Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2019, 55830Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 oktober 2019, nr. WJZ/ 19237719 , tot vaststelling van een regeling voor de verstrekking van subsidie voor het saneren van varkenshouderijlocaties in verband met geurhinder (Subsidieregeling sanering varkenshouderijen)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 2a, eerste lid, onderdeel c, en 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

§ 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

concentratiegebied:

concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost zoals aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet;

dierenverblijf:

een overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden;

geurgevoelig object:

een in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen verblijfsobject met een woonfunctie, dat niet een bedrijfswoning is van een landbouwondernemingvoor het houden van landbouwhuisdieren en dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet, mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf;

geurscore:

een maat voor de omvang van de geurbelasting van een varkenshouderijlocatie op geurgevoelige objecten in de omgeving van de varkenshouderijlocatie, zoals bepaald op grond van artikel 2;

intensieve veehouderij:

een landbouwonderneming voor het houden van varkens, pluimvee, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten of nertsen;

landbouwonderneming:

onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;

minister:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

omgevingsvergunning beperkte milieutoets:

vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

omgevingsvergunning milieu:

vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

productiecapaciteit:

dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders;

varkenshouder:

een ondernemer of onderneming die een varkenshouderij in stand houdt;

varkenshouderij:

een landbouwonderneming voor het houden van varkens die voldoet aan de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 702/2014 vastgestelde criteria;

varkenshouderijlocatie:

een plaats waar een varkenshouderij is gevestigd;

varkensrecht:

het varkensrecht, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel y, van de Meststoffenwet.

Artikel 2 Geurscore

De geurscore van een varkenshouderijlocatie wordt bepaald met behulp van de volgende methode:

  • a. de geurbelasting, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, van de varkenshouderij op geurgevoelige objecten binnen een straal van 1.000 meter vanaf het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten van de varkenshouderijlocatie wordt berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied en met overeenkomstige toepassing van artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij;

  • b. de voor deze geurgevoelige objecten berekende geurbelasting, voor zover deze ten minste 2,0 odour units per kubieke meter lucht bedraagt, wordt met toepassing van bijlage 1 omgezet in een weegfactor per geurgevoelig object;

  • c. de in onderdeel b bedoelde weegfactoren worden opgeteld tot de geurscore.

Artikel 3 Kaderbesluit nationale EZ-subsidies

De artikelen 6, 8, 22, 23, 26, 28, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2 Criteria voor subsidieverstrekking

Artikel 4 Grondslag

  • 1. De minister kan een varkenshouder op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie indien de geurscore van die locatie meer bedraagt dan 0,4 en voor zover die locatie is gelegen binnen een concentratiegebied.

  • 2. Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een varkenshouder die artikel 19, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden.

Artikel 5 Vereisten

Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie zoals bedoeld in artikel 4 indien:

  • a. niet langer varkens op de varkenshouderijlocatie worden gehouden;

  • b. de meststoffen van varkens zijn verwijderd van de varkenshouderijlocatie;

  • c. overeenkomstig artikel 31, eerste lid, Meststoffenwet de varkenshouder een kennisgeving van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn varkensrecht heeft gedaan, waarbij ten minste het gedeelte van het varkensrecht vervalt dat vereist is voor het houden van 80% van het aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat gemiddeld in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 op de varkenshouderijlocatie is gehouden;

  • d. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer:

    • 1°. de varkenshouder, indien hij meldingsplichtig is voor de varkenshouderijlocatie op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bij het bevoegd gezag melding heeft gedaan dat hij op de varkenshouderijlocatie niet langer varkens houdt en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden en, indien de varkenshouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag de omgevingsvergunning beperkte milieutoets heeft ingetrokken; of

    • 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de varkenshouderijlocatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;

  • e. in het geval de varkenshouder voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming gedeputeerde staten deze vergunning heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat de vergunning alleen nog betrekking heeft op andere diersoorten dan de diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;

  • f. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de varkenshouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de varkenshouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve veehouderij kan worden gevestigd;

  • g. de varkenshouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om:

    • 1°. niet langer op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en ook geen andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

    • 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de varkenshouderijlocatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie varkens worden gehouden of andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;

    • 3°. geen varkens te gaan houden op een andere locatie dan waar hij ten tijde van de aanvraag reeds een varkenshouderijlocatie heeft; en

  • h. de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.

Artikel 6 Afwijzingsgronden

  • 1. De aanvraag van de varkenshouder wordt afgewezen indien:

    • a. de varkenshouder niet daadwerkelijk varkens voor productie heeft gehouden op de varkenshouderijlocatie of de daarvoor gebruikte productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is;

    • b. de omgevingsvergunning milieu of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, of de op de varkenshouderijlocatie gebruikte huisvestingssystemen niet voldoet respectievelijk niet voldoen aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting die gelden tot 1 januari 2020.

  • 2. De aanvraag kan worden afgewezen indien de varkenshouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het houden van varkens.

§ 3 Subsidiebedrag

Artikel 7 Subsidiecomponenten

De subsidie omvat:

  • a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het varkensrecht; en

  • b. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de varkenshouderijlocatie.

Artikel 8 Bijdrage vervallen varkenseenheden

  • 1. De in artikel 7, onderdeel a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen varkensrecht, voor zover dat vervallen varkensrecht niet meer bedraagt dan het varkensrecht dat vereist is voor het houden van 100% van het aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat gemiddeld in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 op de varkenshouderijlocatie is gehouden.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde waarde wordt bepaald op basis van:

    • a. de actuele waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid in het concentratiegebied waar de varkenshouderijlocatie is gelegen; en

    • b. het gedeelte van het varkensrecht dat vervalt.

  • 3. De minister stelt met het oog op de toepassing van dit artikel voor elk van de concentratiegebieden de actuele waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid vast aan de hand van de actuele marktprijs en maakt deze bedragen uiterlijk bekend op de dag voor de aanvang van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

Artikel 9 Bijdrage waardeverlies

  • 1. De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 65% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit.

  • 2. De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f.

§ 4 Aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 10 Openstellingsperiode en subsidieplafond

  • 1. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 25 november 2019 tot en met 15 januari 2020.

  • 2. Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 180.000.000,–.

Artikel 11 Aanvraag subsidieverlening

  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.

  • 2. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

    • b. de varkenshouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • c. gegevens over de emissieparameters van het verspreidingsmodel V-Stacks gebied;

    • d. het gemiddelde aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet, dat op de varkenshouderijlocatie is gehouden in de periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019;

    • e. het gedeelte van het varkensrecht, uitgedrukt in varkenseenheden, dat zal vervallen;

    • f. een opgave of de aanvrager voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming;

    • g. een opgave van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van:

      • 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en

      • 2°. het aantal m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.

  • 3. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:

    • a. een kopie van, voor zover van toepassing, de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu, betreffende de varkenshouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b. een verklaring van de aanvrager dat:

      • 1°. hij daadwerkelijk varkens voor productie heeft gehouden;

      • 2°. de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de beëindiging is gebruikt; en

      • 3°. de omgevingsvergunning milieu of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, of de op de varkenshouderijlocatie gebruikte huisvestingssystemen voldoen aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting die gelden tot 1 januari 2020;

    • c. een actuele kaart van de varkenshouderijlocatie, met aanduiding van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit.

Artikel 12 Berichtgeving aan bevoegd gezag

De minister stelt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, onder d, er van in kennis dat van de betreffende aanvrager een aanvraag op grond van deze regeling is ontvangen.

§ 5 Verdeling subsidieplafond

Artikel 13 Verdeling subsidieplafond

  • 1. De minister verdeelt het in artikel 10, tweede lid, bedoelde subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 2. De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate de geurscore van de desbetreffende varkenshouderijlocatie hoger is.

Artikel 14 Berichtgeving aan bevoegd gezag

De minister stelt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, onder d, er van in kennis dat de aanvraag van de betreffende aanvrager is toegewezen of afgewezen.

§ 6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 15 Fasering sluiting van een varkenshouderijlocatie

  • 1. De subsidieontvanger voldoet aan:

    • a. het vereiste, vermeld in artikel 5, onder g, binnen acht weken na de subsidieverlening;

    • b. de vereisten, vermeld in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, binnen acht maanden na de subsidieverlening;

    • c. het vereiste, vermeld in artikel 5, onder h, binnen veertien maanden na de subsidieverlening.

  • 2. Het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 5, onder h, vindt niet eerder plaats dan nadat de minister heeft geconstateerd dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, bedoelde vereisten.

Artikel 16 Informatieverplichting voortgang

De subsidieontvanger verstrekt de minister op diens verzoek informatie over de uitvoering van de in artikel 5 bedoelde vereisten.

§ 7 Bevoorschotting

Artikel 17 Bevoorschotting

  • 1. De minister verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk zes weken na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, onder g, een voorschot van 10% van het subsidiebedrag.

  • 2. De minister verstrekt de subsidieontvanger op aanvraag een voorschot van 70% van het subsidiebedrag uiterlijk zes weken nadat is vastgesteld dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, bedoelde vereisten.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel en bevat ten minste:

    • a. gegevens over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, bedoelde vereisten;

    • b. een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het varkensrecht, bedoeld in artikel 5, onder c;

    • c. een kopie van de in artikel 8.41, vierde lid, van de Wet milieubeheer bedoelde openbare kennisgeving van de melding, bedoeld in artikel 5, onder d, onder 1°, respectievelijk van de beschikking tot intrekking of wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 5, onder d, onder 1° en 2°;

    • d. in het geval de subsidieontvanger voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming een kopie van de beschikking tot intrekking of wijziging van die vergunning, bedoeld in artikel 5, onder e;

    • e. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 5, onder f, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.

§ 8 Subsidievaststelling

Artikel 18 Subsidievaststelling

De aanvraag om subsidievaststelling wordt uiterlijk dertien weken na afloop van de in artikel 15, eerste lid, onderdeel c, bedoelde termijn ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

§ 9 Slotbepalingen

Artikel 19

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 20

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling sanering varkenshouderijen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 10 oktober 2019

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2 VAN DE SUBSIDIEREGELING SANERING VARKENSHOUDERIJEN

Categorie

Geurbelasting (OUE/m3)

Hinderpercentage

Weegfactor

A

2–2,9

7%

0,07

B

3–4,9

10%

0,10

C

5–7,9

15%

0,15

D

8–13,9

21%

0,21

E

14–20

28%

0,28

F

20–32

36%

0,36

G

32 en hoger

40%

0,40

Categorieën van geurbelasting op een geurgevoelig object binnen een straal van 1.000 meter rond een productielocatie, met daaraan gekoppeld het hinderpercentage en de weegfactor.

BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 5, ONDERDEEL G, VAN DE SUBSIDIEREGELING SANERING VARKENSHOUDERIJEN

Model-overeenkomst

........... (bedrijfsnaam), gevestigd te ...; vertegenwoordigd door ......1, verder te noemen: de varkenshouder

en

de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, namens deze, ....... Directeur ......... van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

overwegende:

dat ingevolge de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (verder: de regeling), artikel 5, onderdeel g, een varkenshouder die subsidie op grond van de regeling ontvangt, zich bij overeenkomst met de Staat moet verbinden om:

  • 1°. niet langer op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en ook geen andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

  • 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de varkenshouderijlocatie aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie varkens worden gehouden of andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;

  • 3°. geen varkens te gaan houden op een andere locatie dan waar hij ten tijde van de aanvraag reeds een varkenshouderijlocatie heeft;

dat de aanvraag van de varkenshouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het saneren van de varkenshouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

  • 1. De varkenshouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 5 van de regeling, op de locatie niet opnieuw varkens gaan houden en evenmin pluimvee, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten of nertsen, ook niet via een (indirecte) deelneming in een vennootschap, samenwerkingsverband of anderszins.

  • 2. De varkenshouder zal niet op een andere locatie dan de hiervoor bedoelde locatie varkens gaan houden, ook niet via een (indirecte) deelneming in een vennootschap, samenwerkingsverband of anderszins. Deze verplichting geldt niet als het een locatie betreft waar de varkenshouder ten tijde van de aanvraag om subsidie op grond van de regeling reeds varkens hield.

  • 3. De varkenshouder zal bij al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan in de desbetreffende overeenkomst en/of akte een zogenaamd kettingbeding (laten) opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van varkens, pluimvee, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten of nertsen en dat elke volgende verkrijger of gebruiker aan dezelfde verplichting wordt verbonden.

Indien de varkenshouder een vennootschap of een samenwerkingsverband zoals een maatschap, vennootschap onder firma of coöperatie betreft, gelden de verplichtingen zoals vastgelegd in de artikelen 1, 2 en 3 van deze overeenkomst op overeenkomstige wijze voor alle aandeelhouders (terugwerkend naar een natuurlijke persoon) c.q. maten c.q. vennoten etc. van deze vennootschap c.q. dit samenwerkingsverband. Ter bevestiging hiervan wordt deze overeenkomst mede door hen ondertekend.

De Staat der Nederlanden

namens deze: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

namens deze: .............................

Datum en plaats: .......................

Naam varkenshouder2

namens deze: ..........................

Datum en plaats: ....................

Indien van toepassing wordt, overeenkomstig het in artikel 4 bepaalde, deze overeenkomst mede ondertekend door:

(Naam aandeelhouder, maat, vennoot, etc.3)

(namens deze: .......................)

(Datum en plaats: .................)

(Naam aandeelhouder, maat, vennoot, etc.4)

(namens deze: .......................)

(Datum en plaats: .................)

Etc.

BIJLAGE 3, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 9, TWEEDE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING SANERING VARKENSHOUDERIJEN

Bedrag per m2 van een dierenverblijf voor het houden van varkens, gerelateerd aan de levensduur van het dierenverblijf

 

maanden

Leeftijd

In jaren

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

0

€ 469,2

€ 468,4

€ 467,7

€ 466,9

€ 466,1

€ 465,3

€ 464,5

€ 463,7

€ 463,0

€ 462,2

€ 461,4

€ 460,6

1

€ 459,8

€ 459,0

€ 458,3

€ 457,5

€ 456,7

€ 455,9

€ 455,1

€ 454,3

€ 453,6

€ 452,8

€ 452,0

€ 451,2

2

€ 450,4

€ 449,6

€ 448,9

€ 448,1

€ 447,3

€ 446,5

€ 445,7

€ 444,9

€ 444,2

€ 443,4

€ 442,6

€ 441,8

3

€ 441,0

€ 440,2

€ 439,5

€ 438,7

€ 437,9

€ 437,1

€ 436,3

€ 435,5

€ 434,8

€ 434,0

€ 433,2

€ 432,4

4

€ 431,6

€ 430,8

€ 430,1

€ 429,3

€ 428,5

€ 427,7

€ 426,9

€ 426,1

€ 425,4

€ 424,6

€ 423,8

€ 423,0

5

€ 422,2

€ 421,4

€ 420,7

€ 419,9

€ 419,1

€ 418,3

€ 417,5

€ 416,7

€ 416,0

€ 415,2

€ 414,4

€ 413,6

6

€ 412,8

€ 412,0

€ 411,3

€ 410,5

€ 409,7

€ 408,9

€ 408,1

€ 407,3

€ 406,6

€ 405,8

€ 405,0

€ 404,2

7

€ 403,4

€ 402,6

€ 401,9

€ 401,1

€ 400,3

€ 399,5

€ 398,7

€ 397,9

€ 397,2

€ 396,4

€ 395,6

€ 394,8

8

€ 394,0

€ 393,2

€ 392,5

€ 391,7

€ 390,9

€ 390,1

€ 389,3

€ 388,5

€ 387,8

€ 387,0

€ 386,2

€ 385,4

9

€ 384,6

€ 383,8

€ 383,1

€ 382,3

€ 381,5

€ 380,7

€ 379,9

€ 379,1

€ 378,4

€ 377,6

€ 376,8

€ 376,0

10

€ 375,2

€ 374,4

€ 373,7

€ 372,9

€ 372,1

€ 371,3

€ 370,5

€ 369,7

€ 369,0

€ 368,2

€ 367,4

€ 366,6

11

€ 365,8

€ 365,0

€ 364,3

€ 363,5

€ 362,7

€ 361,9

€ 361,1

€ 360,3

€ 359,6

€ 358,8

€ 358,0

€ 357,2

12

€ 356,4

€ 355,6

€ 354,9

€ 354,1

€ 353,3

€ 352,5

€ 351,7

€ 350,9

€ 350,2

€ 349,4

€ 348,6

€ 347,8

13

€ 347,0

€ 346,2

€ 345,5

€ 344,7

€ 343,9

€ 343,1

€ 342,3

€ 341,5

€ 340,8

€ 340,0

€ 339,2

€ 338,4

14

€ 337,6

€ 336,8

€ 336,1

€ 335,3

€ 334,5

€ 333,7

€ 332,9

€ 332,1

€ 331,4

€ 330,6

€ 329,8

€ 329,0

15

€ 328,2

€ 327,4

€ 326,7

€ 325,9

€ 325,1

€ 324,3

€ 323,5

€ 322,7

€ 322,0

€ 321,2

€ 320,4

€ 319,6

16

€ 318,8

€ 318,0

€ 317,3

€ 316,5

€ 315,7

€ 314,9

€ 314,1

€ 313,3

€ 312,6

€ 311,8

€ 311,0

€ 310,2

17

€ 309,4

€ 308,6

€ 307,9

€ 307,1

€ 306,3

€ 305,5

€ 304,7

€ 303,9

€ 303,2

€ 302,4

€ 301,6

€ 300,8

18

€ 300,0

€ 299,2

€ 298,5

€ 297,7

€ 296,9

€ 296,1

€ 295,3

€ 294,5

€ 293,8

€ 293,0

€ 292,2

€ 291,4

19

€ 290,6

€ 289,8

€ 289,1

€ 288,3

€ 287,5

€ 286,7

€ 285,9

€ 285,1

€ 284,4

€ 283,6

€ 282,8

€ 282,0

20

€ 281,2

€ 280,4

€ 279,7

€ 278,9

€ 278,1

€ 277,3

€ 276,5

€ 275,7

€ 275,0

€ 274,2

€ 273,4

€ 272,6

21

€ 271,8

€ 271,0

€ 270,3

€ 269,5

€ 268,7

€ 267,9

€ 267,1

€ 266,3

€ 265,6

€ 264,8

€ 264,0

€ 263,2

22

€ 262,4

€ 261,6

€ 260,9

€ 260,1

€ 259,3

€ 258,5

€ 257,7

€ 256,9

€ 256,2

€ 255,4

€ 254,6

€ 253,8

23

€ 253,0

€ 252,2

€ 251,5

€ 250,7

€ 249,9

€ 249,1

€ 248,3

€ 247,5

€ 246,8

€ 246,0

€ 245,2

€ 244,4

24

€ 243,6

€ 242,8

€ 242,1

€ 241,3

€ 240,5

€ 239,7

€ 238,9

€ 238,1

€ 237,4

€ 236,6

€ 235,8

€ 235,0

25

€ 234,2

€ 233,4

€ 232,7

€ 231,9

€ 231,1

€ 230,3

€ 229,5

€ 228,7

€ 228,0

€ 227,2

€ 226,4

€ 225,6

26

€ 224,8

€ 224,0

€ 223,3

€ 222,5

€ 221,7

€ 220,9

€ 220,1

€ 219,3

€ 218,6

€ 217,8

€ 217,0

€ 216,2

27

€ 215,4

€ 214,6

€ 213,9

€ 213,1

€ 212,3

€ 211,5

€ 210,7

€ 209,9

€ 209,2

€ 208,4

€ 207,6

€ 206,8

28

€ 206,0

€ 205,2

€ 204,5

€ 203,7

€ 202,9

€ 202,1

€ 201,3

€ 200,5

€ 199,8

€ 199,0

€ 198,2

€ 197,4

29

€ 196,6

€ 195,8

€ 195,1

€ 194,3

€ 193,5

€ 192,7

€ 191,9

€ 191,1

€ 190,4

€ 189,6

€ 188,8

€ 188,0

30

€ 187,2

€ 186,4

€ 185,7

€ 184,9

€ 184,1

€ 183,3

€ 182,5

€ 181,7

€ 181,0

€ 180,2

€ 179,4

€ 178,6

31

€ 177,8

€ 177,0

€ 176,3

€ 175,5

€ 174,7

€ 173,9

€ 173,1

€ 172,3

€ 171,6

€ 170,8

€ 170,0

€ 169,2

32

€ 168,4

€ 167,6

€ 166,9

€ 166,1

€ 165,3

€ 164,5

€ 163,7

€ 162,9

€ 162,2

€ 161,4

€ 160,6

€ 159,8

33

€ 159,0

€ 158,2

€ 157,5

€ 156,7

€ 155,9

€ 155,1

€ 154,3

€ 153,5

€ 152,8

€ 152,0

€ 151,2

€ 150,4

34

€ 149,6

€ 148,8

€ 148,1

€ 147,3

€ 146,5

€ 145,7

€ 144,9

€ 144,1

€ 143,4

€ 142,6

€ 141,8

€ 141,0

35

€ 140,2

€ 139,4

€ 138,7

€ 137,9

€ 137,1

€ 136,3

€ 135,5

€ 134,7

€ 134,0

€ 133,2

€ 132,4

€ 131,6

36

€ 130,8

€ 130,0

€ 129,3

€ 128,5

€ 127,7

€ 126,9

€ 126,1

€ 125,3

€ 124,6

€ 123,8

€ 123,0

€ 122,2

37

€ 121,4

€ 120,6

€ 119,9

€ 119,1

€ 118,3

€ 117,5

€ 116,7

€ 115,9

€ 115,2

€ 114,4

€ 113,6

€ 112,8

38

€ 112,0

€ 111,2

€ 110,5

€ 109,7

€ 108,9

€ 108,1

€ 107,3

€ 106,5

€ 105,8

€ 105,0

€ 104,2

€ 103,4

39

€ 102,6

€ 101,8

€ 101,1

€ 100,3

€ 99,5

€ 98,7

€ 97,9

€ 97,1

€ 96,4

€ 95,6

€ 94,8

€ 94,0

Indien de levensduur van het dierenverblijf meer is dan 40 jaar, wordt voor de bepaling van het waardeverlies per m2 uitgegaan van een bedrag van € 94,0.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

