Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2020, 48287Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 september 2020, nr. WJZ/ 20146004, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie in verband met de uitbreiding met productie-installaties voor broeikasgasvermindering en tot wijziging van de Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2019 in verband met een omissie

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 55j, zesde lid, 55q, zesde lid, 56, zesde en zevende lid, 62, vierde lid, artikel 63b, tweede lid, en 68, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit:

ARTIKEL I

De Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling van ‘besluit’ komt te luiden:

besluit:

Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie.

2. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

garantie van oorsprong:

garantie van oorsprong als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong;

meetbedrijf:

meetbedrijf als bedoeld in artikel 27 van de Warmtewet, of instantie die uitvoering geeft aan de taak van de netbeheerder, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel i van de Elektriciteitswet 1998;

meetprotocol:

document waarin de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden elektriciteit, gas, warmte, waterstof, koolstofdioxide of mechanische energie die de installatie opwekt, de hoeveelheden brandstof die de installatie verbruikt en de wijze van bepaling van de calorische waarde van de brandstof beschreven zijn;

nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte:

warmte, uitgedrukt in GJ, die vrijkomt uit productie-installaties voor vermindering van broeikasgas en die, voor zover daarmee de uitstoot van broeikasgas wordt voorkomen, wordt aangewend voor:

  • a. gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen;

  • b. tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt;

  • c. verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:

    • 1°. de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;

    • 2°. de inzet bij aardgasexpansie;

    • 3°. het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;

    • 4°. de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie;

    • 5°. de verwarming van een installatie of een onderdeel daarvan, waarmee energie of een energiedrager wordt geproduceerd;

    • 6°. de verwarming van opslagtanks van grondstoffen en producten die gebruikt worden om energie mee op te wekken;

  • d. klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen;

  • e. levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen, bedoeld onder a tot en met d;

oordeel omtrent de geschiktheid:

op verzoek van een producent door een meetbedrijf afgegeven oordeel dat een productie-installatie geschikt is voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de productie van waterstof of de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of dat een meetinrichting geschikt is voor de meting van warmte die met een productie-installatie wordt opgewekt en nuttig wordt aangewend, de waterstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd of het broeikasgas dat met de productie-installatie wordt afgevangen en permanent wordt opgeslagen;.

3. De begripsbepaling van ‘nuttig gebruik van hernieuwbare warmte’ vervalt.

B

Aan artikel 2 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het eerste lid eerste lid, aanhef en onderdeel a, gaat de aanvraag om subsidieverlening met betrekking tot productie-installaties voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide vergezeld van de aanvragen voor vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie.

  • 6. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, gaat de aanvraag ten aanzien van een productie-installatie die wordt gerealiseerd op percelen in eigendom van het Rijk waarop het recht van opstal is verkregen bij een openbare gunningsprocedure, waarbij de hoogte van de subsidie op basis van het besluit onderdeel was van de gunningscriteria, niet vergezeld van de benodigde vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, maar een ontwerp van de desbetreffende vergunning.

C

Artikel 2a wordt als volgt gewijzigd;

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De aanvraag om subsidieverlening gaat vergezeld van een haalbaarheidsstudie.

2. In het vierde lid, wordt aan het begin van onderdeel c ‘tenzij de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen met een gezamenlijk vermogen van minder dan 1 MWp,’ ingevoegd.

D

Artikel 2b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a, komt te luiden:

  • a. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit waterkracht, hernieuwbare energie uit biomassa of de vermindering van broeikasgas een energie- of productopbrengstberekening;

2. In onderdeel c wordt ‘hernieuwbare warmte’ vervangen door ‘hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte’.

3. In onderdeel d wordt ‘hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte’ vervangen door ‘hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte’.

4. In onderdeel f wordt na ‘windenergie op zee,’ ingevoegd ‘met een vermogen van ten minste 100 kW’.

5. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:

  • h. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie een kaart van de locatie van de productie-installatie waarop de zonnepanelen zijn ingetekend;

  • i. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de benutting van restwarmte een kaart waarop het tracé van de transportleiding is ingetekend.

E

Aan artikel 2d wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide gaat de aanvraag vergezeld van de verklaring of de verklaringen over de beschikbaarheid van transport- en opslagcapaciteit van de partij of partijen die het transport of de permanente opslag van de koolstofdioxide uitvoeren met betrekking tot de desbetreffende productie-installatie.

F

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd,

1. In het derde lid wordt in de eerste zin na ‘ingebruikname van de productie-installatie’ ingevoegd ‘of op verzoek van de minister’ en wordt na ‘daadwerkelijke investeringskosten’ ingevoegd ‘, van de overige kosten en baten gedurende de exploitatie’ en vervalt in de tweede zin ‘als bedoeld in de artikelen 16, 24, 33, 41, 49 en 55a van het besluit’.

2. In het vijfde lid wordt ‘artikel 3.42 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001’ vervangen door ‘artikel 3.42 en 3.42a van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, tenzij sprake is van een productie-installatie voor restwarmte, de productie van koolstofdioxide-arme warmte met een elektroboiler en de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide’.

3. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 6. De productie-installatie wordt in stand gehouden in Nederland of binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.

  • 7. In afwijking van het eerste lid verstrekt de subsidie-ontvanger de opdrachten voor de levering van onderdelen voor de bouw van de productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide binnen 30 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening en zendt deze een afschrift aan de minister.

  • 8. Het afschrift, bedoeld in het zevende lid, gaat vergezeld van de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie bedoeld in dat lid.

G

Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De subsidie-ontvanger meet de productie van elektriciteit, warmte, gas of waterstof, dan wel de vermindering van koolstofdioxide per beschikking tot subsidieverlening.

H

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5

  • 1. De subsidie-ontvanger verstrekt de minister op aanvraag gegevens over de verkoopprijs van de met de gesubsidieerde productie samenhangende garanties van oorsprong.

  • 2. De verklaring, bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van het besluit komt overeen met de gegevens die zijn geregistreerd bij de Nederlandse Emissieautoriteit.

I

Na artikel 7c wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.4. Verplichtingen CO2-reducerende technieken

§ 3.4.1. Algemene verplichtingen
Artikel 7d
  • 1. Een subsidie-ontvanger dient bij het meetbedrijf een verzoek in om een oordeel omtrent de geschiktheid van diens productie-installatie voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of de productie van waterstof met gebruikmaking van het formulier, bedoeld in bijlage 8.

  • 2. Een oordeel omtrent de geschiktheid is vijf jaar geldig of tot het moment waarop de subsidie-ontvanger een aanpassing heeft doorgevoerd in zijn productie-installatie die een wijziging van een van de gegevens, vermeld in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ten gevolge heeft. Een subsidie-ontvanger verricht een nieuw verzoek, bedoeld in het eerste lid, voordat de geldigheidsduur van het oordeel is verlopen.

  • 3. De subsidie-ontvanger bepaalt in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, de systeemgrens van iedere productie-installatie, waarvoor subsidie is aangevraagd, op dusdanige wijze dat de subsidiabele productie kan worden gemeten.

