Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Dienst Justitiële InrichtingenStaatscourant 2017, 48627Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 augustus 2017, nr. 2117970, houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting in verband met de wijzigingen in het kader van de uitvoering van de levenslange gevangenisstraf

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de artikelen 15, zesde lid, en 26, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet;

Gezien het advies van het Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 15 augustus 2017, kenmerk RSJ/101/2937/DK/TH/TV;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel m door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

n. levenslanggestrafte:

een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf plaatsvindt.

B

Aan artikel 1c wordt een vierde lid toegevoegd, luidende,

  • 4. Voor levenslanggestraften worden in het detentie- en re-integratieplan geen activiteiten opgenomen als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften gedurende de periode dat deze activiteiten hen niet worden aangeboden.

C

Onder plaatsing van ‘1.’ voor de tekst van artikel 12 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Ten behoeve van een onderzoek gericht op risicoanalyse, delictgevaarlijkheid en persoonlijkheidsontwikkeling kan een levenslanggestrafte in het Pieter Baan Centrum worden geplaatst. De onderzoeksrapportage wordt toegezonden aan de directeur van de inrichting waaruit de levenslanggestrafte is overgeplaatst.

  • 3. Indien het onderzoek wordt verricht ten behoeve van het Adviescollege levenslanggestraften, geschiedt de in het tweede lid bedoelde plaatsing uiterlijk zes maanden voorafgaande aan het in artikel 4, tweede lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften bedoelde moment. De onderzoeksrapportage wordt toegezonden aan de secretaris van het Adviescollege levenslanggestraften.

ARTIKEL II

De Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 worden, onder verlettering van de onderdelen q tot en met u tot t tot en met x, drie onderdelen toegevoegd, luidende:

q. re-integratieverlof voor levenslanggestraften:

verlof als bedoeld in artikel 20d van deze regeling;

r. levenslanggestrafte:

een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf plaatsvindt;

s. detentie- en re-integratieplan:

detentie- en re-integratieplan als bedoeld in artikel 1c van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden;

B

In het tweede lid van artikel 2 wordt na ‘artikelen 17, eerste lid,’ toegevoegd: 20d,.

C

Aan artikel 3 wordt, onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De directeur kan het Adviescollege levenslanggestraften om advies vragen over toekenning van re-integratieverlof aan een levenslanggestrafte.

D

Na hoofdstuk 3a wordt een nieuw hoofdstuk 3b ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 3b. Verlof ten behoeve van de re-integratie van een levenslanggestrafte

Artikel 20d. Re-integratieverlof van levenslanggestraften
  • 1. In het kader van de deelname aan re-integratieactiviteiten als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften kan aan een levenslanggestrafte op diens verzoek verlof worden toegekend, in overeenstemming met hetgeen over de frequentie van het verlof in het detentie- en re-integratieplan is bepaald.

  • 2. In zijn verzoek maakt de levenslanggestrafte duidelijk op welke wijze het verlof de in het detentie- en re-integratieplan opgenomen re-integratiedoelen ondersteunt.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 wordt het re-integratieverlof voor levenslanggestraften geweigerd in geval van:

    • a. een verzoek om re-integratieverlof voor een levenslanggestrafte die niet is toegelaten tot de re-integratiefase;

    • b. een negatief advies van het Adviescollege levenslanggestraften over het verzoek van een levenslanggestrafte om re-integratieverlof;

    • c. een verzoek om re-integratieverlof waarin in onvoldoende mate wordt aangegeven op welke wijze het verlof de re-integratie van de levenslanggestrafte ondersteunt;

    • d. strijd van het verzoek om re-integratieverlof met de in het detentie- en re-integratieplan vastgelegde verloffrequentie.

  • 4. Het verlof geschiedt onder elektronisch toezicht. Gedurende het eerste jaar van de deelname aan re-integratieactiviteiten wordt re-integratieverlof verleend onder bewaking en begeleiding. Op grond van het gedrag van de levenslanggestrafte tijdens zijn detentie en tijdens het toegekend verlof kan worden besloten dat gedurende het tweede jaar van de deelname aan re-integratieactiviteiten een toegekend verlof zonder bewaking en begeleiding plaatsvindt. Op basis van een advies van het Adviescollege levenslanggestraften kan hiervan worden afgeweken.