1

Inleiding

10

2

Beleidscontext

11

3

Doel van de subsidieregeling

12

4

Geurscore

13

5

Afwijzingsgronden

15

5.1

Vijfjaarseis

15

5.2

Gedoogstoppers

15

5.3

Overtredingen

16

6

Voorwaarden voor subsidieverstrekking

16

6.1

Afvoer dieren en mest

16

6.2

Vervallen van het varkensrecht

17

6.3

Borging sluiting productiecapaciteit

17

6.3.1

Intrekken omgevingsvergunning

18

6.3.2

Intrekken vergunning Wet natuurbescherming

18

6.3.3

Verzoek tot wijziging bestemmingsplan

18

6.3.4

Contractuele verbintenis toekomstige intensieve veehouderijactiviteiten

18

6.4

Sloopverplichting

19

7

Subsidiebedrag

19

7.1

Inleiding

19

7.2

Bijdrage vervallen varkenseenheden

20

7.3

Bijdrage waardeverlies productiecapaciteit

20

7.3.1

Keuze methodiek bepaling waardeverlies

20

7.3.2

Gecorrigeerde vervangingswaarde

21

7.3.3

Subsidiepercentage

22

7.4

Bevoorschottingsregime

23

8

Flankerend beleid, betrokkenheid van provincies en gemeenten

23

9

Europeesrechtelijke aspecten

24

10

Fiscale aspecten

26

10.1

Omzetbelasting

26

10.2

Winstbelasting

26

11

Persoonsgegevens

27

12

Regeldruk

28

12.1

Administratieve lasten

28

12.2

Nalevingskosten

29

13

Uitvoering en handhaving

31

14

Verantwoording

31

14.1

Publieke consultatie

31

14.2

Ex-ante evaluatie

32

I ALGEMEEN

1 Inleiding

In het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ (Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 34) zijn door het kabinet maatregelen aangekondigd om gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge veedichtheid te verminderen: “Het laatste decennium zijn we in Nederland geconfronteerd met de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge veedichtheid. Die kunnen en willen we niet negeren. [....] In samenspraak met de provincies (met name Noord-Brabant) wordt bezien hoe een warme sanering van de varkenshouderij in belaste gebieden kan worden vormgegeven”. Voor de aangekondigde maatregelen heeft het kabinet € 200 miljoen gereserveerd.

Per brief van 7 juli 2018 (Kamerstukken II 2017/18, 28 973, nr. 200) heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de Tweede Kamer geïnformeerd over het Hoofdlijnenakkoord dat zij heeft gesloten met vijf provincies (Noord-Brabant, Gelderland, Limburg, Utrecht en Overijssel), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de ketenpartijen uit de Coalitie Vitalisering Varkenshouderij, ter invulling van de in het Regeerakkoord aangekondigde maatregelen.

Om maximaal recht te doen aan de uitdagingen die er zowel op de korte als op de middellange en lange termijn liggen, zijn partijen een gecombineerde aanpak langs twee sporen overeengekomen. Het eerste spoor ziet op het op korte termijn verminderen van geuroverlast door varkensbedrijven in veedichte gebieden door het bieden van een subsidie voor het definitief en onherroepelijk beëindigen van varkenshouderijlocaties die geuroverlast geven (het saneringsspoor). Decentrale overheden (provincies en gemeenten) bieden varkenshouders die hun bedrijf of een locatie van hun bedrijf willen beëindigen daarbij ondersteuning via flankerend beleid. Voor het saneringsspoor is € 180 miljoen gereserveerd. Een deel van dit bedrag, € 60 miljoen, is beschikbaar gekomen uit het budget dat voor klimaatmaatregelen is gereserveerd ter uitvoering van het Urgenda-vonnis (Kamerstukken II 2018/2019 35 234, nr. 1 en nr. 2).

Het tweede spoor ziet op de ontwikkeling van en investeringen in nieuwe stal- en houderijsystemen in de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderij (het verduurzamingsspoor). Het verduurzamingsspoor moet de basis leggen voor een forse reductie en het brongericht voorkomen van schadelijke emissies uit stallen op de middellange en lange termijn. Voor het verduurzamingsspoor is € 60 miljoen gereserveerd, waarvan € 40 miljoen voor de varkens-, € 15 miljoen voor de pluimvee- en € 5 miljoen voor de melkgeitenhouderij.

Voor de uitvoering van beide sporen is een bedrag van maximaal € 12 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er, zoals aangekondigd in voornoemde Kamerbrief van 7 juli 2018, € 8 miljoen gereserveerd voor aanvullende flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij, bovenop de al eerder hiervoor gereserveerde middelen.

Deze regeling geeft invulling aan het saneringsspoor en is in samenwerking met genoemde partijen in het Hoofdlijnenakkoord tot stand gekomen. Voor het verduurzamingsspoor volgt een apart subsidiekader.

2 Beleidscontext

In delen van Nederland is sprake van een verhoudingsgewijs grote concentratie van veehouderijbedrijven en een grote veedichtheid. Deze situatie is in de afgelopen decennia ontstaan en is met name het gevolg van verplaatsing en concentratie van veehouderijbedrijven en schaalvergroting. Vooral op de zandgronden in de provincie Noord-Brabant en in het noordelijke deel van de provincie Limburg is sprake van een sterke concentratie van varkenshouderijen (bijvoorbeeld in De Peel en De Kempen), maar ook in gebieden in Gelderland en Overijssel (bijvoorbeeld de Gelderse Vallei) is dit het geval. Tegelijkertijd is in het landelijk gebied een grotere verwevenheid van de landbouwfunctie met andere functies ontstaan, zoals wonen en natuur. Woonkernen zijn uitgebreid en er zijn meer woonlocaties in het buitengebied ontstaan. Steeds meer bewoners van het buitengebied hebben geen historische binding met de veehouderij. Bewoners zijn zich meer en meer bewust van de effecten die de veehouderij kan hebben of heeft op hun gezondheid, op het milieu, de omgevingskwaliteit (verrommeling van en ondermijning in het buitengebied) en – meer algemeen gesteld – hun leefklimaat en -genot. Door beleid van zowel de Rijksoverheid als provincies en gemeenten is de milieudruk per dier(plaats) in de afgelopen decennia weliswaar fors afgenomen, door de verdergaande concentratie van de veestapel is de milieudruk op gebiedsniveau in bepaalde gebieden echter onverminderd hoog en zijn thema’s zoals volksgezondheid (zoönosen, antibioticaresistentie, fijnstof), stank-, geluidsoverlast en overlast door landbouwgerelateerd verkeer steeds prominenter geworden voor bewoners in die buitengebieden. Lang was in het buitengebied sprake van een haast vanzelfsprekend draagvlak voor de veehouderij. Die vanzelfsprekendheid neemt af. De veehouderij moet hernieuwd draagvlak verdienen door de overlast voor de omgeving terug te dringen en verder te verduurzamen.

Door de concentratie van (intensieve) veehouderijbedrijven is de situatie ontstaan dat de emissies door individuele bedrijven van onder andere geur, fijnstof en ammoniak weliswaar binnen de vergunningsvereisten kunnen vallen, maar dat door de cumulatie van emissies van aan elkaar grenzende bedrijven er in bepaalde gebieden toch sprake kan zijn van overlast. Daarnaast blijken bepaalde maatregelen die de emissies moeten beperken in de praktijk minder effectief dan gedacht. Zo is uit onderzoek gebleken dat de werking en effectiviteit van in de varkenshouderij veel gebruikte combi-luchtwassers in de praktijk aanzienlijk achterbleef bij de prestaties waar in de regelgeving van werd uitgegaan. De gemiddelde geurverwijdering van de combi-luchtwassers bleek in de praktijk 40% te bedragen, de helft van de verwachte gemiddelde reductie van 81%. Voor ammoniakverwijdering was de gemiddeld gemeten reductie 59%, ten opzichte van een verwachte reductie van 85% (Kamerstukken II 2017/18, 29 383, nr. 295).

Het toepassen van de regelgeving voor emissies van veehouderijbedrijven is een bevoegdheid van gemeenten en, in voorkomende gevallen, provincies en maakt onderdeel uit van het brede terrein van het omgevingsrecht. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening, waarin bij het toekennen van functies aan locaties geur een te beoordelen aspect is. Gemeenten zijn het bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen aan veehouderijbedrijven. In de toepassing daarvan (vergunningverlening en toezicht) ligt de focus op individuele locaties en inrichtingen, niet op de cumulatieve effecten die nabij gelegen veehouderijbedrijven en andere activiteiten in de directe omgeving hebben. Gemeenten moeten bij het vaststellen van geurnormen in een geurverordening de cumulatieve effecten wel meenemen. Daarnaast is cumulatie een onderdeel van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening. Echter, eerder toegekende vergunningen kunnen onder het huidige omgevingsrecht slechts onder strikte voorwaarden worden aangepast. Bij het vaststellen van de geurnormen in de Wet geurhinder en veehouderij is overigens de gemiddelde achtergrondbelasting wel meegenomen.

De voornoemde ontwikkelingen hebben geresulteerd in situaties waarbij, afhankelijk van de specifieke lokale omstandigheden, sprake is van een mate van overlast die het leefklimaat en het woongenot kan schaden. Met name geurhinder door varkenshouderijen zorgt voor problemen. Geurhinder kan bij de mens verschillende reacties en effecten veroorzaken, die bij toenemende blootstelling kunnen leiden tot lichamelijke (hoofdpijn, misselijkheid, verstoorde ademhaling en verstoorde hartslag) en/of psychische klachten (spanningen, structurele onvrede over het woon- en leefklimaat, vermindering van activiteiten buitenshuis). Geurhinder kan tot waardevermindering van bestaande woningen leiden en de mogelijkheden voor nieuwbouw beperken. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het leefklimaat en -genot van mensen en voor de inrichting van het landelijk gebied.

Om de meest urgente overlast door varkenshouderijen op korte termijn aan te pakken, heeft het kabinet daarom besloten tot een warme sanering van varkenshouderijlocaties in veedichte gebieden. Bij de uitwerking hiervan zijn geur en de geuroverlast die wordt veroorzaakt door varkenshouderijlocaties, het aangrijpingspunt

3 Doel van de subsidieregeling

Doel van de subsidieregeling is het op korte termijn verminderen van geuroverlast die wordt veroorzaakt door varkenshouderijlocaties in veedichte gebieden. Dit wordt gerealiseerd door op varkenshouderijlocaties die geuroverlast geven de bestaande productie van varkens en de op de locatie aanwezige productiecapaciteit definitief en onherroepelijk te beëindigen. Het gaat om een subsidieregeling voor varkenshouders die hun bedrijf of een locatie van hun bedrijf willen beëindigen, maar die zonder financiële ondersteuning deze stap veelal niet kunnen zetten. Hier speelt vaak een combinatie van factoren: verouderde bedrijven of locaties, oudere ondernemers zonder bedrijfsopvolger, het ontbreken van financiële armslag om te verduurzamen of uit te breiden, het ontbreken van milieuruimte om groei te realiseren, of een combinatie van factoren. Zonder financiële ondersteuning en zonder begeleiding bij zowel het beëindigen van de varkenshouderij of de varkenshouderijlocatie als bij het creëren van een toekomstperspectief, blijven veel van de bedoelde varkenshouders noodgedwongen hun bedrijf en daarmee de overlast voortzetten. Dit heeft een negatief effect op de kwaliteit van de leefomgeving, het draagvlak voor de varkenshouderij en het remt de verduurzaming van de varkenshouderijsector als geheel. De doelgroep van de regeling wordt daarmee gevormd door varkenshouders die geuroverlast voor omwonenden in hun directe omgeving veroorzaken en die vrijwillig hun varkenshouderijbedrijf of een locatie van hun varkenshouderijbedrijf definitief en onherroepelijk willen beëindigen.

Varkenshouders kunnen op grond van de regeling een subsidie krijgen om hun varkenshouderijbedrijf of een locatie van hun varkenshouderijbedrijf definitief en onherroepelijk te beëindigen. De hoogte van de subsidie wordt bepaald door de omvang van het door te halen varkensrecht (uitgedrukt in varkenseenheden) en het waardeverlies van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit (dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders). Om te komen tot een doelmatige besteding van de beschikbare middelen is de regeling zo ingericht dat varkenshouderijlocaties die de grootste geuroverlast voor omwonenden veroorzaken, met voorrang voor subsidie in aanmerking komen. Een varkensbedrijf kan uit verschillende varkenshouderijlocaties bestaan. Of sprake is van geuroverlast moet per varkenshouderijlocatie worden bepaald. Het is dan ook mogelijk voor een varkenshouder met een varkenshouderijbedrijf dat bijvoorbeeld bestaat uit twee locaties om voor het sluiten van de ene locatie subsidie te vragen, terwijl op de andere locatie de bedrijfsvoering wordt voortgezet. De subsidieregeling is dus gericht op het sluiten van varkenshouderijlocaties die geuroverlast geven. De doelgroep van deze regeling is verder ingekaderd tot varkenshouders met een varkenshouderijlocatie in de gebieden met de hoogste concentratie aan varkensbedrijven en bijgevolg de grootste geuroverlast, te weten de concentratiegebieden Zuid en Oost zoals gedefinieerd in bijlage I van de Meststoffenwet (delen van de provincies Noord-Brabant en Limburg, respectievelijk van de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht). In deze concentratiegebieden wordt circa 84% van de varkens gehouden.

Het doel van de regeling wordt gerealiseerd door het definitief en onherroepelijk sluiten van varkenshouderijlocaties. Naast vermindering van geuroverlast heeft de regeling nog andere effecten, namelijk een:

  • blijvende krimp van de varkensstapel en het aantal varkenshouderijlocaties, naar verwachting vooral in concentratiegebied Zuid;

  • dienovereenkomstige afname van de productie van dierlijke mest (stikstof en fosfaat);

  • afname van de emissies van ammoniak, fijn stof en methaan;

  • bijdrage aan het realiseren van de maatregelen die voor de veehouderij worden genoemd in het Voorstel voor een Klimaatakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. H);

  • verbetering van het algehele leefklimaat in het buitengebied, niet alleen door reductie van emissies, maar ook door afname van het aantal transportbewegingen, tegengaan van verrommeling en voorkomen van ondermijning.

4 Geurscore

Het aangrijpingspunt voor de regeling is de geurbelasting van individuele varkenshouderijlocaties op woningen in de directe omgeving. Het gaat daarbij om de actuele geurbelasting op geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de productielocatie, uitgedrukt in een geurscore. De methodiek van de geurscore is uitsluitend van toepassing in het kader van deze regeling.

Bij de keuze voor de methodiek van de geurscore is gebruik gemaakt van de ervaring bij de uitvoering van de Regeling omgevingskwaliteit fase 1 (ROK) uit 2018. De ROK is opgesteld door het Ontwikkelingsbedrijf Varkenshouderij in het kader van de uitwerking van het Actieplan vitalisering varkenshouderij (Kamerstuk 28 973, nr. 180). De ROK wordt uitgevoerd in opdracht van de Coalitie Vitalisering Varkenshouderij. Eén van de doelen van het actieplan is het verantwoord laten stoppen van varkensbedrijven zonder toekomstperspectief en het saneren van niet duurzame bedrijfslocaties. De ROK is een pilot om te bezien of een saneringsaanpak aanslaat in de sector en effectief is. De ROK bestaat uit twee fasen. Fase 1 is inmiddels afgerond en deze voorzag in het verstrekken van een financiële bijdrage aan varkenshouders die hun bedrijf uitoefenden op een locatie die geuroverlast gaf voor de directe leefomgeving en die hun bedrijf wilden beëindigen. In fase 1 van de ROK werd de geurbelasting van een individuele varkenshouderijlocatie op de omgeving berekend. Een varkenshouder die voldeed aan de voorwaarden van de ROK, ontving een marktconforme vergoeding voor de varkensrechten en een beëindigingsvergoeding. Voor fase 1 was € 5 miljoen beschikbaar gesteld uit de eerste nationale envelop Europese crisismiddelen en een lening van € 3 miljoen door de Rabobank. Op Europese crisismiddelen zijn de staatssteunkaders niet van toepassing. In fase 1 zijn 43.221 varkenseenheden opgekocht. Fase 2 van de ROK is bedoeld voor varkenshouders die op een geschikte locatie willen investeren in innovaties gericht op duurzaamheid én verbetering van de leefomgeving voor mens en dier. Varkenshouders die aantoonbaar stappen zetten, kunnen de in fase 1 opgekochte varkensrechten tegen een gereduceerde prijs aanschaffen. Aanmelding voor fase 2 was mogelijk tussen 15 september en 15 december 2018. In fase 2 zijn 16.909 varkenseenheden tegen gereduceerd tarief verkocht aan acht varkenshouders. Voor de overige 26.312 varkenseenheden is binnen fase 2 van de ROK geen geschikte afnemer gevonden. Deze varkenseenheden zullen om die reden tegen marktconforme prijzen op de markt gezet worden.

In lijn met de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object bepaald aan de hand van de kenmerken van de emissiepunten op een varkenshouderijlocatie (onder andere het aantal, de ligging, hoogte en diameter van de emissiepunten), van de afstand van de emissiepunten tot het geurgevoelige object, de wijze van ventileren van de varkensstallen en de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot, uitgedrukt in Europese odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3).