  • 4. Een wijziging van de systeemgrens van een productie-installatie leidt er niet toe dat één of meer productie-eenheden van de desbetreffende productie-installatie gaan behoren aan een andere productie-installatie.

  • 5. De subsidie-ontvanger stelt het meetbedrijf in staat het onderzoek te verrichten ten behoeve van de beoordeling van de geschiktheid.

  • 6. De minister verstrekt het eerste voorschot aan een subsidie-ontvanger niet eerder dan nadat de subsidie-ontvanger het oordeel omtrent de geschiktheid overlegt of doet overleggen aan de minister.

  • 7. De minister verstrekt uitsluitend een voorschot indien een subsidie-ontvanger over een geldig oordeel omtrent de geschiktheid beschikt.

Artikel 7e
  • 1. Een subsidie-ontvanger stelt een meetprotocol op met inachtneming van de meetvoorwaarden voor koolstofdioxide-arme warmte, voor waterstof en voor koolstofdioxide, genoemd in bijlage 9.

  • 2. De subsidie-ontvanger laat het meetprotocol beoordelen door een meetbedrijf.

  • 3. Het meetprotocol heeft een geldigheid van vijf jaar of tot het moment dat de subsidie-ontvanger een aanpassing van de productie-installatie of het productieproces doorvoert die een wijziging van het meetprotocol tot gevolg heeft. De subsidie-ontvanger stelt voorafgaand aan het verlopen van de geldigheidsduur een nieuw meetprotocol op.

  • 4. De minister verstrekt het eerste voorschot aan een subsidie-ontvanger niet eerder dan nadat de subsidie-ontvanger het beoordeelde meetprotocol overlegt of doet overleggen aan de minister.

  • 5. De minister verstrekt uitsluitend een voorschot indien een subsidie-ontvanger over een geldig meetprotocol beschikt.

Artikel 7f
  • 1. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat alle energie- of productiestromen die zijn omschreven in de meetvoorwaarden, bedoeld in bijlage 9 en die de systeemgrens passeren, worden gemeten in overeenstemming met het meetprotocol.

  • 2. De minister kan het meetbedrijf verzoeken afwijkingen van het meetprotocol te melden aan de minister.

Artikel 7g
  • 1. De subsidie-ontvanger stelt elke kalendermaand een meetrapport op met inachtneming van het meetprotocol dat:

    • a. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft, en

    • b. geverifieerd wordt door een meetbedrijf, waarbij het desbetreffende meetbedrijf ten minste de meetgegevens en het gerealiseerde energetische rendement ten opzichte van de geproduceerde energie bevestigt.

Artikel 7h
  • 1. Een subsidie-ontvanger legt het meetrapport uiterlijk 20 dagen na afloop van de kalendermaand waarop het meetrapport betrekking heeft over aan de minister.

  • 2. De minister stelt na ontvangst van het meetrapport op verzoek van een subsidie-ontvanger die een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte in stand houdt de nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte in MWh vast.

  • 3. Indien de subsidie-ontvanger die een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte in stand houdt, gebruik maakt van warmte afkomstig van een andere bron, draagt de subsidie-ontvanger er zorg voor dat het meetbedrijf de hoeveelheid gebruikte warmte in mindering brengt op de hoeveelheid geproduceerde koolstofdioxide-arme warmte.

Artikel 7i

Bij een productie-installatie voor restwarmte zonder warmtepompsysteem, wordt de productie gemeten bij de uitgang van het warmteoverdrachtsstation.

§ 3.4.2. Verplichtingen voor de permanente opslag van koolstofdioxide
Artikel 7j
  • 1. Dit artikel is alleen van toepassing op een subsidie-ontvanger met een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide die een basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide deelt met een of meer andere gebruikers met een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide.

  • 2. Een subsidie-ontvanger wiens productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide gebruik maakt van een basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide meet elke kalendermaand zijn aandeel in de totale permanente opslag van koolstofdioxide van de basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide conform de meetvoorwaarden in bijlage 9 en overlegt deze uiterlijk 20 dagen na afloop van de kalendermaand aan de minister.

  • 3. De meting, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan op de grens tussen de productie-installatie en de gedeelde voorzieningen van de basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide.

  • 4. De subsidie-ontvanger verzekert zich dat de meting, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt bij alle productie-installaties die aangesloten zijn op de basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide.

  • 5. De hoeveelheid koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt, wordt door de minister per productie-installatie vastgesteld door de hoeveelheid koolstofdioxide die in de basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide permanent wordt opgeslagen te verdelen naar rato van de geleverde koolstofdioxide, uitgedrukt in 1000 kg koolstofdioxide, over de productie-installaties die aangesloten zijn op de desbetreffende basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide.

  • 6. De subsidie-ontvanger overlegt uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar de meetgegevens van de beheerder van de basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide over de hoeveelheid permanent opgeslagen koolstofdioxide aan de minister.

  • 7. Indien er sprake is van meerdere productie-installaties met één aansluiting op een basisinfrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide wijzen de subsidie-ontvangers voor de meting, bedoeld in het tweede lid, tezamen één meetbedrijf aan.

J

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a, komt te luiden:

  • a. het aantal kWh of kg verminderde broeikasgas dat in het betreffende kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt;

2. In onderdeel b wordt ‘artikelen 14, vierde lid, 22, vierde lid, 31, vierde lid, 39, vierde lid, 47, vierde lid, en 54, vierde lid van het besluit’ vervangen door ‘artikelen 14, vierde lid, 22, vierde lid, 31, vierde lid, 39, vierde lid, 47, vierde lid, 54, vierde lid, 55i, derde lid en 55p, derde lid van het besluit’ en wordt ‘en’ vervangen door een komma.

4. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door ‘en’ wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. indien artikel 55f, derde lid van het besluit van toepassing is, het aantal verminderde kg broeikasgas in Nederland, het gerealiseerde aantal vollasturen van de productie-installatie of het gerealiseerde rendement van de productie-installatie.

K

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘het aantal kWh’ vervangen door ‘het aantal kWh of het verschil in kg broeikasgas’ en wordt ‘of 55, derde of vierde lid’ vervangen door ‘55, derde of vierde lid, 55j, derde of vierde lid of 55q, derde of vierde lid’.

2. In het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, en het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, wordt ‘of 44, derde lid, onderdeel c,’ vervangen door ‘44, derde lid, onderdeel c, of 55f, derde lid’ en wordt ‘of 47, vijfde lid’ vervangen door ‘47, vijfde lid, of 55i, vierde lid’.

3. In het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, wordt ‘of 54, vijfde lid’ vervangen door ‘54, vijfde lid, of 55p, vierde lid’.

4. In het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, en het tweede lid, onderdeel b, onder 3°, wordt ‘of 47, vijfde lid’ vervangen door ‘47, vijfde lid, of 55i, vierde lid’.

