Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2014, 8487Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 maart 2014, nummer WBV 2014/8, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf A1/2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2. Bevoegdheid

De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd de grensbewakingstaak binnen Nederland uit te oefenen. Hieronder is de geografische verdeling aangegeven van de gebieden waarin de grensbewaking plaatsvindt. De ZHP en de KMar zijn bevoegd afspraken te maken over het verlenen van bijstand aan elkaar bij de grensbewaking.

ZHP

Alle ambtenaren die zijn tewerkgesteld bij de regionale eenheid van de Nationale Politie in het gebied waarin de haven van Rotterdam is gelegen zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. De ZHP onderdeel van de regionale eenheid Rotterdam is in ieder geval verantwoordelijk voor deze taken. De ambtenaren van de ZHP zijn belast:

  • met de grensbewaking bij de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens;

  • met het uitoefenen van grensbewakingstaken in het Rotterdamse havengebied.

KMar

De ambtenaren van de KMar zijn belast:

  • met de grensbewaking bij alle grensdoorlaatposten in Nederland behalve Rotterdam-Havens, inclusief de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/Europoort in de regio Rotterdam;

  • met het uitoefenen van grensbewakingstaken in de rest van Nederland.

De Beneluxlidstaten zijn overeengekomen om het havengebied Gent-Terneuzen, met inbegrip van het kanaal, te beschouwen als buitengrens van het grondgebied van de Benelux voor de personencontrole van opvarenden van zeeschepen in de kanaalzone Gent-Terneuzen. De grensdoorlaatpost in het havengebied Gent-Terneuzen wordt als buitengrens van het Schengengebied beschouwd.

Tijdelijke grensdoorlaatposten

Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten (artikel 2, achtste lid, SGC). De ambtenaren van de KMar zijn belast met de grensbewaking bij de tijdelijke grensdoorlaatposten.

Visa intrekken of nietig verklaren

In Nederland zijn de ambtenaren van politie de KMar en de ZHP bevoegd om visa, daaronder begrepen een mvv, nietig te verklaren en in te trekken. De ambtenaren van politie, de KMar en de ZHP moeten tijdens kantooruren contact opnemen met de IND voordat zij een visum intrekken of nietig verklaren.

De ambtenaren van politie, de KMar en de ZHP maken de beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum, anders dan een mvv, en de gronden waarop deze beslissing is gebaseerd aan de vreemdeling kenbaar door middel van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode). De ambtenaren van politie, de KMar en de ZHP maken de beslissing tot annulering (nietigverklaring) of intrekking van een mvv bekend door middel van Model M8.

Bijzondere categorieën

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen is bevoegd de bepalingen van de Vw toe te passen op vreemdelingen die niet tot een van de hieronder genoemde categorieën behoren:

  • diplomatieke en consulaire ambtenaren;

  • diplomatieke en consulaire koeriers;

  • leden van internationale organisaties waarmee Nederland een zetelovereenkomst heeft gesloten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen neemt onmiddellijk contact op met het ministerie van BuZa, dat hiertoe ook gedurende het weekeinde en feestdagen telefonisch bereikbaar is in de hierna genoemde situaties:

  • een vreemdeling die op grond van artikel 50, eerste lid, Vw is staande gehouden ter vaststelling van zijn identiteit beroept zich er op dat hij tot een bijzondere categorie behoort, maar de vreemdeling kan op het moment van staande niet door het tonen van een legitimatiebewijs of ander document aannemelijk maken dat hij inderdaad tot een bijzondere categorie behoort;

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen twijfelt op andere gronden of de vreemdeling tot een bijzondere categorie behoort.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen is bevoegd op grond van de in artikel 50, tweede lid, Vw toegekende bevoegdheid de vreemdeling over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en de vreemdeling zich op die plaats laten ophouden.

B

Paragraaf A3/7.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

7.1 Schriftelijke kennisgeving

De vreemdeling die een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wil indienen, stelt de IND daarvan eerst schriftelijk in kennis met het formulier ‘Kennisgeving aanvraag uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw’ (hierna: ‘schriftelijke kennisgeving’) en voegt de relevante medische gegevens en bewijsmiddelen als hieronder vermeld toe.

De IND stelt de schriftelijke kennisgeving en bijlagen beschikbaar:

  • via de website www.ind.nl; en

  • bij de IND-loketten.

Bewijsmiddelen

De vreemdeling legt bij de schriftelijke kennisgeving als hiervoor bedoeld in ieder geval de volgende bewijsmiddelen over:

  • 1. een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden, met vermelding van behandelaar(s) bij wie de vreemdeling momenteel onder behandeling staat;

  • 2. een gedagtekend en ondertekend schriftelijk bewijs van de medische behandelaar(s), niet ouder dan zes weken op het moment waarop het bewijs overgelegd wordt, waaruit blijkt:

    • de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Instituut van Psychologen van de behandelaar(s);

    • welke medische klachten de vreemdeling heeft, waarvoor hij door de behandelaar(s) wordt behandeld;

    • de datum van de start van de behandeling en als dit bekend is de verwachte einddatum van de behandeling.

  • 3. relevante medische gegevens, dat wil zeggen meer gedetailleerde informatie over:

    • de actuele klachten en diagnose die de behandelaar heeft geconstateerd;

    • de medische voorgeschiedenis;

    • de aard van de ingezette of in te zetten behandeling;

    • de voorgeschreven medicatie (indien van toepassing);

    • het beloop van de behandeling en de te verwachten duur ervan.

  • 4. een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocument of andere bewijsmiddelen waarmee de vreemdeling inzicht in zijn identiteit en nationaliteit geeft.

Ad. 3.

De relevante medische gegevens moeten aan alle volgende voorwaarden voldoen:

  • afkomstig zijn van de behandelaar(s) van de vreemdeling;

  • een antwoord bevatten op alle vragen die het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft gesteld in haar brief aan de behandelaar(s). Deze brief maakt onderdeel uit van de bijlage ‘toelichting en bewijsmiddelen medische omstandigheden’;

  • geen antwoorden bevatten op andere vragen dan die gesteld door het BMA.

Ad. 4.

Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding beschouwt de IND de volgende documenten als een bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit:

  • een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • aanvullende gegevens en bewijsmiddelen met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit zoals een identiteitskaart, een geboorteakte of een nationaliteitsverklaring.

De IND start na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving en de verstrekte informatie en bewijsmiddelen de voorbereiding van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de nog in te dienen aanvraag.

De IND beoordeelt of de schriftelijke kennisgeving en de bewijsmiddelen compleet zijn. Het BMA beoordeelt de relevante medische als hiervoor genoemd onder punt 3. De IND stelt de vreemdeling in de gelegenheid om ongeveer twee weken later de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in persoon in te dienen bij de IND. Het BMA start het adviestraject en brengt, indien mogelijk binnen de periode van twee weken, een medisch advies uit.

De IND vraagt de vreemdeling of zijn gemachtigde in ieder geval om aanvullende informatie of bewijsmiddelen als:

  • de schriftelijke kennisgeving niet volledig is ingevuld;

  • de door de vreemdeling verstrekte informatie niet duidelijk is;

  • de relevante medische gegevens of overige bewijsmiddelen niet volledig zijn of in het geheel ontbreken.

De IND geeft schriftelijk aan de vreemdeling door welke gegevens ontbreken. De reeds ontvangen medische stukken hoeft de vreemdeling niet opnieuw naar de IND te sturen, tenzij deze ouder zijn geworden dan drie maanden.

Op het moment dat de vreemdeling de ontbrekende gegevens aanlevert, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om de aanvraag op grond van artikel 64 Vw in persoon in te dienen bij de IND.

7.1.1 Aanvraag op grond van artikel 64 Vw

De aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw moet worden voorafgegaan door een schriftelijke kennisgeving als beschreven in paragraaf A3/7.1 Vc. Na de schriftelijke kennisgeving maakt de IND met de vreemdeling een afspraak om de aanvraag in persoon in te dienen. De vreemdeling moet de aanvraag indienen met het formulier ‘aanvraag uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw’. Dit formulier is verkrijgbaar:

  • via de website www.ind.nl; en

  • bij de IND-loketten.

De IND wijst de aanvraag in ieder geval af als de vreemdeling, nadat de IND hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, de incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.1 Vc niet heeft aangevuld.

De ééndagstoets

De procedure als beschreven in artikel 6.1c, derde lid, Vb, wordt aangeduid als de ééndagstoets. De IND behandelt de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw binnen de ééndagstoets.