Onder een geurgevoelig object wordt in het kader van de regeling een woning verstaan die gebruikt wordt voor permanente bewoning, zijnde een woning die in de Basisregistratie adressen en gebouwen is vermeld als verblijfsobject met een woonfunctie, met uitzondering van woningen die deel uitmaken van een landbouwonderneming voor het houden van landbouwhuisdieren. Uitsluitend verblijfsobjecten met een woonfunctie die zich binnen een straal van 1.000 meter van een varkenshouderijlocatie bevinden, worden betrokken bij de bepaling van de geurscore. De geurscore heeft geen betrekking op bedrijfswoningen van veehouderijondernemingen omdat hierbij veelal sprake is van geurhinder van de eigen onderneming. Voor het selecteren van geurgevoelige objecten binnen een straal van 1.000 meter rond de productielocatie wordt gebruik gemaakt van de openbare gegevens uit de Landelijk Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen (LV-BAG), dat beheerd wordt door het Kadaster.

De hoogte van de geurscore wordt bepaald door de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot (de geuremissie), de afstand tussen de varkenshouderijlocatie en geurgevoelig object(en) en het aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie. Op basis van de geuremissie en de afstand wordt per geurgevoelig object de geurbelasting op dat object bepaald5. Dit gebeurt aan de hand van het model V-Stacks-gebied. Dit wijkt af van het model dat wordt gebruikt voor de toetsing aan de regelgeving voor geurhinder van veehouderijen, het model V-Stacks-vergunning. Beide modellen zijn opgebouwd rond dezelfde rekenmodule. V-Stacks-gebied heeft in het gebruik voor deze regeling echter een aantal voordelen ten opzichte van V-Stacks-vergunning. V-Stacks-gebied leent zich beter voor het geautomatiseerd inlezen van databestanden over de omgeving van een veehouderijlocatie en de uitvoergegevens zijn inzichtelijker en gemakkelijker te combineren met geografische informatiesystemen. V-Stacks-gebied is gemaakt in opdracht van het toenmalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)6.

Er is sprake van geurhinder als iemand herhaaldelijk geur waarneemt, deze onaangenaam vindt, deze negatief is voor zijn welbehagen en hij zich niet makkelijk er aan kan onttrekken. De mate waarin iemand geur als hinderlijk ervaart, hangt af van de mate van blootstelling, maar ook van bijvoorbeeld de onaangenaamheid van de geur (de geurbeleving), persoonsafhankelijke kenmerken en eigenschappen (zoals karakter en lichamelijke gezondheid) en de binding die iemand heeft met het bedrijf dat de geur veroorzaakt en, meer algemeen, met de agrarische sector. Voor het bepalen van de geurscore wordt om die reden niet rechtstreeks de geurbelasting in Europese odour units per kubieke meter lucht op geurgevoelige objecten binnen een straal van 1.000 meter gehanteerd, maar wordt uitgegaan van de mate van geurhinder die ervaren wordt bij de vastgestelde geurbelasting: het hinderpercentage. Het hinderpercentage geeft aan welk deel van de mensen bij een bepaalde geurbelasting hinder ondervindt. Dat hinderpercentage wordt vervolgens in een weegfactor vertaald. Op basis van tabel B uit bijlage 6 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij 7 is een tabel opgesteld met categorieën van geurbelasting en de daarbij behorende hinderpercentages en weegfactoren. In de ROK werden vijf categorieën onderscheiden, waarbij de hoogste categorie de geurbelasting van 14 OUE/m3 en hoger omvatte. Om beter rekening te kunnen houden met situaties waarbij sprake is van een hoge tot zeer hoge geurbelasting, worden voor deze regeling twee extra categorieën onderscheiden, met dienovereenkomstige hogere hinderpercentages en weegfactoren. Dit resulteert in de onderstaande tabel 1, die als bijlage 1 integraal deel uitmaakt van de regeling.

Tabel 1: Categorieën van geurbelasting met de bijbehorende hinderpercentages en weegfactoren.

Categorie

Geurbelasting (OUE/m3)

Hinder-percentage

Weegfactor

A

2 tot 3,0

7%

0,07

B

3,0 tot 5,0

10%

0,10

C

5,0 tot 8,0

15%

0,15

D

8,0 tot 14,0

21%

0,21

E

14,0 tot 20,0

28%

0,28

F

20,0 tot 32,0

36%

0,36

G

32,0 en hoger

40%

0,40

Bij de behandeling van een subsidieaanvraag wordt de geurscore van een varkenshouderijlocatie vastgesteld door de geurbelasting, het hinderpercentage en de bijbehorende weegfactor van elk van de geurgevoelige objecten binnen een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie te bepalen en door vervolgens de weegfactoren van alle geurgevoelige objecten bij elkaar op te tellen. Zie voor een voorbeeldberekening onderstaande tabel 2.

Tabel 2: Voorbeeld van de berekening van een geurscore van een individuele varkenshouderijlocatie op basis van de geurbelasting, het hinderpercentage, de bijbehorende weegfactor en het aantal geurgevoelige objecten binnen een straal van 1.000 meter.

Categorie

Geurbelasting (OUE/m3)

Hinder-percentage

Weegfactor

Aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter (fictief)

Geurscore per categorie

A

2 tot 3,0

7%

0,07

20

1,40

B

3,0 tot 5,0

10%

0,10

5

0,50

C

5,0 tot 8,0

15%

0,15

3

0,45

D

8,0 tot 14,0

21%

0,21

2

0,42

E

14,0 tot 20,0

28%

0,28

0

0

F

20,0 tot 32,0

36%

0,36

1

0,36

G

32,0 en hoger

40%

0,40

0

0

Geurscore

       

3,13

Aanvragen voor een subsidie worden uitsluitend in behandeling genomen indien de geurscore gelijk of hoger is dan 0,40. Deze drempelwaarde is zo gekozen dat in het geval er zich binnen een straal van 1.000 meter rond een varkenshouderijlocatie een geurgevoelig object uit categorie G (zie tabel 1) bevindt, de betreffende locatie voldoet aan de drempelwaarde. Zonder drempelwaarde zou elke varkenshouderijlocatie in concentratiegebied Zuid en Oost voor subsidie in aanmerking kunnen komen, ongeacht de mate van geuroverlast. Dit zou afbreuk doen aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling.

Aanvragen die voldoen aan alle voorwaarden worden gerangschikt op de behaalde geurscore. Indien het subsidieplafond niet toereikend is om al deze aanvragen toe te wijzen, wordt voorrang gegeven aan de aanvragen met de hoogste geurscore. Met het rangschikken en selecteren op geurscore en het hanteren van een drempelwaarde wordt geborgd dat de beschikbare middelen doelmatig en doeltreffend worden ingezet.

5 Afwijzingsgronden

5.1 Vijfjaarseis

De regeling is gericht op het verminderen van geuroverlast die wordt veroorzaakt door varkenshouderijlocaties. Bedrijven of locaties waar feitelijk geen varkens worden gehouden, komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. Verder is van belang dat uit het relevante Europese staatssteunkader, de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (2014/C 204/01; hierna: de Richtsnoeren), een meer specifieke eis voortvloeit voor de verkrijging van een saneringssubsidie: uitsluitend varkenshouderijen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend varkenshouderijlocaties die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken zijn gebruikt, komen voor subsidie in aanmerking. Het vereiste van onafgebroken gebruik heeft betrekking op de productiecapaciteit op de betreffende varkenshouderijlocatie, te weten de voor het houden van varkens gebruikte dierenverblijven (varkensstallen), mest- en voersilo’s en mestkelders. Als een varkensstal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg heeft gestaan, wordt nog steeds voldaan aan het vereiste van onafgebroken gebruik. Kortdurende leegstand van een varkensstal, bijvoorbeeld tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens en de komst van een nieuwe ronde of tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte, hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zulks te beoordelen naar de feitelijke omstandigheden.

5.2 Gedoogstoppers

Er zijn varkenshouders die deelnemen aan de zogenaamde stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij, het landelijk gedoogbeleid bij het Besluit emissiearme huisvesting. Het Actieplan dateert uit 2009 en is opgesteld door de Rijksoverheid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de sector. Het Actieplan is per brief van 1 december 2009 door de toenmalig Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer aangekondigd (Kamerstukken II 2009/10, 30 654, nr. 76). In het Actieplan Ammoniak Veehouderij werd rekening gehouden met varkens- en pluimveehouders die voornemens waren om binnen afzienbare tijd na 2013 te stoppen met hun bedrijf. Verplichte bedrijfsaanpassing aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting zou voor deze veehouders betekenen dat zij voor slechts korte tijd grote investeringen zouden moeten doen. Daarom is hen in het actieplan de mogelijkheid geboden om hun bedrijf zonder aanpassing nog voort te zetten tot uiterlijk 20168. Deze periode is in 2015 verlengd tot 1 januari 2020. Voorwaarde was dat deze bedrijven vanaf 1 januari 2013 met andere maatregelen een even grote emissiereductie zouden realiseren als wanneer zou worden voldaan aan de emissiereductie-eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Het betrof hierbij snel inzetbare maatregelen (stal-, management- en voermaatregelen, minder dieren9). De stoppersregeling geldt tot 1 januari 2020. Bedrijven die deelnemen aan de stoppersregeling moeten ofwel vóór 1 januari 2020 stoppen met de veehouderijtak die niet voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting, ofwel uiterlijk per 1 januari 2020 alsnog voldoen aan de vereisten van dat Besluit en beschikken over een nieuwe omgevingsvergunning.

Het ligt niet in de rede om deelnemers aan de stoppersregeling voor een saneringssubsidie in aanmerking te laten komen. Een varkenshouder die deelneemt aan de stoppersregeling heeft er al jaren geleden voor gekozen om niet te investeren in een varkenshouderijlocatie en moet per 1 januari 2020 stoppen op de betreffende locatie indien niet wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. Het is niet zinvol en niet doelmatig om subsidie te verstrekken voor de sluiting van een varkenshouderijlocatie als die sluiting ook zonder die subsidie plaatsvindt. In verband hiermee komen varkenshouders die voor een locatie deelnemen aan de stoppersregeling en dus daarvoor niet voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting, voor die locatie niet in aanmerking voor een subsidie op grond van deze regeling.

Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de eis uit de Richtsnoeren dat in gevallen waarin de productiecapaciteit al definitief is gesloten of waarin een dergelijke sluiting onvermijdelijk lijkt, geen steun verleend mag worden, aangezien er door de begunstigde geen tegenprestatie geleverd wordt (zie ook paragraaf 9).

5.3 Overtredingen

De regeling strekt er toe varkenshouders in de gelegenheid te stellen om hun (geuroverlastgevende) varkenshouderijlocatie te sluiten, waarbij uitgangspunt is dat het gaat om varkenshouders die op een bonafide wijze produceren. Hierbij is relevant dat de Richtsnoeren als voorwaarde stellen dat alleen ondernemingen die aan de Unienormen voldoen, voor steun in aanmerking komen. Voorkomen moet daarom worden dat subsidie wordt verleend aan varkenshouders die zich niet houden of hebben gehouden aan de wettelijke normen voor het houden van varkens en daarmee veelal lagere productiekosten hebben.

Voor subsidies van de Europese Unie in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid wordt naleving van de betreffende Unienormen bevorderd via een systeem van randvoorwaarden, ook wel bekend als cross compliance. Indien betrokkene zich niet aan een zogenaamde basisnorm heeft gehouden, vindt er een korting op een verleende subsidie plaats, waarvan de hoogte afhankelijk is van de aard en ernst van de overtreding. Dit is mede gestoeld op de gedachte dat de reden voor de steunverlening is gelegen in het feit dat het wettelijke regime tal van verplichtingen voor betrokkene oplevert. Als hij zich daar niet aan houdt, is er dus geen of minder reden voor steunverlening.

In het kader van deze subsidieregeling is de toepassing van een kortingspercentage niet opportuun. Een varkenshouder komt in aanmerking voor de gevraagde subsidie, of niet. Daarom is bezien wanneer er sprake is van zodanig ernstige overtredingen dat dit reden is om een subsidieaanvraag af te wijzen. Daarvan is in elk geval sprake als een varkenshouder zijn productierecht heeft overschreden en meer varkens heeft gehouden dan waartoe hij gerechtigd is. De Meststoffenwet en daarop gebaseerde regelgeving voorziet in een wettelijk kader voor de productie (het stelsel van varkensrechten), het gebruik en het transport van mest dat wordt geborgd met administratieve verplichtingen. Het is van groot belang dat registraties en opgaven waarheidsgetrouw zijn omdat het doel van het productierechtenstelsel anders wordt ondergraven, met als gevolg illegale productie en afzet van meststoffen, financieel gewin voor betrokkene ten koste van het milieu en ook ten nadele van collega’s die wel produceren met de kosten van het vereiste varkensrecht. Voorkomen moet worden dat een varkenshouder die zich met overtreding van de norm van het varkensrecht heeft verrijkt, aanspraak kan maken op een subsidie op grond van deze regeling. In verband hiermee worden dergelijke aanvragers uitgesloten van de doelgroep van de regeling (artikel 4, tweede lid).

Ook andere ernstige overtredingen kunnen reden zijn voor afwijzing van de subsidieaanvraag. In het bijzonder gaat het om (andere) overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. De regeling bevat een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag te kunnen afwijzen (artikel 6, tweede lid).

Bij de beoordeling of een overtreding zoals bedoeld in de artikelen 4 en 6 heeft plaatsgevonden, wordt als criterium gehanteerd of een straf is opgelegd door het openbaar ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in de afgelopen vijf jaar is begaan.

6 Voorwaarden voor subsidieverstrekking

Doel van de regeling is het verminderen van geuroverlast door het definitief en onherroepelijk sluiten van varkenshouderijlocaties. Om dit te borgen dient de varkenshouder een aantal stappen te zetten. Het betreft deels maatregelen die direct samenhangen met de bedrijfsvoering: het afvoeren van de varkens, het leeghalen van de mestkelders, het laten doorhalen van het varkensrecht, het in voorkomend geval intrekken van de vergunning Wet natuurbescherming en het intrekken van de omgevingsrechtelijke toestemming (vergunning of melding). Andere maatregelen zien op het bestendigen van de bedrijfsbeëindiging: het in gang zetten van een wijziging van het bestemmingsplan, het slopen van de voor de varkenshouderij gebruikte dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders en het zich middels een schriftelijke overeenkomst verbinden aan het blijvende karakter van de sluiting van de varkenshouderijlocatie. Deze schriftelijke overeenkomst dient binnen acht weken na de subsidieverlening te worden gesloten. Als de varkenshouder deze overeenkomst heeft gesloten, mag er van uit worden gegaan dat hij ook daadwerkelijk zal overgaan tot het saneren van de betreffende locatie. De andere stappen, afgezien van de sloop, dienen binnen acht maanden na subsidieverlening gerealiseerd te zijn. Deze termijn is zo gekozen dat varkenshouders na subsidieverlening nog een ronde vleesvarkens en/of biggen af kunnen leveren, zodat zij niet gedwongen worden om drachtige zeugen of vleesvarkens die nog niet slachtrijp zijn te laten slachten. Voor gesloten varkensbedrijven kan de termijn van acht maanden inhouden dat de laatste ronde biggen niet meer op het eigen bedrijf afgemest kan worden. Voor sloop van de voor de varkenshouderij gebruikte dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders geldt een termijn van totaal veertien maanden na subsidieverlening.

6.1 Afvoer dieren en mest

Een eerste voorwaarde voor subsidieverstrekking is dat de varkenshouder al zijn varkens van de betreffende productielocatie afvoert. Hij dient tevens de aanwezige varkensmest van zijn bedrijf af te (laten) voeren. De aanwezigheid van mest kan immers aanzienlijke geurhinder veroorzaken. Het gaat bij de maatregelen die binnen acht maanden na subsidieverstrekking uitgevoerd moeten worden om de varkensmest die verpompbaar is. Een eventueel aanwezige bezinklaag die niet verpompbaar is, zal ten tijde van de sloop (zie paragraaf 6.4) alsnog, volgens de uit de Meststoffenwet geldende regels, afgevoerd dienen te worden.

6.2 Vervallen van het varkensrecht

Een andere voorwaarde voor subsidieverstrekking is het laten doorhalen van het varkensrecht of een deel daarvan. Een varkenshouder dient op grond van de Meststoffenwet te beschikken over een varkensrecht, uitgedrukt in varkenseenheden, dat overeenkomt met het gemiddeld aantal varkens dat gedurende een kalenderjaar wordt gehouden. Bij de beëindiging van de productie op een varkenshouderijlocatie hoort, naast de afvoer van de aanwezige varkens en varkensmest, tevens het definitief laten doorhalen van het varkensrecht door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO.nl). Gelet op het belang van beperking van geuroverlast en verbetering van het leefklimaat is het niet wenselijk dat bedrijfsbeëindiging op de ene plaats via overdracht van het varkensrecht kan leiden tot het starten of vergroten van een varkenshouderij op een andere locatie. Daarom is voorzien dat het varkensrecht dat voor de te sluiten productielocatie is gebruikt, definitief komt te vervallen. Hiertoe dient de varkenshouder een kennisgeving te doen aan RVO.nl via het formulier ‘Wijziging vervallen van dierproductierechten’.

De regeling bevat een norm voor het varkensrecht, uitgedrukt in varkenseenheden, dat ten minste moet vervallen. Daarbij is het volgende van belang. Het varkensrecht is bij RVO.nl geregistreerd op naam van de varkenshouder en, in geval sprake is van meerdere varkenshouderijlocaties, niet uitgesplitst naar locatie. Indien een varkenshouder meer dan één varkenshouderijlocatie heeft is niet uit de registratie bij RVO.nl af te leiden welk deel van het varkensrecht rust op een van zijn locaties. In verband hiermee is het deel van het varkensrecht dat moet vervallen gerelateerd aan het aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat in 2018 gemiddeld is gehouden op de betreffende locatie. Het te vervallen varkensrecht, uitgedrukt in varkenseenheden, bedraagt minimaal 80% van dat varkensrecht. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het aantal varkenseenheden dat komt te vervallen. De varkenshouder dient in verband hiermee bij de subsidieaanvraag op te geven hoeveel varkenseenheden hij wil laten vervallen. Op grond van de regeling wordt voor maximaal 100% van het varkensrecht subsidie verstrekt.

Het minimumpercentage van 80% is gekozen om recht te doen aan de situatie, die in de praktijk veel voorkomt, dat een varkenshouder niet het gehele varkensrecht (niet alle varkenseenheden) dat op zijn bedrijf rust volledig in eigendom heeft, maar deels ook gebruik maakt van varkenseenheden die worden geleased van derden. Een vereiste waarbij varkenshouders het gehele varkensrecht (voor alle varkenseenheden) dat nodig is voor een productielocatie, zouden moeten laten vervallen, zou een aanzienlijk deel van de doelgroep bij voorbaat uitsluiten of zou betekenen dat varkenshouders eerst extra varkenseenheden moeten verwerven (in eigendom) om aan het vereiste te kunnen voldoen. Het maximumpercentage van 100% dient er toe om te voorkomen dat de regeling reden kan zijn om te speculeren met varkenseenheden. Dit zou zich voor kunnen doen als de prijs die op de vrije markt voor varkenseenheden betaald wordt, daalt na bekendmaking door de Minister van het subsidiebedrag per varkenseenheid (de actuele verkoopwaarde van een varkenseenheid, zie ook paragraaf 7.2).

