Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 juli 2018, nr. WJZ/18102268, houdende wijziging van de Regeling natuurbescherming (vastlegging opvangcentra gewone zeehond en grijze zeehond en wijziging van enkele andere soortenbeschermingsbepalingen)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 3.8, tweede lid, 3.10, tweede lid, in samenhang met de artikelen 1.3, 1.4 en 1.5 van het Besluit natuurbescherming, 3.37, tweede lid, 6.2, eerste lid, onderdeel c, en 7.1, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, en op de artikelen 2.7, derde lid, 2.8, eerste lid, 3.2, eerste lid, onderdeel c, 3.13, zevende lid, 3.21, vierde lid, onderdeel a, 3.26, derde lid, 3.27, tweede lid, onderdeel b, 4.2, tweede lid, onderdeel b, in samenhang met artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling natuurbescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door ‘Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’.

B

In artikel 2.3, tweede lid, vervalt ‘bij een of meer besluiten van de minister en de Minister van Infrastructuur en Milieu’.

C

In artikel 3.12, tweede lid, wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door ‘Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’.

D

Artikel 3.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door ‘Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’.

2. In het zesde lid wordt ‘het vierde lid’ vervangen door ‘het vijfde lid’.

E

Artikel 3.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, vervalt ‘, of overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wet is gedood en verkregen, of niet uit Nederland afkomstig is en kennelijk niet in strijd met de wetgeving van het land van herkomst is verkregen’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Onverminderd het tweede en vierde lid, gelden de vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, uitsluitend indien de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

F

In artikel 3.18a, eerste en tweede lid, vervalt telkens ‘en die behoort tot een soort die niet van nature in Nederland voorkomt’.

G

Artikel 3.22a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier’ vervangen door ‘het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond’.

2. In het tweede lid wordt ‘het vervoeren van het dier, anders dan met een dierenambulance’ vervangen door ‘het vervoeren van het dier, met een dierenambulance of anders dan met een dierenambulance’.

3. In het derde lid wordt ‘De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend’ vervangen door ‘De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend’.

4. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, geldt uitsluitend, indien het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan één van de volgende organisaties, indien zij krachtens de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen:

    • a. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;

    • b. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;

    • c. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Pieterburen;

    • d. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen;

    • e. Stichting Zeehondenopvang Terschelling op West-Terschelling.

H

Artikel 3.23 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt ‘EZ’ vervangen door ‘LNV’.

2. In het vijfde lid wordt ‘het derde lid’ vervangen door ‘het vierde lid’.

I

Artikel 3.24, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming:

    • a. is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering;

    • b. wordt gevoerd op een wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken, en

    • c. wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren op planten als bedoeld in het eerste lid.

J

In artikel 4.2, eerste lid en tweede lid, wordt ‘Minister van Economische Zaken’ telkens vervangen door ‘Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’.

K

In artikel 5.2, vierde lid, wordt ‘artikel 3.24, vierde lid’ vervangen door ‘artikel 3.23, vierde lid’.

L

In artikel 5.5, eerste lid, wordt ‘akte of document’ vervangen door ‘akte, document of merkteken’.

M

In artikel 6.1, onderdeel a, wordt ‘Ministerie van Economische Zaken’ vervangen door ‘Ministerie van Economische Zaken en Klimaat’.

N

In artikel 7.17 wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door ‘Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’.

O

In bijlage 1 wordt ‘Ministerie van Infrastructuur en Milieu’ telkens vervangen door ‘Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat’.

P

Onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel i door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd aan bijlage 2:

  • j. Stichting Huis Deelerwoud;

  • k. Stichting Landgoed Windesheim.

