Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2021, 41165 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2021, 41165 | advies Raad van State |
Nr. WJZ/28555336 (10745)
Den Haag, 30 augustus 2021
(Hoofd) Afdeling directie Wetgeving en Juridische Zaken
Aan de Koning
Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers in verband met de uitbreiding van de gegevensverstrekking uit het register onderwijsdeelnemers ten behoeve van de uitvoering van wettelijke taken door bestuursorganen
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 26 april 2021, nr. 2021000841, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 23 juni 2021, nr. W05.21.0122/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 26 april 2021, no.2021000841, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers in verband met de uitbreiding van de gegevensverstrekking uit het register onderwijsdeelnemers ten behoeve van de uitvoering van wettelijke taken door bestuursorganen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt de grondslag voor een aantal gegevensverstrekkingen uit het register onderwijsdeelnemers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van OCW aan bestuursorganen voor de uitvoering van wettelijke taken.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de levering van het persoonsgegeven westerse/niet-westerse migratieachtergrond van onderwijsdeelnemers aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB). Ook maakt zij een opmerking over het registreren van het pedagogisch-didactisch onderwijsconcept. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit en de toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt de wijziging van de bijlage bij het Besluit register onderwijsdeelnemers wat betreft de verstrekking van gegevens aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB). SBB krijgt niet langer het geboorteland van de onderwijsdeelnemers en diens ouders verstrekt, maar het gegeven of de onderwijsdeelnemer een westerse of niet-westerse migratieachtergrond heeft. Deze gegevens kreeg de SBB tot nu toe vanwege het onderzoek dat zij verricht naar discriminatie bij het vinden van een stage of tijdens het lopen van een stage (stagediscriminatie). De SBB doet (praktisch) onderzoek naar stagediscriminatie en kent een meldpunt stagediscriminatie.
Stagediscriminatie komt nog veel voor, zoals ook blijkt uit recent onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Uit dit onderzoek komt overigens naar voren dat ook rekening dient te worden gehouden met gedragingen op de stagemarkt die leiden tot andere vormen van discriminatie, zoals bijvoorbeeld op basis van gender, religie, opleidingsniveau of handicap.
De voorgestelde wijziging komt voort uit de voorhangprocedure van onderhavig besluit bij de Tweede Kamer. Daarin is gevraagd naar het nut en de noodzaak van het in het onderwijsregister opnemen van het geboorteland van de onderwijsdeelnemer en van diens ouders. De Minister van OCW heeft in antwoord daarop het nut van deze registratie uiteengezet en vermeld aan welke organisaties dit gegeven wordt verstrekt. De minister heeft daarbij aangegeven dat bij de gegevensverstrekking aan SBB ook volstaan kan worden met geaggregeerde gegevens over de migratieachtergrond van onderwijsdeelnemers (op basis van het geboorteland van de onderwijsdeelnemer en diens ouders). Uit de toelichting bij het conceptbesluit blijkt dat wordt aangesloten bij de definities die het CBS gebruikt met betrekking tot personen met een (westerse of niet-westerse) migratieachtergrond.
De Afdeling constateert dat het CBS op dit moment de indeling hanteert of personen een westerse of niet-westerse migratieachtergrond hebben. Recent heeft het echter besloten deze indeling te heroverwegen. Volgens het CBS is dit ‘een logische stap gezien de discussie in de samenleving en gebeurt dit juist daarom in nauwe en zorgvuldige samenspraak met de samenleving, het maatschappelijk middenveld, het beleid en de wetenschappelijke wereld.’
Voor de nieuwe indeling die het CBS gaat hanteren, blijken in het bijzonder de adviezen van de WRR van belang. De WRR adviseerde in 2016 om het onderscheid westers/niet-westers niet langer te hanteren, maar te vervangen door een variabel onderscheid naar herkomstgroepen. Zeer recent adviseerde de WRR nader over deze thematiek waarin de oproep om de tweedeling westers/niet-westers af te schaffen verder wordt uitgewerkt.
De WRR onderstreept in deze adviezen dat het onderscheid westers/niet-westers niet langer bruikbaar is, omdat
(i) het onderscheid niet wetenschappelijk is,
(ii) de verschillen binnen de groepen te groot zijn en de tweedeling dus te weinig informatief, en
(iii) het onderscheid rangschikkend is en een uitsluitende werking heeft.
Om te bepalen wanneer moet worden geclassificeerd naar herkomst adviseert de WRR om dit af te laten hangen van het doel van de registratie en de specifieke onderzoeksvraag. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een toetsingskader uitgaande van de beginselen van legitimiteit, functionaliteit, subsidiariteit en proportionaliteit.
Daarnaast geeft de WRR een aantal eisen mee waar deze classificatie aan zal moeten voldoen. Met betrekking tot de thematiek van stagediscriminatie zou een alternatief het nu al bestaande onderliggende onderscheid naar herkomstland zijn. In een volgend stadium zou een clustering van herkomstlanden, bijvoorbeeld op grond van een combinatie van religie en taalgroepen, volgens de WRR een goede optie kunnen zijn. Daarbij zou ook rekening gehouden kunnen worden met de samenhang met andere vormen van stagediscriminatie zoals hiervoor vermeld.
De Afdeling merkt op dat het maken van onderscheid naar geboorteland in het kader van onderzoek naar stagediscriminatie zinvol kan zijn. In dat licht bezien en gelet op de hiervoor weergegeven ontwikkelingen acht zij het voorstel om thans (deels) over te stappen naar de categorisering in westers/niet-westers niet overtuigend. Zoals de WRR heeft opgemerkt is het geen neutrale indeling. Zij bemoeilijkt bovendien het monitoren van stagediscriminatie doordat de voorgestelde indeling niet voldoende informatief is. Alvorens een eventueel meer geschikte classificatie en/of clustering van classificaties is ontwikkeld en doorgevoerd, lijkt een onderscheid naar geboorteland op dit moment derhalve passender dan het voorgestelde onderscheid in westerse/niet-westerse migratieachtergrond.
De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande het ontwerpbesluit aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de verstrekking van het persoonsgegeven migratieachtergrond, meer specifiek over de verstrekking daarvan aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB). In het ontwerpbesluit zoals dat was voorgelegd aan de Afdeling was het voornemen opgenomen om aan SBB niet langer het geboorteland van een onderwijsdeelnemer en diens ouders te verstrekken, maar om dit (in het kader van dataminimalisatie) te vervangen door verstrekking van gegevens op een meer geaggregeerd niveau. Daarvoor zou worden aangesloten bij de indeling in migratieachtergronden zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die tot nu toe hanteert. Zoals de Afdeling constateert, was deze wijziging in het ontwerpbesluit opgenomen naar aanleiding van het schriftelijk overleg met de Tweede Kamer in het kader van de voorhang van het ontwerpbesluit.
Het CBS heeft recent besloten om de indeling van personen met een migratieachtergrond in twee groepen (westers en niet-westers) los te willen laten en op termijn te vervangen door een meer variabel onderscheid naar herkomst en migratieachtergrond van personen. Ik acht het daarmee op dit moment niet opportuun om de verstrekking van het geboorteland aan SBB te vervangen door een verstrekking van gegevens over een westerse of niet-westerse migratieachtergrond.
De Afdeling merkt op dat het maken van onderscheid naar geboorteland in het kader van onderzoek naar stagediscriminatie zinvol kan zijn. Het vraagt echter nader onderzoek om vast te stellen welke indeling in herkomstgroepen het best passend zou zijn ten behoeve van het voorkomen van stagediscriminatie in het middelbaar beroepsonderwijs. Daarom is het beter om aan SBB vooralsnog wel het geboorteland en het geboorteland van de ouders van een onderwijsdeelnemer te blijven verstrekken. SBB kan dan het voor deze situatie meest passende onderscheid naar herkomstgroepen zelf maken. Als eenmaal beter is uitgekristalliseerd welk onderscheid naar herkomstgroepen het beste bruikbaar is ten behoeve van onderzoek naar stagediscriminatie in het middelbaar beroepsonderwijs, dan valt op dat moment te overwegen om de gegevensverstrekking overeenkomstig aan te passen. Het nu voorliggende wijzigingsbesluit komt daarvoor te vroeg. In een volgende wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers zou alsnog de verstrekking van geboortelandgegevens vervangen kunnen worden door een verstrekking van gegevens naar (nader te bepalen) herkomstgroepen, om zo mogelijk te komen tot een verdere dataminimalisatie wat betreft de gegevensverstrekking uit het register onderwijsdeelnemers.
In het ontwerpbesluit wordt, als de onderwijsinstelling dat wenst, het pedagogisch-didactisch concept toegevoegd aan de basisgegevens van de onderwijsdeelnemer die is of was ingeschreven aan een onderwijsinstelling. Met betrekking tot het opnemen van dit concept meldt de toelichting slechts dat onderwijsinstellingen dit wenselijk (kunnen) vinden, en dat dit van belang kan zijn voor beleidsvorming van de minister. De toelichting gaat niet verder in op het belang van de registratie van dit gegeven voor onderzoek en toezicht en waarom het in dat licht gezien noodzakelijk is tot registratie daarvan over te gaan.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.
