Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2014, 36734Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2014, nr. WJZ/701097 (10534), houdende wijziging van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren in verband met de vaststelling van de bezoldigingsmaxima in het onderwijs voor het jaar 2015

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsmede de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, en 7.4, eerste lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING REGELING BEZOLDIGING TOPFUNCTIONARISSEN OCW-SECTOREN PER DIRECT

De Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt in de alfabetische rangschikking een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs:

de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 17, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’, en nummer 3 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken’ met uitzondering van de instellingen, genoemd in de onderdelen c en g van de bijlage behorende bij artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘Verlaagde bezoldigingsmaxima’ vervangen door: Bezoldigingsmaxima.

2. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Voor de topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan het bezoldigingsmaximum, bedoeld in artikel 2.3 van de wet.

ARTIKEL II. WIJZIGING REGELING BEZOLDIGING TOPFUNCTIONARISSEN OCW-SECTOREN PER 1 JANUARI 2015

Artikel 3 van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan € 165.901 voor de topfunctionarissen in het primair onderwijs.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor de topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs, de topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie en de topfunctionarissen van de hogescholen is het bezoldigingsmaximum, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet van toepassing.

3. In het derde lid (nieuw) wordt vóór de slotpunt ingevoegd: , zoals dat luidde op 31 december 2014.

ARTIKEL III. WIJZIGING REGELING VAN 25 NOVEMBER 2014

Van de Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 november 2014, nr. WJZ/696380 (10529), houdende wijziging van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren in verband met de vaststelling van de bezoldigingsmaxima voor het jaar 2015, aanpassing van aanwijzing van toezichthouders en enkele andere wijzigingen vervalt van artikel I onderdeel A, en onderdeel B, onder 1, en van artikel II het tweede lid.

ARTIKEL IV. INWERKINGTREDING

  • 1. Artikel I van deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. De artikelen II en III van deze regeling treden in werking op 1 januari 2015.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, treden de artikelen II en III van deze regeling niet in werking indien het bij koninklijke boodschap van 30 juni 2014 ingediende voorstel van wet (Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT) (Kamerstukken 33 978) niet op 1 januari 2015 in werking treedt.

  • 4. Indien het derde lid toepassing vindt vervallen de artikelen II en III van deze regeling.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

TOELICHTING

Algemene toelichting

1 Aanleiding

In de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT (hierna: WNT2) wordt het wettelijk bezoldigingsmaximum verlaagd. Daarom wordt het volgende geregeld:

  • a. Voor de bezoldiging van topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs wordt daarom het verlaagde bezoldigingsmaximum dat in 2014 gold ‘afgetopt’ (gelijkgetrokken met het WNT2-maximum).

  • b. Voor de bezoldiging van topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs en in het primair onderwijs wordt het bezoldigingsmaximum onderscheidenlijk het verlaagde maximum uit 2014 met een jaar verlengd waardoor in deze sectoren het bezoldigingsmaximum afwijkt van het WNT2-bezoldigingsmaximum.

De Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren wordt daarom gewijzigd.

2 Reikwijdte

De WNT – en dus ook de regeling – geldt niet in Caribisch Nederland en evenmin voor het niet-bekostigd onderwijs.

3 Vaststelling bezoldigingsmaxima

In de WNT2 is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om de bedragen die zijn vastgesteld voor het kalenderjaar 2014, van kracht te laten zijn voor het kalenderjaar 2015, ook indien deze bedragen hoger zijn dan het wettelijke bezoldigingsmaximum. Voor de bezoldiging van topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs (wo) wordt hiervan gebruik gemaakt, waardoor het bezoldigingsmaximum voor de sector wo dus gelijk blijft, zie verder de artikelsgewijze toelichting. Voor de bezoldiging van topfunctionarissen in het primair onderwijs wordt het bezoldigingsmaximum uit 2014 ook met een jaar verlengd. Dit bezoldigingsmaximum is lager dan het WNT2-bezoldigingsmaximum. Voor de sectoren hbo, mbo en vo geldt het WNT2-maximum als bezoldigingsmaximum.

4 Uitvoering en handhaving

De Dienst Uitvoering Onderwijs acht de wijziging van de regeling uitvoerbaar en handhaafbaar.

5 Monitoring

De bezoldigingsmaxima worden gemonitord en op de naleving wordt toegezien door de aangewezen toezichthouders; de ontwikkeling van de bezoldiging van de topfunctionarissen in het onderwijs wordt eveneens gevolgd.

6 Administratieve lasten

Met deze wijziging van de regeling worden geen nieuwe informatieverplichtingen gecreëerd of geschrapt. De regeling heeft daarmee geen gevolgen voor de administratieve lasten.

