvrije toets betreft: onderdeel 3 van bijlage H.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin voor een stof op grond van artikel 4.20 een bijzondere keuringsfrequentie geldt.

Artikel 4.20 (toelatingsonderzoek: bijzondere bepalingsmethoden voor de keuringsfrequenties voor in bijlage A vermelde stoffen)
  • 1. Wanneer in het toelatingsonderzoek de emissies of concentraties van een stof die in bijlage A is vermeld, in alle onderzochte partijen lager zijn dan de bepalingsgrens die in bijlage L is opgenomen, geldt voor de stof een keuringsfrequentie van één verificatiekeuring per vijf jaar.

  • 2. Voor asbest gelden voor het verrichten van de verificatiekeuringen de volgende keuringsfrequenties:

    • a. als in een van de onderzochte partijen asbest is aangetroffen: de hoogste keuringsfrequentie die volgens artikel 4.19 is bepaald voor enige stof die in de bouwstof is aangetroffen en waarvoor verificatiekeuringen moeten worden verricht; en

    • b. als in geen van de partijen asbest is aangetroffen: de laagste keuringsfrequentie die volgens artikel 4.19 is bepaald voor enige stof die in de bouwstof is aangetroffen en waarvoor verificatiekeuringen moeten worden verricht.

Artikel 4.21 (toelatingsonderzoek: keuringsfrequenties voor niet in bijlage A vermelde stoffen en andere parameters)

Als bij de partijkeuringen in het kader van de productcontrole in een partij van een bouwstof andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters zijn aangetroffen, geldt voor elk van die stoffen en andere parameters voor het verrichten van de verificatiekeuringen de hoogste keuringsfrequentie die voor enige stof die in bijlage A is vermeld en waarvoor verificatiekeuringen worden verricht, volgens artikel 4.19 is bepaald.

Artikel 4.22 (toelatingsonderzoek: rapportage)
  • 1. De wijze waarop het toelatingsonderzoek is verricht, en de resultaten die aldus zijn verkregen, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het toelatingsonderzoek heeft verricht;

    • b. de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype van de bouwstof dat is onderzocht;

    • c. de naam en het adres van de producent van het producttype van de bouwstof of, wanneer er sprake is van een gemeenschappelijk toelatingsonderzoek als bedoeld in artikel 4.17, vierde lid, de namen en adressen van elke deelnemende producent van het producttype van de bouwstof;

    • d. de unieke nummers van de rapporten van de partijkeuringen die zijn verricht;

    • e. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen die voldoen aan de vereisten die aan partijen worden gesteld op grond van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert;

    • f. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen bouwstoffen van hetzelfde producttype met een overeenkomende kwaliteit, samenstelling en herkomst, wanneer er sprake is van een gemeenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 4.17, vierde lid;

    • g. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen van de bouwstof voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoen aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen, met dien verstande dat voor stoffen waarop artikel 4.17, derde lid, van toepassing is, mag worden geconcludeerd dat aan de kwaliteitseisen is voldaan;

    • h. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen van de bouwstof andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters bevatten, en de hoogste emissies, concentraties, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld;

    • i. een conclusie of het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert, volledig en doeltreffend is en op juiste wijze wordt toegepast;

    • j. voor elke stof die in bijlage A is vermeld, met uitzondering van stoffen waarop artikel 4.17, derde lid, van toepassing is, de voor het verrichten van de verificatiekeuringen aan te houden keuringsfrequentie;

    • k. voor zover sprake is van de aanwezigheid van asbest, andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters, de voor het verrichten van de verificatiekeuringen aan te houden keuringsfrequentie;

    • l. een conclusie in hoeverre bij het produceren van de bouwstoffen een naar behoren functionerend systeem van kwaliteitsbewaking wordt gehanteerd en de voorwaarden aanwezig zijn om het goede functioneren daarvan in de praktijk te verzekeren;

    • m. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • n. een uniek nummer van het rapport.

  • 3. Bij het rapport worden de rapporten van alle partijkeuringen die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn verricht, bijgevoegd.

Artikel 4.23 (aanvraag van een erkenning bodemkwaliteit voor het produceren van bouwstoffen)

Bij de aanvraag om een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, worden naast de informatie die op grond van andere wettelijke bepalingen moet worden verstrekt, tevens de volgende documenten verstrekt:

  • a. het productcertificaat voor het producttype van de bouwstof waarop de aanvraag betrekking heeft, dat is verleend op grond van het normdocument voor de bouwstof, aangewezen in categorie 2 van bijlage C; en

  • b. het rapport, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, behoudens, in afwijking van artikel 4.22, derde lid, de rapporten van de partijkeuringen die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn verricht.

Artikel 4.24 (recht op afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring)
  • 1. De producent van bouwstoffen aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, heeft het recht voor de door hem geproduceerde partijen van het producttype van een bouwstof een erkende kwaliteitsverklaring af te geven die is bestemd voor eenmalig gebruik bij het verrichten van een handeling met betrekking tot de partij van een bouwstof waarvoor zij is afgegeven, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het systeem van kwaliteitsbewaking dat in het toelatingsonderzoek is onderzocht, wordt op juiste wijze toegepast; en

    • b. de door hem geproduceerde partijen van de bouwstof behoren tot hetzelfde producttype en komen overeen met de partijen die in de productcontrole zijn onderzocht.

  • 2. Zo lang een producent gebruik maakt van het recht om voor een bepaald producttype van een bouwstof een erkende kwaliteitsverklaring af te geven wordt voor door hem geproduceerde partijen bouwstoffen van dat producttype geen ander type milieuverklaring bodemkwaliteit afgegeven.

  • 3. Als in een verificatiekeuring als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, volgens bijlage H is geconcludeerd dat voor een stof of andere parameter een partijkeuring moet worden verricht voor elke partij van de bouwstof, wordt voor een partij uitsluitend een erkende kwaliteitsverklaring afgegeven als voor de stof of andere parameter is voldaan aan alle voorwaarden die in artikel 4.10 zijn gesteld voor het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring.

  • 4. De producent geeft voor een partij van de bouwstof die hij heeft geproduceerd, geen erkende kwaliteitsverklaring af als uit een verificatiekeuring als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, een controle in het kader van zijn systeem van kwaliteitsbewaking of anderszins is gebleken dat de partij niet overeenkomt met de partijen van de bouwstof die in de productcontrole zijn onderzocht.

Artikel 4.25 (inhoud erkende kwaliteitsverklaring)
  • 1. Een erkende kwaliteitsverklaring bevat voor de partij van de bouwstof waarop zij betrekking heeft, de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die is erkend voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C;

    • b. het unieke nummer van het productcertificaat waarop de erkenning bodemkwaliteit is gebaseerd;

    • c. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid;

    • d. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid:

      • de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype van de bouwstof waarop de verklaring betrekking heeft;

      • een vermelding dat de partij voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoet aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen;

      • een vermelding van de eventuele aanwezigheid van onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters, en de hoogste emissies, concentraties, gehalten en waarden die daarvan in de laatste vijf partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek zijn vastgesteld;

    • e. eventuele voorwaarden en beperkingen die volgens de producent van de bouwstof bij de toepassing onder de daarbij aangegeven omstandigheden ter bescherming van het milieu in acht moeten worden genomen;

    • f. een uniek nummer van de verklaring; en

    • g. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. Als een erkende kwaliteitsverklaring betrekking heeft op een partij van een bouwstof die blijkens bijlage A uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven te krijgen, wordt dat in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld.

  • 3. Als een erkende kwaliteitsverklaring betrekking heeft op een partij van een bouwstof die blijkens bijlage A uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, wordt dat in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld.

  • 4. Na elke verificatiekeuring wordt voor andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld en andere relevante parameters de vermelding van de hoogste emissies, concentraties, gehalten en waarden daarvan in de erkende kwaliteitsverklaring zo nodig in overeenstemming gebracht met de resultaten van de verificatiekeuring, bedoeld in artikel 4.29, zesde lid.

Artikel 4.26 (afleverbon)
  • 1. Bij de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring voor een partij van een bouwstof wordt door de leverancier aan de afnemer van de partij een afleverbon verstrekt.

  • 2. De afleverbon bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent;

    • b. de naam en het adres van de eerste afnemer;

    • c. het unieke nummer van de erkende kwaliteitsverklaring die hoort bij de partij waarop de afleverbon betrekking heeft;

    • d. bijzonderheden van de partij, waaronder een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en een aanduiding van de grootte van de partij in tonnen, waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, tweede lid, van het besluit en niet is ontstaan door samenvoeging van partijen;

    • e. een uniek nummer van de afleverbon; en

    • f. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 4.27 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij van een bouwstof is ontstaan door splitsing van een partij van een bouwstof waarvoor een erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij een afleverbon en kopieën van de afleverbon en de erkende kwaliteitsverklaring die betrekking hebben op de gesplitste partij.

  • 2. De afleverbon, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de kopie van de erkende kwaliteitsverklaring die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de erkende kwaliteitsverklaring betrekking heeft;

    • g. een uniek nummer van de afleverbon; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie van de afleverbon, onderscheidenlijk een kopie van de erkende kwaliteitsverklaring, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 4.28 (bewaarplicht)

Een producent die is erkend voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, bewaart gedurende ten minste vijf jaar nadat aan de erkenning bodemkwaliteit een eind is gekomen, de volgende informatie:

  • a. het rapport, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid;

  • b. de documentatie over het systeem van kwaliteitsbewaking en het register, bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onder f; en

  • c. de resultaten van de verificatiekeuringen die ter voldoening aan artikel 4.29, eerste lid, zijn verricht.

Artikel 4.29 (verificatiekeuring)
  • 1. De producent van bouwstoffen aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, verricht voor alle stoffen en andere parameters die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn onderzocht, verificatiekeuringen.

  • 2. Als verschillende producenten het toelatingsonderzoek op grond van artikel 4.17, vierde lid, gemeenschappelijk hebben uitgevoerd, mogen producenten de verificatiekeuringen eveneens gemeenschappelijk uitvoeren, waarbij de verificatiekeuringen door een producent naar keuze mogen worden uitgevoerd.

  • 3. Een verificatiekeuring omvat:

    • a. het verrichten van een partijkeuring van een representatieve partij van de geproduceerde bouwstoffen, voor zover het de stoffen en andere parameters betreft waarvoor volgens de aan te houden keuringsfrequentie een verificatiekeuring moet worden verricht;

    • b. het toetsen van de resultaten van het onderzoek aan de kwaliteitseisen die gelden voor de onderzochte stoffen die in bijlage A zijn vermeld;

    • c. het opnieuw bepalen van de hoogste emissies, concentraties, waarden en gehalten van de onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld en andere relevante parameters in de laatste vijf partijkeuringen; en

    • d. het opnieuw bepalen, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4.19 tot en met 4.21 en 4.30, van de keuringsfrequentie waarmee voor de onderzochte stoffen en andere parameters verificatiekeuringen moeten worden verricht.

  • 4. De partijkeuringen in het kader van de verificatiekeuring worden verricht volgens paragraaf 4.1, met dien verstande dat in afwijking van artikel 4.4, eerste lid, slechts één mengmonster hoeft te worden samengesteld, dat uit ten minste zes grepen bestaat, tenzij volgens bijlage H voor elke partij een partijkeuring moet worden verricht, in welk geval:

    • a. als het een vormgegeven bouwstof betreft: slechts één mengmonster hoeft te worden samengesteld, dat uit ten minste twaalf grepen bestaat; en

    • b. als het een niet-vormgegeven bouwstof betreft: slechts één mengmonster hoeft te worden samengesteld, dat uit ten minste 32 grepen bestaat.

  • 5. Na elke verificatiekeuring wordt de keuringsfrequentie waarmee voor de onderzochte stoffen en andere parameters verificatiekeuringen moeten worden verricht, opnieuw berekend op grond van de achtereenvolgende resultaten van de onmiddellijk voorafgaande partijkeuringen die hebben plaatsgevonden in het kader van het toelatingsonderzoek of de verificatiekeuringen, waarbij, als gebruik wordt gemaakt van de k-waardetoets of de gammatoets, telkens:

    • a. de gegevens van de oudste keuring vervallen; en

    • b. de gegevens van de nieuwste keuring worden toegevoegd.

  • 6. De resultaten van elke partijkeuring worden vastgelegd in een rapport als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid. Het rapport bevat tevens voor elke onderzochte stof of andere parameter:

    • a. de opnieuw vastgestelde keuringsfrequentie voor het verrichten van de verificatiekeuringen; en

    • b. voor zover het andere stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters betreft: de hoogste emissies, concentraties, gehalten en waarden daarvan in de laatste vijf partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek en de verificatiekeuringen.

Artikel 4.30 (verificatiekeuring: bijzondere keuringsfrequenties)
  • 1. In afwijking van artikel 4.29, vijfde lid, hoeft bij het bepalen van de keuringsfrequentie voor het verrichten van verificatiekeuringen voor een stof die in bijlage A is vermeld, geen rekening te worden gehouden met de nieuwe spreiding van de resultaten van achtereenvolgende keuringen in geval van:

    • a. een structurele verandering van de kwaliteit van de bouwstof waardoor de emissies of concentraties van de stof verbeteren; of

    • b. het gebruik van een betere analysemethode, waardoor de resultaten van de verificatiekeuringen tijdelijk een grotere spreiding laten zien.

  • 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid mag voor het bepalen van de keuringsfrequentie nog tijdelijk worden uitgegaan van de spreiding van de resultaten van de keuringen die hebben plaatsgevonden voordat de verbetering van de kwaliteit van de bouwstof of van de analysemethode optrad.

  • 3. In een geval als bedoeld in het tweede lid wordt voor het bepalen van de keuringsfrequentie van de nieuwe spreiding van de resultaten van de verificatiekeuringen uitgegaan wanneer voor de te onderzoeken stof voldoende verificatiekeuringen zijn verricht zodat voor het verbeterde product of bij de verbeterde analysemethode weer een representatieve spreiding van de resultaten van de verificatiekeuringen is verkregen, nadat de certificerende instelling hiervoor toestemming heeft gegeven.

Artikel 4.31 (verificatiekeuring: wisseling van keuringsfrequentie)

Als voor een stof die in bijlage A is vermeld, in het kader van de verificatiekeuring volgens bijlage H voor elke partij een partijkeuring moest worden verricht, mag op een lagere keuringsfrequentie worden overgestapt wanneer die keuringsfrequentie volgens bijlage H volgt uit de k-waarde die is berekend op grond van ten minste tien partijkeuringen, waarvan ten minste vijf partijkeuringen voor opeenvolgend geproduceerde partijen zijn verricht.

Artikel 4.32 (opschorting van recht op afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring)

De producent van bouwstoffen aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype van een bouwstof’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, kan tijdelijk geen gebruik maken van het recht om voor het producttype van de bouwstof waarop de erkenning bodemkwaliteit betrekking heeft, een erkende kwaliteitsverklaring af te geven zo lang hij niet heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 4.29, eerste lid, om verificatiekeuringen te verrichten.

Paragraaf 4.3 Fabrikant-eigenverklaring

Artikel 4.33 (toepassingsgebied)
  • 1. Het afgeven van fabrikant-eigenverklaringen en het verrichten van het toelatingsonderzoek ter verkrijging van het recht om een fabrikant-eigenverklaring af te geven voor partijen van een bepaald producttype van een bouwstof, vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2. Een fabrikant-eigenverklaring heeft betrekking op partijen van een bepaald producttype van een bouwstof die uit een gecontroleerd productieproces komen en van gewaarborgde kwaliteit zijn.

Artikel 4.34 (verplichting om toelatingsonderzoek te verrichten)
  • 1. Om het recht te verkrijgen om voor partijen van een bepaald producttype van een bouwstof een fabrikant-eigenverklaring af te geven verricht de producent van de bouwstof een toelatingsonderzoek.

  • 2. Het toelatingsonderzoek wordt verricht onder toezicht van een certificeringsinstelling die:

    • a. op grond van de normdocumenten, aangewezen in categorie 6 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het certificeren van personen voor werkzaamheden die in de uitoefening van een bedrijf worden uitgevoerd; en

    • b. op grond van een normdocument voor de bouwstof, aangewezen in categorie 2 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor de bouwstof, of, als het een bouwstof betreft waarvoor in categorie 2 van bijlage C geen normdocument is aangewezen, is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor een andere bouwstof.

  • 3. Het toelatingsonderzoek omvat:

    • a. een productcontrole van partijen van de bouwstof, die tot doel heeft om te controleren of de bouwstoffen voldoen aan de vereisten die in het vierde lid zijn gesteld; en

    • b. een beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert om te verzekeren dat de partijen van de bouwstof die hij produceert, tot hetzelfde producttype behoren en overeenkomen met de partijen van de bouwstof die in de productcontrole zijn onderzocht, en nog steeds voldoen aan de vereisten die in het vierde lid zijn gesteld.

  • 4. In het kader van de productcontrole en beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking, wordt nagegaan in hoeverre partijen van de bouwstof die de producent produceert:

    • a. voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoen aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen;

    • b. voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoen aan het criterium voor het verkrijgen van het recht op de afgifte van een fabrikant-eigenverklaring; en

    • c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters bevatten.

Artikel 4.35 (toelatingsonderzoek: productcontrole)
  • 1. De productcontrole in het kader van het toelatingsonderzoek omvat partijkeuringen van ten minste tien partijen van de bouwstof, die representatief zijn voor de kwaliteit van de partijen van het producttype van de bouwstof die worden geproduceerd, en wordt uitgevoerd op de locatie waar de partijen zijn geproduceerd.

  • 2. De partijkeuringen in het kader van de productcontrole worden verricht volgens paragraaf 4.1 en de resultaten van elke partijkeuring worden vastgelegd in een rapport als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid.

  • 3. Voor stoffen die in bijlage A zijn vermeld, is aan het criterium voor het verkrijgen van het recht op de afgifte van een fabrikant-eigenverklaring voldaan als uit de resultaten van de partijkeuringen die in het kader van de productcontrole zijn verricht, voor elke stof, met uitzondering van asbest, is gebleken dat:

    • a. de emissie dan wel concentratie in alle partijkeuringen is gelegen onder de bepalingsgrens;

    • b. de emissie dan wel concentratie voldoet aan de k-waardetoets die in onderdeel 1 van bijlage I is opgenomen; of

    • c. de emissie dan wel concentratie voldoet aan de gammatoets die in onderdeel 2 van bijlage I is opgenomen.

  • 4. Voor asbest is aan het criterium voor het verkrijgen van het recht op de afgifte van een fabrikant-eigenverklaring voldaan als uit de resultaten van de partijkeuringen die in het kader van de productcontrole zijn verricht, is gebleken dat elke onderzochte partij van de bouwstof voldoet aan de volgens noot 9 onder tabel 2 van bijlage A gewogen concentratie asbest van 10 mg/kg droge stof.

  • 5. Verschillende producenten van hetzelfde producttype van een bouwstof mogen partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek gemeenschappelijk uitvoeren.

  • 6. Het vijfde lid geldt alleen als elke deelnemende producent:

    • a. ten minste één partijkeuring verricht die betrekking heeft op een door hemzelf geproduceerde partij van de bouwstof; en

    • b. aantoont dat partijen van de bouwstof die hij produceert, tot hetzelfde producttype behoren en dezelfde kwaliteit, samenstelling en herkomst hebben als partijen van de bouwstof die door de andere deelnemende producenten worden geproduceerd.

Artikel 4.36 (toelatingsonderzoek: eerdere productcontrole)
  • 1. In het kader van de productcontrole mag gebruik worden gemaakt van de resultaten van eerder verrichte partijkeuringen.

  • 2. Het eerste lid geldt alleen als alle partijkeuringen betrekking hebben op partijen van de bouwstof die tot hetzelfde producttype behoren en dezelfde kwaliteit, samenstelling en herkomst hebben.

Artikel 4.37 (toelatingsonderzoek: beoordeling systeem van kwaliteitsbewaking)
  • 1. De beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking in het kader van het toelatingsonderzoek omvat een controle van de volledigheid, doeltreffendheid en juiste toepassing van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent in het toelatingsonderzoek hanteert.

  • 2. Het systeem van kwaliteitsbewaking omvat:

    • a. als de producent de bouwstof zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype van de bouwstof dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • b. als de producent de bouwstof niet volledig zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype van de bouwstof dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen, hulpstoffen en halfproducten dan wel afgenomen producten en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • c. een beschrijving van de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de partijen van de bouwstof die worden geproduceerd, behoren tot hetzelfde producttype van de bouwstof waartoe de partijen behoren die in de productcontrole zijn onderzocht, zodat:

      • de bouwstof voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoet aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen; en

      • de emissies, concentraties, gehalten of waarden van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld en andere relevante parameters geen overschrijding vertonen van de hoogste emissies, concentraties, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld;

    • d. een handboek dat een beschrijving geeft van de organisatie, procedures, voorschriften, instructies en interne controlemechanismen, met inbegrip van de meet- en bepalingsmethoden en frequenties, die samen moeten waarborgen dat het systeem van kwaliteitsbewaking naar behoren functioneert en de geproduceerde partijen bouwstoffen aan de kwaliteitseisen voldoen;

    • e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om te verzekeren dat de fabrikant-eigenverklaring alleen wordt afgegeven voor partijen bouwstoffen van hetzelfde producttype met een overeenkomende kwaliteit, samenstelling en herkomst; en

    • f. een register waarin op overzichtelijke en navolgbare wijze wordt bijgehouden hoe het systeem van kwaliteitsbewaking in de praktijk functioneert, met inbegrip van de controles die zijn verricht en de resultaten daarvan, waarbij in het bijzonder wordt vermeld in hoeverre de bouwstoffen aan de toepasselijke kwaliteitseisen voldoen en welke maatregelen als bedoeld in onderdeel e zijn genomen.

