Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2015, 17649Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2015, nr. 2015-0000103205, tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met onder meer de invoering van de Wet werk en zekerheid

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 1a, tweede lid, 19, vijfde lid, 21, vijfde lid, 24, achtste lid, 26, derde lid, 27a, elfde lid, en 47a van de Werkloosheidswet, 3, eerste lid, juncto 9 van de Kaderwet SZW-subsidies, 32c, eerste lid, en 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, 2:29, eerste lid, en 3:49, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 32, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 6, zesde lid, en 16, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, en 30aa van de Ziektewet;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE GELIJKSTELLINGSREGELING ARBEIDSUREN

De Gelijkstellingsregeling arbeidsuren wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt ‘ontvangen’ vervangen door: ontvangen, met uitzondering van de transitievergoeding, bedoeld in artikel 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de gelijkwaardige voorziening, bedoeld in artikel 673b, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Onder verlettering van de onderdelen e tot en met i tot onderdelen d tot en met h vervalt onderdeel d.

3. Onderdeel d (nieuw) komt te luiden:

  • d. waarover hij een uitkering als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Werkloosheidswet heeft ontvangen;.

B

Artikel 2, eerste lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. Heeft de werknemer inkomsten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, ontvangen dan wordt voor de vaststelling van uren die worden gelijkgesteld met arbeidsuren een bedrag aan inkomsten in aanmerking genomen tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, wordt verstaan de termijn, bedoeld in de artikelen 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en 94 tot en met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling. Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de laatste dag van de dienstbetrekking, waarbij als datum waarop de dienstbetrekking geacht wordt te zijn opgezegd de datum geldt waarop:

    • a. de beëindiging schriftelijk is overeengekomen; of

    • b. de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

C

Artikel 8 vervalt.

D

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a. Overgangsrecht

  • 1. Artikel 1, onderdeel d, zoals dit luidde op de dag voor inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2015 tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met de invoering van de Wet werk en zekerheid (Stcrt. 2015, 17649), blijft van toepassing voor de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend een gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend.

  • 2. Dit artikel vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE REGELING HERLEVINGSTERMIJN WW

In artikel 1 van de Regeling herlevingstermijn WW wordt ‘de artikelen 7 en 8, eerste lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten’ vervangen door: artikel 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten.

ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE REGELING TENUITVOERLEGGING BESTUURLIJKE BOETEN EN TERUGVORDERING ONVERSCHULDIGDE BETALINGEN

In artikel 1a van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen wordt ‘artikelen’ vervangen door: artikelen 27a, elfde lid, van de WW en.

ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE REGELING TER STIMULERING VAN ACTIVITEITEN DIE EEN DUURZAME BIJDRAGE LEVEREN AAN HET TEGENGAAN VAN ARMOEDE- EN SCHULDENPROBLEMATIEK

In artikel 6, eerste lid, aanhef, en tweede lid, van de Regeling ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek wordt ‘directeur van de directie Re-integratie en Participatie’ vervangen door: directeur van de directie Participatie en Decentrale Voorzieningen.

ARTIKEL V. WIJZIGING VAN DE REGELING VRIJLATING VERGOEDINGEN SCHOLING WERKLOOSHEIDSWET

De Regeling vrijlating vergoedingen scholing Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in de aanhef wordt ‘artikel 35a van de Werkloosheidswet’ vervangen door: artikel 47a van de Werkloosheidswet.

b. in onderdeel a wordt ‘€ 0,18’ vervangen door: € 0,19.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Indien het bedrag, bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt herzien, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, overeenkomstig herzien.

3. In het derde lid wordt ‘artikel 35a van de Werkloosheidswet’ vervangen door: artikel 47a van de Werkloosheidswet.

B

Er wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a. Aanvulling wettelijke grondslag

Deze regeling berust op artikel 47a van de Werkloosheidswet.

ARTIKEL VI. WIJZIGING VAN DE REGELING VRIJSTELLING VERPLICHTINGEN SOCIALE ZEKERHEIDSWETTEN

De Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. De definitie ‘mantelzorg: noodzakelijke zorg voor een zieke of gehandicapte;’ vervalt.

  • 2. De definitie ‘vrijwilligerswerk: onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een organisatie die een ideële doelstelling heeft of een maatschappelijk nut nastreeft, welke activiteiten doorgaans een aanvullend karakter hebben op bestaande maatschappelijke voorzieningen;’ vervalt.

