Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2015, 30873Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 september 2015, nr. IENM/BSK-2015/183974, houdende vaststelling van nieuwe regels voor bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 517/2014 van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van 16 september 2009 betreffende ozonlaagafbrekende stoffen (Regeling gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PbEU L 150), Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende ozonlaag afbrekende stoffen (herschikking) (PbEU L 286) en de artikelen 6, derde en vierde lid, 9, derde en vierde lid, 11, tweede lid, 12, eerste lid, onder g, en tweede lid, en 14, vijfde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen;

BESLUIT:

§ 1. Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. apparatuur:

apparatuur, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, en 8, eerste en derde lid, eerste alinea, van de F-gassenverordening, de klimaatregelingssystemen, bedoeld in artikel 8, derde lid, tweede en derde alinea, van de F-gassenverordening en de apparatuur, systemen en apparaten, bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 23, tweede lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen;

b. besluit:

Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen;

c. BRL 100:

Beoordelingsrichtlijn voor het certificaat f-gassen voor ondernemingen, Rijkswaterstaat, versie 1.0;

d. BRL 200:

Beoordelingsrichtlijn voor het certificaat f-gassen voor natuurlijke personen, Rijkswaterstaat, versie 1.0;

e. certificaat:

certificaat, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, en artikel 9, eerste en tweede lid, van het besluit;

f. exploitant:

exploitant, bedoeld in artikel 2, achtste lid, van de F-gassenverordening of onderneming, bedoeld in artikel 3, zesentwintigste lid, aanhef en onder e, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen;

g. gereguleerde stoffen:

stoffen, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen;

h. instelling:

instelling als bedoeld in artikel 10 van het besluit, aan wie een erkenning is verleend;

i. minister:

Minister van Infrastructuur en Milieu;

j. werkzaamheid:

activiteit als bedoeld in de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, van het besluit.

§ 2. Certificering van natuurlijke personen en ondernemingen

Artikel 2 Eisen voor het verkrijgen en behouden van een certificaat

  • 1. De eisen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, onder a, en 9, derde lid, onder a, van het besluit, waaraan een natuurlijk persoon of onderneming moet voldoen voor het verkrijgen, respectievelijk het verkrijgen en behouden van een certificaat, zijn de eisen, opgenomen in de desbetreffende onderdelen van de BRL 200, onderscheidenlijk de BRL 100.

  • 2. Een natuurlijk persoon of onderneming die een certificaat wil verkrijgen of de onderneming die het verleende certificaat wil behouden, verleent aan de instelling alle medewerking die deze redelijkerwijs nodig heeft voor de beoordeling of aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan.

Artikel 3 Gegevens op een certificaat

Een certificaat vermeldt ten minste:

  • a. de naam van de instelling die het certificaat verleent en de naam van de natuurlijk persoon of onderneming aan wie het certificaat wordt afgegeven;

  • b. als het certificaat wordt afgegeven aan een natuurlijk persoon: de geboortedatum van de natuurlijk persoon;

  • c. als het certificaat wordt afgegeven aan een onderneming: het adres en de vestigingsplaats waar de onderneming zetelt;

  • d. een door de instelling afgegeven registratienummer;

  • d. een of meerdere werkzaamheden waarvoor het certificaat wordt afgegeven;

  • e. de apparatuur waarvoor de natuurlijk persoon of onderneming bevoegd is een werkzaamheid te verrichten, en

  • f. de datum van afgifte en de ondertekening door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger van de instelling.

Artikel 4 Verlening van certificaten

Een instelling verleent een certificaat aan de natuurlijk persoon of de onderneming die naar het oordeel van de instelling voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in de desbetreffende onderdelen van de BRL 200, onderscheidenlijk de BRL 100, voor het verkrijgen van een certificaat.

Artikel 5 Schorsing en intrekking van certificaten

  • 1. Onverminderd artikel 14, vierde lid, van het besluit schorst een instelling het certificaat van een onderneming of trekt deze in, als:

    • a. de instelling heeft vastgesteld dat de onderneming niet of niet langer voldoet aan artikel 2, en de instelling geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft dat de onderneming binnen afzienbare tijd daaraan kan of wil voldoen;

    • b. de onderneming in staat van faillissement verkeert, of

    • c. de onderneming een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan.

  • 2. Als het certificaat is geschorst, stelt de instelling de periode vast gedurende welke de onderneming de gelegenheid krijgt om volledig aan artikel 2 te voldoen. Indien de onderneming naar het oordeel van de instelling binnen de vastgestelde periode daaraan voldoet, heft de instelling de schorsing op.

  • 3. Als de onderneming niet binnen de vastgestelde periode volledig aan artikel 2 voldoet, trekt de instelling het certificaat in.

  • 4. De natuurlijk persoon van wie het certificaat is ingetrokken naar aanleiding van een aanwijzing van de minister op grond van artikel 14, vierde lid, van het besluit of de onderneming van wie het certificaat is ingetrokken, levert dit per ommegaande in bij de instelling die het certificaat heeft verleend.

  • 5. De onderneming van wie het certificaat is ingetrokken, informeert onmiddellijk de exploitanten waarvoor die onderneming werkzaamheden heeft verricht, over de intrekking van het certificaat.

§ 3 Verplichtingen voor exploitanten

Artikel 6 Lekkagedetectie en bewaren van informatie

  • 1. De exploitant draagt er zorg voor dat een lekkagedetectiesysteem, waarvan apparatuur is voorzien, ten minste eens per twaalf maanden wordt gecontroleerd op meetnauwkeurigheid, juiste werking van het alarm en correcte plaatsing van de lekdetectoren.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde controles worden verricht door een natuurlijk persoon die voor de desbetreffende apparatuur beschikt over een certificaat voor de controle op lekkage als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de F-gassenverordening of artikel 23, tweede lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 3. Als tijdens een in het eerste lid bedoelde controle een afwijking wordt geconstateerd, laat de exploitant dit onmiddellijk herstellen door een natuurlijk persoon als bedoeld in het tweede lid.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, wordt een lekkagedetectiesysteem, waarvan een elektrische schakelinrichting is voorzien, eens per zes jaar gecontroleerd.

  • 5. De onderneming, bedoeld in artikel 3, zesentwintigste lid, aanhef en onder e, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen bewaart de informatie als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen ten minste vijf jaar.

§ 4 Erkenning van instellingen

Artikel 7 Aanvraag

De aanvraag voor verlening van een erkenning van een instelling of wijziging daarvan wordt ingediend door middel van het daarvoor bestemde formulier dat verkrijgbaar is vanaf de website van Rijkswaterstaat.

§ 5 Eisen aan en verplichtingen voor instellingen

Artikel 8 Onafhankelijkheid en onpartijdigheid

  • 1. Een instelling is onpartijdig en onafhankelijk ten opzichte van de natuurlijk persoon en de onderneming die zij beoordeelt op het voldoen aan artikel 2.

  • 2. Een instelling die natuurlijke personen certificeert, is onafhankelijk ten opzichte van de organisatie die de natuurlijk persoon heeft opgeleid als voorbereiding op het examen dat wordt afgelegd ter verkrijging van een certificaat.