Q

Bijlage 4 komt te luiden:

BIJLAGE 4. BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.13, ZEVENDE LID, VAN DE REGELING NATUURBESCHERMING

R

In bijlage 5 wordt ‘Sarraceniaceeae’ vervangen door ‘Sarraceniaceae’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 7 juli 2018

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

TOELICHTING

1. Inleiding

Met onderhavige wijzigingsregeling wordt het aantal opvangcentra beperkt waarnaar de gewone zeehond en de grijze zeehond onder de vrijstelling voor het opzettelijk vangen van zieke of gewonde gewone zeehonden en grijze zeehonden kunnen worden gebracht (artikel I, onderdeel G). Daarnaast worden de eisen aan de administratie voor houders van gefokte of gekweekte dieren of planten van beschermde soorten gemoderniseerd (artikel I, onderdeel I). Voorts wordt de reikwijdte van de vrijstelling voor het onder zich hebben van te prepareren vogels beperkt tot vogels die legaal zijn verkregen door het zich toe-eigenen van een dode vogel door iemand buiten wiens schuld of medeweten de vogel was gestorven (artikel I, onderdeel E, onderdeel 1) en wordt bij de vrijstelling voor het onder zich hebben van te prepareren en geprepareerde vogels een koppeling gelegd met de eisen van de CITES-basisverordening en -uitvoeringsverordening (artikel I, onderdeel E, onderdeel 2). Tevens worden de vrijstellingen van het verbod op het onder zich hebben van dode uit het wild afkomstige vogels, dieren en planten, indien kan worden aangetoond dat de vogel, het dier of de plant legaal in het buitenland is verkregen, ook van toepassing op dode vogels, dieren en planten van soorten die wel van nature in Nederland voorkomen (artikel I, onderdeel F).

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele technische wijzigingen in de Regeling natuurbescherming door te voeren (artikel I, onderdelen A, B, C, D, H, J, K, L, M, N, O, P en Q).

De wijzigingen worden hierna toegelicht in paragraaf 2 van de toelichting. In paragraaf 3 van de toelichting worden de gevolgen voor de regeldruk toegelicht.

2. Inhoud wijzigingsregeling

2.1 Vrijstelling te prepareren en geprepareerde vogels (artikel 3.18)

Artikel 3.18 van de Regeling natuurbescherming bevat vrijstellingen voor het onder zich hebben van te prepareren en geprepareerde dieren. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is op grond van artikel 1.6 van het Besluit natuurbescherming bevoegd gezag in plaats van provincies voor het verlenen van deze vrijstellingen. Per abuis had de vrijstelling voor het onder zich hebben van te prepareren vogels ook betrekking op vogels die legaal waren verkregen op een andere manier dan het toe-eigenen van een dode vogel door iemand buiten wiens schuld of medeweten de vogel was gestorven.

De andere manieren van het legaal verkrijgen van een dode uit het wild afkomstige vogel teneinde deze te laten prepareren zijn: 1) de vogel is overeenkomstig de wet in Nederland verkregen, bijvoorbeeld in het kader van jacht of faunabeheer, en 2) de vogel uit het buitenland afkomstig is. In het eerste geval is het aan provincies om ontheffing of vrijstelling te geven van het verbod op het onder zich hebben van deze vogels en in het tweede geval is de vrijstelling van artikel 3.18a van de Regeling natuurbescherming, zoals gewijzigd bij deze regeling, van toepassing (zie paragraaf 2.2 van deze toelichting).

Met onderhavige wijzigingsregeling wordt de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 3.18, eerste lid, overeenkomstig het voorgaande beperkt tot vogels die legaal zijn verkregen door het zich toe-eigenen van een dode vogel door iemand buiten wiens schuld of medeweten de vogel was gestorven (artikel I, onderdeel E, onderdeel 1, van onderhavige wijzigingsregeling).

Ten overvloede zij vermeld dat de vrijstelling voor het onder zich hebben van geprepareerde vogels en de daarbij geldende voorschriften van toepassing blijft op alle vogels, ongeacht hun herkomst.