Naar aanleiding van het advies is in het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting (bij artikel I, onderdeel A) de noodzaak van registratie van het pedagogisch-didactisch onderwijsconcept in het primair en voortgezet onderwijs nader gemotiveerd. Daarbij is het ontwerpbesluit zelf ook aangepast in die zin dat het niet langer geheel aan het bevoegd gezag wordt overgelaten om te kiezen of het pedagogisch-didactisch concept volgens welke de onderwijsdeelnemer onderwijs volgt aan het register onderwijsdeelnemers geleverd wordt. Voor zover er op de school een bij ministeriële regeling aangewezen onderwijsconcept van toepassing is, wordt de levering van gegevens daarover (na een invoeringstermijn) verplicht gesteld.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State,
Th. C. de Graaf
Aangezien de eerder beoogde inwerkingtredingsdatum (1 juli 2021) niet meer haalbaar is gebleken, is de inwerkingtredingsbepaling in artikel II van het besluit aangepast. Het besluit zal nu gedeeltelijk op de dag na de datum van publicatie in werking treden, waarbij enkele onderdelen zullen terugwerken tot en met 1 april 2021, respectievelijk 1 augustus 2021, omdat deze zien op gegevensleveringen en -verstrekkingen die reeds plaatsvinden. Voor de overige onderdelen van het besluit wordt voorgesteld om deze op 1 januari 2022 in werking te laten treden.
Ik bied U hierbij, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven.
No. W05.21.0122/I
’s-Gravenhage, 23 juni 2021
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 26 april 2021, no.2021000841, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers in verband met de uitbreiding van de gegevensverstrekking uit het register onderwijsdeelnemers ten behoeve van de uitvoering van wettelijke taken door bestuursorganen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt de grondslag voor een aantal gegevensverstrekkingen uit het register onderwijsdeelnemers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van OCW aan bestuursorganen voor de uitvoering van wettelijke taken.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de levering van het persoonsgegeven westerse/niet-westerse migratieachtergrond van onderwijsdeelnemers aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB). Ook maakt zij een opmerking over het registreren van het pedagogisch-didactisch onderwijsconcept. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit en de toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt de wijziging van de bijlage bij het Besluit register onderwijsdeelnemers wat betreft de verstrekking van gegevens aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB).1 SBB krijgt niet langer het geboorteland van de onderwijsdeelnemers en diens ouders verstrekt, maar het gegeven of de onderwijsdeelnemer een westerse of niet-westerse migratieachtergrond heeft. Deze gegevens kreeg de SBB tot nu toe vanwege het onderzoek dat zij verricht naar discriminatie bij het vinden van een stage of tijdens het lopen van een stage (stagediscriminatie). De SBB doet (praktisch) onderzoek naar stagediscriminatie en kent een meldpunt stagediscriminatie.
Stagediscriminatie komt nog veel voor, zoals ook blijkt uit recent onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut.2 Uit dit onderzoek komt overigens naar voren dat ook rekening dient te worden gehouden met gedragingen op de stagemarkt die leiden tot andere vormen van discriminatie, zoals bijvoorbeeld op basis van gender, religie, opleidingsniveau of handicap.3
De voorgestelde wijziging komt voort uit de voorhangprocedure van onderhavig besluit bij de Tweede Kamer.4 Daarin is gevraagd naar het nut en de noodzaak van het in het onderwijsregister opnemen van het geboorteland van de onderwijsdeelnemer en van diens ouders. De Minister van OCW heeft in antwoord daarop het nut van deze registratie uiteengezet en vermeld aan welke organisaties dit gegeven wordt verstrekt. De minister heeft daarbij aangegeven dat bij de gegevensverstrekking aan SBB ook volstaan kan worden met geaggregeerde gegevens over de migratieachtergrond van onderwijsdeelnemers (op basis van het geboorteland van de onderwijsdeelnemer en diens ouders).5 Uit de toelichting bij het conceptbesluit blijkt dat wordt aangesloten bij de definities die het CBS gebruikt met betrekking tot personen met een (westerse of niet-westerse) migratieachtergrond.6
De Afdeling constateert dat het CBS op dit moment de indeling hanteert of personen een westerse of niet-westerse migratieachtergrond hebben. Recent heeft het echter besloten deze indeling te heroverwegen.7 Volgens het CBS is dit ‘een logische stap gezien de discussie in de samenleving en gebeurt dit juist daarom in nauwe en zorgvuldige samenspraak met de samenleving, het maatschappelijk middenveld, het beleid en de wetenschappelijke wereld.’
Voor de nieuwe indeling die het CBS gaat hanteren, blijken in het bijzonder de adviezen van de WRR van belang. De WRR adviseerde in 2016 om het onderscheid westers/niet-westers niet langer te hanteren, maar te vervangen door een variabel onderscheid naar herkomstgroepen.8 Zeer recent adviseerde de WRR nader over deze thematiek waarin de oproep om de tweedeling westers/niet-westers af te schaffen verder wordt uitgewerkt.9
De WRR onderstreept in deze adviezen dat het onderscheid westers/niet-westers niet langer bruikbaar is, omdat
(i) het onderscheid niet wetenschappelijk is,
(ii) de verschillen binnen de groepen te groot zijn en de tweedeling dus te weinig informatief, en
(iii) het onderscheid rangschikkend is en een uitsluitende werking heeft.
Om te bepalen wanneer moet worden geclassificeerd naar herkomst adviseert de WRR om dit af te laten hangen van het doel van de registratie en de specifieke onderzoeksvraag. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een toetsingskader uitgaande van de beginselen van legitimiteit, functionaliteit, subsidiariteit en proportionaliteit.
Daarnaast geeft de WRR een aantal eisen mee waar deze classificatie aan zal moeten voldoen.10 Met betrekking tot de thematiek van stagediscriminatie zou een alternatief het nu al bestaande onderliggende onderscheid naar herkomstland zijn.11 In een volgend stadium zou een clustering van herkomstlanden, bijvoorbeeld op grond van een combinatie van religie en taalgroepen, volgens de WRR een goede optie kunnen zijn.12 Daarbij zou ook rekening gehouden kunnen worden met de samenhang met andere vormen van stagediscriminatie zoals hiervoor vermeld.
De Afdeling merkt op dat het maken van onderscheid naar geboorteland in het kader van onderzoek naar stagediscriminatie zinvol kan zijn. In dat licht bezien en gelet op de hiervoor weergegeven ontwikkelingen acht zij het voorstel om thans (deels) over te stappen naar de categorisering in westers/niet-westers niet overtuigend. Zoals de WRR heeft opgemerkt is het geen neutrale indeling. Zij bemoeilijkt bovendien het monitoren van stagediscriminatie doordat de voorgestelde indeling niet voldoende informatief is. Alvorens een eventueel meer geschikte classificatie en/of clustering van classificaties is ontwikkeld en doorgevoerd, lijkt een onderscheid naar geboorteland op dit moment derhalve passender dan het voorgestelde onderscheid in westerse/niet-westerse migratieachtergrond.
De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande het ontwerpbesluit aan te passen.
In het ontwerpbesluit wordt, als de onderwijsinstelling dat wenst, het pedagogisch-didactisch concept toegevoegd aan de basisgegevens van de onderwijsdeelnemer die is of was ingeschreven aan een onderwijsinstelling.13 Met betrekking tot het opnemen van dit concept meldt de toelichting slechts dat onderwijsinstellingen dit wenselijk (kunnen) vinden, en dat dit van belang kan zijn voor beleidsvorming van de minister.14 De toelichting gaat niet verder in op het belang van de registratie van dit gegeven voor onderzoek en toezicht en waarom het in dat licht gezien noodzakelijk is tot registratie daarvan over te gaan.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaan mede namens Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 22 april 2021, nr. WJZ/27383862 (10745), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 8, vierde lid, 12, zesde en zevende lid, 15, zesde lid, 18, vierde lid, en 24, tweede lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers en artikel LXIV, eerste lid, van de Wet van 12 februari 2020 tot wijziging van de verschillende wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met voornamelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2020) (Stb. 2020, 76);
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van xx MAAND 20xx, nr. xxx);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van xx MAAND 20xx, nr. WJZ/xxx (10745), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Besluit register onderwijsdeelnemers wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt na ‘als bedoeld in de WPO of de WPO BES’ ingevoegd ‘voor zover van toepassing’.
b. In onderdeel b, vervalt ‘indien van toepassing’.
c. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
c. de aanduiding dat de onderwijsdeelnemer deelneemt aan een bij ministeriële regeling aangewezen experiment op grond van artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs;
d. voor zover de onderwijsinstelling dat wenst, het pedagogisch-didactisch onderwijsconcept.
2. Aan het tweede lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:
i. de aanduiding dat de onderwijsdeelnemer deelneemt aan een bij ministeriële regeling aangewezen experiment als bedoeld in artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs;
j. voor zover de onderwijsinstelling dat wenst, het pedagogisch-didactisch onderwijsconcept.
3. Aan het derde lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, zeven onderdelen toegevoegd, luidende:
f. plaatsing in een internationale schakelklas;
g. deelname aan tweetalig onderwijs;
h. de aanduiding dat de onderwijsdeelnemer een talent op het gebied van topsport, dans of muziek is, aan een daartoe door de minister aangewezen onderwijsinstelling;
i. de aanduiding dat de onderwijsdeelnemer deelneemt aan een bij ministeriële regeling aangewezen experiment als bedoeld in artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs;
j. de aanduiding dat de onderwijsdeelnemer deelneemt aan een bij ministeriële regeling aangewezen pilot die betrekking heeft op de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een school, bedoeld in artikel 25, 29, zesde lid, of 58, derde lid, WVO of artikel 61 of 72, zevende lid, WVO BES;
k. deelname aan een technasium;
l. voor zover de onderwijsinstelling dat wenst, het pedagogisch-didactisch onderwijsconcept.
B
In artikel 13, tweede lid, wordt na ‘basisregistratie personen,’ ingevoegd ‘of als de onderwijsdeelnemer niet is opgenomen in de basisregistratie personen,’.
C
In artikel 21, derde lid, wordt na ‘het adres dat van hem is opgenomen in de basisregistratie personen,’ ingevoegd ‘of als de onderwijsdeelnemer niet is opgenomen in de basisregistratie personen,’.