Artikel 4.38 (toelatingsonderzoek: rapportage)
  • 1. De wijze waarop het toelatingsonderzoek is verricht, en de resultaten die aldus zijn verkregen, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent van de bouwstof of, wanneer er sprake is van een gemeenschappelijk toelatingsonderzoek als bedoeld in artikel 4.35, vijfde lid, de namen en adressen van elke deelnemende producent van de bouwstof;

    • b. de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype van de bouwstof dat is onderzocht;

    • c. de naam van de certificeringsinstelling die op het toelatingsonderzoek toezicht heeft gehouden;

    • d. de unieke nummers van de rapporten van de partijkeuringen die zijn verricht;

    • e. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen die voldoen aan de vereisten die aan partijen worden gesteld op grond van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert;

    • f. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen van bouwstoffen van hetzelfde producttype met een overeenkomende kwaliteit, samenstelling en herkomst, wanneer zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 4.36, eerste lid, of er sprake is van een gemeenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 4.35, vijfde lid;

    • g. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen van de bouwstof voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoen aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen;

    • h. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen van de bouwstof andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld of andere relevante parameters bevatten, en de hoogste emissies, concentraties, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld;

    • i. informatie waaruit blijkt in hoeverre is voldaan aan artikel 4.35, derde en vierde lid;

    • j. een conclusie in hoeverre bij het produceren van de bouwstoffen een naar behoren functionerend systeem van kwaliteitsbewaking wordt gehanteerd en de voorwaarden aanwezig zijn om het goede functioneren daarvan in de praktijk te verzekeren;

    • k. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • l. een uniek nummer van het rapport.

  • 3. Bij het rapport worden de rapporten van alle partijkeuringen die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn verricht, bijgevoegd.

Artikel 4.39 (recht op afgifte van een fabrikant-eigenverklaring)
  • 1. De producent van bouwstoffen heeft het recht om gedurende een periode van vijf jaar voor de door hem geproduceerde partijen van het producttype van een bouwstof een fabrikant-eigenverklaring af te geven die is bestemd voor eenmalig gebruik bij het verrichten van een handeling met betrekking tot de partij van een bouwstof waarvoor zij is afgegeven, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het toelatingsonderzoek rechtvaardigt blijkens het rapport, bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, de conclusie dat is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 4.35, derde en vierde lid, zijn gesteld;

    • b. een certificeringsinstelling die is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor producten op grond van een nationale BRL, heeft bevestigd dat het toelatingsonderzoek op juiste wijze is uitgevoerd en de conclusie rechtvaardigt dat is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 4.35, derde en vierde lid, zijn gesteld;

    • c. de door hem geproduceerde partijen van de bouwstof behoren tot hetzelfde producttype en komen overeen met de partijen die in de productcontrole zijn onderzocht;

    • d. het systeem van kwaliteitsbewaking dat in het toelatingsonderzoek is onderzocht, wordt op juiste wijze toegepast; en

    • e. van het voornemen om een fabrikant-eigenverklaring af te geven is melding gedaan aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

  • 2. Zo lang een producent gebruik maakt van het recht om voor een bepaald producttype van een bouwstof een fabrikant-eigenverklaring af te geven wordt voor door hem geproduceerde partijen bouwstoffen van dat producttype geen ander type milieuverklaring bodemkwaliteit afgegeven.

  • 3. De producent geeft voor een partij van een bouwstof die hij heeft geproduceerd, geen fabrikant-eigenverklaring af wanneer uit een controle in het kader van zijn systeem van kwaliteitsbewaking of anderszins is gebleken dat de partij van een bouwstof niet overeenkomt met de partijen van de bouwstof die in de productcontrole zijn onderzocht.

  • 4. Voor het doen van een melding als bedoeld in het eerste lid, onder e, wordt gebruikt gemaakt van de modelverklaring die is gepubliceerd op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl onder bijvoeging van de bevestiging van de certificeringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, onder b, en een verklaring waarin degene die de melding doet, instemt met openbaarmaking van de informatie, bedoeld in het vijfde lid, op genoemde website.

  • 5. De naam van de producent die een melding heeft gedaan als bedoeld in het eerste lid, onder e, en van het product waarop de fabrikant-eigenverklaring betrekking heeft, worden bekendgemaakt op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken, onder vermelding van de einddatum van de periode van vijf jaar waarin gebruik mag worden gemaakt van het recht om de verklaring af te geven.

Artikel 4.40 (inhoud fabrikant-eigenverklaring)
  • 1. Een fabrikant-eigenverklaring bevat voor de partij van de bouwstof waarop zij betrekking heeft, de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent die de bouwstof produceert;

    • b. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 4.38, eerste lid;

    • c. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 4.38, eerste lid:

      • de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype van de bouwstof waarop de verklaring betrekking heeft;

      • een vermelding dat de partij voor alle stoffen die in bijlage A zijn vermeld, voldoet aan de kwaliteitseisen die daarin voor die stoffen zijn opgenomen;

      • een vermelding van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage A vermeld en andere relevante parameters waarvan de aanwezigheid in de partij waarschijnlijk is, en de hoogste emissies, concentraties, gehalten en waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek zijn vastgesteld;

    • d. eventuele voorwaarden en beperkingen die volgens de producent van de bouwstof bij de toepassing onder de daarbij aangegeven omstandigheden ter bescherming van het milieu in acht moeten worden genomen;

    • e. een uniek nummer van de verklaring; en

    • f. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. Als een fabrikant-eigenverklaring betrekking heeft op een partij van een bouwstof die blijkens bijlage A uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven te krijgen, wordt dat in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld.

  • 3. Als een fabrikant-eigenverklaring betrekking heeft op een partij van een bouwstof die blijkens bijlage A uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, wordt dat in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld.

Artikel 4.41 (afleverbon)
  • 1. Bij de afgifte van een fabrikant-eigenverklaring voor een partij van een bouwstof wordt door de leverancier aan de afnemer van de partij een afleverbon verstrekt.

  • 2. De afleverbon bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent;

    • b. de naam en het adres van de eerste afnemer;

    • c. het unieke nummer van de fabrikant-eigenverklaring die hoort bij de partij waarop de afleverbon betrekking heeft;

    • d. bijzonderheden van de partij, waaronder een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en een aanduiding van de grootte van de partij in tonnen, waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, tweede lid, van het besluit en niet is ontstaan door samenvoeging van partijen;

    • e. een uniek nummer van de afleverbon; en

    • f. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 4.42 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij van een bouwstof is ontstaan door splitsing van een partij van een bouwstof waarvoor een fabrikant-eigenverklaring is afgegeven, verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij een afleverbon en kopieën van de afleverbon en de fabrikant-eigenverklaring die betrekking hebben op de gesplitste partij.

  • 2. De afleverbon, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de kopie van de fabrikant-eigenverklaring die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de fabrikant-eigenverklaring betrekking heeft;

    • g. een uniek nummer van de afleverbon; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie van de afleverbon, onderscheidenlijk een kopie van de fabrikant-eigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 4.43 (bewaarplicht)

Een producent die het recht heeft verkregen om een fabrikant-eigenverklaring af te geven, bewaart gedurende ten minste vijf jaar na de einddatum van de periode waarin gebruik mag worden gemaakt van het recht om de verklaring af te geven, met inbegrip van de periode waarin dat recht volgens artikel 4.44 is verlengd, de volgende informatie:

  • a. het rapport, bedoeld in artikel 4.38, eerste lid; en

  • b. de documentatie over het systeem van kwaliteitsbewaking en het register, bedoeld in artikel 4.37, tweede lid, onder f.

Artikel 4.44 (verlenging)
  • 1. Een producent die het recht heeft verkregen om gedurende een periode van vijf jaar voor de door hem geproduceerde partijen van een bouwstof een fabrikant-eigenverklaring af te geven en na afloop van deze periode van dit recht gebruik wil blijven maken, stelt een rapport op waarin hij aantoont dat hij de komende vijf jaar in staat is om te blijven voldoen aan de voorwaarden die in artikel 4.35, derde en vierde lid, voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring zijn gesteld.

  • 2. De producent heeft het recht om opnieuw gedurende een periode van vijf jaar voor de door hem geproduceerde partijen bouwstoffen een fabrikant-eigenverklaring af te geven als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het door hem opgestelde rapport rechtvaardigt de conclusie dat hij nog steeds voldoet aan alle voorwaarden die in artikele4.35, derde en vierde lid, zijn gesteld;

    • b. een certificeringsinstelling die is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor producten op grond van een nationale BRL, heeft bevestigd dat het rapport, bedoeld in onderdeel a, op juiste wijze is opgesteld, en de conclusie rechtvaardigt dat is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 4.35, derde en vierde lid, zijn gesteld;

    • c. de door hem geproduceerde partijen van de bouwstof komen overeen met de partijen die in de productcontrole zijn onderzocht;

    • d. het systeem van kwaliteitsbewaking dat in het toelatingsonderzoek is onderzocht, wordt op juiste wijze toegepast; en

    • e. van de bevestiging van de certificeringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, onder b, is melding gedaan aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

  • 3. Voor het doen van een melding als bedoeld het tweede lid, onder e, wordt gebruikt gemaakt van de modelverklaring die is gepubliceerd op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl, onder bijvoeging van de bevestiging van de certificeringsinstelling, bedoeld in het tweede lid, onder b.

  • 4. De einddatum, bedoeld in artikel 4.39, vijfde lid, wordt op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken geactualiseerd.

Artikel 4.45 (tussentijdse wijzigingen)
  • 1. De producent maakt bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat schriftelijk melding dat hij geen gebruik meer maakt van het recht om voor door hem geproduceerde partijen van een bouwstof een fabrikant-eigenverklaring af te geven wanneer sprake is van:

    • a. een wijziging van de wijze van productie van de bouwstof; of

    • b. andere omstandigheden waardoor niet meer is gewaarborgd dat de partijen van de bouwstof die hij produceert, overeenkomen met de partijen van de bouwstof die in de productcontrole zijn onderzocht.

  • 2. Voor het doen van een melding als bedoeld in het eerste lid wordt gebruikt gemaakt van de website https://loket.rijkswaterstaat.nl.

  • 3. In een geval als bedoeld in het eerste lid geeft de producent geen fabrikant-eigenverklaring meer af voor de door hem geproduceerde bouwstof.

  • 4. In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de einddatum, bedoeld in artikel 4.39, vijfde lid, op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken geactualiseerd.

HOOFDSTUK 5 HET AFGEVEN VAN EEN MILIEUVERKLARING BODEMKWALITEIT VOOR PARTIJEN GROND EN BAGGERSPECIE

Paragraaf 5.1 Verklaring op grond van een partijkeuring

Artikel 5.1 (toepassingsgebied)
  • 1. Het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij grond of baggerspecie en het verrichten van een partijkeuring van een partij grond of baggerspecie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2. Een partijkeuring kan om de volgende redenen worden verricht:

    • a. ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een partijkeuring;

    • b. in het kader van het toelatingsonderzoek dat is vereist voor het verkrijgen van het recht tot het afgeven van een erkende kwaliteitsverklaring;

    • c. in het kader van het toelatingsonderzoek dat is vereist voor het verkrijgen van het recht tot het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring; of

    • d. in het kader van de verificatiekeuring die is vereist om een erkende kwaliteitsverklaring te mogen blijven afgeven.

Artikel 5.2 (omschrijving partijkeuring)

In een partijkeuring wordt voor een partij grond of baggerspecie onderzocht:

  • a. in welke kwaliteitsklassen de partij moet worden ingedeeld;

  • b. in hoeverre de partij een specifieke kwaliteit bezit, als de wens bestaat deze in de verklaring op grond van een partijkeuring te vermelden;

  • c. in hoeverre de partij andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters bevat; en

  • d. in hoeverre de partij bodemvreemd materiaal bevat.

Artikel 5.3 (grootte van de partij)
  • 1. De grootte van een partij die in een partijkeuring wordt onderzocht, bedraagt ten hoogste 10.000 ton.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij ten hoogste 2.000 ton wanneer de partij wordt onderzocht op de aanwezigheid van asbest.

Artikel 5.4 (uitvoering vooronderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van de partijkeuring ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij grond of baggerspecie wordt een vooronderzoek verricht volgens dit artikel.

  • 2. In het vooronderzoek wordt nagegaan welke bodemonderzoeken, activiteiten en ontwikkelingen op de ontgravingslocatie hebben plaatsgevonden en wordt op grond van de aldus verkregen informatie afgeleid en gerapporteerd in hoeverre in de bodem van de ontgravingslocatie rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid van:

    • a. stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;

    • b. stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, in een concentratie die de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;

    • c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters; en

    • d. bodemvreemd materiaal.

  • 3. In het vooronderzoek wordt tevens onderzocht hoe de partij is ontstaan, in het bijzonder of de partij als nevenproduct is vrijgekomen of door samenvoeging van partijen of splitsing van een partij is ontstaan dan wel bewerking of reiniging van de partij heeft plaatsgevonden.

  • 4. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:

    • a. als sprake is van grond: NEN 5725; en

    • b. als sprake is van baggerspecie: NEN 5717.

Artikel 5.5 (rapportage vooronderzoek)
  • 1. De resultaten van het vooronderzoek worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het vooronderzoek heeft verricht;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop het vooronderzoek is verricht, en de bronnen die daartoe zijn geraadpleegd;

    • c. een beschrijving van de bodemonderzoeken die zijn verricht en de activiteiten en ontwikkelingen die op de ontgravingslocatie hebben plaatsgevonden;

    • d. een beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van de partij, in het bijzonder of de partij als nevenproduct is vrijgekomen of door samenvoeging van partijen of splitsing van een partij is ontstaan dan wel bewerking of reiniging van de partij heeft plaatsgevonden;

    • e. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;

    • f. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket waarvan de concentratie de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;

    • g. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, andere relevante parameters en bodemvreemd materiaal;

    • h. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • i. een uniek nummer van het rapport.

Artikel 5.6 (uitvoering onderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij grond of baggerspecie wordt in het kader van een partijkeuring een onderzoek verricht volgens de artikelen 5.7 tot en met 5.14.

  • 2. In het onderzoek worden voor verontreinigende stoffen, andere parameters en bodemvreemd materiaal bepaald:

    • a. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket en de gehalten van de parameters lutum en organische stof;

    • b. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid;

    • c. de concentraties van de andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid;

    • d. de waarden of gehalten van andere relevante parameters als de parameters zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid;

    • e. de aard en hoeveelheid van het bodemvreemde materiaal als daarvan melding is gemaakt in het rapport, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid; en

    • f. de emissies van stoffen die in bijlage B zijn vermeld, als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een partijkeuring te vermelden dat de partij de specifieke kwaliteit ‘emissiearme grond’ of ‘emissiearme baggerspecie’ bezit.

Artikel 5.7 (monsterneming en voorbehandeling)
  • 1. Uit de te onderzoeken partij grond of baggerspecie worden monsters genomen volgens de toepasselijke werkwijzen, beschreven in SIKB-protocol 1001.

  • 2. De monsterneming bestaat uit ten minste 100 grepen, die aselect of systematisch als punten van een regelmatig driedimensionaal raster uit de gehele partij worden genomen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid mag in geval van een in situ partijkeuring van een partij grond of baggerspecie uit de bodem onder een verhardingslaag of uit een diepe bodemlaag worden volstaan met ten minste twaalf grepen die worden genomen volgens SIKB-protocol 1001.

  • 4. De grepen worden om beurten over ten minste twee te onderzoeken mengmonsters van een gelijk aantal grepen verdeeld.

  • 5. Als de partij wordt onderzocht op vluchtige verbindingen worden in aanvulling op het eerste lid met een steektoestel tenminste twaalf aanvullende monsters genomen volgens SIKB-protocol 1001.

  • 6. Als de partij wordt onderzocht op de aanwezigheid van asbest worden

    in aanvulling op het eerste lid aanvullende monsters ten behoeve van het onderzoek naar asbest genomen volgens de werkwijze, beschreven in bijlage 7 bij SIKB-protocol 1001 of in hoofdstuk 8 bij NEN 5707.

  • 7. De volgens het vierde lid verkregen mengmonsters en de volgens het vijfde lid verkregen monsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AP 04.

Artikel 5.8 (bepaling samenstelling)
  • 1. De concentraties, gehalten en waarden van de volgens artikel 5.6, tweede lid, te onderzoeken verontreinigende stoffen, andere relevante parameters en het bodemvreemde materiaal in de volgens artikel 5.7, achtste lid, voorbehandelde mengmonsters en monsters worden bepaald met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

  • 2. Als blijkt dat tussen de concentraties, gehalten of waarden van een verontreinigende stof, uitgezonderd asbest, of andere relevante parameter, die volgens het eerste lid, en, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet, onderdeel I van bijlage G, voor de onderscheiden mengmonsters en monsters een verschil van meer dan een factor 2,5 bestaat, wordt artikel 5.9 niet toegepast dan nadat de werkwijze die tot die uitkomst heeft geleid, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, op mogelijke fouten is gecontroleerd en daarbij geen fouten zijn gesignaleerd. Deze controle op fouten wordt uitgevoerd met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04, of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt een factor 2,1 in plaats van 2,5 gehanteerd wanneer de monstername volgens artikel 5.7, vierde of zevende lid, heeft bestaan uit het nemen van twaalf grepen.

Artikel 5.9 (omrekening voor lutum en organische stof)
  • 1. De volgens artikel 5.8 bepaalde concentraties van de onderzochte stoffen worden ten behoeve van de toetsing aan de kwaliteitseisen die voor die stoffen voor de standaardbodem zijn opgenomen in bijlage B, omgerekend naar concentraties in een standaardbodem met behulp van de gemeten gehalten lutum en organische stof.

  • 2. De omrekening wordt verricht volgens onderdeel II van bijlage G.

Artikel 5.10 (bepaling emissies)
  • 1. Als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een partijkeuring te vermelden dat een partij grond of baggerspecie de kwaliteit ‘emissiearme grond’ dan wel ‘emissiearme baggerspecie’ bezit, worden de emissies bepaald van de stoffen die in tabel 3a van bijlage B zijn vermeld.

  • 2. De emissies worden bepaald door voor ten minste één van de volgens artikel 5.7, zesde lid, verkregen mengmonsters een kolomproef te verrichten volgens, naar keuze van de opdrachtgever voor het onderzoek, NEN 7373 of NEN 7383.

  • 3. Als bij de kolomproef door slechte doorlatendheid van de grond of baggerspecie onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, worden de emissies van de te onderzoeken stoffen uit de grond of baggerspecie berekend met toepassing van de formule in bijlage K.

  • 4. In afwijking van het eerste lid hoeft de emissie van een stof niet te worden bepaald wanneer de volgens artikel 5.9 omgerekende rekenkundig gemiddelde concentratie van de stof in de mengmonsters lager is dan de emissietoetswaarde die voor die stof in tabel 3a van bijlage B is opgenomen.

  • 5. De emissies van de te onderzoeken stoffen die volgens dit artikel zijn bepaald, worden geanalyseerd met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

Artikel 5.11 (indeling in een kwaliteitsklasse)
  • 1. Een partij grond of baggerspecie wordt ten behoeve van de vermelding van de kwaliteitsklasse volgens artikel 25d van het besluit in de volgende kwaliteitsklassen ingedeeld:

    • a. voor het toepassen op of in de landbodem volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving: de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’, ‘industrie’, ‘matig verontreinigd’ of ‘sterk verontreinigd’, zoals onderscheiden in tabel 1 van bijlage B; en

    • b. voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving: de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’, ‘licht verontreinigd’, ‘matig verontreinigd’ of ‘sterk verontreinigd’, zoals onderscheiden in tabel 2 van bijlage B.

  • 2. De indeling van de partij in een kwaliteitsklasse als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, vindt plaats op grond van de concentratie van elk van de onderzochte stoffen die het rekenkundig gemiddelde is van de volgens artikel 5.9 omgerekende concentraties van de stof die in alle onderzochte mengmonsters zijn bepaald.

  • 3. Een partij grond die voorafgaand aan het ontgraven volgens artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving op grond van een bodemonderzoek volgens paragraaf 5.2.2 van dat besluit is ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’ of ‘sterk verontreinigd’, wordt, ongeacht de resultaten van de partijkeuring die is verricht, ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’, onderscheidenlijk ‘sterk verontreinigd’.

  • 4. Voor asbest wordt de hoogst gemeten concentratie in plaats van het rekenkundig gemiddelde gehanteerd wanneer de concentraties in de mengmonsters niet binnen de ondergrens en bovengrens van elkaars betrouwbaarheidsintervallen vallen.

  • 5. De partij grond of baggerspecie wordt ingedeeld in de slechtste kwaliteitsklasse waarin een van de onderzochte stoffen is ingedeeld. Een stof wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse die wordt begrensd door de concentratiewaarden waartussen de concentratie van de stof is gelegen, die zijn opgenomen in tabel 1, onderscheidenlijk tabel 2, van bijlage B.

  • 6. De indeling in een kwaliteitsklasse vindt plaats volgens onderdeel I van bijlage G, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet.

  • 7. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt een partij tarragrond niet ingedeeld in een kwaliteitsklasse voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam.

  • 8. In afwijking van het vijfde lid wordt een partij grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, ingedeeld als:

    • a. wanneer ten minste twee stoffen en ten hoogste zes stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste een stof de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden;

    • b. wanneer ten minste zeven stoffen en ten hoogste vijftien stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste twee stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden;

    • c. wanneer ten minste zestien stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste drie stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden;

    • d. wanneer ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vier stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden; en

    • e. wanneer ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vijf stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden.

  • 9. Bij de toepassing van het achtste lid worden als onderzochte stoffen alleen meegeteld de onderzochte stoffen waarvoor in kolom 2 van de toepasselijke tabel 1 of 2 van bijlage B een kwaliteitseis is opgenomen.

  • 10. In geval van een overschrijding als bedoeld in het achtste lid van de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ of de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ bedraagt de concentratie van de desbetreffende stof niet meer dan twee maal de concentratiewaarde die voor de stof in tabel 1, onderscheidenlijk tabel 2, van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de klasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’, met dien verstande dat voor alle stoffen, met uitzondering van nikkel (Ni), tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1 van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’.

Artikel 5.12 (toetsing specifieke kwaliteit)
  • 1. Als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een partijkeuring te vermelden dat een partij grond of baggerspecie een specifieke kwaliteit bezit, worden de resultaten van het onderzoek naar de concentraties en emissies van de onderzochte stoffen die in bijlage B zijn vermeld, getoetst volgens dit artikel, de toetsingsregels die zijn opgenomen in de op de specifieke kwaliteit toepasselijke tabel van bijlage B en, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet, onderdeel I van bijlage G.

  • 2. De toetsing vindt plaats op grond van de concentratie van elk van de onderzochte stoffen die het rekenkundig gemiddelde is van de volgens artikel 5.9 omgerekende concentraties van de stof die in alle onderzochte mengmonsters zijn bepaald.

  • 3. Voor asbest wordt de hoogst gemeten concentratie in plaats van het rekenkundig gemiddelde gehanteerd wanneer de concentraties in de mengmonsters niet binnen de ondergrens en bovengrens van elkaars betrouwbaarheidsintervallen vallen.