Artikel 9 Verplichtingen

  • 1. Een instelling die natuurlijke personen certificeert:

    • a. biedt ten minste twee maal per jaar de mogelijkheid een examen ter verkrijging van een certificaat af te leggen en geeft daar voorlichting over en bekendheid aan;

    • b. stelt de resultaten van afgelegde examens uiterlijk binnen drie weken na afname van het examen vast;

    • c. meldt aan de minister zo spoedig mogelijk van iedere gecertificeerde persoon de gegevens die zijn benodigd voor de registratie als bedoeld in artikel 12;

    • d. neemt afdoende maatregelen om fraude voor, tijdens en na het examen te voorkomen;

    • e. voldoet aan de eisen die zijn gesteld in de BRL 200 en neemt bij de uitvoering van haar werkzaamheden die BRL in acht;

    • f. meldt onverwijld aan de minister als zij niet meer voldoet aan de aan haar bij het besluit of deze regeling gestelde eisen;

    • g. verstrekt de minister uiterlijk op 1 april van ieder jaar een met inachtneming van bijlage 1 bij deze regeling opgesteld jaarverslag waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan haar verplichtingen ingevolge het besluit en deze regeling.

  • 2. Een instelling die ondernemingen certificeert:

    • a. is op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17065 en voor de BRL 100 geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie, bedoeld in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, of een andere bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt;

    • b. voldoet aan de eisen die zijn gesteld in de BRL 100 en neemt bij de uitvoering van haar werkzaamheden die BRL in acht;

    • c. meldt aan de minister van iedere gecertificeerde onderneming zo spoedig mogelijk de gegevens die zijn benodigd voor de registratie als bedoeld in artikel 12, en de schorsingen en de intrekkingen van certificaten;

    • d. meldt onverwijld aan de minister als zij niet meer voldoet aan de aan haar bij het besluit of deze regeling gestelde eisen;

    • e. verstrekt de minister uiterlijk op 1 april van ieder jaar een met inachtneming van bijlage 2 bij deze regeling opgesteld jaarverslag waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop zij in het voorafgaande kalenderjaar uitvoering heeft gegeven aan het besluit en deze regeling.

  • 3. De instelling die voldoet aan het tweede lid, onder a, geldt als tevens te voldoen aan het tweede lid, onder b, artikel 8, eerste lid, en artikel 10, tweede lid.

Artikel 10 Eisen aan het personeel van de instelling

  • 1. Een instelling die natuurlijke personen certificeert, laat alleen beoordelingen op het voldoen aan artikel 2 uitvoeren door personeel dat:

    • a. kennis heeft van en ervaring met relevante examenmethoden en examendocumenten;

    • b. onpartijdig en onafhankelijk is ten opzichte van de geëxamineerde, de onderneming waarvoor deze werkzaam is en de organisatie die de geëxamineerde heeft opgeleid;

    • c. relevante kennis heeft van wet- en regelgeving op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen;

    • d. door opleiding en ervaring verkregen kennis heeft van de materie die wordt geëxamineerd;

    • e. voldoet aan de overige eisen die zijn gesteld in de BRL 200.

  • 2. Een instelling die ondernemingen certificeert, laat alleen beoordelingen op het voldoen aan artikel 2 uitvoeren door personeel dat:

    • a. kennis heeft van en ervaring heeft met inspectie van processen;

    • b. onpartijdig en onafhankelijk is ten opzichte van de onderneming die wordt beoordeeld op het voldoen aan artikel 2;

    • c. aantoonbaar bedrijfskundig inzicht heeft in en kennis heeft van administratieve en organisatorische procedures;

    • d. relevante kennis heeft van wet- en regelgeving op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen;

    • e. door opleiding of ervaring verkregen kennis heeft van de materie die wordt beoordeeld;

    • f. voldoet aan overige eisen die zijn gesteld in de BRL 200.

Artikel 11 Bewaren en opvragen van gegevens

  • 1. Een instelling die natuurlijke personen certificeert, bewaart:

    • a. de gegevens over de door haar gecertificeerde natuurlijke personen;

    • b. afschriften van verstrekte certificaten;

    • c. de resultaten van afgelegde examens.

  • 2. Een instelling die ondernemingen certificeert, bewaart:

    • a. de gegevens over de door haar gecertificeerde ondernemingen;

    • b. afschriften van verstrekte certificaten;

    • c. de resultaten van uitgevoerde beoordelingen;

    • d. de gegevens over geschorste en ingetrokken certificaten.

Artikel 12 Registreren van gecertificeerde personen en ondernemingen

  • 1. De minister registreert op een voor een ieder toegankelijke website:

    • a. de natuurlijke personen en ondernemingen die beschikken over certificaten die zijn verleend door een instelling;

    • b. de gegevens als bedoeld in artikel 3.

  • 2. De minister beheert de registratie als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De minister is voor de registratie de verantwoordelijke als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

§ 6 Slotbepalingen

Artikel 13 Overgangsbepaling

Op een bedrijfscertificaat als bedoeld in artikel 18, derde lid, van het besluit blijft artikel 21 van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties, onderscheidenlijk artikel 22 van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssytemen, zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaande aan inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip dat het besluit in werking treedt, met uitzondering van artikel 9, tweede lid, onder a, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2018.

Artikel 15 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 9, EERSTE LID, ONDER A

Jaarverslag van de instelling die natuurlijke personen certificeert

Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:

  • 1. Een algemene beschrijving van de activiteiten van de instelling.

  • 2. Ten aanzien van het beschreven kalenderjaar:

    • a. het totaal aantal deelnemers aan de examens, uitgesplitst naar de werkzaamheden waarvoor de examens zijn afgelegd;

    • b. het aantal afgegeven certificaten.

  • 3. Een overzicht van de werkzame examinatoren.

  • 4. De resultaten van de interne controles en evaluaties in verband met de uitvoering van de regeling in het beschreven kalenderjaar.

  • 5. Het aantal ontvangen klachten evenals de aard hiervan, de wijze waarop deze zijn afgehandeld en het aantal gegrond verklaarde klachten in het beschreven kalenderjaar.

  • 6. Het aantal en de aard van de ontvangen bezwaren evenals de korte inhoud van de ter zake genomen besluiten in het beschreven kalenderjaar.

BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 9, TWEEDE LID, ONDER A

Jaarverslag van de instelling die ondernemingen certificeert

Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:

  • 1. Een algemene beschrijving van de activiteiten van de instelling.

  • 2. Ten aanzien van het beschreven kalenderjaar:

    • a. het aantal afgegeven certificaten;

    • b. het totaal aantal in het register opgenomen ondernemingen per 31 december van het beschreven kalenderjaar;

    • c. het aantal en de resultaten van de toelatingsonderzoeken en inspecties in het beschreven kalenderjaar, inclusief de aanvullende beoordelingen;

    • d. het aantal geschorste en ingetrokken certificaten alsmede de redenen van schorsing, onderscheidenlijk intrekking.

  • 3. Een overzicht van het direct bij de certificering betrokken personeel.

  • 4. De resultaten van de interne controles en evaluaties in verband met de uitvoering van de regeling in het beschreven kalenderjaar.

  • 5. Het aantal ontvangen klachten evenals de aard hiervan, de wijze waarop deze zijn afgehandeld en het aantal gegrond verklaarde klachten in het beschreven kalenderjaar.

  • 6. Het aantal en de aard van de ontvangen bezwaren evenals de korte inhoud van de ter zake genomen besluiten in het beschreven kalenderjaar.

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

In de onderhavige regeling (hierna: de regeling) wordt uitvoering gegeven aan het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen (hierna: het besluit). De regeling bevat eisen voor de certificering van natuurlijke personen en ondernemingen die werkzaamheden verrichten aan apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat. Omdat in de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen de term gereguleerde stoffen wordt gehanteerd, is er voor gekozen die term ook te gebruiken in deze regeling. Deze regeling vervangt de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties, de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen en de Regeling gefluoreerde broeikasgassen hoogspanningsschakelaars die – evenals de Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen – van rechtswege zijn vervallen als gevolg van de intrekking van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer, het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen en het Besluit broeikasgassen in apparatuur op schepen milieubeheer.