7 Inwerkingtreding en vaste verandermomenten

De datum van inwerkingtreding van deze regeling is deels vastgesteld op de dag na de datum van plaatsing en deels gelijktijdig met de inwerkingtreding van de WNT2. Artikel 2.6 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: WNT) schrijft voor dat vaststelling van de bezoldigingsmaxima bij ministeriële regeling geschiedt in de maand november voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar. Uit de toelichting bij de WNT2 (Kamerstukken II 2014/15, 33 978, nr. 3, pag. 36, onder I) blijkt dat het ongewenst is voor de vaststelling van de bezoldigingsmaxima voor kalenderjaar 2015 hetzelfde vaststellingsmoment (november 2014) te hanteren, omdat op dat tijdstip nog niet vaststond of de verlaging van de norm daadwerkelijk per 1 januari 2015 zou worden ingevoerd. Daarom is in de WNT2 middels het nieuwe artikel 7.4, eerste lid, van de WNT bepaald dat de bezoldigingsmaxima voor kalenderjaar 2015 uiterlijk in december 2014 moeten zijn vastgesteld. Het is gelet op deze omstandigheden niet mogelijk deze regeling te publiceren minimaal 2 maanden voor de datum van de inwerkingtreding. Daardoor is afwijking van het beleid inzake vaste verandermomenten (aanwijzing 174 van de Aanwijzingen voor de regelgeving) in dit geval onontkoombaar.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Als in de gewijzigde regeling wordt gesproken over ‘topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs’ zijn bedoeld functionarissen die werkzaam zijn in het bekostigde wetenschappelijk onderwijs. Topfunctionarissen is een term die reeds in de wet is gedefinieerd. Nu ook de sector wetenschappelijk onderwijs met een bezoldigingsnorm expliciet onder de werking van deze regeling wordt gebracht,1 is het overzichtelijk om deze groep topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs apart te definiëren, zoals dat ook is gebeurd voor de andere afgebakende groepen topfunctionarissen.

Artikel I, onderdeel B

Deze wijziging betreft een wetstechnische verduidelijking. In de WNT1 is het maximum aan bezoldiging vastgesteld voor topfunctionarissen per kalenderjaar, te weten voor 2014 € 230.474. In artikel 2.6, eerste lid, van die wet is bepaald dat een lager bedrag dan het bezoldigingsmaximum kan worden vastgesteld bij ministeriële regeling. Voor de onderwijssectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en educatie en hoger beroepsonderwijs is expliciet van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, evenals voor de cultuurfondsen. Door de topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs weg te laten uit artikel 3 van de regeling is destijds geregeld dat voor deze sector wordt aangesloten bij het hoogste maximum, te weten het maximum uit artikel 2.3 van de wet. Uit de toelichting bij de oorspronkelijke regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren blijkt dat ook.2 Voor de sector wetenschappelijk onderwijs was dus vóór de inwerkingtreding van onderhavige regeling alleen impliciet geregeld dat het WNT1-maximum gold. Dat was te deduceren uit artikel 3 van de regeling, dat gelet op de reikwijdtebepaling (artikel 2 van de regeling) formeel wel gold voor het wetenschappelijk onderwijs, maar voor deze sector geen verlaagde norm bevatte.

In het licht van de WNT2 (Kamerstukken I 2014/15, 33 978, A) is het van belang dat kenbaar is dat de sector wo onder de regeling viel en nog valt en dat, voorheen weliswaar impliciet, het bezoldigingsmaximum voor deze topfunctionarissen voor 2014 is vastgesteld op € 230.474. In de WNT2 is namelijk overgangsrecht opgenomen in het nieuwe artikel 7.4, tweede lid, van de WNT op grond waarvan een door een minister voor 2014 vastgestelde norm nog één jaar kan worden gecontinueerd. Uit het nieuwe artikel 7.4 van de WNT, de bedoeling van de wetgever3 en de wetssystematiek volgt dat het overgangsjaar van de WNT2 ziet op het totale door de minister die het aangaat ingerichte bezoldigingsstelsel voor een sector, ook indien de bovenkant van dit stelsel thans wordt gevormd door de 130%-norm.

Voor de sector wo wordt geen nieuwe norm vastgesteld voor kalenderjaar 2015 en blijft dus op grond van artikel 7.4 voor kalenderjaar 2015 het bezoldigingsmaximum voor de sector wo, zoals genoemd in onderhavige regeling, gelden in plaats van het lagere WNT2-maximum.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft ervoor gekozen gebruik te maken van het overgangsjaar dat de WNT2 mogelijk maakt. Daardoor worden onder meer ten aanzien van bestuurders van de bij de universiteiten behorende academische ziekenhuizen (hierna: UMC’s) in 2015 de in 2014 geldende bezoldigingsmaxima gecontinueerd. Als geen gebruik zou worden gemaakt van het overgangsjaar voor de sector wo dan zou de situatie ontstaan dat bestuurders van UMC’s hogere bezoldigingsmaxima als norm hebben dan topfunctionarissen van de universiteiten bij de academische ziekenhuizen, terwijl nauw en op voet van gelijkheid wordt samengewerkt. Dit laatste blijkt onder meer uit het feit dat de universiteiten substantiële bedragen ten behoeve van onderwijs en onderzoek beschikbaar stellen aan de UMC's. Met het hanteren van het WNT-bezoldigingsmaximum 2014 voor topfunctionarissen van universiteiten en daarmee dus ook voor topfunctionarissen van universiteiten met een gelieerd academisch ziekenhuis, vertaalt deze gelijkwaardige positie zich logischerwijze in een meer gelijkwaardige bezoldiging voor alle topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs. Het overgangsjaar wordt vervolgens gebruikt om een nieuw bezoldigingsmaximum uit te werken met en voor de sector.