  • 5. Het verlof eindigt op dezelfde dag dat het is aangevangen.

  • 6. In verband met gewijzigde omstandigheden kan de directeur een reeds verleend verlof of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar een ander tijdstip verplaatsen of er nadere voorwaarden aan stellen. De directeur stelt de minister onverwijld van de gewijzigde omstandigheden in kennis.

  • 7. Artikel 31 is niet van toepassing voor levenslanggestraften.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

TOELICHTING

Algemeen

Deze regeling behelst een aantal wijzigingen in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog) en de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) in verband met de wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. Deze regeling is daarmee een van de maatregelen waarmee de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming wordt gebracht met de eisen die voortvloeien uit artikel 3 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zoals uiteengezet in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad1. In het navolgende worden de wijzigingen van de Rspog en de Rtvi afzonderlijk toegelicht. Voor een overzicht van de overige wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf wordt verwezen naar de brieven aan de Tweede Kamer van 2 juni 2016 (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 325), 2 september 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 29 279, 338), 25 oktober 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 354), 22 december 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366) en 30 juni 2017 (Kamerstukken II 2016/17, 29 279, 390). Voorts wordt gewezen op (de toelichting bij) het Besluit Adviescollege levenslanggestraften.

In de kern komen de wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de executie van de levenslange gevangenisstraf erop neer dat een levenslanggestrafte 25 jaar na aanvang van zijn detentie in aanmerking kan komen voor re-integratieactiviteiten, waaronder verlof, ten behoeve van zijn re-integratie. Alvorens daarover een beslissing te nemen, wordt de minister geadviseerd door het Adviescollege levenslanggestraften. Na het verstrijken van een periode van 27 jaar na aanvang van zijn detentie wordt door middel van een gratieprocedure op grond van de Gratiewet beoordeeld of met voorzetting van de detentie van een levenslanggestrafte nog een legitiem strafdoel wordt gediend.

Wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog)

Met de wijziging van de Rspog is het mogelijk een levenslanggestrafte ook na zijn veroordeling voor onderzoek te plaatsen in het Pieter Baan Centrum. Voor deze wijziging zijn twee redenen aan te voeren.

De eerste reden is de uitspraak van het EHRM inzake Murray tegen Nederland.2 In deze zaak ging het om een levenslanggestrafte die gedurende zijn detentie nooit enige behandeling is aangeboden voor de reeds ten tijde van zijn strafproces vastgestelde geestelijke stoornissen. Volgens het EHRM bleef de kans op recidive daardoor onverminderd hoog, waardoor ieder verzoek om gratie zou worden afgewezen op grond van voortdurende delictgevaarlijkheid. Dit maakte zijn levenslange gevangenisstraf de facto niet reduceerbaar, aldus het Hof. Op grond van deze uitspraak is iedere lidstaat verplicht om die medische behandeling aan een levenslanggestrafte te bieden waarmee de kans op recidive met succes kan worden verminderd. Zie over deze zaak nader de brief aan de Tweede Kamer van 19 mei 2016 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstukken II 2015/16, 32 850, nr. 7).

Ter uitvoering van deze verplichting wordt door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) een (aanvullende) Pro Justitia-rapportage opgesteld in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden. De directeur van de inrichting waar de levenslanggestrafte verblijft, geeft hiertoe opdracht aan het NIFP. Uitgangspunt is dat dit onderzoek geschiedt op basis van het beschikbare dossier en een ambulant onderzoek. Als uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een stoornis die met succes kan worden behandeld, is dit richtinggevend voor de directeur van de inrichting en het Psycho Medisch Overleg (PMO) om deze behandeling te starten. Om iedere gedetineerde de juiste zorg te kunnen geven, is er in iedere penitentiaire inrichting een PMO. Dit overleg bestaat uit één of meer psychiaters, psychologen, artsen en justitieel verpleegkundigen. Het is aan deze professionals in de inrichting om te adviseren wanneer met een behandeling kan worden gestart en op welke wijze. In uitzonderlijke gevallen kan de levenslanggestrafte ook worden overgeplaatst naar het Pieter Baan Centrum. Bijvoorbeeld indien er tijdens het strafproces geen Pro Justitia-rapportage van de levenslanggestrafte is opgesteld. Daartoe besluit de selectiefunctionaris ingevolge artikel 15 van de Penitentiaire beginselenwet op verzoek van de directeur van de inrichting. De Pro Justitia-rapportage wordt via de vestigingsdirecteur aan de voorzitter van het PMO aangeboden.