D
Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Aan het College voor toetsen en examens worden ten behoeve van de aanmelding van onderwijsdeelnemers voor een staatsexamen of ten behoeve van de examinering van die onderwijsdeelnemers het persoonsgebonden nummer en de in de bijlage aangeduide basisgegevens van die onderwijsdeelnemers verstrekt.
E
Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
2. In het eerste lid (nieuw) vervalt ‘het persoonsgebonden nummer,’ en wordt ‘en de leeftijd van de onderwijsdeelnemer bij aanvang van de beroepspraktijkvorming’ vervangen door ‘, de leeftijd van de onderwijsdeelnemer bij aanvang van de beroepspraktijkvorming en indien van toepassing het gegeven dat de onderwijsdeelnemer een westerse of niet-westerse migratieachtergrond heeft,’.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Bij de verstrekking wordt het persoonsgebonden nummer vervangen door een ander nummer of een code op een zodanige wijze dat de onderwijsdeelnemer niet geïdentificeerd of identificeerbaar is.
F
Na artikel 39 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden voor de uitvoering van subsidieregelingen op grond van de Kaderwet VWS-subsidies desgevraagd de in de bijlage aangeduide basisgegevens van onderwijsdeelnemers verstrekt. Daarbij wordt het persoonsgebonden nummer vervangen door een ander nummer of een code op een zodanige wijze dat de onderwijsdeelnemer niet geïdentificeerd of identificeerbaar is.
G
Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: ‘en het lerarenregister’.
2. In het eerste en tweede lid wordt ‘bedoeld in de artikelen 15 en 17, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, verstrekt’ vervangen door ‘bedoeld in de artikelen 15 en 17, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, van onderwijsdeelnemers verstrekt’.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Aan Onze Minister worden voor zijn taken met betrekking tot het beheer van het lerarenregister, bedoeld in de WPO, WEC, WVO en WEB, het persoonsgebonden nummer en de diplomagegevens, bedoeld in de artikelen 15 en 17, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van onderwijsdeelnemers verstrekt.
H
Na artikel 48 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden voor zijn taken met betrekking tot de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in artikel 20 van de Wet zeevarenden het persoonsgebonden nummer en de diplomagegevens, bedoeld in de artikelen 15 en 17, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, van onderwijsdeelnemers verstrekt.
1. Aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden voor de registratie van personen in het register, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet dieren, het persoonsgebonden nummer en de diplomagegevens, bedoeld in de artikelen 15 en 17, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, van onderwijsdeelnemers verstrekt.
2. Aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden voor het toezicht op de naleving van artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren het persoonsgebonden nummer en de diplomagegevens, bedoeld in de artikelen 15 en 17, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b, van onderwijsdeelnemers verstrekt.
I
In artikel 54, tweede lid, wordt ‘artikel 17, eerste lid, en tweede lid, onderdelen c tot en met g’ vervangen door ‘de artikelen 15 en 17, eerste lid, en tweede lid, onderdelen c tot en met g’.
J
De bijlage wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift en in de tekst wordt ‘de artikelen 23 tot en met 39’ vervangen door ‘de artikelen 23 tot en met 39a’.
2. De tabel wordt vervangen door de tabel in de bijlage bij dit besluit.
1. Dit besluit treedt, met uitzondering van artikel I, onderdeel D, in werking met ingang van 1 juli 2021.
2. Artikel I, onderdeel D, van dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit geplaatst wordt, en werkt terug tot en met 1 april 2021.
3. Artikel XXVIII van de Wet van 12 februari 2020 tot wijziging van de verschillende wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met voornamelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2020) (Stb. 2020, 76) treedt in werking met ingang van 1 juli 2021.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,




Het voorliggende besluit biedt de grondslag voor een aantal gegevensverstrekkingen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) aan andere bestuursorganen. Het betreft gegevens uit het register onderwijsdeelnemers die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wettelijke taken van deze bestuursorganen.
Deze toelichting wordt gegeven mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media.
Op 1 juli 2020 is de nieuwe registerwetgeving met betrekking tot onderwijsdeelnemers in werking getreden (Stb. 2020, 166). Met de Wet register onderwijsdeelnemers, het Besluit register onderwijsdeelnemers (hierna: BRO) en de Regeling register onderwijsdeelnemers is de registerwetgeving toegankelijker en flexibeler gemaakt. Artikel 24 van de Wet register onderwijsdeelnemers bepaalt dat gegevens uit het register onderwijsdeelnemers aan andere bestuursorganen kunnen worden verstrekt, voor zover deze bestuursorganen bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Ook de wettelijke taak waarvoor de verstrekking plaatsvindt en de te verstrekken gegevens worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Dit besluit geeft hier verder uitvoering aan.
De gegevensverstrekkingen die met dit besluit mogelijk worden gemaakt, zijn:
• Verstrekking van basisgegevens aan het College voor toetsen en examens (hierna: CvTE) ten behoeve van de aanmelding van onderwijsdeelnemers voor een staatsexamen en de examinering van die onderwijsdeelnemers;
• Verstrekking van basisgegevens aan de minister van OCW voor de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren;
• Verstrekking van basisgegevens aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) voor de uitvoering van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II en de Subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg;
• Verstrekking van diplomagegevens aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) voor de registratie van personen in het diergeneeskunderegister;
• Verstrekking van diplomagegevens aan de minister van LNV ten behoeve van het toezicht op de naleving van artikel 3.11 Besluit houders van dieren;
• Verstrekking van diplomagegevens aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW) voor de uitvoering van zijn taken met betrekking tot de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen op grond van de Wet zeevarenden.
Deze gegevensverstrekkingen worden hierna toegelicht. Daarnaast wordt met dit besluit de set basisgegevens in het register onderwijsdeelnemers uitgebreid met enkele opleidingsgegevens. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 2.7.
Leerlingen sluiten het voortgezet onderwijs (VO) af door een eindexamen af te leggen. Voor leerlingen die in het reguliere VO staan ingeschreven, bestaat het eindexamen uit het schoolexamen en het centraal examen. Op grond van de examenvoorschriften is het niet toegestaan dat zij in hetzelfde jaar het eindexamen afleggen op een reguliere school en staatsexamen doen.1 Het CvTE heeft onder andere als taak om staatsexamens VO af te nemen. De controle of aan de bedoelde voorwaarde wordt voldaan, kan nu niet worden uitgevoerd omdat het CvTE niet beschikt over inschrijvingsgegevens van de staatsexamenkandidaten. De relevante inschrijvingsgegevens (onderdeel van de basisgegevens) zijn bij DUO bekend en zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, maar een grondslag ontbreekt om deze te verstrekken aan het CvTE. Het gebrek aan controle leidt tot verkeerde verwachtingen bij scholen over de examenmogelijkheden van hun scholen. Omdat dubbele aanmeldingen niet worden gecorrigeerd, krijgen scholen de indruk dat leerlingen uit het reguliere VO ook staatsexamens mogen afleggen.
Een kandidaat die staatsexamen wil doen en daarbij eerder behaalde resultaten wil inbrengen, moet nu afschriften overleggen.2 Het CvTE is op dit moment bevoegd om bepaalde diplomagegevens te ontvangen (artikel 54 BRO). Deze omvatten echter niet de onderwijsresultaten die niet hebben geleid tot afgifte van een diploma. Deze onderwijsresultaten maken wel deel uit van de basisgegevens. In de verstrekking van deze (basis)gegevens aan het CvTE voorziet de wetgeving nu niet.
Met dit besluit is een wettelijke grondslag gecreëerd op basis waarvan de minister van OCW (DUO) basisgegevens mag verstrekken aan het CvTE, om het CvTE in staat te stellen te controleren of aanmeldingen voor het staatsexamen rechtmatig zijn en of bepaalde onderwijsresultaten eerder zijn behaald door de kandidaat.
Het CvTE is opgenomen in het BRO als een bestuursorgaan waaraan basisgegevens mogen worden verstrekt ten behoeve van aanmelding en examinering van kandidaten voor staatsexamens (zie artikel 26a BRO). In de bijlage bij het BRO is nader bepaald welke gegevens dit betreft.
De Subsidieregeling praktijkleren heeft tot doel werkgevers te stimuleren tot het bieden van praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen door middel van de verstrekking van subsidie. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten van een werkgever voor de begeleiding van een leerling, deelnemer of student (VO, VSO, MBO en HO) of een tegemoetkoming in de loonkosten of begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (HO). Deze regeling wordt namens de minister van OCW uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Om te beoordelen of werkgevers in aanmerking komen voor subsidie is het noodzakelijk te beschikken over onderwijsdeelnamegegevens van de onderwijsdeelnemers in het VO, VSO, MBO en HO waarvoor werkgevers subsidie aanvragen. Deze gegevens zijn als basisgegevens opgenomen in het register onderwijsdeelnemers.
De Subsidieregeling praktijkleren is gebaseerd op de Wet overige OCW-subsidies. Het BRO maakt het mogelijk om gegevens aan de minister van OCW te verstrekken voor de uitvoering van deze wet (artikel 25, vijfde lid, BRO), waarbij de bijlage bij het BRO specificeert om welke gegevens het gaat. De in de bijlage aangeduide gegevens omvatten echter niet alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren.
Door de voor de Subsidieregeling praktijkleren noodzakelijke gegevens vanuit het register onderwijsdeelnemers ter beschikking te stellen aan RVO, kan RVO het aanvraagformulier voor de subsidie voorzien van een aantal vooraf ingevulde gegevens. Er zullen ook nauwelijks nog extra gegevens of documenten bij de aanvragers hoeven te worden opgevraagd naar aanleiding van een ingediende aanvraag. De administratieve lasten die met het aanvragen van subsidie gemoeid zijn, worden hierdoor verminderd. Mogelijk krijgt de regeling hierdoor een beter bereik; een aantal kleinere aanvragers zullen met een vooraf ingevuld aanvraagformulier wel de stap gaan zetten om subsidie aan te vragen. Daarnaast neemt de betrouwbaarheid van de gegevens toe, doordat zij afkomstig zijn uit het register onderwijsdeelnemers.