Voorts is uit handhavingsoptiek ten aanzien van de vrijstellingen van artikel 3.18, eerste en derde lid, het voorschrift opgenomen dat de betreffende vogels overeenkomstig de CITES-basisverordening en -uitvoeringsverordening in Nederland moeten zijn gebracht of verkregen (nieuw vijfde lid van artikel 3.18; artikel I, onderdeel E, onderdeel 2, van onderhavige wijzigingsregeling), net als bij de andere vrijstellingen van het verbod op het onder zich te hebben in de Regeling natuurbescherming. Dit voorschrift ondersteunt de handhaving van de CITES-bepalingen ten aanzien van de vogelsoorten die zowel onder de reikwijdte van de Vogelrichtlijn vallen als op de bijlagen bij de CITES-basisverordening staan.

2.2 Vrijstelling in het buitenland legaal verkregen dieren of planten (artikel 3.18a)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is op grond van artikel 1.6 van het Besluit natuurbescherming bevoegd gezag in plaats van provincies voor het verlenen van ontheffing of vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben van in het buitenland aan het wild onttrokken en vervolgens in Nederland gebrachte dode vogels, dieren en planten die vallen onder de reikwijdte van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In artikel 3.18a, eerste en tweede lid, van de Regeling natuurbescherming zijn vrijstellingen opgenomen van het verbod op het onder zich hebben van dode uit het wild afkomstige vogels, dieren en planten, indien kan worden aangetoond dat de vogel, het dier of de plant legaal in het buitenland is verkregen. Met onderhavige wijziging worden de vrijstellingen ook van toepassing op dode vogels, dieren en planten van soorten die wel van nature in Nederland voorkomen (artikel I, onderdeel F).

Deze wijziging beperkt de administratieve lasten, omdat voor het onder zich hebben van deze vogels, dieren of planten geen ontheffing meer vereist is. Het blijft ook met deze vrijstellingen voldoende mogelijk om toezicht te houden op de legale herkomst van deze vogels, dieren of planten, omdat degene die een dergelijke vogel, dier of plant onder zich heeft, te allen tijde moet kunnen aantonen dat hij de vogel, het dier of de plant legaal in het buitenland heeft gekregen om een beroep te kunnen doen op deze vrijstelling (artikel 3.18a, derde lid, onderdeel a, van de Regeling natuurbescherming).

Tevens wordt met deze wijzigingsregeling de conformiteit met de CITES-regelgeving beter verzekerd. Geëist wordt dat diegene die de vrijgestelde handelingen verricht – indien het een soort betreft die op de bijlagen bij de CITES-basisverordening1 zijn genoemd – te allen tijde kan aantonen dat de vogel, het dier of de plant overeenkomstig de CITES-regelgeving in Nederland is gebracht of verkregen (artikel 3.18a, derde lid, onderdeel b, van de Regeling natuurbescherming).

2.3 Vrijstelling vangen en vervoeren zieke of gewonde zeehonden (3.22a)

In de brief aan de Tweede Kamer van 8 maart 2016 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aangegeven dat advies wordt gevraagd over de opvang van zeehonden2. In genoemde brief staat dat het advies zal gaan over alle aspecten van de uitvoering van de opvang van zeehonden, waarbij het kader wordt gevormd door de internationale afspraken en de geldende wet- en regelgeving.

Bij besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 9 augustus 20173 is de Wetenschappelijke Adviescommissie Zeehondenopvang (WAZ) ingesteld. Deze commissie had tot taak de Minister te adviseren op basis van onderzoeksresultaten en inbreng van nationale en internationale wetenschappers over de opvang van zeehonden in het Nederlandse Waddengebied en in de overige kustwateren.

Op 28 februari 2018 heeft de WAZ haar advies uitgebracht4. De WAZ concludeert dat de opvang van zeehonden vanuit het oogpunt van de populatie niet noodzakelijk is en (vanuit dit perspectief) moet worden ontraden in situaties waarin opvang negatieve effecten heeft op de populatie wilde zeehonden. De WAZ adviseert alleen tot opvang over te gaan als een gewone of grijze zeehond in problemen komt door direct menselijk handelen of in situaties waar opvang geen negatieve effecten heeft op het welzijn van de zeehond zelf of andere zeehonden in de wilde populatie.

