Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2015, 36428Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 oktober 2015, nr. 2015-0000102547, tot wijziging van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW ter uitbreiding van de doelgroep en verlenging van de werkingsduur in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies en artikel 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Besluit:

ARTIKEL I

De Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de aanhef onder lettering van de onderdelen a tot en met d tot onderdelen b tot en met e een onderdeel ingevoegd, luidende:

a. aanvangsleeftijd:

leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, met ingang waarvan een niet verzekerd tijdstip leidt tot een korting op het ouderdomspensioen;.

2. In het eerste lid wordt onder lettering van de onderdelen e tot en met g tot onderdelen g tot en met i een onderdeel ingevoegd, luidende:

f. pensioengerechtigde leeftijd:

leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat;.

3. In het eerste lid wordt in de onderdelen d (nieuw) en g (nieuw) ‘als bedoeld in artikel 4’ vervangen door: als bedoeld in de artikelen 4 en 4a.

4. In het tweede lid wordt ‘eerste lid, onderdeel g’ vervangen door: eerste lid, onderdeel i.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 4. Recht op overbruggingsuitkering vanaf 65 jaar.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘gelijk is aan of lager dan 200%’ vervangen door: gelijk is aan of lager is dan 200%.

C

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a. Uitbreiding recht op overbruggingsuitkering

  • 1. Recht op een overbruggingsuitkering heeft de persoon die minimaal één kalenderjaar vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 1 januari 2013, is verzekerd of verzekerd is geweest op grond van de artikelen 6 en 6a van de AOW, alsmede de persoon, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de AOW, of de persoon, bedoeld in de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 23 april 1985, nr. SZ/SV/VV/85/914, houdende spaarregeling gemoedsbezwaarden ex artikel 48 AOW (Stcrt. 87), indien hij:

    • a. op of na 1 januari 2016 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, en

      hetzij op de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd als hiervoor bedoeld wordt bereikt of de eerste dag van de maand voor of na die dag als gevolg van een in een regeling als bedoeld in artikel 5 genoemde leeftijdsgrens, geen recht meer heeft, of een lager recht heeft op een uitkering die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 reeds is ingegaan op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 dan wel na het bereiken van de volledige duur daarvan, een daarop aansluitende uitkering of uitkeringen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5;

      hetzij als gevolg van een in een regeling als bedoeld in artikel 5 genoemde leeftijdsgrens van 65 jaar, vanaf de pensioengerechtigde leeftijd als hiervoor bedoeld tot de pensioengerechtigde leeftijd geen recht heeft, of een lager recht heeft op een uitkering die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 reeds is ingegaan op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 dan wel na het bereiken van de volledige duur daarvan, een daarop aansluitende uitkering of uitkeringen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5;

    • b. over de zesde kalendermaand voorafgaande aan de maand waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, bereikt, een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager dan 200% van het bruto-minimumloon, of indien hij een echtgenoot heeft, tezamen met die echtgenoot een gezamenlijk inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan 300% van het bruto-minimumloon, en

    • c. op 1 januari van het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, bereikt, een vermogen heeft dat niet meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of indien hij een echtgenoot heeft, tezamen met die echtgenoot een gezamenlijk vermogen heeft dat niet meer bedraagt dan tweemaal dat bedrag.

  • 2. In afwijking van artikel 2 worden voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, niet als inkomen aangemerkt een eenmalige uitkering, een eenmalige tegemoetkoming of een eenmalige vergoeding.

  • 3. Gedeelten van kalenderjaren, na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, waarvoor rechthebbende verzekerd is geweest, worden voor de vaststelling of de rechthebbende minimaal één kalenderjaar verzekerd is geweest als bedoeld in het eerste lid, aanhef, samengesteld en herleid tot gehele kalenderjaren. Artikel 1, derde lid, van de Regeling herleiding gedeelten van kalenderjaren en jaarpremies is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De SVB stelt op verzoek het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vast op het gemiddelde inkomen per maand, gerekend over een periode van de twaalfde tot de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, wordt bereikt.

D

In artikel 5, aanhef, wordt ‘artikel 4, eerste lid, onderdeel a’ vervangen door: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel a, en 4a, eerste lid, onderdeel a.

E

In artikel 9, vijfde lid, wordt ‘de leeftijd van 65 jaar’ telkens vervangen door: de leeftijd van 65 jaar of de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015.