De bijlage bij het BRO is met betrekking tot de op grond van artikel 25, vijfde lid, te verstrekken gegevens uitgebreid met een aantal gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren.
De minister van VWS verleent subsidie aan zorginstellingen voor het realiseren van stageplaatsen voor studenten die een zorgopleiding volgen (momenteel op grond van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II). De minister van VWS verleent ook subsidie aan onderwijsinstellingen die zorgopleidingen verzorgen voor het aanbieden en toedienen van vaccinatie tegen hepatitis B aan studenten die een zorgopleiding volgen (Subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg). Beide subsidieregelingen zijn gebaseerd op de Kaderwet VWS-subsidies en worden uitgevoerd door de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I).
Om deze subsidies te kunnen verstrekken, heeft de minister van VWS gegevens over onderwijsdeelname van de desbetreffende studenten nodig, waaruit blijkt dat ze zijn ingeschreven voor deze zorgopleidingen en in dat kader stage lopen. Deze gegevens zijn als basisgegevens opgenomen in het register onderwijsdeelnemers. Indien de minister van VWS deze gegevens niet kan verkrijgen uit het register onderwijsdeelnemers, dienen zij bij de aanvrager van de subsidie te worden opgevraagd. Bovendien is de betrouwbaarheid van de gegevens dan minder gewaarborgd. De Wet register onderwijsdeelnemers en het BRO voorzien momenteel niet in gegevensverstrekking aan de minister van VWS voor dit doel.
Het BRO is aangepast om de noodzakelijke inschrijvings- en stagegegevens uit het register onderwijsdeelnemers te verstrekken aan de minister van VWS, zodat op basis van betrouwbare gegevens kan worden besloten hoeveel subsidie naar de zorginstellingen en onderwijsinstellingen gaat en de administratieve lasten voor de aanvragers worden beperkt (zie het nieuwe artikel 39a). In de bijlage bij het BRO is nader bepaald welke gegevens dit betreft.
In de Wet dieren is bepaald dat de minister van LNV een openbaar register bijhoudt van personen die een opleiding op het gebied van de diergeneeskunde met goed gevolg hebben voltooid en andere personen die worden toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen (diergeneeskunderegister).3 Het register wordt namens de minister van LNV beheerd door het CIBG. Het CIBG toetst of degene die in het diergeneeskunderegister wil worden opgenomen, beschikt over de juiste beroepskwalificaties door middel van het controleren van de behaalde opleiding. Voor dit doeleinde verstrekt de onderwijsdeelnemer het originele diploma dan wel een gewaarmerkte kopie daarvan aan het CIBG. Met behulp van de diplomagegevens die zijn opgenomen in het diplomaregister kan de echtheid van de door de onderwijsdeelnemer verstrekte gegevens worden geverifieerd. Momenteel ontbreekt echter de wettelijke grondslag om uit het register onderwijsdeelnemers diplomagegevens aan het CIBG te verstrekken voor dit doel.
Het BRO is aangepast om het CIBG inzage in de relevante diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers te geven, zodat de diplomagegevens van de aanvrager die in het diergeneeskunderegister wil worden opgenomen op juistheid kunnen worden gecontroleerd. Zie het nieuwe artikel 48b, eerste lid, BRO. Dit is vergelijkbaar met artikel 50 BRO, waarin geregeld is dat aan de minister van VWS, als beheerder van een register als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) diplomagegevens worden verstrekt voor de beoordeling van aanvragen om inschrijving in dat register.
Op grond van het Besluit houders van dieren dient een persoon (‘de beheerder’) die bedrijfsmatig gezelschapsdieren houdt in het bezit te zijn van een bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep die hij houdt. Het gaat hier om bijvoorbeeld dierenwinkels en fokkers. De beheerder moet bij een inspectie ter naleving van het Besluit houders van dieren een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid (diploma of certificaat mbo of hbo) ter beschikking stellen aan de toezichtsambtenaar.4 De ambtenaren van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de politie zijn door de minister van LNV belast met het toezicht op de naleving.5 Het gaat hier om systematisch toezicht op een grote categorie inrichtingen waarin bedrijfsmatig gezelschapsdieren worden gehouden. In Nederland zijn er duizenden van dit soort inrichtingen waarop toezicht wordt gehouden.6 Als onderdeel van dit toezicht wordt gekeken of de beheerders beschikken over een bewijs van bekwaamheid.
Deze toezichthouders kunnen echter op dit moment de authenticiteit van het bewijs van vakbekwaamheid niet verifiëren, omdat zij geen inzage hebben in de diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers. Zij kunnen weliswaar op incidentele basis op grond van hun huidige bevoegdheid inzage in de diplomagegevens vorderen.7 Echter, zoals hierboven vermeld gaat het hier om systematisch toezicht waarvoor structurele gegevensverstrekking uit het diplomaregister noodzakelijk is. Daarvoor ontbreekt de juridische grondslag.
Om de vorengenoemde toezichthouders in staat te stellen om de authenticiteit van het bewijs van vakbekwaamheid te verifiëren aan de hand van diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers, ten behoeve van het uitvoeren van bestuursrechtelijk toezicht op de naleving van artikel 3.11 Besluit houders van dieren is het BRO aangepast (zie het nieuwe artikel 48b, tweede lid). Juridisch gezien is in het BRO sprake van een verstrekking van gegevens aan de minister van LNV, aangezien hij verantwoordelijk is voor het Besluit houders van dieren. De feitelijke verstrekking vindt plaats aan de door die minister aangewezen toezichthouders, zoals hiervoor genoemd.
In de Wet zeevarenden is onder meer de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen geregeld. De minister van IenW geeft vaarbevoegdheidsbewijzen af indien de aanvrager onder meer aan bepaalde beroepsvereisten voldoet. Op grond van artikel 19, tweede lid, Wet zeevarenden kan aan deze beroepsvereisten worden voldaan door het afronden van een nautische beroepsopleiding in het MBO of HBO. Namens de minister van IenW is Kiwa Register belast met het afgeven van vaarbevoegdheidsbewijzen. Kiwa Register controleert in dit kader of aanvragers over de vereiste diploma’s beschikken. Het is op dit moment voor Kiwa Register niet mogelijk om de authenticiteit van diploma’s te controleren door inzage in diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers. Hiervoor ontbreekt de juridische grondslag.
Het doel is om de minister van IenW (Kiwa Register) in staat te stellen om mbo- en hbo-diploma’s in de afstudeerrichting scheepvaart te verifiëren aan de hand van diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers, ten behoeve van de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen. Hiertoe wordt het BRO uitgebreid (zie artikel 48a BRO). In de Bijlage bij het BRO wordt nader bepaald welke gegevens dit betreft.
In artikel 6 BRO zijn per sector al verschillende opleidingsgegevens opgenomen als onderdeel van de basisgegevens in het register onderwijsdeelnemers. Aan deze opleidingsgegevens worden enkele gegevens toegevoegd die met name voor de beleidsvorming door de minister van belang zijn. Het gaat hier onder meer om het gegeven dat de onderwijsdeelnemer onderwijs volgt in een internationale schakelklas of aan een school voor talenten op het gebied van sport, dans of muziek, dan wel deelneemt aan een bij ministeriële regeling aangewezen experiment of pilot. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel A, wordt hier nader op ingegaan.
Vanwege de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het register onderwijsdeelnemers zijn in verband met de bescherming van persoonsgegevens een aantal bepalingen relevant.
De Grondwet bepaalt in artikel 10, eerste lid, dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Ook artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gaat over het recht op bescherming van persoonsgegevens. Volgens artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is geen inmenging in het privéleven van een persoon toegestaan van enig openbaar gezag, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Tot slot zijn van belang de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG).
Voor de zes nieuwe gegevensverstrekkingen die met dit besluit worden geregeld, is een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende.
Uit de DPIA is naar voren gekomen dat de verwerking van de inschrijvings- en resultaatgegevens door het CvTE ten behoeve van de aanmelding en examinering van de staatsexamens in het verlengde ligt van de doelen waarvoor de gegevens in het register onderwijsdeelnemers zijn opgenomen.8 Toegang krijgen tot de inschrijvings- en resultaatgegevens is noodzakelijk en evenredig, want zonder deze gegevens kan het CvTE haar wettelijke taken niet naar behoren uitvoeren. Meer in het bijzonder kan het CvTE zonder deze gegevens met onvoldoende zekerheid vaststellen of een onderwijsdeelnemer regulier onderwijs volgt danwel of de onderwijsdeelnemer in het verleden een bepaald onderwijsresultaat heeft behaald. De rechten van de examenkandidaten die voortvloeien uit de AVG worden niet beperkt, en de risico’s zijn verwaarloosbaar. Daarnaast kan de examenkandidaat te allen tijde aangeven of bepaalde eerder behaalde resultaten wel of niet betrokken mogen worden in de uitslagbepaling.
Uit de DPIA blijkt dat het verstrekken van de leerling- en studentgegevens over de inschrijving (in het PO, VO, MBO en HO) en de gevolgde praktijkstage (in het MBO) aan de minister van OCW voor de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren in het verlengde ligt van het doel waarvoor de gegevens in het register onderwijsdeelnemers zijn opgenomen. Toegang krijgen tot deze basisgegevens is noodzakelijk en evenredig, want zonder deze gegevens kan RVO haar wettelijke taken – het beoordelen van de rechtmatigheid van de subsidieaanvragen – niet naar behoren uitvoeren. De rechten van de studenten die voortvloeien uit de AVG worden niet beperkt, en het risico dat persoonsgegevens van onderwijsdeelnemers bij onbevoegden terecht komen, wordt als zeer gering ingeschat. Het gebruik van de leerling- en studentgegevens over de inschrijving (in het PO, VO, MBO en HO) en de gevolgde praktijkstage (in het MBO) uit het register onderwijsdeelnemers door RVO leidt tot administratieve lastenverlichting voor betrokkenen.