Het advies van de WAZ is in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving inzake de bescherming van in het wild levende dieren. In het algemeen geldt ten aanzien van in het wild levende dieren het ‘handen af principe’. Dit principe gaat uit van zo min mogelijke verstoring door menselijke bemoeienis. Met het verlenen van zorg aan in het wild levende zeehonden, die hulpbehoevend zijn ten gevolge van menselijke bemoeienis, wordt invulling gegeven aan de zorgplicht5.

In overleg tussen het Rijk, de provincies en de overige stakeholders die betrokken zijn bij de opvang van zeehonden wordt het advies van de WAZ nader uitgewerkt.

Het vangen van dieren van de soorten genoemd in de bijlage bij de Wet natuurbescherming is verboden op grond van artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd gezag in plaats van de provincies ten aanzien van het vangen van zieke of gewonde dieren met het oog op het vervoeren van deze dieren met dierenambulances en voor al het vervoer ten aanzien van twee mariene zoogdiersoorten, namelijk de gewone en de grijze zeehond.

Het onder zich hebben en vervoeren van dieren van deze soorten is niet verboden in de Wet natuurbescherming.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor het vangen van zieke of gewonde dieren van beschermde mariene soorten en voor wetenschappelijk onderzoek naar deze soorten, om aan te sluiten bij de verantwoordelijkheid van het Rijk voor het beheer van mariene wateren en de rol van het Rijk in het beheer van de Waddenzee6.

Met de provincies is afgesproken dat de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor het opvangen van beschermde marine soorten, waaronder zieke of gewonde gewone en grijze zeehonden, gedecentraliseerd zal worden van het Rijk naar de provincies. Dit in het licht van de verantwoordelijkheid die gedeputeerde staten en provinciale staten op grond van de Wet natuurbescherming al hebben voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor het vangen en onder zich hebben van gewonde of zieke vogels en dieren van beschermde soorten. Dat gaat dus ook gelden voor de gewone en grijze zeehond. Bij de decentralisatie van deze taak zullen de internationale verplichtingen en voorschriften inzake de bescherming van diersoorten als voorzien in het Verdrag van Bonn7, en de Overeenkomst inzake de bescherming van zeehonden in de Waddenzee8 bepalend zijn.

Totdat de nadere uitwerking van het toekomstige beleid ten aanzien van de zeehondenopvang in samenwerking met alle partijen die betrokken zijn bij de opvang, en de besluitvorming in overleg met de provincies over de decentralisatie van taken heeft plaatsgevonden, wil ik de instanties die zeehonden mogen opvangen beperken tot de opvangcentra, die reeds in het verleden van mij een ontheffing hebben ontvangen voor het opzettelijk vangen, en derhalve opvangen, van gewone en grijze zeehonden. Ik zal daarom uitsluitend vrijstelling verlenen om zieke of gewonde gewone en grijze zeehonden te vangen, mits de zeehonden binnen 12 uur worden overgedragen aan één van de volgende opvangcentra: A Seal te Stellendam, Stichting Ecomare op Texel, Zeehondencentrum Pieterburen te Pieterburen, Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Termunterzijl en Zeehondenopvang Terschelling op Terschelling (artikel I, onderdeel G).

2.4 Administratie

Artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming verplicht degenen die bepaalde categorieën van dieren onder zich hebben om een administratie bij te houden. Deze verplichting gold ook onder de toenmalige Flora- en faunawet. De eisen die toen aan de wijze van administreren werden gesteld – onder meer het gebruik van onuitwisbaar schrift – zijn niet opgenomen in de Regeling natuurbescherming omdat zij onvoldoende aansloten op de wijze waarop dergelijke administraties tegenwoordig vaak worden bijgehouden, bijvoorbeeld op digitale gegevensdragers.