In de periode tussen de inwerkingtreding van de wijziging in artikel I, onderdelen A en B, van onderhavige regeling en de inwerkingtreding van de WNT2 geldt dat het bezoldigingsmaximum zoals geldend voor de sector wo zowel in de wet (WNT) is opgenomen als in de ministeriële regeling. Nu het om exact hetzelfde bedrag gaat is dit niet bezwaarlijk, in die zin dat er geen onduidelijkheid kan ontstaan over het bezoldigingsmaximum dat geldt voor de sector wo.

Artikel II

De WNT2 treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. In de WNT2 is opgenomen dat de bezoldiging per kalenderjaar ten hoogste € 178.000 mag bedragen. In het nieuwe artikel 7.4, eerste lid, van de WNT is opgenomen dat in afwijking van artikel 2.6, eerste lid, van de WNT de bezoldigingsmaxima die gaan gelden voor kalenderjaar 2015, uiterlijk in december 2014 moeten zijn vastgesteld. Uit de tekst en de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel 7.4 (Kamerstukken II 2014/15 33 978, nr. 3, pag. 36-37, onder I) blijkt dat de door een vakminister voor een sector ingestelde gedifferentieerde bezoldigingsmaxima gedurende één overgangsjaar in stand kunnen worden gelaten. Voor de onderwijssectoren voortgezet onderwijs, het beroepsonderwijs en educatie en voor het hoger beroepsonderwijs geldt dat voor kalenderjaar 2015 is aangesloten bij het bezoldigingsmaximum zoals genoemd in de WNT2. Dit houdt in dat in het transitiejaar direct na de inwerkingtreding van de WNT2 de in de huidige regeling verlaagde bezoldigingsmaxima die boven de WNT2 grens liggen gelijk worden gesteld met het WNT2-maximum (afgetopt). De onderwijssectoren vo, mbo en hbo zullen per 1 januari 2015 dus het WNT2-maximum als bezoldigingsmaximum hanteren. Het overgangsjaar wordt vervolgens gebruikt om een nieuw bezoldigingsmaximum uit te werken voor alle onderwijssectoren.

Voor het bezoldigingsmaximum van de onderwijssector primair onderwijs geldt dat dit lager is dan het WNT2-maximum. Het verlaagde bezoldigingsmaximum voor deze onderwijssector is voor het kalenderjaar 2015 overeenkomstig 2014 vastgesteld in artikel 3. Er wordt geen indexering voor deze onderwijssector toegepast, omdat over de gehele breedte de bezoldiging van topfunctionarissen juist naar beneden wordt bijgesteld.

De (verlaagde) plafonds voor het onderwijs bedragen kortom voor 2015 als volgt:

 

(verlaagd) maximum 2014

maximum 2015

sector

bruto beloning

totale bezoldiging

bruto beloning

totale bezoldiging

po

€ 134.852

€ 165.901

€ 134.852

€ 165.901

vo

€ 149.928

€ 184.448

€ 144.108

€ 178.000

mbo

€ 162.492

€ 199.905

€ 144.108

€ 178.000

hbo

€ 162.492

€ 199.905

€ 144.108

€ 178.000

wo

€ 187.340

€ 230.474

€ 187.340

€ 230.474

Artikel III

De regeling van 25 november 2014,4 waarin normen zijn vastgesteld voor de situatie waarin de WNT2 niet op 1 januari 2015 in werking zou zijn getreden, treedt nu deels niet in werking of wordt overschreven met onderhavige regeling. Met de wijzigingen in artikel III worden die ‘dode letters’ geschrapt.

Artikel IV

Voor de explicitering van de geldende bezoldigingsnorm in het wetenschappelijk onderwijs (artikel I) is geregeld dat deze in werking treedt op de dag na de datum van plaatsing. Daarmee wordt duidelijk dat ook deze norm onder het overgangsjaar op grond van artikel 7.4, tweede lid, van de wet valt.

Voor de artikelen II en III van de regeling geldt dat de inwerkingtreding is gekoppeld aan de omstandigheid dat de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT op 1 januari 2015 in werking treedt.

Indien de inwerkingtreding van de wet namelijk niet op 1 januari 2015 plaatsvindt, worden de artikelen II en III overbodig, omdat in dat geval op grond van het nieuwe artikel 7.4 van de WNT voor kalenderjaar 2016 geen overgangsjaar bestaat. Het overgangsjaar wordt in dat geval gebruikt om een nieuw bezoldigingssysteem uit te werken voor de sector onderwijs. Indien voorgaande situatie zich voordoet vervallen de artikelen II en III omdat deze de facto dan niets meer regelen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Deze groep valt nu reeds onder het brede begrip ‘topfunctionarissen in het onderwijs’ waar het gaat om paragraaf 2 van de regeling.

X Noot
3

Kamerstukken I 2014/15, 33 978, nr. E, p. 3