Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2016, 33962Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 juni 2016, nummer WBV 2016/7, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf A1/6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6. Vrije termijn

De ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen berekent de maximale termijn van 90 dagen door voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking te nemen, conform artikel 6, aanhef, SGC. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels van de Schengenlanden leidend.

De IND verlengt op grond van artikel 3.3, eerste lid, onder c, Vb de vrije termijn van niet-visumplichtige vreemdelingen in geval van bijzondere omstandigheden tot maximaal zes maanden (180 dagen). De vreemdeling moet bij het verzoek om verlenging van de vrije termijn een beroep doen op tenminste één van de volgende situaties:

  • overmacht;

  • ernstige ziekte van familieleden van de vreemdeling;

  • ernstige ziekte van de vreemdeling;

  • een zeer gewichtig zakelijk belang.

Daarnaast verlengt de IND in geval sprake is van een wezenlijk Nederlands belang de vrije termijn tot maximaal zes maanden (180 dagen). Het betreft hier zeer bijzondere gevallen waarbij in ieder geval de volgende nationale belangen in het geding zijn:

  • het internationaal aanzien van Nederland;

  • economische belangen van Nederland;

  • culturele belangen van Nederland.

De IND maakt, om deze verlenging van de vrije termijn zichtbaar te maken, gebruik van de sticker verblijfsaantekening algemeen, die in het geldige document voor grensoverschrijding wordt aangebracht. Een verzoek om verlenging van de vrije termijn is voor de vreemdeling gratis.

Aan een vreemdeling die gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid is geen verblijf tijdens de vrije termijn toegestaan. Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden en de internationale betrekkingen. Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar A1/3 Vc.

Van gevaar voor de openbare orde is sprake zijn als de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als:

  • ‘ongewenste vreemdeling’; of

  • ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’.

  • Tevens kan een vreemdeling voor weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd staan. Ook kan er sprake zijn van een inreisverbod.

B

Paragraaf A2/6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6. Verlenging en einde ophouding

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV stelt vast of de inbewaringstelling van de opgehouden persoon de aangewezen vervolgstap is. De verlenging van de ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, Vw, is in het belang van het onderzoek als deze vaststelling nog niet mogelijk is.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV kan de ophouding in ieder geval verlengen als:

  • een groep vreemdelingen is staande gehouden;

  • de gebruikelijk beschikbare capaciteit niet voldoende is om de inbewaringstelling voor te bereiden; en

  • voorzienbaar niet binnen de termijn van zes uur een afweging gemaakt kan worden over het in bewaring stellen van de opgehouden persoon.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV kan de ophouding ook verlengen als onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheid om minder dwingende alternatieven dan bewaring toe te passen.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV maakt de verlenging van de ophouding kenbaar zodra duidelijk is dat de termijn van zes uur naar verwachting wordt overschreden. Dit kan meebrengen dat deze ambtenaar de verlenging (ruim) voor het verstrijken van de zes uur kenbaar maakt aan de opgehouden persoon.

De termijn van 48 uur voor verlengde ophouding wordt niet volledig gebruikt als de verlengde ophouding niet langer noodzakelijk is. Gedurende de verlengde ophouding dient voortvarend gewerkt te worden. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV legt vast welke stappen gedurende de verlengde ophouding zijn verricht. Zo spoedig mogelijk nadat het onderzoek is afgerond beëindigt deze ambtenaar de verlengde ophouding en stelt de opgehouden persoon in vrijheid dan wel in bewaring.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV neemt aan dat er geen sprake is van rechtmatig verblijf als aanwijzingen daarvoor ontbreken. Ook als de opgehouden persoon een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient of heeft ingediend, kan de ophouding onder omstandigheden worden verlengd. Daarbij is de stand van zaken van de asielprocedure van belang. Deze ambtenaar kan de ophouding onder meer verlengen als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen of dat rechtmatig verblijf wordt onthouden op grond van artikel 3.1 Vb. Deze ambtenaar treedt hierover, voor zover nodig, in contact met de IND. Immers, deze ambtenaar kan het nodig achten met de IND te overleggen over de stand van die procedure.

Procedure

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV moet bij de verlenging van de ophouding van de persoon in ieder geval de volgende handelingen verrichten:

  • voor de verlenging van de ophouding van de persoon gebruik maken van het model M105-E;

  • de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon voorzien van dagtekening, ondertekening en de redenen voor de verlenging van de ophouding;

  • een afschrift van de beschikking tot verlenging aan de opgehouden persoon uitreiken;

  • de opgehouden persoon meedelen dat hij tegen deze beslissing een rechtsmiddel kan aanwenden;

  • het origineel van de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon in het archief van de eigen organisatie opbergen;

  • het tijdstip waarop de verlenging van een ophouding van de persoon ingaat in de vreemdelingenadministratie registreren.

Bij de verlenging van de ophouding van de persoon hoeft de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV de opgehouden persoon niet te horen.

Bij het opheffen van de ophouding van de persoon moet de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV het model M113 opmaken, tenzij aansluitend een maatregel van bewaring wordt opgelegd.

C

Paragraaf B1/4.8 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.8 Onjuiste gegevens

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling:

  • onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum kort verblijf, machtiging tot voorlopig verblijf of verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid; en

  • sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek geen ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven;

tenzij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, de tegenwerping hiervan onevenredig zou zijn.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tevens af als de vreemdeling:

  • onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de voorliggende aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zouden leiden; en

  • de vreemdeling de voorliggende aanvraag heeft ingediend voordat het tot zijn uitzetting of gecontroleerde vertrek is gekomen;

tenzij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, de tegenwerping hiervan onevenredig zou zijn.

Bij de afweging of de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, betrekt de IND in ieder geval:

  • de mate waarin sprake was van verwijtbaarheid bij het verstrekken van onjuiste gegevens; en

  • de aard van de eerder verstrekte onjuiste gegevens en de ernst die daaraan wordt toegekend. Er wordt onder meer een zwaar gewicht toegekend aan:

    • ° een gefingeerd dienstverband; en

    • ° een schijnrelatie.

Deze opsomming is niet limitatief. De IND kan ook andere omstandigheden betrekken. Het ligt op de weg van de vreemdeling om individuele omstandigheden naar voren te brengen. Bij de beoordeling kunnen daarnaast alle bekende, in het dossier aanwezige feiten en omstandigheden worden betrokken.

D

Paragraaf B1/5.5 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

5.5 Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Op grond van artikel 3.58 Vb verleent en verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tot het maximum dat op basis van dit artikel mogelijk is, tenzij in de materiehoofdstukken is opgenomen dat de IND de betreffende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een kortere geldigheidsduur verleent of verlengt.

E

Paragraaf B3/3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder l, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘Studie’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder c, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid niet toegestaan’.

Voorschrift

Op grond van artikel 3.7, eerste lid, onder c, Vb is aan de afgifte van de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder l, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de opleiding vermeerderd met maximaal één jaar voor een voorbereidende opleiding, en drie extra maanden voor de administratieve afronding van de opleiding, met een maximum van 5 jaar. De IND verstaat onder voorbereidend onderwijs ook een schakeljaar.

F

Paragraaf B3/4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4 Verlenging en intrekking

Verlenging

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder l, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor de resterende duur van de opleiding vermeerderd met drie maanden voor de administratieve afronding van de opleiding.

Intrekking

Op grond van artikel 3.91b, eerste lid, aanhef en onder b, Vb trekt de IND de verblijfsvergunning in als de vreemdeling na het volgen van maximaal één jaar voorbereidend onderwijs niet is ingeschreven voor de daadwerkelijke opleiding voor het hoger onderwijs.

G

Paragraaf B4/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder j, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘lerend werken’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder m, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘arbeid toegestaan conform aanvullend document’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder j, Vb verleent de IND de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid met de geldigheidsduur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid eindigt in overeenstemming met het advies van het UWV.

H

Paragraaf B4/3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.2 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder f, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘seizoenarbeid’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder d, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder f, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de arbeid en met een maximum van 24 weken.

I

Paragraaf B5/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verleent IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘Arbeid in loondienst’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder d, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder m, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan conform aanvullend document’.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder f, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van paragraaf B5/2.1.1 Vc: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder b, VV luidt de arbeidsmarktaantekening als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van paragraaf B5/2.1.2 Vc: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’.

Voorschrift

Op grond van artikel 10 Wav kan aan de afgifte van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid een voorschrift worden verbonden.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 14, vijfde lid, Vw, verleent de IND de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid voor de duur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid eindigt in overeenstemming met het advies van het UWV.

Indien de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid wordt verleend met toepassing van artikel 8, derde lid, onder b en c, Wav verleent de IND de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid voor maximaal drie jaar. De geldigheidsduur van de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid eindigt in overeenstemming met het advies van het UWV.

Op grond van artikel 14, vijfde lid, Vw verleent de IND de op grond van paragraaf B5/2.1.1 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van maximaal één jaar.

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verleent de IND de op grond van paragraaf B5/2.1.2 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de werkzaamheden, maar voor maximaal één jaar.