5. In het vierde lid, onderdeel b, wordt ‘of hernieuwbaar gas’ vervangen door ‘, hernieuwbaar gas of de maandelijkse vermindering van broeikasgas’.

6. In het vierde lid, onderdeel d, wordt ‘of hernieuwbaar gas’ vervangen door ‘, hernieuwbaar gas of de cumulatieve vermindering van broeikasgas’.

L

In artikel 14a, tweede lid, wordt ‘55, derde lid’ vervangen door ‘55, derde lid, 55j, derde lid of 55q derde lid’ en wordt ‘het aantal kWh’ vervangen door ‘het aantal kWh of aantal kg verminderde broeikasgas’.

M

In paragraaf 7 wordt voor artikel 15 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14f

Op aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 september 2020, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie in verband met de uitbreiding met productie-installaties voor broeikasgasvermindering (Stcrt. 2020, 48287) zijn ontvangen, is deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van die regeling.

N

In artikel 16 en in de opschriften van de bijlagen 1 en 5 wordt ‘Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie’ telkens vervangen door ‘Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie’.

O

Na bijlage 7 worden de bijlages I en II bij deze regeling toegevoegd als bijlages 8 en 9.

ARTIKEL II

In de rij ‘Artikel 14, onderdeel a’ in de elfde tabel, onder artikel 2 van de Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2019 wordt ‘€ 0,037’ vervangen door ‘€ 0,036’.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2020 met uitzondering van artikel II dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en dat terugwerkt tot en met 1 april 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 17 september 2020

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

BIJLAGE I BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL N

BIJLAGE 8 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 7D VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIEPRODUCTIE EN KLIMAATTRANSITIE

Verzoek tot oordeel omtrent de geschiktheid van een productie-installatie voor:

  • de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte en mededeling van meetgegevens van koolstofdioxide-arme warmte;

  • de productie van waterstof en mededeling van meetgegevens van waterstof;

  • de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide en meetgegevens van de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide

Toelichting

Met dit formulier verklaart u:

  • koolstofdioxide-arme warmte op te wekken of waterstof te produceren of koolstofdioxide af te vangen en permanent op te slaan en;

  • verzoekt u het toegelaten meetbedrijf vast te stellen of uw productie-installatie geschikt is voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte of de productie van waterstof of het afvangen en permanent opslaan van koolstofdioxide en of uw meetinrichting geschikt is voor de meting van koolstofdioxide-arme warmte, waterstof of koolstofdioxide en;

  • verzoekt u het toegelaten meetbedrijf de meetgegevens met betrekking tot de door u geproduceerde koolstofdioxide-arme warmte of waterstof of de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide als zodanig mede te delen aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.

Dit formulier dient te allen tijde volledig, juist en ondertekend door zowel producent als meetbedrijf en - voor zover van toepassing - voorzien van de noodzakelijke bijlage(n) te worden ingediend.

Indien zich meerdere productie-installaties achter één aansluiting bevinden, dient u tevens een systeemgrens van de productie-installaties te bepalen. Deze systeemgrens kan meerdere productie-eenheden omvatten.

1. Gegevens producent

  • a. Tenaamstelling installatie: ..........

  • b. Contactpersoon: de heer/mevrouw ..........

  • c. Adres: ..........

  • d. Postcode: ..........

  • e. Plaats: ..........

  • f. Telefoonnummer: ..........

  • g. E-mailadres contactpersoon: ..........

  • h. BSN-nummer .......... of KvK-nummer: ..........

Factuurgegevens:

  • i. Naam contactpersoon: ..........

  • j. E-mailadres: ..........

  • k. Referentienummer factuur: ..........

2. Correspondentieadres:

  • a. Bedrijfsnaam: ..........

  • b. Contactpersoon: de heer/mevrouw ..........

  • c. Adres: ..........

  • d. Postcode: ..........

  • e. Plaats: ..........

  • f. Telefoonnummer: ..........

  • g. E-mailadres contactpersoon: ..........

3. Gegevens productie-installatie

  • a. Adres installatie: ..........

  • b. Postcode: ..........

  • c. Plaats: ..........

  • d. EAN-code van productie-installatie: ..........

  • e. Projectnummer SDE-beschikking: SDE ..........

4. Typegegevens productie-installatie

Kruis aan om wat voor soort installatie het gaat bij deze aanvraag. Er is slechts één antwoord mogelijk.

  • a. De aanvraag betreft een productie-installatie voor opwekking van koolstofdioxide-arme warmte door middel van:

    • geothermie (systeemgrens incl. warmtepomp)

    • daglichtkas (incl. warmtepomp)

    • thermische energie uit oppervlaktewater (systeemgrens incl. warmtepomp)

    • thermische energie uit afval- of drinkwater (systeemgrens incl. warmtepomp)

    • elektrische boiler

    • warmtepompen

    • restwarmte

  • b. De aanvraag betreft een productie-installatie voor:

    • de productie van waterstof

    • de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide

  • c. Datum waarop de installatie in gebruik is/wordt genomen: ..........

  • d. Ingangsdatum van uw inschrijving: ..........

  • e. Vermogen of capaciteit van de installatie: ..........

5. Algemene verklaring

U verklaart door het invullen en ondertekenen van dit formulier:

  • a. Dat de in dit formulier bedoelde installatie voorzien is van (een) meter(s) die voldoe(t)(n) aan de meetvoorwaarden in de Algemene Uitvoeringsregeling stimulering duurzame energie- en klimaattransitie, dat door het toegelaten meetbedrijf, in het geval van de productie van koolstofdioxide-arme warmte, de nuttige warmte eenduidig kan worden gemeten, dan wel uit een combinatie van metingen eenduidig kan worden berekend;

  • b. Dat u te allen tijde zult meewerken aan door het meetbedrijf uit te voeren controles van de in dit formulier bedoelde installatie en de bijbehorende meter(s), voor zover deze controles betrekking hebben op dit verzoek om een oordeel omtrent de geschiktheid van een productie-installatie voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de productie van waterstof en het afvangen en permanent opslaan van koolstofdioxide en mededeling van meetgegevens omtrent koolstofdioxide-arme warmte, waterstof of koolstofdioxide;

  • c. Dat u, in het geval dat één van de zaken zoals door u aangegeven bij de vragen 2, 3, 4 of 5 verandert, hiervan vooraf melding maakt door dit formulier opnieuw in te vullen en te doen toekomen aan het meetbedrijf;

d Dat u deze verklaring naar waarheid heeft ingevuld.

6. Ondertekening aanvrager (producent)

Plaats: ..........

Datum: ..........

Handtekening aanvrager: ..........

Let op! Maak een kopie van deze ingevulde verklaring voor eigen gebruik.

Ruimte voor opmerkingen producent:

7. Ondertekening meetbedrijf

Plaats: ..........

Datum: ..........

Naam meetbedrijf: ..........

Handtekening meetbedrijf: ..........