F

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 10. Korting op overbruggingsuitkering vanaf 65 jaar.

2. In het eerste lid wordt ‘de bruto-overbruggingsuitkering’ vervangen door: de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4,.

3. In het tweede lid wordt ‘de bruto-partneruitkering’ vervangen door: de bruto-partneruitkering, bedoeld in artikel 6,.

G

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a. Korting uitbreiding overbruggingsuitkering

  • 1. Op de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4a, wordt, na toepassing van artikel 9, eerste lid, een korting toegepast van 2%:

    • a. voor elk kalenderjaar dat de rechthebbende na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, niet verzekerd is geweest op grond van de artikelen 6 en 6a van de AOW;

    • b. voor elke jaarpremie op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen, die de rechthebbende na het bereiken van de aanvangsleeftijd schuldig nalatig is geweest te betalen als bedoeld in artikel 61 van die wet.

  • 2. Gedeelten van kalenderjaren gedurende welke de rechthebbende in de periode, bedoeld in het eerste lid, niet verzekerd is geweest, worden voor de vaststelling van de korting samengesteld en herleid tot hele kalenderjaren. Op de samenstelling en herleiding is artikel 1, derde en vierde lid, van de Regeling herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Gedeelten van jaarpremies die de rechthebbende schuldig nalatig is geweest te betalen, worden voor de vaststelling van de korting samengesteld en herleid tot gehele jaarpremies.

  • 4. Op de samenstelling, bedoeld in het derde lid, is artikel 2, derde en vierde lid, van de Regeling herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Ten aanzien van de persoon die slechts gedurende een gedeelte van een jaar verzekerd is geweest, is artikel 3 van de Regeling herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies van overeenkomstige toepassing.

H

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 11. Aftopping overbruggingsuitkering vanaf 65 jaar.

2. In het eerste en tweede lid wordt ‘de bruto-overbruggingsuitkering’ vervangen door: de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4,.

3. In het tweede lid wordt ‘het inkomen’ telkens vervangen door: het bruto-inkomen.

I

Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11a. Aftopping uitbreiding overbruggingsuitkering

  • 1. Indien de hoogte van de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4a, vastgesteld op grond van de artikelen 8 tot en met 9 en 10a, meer bedraagt dan het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5, over de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin dit inkomen als gevolg van een in die regeling genoemde leeftijdsgrens, is geëindigd, wordt de hoogte van de overbruggingsuitkering vastgesteld op het lagere bedrag van dat inkomen.

  • 2. Indien de hoogte van de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4a, vastgesteld op grond van de artikelen 8 tot en met 9 en 10a, meer bedraagt dan het verschil tussen het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 over de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin dit inkomen als gevolg van een in die regeling genoemde leeftijdsgrens is verlaagd bestaat en het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 dat is verlaagd als gevolg van een in die regeling genoemde leeftijdsgrens, wordt de overbruggingsuitkering vastgesteld ter hoogte van dat verschil.

J

In artikel 12, eerste lid, wordt ‘Artikel 10, eerste lid, onderdeel a’ vervangen door: De artikelen 10, eerste lid, onderdeel a, en 10a, eerste lid, onderdeel a.

K

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de overbruggingsuitkering’ vervangen door: de overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4,.

2. Over vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4a, gaat in op de dag waarop een rechthebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, bereikt, maar niet eerder dan de dag waarop een uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 eindigt of wordt verlaagd.

3. In het derde lid (nieuw) wordt ‘eerste lid’ vervangen door: eerste en tweede lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘tweede lid’ vervangen door: derde lid.

L

In artikel 24, eerste en tweede lid, wordt ‘bedoeld in artikel 4’ vervangen door: bedoeld in artikel 4 of artikel 4a.

M

In artikel 32, eerste lid, wordt ‘1 januari 2019’ vervangen door: 1 januari 2023.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 13 oktober 2015

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

TOELICHTING

Algemeen

In het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ is opgenomen dat de AOW-leeftijd vanaf 2016 geleidelijk wordt verhoogd naar 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021 en vervolgens gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting.1 Daarmee wordt na 2015 een versnelling aangebracht in het tempo waarmee de AOW-leeftijd wordt verhoogd als gevolg van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP).2

In relatie hiermee is in het regeerakkoord een overgangsmaatregel aangekondigd die er voor zorgt dat mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of vergelijkbare regeling, en zich daarmee niet hebben kunnen voorbereiden op de AOW-leeftijdsverhoging, recht krijgen op een overbruggingsuitkering. Inmiddels is de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) tot stand gekomen en is deze met ingang van 1 oktober 2013 in werking getreden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013.3 De OBR loopt tot 1 januari 2019.