Op grond van artikel 14, vijfde lid, Vw verleent de IND de op grond van paragraaf B5/2.1 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor maximaal één jaar. Indien de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend met toepassing van artikel 8, derde lid, onder b en c, Wav verleent de IND de verblijfsvergunning voor maximaal drie jaar.

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de op grond van paragraaf B5/2.1.1 Vc verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in ieder geval:

  • voor de duur van een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet; of

  • voor de duur van de arbeidsovereenkomst,

maar voor maximaal één jaar.

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de op grond van paragraaf B5/2.1.2 Vc verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in ieder geval voor de duur van de werkzaamheden, maar voor maximaal vijf jaar.

J

Paragraaf B5/3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.1 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘grensoverschrijdende dienstverlening’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder b, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder h, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 1e, tweede lid, Buwav, met een maximum van twee jaar.

K

Paragraaf B5/4.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.2 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder k, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder f, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder k, Vb verleent of verlengt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan vijf jaar.

L

Paragraaf B6/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

Overgangsrecht Modern migratiebeleid

Op grond van artikel 3.42, tweede lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ af als:

  • de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode afgestudeerde’ of ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’; en

  • deze verblijfsvergunning was verleend op grond van het afronden van dezelfde opleiding of het verrichten van hetzelfde onderzoek.

Duur postdoctorale opleiding

In aanvulling op artikel 3.42, eerste lid, onder c, Vb beschouwt de IND het afronden van een postdoctorale opleiding als voldoende, als deze:

  • voor een academisch jaar is aangegaan;

  • vanwege de zomerperiode feitelijk korter heeft geduurd dan 12 maanden; en

  • minimaal 10 maanden heeft geduurd.

M

Paragraaf B6/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.3 Arbeid als kennismigrant

Looncriterium

Voor de hoogte van het looncriterium wordt verwezen naar artikel 1d, eerste en derde lid, BuWav.

De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ niet af op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb omdat niet aan het looncriterium als bedoeld in artikel 1d, eerste lid, BuWav wordt voldaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • voor de vreemdeling gold bij de eerste verlening van de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten, bedoeld in artikel 1d, eerste lid, onder a, sub 2, BuWav; en

  • de vreemdeling voldoet nog aan dat looncriterium.

Het vereiste met betrekking tot middelen van bestaan, zoals opgenomen in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb, is van toepassing op die aanvragen om een verblijfsvergunning als de vreemdeling conform artikel 1d, eerste lid, aanhef en onder b of c, BuWav wordt aangemerkt als:

  • wetenschappelijk onderzoeker; of

  • arts in opleiding tot specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut.

Loon niet marktconform

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant af of trekt deze achteraf in als het loon naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt of er sprake is van een marktconform loon.

Bestanddelen bruto maandloon kennismigranten

De IND telt bij het bruto maandloon de onkostenvergoedingen en toeslagen mee, mits deze elke maand giraal worden overgemaakt op een bankrekening die op naam is gesteld van de vreemdeling en contractueel zijn vastgelegd.

De IND telt niet mee in het bruto maandloon:

  • (de waarde van) in natura uitgekeerd loon;

  • de vakantietoeslag; en

  • de waarde van onzekere, niet vaste, loonbestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen.

Registratie BIG

Aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van de arbeid als zelfstandige en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder c, is bij een vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg voldaan als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden.

Zoekperiode

De IND verleent de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning een zoekperiode van drie maanden om een nieuwe functie als kennismigrant te vinden als de vreemdeling werkloos raakt.

De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden.

De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’ in nadat de zoekperiode van drie maanden is verstreken en de vreemdeling geen nieuwe functie als kennismigrant heeft gevonden. De IND trekt deze verblijfsvergunning in per datum einde zoekperiode.

De IND trekt deze verblijfsvergunning niet in als de vreemdeling binnen drie maanden een nieuwe functie als kennismigrant vindt, mits wordt voldaan aan alle voorwaarden.

N

Paragraaf B6/3.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.3 Geldigheidsduur

3.3.1 Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van één jaar.

3.3.2 Arbeid als kennismigrant

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder d, Vb verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning:

  • voor de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden;

  • voor de duur van de opleiding als de vreemdeling als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister; of

  • voor de duur van de registratie als de vreemdeling voor een beperkte periode in het BIG-register staat geregistreerd.

3.3.3 Wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder i, Vb verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning:

  • voor de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden;

  • voor ten hoogste de duur van de opleiding als de kennismigrant als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister; of

  • voor de duur van de registratie als de vreemdeling voor een beperkte periode in het BIG-register staat geregistreerd.

3.3.4 Arbeid als zelfstandige

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van maximaal twee jaar of voor maximaal één jaar als de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 3.30, zesde lid, Vb.

3.3.5 Houder van een Europese Blauwe Kaart

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder e, Vb verleent of verlengt de IND de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de arbeidsovereenkomst of aanstelling aangevuld met drie maanden maar niet langer dan vier jaar.

O

Paragraaf B6/4.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.2 Het zoeken naar en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling in Nederland met goed gevolg een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding of een postdoctorale opleiding heeft afgerond:

  • een diploma of getuigschrift van een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs waaruit dit blijkt; of

  • een verklaring met de datum waarop aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of getuigschrift van die opleiding aan een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs is voldaan.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een dergelijke opleiding heeft afgerond een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling die:

  • opleidingen verzorgt in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

  • opleidingen verzorgt in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; of

  • is aangewezen in het Voorschrift Vreemdelingen.

De IND beschouwt een schriftelijke diplomawaardering van EP-Nuffic van een diploma van een buitenlandse onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 3.23 VV met een afschrift van het gewaardeerde diploma als bewijsmiddel.

Hieruit moet blijken dat de vreemdeling:

  • is afgestudeerd met een Master-graad,

  • een postdoctorale opleiding heeft afgerond, of

  • is gepromoveerd aan een buitenlandse onderwijsinstelling.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een minimaal niveau van kennis van de Engelse of Nederlandse taal heeft:

  • een testrapport van het International English Language Testing System met een minimale score van 6.0; of

  • een testrapport van een andere Engelse taaltest zoals opgenomen in de Gedragscode internationale student hoger onderwijs met een vergelijkbare minimale score; of

  • een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit inburgering; of

  • een bewijsstuk waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn masteropleiding, postdoctorale opleiding of promotietraject heeft genoten in het Engels of het Nederlands.

P

Paragraaf B6/4.6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.6 Houder van een Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het looncriterium voor houders van een Europese blauwe kaart:

  • een arbeidsovereenkomst; of

  • een aanstellingsbesluit.

Diploma

De IND beschouwt een originele diplomawaardering van de Nuffic als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs en dat deze opleiding vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding voor hoger onderwijs.

De IND beschouwt een origineel gewaarmerkte kopie van het diploma van hoger onderwijs in Nederland als bewijsmiddel waar uit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs.

Individuele gezondheidszorg

De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het BIG-register als bewijsmiddel dat de vreemdeling in het BIG-register is geregistreerd.

Erkenning beroepskwalificaties

De IND beschouwt als bewijsmiddel documenten waarin staat dat de vreemdeling voldoet aan de vereisten om een bepaald beroep uit te oefenen.

Mvv-vereiste voor de houder van de Europese blauwe kaart

De IND beschouwt bewijsmiddelen waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als houder van een Europese blauwe kaart in de andere Staat die partij is bij het EU-verdrag blijkt als bewijsmiddel dat de vreemdeling geen mvv hoeft over te leggen.

Q

Paragraaf B6/5.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

5.1 Arbeid als kennismigrant

De IND willigt de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb in als niet aan het looncriterium voor vreemdelingen van dertig jaar en ouder wordt voldaan als aan alle volgende voorwaarden wel wordt voldaan:

  • de vreemdeling heeft voor het bereiken van het dertigste levensjaar verblijf gekregen als kennismigrant;

  • de vreemdeling wijzigt niet van werkgever; en

  • de vreemdeling voldoet nog aan het looncriterium voor vreemdelingen jonger dan dertig jaar zoals is vastgelegd in artikel 1d, Buwav.

Werkloosheid

De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van artikel 18 Vw en trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op grond van artikel 19 Vw, juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vw als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend en:

  • de kennismigrant langer dan drie maanden werkloos is; of

  • de kennismigrant een uitkering krachtens de Wwb heeft aangevraagd.

R

Paragraaf B7/3.7.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.7.1 Artikel 3.28 Vb

De IND neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.

De IND neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen.

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind, genoemd in artikel 3.28, derde lid, Vb, blijkt dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.

Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind nooit zou kunnen worden opgenomen. Als uit de medische verklaring blijkt dat het kind al op tbc is getest, hoeft het kind niet alsnog (hier te lande) een onderzoek naar tbc te ondergaan, voor zover dit onderzoek op grond van zijn nationaliteit vereist is.

S

Paragraaf B7/3.7.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.7.2 Aanvullende voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

In aanvulling op de in artikel 3.28 Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:

  • 1. het buitenlandse pleegkind is een bloed- of aanverwant van de referent;

  • 2. a. de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders; óf

  • 3. b. de autoriteiten in het land van herkomst stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders, in het geval dat de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) overleden zijn of een onbekende verblijfplaats hebben; en

  • 4. het gezag van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten.