Indien de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw niet in de ééndagstoets kan worden afgedaan, mag de beslistermijn op de aanvraag eenmalig worden verlengd met dertien weken. De verlenging van de beslistermijn is in ieder geval redelijk als BMA onderzoek moet doen naar de medische problematiek van de vreemdeling. De IND maakt aan de vreemdeling schriftelijk bekend binnen welke termijn een besluit op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw kan worden verwacht.

Het indienen van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw schort de vertrekplicht niet op. In afwachting van het besluit op de aanvraag, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf ex artikel 8 Vw.

In beginsel maakt de DT&V geen gebruik van de bevoegdheid tot uitzetting van de vreemdeling, zolang op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw niet is beslist.

Het indienen van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw schort de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva niet op.

Als de IND de aanvraag afwijst, brengt de IND de vreemdeling hier schriftelijk van op de hoogte.

Het komt voor dat BMA in het advies aangeeft dat de vreemdeling in staat is om te reizen, maar dat dit onder voorwaarden moet plaatsvinden. Het is de verantwoordelijkheid van de vreemdeling om dit regelen. Het uitgangspunt in het vreemdelingenbeleid is namelijk dat de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen een bepaalde termijn. Slechts in geval van uitzetting ziet de DT&V erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Het opvragen en meenemen van het medisch dossier is ook de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. De DT&V wijst de vreemdeling of zijn gemachtigde hierop.

7.1.2 Raadplegen BMA

Bij de beoordeling van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw verzoekt de IND het BMA om een advies uit te brengen als de IND dit op grond van de overgelegde bewijsmiddelen nodig acht om de aanvraag te beoordelen. De IND verzoekt het BMA in ieder geval niet om een advies uit te brengen als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.1 Vc overlegt en deze, nadat de IND hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet heeft aangevuld.

Het raadplegen van BMA is niet nodig als het gaat om een aanvraag op grond van artikel 64 Vw bij zwangerschap of tuberculose (zie paragraaf A3/7.4 en 7.5 Vc).

De IND verleent ook uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw zonder hiervoor medisch advies aan het BMA te vragen als uit een bewijs blijkt dat de vreemdeling:

  • a. klinisch opgenomen is; en

  • b. een actieve medische behandeling ondergaat die niet buiten de kliniek mogelijk is; en

  • c. in dit verband tijdelijk niet in staat is om te reizen.

De IND verleent in deze gevallen uitstel van vertrek voor de duur van de opname tot een maximum van een half jaar.

De vreemdeling hoeft zijn medische situatie niet aan te tonen als de DT&V, het COA of de ambtenaar belast met grensbewaking, concrete aanwijzingen heeft dat de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen. De vreemdeling moet onder behandeling staan bij een behandelaar. In dit geval moet de ambtenaar belast met de uitzetting of ontruiming of de ambtenaar van de DT&V ook zonder nadere onderbouwing van het beroep op artikel 64 Vw door de vreemdeling zich ervan vergewissen of de uitzetting achterwege moet blijven en bij de IND een medisch advies (laten) vragen.

De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet aantoont. In dat geval is niet duidelijk in welk land naar behandelmogelijkheden moet worden gezocht en wordt uitgegaan van het bestaan ervan.

7.1.3 Inwilliging

De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:

  • dat uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;

  • de duur van de opschorting van het vertrek. Deze periode vangt aan op de datum van de beschikking waarbij de IND artikel 64 Vw toepast en is gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar.

De IND informeert de DT&V dat uitzetting tijdelijk achterwege blijft. Als de vreemdeling aanspraak wil maken op Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.

De IND of DT&V moet altijd een forensisch geneeskundige GG&GD inschakelen wanneer sprake is van een acuut besmettingsgevaar van tbc.

Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, plaatst de IND daarin een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV), met vermelding van de duur van de opschorting van het vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt een van de volgende situaties:

  • als artikel 64 Vw voor de duur van minder dan zes weken wordt toegepast, krijgt de vreemdeling een brief van de IND waarin staat voor hoe lang de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;

  • als artikel 64 Vw voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, krijgt de vreemdeling een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV). De geldigheidsduur van het document W2 is altijd gelijk aan de periode dat de uitzetting achterwege wordt gelaten.

Na afloop van de opschorting van het vertrek ontstaat de plicht voor de vreemdeling om Nederland te verlaten overeenkomstig de vertrektermijn van het gelijktijdig met de toekenning of voordien gegeven terugkeerbesluit.

Er is geen nieuw besluit nodig.

7.1.4. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een inreisverbod

De IND wijst een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw af als aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw. De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan wel aanleiding zijn om tijdelijk de vreemdeling niet uit te zetten. Uitzetting blijft achterwege zonder dat sprake is van rechtmatig verblijf en zonder dat het inreisverbod wordt opgeheven. De IND stelt in deze situatie geen aantekening in het document voor grensoverschrijding.

De IND kan een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw inwilligen als aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd op grond van artikel 66a, zesde lid, onder b, Vw.

7.1.5 Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een overdracht op grond van de Verordening (EU) nr.604/2013

De IND past artikel 64 Vw niet toe als de vreemdeling op grond van de Verordening (EU) nr.604/2013 wordt overgedragen aan een bij de Verordening aangesloten lidstaat. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij de vreemdeling met bewijsmiddelen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat.

De vreemdeling dient in dat geval een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw schriftelijk in bij de IND zonder schriftelijke kennisgeving. Deze aanvraag moet onderbouwd worden met:

  • een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden met vermelding van de behandelaar(s) bij wie de vreemdeling momenteel onder behandeling staat; en

  • bewijs omtrent de medische situatie van de vreemdeling; en

  • medische stukken waaruit blijkt dat de vreemdeling niet in staat is om fysiek overgedragen te worden aan een bij de Verordening (EU) nr. 604/2013 aangesloten lidstaat.

Als de vreemdeling geen medische bewijsmiddelen ter onderbouwing van de aanvraag indient en/of een ingevulde toestemmingsverklaring ontbreekt, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid binnen een redelijke termijn van twee weken de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen. Als de vreemdeling hier niet aan voldoet, wijst de IND de aanvraag af. De termijn van twee weken kan korter zijn als de uitzetting van de vreemdeling eerder is gepland.

Bij de beoordeling van een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, waarbij sprake is van een overdracht aan één van de bij de Verordening aangesloten lidstaten, kan de IND het BMA verzoeken om een advies uit te brengen.

C

Paragraaf A3/7.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

7.2 Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming

De IND stelt vast of de vreemdeling alle relevante bewijsmiddelen heeft overgelegd die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies op te vragen voor de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie paragraaf A3/7.1 Vc).

De IND past artikel 64 Vw toe in afwachting van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als de IND op de datum van de afspraak aan het IND-loket vaststelt dat:

  • de vreemdeling een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw heeft ingediend; en

  • de vreemdeling voorafgaand aan de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij de schriftelijke kennisgeving alle relevante bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.1 Vc heeft overgelegd op de wijze zoals beschreven in die paragraaf; en

  • het advies van het BMA nog niet gereed is.

De IND verleent artikel 64 Vw in dit geval voor maximaal drie maanden vanaf de datum van de beschikking waarbij artikel 64 Vw wordt toegepast, of zoveel korter totdat de IND een besluit op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw heeft genomen. Artikel 64 Vw vervalt nadat de drie maanden zijn verstreken of na het besluit op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Als de IND na drie maanden nog geen besluit heeft genomen, past de IND ambtshalve opnieuw artikel 64 Vw ambtshalve toe voor maximaal drie maanden.

Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, is de werkwijze zoals beschreven onder paragraaf A3/7.1.3 Vc, met betrekking tot het plaatsen van een sticker Verblijfsaantekening algemeen, van toepassing. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt de vreemdeling, in afwijking van paragraaf A3/7.3.1 Vc, in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw, voor een periode van drie maanden of zoveel korter totdat de IND een besluit op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw heeft genomen.

D

Paragraaf A3/7.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

7.2.1 Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw

De vreemdeling heeft recht op opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als hij aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • de IND verleent artikel 64 Vw, in afwachting van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, zoals in de vorige paragraaf beschreven;

  • de vreemdeling een:

  • uitgeprocedeerde asielzoeker is; of

  • asielzoeker is die zich in de hoger beroepsfase van de asielprocedure bevindt; en

  • de vreemdeling heeft op de schriftelijke kennisgeving aangegeven dat hij, in afwachting van de beslissing op de aanvraag, in aanmerking wil komen voor opvang.