B

Artikel 3 komt als volgt te luiden:

Artikel 3. Vrijstelling in verband met buitengewone omstandigheden

Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°, en 26, eerste lid, onderdelen d, f en g, van de WW en 14, tweede lid, onderdeel b, en 15, onderdelen a tot en met e, van de IOW, is vrijgesteld de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 628, negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

C

Na artikel 6a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6b. Vrijstelling in verband met een werkweek met evenveel uren als het gemiddeld aantal arbeidsuren

  • 1. Van de verplichtingen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°, van de WW, is de werknemer drie maanden vrijgesteld indien hij evenveel:

    • a. arbeidsuren als bedoeld in artikel 1a van de WW, per week heeft; of

    • b. uren per week heeft waarover hij de hoedanigheid van werknemer verliest of heeft verloren als bedoeld in artikel 1b, vijfde lid, of artikel 8, vierde lid, van de WW, als het gemiddeld aantal arbeidsuren als bedoeld in artikel 16, tweede lid van de WW en verwacht wordt dat deze werkzaamheden gedurende ten minste drie maanden zullen plaatsvinden.

  • 2. De vrijstelling wordt slechts eenmaal verleend gedurende een WW-recht.

D

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7. Vrijstelling om andere redenen

Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 4° en 26, eerste lid, onderdelen d, f, en g, van de WW, 14, tweede lid, onderdeel b, en 15, onderdelen a tot en met e, van de IOW, 30, eerste lid, van de ZW en 30, eerste lid, van de Wet WIA, is vrijgesteld de uitkeringsgerechtigde die op de eerste dag van werkloosheid of ziekte respectievelijk op de eerste dag dat hij recht heeft op een WGA-uitkering, de leeftijd heeft bereikt waarop hij binnen een jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet.

E

Artikel 8 komt als volgt te luiden:

Artikel 8. Overgangsrecht

  • 1. Artikel 3, zoals dit luidde op de dag voor inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2015 tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met de invoering van de Wet werk en zekerheid (Stcrt. 2015, 17649), blijft van toepassing voor de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend een gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend.

  • 2. Dit artikel vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding.

ARTIKEL VII. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING VOOR SCHOLING EN RE-INTEGRATIE VAN PERSONEN MET ARBEIDSBEPERKINGEN EN ERNSTIGE SCHOLINGSBELEMMERINGEN

De Subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel b, wordt ‘persoon die’ vervangen door: persoon als bedoeld in de artikelen 2:3 of 3:2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, die’ en vervalt:, die geen uitkering ontvangt op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

B

In artikel 1a, eerste lid, wordt ‘of een persoon’ vervangen door: of een persoon waarvoor het college verantwoordelijk is.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING VAN DE TIJDELIJKE REGELING OVERBRUGGINGSUITKERING AOW

Artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW komt te luiden:

  • e. een uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 voor zover niet begrepen onder inkomen als bedoeld in de onderdelen a tot en met d, tenzij het betreft de uitbetaalde afkoopwaarde van een klein pensioen als bedoeld in artikel 66 van de Pensioenwet en artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

ARTIKEL IX. WIJZIGING VAN DE VAKANTIEREGELING WW EN IOW

De Vakantieregeling WW en IOW wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘onderdeel j’ vervangen door ‘onderdeel k’ en wordt ‘onderdeel d’ vervangen door: onderdeel e.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘de artikelen 5, eerste en tweede lid, 7 en 8, eerste lid,’ vervangen door: artikel 7.

2. In het vierde lid wordt ‘de artikelen 5, tweede lid, en 7’ vervangen door: artikel 7.

C

Artikel 5 vervalt.

ARTIKEL X. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2015, met uitzondering van de artikelen I, onderdelen A, onder 2 en 3, en D, en VI, onderdelen B en E, die in werking treden op het tijdstip dat artikel I, onderdeel Ca, van de Wet werk en zekerheid in werking treedt en met uitzondering van artikel VI, onderdeel D, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2016.

  • a. Artikel IV werk terug tot en met 1 mei 2015;

  • b. artikel VII werkt terug tot en met 1 april 2015;

  • c. artikel VIII werkt terug tot en met 1 december 2014; en

  • d. artikel IX, onderdeel A, werkt terug tot en met 1 januari 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 22 juni 2015

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

TOELICHTING

Algemeen

Deze wijzigingsregeling wijzigt enkele ministeriële regelingen hoofdzakelijk in verband met de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz). De wijzigingen zijn technisch van aard, behalve de wijzigingen in de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren en de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten.