Ruimte voor opmerkingen meetbedrijf:

BIJLAGE II BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL N

BIJLAGE 9 BEHORENDE BIJ DE ARTIKELEN 7E , 7F EN 7J VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIEPRODUCTIE EN KLIMAATTRANSITIE

Meetvoorwaarden voor productie-installaties

1. Definities
1.1 Meten:

het vaststellen en registreren van de hoeveelheid energie, waterstof of koolstofdioxide die over een kalendermaand de systeemgrens van de productie-installatie is gepasseerd.

1.2 Meetgegeven:

het resultaat van het meten van energie, waterstof of koolstofdioxide. Indien dit op meer dan één punt op de systeemgrens wordt gemeten, zullen er hiervoor ook meer meetgegevens zijn.

1.3 Bemetering:

het geheel van alle meetinrichtingen en systemen voor dataopslag en datatransmissie dat nodig is om de energie, waterstof of koolstofdioxide die de systeemgrens van de productie-installatie passeert, te meten en te waarborgen.

1.4 Meetinrichting:

het totaal van onderling samenhangende meters en meetmiddelen die nodig zijn om een hoeveelheid energie, waterstof of koolstofdioxide te meten.

1.5 Meter:

een toestel dat één parameter meet, nodig voor het vaststellen van de hoeveelheid energie, waterstof of koolstofdioxide.

1.6 Meetmiddel:

een onderdeel van de meetinrichting, nodig voor het meten, anders dan een meter.

1.7 richtlijn 2014/32:

richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PbEU 2014 L 96).

1.8 Validatie:

plausibiliteitscheck op gemeten waarden op basis van verwachte meetdata ten opzichte van gemeten meetdata.

2. Algemene eisen

Meetprotocol

  • 2.1 Het meetprotocol van de productie-installatie bevat ten minste de volgende elementen:

    • a. beschrijving van de verschillende componenten van de productie-installatie, inclusief de verschillende hulpinstallaties;

    • b. beschrijving en schets van de systeemgrenzen van de productie-installatie zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3;

    • c. beschrijving en schets van de bemetering van de productie-installatie;

    • d. beschrijving van de meters en meetmiddelen van elk van de meetinrichtingen;

    • e. beschrijving van het onderhoud van elk van de meetinrichtingen;

    • f. beschrijving van de apparatuur voor de opslag en de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;

    • g. beschrijving van de onnauwkeurigheid van elk van de meetinrichtingen;

    • h. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de metingen;

    • i. beschrijving van de wijze van reparatie van meetgegevens en alternatieve meetmethoden in geval van storing van de meetinrichting;

    • j. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;

    • k. beschrijving van de frequentie van ijking van elk van de meetinrichtingen;

    • l. voor koolstofdioxide-arme warmte: beschrijving van de toepassing en de bepaling van de geaggregeerde hoeveelheid nuttig aangewende warmte;

    • m. beschrijving van de methode voor de validatie van meetgegevens.

Administratie

  • 2.2 Bij het meetprotocol behoort een administratie waarin per meetinrichting de volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a. fabricaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar van de geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;

    • b. kalibratiecertificaten van de meetinrichting en de meters en meetmiddelen daarvan;

    • c. het jaar waarin de meetinrichting is geïnstalleerd dan wel voor het laatst is gereviseerd;

    • d. het soort zegel waarmee de meetinrichting is verzegeld, dan wel de wijze van borging die voor de meetinrichting is aangebracht;

    • e. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is gecontroleerd;

    • f. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is geijkt;

    • g. de resultaten van de aan de meetinrichting uitgevoerde controles en ijkingen;

    • h. een overzicht van de functionarissen die bevoegd zijn metingen uit te voeren en meetinrichtingen te onderhouden respectievelijk te beheren. Aanvullend geldt voor koolstofdioxide-arme warmte norm NEN-EN 1434-2:2007. De producent is verantwoordelijk voor het actueel houden van deze administratie.

Onzekerheid

  • 2.3 De onzekerheid van een meetgegeven wordt berekend uit de onnauwkeurigheden van de afzonderlijke meetinrichtingen op de wijze als beschreven in de ‘Guide to the expression of uncertainty in measurement’ (ISO/IEC Guide 98-3:2008).

Meetrapport

  • 2.4 Het meetrapport bevat een overzicht per maand van de gemeten hoeveelheden geleverde waterstof, netto nuttige aangewende koolstofdioxide-arme warmte of koolstofdioxide die de systeemgrens van de productie-installatie is gepasseerd.

  • 2.5 Het meetrapport bevat voor een productie-installatie voor koolstofdioxide-arme warmte tenminste de meetgegevens van in- en uitgaande warmtestromen en in aanvulling daarop het aantal draaiuren.

  • 2.6 Het meetrapport bevat een overzicht van de in de productie installatie over de meetperiode ingezette energiedragers, gerapporteerd op zodanige wijze dat de energetische verhouding tussen de verschillende energiedragers vastgesteld kan worden.

  • 2.7 In het meetrapport wordt tevens vermeld, voor zover van toepassing:

    • a. storingen van meetinrichtingen en daarmee samenhangende reparatie van meetgegevens;

    • b. storingen in andere onderdelen van de bemetering en de gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de meetgegevens

    • c. dat meetgegevens door middel van alternatieve meting zijn bepaald;

    • d. correctie van meetgegevens, en

    • e. wijzigingen in installatie, bemetering en andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de hoeveelheid subsidiabele productie.

  • 2.8 Het meetrapport bevat voorts een verklaring dat de meetgegevens tot stand zijn gekomen door onverkorte toepassing van het meetprotocol en een verklaring dat er geen wijzigingen zijn aangebracht aan de installatie.

Storingen

  • 2.9 De meetgegevens van een meetinrichting, die door een storing niet langer functioneert of niet langer voldoet aan de gestelde meeteisen, mogen voor een periode van maximaal vier werkdagen nadat de storing is opgemerkt worden berekend uit controlemetingen.

  • 2.10 Indien de storing niet binnen vier werkdagen verholpen is, kan de producent meten volgens de in hoofdstuk 5 beschreven methode en procedure.

  • 2.11 Indien een storing is opgetreden, wordt dit vermeld in het meetrapport over de desbetreffende kalendermaand. Hierbij wordt aangegeven welke meetgegevens het betreft en op welke wijze de reparatie is aangebracht.

Correcties

  • 2.12 Een correctie op meetgegevens dient uiterlijk binnen een kalenderjaar nadat deze zijn gerapporteerd te worden doorgevoerd.

  • 2.13 Geconstateerde meetfouten en correcties worden gemeld aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.

Eisen aan meetinrichtingen en meters

  • 2.14 Het meten van de hoeveelheden energie, waterstof of koolstofdioxide geschiedt volgens algemeen geaccepteerde comptabele meetinrichtingen.

  • 2.15 Voor zover een meetinrichting of meter onder de Metrologiewet valt, zijn deze meetvoorwaarden niet van toepassing ten aanzien van het (de) onderwerp(en) dat (die) voor die meetinrichting of meter in de Metrologiewet word(t)(en) geregeld.