Ad 1.

De referent moet een grootouder, broer, zuster, oom of tante van het pleegkind zijn.

Ad 2.

Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is zowel instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) als instemming van de autoriteiten in het land van herkomst vereist.

T

Paragraaf B7/3.7.3 Vreemdelingencirculaire 2000 vervalt.

U

Paragraaf B7/3.7.4 Vreemdelingencirculaire 2000 wordt vernummerd tot B7/3.7.3 en komt te luiden:

3.7.3 Meetellen gezinsinkomen

De IND telt de zelfstandige en duurzame middelen van bestaan van de partner van de referent mee bij het beoordelen van de middelen van bestaan van de referent als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de referent en diens partner zijn gehuwd of een (geregistreerd) partnerschap aangegaan;

  • de partner van de referent is een Nederlander of een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, Vw; en

  • de referent en diens partner wonen samen.

De IND beschouwt in deze gevallen de middelen van bestaan als voldoende in de zin van artikel 3.22, eerste lid, Vb, als het gezamenlijke inkomen gelijk is aan het referentiebedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb.

De IND kan de referent op grond van zijn of haar eigen situatie vrijstellen van het middelenvereiste op grond van artikel 3.22, tweede lid, Vb of de in B7/2.1.1 opgenomen gronden, ongeacht de omstandigheid dat deze in gezinsverband leeft met een (huwelijks)partner.

V

Paragraaf B7/4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij (naam van de partner/ echtgenoot/ minderjarig kind, enz)’.

Arbeidsmarktaantekening

Als de referent een Nederlander is, dan luidt op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.'

Als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning, dan is de arbeidsmarktaantekening van familie- en gezinsleden dezelfde als die van diens referent.

Als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder l, Vb dan luidt op grond van artikel 3.1, derde lid, onder l, VV de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid niet toegestaan’.

In afwijking hiervan wordt op het verblijfsdocument van een gezinslid van een kennismigrant, houder van een Europese blauwe kaart of een wetenschappelijk onderzoeker op grond van de richtlijn 2005/71/EG op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist'.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van het verblijfsrecht van de referent. Als de referent Nederlander is of verblijf heeft voor langer dan vijf jaar, dan verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van vijf jaar.

W

Paragraaf B8/4.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.2 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder p, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid met een geldigheidsduur van 1 jaar.

X

Paragraaf B8/5.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

5.4 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’.

De IND plaatst in het geldig document voor grensoverschrijding de aantekening ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden of zoveel korter als het daadwerkelijke vertrek uit Nederland binnen zes maanden ligt.

Y

Paragraaf B8/6.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6.4 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, tweede lid, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s met een geldigheidsduur van vijf jaar.

Z

Paragraaf B8/8.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.4 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder q, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur van één jaar.

AA

Paragraaf B8/9.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

9.3 Beperking, arbeidsmarktaantekening, en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid onder o, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘medische behandeling’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder l, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘arbeid niet toegestaan’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder o, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de medische behandeling, met en maximum van één jaar.

AB

Paragraaf B8/10.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

10.4 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de hoofdpersoon en haar ouders onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’.

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de broer(s) en/of zus(sen) onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ (bij de hoofdpersoon).

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening van de hoofdpersoon, haar ouders en de broer(s) en/of zus(sen) ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan de hoofdpersoon en haar ouders met een geldigheidsduur van één jaar. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder a, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan de broer(s) en/of zus(sen) met de geldigheidsduur van één jaar.

AC

Paragraaf B8/11.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

11.2 Beperking, arbeidsmarktbeperking en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb onder de beperking: ‘tijdelijk humanitaire gronden’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb met de geldigheidsduur van één jaar.

AD

Paragraaf B9/8.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.1 Algemene verblijfsvoorwaarden

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als:

  • 1. gedurende vijf jaren geen grond is geweest voor intrekking van de verblijfsvergunning;

  • 2. de vreemdeling het inburgeringsexamen heeft behaald of hiervan is vrijgesteld of ontheven; en

  • 3. de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid, Vw, met uitzondering van de subcategorieën b, c en k.

De IND werpt een verblijfsgat niet tegen als voldaan wordt aan alle hierna genoemde voorwaarden:

  • het verblijfsgat is ontstaan doordat de vreemdeling de verlengingsaanvraag niet-tijdig heeft ingediend;

  • de vreemdeling heeft de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend binnen de redelijke termijn van twee jaar. Zie paragraaf B1/6.1 Vc;

  • de vreemdeling heeft gedurende vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van niet-tijdelijk humanitaire gronden, onafgebroken voldaan aan de inhoudelijke voorwaarden van de oorspronkelijk aan hem verleende verblijfsvergunning.

Ad 2.

De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef.

De IND ontheft de vreemdeling op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen.

Op grond van artikel 3.80a, vierde lid, Vb past de IND in ieder geval de hardheidsclausule toe als:

  • a. de vreemdeling met voldoende inzet minimaal 600 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus bij een instelling met het Blik op Werk Keurmerk en minimaal 4 keer niet is geslaagd voor onderdelen van het inburgeringsexamen; of

  • b. de vreemdeling met voldoende inzet minimaal 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een instelling met het Blik op Werk Keurmerk en de vreemdeling aangetoond heeft met een door DUO afgenomen toets naar het leervermogen dat de vreemdeling niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of

  • c. de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb.

Vanaf 1 juli 2013 zal DUO advies geven of iemand voldoet aan de criteria genoemd onder a en b (naar aanleiding van de zogenaamde inspanningstoets). De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van de door de vreemdeling overgelegd advies van DUO. De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet deze inspanningstoets zelf aanvragen bij DUO. Voor het aanmeldformulier en meer informatie over deze procedure raadpleeg de website van DUO www.inburgeren.nl.

Overgangsregeling

In het kader van de overgangsregeling per 1 juli 2013 past de IND ook de

hardheidsclausule toe als de vreemdeling ondanks aantoonbaar geleverde

inspanning de vreemdeling redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het inburgeringsexamen te behalen.

Hiervan is sprake als:

  • de vreemdeling niet gealfabetiseerd is in zijn eigen taal en de Nederlandse taal;

  • van de vreemdeling gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, niet kan worden verwacht dat hij Nederlands leert lezen en schrijven binnen een periode van vijf jaar; en

  • de vreemdeling de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau heeft behaald.

De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van een door de vreemdeling overgelegde verklaring met een advies (naar aanleiding van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek) van het ROC Amsterdam. Vanaf 1 juli 2013 wordt dit haalbaarheidsonderzoek niet meer door het ROC Amsterdam gedaan. Alle adviezen van aanvragen voor een haalbaarheidsonderzoek ingediend vóór 1 juli 2013 worden meegenomen in de besluitvorming. Op de dag van de indiening van de aanvraag mag dit advies niet ouder zijn dan vijf jaar.

De IND neemt het ROC-advies niet over als:

  • de IND constateert dat de vreemdeling in een vreemdelingrechtelijke procedure verklaringen heeft afgelegd die in tegenstrijd zijn met het advies; of

  • op een andere manier dan uit een vreemdelingrechtelijke procedure blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond.

Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule

De IND maakt in ieder geval geen gebruik van de bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen op grond van artikel 3.80a, vierde lid, Vb als de vreemdeling stelt:

  • geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening te hebben gekregen;

  • geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen;

  • geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen;

  • geen taalkennisvoorziening opgelegd heeft gekregen; of

  • nooit te hebben geweten het inburgeringsexamen te moeten behalen.

Op grond van artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als:

  • de vreemdeling het inburgeringsexamen heeft behaald of hiervan is vrijgesteld of ontheven (zie ad 2 hierboven);en

  • de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid Vw, met uitzondering van de subcategorieën c en k.

AE

Paragraaf B9/8.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.2 Bijzondere voorwaarden na een (huwelijks)relatie

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning uitsluitend als de vreemdeling naast de in paragraaf B9/8.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling is een huwelijk, geregistreerd partnerschap of duurzame en exclusieve relatie aangegaan met een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft; en

  • de (huwelijks)relatie bestaat vijf jaren (of heeft vijf jaren bestaan) en de vreemdeling heeft ten minste vijf jaren op grond van die (huwelijks)relatie een verblijfsvergunning gehad.

Op grond van artikel 3.51, achtste lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is als:

  • aan hem de in artikel 3.31b Vb bedoelde vergunning is verleend (zie B11) en hij uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning verstrijkt, beschikt over een arbeidsplaats voor nog een jaar waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan als bedoeld in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb verwerft; of

  • hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

AF

Paragraaf B9/8.6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.6 Verblijf wegens bijzondere individuele omstandigheden na verblijf als familie- of gezinslid

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb als:

  • de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb of artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb; en

  • de vreemdeling heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. Voor een uitwerking van de bijzondere individuele omstandigheden die een rol in dit kader kunnen spelen zoekt de IND aansluiting bij de bijzondere omstandigheden genoemd in paragraaf B9/11 Vc.