In het artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt ingegaan op de gewijzigde ministeriële regelingen.

Er zijn geen gevolgen voor de regeldruk.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A, onder 2 en 3, en D, en artikel VI, onderdelen B en E

De Wwz voorziet in de intrekking van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA ’45). Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wwz is echter bepaald dat o.a. artikel 8 BBA ’45 niet komt te vervallen, totdat de zogenaamde Calamiteitenregeling in werking treedt. Deze inwerkingtreding is beoogd op 1 april 2016.1 Op het tijdstip dat artikel 8 BBA ’45 komt te vervallen, dienen ook de verwijzingen naar dat artikel in de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren en de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten te vervallen en te worden vervangen door een verwijzing naar artikel 628, negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. De artikelen I, onderdeel A, onder 2 en 3, en VI, onderdeel B, voorzien daarin.

Artikelen I, onderdeel D, en VI, onderdeel E, voorzien in het overgangsrecht. Dit overgangsrecht is nodig, omdat er nog ontheffingen op grond van artikel 8, derde lid, van het BBA ’45 kunnen worden verleend na het intrekken van het BBA ‘45 (zie artikel XXII, tweede lid, van de Wwz, zoals dit artikellid door middel van artikel XXXIV, onderdeel A, onder 3, van de Verzamelwet SZW 2015 is ingevoegd in de Wwz). Aangezien het aantal verzoeken tot verlenging van de ontheffing is gelimiteerd, kan het overgangsrecht een jaar na inwerkingtreding komen te vervallen.

Het oude overgangsrecht van artikel 8 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten is uitgewerkt en kan komen te vervallen.

Onderdelen A, onder 1, en B

In de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren is geregeld welke bedragen in aanmerking komen voor omrekening naar arbeidsuren. Het voorheen luidende artikel 1, onderdeel c, regelde in samenhang met artikel 2 dat bij beëindiging met wederzijds goedvinden of ontbinding van de dienstbetrekking bepaalde vergoedingen en schadeloosstellingen in verband met het beëindigen van de dienstbetrekking zouden kunnen worden omgezet naar arbeidsuren tot het bedrag dat de werknemer uit loon zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking rechtsgeldig tegen de geldende opzegtermijn zou zijn opgezegd. Aangezien er daardoor geen sprake was van urenverlies, ontstond het recht op een WW-uitkering pas na afloop van de zogeheten fictieve opzegtermijn.

In artikel 671b, achtste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is (met de Wwz) geregeld dat de rechter in de regel de arbeidsovereenkomst ontbindt met inachtneming van de tussen partijen rechtens geldende opzegtermijn (deze termijn kan korter zijn als de grond voor het ontslag is gelegen in ernstig verwijtbaar handelen). Hierdoor is de fictieve opzegtermijn niet meer van toepassing in de gevallen waarbij de rechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, al dan niet in hoger beroep. Wel kan er sprake zijn van een fictieve opzegtermijn, indien de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd of indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt opgezegd zonder in achtneming van de rechtens geldende opzegtermijn. In het redactioneel aangepaste artikel 2 wordt geregeld op welke wijze een schadeloosstelling of vergoeding bij de beëindiging moet worden toegerekend aan de fictieve opzegtermijn. Onderdeel A, onder 1, bepaalt dat de transitievergoeding niet kan worden toegerekend aan de fictieve opzegtermijn, aangezien de transitievergoeding naar zijn aard niet een vergoeding is die moet worden toegerekend. Ditzelfde geldt voor de gelijkwaardige voorziening.

Onderdeel C

Artikel 8 van de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren vervalt. In artikel 8 was geregeld in welke volgorde de uitkeringsrechten beëindigd werden. Met het vervallen van enkele bepalingen in artikel 20 van de Werkloosheidswet (hierna: WW), is de noodzaak van artikel 8 komen te vervallen, waardoor artikel 8 zelf ook kan vervallen.

Artikel II

Dit artikel schrapt de verwijzing naar artikel 8, eerste lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten. Het (oude) overgangsrecht van artikel 8 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten is uitgewerkt en kan daarom vervallen. In de plaats daarvan wordt nieuw overgangsrecht opgenomen in verband met de wijziging van artikel 3 van de Regeling verplichtingen sociale zekerheidswetten (zie artikel VI, onderdeel E).