De tweede reden om te regelen dat een levenslanggestrafte in het Pieter Baan Centrum kan worden geplaatst houdt verband met de advisering door het Adviescollege levenslanggestraften. In dit kader komt elke levenslanggestrafte in aanmerking voor plaatsing in het Pieter Baan Centrum om te beoordelen of het vanuit psychisch en psychiatrisch oogpunt verantwoord is re-integratieactiviteiten aan te bieden. Het Pieter Baan Centrum verricht onderzoek gericht op diagnostiek en risicoanalyse. Daarbij kan onder meer een oordeel worden gegeven over de persoonlijkheidsontwikkeling van een levenslanggestrafte tijdens de detentie. Tevens kan een inschatting worden gemaakt van de kans op gewelddadig gedrag van een levenslanggestrafte op basis van diagnostische bevindingen en een risicoanalyse. Uiterlijk zes maanden voor het moment van advisering door het Adviescollege levenslanggestraften kan een levenslanggestrafte worden overgeplaatst naar het Pieter Baan Centrum. De uitkomsten van dit onderzoek worden door het Pieter Baan Centrum toegezonden naar de secretaris van het Adviescollege levenslanggestraften.

Wijziging van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi)

Bij uitspraak van 19 mei 2015, kenmerk 14/3242/GV, heeft de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) geoordeeld dat voorbereiding op de terugkeer naar de maatschappij uitgangspunt dient te zijn voor alle gedetineerden. De wettelijke basis hiervoor ligt in artikel 2, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet, waarin is bepaald dat met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk dienstbaar wordt gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij. Een uitwerking hiervan vormt het verlofstelsel. Op grond van artikel 26 van de Penitentiaire beginselenwet kan het een gedetineerde worden toegestaan de inrichting tijdelijk te verlaten in de gevallen genoemd in de Rtvi. De enkele omstandigheid dat een gedetineerde is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf is volgens de RSJ geen reden voor de afwijzing van een verzoek om verlof. Verlof dient in beginsel onderdeel uit te maken van de re-integratie, ook bij een levenslanggestrafte die tot ongewenst verklaarde vreemdeling is verklaard. In het beroep van een dergelijke levenslanggestrafte tegen de afwijzing van zijn verzoek om verlof heeft de RSJ geoordeeld dat incidenteel verlof dient te worden toegekend op grond van artikel 31 van de Rtvi.

Onderhavige regeling wijzigt de Rtvi aldus dat een levenslanggestrafte in aanmerking kan komen voor re-integratieverlof ten behoeve van zijn terugkeer naar de maatschappij. Hiervoor wordt een nieuw hoofdstuk 3b in de Rtvi opgenomen. Voor het algemeen verlof en het regimair verlof komen levenslanggestraften niet in aanmerking, omdat voor hen geen strafrestant kan worden bepaald. Incidenteel verlof kan wel worden verleend indien de omstandigheden anders dan in geval van re-integratie daartoe aanleiding bieden. Met onderhavige regeling wordt uitgesloten dat het verlof bedoeld in artikel 31 van de Rtvi – het verlof ten behoeve van terugkeer naar de maatschappij -aan een levenslanggestrafte wordt verleend. Voor hen geldt in dit verband het verlof zoals opgenomen in hoofdstuk 3b.

Consultatie

Een concept van deze regeling is ter consultatie voorgelegd aan de Afdeling Advisering van de RSJ. Bij brief van 15 augustus 2017 heeft de RSJ zijn advies kenbaar gemaakt. Dit advies heeft geleid tot aanpassingen van de regelgeving en de toelichting.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdeel A

Het gaat hier om het opnemen van definities in artikel 1 van de Rspog die voor zich spreken en geen nadere toelichting behoeven.