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd in de Tweede Kamer4 zijn twee moties aangenomen die zien op het verlengen en uitbreiden van de OBR. Met onderhavige ministeriële wijzigingsregeling wordt door het kabinet uitvoering gegeven aan beide moties.

Verlengen OBR tot 2023

In de motie van het lid Klaver c.s.5 wordt de regering verzocht de tijdelijke overbruggingsregeling AOW te verlengen tot 1 januari 2023, gelet op de overweging dat er mensen zijn die al per 1 januari 2013 deelnemen aan een regeling voor Vut- of prepensioen die pas na 1 januari 2019 afloopt.

Met artikel I, onderdeel M, van onderhavige regeling wordt de looptijd van de OBR verlengd tot 1 januari 2023. Als gevolg van deze verlenging van de regeling zullen mensen die op 1 januari 2013 reeds deelnamen aan een regeling voor prepensioen, of een vergelijkbare regeling, en die na 1 januari 2019 maar voor 1 januari 2023, de leeftijd van 65 jaar bereiken, ook onder de werkingssfeer van de OBR vallen. Indien zij op dat moment aan de overige voorwaarden van de regeling voldoen kunnen zij een beroep doen op een overbruggingsuitkering die de periode vanaf 65 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd zal overbruggen.

Naar verwachting zullen in de periode 2019–2022 als gevolg van deze verlenging circa 3.800 extra personen gebruik gaan maken van de OBR en zal hier cumulatief een bedrag van € 47 miljoen aan uitkeringslasten mee zijn gemoeid.

Uitbreiden OBR

In de motie van het lid Heerma c.s.6 wordt de regering verzocht de overbruggingsregeling AOW, voor wat betreft de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd ook open te stellen voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met Vut- of prepensioen zijn gegaan. Overweging hierbij is dat ook mensen die na 1 januari 2013 zijn gaan deelnemen aan een Vut- of prepensioenregeling, gebruik moeten kunnen maken van de OBR, omdat ook zij geconfronteerd worden met een inkomensgat, waarop zij niet hadden kunnen anticiperen als de einddatum van hun vroegpensioenregeling is gebaseerd op de eerder geldende AOW-leeftijd.

Met artikel I, onderdeel C, van onderhavige regeling wordt de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. Als gevolg van deze maatregel worden mensen die na 1 januari 2013 maar voor 1 juli 2015 zijn gaan deelnemen aan een regeling voor prepensioen, of een vergelijkbare regeling, ook onder de werkingssfeer van de OBR gebracht. Indien zij op dat moment ook aan de overige voorwaarden van de regeling voldoen biedt de uitgebreide OBR voor deze doelgroep een overbrugging voor de periode die is gelegen tussen de huidige AOW-leeftijd, zoals die met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) thans is vastgelegd in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet en de verhoogde AOW-leeftijd zoals deze met de wet versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2016 gaat gelden. De uitgebreide overbruggingsuitkering overbrugt voor deze groep dus alleen het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd. Onderstaande tabel laat per leeftijdscategorie zien vanaf welke leeftijd voor deze ouderen recht op de uitgebreide OBR gaat ontstaan en hoeveel maanden betrokken recht krijgen op de uitgebreide OBR indien ook aan de andere voorwaarden is voldaan.