  • 4. De rekenkundig gemiddelde concentratie of emissie van een stof wordt getoetst aan de kwaliteitseis die voor de stof in de tabel die betrekking heeft op de in de verklaring op grond van een partijkeuring te vermelden specifieke kwaliteit, is opgenomen in de tabellen 3a tot en met 3e van bijlage B en voor tarragrond, voor zover van toepassing, aan de kwaliteitseis die is aangegeven in tabel 1 van bijlage B.

  • 5. Een partij grond of baggerspecie bezit een specifieke kwaliteit wanneer de rekenkundig gemiddelde concentraties of emissies van alle onderzochte stoffen voldoen aan de voor de specifieke kwaliteit geldende kwaliteitseisen.

Artikel 5.13 (rapportage partijkeuring)
  • 1. De resultaten van de partijkeuring worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. een nauwkeurige omschrijving van het type grond en baggerspecie;

    • b. bijzonderheden van de partij, waaronder een vermelding van de locatie waar de partij zich bevindt en een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en een aanduiding van de grootte in tonnen, waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, derde lid, van het besluit en niet is ontstaan door samenvoeging van partijen;

    • c. de naam en het adres van de persoon of instelling die de monsterneming heeft uitgevoerd;

    • d. de naam en het adres van de instelling die de monsters heeft voorbehandeld en geanalyseerd;

    • e. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, met de resultaten van het vooronderzoek;

    • f. de data waarop de monsterneming, voorbehandeling en analyse van de monsters zijn uitgevoerd;

    • g. een vermelding van de gehanteerde normdocumenten en analysemethoden;

    • h. het monsternemingsplan en het monsternemingsformulier waarvan gebruik is gemaakt, met inbegrip van een onderbouwing van de keuze van de te onderzoeken stoffen en parameters;

    • i. een beschrijving van de wijze waarop de monsterneming, voorbehandeling en analyse van de monsters zijn uitgevoerd, waaronder een beschrijving van de relevante bijzonderheden van de monsters;

    • j. het rapport van de analyse van de monsters, met vermelding van de concentraties, onderscheidenlijk emissies, van de onderzochte stoffen in elk mengmonster;

    • k. een vermelding van de kwaliteitsklassen waarin de partij is ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • l. een vermelding van de concentraties en emissies van de onderzochte stoffen in elk mengmonster en de rekenkundig gemiddelden daarvan in alle monsters tezamen;

    • m. een vermelding van de gehalten en waarden van andere relevante parameters in elk mengmonster en de rekenkundig gemiddelden daarvan in alle monsters tezamen;

    • n. een vermelding van het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de partij en de aard en hoeveelheid daarvan;

    • o. wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden, een conclusie in hoeverre de partij voldoet aan de kwaliteitseisen voor de in de verklaring op grond van een partijkeuring te vermelden specifieke kwaliteit;

    • p. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • q. een uniek nummer van het rapport.

  • 3. Als een rapport betrekking heeft op een partij tarragrond wordt in afwijking van het tweede lid, onder k, niet de kwaliteitsklasse voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam vermeld.

Artikel 5.14 (voorwaarden voor het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring)
  • 1. Een verklaring op grond van een partijkeuring is bestemd voor eenmalig gebruik bij het toepassen van de partij grond of baggerspecie waarvoor zij is afgegeven, en wordt niet afgegeven als voor de partij al een andere milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven.

  • 2. Een verklaring op grond van een partijkeuring wordt voor een partij grond of baggerspecie alleen afgegeven als:

    • a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek en partijkeuring volgens deze regeling zijn verricht;

    • b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, is opgesteld;

    • c. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, is opgesteld;

    • d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.16;

    • e. de partij niet is ontstaan door samenvoeging van partijen;

    • f. de partij voor de onderzochte stoffen die in bijlage B zijn vermeld, in een kwaliteitsklasse wordt ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • g. melding wordt gemaakt van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarvan de aanwezigheid in de partij waarschijnlijk is, en de concentraties, emissies, gehalten of waarden daarvan; en

    • h. melding wordt gemaakt van bodemvreemd materiaal waarvan de aanwezigheid in de partij waarschijnlijk is, en de aard en hoeveelheid daarvan.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder f, wordt een partij tarragrond niet ingedeeld in een kwaliteitsklasse voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 5.15 (inhoud verklaring op grond van een partijkeuring)
  • 1. Een verklaring op grond van een partijkeuring bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de verklaring heeft afgegeven;

    • b. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid;

    • c. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid;

    • d. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid:

      • een nauwkeurige omschrijving van het type grond of baggerspecie;

      • de grootte van de partij in tonnen;

      • een vermelding van de kwaliteitsklassen waarin de partij is ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      • een vermelding van de specifieke kwaliteit van de partij, wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden en de partij aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen voldoet;

      • een vermelding van de eventuele aanwezigheid van onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters en de concentraties, emissies, gehalten en waarden daarvan;

      • een vermelding van de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal;

    • e. eventuele voorwaarden en beperkingen die volgens informatie van de producent of leverancier van de grond of baggerspecie bij de toepassing onder de daarbij aangegeven omstandigheden ter bescherming van het milieu in acht moeten worden genomen;

    • f. een uniek nummer van de verklaring; en

    • g. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij zand die afkomstig is uit de zee en het gehalte chloride in de partij meer dan 200 mg/kg droge stof bedraagt, wordt in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld dat de partij uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt.

  • 3. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij baggerspecie met een gehalte minerale olie van meer dan 500 mg/kg droge stof en ten hoogste 2.000 mg/kg droge stof, wordt in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld dat de partij bij toepassing op of in de landbodem uitsluitend geschikt is voor grootschalig toepassen.

  • 4. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij baggerspecie met een gehalte Tributyltin meer dan 0,115 mg Sn/kg droge stof en niet meer dan 0,250 mg Sn/kg droge stof wordt in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld dat de partij bij het verspreiden in een zout oppervlaktewaterlichaam uitsluitend geschikt is voor verspreiden in de Waddenzee en Zeeuwse Delta.

  • 5. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij tarragrond wordt in de verklaring in afwijking van het eerste lid, onder c, 3°, geen kwaliteitsklasse vermeld voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 5.16 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij grond of baggerspecie is ontstaan door splitsing van een partij grond of baggerspecie verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij een door hem afgegeven afleverbon en een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 2. De afleverbon, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een uniek nummer van de afleverbon;

    • g. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit betrekking heeft; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende extra informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar.

Paragraaf 5.2 Verklaring op grond van een bodemonderzoek

Artikel 5.17 (toepassingsgebied)

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij grond of baggerspecie en het verrichten van bodemonderzoek op een ontgravingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

Artikel 5.18 (omschrijving bodemonderzoek)

In het bodemonderzoek wordt voor een partij grond of baggerspecie die uit de te onderzoeken bodemlocatie wordt ontgraven, onderzocht:

  • a. in welke kwaliteitsklassen de partij moet worden ingedeeld;

  • b. in hoeverre de partij een specifieke kwaliteit bezit, als de wens bestaat deze in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden;

  • c. in hoeverre de partij andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters bevat; en

  • d. in hoeverre de partij bodemvreemd materiaal bevat.

Artikel 5.19 (uitvoering vooronderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van het bodemonderzoek ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij grond of baggerspecie die uit de te onderzoeken bodemlocatie wordt ontgraven, wordt een vooronderzoek verricht volgens dit artikel.

  • 2. In het vooronderzoek worden nagegaan welke bodemonderzoeken, activiteiten en ontwikkelingen op de ontgravingslocatie hebben plaatsgevonden en wordt op grond van de aldus verkregen informatie afgeleid en gerapporteerd in hoeverre rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid in de bodem op de ontgravingslocatie van:

    • a. stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;

    • b. stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, in een concentratie die de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;

    • c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters;

    • d. stoffen als vermeld in bijlage B in een van nature verhoogde concentratie;

    • e. verschillende van elkaar te onderscheiden partijen; en

    • f. bodemvreemd materiaal.

  • 3. In het vooronderzoek wordt tevens bepaald welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek moet worden gevolgd volgens:

    • a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5740; en

    • b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5720.

  • 4. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:

    • a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en

    • b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.

  • 5. In afwijking van het eerste lid kan een vooronderzoek ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ook worden verricht om na te gaan of kan worden afgezien van het verrichten van een bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.21, eerste lid, als de verklaring wordt afgegeven ten behoeve van:

    • a. suppleties van baggerspecie die afkomstig is uit de territoriale zee, langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b. verspreiding van baggerspecie op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het oppervlaktewaterlichaam in beheer is bij een waterschap.

Artikel 5.20 (rapportage vooronderzoek)
  • 1. De resultaten van het vooronderzoek worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het vooronderzoek heeft verricht;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop het vooronderzoek is verricht, en de bronnen die daartoe zijn geraadpleegd;

    • c. een beschrijving van de bodemonderzoeken die zijn verricht en de activiteiten en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden, die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie;

    • d. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;

    • e. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, waarvan de concentratie de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;

    • f. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, andere relevante parameters en bodemvreemd materiaal;

    • g. een aanduiding welke te onderscheiden partijen op de te ontgraven bodemlocatie voorkomen;

    • h. een conclusie welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek in het kader van NEN 5740, als het de landbodem betreft, of NEN 5720, als het de waterbodem betreft, moet worden gevolgd;

    • i. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • j. een uniek nummer van het rapport.

  • 3. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder a, bevat het rapport ten minste:

    • a. een conclusie of de partij afkomstig is uit de territoriale zee; en

    • b. een conclusie in hoeverre er indicaties bestaan dat de zeebodem waaruit de partij baggerspecie afkomstig is, zodanig verontreinigd is dat de partij baggerspecie niet geschikt is om volgens het Besluit activiteiten leefomgeving te worden toegepast in het kader van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving,

    met dien verstande dat in geval van een negatieve conclusie als bedoeld in onderdeel b kan worden volstaan met de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, g, i en j.

  • 4. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder b, bevat het rapport ten minste:

    • a. een conclusie in hoeverre de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap;

    • b. een conclusie in hoeverre er indicaties bestaan dat de baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’;

    • c. een conclusie in hoeverre de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam:

      • dat is gelegen in bebouwd gebied, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden;

      • waar geregeld beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt;

      • waarin is geloosd sinds de laatste keer dat er is gebaggerd;

      • dat grenst aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het bermsloten betreft op een afstand van ten minste 15 meter en de wegriolering daarin niet loost; of

      • met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout; en

    • d. met dien verstande dat in geval van negatieve conclusies als bedoeld in onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, kan worden volstaan met de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, g, i en j.

Artikel 5.21 (uitvoering bodemonderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij grond of baggerspecie wordt een bodemonderzoek verricht.

  • 2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen bodemonderzoek te worden verricht ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving wanneer:

    • a. de baggerspecie afkomstig is uit de territoriale zee; en

    • b. uit het vooronderzoek is gebleken dat er geen indicaties bestaan dat de zeebodem waaruit de partij baggerspecie afkomstig is, zodanig verontreinigd is dat de partij baggerspecie niet geschikt is om in het kader van suppleties te worden toegepast.

  • 3. In afwijking van het eerste lid hoeft geen bodemonderzoek te worden verricht ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van verspreiding van baggerspecie op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wanneer:

    • a. de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap;

    • b. uit het vooronderzoek niet is gebleken dat de baggerspecie mogelijk niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’; en

    • c. uit het vooronderzoek niet is gebleken dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onderdeel c.

  • 4. In het bodemonderzoek worden voor verontreinigende stoffen, andere parameters en bodemvreemd materiaal bepaald:

    • a. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket en de gehalten van de parameters lutum en organische stof;

    • b. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;

    • c. de concentraties van de andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;

    • d. de waarden of gehalten van andere relevante parameters als de parameters zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;

    • e. de aard en hoeveelheid van het bodemvreemde materiaal als daarvan melding is gemaakt in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid; en

    • f. de emissies van stoffen die in bijlage B zijn vermeld, als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden dat de partij de specifieke kwaliteit ‘emissiearme grond’ of ‘emissiearme baggerspecie’ bezit.

  • 5. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, kan alleen als grondslag voor het afgeven voor een verklaring op grond van een bodemonderzoek worden gebruikt als uit het vooronderzoek is gebleken dat de onderzoeksstrategie moet worden gevolgd die in NEN 5740 is beschreven voor:

    • de toetsing of er sprake is van een schone bodem (TOETS-S);

    • de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR); of

    • de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

  • 6. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5740. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AP 04.

  • 7. Als het bodemonderzoek op de landbodem betrekking heeft, bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij grond ten hoogste 10.000 ton, uitgezonderd in een situatie waarin sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR).

  • 8. Als de partij wordt onderzocht op de aanwezigheid van asbest geldt het volgende:

    • a. in aanvulling op het zesde lid worden monsters ten behoeve van het onderzoek naar asbest genomen volgens bijlage 7 van SIKB-protocol 1001 of hoofdstuk 8 van NEN 5707 en concentraties van asbest bepaald volgens de onderzoeksstrategie die is beschreven in hoofdstuk 8 van NEN 5707; en

    • b. In afwijking van het zevende lid bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij grond ten hoogste 2.000 ton.

  • 9. Bodemonderzoek dat op de waterbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5720. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AS 3000.

Artikel 5.22 (bepaling samenstelling)
  • 1. De concentraties, gehalten en waarden van de volgens artikel 5.21, tweede lid, te onderzoeken verontreinigende stoffen en andere relevante parameters en de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de volgens artikel 5.21, vierde lid, onderscheidenlijk zevende lid, voorbehandelde mengmonsters en monsters worden bepaald met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04, of, als het baggerspecie betreft, naar keuze van de opdrachtgever voor het onderzoek, AS 3000 in plaats van AP 04, of, als hiervoor in AP 04, onderscheidenlijk AS 3000, geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

  • 2. Als bij een bodemonderzoek op de landbodem blijkt dat tussen de concentraties, gehalten of waarden van een verontreinigende stof, uitgezonderd asbest, of andere parameter die volgens het eerste lid, en, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet, onderdeel I van bijlage G, voor de onderscheiden mengmonsters en monsters zijn bepaald, een verschil van meer dan een factor 2,5 bestaat, wordt artikel 5.25 niet toegepast dan nadat de werkwijze die tot die uitkomst heeft geleid, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, op mogelijke fouten is gecontroleerd en daarbij geen fouten zijn gesignaleerd. Deze controle op fouten wordt uitgevoerd met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt een factor 2,1 in plaats van 2,5 gehanteerd wanneer de monstername volgens artikel 5.21, vierde lid, heeft bestaan uit het nemen van twaalf grepen.

Artikel 5.23 (omrekening voor lutum en organische stof)
  • 1. De volgens artikel 5.22 bepaalde concentraties van de onderzochte stoffen worden ten behoeve van de toetsing aan de kwaliteitseisen die voor die stoffen voor de standaardbodem zijn opgenomen in bijlage B, omgerekend naar concentraties in een standaardbodem met behulp van de gemeten gehalten lutum en organische stof.

  • 2. De omrekening wordt verricht volgens onderdeel II van bijlage G.

Artikel 5.24 (bepaling emissies)
  • 1. Als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden dat een partij grond of baggerspecie de kwaliteit ‘emissiearme grond’ dan wel ‘emissiearme baggerspecie’ bezit, worden de emissies bepaald van de stoffen die in tabel 3a van bijlage B zijn vermeld.

  • 2. De emissies worden bepaald door voor ten minste één van de volgens artikel 5.21, tweede lid, verkregen mengmonsters een kolomproef te verrichten volgens, naar keuze van de opdrachtgever voor het onderzoek, NEN 7373 of NEN 7383.

  • 3. De emissies worden voor een partij baggerspecie bepaald door voor alle volgens artikel 5.21, zesde lid, verkregen mengmonsters een kolomproef te verrichten volgens, naar keuze van de opdrachtgever voor het onderzoek, NEN 7373 of NEN 7383.

  • 4. Als bij de kolomproef door slechte doorlatendheid van de grond of baggerspecie onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, worden de emissies van de te onderzoeken stoffen uit de grond of baggerspecie berekend met toepassing van de formule in bijlage K.

  • 5. In afwijking van het eerste lid hoeft de emissie van een stof niet te worden bepaald wanneer de volgens artikel 5.23 omgerekende rekenkundig gemiddelde concentratie van de stof in de mengmonsters lager is dan de emissietoetswaarde die voor die stof in tabel 3a van bijlage B is opgenomen.

  • 6. De emissies van de te onderzoeken stoffen die volgens dit artikel zijn bepaald, worden geanalyseerd met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

Artikel 5.25 (indeling van een partij grond of baggerspecie in een kwaliteitsklasse)
  • 1. Een partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven, wordt ten behoeve van de vermelding van de kwaliteitsklasse volgens artikel 25d van het besluit in de volgende kwaliteitsklassen ingedeeld:

    • a. voor het toepassen op of in de landbodem volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving: de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’, ‘industrie’, ‘matig verontreinigd’ of ‘sterk verontreinigd’, zoals onderscheiden in tabel 1 van bijlage B; en

    • b. voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving: de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’, ‘licht verontreinigd’, ‘matig verontreinigd’ of ‘sterk verontreinigd’, zoals onderscheiden in tabel 2 van bijlage B.

  • 2. De indeling van de partij in een kwaliteitsklasse als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, vindt plaats op grond van de concentratie van elk van de onderzochte stoffen die het rekenkundig gemiddelde is van de volgens artikel 5.23 omgerekende concentraties van de stof die in alle onderzochte mengmonsters zijn bepaald.

  • 3. Voor asbest wordt de hoogst gemeten concentratie in plaats van het rekenkundig gemiddelde gehanteerd wanneer de concentraties in de mengmonsters niet binnen de ondergrens en bovengrens van elkaars betrouwbaarheidsintervallen vallen.

  • 4. De partij grond of baggerspecie wordt ingedeeld in de slechtste kwaliteitsklasse waarin een van de onderzochte stoffen is ingedeeld. Een stof wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse die wordt begrensd door de concentratiewaarden waartussen de concentratie van de stof is gelegen, die zijn opgenomen in tabel 1, onderscheidenlijk tabel 2, van bijlage B.

  • 5. De indeling in een kwaliteitsklasse vindt plaats volgens onderdeel I van bijlage G, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet.

  • 6. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt een partij tarragrond niet ingedeeld in een kwaliteitsklasse voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam.

  • 7. In afwijking van het vijfde lid wordt een partij grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, ingedeeld als:

    • a. wanneer ten minste twee stoffen en ten hoogste zes stoffen zijn onderzocht: de concentratie van ten hoogste een stof de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijdt;

    • b. wanneer ten minste zeven stoffen en ten hoogste vijftien stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste twee stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden;

    • c. wanneer ten minste zestien stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste drie stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden;

    • d. wanneer ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vier stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden; en

    • e. wanneer ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vijf stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, overschrijden.

  • 8. Bij de toepassing van het zevende lid worden als onderzochte stoffen alleen meegeteld de onderzochte stoffen waarvoor in kolom 2 van de toepasselijke tabel 1 of 2 van bijlage B een kwaliteitseis is opgenomen.

  • 9. In geval van een overschrijding als bedoeld in het zevende lid van de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ of de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ bedraagt de concentratie van de desbetreffende stof niet meer dan twee maal de concentratiewaarde die voor de stof in tabel 1, onderscheidenlijk tabel 2, van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de klasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’, met dien verstande dat voor alle stoffen, met uitzondering van nikkel (Ni), tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1 van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’.

  • 10. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder a, wordt een partij baggerspecie ten behoeve van de vermelding van de kwaliteitsklasse volgens artikel 25d van het besluit ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’, als de conclusie in het rapport bedoeld in artikel 5.20, derde lid, luidt dat er geen indicaties bestaan dat de zeebodem waaruit de partij baggerspecie afkomstig is, verontreinigd is.

Artikel 5.26 (toetsing specifieke kwaliteit)
  • 1. Als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden dat een partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven, een specifieke kwaliteit bezit, worden de resultaten van het onderzoek naar de concentraties en emissies van de onderzochte stoffen die in bijlage B zijn vermeld, getoetst volgens dit artikel, de toetsingsregels die zijn opgenomen in de op de specifieke kwaliteit toepasselijke tabel van bijlage B en, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet, onderdeel I van bijlage G.

  • 2. De toetsing vindt plaats op grond van de concentratie van elk van de onderzochte stoffen die het rekenkundig gemiddelde is van de volgens artikel 5.23 omgerekende concentraties van de stof die in alle onderzochte mengmonsters zijn bepaald.

  • 3. Voor asbest wordt de hoogst gemeten concentratie in plaats van het rekenkundig gemiddelde gehanteerd wanneer de concentraties in de mengmonsters niet binnen de ondergrens en bovengrens van elkaars betrouwbaarheidsintervallen vallen.

  • 4. De rekenkundig gemiddelde concentratie of emissie van een stof wordt getoetst aan de kwaliteitseis die voor de stof in de tabel die betrekking heeft op de in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden specifieke kwaliteit, is opgenomen in de tabellen 3a tot en met 3e van bijlage B en voor tarragrond, voor zover van toepassing, aan de kwaliteitseis die is aangegeven in tabel 1 van bijlage B.

  • 5. Een partij grond of baggerspecie bezit een specifieke kwaliteit wanneer de concentraties of emissies van alle onderzochte stoffen voldoen aan de voor de specifieke kwaliteit geldende kwaliteitseisen.

  • 6. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder b, bezit een partij baggerspecie de specifieke kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’, als de conclusie in het rapport bedoeld in artikel 5.20, derde lid, luidt dat er geen indicaties bestaan dat de baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ of dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 5.21, vierde lid, onder c.