Onderdeel B

Aan artikel 1c van de Rspog wordt een vierde lid toegevoegd. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat het re-integratiegedeelte uit het detentie- en re-integratieplan niet wordt ingevuld voor de levenslanggestrafte die nog geen re-integratieactiviteiten als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften krijgt aangeboden. In de (detentie)praktijk wordt dit plan voor deze levenslanggestraften dan ook detentieplan genoemd. Op het moment dat op basis van een positief advies van het Adviescollege levenslanggestraften besloten wordt dat een levenslanggestrafte in aanmerking komt voor re-integratieactiviteiten, wordt het re-integratiegedeelte van het detentie- en re-integratieplan aangevuld.

Onderdeel C

Dit onderdeel wijzigt artikel 12 van de Rspog. Het vormt de basis voor het kunnen overplaatsen van een levenslanggestrafte naar het Pieter Baan Centrum voor een diagnostisch onderzoek en een risicoanalyse. Het tweede lid ziet op overplaatsing in het algemeen en het derde lid specifiek ten behoeve van de advisering door het Adviescollege levenslanggestraften.

Vanuit de inrichting is er constante zorg voor de psychische en fysieke gezondheid van iedere gestrafte, waaronder ook de levenslanggestraften. Voor elke levenslanggestrafte wordt na het opleggen van de levenslange gevangenisstraf een detentieplan opgesteld, dat is gericht op zijn persoonlijke ontwikkeling, op diens lichamelijke en geestelijke gezondheid. Detentieschade wordt zoveel mogelijk geminimaliseerd. De levenslanggestrafte volgt het reguliere dagprogramma minus re-integratieactiviteiten (activiteiten die gericht zijn op een mogelijke concrete terugkeer in de maatschappij). Zo nodig wordt op verzoek van DJI de reclassering benaderd om het reclasseringsadvies te actualiseren, hetgeen mogelijk tot gedragsinterventies kan leiden.

Het hierboven reeds aangestipte PMO adviseert of en zo ja welke zorg de gedetineerde moet worden aangeboden, en op welke plaats. Zo kan het PMO adviseren een gedetineerde over te plaatsen naar een Extra Zorg Voorziening (EZV) als er behoefte is aan extra zorg en structuur. Als sprake is van psychiatrische problemen en behandeling is aangewezen, kan een gedetineerde bijvoorbeeld in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) worden geplaatst. Een PPC geeft speciale zorg aan gedetineerden met een psychiatrische stoornis, zoals een psychose of een persoonlijkheidsstoornis. Plaatsing in een PPC is aan de orde zolang dat nodig is, mede met het oog op een humane tenuitvoerlegging van de opgelegde straf. Voor de levenslanggestraften is dit alles niet anders.

Voor een adequate inschatting van de zorgbehoefte van een levenslanggestrafte wordt door het NIFP een (aanvullende) PJ-rapportage opgesteld in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden. DJI geeft hiertoe opdracht aan het NIFP, die een psycholoog en psychiater ter beschikking stellen. In eerste instantie onderzoeken deze gedragsdeskundigen op basis van reeds beschikbare rapporten over de levenslanggestrafte. Tevens vindt er een ambulant onderzoek plaats. Indien voor een volledige inschatting van de zorgbehoefte observatie in het Pieter Baan Centrum noodzakelijk is, wordt met onderhavig Besluit hiervoor een basis gegeven. Daar waar een goede inschatting van de zorgbehoefte van een levenslanggestrafte kan worden gegeven op basis van reeds opgemaakte rapporten en een ambulant onderzoek, is plaatsing in het Pieter Baan Centrum niet noodzakelijk.

Als uit de PJ-rapportage blijkt dat er sprake is van een stoornis, is dit richtinggevend voor het PMO om aan de directeur van de inrichting te adviseren de behandeling te starten. Het is aan de professionals in de inrichting om te adviseren wanneer en op welke wijze met een behandeling gestart kan worden. Het PMO kan via de vestigingsdirecteur ook om nieuwe PJ-rapportages verzoeken indien daartoe aanleiding bestaat. Ook hier geldt het beginsel van maatwerk.