Het besluit en de regeling strekken ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (hierna: F-gassenverordening), Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende ozonlaagafbrekende stoffen (hierna: Verordening ozonlaagafbrekende stoffen) en een aantal andere uitvoeringsverordeningen die in de nota van toelichting bij het besluit zijn opgesomd. Laatstgenoemde verordeningen betreffen met name de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel.

Verordeningen zijn verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten van de Europese Unie. Om een volledige en werkelijke toepassing van de verordeningen in de Nederlandse rechtsorde te verwezenlijken, is een aantal uitvoeringsbepalingen in de nationale regelgeving noodzakelijk. De verordeningen bevatten diverse bepalingen die de lidstaten keuzemogelijkheden laten of die geconcretiseerd moeten worden in het nationale recht. Het besluit en de regeling strekken hier toe.

2. Inhoud van de regeling

2.1 Reikwijdte

Op basis van de F-gassenverordening en het besluit moeten natuurlijke personen voor het verrichten van de volgende werkzaamheden zijn gecertificeerd:

  • 1. installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling van stationaire koelapparatuur, stationaire klimaatregelingsapparatuur, stationaire warmtepompen, stationaire brandbeveiligingsapparatuur, koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens en elektrische schakelinrichtingen;

  • 2. lekkagecontrole bij de apparatuur genoemd onder 1, met uitzondering van elektrische schakelinrichtingen;

  • 3. terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur genoemd onder 1, klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen1 en mobiele apparatuur.

Voor het terugwinnen van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en mobiele apparatuur stelt de F-gassenverordening geen certificaat verplicht. De F-gassenverordening bepaalt alleen dat het terugwinnen moet worden uitgevoerd door natuurlijke personen die over passende kwalificaties beschikken. Voor terugwinning bij motorvoertuigen die binnen het toepassingsgebied van richtlijn 2006/40/EG2 vallen, worden uitsluitend personen die houder zijn van ten minste een opleidingsgetuigschrift beschouwd als personen die over passende kwalificaties beschikken (zie artikel 8, derde lid, van de F-gassenverordening). Op grond van het besluit worden alleen personen die zijn gecertificeerd door een daartoe erkende instelling aangemerkt als personen die over passende kwalificaties beschikken. Dus ook voor het terugwinnen van gefluoreerde broeikasgassen uit mobiele apparatuur en klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen die zowel onder richtlijn 2006/40/EG vallen als daar buiten, is een certificaat voor natuurlijke personen verplicht.

Op basis van de F-gassenverordening moeten ondernemingen voor de volgende werkzaamheden beschikken over een certificaat: installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling van stationaire koelapparatuur, stationaire klimaatregelingsapparatuur, stationaire warmtepompen en stationaire brandbeveiligingsapparatuur.

De Verordening ozonlaagafbrekende stoffen stelt geen certificaat verplicht voor natuurlijke personen en ondernemingen die werkzaamheden aan apparatuur verrichten waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast. Wel bepaalt deze verordening dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om de terugwinning, recycling, regeneratie en vernietiging van gereguleerde stoffen te bevorderen. Ook moeten de lidstaten de minimumeisen vaststellen voor de kwalificatie van het betrokken personeel (artikel 22, vijfde lid van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen). Ook voor de personen die lekkagecontroles uitvoeren bij koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur of brandbeveiligingssystemen, waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast, moeten de lidstaten de minimumeisen voor de kwalificatie vaststellen. In het besluit en in de onderhavige regeling zijn deze minimumeisen voor de kwalificatie vastgelegd in de vorm van een verplicht certificaat voor zowel natuurlijke personen als ondernemingen. Daarmee gelden ten aanzien van apparatuur waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast dezelfde certificeringsverplichtingen als voor apparatuur waarin gefluoreerde broeikasgassen zijn toegepast. Dat geldt voor zowel de natuurlijke personen als de ondernemingen. In de oude regelgeving was er reeds sprake van een zodanige gelijkstelling.

Hieronder is schematisch weergeven voor welke werkzaamheden en apparatuur natuurlijke personen of ondernemingen een certificaat moeten hebben.

Apparatuur

Werkzaamheden

Certificaat voor

Stationaire koelapparatuur, klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen

Installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling

Natuurlijk persoon en onderneming

Lekkagecontrole

Natuurlijk persoon

Terugwinning

Natuurlijk persoon

Stationaire brandbeveiligingsapparatuur

Installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling

Natuurlijk persoon en onderneming

Lekkagecontrole

Natuurlijk persoon

Terugwinning

Natuurlijk persoon

Koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens

Installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling

Natuurlijk persoon

Lekkagecontrole

Natuurlijk persoon

Terugwinning

Natuurlijk persoon

Elektrische schakelinrichtingen

Installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling

Natuurlijk persoon

Terugwinning

Natuurlijk persoon

Stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat

Terugwinning

Natuurlijk persoon

Mobiele apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat

Terugwinning

Natuurlijk persoon

Klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen1

Terugwinning

Natuurlijk persoon

X Noot
1

Daarbij gaat het zowel om motorvoertuigen die onder Richtlijn 2006/40/EG vallen als de motorvoertuigen die buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen (zie artikel 8, derde lid, van de F-gassenverordening).

2.2 Certificering

Certificaten worden afgegeven door instellingen die daartoe beschikken over een erkenning. Die erkenning wordt verleend door de Minister van Infrastructuur en Milieu. Voor het afgeven van certificaten zijn deze instellingen gebonden aan de richtlijnen die zijn opgenomen in BRL 100 (voor de certificering van ondernemingen) en BRL 200 (voor de certificering van personen). In deze door Rijkswaterstaat uitgegeven beoordelingsrichtlijnen zijn de eisen opgenomen waaraan ondernemingen en natuurlijke personen moeten voldoen om een certificaat te verkrijgen. De eisen uit de BRL 200 sluiten aan op de minimumeisen die zijn opgenomen in een aantal uitvoeringsverordeningen, te weten de Verordeningen met de nummers 303/2008, 304/2008, 305/2008, 306/2008 en 307/2008 (zie de nota van toelichting bij het besluit). Omdat deze uitvoeringsverordeningen alleen apparatuur met gefluoreerde broeikasgassen betreffen en de certificeringsverplichting ook geldt met betrekking tot apparatuur waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast, zijn deze minimumeisen in de beoordelingsrichtlijnen aangevuld.

Of natuurlijke personen voldoen aan de certificeringseisen wordt slechts eenmaal getoetst door middel van het afleggen van een examen dat bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het certificaat blijft vervolgens gedurende onbepaalde tijd geldig. Een gecertificeerde persoon kan echter wel zijn certificaat verliezen als de minister aan de instelling een aanwijzing heeft gegeven die strekt tot intrekking van het certificaat. De minister kan een zodanige aanwijzing geven als is geconstateerd dat de houder van het certificaat herhaaldelijk of bij voortduring in strijd handelt met verplichtingen bij of krachtens het besluit, de F-gassenverordening of de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen (zie artikel 14, vierde lid van het besluit).

Certificaten van ondernemingen zijn ook onbeperkt geldig maar ondernemingen worden wel periodiek getoetst op het voldoen aan de certificeringseisen. Wanneer de instelling constateert dat niet wordt voldaan aan de eisen kan ze het certificaat van de onderneming schorsen of intrekken (artikel 5). Over het algemeen zal aan een schorsing of intrekking een waarschuwing vooraf gaan. Een en ander is nader uitgewerkt in de BRL 100. Buiten voornoemde gevallen kan de minister een aanwijzing geven om het certificaat van een onderneming te schorsen of in te trekken als de houder van het certificaat herhaaldelijk of bij voortduring in strijd handelt met verplichtingen bij of krachtens het besluit, de F-gassenverordening of de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen (zie artikel 14, vierde lid van het besluit).