AG

Paragraaf B9/8.7 Vreemdelingencirculaire 2000 wordt toegevoegd en komt te luiden:

8.7 Bijzondere voorwaarden na verblijf bij houder blauwe kaart

In aanvulling op de in artikel 3.51 Vb, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen als het gezinslid, naast de in paragraaf B9/8.1 genoemde voorwaarden, ook voldoet aan de volgende voorwaarde:

  • het gezinslid heeft twee jaren voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

AH

Paragraaf B9/16 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

16 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ’niet-tijdelijke humanitaire gronden’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder r, Vb verleent de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ met de geldigheidsduur van vijf jaar.

AI

Paragraaf B9/17 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

17 Verlenging en intrekking

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder r, Vb verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van vijf jaar.

De IND trekt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ niet in en wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking waaronder de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend. Onder de oorspronkelijke verblijfsvergunning verstaat de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die voorafging aan de verlening van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.

Afhankelijke gezinsleden oud-Nederlanders

De IND merkt de aanvraag van de afhankelijke gezinsleden van oud-Nederlanders om opnieuw te worden toegelaten tot Nederland aan als een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als:

  • de aanvraag tegelijk met de aanvraag van de oud-Nederlander is ontvangen binnen zes maanden nadat de militaire dienstplicht of detentie van de oud-Nederlander is beëindigd; en

  • de afhankelijke gezinsleden voorafgaand aan hun vertrek uit Nederland daarvan kennis hebben gegeven aan de Korpschef.

Dit geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden van Nederlanders die buiten Nederland zijn gedetineerd of hun dienstplicht vervullen.

Als de IND verblijfsrecht van de oud-Nederlander niet beëindigt, dan beëindigt de IND evenmin het verblijfsrecht van de afhankelijke gezinsleden als de afhankelijke gezinsleden niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet samenwonen met de oud- Nederlander.

AJ

Paragraaf B10/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 Beleidsregels

Een familielid van een burger van de Unie verliest niet de rechten, die al aan het EU-recht werden ontleend als de burger van de Unie naturaliseert tot Nederlander (al dan niet met verlies van de oorspronkelijke nationaliteit).

Verblijfsrecht familielid bij terugkeer Nederlander na gebruik van recht op vrij verkeer

Voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid:

  • daadwerkelijk hebben verbleven in een andere lidstaat van de EU;

  • gedurende de gehele periode van daadwerkelijk verblijf in de andere lidstaat hebben voldaan aan de voorwaarden genoemd in lid 1 of lid 2 van artikel 7 of in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG; en

  • tijdens het daadwerkelijke verblijf in de andere lidstaat een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.

De IND neemt alleen aan dat het gezinsleven is opgebouwd of bestendigd bij een daadwerkelijk, aaneengesloten verblijf in de andere lidstaat van ten minste zes maanden.

De IND verstrekt een document EU/EER (bijlage 7e, VV) aan het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander als aan voornoemde vereisten is voldaan.

De IND past gedurende het rechtmatige verblijf van het familielid van een Nederlander hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vb naar analogie toe.

Verblijf van verzorgende ouder bij Nederlands minderjarig kind

Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de vreemdeling heeft een minderjarig kind dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;

  • dit kind komt ten laste van de vreemdeling, en woont in bij deze vreemdeling; en

  • dit kind moet, bij het onthouden van verblijfsrecht aan de vreemdeling, de vreemdeling volgen en het grondgebied van de EU verlaten.

De IND neemt in ieder geval niet aan dat het kind de vreemdeling moet volgen en het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten als er een andere ouder is die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a t/m e, dan wel l, Vw of de Nederlandse nationaliteit heeft, en deze ouder feitelijk voor het kind kan zorgen.

De IND neemt in ieder geval aan dat de andere ouder feitelijk voor het kind kan zorgen als:

  • de andere ouder het gezag heeft over het kind, dan wel alsnog het gezag over het kind kan krijgen; en

  • de andere ouder gebruik kan maken van hulp en ondersteuning bij zorg en opvoeding die van overheidswege of door maatschappelijke organisaties wordt geboden. Hieronder verstaat de IND ook de verstrekking van een uitkering uit de algemene middelen waar Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak op kunnen maken.

De IND neemt in ieder geval aan dat de andere ouder feitelijk niet voor het kind kan zorgen als deze ouder:

  • zich in detentie bevindt; of

  • aantoont dat het gezag niet aan hem kan worden toegekend.

Rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn

In aanvulling op artikel 8.7, tweede lid, Vb stelt de IND adoptiefkinderen gelijk met rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn.

Ten laste zijn van

Als een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb en artikel 8.7, derde lid, Vb stelt ten laste te zijn van een burger van de Unie, dan beoordeelt de IND of dit familielid, op het moment dat dit familielid verzoekt om hereniging met de burger van de Unie, in het land van herkomst of het land vanwaar het familielid kwam (dat wil zeggen niet in Nederland) materieel wordt ondersteund door de burger van de Unie. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn.

Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb neemt de IND in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is als het familielid vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoeften voorziet. Waarom het familielid een beroep doet op materiële ondersteuning is niet van belang.

Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, Vb neemt de IND slechts aan dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is, als het familielid vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoeften voorziet. Waarom het familielid een beroep doet op materiële ondersteuning is niet van belang.

Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb neemt de IND in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning reëel is als de burger van de Unie aan het familielid ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor het familielid noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst.

Bij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, Vb neemt de IND slechts aan dat de materiële ondersteuning reëel is als de burger van de Unie aan het familielid ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor het familielid noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst.

Duurzame relatie

In aanvulling op artikel 8.7, vierde lid, Vb neemt de IND aan dat een duurzame relatie bestaat als de burger van de Unie en de ongehuwde partner:

  • voorafgaand aan het moment van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht of het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden; of

  • gezamenlijk een kind hebben.

  • In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.

Reële en daadwerkelijke arbeid

In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, Vb beschouwt de IND een burger van de Unie als werknemer of zelfstandige als deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als:

  • de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm; of

  • de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.

EU-grensarbeid

Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht verblijven in een aan Nederland grenzende lidstaat, mogen in Nederland alleen arbeid verrichten als de werkgever beschikt over een geldige TWV, tenzij de Wav anders bepaalt.

Beroepsopleiding

In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verstaat de IND onder ‘beroepsopleiding’ iedere onderwijsvorm (inclusief stage) die opleidt voor een:

  • speciaal beroep;

  • vak;

  • betrekking; of

  • bijzondere bekwaamheid om een beroep uit te oefenen.

Onvrijwillige werkloosheid

In aanvulling op artikel 8.12, tweede lid, Vb beschouwt de IND de burger van de Unie in ieder geval niet als onvrijwillig werkloos als de burger van de Unie:

  • door hem verwijtbare gedragingen is ontslagen;

  • ontslag op staande voet niet aanvecht;

  • zelf ontslag heeft genomen;

  • zich niet bij UWV WERKbedrijf als werkzoekende heeft ingeschreven; of

  • meer dan een keer heeft geweigerd passende arbeid te aanvaarden.

Voldoende middelen van bestaan voor de vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, Vb en familieleden

De IND willigt de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht van een familielid in als blijkt dat de vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, Vb op het moment dat op die aanvraag wordt beslist reële en daadwerkelijke arbeid verricht of voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Bewijs van rechtmatig verblijf

In aanvulling op artikel 8.13, vierde lid, Vb verstrekt de IND aan een familielid dat wil verblijven bij een burger van de Unie onmiddellijk na indiening van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen (bijlage 7h, VV) met de aantekening dat het familielid mag werken.

In de volgende gevallen wordt geen sticker ‘Verblijfsaantekeningen gemeenschapsonderdanen’ (bijlage 7h, VV) afgegeven, maar een sticker ‘verblijfsaantekeningen algemeen’ (bijlage 7g, VV) waaruit blijkt dat arbeid niet is toegestaan:

  • de familierechtelijke relatie met de burger van de Unie is niet aangetoond;

  • er zijn indicaties aanwezig van een schijnrelatie of schijnhuwelijk; of

  • er is niet deugdelijk bewezen dat sprake is van een duurzame relatie.

Arbeidsmarktpositie van burgers van de Unie voor wie het vrije verkeer van werknemers nog niet geldt

De IND stelt een burger van de Unie voor wie het vrije verkeer van werknemers nog niet geldt als gevolg van een overgangsmaatregel in het bezit van een verblijfsdocument met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als:

  • de burger van de Unie ten minste twaalf maanden onafgebroken heeft beschikt over een verblijfsdocument met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’;

  • aan de werkgever van de burger van de Unie een TWV is verleend met een onafgebroken geldigheidsduur van ten minste twaalf maanden en gedurende de geldigheidsduur van de TWV ten minste twaalf maanden onafgebroken reële en daadwerkelijke arbeid is verricht bij die werkgever; of

  • de burger van de Unie ten minste twaalf maanden onafgebroken heeft beschikt over een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’.

In alle overige gevallen wordt de burger van de Unie voor wie het vrije verkeer van werknemers nog niet geldt door de IND in het bezit gesteld van een verblijfsdocument met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV' of in geval dat werkzaamheden worden verricht in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening: 'TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.