  • 2.16 De meters en meetmiddelen voldoen aan de eisen die voor die meters en meetmiddelen zijn vastgesteld bij of krachtens de Metrologiewet en de overeenstemming met die eisen is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften daaromtrent op grond van de Metrologiewet.

  • 2.17 De capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de meetinrichtingen is in overeenstemming met de maximale hoeveelheden warmte en waterstof die de productie-installatie kan consumeren respectievelijk produceren of de maximale hoeveelheden koolstofdioxide die de productie-installatie kan afvangen.

  • 2.18 Plaatsing van de meters voldoet aan de plaatsingsvoorschriften die onderdeel uitmaken van de genoemde normen en aangevuld met de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant van de meter of meetmiddel.

  • 2.19 Elk van de meters en de meetmiddelen is geborgd dan wel verzegeld. De borging is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed, zonder dat dit duidelijk gesignaleerd wordt. De verzegeling is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed zonder de verzegeling zichtbaar te verbreken.

  • 2.20 De meetinrichting wordt zodanig onderhouden dat deze voortdurend aan deze meetvoorwaarden voldoet.

3. Systeemgrens
  • 3.1 De systeemgrens omsluit één productie-installatie.

  • 3.2 Op de systeemgrens van een productie-installatie voor koolstofdioxide-arme warmte worden alle vormen van energie-input en energie-output gemeten, zodat een energiebalans gemaakt kan worden en de nuttig aangewende warmte bepaald kan worden.

  • 3.3 Alle onderdelen van de productie-installatie bevinden zich binnen de systeemgrens.

  • 3.4 Niet aan de productie-installatie gerelateerde systemen die warmte opwekken vallen buiten de systeemgrens.

  • 3.5 De consumptie van energie van systemen die zich binnen de systeemgrens bevinden, wordt niet gemeten.

  • 3.6 Voor de productie-installatie wordt een schema opgesteld met daarop aangegeven de systeemgrens, de energie- of productstromen die de systeemgrens passeren en de meetinrichtingen die zich op de systeemgrens van de productie-installatie bevinden.

4. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen en meters voor koolstofdioxide-arme warmte

Warmte

  • 4.1 De hoeveelheid warmte, getransporteerd als warm water wordt gemeten met een meetinrichting die voldoet aan artikel 8a van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten, met een nauwkeurigheidsklasse 1 als omschreven in de bijlage VI van de richtlijn meetinstrumenten, ofwel een samengestelde meetinrichting die aantoonbaar aan de normstelling voldoet. De maximale relatieve afwijking (MPE) in het debietdeel over het praktische meetbereik is niet meer dan 3,5%. Als de MPE groter is, wordt een afslag gehanteerd. De gerapporteerde warmtemetingen worden dan vermenigvuldigd met een factor (100%-(X%-3,5%)) met daarin X% de waarde van de MPE van meer dan 3,5%.

  • 4.2 De hoeveelheid warmte, getransporteerd als stoom en indien van toepassing verminderd met retourcondensaat, wordt gemeten met een meetinrichting die voldoet aan norm NEN-EN-ISO 5167-1:2003 of aan een vergelijkbare norm. Voor een stoomdebiet van 50% tot 100% van het meetbereik van de meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de meting 2% van de volle schaal van de meetinrichting. Voor een stoomdebiet van minder dan 50% van het meetbereik van de meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de meting 4% van de meetwaarde. De temperatuur wordt gemeten met een weerstandsthermometer die voldoet aan norm IEC-60751, nauwkeurigheidsklasse B, een thermokoppel die voldoet aan norm NEN-EN-IEC 60584-1:2013 en NEN-EN-IEC 60584-3:2008, nauwkeurigheidsklasse 2, of een meter die voldoet aan een vergelijkbare norm.

Inputstromen

  • 4.3 Wanneer er sprake is van meerdere inputstromen, dan wordt iedere energiedrager die in de productie-installatie wordt verbruikt afzonderlijk gemeten.

  • 4.4 Het volume aardgas of een ander gas wordt gemeten en naar normaalcondities herleid met een meetinrichting waarvan de nauwkeurigheid minimaal voldoet aan Bijlage IV van richtlijn 2014/32/EU, klasse 1,5 van de gasmeters.

  • 4.5 De hoeveelheid vloeibare brandstof wordt gemeten door middel van een meetinrichting die voldoet aan artikel 9 van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten, waarbij de eisen gelden voor nauwkeurigheidsklasse 1.0, bedoeld in bijlage VII van richtlijn 2014/32/EU.

  • 4.6 De hoeveelheid andere brandstof wordt bepaald volgens een algemeen geaccepteerde comptabele meting, met een maximaal toelaatbare afwijking van 1,0%.

Bagatelbepaling

  • 4.7 Voor ten hoogste 2,5% van de in totaal gemeten hoeveelheid koolstofdioxide-arme warmte, kunnen de maximaal toelaatbare afwijkingen ten hoogste tweemaal zoveel bedragen als de volgens de voorgaande bepalingen van dit hoofdstuk voorgeschreven maximaal toelaatbare afwijkingen.

5. Alternatieve meting
  • 5.1 De producent kan een meetgegeven via een alternatieve meting bepalen, indien meten met meetinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 niet mogelijk is omdat:

    • a. geen goede meting mogelijk is van de energie- of producthoeveelheid;

    • b. het plaatsen van een meetinrichting tot aantasting van de veiligheid van de installatie zou leiden;

    • c. het plaatsen of verbeteren van een meetinrichting tot onevenredig hoge kosten zou leiden;

    • d. een meetinrichting in storing is geraakt als bedoeld onder 2.9 tot en met 2.11; of

    • e. ontheffing is verkregen van de Minister van Economische Zaken en Klimaat om een alternatieve meting te hanteren.

  • 5.2 De alternatieve meting voldoet aan de hieronder genoemde voorwaarden.

  • 5.3 De producent verstrekt in het meetprotocol een uitvoerige motivatie voor het afwijken van hoofdstuk 4, waarin tenminste wordt opgenomen:

    • a. een beschrijving van de technische onmogelijkheid om hoofdstuk 4 toe te passen;

    • b. de overwegingen omtrent de veiligheid van de installatie op grond waarvan hoofdstuk 4 niet toegepast kan worden;

    • c. een onderbouwde raming van de kosten die het aanpassen van de betrokken meetinrichting aan het toepassen van hoofdstuk 4 zouden vergen;

    • d. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van hoofdstuk 4 bereikt zou zijn;

    • e. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van de alternatieve meting bereikt zal worden.

  • 5.4 De wijze van het bepalen van de meetgegevens door middel van alternatieve meting wordt nauwkeurig vastgelegd in het meetprotocol voor de productie-installatie en wordt voorafgaand aan de toepassing daarvan goedgekeurd door een gecertificeerd meetbedrijf.