Artikel III

Dit artikel regelt dat ook artikel 27a, elfde lid, van de WW als grondslag van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen komt te gelden.

Artikel IV

Met ingang van 1 mei 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Regeling ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek bij de directie Participatie en Decentrale Voorzieningen van het Directoraat-generaal Sociale Zekerheid en Integratie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 6 is hierop aangepast.

Artikel V

In dit artikel worden enkele technische verbeteringen aangebracht. Het bedrag dat niet in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering in geval van vervoer per auto wordt bijgesteld op € 0,19. Tevens wordt de verwijzing naar een met de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 vervallen artikel gewijzigd, waardoor een eventuele wijziging in de toekomst van het bedrag, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet op de loonbelasting 1964, doorwerkt in de Regeling vrijlating vergoedingen scholing Werkloosheidswet.

Artikel VI

Onderdeel A

Per 1 januari 2013 is artikel 5 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten komen te vervallen2. In dit artikel werd geregeld dat uitkeringsgerechtigden vrijstelling van hun verplichtingen konden krijgen indien zij vrijwilligerswerk of mantelzorg verrichtten. Nu deze bepaling is komen te vervallen zijn ook de definities in artikel 1 van ‘vrijwilligerswerk’ en ‘mantelzorg’ niet langer nodig.

Onderdeel C

Met de inwerkingtreding van de Wwz is de invoering van de inkomstenverrekening een feit. Dit houdt in dat in plaats van het minderen van uren op de uitkering, nu het inkomen, dat verbonden is aan de werkzaamheden, wordt verrekend met de uitkering. Dit inkomen kan worden verdiend in één of meerdere dienstbetrekkingen maar kan ook voortvloeien uit werkzaamheden waardoor de hoedanigheid van werknemer wordt verloren.

Het invoeren van deze inkomstenverrekening kan als gevolg hebben dat iemand die evenveel uren per week werkt als het gemiddeld aantal arbeidsuren waarop de WW-uitkering is gebaseerd, recht blijft houden op een WW-uitkering, omdat de betrokkene minder verdiende dan voorheen (minder dan 87,5 %).

Voor deze groep wordt een eenmalige vrijstelling van de sollicitatieverplichting en de verplichting om passende arbeid te accepteren geïntroduceerd. Van deze vrijstelling kan slechts eenmaal gedurende de uitkeringsduur van een WW-recht gebruik gemaakt worden. De vrijstelling heeft een duur van drie maanden.

Om voor deze vrijstelling in aanmerking te komen moet de werknemer over evenveel uren als zijn gemiddelde aantal arbeidsuren een inkomen hebben. Het UWV beschouwt het in elk geval als volledige werkhervatting, wanneer iemand voor minimaal 36 uur aan het werk gaat. De volgende groepen van WW-uitkeringsgerechtigden komen voor de vrijstelling in aanmerking:

  • 1. Werknemer die werkzaam is in een dienstbetrekking en inkomen in een kalendermaand ontvangt dat wordt verrekend met de uitkering op grond van artikel 47 van de WW. Het betreft inkomen als bedoeld in artikel 1b, vierde en tiende lid, van de WW en het op dat laatste artikellid gebaseerde artikel 3:2, eerste lid, onderdeel a , van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.

  • 2. De uitkeringsgerechtigde die werkzaamheden verricht waardoor hij zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Dit zijn werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 8 van de WW. De werknemer verdient daarmee inkomen in een kalendermaand zoals bedoeld in artikel 1b, vijfde lid, van de WW en artikel 3:5, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.

Om in aanmerking te komen voor deze vrijstelling moeten de werkzaamheden een duurzaam karakter hebben. Daarom moeten de werkzaamheden een verwachte duur hebben van ten minste drie maanden.

Ter illustratie:

Werknemer is volledig werkloos vanaf 1 juli 2015 en had een dienstverband van 40 uur per week. Het gemiddeld aantal arbeidsuren per week is 40. Op 10 augustus 2015 start de werknemer een nieuwe baan voor 40 uur per week, maar met een lager salaris, waardoor het WW-recht blijft bestaan. Omdat deze werknemer 40 uur werkt, en dus evenveel uur werkt als zijn gemiddeld aantal arbeidsuren voordat hij werkloos werd, komt hij in aanmerking voor de vrijstelling.