Psychologen en psychiaters van het NIFP, de inrichtingspsychologen, maar ook de medewerkers van een PPC en een inrichting hebben bij uitstek expertise op het punt van het voorkomen van detentieschade in relatie tot de persoonlijke ontwikkeling van een gedetineerde. Wat betreft de risicoanalyse wordt het NIFP ingeschakeld in het eerste jaar na het onherroepelijk worden van de levenslange gevangenisstraf om te beoordelen of er sprake is van gedragsstoornis(sen) waardoor het recidiverisico als blijvend hoog moet worden ingeschat. Ook de hulp van de reclassering kan op dit punt worden ingeroepen.

Het kan zijn dat een levenslanggestrafte niet wil worden overgeplaatst naar het Pieter Baan Centrum. Dit kan de levenslanggestrafte kenbaar maken door middel van een schriftelijke verklaring aan de directeur van de inrichting waar hij verblijft of aan de secretaris van het Adviescollege levenslanggestraften, dan wel een bezwaar- of beroepschrift tegen zijn overplaatsing. Ook kan het medisch gestel van de levenslanggestrafte zich verzetten tegen overplaatsing. Indien dit door middel van een medische verklaring wordt bevestigd, zal maatwerk worden toegepast voor het noodzakelijke onderzoek naar de persoonlijkheidsontwikkeling tijdens de detentie, de kans op gewelddadig gedrag op basis van diagnostische bevindingen en een risicoanalyse.

De keuze van een levenslanggestrafte om zonder medische noodzaak niet mee te werken aan zijn overplaatsing ten behoeve van de toetsing van het Adviescollege levenslanggestraften, kan verstrekkende gevolgen hebben. Voor het Adviescollege zal dan niet (volledig) bekend worden hoe de levenslanggestrafte zich in detentie heeft ontwikkeld en wat de kans op recidive is. Ook voor de uiteindelijke herbeoordeling of met de levenslange gevangenisstraf nog een legitiem strafdoel wordt gediend, is de keuze van een levenslanggestrafte om niet mee te werken aan een plaatsing in het Pieter Baan Centrum van significante betekenis.

Artikel II

Onderdeel A

Het gaat hier om het opnemen van definities in de Rtvi die voor zich spreken en geen nadere toelichting behoeven.

Onderdeel B

Met deze wijziging in artikel 2 van de Rtvi wordt geregeld dat de minister beslist op een verzoek van een levenslanggestrafte om re-integratieverlof.

Onderdeel C

Artikel 3 van de Rtvi verplicht de directeur om, na de ontvangst van het verzoek van een gedetineerde om verlof, alle benodigde inlichtingen in te winnen. In dit kader wendt de directeur zich in de regel tot de reclassering, de politie, de woonachtige op het verlofadres en het openbaar ministerie, indien de executie-indicator aanstaat, om hem te adviseren over het verlofverzoek. Er is een nieuw lid aan dit artikel toegevoegd waarin de directeur ook kan verzoeken om een advies van het Adviescollege levenslanggestraften.

Op basis van een advies van het Adviescollege levenslanggestraften besluit de minister of en zo ja welke re-integratieactiviteiten aan een levenslanggestrafte worden aangeboden. In zijn advies gaat het Adviescollege levenslanggestraften in algemene zin nader in op verlofverlening aan en de verloffrequentie van een levenslanggestrafte. Daarmee ontvalt de noodzaak om voor elke verlofbeweging afzonderlijk het Adviescollege levenslanggestraften om tussentijds advies te vragen. Toch kan er aanleiding zijn dat de directeur zich na het eerste advies tot het Adviescollege levenslanggestraften wendt. Te denken is bijvoorbeeld aan de situatie dat het gedrag van de levenslanggestrafte in detentie of tijdens een eerder verleend verlof van dien aard is dat het Adviescollege levenslanggestraften opnieuw adviseert. Ook kan een eerder advies van het Adviescollege levenslanggestraften aanleiding zijn om nogmaals het Adviescollege in te schakelen. Het nieuwe derde lid van artikel 3 regelt dat de directeur zich tot het Adviescollege levenslanggestraften kan wenden. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften kan ook de minister op elk moment om advies over re-integratieactiviteiten verzoeken.