De IND telt bij de beoordeling of de burger van de Unie voor wie het vrije verkeer van werknemers nog niet geldt inmiddels volledige toegang heeft tot de arbeidsmarkt de geldigheidsduur van TWV’s die zijn verleend voor de duur van minder dan twaalf maanden bij elkaar op, op voorwaarde dat sprake is van een aaneengesloten periode.

In aanvulling op artikel 8.13, vierde lid, Vb verstrekt de IND aan een familielid dat wil verblijven bij een burger van de Unie voor wie het vrije verkeer van werknemers nog niet geldt onmiddellijk na indiening van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht de sticker ‘Verblijfsaantekeningen algemeen’ (bijlage 7g, VV) met dezelfde aantekening als de verblijfgever.

AK

Paragraaf B11 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

B11 Bijzonder verblijf

1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven:

  • als economisch niet-actieve langdurig ingezetene;

  • als vermogende vreemdeling (ook wel buitenlandse investeerder);

  • voor het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst omdat artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is; en

  • op grond van de pilot ‘huisvesting Akense niet-EU studenten’.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van 3.29a Vb en artikel 3.4, derde lid, Vb in samenhang met het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’.

2 Beleidsregels

2.1 Economisch niet-actieve langdurig ingezetene

In aanvulling op artikel 3.29a, eerste lid, aanhef en onder b, Vb accepteert de IND alle middelen van bestaan ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, et cetera).

2.2 Vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder)

In aanvulling op artikel 3.29a, tweede lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. de vreemdeling investeert een bedrag van minimaal € 1.250.000 in een in Nederland gevestigd(e):

    • a. innovatieve onderneming;

    • b. contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere innovatieve onderneming(en);

    • c. fonds dat volgens het Ministerie van Economische Zaken past binnen de SEED regeling; of

    • d. participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP).

  • 2. het te investeren bedrag is gestort op een bankrekening van een Nederlandse bank of een bank van een EU-lidstaat met een vestiging in Nederland die onder toezicht staan van De Nederlandsche Bank;

  • 3. de investering heeft volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie;

  • 4. de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) heeft aangegeven dat de vreemdeling niet gekoppeld kan worden aan een verdachte transactie en

  • 5. niet is gebleken dat de vreemdeling investeert in onroerend goed voor bewoning.

Ad 1 en 3

De RVO adviseert de IND of de investering in een innovatieve onderneming (voorwaarde 1 sub a) of de investering in een contractueel samenwerkingsverband (voorwaarde 1 sub b) een toegevoegde waarde heeft voor de Nederlandse economie.

  • 1. Een investering door de vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder) in een (innovatieve) onderneming.

    De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen:

    A. Primaire toets

    Vereist: J J J, anders volgt negatief advies

    Algemene criteria voor de investering in een onderneming

     

    De onderneming is ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel.

    J/N

    Aard investering(sovereenkomst) is positief voor de Nederlandse economie.

    J/N

    De continuïteit van de onderneming na de investering is aangetoond.

    J/N

       

    B. Secundaire toets Vereist: minimaal twee keer J anders volgt negatief advies

    Criteria voor de effecten van de investering

     

    Arbeidscreatie

    minimaal 10 fte (exclusief aanvrager) binnen 5 jaar, waarvan 60% binnen 3 jaar

    J/N

         

    Innovativiteit:

    Er is sprake van innovativiteit bij aanwezigheid van minstens één van onderstaande drie aspecten

    1. Het product of de dienst is nieuw voor Nederland.

    2. Er is sprake van nieuwe technologie bij productie, distributie, marketing.

    3. Er is sprake van een innovatieve organisatorische opzet en werkwijze.

    Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld (niet uitputtend opgesomd):

    – Activiteiten die in het kader van het Topsectorenbeleid worden gestimuleerd.

    – Zelf ontwikkelde nieuwe producten of diensten.

    – Originele aanpak energiebesparing.

    – Originele aanpak duurzaamheidsproblematiek.

    – Slimme en creatieve aanpassingen of combinaties ten behoeve van sectoroverschrijdende toepassingen.

    – Nieuwe product-marktcombinaties.

    – Creatieve of vernieuwende marktbenadering.

    – Sociale innovatie.

    – Introductie maatschappelijk verantwoord ondernemen.

    J/N

         

    Niet-financiële inbreng van de vreemdeling in de onderneming

    Er is sprake van toegevoegde waarde als de investeerder aan één of meer van onderstaande aspecten voldoet:

    – Actief oprichter/eigenaar met voor de onderneming relevante opleiding op masterniveau of hoger (diploma vereist en IDW erkende opleiding)

    – Actief oprichter/eigenaar en tenminste vijf jaar (aantoonbare) uitgebreide ondernemerschapservaring

    – Actief oprichter/eigenaar en tenminste vijf jaar (aantoonbare) relevante werkervaring op senior niveau

    – Actief oprichter/eigenaar die tenminste vijf (aantoonbare) handelspartners of opdrachtgevers inbrengt

    J/N

    De beoogde investering heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie als alle delen van onderdeel A positief worden beoordeeld en ten minste twee van onderdeel B positief worden beoordeeld.

  • 2. Een investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere innovatieve ondernemingen.

    De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen:

    • Een check of het contractueel samenwerkingsverband staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

    • Het beoordelen van het contractueel samenwerkingsband en de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd. Daarbij wordt getoetst volgens het bovenstaand toetsingskader voor investering in een onderneming.

    • Er wordt beoordeeld naar rato van de inbreng van de vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder).

  • 3. De investering in een fonds dat volgens het Ministerie van Economische Zaken past binnen de SEED regeling heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.

  • 4. De investering in een participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.

Ad 4.

De IND vraagt -ten behoeve van de FIU-toets- de vreemdeling om toestemming om onderzoek te laten verrichten in het buitenland of dat het vermogen waaruit geïnvesteerd wordt een mogelijk criminele herkomst heeft.

De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning af als de vreemdeling geen toestemming geeft.

De IND verzoekt de te toetsen of ten aanzien van de vreemdeling verdacht verklaarde transacties bekend zijn.

De IND verstrekt daartoe de volgende gegevens aan de FIU:

  • persoonsgegevens van de vreemdeling; en

  • gegevens omtrent het te investeren vermogen.

De IND verleent de verblijfsvergunning niet of trekt deze in als de FIU meldt dat gebleken is dat de vreemdeling betrokken is bij één, of meerdere, als verdacht verklaarde transactie(s). Als de FIU meldt dat geen informatie uit het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan worden verkregen met betrekking tot het vermogen van de vreemdeling, wordt de verblijfsvergunning evenmin verleend.

Ad 5.

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet of trekt deze in als de vreemdeling investeert in onroerend goed voor bewoning.

2.3 Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

De IND verleent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.31 Vb aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is, als:

  • diens huwelijk of (geregistreerd) partnerschap met een hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden;

  • de vreemdeling op grond van dat huwelijk of (geregistreerd) partnerschap was toegelaten; en

  • de vreemdeling één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting van het huwelijk of (geregistreerd) partnerschap rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onder a, Vw.

Middelen van bestaan

Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘vermogende vreemdeling’ neemt de IND aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.4 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De aanvraag om een verblijfsvergunning is door het voorportaal (de gemeente Kerkrade) namens de vreemdeling conform het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’ ingediend;

  • De vreemdeling is gekoppeld aan een woning in Kerkrade of Heerlen;

  • De vreemdeling is (voorlopig) ingeschreven aan de Rheinisch-Westfaelische Technische Hochschule Aachen (de RWTH) in verband met een voltijdse studie; en

  • De vreemdeling toont aan het begin van elk studiejaar aan zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Procedureel

De IND verstrekt ten behoeve van de pilot jaarlijks maximaal 75 verblijfsvergunningen.

In afwijking op paragraaf B1/3.4.1.2 en conform het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’ machtigt de vreemdeling het voorportaal om:

  • namens de vreemdeling de verblijfsaanvraag in te dienen;

  • namens de vreemdeling de leges voor de verblijfsaanvraag te voldoen; en

  • alle relevante informatie betrekking hebbende op het verblijfsrecht van de vreemdeling te delen met de IND en indien nodig gegevens op te vragen bij de RWTH.

Middelen van bestaan

In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan als voldoende als de vreemdeling voldoet aan de gehanteerde inkomensnorm die wordt vastgesteld aan het begin van elk kalenderjaar voor de uitwonende student (exclusief collegegeld).

In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb:

  • een inkomen (uit een studiebeurs) waarmee de kosten van studie en levensonderhoud worden gefinancierd;

  • een inkomen uit periodieke betalingen uit sponsorgelden of anderszins; of

  • een bedrag dat door de vreemdeling op een ten name van het voorportaal gestelde bankrekening in Nederland beschikbaar is gesteld.

Op grond van artikel 3.75, vierde lid, Vb beschouwt de IND de middelen van bestaan als duurzaam als deze op het tijdstip waarop de aanvraag regulier voor bepaalde tijd is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar beschikbaar zijn.

3 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling’.