Artikel 5.27 (rapportage bodemonderzoek)
  • 1. De resultaten van een bodemonderzoek worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. een nauwkeurige omschrijving van het type grond of baggerspecie dat uit de onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven;

    • b. bijzonderheden van de partij die uit de onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven, een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en een aanduiding van de grootte in tonnen, waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, derde lid, van het besluit en niet is ontstaan door samenvoeging van partijen;

    • c. een nauwkeurige aanduiding en omschrijving van de ontgravingslocatie, waaronder het adres en de coördinaten, en een driedimensionale verbeelding van de situering van de partij;

    • d. de naam en het adres van de persoon of instelling die het veldwerk of de monsterneming heeft uitgevoerd;

    • e. de naam en het adres van de instelling die de monsters heeft voorbehandeld en geanalyseerd;

    • f. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, met de resultaten van het vooronderzoek;

    • g. de data waarop de monsterneming, voorbehandeling en analyse van de monsters zijn uitgevoerd;

    • h. een vermelding van de gehanteerde normdocumenten en analysemethoden;

    • i. een vermelding van de onderzoeksstrategie die in het bodemonderzoek is gevolgd;

    • j. het veldwerkformulier of het monsternemingsplan en het monsternemingsformulier waarvan gebruik is gemaakt, met inbegrip van een onderbouwing van de keuze van de te onderzoeken stoffen en parameters;

    • k. een beschrijving van de wijze waarop het veldwerk of de monsterneming, voorbehandeling en analyse van de monsters is uitgevoerd, waaronder een beschrijving van de relevante bijzonderheden van de monsters;

    • l. het rapport van de analyse van de monsters, met vermelding van de concentraties, onderscheidenlijk emissies, van de onderzochte stoffen in elk mengmonster;

    • m. een vermelding van de kwaliteitsklasse waarin de partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven, is ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • n. een vermelding van de concentraties en emissies van de onderzochte stoffen in elk mengmonster en de rekenkundig gemiddelden daarvan in alle monsters tezamen;

    • o. een vermelding van de gehalten en waarden van andere relevante parameters in elk mengmonster en de rekenkundig gemiddelden daarvan in alle monsters tezamen;

    • p. een vermelding van het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven, en de aard en hoeveelheid daarvan;

    • q. wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden, een conclusie in hoeverre de partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven, voldoet aan de kwaliteitseisen voor de in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden specifieke kwaliteit;

    • r. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • s. een uniek nummer van het rapport.

Artikel 5.28 (voorwaarden voor het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek is bestemd voor eenmalig gebruik bij het toepassen van een partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie is ontgraven en waarvoor zij is afgegeven, en wordt niet afgegeven als voor de partij al een andere milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven.

  • 2. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek wordt voor een partij grond of baggerspecie alleen afgegeven als:

    • a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek en bodemonderzoek volgens deze regeling zijn verricht;

    • b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;

    • c. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.27, eerste lid, is opgesteld;

    • d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.27, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;

    • e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan;

    • f. de partij voor de onderzochte stoffen die in bijlage B zijn vermeld, in een kwaliteitsklasse wordt ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • g. melding wordt gemaakt van het voorkomen van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarvan de aanwezigheid in de partij waarschijnlijk is, de concentraties, emissies, gehalten of waarden daarvan; en

    • h. melding wordt gemaakt van het voorkomen van bodemvreemd materiaal en de aard en hoeveelheid daarvan.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, mag een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving in een geval als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, ook worden afgegeven zonder dat een bodemonderzoek is verricht als:

    • a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens deze regeling is verricht;

    • b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;

    • c. uit de conclusie in het in onderdeel b bedoelde rapport blijkt dat sprake is van een partij die afkomstig is uit de territoriale zee en geen sprake is van indicaties als bedoeld in artikel 5.20, derde lid, onder b;

    • d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;

    • e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan; en

    • f. de partij op grond van artikel 5.25, zevende lid, in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ is ingedeeld.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, onder a, mag een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van verspreiding op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving in een geval als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, ook worden afgegeven zonder dat een bodemonderzoek is verricht als:

    • a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens deze regeling is verricht;

    • b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;

    • c. uit de conclusie in het in onderdeel b bedoelde rapport blijkt dat sprake is een partij afkomstig uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap en geen sprake is van indicaties als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onder b, of van omstandigheden als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onder c;

    • d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;

    • e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan; en

    • f. er geen sprake is van indicaties dat de partij niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’.

Artikel 5.29 (inhoud verklaring op grond van een bodemonderzoek)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek die wordt afgegeven voor een partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie is ontgraven, bevat de volgende informatie:

    • a. een in het oog springende vermelding dat de verklaring op een partij grond, onderscheidenlijk baggerspecie, betrekking heeft;

    • b. de naam en het adres van de persoon die het bodemonderzoek heeft verricht;

    • c. de naam en het adres van de persoon die de verklaring heeft afgegeven;

    • d. een nauwkeurige aanduiding of omschrijving van de onderzochte bodemlocatie, waaronder het adres en de coördinaten en een beschrijving van de belangrijkste kenmerken;

    • e. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;

    • f. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.27, eerste lid;

    • g. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 5.27, eerste lid:

      • een nauwkeurige omschrijving van het type grond of baggerspecie;

      • de grootte van de partij in tonnen;

      • een vermelding van de kwaliteitsklassen waarin de partij is ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      • een vermelding van de specifieke kwaliteit van de partij, wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden en de partij aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen voldoet;

      • een vermelding van de eventuele aanwezigheid van onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters en de concentraties, emissies, gehalten en waarden daarvan; en

      • een vermelding van de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal;

    • h. eventuele voorwaarden en beperkingen die volgens informatie van de producent of leverancier van de grond of baggerspecie bij de toepassing onder de daarbij aangegeven omstandigheden ter bescherming van het milieu in acht moeten worden genomen;

    • i. een uniek nummer van de verklaring; en

    • j. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. Als een verklaring op grond van een bodemonderzoek betrekking heeft op een partij zand die afkomstig is uit de zee en het gehalte chloride in de partij meer dan 200 mg/kg droge stof bedraagt, wordt in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld dat de partij uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt.

  • 3. Als een verklaring op grond van een bodemonderzoek betrekking heeft op een partij baggerspecie met een gehalte minerale olie van meer dan 500 mg/kg droge stof en ten hoogste 2.000 mg/kg droge stof, wordt in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld dat de partij bij toepassing op of in de landbodem uitsluitend geschikt is voor grootschalig toepassen.

  • 4. Als een verklaring op grond van een bodemonderzoek betrekking heeft op een partij baggerspecie met een gehalte Tributyltin meer dan 0,115 mg Sn/kg droge stof en niet meer dan 0,250 mg Sn/kg droge stof wordt in de verklaring op in het oog springende wijze vermeld dat de partij bij het verspreiden in een zout oppervlaktewaterlichaam uitsluitend geschikt is voor verspreiden in de Waddenzee en Zeeuwse Delta.

  • 5. In afwijking van het eerste lid bevat een verklaring op grond van een bodemonderzoek die voor een partij baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie is ontgraven wordt afgegeven volgens artikel 5.28, derde lid, de volgende informatie:

    • a. een in het oog springende vermelding dat de partij baggerspecie uitsluitend geschikt is voor toepassing in het kader van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b. een nauwkeurige omschrijving van het type baggerspecie;

    • c. de grootte van de partij in tonnen;

    • d. een vermelding van de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’; en

    • e. de informatie, bedoeld in het eerste lid, onder a, c, d, e, i en j.

  • 6. In afwijking van het eerste lid bevat een verklaring op grond van een bodemonderzoek die voor een partij baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie is ontgraven, wordt afgegeven volgens artikel 5.28, vierde lid, de volgende informatie:

    • a. een in het oog springende vermelding dat de partij baggerspecie uitsluitend geschikt is voor verspreiding op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b. een nauwkeurige omschrijving van het type baggerspecie;

    • c. de grootte van de partij in tonnen;

    • d. een vermelding van de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’; en

    • e. de informatie, bedoeld in het eerste lid, onder a, c, d, e, i en j.

  • 7. Als een rapport betrekking heeft op een partij tarragrond wordt in afwijking van het eerste lid, onder g, 3°, niet de kwaliteitsklasse voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam vermeld.

Artikel 5.30 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij grond of baggerspecie is ontstaan door splitsing van een partij grond of baggerspecie waarvoor een verklaring op grond van een bodemonderzoek is verleend, verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij een door hem afgegeven afleverbon en een kopie van de verklaring op grond van een bodemonderzoek die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 2. De afleverbon, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de kopie van de verklaring op grond van een bodemonderzoek die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een uniek nummer van de afleverbon;

    • g. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de verklaring op grond van een bodemonderzoek betrekking heeft; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie van de verklaring op grond van een bodemonderzoek, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende extra informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar.

Paragraaf 5.3 Verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart

Artikel 5.31 (toepassingsgebied)

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie die wordt ontgraven uit een ontgravingslocatie die is gelegen in een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld, en het verrichten van een vooronderzoek met betrekking tot de ontgravingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

Artikel 5.32 (voorwaarden voor gebruik van de bodemkwaliteitskaart)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart heeft bij het toepassen van een partij grond of baggerspecie alleen geldigheid als milieuverklaring bodemkwaliteit als de partij waarop zij betrekking heeft, is ontgraven uit een ontgravingslocatie die is gelegen in een gebied waarvoor:

    • a. als het een partij grond betreft, door de gemeenteraad van de gemeente waarin de toepassingslocatie is gelegen:

      • een bodemkwaliteitskaart voor de landbodem is vastgesteld die een grondslag voor de verklaring biedt; of

      • een bodemkwaliteitskaart die door de gemeenteraad van een andere gemeente of door een waterbeheerder is vastgesteld, als grondslag voor de verklaring is aanvaard en die kaart voor de bodem van de ontgravingslocatie een kwaliteitsklasse voor grond vermeldt of voldoende informatie bevat om een uit die ontgravingslocatie ontgraven partij in een kwaliteitsklasse voor grond in te delen; en

    • b. als het een partij baggerspecie betreft, door de waterbeheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarin de toepassingslocatie is gelegen:

      • een bodemkwaliteitskaart voor de waterbodem is vastgesteld die een grondslag voor de verklaring biedt; of

      • een bodemkwaliteitskaart die door de gemeenteraad van een gemeente of door de waterbeheerder van een ander oppervlaktewaterlichaam als grondslag voor de verklaring is aanvaard en die kaart voor de bodem van de ontgravingslocatie een kwaliteitsklasse voor baggerspecie vermeldt of voldoende informatie bevat om een uit die ontgravingslocatie ontgraven partij in een kwaliteitsklasse voor baggerspecie in te delen.

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, mag tevens gebruik worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart die:

    • a. voor de inwerkingtreding van deze paragraaf op grond van artikel 57, tweede lid, van het besluit is vastgesteld door burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap; en

    • b. onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf nog als grondslag voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring op grond van het besluit mocht worden gebruikt.

  • 3. Bij de toepassing van het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, mag tevens gebruik worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart die:

    • a. voor de inwerkingtreding van deze paragraaf als grondslag voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring is aanvaard door de gemeenteraad van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het betrokken waterschap;

    • b. op grond van artikel 57, tweede lid, van het besluit is vastgesteld door burgemeester en wethouders van een gemeente dan wel het dagelijks bestuur van een waterschap;

    • c. geen betrekking heeft op de betrokken gemeente of het betrokken waterschap; en

    • d. onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf als grondslag voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring op grond van het besluit mocht worden gebruikt.

  • 4. Bij de toepassing van het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, mag tevens gebruik worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart die:

    • a. voor de inwerkingtreding van deze paragraaf als grondslag voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring is aanvaard door burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap;

    • b. op grond van artikel 57, tweede lid, van het besluit is vastgesteld door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders van een gemeente dan wel het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur van een waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    • c. geen betrekking heeft op de betrokken gemeente of het betrokken waterschap; en

    • d. onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf als grondslag voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring op grond van het besluit mocht worden gebruikt.

Artikel 5.33 (uitvoering vooronderzoek en aanvullend onderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart voor een partij grond of baggerspecie uit een ontgravingslocatie die is gelegen binnen het gebied waarop de kaart van toepassing is, worden een vooronderzoek en eventueel een aanvullend onderzoek verricht volgens dit artikel.

  • 2. In een vooronderzoek wordt onderzocht of er redenen kunnen zijn om aan te nemen dat de bodemkwaliteitskaart die geldt voor het gebied waarin de ontgravingslocatie waarop de verklaring betrekking heeft, is gelegen, mogelijk niet representatief is voor de ontgravingslocatie en daardoor geen getrouw en actueel beeld geeft van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie.

  • 3. Een bodemkwaliteitskaart geeft geen getrouw en actueel beeld van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie als in de bodem van de ontgravingslocatie rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid van:

    • a. stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de kaart informatie geeft, als de bodem voor die stof in een slechtere kwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de kaart voor het gebied waarin de ontgravingslocatie ligt, is aangegeven;

    • b. stoffen als vermeld in bijlage B waarover de kaart geen informatie geeft, in een concentratie die waarschijnlijk de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’ overschrijdt;

    • c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en

    • d. bodemvreemd materiaal waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.

  • 4. Er is reden om aan te nemen dat sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, als:

    • a. de kwaliteit van de bodem door een puntbron kan zijn beïnvloed;

    • b. na de vaststelling of laatste actualisatie van de geldende bodemkwaliteitskaart ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, die de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie hebben kunnen beïnvloeden;

    • c. andere informatie voorhanden is waaruit blijkt dat de informatie die in de bodemkwaliteitskaart is opgenomen, geen representatief beeld geeft van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie; of

    • d. de ontgravingslocatie is gelegen buiten de horizontale en verticale begrenzing van de bodem waarop de bodemkwaliteitskaart betrekking heeft.

  • 5. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:

    • a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en

    • b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.

  • 6. Om het mogelijk te maken om in een geval als bedoeld in het derde lid toch een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart af te geven, kan een aanvullend onderzoek worden verricht naar de aanwezigheid van de volgens het vooronderzoek relevante:

    • a. stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft, in een concentratie die de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;

    • b. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters en waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en

    • c. bodemvreemd materiaal waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.

  • 7. Aanvullend onderzoek als bedoeld in het zesde lid worden verricht volgens:

    • a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5740; en

    • b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5720.

Artikel 5.34 (rapportage vooronderzoek en aanvullend onderzoek)
  • 1. De resultaten van het vooronderzoek en, als een dergelijk onderzoek is verricht, het aanvullend onderzoek, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het vooronderzoek heeft verricht;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop het vooronderzoek is verricht en de bronnen die daartoe zijn geraadpleegd;

    • c. een aanduiding van de toepasselijke bodemkwaliteitskaart en de zone en bodemlaag van de bodemkwaliteitskaart waarin de onderzochte bodemlocatie is gelegen;

    • d. een beschrijving van de bodemonderzoeken die zijn verricht en de activiteiten en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden voor zover die hebben geleid tot een verslechtering van de kwaliteit van de bodem op de onderzochte bodemlocatie ten opzichte van de kwaliteit die op de bodemkwaliteitskaart is weergegeven;

    • e. een conclusie of het vooronderzoek reden heeft gegeven om aan te nemen dat de bodemkwaliteitskaart mogelijk geen getrouw en actueel beeld van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie geeft en een onderbouwing van de conclusie;

    • f. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • g. een uniek nummer van het rapport.

  • 3. In een geval als bedoeld in artikel 5.33, zesde lid, bevat het rapport tevens de volgende informatie als resultaat van het verrichte aanvullend onderzoek:

    • a. de concentraties van stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft;

    • b. de concentraties van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en

    • c. de aard en hoeveelheid van bodemvreemd materiaal waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.

Artikel 5.35 (voorwaarden voor het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart is bestemd voor eenmalig gebruik bij het toepassen van de partij grond of baggerspecie waarvoor zij is afgegeven en wordt niet afgegeven als voor de partij al een andere milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven.

  • 2. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart wordt voor een partij grond of baggerspecie alleen afgegeven:

    • a. wanneer dit geschiedt ten behoeve van het toepassen van de partij op een toepassingslocatie die is gelegen in een gebied waar de verklaring bij het toepassen als milieuverklaring bodemkwaliteit geldigheid heeft;

    • b. de ontgravingslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart geldt die voor de afgifte van de verklaring een grondslag biedt;

    • c. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens artikel 5.33, eerste lid, is verricht;

    • d. een rapport als bedoeld in artikel 5.34, eerste lid, is opgesteld; en

    • e. het vooronderzoek geen reden heeft gegeven om aan te nemen dat de bodemkwaliteitskaart mogelijk geen getrouw en actueel beeld van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie geeft;

    • f. de beperking van de geldigheid van de verklaring ingevolge artikel 5.32 in de verklaring is vermeld met de tekst die is opgenomen in artikel 5.36, eerste lid, onderdeel b.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder e, mag een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart in een geval als bedoeld in artikel 5.33, derde lid, ook worden afgegeven als een aanvullend onderzoek als bedoeld in artikel 5.33, zesde lid, is uitgevoerd en het rapport, bedoeld in artikel 5.34, eerste lid, tevens de relevante informatie bevat die is weergegeven in artikel 5.34, derde lid.

Artikel 5.36 (inhoud verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart die voor een partij grond of baggerspecie wordt afgegeven, bevat de volgende informatie:

    • a. een in het oog springende vermelding dat de verklaring op een partij grond, onderscheidenlijk baggerspecie, betrekking heeft;

    • b. een in het oog springende vermelding van de beperking van de geldigheid van de verklaring met de volgende tekst: ‘Van deze verklaring mag bij het toepassen van de partij grond of baggerspecie waarvoor zij is afgegeven, alleen gebruik worden gemaakt wanneer dit volgens artikel 5.32 van de Regeling bodemkwaliteit 2022 is toegestaan’;

    • c. de naam en het adres van de persoon die de verklaring heeft afgegeven;

    • d. een aanduiding van de bodemkwaliteitskaart die de grondslag biedt voor het afgeven van de verklaring, en de op die kaart onderscheiden zone en bodemlaag waarin de ontgravingslocatie is gelegen;

    • e. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.34, eerste lid;

    • f. een conclusie of het vooronderzoek reden heeft gegeven om aan te nemen dat de in onderdeel d bedoelde bodemkwaliteitskaart mogelijk geen getrouw en actueel beeld van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie geeft en een onderbouwing van de conclusie;

    • g. de naam en het adres van de persoon die het vooronderzoek heeft verricht, alsmede de naam en het adres van de persoon die het eventuele aanvullend onderzoek heeft verricht;

    • h. de volgende informatie over de partij waarop de verklaring betrekking heeft:

      • een nauwkeurige omschrijving van het type grond of baggerspecie;

      • de grootte van de partij in tonnen;

      • de kwaliteitsklasse waarin de partij is ingedeeld, volgens de kwaliteitsklasse waarin partijen die uit de bodemlocatie worden ontgraven, volgens de in onderdeel d bedoelde bodemkwaliteitskaart zijn ingedeeld met het oog op het afgeven van een verklaring die op die partijen betrekking heeft;

      • een vermelding van de specifieke kwaliteit van de partij, wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden en de partij aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen voldoet; en

      • een vermelding van de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal dat volgens de in onderdeel d bedoelde bodemkwaliteitskaart of het aanvullend onderzoek op de ontgravingslocatie aanwezig is;

      • de concentraties, emissies, waarden en gehalten van relevante verontreinigende stoffen of andere relevante parameters als bedoeld in artikel 5.34, derde lid, onder a, b of c, die volgens de in onderdeel d bedoelde bodemkwaliteitskaart of het aanvullend onderzoek op de ontgravingslocatie aanwezig zijn;

    • i. een uniek nummer van de verklaring; en

    • j. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. In een geval als bedoeld in artikel 5.33, zesde lid, bevat het rapport tevens de volgende informatie als resultaat van het verrichte aanvullend onderzoek:

    • a. de concentraties van stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de in het eerste lid, onder d, bedoelde bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft;

    • b. de concentraties van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarover de in het eerste lid, onder d, bedoelde bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en

    • c. de aard en hoeveelheid van bodemvreemd materiaal waarover de in het eerste lid, onder d, bedoelde bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.

  • 3. Bij vermelding van de kwaliteitsklasse waarin de partij is ingedeeld volgens het eerste lid, onder h, 3°, wordt de kwaliteitsklasse vermeld voor grond, als de in het eerste lid, onder d, bedoelde bodemkwaliteitskaart door de gemeenteraad is vastgesteld, dan wel baggerspecie, als de bodemkwaliteitskaart door de waterbeheerder is vastgesteld.

  • 4. Bij vermelding van de kwaliteitsklasse waarin de partij is ingedeeld volgens het eerste lid, onder h, 3°, kan tevens de kwaliteitsklasse voor baggerspecie worden vermeld, als de in het eerste lid, onder d, bedoelde bodemkwaliteitskaart door de gemeenteraad is vastgesteld en die kwaliteitsklasse vermeldt of voldoende informatie bevat om de partij in die kwaliteitsklasse in te delen, dan wel de kwaliteitsklasse voor grond, als de in het eerste lid, onder d, bedoelde bodemkwaliteitskaart door de waterbeheerder is vastgesteld en die kwaliteitsklasse vermeldt of voldoende informatie bevat om de partij in die kwaliteitsklasse in te delen.

  • 5. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart die voor een partij grond of baggerspecie wordt afgegeven, kan ten behoeve van de voorgenomen specifieke toepassing van de partij volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving vermelden dat de partij voldoet aan de kwaliteitseisen die voor de vermelde specifieke kwaliteit zijn opgenomen in tabel 3a tot en met 3e van bijlage B als de bodemkwaliteitskaart die specifieke kwaliteit uitdrukkelijk vermeldt.

Artikel 5.37 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij grond of baggerspecie is ontstaan door splitsing van een partij grond of baggerspecie verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij een door hem afgegeven afleverbon en een kopie van de verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 2. De afleverbon bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een uniek nummer van de afleverbon;

    • g. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de kopie van de verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart betrekking heeft; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie van de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende extra informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar.

Paragraaf 5.4 Erkende kwaliteitsverklaring

Artikel 5.38 (toepassingsgebied)
  • 1. Het afgeven van erkende kwaliteitsverklaringen en het onderzoek ten behoeve van de erkenning van producenten van grond of baggerspecie die het recht hebben om voor door hen geproduceerde partijen van een bepaald producttype grond of baggerspecie een erkende kwaliteitsverklaring af te geven vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2. Een erkende kwaliteitsverklaring heeft betrekking op partijen van een bepaald producttype grond of baggerspecie die uit een gecontroleerd productieproces komen en van gewaarborgde kwaliteit zijn, voor zover het partijen grond of baggerspecie betreft waarop een van de volgende normdocumenten, genoemd in categorie 2 van bijlage C, van toepassing is:

    • a. BRL 5078, over het product ‘groutmengsels voor het afdichten van boorgaten’, voor zover het grond betreft;

    • b. BRL 9313, over het product ‘zand uit dynamische wingebieden’;

    • c. BRL 9321, over het product ‘industriezand en (gebroken) industriegrind’;

    • d. BRL 9326, over het product ‘schelpen’;

    • e. BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-1 over het product ‘grond of baggerspecie’, waarvan de partijen het resultaat zijn van de werkzaamheden van een persoon die is erkend op grond van BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-1;

    • f. BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-2 over het product ‘grond waarvan de partijen vrijkomen bij grootschalige projecten of het resultaat zijn van procesmatige grondreinigingsinstallaties’; of

    • g. BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-4 over ‘samengestelde grondproducten’.