Onderdeel D

Dit onderdeel regelt wanneer re-integratieverlof aan een levenslanggestrafte wordt verleend. De minister heeft dan besloten dat de levenslanggestrafte in aanmerking komt voor re-integratieactiviteiten op basis van een advies van het Adviescollege levenslanggestraften. De re-integratieactiviteiten worden dan vastgelegd in het detentie- en re-integratieplan. Indien het gaat om verlof, wordt de frequentie vastgelegd in het detentie- en re-integratieplan van de levenslanggestrafte.

Vervolgens kan de levenslanggestrafte verzoeken om re-integratieverlof. Wel wordt van hem verwacht dat hij per verzoek aangeeft op welke wijze het verlof zijn re-integratie ondersteunt. Deze verplichting legt het tweede lid van artikel 20d op. Daarbij zijn de re-integratiedoelen die hij tezamen met zijn casemanager en mentor beschrijft en die in zijn detentie- en re-integratieplan zijn opgenomen, leidend. Een levenslanggestrafte doet er verstandig aan op dit punt rekening te houden met het advies van het Adviescollege levenslanggestraften. Bewust is in onderhavige regeling niet opgenomen hoe vaak per jaar een levenslanggestrafte met verlof kan gaan. Dit is maatwerk en hierover zal het Adviescollege levenslanggestraften adviseren. Het wordt aan de advisering van het Adviescollege levenslanggestraften in de praktijk overgelaten. Te verwachten is dat uit deze praktijk consistentie in de frequentie van verlof zal ontstaan rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de levenslanggestraften. Het detentie- en re-integratieplan heeft om diezelfde reden een dynamisch karakter. In de loop van de re-integratiefase kan dit plan op het punt van het verlof en de verloffrequentie worden bijgesteld.

Naast de in artikel 4 genoemde weigeringsgronden gelden specifieke gronden om een verzoek van een levenslanggestrafte om re-integratieverlof te weigeren. Deze zijn opgesomd in het derde lid van artikel 20d en hebben net als de in artikel 4 opgesomde weigeringsgronden een imperatief karakter. De eerste weigeringsgrond ziet op de situatie dat een levenslanggestrafte om re-integratieverlof verzoekt terwijl hij nog geen re-integratieactiviteiten krijgt aangeboden. Een dergelijk verzoek dient zonder meer te worden afgewezen. De tweede weigeringsgrond ziet op het geval dat er sprake is van een negatief advies van het Adviescollege levenslanggestraften over een (concrete) verlofverlening. Een dergelijk advies van een deskundig college is van zodanig gewicht dat het verzoek om re-integratieverlof ook zonder meer wordt geweigerd. De derde weigeringsgrond ziet op de verplichting van de levenslanggestrafte om in zijn verzoek om re-integratieverlof te onderbouwen op welke wijze dit verlof zijn re-integratie ondersteunt. Indien dit naar het oordeel van de minister niet of in onvoldoende mate is gedaan, wordt het re-integratieverlof afgewezen. Bij de oordeelsvorming op dit laatste punt speelt het advies van het Adviescollege levenslanggestrafte een belangrijke rol. Met de verplichting dat de gedetineerde moet aangeven op welke wijze het verlof zijn re-integratie ondersteunt, is in de praktijk inmiddels ervaring opgedaan. De motivering van het verlof in relatie tot de benoemde re-integratiedoelen heeft daarbij geen probleem opgeleverd. Bovendien wordt in dit kader opgemerkt dat de levenslanggestrafte altijd de hulp van zijn casemanager en mentor kan inschakelen bij het opstellen van de motivering.

Ook wordt het verzoek om re-integratieverlof geweigerd indien de verlofverlening in strijd is met de verloffrequentie, zoals deze is vastgesteld in het detentie- en re-integratieplan. Er kunnen zich in dit verband twee situaties voordoen: ofwel een levenslanggestrafte verzoekt om re-integratieverlof terwijl daarmee het maximaal in een jaar toegestane aantal re-integratieverloven wordt overschreden, ofwel er zit een te kort tijdbestek ten opzichte van het vorige verlof. Een regelmatige spreiding over het jaar van de verloven bevordert de re-integratie van een levenslanggestrafte. Voorkomen moet worden dat het totaal aantal toegestane verloven in een jaar in een korte periode wordt opgenomen. Daarnaast moet worden bedacht dat het toegekende verlof wordt geëvalueerd. Mede op basis van deze evaluatie zal worden bezien of een levenslanggestrafte voor een volgend verlof in aanmerking komt. Derhalve dient er tussen de verloven een zekere tijd te zitten. Een en ander leidt ertoe dat bij het bepalen van de verloffrequentie in het detentie- en re-integratieplan naast het aantal verloven per jaar tevens de periode tussen twee verloven wordt vastgesteld.