6.3 Borging sluiting productiecapaciteit

Om het positieve effect van de bedrijfsbeëindiging op het leefklimaat in de omgeving van de varkenshouderijlocatie te bestendigen, dient te worden geborgd dat de productielocatie niet opnieuw in gebruik kan worden genomen voor het houden van varkens, maar ook niet voor andere vormen van intensieve veehouderij. Anders zou de milieuruimte voor het houden van varkens bijvoorbeeld kunnen worden ingezet voor het houden van pluimvee, waardoor de verbetering van het leefklimaat weer (deels) teniet gedaan zou kunnen worden. Onder intensieve veehouderij wordt in het kader van de regeling verstaan het bedrijfsmatig houden van varkens, pluimvee (kippen en kalkoenen), eenden, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten en nertsen.

Varkenshouders die op een te saneren locatie een gemengd bedrijf hebben met varkens en andere intensieve veehouderij, dienen op die locatie dus ook te stoppen met het houden van die andere diersoorten om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie. Voor het overige heeft de regeling geen betrekking op deze andere diersoorten. De sloopverplichting geldt bijvoorbeeld niet voor de dierenverblijven op de varkenshouderijlocatie die gebruikt worden voor het houden van andere diersoorten dan varkens (zie paragraaf 6.4) en de regeling voorziet uitsluitend in een subsidie voor het waardeverlies van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit (zie paragraaf 7.3); het waardeverlies van productiecapaciteit die voor andere diersoorten is gebruikt, blijft buiten beschouwing.

Om te borgen dat na sluiting van een varkenshouderijlocatie geen varkens en geen andere intensieve veehouderij-diersoorten op die locatie worden gehouden, is aan de subsidie een aantal voorwaarden verbonden.

6.3.1 Intrekken omgevingsvergunning

Ten eerste dient de varkenshouder bij het bevoegd gezag (meestal de gemeente, in voorkomende gevallen de provincie) melding te doen van de beëindiging op de productielocatie van zijn intensieve veehouderijactiviteiten voor het houden van varkens en, in voorkomend geval, de andere diersoorten. In geval van vergunningplicht dient hij een verzoek om intrekking of aanpassing van zijn vergunning te doen bij het bevoegd gezag en het bevoegd gezag dient de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu in te trekken of zodanig aan te passen dat het niet langer is toegestaan intensieve veehouderij op de productielocatie te bedrijven.

6.3.2 Intrekken vergunning Wet natuurbescherming

Voor zover varkenshouders voor een op de betreffende varkenshouderijlocatie gerealiseerd project of voor op de betreffende locatie verrichtte handelingen beschikken over een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, geldt het volgende. In dat geval dient de varkenshouder door middel van een verzoek aan gedeputeerde staten te bewerkstelligen dat deze vergunning wordt ingetrokken of zodanig wordt aangepast dat de vergunning alleen nog betrekking heeft op andere diersoorten dan de diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden. Dit dient als aanvullende waarborg voor de definitieve en onherroepelijke beëindiging van de productiecapaciteit en van de belasting van de leefomgeving, en in het bijzonder van het milieu en de natuur.

6.3.3 Verzoek tot wijziging bestemmingsplan

Ten derde is het van belang dat een wijziging van het bestemmingsplan in gang wordt gezet, waarmee wordt vastgelegd dat de locatie niet langer bestemd is voor enige vorm van intensieve veehouderij. In de praktijk kan de procedure om te komen tot een bestemmingsplanwijziging enkele jaren in beslag nemen. Tegen deze achtergrond is het niet reëel om aan de subsidie de voorwaarde te verbinden dat de bestemmingswijziging voor de betreffende locatie volledig is gerealiseerd. Dit zou betekenen dat pas na jaren duidelijkheid zou ontstaan over het definitieve karakter van de subsidie en bovendien zou de subsidieontvanger, de varkenshouder, sterk afhankelijk zijn van het verloop van een procedure waarop hij zelf weinig invloed heeft. Daarom wordt alleen de voorwaarde gesteld dat de gemeente een verzoek van de varkenshouder om het bestemmingsplan te wijzigen in behandeling heeft genomen. Het gaat hierbij om een zodanige aanpassing van het bestemmingsplan dat op de productielocatie niet langer intensieve veehouderij kan worden bedreven. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft toegezegd te zullen bevorderen dat de in het kader van de regeling ingediende verzoeken tot wijziging van het bestemmingsplan voortvarend in behandeling genomen zullen worden door de betreffende gemeenten.

6.3.4 Contractuele verbintenis toekomstige intensieve veehouderijactiviteiten

Strikt genomen is het denkbaar dat de varkenshouder, zo lang als het bestemmingsplan nog niet is aangepast, opnieuw een omgevingsvergunning verkrijgt om op dezelfde locatie intensieve veehouderij te bedrijven. Het bevoegd gezag heeft immers een eigenstandige bevoegdheid en dat een productielocatie eerder met subsidie is gesloten, vormt op zichzelf geen grond voor het afwijzen van een vergunningaanvraag. Indien de varkenshouder de productielocatie verkoopt aan een andere partij, kan deze partij voor die locatie een nieuwe intensieve veehouderijvergunning aanvragen. Hetzelfde geldt als de productielocatie via verpachting of verhuur aan een andere partij in gebruik wordt gegeven. Om te bewerkstelligen dat de subsidieverstrekking een blijvend effect heeft is dus nog een aanvullende voorziening nodig. Hiertoe wordt vereist dat de varkenshouder een contractuele verbintenis aangaat met de Staat der Nederlanden. Die verbintenis heeft betrekking op drie zaken:

  • 1. Het zich onthouden van intensieve veehouderij-activiteiten op de te sluiten productielocatie;

  • 2. Het bewerkstelligen dat na vervreemding of ingebruikgeving van de productielocatie de verkrijger respectievelijk gebruiker de verplichting heeft zich te onthouden van intensieve veehouderij-activiteiten op die locatie; en

  • 3. Het zich onthouden van varkenshouderij-activiteiten op een andere productielocatie, behalve voor zover hij op die andere locatie of locaties ten tijde van de subsidieaanvraag al een varkenshouderij had.

Dit laatste element strekt er toe te voorkomen dat de varkenshouder elders een bestaande productielocatie overneemt of een nieuwe productielocatie inricht. Deze voorwaarde vloeit voort uit de Richtsnoeren en steunt op de gedachte dat het niet passend is met het oog op een bepaalde beleidsdoelstelling staatssteun te verlenen voor het sluiten van productiecapaciteit, als de effecten daarvan weer teniet kunnen worden gedaan door het openen van productiecapaciteit elders.

De varkenshouder dient voor het aangaan van de contractuele verbintenis gebruik te maken van de modelovereenkomst die als bijlage 2 is opgenomen bij de regeling. Zoals hieruit blijkt, dient de overeenkomst te worden gesloten door degene(n) die de zeggenschap in de varkenshouderij uitoefent c.q. uitoefenen. In geval van een samenwerkingsverband (maatschap of vennootschap onder firma) zijn dit de maten respectievelijk de vennoten. In geval van een besloten vennootschap zijn dit de bestuurders en de aandeelhouders. Ook al hebben aandeelhouders een andere positie (zij vertegenwoordigen niet de BV), het is wel van belang dat ook zij partij bij de overeenkomst worden. Anders zouden personen die vaak grote zeggenschap hebben in de BV, niet zijn gebonden aan de verplichtingen van de overeenkomst. Daarmee zou ook feitelijk een BV worden bevoordeeld boven een eenmanszaak en een samenwerkingsverband.

6.4 Sloopverplichting

Leegstand van agrarische gebouwen is een groeiend probleem in de buitengebieden. Het aantal agrarisch ondernemers neemt al decennia gestaag af, waardoor op steeds meer locaties sprake is van stallen en overige agrarische bouwwerken die leeg staan en in verval raken of dreigen te raken. Gevolg is verrommeling van het platteland, risico op ondermijning (criminele activiteiten) en een afnemende waardering van burgers voor het (agrarisch) buitengebied. Om te voorkomen dat deze regeling bijdraagt aan dit proces van verrommeling van het platteland en om de duurzame beëindiging van de veehouderijactiviteiten op de betreffende locatie te borgen, wordt vereist dat de subsidieontvanger de voor de varkenshouderij gebruikte dierenverblijven, voer- en mestsilo’s en mestkelders laat slopen en dat het sloopafval en het puin van de productielocatie worden afgevoerd. Zoals vermeld dient sloop gerealiseerd te zijn maximaal veertien maanden na subsidieverstrekking. Dit betekent dat varkenshouders minimaal zes maanden de tijd hebben om na de afvoer van de varkens en mest van de productielocatie de sloop te realiseren. Overigens staat niets de varkenshouder in de weg om gedurende de acht maanden-termijn die staat voor afvoer van de dieren en de mest al te beginnen met de voorbereiding van de sloop, zoals het doen van een sloopmelding in de zin van artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012, en het contracteren van een sloopbedrijf.

7 Subsidiebedrag

7.1 Inleiding

Eén van de bepalende factoren bij de keuze van varkenshouders om met gebruikmaking van deze regeling hun varkensbedrijf of -locatie te beëindigen is de hoogte van de subsidie. De subsidie moet zodanig zijn dat een ondernemer kan voldoen aan de verplichtingen die volgen uit de regeling en zijn varkensbedrijf of -locatie kan beëindigen, zonder of met een acceptabele restschuld. Het subsidiebedrag moet daarnaast passen binnen de kaders van de Richtsnoeren. Dit betekent dat de steun “moet dienen voor de vergoeding van het waardeverlies van de activa, berekend op basis van de actuele verkoopwaarde van de activa” en dat er, kort gezegd, sprake moet zijn van een balans tussen de subsidie en de geleverde tegenprestatie10.

Varkenshouders kunnen op grond van de regeling een subsidie krijgen die bestaat uit twee afzonderlijke componenten:

  • 1. Een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van het varkensrecht; en

  • 2. Een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor het houden van varkens gebruikte dierenverblijven.

Om meer inzicht te krijgen in de wenselijke hoogte van de subsidie is aan Wageningen University & Research (Wageningen UR) om advies gevraagd over de marktconforme prijs voor varkensrechten en over het waardeverlies van de varkensstallen. De onderzoeksvragen waren:

  • 1. Wat is een marktconforme prijs voor varkensrechten in 2019 en wat is een geschikt moment om deze vast te stellen?

  • 2. Wat is het waardeverlies van stallen van bedrijven die inschrijven voor de Sanerings-en beëindigingsregeling?

De resultaten van het onderzoek zijn gebruikt bij het vaststellen van de methodiek voor het bepalen van de subsidiecomponenten en de hoogte daarvan. De resultaten zijn gepubliceerd11 12.

7.2 Bijdrage vervallen varkenseenheden

Wageningen UR heeft een inschatting gemaakt van het mogelijke verloop van de prijs van varkenseenheden in de jaren 2019-2021. Daarbij is rekening gehouden met verschillende ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op vraag en aanbod van varkenseenheden en daarmee op de prijsvorming in de markt. Geconcludeerd kan worden dat de waarde van een varkenseenheid sterk kan fluctueren in de tijd, onder invloed van een veelheid aan factoren. Tegen deze achtergrond wordt in de regeling voorzien dat de waarde van het varkensrecht, uitgedrukt in varkenseenheden, wordt vastgesteld op basis van de actuele in de markt geldende verkoopwaarde voor een varkenseenheid, gedifferentieerd naar de concentratiegebieden Zuid en Oost. De minister stelt kort voordat de subsidieaanvragen kunnen worden ingediend, de actuele verkoopwaarde van een varkenseenheid vast op basis van advies door Wageningen UR.

Na doorhaling zijn de betreffende varkenseenheden definitief vervallen (dus waardeloos) en daarom is het waardeverlies per varkenseenheid gelijk aan de actuele verkoopwaarde. De te verlenen subsidie bedraagt 100% van de actuele verkoopwaarde van de vervallen varkenseenheden, met dien verstande dat maximaal subsidie verstrekt wordt voor het aantal varkenseenheden dat voor 2018 was benodigd voor het houden van varkens op de betreffende locatie (zie paragraaf 6.2).

7.3 Bijdrage waardeverlies productiecapaciteit

Aan de subsidieverstrekking is de voorwaarde verbonden dat de varkenshouderij, op de locatie waar de subsidie betrekking op heeft, definitief en onherroepelijk wordt gesloten. De locatie mag niet langer worden gebruikt voor het houden van varkens en de voor de varkenshouderij gebruikte productiecapaciteit (stallen, voer- en mestsilo’s en mestkelders) moet worden gesloopt. Dit betekent dat die bouwwerken hun waarde volledig verliezen.

De bijdrage voor het waardeverlies heeft alleen betrekking op de daadwerkelijk voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit, te weten de voor het houden van varkens gebruikte dierenverblijven, voer- en mestsilo’s en mestkelders. Buiten beschouwing blijven dus bijvoorbeeld bouwwerken die gebruikt kunnen worden als calamiteitenstal, maar die in de gangbare bedrijfsvoering niet gebruikt worden voor het houden van varkens. Zoals vermeld in paragraaf 6.3 blijft ook productiecapaciteit die gebruikt is voor het houden van andere diersoorten buiten beschouwing.

De bijdrage voor het waardeverlies betreft een deel van het waardeverlies van de productiecapaciteit, het subsidiepercentage.

7.3.1 Keuze methodiek bepaling waardeverlies

Bij het bepalen van de methodiek waarmee de hoogte van het subsidiebedrag voor het waardeverlies van de productiecapaciteit wordt vastgesteld, is rekening gehouden met de ervaringen die zijn opgedaan met de Regeling beëindiging veehouderijtakken (Rbv)13 uit 2000 en de ROK fase 1 uit 2018.

De methodiek zoals deze in het kader van fase 1 van de ROK werd gehanteerd voor het bepalen van de hoogte van de beëindigingvergoeding kan hoe dan ook niet worden toegepast in het kader van deze regeling. De beëindigingsvergoeding voor deelnemers aan de ROK was gebaseerd op een vaste vergoeding per varkens- en zeugenplaats en op het aantal vergunde dierplaatsen. Deze methodiek past niet binnen het in paragraaf 7.1 geschetste kader van de Richtsnoeren, namelijk dat de steun gerelateerd moet zijn aan het waardeverlies van de activa. Een vergoeding die is gebaseerd op een bedrag per dierplaats is niet toegespitst op de actuele waarde. Deelnemers aan de ROK waren positief over de eenvoud, eenduidigheid en transparantie van de in de ROK gehanteerde methodiek. Anders dan bij de taxatie die bij de Rbv werd gehanteerd konden varkenshouders bij de ROK, op basis van de in de ROK vastgestelde vergoedingen per dierplaats, al voorafgaande aan hun aanmelding voor een beëindigingsvergoeding een goede inschatting maken van de vergoeding die zij in hun eigen specifieke situatie zouden kunnen krijgen. Deze positieve ervaringen van deelnemers aan de ROK zijn meegenomen in de ontwikkeling van de methodiek voor deze regeling.

De actuele marktwaarde van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit is lastig te bepalen. De verkoop van uitsluitend een varkensstal of bijvoorbeeld een voersilo op een varkenshouderijlocatie komt weinig voor. Veelal gaat het bij verkoop om de varkenshouderijlocatie als geheel, inclusief de op de locatie rustende omgevingsvergunning en vergunning Wet natuurbescherming. De marktwaarde kan daarbij sterk beïnvloed worden door factoren die bepalen of op de betreffende locatie ruimte is voor (toekomstige) uitbreidingen van de productiecapaciteit, zowel voor wat betreft de beschikbare fysieke ruimte als voor wat betreft de milieuruimte.

In de Rbv werd het waardeverlies vastgesteld op basis van een taxatie van de marktwaarde van de stallen op een veehouderijlocatie. Deze aanpak werd destijds vooral gekozen vanwege de grote variatie in veehouderijtakken en daarmee de grote variatie in stalsystemen die onder de werking van de Rbv vielen14. In de praktijk bleek dat taxatie tijdrovend was, hoge uitvoeringskosten met zich meebracht, weinig transparant was en tot onzekerheid voor de ondernemer leidde doordat de hoogte van de vergoeding voor het waardeverlies van de stallen pas na aanmelding voor de Rbv bekend werd, namelijk pas nadat de taxatie had plaatsgevonden. De taxaties hebben tot veel juridische procedures in bezwaar en beroep geleid. Taxaties konden pas uitgevoerd worden nadat een varkenshouder zich had aangemeld voor de Rbv. Een varkenshouder kon de hoogte van de vergoeding voor het waardeverlies van zijn stallen, die in belangrijke mate bepalend was voor de hoogte van de totale subsidie, daardoor slechts in beperkte mate mee laten wegen in zijn besluit over aanmelding voor de Rbv. Dit alles betekent dat met taxaties niet kan worden gewaarborgd dat de waardebepaling objectief, vooraf kenbaar en non-discriminatoir is. Bovendien gaat toepassing van deze methodiek gepaard met hogere uitvoeringskosten.

Gezien de bezwaren die verbonden zijn aan het gebruik van taxaties en in de wetenschap dat de verkoop van uitsluitend de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit weinig courant is, is gezocht naar een methodiek die niet deze bezwaren heeft en waarmee zo dicht mogelijk de actuele (verkoop)waarde wordt benaderd. Hierbij is ook aandacht besteed aan de positieve ervaring van deelnemers aan de ROK met de eenvoud, eenduidigheid en transparantie van de in die regeling gehanteerde vergoedingenmethodiek. Aangesloten is bij de methodiek die gemeenten hanteren bij het bepalen van de waarde van niet-woningen – waaronder agrarische objecten – in het kader van de wet Waardering onroerende zaken (Woz). Bij incourante panden of objecten maken gemeenten, ter bepaling van de Woz-waarde, gebruik van de methodiek van de gecorrigeerde vervangingswaarde.

7.3.2 Gecorrigeerde vervangingswaarde

De gecorrigeerde vervangingswaarde is een maat voor de herbouwwaarde (vervangingswaarde) van een object, gecorrigeerd met een factor wegens het waardeverlies door veroudering. Deze methodiek is een in de veehouderij bekende methode om vast te stellen wat de actuele waarde van een stal is, gebaseerd op de vervangingswaarde van een stal en gecorrigeerd voor veroudering van de romp, afbouw en inrichting van de stal. Wageningen UR heeft in het advies (zie paragraaf 7.1) over het bepalen van het waardeverlies van de varkensstallen en over de hoogte van de vergoeding voor dit waardeverlies gebruik gemaakt van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De in de regeling gehanteerde methodiek voor vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde is gebaseerd op een advies van RVO.nl en getoetst door de Coalitie Vitalisering Varkenshouderij en DLV Advies op toepasbaarheid in de praktijk.

De vervangingswaarde van een varkensstal kan afgeleid worden van de in de KWIN Veehouderij opgenomen normbedragen (per m2) voor nieuwbouw van een vleesvarkens- en zeugenstal15. In deze normbedragen zijn de kosten voor onder meer mestkelders, voersilo’s, hygiënesluizen en kantoorruimte meegenomen16. Dit betekent dat met deze methodiek niet alleen de vervangingswaarde van het dierenverblijf als zodanig wordt vastgesteld, maar van de gehele voor het houden van varkens te gebruiken productiecapaciteit, bestaande uit dierenverblijven, voer- en mestsilo’s en mestkelders. In het vervolg van deze toelichting wordt, daar waar gesproken wordt over de (gecorrigeerde) vervangingswaarde van een varkensstal steeds de (gecorrigeerde) vervangingswaarde van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit bedoeld.