Een certificaat moet een aantal gegevens bevatten, zoals de naam van de instelling die het certificaat heeft afgegeven en de gecertificeerde persoon of onderneming, het registratienummer, de taak of werkzaamheid waarop het certificaat betrekking heeft, de datum van afgifte en de handtekening van de daartoe bevoegde vertegenwoordiger van de instelling.

De natuurlijke personen en ondernemingen die zijn gecertificeerd, worden geregistreerd op een openbaar toegankelijke website die wordt beheerd door de minister. Eigenaren van apparatuur kunnen dit register raadplegen als zij een gecertificeerde persoon of onderneming willen inhuren voor het uitvoeren van werkzaamheden aan hun apparatuur. Daarnaast kunnen toezichthouders het register raadplegen in het kader van de uitvoering van controles.

2.3 Instellingen die personen certificeren

Instellingen die personen certificeren hebben een aantal taken en verantwoordelijkheden, zoals het beoordelen op conformiteit met BRL 200 door middel van het afnemen van examens en het vaststellen van de resultaten van afgelegde examens, het organiseren van examens, het geven van voorlichting over de mogelijkheid om examens af te leggen en het afgeven van certificaten aan de personen die zijn geslaagd voor het examen. Daarnaast zijn de instellingen verantwoordelijk voor het intrekken of schorsen van certificaten als de minister een daartoe strekkende aanwijzing heeft gegeven en zullen zij de resultaten van afgelegde examens moeten registreren. Tot slot zijn deze instellingen verplicht om aan de minister de gegevens te melden van door haar gecertificeerde personen. Deze gegevens betreffen de namen en geboortedata van de gecertificeerde personen, de registratienummers van de certificaten, de werkzaamheden en de apparatuur waarvoor de personen zijn gecertificeerd en de data van afgifte van de certificaten.

De personen die de examens namens de instelling afnemen, moeten aan een aantal eisen voldoen. Deze eisen betreffen onder andere de vereiste kennis en ervaring. Daarnaast moeten deze personen onpartijdig en onafhankelijk zijn. De eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid gelden ook voor de instellingen zelf. Daarnaast moeten de instellingen afdoende maatregelen nemen om fraude te voorkomen en moeten zij bij de uitvoering de richtlijnen in acht nemen die zijn opgenomen in BRL 200. In de regeling is nog een aantal aanvullende verplichtingen opgenomen voor de instellingen. Deze verplichtingen gaan over het bewaren van gegevens en het verschaffen van informatie aan de minister.

2.4 Instellingen die ondernemingen certificeren

Instellingen die ondernemingen certificeren zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van ondernemingen op conformiteit met BRL 100, zowel voor de eerste afgifte van certificaten als de periodieke toetsing, en voor het vaststellen van de resultaten van uitgevoerde beoordelingen. Als een instelling heeft vastgesteld dat een onderneming voldoet aan BRL 100 geeft ze een certificaat af. De instelling trekt het certificaat in of schorst dit als tijdens een beoordeling is vastgesteld dat de onderneming niet meer voldoet aan deze BRL. Intrekking of schorsing vindt ook plaats als de minister een daartoe strekkende aanwijzing heeft gegeven omdat de houder van het certificaat herhaaldelijk of bij voortduring in strijd handelt met verplichtingen krachtens het besluit, de F-gassenverordening of de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Verder zijn de instellingen verantwoordelijk voor het registreren van de resultaten van uitgevoerde beoordelingen en moeten ze aan de minister de gegevens melden van door haar gecertificeerde ondernemingen. Deze gegevens betreffen de namen, adressen en vestigingsplaatsen van de gecertificeerde ondernemingen, de registratienummers van de certificaten, de werkzaamheden en de apparatuur waarvoor de ondernemingen zijn gecertificeerd en de data van afgifte van de certificaten. Tot slot moeten de instellingen schorsingen en intrekkingen van certificaten melden aan de minister.

Het personeel van instellingen dat bij de ondernemingen onderzoekt of voldaan wordt aan BRL 100, moet onder meer voldoen aan eisen met betrekking tot kennis en ervaring. Daarnaast moet het personeel onpartijdig en onafhankelijk zijn en aantoonbaar bedrijfskundig inzicht hebben en kennis hebben van administratieve en organisatorische procedures.

Ook de instellingen zelf moeten onafhankelijk en onpartijdig zijn en bovendien moeten zij bij de uitvoering van hun taken de richtlijnen die zijn opgenomen in BRL 100 in acht nemen. De afgifte van certificaten in het kader van deze regeling vindt plaats onder accreditatie. Bij accreditatie worden instellingen beoordeeld op competentie, onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het licht van de eisen die zijn opgenomen in BRL 100. Accreditatie vindt plaats door de Raad voor Accreditatie, bedoeld in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, of door een andere bevoegde instelling uit een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt.

3. Gevolgen van de regeling

3.1 Algemeen

In de nota van toelichting bij het besluit is reeds aangegeven waarom de introductie van regels met betrekking tot de erkenning van instellingen geen vermeerdering of vermindering oplevert van de administratieve lasten. Ook is in de nota van toelichting vermeld dat het besluit, en dat geldt dus ook voor de regeling, geen financiële gevolgen heeft voor de Rijksbegroting.

In de nota van toelichting is echter ook aangegeven dat bij de uitwerking van de ministeriële regeling de administratieve lasten en bedrijfseffecten worden geconcretiseerd voor zover deze niet direct voortvloeien uit de verordeningen.

Voor het bepalen van de gevolgen van deze regeling is het van belang om de wijzigingen ten opzichte van de van rechtswege vervallen regelingen in kaart te brengen. Deze wijzigingen worden hierna beschreven.

3.2 Wijzigingen ten opzichte van de vervallen regelingen

In de inleiding is reeds aangegeven dat deze regeling een aantal ministeriële regelingen vervangt, te weten:

  • de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties

  • de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen, en

  • de Regeling gefluoreerde broeikasgassen hoogspanningsschakelaars.

In deze paragraaf zijn voor de diverse apparatuur de wijzigingen weergegeven die met de F-gassenverordening en de onderhavige regeling zijn doorgevoerd ten opzichte van de oude situatie.

Stationaire koel- en klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen

Op grond van artikel 2 van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties was een diploma verplicht voor personen die een of meer van de volgende werkzaamheden verrichtten aan stationaire koelinstallaties (in de toelichting bij deze regeling werden warmtepompen daarmee gelijk gesteld):

  • lekcontroles, als de installaties drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten (voor hermetisch gesloten apparatuur betrof het zes kilogram of meer);

  • terugwinnen;

  • installeren;

  • onderhouden.

De regeling bevatte daarnaast in artikel 18 een certificeringsverplichting voor bedrijven die stationaire koelinstallaties installeren of onderhouden.

De F-gassenverordening en de onderhavige regeling bevatten voor deze werkzaamheden ook een certificeringsverplichting, voor personen en ondernemingen. Weliswaar worden hierin nieuwe werkzaamheden genoemd (service, reparatie en buitendienststelling) maar deze vielen voorheen onder de werkzaamheid ‘onderhouden’. Tevens bevat de nieuwe regelgeving een verbijzondering van de apparatuur waarin middelen kunnen zijn toegepast, te weten koelapparatuur, klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen. Voorheen viel deze apparatuur onder het begrip ‘stationaire koelinstallaties’. De facto levert de nieuwe regeling dan ook geen wijziging op in de certificeringsverplichtingen ten opzichte van de oude situatie.