Aan het verlof kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden. Artikel 5, tweede lid, van de Rtvi is ook van toepassing op het re-integratieverlof van een levenslanggestrafte. In het vierde lid van artikel 20d wordt een aantal bijzondere voorwaarden geregeld. Gedurende het eerste jaar van de re-integratieactiviteiten vindt het verlof onder bewaking of begeleiding plaats. Tijdens het tweede jaar kan worden besloten dat een levenslanggestrafte in aanmerking komt voor onbegeleid verlof op basis van zijn gedrag tijdens detentie in de re-integratiefase in het algemeen en tijdens toegekende verloven in het bijzonder. Pas als er voldoende vertrouwen is dat een verlof zonder incidenten zal geschieden, komt onbegeleid verlof voor een levenslanggestrafte in het vizier. Dan is ook extramurale dagbesteding een van de verlofvormen waarvoor een levenslanggestrafte in aanmerking kan komen. Met extramurale dagbesteding wordt het mogelijk dat een levenslanggestrafte overdag gaat werken buiten de muren. Voor toekenning van dergelijk verlof geldt ook hier dat een levenslanggestrafte dit heeft verdiend door zijn gedrag in detentie in het algemeen en in het bijzonder tijdens voorgaande verloven. Daarmee wordt hij in een situatie gebracht die te vergelijken in met een penitentiair programma voor langgestraften. Voor een dergelijk programma komt een levenslanggestrafte niet in aanmerking omdat het niet mogelijk is voor hem een strafrestant te bepalen. Voor te stellen is dat over het toekennen van onbegeleid verlof, waaronder verlof ten behoeve van extramurale arbeid, en de bijzondere voorwaarden waaronder dergelijke verloven worden verleend, de minister of de directeur van de inrichting separaat advies vraagt aan het Adviescollege levenslanggestraften. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk dat een levenslanggestrafte al in het eerste jaar van de re-integratiefase in aanmerking komt voor onbegeleid verlof. Daarvoor is wel een daartoe strekkend advies van het Adviescollege levenslanggestraften vereist.

De levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd voor de ernstigste misdrijven. Dit rechtvaardigt dat het (on)begeleid verlof altijd onder elektronisch toezicht geschiedt ter bescherming van de maatschappij. Met name vanuit het oogpunt van de slachtoffers en nabestaanden dient verzekerd te zijn dat elk contact met een levenslanggestrafte wordt voorkomen. Ook uit het oogpunt van risicobeheersing is elektronisch toezicht noodzakelijk. In dit kader geschiedt verlof altijd met elektronisch toezicht om de levenslanggestrafte tijdens het verlof te kunnen volgen, ook als het nog om begeleid verlof gaat.

Ingevolge het vijfde lid eindigt het verlof op dezelfde dag dat het is aangevangen.

Op grond van het zesde lid is de directeur bevoegd om een reeds verleend verlof in te trekken of wijzigingen aan te brengen in de geplande activiteiten gedurende een toegekend verlof vanwege gewijzigde omstandigheden. Een dergelijke bevoegdheid is er ook in het kader van algemeen verlof, ook als dit verlof door de minister wordt verleend. Het zevende lid regelt dat het incidenteel verlof voor re-integratie op grond van artikel 31 niet van toepassing is voor levenslanggestraften. Daarvoor is geen noodzaak meer.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff


X Noot
1

Zie o.a. EHRM 9 juli 2013, nrs. 66069/09, 130/10 & 3896/10 (Vinter e.a./Verenigd Koninkrijk) en Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325.

X Noot
2

EHRM 26 april 2016, nr. 10511/10.