RVO.nl heeft geadviseerd om voor de vervangingswaarde van vleesvarkens- en zeugenstallen uit te gaan van een enkel forfait in de vorm van een normbedrag per m2 en dus niet te onderscheiden tussen vleesvarkens- en zeugenstallen. Dit gezien het feit dat de vervangingswaarden voor vleesvarkens- en voor zeugenstallen volgens de normbedragen die volgen uit KWIN Veehouderij, vrijwel gelijk zijn. Differentiatie tussen vleesvarkens- en zeugenstallen geeft gemakkelijk uitvoeringsproblemen bij de vaststelling van het waardeverlies voor (deels) gesloten varkensbedrijven, waar op een locatie zowel vleesvarkens als zeugen gehouden worden. Een methodiek waarbij gerekend wordt met een enkel forfait voor de vervangingswaarde van een vierkante meter staloppervlakte voor zowel vleesvarkens- als zeugenstallen heeft qua eenvoud, eenduidigheid en transparantie de voorkeur. De forfaitaire vervangingswaarde van een varkensstal bedraagt € 470,– per m2.

KWIN Veehouderij hanteert uiteenlopende afschrijvingstermijnen voor de romp (40 jaar), de afbouw (20 jaar) en de inrichting (10 jaar) van een varkensstal. Indien gedurende de levensduur geen herinvesteringen worden gedaan of renovaties worden uitgevoerd verloopt de gecorrigeerde vervangingswaarde conform tabel 3, uitgaande van een forfaitaire vervangingswaarde van € 470,– per m2 en een afschrijvingstermijn voor de romp van 40 jaar, voor de afbouw van 20 jaar en voor de inrichting van 10 jaar.

Tabel 3: Ontwikkeling van de gecorrigeerde vervangingswaarde, gespecificeerd naar leeftijd van romp, afbouw en stalinrichting, zonder herinvestering en renovaties
   

Leeftijd varkensstal (romp)

   

0

5

10

15

20

25

30

35

40

Stalonderdeel

                 

– romp

€ 174

€ 152

€ 130

€ 109

€ 87

€ 65

€ 43

€ 22

€ 0

– afbouw

€ 179

€ 134

€ 89

€ 45

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

– inrichting

€ 118

€ 59

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal

€ 470

€ 345

€ 220

€ 153

€ 87

€ 65

€ 43

€ 22

€ 0

Relatieve waarde

100%

73%

47%

33%

19%

14%

9%

5%

0%

De waardeontwikkeling zoals weergegeven in tabel 3 is enkel representatief wanneer tussentijds geen herinvesteringen plaats vinden. De gangbare praktijk is echter anders. In de praktijk vinden herinvesteringen en renovaties plaats in de afbouw en inrichting van een varkensstal. Ter bepaling van het verloop van de gecorrigeerde vervangingswaarde over de afschrijvingstermijn van 40 jaar is als startpunt een forfaitaire vervangingswaarde van € 470,– per m2 genomen en is vervolgens voor de kosten voor herinvestering en renovatie van de afbouw uitgegaan van gemiddeld € 200,– per m2 per 20 jaar en voor herinvesteringen in de inrichting van een varkensstal van gemiddeld € 100,– per m2 per 10 jaar. Als gevolg van de periodieke herinvesteringen en renovaties bedraagt de actuele waarde (de marktwaarde) van een varkensstal na de afschrijvingstermijn van 40 jaar geen nul. Om recht te doen aan de praktijk is in de regeling uitgegaan van een actuele waarde na afschrijving (AWA) van 20% van de vervangingswaarde, overeenkomend met een waarde van € 94,– per m2 (20% van € 470,– per m2) na 40 jaar. Conform de methodiek zoals werd gehanteerd in de Rbv wordt de actuele waarde na afschrijving van € 94,– per m2 in mindering gebracht op de vervangingswaarde van € 470,– per m2 en wordt op het resterende deel (€ 376,– per m2) lineair afgeschreven over de periode van 40 jaar.

Bovenstaande uitgangspunten resulteren in een ontwikkeling van de gecorrigeerde vervangingswaarde (de actuele waarde) van een varkensstal, per vierkante meter, volgens tabel 4. Deze tabel laat zien hoe de ontwikkeling rudimentair verloopt, met intervallen van 5 jaar.

Tabel 4: Gecorrigeerde vervangingswaarde (in euro’s per vierkante meter staloppervlakte).
   

Leeftijd varkensstal (romp)

   

0

5

10

15

20

25

30

35

40*

Gecorrigeerde

vervangingswaarde

€ 470

€ 423

€ 376

€ 329

€ 282

€ 235

€ 188

€ 141

€ 94

Relatieve waarde

100%

90%

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

Het is wenselijk om bij het bepalen van de actuele waarde van een stal uit te gaan van de actuele levensduur ervan. Daarom wordt op grond van de regeling de actuele waarde van de varkensstal vastgesteld op basis van de oppervlakte en de levensduur van de romp, uitgedrukt in jaren en maanden. In bijlage 3 bij de regeling is de vervangingswaarde weergegeven voor de gehele periode van 40 jaar en wel per maand levensduur. De levensduur betreft de periode tussen het eerste moment van ingebruikname van de betreffende stal, zijnde het tijdstip waarop voor de eerste maal landbouwhuisdieren in de stal werden gehouden, en het tijdstip waarop sprake is van de onomkeerbare sluiting van de varkenshouderijlocatie, als bedoeld in artikel 4 van de regeling. De oppervlakte van de romp wordt bepaald aan de hand van de buitenmaat van de varkensstallen.

7.3.3 Subsidiepercentage

De onderzoekers van Wageningen UR hebben verschillende scenario’s doorgerekend, waarbij is gedifferentieerd naar:

  • de hoogte van de bijdrage voor het waardeverlies van de varkensstallen (50, 70 en 100%);

  • de waarde van een varkensstal na de fiscale afschrijvingstermijn van 40 jaar (15 of 25% van de nieuwbouwwaarde); en

  • wel of geen vergoeding voor sloopkosten.

Op basis van de uitkomst van deze doorrekening is besloten subsidie te verstrekken voor 65% van het waardeverlies van de varkensstallen (65% van de gecorrigeerde vervangingswaarde). Bij dit subsidiepercentage is het totale subsidiebedrag, bestaande uit de subsidie voor het varkensrecht en de subsidie voor het waardeverlies van de varkensstallen, zodanig dat het enerzijds voor varkenshouders voldoende aantrekkelijk is om zich aan te melden, maar anderzijds niet hoger dan noodzakelijk voor een voldoende aantal subsidieaanvragen, gelet op het belang om met het beschikbare budget zoveel mogelijk locaties te saneren die geuroverlast veroorzaken. Met een subsidiepercentage van 65% wordt geborgd dat de subsidie in een goede verhouding staat tot de door de varkenshouder te leveren tegenprestatie, namelijk de definitieve en onherroepelijke sluiting van de productiecapaciteit op de betreffende locatie.

7.4 Bevoorschottingsregime

Zoals hiervoor reeds vermeld, heeft de varkenshouder die een varkenshouderijlocatie wil sluiten en wiens subsidieaanvraag is toegewezen, te voldoen aan een aantal voorwaarden. In verband hiermee is gekozen voor een bevoorschottingsregime waarbij de varkenshouder:

  • na ontvangst door RVO.nl van de ondertekende overeenkomst (zie paragraaf 6.3.3), binnen zes weken een voorschot van 10% van het subsidiebedrag ontvangt; en

  • een voorschot van 70% van het subsidiebedrag ontvangt zodra alle varkens van de locatie zijn afgevoerd en alle (verpompbare) varkensmest van de locatie is verwijderd, een kennisgeving van het geheel of gedeeltelijk vervallen van het varkensrecht is gedaan, in voorkomend geval de vergunning Wet natuurbescherming is ingetrokken, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu is ingetrokken, c.q. melding van beëindiging van de varkenshouderij op de betreffende locatie is gedaan en de betreffende gemeente een verzoek van de varkenshouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve veehouderij kan worden gevestigd. Het komt er op neer dat een varkenshouder moet aantonen dat hij aan alle voorwaarden behalve de sloopverplichting heeft voldaan om in aanmerking te komen voor het voorschot van 70% van het subsidiebedrag. Bovendien dient dit betreffende het afvoeren van de varkens en de verwijdering van de varkensmest te zijn bevestigd door een controle op de varkenshouderijlocatie door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA). Dit laatste is van belang omdat anders een controle op het verwijderen van de mest niet meer goed mogelijk is.

Nadat aan de sloopverplichting is voldaan, uiterlijk veertien maanden na de subsidieverlening, wordt de subsidie op aanvraag van de varkenshouder door RVO.nl vastgesteld, waarna het resterende subsidiebedrag (maximaal 20%) wordt uitbetaald.

8 Flankerend beleid, betrokkenheid van provincies en gemeenten

Deze regeling bevat een voorziening voor varkenshouders die willen overgaan tot sluiting van een productielocatie die geuroverlast geeft. Het beëindigen van een bedrijf of een locatie is een ingrijpende beslissing waarbij tal van factoren een rol spelen. Alleen al in financieel-economische zin liggen er vragen voor hoe de bedrijfsbeëindiging vorm te geven, welk toekomstperspectief de betreffende varkenshouder heeft en welke andere activiteiten hij op de productielocatie kan en zou willen uitvoeren. Voor sommige vragen zal hij terecht kunnen bij zijn vaste adviseurs, voor andere vragen is deskundigheid van gemeente en provincie van belang. Het gaat dan om zaken zoals vergunningen, mogelijkheden voor herbestemming van de locatie van ‘intensieve veehouderij’ naar andere ruimtelijke functies in bestemmingsplannen, omscholing, ondersteuning bij herbestemming van de locatie en de mogelijkheden en voorzieningen voor nieuwe activiteiten – anders dan intensieve veehouderij – op de locatie. Het is daarom van belang dat de varkenshouder die overweegt een subsidieaanvraag op grond van deze regeling te doen, de nodige begeleiding kan krijgen. Hij heeft die begeleiding nodig bij het realiseren van de bedrijfsbeëindiging, maar ook in de fase dat hij overweegt al dan niet een subsidieaanvraag in te dienen. Hij moet immers op dat moment op hoofdlijnen zijn keuzes hebben gemaakt en overzien of bedrijfsbeëindiging onder de voorwaarden van de regeling voor hem zinvol en haalbaar is, met inachtneming van andere beschikbare voorzieningen die zijn gemeente of provincie mogelijk kan bieden. Om te zorgen voor adequate voorlichting en begeleiding van de doelgroep voeren de betrokken provincies en gemeenten als partij bij het Hoofdlijnenakkoord flankerend beleid uit. Ook al kan dat in elke provincie en elke regio weer anders zijn ingericht, de hoofdzaak is dat varkenshouders voorlichting en begeleiding op maat krijgen en dat zij maximaal worden gefaciliteerd met de bestaande voorzieningen die bij bedrijfsbeëindiging van belang kunnen zijn.

Terwijl de uitvoering van deze regeling in handen ligt van RVO.nl (zie paragraaf 12), die namens de Minister van LNV de subsidieaanvragen behandelt, hebben gemeenten en provincies ook betrokkenheid bij het sluiten van varkenshouderijlocaties. Dat vloeit reeds voort uit de voorwaarden die deze regeling bevat. Intrekking van een omgevingsvergunning vergt besluitvorming door het bevoegd gezag. Dit is meestal de gemeente, soms de provincie. Het intrekken van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vergt besluitvorming door gedeputeerde staten. Het in gang zetten van een wijziging van het bestemmingsplan voor de te sluiten productielocatie is een zaak van de gemeente. Ook de voorwaarde dat de subsidieaanvrager voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting en dus niet als gedoogstopper te boek staat, is relevant voor de gemeente. Dit alles vergt betrokkenheid van gemeenten en provincies bij de uitvoering van deze regeling. Voor zover het de subsidieverleningsprocedure betreft, is in deze regeling erin voorzien dat RVO.nl het bevoegd gezag informeert over het ontvangen van subsidieaanvragen en over de toe- of afwijzing van die aanvragen. Op die manier is de betreffende gemeente of provincie in elk geval er van op de hoogte dat een varkenshouder voornemens is om een varkenshouderijlocatie te sluiten.

9 Europeesrechtelijke aspecten

Deze regeling is opgesteld met in achtneming van de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (2014/C 204/01). Deze Richtsnoeren bevatten een paragraaf die specifiek betrekking heeft op steun voor de sluiting van productiecapaciteit om dier-, plant- of volksgezondheidsredenen, sanitaire, ethische of milieuredenen (paragraaf 1.2.2.1, randnummers 423 tot en met 436). Dergelijke steun dient ook te voldoen aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van de Richtsnoeren (deel I, hoofdstuk 3). In verband hiermee wordt in deze paragraaf beschreven hoe deze regeling past binnen de Richtsnoeren.

Een concept van deze regeling is genotificeerd bij de Europese Commissie. Op 10 oktober 2019 is de Commissie tot het oordeel gekomen dat de met de regeling te verstrekken steun verenigbaar is met de interne markt en dat er vanuit de optiek van staatsteun geen bezwaar bestaat tegen definitieve vaststelling van de subsidieregeling (Besluit van de Commissie C(2019) 7234 inzake Staatsteunzaak SA.54275 (2019/N).

Zoals vermeld in de paragrafen 2 en 3 is deze regeling er op gericht geuroverlast tegen te gaan die omwonenden ondervinden van varkenshouderijlocaties. Het gaat naast geur ook om andere effecten op het milieu en de volksgezondheid die niet of niet voldoende op korte termijn met andere maatregelen kunnen worden aangepakt. Elke subsidieverstrekking aan een varkenshouder leidt tot het beëindigen van zijn activiteiten op de overlast gevende productielocatie, gepaard gaand met sloop van de voor het houden van varkens gebruikte dierenverblijven, voer- en mestsilo’s en mestkelders en het doorhalen van het varkensrecht. Dat laatste impliceert een verkleining van de varkensstapel in het betreffende gebied en ook in Nederland. Zodoende is de steunverlening effectief in het bereiken van de doelstelling en in het bestendigen van het positieve effect voor de lange termijn.

Alle varkenshouders met een varkenshouderijlocatie in de concentratiegebieden Zuid en Oost kunnen een beroep doen op deze regeling, voor zover het een productielocatie betreft die substantiële geurhinder veroorzaakt. Er gelden wel randvoorwaarden om te voorkomen dat subsidie wordt verstrekt voor het sluiten van productiecapaciteit die in feite niet duurzaam in gebruik was of in gevallen dat wettelijke normen worden overtreden. Indien de varkenshouder niet daadwerkelijk heeft geproduceerd of indien de aanvraag een productielocatie betreft die niet onafgebroken gedurende de vijf voorafgaande jaren op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt, wordt de subsidieaanvraag afgewezen (artikel 6, eerste lid, onder a; toelichting paragraaf 5.1). Indien de subsidieaanvrager de wettelijke normen voor het houden van varkens heeft overtreden, kan de aanvraag worden afgewezen. Afwijzing vindt plaats als de overtreding een ernstig strafbaar feit betreft. Als zodanig wordt in elk geval een overtreding van de norm voor het varkensrecht van artikel 19, eerste lid, Meststoffenwet aangemerkt. De hier bedoelde afwijzingsgronden zijn opgenomen in artikel 4, tweede lid, en artikel 6, tweede lid (zie de toelichting in paragraaf 5.3 en in het artikelsgewijze deel van de toelichting, bij artikel 6).

De subsidie wordt alleen verstrekt als de varkenshouder voldoet aan de vereisten om te bewerkstelligen dat sprake is van een onomkeerbare sluiting van de productiecapaciteit. Deze vereisten (vermeld in artikel 5 en toegelicht in paragraaf 6) betreffen ten eerste het sluiten van de productiecapaciteit in enge zin: er mogen op de betreffende locatie niet langer varkens worden gehouden, de meststoffen van varkens dienen van de varkenshouderijlocatie verwijderd te zijn en de voor het houden van varkens gebruikte dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders moeten worden gesloopt. Bovendien wordt vereist dat de sluiting gepaard gaat met het doorhalen van minimaal 80% van het op de betreffende locatie gebruikte varkensrecht (uitgedrukt in varkenseenheden). Daarmee verdwijnt dit varkensrecht van de markt en wordt voorkomen dat met de betreffende varkenseenheden elders een productielocatie in gebruik wordt genomen of de productie op bestaande productielocaties wordt uitgebreid, met de kans van hernieuwde of toenemende overlast.

Ten tweede betreffen de vereisten de in de Richtsnoeren bedoelde wettelijk verbindende toezegging van de begunstigde dat de sluiting definitief en onomkeerbaar is en dat hij niet op een andere plaats een nieuwe varkenshouderijlocatie in gebruik zal gaan nemen, terwijl ook een toekomstige koper van de betreffende locatie moet worden gebonden aan de onomkeerbaarheid van de sluiting. Dit wordt bewerkstelligd met de voorwaarde van ondertekening door de begunstigde van de overeenkomst, waarvoor het model als bijlage bij de regeling is gevoegd en die de voornoemde elementen bevat. Gelet op het geldende regime van het omgevingsrecht worden bovendien nog bijkomende voorwaarden gesteld om de sluiting van de productiecapaciteit te verankeren. De varkenshouder dient zijn omgevingsvergunning milieu of zijn omgevingsvergunning beperkte milieutoets te laten intrekken en in voorkomend geval bij het bevoegd gezag melding te doen van de sluiting van de productielocatie, in voorkomend geval zijn vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te laten intrekken en hij dient aanpassing van het bestemmingsplan voor de betreffende locatie in gang te zetten door indiening van een verzoek daartoe.

De regeling heeft betrekking op productielocaties, gelet op de aard van de problematiek. Als de onderneming van een varkenshouder verscheidene productielocaties omvat, kan hij voor meerdere locaties een – afzonderlijke – subsidieaanvraag indienen. Voor ieder van deze locaties dient in dat geval afzonderlijk vastgesteld te worden of aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan. In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat van een varkenshouder een productielocatie wel en een andere productielocatie niet voldoet aan de voorwaarden. Gegeven het doel van de subsidie is de regeling zo ingericht dat ook een gedeeltelijke sluiting van een varkenshouderij, te weten een afzonderlijke productielocatie, mogelijk is. Een subsidieaanvraag heeft betrekking op één productielocatie en het staat de betreffende varkenshouder vrij om zijn andere productielocatie(s) in bedrijf te houden. Er gelden voor de bedrijfsvoering op die locatie(s) geen restricties vanwege de begunstiging op grond van deze regeling. De betreffende varkenshouder kan bijvoorbeeld desgewenst op een dergelijke locatie de capaciteit uitbreiden, uiteraard met inachtneming van de geldende regels. Het voorgaande geldt alleen voor productielocaties die op het moment van de subsidieaanvraag onderdeel uitmaken van de onderneming. Onverlet blijft dus de voorwaarde dat de varkenshouder niet nadien een nieuwe productielocatie in gebruik kan gaan nemen, zoals wettelijk bindend bij overeenkomst toegezegd. Dat in deze regeling gedeeltelijke sluiting van de capaciteit van een varkenshouderij wordt toegestaan, kan worden beargumenteerd vanuit de doelstelling van de regeling, rekening houdend met de voorwaarde dat het varkensrecht voor de te saneren productielocatie voor minimaal 80% moet worden doorgehaald. Op deze wijze wordt maximaal ingezet op het wegnemen van de overlast die wordt veroorzaakt door een varkenshouderijlocatie.

De op grond van deze regeling te verstrekken subsidie betreft het waardeverlies van de activa van zowel het varkensrecht als de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit. Het waardeverlies van het varkensrecht wordt vastgesteld op basis van de actuele in de markt geldende verkoopwaarde voor varkenseenheden, gedifferentieerd naar de concentratiegebieden Zuid en Oost. Voor het bepalen van het waardeverlies van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit wordt uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de varkensstallen op de betreffende locatie. Een en ander is geregeld in de artikelen 7, 8 en 9 van de regeling, en toegelicht in paragraaf 7.