Doelgroep uitgebreide OBR

betreft personen tussen 1/1/2013 en 1/7/2015 met prepensioen gegaan en geboren

AOW-leeftijd op grond van Wet VAP

Startdatum OBR

AOW-leeftijd op grond van wet versnellen stapsgewijze verhoging AOW-leeftijd

Looptijd uitgebreide OBR

na 30-09-1950 en voor 01-07-1951

65+5 maanden

65+6 maanden

1

na 30-06-1951 en voor 01-08-1951

65+5 maanden

65+9 maanden

4

na 31-07-1951 en voor 01-04-1952

65+7 maanden

65+9 maanden

2

na 31-03-1952 en voor 01-06-1952

65+7 maanden

66 jaar

5

na 31-05-1952 en voor 01-01-1953

65+9 maanden

66 jaar

3

na 31-12-1952 en voor 01-04-1953

65+9 maanden

66+4 maanden

7

na 31-03-1953 en voor 01-09-1953

66 jaar

66+4 maanden

4

na 31-08-1953 en voor 01-01-1954

66 jaar

66+8 maanden

8

na 31-12-1953 en voor 01-05-1954

66+3 maanden

66+8 maanden

5

na 30-04-1954 en voor 01-10-1954

66+3 maanden

67 jaar

9

na 30-09-1954 en voor 01-01-1955

66+6 maanden

67 jaar

6

na 31-12-1954 en voor 01-07-1955

66+6 maanden

*

*

na 30-06-1955 en voor 01-04-1956

66+9 maanden

*

*

Naar verwachting zullen in de periode 2019-2022 als gevolg van deze verruimde openstelling circa 4.500 extra personen gebruik gaan maken van de uitgebreide OBR en zal hier cumulatief een bedrag van € 3,8 miljoen aan uitkeringslasten mee zijn gemoeid.

Tabel 1: Gevolgen uitkeringslasten uitbreiding OBR

x € 1 mln

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Cum.

Verlengen OBR tot 2023

     

3

10

12

11

8

3

47

OBR voor mensen met vroegpensioen tot 1-7-2015

0,3

0,6

0,8

0,8

0,6

0,5

0,3

   

3,8

Totaal

0,3

0,6

0,8

4

11

13

11

8

3

51

Ontvangen commentaar

De Sociale verzekeringsbank (SVB) acht de regeling uitvoerbaar. Wel kunnen de nieuwe aanpassingen aan de overbruggingsregeling leiden tot een toename van de complexiteit in de uitvoering en naar verwachting tot een (tijdelijke) verlaging van de rechtmatigheidscijfers, waarbij dit geen invloed heeft op de algemene SUWI-norm van 99%.

Daarnaast heeft de SVB aandacht gevraagd voor de communicatie rond de overbruggingsregeling richting uitvoerders van vroegpensioenregelingen en gemeentelijke sociale diensten. De SVB geeft aan dat zij, gelet op de motie de Boer (Kamerstukken I, 2014/15, 34 083, G), aandacht zal besteden aan de voorlichting voor mensen die naast het recht op een overbruggingsuitkering, mogelijk recht op een uitkering op grond van de Participatiewet hebben. Dit zal gebeuren via de website van de SVB en de wizard, maar ook in de brieven en beschikkingen.

De eenmalige uitvoeringskosten worden geraamd op € 160.000. Daarnaast nemen de uitvoeringskosten in 2016 toe met € 218.000 als gevolg van de uitbreiding van de overbruggingsregeling. In 2019 nemen de uitvoeringskosten met ongeveer hetzelfde bedrag toe als gevolg van de verlenging van de regeling.

De SVB heeft daarnaast nog een aantal juridische opmerkingen gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat de regeling en de toelichting op de regeling op enkele punten zijn verduidelijkt.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A (artikel 1), D (artikel 5) en L (artikel 24)

De wijziging in de onderdelen A, onder 3, D en L betreffen technische aanpassingen die voortvloeien uit de uitbreiding van de regeling met een nieuwe doelgroep door invoeging van een nieuw artikel 4a.

De wijziging in onderdeel A, onder 1 en 2, betreft opname van een tweetal nieuwe definities. Het gaat om het nader omschrijven van de begrippen ‘aanvangsleeftijd’ en ‘pensioengerechtigde leeftijd’. Het begrip ‘aanvangsleeftijd’ wordt in de OBR al gebruikt in de artikelen 4, derde lid, en 10. Het begrip wordt ook gebruikt in de nieuwe artikelen 4a, derde lid, en 10a, eerste lid. Het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ wordt al gebruikt in de artikelen 6, eerste lid, 9, zesde lid, en 15, vierde lid. Het begrip komt ook voor in de ingevoegde nieuwe artikelen 4a, 10a en 11a. Omdat is gedoeld op de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd als gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdelen h en i, van de Algemene Ouderdomswet worden de begrippen thans op gelijke wijze als in de AOW omschreven.