  • 5.5 De alternatieve meting gebruikt geen kentallen of andere gegevens die het meten van de daadwerkelijke hoeveelheid energie, waterstof of koolstofdioxide beïnvloeden.

  • 5.6 De onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, is in beginsel gelijk aan of lager dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist.

  • 5.7 Indien de onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, hoger is dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist, wordt het opgegeven meetgegeven als volgt gecorrigeerd:

    • a. voor warmte die aan de productie-installatie wordt toegevoerd: de meetwaarde wordt vermeerderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid en

    • b. voor koolstofdioxide-arme warmte die de productie-installatie produceert: de meetwaarde wordt verminderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid.

  • 5.8 De wijze waarop de correctie volgens 5.7 wordt aangebracht, wordt beschreven in het meetprotocol.

  • 5.9 Zowel het oorspronkelijke meetgegeven als het meetgegeven na de correctie volgens 5.7 wordt in het meetrapport opgenomen.

TOELICHTING

1. Inleiding

Onderhavige regeling (hierna: de wijzigingsregeling) wijzigt de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

De wijzigingen houden verband met de uitwerking in lagere regelgeving van de wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie in verband met de verbreding tot maatregelen ter vermindering van broeikasgas (Besluit van 31 augustus 2020, Stb. 2020, nr. 340). De wijzigingen hebben voorts nauw verband met de openstelling in november van de subsidiemodule SDE++ onder het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (hierna: Besluit SDEK), zoals het Besluit stimulering duurzame energieproductie ingevolge de hiervoor genoemde wijziging is komen te luiden.

Bij de openstelling van de SDE++ in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 worden niet alleen installaties voor de productie van hernieuwbare energie, maar ook andere technieken ter vermindering van broeikasgas gestimuleerd. Onderhavige wijzigingsregeling wijzigt daarnaast enkele andere onderdelen van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie, waaronder de indieningseisen voor bepaalde categorieën en een verplichting om op aanvraag informatie over de waarde van garanties van oorsprong te verstrekken. Tevens is ingevolge onderhavige wijzigingsregeling de citeertitel van de regeling aangepast: voortaan wordt deze aangeduid als Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (hierna: de regeling).

In de Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2019 is abusievelijk een onjuist correctiebedrag opgenomen voor de categorie Zon PV ≥ 15 kWp en < 1MWp aansluiting >3*80A ten aanzien van in het najaar van 2017 verleende beschikkingen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om deze fout te herstellen (artikel II van de wijzigingsregeling). Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 april 2020, hetgeen is gerechtvaardigd omdat herstel ten gunste komt van de categorie subsidie-ontvangers ten aanzien van wie het desbetreffende correctiebedrag van toepassing is.

2. Toelichting op de wijzigingen

2. Tender Rijksgronden recht van opstal (Artikel I, onderdeel B; artikel 2 regeling)

Het kabinet streeft ernaar om de verduurzaming van het Rijksvastgoed te versnellen. Dit betreft onder meer het realiseren van hernieuwbare energieopwekking op Rijksgronden en Rijksdaken. Om dit succesvol te kunnen laten verlopen, is als wijziging opgenomen dat bij een aanvraag voor een productie-installatie die wordt gerealiseerd op percelen in eigendom van het Rijk waarop het recht van opstal is verkregen bij een openbare gunningsprocedure geen omgevingsvergunning hoeft te worden bijgevoegd, maar slechts een ontwerp van deze vergunning. In de gunningsprocedure zelf geldt de voorwaarde dat de hoogte van de benodigde SDE++-subsidie een gunningscriterium is, waarmee de kosteneffectiviteit van het proces wordt geborgd. Hiermee wordt geborgd dat het tenderproces en het vervolgens aanvragen van SDE++ goed op elkaar aansluiten.

2.2 Haalbaarheidsstudie (Artikel I, onderdelen C en D; artikelen 2a en 2b regeling)

Met deze wijziging wordt de haalbaarheidsstudie voor alle aanvragen verplicht gesteld. Sinds de wijziging van Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie van 14 september 2018 was een haalbaarheidsstudie alleen vereist voor productie-installaties met een vermogen vanaf 500 kW. Deze grens bleek in de uitvoering tot problemen te leiden. Veel subsidie-aanvragen worden namelijk net onder de grens van 500 kW ingediend. Juist in deze categorie aanvragen wordt een groot gedeelte van de projecten uiteindelijk niet gerealiseerd. Bovendien komt het vaak voor dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) alsnog aan projecten met een vermogen van minder dan 500 kW aanvullende informatie moet opvragen. Dit leidt tot extra administratieve lasten en traagheid in de afhandeling van aanvragen. Voor de categorie zon-PV, de categorie met de meeste aanvragen, is de berekening van het projectrendement als onderdeel van de haalbaarheidsstudie komen te vervallen voor projecten met een vermogen van minder dan 1 MWp, omdat de benodigde gegevens in het aanvraagformulier zullen worden opgevraagd. Daarnaast is voor zon-PV de eis opgenomen dat een kaart wordt overgelegd waarop de locatie van de fotovoltaïsche panelen zijn ingetekend. Hiermee kan getoetst worden of de beschikbare oppervlakte op de locatie daadwerkelijk aanwezig is. Dat ondervangt ook dat aanvragers een aanvraag voor een te groot vermogen indienen en vervolgens een kleiner vermogen daadwerkelijk realiseren. Voor windenergie geldt dat alleen projecten met een vermogen van ten minste 100 kW een windenergie-opbrengstberekening hoeven op te stellen.

Voor alle nieuwe technieken ter vermindering van broeikasgas wordt een energie- of productopbrengstrekening vereist. Voor productie-installaties voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte wordt een onderbouwing van de warmte-afzet verplicht gesteld. Voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte geldt dat tevens een geologisch rapport wordt vereist. Een geologisch rapport wordt niet langer geëist bij de productie van hernieuwbare elektriciteit en gecombineerde opwekking door middel van geothermie, omdat hier geen subsidie voor kan worden aangevraagd. Voor productie-installaties voor de benutting van restwarmte geldt dat een kaart waarop het ingetekende tracé van de transportleiding is vereist.

2.3 Indieningseisen technieken ter vermindering broeikasgas (Artikel I, onderdelen B, D, E en F; artikelen 2, 2b, 2d en 3 regeling)

De realisatie van de permanente opslag van koolstofdioxide is afhankelijk van verschillende partijen die koolstofdioxide willen afvangen en waarbij de (gezamenlijke) infrastructuur vaak nog niet aanwezig is. Hierdoor zijn projecten in verschillende fases van voorbereiding, terwijl de gezamenlijke voortgang maatgevend is voor de realisatie van de gemeenschappelijke infrastructuur. Om rekening te houden met deze verschillen, wordt het mogelijk gemaakt om zonder aanwezigheid van alle noodzakelijke vergunningen al een aanvraag te doen. Om toch een hoge realisatiegraad te verkrijgen is in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 voor nieuwe installaties de verplichting opgenomen dat een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten waarbij een bankgarantie wordt overgelegd. Tijdens de realisatie van het project wordt getoetst op de voortgang van het project, inclusief de vergunningen. Bij bestaande installaties worden, conform andere categorieën voor verlengde levensduur in de SDE++, geen vergunningen opgevraagd. Dit draagt niet bij aan het verkrijgen van zekerheid voor de projectrealisatie.