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.31 Vb aan de vreemdeling op wie artikel 13 besluit 1/80 van toepassing is, onder de beperking: ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’.

Op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten onder de beperking ‘verblijf conform beschikking Staatssecretaris’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor economisch niet-actieve langdurig ingezetenen en vermogende vreemdelingen: 'Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist'.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor het zoeken naar of verrichten van arbeid al dan niet in loondienst: 'Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist'.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder l, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten: ‘Arbeid niet toegestaan’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder b, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van vijf jaar aan economisch niet-actieve langdurig ingezetenen.

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder b, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van drie jaar aan de vermogende vreemdeling.

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verlengt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van vijf jaar aan de vermogende vreemdeling.

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder m, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van ten hoogste één jaar voor het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

Op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten met de geldigheidsduur van één jaar.

De verblijfsvergunning verleend in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten wordt ingevolge artikel 3.5, vierde lid, Vb aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.

4 Bewijsmiddelen

4.1 economisch niet-actieve langdurig ingezetene

De IND beschouwt het gestelde in paragraaf B1/8.3.4 als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de economisch niet-actieve langdurig ingezetene beschikt over middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene heeft in een andere lidstaat:

  • een kopie van de door de andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met de aantekening: ‘ EG-langdurig ingezetene’, in de taal van die lidstaat.

4.2 vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder)

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een investering van minimaal € 1.250.000 doet in een onderneming in Nederland:

  • een verklaring van de Nederlandse vestiging van de bank die beschikt over een vergunning van De Nederlandsche Bank of gebruik maakt van een Europees paspoort, waaruit blijkt dat het te investeren bedrag van minimaal € 1.250.000 in Nederland is gestort.

De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij investering in een onderneming:

  • de investeringsovereenkomst die door betrokken partijen (investeerder en onderneming) is ondertekend en waaruit het doel van de investering blijkt;

  • als de onderneming korter dan drie jaar geleden is opgericht, een ondernemingsplan dat informatie bevat over:

    • persoonlijke gegevens en achtergrond van het ondernemingsmanagement (opleiding, ervaring);

    • het product of de dienst;

    • een marktanalyse toegespitst op het eigen product of dienst;

    • beschrijving van prijsbeleid/-opbouw met alle kosten daarin verdisconteerd;

    • organisatie;

    • balans;

    • exploitatieoverzichten (realisaties en prognoses);

    • omzet- en liquiditeitsprognose inclusief berekeningen;

    • specificatie en begroting arbeidscreatie en investeringen.

  • door een onafhankelijke externe partij geverifieerde jaarrekeningen van de afgelopen drie jaren of als de onderneming korter dan drie jaar geleden is opgericht de beschikbare jaarrekeningen;

  • investeringsplan van de onderneming waarin het doel van de investering wordt beschreven (kan geïntegreerd worden in het ondernemingsplan of in de investeringsovereenkomst);

  • gegevens waaruit blijkt wat de verwachte effecten van de investering zijn in omvang en tijd met betrekking tot de vermogenspositie, omzet, resultaat (netto winst), werkgelegenheid en/of innovatie, zowel technologisch als niet-technologisch (bijv. patenten, octrooien);

  • bewijsstukken waaruit de niet-financiële eigen inbreng en mate van actieve betrokkenheid van de vermogende vreemdeling bij de onderneming blijkt zoals specifieke kennis, specifieke werkervaring, referenties, patenten, netwerk en afnemers.

De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere onderneming(en):

  • de overeenkomst tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband waaruit de omvang en de voorwaarden blijken;

  • een fondsplan waaruit blijkt wat de aard van de organisatie en de investeringen is, en welke voorwaarden daaraan verbonden zijn;

  • bewijs van continuïteit van het contractuele samenwerkingsverband zoals jaarrekeningen;

  • bewijsmiddelen zoals beschreven bij investering in een onderneming.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling deelneemt aan een fonds dat past binnen de SEED regeling:

  • Een bewijs van deelname aan het fonds; en

  • een verklaring waaruit blijkt dat het SEED fonds is erkend door het Ministerie van Economische Zaken; of

  • een verklaring waaruit blijkt dat het fonds geen SEED erkenning heeft gekregen maar volgens het Ministerie van Economische Zaken wel past binnen de SEED regeling.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling deelneemt aan een participatiefonds:

  • een bewijs van deelname aan een participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen;

  • een bewijs van het lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen van het participatiefonds.

4.3 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND beschouwt ‘het model machtigingsformulier student gemeente Kerkrade’, onderdeel van het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat:

  • het voorportaal gemachtigd is om namens de vreemdeling de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen;

  • het voorportaal toestemming van de vreemdeling heeft om informatie te delen met de IND; en

  • het voorportaal namens de vreemdeling de leges voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zal voldoen.

De IND beschouwt ‘het model machtigingsformulier student RWTH’, onderdeel van het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling het voorportaal toestemming geeft om informatie op te vragen bij de RWTH.

De IND beschouwt een schriftelijke verklaring van het voorportaal als bewijs dat de vreemdeling gekoppeld is aan een woning in Kerkrade of Heerlen.

De IND beschouwt een (voorlopige) inschrijving aan de RWTH als bewijsmiddel dat de vreemdeling (voorlopig) is ingeschreven aan de RWTH.

De IND beschouwt de onderstaande bescheiden als bewijsmiddelen waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan:

In het geval de kosten van studie en levensonderhoud door de student zelf worden gefinancierd:

  • een originele bankverklaring (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de student, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit de bankverklaring moet duidelijk blijken dat de student vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of

  • een kopie van een rekeningafschrift (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de student, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit het rekeningafschrift moet duidelijk blijken dat de student vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of

  • een niet Nederlandse internetprint vergezeld door een originele bankverklaring voorzien van bankstempel en handtekening (inclusief een vertaling hiervan).

In het geval de kosten van studie en levensonderhoud worden gefinancierd uit een beurs:

  • een originele beursverklaring waarin in ieder geval is opgenomen: de datum, de naam van de beursverstrekker, de persoonsgegevens van de student, de periode (begindatum en einddatum) waarbinnen de beurs verstrekt wordt, het maandelijksdoor de student te ontvangen bedrag, de naam van het beursprogramma (indien van toepassing).

In het geval de student het minimaal toereikende bedrag voor de kosten van studie en levensonderhoud heeft gestort op een daartoe geopende rekening van het voorportaal:

  • een kopie van het rekeningafschrift met daarop de datum, het rekeningnummer en de naam van het voorportaal en het gestorte bedrag (herleidbaar tot de student).

In het geval de kosten van studie en levensonderhoud door een financier in het buitenland worden gefinancierd:

  • een originele verklaring financiële steun (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de persoonsgegevens van de student (volledige naam, geboortedatum, paspoortnummer); de persoonsgegevens van de financier (volledige naam, geboortedatum, paspoortnummer); de volledige adresgegevens van de financier; het maandelijks over te maken bedrag; de periode (begindatum en einddatum) waarin de student wordt ondersteund, de handtekening van de financier;

  • een kopie van het paspoort of de identiteitskaart van de financier; en

  • een originele bankverklaring (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de financier, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit de bankverklaring moet duidelijk blijken dat de financier vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken. Als de rekening op naam van meerdere personen staat, dienen al deze personen in te stemmen met de maandelijkse betaling en dienen zij de originele verklaring financiële steun mede te ondertekenen; of

  • een kopie van een rekeningafschrift(op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de financier, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit het rekeningafschrift moet duidelijk blijken dat de financier vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of

  • een niet Nederlandse internetprint vergezeld door een originele bankverklaring voorzien van bankstempel en handtekening.

5 Verlenging

5.1 Vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder)

De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘vermogende vreemdeling’ in ieder geval af als:

  • 1. Het geïnvesteerde vermogen van minimaal € 1.250.000 is teruggetrokken; of

  • 2. De investering heeft volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geen toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie; of

  • 3. De vreemdeling is betrokken bij een door de Financial Intelligence Unit-Nederland verdacht verklaarde transacties.

Ad. 2

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland adviseert positief bij een investering in een onderneming of in een contractueel samenwerkingsverband als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. De onderneming of het contractueel samenwerkingsverband is ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel;

  • 2. De investering is conform het investeringsplan nog aanwezig in de onderneming of in het contractueel samenwerkingsverband; en

  • 3. De beoogde arbeidscreatie is voor 60% gerealiseerd en het is aannemelijk dat de overige 40% in de komende twee jaren wordt gerealiseerd.

5.2 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten af, of trekt de verblijfsvergunning in, als niet meer aan de algemene toelatingsgronden of aan de voorwaarden van de pilot wordt voldaan, wanneer:

  • 1. de vreemdeling geen medewerking (meer) verleent aan het voorportaal om gegevens uit te wisselen met de IND;

  • 2. de vreemdeling geen volmacht (meer) verleent aan het voorportaal om navraag te doen bij de RWTH inzake de studieresultaten dan wel andere informatie die nodig is om te kunnen beoordelen of de student studievoortgang boekt of deelneemt aan de studie;

  • 3. de vreemdeling niet meer voltijds aan de RWTH studeert;

  • 4. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of heeft afgerond;

  • 5. de opleiding van de vreemdeling is komen te vervallen aan de RWTH;

  • 6. de vreemdeling onvoldoende studievoortgang voor zijn opleiding boekt aan de RWTH;

  • 7. de vreemdeling (aan het begin van een nieuw studiejaar) niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

  • 8. de vreemdeling niet meer aan een woning in Kerkrade of Heerlen is gekoppeld; of

  • 9. de vreemdeling niet beschikt over een geldige Grenzgängerkarte afgegeven door het Ausländeramt in Duitsland.