Uit de DPIA blijkt dat het verstrekken van de noodzakelijke inschrijvings- en stagegegevens uit het register onderwijsdeelnemers aan de minister van VWS voor de uitvoering van de subsidieregelingen voor stageplaatsen in de zorg in het verlengde ligt van het doel waarvoor de gegevens in het register onderwijsdeelnemers zijn opgenomen. Toegang krijgen tot deze basisgegevens is noodzakelijk en evenredig, want zonder deze gegevens kan VWS haar wettelijke taken – het beoordelen van de rechtmatigheid van de subsidieaanvragen – niet naar behoren uitvoeren. De rechten van de studenten die voortvloeien uit de AVG worden niet beperkt, en de het risico’s dat persoonsgegevens van onderwijsdeelnemers bij onbevoegden terecht komen, wordt als zeer gering ingeschat. Het gebruik van de inschrijvings- en stagegegevens uit het register onderwijsdeelnemers door VWS leidt tot administratieve lastenverlichting voor betrokkenen.
Uit de DPIA blijkt dat het verstrekken van diplomagegevens aan de minister van LNV voor de registratie van personen in het diergeneeskunderegister in het verlengde ligt van de doelen waarvoor de gegevens in het register onderwijsdeelnemers zijn opgenomen. Toegang krijgen tot de diplomagegevens is noodzakelijk en evenredig, omdat met een directe inzage van het diplomaregister van DUO beter geverifieerd kan worden of de betrokkene het relevante diploma heeft behaald. Het aanvraagproces voor registratie in het diergeneeskunderegister kan sneller worden afgehandeld en de uitvoeringskosten worden verlaagd. De rechten van de onderwijsdeelnemers die voortvloeien uit de AVG worden niet beperkt, en het risico dat persoonsgegevens van onderwijsdeelnemers bij onbevoegden terecht komen wordt als zeer gering ingeschat. Het introduceren van een aantal nieuwe gegevens en inzage in de datum van het afsluitend examen lijken niet risicodragend dan wel -verhogend te zijn. Er zijn derhalve geen aanvullende maatregelen nodig.
Uit de DPIA blijkt dat het verstrekken van diplomagegevens aan de minister van LNV ten behoeve van het toezicht op de naleving van artikel 3.11 Besluit houders van dieren in het verlengde ligt van de doelen waarvoor de gegevens in het register onderwijsdeelnemers zijn opgenomen. Toegang krijgen tot de diplomagegevens is noodzakelijk en evenredig, want zonder deze gegevens kunnen de LID, NVWA, RVO en de politie hun toezichthoudende en handhavingstaken niet naar behoren uitvoeren. De rechten van de onderwijsdeelnemers die voortvloeien uit de AVG worden niet beperkt, en de risico’s zijn gering. Het op te vragen gegeven is reeds geminimaliseerd en bestaat uit het terugmelden van enkele gegevens van het opgevraagde diploma of certificaat en voor welke diersoort het geldig is. Er zal sneller kunnen worden gecontroleerd of wordt voldaan aan geldende wet- en regelgeving. Dierenleed kan worden voorkomen of verminderd, omdat sneller kan worden ingegrepen als artikel 3.11 Besluit houders van dieren niet wordt nageleefd.
Uit de DPIA blijkt dat het verstrekken van diplomagegevens aan de minister van IenW met betrekking tot de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen op grond van de Wet zeevarenden in het verlengde ligt van de doelen waarvoor de gegevens in het register onderwijsdeelnemers zijn opgenomen. Toegang krijgen tot de diplomagegevens is noodzakelijk en evenredig, want zonder deze gegevens kan de minister van IenW haar wettelijke taken niet naar behoren uitvoeren. De rechten van de onderwijsdeelnemers die voortvloeien uit de AVG worden niet beperkt, en de risico’s zijn gering. Het Kiwa Register beschikt al over het onderliggende diploma waarop dezelfde gegevens staan als in het Register. De check in het register onderwijsdeelnemers van DUO is enkel ter verificatie.
Een ontwerp van dit besluit is op 26 juni 2020 voor advies voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP heeft hierover op 20 augustus 2020 advies uitgebracht.9 Daarbij heeft de AP opmerkingen gemaakt over twee onderdelen van het ontwerp-besluit. Dat betreft enerzijds het opleidingskenmerk als nieuw basisgegeven en anderzijds gegevens voor de uitvoering van subsidieregelingen. Hierna wordt op deze beide punten ingegaan.
In het oorspronkelijke ontwerp werd voorgesteld om het gegeven ‘opleidingskenmerk’ als nieuw basisgegeven in het register onderwijsdeelnemers op te nemen. Met dit gegeven werd beoogd bijzonderheden binnen het reguliere onderwijsaanbod (zoals deelname aan een pilot, experiment of bijzondere leerroute) te kunnen registreren. Het opleidingskenmerk zou bij ministeriële regeling nader ingevuld worden. De AP adviseerde om de mogelijkheid van een generiek geformuleerd opleidingskenmerk te schrappen, omdat de gekozen systematiek naar het oordeel van de AP te veel flexibiliteit met zich meebracht en tot een potentieel grote inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens zou kunnen leiden. De AP was daarnaast van mening dat het bij ministeriële regeling nader specificeren van het opleidingskenmerk geen waarborg vormde omdat de ministeriële regeling (in het aan de AP voorgelegde ontwerpbesluit) juridisch gezien niet verplicht was.10
Naar aanleiding van dit onderdeel van het advies van de AP is het besluit aangepast. Het bevat nu niet meer een generiek geformuleerd opleidingskenmerk voor alle onderwijssectoren. In plaats daarvan zijn in het besluit zelf enkele nieuw in het register op te nemen opleidingsgegevens benoemd. Het gaat hier onder meer om het gegeven dat de onderwijsdeelnemer onderwijs volgt in een internationale schakelklas of aan een school voor talenten op het gebied van sport, dans of muziek.11 Daarnaast is de ruimte om gegevens met betrekking tot deelname aan een experiment in het register op te nemen, verder ingekaderd. Voor het primair en voortgezet onderwijs is bepaald dat deze gegevens opgenomen kunnen worden in het register voor zover het een experiment betreft als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs. Het besluit bepaalt daarbij dat een dergelijk experiment dan ook bij ministeriële regeling benoemd moet zijn, om gegevens over deelname daaraan te registreren in het register onderwijsdeelnemers. Op dat punt is de nadere specificatie, anders dan het geval was bij het opleidingskenmerk, dus niet vrijblijvend.
Ten aanzien van de in het ontwerpbesluit opgenomen grondslagen om uit het register onderwijsdeelnemers gegevens te verstrekken ten behoeve van de uitvoering van subsidieregelingen op het terrein van praktijkleren en stageplaatsen in de zorg, merkte de AP op dat zij er nog niet van overtuigd was, dat voor uitvoering van deze subsidieregelingen persoonsgegevens van onderwijsdeelnemers nodig zijn. Het was de AP zonder nadere toelichting niet duidelijk waarom niet kan worden volstaan met eenvoudige, door de subsidieontvanger op te geven, gekwantificeerde gegevens over aantallen onderwijsdeelnemers en periodes.
De subsidiëring van praktijkleerplaatsen en stageplaatsen vindt plaats onder specifieke voorwaarden, opgenomen in de subsidieregelingen. Voor de controle of aan deze voorwaarden is voldaan, kan niet worden volstaan met alleen geaggregeerde gegevens van de subsidieaanvrager over aantallen onderwijsdeelnemers en periodes. Dit kan als volgt worden toegelicht. Een praktijkleerplaats of stageplaats kan alleen voor subsidie in aanmerking komen als deze is aangeboden in het kader van specifieke, door de subsidieregelingen aangewezen, opleidingen. Zo komen volgens de Subsidieregeling praktijkleren, als het gaat om mbo-opleidingen, alleen praktijkleerplaatsen voor subsidie in aanmerking die deel uitmaken van een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en benoemt de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II voor welke zorgopleidingen stageplaatsen kunnen worden gesubsidieerd.12 Dit betekent dat RVO, die de Subsidieregeling praktijkleren uitvoert, dient te weten of een praktijkleerplaats waarvoor een werkgever subsidie aanvraagt daadwerkelijk is vervuld door een specifieke BBL-student waarvoor subsidie is aangevraagd. VWS, die de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II uitvoert, moet kunnen bepalen of een stage waarvoor een zorginstelling subsidie aanvraagt, is gevolgd in het kader van een aangewezen zorgopleiding. Met slechts geaggregeerde gegevens van de subsidieaanvrager kan dit door respectievelijk RVO of VWS niet met voldoende betrouwbaarheid worden vastgesteld. Hierdoor zouden werkgevers, zorginstellingen en onderwijsinstellingen rechtstreeks bevraagd moeten worden met betrekking tot inschrijfgegevens van de betreffende onderwijsdeelnemers. Dit zou de uitvoerbaarheid van beide regelingen sterk verminderen en veel administratieve lasten met zich meebrengen, naast het gegeven dat dan eveneens persoonsgegevens heen en weer gezonden moeten worden.13 Om dit te voorkomen is het noodzakelijk dat zowel RVO als VWS enkele inschrijfgegevens van de onderwijsdeelnemer, die beschikbaar zijn in het register onderwijsdeelnemers, uit het register verstrekt kunnen krijgen. Daarnaast geldt dat de subsidie voor praktijkleren slechts wordt verstrekt voor de nominale duur van een opleiding.14 In het geval van een driejarige mbo-opleiding betekent dit dat de praktijkleerplaats van een student gedurende ten hoogste drie jaar wordt gesubsidieerd. De praktijkleerplaats van de student moet hiervoor door de jaren heen gevolgd kunnen worden. Dit is niet mogelijk als de subsidieaanvrager na afloop van het studiejaar waarin praktijkleerplaatsen zijn gerealiseerd, alleen geaggregeerde gegevens over het betreffende studiejaar aanlevert.15
Voor een goede uitvoering van de subsidieregelingen en om oneigenlijk gebruik te voorkomen, is het voor de subsidieverstrekkers onontbeerlijk om te beschikken over een (beperkt) aantal gegevens uit het register onderwijsdeelnemers. Er worden niet meer gegevens verstrekt dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van de subsidietaak.