Artikel 5.39 (voorwaarden voor het afgeven van een erkende kwaliteitsverklaring)
  • 1. Om het recht te verkrijgen om voor partijen van een bepaald producttype grond of baggerspecie een erkende kwaliteitsverklaring af te geven, beschikt de producent van de grond of baggerspecie voor dat producttype over een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C.

  • 2. Een erkenning bodemkwaliteit voor het produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie is gebaseerd op een productcertificaat voor dat producttype dat is verleend op grond van een toelatingsonderzoek volgens de bepalingen van deze paragraaf en, het toepasselijke normdocument BRL 5078, BRL 9313, BRL 9321, BRL 9326 of BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-1, 9335-2 of 9335-4, zoals aangewezen in categorie 2 van bijlage C.

Artikel 5.40 (vereisten voor toelatingsonderzoek)
  • 1. Een erkenning bodemkwaliteit voor het produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie wordt alleen afgegeven als het productcertificaat waarop de erkenning bodemkwaliteit is gebaseerd, is verleend op grond van een toelatingsonderzoek dat voldoet aan de bepalingen van deze paragraaf, door een certificeringsinstelling die:

    • a. op grond van de normdocumenten, aangewezen in categorie 6 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het certificeren van personen voor werkzaamheden die in de uitoefening van een bedrijf worden uitgevoerd; en

    • b. op grond van normdocument BRL 5708, BRL 9313, BRL 9321, BRL 9326, BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-1, 9335-2 of 9335-4, zoals aangewezen in categorie 2 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor de grond of baggerspecie.

  • 2. Het toelatingsonderzoek omvat:

    • a. een productcontrole van partijen grond of baggerspecie, die tot doel heeft om te controleren of het producttype grond of baggerspecie voldoet aan de vereisten die in het derde lid zijn gesteld;

    • b. een beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert om te verzekeren dat de partijen grond of baggerspecie die hij produceert, overeenkomen met de partijen grond of baggerspecie die in de productcontrole zijn onderzocht, en nog steeds voldoen aan de vereisten die in het derde lid zijn gesteld;

    • c. de bepaling van de keuringsfrequentie waarmee voor stoffen en andere parameters volgens de artikelen 5.53 tot en met 5.55 verificatiekeuringen moeten worden verricht; en

    • d. voor zover het grond of baggerspecie betreft waarop BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-1 van toepassing zijn en die is geproduceerd door een persoon die op grond van dat normdocument en protocol is erkend voor de werkzaamheid, bedoeld in categorie 18 van bijlage C: een beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert om te waarborgen dat de partijen grond of baggerspecie zijn samengevoegd volgens artikel 4.1255 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3. In het kader van de productcontrole en de kwaliteitsbewaking wordt voor partijen van het producttype grond of baggerspecie onderzocht of de partij:

    • a. moet worden en ingedeeld in de kwaliteitsklassen die in de erkende kwaliteitsverklaring worden vermeld;

    • b. de specifieke kwaliteit bezit die in de erkende kwaliteitsverklaring wordt vermeld;

    • c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters bevat; en

    • d. bodemvreemd materiaal bevat.

Artikel 5.41 (toelatingsonderzoek: productcontrole)
  • 1. De productcontrole in het kader van het toelatingsonderzoek omvat partijkeuringen van vijf of, naar keuze van de producent, tien partijen grond of baggerspecie die representatief zijn voor de kwaliteit van de partijen grond of baggerspecie die worden geproduceerd, en wordt uitgevoerd op de locatie waar de partijen zijn geproduceerd.

  • 2. De partijkeuringen in het kader van de productcontrole worden verricht volgens paragraaf 5.1 en de resultaten van elke partijkeuring worden vastgelegd in een rapport als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid.

  • 3. In afwijking van het tweede lid juncto artikel 5.33, eerste lid of zevende lid, hoeft geen vooronderzoek, onderscheidenlijk aanvullend onderzoek, te worden verricht als het een partij grond of baggerspecie betreft die in ontvangst is genomen door een persoon die is erkend op grond van BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-1 en de partij niet meer bedraagt dan 100 ton.

  • 4. Verschillende producenten van hetzelfde producttype grond of baggerspecie mogen partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek gemeenschappelijk uitvoeren.

  • 5. Het vierde lid geldt alleen als de deelnemende producent:

    • a. ten minste één partijkeuring verricht die betrekking heeft op een door hemzelf geproduceerde partij grond of baggerspecie; en

    • b. aantoont dat de partijen grond of baggerspecie die hij produceert tot hetzelfde producttype behoren en dezelfde kwaliteit, samenstelling en herkomst hebben als de partijen die door de andere deelnemende producenten worden geproduceerd.

Artikel 5.42 (toelatingsonderzoek: beoordeling systeem van kwaliteitsbewaking)
  • 1. De beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking in het kader van het toelatingsonderzoek omvat een controle van de volledigheid, doeltreffendheid en juiste toepassing van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent in het toelatingsonderzoek hanteert.

  • 2. Het systeem van kwaliteitsbewaking omvat:

    • a. als de producent de grond of baggerspecie zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype grond of baggerspecie dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • b. als de producent de grond of baggerspecie niet volledig zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype grond of baggerspecie dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen, hulpstoffen en halfproducten dan wel afgenomen producten en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • c. een beschrijving van de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de partijen grond of baggerspecie die worden geproduceerd behoren tot hetzelfde producttype grond of baggerspecie waartoe de partijen behoren die in de productcontrole zijn onderzocht, zodat:

      • de grond of baggerspecie voldoen aan de kwaliteitseisen die in tabel 1 en tabel 2 van bijlage B voor de relevante stoffen zijn opgenomen voor de kwaliteitsklassen die in de erkende kwaliteitsverklaring worden vermeld;

      • voldoen aan de kwaliteitseisen die in tabel 3a tot en met 3e van bijlage B voor de relevante stoffen zijn opgenomen voor de specifieke kwaliteit grond of die in de erkende kwaliteitsverklaring wordt vermeld;

      • de concentraties, emissies, gehalten of waarden van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld en andere relevante parameters geen toename vertonen ten opzichte van de hoogste concentraties, emissies, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld; en

      • de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal niet afwijken van wat in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole is aangetroffen;

    • d. een handboek dat een beschrijving geeft van de organisatie, procedures, voorschriften, instructies en interne controlemechanismen, met inbegrip van de meet- en bepalingsmethoden en frequenties, die samen moeten waarborgen dat het systeem van kwaliteitsbewaking naar behoren functioneert en de geproduceerde partijen grond of baggerspecie aan de kwaliteitseisen voldoet;

    • e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om te verzekeren dat de erkende kwaliteitsverklaring alleen wordt afgegeven voor partijen grond of baggerspecie van hetzelfde producttype met een overeenkomende kwaliteit, samenstelling en herkomst; en

    • f. een register waarin op overzichtelijke en navolgbare wijze wordt bijgehouden hoe het systeem van kwaliteitsbewaking in de praktijk functioneert, met inbegrip van de controles die zijn verricht en de resultaten daarvan, waarbij in het bijzonder wordt vermeld in hoeverre de grond of baggerspecie aan alle daarvoor geldende vereisten voldoet en welke maatregelen als bedoeld in onderdeel e zijn genomen.

Artikel 5.43 (toelatingsonderzoek: keuringsfrequentie voor in bijlage B vermelde stoffen)
  • 1. In het toelatingsonderzoek wordt voor elke stof die in bijlage B is vermeld en die bij de productcontrole is onderzocht, de keuringsfrequentie voor het verrichten van de verificatiekeuringen bepaald, waarbij, naar keuze van de producent, gebruik kan worden gemaakt van de k-waardetoets, de gammatoets of de verdelingsvrije toets, en wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet, onderdeel I van bijlage G wordt toegepast, met dien verstande dat niet voor elke stof dezelfde methode hoeft te worden gekozen.

  • 2. De methoden ter bepaling van de keuringsfrequentie worden uitgevoerd volgens:

    • a. als het de k-waardetoets betreft: onderdeel 1 van bijlage H;

    • b. als het de gammatoets betreft: onderdeel 2 van bijlage H; en

    • c. als het de verdelingsvrije toets betreft: onderdeel 3 van bijlage H.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt als keuringsfrequentie gehanteerd:

    • a. voor zover het grond of baggerspecie betreft waarop BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-1 van toepassing zijn: elke partij grond of baggerspecie; en

    • b. voor zover het grond of baggerspecie betreft waarop BRL 9335 en het bijbehorende SIKB-protocol 9335-4 van toepassing zijn: de keuringsfrequentie die volgens paragraaf 6.8.2 van SIKB-protocol 9335-4 bij BRL 9335 is bepaald.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin voor een stof op grond van artikel 5.44 een bijzondere keuringsfrequentie geldt.

Artikel 5.44 (toelatingsonderzoek: bijzondere bepalingsmethoden voor de keuringsfrequenties voor in bijlage B vermelde stoffen en andere parameters)
  • 1. Wanneer in het toelatingsonderzoek de concentraties van een stof die in bijlage B is vermeld, in alle onderzochte partijen lager zijn dan de bepalingsgrens die in bijlage L is opgenomen, geldt voor de stof een keuringsfrequentie van één verificatiekeuring per vijf jaar.

  • 2. Voor asbest gelden voor het verrichten van de verificatiekeuringen de volgende keuringsfrequenties:

    • a. als in een van de onderzochte partijen asbest is aangetroffen: de hoogste keuringsfrequentie die volgens dit artikel of artikel 5.43 is bepaald voor enige stof die in de grond of baggerspecie is aangetroffen en waarvoor verificatiekeuringen moeten worden verricht; en

    • b. als in geen van de partijen asbest is aangetroffen: de laagste keuringsfrequentie die volgens dit artikel of artikel 5.43 is bepaald voor enige stof die in de grond of baggerspecie is aangetroffen en waarvoor verificatiekeuringen moeten worden verricht.

Artikel 5.45 (toelatingsonderzoek: keuringsfrequenties voor niet in bijlage B vermelde stoffen en andere parameters)

Als bij de partijkeuringen in het kader van de productcontrole in een partij grond of baggerspecie andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld en andere relevante parameters zijn aangetroffen, geldt voor elk van die stoffen en andere parameters voor het verrichten van de verificatiekeuringen de hoogste keuringsfrequentie die voor enige stof die in bijlage B is vermeld en waarvoor verificatiekeuringen moeten worden verricht, volgens artikel 5.43 is bepaald.

Artikel 5.46 (rapportage toelatingsonderzoek)
  • 1. De wijze waarop het toelatingsonderzoek is verricht, en de resultaten die aldus zijn verkregen, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het toelatingsonderzoek heeft verricht;

    • b. de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype grond of baggerspecie dat is onderzocht;

    • c. de naam en het adres van de producent van het producttype grond of baggerspecie of, wanneer er sprake is van een gemeenschappelijk toelatingsonderzoek als bedoeld in artikel 5.41, vierde lid, de namen en adressen van de deelnemende producenten van grond of baggerspecie;

    • d. de unieke nummers van de rapporten van de partijkeuringen die zijn verricht;

    • e. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen die voldoen aan de vereisten die aan partijen worden gesteld op grond van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert;

    • f. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen grond of baggerspecie die tot hetzelfde producttype behoren en dezelfde kwaliteit, samenstelling en herkomst hebben, wanneer er sprake is van een gemeenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 5.41, vierde lid;

    • g. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen grond of baggerspecie voldoen aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklassen die in de erkende kwaliteitsverklaring worden vermeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • h. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen grond of baggerspecie andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters bevatten, en de hoogste concentraties, emissies, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld;

    • i. een vermelding van het voorkomen van bodemvreemd materiaal en de aard en hoeveelheid daarvan;

    • j. wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden, een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen grond of baggerspecie voldoen aan de kwaliteitseisen voor de specifieke kwaliteit die in de erkende kwaliteitsverklaring wordt vermelden;

    • k. een conclusie of het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert, volledig en doeltreffend is en op juiste wijze wordt toegepast;

    • l. voor elke stof die in bijlage B is vermeld en die bij de productcontrole is onderzocht, de berekende keuringsfrequentie voor het verrichten van de verificatiekeuringen;

    • m. voor zover sprake is van de aanwezigheid van asbest, andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters, de voor het verrichten van de verificatiekeuringen aan te houden keuringsfrequentie;

    • n. een conclusie in hoeverre bij het produceren van de grond of baggerspecie een naar behoren functionerend systeem van kwaliteitsbewaking wordt gehanteerd en de voorwaarden aanwezig zijn om het goede functioneren daarvan in de praktijk te verzekeren;

    • o. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • p. een uniek nummer van het rapport.

  • 3. Bij het rapport worden de rapporten van alle partijkeuringen die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn verricht, bijgevoegd.

Artikel 5.47 (aanvraag van een erkenning bodemkwaliteit voor het produceren van grond of baggerspecie)

Bij de aanvraag om een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, worden naast de informatie die op grond van andere wettelijke bepalingen moet worden verstrekt, tevens de volgende documenten verstrekt:

  • a. het productcertificaat voor het producttype grond of baggerspecie waarop de aanvraag betrekking heeft, dat is verleend op grond van een normdocument als genoemd in artikel 5.38, tweede lid; en

  • b. het rapport, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, behoudens, in afwijking van artikel 5.46, derde lid, de rapporten van de partijkeuringen die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn verricht.

Artikel 5.48 (recht op afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring)
  • 1. De producent van grond of baggerspecie aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, heeft het recht voor de door hem geproduceerde partijen van het producttype grond of baggerspecie, een erkende kwaliteitsverklaring af te geven die is bestemd voor eenmalig gebruik bij het toepassen van de partij grond of baggerspecie waarvoor zij is afgegeven, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het systeem van kwaliteitsbewaking dat in het toelatingsonderzoek is onderzocht, wordt op juiste wijze toegepast; en

    • b. de door hem geproduceerde partijen grond of baggerspecie behoren tot hetzelfde producttype en komen overeen met de partijen die in de productcontrole zijn onderzocht.

  • 2. Zo lang een producent gebruik maakt van het recht om voor een bepaald producttype grond of baggerspecie een erkende kwaliteitsverklaring af te geven wordt voor door hem geproduceerde partijen grond of baggerspecie van dat producttype geen ander type milieuverklaring bodemkwaliteit afgegeven.

  • 3. Als in een verificatiekeuring als bedoeld in artikel 5.53, eerste lid, volgens bijlage H is geconcludeerd dat voor een stof of andere parameter een partijkeuring moet worden verricht voor elke partij grond of baggerspecie, wordt voor een partij uitsluitend een erkende kwaliteitsverklaring afgegeven als voor de stof of andere parameter is voldaan aan alle voorwaarden die in artikel 5.14 zijn gesteld voor het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring.

  • 4. De producent geeft voor een partij grond of baggerspecie die hij heeft geproduceerd, geen erkende kwaliteitsverklaring af als uit een verificatiekeuring als bedoeld in artikel 5.53, eerste lid, een controle in het kader van zijn systeem van kwaliteitsbewaking of anderszins is gebleken dat de partij niet overeenkomt met de partijen grond of baggerspecie die in de productcontrole zijn onderzocht.

Artikel 5.49 (inhoud erkende kwaliteitsverklaring)
  • 1. Een erkende kwaliteitsverklaring bevat voor de partij grond of baggerspecie waarop zij betrekking heeft, de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die is erkend voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C;

    • b. het unieke nummer van het productcertificaat waarop de erkenning bodemkwaliteit is gebaseerd;

    • c. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid;

    • d. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid:

      • de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype grond of baggerspecie waarop de verklaring betrekking heeft;

      • een vermelding van de kwaliteitsklassen waarin de partij is ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      • een vermelding van de specifieke kwaliteit van de partij, wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden en de partij aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen voldoet;

      • een vermelding van de eventuele aanwezigheid van onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters, en de hoogste concentraties, emissies, gehalten en waarden die daarvan in de laatste vijf partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek zijn vastgesteld; en

      • een vermelding van de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal;

    • e. eventuele voorwaarden en beperkingen die volgens de producent van de grond of baggerspecie bij de toepassing onder de daarbij aangegeven omstandigheden ter bescherming van het milieu in acht moeten worden genomen;

    • f. een uniek nummer van de verklaring; en

    • g. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij tarragrond wordt in de verklaring in afwijking van het eerste lid, onder d, 2°, geen kwaliteitsklasse voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam vermeld.

  • 3. Na elke verificatiekeuring wordt voor andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld en andere relevante parameters de vermelding van de hoogste concentraties, emissies, gehalten en waarden daarvan in de erkende kwaliteitsverklaring zo nodig in overeenstemming gebracht met de resultaten van de verificatiekeuring, bedoeld in artikel 5.53, vijfde lid.

Artikel 5.50 (afleverbon)
  • 1. Bij de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring voor een partij grond of baggerspecie wordt door de leverancier aan de afnemer van de partij een afleverbon verstrekt.

  • 2. De afleverbon bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent;

    • b. de naam en het adres van de eerste afnemer;

    • c. het unieke nummer van de erkende kwaliteitsverklaring die hoort bij de partij waarop de afleverbon betrekking heeft;

    • d. bijzonderheden van de partij, waaronder een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en een aanduiding van de grootte van de partij in tonnen waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, derde lid, van het besluit;

    • e. een uniek nummer van de afleverbon; en

    • f. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 5.51 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij grond of baggerspecie is ontstaan door splitsing van een partij grond of baggerspecie waarvoor een erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij:

    • a. een afleverbon;

    • b. een kopie van de afleverbon die betrekking heeft op de gesplitste partij; en

    • c. een kopie van de erkende kwaliteitsverklaring die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 2. Als een afgesplitste partij grond of baggerspecie is ontstaan door splitsing van een partij grond of baggerspecie die is ontstaan door samenvoeging van partijen volgens BRL 9335, kan voor de afgesplitste partij alleen een afleverbon volgens het eerste lid worden verstrekt als de afgesplitste partij ten minste 500 ton of, als het een door zeven gehomogeniseerde partij betreft, 100 ton, bedraagt, en de splitsing heeft plaatsgevonden volgens BRL 9335.

  • 3. Als een afgesplitste partij grond of baggerspecie is ontstaan door splitsing van een partij grond of baggerspecie die is ontstaan door splitsing van een volgens BRL 9335 samengevoegde partij, kan voor de afgesplitste partij alleen een afleverbon volgens het eerste lid worden verstrekt als de afgesplitste partij ten minste 500 ton of, als het een door zeven gehomogeniseerde partij betreft, 100 ton, bedraagt, en de splitsing heeft plaatsgevonden volgens BRL 9335. In afwijking van het eerste lid worden tevens kopieën verstrekt van:

    • a. de kopie van de afleverbon die betrekking heeft op de gesplitste partij; en

    • b. de kopie van de erkende kwaliteitsverklaring die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 4. De afleverbon, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de erkende kwaliteitsverklaring die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een uniek nummer van de afleverbon;

    • g. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de erkende kwaliteitsverklaring betrekking heeft; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 5. Een kopie als bedoeld in het eerste lid, onder b of c, onderscheidenlijk een kopie als bedoeld in het derde lid, onder a of b, bevat de volgende informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 5.52 (bewaarplicht)

Een producent die is erkend voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, bewaart gedurende ten minste vijf jaar nadat aan de erkenning bodemkwaliteit een eind is gekomen, de volgende informatie:

  • a. het rapport, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid;

  • b. de documentatie over het systeem van kwaliteitsbewaking en het register, bedoeld in artikel 5.42, tweede lid, onder f; en

  • c. de resultaten van de verificatiekeuringen die ter voldoening aan artikel 5.53, eerste lid, zijn verricht.

Artikel 5.53 (verificatiekeuring)
  • 1. De producent van grond of baggerspecie aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, verricht voor alle stoffen en andere parameters die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn onderzocht, verificatiekeuringen.

  • 2. Als verschillende producenten het toelatingsonderzoek op grond van artikel 5.41, vierde lid, gemeenschappelijk hebben uitgevoerd, mogen producenten de verificatiekeuringen eveneens gemeenschappelijk uitvoeren, waarbij de verificatiekeuringen door een producent naar keuze mogen worden uitgevoerd.

  • 3. Een verificatiekeuring omvat:

    • a. het verrichten van een partijkeuring van een representatieve partij van de geproduceerde grond of baggerspecie, voor zover het de stoffen en andere parameters betreft waarvoor volgens de aan te houden keuringsfrequentie een verificatiekeuring moet worden verricht;

    • b. het toetsen van de resultaten van het onderzoek aan de kwaliteitseisen die gelden voor indeling van de grond of baggerspecie in de kwaliteitsklassen voor het toepassen op of in de landbodem of het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam die in de erkende kwaliteitsverklaring zijn vermeld;

    • c. het opnieuw bepalen van de hoogste concentraties, emissies, waarden en gehalten van de onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld en andere relevante parameters in de laatste vijf partijkeuringen; en

    • d. het opnieuw bepalen, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.43 tot en met 5.45, van de keuringsfrequentie waarmee voor de te onderzoeken stoffen en andere parameters verificatiekeuringen moeten worden verricht.

  • 4. De partijkeuringen in het kader van de verificatiekeuring worden verricht volgens paragraaf 5.1, met dien verstande dat, als niet elke partij hoeft te worden gekeurd, in afwijking van artikel 5.7, tweede en derde lid, slechts één mengmonster hoeft te worden samengesteld, dat uit ten minste 50 grepen bestaat.

  • 5. Na elke verificatiekeuring wordt de keuringsfrequentie waarmee voor de onderzochte stoffen en andere parameters verificatiekeuringen moeten worden verricht, opnieuw berekend op grond van de achtereenvolgende resultaten van de onmiddellijk voorafgaande partijkeuringen die hebben plaatsgevonden in het kader van het toelatingsonderzoek of de verificatiekeuringen, waarbij wanneer gebruik wordt gemaakt van de k-waardetoets of de gammatoets telkens:

    • a. de gegevens van de oudste keuring vervallen; en

    • b. de gegevens van de nieuwste keuring worden toegevoegd.