In de praktijk is echter gebleken dat het uit het oogpunt van toezicht toch wenselijk is om eisen te stellen aan de wijze van administreren. Om die reden worden in het tweede lid van artikel 3.24 van de Regeling natuurbescherming eisen opgenomen aan de administratie, met een meer techniekonafhankelijke formulering dan onder de toenmalige Flora- en faunawet (artikel I, onderdeel I).

De gestelde eisen gelden ongeacht de wijze waarop de administratie wordt bijgehouden, op papier, op een digitale gegevensdrager of anderszins. Onderdeel b van het gewijzigde tweede lid van artikel 3.24 vereist dat controle direct mogelijk moet zijn en de gegevens duidelijk uit de administratie moeten blijken. Hieraan is in elk geval niet voldaan als deze gegevens enkel blijken uit de aanwezige aantekeningen en bescheiden, waar onderdeel c van datzelfde lid betrekking op heeft, en niet uit de administratie zelf.

2.5 Overige wijzigingen

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de Regeling natuurbescherming op een aantal punten van meer ondergeschikte aard te wijzigen:

  • De benaming van de Ministers in de Regeling natuurbescherming is geactualiseerd (artikel I, onderdelen A, B, C, D, onderdeel 1, H, onderdeel 1, J, M, N en O), evenals in het model van de valkeniersakte (onderdeel Q).

  • In de artikelen 3.15, 3.23 en 5.2 zijn foutieve verwijzingen aangepast (artikel I, onderdelen D, onderdeel 2, H, onderdeel 2, en K).

  • In artikel 5.5, eerste lid, van de Regeling natuurbescherming is bepaald dat ontheffingen, vergunningen, aktes en documenten niet worden afgegeven als de verschuldigde retributies niet zijn voldaan. Per abuis gold deze bepaling niet ten aanzien van de afgifte van merktekens, waarvoor ook een retributie is vereist. Met onderhavige regeling wordt dit hersteld (artikel I, onderdeel L).

  • Op grond van artikel 3.2 van het Besluit natuurbescherming kunnen in een bijlage van de Regeling natuurbescherming organisaties worden aangewezen op wier terreinen een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren voldoende is verzekerd, gelet op de doelstelling van de organisatie en de bij de organisatie aanwezige kennis en kunde. Deze organisaties kunnen dan aan personen toestaan om de jacht buiten hun aanwezigheid uit te oefenen op hun terrein. Met deze wijzigingsregeling worden twee organisaties aan bijlage 2 toegevoegd die aan voornoemde eis voldoen (artikel I, onderdeel P).

  • In bijlage 5 was per abuis de naam van de soort Sarraceniaceae verkeerd gespeld, dit is hersteld (artikel I, onderdeel R).

3. Administratieve lasten en inwerkingtreding

Onderhavige wijzigingsregeling heeft geen gevolgen voor de regeldruk. Het betreft grotendeels het herstel van de situatie zoals die gold onder de Flora- en faunawet en het herstel van enkele omissies.

De wijzigingsregeling treedt in werking op 1 oktober 2018. Met de inwerkingtreding van deze regeling wordt aangesloten bij de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriele regelingen met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober in werking treden.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61).

X Noot
2

Kamerstukken II 2015/2016, 28 286, nr. 856

X Noot
3

Instellingsbesluit Wetenschappelijke Adviescommissie Zeehondenopvang, Stcrt. 2017, 44874

X Noot
4

Kamerstukken II 2017/2018, 28 286, nr. 970

X Noot
5

Artikel 2.1, zesde lid, van de Wet dieren, en artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming

X Noot
6

Artikel 1.5 van het Besluit natuurbescherming

X Noot
7

Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, 23 juni 1979 (Trb. 1980, 145 en Trb. 1981, 6).

Naar boven