E

Paragraaf A3/7.5 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

7.5 Procedure bij tbc

De IND schort de uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden op als bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden tbc is geconstateerd. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij deze vreemdeling of een van zijn gezinsleden overgedragen wordt op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 of overdracht zal plaatsvinden aan een bij de Verordening (EU) nr. 604/2013 aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. Zie paragraaf A3/7.1.5 Vc.

Als open tbc is geconstateerd bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden blijft de uitzetting opgeschort ongeacht het land waarnaar de uitzetting wordt beoogd.

Voor de toepassing van artikel 64 Vw wegens tbc is geen advies van het BMA nodig en is ook geen toestemmingsverklaring vereist. Tbc wordt aangenomen door de IND nadat de vreemdeling een gedagtekende verklaring van een GG&GD-arts overlegt. Deze verklaring moet vermelden dat de vreemdeling tbc heeft en wat de te verwachten behandeltermijn is. De verklaring van de GG&GD-arts mag niet ouder zijn dan twee weken. Na het verstrijken van de behandeltermijn van de tbc gaat de DT&V tot uitzetting van de vreemdeling over.

Wanneer een vreemdeling niet in het bezit is van een document voor grensoverschrijding wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf A3/7.1.3 Vc.

Als de vreemdeling bij wie tbc is geconstateerd zich onttrekt aan de medische behandeling en er geen besmettingsgevaar aanwezig is, is er niet langer een reisbeletsel op grond van artikel 64 Vw. Onttrekt de vreemdeling zich aan de medische behandeling en er is een besmettingsgevaar aanwezig, dan is zijn uitzetting uit Nederland met het oog op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord te achten in de zin van artikel 64 Vw. Als sprake is van verdenking van tbc, zal de uitzetting van de vreemdeling in beginsel worden opgeschort tot het onderzoek naar tbc is voltooid.

F

Paragraaf B1/3.4.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.4.1 Algemene bepalingen

3.4.1.1. De aanvraag

De herhaalde aanvraag

De IND merkt in het kader van artikel 4:6 Awb enkel feiten en omstandigheden als nieuw aan die:

  • op het moment waarop de eerste aanvraag werd afgewezen niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en

  • aanleiding geven tot heroverweging van de eerste aanvraag.

Verzoek om heroverweging

De IND beschouwt een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking als een aanvraag die niet is ingediend overeenkomstig de formele vereisten voor de indiening van een aanvraag.

De IND stelt de vreemdeling in de gelegenheid om aan de formele vereisten te voldoen.

Meer verblijfdoelen

De IND beoordeelt slechts één verblijfsbeperking per aanvraag, met uitzondering van de gronden genoemd in artikel 3.6, eerste lid, Vb.

Ambtshalve toets

Bij afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb, beoordeelt de IND ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in artikel 3.6, eerste lid, Vb.

De IND doet dit volgens een vaste volgorde.

De IND beoordeelt ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in artikel 3.6, eerste lid, Vb als de IND:

  • de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb afwijst;

  • de aanvraag tot het verlengen van een geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb afwijst;

  • de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb intrekt.

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder e, Vb juncto artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb ambtshalve als de Minister hier op grond van zijn discretionaire bevoegdheid toe heeft besloten. Als de bijzondere individuele omstandigheden zich niet lenen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden kan op grond van artikel 3.6b Vb ambtshalve een verblijfsvergunning worden verleend onder de beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden.

Als de IND ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van artikel 3.6, eerste lid, Vb, beoordeelt de IND op grond van artikel 6.1d Vb ambtshalve of er reden is voor toepassing van artikel 64 Vw.

De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6 Vb en 6.1d Vb achterwege, als de IND aan de vreemdeling gelijk met de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een zwaar inreisverbod oplegt.

3.4.1.2 Vereisten voor de indiening van de aanvraag

Plaats van indiening aanvraag

Op grond van artikel 3.101 Vb worden de volgende aanvragen ingediend bij de IND:

  • de aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;

  • de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd; en

  • de aanvraag tot het vervangen of vernieuwen van het verblijfsdocument om redenen als genoemd in artikel 4.22 Vb.

De aanvrager dient de aanvraag in bij een door de IND opgegeven postadres of IND-loket dat de IND via zijn website of het aanvraagformulier kenbaar maakt. De IND maakt op zijn website of op het aanvraagformulier eveneens kenbaar op welke wijze de aanvrager de leges moet betalen. De aanvrager dient de aanvraag in met het vereiste formulier, dat bij de IND verkrijgbaar is.

Uitzondering voor het indienen van de aanvraag bij de IND

De vreemdeling moet de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel indienen bij de politie van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.

Beschikbaar tijdens de ééndagstoets

De IND kan de vreemdeling met het oog op zijn beschikbaarheid tijdens de ééndagstoets regulier een aanwijzing geven door middel van model M117D, op de dag dat de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een IND-loket indient. De IND licht de aanwijzing mondeling toe.

Schriftelijke kennisgeving

Op grond van artikel 3.99a Vb moet een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in hetzelfde artikel voorafgegaan worden door een schriftelijke kennisgeving.

De vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99a Vb wil indienen, stelt de IND daarvan eerst in kennis met de daarvoor bestemde schriftelijke kennisgeving. De vreemdeling geeft op de schriftelijke kennisgeving aan op grond van welke (nieuwe) feiten en omstandigheden de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wil indienen en voegt alle relevante bewijsmiddelen, als aangegeven op het formulier, bij.

De IND stelt de schriftelijke kennisgeving beschikbaar:

  • via de website www.ind.nl; en

  • bij de IND-loketten.

In artikel 3.102b Vb is aangegeven in welke gevallen de vreemdeling bij de schriftelijke kennisgeving in ieder geval de voor de beslissing relevante medische gegevens (zie paragraaf A3/7.1 Vc) en overige bewijsmiddelen moet overleggen.

Na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving:

  • 1. start de IND op basis van de bij het formulier verstrekte bewijsmiddelen de voorbereiding van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de nog in te dienen aanvraag; en

  • 2. stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om ongeveer twee weken later de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99a Vb, in persoon in te dienen bij de IND.

  • de schriftelijke kennisgeving niet volledig is ingevuld;

  • de door de vreemdeling verstrekte informatie niet duidelijk is;

  • onvoldoende of geen bewijsmiddelen zijn overgelegd.

Ad 1.

Gedurende dit onderzoek vraagt de IND de vreemdeling of zijn gemachtigde om aanvullende informatie of bewijsmiddelen en biedt de IND de vreemdeling de mogelijkheid om de aanvraag als bedoeld onder 2 op een later moment in dienen, als blijkt dat:

Leges

De IND eist dat de vreemdeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb de verschuldigde leges per kas of per elektronische betaling ter plekke aan het IND-loket voldoet.

Indiening door een wettelijk vertegenwoordiger

De IND merkt als wettelijke vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 23 Vw juncto artikel 3.99 Vb aan:

  • de ouder;

  • de voogd; of

  • de curator.

Als degene die een aanvraag indient namens een minderjarig kind niet aantoont diens wettelijke vertegenwoordiger te zijn, geeft de IND een termijn van drie maanden na kennisgeving om dat gebrek te herstellen. Het herstellen van het gebrek geschiedt door:

  • een voogdijvoorziening in Nederland; of

  • door de ondertekening van de aanvraag namens het kind door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind die zich in het land van herkomst bevindt.

De IND stelt de aanvraag buiten behandeling als:

  • het kind voor wie de aanvraag is ingediend jonger is dan 12 jaar; en

  • de wettelijke vertegenwoordiging na afloop van genoemde termijn van drie maanden niet is aangetoond.

De IND stelt de aanvraag niet buiten behandeling als de aanvraag is ondertekend door een vreemdeling van 12 jaar of ouder.

3.4.1.3 Herstel verzuim

Als de aanvraag niet voldoet aan de vereisten om deze in behandeling te kunnen nemen, dan geeft de IND de aanvrager op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb een termijn van twee weken na kennisgeving om dit verzuim te herstellen. De IND schort in dit geval de beslistermijn op met ingang van de dag waarop de IND de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

In afwijking hiervan geeft de IND de aanvrager:

  • een termijn van drie maanden na kennisgeving als de wettelijke vertegenwoordiging van een minderjarig kind niet is aangetoond (zie ook 3.3.1.2 bij indiening door een wettelijk vertegenwoordiger);

  • een termijn van vier weken na kennisgeving als de vreemdeling niet meteen een geldig document van grensoverschrijding over kan leggen;

  • een termijn van het tijdsverloop dat gemoeid is met de handeling van kas- of elektronische betaling, als sprake is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb en de vreemdeling het verschuldigde legesbedrag niet ter plekke per kas of per elektronische betaling heeft voldaan.