De bijdrage voor het in te leveren en door te halen varkensrecht bedraagt 100% van het waardeverlies dat de varkenshouder heeft als gevolg van de voorwaarde om zijn varkensrecht voor de te saneren productielocatie door te laten doorhalen. Voor de bepaling van het waardeverlies van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit wordt uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de varkensstallen, forfaitair bepaald overeenkomstig de in paragraaf 7.3.2 beschreven methode. Met de gebruikte methode wordt op objectieve wijze de actuele waarde van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit bepaald, met inbegrip van de afbouw en inrichting van de dierenverblijven, rekening houdend met aanvullende voorzieningen zoals voer- en mestopslagen, en op een wijze die de betreffende varkenshouder voorafgaande aan de subsidieaanvraag duidelijkheid geeft en de uitvoerbaarheid van de regeling vergroot. De hiervoor te verlenen subsidie bedraagt 65% van de gecorrigeerde vervangingswaarde. In het totale subsidiebedrag vormt de bijdrage voor waardeverlies van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit het grootste aandeel. Het subsidiepercentage ten aanzien van de productiecapaciteit is bewust lager dan het maximale percentage dat op grond van de Richtsnoeren mag worden toegepast (120%). Zoals toegelicht in paragraaf 8 is met een steunintensiteit van 65% naar verwachting het totale subsidiebedrag zodanig dat het enerzijds voor varkenshouders voldoende aantrekkelijk is, maar anderzijds niet hoger dan noodzakelijk voor een voldoende aantal subsidieaanvragen, gelet op het belang om met het beschikbare budget zoveel mogelijk geuroverlast gevende locaties te laten saneren. Met het gekozen subsidiepercentage wordt geborgd dat de subsidie in verhouding staat tot de door de varkenshouder te leveren tegenprestatie, namelijk de definitieve en onherroepelijke sluiting van zijn productiecapaciteit op de betreffende locatie.

In relatie tot de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van de Richtsnoeren kan aanvullend nog het volgende worden opgemerkt:

  • Bij de beoogde steunverlening is sprake van nut, noodzaak en evenredigheid, gelet op de bestaande problematiek en de vormgeving van deze regeling. De regeling richt zich specifiek op overlastgevende locaties en gaat niet verder dan strikt noodzakelijk is.

  • Er is geen direct verband tussen deze regeling en de plattelandsontwikkelingsmaatregelen die door Nederlandse provincies worden genomen. Voor zover die maatregelen betrekking hebben op de veehouderij, zijn ze gericht op het bevorderen van een omslag naar een duurzamer bedrijfsvoering.

  • Bij de inrichting van deze regeling is nadrukkelijk aandacht besteed aan de notie van stimulerend effect. Ten eerste wordt geen subsidie verstrekt als de productiecapaciteit niet (meer) in gebruik is (artikel 6, eerste lid, onderdeel a). Verder is de categorie van gedoogstoppers uitgezonderd van het bereik van de regeling (artikel 6, eerste lid, onderdeel b). Zoals toegelicht in paragraaf 5.2 betreft het varkenshouders die al eerder er voor hebben gekozen om te gaan stoppen met hun onderneming, uiterlijk per 1 januari 2020.

  • Voorshands wordt niet verwacht dat de varkenshouder die op grond van deze regeling steun ontvangt voor het saneren van een productielocatie, daarvoor ook anderszins staatssteun ontvangt. In een voorkomend geval bieden artikelen 6 en 22 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies een afdoende grondslag om zo nodig ontoelaatbare cumulatie van steun te voorkomen, overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 99 en verder van de Richtsnoeren.

  • Tenslotte is voorzien dat voor deze regeling wordt voldaan aan de bepalingen van de Richtsnoeren over transparantie (randnummers 128 en verder). Daargelaten de (gebruikelijke) openbaarmaking van deze regeling betreft het de openbaarmaking van de relevante gegevens omtrent degenen die met deze regeling begunstigd worden.

10 Fiscale aspecten

10.1 Omzetbelasting

De regeling leidt niet tot heffing van btw over de subsidiecomponenten. De subsidie is gekoppeld aan de geurbelasting op de omgeving en heeft als doel de geuroverlast te verminderen. Uit de regeling is geen verbruik bij wie dan ook, anders dan de samenleving in algemene zin, vast te stellen van het tegen subsidie beëindigen van de bestaande productie van varkens en het definitief en onherroepelijk uit de markt halen van de bestaande productiecapaciteit om daarmee gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in Nederland te verminderen.

10.2 Winstbelasting

De subsidie die een varkenshouder ontvangt behoort tot de winst. De onderhavige subsidie kan worden toegerekend aan het geheel of gedeeltelijk vervallen van het varkensrecht en het verlies van de waarde van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit (dierenverblijven, voer- en mestsilo’s, mestkelders) als gevolg van het sluiten van de varkenshouderijlocatie, zodat de opbrengst bij vervreemding/verlies van deze bedrijfsmiddelen – als aan de voorwaarden daartoe wordt voldaan – in principe in de herinvesteringsreserve kan worden betrokken. Bij toepassing van de herinvesteringsreserve kan de vervreemdingswinst die is ontstaan bij vervreemding van een bedrijfsmiddel, onder voorwaarden worden afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een vervangend bedrijfsmiddel waarop niet of in meer dan tien jaar wordt afgeschreven voor zover dat vervangende bedrijfsmiddel eenzelfde economisch functie in de onderneming vervult als het vervreemde bedrijfsmiddel. Deze voorwaarde geldt op grond van artikel 3.54, negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 níet indien de herinvesteringsreserve is ontstaan bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel die een gevolg is van overheidsingrijpen. Artikel 12a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 bevat een opsomming van regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak en daarom als overheidsingrijpen wordt aangemerkt. Deze subsidieregeling zal per 1 januari 2020 in die opsomming van artikel 12a worden opgenomen.

De fiscale bepaling van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van algemene aard en is van toepassing op alle ondernemingen en takken van bedrijvigheid die aan de betreffende voorwaarden voldoen. Bijgevolg is het voordeel dat verleend wordt door het gebruik van de fiscale herinvesteringsreserve niet selectief. Gebruik van die reserve staat immers ter beschikking van alle ondernemingen en takken van bedrijvigheid die aan de betreffende voorwaarden voldoen en zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Met de opname van deze subsidieregeling in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 wordt enkel gevolg gegeven aan het algemene beginsel ten grondslag liggend aan de inkomstenbelasting dat de reserve in deze situaties kan worden gebruikt. Er is geen sprake van steun in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU, omdat de betreffende steun niet selectief is.

De fiscale wet- en regelgeving op het gebied van bedrijfsbeëindiging blijft ongewijzigd. Dit betekent dat een ondernemer die na de sanering nog een of meer andere varkenshouderijlocaties heeft, nog steeds kan kwalificeren als fiscale onderneming die een landbouwbedrijf uitoefent, met inachtneming van de fiscaal aan het ondernemerschap te stellen voorwaarden. De fiscale regelingen voor agrariërs blijven in voorkomend geval van toepassing.

11 Persoonsgegevens

Bij de uitvoering van deze regeling worden persoonsgegevens verwerkt in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Dit is het gevolg van het feit dat varkenshouders hun bedrijf veelal voeren in de vorm van een eenmansbedrijf, een maatschap of een vennootschap onder firma. Gegevens over een dergelijk bedrijf zijn gemakkelijk te herleiden tot de natuurlijke persoon die het bedrijf voert. Bij de behandeling van subsidieaanvragen van varkenshouders worden bijgevolg persoonsgegevens verwerkt. Gelet daarop zijn de effecten van deze gegevensverwerking voor betrokkenen in kaart gebracht.

De verwerking van persoonsgegevens betreft ten eerste het opslaan en het verwerken door RVO.nl van gegevens die door de subsidieaanvrager worden verstrekt, in het kader van de uitvoering van de regeling door RVO.nl. Verder is sprake van gegevensverwerking bij de berekening van de geurscore per subsidieaanvraag door een externe partij. Deze voert deze werkzaamheden uit in opdracht van de Minister van LNV. Deze externe partij verkrijgt uitsluitend de voor het berekenen van de geurscores benodigde gegevens. De reden voor het uitbesteden van deze werkzaamheden is dat bij RVO.nl (of een andere overheidsorganisatie) de deskundigheid ontbreekt om op eenduidige wijze de geurhinder van een varkenshouderijlocatie te kwantificeren. De geurscoreberekening wordt door RVO.nl ten grondslag gelegd aan de besluitvorming omtrent de subsidieaanvraag. De externe partij kwalificeert als verwerker in de zin van de AVG. RVO.nl sluit namens de Minister van LNV met het adviesbureau een verwerkersovereenkomst (model verwerkersovereenkomst Arvodi17).

Zoals bepaald in de regeling informeert RVO.nl het bevoegd gezag (in de regel het College van B&W) over de ontvangst van een subsidieaanvraag en over de toe- of afwijzing hiervan. Het bevoegd gezag heeft die informatie nodig vanwege zijn betrokkenheid bij de uitvoering van de regeling. Die rol betreft niet alleen de op grond van de regeling vereiste intrekking van de omgevingsvergunning en het in procedure brengen van wijziging van het bestemmingsplan. Het bevoegd gezag heeft ook een bredere betrokkenheid, in het kader van het flankerend beleid, gericht op het informeren en faciliteren van varkenshouders over een eventuele bedrijfsbeëindiging op de betreffende locatie, mede in verband met wijziging van de bestemming van die locatie. Dit is wezenlijk om te bewerkstelligen dat ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de regeling. Bij een relatief klein aantal subsidieaanvragen zou er bovendien geen of minder prioritering op geurhinder zijn en ook dat zou de effectiviteit van de regeling verkleinen.

Hiernaast zal RVO.nl bij het bevoegd gezag navraag kunnen doen in verband met de voorwaarde dat de varkenshouderijlocatie waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, moet voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. Alleen het bevoegd gezag kan beoordelen of de verklaring van de aanvrager dat aan deze voorwaarde wordt voldaan, correct is.

Ook vindt gegevensverwerking plaats in het kader van de toetsing door RVO.nl of de bij de aanvraag overlegde gegevens sporen met de gegevens waarover RVO.nl uit andere hoofde beschikt. Het gaat daarbij in het bijzonder om gegevens die door varkenshouders zijn verstrekt op grond van de wetgeving inzake de identificatie en registratie van dieren (verder: I&R-regelgeving), de mestwetgeving en de landbouwtelling (op basis van de Landbouwwet). Het gaat bijvoorbeeld om de toetsing omtrent de voorwaarde dat de productiecapaciteit de afgelopen vijf jaar in gebruik is geweest voor het houden van varkens, omtrent de opgave van de varkenshouder over het aantal varkens dat op de te saneren varkenshouderijlocatie in 2018 gemiddeld is gehouden en omtrent de voorwaarde dat de varkens en de mest van de varkenshouderijlocatie worden afgevoerd. Tenslotte vindt gegevensverwerking plaats naar aanleiding van de beoordeling of de subsidieaanvrager voldoet aan de randvoorwaarden betreffende overtredingen, zoals toegelicht in paragraaf 5.3. Die beoordeling zal plaats vinden door de Justitiële informatiedienst die RVO.nl zal informeren of er ten aanzien van betrokkene al dan niet sprake is van strafoplegging wegens een relevant strafbaar feit.

Het doel van de beschreven gegevensverwerkingen is gelegen in de uitvoering van de regeling en daarmee het verkleinen van de (geur)overlast van varkenshouderijen voor de omgeving. Met het oog daarop dient effectief te worden toegezien dat wordt voldaan aan de randvoorwaarden.

De rechtsgrond voor de gegevensverwerking door RVO.nl is gelegen in een taak van algemeen belang, te weten de uitvoering van de subsidieregeling ter vermindering van (geur)overlast door varkenshouderijen.

Voor zover sprake is van hergebruik van gegevens die voor een ander doel zijn verzameld, kan worden geoordeeld dat dit is toegestaan. Voor de landbouwtellingsgegevens is hierbij van belang dat die gegevens ook in het kader van de bedrijfsvoering worden verstrekt en verwant zijn aan de gegevens die op andere gronden aan RVO.nl moeten worden verstrekt. Voor de gegevens over mest(verwerking) is van belang dat deze regeling raakvlakken heeft met het mestbeleid, zoals inzake het vervallen van het varkensrecht en het verwijderen van de mest.

De noodzaak voor de bedoelde gegevensverwerkingen is gelegen in de aard van de regeling. Er is ook sprake van proportionaliteit. Bij de opstelling van de regeling is een zodanige aanpak gekozen dat alleen bepaalde gegevens worden verwerkt als dat wezenlijk is voor het doel van de regeling en als er niet een minder belastend alternatief is.

Ingeschat wordt dat de gegevensverwerkingen op grond van deze regeling slechts beperkte risico’s voor de betrokken varkenshouders oplevert. Zij maken immers zelf de keuze om deel te nemen aan de subsidieregeling, met inbegrip van de desbetreffende voorwaarden, en zij zullen hoe dan ook derden kenbaar moeten maken dat zij de betreffende varkenshouderijlocatie gaan sluiten.

12 Regeldruk

12.1 Administratieve lasten

Varkenshouders die gebruik willen maken van de regeling moeten administratieve handelingen verrichten om in aanmerking te komen voor een subsidie en, in geval een subsidie wordt toegekend, om verantwoording af te leggen over de verplichtingen die verbonden zijn aan de subsidie18. Varkenshouders die zich aanmelden voor de regeling hebben het besluit genomen om hun bedrijf dan wel een locatie van hun bedrijf te beëindigen. Het beëindigen van een bedrijf of locatie vraagt van een ondernemer meer dan uitsluitend de administratieve verplichtingen die voortvloeien uit de regeling. Een ondernemer die bijvoorbeeld plannen heeft voor nieuwe activiteiten op de vrijkomende locatie zal daarvoor de nodige stappen moeten ondernemen, waaronder administratieve. De administratieve lasten die daar uit voortvloeien zijn niet meegenomen in de berekening. In deze paragraaf worden uitsluitend de administratieve lasten meegenomen die rechtstreeks voortvloeien uit de regeling.

Aanmelding voor de regeling is vrijwillig. Het besluit om het eigen varkensbedrijf of een locatie van het varkensbedrijf definitief en onherroepelijk te beëindigen is een individuele beslissing en hangt af van vele factoren. Een inschatting van het aantal aanmelding is om die reden met een hoge mate van onzekerheid omgeven. Ten behoeve van de vaststelling van de administratieve lasten die voortvloeien uit de regeling wordt uitgegaan van 500 aanmeldingen. Vanwege de onzekerheid van dit aantal worden de administratieve lasten in deze paragraaf zowel voor het totaal van 500 aanmeldingen als per individuele aanmelding weergegeven (tabel 5). Ingeschat wordt dat, binnen het beschikbare budget van € 180 miljoen, er ruimte is om aan circa 300 varkenshouders een subsidie te verstrekken voor het beëindigen van hun bedrijf of de locatie van hun bedrijf. De administratieve lasten die voortvloeien uit de verplichtingen die aan subsidieverlening zijn verbonden worden weergegeven per bedrijf en voor dit aantal van 300 (tabel 6).

Tabel 5: Administratieve lasten verbonden aan de aanvraag van een subsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 500 aanvragen.

Handeling/verplichting

Uitgangspunten berekening

Administratieve last per aanvraag

Administratieve last bij 500 aanvragen

Gegevens nodig voor het bepalen van de geurscore.

3 uur * € 34,00 + 3 uur * € 54,00

€ 264,00

€ 132.000,00

Berekening gemiddeld aantal gehouden varkens in 2018.

1 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 142,00

€ 71.000,00

Berekening/vaststelling aantal varkenseenheden dat wordt doorgehaald.

1 uur * € 34,00 + 1 uur * € 54,00

€ 88,00

€ 44.000,00

Verzamelen van gegevens van de voor het houden van varkens gebruikte gebouwen en bouwwerken die zullen worden gesloopt.

2 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 176,00

€ 88.000,00

Kopie van melding Activiteitenbesluit milieubeheer, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu.

2 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 176,00

€ 88.000,00

Opstellen verklaring dat daadwerkelijk varkens zijn gehouden, de varkenshouderijlocatie gedurende de afgelopen vijf jaar in gebruik is geweest en dat de huisvestingssystemen voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting.

1 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 142,00

€ 71.000,00

Invullen en indienen van de aanvraag.

1 uur * € 34,00 + 1 uur * € 54,00

€ 88,00

€ 44.000,00

Totaal per aanvraag

 

€ 1.076,00

 

Totaal bij 500 aanvragen

   

€ 538.000,00

Tabel 6: Administratieve lasten na toekenning van een subsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 300 toegekende subsidies.

Handeling/verplichting

Uitgangspunten berekening

Administratieve last per aanvraag

Administratieve last bij 300 subsidie-verstrekkingen

Ondertekening overeenkomst, bedoeld in artikel 5, onder g.

1 uur * € 34,00 + 1 uur * € 54,00

€ 88,00

€ 26.400,00

Kopie kennisgeving vervallen varkensrecht, bedoeld in artikel 5, onder c.

0,5 uur * € 34,00

€ 17,00

€ 5.100,00

Kopie van de melding, bedoeld in artikel 5, onder d, onderdeel 1°, respectievelijk van de beschikking tot intrekking of wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 5, onder d, onderdelen 1° en 2°.

0,5 uur * € 34,00 + 0,5 uur * € 54,00

€ 44,00

€ 13.200,00

Kopie van de beschikking tot intrekking, bedoeld in artikel 5, onder e.

0,5 uur * € 34,00 + 0,5 uur * € 54,00

€ 44,00

€ 13.200,00

Kopie van het verzoek tot wijziging van de bestemming en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen, bedoeld in artikel 5, onder f.

0,5 uur * € 34,00

€ 17,00

€ 5.100,00

Aanvraag om subsidievaststelling, bedoeld in artikel 18.

1 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 142,00

€ 42.600,00

Totaal per aanvraag

 

€ 352,00

 

Totaal bij 300 toegekende subsidies

   

€ 105.600,00

De totale administratieve lasten die voortvloeien uit de regeling, onder de aanname van 500 aanvragen en 300 toegekende subsidies, worden daarmee ingeschat op € 643.600,–.

12.2 Nalevingskosten

Nalevingskosten zijn de kosten die bedrijven moeten maken om te voldoen aan inhoudelijke eisen uit wet- en regelgeving. Aan deze regeling zijn nalevingskosten verbonden die voortvloeien uit de verplichting tot sloop van de voor de varkenshouderij gebruikte varkensstallen, voer- en mestsilo’s en mestkelders. Voor het slopen dient de varkenshouder, op grond van artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012, een sloopmelding te doen bij het bevoegd gezag. Bij deze sloopmelding dient de indiener een aantal gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verstrekken (artikel 1.26, lid 6, Bouwbesluit 2012), waaronder een veiligheidsplan, een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de afvalstoffen die naar verwachting zullen vrijkomen bij de sloopwerkzaamheden en een asbestinventarisatierapport. Aan de verplichting tot sloop zijn derhalve nalevingskosten verbonden, die deels zien op de inzet van uren van de landbouwer en zijn agrarisch adviseur en deels op advieskosten voor het laten opstellen van een veiligheidsplan en een asbestinventarisatierapport (tabel 7).

Tabel 7: Nalevingskosten na toekenning van een subsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 300 toegekende subsidies.

Handeling

Uitgangspunten berekening

Administratieve last

Sloopmelding

4 uur * € 34,00 + 4 uur * € 54,00

+ € 2.500,– advieskosten

€ 2.880,00

Totaal per aanvraag

 

€ 2.852,00

Totaal bij 300 toegekende subsidies

 

€ 855.600,00

De totale nalevingskosten die voortvloeien uit de regeling worden daarmee ingeschat op € 855.600,– onder de aanname van in totaal 300 toegekende subsidies.