Stationaire en mobiele brandbeveiligingsapparatuur

Op grond van artikel 1 van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen moesten personen die een of meer van de volgende werkzaamheden verrichtten, beschikken over een diploma:

  • verrichten van lekcontroles van stationaire brandbeveiligingssystemen die drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten;

  • terugwinnen bij stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten;

  • installeren van stationaire brandbeveiligingssystemen;

  • onderhouden van stationaire brandbeveiligingssystemen.

Verder bevatte deze regeling in artikel 19 voor bedrijven die stationaire brandbeveiligingssystemen installeren of onderhouden een certificeringsverplichting.

In de onderhavige regeling wordt geen wijziging aangebracht in deze verplichtingen en gelden er derhalve ook certificeringsverplichtingen voor installatie, service, onderhoud, reparatie, buitendienststelling, lekkagecontrole en terugwinning met betrekking tot deze apparatuur.

Koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens

Op grond van artikel 2 van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties was een diploma verplicht voor personen die een of meer van de volgende werkzaamheden verrichtten aan mobiele koelinstallaties:

  • lekcontroles, als de installaties drie kilogram of meer gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen bevatten (voor hermetisch gesloten apparatuur betrof het zes kilogram of meer);

  • terugwinnen;

  • installeren;

  • onderhouden.

De regeling bevatte daarnaast in artikel 18 een certificeringsverplichting voor bedrijven die mobiele koelinstallaties installeren of onderhouden.

De F-gassenverordening en de onderhavige regeling bevatten voor deze werkzaamheden alleen een certificeringsverplichting voor personen. Weliswaar worden hierin op het eerste gezicht nieuwe werkzaamheden genoemd (service, reparatie en buitendienststelling) maar deze vielen voorheen onder de werkzaamheid ‘onderhouden’. Tevens bevat de nieuwe regelgeving een verbijzondering van de apparatuur waarin middelen kunnen zijn toegepast, te weten koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens. Voorheen viel deze apparatuur onder het begrip ‘mobiele koelinstallaties’.

De certificeringsverplichting voor ondernemingen die werkzaamheden verrichten aan mobiele koelinstallaties vervalt.

Elektrische schakelinrichtingen

Op grond van artikel 2 van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen hoogspanningsschakelaars moesten personen die belast zijn met het terugwinnen van gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars beschikken over een diploma.

Afgezien van het feit dat de F-gassenverordening niet meer spreekt van hoogspanningschakelaars maar van elektrische schakelinrichtingen, is de certificeringsverplichting ook uitgebreid. Een certificaat is niet alleen meer verplicht voor natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen maar ook voor personen die installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling verrichten.

Stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat

Deze apparatuur werd niet genoemd in een van de van rechtswege vervallen regelingen, maar wel in artikel 4 van de oude F-gassenverordening. In dat artikel was bepaald dat de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit deze apparatuur moest worden uitgevoerd door gecertificeerde personen.

Zowel in de nieuwe F-gassenverordening als de onderhavige regeling komt deze certificeringsverplichting terug. Ten opzichte van de oude situatie treedt er dus geen wijziging op.

Klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen

Artikel 2, derde lid, van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties stelde een diploma verplicht voor personen die gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen bij mobiele airco’s. Daarbij ging het om airco’s van personenauto’s, bestelbussen en mobiele werktuigen.

Artikel 8, derde lid, van de F-gassenverordening en Verordening 307/2008 eisen een getuigschrift voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur van motorvoertuigen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/40/EG vallen (o.a. personenauto’s en bestelbussen). De F-gassenverordening bepaalt in artikel 8, derde lid, ook dat de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen afkomstig uit klimaatregelingssystemen in motorvoertuigen die buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/40/EG vallen, moet worden uitgevoerd door natuurlijke personen die over passende kwalificaties beschikken.

In overeenstemming met deze verordeningen en de regelgeving zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de onderhavige regeling, geldt de certificeringseis voor natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit klimaatregelingsapparatuur van motorvoertuigen zowel indien die onder de Richtlijn 2006/40/EG valt als daarbuiten. Motorvoertuigen die buiten die richtlijn vallen zijn de mobiele werktuigen die werden opgesomd in bijlage 1 bij de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties, te weten:

  • Verreiker of telescooplader: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig op wielen voorzien van een telescopische hefinrichting waarmee goederen geheven worden, en daarnaast een grondverzetfunctie, een hijsfunctie en een hoogwerkfunctie heeft.

  • Hoogwerker: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig met een schaarmechanisme, een hydraulische arm die op een of meerdere plaatsen kan scharnieren dan wel een telescoopmast, met aan het eind een platform of een werkbak.

  • Mobiele kraan: zelfrijdende, door een motor aangedreven telescoop- of vakwerkkraan die al dan niet is toegelaten op de openbare weg.

  • Heftruck: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig dat is voorzien van een vaste bestuurderszitplaats en een hefinrichting.

  • Laadschop, schovel of wiellader: op wielen of rupsbanden zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig, aan de voorzijde uitgerust met een hefbare bak.

  • Graafmachine: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig, bestaande uit een onderwagen en een bovenwagen die een zwenkbeweging kan uitvoeren waarbij de hoofdgraafbeweging gemaakt wordt door een giek.

  • Graaflaadcombinatie: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig dat is voorzien van zowel een laadbak als een graafinrichting.

  • Bulldozer: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig op rupsbanden met een blad aan de voorkant.

  • Dumper: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig voor het verplaatsen van bulkmateriaal.

  • Scraper of schraper: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig met een platliggend mes aan de onderzijde van de bak dat lagen grond afschraapt en verzamelt in een laadbak met losinrichting.

  • Grader: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig met instelbaar blad waarmee grond herverdeeld kan worden.

  • Asfalt-afwerkinstallatie: zelfrijdende door een motor aangedreven machine, die asfalt gelijkmatig verdeelt over het wegdek.

  • Asfaltfreesinstallatie: zelfrijdende door een motor aangedreven machine die met behulp van een freesinstallatie asfalt laagsgewijs verwijdert.

  • Wals: zelfrijdend, door een motor aangedreven werktuig dat met banden of rollen en al dan niet voorzien van een trilmechanisme een zodanig gewicht op een grondlaag brengt, dat deze verdicht.

De certificeringsverplichtingen met betrekking tot terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen blijven derhalve hetzelfde.

3.3 Gevolgen van de regeling voor de regeldruk

Uit paragraaf 3.2 volgt dat de certificeringsverplichtingen voor natuurlijke personen hetzelfde blijven, met uitzondering van de verplichtingen voor natuurlijke personen die werkzaamheden verrichten aan elektrische schakelinrichtingen. Gelet op de F-gassenverordening is de certificeringsverplichting uitgebreid voor natuurlijke personen die installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling verrichten aan elektrische schakelinrichtingen. De regeldruk die hiermee samenhangt vloeit direct voort uit de F-gassenverordening. De regeldruk als gevolg van de onderhavige regeling stijgt hierdoor met € 3.000 per jaar ten opzichte van de vervallen regelingen en bedraagt € 1.120.200,– per jaar, waarbij de regeldruk voor de certificering van natuurlijke personen € 372.000,– bedraagt en die voor de certificering van ondernemingen € 748.200,–.3

Bij de berekening van de regeldruk dient een onderscheid te worden gemaakt tussen regeldruk die zijn oorsprong óf op Europees en internationaal niveau óf op nationaal niveau heeft. In dit kader is nagegaan hoe de verschillende verplichtingen kunnen worden ingedeeld. Hiertoe geeft het Handboek meting regeldruk een indeling in drie categorieën:

  • A. De verplichtingen en de uitvoering daarvan zijn in Europees of internationaal verband opgelegd. Dit betekent dat zowel is voorgeschreven welke informatie bedrijven moeten aanleveren, als de wijze waarop dit moet gebeuren. De nationale overheid heeft in dit geval beperkte invloed op de regeldruk.