  • 6. De resultaten van elke partijkeuring worden vastgelegd in een rapport als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid. Het rapport bevat tevens voor elke onderzochte stof of andere parameter:

    • a. de opnieuw vastgestelde keuringsfrequentie voor het verrichten van de verificatiekeuringen; en

    • b. voor zover het andere stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters betreft: de hoogste concentraties, emissies, gehalten en waarden daarvan in de laatste vijf partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek en de verificatiekeuringen.

Artikel 5.54 (verificatiekeuring: bijzondere keuringsfrequenties)
  • 1. In afwijking van artikel 5.53, vierde lid, hoeft bij het bepalen van de keuringsfrequentie voor het verrichten van verificatiekeuringen voor een stof die in bijlage B is vermeld, geen rekening te worden gehouden met de nieuwe spreiding van de resultaten van achtereenvolgende keuringen in geval van:

    • a. een structurele verandering van de kwaliteit van de grond of baggerspecie waardoor de concentraties van de stof verbeteren; of

    • b. het gebruik van een betere analysemethode, waardoor de resultaten van de verificatiekeuringen tijdelijk een grotere spreiding laten zien.

  • 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid mag voor het bepalen van de keuringsfrequentie nog tijdelijk worden uitgegaan van de spreiding van de resultaten van de verificatiekeuringen die hebben plaatsgevonden voordat de verbetering van de kwaliteit van de grond of baggerspecie of van de analysemethode optrad.

  • 3. In een geval als bedoeld in het tweede lid wordt voor het bepalen van de keuringsfrequentie van de nieuwe spreiding van de resultaten van de verificatiekeuringen uitgegaan wanneer voor de te onderzoeken stof of andere parameter voldoende verificatiekeuringen zijn verricht zodat voor het verbeterde product of bij de verbeterde analysemethode weer een representatieve spreiding van de resultaten van de verificatiekeuringen is verkregen, nadat de certificerende instelling hiervoor toestemming heeft gegeven.

Artikel 5.55 (verificatiekeuring: wisseling van keuringsfrequentie)

Als voor een stof in het kader van de verificatiekeuring volgens bijlage H voor elke partij een partijkeuring moest worden verricht, mag op een lagere keuringsfrequentie worden overgestapt wanneer die keuringsfrequentie volgens bijlage H volgt uit de k-waarde die is berekend op grond van ten minste tien partijkeuringen, waarvan ten minste vijf partijkeuringen voor opeenvolgend geproduceerde partijen zijn verricht.

Artikel 5.56 (opschorting van het recht op afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring)

De producent van grond of baggerspecie aan wie een erkenning bodemkwaliteit voor de werkzaamheid ‘produceren van een bepaald producttype grond of baggerspecie’, aangewezen in categorie 10 van bijlage C, is verleend, kan tijdelijk geen gebruik maken van het recht om voor het producttype grond of baggerspecie waarop de erkenning bodemkwaliteit betrekking heeft, een erkende kwaliteitsverklaring af te geven zo lang hij niet heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 5.53, eerste lid, om verificatiekeuringen te verrichten.

Paragraaf 5.5 Fabrikant-eigenverklaring

Artikel 5.57 (toepassingsgebied)
  • 1. Het afgeven van fabrikant-eigenverklaringen en het toelatingsonderzoek dat producenten het recht geeft om een fabrikant-eigenverklaring af te geven voor partijen van door hen geproduceerde partijen van een bepaald producttype grond of baggerspecie, vindt plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2. Een fabrikant-eigenverklaring heeft betrekking op partijen van een bepaald producttype grond of baggerspecie die uit een gecontroleerd productieproces komen en van gewaarborgde kwaliteit zijn.

Artikel 5.58 (verplichting om toelatingsonderzoek te verrichten)
  • 1. Om het recht te verkrijgen om voor partijen van een bepaald producttype grond of baggerspecie een fabrikant-eigenverklaring af te geven verricht de producent van de grond of baggerspecie een toelatingsonderzoek.

  • 2. Het toelatingsonderzoek wordt verricht onder toezicht van een certificeringsinstelling die:

    • a. op grond van de normdocumenten, aangewezen in categorie 6 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het certificeren van personen voor werkzaamheden die in de uitoefening van een bedrijf worden uitgevoerd; en

    • b. op grond van een normdocument voor grond of baggerspecie, aangewezen in categorie 2 van bijlage C, is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor grond of baggerspecie.

  • 3. Het toelatingsonderzoek omvat:

    • a. een productcontrole van partijen grond of baggerspecie, die tot doel heeft om te controleren of de grond of baggerspecie voldoet aan de vereisten die in het vierde lid zijn gesteld; en

    • b. een beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert om te verzekeren dat de partijen grond of baggerspecie die hij produceert, tot hetzelfde producttype behoren en overeenkomen met de partijen grond of baggerspecie die in de productcontrole zijn onderzocht, en nog steeds voldoen aan de vereisten die in het vierde lid zijn gesteld.

  • 4. In het kader van de productcontrole en de beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking wordt nagegaan in hoeverre partijen grond of baggerspecie die de producent produceert:

    • a. voor de te onderzoeken stoffen ten behoeve van het toepassen op of in de landbodem voldoen aan de kwaliteitseisen die in tabel 1 van bijlage B zijn opgenomen voor indeling in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’;

    • b. voor de te onderzoeken stoffen ten behoeve van het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam voldoen aan de kwaliteitseisen die in tabel 2 van bijlage B voor de relevante stoffen zijn opgenomen voor indeling in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’;

    • c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters bevatten; en

    • d. bodemvreemd materiaal bevatten.

  • 5. In afwijking van het vierde lid wordt voor tarragrond in het kader van de productcontrole niet nagegaan in hoeverre de tarragrond die de producent produceert, voldoet aan de kwaliteitseisen die in tabel 2 van bijlage B voor de te onderzoeken stoffen zijn opgenomen voor indeling in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’.

Artikel 5.59 (toelatingsonderzoek: productcontrole)
  • 1. De productcontrole in het kader van het toelatingsonderzoek omvat partijkeuringen van ten minste tien partijen grond of baggerspecie die representatief zijn voor de kwaliteit van de partijen van het producttype grond of baggerspecie die worden geproduceerd, en wordt uitgevoerd op de locatie waar de partijen zijn geproduceerd.

  • 2. De partijkeuringen in het kader van de productcontrole worden verricht volgens paragraaf 5.1 en de resultaten van elke partijkeuring worden vastgelegd in een rapport als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid.

  • 3. Voor stoffen die in bijlage B zijn vermeld, is aan het criterium voor het verkrijgen van het recht op de afgifte van een fabrikant-eigenverklaring voldaan als uit de resultaten van de partijkeuringen die in het kader van de productcontrole zijn verricht, is gebleken dat elke onderzochte partij kan worden ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’.

  • 4. Verschillende producenten van hetzelfde producttype grond of baggerspecie mogen partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek gemeenschappelijk uitvoeren.

  • 5. Het vierde lid geldt alleen als de deelnemende producent:

    • a. ten minste één partijkeuring verricht die betrekking heeft op een door hemzelf geproduceerde partij grond of baggerspecie; en

    • b. aantoont dat de partijen grond of baggerspecie die hij produceert, tot hetzelfde producttype behoren en dezelfde kwaliteit, samenstelling en herkomst hebben als de partijen die door de andere deelnemende producenten worden geproduceerd.

Artikel 5.60 (toelatingsonderzoek: eerdere productcontrole)
  • 1. In het kader van de productcontrole mag gebruik worden gemaakt van de resultaten van eerder verrichte partijkeuringen.

  • 2. Het eerste lid geldt alleen als alle partijkeuringen betrekking hebben op partijen grond of baggerspecie die tot hetzelfde producttype behoren en dezelfde kwaliteit, samenstelling en herkomst hebben.

Artikel 5.61 (toelatingsonderzoek: beoordeling systeem van kwaliteitsbewaking)
  • 1. De beoordeling van het systeem van kwaliteitsbewaking in het kader van het toelatingsonderzoek omvat een controle van de volledigheid, doeltreffendheid en juiste toepassing van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent in het toelatingsonderzoek hanteert.

  • 2. Het systeem van kwaliteitsbewaking omvat:

    • a. als de producent de grond of baggerspecie zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype grond of baggerspecie dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • b. als de producent de grond of baggerspecie niet volledig zelf vervaardigt: een beschrijving van het producttype grond of baggerspecie dat wordt geproduceerd, de daarvoor gebruikte grondstoffen, hulpstoffen en halfproducten dan wel afgenomen producten en de daarvoor gehanteerde acceptatiecriteria, de productiedata, het productieproces, de opslag van de producten en het systeem van registratie van de geleverde partijen en de eerste afnemers daarvan;

    • c. een beschrijving van de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de partijen grond of baggerspecie die worden geproduceerd, behoren tot hetzelfde producttype grond of baggerspecie waartoe de partijen behoren die in de productcontrole zijn onderzocht, zodat:

      • alle partijen kunnen worden ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’; en

      • voldoen aan de kwaliteitseisen die in tabel 3a tot en met 3e van bijlage B voor de relevante stoffen zijn opgenomen voor een specifieke kwaliteit grond of baggerspecie die in de erkende kwaliteitsverklaring wordt vermeld;

      • de concentraties, emissies, gehalten of waarden van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld en andere relevante parameters geen toename vertonen ten opzichte van de hoogste concentraties, emissies, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld; en

      • de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal niet afwijken van wat in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole is aangetroffen;

    • d. een handboek dat een beschrijving geeft van de organisatie, procedures, voorschriften, instructies en interne controlemechanismen, met inbegrip van de meet- en bepalingsmethoden en frequenties, die samen moeten waarborgen dat het systeem van kwaliteitsbewaking naar behoren functioneert en de geproduceerde partijen grond of baggerspecie aan de kwaliteitseisen voldoen;

    • e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om te verzekeren dat de fabrikant-eigenverklaring alleen wordt afgegeven voor partijen grond of baggerspecie van hetzelfde producttype met een overeenkomende kwaliteit, samenstelling en herkomst; en

    • f. een register waarin op overzichtelijke en navolgbare wijze wordt bijgehouden hoe het systeem van kwaliteitsbewaking in de praktijk functioneert, met inbegrip van de controles die zijn verricht en de resultaten daarvan, waarbij in het bijzonder wordt vermeld in hoeverre de grond of baggerspecie aan de toepasselijke kwaliteitseisen voldoet en welke maatregelen als bedoeld in onderdeel e zijn genomen.

Artikel 5.62 (rapportage toelatingsonderzoek)
  • 1. De wijze waarop het toelatingsonderzoek is verricht, en de resultaten die aldus zijn verkregen, worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent van de grond of baggerspecie of, wanneer er sprake is van een gemeenschappelijk toelatingsonderzoek als bedoeld in artikel 5.59, vierde lid, de namen en adressen van de deelnemende producenten van grond of baggerspecie;

    • b. de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype grond of baggerspecie dat is onderzocht;

    • c. de naam van de certificeringsinstelling die op het toelatingsonderzoek toezicht heeft gehouden;

    • d. de unieke nummers van de rapporten van de partijkeuringen die zijn verricht;

    • e. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen grond of baggerspecie die voldoen aan de eisen die aan partijen worden gesteld op grond van het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert;

    • f. een conclusie in hoeverre de partijkeuringen die zijn verricht, betrekking hebben op partijen grond of baggerspecie van hetzelfde producttype met een overeenkomende kwaliteit, samenstelling en herkomst, wanneer zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 5.60, eerste lid, of er sprake is van een gemeenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 5.59, vierde lid;

    • g. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, kunnen worden ingedeeld;

    • h. een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen grond of baggerspecie andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters bevatten, en de hoogste emissies, concentraties, gehalten of waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van de productcontrole zijn vastgesteld;

    • i. wanneer daarnaar onderzoek heeft plaatsgevonden, een conclusie in hoeverre de onderzochte partijen grond of baggerspecie voldoen aan de kwaliteitseisen voor de specifieke kwaliteit die in de erkende kwaliteitsverklaring wordt vermeld;

    • j. een vermelding van het voorkomen van bodemvreemd materiaal en de aard en hoeveelheid daarvan;

    • k. een conclusie of het systeem van kwaliteitsbewaking dat de producent hanteert, volledig en doeltreffend is en op juiste wijze wordt toegepast;

    • l. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld; en

    • m. een uniek nummer van het rapport.

  • 3. Bij het rapport worden de rapporten van alle partijkeuringen die in het kader van het toelatingsonderzoek zijn verricht, bijgevoegd.

Artikel 5.63 (recht op afgifte van een fabrikant-eigenverklaring)
  • 1. De producent van grond of baggerspecie heeft het recht om gedurende een periode van vijf jaar voor de door hem geproduceerde partijen van een bepaald producttype grond of baggerspecie een fabrikant-eigenverklaring af te geven die is bestemd voor eenmalig gebruik bij het toepassen van de partij grond of baggerspecie waarvoor zij is afgegeven, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het toelatingsonderzoek rechtvaardigt blijkens het rapport, bedoeld in artikel 5.62, eerste lid, de conclusie dat is voldaan aan het vereiste dat in artikel 5.59, derde lid, is gesteld;

    • b. een certificeringsinstelling die is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor producten op grond van een nationale BRL, heeft bevestigd dat het toelatingsonderzoek op juiste wijze is uitgevoerd en de conclusie rechtvaardigt dat is voldaan aan het vereiste dat in artikel 5.59, derde lid, is gesteld;

    • c. de door hem geproduceerde partijen grond of baggerspecie behoren tot hetzelfde producttype en komen overeen met de partijen die in de productcontrole zijn onderzocht;

    • d. het systeem van kwaliteitsbewaking dat in het toelatingsonderzoek is onderzocht, op juiste wijze toegepast; en

    • e. van het voornemen om een fabrikant-eigenverklaring af te geven is melding gedaan aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

  • 2. Zo lang een producent gebruik maakt van het recht om voor een bepaald producttype grond of baggerspecie een fabrikant-eigenverklaring af te geven wordt voor door hem geproduceerde partijen grond of baggerspecie van dat producttype geen ander type milieuverklaring bodemkwaliteit afgegeven.

  • 3. De producent geeft voor een partij grond of baggerspecie die hij heeft geproduceerd, geen fabrikant-eigenverklaring af wanneer uit een controle in het kader van zijn systeem van kwaliteitsbewaking of anderszins is gebleken dat de partij grond of baggerspecie niet overeenkomt met de partijen grond of baggerspecie die in de productcontrole zijn onderzocht.

  • 4. Voor het doen van een melding als bedoeld in het eerste lid, onder e, wordt gebruikt gemaakt van de modelverklaring die is gepubliceerd op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl, onder bijvoeging van de bevestiging van de certificeringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, onder b. en een verklaring waarin degene die de melding doet, instemt met openbaarmaking van de informatie, bedoeld in het vijfde lid, op genoemde website.

  • 5. De namen van de producent die een melding heeft gedaan als bedoeld in het eerste lid, onder e, en van het product waarop de fabrikant-eigenverklaring betrekking heeft, worden bekendgemaakt op de website loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken, onder vermelding van de einddatum van de periode van vijf jaar waarin gebruik mag worden gemaakt van het recht om de verklaring af te geven.

Artikel 5.64 (inhoud fabrikant-eigenverklaring)
  • 1. Een fabrikant-eigenverklaring bevat voor de partij grond of baggerspecie waarop zij betrekking heeft, de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent die de grond of baggerspecie produceert;

    • b. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 5.62, eerste lid;

    • c. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 5.62, eerste lid:

      • de naam en een nauwkeurige omschrijving van het producttype grond of baggerspecie waarop de verklaring betrekking heeft;

      • een vermelding dat de partij voor het toepassen op of in de landbodem volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ en voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’;

      • een vermelding van de eventuele aanwezigheid van onderzochte andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters, en de hoogste concentraties, emissies, gehalten en waarden die daarvan in de partijkeuringen in het kader van het toelatingsonderzoek zijn vastgesteld; en

      • een vermelding van de aard en hoeveelheid bodemvreemd materiaal.

    • d. eventuele voorwaarden en beperkingen die volgens de producent van de grond of baggerspecie bij de toepassing onder de daarbij aangegeven omstandigheden ter bescherming van het milieu in acht moeten worden genomen;

    • e. een uniek nummer van de verklaring; en

    • f. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 2. Als een verklaring op grond van een partijkeuring betrekking heeft op een partij tarragrond wordt in de verklaring in afwijking van het eerste lid, onder c, 2°, niet de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam vermeld.

Artikel 5.65 (afleverbon)
  • 1. Bij de afgifte van een fabrikant-eigenverklaring voor een partij grond of baggerspecie wordt door de leverancier aan de afnemer van de partij een afleverbon verstrekt.

  • 2. De afleverbon bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de producent;

    • b. de naam en het adres van de eerste afnemer;

    • c. het unieke nummer van de fabrikant-eigenverklaring die hoort bij de partij waarop de afleverbon betrekking heeft;

    • d. bijzonderheden van de partij, waaronder een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en een aanduiding van de grootte van de partij in tonnen waaruit blijkt dat de partij voldoet aan de vereisten van artikel 1, derde lid, van het besluit en niet is ontstaan door samenvoeging van partijen;

    • e. een uniek nummer van de afleverbon; en

    • f. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 5.66 (splitsing van een partij)
  • 1. Als een partij grond of baggerspecie is ontstaan door splitsing van een partij grond of baggerspecie waarvoor een fabrikant-eigenverklaring is afgegeven, verstrekt de persoon die de partijen heeft gesplitst, bij de levering van de afgesplitste partij aan de afnemer van de partij:

    • a. een afleverbon;

    • b. een kopie van de afleverbon die betrekking heeft op de gesplitste partij; en

    • c. een kopie van de fabrikant-eigenverklaring die betrekking heeft op de gesplitste partij.

  • 2. De afleverbon, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon die de partij heeft gesplitst;

    • b. de naam en het adres van de persoon die de afleverbon heeft afgegeven;

    • c. de naam en het adres van de eerste afnemer van de afgesplitste partij;

    • d. een aanduiding van de grootte van de afgesplitste partij in tonnen;

    • e. het unieke nummer van de kopie van de fabrikant-eigenverklaring die betrekking heeft op de gesplitste partij;

    • f. een verklaring dat de afgesplitste partij een deel vormde van de partij waarop de fabrikant-eigenverklaring betrekking heeft;

    • g. een uniek nummer van de kopie van de afleverbon; en

    • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie van de afleverbon heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie van de afleverbon onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

  • 3. Een kopie als bedoeld in het eerste lid, onder b of c, bevat de volgende informatie:

    • a. een uniek nummer van de kopie; en

    • b. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de kopie heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de kopie onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Artikel 5.67 (bewaarplicht)

Een producent die het recht heeft verkregen om een fabrikant-eigenverklaring af te geven, bewaart gedurende ten minste vijf jaar na de einddatum van de periode waarin gebruik mag worden gemaakt van het recht om de verklaring af te geven, met inbegrip van de periode waarin dat recht volgens artikel 5.68 is verlengd, de volgende informatie:

  • a. het rapport, bedoeld in artikel 5.62, eerste lid; en

  • b. de documentatie over het systeem van kwaliteitsbewaking en het register, bedoeld in artikel 5.61, tweede lid, onder f.

Artikel 5.68 (verlenging)
  • 1. Een producent die het recht heeft verkregen om gedurende een periode van vijf jaar voor de door hem geproduceerde partijen grond of baggerspecie een fabrikant-eigenverklaring af te geven en na afloop van deze periode van dit recht gebruik wil blijven maken, stelt een rapport op waarin hij aantoont dat hij de komende vijf jaar in staat is om te blijven voldoen aan de voorwaarden die in artikel 5.59, derde lid, voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring zijn gesteld.

  • 2. De producent heeft het recht om opnieuw gedurende een periode van vijf jaar voor de door hem geproduceerde grond of baggerspecie een fabrikant-eigenverklaring af te geven als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het door hem opgestelde rapport rechtvaardigt de conclusie dat hij nog steeds voldoet aan het vereiste dat in artikel 5.59, derde lid, is gesteld;

    • b. een certificeringsinstelling die is geaccrediteerd en erkend voor het verlenen van een productcertificaat voor producten op grond van een nationale BRL, heeft bevestigd dat het rapport, bedoeld in onderdeel a, op juiste wijze is opgesteld en de conclusie rechtvaardigt dat is voldaan aan het vereiste dat in artikel 5.59, derde lid, is gesteld;

    • c. de door hem geproduceerd partijen grond of baggerspecie komen overeen met de partijen die in de productcontrole zijn onderzocht;

    • d. het systeem van kwaliteitsbewaking dat in het toelatingsonderzoek is onderzocht, wordt op juiste wijze toegepast; en

    • e. van de bevestiging van de certificeringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, onder b, is melding gedaan aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

  • 3. Voor het doen van een melding als bedoeld het tweede lid, onder e, wordt gebruikt gemaakt van de modelverklaring die is gepubliceerd op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl, onder bijvoeging van de bevestiging van de certificeringsinstelling, bedoeld in het tweede lid, onder b en een verklaring waarin degene die de melding doet, instemt met openbaarmaking van de informatie, bedoeld in het vijfde lid, op genoemde website.

  • 4. De einddatum, bedoeld in artikel 5.63, vijfde lid, wordt op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken geactualiseerd.

Artikel 5.69 (tussentijdse wijzigingen)
  • 1. De producent maakt bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat schriftelijk melding dat hij geen gebruik meer maakt van het recht om voor door hem geproduceerde partijen grond of baggerspecie een fabrikant-eigenverklaring af te geven wanneer sprake is:

    • a. een wijziging van de wijze van productie van de grond of baggerspecie; of

    • b. andere omstandigheden waardoor niet meer is gewaarborgd dat de partijen grond of baggerspecie die hij produceert, overeenkomen met de partijen grond of baggerspecie die in de productcontrole zijn onderzocht.

  • 2. Voor het doen van een melding als bedoeld in het eerste lid wordt gebruikt gemaakt van de website https://loket.rijkswaterstaat.nl.

  • 3. In een geval als bedoeld in het eerste lid geeft de producent geen fabrikant-eigenverklaring meer af voor de door hem geproduceerde grond of baggerspecie.

  • 4. In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de einddatum, bedoeld in artikel 5.63, vijfde lid, op de website https://loket.rijkswaterstaat.nl/zoeken geactualiseerd.