12.3 Advies van het Adviescollege toetsing regeldruk

Op 29 april 2019 is een eindconcept van de regeling aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) voorgelegd voor toetsing. Op 24 juli 2019 heeft het college advies uitgebracht aan de Minister van LNV. Dit advies is terug te vinden op de website van de ATR (www.atr-regeldruk.nl).

De ATR toetst wetgeving aan de hand van de volgende criteria:

  • 1. Nuloptie (nut en noodzaak): is er een taak voor de overheid en is wetgeving het meest aangewezen instrument?

  • 2. Zijn er minder belastende alternatieven mogelijk?

  • 3. Is gekozen voor een uitvoeringswijze die werkbaar is voor de doelgroepen die de wetgeving moeten naleven?

  • 4. Zijn de gevolgen voor de regeldruk volledig en juist in beeld gebracht?

Het college oordeelt dat nut en noodzaak voldoende zijn onderbouwd. Op de vraag of er minder belastende alternatieven mogelijk zijn adviseert het college allereerst om met het oog op een duurzame borging van de beëindiging van de varkenshouderijactiviteiten op de betreffende locatie via de provincies en het beschikbare ruimtelijke instrumentarium gemeenten te verplichten om het bestemmingsplan van een varkenshouderijlocatie te wijzigen. Daarnaast adviseert het college om een uitkoopregeling of onteigeningsregeling als alternatief te overwegen. Op het punt van de werkbaarheid van de regeling adviseert het college om in de toelichting in te gaan op de aannames en argumenten die hebben geleid tot een subsidie percentage van 65% en daarbij aan te geven of en in hoeverre de sloopkosten daarin zijn meegenomen. Het college acht de gevolgen voor de regeldruk voldoende in kaart gebracht. Alles overwegende komt het college tot het volgende dictum: De regeling niet vaststellen, tenzij met de adviespunten rekening is gehouden. In het navolgende wordt op de adviespunten ingegaan.

Zoals beschreven in paragraaf 9 van deze toelichting vereisen de Richtsnoeren dat de productiecapaciteit waarop de subsidie betrekking heeft, definitief en onherroepelijk beëindigd wordt. Met een wijziging van het bestemmingsplan kan worden geborgd dat de locatie niet langer beschikbaar is voor enige vorm van intensieve veehouderij. Een vereiste dat een dergelijke wijziging van het bestemmingsplan gedurende het subsidietraject plaats moet vinden, kan echter niet worden opgenomen in de regeling, aangezien de voor een wijziging van het bestemmingsplan te doorlopen procedure veel tijd vergt terwijl de uitkomst van die procedure niet op voorhand vast staat. Varkenshouders zouden hierdoor te lang in onzekerheid verkeren en de afwikkeling van de sluiting van de varkenshouderijlocatie zou te lang duren. Bovendien is het de vraag of de suggestie om via de provincies aan gemeenten een verplichting op te leggen tot wijziging van het bestemmingsplan niet op gespannen staat met de eigenstandige bevoegdheid die gemeenten hebben om over bestemmingsplannen te besluiten. Overigens zou ook in deze benadering de procedure tot wijziging van het bestemmingsplan moeten worden doorlopen.

Met de partijen uit het Hoofdlijnenakkoord is een gecombineerde aanpak langs twee sporen overeengekomen, te weten het sanerings- en het verduurzamingsspoor (zie ook paragraaf 1). Het saneringsspoor is neergelegd in onderhavige regeling en voorziet in een vermindering van de geuroverlast voor omwonenden door de verstrekking van een subsidie aan varkenshouders in de concentratiegebieden Zuid en Oost die, op vrijwillige basis, hun varkenshouderijbedrijf of een locatie van hun bedrijf willen beëindigen. Het verduurzamingsspoor richt zich op die varkenshouders die zich verder willen ontwikkelen, maar die dit alleen op maatschappelijk verantwoorde wijze kunnen doen als het bedrijf verder wordt verduurzaamd. Met een uitkoop- of onteigeningsregeling zouden de varkenshouderijlocaties die de meeste geuroverlast veroorzaken – de locaties met de hoogste geurscore – gedwongen beëindigd kunnen worden. Een dergelijk aanpak kent echter grote bezwaren. Indien de mate van geuroverlast (de hoogte van de geurscore) als doorslaggevend criterium wordt gehanteerd bij de selectie van de te onteigenen varkenshouders, dan ontstaat de situatie dat varkenshouders die willen stoppen buiten de selectie vallen terwijl varkenshouders die door willen gaan en ook toekomstperspectief hebben, gedwongen worden om te stoppen. Een gedwongen beëindiging zal dan ook onherroepelijk leiden tot grote weerstand vanuit de sector, met een grote kans op vele en mogelijk langlopende juridische procedures. Onteigening resulteert bovendien in veel gevallen tot (veel) hogere financiële compensaties voor de betreffende varkenshouders dan de vergoedingen die op grond van onderhavige subsidieregeling worden toegekend. Gezien voorgaande wordt een uitkoop- of onteigeningsregeling niet gezien als reëel alternatief.

Voor wat betreft het advies van het college om in te gaan op de aannames en argumenten die hebben geleid tot een subsidie percentage van 65% en daarbij aan te geven of en in hoeverre de sloopkosten daarin zijn meegenomen, wordt verwezen naar de betreffende passage daaromtrent in deze toelichting (paragraaf 7.3.3) en naar het onderliggende advies van Wageningen UR.

13 Uitvoering en handhaving

De uitvoering van de regeling zal geschieden door RVO.nl, behoudens de berekening van de geurscore voor de varkenshouderijlocaties waarop de subsidieaanvragen betrekking hebben. De berekening van de geurscore vraagt om specialistische expertise waarover RVO.nl niet beschikt. De geurscore wordt door een externe partij vastgesteld. De opdracht aan deze partij is middels een Europees aanbestedingstraject tot stand gekomen. De controle en handhaving van de regeling is eveneens in handen van RVO.nl, daar waar nodig met ondersteuning van de NVWA. De NVWA zal fysiek controleren of de begunstigde van een subsidie heeft voldaan aan de vereisten dat (binnen acht maanden na subsidieverlening) alle varkens en alle mest van varkens zijn afgevoerd vanaf de varkenshouderijlocatie en dat (binnen veertien maanden na subsidieverlening) aan de sloopverplichting is voldaan. Hiermee wordt geborgd dat de bevoorschotting en de definitieve subsidievaststelling uitsluitend plaatsvindt als de productie en productiecapaciteit definitief en onherroepelijk is beëindigd respectievelijk de sloop van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit is uitgevoerd.

RVO.nl en de NVWA hebben voor de regeling een Uitvoerings- en handhavingstoets (UHT) uitgevoerd. Conclusie is dat de regeling over het geheel genomen door de RVO en de NVWA redelijk goed is uit te voeren en te handhaven. Uit de UHT volgt dat het op enkele onderdelen van de regeling voor RVO.nl en de NVWA niet mogelijk is de juistheid van de door de varkenshouder te verstrekken gegevens voor de volle 100% te verifiëren, maar dat deze gegevens voor een correcte afhandeling van de aanvraag wel in voldoende mate op aannemelijkheid getoetst kunnen worden. Het gaat om controle op:

  • de volledige afvoer van alle meststoffen van varkens uit de mestkelders;

  • de volledige sloop en afvoer van de voor de varkenshouderij gebruikte dierenverblijven, voer- en mestsilo’s en mestkelders; en

  • het gemiddeld aantal varkens dat een varkenshouder op een varkenshouderijlocatie heeft gehouden van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019.

Blijkens de UHT vraagt RVO.nl op twee punten aandacht voor de uitvoerbaarheid van de regeling. Het gaat ten eerste om het vereiste dat de begunstigde van de subsidie niet langer op de varkenshouderijlocatie varkens mag houden en ook geen andere diersoorten die bij intensieve veehouderij horen, en evenmin varkens mag gaan houden op een andere locatie dan waar hij ten tijde van de aanvraag van de subsidie reeds een varkenshouderijlocatie heeft. Aan deze bepaling is, conform de voorwaarden uit de staatssteunkaders, geen einddatum verbonden. RVO.nl geeft aan dat een waterdichte controle op het vereiste dat de begunstigde van de subsidie niet op een andere locatie varkens mag gaan houden, in de praktijk lastig is. Gelet hierop kan worden volstaan met een controle van de beschikbare registraties. Jaarlijks wordt bezien of een begunstigde van een subsidie elders een varkenshouderij is begonnen na de datum van subsidieaanvraag.

Ten tweede gaat het om het afwijzen van aanvragen van varkenshouders die bepaalde overtredingen hebben begaan. Het betreft ten eerste afwijzing op grond van artikel 4, tweede lid, indien betrokkene de norm van het varkensrecht (artikel 19, eerste lid, van de Meststoffenwet) heeft overtreden en ten tweede afwijzing (op grond van artikel 6, tweede lid) indien betrokkene zich niet heeft gehouden aan de wettelijke vereisten voor het houden van varkens (zie ook paragraaf 5.3 van deze toelichting). RVO.nl wijst er op dat nog niet duidelijk is hoe getoetst zal kunnen worden of er reden is voor uitsluiting dan wel afwijzing. Voorzien wordt dat aan de hand van justitiële gegevens wordt vastgesteld of er sprake is van een relevante overtreding. In paragraaf 5.3 is op hoofdlijnen toegelicht welke criteria hierbij worden gebruikt. Met het oog op de uitvoerbaarheid zal waar nodig het beleidskader voor de toepassing van de (facultatief geformuleerde) afwijzingsgrond nader worden uitgewerkt.

14 Verantwoording

14.1 Publieke consultatie

Van 1 tot en met 31 mei 2019 zijn de conceptregeling en -toelichting opengesteld voor publieke consultatie19. In totaal zijn 39 zienswijzen ingediend, waarvan 23 openbaar en 16 niet-openbaar. De indieners zijn grofweg in te delen in de volgende vijf categorieën (tussen haakjes het aantal ingediende zienswijzen per categorie):

  • Varkenshouders en brancheorganisaties (15);

  • Adviesbureaus (6);

  • Gemeenten en omgevingsdiensten (10);

  • Burgers en omwonenden (6);

  • Milieuorganisaties (2).

Naar aanleiding van de reacties is de toelichting waar nodig aangescherpt. Daarnaast hebben enkele reacties geresulteerd in aanpassingen van de regeling. Onderstaand komen de meest prominente voorstellen tot wijziging van de regeling aan de orde. Voor de ingediende openbare reacties en voor een verslag van de internetconsultatie met een reactie op de ingediende vragen en voorstellen wordt verwezen naar de desbetreffende internetpagina op www.internetconsultatie.nl.

Het voorstel om bij de bepaling van de geurscore alleen bedrijfswoningen van een landbouwonderneming met landbouwhuisdieren uit te zonderen en niet bedrijfswoningen van alle landbouwondernemingen is overgenomen. Bedrijfswoningen bij landbouwbedrijven waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden, hebben niet te maken met geuremissie vanuit het eigen bedrijf terwijl er wel, net als bij burgerwoningen, sprake is van permanente bewoning. Het voorstel om objecten met een recreatieve functie mee te nemen bij het bepalen van de geurscore is niet overgenomen. Bij recreatieve objecten is geen sprake van permanente bewoning. Deze keuze sluit aan bij het doel van de regeling, namelijk het terugdringen van geuroverlast van varkenshouderijlocaties voor omwonenden die permanent en langdurig blootgesteld worden aan geuroverlast.

Voorgesteld is om een uitzondering te maken op de sloopverplichting in het geval (een deel van) de op een locatie aanwezige gebouwen en bouwwerken waarop de sloopverplichting van toepassing is, kan worden herbestemd. Dit voorstel is niet overgenomen. Of een beoogde herbestemming feitelijk wordt gerealiseerd, blijkt in de regel pas jaren later en het afwachten van de uitkomsten van een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan zou het subsidietraject sterk vertragen en compliceren. Bovendien laten de Richtsnoeren geen ruimte voor een dergelijke aanpassing. Zij vereisen namelijk een definitieve en onomkeerbare sluiting van de productiecapaciteit als tegenprestatie voor de verleende steun. Dit laat geen ruimte voor vrijstelling van de sloopverplichting indien sprake is van mogelijke herbestemming van (een deel van) die productiecapaciteit. Naar aanleiding van het voorstel is wel gekozen voor een nadere aanduiding van de gebouwen en bouwwerken die onder de sloopverplichting vallen, te weten de voor het houden van varkens gebruikte dierenverblijven, voer- en mestsilo’s en de mestkelders op de betreffende varkenshouderijlocatie, tezamen aangeduid als de productiecapaciteit.

Verzocht is om de periode van openstelling van de regeling naar achteren te schuiven, omdat de in de conceptregeling opgenomen datum van openstelling (toen voorzien voor 15 augustus 2019) in de zomervakantie viel. Door diverse omstandigheden is deze regeling pas later vastgesteld, zodat de regeling ook later wordt opengesteld.

Verschillende gemeenten hebben aangegeven dat de voorziene periode tussen publicatie en openstelling te krap is voor een goede afweging door varkenshouders en voor goede begeleiding door gemeenten. Daarnaast zouden de termijnen van acht maanden (voor definitieve bedrijfsbeëindiging) en veertien maanden (voor het slopen van de stallen, voersilo’s, mestsilo’s en mestkelders) te krap zijn voor een zorgvuldige bedrijfsbeëindiging. Dit standpunt wordt niet gedeeld, ook niet door de bij de totstandkoming van de regeling betrokken partijen, in het bijzonder vertegenwoordigers van de VNG en de sector. De periode tussen publicatie en openstelling, in combinatie met de gekozen openstellingsperiode, mag als voldoende worden beschouwd voor de aanvraagfase. De andere genoemde termijnen kunnen als afdoende worden beschouwd voor de bedrijfsbeëindiging en sloop.

14.2 Ex-ante evaluatie

Op aangeven van de partijen van het Hoofdlijnenakkoord is een ex ante evaluatie van de regeling uitgevoerd. Een onafhankelijke en tijdelijke commissie is gevraagd om op basis van expert judgement een quick scan uit te voeren en een oordeel te geven over twee vragen:

  • 1. is de regeling voldoende doelmatig en doeltreffend?

  • 2. is het voorkomen van oneigenlijk gebruik en fraudegevoeligheid voldoende geborgd?

De commissie heeft op 8 april 2019 advies uitgebracht20. De commissie verwacht dat de regeling naar verwachting effectief en doeltreffend is bij voldoende deelname, maar niet in alle opzichten doelmatig. De ingebouwde drempelwaarde kan volgens de commissie mogelijk zorgen voor verminderde deelnamebereidheid. De doeltreffendheid van de regeling is volgens de commissie in belangrijke mate afhankelijk van het flankerend beleid. De commissie vindt het dan ook van belang dat hierover duidelijkheid bestaat als de regeling opengesteld wordt. De commissie heeft aanbevolen om alternatieven te onderzoeken die de doelmatigheid vergroten. De commissie wijst daarbij op het rangschikken op geurscore per euro subsidie, het voorrang geven aan jongere stallen (vanwege potentieel langdurige geurbelasting in de toekomst) en het meewegen van achtergrondbelasting bij de rangschikking.

De door de commissie voorgestelde alternatieven zijn bij de totstandkoming van de regeling verkend. Uitgangspunt van de regeling is dat subsidie wordt verstrekt voor het definitief en onherroepelijk beëindigen van de productie en productiecapaciteit van een varkenshouderijlocatie die geuroverlast veroorzaakt voor omwonenden in de directe omgeving. Daartoe worden varkenshouderijlocaties waarvoor subsidie wordt aangevraagd, op basis van de in de regeling gehanteerde geurscore, gerangschikt op de mate van geuroverlast. Ten algemene geldt dat bij de toepassing van een rangschikkingsmethodiek het van belang is dat het gehanteerde criterium aansluit bij het doel van de regeling. Het hanteren van een criterium dat niet of onvoldoende aansluit bij het doel van de regeling zou in strijd kunnen zijn met het beginsel van gelijke behandeling. Een rangschikking op basis van de geurscore per euro subsidie kan betekenen dat een varkenshouder met een varkenshouderijlocatie met een hoge geurscore niet in aanmerking komt voor een subsidie, vanwege het gegeven dat op de betreffende locatie relatief nieuwe varkensstallen staan. Omwonenden rond een dergelijke varkenshouderijlocatie lopen daarmee het risico dat de geuroverlast niet weggenomen wordt, niet omdat de geuroverlast te gering is, maar omdat door de beperkte leeftijd van de stallen het subsidiebedrag verhoudingsgewijs hoog is. Het hanteren van een rangschikking op basis van geurscore per euro subsidie heeft, vanwege mogelijke strijdigheid met het beginsel van gelijke behandeling, een reëel juridisch afbreukrisico.

Het gaat bij de vaststelling van de geurscore van een varkenshouderijlocatie om geuroverlast die wordt veroorzaakt door de actuele situatie op de betreffende varkenshouderijlocatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het laten meewegen van de achtergrondbelasting door andere veehouderijlocaties of door andere (industriële) activiteiten in de omgeving bij het bepalen van de geurscore voor een individuele varkenshouderijlocatie past niet bij dit uitgangspunt en zou bovendien de uitvoering van de regeling, met name de vaststelling van de geurscore en de daaruit voortvloeiende rangschikking, onnodig complex maken. Voor het met voorrang verstrekken van subsidie voor een toekomstige situatie of voor een situatie waarvan verwacht wordt dat deze, vanwege de beperkte ouderdom van de varkensstallen op de betreffende locatie, nog langdurig zou kunnen blijven bestaan, bestaat geen grondslag. De subsidie dient immers ter definitieve en onherroepelijke beëindiging van de bestaande geuroverlast, niet van toekomstige overlast.

De commissie verwacht dat de regeling aantrekkelijker is voor vleesvarkensstallen dan voor zeugenstallen en dat de meeste animo valt te verwachten bij varkenshouders met vleesvarkensbedrijven of -locaties (met relatief jonge stallen) in gebied Zuid. De commissie heeft het advies gegeven om afzonderlijke rangschikkingen te maken voor zeugen- en vleesvarkensbedrijven om zo ook zeugenbedrijven eerder in aanmerking te laten komen voor de regeling. Deze aanbeveling van de commissie is niet overgenomen. Uitgangspunt van de regeling is dat varkenshouderijlocaties met de grootste geuroverlast (de hoogste geurscore) met voorrang in aanmerking komen voor een subsidie, ongeacht of op de betreffende locatie vleesvarkens, zeugen of een combinatie van beide worden gehouden. Een differentiatie naar type varkenshouderij doet geen recht aan dit uitgangspunt en zou bovendien in strijd kunnen zijn met het beginsel van gelijke behandeling. Toepassing van een afzonderlijke rangschikking voor zeugen- en vleesvarkensbedrijven kan namelijk betekenen dat een locatie met vleesvarkens met een relatief hoge geurscore minder kans maakt op een subsidie dan een locatie met zeugen met een relatief lage geurscore. Daarnaast zou het hanteren van een gedifferentieerde ranking uitvoeringstechnisch lastig te hanteren zijn in verband met gesloten bedrijven, waar op een locatie zowel vleesvarkens als zeugen gehouden worden.

Voor een reactie op de opmerking van de tijdelijke commissie over het flankerend beleid wordt verwezen naar paragraaf 8.