  • B. De verplichtingen vloeien voort uit Europese en internationale regelgeving, waarbij de uitvoering van de regelgeving echter is overgelaten aan de nationale overheid. De aard en de omvang van de regeldruk worden derhalve mede bepaald door de wijze waarop de nationale overheid de uitvoering daarvan heeft opgezet en georganiseerd.

  • C. De verplichtingen zijn uitsluitend het gevolg van Nederlandse wet- en regelgeving. Zowel de verplichting als de wijze waarop hieraan uitvoering moet worden gegeven, is door Nederland voorgeschreven.

In onderstaande tabel is bij de weergave van de regeldruk onderscheid gemaakt tussen deze categorieën.

Nr

Onderwerp

Regeldruk

Internationaal

   
     

A

B

C

1

Certificering natuurlijke

personen

€ 372.000

€ 261.000

 

€ 111.000

2

Certificering ondernemingen

€ 748.200

€ 219.200

 

€ 529.000

Totale regeldruk

€ 1.120.200

     

Bij het gemaakte onderscheid in voornoemde categorieën is onder meer rekening gehouden met de volgende aspecten:

  • De koudemiddelenregistratie blijft in het kader van de certificering van ondernemingen een vereiste. Dit is een verplichting die uitsluitend het gevolg is van de onderhavige regeling en niet voortvloeit uit Europese regelgeving.

  • De verplichting om voor het terugwinnen van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur van motorvoertuigen te beschikken over een certificaat is een Nederlandse eis die zwaarder is dan die van de F-gassenverordening. De kosten daarvan zijn daarom in de tabel hierboven geclassificeerd onder categorie C.

Personen en ondernemingen dienen kennis te nemen van de consequenties van de inhoud van de regeling. Dit brengt initiële lasten met zich mee. Voor de berekening van de regeldruk is ervan uit gegaan dat voor elk bedrijf één persoon zich verdiept in de consequenties van de regeling. De eenmalige (initiële) regeldruk wordt geraamd op € 477.250,– en is onder te verdelen in € 297.250,– voor kennisname van de nieuwe regelgeving en € 180.000,– voor interne voorlichting.4.

De administratieve lasten die samenhangen met de regelgeving omtrent gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen zijn in 2009 kaart gebracht bij de totstandkoming van de in paragraaf 3.2 genoemde, thans vervallen, ministeriële regelingen.5

4. Inspraak en HUF-toets

Het ontwerp van deze regeling is voor commentaar toegezonden aan de vertegenwoordigende organisaties van het bedrijfsleven die in de praktijk te maken hebben met deze regeling en aan vertegenwoordigers van het bevoegd gezag. Daarnaast is het ontwerp van de regeling vanwege de certificering en accreditatie voorgelegd aan en besproken met medewerkers van het ministerie van Economische Zaken. Tevens is het ontwerp voor een toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets) voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport. Zowel het commentaar van een aantal organisaties als de opmerkingen van het ministerie van Economische Zaken en de resultaten van de HUF-toets hebben geleid tot een aantal wijzigingen in de regeling.

Artikelsgewijs

Artikel 1, onder a

In de begripsomschrijving van apparatuur is verwezen naar de gehanteerde begrippen in de F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het zou immers niet correct zijn als in de regeling andere begripsomschrijvingen worden gehanteerd dan in deze verordeningen die rechtstreekse werking hebben.

Artikel 1, onder c en d

Deze beoordelingsrichtlijnen zijn uitgegeven door Rijkswaterstaat en worden gepubliceerd op een voor een ieder toegankelijke website. Als van deze beoordelingsrichtlijnen een nieuwe versie uitkomt dan zullen de onderdelen c en d worden gewijzigd en zal zo nodig tevens een overgangsregeling worden getroffen. Naast de eisen waaraan de natuurlijke personen en ondernemingen moeten voldoen voor het verkrijgen van een certificaat, bevatten deze beoordelingsrichtlijnen verplichtingen voor de instellingen en richtlijnen met betrekking tot de toe te passen procedures.

Artikel 2

In het eerste lid van dit artikel is aangegeven dat de eisen waaraan natuurlijke personen moeten voldoen voor het verkrijgen van een certificaat zijn opgenomen in BRL 200. De eisen waaraan ondernemingen moeten voldoen voor het verkrijgen en behouden van een certificaat zijn opgenomen in BRL 100. Voor welke werkzaamheden een certificaat verplicht is, volgt uit het besluit en de F-gassenverordening.

Het tweede lid bevat de verplichting voor natuurlijke personen en ondernemingen om aan de erkende instellingen alle medewerking te verlenen die deze nodig hebben om op conformiteit met de beoordelingsrichtlijnen te kunnen beoordelen. Het niet verlenen van voldoende medewerking kan ertoe leiden dat de erkende instelling geen certificaat verleent of een certificaat van een onderneming schorst of intrekt.

Artikel 3

In dit artikel zijn de gegevens opgesomd die in ieder geval op het certificaat moeten worden vermeld. Aan de hand van deze gegevens moet bijvoorbeeld een eindgebruiker (eigenaar van de apparatuur) of een toezichthouder eenvoudig kunnen vaststellen of de desbetreffende persoon of onderneming is gekwalificeerd voor de uitvoering van de taak of werkzaamheid.

De gecertificeerde natuurlijk persoon of onderneming is alleen bevoegd om de op het certificaat vermelde werkzaamheden bij de daarbij aangegeven apparatuur te verrichten.

Artikel 4

Uit dit artikel volgt dat de erkende instelling een certificaat verleent aan de natuurlijk persoon of onderneming waarvan de instelling heeft vastgesteld dat deze voldoet aan BRL 200, onderscheidenlijk BRL 100.

Dat de instellingen zelf de certificaten afgeven aan natuurlijke personen is een nieuw element. Voorheen verstrekte de minister, op advies van de instelling, de diploma’s (certificaten) aan natuurlijke personen.

Artikel 5

Instellingen zijn verplicht door hen verstrekte certificaten in te trekken of te schorsen als de minister een daartoe strekkende aanwijzing heeft gegeven. Dat volgt uit artikel 14, vierde lid, van het besluit. De minister kan zo’n aanwijzing geven aan de instelling als is gebleken dat de desbetreffende persoon of onderneming herhaaldelijk of bij voortduring in strijd handelt met verplichtingen krachtens het besluit, de F-gassenverordening of de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. De informatie waarop de minister zich baseert kan afkomstig zijn uit het toezicht dat wordt uitgevoerd namens het bevoegd gezag of door de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Instellingen zijn daarnaast gehouden het certificaat van een onderneming te schorsen of in te trekken als is gebleken dat die onderneming niet (meer) voldoet aan BRL 100. Er is dan sprake van een zogenoemde non-conformiteit. De instelling gaat over tot schorsing of intrekking van het certificaat als er geen gerechtvaardigd vertrouwen meer is dat de onderneming binnen afzienbare tijd aan de beoordelingsrichtlijn gaat voldoen. Dat kan zijn omdat de onderneming er niet aan wil voldoen of omdat de onderneming, naar inschatting van de instelling, niet bij machte is om er aan te voldoen.