De IND verstaat onder voldoende studievoortgang dat de vreemdeling minimaal 50% van de nominale studiepunten (European Credit Transfer System) voor het (gedeelte van het) studiejaar aan de RWTH behaalt.

6 Bewijsmiddelen verlenging

6.1 vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder)

De IND beschouwt als bewijsmiddel waarmee de vreemdeling bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘vermogende vreemdeling’, kan aantonen dat aan de voorwaarden wordt voldaan:

Bewijsmiddelen bij een investering in een onderneming:

  • een recente jaarrekening van de onderneming(en) waarin is geïnvesteerd;

  • een verklaring van de bestuurders dat het door de vreemdeling geïnvesteerde vermogen conform het investeringsplan aanwezig is in de onderneming;

  • een beschrijving van de resultaten met betrekking tot arbeidscreatie (indien van toepassing);

  • een beschrijving van de resultaten met betrekking tot innovatie (indien van toepassing);

  • een beschrijving van de resultaten van de niet-financiële inbreng door de vreemdeling (indien van toepassing).

Bewijsmiddelen bij een investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere onderneming(en):

  • een recente jaarrekening van de onderneming(en) waarin is geïnvesteerd;

  • een bewijs dat de vreemdeling is aangesloten bij het samenwerkingsverband;

  • een verklaring van de bestuurders dat het geïnvesteerde vermogen conform het investeringsplan nog aanwezig is in het contractueel samenwerkingsverband;

  • een beschrijving van de resultaten met betrekking tot arbeidscreatie (indien van toepassing);

  • een beschrijving van de resultaten met betrekking tot innovatie (indien van toepassing);

  • een beschrijving van de resultaten van de niet-financiële inbreng door de vreemdeling (indien van toepassing).

Bewijsmiddelen bij een investering in een fonds dat volgens het Ministerie Economische Zaken past binnen de SEED regeling:

  • een bewijs van deelname aan een fonds dat volgens het Ministerie Economische Zaken past binnen de SEED regeling; en

  • een bewijs dat de investering nog aanwezig is in het fonds.

Bewijsmiddelen bij een investering in een participatiefonds:

  • een bewijs van deelname aan een participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP);

  • een bewijs dat de investering nog aanwezig is in het participatiefonds.

6.2 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND beschouwt een kopie van een geldige Grenzgängerkarte afgegeven door het Ausländeramt in Duitsland als bewijsmiddel dat het de vreemdeling is toegestaan om dagelijks vanuit Nederland naar Duitsland te mogen reizen.

De IND beschouwt een verklaring van de RWTH als bewijsmiddel ten aanzien van de studievoortgang van de vreemdeling.

AL

Paragraaf C1/2.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.8.1 De procedure bij voorzienbare inwilliging

Indien Onze Minister vanwege een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen heeft besloten dat artikel 3.123a Vb van toepassing is, gelden er bijzondere procedurele bepalingen welke het mogelijk maken in een vereenvoudigde procedure als omschreven in artikel 3.123b Vb een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De Minister zal in dat verband bepalen op welke nationaliteit(en) of groepen vreemdelingen deze procedure zoals beschreven in artikel 3.123b Vb toeziet.

De asielaanvraag kan slechts volgens deze procedure worden behandeld indien de vreemdeling (echte en onvervalste) identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd en de IND ook overigens geen reden heeft te twijfelen aan diens identiteit en/of nationaliteit.

Wanneer er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling tot deze doelgroep (artikel 3.123b Vb) behoort, en de algemene asielprocedure op dat moment nog niet met een eerste gehoor is aangevangen, wordt de aanvraag in de procedure zoals beschreven in artikel 3.123b Vb behandeld. De IND verstrekt aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘De vereenvoudigde asielprocedure: voorzienbare inwilliging’.

Indien de IND op enig moment gedurende de procedure toch twijfelt aan de gestelde identiteit, nationaliteit en/of herkomst, dan wordt de aanvraag verder behandeld in de bijzondere vervolgprocedure (zie paragraaf C1/2.8.2 Vc).

Paragraaf C1/2.13 Vc onder Het geven van de beschikking is van overeenkomstige toepassing.

Wanneer de aanvraag is ingewilligd in de procedure als beschreven in artikel 3.123b Vb en de vreemdeling in die procedure niet is bijgestaan door een rechtshulpverlener, zullen eventuele fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor die daardoor in eerste instantie onopgemerkt waren gebleven, niet in een vervolgprocedure worden tegengeworpen. Bij vervolgprocedures wordt met name gedacht aan procedures inzake nareis en intrekking van de verleende vergunning.

De vreemdeling moet onderbouwen dat discrepanties tussen zijn verklaringen in de vervolgprocedure en het eerdere rapport van gehoor het gevolg zijn van fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor en dat daarvoor verschoonbare redenen zijn. De IND neemt minder snel aan dat sprake is van geloofwaardige verschoonbare redenen, als het aspecten betreft waarover de vreemdeling tijdens de eerdere asielprocedure uitgebreid en consistent heeft verklaard.

AM

Paragraaf C7/23.5.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

23.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt in ieder geval aan dat in Sierra Leone een vlucht- en vestigingsalternatief aanwezig is voor de volgende categorieën:

  • a. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking; en

  • b. vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging door geheime genootschappen.

Ad a.

De IND beoordeelt, bij vrees voor genitale verminking, per individueel geval, of de aanwezigheid van een vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. Bij een meerderjarige vrouwelijke vreemdeling is hierbij van belang of zij zich aan de controle van haar familie kan onttrekken en hoe zij zich vóór haar vertrek uit Sierra Leone heeft kunnen onttrekken aan de genitale verminking.

De IND verwacht niet van een minderjarige vrouwelijke vreemdeling dat zij zich elders in Sierra Leone vestigt, als zij hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij zij zich eerder aan genitale verminking heeft kunnen onttrekken.

Ad b.

Er is in beginsel sprake van een vlucht- dan wel vestigingsalternatief bij vrees voor een geheim genootschap. De IND beoordeelt per individueel geval of de aanwezigheid van een vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. De IND verwacht niet dat een minderjarige vreemdeling zich elders in Sierra Leone vestigt, als de vreemdeling hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij de vreemdeling zich eerder aan het lidmaatschap van een geheim genootschap heeft kunnen onttrekken.

AN

Het model M106A Vreemdelingencirculaire 2000 wordt toegevoegd en komt te luiden zoals aangegeven in bijlage 1.

AO

Het model M106B Vreemdelingencirculaire 2000 wordt toegevoegd en komt te luiden zoals aangegeven in bijlage 2.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 21 juni 2016

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

BIJLAGE 1

Model M106a: Bevel ingevolge artikel 62a, 1e lid, aanhef en onder b Vw, jo artikel 62a, 3e lid, Vw

BIJLAGE 2

Model M106b: Proces-verbaal van gehoor bij bevel tot terugkeer naar lidstaat van verblijf (artikel 62a Vw)

TOELICHTING

Algemeen

Dit WBV bevat uiteenlopende onderwerpen die hierna artikelsgewijs zijn toegelicht.

Artikelsgewijs

A

In casu betreft het naar een foutieve verwijzing. Het 3e lid gaat over verlenging boven de 180 dagen en niet over de maximale verlenging tot 180 dagen in het geval van bijzondere omstandigheden van toepassing zijn. Verwijzing naar art 3.3. lid 1, onder c Vb is juist.

B

Er doet zich divergerende jurisprudentie voor met betrekking tot de toepassing van de verlengde ophouding op grond van artikel 50, vierde lid, Vw. Zulks is te wijten aan het ontbreken van een nader beleidskader. Middels deze wijziging wordt het toepassen van de verlengde ophouding op grond van artikel 50, vierde lid, Vw nader geregeld.

C

De wijziging van paragraaf B1/4.8 betreft een correctie. In deze paragraaf was een te strikte uitwerking van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb opgenomen. Dit leidde in een aantal gevallen tot een onwenselijke uitvoeringspraktijk.

In de brief van 16 mei 2012 van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (vergaderjaar 2011-2012, 31 549, F) staat dat per geval beoordeeld moet worden of aanleiding bestaat om artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw toe te passen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4 Awb. Er vindt dus altijd een individuele toets plaats.

In dit WBV is het vorenstaande expliciet gemaakt. Tevens wordt inzichtelijk gemaakt welke omstandigheden de IND in ieder geval zal betrekken bij de vraag of de aanvraag op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb zal worden afgewezen.

Het is in beginsel aan de vreemdeling of referent om zelf eventuele bijzondere feiten en omstandigheden aan te voeren en te onderbouwen die van belang zijn voor de beoordeling.