Onderdeel D

In artikel 7 werd de vrijstelling van verplichtingen geregeld voor de groep die op de eerste dag van de werkloosheid of ziekte of op de eerste dag dat recht op een WGA-uitkering bestaat de leeftijd van 64 hadden bereikt. De vrijstelling gold voor die groep omdat zij binnen een jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Omdat de AOW-leeftijd als gevolg van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd vanaf 2013 jaarlijks stijgt, wordt daarop aansluitend in deze regeling geregeld dat de vrijstelling wordt verleend wanneer de betreffende persoon op de eerste werkloosheidsdag of ziektedag of op de eerste dag dat het recht op WGA uitkering bestaat, de leeftijd heeft bereikt waarop hij binnen één jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet. Deze wijziging zal met ingang van 1 januari 2016 in werking treden.

Artikel VII

Dit artikel past de Subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen technisch aan. Onderdeel A behelst een verduidelijking voor wie deze regeling bedoeld is: of een jonggehandicapte met arbeidsvermogen, bedoeld in de artikelen 2:3 en 3:2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, of een persoon die algemene bijstand ontvangt en waarvoor het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijkheid draagt. Onderdeel B verduidelijkt dat artikel 1a geldt voor de beoordeling van de groep waarvoor het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijkheid draagt.

Artikel VIII

Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (hierna: OBR) zorgt er voor dat voor de toepassing van die regeling onder inkomen wordt verstaan inkomen als bedoeld in de artikelen 2:2 tot en met 2:4 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Door een wijziging van artikel 2:4 van dat besluit3 wordt een afkoopsom van een ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 66 van de Pensioenwet en artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling niet meer als inkomen beschouwd. Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de OBR is een uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 van de OBR echter óók inkomen, voor zover dit inkomen niet valt onder onderdelen a tot en met e van het eerste lid van artikel 2 van de OBR. Om onduidelijkheid te voorkomen wordt daarom aan onderdeel e van artikel 2 toegevoegd dat de afkoopsom van een klein pensioen, zoals ook in artikel 2:4, tweede lid, onderdeel e, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten is geregeld, niet aangemerkt wordt als inkomen.

Artikel IX

Onderdeel A voorziet in het aanpassen van enkele verkeerde verwijzingen. Deze verwijzingen zijn na de inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2011 niet aangepast. Dit onderdeel voorziet hier alsnog in.

In artikel 2 van de Vakantieregeling WW en IOW zijn de verwijzingen naar de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten aangepast aan de wijzigingen in die regeling. Artikel 5 van de Vakantieregeling WW en IOW is vervallen omdat het nog een al enige jaren uitgewerkte overgangsbepaling bevatte.

Artikel X

Artikel IV werkt terug tot en met 1 mei 2015 in verband met de wijziging per die datum van de bevoegdheid voor de uitvoering van de Regeling ter stimulering van activiteiten die een duurzaam bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek.

Artikel VII behelst een verduidelijking waar terugwerkende kracht aan wordt verleend tot en met 1 april 2015, aangezien dit tijdstip aansluit bij de voorgaande wijziging van betreffende ministeriële regeling (Stcrt. 2015, 8667). Artikel VIII van deze wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2015 en werkt terug tot en met 1 december 2014. Daarmee wordt aangesloten bij het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit waarbij artikel 2:4 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten is gewijzigd. Zie voor een toelichting op de inwerkingtreding met terugwerkende kracht de nota van toelichting bij dat besluit (zie voetnoot 3).

Aan onderdeel A van artikel IX zal terugwerkende kracht worden verleend tot het moment waarop de verkeerde wijziging is ontstaan. Dit is 1 januari 2011, het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen van de Verzamelwet SZW 2011 in werking zijn getreden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Zie onder andere de nota van toelichting bij het besluit van 10 juli 2014 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Stb. 2014, 274).

X Noot
2

Zie artikel II, onderdeel D, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 november 2012 tot wijziging van enige regelingen in verband met de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Stcrt. 2012, 23827)

X Noot
3

Zie het besluit van 18 juni 2015 houdende wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet werk en zekerheid, het invoeren van een ontheffing in verband met de zorg voor een pasgeboren kind bij overlijden van de moeder, een wijziging van het Remigratiebesluit in verband met de berekenwijze van de jaarlijkse indexatie van de remigratie-uitkeringen, het vrijlaten van de afkoopsom klein pensioen voor verschillende uitkeringen in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten alsmede enkele technische wijzigingen in enkele besluiten (Stb. 2015, 242).