Als er sprake is van een non-conformiteit die volgens de instelling binnen een bepaalde termijn kan worden opgeheven, zal ze over het algemeen over gaan tot (tijdelijke) schorsing van het certificaat. Op grond van het tweede lid geeft de instelling de onderneming een termijn om de non-conformiteit op te heffen. Als de tekortkoming binnen die termijn ongedaan is gemaakt, wordt de schorsing opgeheven. Als de tekortkoming niet binnen die termijn ongedaan is gemaakt dan zal het certificaat op grond van het derde lid worden ingetrokken.

Intrekking van certificaat zal ook aan de orde zijn als de instelling van oordeel is dat er sprake is van een blijvende onmogelijkheid om aan de beoordelingsrichtlijn te voldoen.

In de BRL 100 zijn richtlijnen opgenomen voor de instelling hoe om te gaan met non-conformiteiten en wanneer de instelling moet over gaan tot schorsing of intrekking van het certificaat.

Ook als de certificaathouder onvoldoende meewerkt aan een inspectie door de certificeringsinstelling, bijvoorbeeld door niet de gevraagde gegevens te verschaffen, of als de onderneming in staat van faillissement verkeert, zal tot schorsing of intrekking van het certificaat worden overgegaan. Uiteraard kan het certificaat ook op verzoek van de betrokken onderneming worden ingetrokken. Als het certificaat is ingetrokken dan moet de desbetreffende persoon of onderneming op grond van het vierde lid het certificaat direct inleveren.

Om de exploitanten van de apparatuur in staat te stellen zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen, zoals het inhuren van een andere gecertificeerde onderneming, bepaalt het vijfde lid dat zij van de intrekking of schorsing van het certificaat van een onderneming meteen op de hoogte moeten worden gesteld. Deze verplichting is niet opgenomen voor natuurlijke personen omdat dit onredelijk bezwarend zou zijn.

Artikel 6

In artikel 5 van de F-gassenverordening is voor lekkagedetectiesystemen, geïnstalleerd bij apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevatten in hoeveelheden van minder dan 500 ton CO2-equivalenten, niet geregeld hoe vaak deze op de goede werking moeten worden gecontroleerd. Dat is onwenselijk aangezien uit artikel 4, derde lid, van de F-gassenverordening voortvloeit dat apparatuur die is voorzien van een lekkagedetectiesysteem minder vaak op lekken hoeft te worden gecontroleerd. Om die reden is ervoor gekozen om in artikel 6, eerste lid, te bepalen dat exploitanten van alle lekkagedetectiesystemen verplicht zijn deze eens per twaalf maanden te laten controleren. Daarbij is bovendien nader ingevuld wat de controle, om de goede werking te garanderen, behelst, namelijk het controleren op meetnauwkeurigheid, werking van het alarm en correcte plaatsing van de lekdetectoren. De meetnauwkeurigheid en de werking van het alarm kunnen met specifieke testapparatuur worden gecontroleerd. Bij het uitvoeren van de controles dient gebruik te worden gemaakt van de laatste technische inzichten, zoals die onder andere zijn neergelegd in specifieke NEN-normen. De controle moet worden uitgevoerd door een persoon die is gecertificeerd voor controle op lekkage. De exploitant van de installatie draagt er zorg voor dat geconstateerde afwijkingen direct worden verholpen door een gecertificeerde persoon. Dat hoeft niet persé de persoon te zijn die de controle heeft uitgevoerd.

De verplichting geldt voor lekkagedetectiesystemen bij apparatuur waarin gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen zijn toegepast. Dat volgt uit de definitie van apparatuur in artikel 1, onder a.

Lekkagedetectiesystemen die nog niet zijn geïnstalleerd, zullen bij de installatie al moeten worden gecontroleerd op meetnauwkeurigheid, juiste werking van het alarm en correcte plaatsing van de lekdetectoren door een gecertificeerd persoon. Dit om te voorkomen dat bij de periodieke controle (een jaar later) afwijkingen worden geconstateerd en (onderdelen van) het systeem moeten worden aangepast, met alle kosten van dien.

Omdat het wenselijk is dat ten aanzien van apparatuur waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast dezelfde eisen gelden als voor apparatuur waarin gefluoreerde broeikasgassen zijn toegepast, is in artikel 6, eerste, derde en vijfde lid, een aantal bepalingen van de F-gassenverordening van overeenkomstige toepassing verklaard op apparatuur waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast. Het gaat om de verplichting om apparatuur die is voorzien van lekkagedetectiesystemen te laten controleren door een gecertificeerde persoon, eventuele geconstateerde afwijkingen te herstellen en om bepaalde registraties ten minste vijf jaar te bewaren.

De verplichtingen van artikel 6, eerste en derde lid, gelden voor de exploitant. Op grond van artikel 1, onder f, wordt daaronder verstaan de exploitant, bedoeld in artikel 2, achtste lid, van de F-gassenverordening of de onderneming, bedoeld in artikel 3, zesentwintigste lid, aanhef en onder e, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Bij de eerst genoemde gaat het om degene die de feitelijke macht uitoefent over het technisch functioneren van de apparatuur. Omdat in de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen een andere terminologie wordt gebruikt gaat het bij de laatstgenoemde om de onderneming die apparatuur exploiteert die gereguleerde stoffen bevat.

Artikel 7

In dit artikel is bepaald dat de formulieren voor het aanvragen van een erkenning en het doen van een verzoek tot wijziging van de erkenning verkrijgbaar zijn bij Rijkswaterstaat. In de praktijk zal dit betekenen dat de formulieren zijn te downloaden van de website van Rijkswaterstaat.

Artikel 8

De eis van onpartijdigheid houdt in dat de instelling objectief en onbevooroordeeld is ten opzichte van de natuurlijk persoon of onderneming die zij beoordeelt. Onpartijdigheid moet te allen tijde zijn verzekerd.

Onafhankelijkheid heeft betrekking op de relatie tussen de instelling enerzijds en de natuurlijk persoon of onderneming anderzijds. Er mogen met andere woorden tussen hen geen andere bindingen zijn dan die te maken hebben met de beoordeling op het voldoen aan artikel 2. Te allen tijde moet zijn verzekerd dat de instelling geen enkel belang heeft bij het resultaat van de beoordeling. Deze dient op volstrekt onafhankelijke wijze te geschieden.

Tot slot moet de instelling onafhankelijk zijn van de organisatie die verantwoordelijk is voor de opleiding. Een organisatie die opleidingen verzorgt, kan dan ook niet worden erkend als instelling voor het certificeren van natuurlijke personen.

Artikel 9

Op grond van het eerste lid moet de instelling die natuurlijke personen certificeert er voor zorg dragen dat er afdoende maatregelen worden getroffen om fraude voor, tijdens en na het examen te voorkomen. Tijdens het examen dient er bijvoorbeeld voldoende toezicht te zijn op de kandidaten. De instelling moet daarnaast voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in BRL 200. Het gaat daarbij om zowel eisen aan de instelling zelf (competentie) als om eisen aan de toe te passen procedures.

In het tweede lid zijn de eisen opgenomen waaraan instellingen die ondernemingen certificeren moeten voldoen. Deze instellingen moeten voor BRL 100 geaccrediteerd zijn volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065. Accreditatie schept voor de instellingen duidelijkheid over de rol van accreditatie en de normen waarop geaccrediteerd wordt. Met Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93, (PbEU 2008, L 218) is accreditatie een activiteit van openbaar gezag geworden en op Europees niveau omarmd als de voorkeursmethode voor het aantonen dat keurende instanties onafhankelijk en deskundig zijn. Het verplicht stellen van accreditatie sluit goed aan bij deze Europese voorkeur. Aangezien er naast accreditatie geen alternatieve beoordelingsmethode bekend is voor het op systematische, gestructureerde en algemeen geaccepteerde manier aantonen van de onafhankelijkheid en deskundigheid van keurende instanties, ligt het voor de hand geen alternatieve mogelijkheden toe te staan. Tevens zou het mogelijk maken van alternatieve methoden kunnen leiden tot extra uitvoeringslasten en onzekerheid voor de instellingen die ondernemingen certificeren.