Voor de permanente opslag van koolstofdioxide geldt dat de aanvrager moet kunnen aantonen dat de capaciteit om dit te transporteren en permanent op te slaan beschikbaar is. Dit kan door een verklaring van de partij die verantwoordelijk is voor de opslag of het transport. Transport en opslag kan soms door verschillende partijen worden gedaan. In dat geval is van beide partijen een verklaring omtrent de beschikbaarheid nodig. Daartoe kan het formulier worden gebruikt dat beschikbaar wordt gesteld via de internetpagina van RVO.

In de regeling is daarnaast geregeld dat de periode tussen de datum van inwerkingtreding van de beschikking en de start van de bouw 30 maanden is. Deze periode wijkt af van de standaardperiode van 18 maanden. Dit onderscheid is gemaakt omdat een installatie voor de afvang van koolstofdioxide uitsluitend kan worden ingebouwd tijdens de zogenaamde ‘downtime’ van de installatie van de afvanger. Deze periodes dienen jaren van te voren te worden gepland en komen veelal slechts ongeveer twee keer per tien jaar voor. Daarom is rekening gehouden met een langere realisatietijd.

2.4 (Artikel I, onderdelen A, I, J en N; artikelen 1, 7d tot en met 7j en 8 regeling)

Onderdeel I regelt de meetketen voor andere technieken ter vermindering van broeikasgas. Tot nu toe was de regelgeving geënt op het stimuleren van hernieuwbare energie. Daarbij was de garantie van oorsprong het bewijsstuk voor de productie van hernieuwbare energie. De regelgeving voor de uitgifte van garanties van oorsprong is opgenomen in de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Warmtewet en de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong. Op grond van het Besluit SDEK kan ook subsidie voor andere technieken die leiden tot vermindering van broeikasgas worden verleend. Voor zover deze technieken niet zijn gebaseerd op hernieuwbare energie kan het bewijs voor de productie niet op basis van garanties van oorsprong geleverd worden. In de regeling is daarom geregeld hoe de meetketen er voor deze technieken uitziet. Deze meetketen is gebaseerd op de meetketen zoals deze voor garanties van oorsprong geldt. De meetketen wijkt ervan af om de terminologie te laten aansluiten op koolstofdioxide-arme warmte, waterstofproductie door elektrolyse en de opslag van koolstofdioxide. De eisen zijn als volgt:

  • De subsidie-ontvanger laat zijn productie-installatie iedere vijf jaar of bij een wijziging van de productie-installatie voorzien van een oordeel omtrent de geschiktheid van de productie-installatie door een meetbedrijf.

  • De subsidie-ontvanger stelt iedere vijf jaar een meetprotocol op dat voldoet aan de meetvoorwaarden die zijn opgenomen in de regeling. Dit kan ook vaker zijn als de subsidie-ontvanger een wijziging aanbrengt aan zijn productie-installatie. Het meetprotocol moet worden beoordeeld door een meetbedrijf.

  • De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat er een meetrapport wordt opgesteld, dat voldoet aan de meetvoorwaarden, de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft en geverifieerd door wordt een meetbedrijf.

  • De subsidie-ontvanger overlegt de meetgegevens uiterlijk 20 dagen na afloop van de kalendermaand waarop het meetrapport betrekking heeft over aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: minister). Dat is in de praktijk RVO. RVO kan aanvullende verificatie op de data, protocollen en gegevens van de meetbedrijven uitvoeren. RVO kan daarbij ook derde partijen betrekken.

Voor de meetketen zijn bij de regeling twee bijlages opgenomen. De eerste bijlage is een formulier dat ziet op het oordeel omtrent de geschiktheid van de productie-installatie en dat door producent en meetbedrijven kan worden gebruikt. De tweede bijlage omvat de meetvoorwaarden waaraan het meetprotocol moet voldoen. Beide bijlages komen overeen op de vergelijkbare bijlages in de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong. Voor de meetvoorwaarden van waterstofproductie door elektrolyse en de permanente opslag van koolstofdioxide geldt dat op een later moment mogelijk verdere verfijning zal plaatsvinden op basis van nieuwe ontwikkelingen rond het meten van waterstof en koolstofdioxide, zoals bijvoorbeeld de toekomstige uitgifte van garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof op basis van de richtlijn hernieuwbare energie, de CEN-EN 16325-norm die momenteel in ontwikkeling is en ervaringen van marktpartijen bij de ontwikkeling van projecten. Hierbij gaat het met name om nadere bepalingen in het hoofdstuk over nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen en meters in bijlage 9 van de regeling.

2.4.1 Meetketen CCS

Voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide (CCS) zijn aanvullend in de regeling enkele onderdelen geregeld. Subsidie-ontvangers moeten maandelijks de hoeveelheid koolstofdioxide meten op het punt dat deze overgaat in de infrastructuur voor de transport en permanente opslag van koolstofdioxide. Deze metingen vormen de basis voor de voorschotten die door de minister aan subsidie-ontvangers worden uitgekeerd. Tegelijkertijd wordt geregeld dat subsidie-ontvangers jaarlijks gegevens van de beheerder van deze infrastructuur over de hoeveelheid die permanent wordt opslagen rapporteren. De hoeveelheid koolstofdioxide die uiteindelijk voor subsidie in aanmerking komt, wordt per productie-installatie vastgesteld door de hoeveelheid koolstofdioxide die door de beheerder van de infrastructuur permanent wordt opgeslagen, te verdelen naar rato van de geleverde koolstofdioxide, waarbij afwijkingen naar rato over de subsidie-ontvangers worden verdeeld. Subsidie-ontvangers die samen gebruik maken van een gezamenlijke infrastructuur wijzen samen een gezamenlijk meetbedrijf aan.

2.4.2 Meetketen Restwarmte

Bij restwarmte wordt expliciet geregeld dat bij een productie-installatie zonder benuttig van een warmtepomp de productie wordt gemeten bij de uitgang van het warmteoverdrachtsstation.

2.5 ETS-correctie (Artikel I, onderdeel H; artikel 5 regeling)

Het Besluit SDEK schrijft voor dat rekening wordt gehouden met de opbrengsten of vermeden kosten uit het emissiehandelssysteem (ETS). Vanaf de openstellingsrondes die worden geregeld in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 en toekomstige regelingen wordt geregeld welke correctie hiervoor geldt per categorie productie-installaties. Voor sommige categorieën geldt dat er binnen een categorie sprake kan zijn van bedrijven die wel en niet voordeel kennen. In principe wordt in de uitvoering van de regeling verondersteld dat installaties die emissierechten onder het ETS afdragen een ETS-voordeel kennen. Wanneer dat voordeel er niet is, schrijft deze regeling voor dat de gegevens waarmee dit kan worden aangetoond overeenkomen met gegevens geregistreerd bij de Nederlandse Emissieautoriteit.