De IND geeft geen herstel verzuim als de IND van tevoren vaststelt dat de vreemdeling ook overigens niet voldoet aan één of meer voorwaarden van het beoogde verblijfsdoel.

De IND verlengt de in de kennisgeving genoemde termijn om de aanvraag aan te vullen als sprake is van bijzondere omstandigheden.

De IND kan een (aanzienlijk) kortere termijn geven als:

  • sprake is van een ééndagstoets, waarbij de IND de vreemdeling al voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gewezen op het ontbreken van informatie en/of bewijsmiddelen; en

  • de vreemdeling deze bewijsmiddelen desondanks niet heeft overgelegd op het moment dat de aanvraag wordt ingediend.

3.4.1.4 Beslistermijn

Aanvragen van een erkende referent

De IND streeft ernaar om binnen een termijn van twee weken na ontvangst te beslissen op een door een erkende referent ingediende aanvraag met het oog op afgifte van een mvv of op een aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of wijziging van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

De IND beslist niet binnen twee weken op voornoemde aanvragen als sprake is van één van de volgende gevallen:

  • de aanvraag is niet op de voorgeschreven wijze en voorzien van de benodigde gegevens ingediend;

  • een nader onderzoek is vereist;

  • het betreft een aanvraag voor een vergunning voor verblijf en arbeid;

  • het betreft een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarvoor een TWV is vereist; of

  • de aanvraag wordt niet aan de hand van de eigen verklaringen van de erkende referent beoordeeld, maar aan de hand van de onderliggende gegevens.

De ééndagstoets

Artikel 3.99, vierde lid, Vb regelt het verloop van de procedure van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikelen 3.99a en 3.99b Vb. De procedure als beschreven in 3.99, vierde lid, Vb wordt aangeduid als de ééndagstoets regulier.

3.4.1.5 Bekendmaking van de beschikking

De IND verzendt geen beschikking in de volgende gevallen:

  • de vreemdeling zit in vreemdelingenbewaring. De grondslag van de inbewaringstelling moet worden gewijzigd en beide beschikkingen worden tegelijkertijd aan de vreemdeling uitgereikt;

  • de vreemdeling wordt ongewenst verklaard. Zie A4/3.4;

  • tegen de vreemdeling wordt een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zevende lid, Vw uitgevaardigd. Zie A4/2.4.2;

  • de aanvraag wordt in eerste aanleg afgewezen en de vreemdeling mag de beslissing op het bezwaarschrift niet in Nederland afwachten en er wordt een vrijheidsbeperkende of vrijheidontnemende maatregel opgelegd;

  • het is een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.99a en artikel 3.99b Vb, tenzij de vreemdeling aantoont dat het in persoon ophalen van de beslissing niet mogelijk is.

3.4.1.6 Intrekking van de aanvraag

De vreemdeling kan alleen met een model M53 zijn aanvraag om een verblijfsvergunning intrekken als hij in bewaring is gesteld.

G

Paragraaf B1/4.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.1 Mvv-vereiste

Hardheidsclausule

Op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

Bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule

De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval toe bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning van een vreemdeling:

  • van wie de terugkeer in verband met een medische noodsituatie leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard; of

  • die minderjarig is en op grond van een in het buitenland uitgesproken adoptie, door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands document voor grensoverschrijding, terwijl geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlands document voor grensoverschrijding;

  • die een minderjarig kind is van en samen in Nederland verblijft met de houder van een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden, verband houdend met mensenhandel of eergerelateerd geweld of huiselijk geweld.

Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule

De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval niet toe als de vreemdeling:

  • het beroep op de hardheidsclausule niet heeft gemotiveerd of met relevante gegevens en bescheiden heeft onderbouwd binnen een door de IND gestelde termijn;

  • stelt dat aan een of meer voorwaarden voor vrijstelling slechts op een onderdeel niet is voldaan;

  • stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor het gestelde verblijfsdoel is voldaan, afgezien van het mvv-vereiste;

  • asielgerelateerde gronden aanvoert;

  • als asielzoeker is uitgeprocedeerd;

  • stelt dat terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet kan worden verlangd, maar dit niet binnen een door de IND gestelde termijn met gegevens en bescheiden heeft onderbouwd;

  • aangeeft dat de noodzakelijke medische behandeling aan terugkeer – teneinde een mvv te verkrijgen – naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie; of

  • meer dan twee jaar na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om verlenging of wijziging hiervan heeft gevraagd. Tenzij het overschrijden van deze termijn niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

H

Paragraaf B1/5.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

5.3 Wijziging van de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking

De aanvraag tot wijziging van de beperking is vereist in de volgende gevallen:

  • de vreemdeling wil zijn verblijf in Nederland voortzetten op grond van een andere beperking dan de beperking waaronder hij aanvankelijk was toegelaten; of

  • de vreemdeling wil gezinshereniging bij een ander familie- of gezinslid dan bij wie hij aanvankelijk was toegelaten.

Als de aanvraag tot wijziging van de beperking wordt ingediend na de redelijke termijn van twee jaar, dan is het mvv-vereiste van toepassing (zie B1/6.1 Ad b voor een toelichting op de redelijke termijn).

Een aanvraag tot wijziging van de beperking is niet vereist in die gevallen waarbij de vreemdeling zijn verblijf wil voortzetten onder dezelfde beperking, maar bij een andere referent dan bij wie hij oorspronkelijk is toegelaten.

In een dergelijk geval moet:

  • a) de vorige referent de vreemdeling afmelden bij de IND met een bij de IND te verkrijgen formulier; en

  • b) de nieuwe referent de vreemdeling met een bij de IND te verkrijgen formulier aanmelden bij de IND.

Ad b)

De nieuwe referent moet zich met het formulier referent stellen van de vreemdeling en verklaren dat de vreemdeling nog steeds aan alle voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning voldoet. De melding moet binnen vier weken na de opgetreden wijziging door de IND zijn ontvangen.

De vreemdeling die een aanvraag tot wijziging van de beperking bedoeld in artikel 3.46 Vb, wil indienen stelt de IND conform artikel 3.99a, derde lid, Vb, daarvan eerst in kennis met de daarvoor bestemde schriftelijke kennisgeving (zie ook paragraaf B1/3.3.1.2 Vc).

I

Paragraaf B1/6.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6.2 Gronden voor het niet-verlengen en intrekken van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wanneer één van de in artikel 18 Vw genoemde gronden zich voordoet.

Ambtshalve toets

De IND beoordeelt op grond van artikel 3.6, vijfde lid, Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de beleidskaders genoemd in artikel 3.6, eerste lid, Vb als de IND:

  • een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb afwijst;

  • een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb intrekt.

Als de IND geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van artikel 3.6, eerste lid Vb, beoordeelt de IND op grond van artikel 6.1d Vb ambtshalve of er reden is voor toepassing van artikel 64 Vw.

De IND beoordeelt uitsluitend ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46 Vb of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als:

  • de vreemdeling zich in het kader van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur of de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beroept op medische omstandigheden; en

  • de vreemdeling zijn relevante medische gegevens en overige bewijsmiddelen heeft overgelegd (zie paragraaf A3/7.1 vc).

Zie ook paragraaf B1/3.4.1.1 Vc onder het kopje ambtshalve toets.

J

Paragraaf B8/1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op tijdelijke humanitaire gronden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende verblijfsdoelen:

  • eergerelateerd en huiselijk geweld;

  • slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel;

  • vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken;

  • amv’s die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken;

  • remigratie op grond van artikel 8 Remigratiewet;

  • verblijf in afwachting van een verzoek ex artikel 17 RWN;

  • medische behandeling.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 3.6, 3.46, 3.48, 3.49, 3.99a, 3.102b, 61c en 6.1d Vb.