Een ontwerp van dit besluit heeft van 1 juli tot en met 12 augustus 2020 opengestaan voor openbare internetconsultatie. Dat heeft geen reacties opgeleverd die betrekking hadden op het besluit.
Dit besluit heeft geen gevolgen voor de Rijksbegroting.
Een ontwerp van dit besluit is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR heeft het besluit niet geselecteerd voor formele advisering, de advisering is ambtelijk afgedaan.
Bedrijven en burgers maken kosten om verplichtingen uit wet- en regelgeving correct na te leven en alle voorschriften op te volgen. Dit noemen we regeldrukkosten. Het gaat hierbij om administratieve lasten en om inhoudelijke nalevingskosten. Aan dit besluit zijn geen inhoudelijke nalevingskosten verbonden.
Voor wat betreft de administratieve lasten hebben twee onderdelen van dit besluit gevolgen voor die lasten. Dit betreft de gegevensverstrekking voor de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren en voor de subsidieregelingen voor stageplaatsen in de zorg. Door deze gegevensverstrekkingen hoeven er bij de subsidieaanvragers (werkgevers en zorginstellingen) minder gegevens over onderwijsdeelname te worden opgevraagd.
De opname van enkele extra opleidingsgegevens in het register onderwijsdeelnemers heeft naar verwachting niet tot nauwelijks gevolgen voor de administratieve lasten van scholen. Het betreft gegevens die door de scholen nu ook al geregistreerd worden in de leerlingenadministratie. Scholen die deelnemen aan een experiment of pilot zijn nu ook al verplicht om gegevens aan te leveren over de effecten van hun deelname of medewerking te verlenen aan een onderzoek. Door gegevens over welke onderwijsdeelnemers meedoen aan een experiment of pilot in het register onderwijsdeelnemers op te nemen, hoeven onderwijsinstellingen deze gegevens niet meer afzonderlijk, buiten het register om te verstrekken.
DUO heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op een concept van dit besluit. Daarbij zijn ook de Inspectie van het Onderwijs en de Accountantsdienst Rijk (ADR) betrokken. Geconcludeerd is dat het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar is. Ten aanzien van het destijds nog in het ontwerp-besluit opgenomen opleidingskenmerk heeft DUO opmerkingen gemaakt over de invoering daarvan in het hoger onderwijs. Mede naar aanleiding van het advies van de AP (zie paragraaf 4.1 van deze nota van toelichting) is het besluit echter aangepast, zodat er nu geen sprake meer is van het opnemen van het opleidingskenmerk in het register onderwijsdeelnemers. In plaats daarvan zijn voor het primair en voortgezet onderwijs enkele gegevens toegevoegd aan het register. Voor het hoger onderwijs wijzigt dit besluit niets aan de in het register opgenomen gegevens.
Dit besluit heeft geen gevolgen voor Caribisch Nederland. Het register onderwijsdeelnemers is op dit moment voor Caribisch Nederland nog niet in werking getreden. Zodra artikel 2 van de Wet register onderwijsdeelnemers en artikel 2, derde lid, van het BRO in werking treden, wordt het register onderwijsdeelnemers ingevoerd in Caribisch Nederland. Dat zal dan zijn met inbegrip van de opleidingsgegevens die met dit besluit aan de set basisgegevens in het register zijn toegevoegd. Het BRO voorziet vooralsnog voor Caribisch Nederland niet in de invoering van de overige typen gegevens in het register (vrijstellingsgegevens, verzuimgegevens en diplomagegevens).
De subsidieregelingen waarvoor op grond van dit besluit basisgegevens zullen worden verstrekt zijn alleen in Europees Nederland van toepassing. Daarnaast geldt dat de Wet register onderwijsdeelnemers niet van toepassing is op Caribisch Nederland voor zover het betreft de diplomagegevens van onderwijsdeelnemers. De verstrekking van diplomagegevens aan nieuwe bestuursorganen op grond van dit besluit heeft daardoor geen gevolgen voor (onderwijsdeelnemers uit) Caribisch Nederland.
Met dit onderdeel worden voor het primair en voortgezet onderwijs enkele gegevens toegevoegd aan de opleidingsgegevens, als onderdeel van de basisgegevens in het register onderwijsdeelnemers.
– artikel 6, eerste lid, onderdeel c, tweede lid, onderdeel i, en derde lid, onderdeel i, BRO
De minister kan scholen op grond van de Experimentenwet onderwijs toestaan om bij wijze van experiment onderwijs te verzorgen dat valt buiten de kaders van de afzonderlijke onderwijswetten. Voor evaluatie en monitoring is het van belang om te kunnen volgen welke leerlingen aan een dergelijk experiment deelnemen. Bij ministeriële regeling wordt bepaald met betrekking tot welke experimenten er gegevens over deelname daaraan in het register onderwijsdeelnemers worden opgenomen.16
Gegevens met betrekking tot deelname aan een experiment als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs zijn toegevoegd in artikel 6, eerste, tweede en derde lid, omdat die leden zien op de onderwijswetten waarop ook de Experimentenwet onderwijs van toepassing is (WPO, WPO BES, WEC, WVO en WVO BES).
De verschillende sectorwetten zelf bieden eveneens een grondslag voor bepaalde experimenten (‘ruimte voor innovatie’).17 In tegenstelling tot de experimenten onder de Experimentenwet onderwijs dienen er voor deze experimenten, binnen de kaders van de onderwijswetten, bij algemene maatregel van bestuur (amvb) regels gesteld te worden. Als van deze ‘ruimte voor innovatie’ gebruik wordt gemaakt, dan wordt bij amvb bepaald van welke wetsartikelen er afgeweken mag worden. Indien er behoefte bestaat om ook van dergelijke experimenten op individueel niveau gegevens te registreren in het register onderwijsdeelnemers, dan zal daartoe zo nodig het BRO worden gewijzigd. Dat is op dit moment niet het geval. Met het onderhavige besluit worden er geen gegevens m.b.t. dergelijke experimenten opgenomen in het register. Maar hierbij valt te denken aan experimenten zoals die met betrekking tot doorlopende leerlijnen vmbo-mbo (Besluit experiment doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014-2022). Inmiddels is dat experiment als structurele mogelijkheid in de wet opgenomen (wet sterk beroepsonderwijs, Stb. 2020, 157). Gegevens over deelname aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo zijn bij Besluit van 8 juli 2020 tot wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers en tot intrekking van het Besluit experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014-2022 in verband met de invoering van doorlopende leerroutes vmbo-mbo (Stb. 2020, 248) opgenomen in het BRO.
– artikel 6, eerste lid, onderdeel d, tweede lid, onderdeel j, en derde lid, onderdeel l, BRO
Scholen kunnen onderwijs geven volgens een bepaald pedagogisch-didactische onderwijsconcept. Daarbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld Dalton, Jenaplan of Montessori. Een deel van die concepten wordt niet in alle gevallen op de gehele school toegepast, maar soms slechts op een of enkele klassen. Als het schoolbestuur dat wenst, dan kan het onderwijsconcept geregistreerd worden in het register onderwijsdeelnemers. Bij ministeriële regeling zullen de verschillende pedagogisch-didactische onderwijsconcepten nader gespecificeerd worden.
– artikel 6, derde lid, onderdeel f, BRO
Leerlingen in een internationale schakelklas (ISK) zijn leerlingen uit het buitenland die de Nederlandse taal nog onvoldoende beheersen om in een reguliere klas te worden geplaatst. In het register zijn al gegevens opgenomen over hoe lang een leerling in Nederland is (artikel 4, eerste lid, onderdeel l, BRO; dat gegeven wordt bijvoorbeeld gebruikt t.b.v. de vaststelling van de bekostiging voor nieuwkomers). Daarmee is er echter nog geen zicht op het aantal leerlingen in een ISK en hoeveel van hen aanvullende bekostiging ontvangen. Het gegeven of een onderwijsdeelnemer in een ISK zit wordt opgenomen in het register om zicht te krijgen op het effect van ISK’s op de verdere onderwijsloopbaan van leerlingen. Maar ook om de leerlingen die op de ISK zitten beter in beeld te krijgen en te houden om zo beter te kunnen sturen op het functioneren van de ISK.
– artikel 6, derde lid, onderdeel g, BRO
Artikel 6a, onderdeel b, WVO biedt scholen de ruimte om het onderwijsprogramma deels in een andere taal dan het Nederlands in te richten. Het bevoegd gezag moet daarvoor dan wel een gedragcode vaststellen. Als er op een school tweetalig onderwijs wordt gegeven, dan zal dat niet altijd voor alle leerlingen van toepassing zijn. Om de effecten van het tweetalig onderwijs te monitoren wordt in het register onderwijsdeelnemers geregistreerd welke leerlingen tweetalig onderwijs volgen of gevolgd hebben.
– artikel 6, derde lid, onderdeel h, BRO
Met artikel 6, derde lid, onderdeel h, wordt verwezen naar zogenaamde Loot-leerlingen als bedoeld in de Beleidsregel verstrekking licentie Topsporttalentschool VO 2020 en DAMU-leerlingen als bedoeld in de Beleidsregel DAMU-licentie VO 2020. Dit zijn leerlingen met een talent op het gebied van topsport respectievelijk dans of muziek.