HOOFDSTUK 6 HET AFGEVEN VAN EEN MILIEUVERKLARING BODEMKWALITEIT VOOR PARTIJEN MIJNSTEEN EN VERMENGDE MIJNSTEEN TEN BEHOEVE VAN TOEPASSING IN DE VOORMALIGE MIJNBOUWGEBIEDEN

Artikel 6.1 (toepassingsgebied)

  • 1. Het afgeven van een milieuverklaring bodemkwaliteit voor een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen ten behoeve van toepassing in de voormalige mijnbouwgebieden volgens paragraaf 4.125 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het verrichten van het onderzoek ter voorbereiding van de afgifte van de verklaring vinden plaats volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.

  • 2. In een milieuverklaring bodemkwaliteit die volgens dit hoofdstuk wordt afgegeven, wordt op in het oog springende wijze vermeld dat de mijnsteen of vermengde mijnsteen uitsluitend geschikt is voor toepassing in de voormalige mijnbouwgebieden volgens paragraaf 4.125 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.2 (van overeenkomstige toepassing verklaring van paragraaf 5.1)

Op het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen en het verrichten van het onderzoek ter voorbereiding van de afgifte van de verklaring is paragraaf 5.1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de verklaring als specifieke kwaliteit alleen de kwaliteit ‘emissiearme mijnsteen’ of ‘emissiearme vermengde mijnsteen’ kan worden vermeld.

Artikel 6.3 (van overeenkomstige toepassing verklaring van paragraaf 5.2)

Op het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen en het verrichten van het onderzoek ter voorbereiding van de afgifte van de verklaring is paragraaf 5.2 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de verklaring als specifieke kwaliteit alleen de kwaliteit ‘emissiearme mijnsteen’ of ‘emissiearme vermengde mijnsteen’ kan worden vermeld.

Artikel 6.4 (van overeenkomstige toepassing verklaring van paragraaf 5.4)

Op het afgeven van een erkende kwaliteitsverklaring voor een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen en het verrichten van het onderzoek ter voorbereiding van de afgifte van de verklaring is paragraaf 5.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de verklaring als specifieke kwaliteit alleen de kwaliteit ‘emissiearme mijnsteen’ of ‘emissiearme vermengde mijnsteen’ kan worden vermeld.

HOOFDSTUK 7 HET AFGEVEN VAN EEN MILIEUVERKLARING BODEMKWALITEIT VOOR DE ONTVANGENDE BODEM

Paragraaf 7.1 Verklaring op grond van een bodemonderzoek

Artikel 7.1 (toepassingsgebied)

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek over de kwaliteit van de ontvangende bodem waarop grond of baggerspecie wordt toegepast, en het verrichten van bodemonderzoek op de toepassingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

Artikel 7.2 (omschrijving bodemonderzoek)

In het bodemonderzoek wordt voor de toepassingslocatie onderzocht in welke kwaliteitsklasse de ontvangende bodem moet worden ingedeeld.

Artikel 7.3 (uitvoering vooronderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van het bodemonderzoek ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie wordt een vooronderzoek verricht volgens dit artikel.

  • 2. In het vooronderzoek wordt nagegaan welke bodemonderzoeken, activiteiten en ontwikkelingen op de toepassingslocatie hebben plaatsgevonden en wordt op grond van de aldus verkregen informatie afgeleid en gerapporteerd in hoeverre rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid in de bodem op de toepassingslocatie van:

    • a. stoffen als vermeld in bijlage B in een concentratie die waarschijnlijk de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, overschrijdt;

    • b. stoffen als vermeld in bijlage B in een van nature verhoogde concentratie; en

    • c. verschillende kwaliteitsklassen.

  • 3. In het vooronderzoek wordt tevens bepaald welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek

    moet worden gevolgd volgens:

    • a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5740; en

    • b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5720.

  • 4. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:

    • a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en

    • b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.

Artikel 7.4 (rapportage vooronderzoek)
  • 1. De resultaten van het vooronderzoek worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het vooronderzoek heeft verricht;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop het vooronderzoek is verricht, en de bronnen die daartoe zijn geraadpleegd;

    • c. een beschrijving van de bodemonderzoeken die zijn verricht en de activiteiten en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden, die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de bodem op de toepassingslocatie;

    • d. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid in de bodem van stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;

    • e. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid in de bodem van stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, waarvan de concentratie de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, waarschijnlijk overschrijdt;

    • f. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die in een van nature verhoogde concentratie in de bodem aanwezig kunnen zijn;

    • g. een aanduiding in hoeverre op de toepassingslocatie verschillende kwaliteitsklassen voorkomen;

    • h. een conclusie welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek in het kader van NEN 5740, als et de landbodem betreft, of NEN 5720, als het de waterbodem betreft, moet worden gevolgd;

    • i. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • j. een uniek nummer van het rapport.

Artikel 7.5 (uitvoering bodemonderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie wordt een bodemonderzoek verricht.

  • 2. In het bodemonderzoek worden voor stoffen die in bijlage B zijn vermeld en deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, en voor stoffen die in bijlage B zijn vermeld en geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, alsmede voor de stoffen die zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, de concentraties bepaald, alsmede de gehalten van de parameters lutum en organische stof.

  • 3. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, kan alleen als grondslag voor het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek worden gebruikt als uit het vooronderzoek is gebleken dat de onderzoeksstrategie moet worden gevolgd die in NEN 5740 is beschreven voor:

    • een onverdachte locatie (ONV);

    • een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);

    • een onbekende bodembelasting (ONB);

    • een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE);

    • de toetsing of er sprake is van een schone bodem (TOETS-S);

    • de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR); of

    • de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

  • 4. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5740, met dien verstande dat onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater achterwege mag worden gelaten. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AP 04 of, wanneer daarnaar in NEN 5740 wordt verwezen, AS 3000, of, als hiervoor in AP 04, onderscheidenlijk AS 3000, geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

  • 5. Als uit een vooronderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, is gebleken dat op de toepassingslocatie verschillende kwaliteitsklassen voorkomen en voor een gedeelte van de toepassingslocatie de onderzoeksstrategie moet worden gevolgd die in NEN 5740 is beschreven voor:

    • een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP);

    • een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, homogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HO);

    • een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE); of

    • een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks (VEP-OO),

    houdt het bodemonderzoek, bedoeld in het eerste lid, tevens in dat het belaste deel van de bodemlocatie nauwkeurig wordt begrensd en bij het verrichten van het bodemonderzoek voor het overige deel van de toepassingslocatie buiten beschouwing wordt gelaten.

  • 6. Bodemonderzoek dat op de waterbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5720. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AS 3000.

Artikel 7.6 (bepaling samenstelling)

De concentraties van de volgens artikel 7.5, tweede lid, te onderzoeken stoffen als vermeld in bijlage B in de volgens artikel 7.5, vierde lid, voorbehandelde mengmonsters en monsters worden bepaald met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04, of wanneer daarnaar in NEN 5740 wordt verwezen, AS 3000 of, als hiervoor in AP 04, onderscheidenlijk AS 3000, geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.

Artikel 7.7 (omrekening voor lutum en organische stof)
  • 1. De volgens artikel 7.6 bepaalde concentraties van de onderzochte stoffen worden ten behoeve van de toetsing aan de kwaliteitseisen die voor die stoffen voor de standaardbodem zijn opgenomen in bijlage B, omgerekend naar concentraties in een standaardbodem met behulp van de gemeten gehalten lutum en organische stof.

  • 2. De omrekening wordt verricht volgens onderdeel II van bijlage G.

Artikel 7.8 (indeling van de bodemlocatie in een kwaliteitsklasse)
  • 1. De ontvangende bodem op de toepassingslocatie wordt ten behoeve van de vermelding van de kwaliteitsklasse volgens artikel 25d van het besluit per onderscheiden bodemlaag in de volgende kwaliteitsklasse ingedeeld:

    • a. als het de landbodem betreft: de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’ of ‘industrie’, zoals voor grond onderscheiden in tabel 1 van bijlage B; en

    • b. als het de waterbodem betreft: de kwaliteitsklasse ‘niet verontreinigd’, ‘licht verontreinigd’ of ‘matig verontreinigd’, zoals onderscheiden in tabel 2 van bijlage B.

  • 2. Als de ontvangende bodem volgens artikel 25d van het besluit in een slechtere kwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan vermeld in het eerste lid, wordt de bodem ingedeeld in de kwaliteitsklasse:

    • a. als het de landbodem betreft: de kwaliteitsklasse ‘industrie’; of

    • b. als het de waterbodem betreft: de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’.

  • 3. De indeling van de ontvangende bodem in een kwaliteitsklasse als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, vindt plaats op grond van de concentratie van elk van de onderzochte stoffen die het rekenkundig gemiddelde is van de volgens artikel 7.7 omgerekende concentraties van de stof die in alle onderzochte mengmonsters zijn bepaald.

  • 4. De ontvangende bodem wordt ingedeeld in de slechtste kwaliteitsklasse waarin een van de onderzochte stoffen is ingedeeld. Een stof wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse die wordt begrensd door de concentratiewaarden waartussen de concentratie van de stof is gelegen, die zijn opgenomen in tabel 1, onderscheidenlijk tabel 2, van bijlage B.

  • 5. De indeling in een kwaliteitsklasse vindt plaats volgens onderdeel I van bijlage G, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet.

  • 6. In afwijking van het vierde lid wordt de bodem in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, ingedeeld als:

    • a. wanneer ten minste twee stoffen en ten hoogste zes stoffen zijn onderzocht: de concentratie van ten hoogste een stof de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, overschrijdt;

    • b. wanneer ten minste zeven stoffen en ten hoogste vijftien stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste twee stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, overschrijden;

    • c. wanneer ten minste zestien stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste drie stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, overschrijden;

    • d. wanneer ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vier stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, overschrijden; en

    • e. wanneer ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vijf stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘niet verontreinigd’, overschrijden.

  • 7. In geval van een overschrijding als bedoeld in het zesde lid van de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ of de kwaliteitsklasse ‘niet verontreinigd’ bedraagt de concentratie van de desbetreffende stof niet meer dan twee maal de concentratiewaarde die voor de stof in tabel 1, onderscheidenlijk tabel 2, van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de klasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk de kwaliteitsklasse ‘niet verontreinigd’, met dien verstande dat voor alle stoffen, met uitzondering van nikkel (Ni), tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1 van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’. Als dit laatste wel het geval is wordt de bodem in een kwaliteitsklasse ingedeeld volgens het achtste en tiende lid.

  • 8. In afwijking van het vierde lid wordt de bodem in de kwaliteitsklasse ‘wonen’ ingedeeld als:

    • a. wanneer ten minste zeven stoffen en ten hoogste vijftien stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste twee stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘wonen’ overschrijden;

    • b. wanneer ten minste zestien stoffen en ten hoogste 26 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste drie stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘wonen’ overschrijden;

    • c. wanneer ten minste 27 stoffen en ten hoogste 36 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vier stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘wonen’ overschrijden; en

    • d. wanneer ten minste 37 stoffen zijn onderzocht: de concentraties van ten hoogste vijf stoffen de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘wonen’ overschrijden.

  • 9. Bij de toepassing van het zesde lid en achtste lid worden als onderzochte stoffen alleen meegeteld de onderzochte stoffen waarvoor in kolom 2 van de toepasselijke tabel 1 of 2 van bijlage B een kwaliteitseis is opgenomen.

  • 10. In geval van een overschrijding als bedoeld in het achtste lid van de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’, bedraagt de concentratie van de desbetreffende stof ten hoogste de concentratiewaarde die in tabel 1 van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘wonen’, vermeerderd met de concentratiewaarde die is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, met dien verstande dat voor alle stoffen tevens geldt dat de concentratie van een stof niet hoger is dan de concentratiewaarde die in tabel 1 van bijlage B is opgenomen als bovengrens voor de kwaliteitsklasse ‘industrie’.

  • 11. In afwijking van het vierde lid wordt de bodem in de kwaliteitsklasse ‘industrie’ ingedeeld als de onderzochte bodemlocatie landbodem betreft en uit het vooronderzoek is gebleken dat voor de toepassingslocatie of een gedeelte daarvan dat volgens artikel 7.5, vijfde lid, is begrensd, de onderzoeksstrategie moet worden gevolgd die in NEN 5740 is beschreven voor:

    • een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP);

    • een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, homogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HO);

    • een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE); of

    • een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks (VEP-OO).

Artikel 7.9 (rapportage bodemonderzoek)
  • 1. De resultaten van een bodemonderzoek worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. een nauwkeurige aanduiding of omschrijving van de onderzochte bodemlocatie, waaronder het adres en de coördinaten;

    • b. de naam en het adres van de persoon of instelling die het veldwerk of de monsterneming heeft uitgevoerd;

    • c. de naam en het adres van de instelling die de mengmonsters of monsters heeft voorbehandeld en geanalyseerd;

    • d. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, met de resultaten van het vooronderzoek;

    • e. de data waarop het veldwerk, met inbegrip van de monsterneming en de voorbehandeling en analyse van de mengmonsters en monsters, is uitgevoerd;

    • f. een vermelding van de gehanteerde normdocumenten en analysemethoden;

    • h. een vermelding van de onderzoeksstrategie die in het bodemonderzoek is gevolgd;

    • g. het veldwerkformulier waarvan volgens het gehanteerde normdocument gebruik is gemaakt, met inbegrip van een onderbouwing van de keuze van de te onderzoeken stoffen en parameters;

    • i. een beschrijving van de wijze waarop het veldwerk, met inbegrip van de monsterneming en de voorbehandeling en analyse van de mengmonsters en monsters, is uitgevoerd, waaronder een beschrijving van de relevante bijzonderheden van de mengmonsters en monsters;

    • j. het rapport van de analyse van de mengmonsters en monsters, met vermelding van de concentratie van de onderzochte stoffen in elk mengmonster of monster;

    • k. een vermelding van de kwaliteitsklasse waarin de onderzochte bodemlocatie is ingedeeld;

    • l. wanneer de indeling in de kwaliteitsklasse ‘industrie’ heeft plaatsgevonden volgens artikel 7.8, elfde lid, een vermelding van die omstandigheid;

    • m. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • n. een uniek nummer van het rapport.

Artikel 7.10 (voorwaarden voor het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek wordt voor de toepassingslocatie niet afgegeven als voor de bodem op de toepassingslocatie al een milieuverklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart is afgegeven.

  • 2. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek wordt voor een bodemlocatie alleen afgegeven als:

    • a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek en bodemonderzoek volgens deze regeling zijn verricht;

    • b. voor de toepassingslocatie een rapport als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, is opgesteld;

    • c. voor de toepassingslocatie een rapport als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, is opgesteld; en

    • d. de bodem van de toepassingslocatie in een kwaliteitsklasse wordt ingedeeld.

  • 3. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek wordt alleen afgegeven voor het deel van de toepassingslocatie dat in haar geheel in dezelfde kwaliteitsklasse kan worden ingedeeld.

Artikel 7.11 (inhoud verklaring op grond van een bodemonderzoek)

Een verklaring op grond van een bodemonderzoek die voor de toepassingslocatie wordt afgegeven, bevat de volgende informatie:

  • a. een in het oog springende vermelding dat de verklaring op de ontvangende bodem van de toepassingslocatie betrekking heeft;

  • b. de naam en het adres van de persoon die het bodemonderzoek heeft verricht;

  • c. de naam en het adres van de persoon die de verklaring heeft afgegeven;

  • d. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid;

  • e. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid;

  • f. de volgende informatie uit het rapport, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid:

    • een nauwkeurige aanduiding of omschrijving van de toepassingslocatie, waaronder het adres en de coördinaten;

    • een vermelding van de kwaliteitsklasse waarin de toepassingslocatie is ingedeeld; en

    • wanneer de indeling in de kwaliteitsklasse ‘industrie’ heeft plaatsgevonden volgens artikel 7.8, elfde lid, een vermelding van die omstandigheid;

  • g. een uniek nummer van de verklaring; en

  • h. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

Paragraaf 7.2 Verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart

Artikel 7.12 (toepassingsgebied)

Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie waar grond of baggerspecie wordt toegepast, en het verrichten van een vooronderzoek met betrekking tot de toepassingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van deze paragraaf.

Artikel 7.13 (voorwaarden waaraan de bodemkwaliteitskaart moet voldoen)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie waar grond of baggerspecie wordt toegepast, kan worden afgegeven als de toepassingslocatie waarop de verklaring betrekking heeft, is gelegen in een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart geldt die:

    • a. als het de kwaliteit van de landbodem betreft: is vastgesteld door de gemeenteraad van de betrokken gemeente; en

    • b. als het de kwaliteit van de waterbodem betreft: is vastgesteld door de waterbeheerder van het oppervlaktewaterlichaam waartoe de waterbodem behoort.

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, mag tevens gebruik worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart die:

    • a. voor de inwerkingtreding van deze paragraaf op grond van artikel 57, tweede lid, van het besluit is vastgesteld door burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap; en

    • b. onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf nog als grondslag voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring op grond van het besluit mocht worden gebruikt.

Artikel 7.14 (uitvoering vooronderzoek)
  • 1. Ter voorbereiding van het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart voor de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie wordt een vooronderzoek verricht volgens dit artikel.

  • 2. In een vooronderzoek wordt onderzocht of er redenen kunnen zijn om aan te nemen dat de bodemkwaliteitskaart die geldt voor het gebied waarin de toepassingslocatie waarop de verklaring betrekking heeft, is gelegen, mogelijk niet representatief is voor de toepassingslocatie en daardoor geen getrouw en actueel beeld geeft van de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie.

  • 3. Een bodemkwaliteitskaart geeft geen getrouw en actueel beeld van de kwaliteit van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie als er reden is om aan te nemen dat de bodem in een betere bodemkwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de bodemkwaliteitskaart is weergegeven voor het gebied waarin de toepassingslocatie is gelegen.

  • 4. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:

    • a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en

    • b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.

Artikel 7.15 (rapportage vooronderzoek)
  • 1. De resultaten van het vooronderzoek worden vastgelegd in een rapport.

  • 2. Het rapport bevat de volgende informatie:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het vooronderzoek heeft verricht;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop het vooronderzoek is verricht, en de bronnen die daartoe zijn geraadpleegd;

    • d. een aanduiding van de bodemkwaliteitskaart die de grondslag biedt voor het afgeven van de verklaring, en de zone en bodemlaag van de bodemkwaliteitskaart waarin de onderzochte locatie is gelegen;

    • d. een beschrijving van de bodemonderzoeken die zijn verricht en de activiteiten en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden voor zover die hebben geleid tot een verbetering van de kwaliteit van de bodem op de onderzochte bodemlocatie ten opzichte van de kwaliteit die op de bodemkwaliteitskaart is weergegeven;

    • e. een conclusie of het vooronderzoek reden heeft gegeven om aan te nemen dat de bodem in een betere bodemkwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de bodemkwaliteitskaart is weergegeven voor het gebied waarin de toepassingslocatie is gelegen;

    • f. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en

    • g. een uniek nummer van het rapport.

Artikel 7.16 (voorwaarden voor het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart)
  • 1. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van de bodem op de toepassingslocatie wordt niet afgegeven als voor de bodemlocatie al een verklaring op grond van een bodemonderzoek is afgegeven.

  • 2. Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart wordt voor toepassingslocatie alleen afgegeven als:

    • a. de toepassingslocatie is gelegen in een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart geldt;

    • b. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens artikel 7.14 is verricht;

    • c. een rapport als bedoeld in artikel 7.15, eerste lid, is opgesteld; en

    • d. het vooronderzoek geen reden heeft gegeven om aan te nemen dat de bodem in een betere bodemkwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de bodemkwaliteitskaart is weergegeven voor het gebied waarin de toepassingslocatie is gelegen.

Artikel 7.17 (inhoud verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart)

Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart die over de kwaliteit van de bodem op de toepassingslocatie wordt afgegeven, bevat de volgende informatie:

  • a. een in het oog springende vermelding dat de verklaring op de ontvangende bodem van de toepassingslocatie betrekking heeft;

  • b. de naam en het adres van de persoon die de verklaring heeft afgegeven;

  • c. een vermelding van de bodemkwaliteitskaart die de grondslag biedt voor het afgeven van de verklaring;

  • d. een nauwkeurige aanduiding en omschrijving van de toepassingslocatie waarop de verklaring betrekking heeft, waaronder het adres en de coördinaten en de bodemlaag;

  • e. de naam en het adres van de persoon die het vooronderzoek heeft verricht;

  • f. het unieke nummer van het rapport, bedoeld in artikel 7.15, eerste lid;

  • g. een vermelding van de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende bodem op de toepassingslocatie waarop de verklaring betrekking heeft volgens de bodemkwaliteitskaart is ingedeeld;

  • h. een uniek nummer van de verklaring; en

  • i. een originele ondertekening door de natuurlijke persoon die daartoe is geautoriseerd door de persoon die de verklaring heeft afgegeven, dan wel de natuurlijke persoon die de verklaring onder eigen naam en verantwoordelijkheid heeft afgegeven, en de vermelding van de naam van de ondertekenaar en de datum van ondertekening.

HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN

Artikel 8.1 (intrekking Regeling bodemkwaliteit)

De Regeling bodemkwaliteit wordt ingetrokken.

Artikel 8.2 (inwerkingtreding)

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VII van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet in werking treedt.

Artikel 8.3 (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bodemkwaliteit 2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen

BIJLAGE A BIJ DE REGELING BODEMKWALITEIT 2022

Kwaliteitseisen voor bouwstoffen

Tabel 1. Kwaliteitseisen voor bouwstoffen voor anorganische stoffen

Stof

Vormgegeven bouwstoffen

(emissie bepaald via diffusieproef volgens NEN 7375 gedurende 64 dagen)

Niet-vormgegeven bouwstoffen

(emissie bepaald via kolomproef of beschikbaarheidsproef)

 

Maximale emissiewaarden uitgedrukt in mg/m2

Maximale emissiewaarden uitgedrukt in mg/kg droge stof

antimoon (Sb)

8,7

0,32

arseen (As)

260

0,9

barium (Ba)

1.500

22

cadmium (Cd)

3,8

0,04

chroom (Cr)

120

0,63

kobalt (Co)

60

0,54

koper (Cu)

98

0,9

kwik (Hg)

1,4

0,02

lood (Pb)

400

2,3

molybdeen (Mo)

144

1

nikkel (Ni)

81

0,44

seleen (Se)

4,8

0,15

tin (Sn)

50

0,4

vanadium (V)

3201

1,82

zink (Zn)

800

4,5

bromide (Br)

6701

202

chloride (Cl)

110.0001

6162

fluoride (F)

2.5001

552

sulfaat (SO4)

165.0001

2.4302

X Noot
1

Voor de emissie van vanadium uit een vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 320 mg/m2 die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 460 mg/m2 als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van chloride of bromide uit een vormgegeven bouwstof geldt geen kwaliteitseis als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van fluoride uit een vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 2.500 mg/m2 die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 10.000 mg/m2 als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van sulfaat uit een vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 165.000 mg/m2 die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 660.000 mg/m2 als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

X Noot
2

Voor de emissie van vanadium uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 1,8 mg/kg droge stof die in kolom 3 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 4,6 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie bromide en chloride uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt geen kwaliteitseis als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van chloride uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 616 mg/kg droge stof die in kolom 3 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 1.070 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing in grote oppervlaktewaterlichamen die volgens de waterbeheerder geen bijzondere bescherming behoeven en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden

Voor de emissie van fluoride uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 55 mg/kg droge stof die in kolom 3 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 220 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Voor de emissie van sulfaat uit een niet-vormgegeven bouwstof geldt in afwijking van de kwaliteitseis 2.430 mg/kg droge stof die in kolom 2 van tabel 1 is opgenomen, de kwaliteitseis 9.720 mg/kg droge stof als de bouwstof uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met een chloride-gehalte dat van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt, en de wens bestaat om zodanige geschiktheid met het oog op een dergelijke toepassing in de milieuverklaring bodemkwaliteit te vermelden.