K

Paragraaf B8/2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.1 Beleidsregels

Eergerelateerd geweld

De IND verleent op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder e, Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een slachtoffer van eergerelateerd geweld als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • 1. er is sprake van een dreiging met eergerelateerd geweld in Nederland én in het land van herkomst;

  • 2. er is een reële dreiging die niet op korte termijn kan worden weggenomen;

  • 3. de wijze waarop uiting kan worden gegeven aan het eergerelateerd geweld is voldoende ernstig; en

  • 4. de vreemdeling komt niet op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

Ad 1. en 2.

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als uit het deskundigenadvies van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld voor de Nederlandse politie (LEC EGG) blijkt dat sprake is van een reële en langdurige dreiging van eergerelateerd geweld in Nederland. Het LEC EGG betrekt in haar advies in ieder geval de mogelijkheid om de dreiging af te wenden.

Naast dreiging in Nederland moet ook in het land van herkomst van het slachtoffer dreiging aanwezig zijn. Het slachtoffer moet in dit kader aannemelijk maken of:

  • familieleden in het land van herkomst wonen;

  • welke familieleden dat zijn; en

  • waar deze familieleden woonachtig zijn.

Ad 3.

De IND verstaat onder een voldoende ernstige uiting van eergerelateerd geweld in ieder geval:

  • levensbedreigende delicten gericht tegen het slachtoffer of zijn kinderen, waaronder ook wordt begrepen het aanzetten tot zelfmoord, waartegen het slachtoffer geen weerstand kan bieden;

  • andere strafbare feiten, gericht tegen het slachtoffer of zijn kinderen, zoals verminking, mishandeling of wederrechtelijke vrijheidsberoving;

  • verstoting, met als gevolg dat het slachtoffer zich niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst;

  • kinderontvoering; of

  • als het geweld leidt tot schrijnende omstandigheden, zoals gedwongen scheiding tussen ouder en kind of een gedwongen uithuwelijking.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning niet af wegens:

  • het ontbreken van een geldige mvv, mits aan alle andere voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een slachtoffer van eergerelateerd geweld is voldaan.

Huiselijk geweld

De IND verleent op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder f, Vb een verblijfsvergunning aan een slachtoffer van huiselijk geweld als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • 1. er is sprake van (een reële dreiging van) huiselijk geweld;

  • 2. het huiselijk geweld heeft geleid tot verbreking van de (huwelijks)relatie;

  • 3. het huiselijk geweld heeft geen relatie met eer(wraak);

  • 4. het slachtoffer kan zich niet onttrekken aan het huiselijk geweld door vestiging in het land van herkomst; en

  • 5. het slachtoffer komt niet op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

Ad 2.

Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten.

Uitsluitend bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.

Ad 4.

De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij zich niet aan het geweld kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst. Naast geweld of dreiging van geweld in Nederland moet ook in het land van herkomst dreiging aanwezig zijn. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat van de kant van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging voor betrokkene uitgaat.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb, wijst de IND de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning niet af wegens:

  • het ontbreken van een geldige mvv, mits aan alle andere voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een slachtoffer van huiselijk geweld is voldaan.

L

Paragraaf B8/3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.1 Beleidsregels

Voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling die via Schiphol Nederland inreist zijn de bevoegdheden van de Districtscommandant KMar Schiphol gelijkgesteld met die van de Korpschef van Politie.

EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf neergelegde bepalingen voor zover zij geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht.

De IND onderscheidt drie verblijfsrechtelijke situaties met betrekking tot het tijdelijke verblijfsrecht van slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel:

  • 1. de bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel;

  • 2. de verblijfsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel; en

  • 3. de verblijfsvergunning voor getuige-aangevers van mensenhandel.

Ad 1. De bedenktijd

Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van artikel 8, onder k Vw een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.

Reeds bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel, biedt de politie aan het vermoedelijke slachtoffer de bedenktijd aan.

Gedurende de bedenktijd schort de IND het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland op.

De periode van de bedenktijd is eenmalig en wordt niet verlengd.

De bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven en:

  • werkzaam zijn of zijn geweest in een situatie als strafbaar gesteld in artikel 273f WvSr;

  • nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f WvSr, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel; of

  • geen toegang tot Nederland hebben gehad, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel waarbij de KMar, zo nodig in overleg met het OM, bepaalt of er voldoende signalen van mensenhandel zijn om bedenktijd aan te bieden.

De bedenktijd staat niet open voor getuige-aangevers van mensenhandel.

De IND verleent de bedenktijd aan vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevinden uitsluitend als het OM en de politie hiermee akkoord gaan.

Gedurende de periode van de bedenktijd moet het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks melden bij de regionale eenheid van de politie waar hij of zij administratief is ondergebracht.

De bedenktijd eindigt op het moment dat:

  • de politie vaststelt dat het vermoedelijke slachtoffer tijdens de periode van de bedenktijd ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken;

  • het vermoedelijke slachtoffer gedurende de periode van de bedenktijd aangeeft af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte;

  • het vermoedelijke slachtoffer aangifte van mensenhandel heeft gedaan en het proces-verbaal heeft ondertekend, of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte; of

  • het vermoedelijke slachtoffer een aanvraag voor een verblijfsvergunning (anders dan op grond van deze paragraaf) indient.

Als de bedenktijd eindigt, heft de IND de opschorting van het vertrek op.

Ad 2. en 3. De verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel

De IND merkt de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (Model M55) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie is doorgestuurd naar de IND.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling:

  • een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan of anderszins medewerking is verleend; of

  • niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

De IND beslist op een aanvraag van een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel binnen een streeftermijn van 24 uur nadat de aanvraag door de politie aan de IND is verzonden.

Ambtshalve verlening in de asielprocedure

In afwijking van het bovenstaande merkt de IND de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel gedurende de asielprocedure (Model M55) niet ambtshalve aan als aanvraag als de vreemdeling er voor kiest de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wachten.

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd uitsluitend ambtshalve:

  • nadat is geconstateerd dat de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt afgewezen; of

  • nadat is besloten dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt ingetrokken.

De IND toetst bij de ambtshalve beoordeling ex nunc.

De IND verleent de verblijfsvergunning niet ambtshalve als;

  • de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek;

  • geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan de vreemdeling aangifte heeft gedaan of waaraan de vreemdeling op andere wijze medewerking heeft verleend.

Slachtoffers die niet kunnen of willen meewerken

De IND kan aan een slachtoffer van mensenhandel op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder d, Vb een verblijfsvergunning verlenen, als het slachtoffer aantoont dat hij geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met:

  • een ernstige bedreiging; en/of

  • een medische of psychische beperking.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid Vb wijst de IND de aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van het slachtoffer dat niet kan of wil meewerken niet af als het slachtoffer:

  • een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waar de vreemdeling slachtoffer van is;

  • niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; of

  • niet beschikt over een geldige mvv, mits aan de overige voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers die niet kunnen of willen meewerken is voldaan.

M

Paragraaf B8/9.1.6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

9.1.6 Medisch advies

De IND verleent de verblijfsvergunning als uit een advies van het BMA blijkt dat sprake is van een medische behandeling waar de vreemdeling verblijfsrechten aan kan ontlenen.

De IND wijst de aanvraag van de vreemdeling af zonder advies aan het BMA te vragen als de vreemdeling:

  • geen volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring niet ouder dan zes maanden, overlegt;

  • geen bewijs omtrent de medische situatie overlegt;

  • geen of onvoldoende relevante medische gegevens overlegt (zie paragraaf A3/7.1 Vc);

  • tijdens de procedure om verlening van een verblijfsvergunning voor medische behandeling in verband met een medische noodsituatie (zie onder B8/9.1.2, onder 2 en 3), een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum indient (zie A2/4.3.3.2) voor een bezoek aan het land van herkomst, met een langere duur dan één maand.

De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aantoont (zie ook B1/4.2).

N

Paragraaf B8/9.1.9 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

9.1.9 Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling

De vreemdeling heeft recht op opvang in afwachting van de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling als hij aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • de vreemdeling heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor medische behandeling ingediend;

  • de vreemdeling heeft voorafgaand aan de aanvraag voor de verblijfsvergunning bij de schriftelijke kennisgeving alle relevante bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.1 Vc overgelegd op de wijze zoals beschreven in die paragraaf (zie ook paragraaf B1/3.3.1.2 Vc);

  • de vreemdeling heeft een geldig document voor grensoverschrijding overgelegd (paragraaf B8/9.1.1 Vc is van overeenkomstige toepassing);

  • de vreemdeling is een:

  • uitgeprocedeerde asielzoeker; of

  • asielzoeker die zich in de hoger beroepsfase van de asielprocedure bevindt;

  • de vreemdeling heeft op de schriftelijke kennisgeving aangegeven dat hij in afwachting van de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling in aanmerking wil komen voor opvang.