Op grond van de genoemde beleidsregels is door de minister een licentie Topsporttalentschool respectievelijk een DAMU-licentie verstrekt aan scholen voor voortgezet onderwijs die specifiek ingericht zijn op het verzorgen van onderwijs aan deze leerlingen.
– artikel 6, derde lid, onderdeel j, BRO
Enigszins in het verlengde van de hiervoor genoemde experimenten ligt de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een school, op grond waarvan de minister kan toestaan dat van enkele bepalingen in de WVO wordt afgeweken (artikel 25 WVO). Het onderwijs valt dan wel binnen de kaders van de WVO, maar de school kan vanwege de bijzondere inrichting niet aan alle inrichtingsvoorschriften voldoen. Daarbij gaat het vaak om een pilot die niet op alle leerlingen aan de gehele school van toepassing is, zoals bijvoorbeeld de pilot pro/vbo.18 Met artikel 6, derde lid, onderdeel j, BRO wordt geregeld dat ook gegevens over deelname aan een dergelijke pilot in het register onderwijsdeelnemers kan worden opgenomen (als dat bij ministeriële regeling is aangewezen).
– Artikel 6, derde lid, onderdeel k, BRO
Met dit lid wordt gedoeld op leerlingen die het technasium volgen, wat een landelijke formule is voor bètatechnisch onderwijs op havo en vwo. Als op een school technasium wordt aangeboden, is dit niet van toepassing op alle leerlingen. Om de effecten van het technasium te kunnen monitoren, bijvoorbeeld voor de doorstroom naar techniekgerelateerde opleidingen, wordt in het register onderwijsdeelnemers geregistreerd welke leerlingen technasium volgen of gevolgd hebben.
Ten behoeve van de aanpak van verzuim en voortijdig schoolverlaten is het van belang dat als onderdeel van de verzuimgegevens in het register onderwijsdeelnemers een adres van de onderwijsdeelnemer is opgenomen. Dat bepaalt immers onder verantwoordelijkheid van welke gemeente de jongere valt. Adresgegevens worden gewoonlijk aan de verzuimgegevens in het register onderwijsdeelnemers toegevoegd vanuit de basisregistratie personen. De onderwijsinstelling hoeft die dan ook in de meeste gevallen niet aan de minister te verstrekken. Indien een onderwijsdeelnemer echter (nog) niet is opgenomen in de basisregistratie personen, dan ontbreken adresgegevens. In dat geval moet de onderwijsinstelling die op grond van deze wijziging van artikel 21, derde lid, BRO wel leveren.
Het CvTE is verantwoordelijk voor de uitvoering van de staatsexamens voortgezet onderwijs (artikel 2, derde tot en met vijfde lid, van de Wet College voor toetsen en examens). Ten behoeve van de aanmelding en examinering dient het CvTE te kunnen beschikken over bepaalde basisgegevens uit het register onderwijsdeelnemers.
Op grond van artikel 54 BRO worden al diplomagegevens verstrekt aan het CvTE, maar dat volstaat niet in alle gevallen. Daarom wordt in artikel 26a BRO nu ook geregeld dat het CvTE basisgegevens verstrekt krijgt.
Voor wat betreft de formulering van artikel 26a is aangesloten bij die van artikel 54 BRO, op grond waarvan het CvTE reeds diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers verstrekt krijgt.
In de bijlage is aangegeven welke basisgegevens aan het CvTE worden verstrekt.
In artikel 38 wordt een correctie aangebracht. Bij de verstrekking van basisgegevens uit het register onderwijsdeelnemers aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) wordt geen gebruik gemaakt van het persoonsgebonden nummer van de onderwijsdeelnemer. In plaats daarvan vindt de verstrekking van basisgegevens aan de SBB plaats met een pseudoniemnummer. Hiertoe is de verwijzing naar het persoonsgebonden nummer geschrapt en is een nieuw tweede lid aan het artikel toegevoegd.
De bijlage bij het BRO is aangepast wat betreft de verstrekking van gegevens aan de SBB: SBB krijgt niet langer het geboorteland van de onderwijsdeelnemer en diens ouders verstrekt. In plaats daarvan worden op een meer geaggregeerd niveau gegevens verstrekt over de migratieachtergrond van de onderwijsdeelnemer, overeenkomstig de definities die het CBS gebruikt met betrekking tot personen met een migratieachtergrond. SBB heeft deze gegevens op grond van hun wettelijke taak nodig bij de uitvoering van onderzoek naar stagediscriminatie (artikel 1.5.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs). Als blijkt dat de migratieachtergrond van onderwijsdeelnemers een rol speelt bij het vinden van een stageplaats in het kader van de beroepspraktijkvorming, dan kan SBB daarop gericht actie ondernemen.
Er is sprake van een onderwijsdeelnemer met een migratieachtergrond als ten minste één van diens ouders in het buitenland is geboren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). Ook wordt onderscheid gemaakt tussen personen met een westerse migratieachtergrond en personen met een niet-westerse migratieachtergrond. Een onderwijsdeelnemer met als migratieachtergrond een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan wordt gerekend tot de westerse migratieachtergrond.19 Onderwijsdeelnemers met als migratieachtergrond een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije worden gerekend tot de niet-westerse migratieachtergrond.
De minister van VWS verstrekt op grond van de Kaderwet VWS-subsidies diverse subsidies op het terrein van de volksgezondheid. Daartoe behoren ook subsidies aan zorginstellingen die op grond van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II of de Subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg stageplaatsen beschikbaar stellen aan studenten van mbo- en ho-opleidingen die als onderdeel van hun opleiding een stage volgen bij de betreffende zorginstelling. Voor de verdeling van de subsidies is van belang hoeveel studenten er in het kader van hun opleiding een stage volgen bij de betreffende zorginstelling. Omdat het daarbij niet nodig is om individuele onderwijsdeelnemer te kunnen identificeren, wordt bij de verstrekking van gegevens het persoonsgebonden nummer vervangen door een pseudoniem. Zo kan wel gecontroleerd worden of stages niet dubbel worden gesubsidieerd.
Deze subsidieregelingen worden onder verantwoordelijkheid van de minister van VWS uitgevoerd door de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I). De feitelijke verstrekking van gegevens vindt in dit geval dan ook plaats aan DUS-I. Op grond van artikel 39a BRO, in combinatie met de bijlage bij het BRO, kunnen voor de uitvoering van subsidieregelingen door de minister van VWS de hiervoor benodigde gegevens van onderwijsdeelnemers in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs, vanuit het register onderwijsdeelnemers worden verstrekt.
Met het nieuwe derde lid van artikel 48 BRO wordt invulling gegeven aan artikel 18, derde lid, onderdeel c, van de Wet register onderwijsdeelnemers (zoals dat komt te luiden met de Verzamelwet OCW 2020). Ten behoeve van het beheer van het lerarenregister kan de minister gebruik maken van de diplomagegevens van leraren en docenten.
In artikel 48a is de verstrekking van diplomagegevens aan de minister van IenW geregeld voor zijn taken met betrekking tot de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen. Deze worden namens de minister van IenW in mandaat uitgevoerd door Kiwa Register, een rechtspersoon met een wettelijke taak.20 Feitelijk worden diplomagegevens daarom aan Kiwa Register verstrekt, maar wettelijk gezien betreft het een verstrekking aan de minister van IenW. Laatstgenoemde is immers verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wettelijke taak.
In artikel 48b is de verstrekking van diplomagegevens aan de minister van LNV geregeld voor een tweetal wettelijke taken van die minister:
• Het eerste lid betreft de verstrekking van diplomagegevens ten behoeve van opname van personen in het diergeneeskunderegister. Daarbij gaat het om diplomagegevens van zowel opleidingen op het niveau van het hoger onderwijs (dierenarts) als het middelbaar beroepsonderwijs (dierenartsassistent/ paraveterinair). Het beheer van het diergeneeskunderegister wordt namens de minister van LNV uitgevoerd door CIBG. De feitelijke verstrekking van gegevens vindt in dit geval dan ook plaats aan CIBG.
• Het tweede lid ziet op het toezicht op de naleving van het Besluit houders van dieren. Voor dit toezicht zijn diplomagegevens nodig met betrekking tot in het middelbaar beroepsonderwijs behaalde certificaten waarmee de houders van dieren kunnen aantonen te beschikken over een vakbekwaamheidsbewijs voor het houden van een specifieke categorie dieren. De minister van LNV heeft voor dit toezicht de LID, de NVWA, RVO en de politie aangewezen als toezichthouders.21 De feitelijke gegevensverstrekking voor dit toezicht vindt dus plaats aan deze toezichthouders.
In artikel 54, tweede lid, BRO wordt een omissie hersteld. Verzuimd was om ook te verwijzen naar de identificerende gegevens die deel uitmaken van de diplomagegevens (artikel 15 BRO).
De tabel in de bijlage bij het BRO is geheel opnieuw vastgesteld. Hieronder wordt ingegaan op de wijzigingen die met het onderhavige besluit in de tabel zijn aangebracht:
1. Uitbreiding van de aan de minister van OCW te verstrekken basisgegevens, ten behoeve van de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren
Artikel 25, vijfde lid, BRO bepaalt in combinatie met de bijlage bij het besluit welke gegevens verstrekt kunnen worden aan de minister van OCW in verband met de uitvoering van subsidieregelingen op grond van de Wet overige OCW-subsidies (Woos). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voert de Subsidieregeling praktijkleren uit in opdracht van de minister van OCW. Dit betreft een subsidieregeling op grond van de Woos, die valt onder de gegevensverstrekking aan de minister op grond van artikel 25, vijfde lid, BRO.