Tabel 2. Kwaliteitseisen voor bouwstoffen voor organische stoffen en asbest1

Stof

Maximale concentratiewaarde uitgedrukt in mg/kg droge stof

Aromatische stoffen

benzeen

12

ethylbenzeen

1,253, 2

tolueen

1,252

xylenen (som)

1,254, 2, 3

fenol

1,255

   

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

 

naftaleen

56

fenantreen

206

antraceen

106

fluoranteen

356

chryseen

106

benzo(a)antraceen

406

benzo(a)pyreen

106

benzo(k)fluoranteen

406

indeno (1,2,3cd) pyreen

406

benzo(ghi)peryleen

406

PAK’s (som)

507, 4

   

Overige parameters

 

PCB’s (som)

0,54

minerale olie

5008

asbest

1009

X Noot
1

In de noten bij deze tabel wordt verstaan onder:

bitumenproducten: bitumen dakbedekkings- en afdichtingsmaterialen, vormgegeven bouwstoffen met een bitumen coating, en secundair bitumengranulaat dat zodanig is toegepast dat in de eindtoepassing een functionele constructie van samenhangend bitumengranulaat ontstaat;

asfaltproducten: asfalt, asfaltbeton, asfaltgranulaat en civieltechnisch functionele mengsels met asfaltgranulaat;

granulaten: menggranulaat, hydraulisch menggranulaat, betongranulaat, metselwerkgranulaat, brekerzeefzand en recyclingbrekerzand.

rubberproducten: rubbergranulaat van personen- en bedrijfsautobanden (SBR-rubber), rubbergranulaat op basis van thermoplastisch-elastomeren (TPE) en rubbergranulaat op basis van elastomeren (EPDM) en functionele mengsels met rubbergranulaat.

X Noot
2

Deze maximale concentratiewaarden gelden niet voor bitumenproducten.

X Noot
3

Voor polymeerbeton geldt een maximale concentratiewaarde van 20 mg/kg droge stof voor de stof ethylbenzeen en xylenen (som).

X Noot
4

De definitie van de somparameters wordt gegeven in bijlage E.

X Noot
5

Voor vormzand geldt een maximale concentratiewaarde van 3,75 mg/kg droge stof.

X Noot
6

Deze maximale concentratiewaarden voor individuele PAK’s gelden niet voor bitumenproducten, asfaltproducten en granulaten. Voor deze bouwstoffen geldt uitsluitend de maximale concentratiewaarde voor de som van de aangetroffen individuele PAK’s.

X Noot
7

Voor bitumenproducten en asfaltproducten geldt een maximale concentratiewaarde van 75 mg/kg droge stof voor PAK’s (som).

X Noot
8

Voor minerale olie geldt geen maximale concentratiewaarde voor bouwstoffen zijnde rubberproducten voor de toepassing op of onder kunstgrasvelden, bitumenproducten en asfaltproducten. Voor bouwstoffen zijnde granulaten en vormzand geldt een maximale concentratiewaarde van 1.000 mg/kg droge stof.

X Noot
9

Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Deze maximale concentratiewaarde bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

BIJLAGE B BIJ DE REGELING BODEMKWALITEIT 2022

Kwaliteitseisen voor bodem, grond en baggerspecie

In de tabellen die in deze bijlage zijn opgenomen, wordt onder somparameter verstaan: de somparameter die de stoffen omvat die zijn genoemd in bijlage E en waarvan de concentratie met toepassing van die bijlage is berekend.

Tabel 1. Kwaliteitseisen1 voor de indeling van de landbodem en van grond en baggerspecie in kwaliteitsklassen ten behoeve van toepassing van grond en baggerspecie op de landbodem

Stof

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘landbouw/ natuur’

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘wonen’

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘industrie’

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’

begrenzing van de kwaliteitsklasse

de concentratie van de stof is kleiner of gelijk aan de in deze kolom vermelde waarde

de concentratie van de stof is groter dan de in de kolom landbouw/ natuur vermelde waarde en kleiner of gelijk aan de in deze kolom vermelde waarde

de concentratie van de stof is groter dan de in de kolom wonen vermelde waarde en kleiner of gelijk aan de in deze kolom vermelde waarde

de concentratie van de stof is groter dan de in de kolom industrie vermelde waarde en kleiner of gelijk aan de in deze kolom vermelde waarde

de concentratie van de stof is groter dan de in deze kolom vermelde waarde

Kolomnummer

2

3

4

5

6

 

voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof

Anorganische stoffen

1. Metalen

antimoon (Sb)

4,0

15

22

22

22

arseen (As)

20

27

76

76

76

barium (Ba)

1

1

1

1

1

cadmium (Cd)

0,60

1,2

4,3

13

13

chroom (Cr)

55

62

180

180

180

kobalt (Co)

15

35

190

190

190

koper (Cu)

40

54

190

190

190

kwik (Hg)

0,15

0,83

4,8

36

36

lood (Pb)

50

210

530

530

530

molybdeen (Mo)

1,5

88

190

190

190

nikkel (Ni)

35

39

100

100

100

tin (Sn)

6,5

180

900

1

1

vanadium (V)

80

97

250

1

1

zink (Zn)

140

200

720

720

720

2. Overige anorganische stoffen

chloride2

1

1

1

1

1

cyanide (vrij)

3,0

3,0

20

20

20

cyanide (complex)3

5,5

5,5

50

50

50

thiocyanaten

6,0

6,0

20

20

20

Organische stoffen

3. Aromatische stoffen

benzeen

0,20

0,20

1

1,1

1,1

ethylbenzeen

0,20

0,20

1,25

110

110

tolueen4

0,20

0,20

1,25

32

32

xylenen (som)

0,45

0,45

1,25

17

17

styreen (vinylbenzeen)

0,25

0,25

2,5

86

86

fenol4

0,25

0,25

1,25

14

14

cresolen (som)4

0,30

0,30

5

13

13

dodecylbenzeen

0,35

0,35

0,35

1

1

1, 2, 3-trimethyl-benzeen

0,45

0,45

0,45

1

1

1, 2, 4-trimethylbenzeen

0,45

0,45

0,45

1

1

1, 3, 5-trimethylbenzeen

0,45

0,45

0,45

1

1

2-ethyltolueen

0,45

0,45

0,45

1

1

3-ethyltolueen

0,45

0,45

0,45

1

1

4-ethyltolueen

0,45

0,45

0,45

1

1

isopropylbenzeen

0,45

0,45

0,45

1

1

propylbenzeen

0,45

0,45

0,45

1

1

aromatische oplosmiddelen (som)

2,5

2,5

2,5

1

1

4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

naftaleen

1

1

1

1

1

fenantreen

1

1

1

1

1

antraceen

1

1

1

1

1

fluorantheen

1

1

1

1

1

chryseen

1

1

1

1

1

benzo(a)antraceen

1

1

1

1

1

benzo(a)pyreen

1

1

1

1

1

benzo(k)fluorantheen

1

1

1

1

1

indeno(1,2,3cd)pyreen

1

1

1

1

1

benzo(ghi)peryleen

1

1

1

1

1

PAK’s totaal (som 10)

1,5

6,8

40

40

40

5. Gechloreerde koolwaterstoffen

a. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen

monochlooretheen (vinylchloride)

0,10

0,10

0,10

0,10

0,10

dichloormethaan

0,10

0,10

3,9

3,9

3,9

1,1-dichloorethaan

0,20

0,20

0,20

15

15

1,2-dichloorethaan

0,20

0,20

4

6,4

6,4

1,1-dichlooretheen

0,30

0,30

0,30

0,30

0,30

1,2-dichlooretheen (som)

0,30

0,30

0,30

1

1

dichloorpropanen (som)

0,80

0,80

0,80

2

2

trichloormethaan (chloroform)

0,25

0,25

3

5,6

5,6

1,1,1-trichloorethaan

0,25

0,25

0,25

15

15

1,1,2-trichloorethaan

0,30

0,30

0,30

10

10

trichlooretheen (Tri)

0,25

0,25

2,5

2,5

2,5

tetrachloormethaan (Tetra)

0,30

0,30

0,7

0,7

0,7

tetrachlooretheen (Per)

0,15

0,15

4

8,8

8,8

b. chloorbenzenen

monochloorbenzeen

0,20

0,20

5

15

15

dichloorbenzenen (som)

2,0

2,0

5

19

19

trichloorbenzenen (som)

0,015

0,015

5

11

11

tetrachloorbenzenen (som)

0,0090

0,0090

2,2

2,2

2,2

pentachloorbenzeen

0,0025

0,0025

5

6,7

6,7

hexachloorbenzeen

0,0085

0,027

1,4

2,0

2,0

chloorbenzenen (som)

1

1

1

1

1

c. chloorfenolen

monochloorfenolen (som)

0,045

0,045

5,4

5,4

5,4

dichloorfenolen (som)

0,20

0,20

6

22

22

trichloorfenolen (som)

0,0030

0,0030

6

22

22

tetrachloorfenolen (som)

0,015

1

6

21

21

pentachloorfenol

0,0030

1,4

5

12

12

chloorfenolen (som)

1

1

1

1

1

d. polychloorbifenylen (PCB’s)

PCB 28

1

1

1

1

1

PCB 52

1

1

1

1

1

PCB 101

1

1

1

1

1

PCB 118

1

1

1

1

1

PCB 138

1

1

1

1

1

PCB 153

1

1

1

1

1

PCB 180

1

1

1

1

1

PCB’s (som 7)

0,020

0,040

0,5

1

1

e. overige gechloreerde koolwaterstoffen

monochlooranilinen (som)5

0,20

0,20

0,20

50

50

pentachlooraniline

0,15

0,15

0,15

1

1

dioxine (som TEQ)6

0,000055

0,000055

0,000055

0,00018

0,00018

chloornaftaleen (som)

0,070

0,070

10

23

23

6. Bestrijdingsmiddelen

a. organochloorbestrijdingsmiddelen

chloordaan (som)

0,0020

0,0020

0,1

4

4

DDT (som)

0,20

0,20

1

1,7

1,7

DDE (som)

0,10

0,13

1,3

2,3

2,3

DDD (som)

0,020

0,84

34

34

34

DDT/DDE/DDD (som)

1

1

1

1

1

aldrin7

1

1

1

0,32

0,32

dieldrin

1

1

1

1

1

endrin

1

1

1

1

1

isodrin

1

1

1

1

1

telodrin

1

1

1

1

1

drins (som)

0,015

0,04

0,14

4

4

endosulfansulfaat

1

1

1

1

1

α-endosulfan

0,00090

0,00090

0,1

4

4

α-HCH

0,0010

0,0010

0,5

17

17

β-HCH

0,0020

0,0020

0,5

1,6

1,6

γ-HCH (lindaan)

0,0030

0,04

0,5

1,2

1,2

δ-HCH

1

1

1

1

1

HCH-verbindingen (som)

1

1

1

1

1

heptachloor

0,00070

0,00070

0,1

4

4

heptachloorepoxide (som)

0,0020

0,0020

0,1

4

4

hexachloorbutadieen

0,003

1

1

1

1

organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som landbodem)

0,40

1

1

1

1

b. organofosforpesticiden

azinfos-methyl

0,0075

0,0075

0,0075

1

1

c. organotin bestrijdingsmiddelen

organotin verbindingen (som)8

0,15

0,5

2,5

2,5

2,5

tributyltin (TBT)8

0,065

0,065

0,065

1

1

d. chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden

MCPA

0,55

0,55

0,55

4

4

e. overige bestrijdingsmiddelen

atrazine

0,035

0,035

0,5

0,71

0,71

carbaryl

0,15

0,15

0,45

0,45

0,45

carbofuran

0,017

0,017

0,017

0,017

0,017

4-chloormethylfenolen (som)

0,60

0,60

0,60

1

1

organostikstof- en organofosforbestrijdings-middelen (som)

0,090

0,090

0,5

1

1

7. Overige stoffen

asbest9

9

100

100

100

100

cyclohexanon

2,0

2,0

150

150

150

dimethyl ftalaat

0,045

9,2

60

82

82

diethyl ftalaat

0,045

5,3

53

53

53

di-isobutylftalaat

0,045

1,3

17

17

17

dibutyl ftalaat

0,070

5,0

36

36

36

butyl benzylftalaat

0,070

2,6

48

48

48

dihexyl ftalaat

0,070

18

60

220

220

di(2-ethylhexyl)ftalaat

0,045

8,3

60

60

60

minerale olie10, 4

190

190

500

5000

5000

pyridine

0,15

0,15

1

11

11

tetrahydrofuran

0,45

0,45

2

7

7

tetrahydrothiofeen

1,5

1,5

8,8

8,8

8,8

tribroommethaan (bromoform)

0,20

0,20

0,20

75

75

ethyleenglycol

5,0

5,0

5,0

1

1

diethyleenglycol

8,0

8,0

8,0

1

1

acrylonitril

0,1

0,1

0,1

1

1

formaldehyde

0,1

0,1

0,1

1

1

isopropanol (2-propanol)

0,75

0,75

0,75

1

1

methanol

3,0

3,0

3,0

1

1

butanol (1-butanol)

2,0

2,0

2,0

1

1

butylacetaat

2,0

2,0

2,0

1

1

ethylacetaat

2,0

2,0

2,0

1

1

methyl-tert-butyl ether (MTBE)

0,20

0,20

0,20

1

1

methylethylketon

2,0

2,0

2,0

1

1

1 Tabelnoot 1 heeft betrekking op verschillende situaties, die alleen gemeenschappelijk hebben dat voor een bepaalde stof in ten minste een van de kolommen 2 t/m 6 naar tabelnoot 1 wordt verwezen.

Dit betekent dat voor de desbetreffende stof geen kwaliteitseis is opgenomen voor het indelen van de landbodem of een partij grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse waarop de desbetreffende kolom betrekking heeft.

Hieronder wordt beschreven hoe bij het indelen van de landbodem of een partij grond of baggerspecie in een kwaliteitsklasse in de onderscheiden situaties met de desbetreffende stof moet worden omgegaan.

Op elke stof kan maar één situatiebeschrijving tegelijkertijd van toepassing zijn.

Voor een stof waarvoor in een van de kolommen 2 t/m 6 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, geldt het volgende.

– Als in alle kolommen 2 t/m 6 naar tabelnoot 1 wordt verwezen, dan wordt de stof niet bij het indelen betrokken wanneer:

• het een stof betreft die geen onderdeel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E; of

• het een somparameter als beschreven in bijlage E betreft.

– Als in een van de kolommen 2 t/m 6 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en het een stof betreft die deel uitmaakt van een somparameter als beschreven in bijlage E, dan wordt de stof alleen bij het indelen betrokken:

• als deel van de desbetreffende somparameter wanneer de stof volgens bijlage E bij het bepalen van de somparameter moet worden meegenomen; en

• als stof tevens voor zover voor de stof in een van de kolommen 2 t/m 6 een kwaliteitseis is opgenomen.

– Als alleen in kolom 5 en 6 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en de volgens bijlage G omgerekende concentratie van de stof groter is dan de kwaliteitseis voor de kwaliteitsklasse ‘industrie’, dan wordt bij het indelen voor die stof de kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’ gehanteerd.

– Als alleen in de kolommen 3 t/m 6 wordt verwezen naar tabelnoot 1 en de volgens bijlage G omgerekende concentratie groter is dan de kwaliteitseis voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, dan wordt bij het indelen voor die stof de kwaliteitsklasse ‘industrie’ gehanteerd.

2 Voor zand uit de zee geldt voor de stof chloride een kwaliteitseis van 200 mg/kg droge stof voor alle kolommen 2 t/m 6 van tabel 1. Deze kwaliteitseis geldt echter niet in geval de wens bestaat om in een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op zand uit de zee, te vermelden dat het zand vanwege het gehalte chloride uitsluitend geschikt is voor toepassing op plaatsen waar direct contact mogelijk is met zeewater of brak water waarvan het gehalte chloride van nature meer dan 5.000 mg/l bedraagt.

3 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Wanneer geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal.

4 Voor tarragrond gelden voor de stoffen cresolen (som), fenol, tolueen en minerale olie geen kwaliteitseisen als de aanwezigheid van die stoffen een gevolg is van natuurlijke processen.

5 Voor tarragrond die is behandeld met chloorprofam, geldt voor de stof monochlooranilinen (som) geen kwaliteitseis.

6 De som TEQ voor dioxines worden berekend door de concentraties van dioxines, dibenzofuranen en dioxine-achtige PCB’s eerst voor elke afzonderlijke stof om te rekenen door ze te vermenigvuldigen met de Toxiciteits Equivalentie Factor die is gegeven in tabel 4, en vervolgens de omgerekende concentraties van elke individuele stof te sommeren.

7 De stof aldrin wordt uitsluitend voor het bepalen van de concentratie van de somparameter waar de stof aldrin overeenkomstig bijlage E toe behoort betrokken bij het indelen van de landbodem, grond en baggerspecie in een kwaliteitsklasse, tenzij de overeenkomstig bijlage G omgerekende concentratie aldrin groter is dan 0,32 mg/kg droge stof, in welk geval de landbodem, grond en baggerspecie voor de stof aldrin wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’.

8 De kwaliteitseis voor organotin verbindingen (som) en tributyltin (TBT) is uitgedrukt in mg Sn/kg droge stof, met uitzondering van de kwaliteitseisen voor organotin verbindingen (som) voor de kwaliteitsklassen ‘industrie’, ‘matig verontreinigd’ en ‘sterk verontreinigd’, die zijn uitgedrukt in organotin in mg/kg droge stof.

9 Voor een toetsing van de concentratie asbest aan de kwaliteitseisen voor de verschillende kwaliteitsklassen wordt de concentratie als volgt berekend: concentratie serpentijnasbest + 10 x concentratie amfiboolasbest. Voor asbest dat opzettelijk is toegevoegd, geldt als kwaliteitseis voor de verschillende kwaliteitsklassen de waarde 0 mg/kg droge stof.

Voor de indeling van de landbodem, grond of baggerspecie in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ wordt de stof asbest niet betrokken, tenzij de berekende concentratie asbest hoger is dan 100 mg/kg droge stof, in welk geval de landbodem, grond of baggerspecie wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’.

10 Voor minerale olie in baggerspecie geldt voor de kwaliteitsklasse ‘industrie’ als kwaliteitseis de waarde 2.000 mg/kg droge stof als de wens bestaat om in de milieuverklaring bodemkwaliteit de kwaliteitsklasse ‘industrie’ te vermelden ten behoeve van het grootschalig toepassing van de grond of baggerspecie op de landbodem overeenkomstig artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Tabel 2. Kwaliteitseisen1 voor de indeling van de waterbodem en van grond en baggerspecie in kwaliteitsklassen ten behoeve van toepassing van grond en baggerspecie op de waterbodem

Stof

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘niet verontreinigd’ of kwaliteitsklasse

‘algemeen toepasbaar’

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘licht verontreinigd’

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘matig verontreinigd’

kwaliteitseis voor kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’

begrenzing van de kwaliteitsklasse

de concentratie van de stof is kleiner of gelijk aan de in deze kolom vermelde waarde

de concentratie van de stof is groter dan de in de kolom ‘niet verontreinigd’ of

‘algemeen toepasbaar’ vermelde waarde en kleiner of gelijk aan de in deze kolom vermelde waarde

de concentratie van de stof is groter dan de in de kolom ‘licht verontreinigd’ vermelde waarde en kleiner of gelijk aan de in deze kolom vermelde waarde

de concentratie van de stof is groter dan de in deze kolom vermelde waarde

Kolomnummer

2

3

4

5

 

voor standaardbodem, in mg kg/droge stof

Anorganische stoffen

1. Metalen

antimoon (Sb)

4,0

1

15

15

arseen (As)

20

29

85

85

barium (Ba)

1

1

1

1

cadmium (Cd)

0,60

4

14

14

chroom (Cr)

55

120

380

380

kobalt (Co)

15

25

240

240

koper (Cu)

40

96

190

190

kwik (Hg)

0,15

1,2

10

10

lood (Pb)

50

138

580

580

molybdeen (Mo)

1,5

5

200

200

nikkel (Ni)

35

50

210

210

tin (Sn)

6,5

1

1

1

vanadium (V)

80

1

1

1

zink (Zn)

140

563

2000

2000

2. Overige anorganische stoffen

chloride2

1

1

1

1

cyanide (vrij)

3,0

1

20

20

cyanide (complex)3

5,5

1

50

50

thiocyanaten

6,0

1

20

20

Organische stoffen

3. Aromatische stoffen

benzeen

0,20

1

1

1

ethylbenzeen

0,20

1

50

50

tolueen

0,20

1

130

130

xylenen (som)

0,45

1

25

25

styreen (vinylbenzeen)

0,25

1

100

100

fenol

0,25

1

40

40

cresolen (som)

0,30

1

5

5

dodecylbenzeen

0,35

1

1

1

1, 2, 3-trimethyl-benzeen

0,45

1

1

1

1, 2, 4-trimethylbenzeen

0,45

1

1

1

1, 3, 5-trimethylbenzeen

0,45

1

1

1

2-ethyltolueen

0,45

1

1

1

3-ethyltolueen

0,45

1

1

1

4-ethyltolueen

0,45

1

1

1

isopropylbenzeen

0,45

1

1

1