Onderdeel B (artikel 4)

Het opschrift van artikel 4 is aangepast om te verduidelijken dat het nieuw ingevoegde artikel 4a een andere doelgroep betreft dan het bestaande artikel 4.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het eerste lid, onderdeel b, een kleine redactionele omissie te herstellen.

Onderdeel C (artikel 4a)

Dit onderdeel voorziet in het invoegen van een nieuw artikel waarmee de OBR wordt uitgebreid met twee nieuwe groepen rechthebbenden.

Ten eerste betreft dit de personen die na 1 januari 2013 maar voor 1 juli 2015 zijn gaan deelnemen aan een regeling voor prepensioen of een daarmee vergelijkbare regeling en die door de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd geconfronteerd worden met een AOW-gat, omdat de regeling voor prepensioen of de daarmee vergelijkbare regeling uitgaat van de bestaande AOW-leeftijd, terwijl die AOW-leeftijd als gevolg van de versnelling inmiddels is verhoogd. De gewijzigde OBR biedt aan deze personen een overbruggingsuitkering voor de periode dat de uitkering op grond van de prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling is gestopt omdat de voor 1 januari 2016 geldende AOW-leeftijd is bereikt en het AOW-ouderdomspensioen nog niet is ingegaan, omdat de per 1 januari 2016 verhoogde AOW-leeftijd nog niet is bereikt. Er is voor gekozen de doelgroep af te bakenen tot de personen die na 1 januari 2013 maar voor 1 juli 2015 zijn gaan deelnemen aan een regeling voor prepensioen of een daarmee vergelijkbare regeling. Omdat de verhoging van de AOW-leeftijd is ingegaan per 1 januari 2013 konden personen die na dat tijdstip gingen deelnemen aan een prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling bij de keuze van die regeling rekening houden met die leeftijdsverhoging en een regeling kiezen die recht op een uitkering geeft tot aan het bereiken van de verhoogde AOW-leeftijd. Verder moet het gaan om personen die voor 1 juli 2015 zijn gaan deelnemen aan een prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling. Immers de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd is eind juni 2015 tot stand gekomen en gepubliceerd in het Staatsblad, zodat personen die vanaf die datum zijn gaan deelnemen aan een prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling rekening kunnen houden met de versnelling in de verhoging van de AOW-leeftijd.

Ten tweede betreft dit de personen die na 1 januari 2013 maar voor 1 juli 2015 zijn gaan deelnemen aan een regeling voor prepensioen of een daarmee vergelijkbare regeling en die door de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd geconfronteerd worden met een AOW-gat, omdat de regeling voor prepensioen of de daarmee vergelijkbare regeling uitgaat van de leeftijd van 65 jaar, en de door hen te overbruggen periode tot aan de pensioengerechtigde leeftijd als gevolg van de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd langer is dan zij hadden kunnen voorzien toen zij aan de regeling gingen deelnemen. De gewijzigde OBR biedt aan deze personen geen overbruggingsuitkering voor de gehele periode dat de uitkering op grond van de prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling is gestopt omdat de leeftijd van 65 jaar is bereikt en het AOW-ouderdomspensioen nog niet is bereikt, maar alleen voor de periode tussen de AOW-leeftijd, zoals die voor 1 januari 2016 was vastgesteld en de per 1 januari 2016 versneld verhoogde AOW-leeftijd. Immers deze personen zijn na 1 januari 2013 gaan deelnemen aan een regeling voor prepensioen of een daarmee vergelijkbare regeling die uitgaat van de leeftijd van 65 jaar en konden dus voorzien dat de uitkering op grond van die regeling zou stoppen voordat de verhoogde AOW-leeftijd zou zijn bereikt. Echter deze personen konden bij deelname aan de regeling voor prepensioen of een daarmee vergelijkbare regeling niet voorzien dat de AOW-leeftijd versneld zou worden verhoogd en dat de periode vanaf 65 jaar tot aan de AOW-leeftijd zou worden verlengd.

Onderdeel E (artikel 9)

Dit onderdeel voorziet in een wijziging van artikel 9, vijfde lid, die noodzakelijk is in verband met de invoeging van een nieuw artikel 4a. Artikel 9, vijfde lid, heeft betrekking op de berekening van het bruto-minimumloon in gebroken kalendermaanden. Daarvan is niet alleen sprake in de maand waarin de rechthebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, maar na de uitbreiding van de doelgroep door invoeging van het nieuwe artikel 4a, ook in de maand waarin de rechthebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, bedoeld in artikel 7a, van de AOW, zoals dat artikel luidde voor de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd, bijvoorbeeld bij het bereiken op of na 1 januari 2016 van de AOW-leeftijd van 65 jaar en vijf maanden.