Ten behoeve van de uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren zijn meer gegevens nodig dan tot nog toe aangegeven in de bijlage bij het BRO. Daarom zijn in de kolom met betrekking tot artikel 25, vijfde lid, de volgende gegevens toegevoegd:
– leerjaar; VSO en VO (artikel 6, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel a, BRO)
– uitstroomprofiel; VSO (artikel 6, tweede lid, onderdeel d, BRO);
– leerweg; VSO (artikel 6, tweede lid, onderdeel f, BRO);
– leerweg; VO en MBO (artikel 6, derde lid, onderdeel c, en vijfde lid, onderdeel d, BRO);
– opleidingsvorm; MBO (artikel 6, vijfde lid, onderdeel a, BRO);
– code opleidingsdomein; MBO (artikel 6, vijfde lid, onderdeel b, BRO);
– datum diploma; VSO, VO en MBO (artikel 7, tweede lid, onderdeel b, onder 7°, derde lid, onderdeel g, vierde lid, onderdeel h, en vijfde lid, onderdeel a, BRO).
2. Vaststelling van de aan het CvTE te verstrekken basisgegevens, ten behoeve van de aanmelding van onderwijsdeelnemers voor een staatsexamen en de examinering van die onderwijsdeelnemers
Aan de tabel is een kolom toegevoegd met betrekking tot de verstrekking van basisgegevens aan het College voor toetsen en examens op grond van artikel 26a BRO (zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel D).
3. Beëindiging van de verstrekking van geboortelandgegevens aan de SBB
Gegevens met betrekking tot het geboorteland van onderwijsdeelnemers en dat van hun ouders (artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, BRO) worden niet langer verstrekt aan de SBB (artikel 38). Gebleken is dat die gegevens niet langer nodig zijn voor de uitvoering van de wettelijke taken van de SBB. In het schriftelijk overleg met de Tweede Kamer naar aanleiding van de voorhang van het onderhavige besluit is aangegeven dat het besluit op dit punt wordt aangepast.22
In plaats van de exacte geboortelandgegevens worden voortaan gegevens over de migratieachtergrond van onderwijsdeelnemers op een meer geaggregeerd niveau aan SBB verstrekt (zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel E).
4. Vaststelling van de aan de minister van VWS te verstrekken basisgegevens minister van VWS, ten behoeve van de uitvoering van subsidieregelingen voor stageplaatsen in de zorg
Aan de tabel is een kolom toegevoegd met betrekking tot de verstrekking van basisgegevens aan de minister van VWS op grond van artikel 39a BRO (zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel F).
5. Toevoeging enkele opleidingsgegevens
Naast de bovengenoemde wijzigingen is de tabel uitgebreid met enkele regels wat betreft de opleidingsgegevens die aan artikel 6 van het besluit zijn toegevoegd (zie hierover verder de toelichting bij artikel I, onderdeel A). Deze gegevens worden slechts verstrekt aan de minister, de inspectie, het bestuur van de onderwijsinstelling waar een onderwijsdeelnemer is ingeschreven en aan het CBS.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2021. Met betrekking tot de uitbreiding van de gegevensverstrekking aan het CvTE is gekozen voor terugwerkende kracht tot 1 april 2021 zodat er voor de aanmelding en examinering van kandidaten voor de staatsexamens in 2021 reeds gebruik gemaakt kan worden van gegevens die al in het register bekend zijn. Met deze gegevens kan worden vastgesteld of staatsexamenkandidaten de voor het verkrijgen van ontheffingen vereiste onderwijsresultaten hebben behaald en of zij niet reeds ingeschreven zijn op een reguliere VO-school (zie paragraaf 2.1).
Met het derde lid wordt de inwerkingtreding geregeld van artikel XXVIII van de Verzamelwet OCW 2020 (Stb. 2020, 76). Dat artikel wijzigt artikel 18, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers en hangt samen met artikel I, onderdeel F, van het onderhavige besluit. Met artikel I, onderdeel F, wordt in artikel 48 BRO invulling gegeven aan artikel 18, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, zoals gewijzigd door de Verzamelwet OCW 2020. Het betreft hier de gegevensverstrekking aan de minister van OCW ten behoeve van het beheer van het lerarenregister. De wijziging van de Wet register onderwijsdeelnemers en van het BRO op dit punt dienen beide gelijktijdig in werking te treden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Onderzoek naar stagediscriminatie in het mbo in Utrecht, I. Andriessen e.a., Ongelijke kansen op de stagemarkt: Onderzoek naar objectief vastgestelde en ervaren stagediscriminatie in het mbo in Utrecht, Utrecht: Verwey-Jonker Instituut 2021.
In het onderzoek naar ervaren stagediscriminatie konden studenten meerdere antwoorden geven op de vraag op welke grond zij discriminatie ervoeren.
Voorgesteld artikel 38, eerste lid, BRO. Artikelsgewijze toelichting, Artikel I, onderdeel E (artikel 38 BRO). Het CBS hanteert daarnaast een onderscheid tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). Een onderwijsdeelnemer met als migratieachtergrond een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan wordt gerekend tot de westerse migratieachtergrond. Onderwijsdeelnemers met als migratieachtergrond een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije worden gerekend tot de niet-westerse migratieachtergrond. Zoals de WRR aangeeft, lijkt dit een geografisch onderscheid te zijn, maar is het in feite een cultureel onderscheid met een koloniale ondertoon (R. Jennissen, G. Engbersen, M. Bokhorst & M. Bovens, De nieuwe verscheidenheid: Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, Den Haag: WRR 2018, p. 17).
M. Bovens, M. Bokhorst, R. Jennissen en G. Engbersen, Migratie en classificatie: naar een meervoudig migratie-idioom, Den Haag: WRR 2016.
M. Bovens, R. Jennissen, G. Engbersen en M. Bokhorst, Afscheid van westers en niet-westers: naar meervoudige indelingen van herkomstgroepen, Den Haag: WRR 2021.
De WRR verdeelt deze in informatieve en performatieve eisen. Informatieve eisen zijn dat clusters en termen voldoende empirische verfijning bieden; continuïteit en validiteit van onderliggende indelingen waarborgen; en zo min mogelijk begripsmatige verwarring veroorzaken. Performatieve eisen zijn dat de termen zo min mogelijk uitsluitende werking hebben; geen negatieve associaties oproepen; en zoveel mogelijk nevenschikken en niet onderschikken.
De WRR gebruikt de term herkomstland. Het onderhavige besluit gaat uit van de term geboorteland van de onderwijsdeelnemer en diens ouders.
Een meer verfijnde clustering kan uitkomst bieden, zonder dat deze afbreuk doen aan de hiervoor genoemde informatieve en performatieve eisen. Een clustering is bijvoorbeeld nuttig wanneer de onderwijsdeelnemers (of hun ouders) uit een bepaald geboorteland een te kleine groep vormen, waardoor discriminatie moeilijk meetbaar is of onderwijsdeelnemers herleidbaar zijn. In de policy brief van de WRR wordt een aantal alternatieve clusteringen aangedragen (paragraaf 3). In een eerder rapport van de WRR wordt een verfijnde indeling van in totaal 18 verschillende groepen gehanteerd (R. Jennissen, G. Engbersen, M. Bokhorst & M. Bovens, De nieuwe verscheidenheid: Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, Den Haag: WRR 2018).
Voorgestelde wijziging van artikel 6, eerste lid, onderdeel d, tweede lid, onderdeel j, en derde lid, onderdeel l, BRO.
Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, tweede lid, onderdeel j, en derde lid, onderdeel l BRO, en paragraaf 2.7.
Artikel 12 Staatsexamenbesluit VO bepaalt dat betrokkene een gewaarmerkte kopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk waarop het verzoek om ontheffing berust dient te overleggen aan het CvTE.
Geschat wordt dat er 1.725 fokkers van honden en katten zijn, 2.260 bedrijven in de detail- en groothandel en ongeveer 625 pensions en asielen (Stb. 2014, 232, p. 17).
Zie artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling praktijkleren en artikel 1, onderdeel c, en bijlagen 1 tot en met 4 van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II.
Het betreft gegevens over onderwijsdeelnemers op ca. 130.000 praktijkleerplaatsen en ca. 122.000 stageplaatsen.
Artikel 17 van de Subsidieregeling praktijkleren bepaalt dat een aanvraag voor subsidie wordt ingediend uiterlijk op 16 september na het studiejaar waarvoor subsidie wordt gevraagd.
Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld de experimenten met vroeg vreemdetalenonderwijs of het experiment ruimte in onderwijstijd (allen PO).
Praktijkonderwijs (pro) is oorspronkelijk ingericht om leerlingen, voor wie vaststaat dat zij geen diploma op het niveau van voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) kunnen halen, voor te bereiden op functies op de arbeidsmarkt. In de praktijk blijkt echter dat een groot aantal leerlingen zich bevindt op een grensgebied tussen pro en vbo. Bij de start van een leerling in het VO is daarom niet altijd duidelijk waar een leerling beter op zijn of haar plaats is. Daarom bieden scholen in andere schoolsoorten regelmatig verschillende vormen van maatwerk aan, zoals gemengde brugklassen. Ook in het pro is er behoefte aan meer mogelijkheden tot maatwerk voor de groep leerlingen die zich op het snijvlak pro/vbo bevindt. Met de Beleidsregel vbo/pro (Stcrt. 2018, 67074) wordt bezien of een pro/vbo-onderbouwklas, die voorbereidt op de bovenbouw van het vbo, tegemoetkomt aan de behoefte voor meer maatwerk in het pro.
Op grond van hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie worden personen met een migratieachtergrond uit Indonesië en Japan tot de westerse migratieachtergrond gerekend.
Op grond van het Besluit mandaat en machtiging Kiwa N.V. (I) is Kiwa Register onder andere belast met de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-41165.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.