O

Paragraaf B8/9.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

9.4 Bewijsmiddelen

Bijzonderheid specialisme

De IND beschouwt een daartoe strekkende medische verklaring als bewijsmiddel van de bijzonderheid van het specialisme als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 1.

Verblijf in Nederland

De IND beschouwt objectieve bescheiden als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 2. Ook moet uit deze of andere bescheiden het moment van aanvang van medische behandeling blijken. De IND beschouwt getuigenverklaringen niet als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 2.

Mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf

De IND beschouwt officiële bescheiden, zoals een familieboekje of overlijdensakte, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er geen gezins- of familieleden in het land van herkomst of bestendig verblijf zijn die de mantelzorg op zich kunnen nemen.

Huwelijk en geregistreerd partnerschap

De IND beschouwt een huwelijksakte als bewijsmiddel dat de vreemdeling is gehuwd met de partner of echtgenoot van de vreemdeling, als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 5.

Erkenning

De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend, als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 5:

  • een daartoe strekkende akte van erkenning opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand; of

  • een daartoe strekkende notariële akte van erkenning.

Als de erkenning naar vreemd (niet-Nederlands) recht heeft plaatsgevonden, beschouwt de IND bewijsmiddelen over de staat van personen als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend.

Deugdelijke financiering van de medische behandeling

De IND beschouwt een geldige polis van de afgesloten ziektekostenverzekering waaruit blijkt dat de kosten voor de volledige medische behandeling gedekt zijn als bewijsmiddel dat sprake is van deugdelijke financiering van de medische behandeling als bedoeld in paragraaf B8/9.1.5 Vc. De IND beschouwt een polis van de afgesloten ziektekostenverzekering in ieder geval niet als bewijsmiddel in een van de volgende situaties:

  • de ziektekostenverzekering uit de algemene middelen wordt betaald; of

  • de premie van de ziektekostenverzekering wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de algemene middelen.

Bewijslast medische omstandigheden

De IND beschouwt in ieder geval de bewijsmiddelen 2 en 3 genoemd in paragraaf A3/7.1 Vc, onder het kopje ‘bewijsmiddelen’ als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich terecht beroept op medische gronden.

Inschakeling BMA bij ongedocumenteerde vreemdelingen

De IND beschouwt als bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding:

  • een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • aanvullende gegevens en bescheiden met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit zoals een identiteitskaart, een geboorteakte of een nationaliteitsverklaring.

P

Paragraaf B9/8.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.1 Algemene verblijfsvoorwaarden

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning als:

  • 1. gedurende vijf jaren geen grond is geweest voor intrekking van de verblijfsvergunning;

  • 2. de vreemdeling het inburgeringsexamen heeft behaald of hiervan is vrijgesteld of ontheven; en

  • 3. de vreemdeling voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16, eerste lid, Vw, met uitzondering van de subcategorieën b, c en k.

Ad 1.

In aanvulling op artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb verleent de IND de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart een verblijfsvergunning als:

  • het gezinslid onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag twee jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad bij de houder van de Europese blauwe kaart;

  • het gezinslid twee jaren heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning; en

  • het gezinslid op het tijdstip waarop de aanvraag voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is ontvangen, of het besluit op deze aanvraag is genomen ten minste vijf jaar rechtmatig en onafgebroken verblijf heeft gehad op het grondgebied van een EU lidstaat.

Ad 2.

De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef.

De IND ontheft de vreemdeling op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen.

Op grond van artikel 3.80a, vierde lid, Vb past de IND in ieder geval de hardheidsclausule toe als:

  • a. de vreemdeling met voldoende inzet minimaal 600 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus bij een instelling met het Blik op Werk Keurmerk en minimaal 4 keer niet is geslaagd voor onderdelen van het inburgeringsexamen; of

  • b. de vreemdeling met voldoende inzet minimaal 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een instelling met het Blik op Werk Keurmerk en de vreemdeling aangetoond heeft met een door DUO afgenomen toets naar het leervermogen dat de vreemdeling niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of

  • c. de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb.

Vanaf 1 juli 2013 zal DUO advies geven of iemand voldoet aan de criteria genoemd onder a en b (naar aanleiding van de zogenaamde inspanningstoets). De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van de door de vreemdeling overgelegd advies van DUO. De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet deze inspanningstoets zelf aanvragen bij DUO. Voor het aanmeldformulier en meer informatie over deze procedure raadpleeg de website van DUO www.inburgeren.nl.

Overgangsregeling

In het kader van de overgangsregeling per 1 juli 2013 past de IND ook de hardheidsclausule toe als de vreemdeling ondanks aantoonbaar geleverde inspanning de vreemdeling redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het inburgeringsexamen te behalen.

Hiervan is sprake als:

  • de vreemdeling niet gealfabetiseerd is in zijn eigen taal en de Nederlandse taal;

  • van de vreemdeling gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, niet kan worden verwacht dat hij Nederlands leert lezen en schrijven binnen een periode van vijf jaar; en

  • de vreemdeling de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau heeft behaald.

De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van een door de vreemdeling overgelegde verklaring met een advies (naar aanleiding van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek) van het ROC Amsterdam. Vanaf 1 juli 2013 wordt dit haalbaarheidsonderzoek niet meer door het ROC Amsterdam gedaan. Alle adviezen van aanvragen voor een haalbaarheidsonderzoek ingediend vóór 1 juli 2013 worden meegenomen in de besluitvorming. Op de dag van de indiening van de aanvraag mag dit advies niet ouder zijn dan vijf jaar.

De IND neemt het ROC-advies niet over als:

  • de IND constateert dat de vreemdeling in een vreemdelingrechtelijke procedure verklaringen heeft afgelegd die in tegenstrijd zijn met het advies; of

  • op een andere manier dan uit een vreemdelingrechtelijke procedure blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond.

Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule

De IND maakt in ieder geval geen gebruik van de bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen op grond van artikel 3.80a, vierde lid, Vb als de vreemdeling stelt:

  • geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening te hebben gekregen;

  • geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen;

  • geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen;

  • geen taalkennisvoorziening opgelegd heeft gekregen; of

  • nooit te hebben geweten het inburgeringsexamen te moeten behalen.

Q

Paragraaf B9/8.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.2 Bijzondere voorwaarden na een (huwelijks)relatie

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning uitsluitend als de vreemdeling naast de in paragraaf B9/8.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling is een huwelijk, geregistreerd partnerschap of duurzame en exclusieve relatie aangegaan met een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft; en

  • de (huwelijks)relatie bestaat vijf jaren (of heeft vijf jaren bestaan) en de vreemdeling heeft ten minste vijf jaren op grond van die (huwelijks)relatie een verblijfsvergunning gehad.

Op grond van artikel 3.51, achtste lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is als:

  • aan hem de in artikel 3.31b Vb bedoelde vergunning is verleend (zie B11) en hij uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning verstrijkt, beschikt over een arbeidsplaats voor nog een jaar waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan als bedoeld in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb verwerft; of

  • hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

R

Paragraaf B9/8.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.3 Bijzondere voorwaarden na verruimde gezinshereniging

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning alleen als de vreemdeling naast de in paragraaf B9/ 8.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij vijf jaren in het kader van verruimde gezinshereniging een verblijfsvergunning heeft voor verblijf bij een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft.

S

Paragraaf B9/8.6 Vreemdelingencirculaire 2000 wordt toegevoegd en komt te luiden:

8.6 Verblijf wegens bijzondere individuele omstandigheden na verblijf als familie- of gezinslid

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb als:

  • de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb of artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb; en

  • de vreemdeling heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden (zie paragraaf B9/11 Vc) waardoor de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen.

T

Paragraaf B9/10 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

10 Na verblijf als slachtoffer van mensenhandel die hiervan geen aangifte kan of wil doen

De IND verleent een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder h, Vb, als:

  • het slachtoffer aantoont dat de dreiging op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend voortduurt, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces; of

  • uit recente medische informatie blijkt dat een fysieke of psychische aandoening het slachtoffer (nog steeds) in de weg staat om medewerking te verlenen aan het strafproces.