De Raad voor Accreditatie is op grond van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie aangewezen als nationale accreditatie-instantie. De Raad voor Accreditatie is daarmee de enige instantie in Nederland die mag accrediteren op basis van internationale accreditatienormen. De BRL 100 is de norm waarop wordt geaccrediteerd. Indien de Raad voor Accreditatie overgaat tot schorsing of beëindiging van een verplicht gestelde accreditatie bij een instelling, brengt dat met zich dat die instelling niet langer aan de eis van artikel 9, tweede lid, onder a, voldoet zodat de minister de erkenning van de instelling geheel of gedeeltelijk kan schorsen of intrekken. Aannemelijk is dat schorsing van de accreditatie in beginsel zal leiden tot schorsing van de erkenning, maar uitzonderingen zijn niet uitgesloten. Een uitzondering kan bijvoorbeeld denkbaar zijn indien de reden voor schorsing van de accreditatie niet gelegen is in de omstandigheid dat de taakuitvoering van de instelling niet voldoet aan de wettelijke eisen, maar in een betalingsgeschil tussen de instelling en de Raad voor Accreditatie en de minister bovendien om hem moverende redenen hecht aan voortzetting van de werkzaamheden van de betrokken instelling. De minister zal telkens zijn eigen afweging maken en daarbij alle betrokken belangen in de beoordeling betrekken.

Behalve de (Nederlandse) Raad voor Accreditatie kunnen ook daartoe bevoegde accrediterende instanties uit andere lidstaten van de Europese Unie of uit landen die partij zijn bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, instellingen accrediteren. Een Belgische instelling die in België is geaccrediteerd door BELAC is bijvoorbeeld bevoegd om instellingen te accrediteren op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17065.

De Raad voor Accreditatie of een andere bevoegde accreditatie-instantie zal erop toe zien dat de instelling aan de eisen voldoet en derhalve competent is om ondernemingen te certificeren op grond van BRL 100. Als een instelling beschikt over de vereiste accreditatie dan wordt ze geacht te voldoen aan artikel 9, tweede lid, onder b, artikel 8, eerste lid, en artikel 10, tweede lid. Er is met andere woorden sprake van een zogenoemd bewijsvermoeden. Dat betekent bijvoorbeeld dat de minister bij de beoordeling van een erkenningaanvraag niet zelf gaat toetsen of de instelling voldoet aan de eisen van BRL 100, onafhankelijk en onpartijdig is en beschikt over deskundig personeel. Ook in het kader van toezicht kan ervan uit worden gegaan dat de geaccrediteerde instellingen aan deze eisen voldoet. Niettemin hebben de overheidstoezichthouders wel de bevoegdheid om het bewijsvermoeden te staven dan wel te ontkrachten door zelf door middel van controles vast te stellen of instellingen de eisen naleven. Deze controles zullen echter steekproefsgewijs plaatsvinden en niet stelselmatig.

In de bijlagen 1 en 2 behorende bij deze regeling zijn de onderwerpen opgesomd die in ieder geval in de jaarverslagen van de instellingen moeten worden opgenomen.

Artikel 10

In het eerste lid zijn de eisen opgesomd waaraan de personen moeten voldoen die de examens afnemen. De instellingen zullen ervoor moeten zorgen dat de door hen aangestelde personen aan deze eisen voldoen.

In het tweede lid zijn de eisen opgesomd waaraan de beoordelaars van instellingen die ondernemingen certificeren moeten voldoen. De instellingen zullen ervoor moeten zorgen dat het door hen aangestelde personeel aan deze eisen voldoet.

Artikel 11

De verplichtingen in dit artikel met betrekking tot het bewaren van gegevens dienen ertoe om het toezicht door de minister (feitelijk uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport) op de naleving van de verplichtingen mogelijk te maken.

Artikel 12

Op grond van dit artikel draagt de minister er zorg voor dat op een openbaar toegankelijke website een overzicht beschikbaar is van de gecertificeerde personen en ondernemingen. Het doel hiervan is om eigenaren van apparatuur waarin gefluoreerde broeikasgassen of gereguleerde stoffen zijn toegepast een helder overzicht te bieden van personen en ondernemingen die zijn gecertificeerd. Op basis van deze registratie kunnen zij bepalen welke gecertificeerde personen en ondernemingen zij kunnen inschakelen voor het uitvoeren van werkzaamheden aan hun apparatuur. Daarnaast kunnen toezichthouders het register raadplegen in het kader van de uitvoering van controles.

Naast een overzicht van de gecertificeerde personen en ondernemingen, zal de website tevens informatie bevatten over de gegevens die de certificaten vermelden, waaronder met name de afgiftedatum en de werkzaamheden waarvoor de certificaten zijn afgegeven.

Als een certificaat wordt geschorst of ingetrokken dan zal de desbetreffende persoon of onderneming uit de registratie worden gehaald. Als de schorsing is opgeheven zal uiteraard weer registratie plaatsvinden.

Bij het beheer van de gegevens zal de Wet bescherming persoonsgegevens in acht worden genomen. Dat betekent dat de minister alleen persoonsgegevens, bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens, registreert van een natuurlijk persoon die daartoe ondubbelzinnig toestemming heeft verleend. Dat volgt uit artikel 8 van die wet.

Artikel 13

Dit artikel bevat een overgangsbepaling met betrekking tot bedrijfscertificaten die op grond van de oude regelgeving zijn verleend. Artikel 18, derde lid, van het besluit bepaalt dat een dergelijk bedrijfscertificaat gedurende twee jaren na inwerkingtreding van het besluit gelijk wordt gesteld met een certificaat voor een onderneming. Artikel 13 van deze regeling strekt er toe dat dergelijke bedrijfscertificaten gedurende die termijn onderworpen blijven aan herkeuringen dan wel tussentijdse beoordelingen, zoals dit was geregeld in de thans van rechtswege vervallen Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties en Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen.

Artikel 14

De regeling treedt in werking op het tijdstip dat het besluit in werking treedt, met uitzondering van artikel 9, tweede lid, onder a dat per 1 januari 2018 in werking treedt. Dat artikelonderdeel bepaalt dat een instelling die ondernemingen certificeert is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De uitgestelde inwerkingtreding van dit onderdeel van de regeling houdt verband met de tijd die instellingen nodig hebben om een accreditatie te verkrijgen. Gedurende deze overgangstermijn is een accreditatie derhalve niet verplicht.

Gelet op het feit dat de F-gassenverordening van toepassing is met ingang van 1 januari 2015 en dat het besluit en de onderhavige regeling deze verordening deels implementeren, is gekozen voor een datum van inwerkingtreding die afwijkt van de vaste verandermomenten die in de regel worden gehanteerd voor nieuwe wet- en regelgeving.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Daarbij gaat het zowel om motorvoertuigen die onder Richtlijn 2006/40/EG vallen als de motorvoertuigen die buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen (zie artikel 8, derde lid, van de F-gassenverordening).

X Noot
2

Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PB L 161 van 14 juni 2006, blz. 12).

X Noot
4.

Zie noot 3.

X Noot
5

Zie noot 3.