II ARTIKELEN

Artikel 1

Concentratiegebied

Een concentratiegebied is omschreven als Concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost zoals aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet. In de betreffende bijlage zijn de gemeenten benoemd die op 1 januari 1997 concentratiegebied Zuid respectievelijk concentratiegebied Oost vormden. Sindsdien zijn de grenzen van veel gemeenten gewijzigd als gevolg van samenvoegingen en/of herindelingen. Om te bepalen of een varkenshouderijlocatie is gelegen in concentratiegebied Zuid of in concentratiegebied Oost is de lijst met gemeenten uit bijlage I van de Meststoffenwet daarom niet doorslaggevend. Om die reden wordt gebruik gemaakt van de postcode van de varkenshouderijlocatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt bepaald of deze postcode is gelegen binnen de grenzen van het concentratiegebied Zuid dan wel het concentratiegebied Oost zoals opgenomen in de Meststoffenwet.

Geurgevoelig object

Als geurgevoelig object worden alleen aangemerkt woningen die in de Basisregistratie adressen en gebouwen van het Kadaster zijn vermeld als verblijfsobject met een woonfunctie, met uitzondering van woningen die deel uitmaken van een landbouwonderneming voor het houden van landbouwhuisdieren, voor zover deze woningen ook voor menselijk wonen of verblijf gebruikt mogen worden. Dat wordt bepaald aan de hand van respectievelijk bestemmingsplan, inpassingsplan, beheersverordening of omgevingsvergunning. Of sprake is van een veehouderijbestemming kan ook worden afgeleid uit deze informatie. De beperking tot objecten met een woonfunctie doet recht aan het doel van de regeling, namelijk het verminderen van geuroverlast voor omwonenden.

Productiecapaciteit

Productiecapaciteit is omschreven als dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders. Als mestkelder kan worden beschouwd, overeenkomstig de desbetreffende definitie in het Activiteitenbesluit milieubeheer, een ondergronds mestbassin, voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren en onderdeel is van een dierenverblijf of van een voormalig dierenverblijf.

Bij een voer- of mestsilo gaat het om een bovengrondse mest- of voeropslag.

Varkenshouder

De regeling voorziet in subsidieverstrekking aan varkenshouders, hetgeen primair refereert aan de situatie waarin de onderneming de vorm heeft van een eenmanszaak waarbij degene die de varkens houdt tegelijk ook de ondernemer is. Het komt in de praktijk ook voor dat een varkenshouderij een andere rechtsvorm heeft, zoals die van een maatschap, een vennootschap onder firma of een besloten vennootschap. In dat geval dient de subsidieaanvraag te worden gedaan door de onderneming, althans door degene(n) die namens de onderneming kan c.q. kunnen optreden. In verband hiermee wordt het begrip varkenshouder omschreven als een ondernemer of een onderneming die een varkenshouderij in stand houdt.

Varkenshouderij

Een varkenshouderij is gedefinieerd als een landbouwonderneming voor het houden van varkens die voldoet aan de criteria voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen zoals vermeld in bijlage 1 van Verordening 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 (PbEU L193). Aan deze criteria wordt niet voldaan als bij de onderneming ten minste 250 personen werkzaam zijn en als de jaaromzet meer dan 50 miljoen euro bedraagt of het jaarlijkse balanstotaal meer dan 43 miljoen euro is. De uitzondering van deze (grote) ondernemingen die voortvloeit uit de richtsnoeren is voor varkenshouderijen in de praktijk van weinig betekenis omdat varkenshouderijen in de regel niet deze omvang bereiken.

Varkenshouderijlocatie

Een varkenshouderijlocatie is omschreven als de plaats van een bedrijfsvestiging. Voor het houden van varkens op een locatie dient de houder te beschikken over een zogenaamd uniek bedrijfsnummer (UBN) dat wordt toegekend op grond van artikel 3 van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Indien een varkenshouder zijn bedrijf uitoefent op aangrenzende percelen, kan de vraag opkomen of sprake is van één of meer varkenshouderijlocaties. In dergelijke gevallen zal op basis van de UBN-registratie bepaald kunnen worden of sprake is van één of van twee vestigingen. Bij een gekoppeld bouwblok kan sprake zijn van één varkenshouderijlocatie, ook al heeft betrokkene voor elk van de delen een aparte omgevingsvergunning of een aparte meldingsverplichting. In dat geval gelden de vereisten van deze regeling betreffende de omgevingsvergunning en melding aan het bevoegd gezag voor beide delen.

Varkensrecht

In de Meststoffenwet is varkensrecht gedefinieerd als “gemiddeld aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat op grond van hoofdstuk V in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden” (artikel 1, lid 1, onder y). Met de systematiek van varkenseenheden worden de aantallen van de verschillende categorieën varkens, zoals fokzeugen en vleesvarkens, omgerekend naar een voor de verantwoording in het kader van de Meststoffenwet eenduidige eenheid. Deze omrekening dient plaats te vinden overeenkomstig de in bijlage II bij de Meststoffenwet opgenomen normen. Waar in deze regeling van de subsidieontvanger wordt verlangd dat hij zijn varkensrecht geheel of gedeeltelijk laat vervallen, wordt de omvang van dit te vervallen varkensrecht steeds afgeleid van het op de betreffende locatie gemiddelde aantal gehouden varkens van de onderscheiden categorieën en uitgedrukt in varkenseenheden.

Artikel 2

In het algemeen deel van deze toelichting is hier reeds op ingegaan.

Artikel 3

Met deze bepaling worden enkele artikelen van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies van overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft respectievelijk de cumulatie van subsidies (artikel 6), de vereisten van steunkaders van de Europese Unie (artikel 8), afwijzingsgronden (artikelen 22 en 23), de termijn waarbinnen op aanvragen om subsidieverlening en om subsidievaststelling moet worden besloten (artikelen 26 resp. 52), het regime voor de verdeling van het subsidiebudget (artikel 28), faillissement van de subsidieontvanger (artikel 36), vertraging bij de uitvoering van de subsidiabele activiteit (artikel 36a), de verlening van medewerking aan een evaluatie van de regeling (artikel 41) en de mogelijkheid om bij de subsidiebeschikking nadere voorschriften vast te stellen (artikel 43). Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat deze regeling zoveel mogelijk in lijn is met het voor subsidieverstrekking gebruikelijke regime van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Volledigheidshalve zij vermeld dat voor de toepassing van deze regeling hiernaast ook de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht relevant is.

Artikel 4

In het eerste lid is de grondslag voor de subsidieverstrekking gegeven, de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie die voldoet aan de voorwaarden betreffende geur (een geurscore van ten minste 0,4) en ligging in een van de concentratiegebieden van de Meststoffenwet.

In het tweede lid is de uitsluitingsgrond opgenomen voor varkenshouders die de norm van het varkensrecht van artikel 19, eerste lid, van de Meststoffenwet hebben overtreden. Voor een toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar paragraaf 5.3 van het algemene deel van de toelichting.

Artikel 5

De in dit artikel bepaalde vereisten vormen een uitwerking van de grondslag betreffende de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie. In paragraaf 6 van het algemene deel van deze toelichting is hier reeds op ingegaan. Aanvullend is nog het volgende van belang.

De onder a bedoelde onomkeerbare sluiting betekent dat de bedrijfsvoering moet worden beëindigd, met inbegrip van het voor de laatste maal afvoeren van de varkens. De verwijdering van meststoffen, bedoeld onder b, heeft betrekking op meststoffen in de zin van de Meststoffenwet en betreft alle plaatsen waar op de locatie mest van varkens is opgeslagen, zoals in mestkelders of -bassins, tanks etc. Het onder d bedoelde vereiste betreft de aanpassing van de omgevingsrechtelijke status van de locatie. Uitgangssituatie is dat een varkenshouder al naar gelang de omvang van de bedrijfsactiviteiten zijn activiteiten bij het bevoegd gezag gemeld heeft op grond van het Activiteitenbesluit milieu en eventueel beschikt over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets of beschikt over een (gewone) omgevingsvergunning milieu. In verband met het sluiten van de locatie dient daarom een melding van beëindiging van de activiteiten te worden gedaan en in voorkomend geval dient de vergunning te worden ingetrokken. Het onder f bedoelde vereiste omtrent de in behandeling name van een verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan impliceert dat de varkenshouder van de gemeente een kennisgeving hieromtrent heeft. De onder h, bedoelde sloopverplichting betreft alle onderdelen van de productiecapaciteit voor het houden van varkens, dus zowel de dierenverblijven als de mestkelders, mestsilo’s en voersilo’s. Om vooraf duidelijkheid te creëren welke stallen en voorzieningen het betreft, is voorzien dat de nodige informatie hierover in de subsidieaanvraag moet worden opgenomen.

Artikel 6

In paragraaf 5 van het algemene deel van deze toelichting is reeds ingegaan op de afwijzingsgronden, genoemd in het eerste en tweede lid. Aanvullend kan ten aanzien van onderdeel b van het eerste lid worden vermeld dat alle huisvestingssystemen van dierenverblijven op de veehouderijlocatie moeten voldoen aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Het gaat hierbij om de vereisten van voornoemd besluit die gelden tot 1 januari 2020. Artikel 8 van het besluit bevat een overgangsregeling tot die datum. Ingevolge artikel 6 wordt getoetst of wordt voldaan aan de overgangsregeling van het Besluit. Dit betekent dat ook als na voornoemde datum op een aanvraag wordt beslist, de overgangsregeling van het besluit daarbij maatgevend is.

Het voorgaande doet niet af aan de mogelijkheid van interne saldering die artikel 5, tweede lid, van het besluit biedt.

Voor de goede orde zij vermeld dat op grond van artikel 3 van deze regeling er een grondslag is voor het afwijzen van de aanvraag indien betrokkene langs andere weg reeds subsidie ontvangt voor het sluiten van de varkenshouderijlocatie. Hiernaast zijn ook de relevante afwijzingsgronden van de Algemene wet bestuursrecht en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies van toepassing (artikel 6 Kaderbesluit nationale EZ-subsidies). Het betreft onder meer artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan een subsidieaanvraag kan worden afgewezen indien er gegronde reden is om aan te nemen dat de te subsidiëren activiteiten niet (geheel) zullen plaatsvinden, dat de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet zullen worden nageleefd of dat niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal worden afgelegd. Indien bijvoorbeeld van een aanvrager bekend is dat hij administratieve verplichtingen op grond van de meststoffenwetgeving of de regelgeving voor identificatie en registratie van dieren slecht naleeft, kan dat reden zijn om met toepassing van voornoemd artikel de subsidieaanvraag af te wijzen.

Artikelen 7, 8 en 9

In het algemene deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan.

Artikel 11

Voor de inrichting van het proces van subsidieverstrekking wordt goeddeels de gebruikelijke procedure gevolgd, waarbij eerst aanvragen voor verlening van de subsidie worden ingediend bij RVO.nl. Deze aanvraag dient te worden gedaan door degene(n) die de onderneming kan c.q. kunnen vertegenwoordigen (bij een samenwerkingsverband de maten of vennoten; bij een besloten vennootschap de bestuurders), waarbij in voorkomend geval de aanvraag mede moet worden gedaan door de echtgenoot of echtgenote van betrokkene (op grond van artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek). De aanvraag moet zijn voorzien van de benodigde gegevens om te kunnen beoordelen of een aanvraag voor toewijzing in aanmerking komt en, zo ja, wat de hoogte van het subsidiebedrag is. Hierbij is erin voorzien dat per veehouderijlocatie een aanvraag wordt gedaan. Dit betekent dat de varkenshouder die twee of meer locaties wil sluiten, even zoveel subsidieverzoeken dient in te dienen. Dit ligt in de rede omdat locaties onderling verschillen, onder meer ten aanzien van geur, en dus een aparte beoordeling vergen bij het bepalen van de geurscore en op andere aspecten. Ook de rangschikking van aanvragen naar de hoogte van de geurscore gebeurt per veehouderijlocatie. Het is dus denkbaar dat voor een eerste locatie de aanvraag wordt toegewezen en voor de andere locatie(s) de aanvraag wordt afgewezen. Voor het indienen van de aanvraag dient gebruik gemaakt te worden van het door RVO.nl ter beschikking gestelde middel. Indien een aanvraag onvolledig wordt ingediend, is dit grond voor afwijzing van de aanvraag (overeenkomstig artikel 22 Kaderbesluit EZ-subsidies dat op grond van artikel 3 van overeenkomstige toepassing is). Een onvolledige aanvraag kan alleen worden gecompleteerd tot het moment van sluiting van de openstellingsperiode.

Voor de behandeling van de aanvragen om subsidieverlening geldt op grond van artikel 26 van het Kaderbesluit EZ-subsidies (dat in artikel 3 van de regeling van overeenkomstige toepassing is verklaard) een maximale termijn van dertien weken na sluiting van de openstellingsperiode.

Artikel 12

In het algemene deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan.

Artikel 13

De subsidieaanvragen die aan alle voorwaarden voldoen, worden toegewezen op volgorde van de rangschikking van de geurscores, waarbij de aanvraag met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking komt. Ingeval het budgettaire beslag van de toewijsbare aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, worden subsidies verleend tot het subsidieplafond is bereikt. Aanvragen die op grond van de positie in de rangschikking niet in aanmerking komen voor een subsidie komen op een reservelijst, waarbij de volgorde van de rangschikking wordt aangehouden. De aanvragen die op de reservelijst staan, worden bekendgemaakt op de website van RVO.nl, waarbij uitsluitend het bij de aanvrager bekende aanvraagnummer en de positie op de ranglijst zichtbaar zullen zijn zodat geborgd is dat de aanvraag niet te herleiden valt tot persoonsgegevens.

De begunstigde van een subsidie dient binnen acht weken na subsidieverlening de getekende overeenkomst, als bedoeld in artikel 5, onder g, te hebben gezonden naar RVO.nl. Indien de getekende overeenkomst niet tijdig is ontvangen, wordt de subsidie ingetrokken. Het daarmee vrijvallende budget is beschikbaar voor subsidietoekenning aan varkenshouders waarvan de aanvragen op de reservelijst staan, waarbij de aanvraag met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking komt. Op het moment dat alle begunstigden de ondertekende overeenkomst aan RVO.nl hebben gezonden, ontvangen aanvragers die nog op de reservelijst staan van RVO.nl een definitieve afwijzingsbeschikking.

Met het hanteren van deze aanpak met een reservelijst wordt geborgd dat het beschikbare subsidiebudget maximaal wordt ingezet.

Artikel 14

In het algemene deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan.

Artikel 15

In deze bepaling is de fasering vastgelegd van de maatregelen die de subsidieontvanger moet nemen, evenals het vereiste dat de sloopwerkzaamheden eerst worden aangevangen nadat is geconstateerd door de NVWA dat daadwerkelijk de varkens zijn afgevoerd en de mest is verwijderd. Dit laatste is van belang omdat anders een controle op het verwijderen van de mest niet meer goed mogelijk is.

Artikel 16

Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de minister met het oog op de subsidieverstrekking ook anderszins informatie over de voortgang van de sluiting van de varkenshouderijlocatie nodig heeft. Deze bepaling biedt de bevoegdheid om deze informatie bij betrokkene op te vragen.

Artikel 17

In paragraaf 7.4 is reeds ingegaan op het bevoorschottingsregime. De subsidieontvanger ontvangt dus het eerste voorschot van 10% van het subsidiebedrag na inzending van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, onderdeel g, en het tweede voorschot van 70% van het subsidiebedrag na indiening van een bevoorschottingsaanvraag met informatie waaruit blijkt dat hij de nodige saneringsmaatregelen heeft genomen en nadat de NVWA heeft bevestigd dat de varkens zijn afgevoerd en de mest verwijderd.

Artikel 18

Voor de behandeling van aanvragen om subsidievaststelling geldt op grond van artikel 52 van het Kaderbesluit EZ-subsidies (dat in artikel 3 van de regeling van overeenkomstige toepassing is verklaard) een maximale termijn van dertien weken na sluiting van de openstellingsperiode.

Artikel 19

Deze regeling treedt de dag na publicatie in de Staatscourant in werking, in afwijking van het beleid voor vaste verandermomenten. Er zou in dit geval sprake zijn van aanmerkelijke (ongewenste) private en publieke nadelen indien de regeling eerst op het vaste verandermoment van 1 januari 2020 in werking zou treden. Er is een groot belang mee gemoeid bij snelle inwerkingtreding. Ten eerste is de sector van de varkenshouderij reeds geruime tijd in de veronderstelling dat deze regeling voor het doen van subsidieaanvragen op korte termijn zou worden opengesteld. Ten tweede is het zeer wenselijk dat de belasting van de leefomgeving en in het bijzonder geuroverlast door varkenshouderijen zo spoedig mogelijk wordt verminderd door uitvoering van deze regeling. Zoals aangeduid in paragraaf 14.1 van het algemeen deel van de toelichting is bij de bepaling van de periode waarin subsidieaanvragen kunnen worden gedaan (de openstellingsperiode), rekening gehouden met het belang dat varkenshouders en decentrale overheden hebben bij een toereikende periode tussen de inwerkingtreding en de openstellingsperiode.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Indien de subsidieontvanger een rechtspersoon of een samenwerkingsverband (zoals een maatschap, v.o.f. of coöperatie) betreft die een varkenshouderij in stand houdt, wordt deze model-overeenkomst betreffende de aanhef en de ondertekening zodanig aangepast dat deze wordt gesloten door deze rechtspersoon respectievelijk dit samenwerkingsverband zoals een maatschap of v.o.f. en – gelet op artikel 4 van deze overeenkomst – tevens ondertekend door alle vennoten, maten, aandeelhouders (terugwerkend tot een natuurlijke persoon), etc. in privé hoedanigheid.

X Noot
2

In voorkomend geval dient op grond van artikel 1:88, eerste lid, Burgerlijk Wetboek ook de echtgenoot/echtgenote van de varkenshouder te ondertekenen.

X Noot
3

In voorkomend geval dient op grond van artikel 1:88, eerste lid, Burgerlijk Wetboek ook de echtgenoot/echtgenote van de aandeelhouder, maat, vennoot, etc. te ondertekenen.

X Noot
4

In voorkomend geval dient op grond van artikel 1:88, eerste lid, Burgerlijk Wetboek ook de echtgenoot/echtgenote van de aandeelhouder, maat, vennoot, etc. te ondertekenen.

X Noot
5

De geurbelasting is het aantal odour units waaraan een geurgevoelig object is blootgesteld. Deze wordt uitgedrukt in Europese odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3).

X Noot
8

Zie Kamerbrieven van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 24 mei 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 037, nr. 20) en van 6 december 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 33 037, nr. 39)

X Noot
10

“De begunstigde van de steun moet een toereikende tegenprestatie leveren” (Richtsnoeren, pag. 62, randnummer 425).

X Noot
11

Robert Hoste, Paul Bens en Cor Wattel (red.), Economische analyses voor de Sanerings-en beëindigingsregeling, Wageningen UR en DLV Advies

X Noot
12

Robert Hoste e.a., Prijsontwikkeling van varkensrechten, Wageningen UR.

X Noot
13

Staatscourant 2000, 55 pagina 16

X Noot
14

De Rbv had betrekking op de beëindiging van veehouderijen voor het houden van varkens, kippen, kalkoenen en rundvee

X Noot
15

Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) 2017-2018, Wageningen Livestock Research.

X Noot
16

Voor een volledige beschrijving van de onderdelen die zijn meegenomen in de forfaitaire vervangingswaarde wordt verwezen naar pagina’s 260-265 van de KWIN 2017-2018.

X Noot
18

Onder administratieve lasten worden verstaan de kosten die bedrijven moeten maken om te kunnen voldoen aan informatieverplichtingen die voortvloeien uit wet- en regelgeving. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van de lijst met standaarduurtarieven uit bijlage IV.D van het Handboek Meting Regeldrukkosten van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (zie www.atr-regeldruk.nl).