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb, als:

  • de vreemdeling ten minste één jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel die hiervan om zwaarwegende redenen geen aangifte kan of wil doen of anderszins geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar; en

  • geen sprake meer is van een ernstige bedreiging of van een fysieke of psychische beperking, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces; en

  • er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard, die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, waardoor van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

U

Onder vernummering van de paragrafen B9/11 t/m B9/14 Vreemdelingencirculaire 2000 tot B9/14 t/m B9/17 Vreemdelingencirculaire 2000, worden de paragrafen toegevoegd luidende:

11 Na verblijf als slachtoffer van (dreigend) eergerelateerd geweld of van (dreigend) huiselijk geweld

De IND verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder i en j, Vb, als de vreemdeling aantoont dat de dreiging op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend voortduurt.

Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld geen sprake meer, dan verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb, als er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard waardoor de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen.

De IND neemt aan dat bijzondere individuele omstandigheden in ieder geval gelegen kunnen zijn in:

  • a. de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;

  • b. de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst;

  • c. de omstandigheid dat in het land van herkomst geen naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;

  • d. de zorg die de vrouw/ouder heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren en/of een opleiding volgen;

  • e. aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie; of

  • f. de banden met Nederland.

De IND houdt bij de beoordeling rekening met de situatie van vreemdelingen en hun kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten.

Ad a., b. en c.

De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als:

  • sprake is van gedwongen uithuwelijking in het land van herkomst; of

  • de eigen familie in het land van herkomst de vrouw heeft verstoten; of

  • de vrouw naar het recht van het land van herkomst niet de mogelijkheid heeft te scheiden.

Ad e.

De IND verleent de verblijfsvergunning als de vreemdeling aantoont dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.

Bij een minderjarige vreemdeling is het in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband met de referent is verbroken.

Ad d. en f.

De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als:

  • sprake is van in Nederland geboren kinderen, of kinderen met (ook) de Nederlandse nationaliteit; en

  • aannemelijk wordt gemaakt dat deze kinderen niet eenvoudig op te lossen problemen ondervinden bij toegang tot een schoolopleiding in het land van herkomst.

12 Na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb, als de vreemdeling aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

  • 1. de strafzaak heeft uiteindelijk geleid tot een onherroepelijke veroordeling;

  • 2. de strafzaak heeft uiteindelijk niet geleid tot een veroordeling, maar het slachtoffer verblijft op het moment van de rechterlijke uitspraak al drie jaar of langer op basis van een verblijfsvergunning op grond van het beleid over mensenhandel in Nederland; of

  • 3. er loopt een strafzaak en het slachtoffer verblijft drie jaar op basis van een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake mensenhandel in Nederland.

Ad 1.

Een veroordeling op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven is voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.

Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden die onder 1 tot en met 3 zijn beschreven, verleent de IND een verblijfsvergunning als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat.

De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:

  • risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

  • risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en

  • de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.

13 Na verblijf als getuige-aangever van mensenhandel

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder c, Vb als:de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:

  • risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden. Als de aangifte door de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte moet bij de beoordeling van het risico voor represailles per geval bezien worden of zwaar gewicht moet worden toegekend aan de veroordeling;

  • risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en

  • de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.

V

Paragraaf B9/17.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

17.2 Verblijfsspecifiek

Oud-Nederlanders geboren en getogen in Nederland

De IND beschouwt een geboorteakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling geboren is in Nederland.

Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders

De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling niet woont in het land waarvan hij onderdaan is.

Oud-Nederlanders o.g.v. artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d en f, RWN

De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.

De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.

De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijs dat de aanvraag binnen twee jaar na intrekking van het Nederlanderschap is ingediend.

Oud-Nederlanders o.g.v. artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.

De IND beschouwt een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren.

De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.

De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waarin de datum is opgenomen waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen twee jaar nadat door de vreemdeling afstand is gedaan van het Nederlanderschap.

Remigratie en terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet

De IND beschouwt een afschrift van de beschikking van de SVB, waarin het recht op de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen is toegekend en waarin de vertrekdatum van de vreemdeling is vermeld, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen één jaar na remigratie uit Nederland met toepassing van de Remigratiewet.

Terugkeeroptie minderjarige vreemdelingen

De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling minderjarig is.

Verblijfsvergunning na overlijden referent

De IND beschouwt een afschrift van de overlijdensakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de huwelijks- of (geregistreerd) partner, ouder, adoptie- of pleegouder van de vreemdeling is overleden.

Verblijfsvergunning na medische behandeling

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de medische behandeling van de vreemdeling voor ten minste één jaar noodzakelijk is:

  • een door de medische behandelaars van de vreemdeling volledig ingevulde en ondertekende Bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling, die niet ouder is dan zes weken;

  • een door de vreemdeling zelf volledig ingevulde en ondertekende Bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens die niet ouder is dan zes maanden; en

  • relevante medische gegevens zoals beschreven in paragraaf A3/7.1 Vc.

Bijzondere individuele omstandigheden

De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:

  • recente bescheiden van de politie, waarbij bij de politie aannemelijk gemaakt moet zijn dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden; of

  • een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld; en

  • recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

Slachtoffer mensenhandel

De IND beschouwt een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid op het gebied van mensenhandel, heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling.

De IND beschouwt een verklaring van de politie of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid op het gebied van mensenhandel, nog loopt.

De IND beschouwt een verklaring van de politie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces, omdat de ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar voortduren.

De IND beschouwt medische informatie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er nog steeds sprake is van een fysieke of psychische aandoening die aan het verlenen van medewerking aan het strafproces in de weg staat. De medische informatie moet afkomstig zijn van een behandelaar die in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven.

Getuige-aangever mensenhandel

De IND beschouwt een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling voor mensenhandel.

Privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM

De IND beschouwt bewijsstukken waaruit de banden met Nederland en de intensiteit daarvan blijken als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling privéleven heeft opgebouwd in Nederland.

W

Het model M8 Vreemdelingencirculaire 2000 wordt toegevoegd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 1.

X

Het model M117D Vreemdelingencirculaire 2000 wordt toegevoegd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 2.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2014.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 maart 2014

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken, L. Mulder

BIJLAGE 1

Model M8 Standaardformulier voor kennisgeving en motivering van annulering of intrekking van een nationaal visum

BIJLAGE 2

Model M117D Aanwijzing op grond van artikel 55 van de Vreemdelingenwet (regulier)

TOELICHTING

ALGEMEEN

Op 22 februari 2011 heeft de toenmalige Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010-2011, 19 637, nr. 1400) maatregelen aangekondigd om de toelatingsprocedures te stroomlijnen. Deze maatregelen zijn nader uitwerkt in de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 22 mei 2012 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011/2012, 19 637, nr. 1532). De belangrijkste maatregelen zijn:

  • herschikking asielgronden;

  • aanpassingen in de eerste asielprocedure;

  • aanpassingen in de eerste humanitaire reguliere procedure;

  • aanpassingen in vervolgprocedures (asiel en regulier);

  • versnellen van de doorlooptijden;

  • leges bij vervanging verblijfsdocument asiel.

Op 12 april 2013 heeft de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012/2013, 19 637, nr. 1654) aangekondigd dat genoemde maatregelen niet als één pakket ingevoerd worden. De maatregelen die betrekking hebben op de asielprocedure zijn voor het grootste gedeelte op 1 januari 2014 ingevoerd (WBV 2013/24 en WBV 2014/26). De resterende maatregelen, waaronder de maatregelen die betrekking hebben op de reguliere procedure, worden op 1 april 2014 ingevoerd.

Deze maatregelen hebben geleid tot aanpassingen van de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Met deze wijziging van de Vreemdelingencirculaire worden de aanpassingen in de algemeen verbindende voorschriften nader uitgewerkt in beleidsregels, voor de maatregelen die betrekking hebben op de reguliere procedures.

ARTIKELSGEWIJS

A

In deze paragraaf is vermeld dat de ambtenaren belast met het toezicht en de grensbewaking de beslissing over de annulering en intrekking van een mvv bekend maken aan de vreemdeling met een standaard model. Dit model is als bijlage I bij dit WBV bijgevoegd. Tevens zijn tekstuele wijzigingen doorgevoerd in verband met de inwerkingtreding van de Politiewet op 1 januari 2013 die de invoering van één nationaal politiekorps regelt.