Onderdelen F en G (artikelen 10 en 10a)

In verband met de uitbreiding van de doelgroep door de invoeging van het nieuwe artikel 4a is het noodzakelijk een nieuw artikel 10a in te voegen met betrekking tot het toepassen ten aanzien van de nieuwe doelgroep van een korting op de overbruggingsuitkering voor niet verzekerde kalenderjaren. Om te verduidelijken dat artikel 10 betrekking heeft op het toepassen van de korting op de overbruggingsuitkering voor de bestaande doelgroep is ook dat artikel aangepast.

Onderdelen H en I (artikelen 11 en 11a)

In verband met de uitbreiding van de doelgroep door de invoeging van het nieuwe artikel 4a is het noodzakelijk een nieuw artikel 11a in te voegen met betrekking tot de aftopping van de overbruggingsuitkering indien deze hoger zou worden vastgesteld dan het inkomen van de rechthebbende op grond van de prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling of hoger dan het verschil tussen het inkomen van de rechthebbende of grond van de prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling en het verlaagde inkomen van de rechthebbende op grond van de prepensioen- of daarmee vergelijkbare regeling. Anders dan in artikel 11 wordt in het nieuwe artikel 11a bij de aftopping van de overbruggingsregeling voor de nieuwe doelgroep niet uitgegaan van het bruto-inkomen van de rechthebbende op grond van een prepensioenregeling over de (zesde) kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de rechthebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel luidde op 18 juni 2015, bereikt, maar van het bruto-inkomen over de kalendermaand, direct voorafgaande aan de kalendermaand waarin als gevolg van een in de prepensioenregeling genoemde leeftijdgrens geen recht meer op dat inkomen bestaat.

Om te verduidelijken dat artikel 11 betrekking heeft op de aftopping van de overbruggingsuitkering voor de bestaande doelgroep is ook dat artikel aangepast.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om te verduidelijken dat het in artikel 11, tweede lid, net als in het eerste lid, gaat om het bruto-inkomen.

Onderdeel J (artikel 12)

De wijziging van artikel 12 betreft een noodzakelijke technische aanpassing die samenhangt met de invoeging van een nieuw artikel 10a.

Onderdeel K (artikel 15)

De uitbreiding van de OBR met een nieuwe doelgroep impliceert dat ook voor die nieuwe doelgroep moet worden bepaald wanneer de overbruggingsuitkering ingaat. Dit wordt gerealiseerd door invoeging in artikel 15 van een nieuw tweede lid. Dit nieuwe tweede lid bepaalt dat de overbruggingsuitkering voor gerechtigden die behoren tot de nieuwe doelgroep ingaat op de dag waarop de rechthebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, zoals die voor hem gold voor de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd per 1 januari 2016.

Onderdeel M (artikel 32)

In artikel 32 is vastgelegd dat de OBR met ingang van 1 januari 2019 vervalt. Met deze wijziging wordt het tijdstip van vervallen van de OBR gewijzigd in 1 januari 2023 waarmee de werkingsduur van de OBR met vier jaar wordt verlengd.

Artikel II

Deze regeling hangt samen met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd, zoals geregeld in artikel I van de wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en Overige fiscale maatregelen 2013 in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW leeftijd (Stb. 2015, 218). Bedoeld artikel I is in werking getreden met ingang van 19 juni 2015. Omdat er eerst recht op overbruggingsuitkering op grond van deze wijzigingsregeling kan ontstaan voor personen die op of na 1 januari 2016 de AOW-leeftijd bereiken zoals die gold voor 19 juni 2015 treedt de onderhavige regeling met ingang van 1 januari 2016 in werking.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken II, 2012/13, 33 410, nr. 15, p. 9.

X Noot
2

Stb. 2012, 328, zie voor de parlementaire behandeling Kamerstukken II 2011/12, 33 290.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2014/15, 34 083.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2014/15, 34 083, nr. 14.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2014/15, 34 083, nr. 13.