Indien er op zichzelf gezien aanleiding bestaat de afwijzingsgrond tegen te werpen, wordt ook bezien of de afwijzing van de aanvraag geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM.

D, E, F, G, H, I, J, K, N, V, W, X, Y, Z, AA, AB, AC, AH, AI en AK

Bij Besluit van 17 februari 2016 tot ‘wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar’ (stb. 2016, 86) is artikel 3.58 Vb aangepast. Hierdoor waren de verwijzingen in de Vc niet meer correct. Met deze aanpassingen zijn de verwijzingen in de Vc weer in lijn gebracht met het nieuwe artikel 3.58 Vb.

L

Met deze aanpassing wordt tegemoetgekomen aan signalen vanuit het onderwijsveld dat veel postdoctorale opleidingen lopen van begin september tot eind juni. Hierdoor zouden vreemdelingen die een postdoctorale studie hebben afgerond niet in aanmerking komen voor een zoekjaar op grond van artikel 3.42, eerste lid, onder c, Vb omdat deze voorschrijft dat de studie minimaal 12 maanden moet hebben geduurd. Dat is echter niet het beoogde doel geweest van deze regel. Vandaar dat in deze paragraaf een beleidsregel is opgenomen dat ook bij een studie van 10 maanden (feitelijk een academisch jaar) de vreemdeling in aanmerking kan komen voor een zoekjaar op grond van artikel 3.42, eerste lid, onder c, Vb.

M en Q

In deze paragraaf is opgenomen dat kennismigranten een zoekperiode kunnen krijgen van drie maanden om een nieuwe baan als kennismigrant te vinden. De zoekperiode wordt enkel verleend als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning nog niet verstreken is en de kennismigrant werkloos is geworden. Voorheen was het zo dat een zoekperiode alleen verleend werd als de kennismigrant niet-verwijtbaar werkloos werd. Uitvoering hiervan gaf in de praktijk problemen, bij bijvoorbeeld het verlopen van de arbeidsovereenkomst. De huidige aanpassing brengt de tekst in overeenstemming met de tekst zoals opgenomen onder de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, waarmee tevens de uitvoeringsproblemen opgelost worden.

O

De verwijzing naar de bijlage 10 van het VV is komen te vervallen omdat bijlage 10 niet meer bestaat. Met deze aanpassing wordt nu verwezen naar artikel 3.23 VV waarin wordt aangegeven welke buitenlandse onderwijsinstellingen vallen onder artikel 3.42, eerste lid, onderdeel e, Vb.

P

In de Vc is de mogelijkheid van buitenlandse concernoverplaatsingen bij de Europese blauwe kaart opgenomen. De richtlijn Europese blauwe kaart (2009/50/EG) is echter niet van toepassing op buitenlandse concerns. Volgens artikel 5, eerste lid, sub a, van deze richtlijn moet er een arbeidsovereenkomst zijn in de lidstaat van verblijf. In artikel 3.30b Vb is in lijn daarmee bepaald dat de vreemdeling voor de Europese blauwe kaart moet beschikken over een arbeidsovereenkomst met een werkgever in Nederland. Deze omissie wordt nu hersteld. Met de huidige aanpassing in de Vc wordt deze in lijn gebracht met de Richtlijn en het Vb.

R, S, T en U

De oude paragrafen B7/3.7.1, B7/3.7.2 en B7/3.7.3 inzake het pleegkinderenbeleid zijn herschreven. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar een verduidelijking van het beleid.

In de huidige paragraaf B7/3.7.1 is de uitwerking van de criteria ‘onaanvaardbare toekomst’ en‘medische verklaring’, die worden genoemd in artikel 3.28 Vb, opgenomen.

Behalve aan de criteria van artikel 3.28 Vb moet de vreemdeling ook voldoen aan een aantal aanvullende voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het pleegkinderenbeleid. Deze worden genoemd en, voor zover nodig, nader uitgewerkt in paragraaf B7/3.7.2.

De oude paragraaf B7/3.7.3 over de medische verklaring is hiermee komen te vervallen. Paragraaf B7/3.7.4 is daarom vernummerd tot paragraaf B7/3.7.3. In deze paragraaf is bovendien een kleine tekstuele verbetering doorgevoerd.

AD en AG

In paragraaf B9/8.1 wordt de voorwaarde voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1,Vb dat gedurende vijf jaren geen grond voor intrekking is geweest verduidelijkt.

De IND werpt alleen dan een verblijfsgat niet tegen aan de vreemdeling, als aan de in B9/8.1 opgenomen drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. De thans bestaande onduidelijkheid in de uitvoeringspraktijk of een verblijfsgat altijd moet tegengeworpen is hiermee opgelost.

Verder is het beleid met betrekking tot vergunningverlening op grond van artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb verduidelijkt. De bijzondere voorwaarden na verblijf bij een houder van een blauwe kaart stonden abusievelijk in paragraaf B9/8.1, die gaat over algemene verblijfsvoorwaarden. De bijzondere voorwaarden na verblijf bij een houder van een blauwe kaart zijn thans opgenomen in een aparte paragraaf (B9/8.7). De inhoud van het beleid is ongewijzigd gebleven. De algemene verblijfsvoorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijk humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb zijn opgenomen in paragraaf B9/8.1.

AE

In paragraaf B9/8.2, tweede alinea, staat in de zinsnede ‘en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning’ abusievelijk ‘verlenen’ in plaats van ‘verlengen’. Dit is thans verbeterd. Het gaat hier om een verschrijving. In artikel 3.51, achtste lid, aanhef en onder b, Vb staat immers ook ‘verlengen’.

AF

In paragraaf B9/8.6 Vc is een tekstuele wijziging aangebracht.

AJ

De huidige beleidsregels onder het kopje ‘ten laste komen van’ vormen een uitwerking van het arrest Reyes (16 januari 2014, C-423/12). Nadere bestudering van dit arrest heeft echter uitgewezen dat de beleidsregels onredelijk kunnen uitwerken voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb. Ook indien niet aan de in de beleidsregels gestelde voorwaarden wordt voldaan, moet de mogelijkheid worden opengehouden dat deze vreemdelingen desondanks reëel en noodzakelijk materieel worden ondersteund door de burger van de Unie. Door de toevoeging van de woorden ‘in ieder geval’ wordt uitdrukking gegeven aan deze mogelijkheid.

De huidige beleidsregels blijven echter onverkort gelden voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, Vb (de zogenoemde ‘andere familieleden’). Hiermee wordt gebruik gemaakt van de ruime beoordelingsmarge die volgens het HvJEU in het arrest Rahman (5 september 2012, C-83/11) op dit punt aan de lidstaten toekomt.

AK

Bij brief van 8 januari 2016 (Kamerstukken II 2015/16, 30 573, nr. 134) heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wijzigingen in de toelatingsregeling vermogende vreemdelingen (ook wel buitenlandse investeerders) aangekondigd. Het gaat om de volgende aanpassingen:

  • 1. de geldigheidsduur van de eerste verblijfsvergunning wordt verlengd van één naar drie jaar;

  • 2. de accountantsverklaring vervalt;

  • 3. vereenvoudiging van het puntensysteem; en

  • 4. investering in onroerend goed voor bewoning wordt uitgesloten;

In hoofdstuk B11 zijn deze wijzigingen doorgevoerd.

AL

Naar aanleiding van de motie van de leden Gesthuizen en Sjoerdsma (Tweede Kamer 2015–2016, 19637, nr. 2143) wordt het onderdeel C1/2.8.1 Vc De procedure bij voorzienbare inwilliging aangepast. De motie is ingegeven doordat bij de procedure die gevolgd wordt bij een voorzienbare inwilliging, van overheidswege geen gefinancierde rechtsbijstand wordt geboden. Het ontbreken van deze rechtshulp zou in de praktijk kunnen leiden tot een situatie waarin fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het verslag van een gehoor niet tijdig worden opgemerkt.

Derhalve is hiertoe een beleidsregel in deze paragraaf opgenomen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat uit de motie niet voortvloeit dat verklaringen die worden afgelegd tijdens het gehoor in het geheel niet bruikbaar zijn in het kader van vervolgprocedures.

AM

Gebleken is dat het beleid nuancering behoeft voor wat betreft het vlucht- en vestigingsalternatief. Gelet op de landeninformatie over Sierra Leone kan niet zonder meer worden gesteld dat in alle gevallen een vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is. Uit landeninformatie blijkt dat dit op basis van de individuele feiten en omstandigheden moet worden bezien of dit het geval is.

AN en AO

De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, maar wel in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, wordt ingevolge artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b Vw jo artikel 62a, derde lid, Vw opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Bij uitspraak van 17 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4009) heeft de Raad van State geoordeeld dat tegen een dergelijk bevel een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 Awb, en dat hiertegen een rechtsmiddel ingesteld moet kunnen worden. Teneinde invulling te geven aan deze uitspraak zijn de nieuwe modellen M106a en M106b vervaardigd.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, de directeur-generaal Vreemdelingenzaken, K.H.D.M. Dijkhoff