B

Deze paragraaf is aangepast naar aanleiding van de maatregel ‘zelf aanleveren van het medisch dossier’, de introductie van de schriftelijke kennisgeving en de ééndagstoets bij een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.

In artikel 6.1c Vb is geregeld dat een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw moet worden voorafgegaan door een schriftelijke kennisgeving (lid 1). Voor de relevante medische gegevens geldt op grond van het tweede lid dat de vreemdeling deze zelf dient te verzamelen en te overleggen. In deze paragraaf worden regels gegeven omtrent het zelf aanleveren van de relevante medische gegevens, de schriftelijke kennisgeving en de ééndagstoets.

Voorts wordt in deze paragraaf neergelegd dat de IND als ingangsdatum van artikel 64 Vw de datum van de inwilligende beslissing hanteert. Dit is een vaste gedragslijn die nu formeel in het beleid wordt neergelegd. Aanleiding hiervoor zijn de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 6 februari 2014 (waaronder 2013067591/1/V1) waarin de Afdeling concludeert dat deze gedragslijn niet onredelijk is, maar dat de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie ter motivering van een besluit niet met verwijzing naar een gedragslijn kan volstaan als deze niet in een beleidsregel is neergelegd. Met deze aanpassing wordt hieraan gevolg gegeven.

C

In deze paragraaf wordt beschreven hoe en onder welke voorwaarden artikel 64 Vw, in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wordt toegepast.

D

Met de invoering van de maatregel ‘zelf aanleveren van het medisch dossier’ is de te volgen werkwijze niet meer te onderscheiden van de werkwijze in het kader van de motie-Spekmanprocedure (Kamerstukken II, Vergaderjaar 2009/2010, 30 846, nr 16). In deze paragraaf is daarom opgenomen onder welke voorwaarden een uitgeprocedeerde asielzoeker of een asielzoeker die zich in de hoger beroepsfase van de asielprocedure bevindt (doelgroep motie Spekman) recht op opvang krijgt in afwachting van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.

E

In deze paragraaf is de verwijzing aangepast.

F, H, I

Deze paragrafen zijn aangepast naar aanleiding van de maatregelen ambtshalve doortoetsen, schriftelijke kennisgeving en de ééndagstoets regulier.

Deze paragrafen bevatten beleidsregels omtrent de beoordeling van de humanitaire reguliere aanvragen. Artikel 3.6 Vb en artikel 6.1c Vb maken het mogelijk om bij afwijzing van de aanvraag van de humanitair reguliere aanvragen, bij de intrekking of afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning humanitair regulier, ambtshalve te beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van 8 EVRM, mensenhandel, buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, medische behandeling, schrijnendheid of voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.

In artikel 3.99a Vb is geregeld dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning humanitair regulier voorafgegaan moet worden door een schriftelijke kennisgeving. In deze paragrafen worden regels gegeven omtrent de schriftelijke kennisgeving en de ééndagstoets.

In deze paragrafen is verder vermeld dat de IND de vreemdeling tijdens de ééndagstoets regulier een aanwijzing kan geven door middel van het model M117D. Dit model is als bijlage II bij dit WBV gevoegd.

Paragraaf B1/3.4.1.4 Vc is voorts aangepast als gevolg van de inwerkingtreding van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L 343).

G

In deze paragraaf werd abusievelijk vermeld dat als een verblijfsvergunning regulier ambtshalve verleend wordt aan vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten, de aanvraag niet wegens het ontbreken van een geldige mvv wordt afgewezen. Het mvv-vereiste is namelijk, gelet op de formulering van artikel 16, eerste lid onder a Vw, alleen van betekenis bij aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning en niet bij ambtshalve verleende verblijfsvergunningen.

J

In deze paragraaf zijn de verwijzingen naar artikelen van het Vb aangepast.

K, L

Paragrafen B8/2.1 en B8/3.1 Vc zijn gewijzigd naar aanleiding van de aanpassing van artikel 3.48 Vb bij besluit van 17 december 2013 (Stb 2013, 580). Met deze wijziging zijn de bepalingen over de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijk humanitaire gronden aangevuld met drie nieuwe beperkingen. Het betreft drie categorieën vreemdelingen die voorheen in het kader van beleidsregels in het bezit van een verblijfsvergunning werden gesteld. Nu gebleken is van een bestendige uitvoeringspraktijk is besloten deze beperkingen te regelen in het Vb. Gelet hierop is deze paragraaf aangepast. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Vrijstelling van het middelenvereiste is geschrapt omdat dit reeds is geregeld in artikel 3.48, derde lid, Vb.

In paragrafen is tevens een correctie doorgevoerd betreffende het niet tegenwerpen van openbare orde aspecten in bepaalde gevallen. Aangezien de paragraaf betrekking heeft op slachtoffers die niet kunnen of willen meewerken aan het strafrechtelijk onderzoek, is voor het niet tegenwerpen van openbare orde aspecten vereist dat deze aspecten rechtstreeks verband houden met het feit waarvan de vreemdeling slachtoffer is geworden. Er is geen beleidswijziging beoogd.

M

Deze paragraaf is aangepast naar aanleiding van de maatregel ‘zelf aanleveren van het medisch dossier’.

N

Met de invoering van de maatregel ‘zelf aanleveren van het medisch dossier’ is de te volgen werkwijze niet meer te onderscheiden van de werkwijze in het kader van de motie-Spekmanprocedure. In deze paragraaf is daarom opgenomen onder welke voorwaarden een uitgeprocedeerde asielzoeker of een asielzoeker die zich in de hoger beroepsfase van de asielprocedure bevindt (doelgroep motie Spekman) recht op opvang krijgt in afwachting van de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor medische behandeling.

O

Deze paragraaf is aangepast naar aanleiding van de maatregel ‘zelf aanleveren van het medisch dossier’.

P

Artikel 16 Vw is door aanpassingen verletterd. De verwijzing naar artikel 16 Vw in paragraaf B9/8.1 Vc is hiermee in overeenstemming gebracht.

Q

In verband met de vernummering van de paragrafen van B9 is een verwijzing in paragraaf B9/8.2 Vc aangepast.

R

In verband met de vernummering van de paragrafen van B9 Vc is een verwijzing in paragraaf B9/8.3 Vc aangepast.

S

Paragraaf B9/8.6 Vc “Verblijf wegens bijzondere individuele omstandigheden na verblijf als familie- of gezinslid” is toegevoegd. Deze nieuwe paragraaf is noodzakelijk in verband met het herschrijven van paragraaf B9/10 Vc, waarin deze categorie oorspronkelijk was meegenomen. Hiermee is geen wijziging van beleid beoogd.

T, U

Paragraaf B9/10 Vc is verdeeld in nieuwe paragrafen (B9/10 t/m B9/13 Vc) naar aanleiding van de wijziging van artikel 3.51 Vb bij besluit van 17 december 2013 (Stb 2013, 580). Met deze wijziging zijn de bepalingen over de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op niet-tijdelijk humanitaire gronden aangevuld met drie nieuwe gronden waarop deze verblijfsvergunning kan worden verleend. Het betreft drie categorieën vreemdelingen die voorheen in het kader van beleidsregels in het bezit van een verblijfsvergunning werden gesteld. Nu gebleken is van een bestendige uitvoeringspraktijk is besloten deze beperkingen te regelen in het Vb. Gelet hierop zijn deze paragrafen aangepast. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In paragrafen B9/10, B9/12 en B9/13 Vc is verder verduidelijkt dat bijzondere humanitaire omstandigheden die tot verlening van een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk na verblijf in het kader van de mensenhandelregeling kunnen leiden rechtreeks verband moeten houden met mensenhandel. Met de huidige aanpassing wordt het uitgangspunt van dit beleid (weer)opgenomen in de Vc. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

V

In deze paragraaf is een verwijzing aangepast in verband met vernummering. Deze paragraaf is tevens aangepast naar aanleiding van de maatregel ‘zelf aanleveren van het medisch dossier’.

W

In paragraaf A1/3 Vc is vermeld dat de ambtenaren belast met het toezicht en de grensbewaking de beslissing over de annulering of intrekking van een mvv bekend maken aan de vreemdeling middels een standaard model M8. Deze bijlage betreft het hier bedoelde model.

X

In paragraaf B1/3.4.1.2 Vc is vermeld dat de IND de vreemdeling tijdens de ééndagstoets regulier een aanwijzing kan geven door middel van het model M117D. Deze bijlage betreft het hier bedoelde model.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken, L. Mulder