2.6 Waarde garanties van oorsprong (Artikel I, onderdeel H; artikel 5 regeling)

De subsidies die op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 zullen jaarlijks wordt gecorrigeerd voor de waarde van garanties van oorsprong voor hernieuwbare elektriciteit. Uit advies van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat garanties van oorsprong grotendeels worden verhandeld in bilaterale overeenkomsten, waardoor de prijsvorming niet erg transparant is. In artikel 5 wordt daarom geregeld dat subsidie-ontvangers verplicht zijn om op aanvraag gegevens over de verkoopprijs van de desbetreffende garanties van oorsprong aan de minister verstrekken. Deze gegevens kunnen worden gebruikt om het correctiebedrag correct vast te stellen.

2.7 MSK-toets (Artikel I, onderdeel F)

Voor enkele categorieën geldt dat er altijd een toets in het kader van het milieusteunkader zal worden uitgevoerd. Het gaat daarbij om productie-installaties voor restwarmte, de productie van koolstofdioxide-arme warmte door een elektroboiler en de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide. Deze toets borgt dat er sprake is van een passende stimulering en werd tot nu toe alleen uitgevoerd als er sprake was van cumulatie van verschillende subsidies. Door de wijziging van onderdeel F wordt geborgd dat de uitzondering op het derde lid voor het aanleveren van informatie een jaar na ingebruikname van de productie-installatie voor deze categorieën niet geldt. Tevens is het met deze wijziging mogelijk om ook in latere jaren informatie op te vragen om te beoordelen of er sprake is van een passende stimulering. Over de uitvoering van deze MSK-toets gelden beleidsregels: de Beleidsregels cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Stcrt. 2012, 20221). Deze beleidsregels worden nog geactualiseerd om te voorzien in een passend kader voor de uitvoering van deze toets.

Voor de berekening van de basisbedragen van een aantal categorieën voor de SDE++ is rekening gehouden met de milieu-investeringsaftrek. Een verwijzing naar artikel 3.42a van de Wet op de inkomstenbelasting is daarom toegevoegd.

2.8 Productie-installatie in Nederland of de Nederlandse exclusieve zone (artikel I, onderdeel F; artikel 3 regeling)

In de regeling is expliciet vastgelegd dat de productie-installatie in Nederland of de Nederlandse exclusieve economische zone staat. Deze verduidelijking van de bestaande praktijk wordt doorgevoerd, omdat hierover soms in de sector vragen werden gesteld, bijvoorbeeld in verband met projecten die net over de grens in een buurland worden gerealiseerd. De productie van hernieuwbare energie dient op basis van het Besluit SDEK te worden aangetoond met garanties van oorsprong. Uit de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong volgde reeds dat voor een dergelijke productie-installaties geen garanties van oorsprong kunnen worden verstrekt.

2.9 Overig

Tot slot zijn enkele bepalingen in de regeling aangepast zodat die niet alleen gelden voor hernieuwbare energie, maar ook voor andere technieken voor de vermindering van broeikasgas (artikel I, onderdelen F, G, J, K, L, M, N).

3. Regeldruk

Het Besluit SDEK vormt het kader waarvan onderhavige wijzigingsregeling een uitwerking is. Het Besluit SDEK is onlangs gewijzigd om ook te voorzien in openstelling van categorieën ter vermindering van broeikasgas, anders dan uitsluitend hernieuwbare energieproductie. Het Besluit SDEK kent enkele grondslagen op basis waarvan per ministeriële regeling nadere uitwerking kan worden gegeven. Onderhavige ministeriële regeling is de invulling van het Besluit SDEK en preciseert bijvoorbeeld de meetketen en de indieningseisen voor nieuwe technieken voor de vermindering van broeikasgas. De werkwijze van de regeling ligt vast in het Besluit SDEK, de categorieën worden aangewezen in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020. De regeldruk voortvloeiend uit deze wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie is slechts in samenhang te zien met de bepalingen uit de overige regelingen die voortvloeien uit het Besluit SDEK, met name de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020. Bij de wijziging van het Besluit SDE (naar het Besluit SDEK) is een uitgebreide toelichting van de regeldruk voortvloeiend uit de onderliggende regelingen opgenomen. De regeldruk voor subsidieaanvragers neemt licht af.

Sinds 1 april 2017 is een haalbaarheidsstudie vereist voor productie-installaties met een vermogen van meer dan 500 kW. Met deze wijzigingsregeling vervalt deze grens, waardoor alle projecten, dus ook met een vermogen van minder dan 500 kW, een haalbaarheidsstudie moeten opstellen. De onderdelen van deze haalbaarheidsstudie zullen door RVO worden uitgevraagd in het aanvraagformulier. De wijziging leidt er dus niet toe dat aanvragers van productie-installaties met een vermogen van 500 kW of minder een extra document moeten opstellen, maar wel dat het formulier dat ze invullen meer vragen bevat. De informatie die in het kader van de haalbaarheidsstudie wordt opgevraagd is bij projecten reeds beschikbaar. Het kost naar verwachting 30 minuten per aanvraag om dit in te vullen. Bij 1.500 aanvragen en een uurtarief van 60 euro per uur bedragen de aanvullende administratieve lasten 1.500*0,5*60=45.000 euro. Tegelijkertijd is de huidige praktijk dat RVO vaak na de aanvraag alsnog informatie moet opvragen om de aanvraag te kunnen beoordelen. Het aanleveren van die informatie duurt dan langer, omdat deze niet alleen moet worden opgezocht, maar er ook aanvullend correspondentie tussen RVO en de aanvragers plaatsvindt. Door het schrappen van de grens van een vermogen van 500 kW wordt dat voorkomen. Als er bij de helft van de aanvragen alsnog informatie moet worden opgevraagd, dan is de reductie van de administratieve lasten 750*0,75*60= 33.750 euro bij een uurtarief van 60 euro per uur en een tijdbeslag van 45 minuten per aanvraag. Per saldo is er met deze wijziging een stijging van de administratieve lasten voor bedrijven van 11.250 euro eenmalig.

4. Inwerkingtreding

De inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling (artikel III) wijkt af van het beleid inzake de vaste verandermomenten. De regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2020 en houdt voorts geen rekening met de invoeringstermijn van twee maanden. Afwijking van het beleid is gerechtvaardigd aangezien de doelgroep bij spoedige inwerkingtreding is gebaat. De afwijking is voorts wenselijk omdat onderhavige regeling in werking treedt op het moment dat de regeling met betrekking van de najaarsopenstelling van de subsidiemodule onder het Besluit SDEK in werking treedt.

Artikel II van deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van deze regeling in de Staatscourant. Op grond van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten is dit mogelijk omdat het een reparatiebepaling betreft. Zie voor deze inwerkingtreding tevens paragraaf 1 van deze toelichting.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes