Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2013, 9199Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 maart 2013, nummer 2013-0000175332, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdenzestiende wijziging)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2b, eerste lid, onder e, 2c, vijfde lid, 2d, eerste en derde lid, 2e, derde lid, 2t, eerste lid, onder a, en vierde lid, 9, derde lid, 24, tweede lid, 24a, eerste lid, onder a en vierde lid, onder c, 37, tweede lid, 107, tweede lid, onder b en 107a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de artikelen 1.16, vierde lid, 1.17 aanhef en onder b, 1.22, 3.4, vierde lid, 3.6, tweede lid, 3.21, 3.23, vierde lid, onder c, 3.24a, eerste lid, onder c, 3.30, tweede lid, 3.30c, tweede lid, onder d, 3.33, tweede lid, onder c, 3.41, eerste lid, onder a, sub 3 en onder b, sub 1, 3.42, eerste lid, onder a, sub 3 en onder b, sub 1, 3.43, eerste lid, onder b en lid 3, onder a, 3.74, 3.75, derde lid, 3.79, tweede lid, 3.86, negentiende lid, 3.99, vijfde lid, 4.21, derde lid, 4.44a, derde lid, 4.44b, derde lid, 4.53, tweede lid, onder c en vierde lid, 6.4, tweede lid, 8.1 en 8.2a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Voor artikel 1.1 wordt het opschrift ‘Afdeling 1. Definitiebepalingen’ geplaatst.

B

Artikel 1.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel c vervalt.

2. Onderdeel d wordt verletterd tot onderdeel c.

C

Na artikel 1.3 wordt een afdeling toegevoegd, luidende:

AFDELING 2. DE REFERENT

Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1.4

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor arbeid als kennismigrant draagt er zorg voor dat de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte wordt gesteld van de relevante regelgeving.

Artikel 1.5

De referent van een vreemdeling die in het kader van uitwisseling als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven draagt er zorg voor dat:

  • a. op zorgvuldige wijze wordt bemiddeld tussen de vreemdeling en het gastgezin;

  • b. het gastgezin op zorgvuldige wijze wordt geselecteerd;

  • c. indien hij op de hoogte is of vermoedens heeft van misbruik van een vreemdeling door een gastgezin plaatsing bij dit gastgezin achterwege blijft;

  • d. het gastgezin en de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte worden gesteld van de relevante regelgeving;

  • e. hij zich ervan vergewist dat zowel het gastgezin als de vreemdeling zich aan de verplichtingen houden;

  • f. hij zich vergewist van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling gedurende het verblijf van de vreemdeling in het gastgezin;

  • g. de vreemdeling zich te allen tijde kan wenden tot de referent met vragen en klachten;

  • h. hij de vreemdeling op de hoogte stelt van het bestaan en de werking van het Meldpunt Misbruik au pairs, en

  • i. hij bij kennis of een redelijk vermoeden van misbruik of misstanden en bij meldingen hiervan passende maatregelen treft.

Artikel 1.6

De referent van een vreemdeling die in het kader van uitwisseling als uitwisselingsjongere, niet zijnde een au pair, in Nederland verblijft of wil verblijven draagt er zorg voor dat:

  • a. indien sprake is van verblijf in een gastgezin er op zorgvuldige wijze wordt bemiddeld tussen de vreemdeling en het gastgezin;

  • b. de vreemdeling en, indien sprake is van verblijf in een gastgezin het gastgezin op zorgvuldige wijze wordt geselecteerd;

  • c. indien hij op de hoogte is of vermoedens heeft van misbruik van een vreemdeling door een gastgezin plaatsing in dit gastgezin achterwege blijft;

  • d. het gastgezin en de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte worden gesteld van de relevante regelgeving;

  • e. hij zich ervan vergewist dat de vreemdeling zich aan de verplichtingen houdt;

  • f. hij zich vergewist van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling gedurende zijn verblijf;

  • g. de vreemdeling zich te allen tijde kan wenden tot de referent met vragen en klachten, en

  • h. hij bij kennis of een redelijk vermoeden van misbruik of misstanden en bij meldingen hiervan passende maatregelen treft.

Artikel 1.7

De referent van een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verricht of wil verrichten draagt er zorg voor dat de vreemdeling binnen vier weken na verlening van de verblijfsvergunning schriftelijk wordt aangemeld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs met het oog op de verplichting op grond van de Wet inburgering.

Artikel 1.8

De referent van een vreemdeling die in Nederland wil verblijven voor studie in het hoger onderwijs draagt er zorg voor dat alleen studenten worden geworven die toelaatbaar tot de opleiding zijn en dat de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte wordt gesteld van de relevante regelgeving.

Artikel 1.9

Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor studie, kan ook als referent optreden de krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling, waaraan de vreemdeling voortgezet onderwijs volgt of wil volgen, die, voor zover op grond van de Handelsregisterwet 2007 vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, en die:

  • a. door de Internationale Baccalaureaat Organisatie geaccrediteerd is;

  • b. het Internationale Baccalaureaat diplomaprogramma aanbiedt;

  • c. op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigd wordt, en

  • d. deel uitmaakt van een internationale organisatie, waarbij een uitwisseling van leerlingen over de wereld plaatsvindt en het land van plaatsing wordt bepaald door landelijke comités van deze internationale organisatie, of die zijn leerlingen in een internaat plaatst.

Artikel 1.10

Als referent van een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verricht of wil verrrichten kan slechts optreden:

  • a. een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie met rechtspersoonlijkheid, of

  • b. een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie die deel uitmaakt van een organisatie die rechtspersoonlijkheid heeft.

Paragraaf 2. Erkenning als referent
Artikel 1.11
  • 1. Ter zake van de afdoening van een aanvraag om de erkenning als referent is de aanvrager een bedrag van € 5.000 verschuldigd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is de aanvrager ter zake van de afdoening van een aanvraag om de erkenning als referent verband houdend met uitwisseling een bedrag van € 2.500 verschuldigd.

Artikel 1.12

De aanvrager om erkenning als referent die niet op grond van de Handelsregisterwet 2007 inschrijvingsplichtig is en niet is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, verstrekt bij de aanvraag de naam, de voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het burgerservicenummer en de functie van iedere bestuurder van de onderneming of rechtspersoon.

Artikel 1.13
  • 1. De aanvrager om erkenning als referent legt bij de aanvraag over:

    • a. een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008 afgegeven door de rijksbelastingdienst die op de datum van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden, of

    • b. een machtiging aan de Minister om de verklaring, bedoeld onder a, bij de rijksbelastingdienst op te vragen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid verstrekt de aanvrager desgevraagd een ondernemingsplan indien de onderneming nog geen verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008 over kan leggen.

  • 3. Voor de beoordeling of de continuiteit van de startende onderneming voldoende is gewaarborgd wordt het ondernemingsplan, bedoeld in het tweede lid, ter advisering voorgelegd aan AgentschapNL.

Artikel 1.14

Een uitzendonderneming kan slechts worden erkend als referent indien de uitzendonderneming is opgenomen in het register van de Stichting normering arbeid.

Artikel 1.15

De aanvrager om erkenning als referent legt desgevraagd een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over.

Artikel 1.16
  • 1. Als administraties, bedoeld in artikel 2d, eerste lid, en 2t, eerste lid, onder a, van de Wet, zijn aangewezen de administraties vermeld in kolom A van bijlage 20 bij deze regeling.

  • 2. Als gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 2d, derde lid, en 2t, vierde lid, van de Wet, zijn aangewezen de gegevens en bescheiden vermeld in kolom B van bijlage 20 bij deze regeling.

D

Artikel 3.1, derde en vierde lid, komt te luiden:

  • 3. Op het document, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, wordt de aantekening gesteld ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Op het document, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt de aantekening gesteld:

    • a. ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’;

    • b. ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’;

    • c. ‘TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid niet toegestaan’;

    • d. ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’;

    • e. ‘TWV vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’;

    • f. ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’;

    • g. ‘Arbeid als kennismigrant toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’;

    • h. ‘Arbeid als houder van de Europese blauwe kaart toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’;

    • i. ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV’;

    • j. ‘Arbeid als wetenschappelijk onderzoeker toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’;

    • k. ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste 12 maanden vereist’, of

    • l. ‘Arbeid niet toegestaan’.

  • 4. De aantekening, bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Besluit luidt: ‘beroep op algemene middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’.

E

Aan artikel 3.9 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid worden documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, f of g, van de Wet – voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder p, van het Besluit in het kader van mensenhandel of eergerelateerd geweld – blijkt, verstrekt door de korpschef.

F

Artikel 3.17 komt te luiden:

Artikel 3.17

Als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Besluit, worden aangewezen de beperkingen verband houdend met:

  • a. afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet;

  • b. voortgezet verblijf na verblijf op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet;

  • c. verblijf als familie- of gezinslid, indien uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM is.

G

Artikel 3.17a vervalt.

H

Artikel 3.18 komt te luiden:

Artikel 3.18

Als de landen, bedoeld in de artikelen 3.21, 3.23, vierde lid, onder c, 3.24a, eerste lid, onder c, 3.30c, tweede lid, onder d, 3.33, tweede lid, onder c en 3.79, tweede lid, van het Besluit, zijn aangewezen:

  • a. de staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • b. de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en

  • c. Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.

I

De artikelen 3.18a tot en met 3.18c vervallen.

J

Artikel 3.19 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid wordt ‘in het kader van familiebezoek, van een au pair, van medische behandeling of van een oudere vreemdeling in de zin van artikel 3.25 van het Besluit’ vervangen door: in het kader van uitwisseling, voor zover de vreemdeling als au pair verblijft of wil verblijven of van medische behandeling’.

2. In het vierde lid vervalt ‘of uitwisseling’.

K

Na artikel 3.20 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.20a

  • 1. Het puntenstelsel, bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 8a bij deze regeling.

  • 2. Met de arbeid als zelfstandige is een wezenlijk Nederlands belang gediend, indien aan de vreemdeling met toepassing van het puntenstelsel, bedoeld in het eerste lid, ten minste 30 punten worden toegekend voor elk van de drie navolgende criteria: diens persoonlijke ervaring, diens ondernemingsplan als voor diens toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.

  • 3. In afwijking van het tweede lid geldt dat met de arbeid als zelfstandige tevens een wezenlijk Nederlands belang is gediend, indien aan de vreemdeling met toepassing van het puntenstel, bedoeld in het eerste lid, minder dan 30 punten worden toegekend voor diens toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie en ten minste 45 punten worden toegekend voor diens persoonlijke ervaring en ten minste 45 punten voor diens ondernemingsplan.

  • 4. Het puntenstelsel is niet van toepassing op vreemdelingen met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefenen.

L

Artikel 3.21 komt te luiden:

Artikel 3.21

Als opleiding of studie, bedoeld in artikel 3.41, eerste lid, onder c, van het Besluit zijn aangewezen:

  • a. opleidingen die worden verzorgd in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en

  • b. opleidingsactiviteiten in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

M

Artikel 3.22 komt te luiden:

Artikel 3.22

  • 1. In het kader van studie wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan:

    • a. indien de vreemdeling of een buiten Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, tweede lid, van het Besluit, of

    • b. indien een in Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf van de vreemdeling bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, van het Besluit, aangevuld met het in artikel 3.74, tweede lid, van het Besluit bedoelde bedrag.

  • 2. Indien de studie en het verblijf middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van bestaan in afwijking van artikel 3.75 van het Besluit slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.

  • 3. Middelen van bestaan zijn duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren, beschikbaar zijn.

  • 4. Middelen van bestaan zijn eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland, dan wel op de bankrekening van de onderwijsinstelling waar de student zich heeft ingeschreven, een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat de voorgenomen studie in Nederland zal duren.

N

Artikel 3.23 komt te luiden:

Artikel 3.23

  • 1. Als buitenlandse onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, onder a, subonderdeel 3, van het Besluit, zijn aangewezen de onderwijsinstellingen, opgenomen in de top-200 ranglijsten van:

    • a. de Times Higher Education World Ranking;

    • b. de QS World University Ranking;

    • c. de Academic Ranking of World Universities.

  • 2. Het puntenstelsel, bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, onder b, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 10 bij deze regeling.

  • 3. Het aantal punten, bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, onder b, van het Besluit, bedraagt tenminste 35.

O

Artikel 3.24 komt te luiden:

Artikel 3.24

  • 1. Verblijf in het kader van uitwisseling is mogelijk indien de vreemdeling achttien jaar of ouder, maar jonger dan eenendertig jaar is.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is verblijf mogelijk als de vreemdeling tussen de vijftien en achttien jaar is, voor zover:

    • a. de vreemdeling niet als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven, en

    • b. de mogelijkheid daartoe is opgenomen in het culturele uitwisselingsprogramma.

  • 3. In een uitwisselingsprogramma, als bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, onder a, van het Besluit, wordt in ieder geval opgenomen:

    • a. op welke wijze de vreemdeling gedurende het tijdelijk verblijf in Nederland kennis maakt met de Nederlandse samenleving en cultuur;

    • b. de wijze waarop de referent invulling geeft aan de zorgplicht;

    • c. de aard en omvang van de werkzaamheden die de vreemdeling gaat verrichten, en

    • d. indien het een uitwisselingsprogramma voor au pairs betreft, dat de au pair en het gastgezin de dagindeling overeenkomen.

P

Na artikel 3.24 worden een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.24a

De aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet in het kader van uitwisseling, ten behoeve van een uitwisselingsjongere, niet zijnde een au pair, wordt niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet afgewezen indien de uitwisselingsjongere in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

Q

In artikel 3.25 wordt ‘3.86, twaalfde lid’ vervangen door: 3.86, negentiende lid.

R

Artikel 3.25a vervalt.

S

Artikel 3.26 komt te luiden:

Artikel 3.26

  • 1. De door de vreemdeling ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 3.99, eerste lid, van het Besluit, wordt ingediend door tussenkomst van de erkende referent.

  • 2. De erkende referent kan de aanvraag indienen ten behoeve van een gezinslid als bedoeld in artikel 3.14 van het Besluit.

T

De artikelen 3.26a, 3.29 tot en met 3.32 vervallen.

U

In artikel 3.33 wordt ‘het IND-informatiesysteem’ vervangen door: de vreemdelingenadministratie.

V

De artikelen 3.33a, 3.33b en 3.33c vervallen.

W

De artikelen 3.34 tot en met 3.34d komen te luiden:

Artikel 3.34

Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen onderscheidenlijk verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling die niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, voor een verblijfsdoel als bedoeld in kolom I, het daarachter vermelde bedrag in kolom II onderscheidenlijk kolom III verschuldigd.

I. Verblijfsdoel

II. Verlening of wijziging

III. Verlenging

a. ‘verblijf als familie- of gezinslid’

€ 225

€ 225

b. ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene’

€ 150

€ 150

c. ‘arbeid als zelfstandige’

€ 1.250

€ 375

d. ‘arbeid als kennismigrant’

€ 850

€ 375

e. ‘verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’

€ 850

€ 375

f. ‘seizoenarbeid’

€ 750

niet van toepassing

g. ‘arbeid in loondienst’

€ 850

€ 375

h. ‘grensoverschrijdende dienstverlening’

€ 850

€ 375

i. ‘wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG’

€ 300

€ 300

j. ‘lerend werken’

€ 750

niet van toepassing

k. ‘arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel’

€ 0

€ 0

l. ‘studie’

€ 300

€ 150

m. ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’

€ 600

niet van toepassing

n. ‘uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag’

€ 600

niet van toepassing

o. ‘medische behandeling’

€ 950

€ 375

p. ‘tijdelijke humanitaire gronden’

€ 0

€ 0

q. ‘het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap’

€ 950

€ 375

r. ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’

€ 950

€ 375

s. alle overige verblijfsdoelen

€ 950

€ 375

Artikel 3.34a

In afwijking van artikel 3.34 geldt voor de navolgende categorieën vreemdelingen als bedoeld in kolom I, het daarachter vermelde bedrag in kolom II onderscheidenlijk kolom III.

I. Categorie

II. Verlening of wijziging

III. Verlenging

a. ‘verblijf als familie- of gezinslid’ indien het een kind betreft die verblijf vraagt bij een ouder

€ 225

€ 150

b. gezinslid van een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen welk gezinslid het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvraagt

€ 150

€ 150

c. houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat of een gezinslid daarvan die een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet aanvraagt

€ 150

€ 150

d. vreemdeling die valt onder artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971, 70) of artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie

€ 42

€ 42

e. vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet

€ 42

€ 42

f. vreemdeling met de nationaliteit van Australië, Canada dan wel Nieuw-Zeeland die het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ aanvraagt, in het kader van het Working Holiday Scheme of het Working Holiday Programme

€ 42

niet van toepassing

g. vreemdeling met de nationaliteit van Canada die het verblijfsdoel ‘lerend werken’ aanvraagt, in het kader van het Young Workers Exchange Programme

€ 42

niet van toepassing

h. vreemdeling die werkzaamheden als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het op 7 juni 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 25) verricht en het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ aanvraagt

€ 60

€ 60

i. vreemdeling die met het oog op de voorlaatste alinea van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties, behorend bij het op 21 december 2007 te New York tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon (Trb. 2007, 228), het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ aanvraagt

€ 60

€ 60

j. vreemdeling die het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvraagt en die om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen

€ 0

€ 0

k. vreemdeling die blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden of met een ander verblijfsdoel dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Besluit

€ 0

niet van toepassing

l. minderjarig kind dat een aanvraag indient voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij een vreemdeling die verblijf heeft gekregen of heeft aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’, tenzij die verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder d, of 3.48, tweede lid, onder a, van het Besluit

€ 0

€ 0

m. de vreemdeling in aanmerking komt voor verlenging van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel van 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid voor verblijf bij een vreemdeling aan wie in het kader van dreigend eergerelateerd geweld, slachtoffer mensenhandel of huiselijk geweld, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden is verleend

niet van toepassing

€ 0

n. gezinslid van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet, die gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd dan wel binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon deze verblijfsvergunning is verleend, is nagereisd, en niet dezelfde nationaliteit heeft als de hoofdpersoon, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid indient

€ 0

€ 0

o. vreemdeling die een aanvraag indient in het geval, bedoeld in artikel 3.101, tweede lid, van het Besluit

€ 0

niet van toepassing

p. vreemdeling die een aanvraag indient voor het verblijfsdoel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ in het kader van de definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen.

€ 0

niet van toepassing

q. de vreemdeling waaraan een verblijfsvergunning is verleend in het kader van verblijf als gezinslid van een militair verbonden aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command-headquarters) onder de beperking ‘arbeid in loondienst’

€ 225

€ 0

Artikel 3.34b

In aanvulling op het eerste lid kan de Minister in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de vastgestelde leges niet zijn verschuldigd in het belang van de internationale betrekkingen.

Artikel 3.34c

In afwijking van artikel 3.34 en 3.34a is de vreemdeling voor een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet een bedrag van € 350 verschuldigd die:

  • a. een aanvraag indient tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden in het kader van dreigend eergerelateerd geweld, slachtoffer mensenhandel of huiselijk geweld, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, in het kader van dreigend eergerelateerd geweld, slachtoffer mensenhandel of huiselijk geweld;

  • b. een aanvraag indient tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, in het kader van een verbroken relatie wegens ondervonden huiselijk geweld of eergerelateerd geweld;

  • c. als minderjarige vreemdeling een aanvraag indient tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, in het kader van ondervonden huiselijk geweld of eergerelateerd geweld;

  • d. een aanvraag indient tot het wijzigen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, in het kader van achterlating.

Artikel 3.34d

In afwijking van artikel 3.34 is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, indien:

  • a. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning afloopt;

  • b. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de vergunning afloopt.

X

De artikelen 3.34e tot en met 3.34f vervallen.

Y

Het tweede lid van artikel 3.34h komt te luiden:

  • 2. Onverminderd artikel 3.34g, derde en vierde lid, is de vreemdeling die valt onder artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971, 70) of artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet, een bedrag van € 42 verschuldigd.

Z

Artikel 3.34i vervalt.

AA

Het vijfde lid van artikel 3.34j komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling een bedrag van € 225 verschuldigd ter zake van de afgifte van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet blijkt, voor zover de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid.

BB

Na artikel 3.34k worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.34l

  • 1. Als administraties, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder a, van de Wet, zijn aangewezen de administraties vermeld in kolom A van bijlage 21 bij deze regeling.

  • 2. Als gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 24a, vierde lid, van de Wet, zijn aangewezen de gegevens en bescheiden vermeld in kolom B van bijlage 21 bij deze regeling.

Artikel 3.34m

Indien de referent de eigen verklaring, bedoeld in artikel 24a, tweede lid, van de Wet, niet kan afleggen, legt hij voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, de gegevens en bescheiden over op basis waarvan de Minister kan vaststellen of aan de voorwaarden wordt voldaan.

CC

Na artikel 3.43a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.43b

  • 1. Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van € 150 verschuldigd.

  • 2. De leges, bedoeld in het eerste lid, worden door de vreemdeling door middel van een in opdracht van de IND toegezonden acceptgirokaart voldaan.

DD

Voor artikel 4.1 wordt het opschrift ‘Afdeling 1. Grensbewaking’ geplaatst.

EE

Na artikel 4.16 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 2. VERPLICHTINGEN VAN DE REFERENT

Paragraaf 1. Informatieplichten
Artikel 4.17
  • 1. De inlichtingen, bedoeld in deze paragraaf, worden binnen vier weken door de vreemdeling, diens wettelijk vertegenwoordiger, diens referent of diens gewezen referent verstrekt, voor zover hij daarvan kennis heeft of kan hebben, in een door de Minister ter beschikking gesteld formulier.

  • 2. In de verklaring wordt in ieder geval melding gemaakt van:

    • a. het feit waarover hij inlichtingen dient te verstrekken;

    • b. de personalia van de vreemdeling waarop de inlichtingen betrekking hebben;

    • c. de relevante feiten en omstandigheden;

    • d. vanaf wanneer de wijziging of omstandigheden zich voordoen of voordeden.

Artikel 4.18
  • 1. De referent verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

    • a. de vreemdeling niet langer in Nederland verblijft;

    • b. de vreemdeling geen overkomst naar Nederland meer wenst.

  • 2. De erkende referent geeft kennis van het feit dat:

    • a. een uitschrijving van de onderneming, organisatie of rechtspersoon in het handelsregister, als bedoeld in artikel 2 van het Handelsregisterwet, heeft plaatsgevonden;

    • b. een surseance van betaling of faillissement van de onderneming, organisatie, natuurlijke of rechtspersoon is uitgesproken of aangevraagd;

    • c. de onderneming, organisatie of rechtspersoon is beëindigd, of

    • d. er geen aansluiting meer is bij een voor erkenning als referent verplicht gestelde gedragscode.

Artikel 4.19
  • 1. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

    • a. de tussen het gastgezin en de au pair overeengekomen dagindeling niet wordt nageleefd of is gewijzigd;

    • b. de vreemdeling arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen verricht;

    • c. de vreemdeling bij een ander gastgezin gaat verblijven;

    • d. de vreemdeling, niet zijnde een au pair, werkzaamheden verricht welke niet vallen binnen de kaders van het door de Minister goedgekeurde uitwisselingsprogramma;

    • e. de samenstelling van het gastgezin wijzigt;

    • f. het gastgezin waarin de au pair verblijft niet langer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    • g. de vreemdeling, niet zijnde een au pair, niet langer in zijn levensonderhoud kan voorzien;

    • h. de vreemdeling niet langer in het gastgezin verblijft;

    • i. de vreemdeling niet langer deelneemt aan het uitwisselingsprogramma;

    • j. hij weet of redelijkerwijs vermoedt dat er sprake is van onregelmatigheden, misstanden of misbruik.

  • 2. De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien hij:

    • a. niet meer kan voldoen aan een zorgvuldige werving en selectie van de uitwisselingsjongeren of gastgezinnen;

    • b. niet meer kan voldoen aan het toezicht op de naleving van de tussen het gastgezin en de au pair overeengekomen dagindeling;

    • c. niet meer kan voldoen aan het toezicht op de activiteiten die de uitwisselingsjongere onderneemt.

  • 3. De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent indien hij voornemens is het uitwisselingsprogramma te wijzigen.

  • 4. De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent, indien en voor zover van toepassing, een wijziging optreedt in de accreditatie door het Nederlands Jeugdinstituut.

Artikel 4.20
  • 1. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

    • a. de vreemdeling niet meer voltijds aan de instelling studeert;

    • b. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of voor de geplande einddatum heeft afgerond;

    • c. de vreemdeling aan de onderwijsinstelling komt studeren en al in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor studie aan het hoger onderwijs;

    • d. de accreditatie van de opleiding die de vreemdeling volgt, is vervallen;

    • e. er sprake is van onvoldoende studievoortgang als bedoeld in artikel 5.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs;

    • f. de vreemdeling aan het begin van een nieuw studiejaar niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

  • 2. De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien de zorgplicht niet wordt nagekomen.

  • 3. De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over zijn positie als referent indien:

    • a. de hoger onderwijsinstelling niet meer geregistreerd is bij de registerbeheerder van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs;

    • b. er geen opleiding meer wordt verzorgd in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

    • c. er geen opleidingsactiviteiten meer worden gefaciliteerd in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Artikel 4.21
  • 1. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het voortgezet of beroepsonderwijs, verstrekt inlichtingen indien:

    • a. de vreemdeling niet meer voltijds onderwijs volgt bij de instelling;

    • b. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of voor de geplande einddatum heeft afgerond;

    • c. de vreemdeling aan het begin van een nieuw studiejaar niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

  • 2. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma, versterkt inlichtingen over zijn positie als referent indien hij:

    • a. niet langer door de Internationale Baccalaureaat Organisatie geaccrediteerd is;

    • b. niet meer op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt bekostigd;

    • c. geen deel meer uitmaakt van een internationale organisatie, waarbij een uitwisseling van leerlingen over de wereld plaatsvindt en het land van plaatsing wordt bepaald door landelijke comités van deze internationale organisatie of deze internationale organisatie zijn leerlingen niet langer in een internaat plaatst.

Artikel 4.22

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van seizoenarbeid, lerend werken of arbeid in loondienst verstrekt inlichtingen indien:

  • a. de vreemdeling niet meer bij de referent werkzaam is;

  • b. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

  • c. de vreemdeling andere werkzaamheden gaat verrichten.

Artikel 4.23
  • 1. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant of als houder van de Europese blauwe kaart, verstrekt inlichtingen indien:

    • a. de vreemdeling niet meer bij de referent werkzaam is;

    • b. de vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant, niet meer aan het looncriterium, bedoeld in artikel 1d, eerste lid, onder a, subonderdelen 1 en 2 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, voldoet of, indien het looncriterium niet van toepassing is, de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt;

    • c. de vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven als houder van de Europese blauwe kaart, niet meer aan het looncriterium, bedoeld in artikel 1i, eerste lid, onder b van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, voldoet;

    • d. de vreemdeling, die een beroep in de individuele gezondsheidszorg verricht of wil verrichten waarvoor registratie verplicht is, niet in het Beroepen Individuele Gezondheidszorg register is geregistreerd;

    • e. de vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verbijven als houder van de Europese blauwe kaart, een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in de zin van artikel 5 van die wet uitoefent, niet meer beschikt over de voor de desbetreffende sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, van richtlijn 2009/50/EG.

  • 2. De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien hij niet meer kan voldoen aan een zorgvuldige werving en selectie van de vreemdeling.

Artikel 4.24
  • 1. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG, verstrekt inlichtingen indien:

    • a. de vreemdeling geen onderzoek meer verricht bij de referent;

    • b. de vreemdeling niet langer aan de onderzoeksinstelling is verbonden;

    • c. de vreemdeling niet langer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

  • 2. De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent indien:

    • a. hij geen publieke onderzoeksinstelling die is opgenomen in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek meer is;

    • b. hij geen onderzoeksinstelling als bedoeld in artikel 1d, eerste lid, onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen meer is;

    • c. hij niet meer als particuliere onderzoeksinstelling in het National Academic Research and Collaborations Information System is opgenomen;

    • d. de verklaring betreffende Speur- en Ontwikkelingswerk, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, is ingetrokken.

Artikel 4.25

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven als familie- of gezinslid, verstrekt inlichtingen indien:

  • a. de gezinsband met de vreemdeling is verbroken;

  • b. de vreemdeling en de referent niet meer samenwonen.

Artikel 4.26

De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van wetenschappelijk onderzoek in het kader van richtlijn 2005/71, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.

Paragraaf 2. Administratieplichten
Artikel 4.27

De referent, met uitzondering van de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is, het woonadres van de vreemdeling in de administratie op.

Artikel 4.28
  • 1. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

    • a. de tussen de au pair en gastgezin overeengekomen dagindeling;

    • b. de naam en het adres van de hoofdpersonen van alle gastgezinnen waarbij de vreemdeling verblijft of heeft verbleven, de periode waarin de vreemdeling bij deze gastgezinnen heeft verbleven en de gezinssamenstelling van deze gastgezinnen;

    • c. bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het gastgezin, voor zover het een gastgezin van een au pair betreft, zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan.

  • 2. De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie op:

    • a. een overzicht, voorzien van data en handelingen, van de meldingen van de vreemdeling aan de referent over het gastgezin en de gevolgen die hij daaraan heeft verbonden;

    • b. een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die de referent heeft gepleegd opdat de au pair en het gastgezin de overeengekomen afspraken in de dagindeling nakomen;

    • c. een overzicht, voorzien van data en handelingen, waaruit blijkt op welke wijze de referent opgetreden heeft bij problemen, misstanden, misbruik of noodsituatie;

    • d. een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die de referent heeft gepleegd om zich te vergewissen van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling.

  • 3. De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot zijn positie als referent in de administratie het door de Minister goedgekeurde uitwisselingsprogramma op.

Artikel 4.29
  • 1. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

    • a. de voorlopige en de definitieve inschrijving van de student aan de onderwijsinstelling, zowel van het eerste inschrijvingsjaar als van de opvolgende jaren waarin de onderwijsinstelling de vreemdeling als student inschrijft of als het een uitwisselingstudent betreft een verklaring van registratie;

    • b. een registratie van de studievoortgang van de vreemdeling;

    • c. een registratie van de vreemdeling die onvoldoende studievoortgang boekt vanwege een persoonlijke omstandigheid, alsmede het feit dat er geen afmelding bij de Minister heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 5.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs;

    • d. de bewijsstukken die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen verklaring bij de aanvraag om toelating van de vreemdeling, waarin de instelling stelt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    • e. de eigen verklaring of eigen verklaringen waarin de vreemdeling na toelating jaarlijks verklaart zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

  • 2. De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent bewijsstukken waaruit voldoende blijkt dat de student toelaatbaar tot de opleiding is gebleken, in de administratie op.

Artikel 4.30
  • 1. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het voortgezet onderwijs of beroepsonderwijs, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

    • a. een bewijs van inschrijving van de vreemdeling aan de onderwijsinstelling;

    • b. een registratie van de studievoortgang van de vreemdeling;

    • c. een bewijsstuk waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is;

    • d. een bewijsstuk waaruit blijkt dat de vreemdeling een positieve bijdrage kan leveren aan zijn land;

    • e. de bewijsstukken die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen verklaring bij de aanvraag om toelating van de vreemdeling, waarin de instelling stelt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    • f. de eigen verklaring of eigen verklaringen waarin de vreemdeling na toelating jaarlijks verklaart zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

  • 2. In afwijking van het eerste lid neemt de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma, met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

    • a. een bewijs van inschrijving van de vreemdeling aan de onderwijsinstelling;

    • b. een registratie van de studievoortgang van de vreemdeling;

    • c. de bewijsstukken die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen verklaring bij de aanvraag om toelating van de vreemdeling, waarin de instelling stelt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    • d. de eigen verklaring of eigen verklaringen waarin de vreemdeling na toelating jaarlijks verklaart zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan;

    • e. een bewijsstuk waaruit blijkt dat door de vreemdeling het Internationale Baccalaureaat diplomaprogramma wordt gevolgd.

  • 3. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma neemt met betrekking tot zijn positie als referent in de administratie op:

    • a. een bewijs van zijn accreditatie door de Internationale Baccalaureaat Organisatie;

    • b. een bewijsstuk waaruit blijkt dat de referent op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt bekostigd.

Artikel 4.31

Bewijsstukken als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onder d en 4.30, eerste lid, onder e, zijn:

  • a. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door de vreemdeling zelf:

    • 1°. een kopie van een bankafschrift van een bankrekening mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling, waarop het saldo dat voor het studiejaar ter beschikking staat is vermeld, of

    • 2°. een originele verklaring van de bank waaruit blijkt welk bedrag maandelijks ten gunste van de student wordt overgemaakt op een bankrekening, die mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling staat;

  • b. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door middel van een beurs:

    • 1°. een kopie van het document waaruit blijkt dat de studiebeurs is toegekend, en

    • 2°. indien een derde partij via de onderwijsinstelling de beurs betaalt een kopie van de overeenkomst tussen een derde partij en de onderwijsinstelling;

  • c. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door een derde financier die in het buitenland woont:

    • 1°. een originele verklaring van de bank waaruit blijkt welk bedrag maandelijks ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op de persoonlijke bankrekening van de vreemdeling, gedurende het verblijf in Nederland, of

    • 2°. een originele verklaring van de financier, waarin deze verklaart welk bedrag maandelijks wordt overgemaakt naar de persoonlijke bankrekening van de vreemdeling gedurende diens verblijf in Nederland, en

    • 3°. een kopie van het paspoort van de financier, en

    • 4°. een recent(e) bankafschrift of rekeningsspecificatie waar het rekeningsaldo van de financier op staat;

  • d. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door een derde financier die in Nederland woont:

    • 1°. bewijsstukken omtrent het inkomen van de financier en van de eventuele (huwelijks)partner van de financier, en

    • 2°. een kopie van het identiteitsbewijs van de financier en van de eventuele (huwelijks)partner als hij of zij Nederlander is;

  • e. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd uit middelen die zijn gestort op een rekening van de onderwijsinstelling een kopie van een bankafschrift van de onderwijsinstelling waarop het bedrag staat dat is gestort ten behoeve van de vreemdeling.

Artikel 4.32

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van seizoenarbeid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

  • a. een door de vreemdeling ondertekende verklaring waarin deze verklaart direct voorafgaand aan de aanvraag om toelating in het kader van seizoenarbeid gedurende een aaneengesloten periode van tenminste veertien weken buiten Nederland te hebben verbleven;

  • b. de originele tewerkstellingsvergunning;

  • c. de arbeidsovereenkomst waaruit de duur en aard van het dienstverband en het overeengekomen inkomen blijken;

  • d. de loonspecificaties.

Artikel 4.33

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van lerend werken, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

  • a. de overeenkomst voor lerend werk en het leerplan of het stageprogramma waaruit de duur en de aard van het dienstverband of de stage en de overeengekomen onkostenvergoeding blijken;

  • b. de originele tewerkstellingsvergunning;

  • c. de loonspecificaties of de specificaties van de stagevergoeding.

Artikel 4.34

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid in loondienst, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

  • a. de originele tewerkstellingsvergunning;

  • b. de arbeidsovereenkomst of het aanstellingsbesluit waaruit de duur en de aard van het dienstverband en het overeengekomen inkomen blijken;

  • c. de loonspecificaties.

Artikel 4.35
  • 1. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant of als houder van de Europese blauwe kaart, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

    • a. de arbeidsovereenkomst of het aanstellingsbesluit waaruit de duur en de aard van het dienstverband en het overeengekomen inkomen blijken;

    • b. een verklaring van het bedrijf in het buitenland waaruit de duur en aard van het dienstverband en het overeengekomen inkomen blijkt, indien er sprake is van overplaatsing in concernverband en er geen arbeidsovereenkomst is aangegaan met het in Nederland gevestigde onderdeel van het bedrijf;

    • c. indien de vreemdeling in Nederland verblijf of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant, loonspecificaties waaruit blijkt dat de vreemdeling na toelating aan het looncriterium, bedoeld in artikel 1d, eerste lid, onder a, subonderdelen 1 en 2 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, voldoet of, indien het looncriterium niet van toepassing is, zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt;

    • d. indien de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven als houder van de Europese blauwe kaart, loonspecificaties waaruit blijkt dat de vreemdeling na toelating aan het looncriterium, bedoeld in artikel 1i, eerste lid, onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, voldoet;

    • e. een bewijs van inschrijving in het opleidingsregister van de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie in het geval de vreemdeling een arts in opleiding tot specialist is;

    • f. de voor de desbetreffende sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, van richtlijn 2009/50/EG, voor zover de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verbijven als houder van de Europese blauwe kaart en een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in de zin van artikel 5 van die wet uitoefent.

  • 2. De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie op de stukken omtrent de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de zorgplicht.

Artikel 4.36

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

  • a. de gastovereenkomst die is afgesloten tussen de referent en de vreemdeling;

  • b. een kopie van het passend diploma van hoger onderwijs dat toegang geeft tot doctoraal programma’s;

  • c. de eigen verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan en de bewijsmiddelen die daaraan ten grondslag liggen.

Artikel 4.37

Bewijsstukken als bedoeld in artikel 4.36, onder c, zijn:

  • a. een afschrift van de arbeidsovereenkomst, een recente werkgeversverklaring voorzien van datum, handtekening van de werkgever en firmastempel en afschriften van loonspecificaties;

  • b. een verklaring inkomen van een gevestigde ondernemer en een uittreksel van de Kamer van Koophandel, voor zover inschrijving van de zelfstandig ondernemer op grond van de Handelsregisterwet 2007 is vereist;

  • c. sponsorovereenkomst(en) waaruit de hoogte van de sponsorgelden en de duur van de sponsorovereenkomst(en) blijken;

  • d. schriftelijke bewijsstukken waaruit de hoogte van de beurs of het stipendium blijkt en het tijdvak waarover de beurs of het stipendium is toegekend;

  • e. bewijsstukken van periodieke betalingen waaruit blijkt dat voldoende zekerheid bestaat over het ongestoorde verloop van de geldstroom;

  • f. in geval van een dienstbetrekking van de vreemdeling met een in het buitenland gevestigde werkgever een verklaring van die werkgever waaruit de duur van de dienstbetrekking en de hoogte van het salaris blijkt.

Artikel 4.38
  • 1. De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

    • a. indien er sprake is van een huwelijk tussen de referent en vreemdeling, de gelegaliseerde huwelijksakte;

    • b. indien er sprake is van toelating van een partner, de gelegaliseerde ongehuwdverklaring van de vreemdeling;

    • c. indien er sprake is van toelating van een kind, de gelegaliseerde geboorteakte;

    • d. indien het rechtmatig gezag bij de toelating is aangetoond, de gelegaliseerde bescheiden waaruit het rechtmatig gezag van de ouder over het kind blijkt;

    • e. bewijsstukken waaruit blijkt dat de referent zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

  • 2. De referent van een minderjarige vreemdeling die ter adoptie in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:

    • a. het document waaruit de identiteit van de minderjarige vreemdeling blijkt;

    • b. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de afstand door de ouder(s) van de minderjarige vreemdeling naar behoren is geregeld;

    • c. het gelegaliseerde bewijs van instemming van de daartoe bevoegde autoriteiten in het land van herkomst met opneming van de vreemdeling door de referent in zijn gezin.

  • 3. De referent van een minderjarige vreemdeling die in afwachting van het onderzoek naar de geschiktheid van de referent als adoptieouder in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:

    • a. het document waaruit de identiteit van de minderjarige vreemdeling blijkt;

    • b. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de ouders van het kind, of als deze zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben, de autoriteiten van het land van herkomst vóór de komst naar Nederland hebben ingestemd met het vertrek van de vreemdeling en met de opneming van het kind ter adoptie in het gezin van de referent.

  • 4. De referent van een minderjarige vreemdeling die als pleegkind in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:

    • a. de gelegaliseerde bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie tussen de vreemdeling en referent blijkt;

    • b. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger(s) alsmede, indien het recht van het land van herkomst dit vereist, de autoriteiten van het land van herkomst, instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de referent;

    • c. bewijsstukken waaruit blijkt dat de referent zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    • d. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de referent het gezag heeft over het kind.

  • 5. Van het vereiste van legalisatie zijn vrijgesteld:

    • a. stukken die vallen onder een verdrag dat voorziet in vrijstelling of afschaffing van legalisatie en die afkomstig zijn uit een land dat partij is bij het betreffende verdrag;

    • b. afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand, opgemaakt en afgegeven in Indonesië, Nieuw Guinea of Suriname, voordat deze landen op 27 december 1949, 1 oktober 1962 onderscheidenlijk 25 november 1975 de onafhankelijkheid verkregen; en

    • c. uit het buitenland afkomstige stukken, overgelegd door een in Nederland woonachtig persoon die met betrekking tot hetzelfde rechtsfeit reeds eerder een gelegaliseerd stuk heeft overgelegd dat de basis heeft gevormd voor het opmaken van een akte van de burgerlijke stand in Nederland of voor de opname van gegevens over de betreffende persoon in de gemeentelijke basisadministratie, voorzover het later overgelegde niet-gelegaliseerde stuk inhoudelijk overeenstemt met de op grond van het eerder overgelegde gelegaliseerde stuk in de akte of in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen gegevens en het latere stuk overeenstemt met het gelegaliseerde stuk.

Artikel 4.39

Bewijsstukken als bedoeld in 4.38, eerste lid, onder e en vierde lid, onder c, zijn:

  • a. indien de referent beschikt over inkomen uit arbeid in loondienst:

    • 1°. een afschrift van de arbeidsovereenkomst;

    • 2°. een recente werkgeversverklaring voorzien van datum, handtekening van de werkgever en firmastempel, en

    • 3°. afschriften van loonstroken over de drie maanden direct voorafgaand aan de aanvraag;

  • b. indien de referent beschikt over middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, van het Besluit:

    • 1°. de bewijsstukken genoemd onder a;

    • 2°. afschriften van arbeids- of uitzendovereenkomsten van de drie jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven;

    • 3°. afschriften van jaaropgaven over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning, en

    • 4°. voor zover van toepassing uitkeringsbeschikkingen en specificaties over de drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning;

  • c. indien de referent beschikt over inkomen als zelfstandige:

    • 1°. een verklaring inkomen van een gevestigde ondernemer, en

    • 2°. een uittreksel van de Kamer van Koophandel, voor zover inschrijving van de zelfstandig ondernemer op grond van de Handelsregisterwet 2007 is vereist.

  • d. indien de referent naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is:

    • 1°. de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten waaruit blijkt dat de referent volledig arbeidsongeschikt is, en

    • 2°. de uitkeringsspecificaties;

  • e. indien de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen:

    • 1°. alle toekenningsbesluiten ingevolge de Wet werk en bijstand die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven;

    • 2°. voor zover van toepassing correspondentie met het college van burgemeester en wethouders omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, en

    • 3°. voor zover van toepassing bescheiden waaruit blijkt dat een arbeidsinschakeling binnen een jaar niet te verwachten valt;

  • f. indien de referent beschikt over inkomen uit eigen vermogen:

    • 1°. de laatst afgegeven definitieve aanslag Inkomstenbelasting afgegeven door de rijksbelastingdienst;

    • 2°. de laatst afgegeven voorlopige aanslag Inkomstenbelasting afgegeven door de rijksbelastingdienst;

    • 3°. de meest recente aangifte Inkomstenbelasting aan de rijksbelastingdienst;

    • 4°. bescheiden waaruit het eigen vermogen op het moment van de indiening van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning blijkt.

Artikel 4.40

De referent van een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verricht of wil verrichten neemt een afschrift van het schriftelijke bericht, bedoeld in artikel 1.7, in de administratie op.

Artikel 4.41
  • 1. De referent of de gewezen referent houdt de administratie ter plaatse waar hij in Nederland kantoor houdt, dan wel ter plaatse waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep heeft, of ter plaatse waar hij woont of gevestigd is. Bij gebreke aan een van vorenstaande plaatsen houdt hij de administratie onder zijn berusting. De referent doet bij het model, bedoeld in artikel 2a, derde lid, van de Wet, opgave van de plaats waar de administratie wordt gehouden.

  • 2. Indien het adres ter plaatse waar de administratie wordt gevoerd, wijzigt, doet de referent binnen twee weken melding van het nieuwe adres aan de Minister.

  • 3. De referent of gewezen referent verstrekt schriftelijk op verzoek van de Minister de gegevens of bescheiden binnen een periode van vier weken na ontvangst van het daartoe strekkend verzoek, of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, binnen een door de Minister te bepalen termijn.

  • 4. In bijzondere gevallen kan de Minister de in het derde lid bedoelde termijn verkorten.

Artikel 4.42

Indien de referent of gewezen referent niet aan de op hem ingevolge artikel 4.53 van het Besluit rustende verplichtingen kan voldoen, stelt hij de Minister daarvan binnen vier weken op de hoogte, alsmede van de redenen daarvan.

FF

Voor artikel 6.1 wordt het opschrift ‘Afdeling 1. Uitzetting’ geplaatst.

GG

Voor artikel 6.2 wordt het opschrift ‘Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting’ geplaatst.

HH

Na artikel 6.2 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 6.2a

De hoogte van de kosten van uitzetting worden vastgesteld aan de hand van de kostensoort vermeld in kolom A van bijlage 22 bij deze regeling en de bijbehorende tarieven vermeld in kolom B van bijlage 22 bij deze regeling.

II

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 7.1a, eerste lid, onderdeel h, door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • i. voor de beoordeling van de voorwaarden voor de erkenning als referent, bedoeld in artikel 2c van de Wet.

JJ

Artikel 7.1b wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt ‘een geautomatiseerd bestand’ vervangen door: de vreemdelingenadministratie.

2. In het tweede lid wordt voor ‘en de ambtenaren, bedoeld in de artikelen 46 tot en met 48 van de Wet’ ingevoegd: en de Dienst Terugkeer en Vertrek.

3. In het derde lid wordt ‘De verantwoordelijke’ vervangen door: De Minister.

KK

Na artikel 7.1d worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7.1e

Als wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 107, tweede lid, onder b, van de wet, zijn aangewezen:

  • Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek;

  • de Algemene Kinderbijslagwet;

  • de Algemene nabestaandenwet;

  • de Algemene Ouderdomswet;

  • de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

  • de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;

  • de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • de Faillisementswet;

  • de Huisvestingswet;

  • de Paspoortwet;

  • de Politiewet 2012;

  • de Remigratiewet;

  • de Toeslagenwet;

  • de Uitleveringswet;

  • de Werkloosheidswet;

  • de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

  • de Wet arbeid en zorg;

  • de Wet arbeid vreemdelingen;

  • de Wet beëdigde tolken en vertalers;

  • de Wet beperking export uitkeringen;

  • de Wet betreffende de positie van Molukkers;

  • de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

  • de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen;

  • de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • de Wet financiering sociale verzekeringen;

  • de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

  • de Wet inburgering;

  • de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;

  • de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

  • de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  • de Wet op de identificatieplicht;

  • de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002;

  • de Wet op de jeugdzorg;

  • de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997;

  • de Wet op de loonbelasting 1964;

  • de Wet op de rechtsbijstand;

  • de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • de Wet op het primair onderwijs;

  • de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • de Wet politiegegevens;

  • de Wet publieke gezondheid;

  • de Wet sociale werkvoorziening;

  • de Wet studiefinanciering 2000;

  • de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  • de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;

  • de Wet werk en bijstand;

  • de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  • de Ziektewet;

  • de in artikel 8.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 genoemde wettelijke voorschriften.

Artikel 7.1f

Indien aan een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie wil verrichten rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, van de Wet, wordt verleend stelt de Minister de Dienst Uitvoering Onderwijs, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, daarvan op de hoogte.

Artikel 7.1g

  • 1. De rijksbelastingdienst verstrekt de Minister desgevraagd gegevens over fiscale vergrijpboetes die op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f van de Algemene wet inzake de Rijksbelastingen zijn opgelegd, ten behoeve van de beoordeling van de erkenning als referent.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet doorgeleverd.

LL

Artikel 7.2 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt ‘vergunning tot verblijf’ vervangen door: verblijfsvergunning.

2. De aanduiding ‘1.’ en het tweede lid vervallen.

MM

Na artikel 7.2a worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 7.2b

Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid geldige verblijfsvergunning, verleend onder een beperking als genoemd in kolom A, wordt vanaf dat tijdstip aangemerkt als een verblijfsvergunning, verleend onder een beperking als genoemd in kolom B:

A

B

Beschikking conform minister op grond van B20 Vc 2000 eergerelateerd geweld

Tijdelijke humanitaire gronden

Beschikking conform minsiter op grond van B20 Vc 2000 huiselijk geweld

Tijdelijke humanitaire gronden

Beschikking conform minister op grond van B9/12 Vc 2000 slachtoffer van mensenhandel

Tijdelijke humanitaire gronden

Beschikking conform minister op grond van B19 Vc 2000 verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden

Arbeid in loondienst

Beschikking conform minister op grond van B7/5 Europees vrijwilligerswerk

Uitwisseling

Verblijf in het kader van de Zetelovereenkomst B12

Arbeid in loondienst

Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen

Niet-tijdelijke humanitaire gronden

Definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen

Niet-tijdelijke humanitaire gronden

Artikel 7.2c

Op aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, waarbij de vreemdeling in het bezit dient te zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf, en de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf is ingediend voor inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid, is het processuele recht en het bijbehorende legesbedrag van toepassing zoals dat gold op de dag voor inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid.

NN

Bijlage 9, behorend bij artikel 3.22 (oud), bijlage 10, behorend bij artikel 3.23 (oud), bijlage 11, behorend bij artikel 3.24 (oud), bijlage 12a (oud), behorend bij artikel 3.25a (oud), bijlage 13, model a, behorend bij artikel 3.26 (oud), bijlage 13, model b, behorend bij artikel 3.26a (oud), bijlage 13, model e, behorend bij artikel 3.29 (oud), bijlage 13, model f, behorend bij artikel 3.30 (oud), bijlage 13, model h, behorend bij artikel 3.32 (oud) vervallen.

OO

In de numerieke volgorde van de bijlagen bij het Voorschrift Vreemdelingen 2000 worden de bij dit besluit opgenomen bijlagen ingevoegd.

ARTIKEL II

De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 3, tweede lid, onder d, wordt gewijzigd als volgt:

De zinsnede ‘beperking verband houdend met gezinshereniging’ wordt vervangen door: beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid indien sprake is van gezinshereniging.

B

Artikel 17, zesde lid, komt te luiden als volgt:

  • 6. Het Orgaan kan op een daartoe strekkend verzoek van een vreemdeling afwijken van het bepaalde in het vijfde lid, uitsluitend voor zover het betreft:

    • a. de leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden, mits betrokkene op het moment van de aanvraag nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;

    • b. de leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, mits betrokkene voor het bereiken van de leeftijd van 15 jaar in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden en nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;

    • c. de leges ter zake van de afdoening van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, in de gevallen waarin de statushouder de ouder is van de aanvrager en deze op het moment van de aanvraag niet minimaal evenveel verdient als de normbedragen uit de Wet werk en bijstand;

    • d. de leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid ingediend door of namens een in Nederland geboren kind dat op grond van artikel 3, derde lid, onder d, opvang wordt geboden.

ARTIKEL III

Het document, bedoeld in artikel 3.1, of de verklaring, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet, afgegeven voor inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid blijft geldig tot de daarop aangegeven datum, dan wel tot de vervanging van dat document door een document afgegeven op grond van de Wet.

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet modern migratiebeleid in werking treedt, met uitzondering van artikel I, onderdeel Q, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 27 maart 2013

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven.

BIJLAGEN, BEHOREND BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL OO

Bijlage 8a, behorend bij artikel 3.20a, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000

Criterium 1: persoonlijke ervaring

Subonderdelen

Punten

Controle

Opmerking

Opleiding

(maximaal 35 punten)

PhD (Doctor)

Master (bijv. MBA)

35

30

– Bewijs succesvolle afronding (diploma) vereist

Bij geen directe relatie tussen opleiding en voor de onderneming benodigde kennis maximaal 5 punten aftrek

 

Technische studies (master of science)

30

– Opleiding dient gewaardeerd te zijn door Informatiecentrum Diploma Waardering (Nuffic/Colo)

 

Bachelor (Hogeschool etc.)

Middelbaar beroepsonderwijs

20

10

Ondernemerschapservaring

(maximaal 35 punten)

0 tot 35 punten

Positieve indicatoren:

– oprichting/eigenaar onderneming

– lid directie onderneming Minder punten;

– als ervaring niet relevant is voor onderneming

– als sprake is van marginale betrokkenheid in onderneming

 

– Betrokkene dient schriftelijk bewijzen te overleggen (bijv. jaarrekening, bewijzen van rol in onderneming etc.)

– Eventuele werkgeversreferenties schriftelijk aantonen

Deze score kan lagere score op andere onderdelen compenseren

Hardheid bewijsmateriaal en daadwerkelijk niveau van functioneren dienen buiten twijfel te zijn voor een positieve score

Werkervaring

(maximaal 10 punten)

Bachelor/academisch

 

Werkgeverreferenties (schriftelijk aantonen)

Hardheid bewijsmateriaal en daadwerkelijk niveau van functioneren dienen buiten twijfel te zijn

< 1 jaar

0

1 – < 2 jaar

1

2 – < 5 jaar

5

 

> 5 jaar

10

   
 

Seniorniveau

     
 

< 1 jaar

0

   
 

1 – < 2 jaar

1

   
 

2 – < 5 jaar

5

   
 

> 5 jaar

10

   
 

Specialistische functie

     
 

< 1 jaar

0

   
 

1 – < 2 jaar

1

   
 

2 – < 5 jaar

3

   
 

> 5 jaar

6

   

Inkomen

(maximaal 10 punten)

Bruto inkomen over 12 maanden voorafgaand aan aanvraag:

 

Als bewijs kunnen dienen:

– (loon)belastingaanslagen

– Jaarrekening

– Jaaropgave

Alleen inkomsten gerelateerd aan activiteiten in curriculum vitae; bedragen zijn gerelateerd aan Nederlandse inkomens, er moet een internationale vergelijking gemaakt worden

 

< € 12.000

0

 

€ 12.000 – < € 25.000

€ 25.000 – < € 45.000

> € 45.000

5

7

10

 

Ervaring met Nederland

(maximaal 10 punten)

0 – 10 punten

Positieve indicatoren:

– referenties potentiële klanten of opdrachtgevers

– referenties Nederlandse (handels) partners

– in Nederland gevolgde opleiding of afgerond proefschrift

 

Alleen schriftelijke bewijzen

Hardheid bewijsmateriaal dient buiten twijfel te zijn; Bij familiebezoek, inburgeringscursus of vakantie in Nederland geen punten

Criterium 2: ondernemingsplan

Subonderdelen

Punten

Controle

Opmerking

Marktpotentie

(maximaal 30 punten)

Marktanalyse:

– marktonderzoek

– potentiële klanten

– concurrenten

– toetredingsbar-rières

– samenwerking

– risico’s

max.

10

Zo veel mogelijk schriftelijke bewijzen (patenten, referenties etc.)

Aannemelijk dient te worden gemaakt dat product/dienst tegen gewenste prijs in Nederland ook verkocht kan worden

         
 

Product/dienst:

– kenmerken

– toepassing

– behoefte

– unique selling points

– marketing/promotie

max. 15

   
         
 

Prijs:

Duidelijke prijsopbouw met alle kosten daarin verdisconteerd

max. 5

   

Organisatie

(maximaal 10 punten)

0 tot 10 punten

Beoordeling of de voorgestelde structuur, competenties, kennis en vaardigheden passend zijn voor een product of dienst

 

Zo veel mogelijk schriftelijk bewijs

Bij schriftelijke bewijzen meer punten dan bij ontbreken daarvan

Financiering

(maximaal 60 punten)

Solvabiliteit (verhouding eigen vermogentotaal vermogen)

– Balanstotaal:

 

Zoveel mogelijk schriftelijk aantonen; documenten moeten zijn goedgekeurd door onafhankelijke deskundige (bijv. in het geval van financiering door een Nederlandse bank)

Punt van aandacht is realiteit van onderliggende vooronderstellingen

NB: indien financiering door een Nederlandse bank is verleend kunnen zonder verdere controle 50 punten worden gegeven

< € 15.000

0

Ook bij solvabiliteit van 100%

 
       
 

– Balanstotaal:

€ 15.000 – € 25.000

Solvabiliteit

   
 

< 20%

0

   
 

20% – < 35%

1

   
 

35% – < 50%

3

   
 

>50%

5

   
         
 

– Balanstotaal:

€ 25.000 – € 50.000

Solvabiliteit

     
 

< 20%

0

   
 

20% – < 35%

4

   
 

35% – < 50%

9

   
 

> 50%

13

   
         
 

– Balanstotaal:

     
 

> € 25.000

     
 

Solvabiliteit

     
 

< 20%

0

   
 

20% – < 35%

9

   
 

35% – < 50%

19

   
 

> 50%

25

   
         
 

Omzet:

     
 

< € 75.000

0

   
 

€ 75.000 –1 25.000

5

   
 

€ 125.000 – < € 250.000

10

   
 

€ 250.000 – < € 500.000

15

   
 

> € 500.000

25

   
         
 

Liquiditeitsprognose (gunstige verwachting gedurende):

     
 

het eerste jaar

5

   
 

de eerste 2 jaren

8

   
 

de eerste 3 jaren

10

   

Criterium 3: toegevoegde waarde

Subonderdelen

Punten

Controle

Opmerking

Innovativiteit

(maximaal 20 punten)

0 tot 20 punten

2 criteria:

– is product/dienst nieuw voor Nederlandse markt?

– is sprake van nieuwe technologie bij productie, distributie, marketing?

 

Zo veel mogelijk schriftelijke bewijzen

Bij schriftelijke bewijzen meer punten dan bij ontbreken daarvan

Arbeidscreatie

(maximaal 40 punten)

Aantal arbeidsplaatsen (exclusief aanvrager):

 

Aantal en aard van de te realiseren arbeidsplaatsen moet blijken uit het ondernemingsplan, waarbij de realiteitswaarde van het plan een rol speelt

De arbeidsplaatsen moeten binnen 1,5 jaar zijn gerealiseerd

< 0,5 fte

0

0,5 – < 2 fte

10

 

2 – < 5 fte

20

 
 

5 – < 10 fte

30

 
 

> 10 fte

40

   
         
 

Bij hoogwaardige arbeidsplaatsen (> € 45.000):

     
 

< 1 fte

0

   
 

1 – < 3 fte

20

   
 

3 – < 6 fte

30

   
 

> 6 fte

40

   

Investeringen

(maximaal 40 punten)

Materiële en immateriële vaste activa:

 

Hoogte van de investeringen moet blijken uit ondernemingsplan, waarbij de realiteitswaarde van het plan op dit punt een rol speelt

De investeringen moeten binnen 1 jaar zijn gerealiseerd

 

< € 25.000

0

 

€ 25.000 – < € 50.000

10

 
 

€ 50.000 – < € 100.000

20

 
 

€ 100.000 – < € 500.000

30

 
 

> € 500.000

40

   

Hoogopgeleide met gedegen ondernemingsplan

Indien de aanvrager op de criteria Persoonlijke ervaring (criterium 1) en Ondernemingsplan (criterium 2) reeds het minimumaantal punten van 90 heeft gehaald (voor criterium 1 minimaal 45 punten en voor criterium 2 minimaal 45 punten), maar op het criterium Toegevoegde waarde (criterium 3) de minimaal benodigde 30 punten niet haalt wordt criterium 3 op 30 punten gesteld. De zelfstandige heeft dan voldoende punten behaald

     

Bijlage 10, behorend bij artikel 3.23, tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000

Puntenstelsel:

Onderdelen

 

Punten

Bewijsstukken

1: Opleiding

(maximaal 30 punten)

• Doctorgraad

• Master

30

25

Diploma/getuigschrift niet ouder dan drie jaar van geaccrediteerde opleiding aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling of van buitenlandse universiteit in top-200 ranglijsten Times Higher Education World Rankings, QS World University Ranking, Academic Ranking of World Universities (Shanghai Jiao Tong Ranking)

2: Leeftijd

(maximaal 5 punten)

21–40 jaar

5

Geboorteakte

3: Indicatoren voor welslagen in Nederland

(maximaal 5 punten)

• Voormalige werkgevers in Nederland (minimaal half jaar)

5

• Arbeidscontract of werkgeversverklaring

• In Nederland genoten studie (minimaal half jaar)

5

• Inschrijvingsbewijs

• Spreekt ‘Nederlands als Tweede Taal’ op A2 niveau

5

• Diploma

 

• Spreekt Engelse taal (International English Language Testing System niveau 6)

5

• Verklaring taalinstituut

 

• Bachelor, Master of Doctorgraad behaald aan opleiding in land aangesloten bij Bolognaverklaring

5

• Diploma

 

Maximaal aantal punten

40

 

Bijlage 20, behorend bij artikel 1.16, eerste en tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000

Kolom A

Administratie

Kolom B

Gegeven(s) of bescheid

Het Handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007

Inschrijving in het Handelsregister

Gegevens over surseance van betaling of faillissement

Gegevens over de doelstelling van een uitwisselingsreferent

Statuten van levensbeschouwelijke of religieuze organisaties

Het gehele bedrijfsprofiel

Centraal Insolventieregister

Gegevens over surséance van betaling of faillissement

Het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

Vermelding van de opleiding in het register

Het openbare register van onderwijsinstellingen die de gedragscode internationale student in het Nederlandse hoger onderwijs hebben ondertekend

Vermelding van de onderwijsinstelling in het register

Het openbare register van toegelaten onderwijsinstellingen voor het verzorgen van opleidingen in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken

Vermelding van de onderwijsinstelling in het register

Het openbare register van toegelaten onderwijsinstellingen die opleidingen faciliteren in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid

Vermelding van de onderwijsinstelling in het register

Het National Academic Research and Collaborations Information System

Vermelding van de onderzoeksinstelling in het informatiesysteem

Register Normering Arbeid

Vermelding van het uitzendbureau in het register

Bijlage 21, behorend bij artikel 3.34l, eerste en tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000

Kolom A

Administratie

Kolom B

Gegeven(s) of bescheid

De gemeentelijke basisadministratie

Bewijs van inschrijving

Bewijs van inschrijving huwelijk

Bewijs van verbreking huwelijk

Bewijs van de burgerlijke staat

Bewijs van de adresgegevens

De polisadministratie, bedoeld in bijlage I behorend bij artikel 5.2, eerste lid, besluit SUWI

Gegevens ter beoordeling van de hoogte en duurzaamheid van middelen van bestaan, verworven uit arbeid in loondienst als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, onder a, van het Besluit of inkomensvervangende uitkeringen als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, onder c, van het Besluit, waaronder:

Afschrift van een arbeidsovereenkomst

Afschrift van een uitzendovereenkomst

Afschrift van een uitkeringsbeschikking

Afschrift van een toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de WAO, WAZ, WIA of Wajong

Afschrift van een loonstrook

Afschrift van een uitkeringsspecifatie

Afschrift van een jaaropgave

Het register Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg

Vermelding in het register

Het Handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007

Uittreksel uit het Handelsregister

Bijlage 22, behorend bij artikel 6.2a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000

Kolom A

Kostensoort

Kolom B

Tarief

Vervoer (per vervoerde vreemdeling)

 

Binnen Rotterdam

€ 149,80

Van Rotterdam naar Den Haag

€ 299,60

Van Rotterdam naar Amsterdam

€ 299,60

Van Rotterdam naar Brussel

€ 449,40

Binnen Amsterdam

€ 149,80

Van Amsterdam naar Den Haag

€ 299,60

Van Amsterdam naar Rotterdam

€ 299,60

Van Amsterdam naar Brussel

€ 599,20

Vervoer naar overige bestemmingen, per vreemdeling per uur

€ 74,90

Laissez passer

 

Kosten aanvraagproces

€ 597,00

Tolk tijdens vooronderzoek (per aanvraag)

€ 55,00

Prijs laissez passer

variabel

Escortering tijdens het terugvervoer

 

Salariskosten (per escort per uur)

€ 74,90

Kosten voor het verblijf van de escort (per escort)

variabel

Ticketkosten (per escort)

variabel

Vliegvergoeding (per escort per uur)

€ 18,42

Onkostenvergoeding (per escort per dag)

€ 12,00

Reisverzekering (per escort)

variabel

Verblijf van de geweigerde vreemdeling

 

Enige verblijfplaats aangewezen als plaats of ruimte bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 (per persoon per dag)

€ 196,00

Overige kosten

variabel

Administratiekosten

(maximaal € 1.200 administratiekosten per vreemdeling)

8%

TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Deze regeling wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Zowel de Wet modern migratiebeleid (Stb. 2010, 290) als het Besluit modern migratiebeleid (Stb. 2010, 307) eisen met betrekking tot een aantal onderwerpen nadere regeling bij ministeriële regeling. Voorts nopen zij tot de nodige redactionele wijzigingen van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.

2. Het moderne migratiebeleid

Deze ministeriële regeling strekt tot uitvoering van de Wet modern migratiebeleid en het Besluit modern migratiebeleid, waarin onder meer de positie van de referent in het Nederlandse vreemdelingenrecht is versterkt en de reguliere vreemdelingenrechtelijke procedures zijn versneld en vereenvoudigd.

Ingevolge het coalitieakkoord (Kamerstukken II 2006/07, 30 891, nr. 4) is de herijking van het reguliere vreemdelingenbeleid conform de nota ‘Naar een modern migratiebeleid’ van 22 mei 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 573, nr. 1) nader uitgewerkt in een meerjarenprogramma voor de immigratie ten behoeve van de arbeidsmarkt en door continuering en verdere verbetering van het beleid ten aanzien van kennismigranten. In de Blauwdruk Modern Migratiebeleid (Kamerstukken II 2007/08, 30 573, nr. 10), die op 27 juni 2008 aan de Tweede Kamer is aangeboden, is de toelatingssystematiek die in de beleidsnotitie van mei 2006 op hoofdlijnen is geschetst, nader uitgewerkt. De Tweede Kamer heeft hiermee na schriftelijke voorbereiding tijdens het algemeen overleg op 29 oktober 2008 en 11 november 2008 ingestemd.

Voor een uitgebreide toelichting op de inhoud en achtergronden van de uit de beleidsnota, de blauwdruk en de Wet modern migratiebeleid voortvloeiende wijzingen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2008/09, 32 052, nr. 3), de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2009/10, 32 052, nr. 7), de memorie van antwoord (Kamerstukken I 2009/10, 32 052, D) en de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 2009/10, 32 052, F).

Hieronder worden in de paragrafen 2.1 tot en met 2.5 de belangrijkste uitwerkingen in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 nader toegelicht.

2.1 Referenten

Niet iedere persoon of organisatie met enig belang bij het verblijf van een vreemdeling in Nederland kan als referent optreden. Als regel moet de referent voldoende belang hebben bij de overkomst en het verblijf van die vreemdeling om zich duurzaam te committeren aan zijn verplichtingen.

Dat vergt tevens een bestendige band tussen de vreemdeling en diens referent. Zo kan bij gezinsmigratie slechts als referent optreden de natuurlijke persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid in Nederland wil verblijven, en kan bij arbeidsmigratie de werkgever als referent optreden.

Als referent voor het (voorgenomen) verblijf van een vreemdeling kunnen, kort gezegd, natuurlijke personen, rechtspersonen, ondernemingen, vestigingen, kerkgenootschappen en onderwijsinstellingen optreden. In de artikelen 1.8 tot en met 1.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de artikelen 1.9 en 1.10 van deze regeling is dit nader uitgewerkt naar gelang het doel, waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven. Dat verblijfsdoel komt tot uitdrukking in de beperking, waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf en de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden aangevraagd en verleend.

2.2 Informatieplichten

Ten aanzien van referenten zijn verplichtingen tot het al dan niet in persoon verstrekken van gegevens en bescheiden opgenomen, die van belang kunnen zijn voor de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 en de daarop gebaseerde regels (artikel 54, tweede lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000). De informatie moet volledig en binnen de gestelde termijn aan de minister (IND) worden verstrekt.

De aard en omvang van de concrete informatieverplichtingen voor de referent is afhankelijk van de concrete informatiebehoefte van de IND en de verdere ontwikkeling van (basis)registers, waaruit de nodige gegevens kunnen worden verkregen.

Bij arbeidsmigratie geldt bijvoorbeeld de volgende informatieplicht als een arbeidsmigrant die voor een andere werkgever gaat werken. De oorspronkelijke werkgever (referent) moet in dat geval doorgeven dat de arbeidsmigrant niet langer voor hem werkt. De nieuwe werkgever zal zich vervolgens melden als hij zich schriftelijk referent stelt voor deze arbeidsmigrant.

Bij gezinsmigratie moet de referent de verbreking van de samenwoning met de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid is toegelaten doorgeven.

Bij studiemigratie dient de referent een melding te doen indien de buitenlandse student onvoldoende studievoortgang boekt of indien de student niet meer aan de instelling is ingeschreven.

Ook kan het voorkomen dat de vreemdeling naar het land van herkomst is teruggekeerd of dat de referent geen zicht meer heeft op de vreemdeling wiens referent hij is. In dergelijke gevallen is de referent gehouden hiervan binnen vier weken mededeling bij de minister (IND) te doen. Met deze mededeling geeft de referent tevens aan, dat zijn belang bij het verblijf van de vreemdeling is geëindigd, waarmee zijn zorg- en informatieplichten eindigen. Wel moet de gewezen referent zijn administratie met betrekking tot de vreemdeling nog vijf jaar bewaren en desgevraagd gegevens daaruit verstrekken.

De referent moet de minister (IND) verder gegevens verstrekken over de nakoming van zijn verplichtingen als referent. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de wijze, waarop hij invulling heeft gegeven aan zijn (zorg)plichten, maar ook moet hij kunnen aantonen, dat hij zich aan zijn informatieverplichtingen heeft gehouden en gegevens moeten verstrekken over zijn positie als referent.

In deze regeling is nader uitgewerkt welke gegevens voor de overheid noodzakelijk zijn. Die uitwerking is in nauw overleg met de betrokken bedrijven en instellingen tot stand gekomen om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden. Waar mogelijk en verantwoord, zullen reeds aan andere overheidsinstellingen aangeleverde gegevens worden hergebruikt om dubbele gegevensuitvraag te voorkomen. De referent moet relevante wijzigingen aan de IND doorgeven.

2.3 Administratieplichten

Op de referent is de verplichting gevestigd om bepaalde gegevens te bewaren en te administreren, onder meer met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is en met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent. In de artikelen 4.27 tot en met 4.42 van deze regeling is uitgewerkt welke gegevens moeten worden geadministreerd en aan welke minimumeisen de administratie moet voldoen.

De administratie wordt zo ingericht dat die gegevens door de toezichthoudende ambtenaar binnen een redelijke termijn kunnen worden gecontroleerd. Bij de uitwerking daarvan is in samenwerking met de betreffende partijen, waar mogelijk, aangesloten bij reeds bestaande administratieverplichtingen om zo de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden.

De gegevensdragers moeten vijf jaar worden bewaard om controle op de naleving van de verplichtingen als referent, ook na de beëindiging van het referentschap, mogelijk te maken. De administratieplichtige moet de benodigde medewerking – en inzicht in de opzet en de werking van de administratie – verlenen om controle mogelijk te maken.

2.4 Zorgplichten

Met de zorgplichtbepalingen (artikel 2a, tweede lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000) is de verantwoordelijkheid van de referent voor bepaalde belangen van de vreemdeling expliciet vastgelegd. Deze zijn in het Vreemdelingenbesluit 2000 en deze regeling nader uitgewerkt. Daarmee is beoogd een flexibel instrument in het leven te roepen. De zorgplichten maken de referenten er van bewust dat zij verantwoordelijkheden hebben jegens de vreemdelingen die zij in Nederland (willen) laten verblijven.

De referenten – buiten het domein van gezinsmigratie veelal professionele organisaties – beschikken als regel over een zeker kennisniveau en worden in staat geacht voldoende kennis te vergaren om hun gedrag af te kunnen stemmen op hetgeen wordt verlangd. Zij beschikken over de nodige kennis en ervaring om invulling te geven aan de zorgplichten en de juiste middelen te kiezen om de gewenste doelstellingen te bereiken. Voorwaarde is uiteraard dat de zorgplichten in de lagere regelgeving voldoende helder zijn geformuleerd, zodat de referenten hun gedrag jegens de vreemdeling daarop kunnen afstemmen en de juiste middelen kunnen kiezen om aan de zorgplichten te voldoen.

Bij de concrete invulling van de wijze waarop referenten aan hun zorgplichten voldoen, kunnen zij onder meer kiezen voor aansluiting bij een gedragscode, uiteraard voor zover daarin een adequate invulling is opgenomen. Het overheidstoezicht op de naleving van de zorgplichten door de referent kan worden afgestemd op de naleving van een dergelijke code en de mate, waarin de aangesloten organisaties zelf hebben voorzien in adequaat toezicht op de naleving van die code. Van belang is in dit verband dat de betreffende gedragscode ook daadwerkelijk adequaat invulling geeft aan de zorgverplichtingen van de referent.

Van belang is voorts in hoeverre een dergelijke code ook regels bevat over de daadwerkelijke naleving van die regels en het toezicht daarop door een onafhankelijke en ter zake kundige instantie. Dit toezicht op de naleving van de door hen vanuit hun expertise ontwikkelde gedragsregels zal het toezicht op naleving van de zorgplichten door de ambtenaren belast met het toezicht op referenten niet geheel en al vervangen, maar kan wel bijdragen tot een efficiëntere inrichting van het overheidstoezicht, waarmee de toezichtslasten tot een minimum kunnen worden beperkt.

De concrete zorgplichten van de referent jegens de vreemdeling zijn in artikel 1.16 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de artikelen 1.4 tot en met 1.8 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 nader uitgewerkt. Artikel 1.16, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is nader geconcretiseerd in artikel 1.7. Het tweede lid van artikel 1.16 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bevat een zorgplicht van de referent van de geestelijke bedienaar met betrekking tot de aanvaarding door die geestelijke bedienaar van en deelname aan de inburgeringsvoorziening op grond van artikel 19, eerste lid, onder b, van de Wet inburgering. Van de referent van geestelijke bedienaren wordt verlangd dat deze bewerkstelligt dat de aangeboden voorziening door de geestelijke bedienaar wordt aanvaard en dat de geestelijke bedienaar ook feitelijk in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan die voorziening. Om een snel inburgeringsaanbod te faciliteren wordt op grond van artikel 1.7 aan de referent van een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verricht of wil gaan verrichten de verplichting opgelegd er voor te zorgen dat de vreemdeling binnen vier weken na verlening van de verblijfsvergunning bekend wordt bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. De Dienst Uitvoering Onderwijs kan dan op grond van deze gegevens onderzoeken of de vreemdeling inburgeringsplichtig is.

Het derde lid van artikel 1.16 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft betrekking op de selectie en werving van uitwisselingsjongeren, kennismigranten en studenten. Werkgevers, uitwisselingsorganisaties en onderwijsinstellingen hebben een grote vrijheid in de werving en selectie van de vreemdelingen, die zij naar Nederland willen laten overkomen. Gelet op de mogelijk negatieve impact op zowel de vreemdeling zelf als op de Nederlandse samenleving als geheel van een onzorgvuldige werving en selectie, past daarbij de nodige zorgvuldigheid.

Uitwisselingsjongeren en studenten vormen relatief kwetsbare groepen. Naar verwachting bevordert zorgvuldige werving en selectie en goede voorlichting, dat deze vreemdelingen ook daadwerkelijk naar Nederland komen voor culturele uitwisseling of studie en vermindert het de kans op uitval en daarmee op verblijf in de illegaliteit. In de artikelen 1.4 tot en met 1.6 en 1.8 zijn voor referenten van vreemdelingen die in het kader van uitwisseling, arbeid als kennismigrant of studie naar Nederland komen de zorgplichten nader geconcretiseerd.

2.5 Erkenning als referent

In de artikelen 2c en verder van de Vreemdelingenwet 2000 en 1.18 tot en met 1.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn regels gesteld met betrekking tot de erkende referent. Erkenning als referent brengt toegang tot de versnelde procedure met zich mee. De erkende referent kan in die procedure binnen (een streeftermijn van) twee weken de overkomst van bijvoorbeeld een arbeids- of kennismigrant, een wetenschappelijk onderzoeker of een au pair bewerkstelligen.

In deze regeling zijn nadere regels gesteld omtrent de aanvrager om erkenning als referent die niet op grond van de Handelsregisterwet 2007 inschrijvingsplichtig is (artikel 1.12). Voorts zijn er nadere regels gesteld omtrent de continuïteit en solvabiliteit van de referent (artikel 1.13). De aanvrager dient, op verzoek van de minister, een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvordelijke gegevens te overleggen (artikel 1.15). In artikel 1.16 wordt geregeld welke gegevens niet door de aanvrager om erkenning als referent dienen te worden verstrekt omdat de minister deze uit administraties elders bij de overheid kan verkrijgen.

Daarnaast zijn in deze regeling enkele kleine wijzigingen aangebracht, waarop in de artikelsgewijze toelichting nader is ingegaan.

3. Administratieve lasten

In de Wet modern migratiebeleid, het Besluit modern migratiebeleid en de aanpassingen van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 ter uitwerking van het moderne migratiebeleid zijn enkele maatregelen opgenomen, waardoor de lastendruk ten gevolge van administratieve verplichtingen, toezicht en naleving enigszins kan stijgen, zoals de erkenningsregeling van referenten en het bijhouden van een administratie. Anderzijds is een groot aantal maatregelen ingevoerd, waardoor de lastendruk voor burgers en bedrijven zal verminderen. In algemene zin is steeds gezocht naar alternatieven die het minst belastend zijn voor burgers en bedrijven. Administratieve verplichtingen zijn echter in bepaalde gevallen noodzakelijk in verband met de mogelijkheden tot toezicht en handhaving van de regelgeving.

In opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn de maatregelen door een extern bureau doorgerekend op de gevolgen voor de lastendruk voor burgers en bedrijven.

Uit dit onderzoek blijkt dat de totale lasten voor de bedrijven na de voorgenomen wijzigingen zullen dalen van € 2,6 miljoen naar € 2,2 miljoen per jaar. De administratieve lasten voor bedrijven zullen derhalve met ongeveer 15% dalen, terwijl de toezichtlasten en nalevingskosten gelijk zullen blijven.

De totale lasten voor burgers (inclusief migranten) worden na de voorgenomen wijzigingen in het kader van het moderne migratiebeleid geraamd op 1.008.900 uur en ongeveer € 733.000 aan externe (out-of-pocket) kosten. Voor de administratieve lasten voor burgers (inclusief migranten) geldt dat deze na de voorgenomen wijzigingen worden geraamd op 765.000 uur en € 567.000. De administratieve lasten voor burgers zullen hierdoor met ca. 20% en de out-of-pocket kosten met 8% afnemen. De toezichtlasten en nalevingskosten voor burgers zullen naar verwachting gelijk blijven. Mede naar aanleiding van dit onderzoek is de verplichting tot het bijhouden van een administratie door de migrant komen te vervallen.

4. Totstandkoming

In het kader van de voorbereiding van de Blauwdruk Modern Migratiebeleid heeft de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) in oktober 2007 het advies ‘Migratie op maat’ uitgebracht. Begin 2008 zijn diverse, al dan niet maatschappelijke organisaties, waaronder sociale partners, het onderwijsveld, au pairorganisaties, niet-gouvernementele humanitaire organisaties, en religieuze en levensbeschouwelijke organisaties, geconsulteerd en is het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) om advies gevraagd. In september 2008 heeft de Europese Commissie haar reactie op de Blauwdruk Modern Migratiebeleid gegeven.

Op het wetsvoorstel modern migratiebeleid, het ontwerp-besluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de ontwerp-regeling tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 ter uitvoering van het moderne migratiebeleid zijn in de eerste helft van 2009 adviezen en reacties uitgebracht. De koepelorganisaties HBO Raad, PAEPON, SAIL en VSNU hebben daarnaast een voorstel gedaan ten aanzien van de studievoortgang van buitenlandse studenten.

De IND heeft in deze periode een ex ante uitvoeringstoets verricht.

Op 15 april 2009 heeft Sira Consulting gerapporteerd over de administratieve lasten, de nalevingskosten en de toezichtlasten van het modern migratiebeleid.

In de eerste helft van 2010 is de ontwerp-regeling nogmaals afzonderlijk ter consultatie aan diverse, al dan niet maatschappelijke organisaties voorgelegd. Adviezen en reacties zijn uitgebracht door VNO NCW, MKB-NL, AWVN, Ernst & Young Belastingadviseurs LLP, PricewaterhouseCoopers N.V., de Vereniging van Universiteiten (VSNU), Nuffic, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de TU Eindhoven, de HBO Raad, de Landelijke Commissie Gedragscode internationale student hoger onderwijs, het Platform van Aangewezen/Erkende Particuliere Onderwijsinstellingen (PAEPON), Shell International B.V., de Nederlandse Au pair Organisatie, de Stichting Buitenlandse Partner, de Stichting Nidos, Comensha, de Konferentie Nederlandse Religieuzen, Everaert Advocaten, de Universiteit Leiden, de Adviescommissie Vreemdelingenrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten, de Raad voor de Rechtspraak, de taakorganisatie vreemdelingenzorg van de politie, de Koninklijke marechaussee, de Arbeidsinspectie, het UWV Werkbedrijf, Vluchtelingenwerk Nederland en de ACVZ.

De ontvangen reacties en adviezen zijn verwerkt in de onderhavige regeling tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en de toelichting daarop.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

C
Artikel 1.4

Ingevolge artikel 1.17, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan een nadere concretisering worden gegeven van de in artikel 1.16 van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgenomen zorgplichten waaraan de referent dient te voldoen. Concretisering kan noodzakelijk zijn, aangezien de rechtszekerheid vereist dat de referent zijn verplichtingen moet kennen om die ook te kunnen naleven. De niet-naleving ervan is beboetbaar.

In artikel 1.4 is een nadere uitwerking van artikel 1.16, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgenomen. Van de referent wordt verwacht dat hij aan vreemdelingen die in het kader van arbeid als kennismigrant worden toegelaten goede voorlichting over de relevante regelgeving verstrekt. Het doel is om hiermee de vreemdeling zich bewust te laten zijn van zijn rechten en plichten tijdens het verblijf in Nederland. De IND zal de erkende referenten hier voor een deel in faciliteren door een folder ter beschikking te stellen waarin naast algemene informatie over het verblijfsdoel en de procedure ook de rechten en plichten van de referent en de vreemdeling in het moderne migratiebeleid worden weergegeven.

Artikel 1.5

In het eerste lid is een concrete invulling van de zorgplicht voor de erkende referent van een vreemdeling die als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven opgenomen. Bij de werving en selectie van de au pair en het gastgezin dient de referent van de au pair zorg te dragen voor het op zorgvuldige wijze selecteren en bemiddelen tussen de au pair en het gastgezin. Indien een referent van de au pair op de hoogte is of vermoedens heeft van eerder misbruik van een au pair door een gastgezin dient de referent van de au pair plaatsing bij dit gastgezin achterwege te laten. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een situatie waarin uitbuiting aan de orde is geweest. Voorts draagt de referent van de au pair zorg voor een goede voorlichting over de rechten en plichten aan de au pair en het gastgezin. De referent van de au pair brengt de au pair en het gastgezin al bij de werving en selectie op de hoogte van hun beider rechten en plichten. In het bijzonder is van belang dat het culturele karakter als hoofddoel van het verblijf van de au pair wordt benoemd en dat wordt benadrukt dat de au pair, in ruil voor faciliteiten die het gastgezin verleent, geen arbeid mag verrichten die in strijd is met de Wet arbeid vreemdelingen en het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

De referent van de au pair vergewist zich ervan dat zowel het gastgezin als de au pair zich aan de plichten en gemaakte afspraken houden. Tevens heeft de referent van de au pair de plicht toe te zien op het welzijn en welbevinden van de au pair gedurende het verblijf bij het gastgezin. Au pairs vormen een kwetsbare groep vreemdelingen die mogelijk sneller dan andere groepen vreemdelingen slachtoffer kunnen worden van misbruik en uitbuiting. Het is de verantwoordelijkheid van de referent van de au pair om situaties waarin de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de au pair worden bedreigd zoveel als mogelijk te voorkomen. Onder het welzijn en welbevinden van de au pair wordt ook verstaan dat de au pair in voldoende mate in de gelegenheid wordt gesteld om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur (bijvoorbeeld door participatie in het dagelijks leven van het gastgezin). De wijze waarop de referent van de au pair toeziet op de naleving van de gemaakte afspraken en het welzijn en welbevinden van de au pair is niet vastgelegd, maar te denken valt aan de mogelijkheid om met een zekere regelmaat bij het gastgezin en de au pair op bezoek te gaan of door op andere wijze zowel bij het gastgezin als de au pair te informeren naar de gang van zaken.

De referent van de au pair draagt ervoor zorg dat de au pair zich te allen tijde kan wenden tot de referent van de au pair met vragen en klachten. De referent van de au pair informeert de au pair dat deze bij misstanden, vragen en klachten contact kan opnemen met de referent van de au pair. De referent van de au pair stelt de au pair tevens op de hoogte van het bestaan en werking van het Meldpunt Misbruik au pairs. Als zich misstanden voordoen, dan ligt bij de referent van de au pair een inspanningsverplichting om de problemen op te lossen. De wijze waarop de referent van de au pair hiertoe passende maatregelen treft, mag de referent van de au pair zelf bepalen. De referent van de au pair heeft dus de vrijheid om van geval tot geval te bezien welke maatregelen getroffen zouden moeten worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het voeren van een gesprek met gastgezin en vreemdeling.

Artikel 1.6

Dit artikel kent voor het merendeel dezelfde invulling van de zorgplicht als in het voorgaande artikel. Belangrijke nuance is hierin gelegen dat een uitwisselingsjongere, niet zijnde een au pair, niet altijd bij een gastgezin wordt gehuisvest en dat uitwisselingsjongeren, niet zijnde au pairs, die wel in een gastgezin verblijven in een gastgezin in de regel geen werkzaamheden verrichten voor dit gastgezin. Voorts ontbreekt voor deze categorie uitwisselingsjongeren een meldpunt.

Artikel 1.7

Om een snel inburgeringsaanbod te faciliteren is aan de referent van een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijk organisatie verricht of wil gaan verrichten de verplichting opgelegd er voor te zorgen dat de vreemdeling binnen vier weken na verlening van de verblijfsvergunning bekend wordt bij de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Artikel 1.8

In het artikel is een concretisering voor de zorgplicht van de onderwijsreferent in het hoger onderwijs opgenomen. De onderwijsreferent mag alleen studenten werven die toelaatbaar zijn tot de opleiding.

Artikel 1.9

Op grond van artikel 1.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de referent. In artikel 1.9 zijn de voorwaarden opgenomen waaronder een onderwijsinstelling voor het voortgezet onderwijs als referent kan optreden in het kader van het Internationale Baccalaureaat Diplomaprogramma (IBDP). Deze criteria komen voort uit het beleid zoals dat met WBV 2009/29 is geintroduceerd.

Met het eerste criterium wordt de instroom van minderjarige niet EU-leerlingen beperkt tot leerlingen die het tweejarige Internationale Baccalaureaat diplomaprogramma gaan volgen en daarmee tot leerlingen ouder dan 16 jaar. Het tweede criterium, de erkenning door de Internationale Baccalaureaat Organisatie (IBO) te Genève garandeert de kwaliteit van de geboden opleiding/instelling.

Het derde criterium, bekostiging onder de Wet op het voortgezet onderwijs, vormt eveneens een kwaliteitsgarantie en draagt bij aan de betaalbaarheid van de opleiding. Volgens het vierde criterium komt de keuze voor Nederland op een bepaalde georganiseerde wijze tot stand of wordt de leerling in een internaat geplaatst. Hiermee wordt gewaarborgd dat de leerlingen op een goede wijze in Nederland worden opgevangen.

Artikel 1.10

Religieuze of levensbeschouwelijke organisaties die als referent willen optreden moeten onder andere voldoen aan het vereiste dat de organisatie in het handelsregister ingeschreven is, voor zover dat verplicht is op grond van de Handelsregisterwet 2007. Religieuze of levensbeschouwelijke organisaties die aan de gestelde voorwaarden voldoen, worden opgenomen in een openbare lijst.

In de meeste gevallen zullen religieuze of levensbeschouwelijke organisaties over rechtspersoonlijkheid beschikken omdat ze een verenigings- of stichtingsstructuur hebben, dan wel rechtspersoon zijn op grond van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Organisaties die niet zelf over rechtspersoonlijkheid beschikken, maar wel onderdeel zijn van een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie met rechtspersoonlijkheid, kunnen ook optreden als referent. Met dit artikel is beoogd veilig te stellen dat alle religieuze of levensbeschouwelijke organisaties die als referent willen optreden rechtspersoonlijkheid hebben zodat zij drager kunnen zijn van de rechten en plichten.

Artikel 1.11

De leges voor de aanvraag om erkenning als referent zijn vastgesteld op € 5.000, met uitzondering van een aanvraag om erkenning als referent in het kader van uitwisseling, waarvoor het bedrag is vastgesteld op € 2.500. De uitzondering is gemaakt omdat het veelal (zeer) kleine bureaus betreft, en dat voor de au pairs en uitwisselingsjongeren niet de mogelijkheid bestaat om zonder erkend referent een vergunning te vragen. Een hoger tarief zou een belemmering kunnen vormen voor toetreding van nieuwe referenten tot de markt. Voor arbeid in loondienst blijft nog wel de mogelijkheid bestaan om zonder erkenning als referent een vergunning te vragen. Er is dan geen sprake van een verkorte procedure. Voor werkgevers van kennismigranten staat ook de mogelijkheid open om zonder erkenning als referent een verblijfsvergunning voor verblijf als ‘houder van de Europese blauwe kaart’ aan te vragen.

De onderneming of rechtspersoon die voor de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid een convenant met betrekking tot de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 heeft gesloten wordt op grond van artikel XI van de Wet modern migratiebeleid, uiteraard indien aan de gestelde voorwaarde is voldaan, op het tijdstip waarop de Wet modern migratiebeleid in werking treedt, van rechtswege erkend als referent in de zin van artikel 2c van de Vreemdelingenwet 2000. Daarvoor zijn geen leges verschuldigd.

Artikel 1.12

Indien het niet mogelijk is om via het handelsregister de gegevens van de bestuurders van een onderneming, organisatie of rechtspersoon te verkrijgen dient de aanvrager deze zelf aan de minister te verstrekken.

Artikel 1.13

Als onderdeel van de toets naar de continuïteit en solvabiliteit van de te erkennen referent wordt een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008 vereist. Op deze manier wordt informatie bij de rijksbelastingdienst opgevraagd omtrent de premie- en belastingafdracht.

Op verzoek van de te erkennen referent geeft de rijksbelastingdienst een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering is opgedragen. Tevens verklaart de rijksbelastingdienst desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring van betalingsgedrag kan de rijksbelastingdienst voorts nadere bijzonderheden vermelden.

Door de IND te machtigen hoeft de aanvrager niet zelf zorg te dragen voor de verklaring van betalingsgedrag maar kan de IND als gemachtigde de verklaring direct van de rijksbelastingdienst verkrijgen.

In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor startende ondernemingen. Zij hebben immers nog geen historie omtrent de premie- en belastingafdracht. Aan de hand van het ondernemingsplan kan desgevraagd de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming worden getoetst. Een startende onderneming is een onderneming die pas zo kort bestaat dat geen verklaring als bedoeld in het eerste lid kan worden afgegeven. Om toch een goed beeld te krijgen van de positie van een onderneming kan in deze gevallen worden verzocht om een ondernemingsplan over te leggen. Om te kunnen beoordelen of de continuiteit van de startende onderneming voldoende is gewaarboorgd vraagt de IND, op grond van het derde lid, advies aan AgentschapNL.

Artikel 1.14

Indien een uitzendonderneming als referent erkend wil worden kan dat alleen maar als de uitzendonderneming is opgenomen in het register van de Stichting normering arbeid. De Stichting houdt een register bij gebaseerd op een nationaal keurmerk (NEN-4400). Dit betekent dat de uitzendbureaus die in dat register staan opgenomen, de wet- en regelgeving op het gebied van arbeid nakomen.

Artikel 1.15

Indien na controle in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) blijkt dat er sprake is van strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 1.19 van het Vreemdelingenbesluit 2000 ten aanzien van de rechtspersoon of ten aanzien van de bij de rechtspersoon betrokken natuurlijke personen, verzoekt de IND om overlegging van een verklaring omtrent het gedrag. De rechtspersoon of de betrokken natuurlijke personen kunnen zich daarvoor rechtstreeks wenden tot het Centraal Orgaan Verklaring omtrent het Gedrag dat beoordeelt of de gebleken antecedenten ten aanzien van de rechtspersoon of bij de rechtspersoon betrokken natuurlijke personen dienen te leiden tot weigering van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag.

Artikel 1.16

Het is van belang dat voor de aanvrager om erkenning als referent duidelijk is welke gegevens en bescheiden niet door hemzelf bij de aanvraag hoeven te worden overgelegd. Uitgangspunt is niet dat ieder afzonderlijk gegeven wordt benoemd, maar dat voor de aanvrager om erkenning als referent duidelijk is welke (soort) gegevens en bescheiden uit administraties worden gehaald. In het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is een overzicht opgenomen van de aangewezen administraties en het soort gegevens dat daaruit wordt betrokken. In de Vreemdelingencirculaire 2000 is aangegeven om welke exacte gegevens en bescheiden het gaat. Er zijn verschillende mogelijkheden om een aanvrager om erkenning als referent hierover te informeren. Zo gaat de IND bijvoorbeeld gebruik maken van het aanvraagformulier of de website van de IND om de referent hierover te informeren.

In de Vreemdelingencirculaire 2000 is geregeld dat de aanvrager om erkenning als referent bij de aanvraag wordt geïnformeerd over de gegevens en bescheiden die zijn aangewezen in het tweede lid die van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De basis voor het gebruik van authentieke gegevens ligt dan wel niet in de vreemdelingenwetgeving, maar vanuit het oogpunt om de aanvrager om erkenning als referent te informeren over de gegevens en bescheiden die hij niet zelf hoeft te verstrekken, ligt het voor de hand bij de aanvraag om erkenning als referent kenbaar te maken welke authentieke gegevens en bescheiden bij de beoordeling van de aanvraag om erkenning als referent worden gebruikt. Op dezelfde wijze worden de niet-authentieke gegevens behandeld die uit de in het eerste lid aangewezen administraties worden verkregen.

In de tabel is uitgewerkt welke gegevens en bescheiden uit de vermelde administratie niet door de aanvrager bij de aanvraag om erkenning als referent hoeven te worden overgelegd. De tabel is als volgt opgebouwd. In kolom B staan de gegevens en bescheiden vermeld die uit de administratie in kolom A worden verkregen.

D

Het derde lid van artikel 3.1 geeft de arbeidsmarktaantekeningen die op het verblijfsdocument geplaatst kunnen worden. Ingevolge artikel 4.21, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, dient op het verblijfsdocument van de vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000 te worden aangetekend of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of daarvoor een tewerkstellingsvergunning is vereist. In onderstaand overzicht zijn de oude en nieuwe verblijfsbeperkingen voor de vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 met de daarbij behorende arbeidsmarktaantekeningen opgenomen. Deze arbeidsmarktaantekeningen zijn opgenomen in het derde lid van artikel 3.1.

Overzicht bestaande en nieuwe verblijfsbeperkingen en arbeidsmarktaantekeningen

Beperkingen oud

Arbeidsmarktaantekeningen oud

Beperkingen nieuw

Arbeidsmarktaantekeningen nieuw

Verblijf als au pair

Arbeid niet toegestaan.

Uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag

TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan.

       

Uitwisseling particuliere organisatie (niet WHS/WHP)

Arbeid niet toegestaan.

Uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag

TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan.

       

Uitwisseling WHS

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.

Uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Uitwisseling WHP

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.

Uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

Het volgen van studie

Arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard. TWV vereist.

Studie

TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid niet toegestaan.

       

De voorbereiding op studie

Arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard. TWV vereist.

Studie

TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid niet toegestaan.

Het verrichten van arbeid in loondienst

Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.

Seizoenarbeid

Arbeid toegestaan mits TWV is verleend.

       

Verblijf als stagiaire of practicant

Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV. Andere arbeid niet toegestaan.

Lerend werken

TWV vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan.

Het verrichten van arbeid in loondienst

Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.

Arbeid in loondienst

Arbeid toegestaan mits TWV is verleend.

       

Het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar

TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan.

Arbeid in loondienst

Arbeid toegestaan mits TWV is verleend.

       

Verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel

Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.

Arbeid als niet- geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel

TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend.

       

Grensoverschrijdende dienstverlening

TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan.

Grensoverschrijdende dienstverlening

TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan.

       

Arbeid in loondienst aan boord van NL’s zeeschip, mijnbouwinstallatie, boorplatform

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.

Arbeid in loondienst

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Afwachten van herstel en hervatting van arbeid in loondienst aan boord van een NL’s zeeschip of mijnbouwinstal-latie op het continentaal plat

 

Arbeid in loondienst

TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend.

       

Het doorbrengen van verlof in Nederland

Arbeid niet toegestaan

Arbeid in loondienst

TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend.

Verblijf als kennismigrant

TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan.

Arbeid als kennismigrant

Arbeid als kennismigrant toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV.

       

Onbezoldigde gastdocenten

TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan (TWV wel vereist indien duur gastcollege langer dan één jaar).

Arbeid als kennismigrant

Arbeid als kennismigrant toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV.

       

Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart

TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan.

Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart

Arbeid als houder van de Europese blauwe kaart toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV.

       

Het verrichten van arbeid als zelfstandige

Arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.

Arbeid als zelfstandige

Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV.

       

Verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG

TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan.

Wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG

Arbeid als wetenschappelijk onderzoeker toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV.

       

Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers

TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan.

Wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG

Arbeid als wetenschappelijk onderzoeker toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV.

       
       

Zoekjaar (regeling voor afgestudeerden)

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.

Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Zoekjaar (regeling voor hoogopgeleiden)

Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.

Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

Arbeid toegestaan mits TWV is verleend

Gezinshereniging/-vorming

Afhankelijk van positie arbeidsmarkt van de verblijfsgever.

Verblijf als familie- of gezinslid

*

       

Adoptie

Afhankelijk van positie arbeidsmarkt van de verblijfsgever.

Verblijf als familie- of gezinslid

*

       

Afwachten onderzoek geschiktheid aspirant adoptief ouders

Afhankelijk van positie arbeidsmarkt van de verblijfsgever.

Verblijf als familie- of gezinslid

*

       

Pleegkind

Afhankelijk van positie arbeidsmarkt van de verblijfsgever.

Verblijf als familie- of gezinslid

*

Het ondergaan van medische behandeling

Arbeid niet toegestaan.

Medische behandeling

Arbeid niet toegestaan.

       

Slachtoffer mensenhandel

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.

Tijdelijke humanitaire gronden

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Buitenschuld

Arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV.

Tijdelijke humanitaire gronden

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

AMV

Arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV.

Tijdelijke humanitaire gronden

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Artikel 17 RWN

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.

Het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de RWN

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Eergerelateerd geweld

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist

Tijdelijke humanitaire gronden

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

Wedertoelating

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

Niet-tijdelijke humanitaire gronden

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Voortgezet verblijf

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist (indien eerder vvr is verleend onder beperking medische behandeling of medische nood, dan arbeid uitsluitend toegestaan mits werkgever beschikt over TWV).

Niet-tijdelijke humanitaire gronden

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

       

Economisch niet-actieven

Arbeid toegestaan. TWV alleen gedurende eerste 12 maanden vereist.

Verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene

Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.

* Bij gezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander, een houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of van een verblijfsvergunning asiel luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Bij gezinshereniging of gezinsvorming met een houder van een verblijf regulier voor bepaalde tijd luidt de arbeidsmarktaantekening hetzelfde als van de hoofdpersoon. Hierop geldt een uitzondering voor gezinsleden van vreemdelingen die houder zijn van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperking ‘arbeid als kennismigrant’ of ‘verblijf als wetenschappelijk onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG’. Voor deze gezinsleden luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.

Voor kennismigranten luidt de arbeidsmarktbeperking: ‘Arbeid als kennismigrant toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. Voor derdelanders die toegelaten worden voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek in de zin van de richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005, PbEU L 289/15 van 3 november 2005, betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid als wetenschappelijk onderzoeker toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. Met het oog op de mobiliteit van de wetenschappelijk onderzoekers tussen de lidstaten (artikel 13 van de richtlijn), die vereist dat de onderzoekers als zodanig kunnen worden onderscheiden van andere vreemdelingen als bijvoorbeeld kennismigranten, wordt in de beperking en arbeidsmarktaantekening aangegeven dat het hier gaat om onderzoekers in de zin van de richtlijn.

In het vierde lid van artikel 3.1 staat de tekst van de aantekening vermeld die op grond van artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 op het verblijfsdocument geplaatst kan worden indien een beroep op de algemene middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht. In welke gevallen de aantekening wordt geplaatst is geregeld in de Vreemdelingencirculaire 2000.

E

In het derde lid van artikel 3.9 is de bevoegdheid geregeld tot afgifte van verblijfsdocumenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt van een vreemdeling die een aanvraag tot verlening, verlenging of wijzigingen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden in het kader van mensenhandel of eergerelateerd geweld. Deze worden door tussenkomst van de korpschef, verstrekt.

F, G

Artikel 3.17 (oud) is komen te vervallen. Artikel 3.17a (oud) is overgeheveld naar artikel 3.17 (nieuw). De verblijfsvergunning wordt niet meer verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als meerderjarige ex-bama. Derhalve is de beperking in het nieuwe artikel 3.17 verwijderd.

H

Artikel 3.18 geeft uitvoering aan de verplichting, neergelegd in artikel 3.79, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, tot het aanwijzen van de landen wier onderdanen geen onderzoek naar tuberculose hoeven te ondergaan. Met het verval van artikel 3.31, tweede lid, onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is dit artikel ook in artikel 3.18 vervallen. De artikelen 3.24a, eerste lid, onder c, 3.30c, eerste lid, onder d en 3.33, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn in artikel 3.18 toegevoegd.

I

In het eerste lid van artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden niet langer de instellingen voor hoger of wetenschappelijk onderwijs bij ministeriële regeling aangewezen. De opleidingen die in onderdeel b en c van artikel 3.18a stonden vermeld, staan nu in het eerste lid van artikel 3.21. Artikel 3.18a komt daarmee te vervallen.

De inhoud van artikel 3.18b en 3.18c is opgenomen in het nieuwe artikel 1.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en is onderdeel geworden van de referentensystematiek.

J

De vreemdeling die in Nederland wil verblijven voor een beperking verband houdend met studie dient te beschikken over middelen van bestaan ter hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.74, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

K

Het puntensysteem dat wordt gehanteerd bij de beoordeling of er sprake is van een wezenlijk Nederlands belang, is opgenomen in bijlage 8a behorend bij het eerste lid van artikel 3.20a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.

Concurreren in de huidige, globaliserende wereldeconomie vraagt steeds meer inzet van hoogwaardige, vernieuwende kennis. De als gevolg daarvan mondiaal sterk stijgende vraag naar deze schaarse kennis, belichaamd in kenniswerkers, is ook in ons land waar te nemen. Ook kenniswerkers van buiten de Europese Unie (waaronder uit landen die met de Europese Unie zijn geassocieerd, uitgezonderd Turkije vanwege het Associatieverdrag EU-Turkije) die in Nederland komen werken of zelfstandig ondernemen kunnen die kennis leveren. Met het oog hierop heeft het kabinet maatregelen getroffen die het toelaten en het verlengen van het verblijf van deze kenniswerkers dienen te versnellen en te vergemakkelijken. Om hooggekwalificeerde kenniswerkers aan te trekken die een hoogwaardige kennisbijdrage aan de Nederlandse economie kunnen leveren in de vorm van zelfstandig ondernemerschap, is het huidige toelatingssysteem zo aangepast dat het voldoet aan de eisen en de keuzen van een moderne, door kennis gedreven economie.

Er is een puntensysteem ontwikkeld dat de gewenste aanpassing van het toelatingssysteem mogelijk maakt. Dit puntensysteem vormt de basis voor de beoordeling over de ‘wezenlijke bijdrage’ van de vreemdeling die zelfstandig een beroep of ondernemersactiviteit uitoefent, aan de Nederlandse economie. De hoogwaardige (kennis)bijdrage aan de economie komt in dit systeem tot uiting in de door de vreemdeling in te brengen ervaring, in een gedegen onderbouwing van de plannen voor de onderneming en in de toegevoegde waarde voor de economie. Met het oog daarop worden punten gegeven voor drie onderdelen: de genoten opleiding en de economische positie en activiteiten tot nu toe, de onderbouwing van ideeën en plannen in het ondernemingsplan en de met de economische activiteit te leveren bijdrage aan ons land in de vorm van innovatie (in product, proces, markt en activiteit), werkgelegenheid en investeringen. Voor deze drie onderdelen zijn maximaal 300 punten te behalen. Voor een positief advies op basis van de toets dient een aanvrager ten minste 30 punten per onderdeel (totaal 90 punten) te halen.

Per onderdeel kan een zwak subonderdeel worden gecompenseerd door subonderdelen waarop hoog wordt gescoord zodat het totaal minimaal 30 punten behaald kan worden voor het betreffende onderdeel. Zo kan een laag aantal punten voor opleiding gecompenseerd worden door een hoog aantal punten voor ondernemerschapservaring. Voor het kunnen bepalen van de punten dient de vreemdeling stukken en bescheiden aan te leveren. Deze stukken dienen ter onderbouwing en staving van de kwaliteiten en capaciteiten van de vreemdeling. Hierdoor wordt een transparant en selectief systeem gecreëerd.

Transparant door vooraf zichtbaar te maken wat wordt verwacht aan activiteiten en aan in te dienen bescheiden ter staving daarvan. Hierdoor kan de vreemdeling zelf vóóraf de kans op toelating inschatten.

Selectief door vooraf duidelijk te maken dat het systeem selecteert op hoogwaardige, op kennis gebaseerde economische activiteiten die een meerwaarde hebben voor de economie.

L

In dit artikel zijn de op grond van artikel 3.41, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opleidingen of studies aangewezen. Het betreft hier de opleidingen die in het voormalige artikel 3.18a, onder b en c stonden vermeld.

M

Met het komen te vervallen van de beperking verband houdend met arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, bedoeld in het voormalige artikel 3.33 van het Vreemdelingenbesluit 2000, is de schriftelijke verklaring tevens komen te vervallen. Daarom is het oorspronkelijke artikel 3.22 vervangen door een nieuwe inhoud.

In het nieuwe artikel 3.22 zijn de normen opgenomen voor het middelenvereiste in het kader van studie. De normen zijn ontleend aan het voormalige artikel 3.42 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

N

Met de wijziging van artikel 3.43 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is de schriftelijke verklaring van de vreemdeling en het gastgezin, waarin zij ondermeer verklaren dat de vreemdeling als au pair tijdelijk in het gastgezin verblijft, niet meer opgenomen. Het oorspronkelijke artikel 3.23 is daarmee vervallen. Het opnieuw vastgestelde artikel 3.23 heeft betrekking op het volgende.

Op grond van artikel 3.42 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kunnen vreemdelingen maximaal een jaar verblijf in Nederland krijgen om een baan als kennismigrant te vinden of een innovatief bedrijf te starten. De regeling hoogopgeleiden en het bijbehorend puntenstelsel waren voorheen in paragraaf B15/11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 opgenomen. De regeling is op 1 januari 2009 in werking getreden. Zoals in de toelichting bij WBV 2008/30 is vermeld is de regeling na 2 jaar geëvalueerd. De regeling heeft in de eerste twee jaar minder hoogopgeleiden getrokken dan verwacht. Bij brief van 27 februari 2012 is de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2011/12, 30 573, nr. 95) geïnformeerd over de verlenging van de regeling en een nieuwe evaluatie na twee jaar, die in 2013 plaatsvindt.

O

In het eerste lid van artikel 3.24 is bepaald dat uitwisseling kan plaatsvinden tussen de leeftijd van 18 tot en met 30 jaar. De organisaties die verplicht zijn zich te laten erkennen, kunnen in hun uitwisselingsprogramma’s binnen deze bandbreedte zelf keuzes maken ten aanzien van de leeftijdseisen. In het tweede lid is een uitzondering opgenomen op de algemene regel die in het eerste lid staat. Uitwisselingsjongeren tussen de 15 en 18 jaar kunnen vanwege hun minderjarigheid slechts onder specifieke voorwaarden van een cultureel uitwisselingsprogramma gebruik maken. Zij komen bijvoorbeeld niet in aanmerking voor verblijf als au pair.

In het derde lid zijn voorwaarden opgenomen waaraan de uitwisselingsprogramma’s tenminste moeten voldoen. Allereerst wordt het doel van het uitwisselingsprogramma nader omschreven. Buitenlandse jongeren kunnen als deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma tijdelijk in Nederland verblijven om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur. De wijze waarop het au-pairbureau of uitwisselingsorganisatie deze kennismaking faciliteert, wordt beschreven in het uitwisselingsprogramma.

Het au-pairbureau maakt inzichtelijk op welke wijze het invulling geeft aan de zorgplicht. Het au-pairbureau bepaalt zelf op welke wijze de verschillende aspecten van de zorgplicht in de praktijk worden vormgegeven. Uit het uitwisselingsprogramma moet blijken dat de zorgvuldigheid van de werving en selectie en het toezicht in voldoende mate zijn gewaarborgd. Tevens moet uit het programma naar voren komen dat het au-pairbureau in afdoende mate in staat is om adequaat op te treden bij misstanden.

Het uitwisselingsprogramma vermeldt voorts de aard en de omvang van de werkzaamheden die de vreemdeling gaat verrichten. Uit deze vermelding moet blijken dat het programma zodanig is ingericht dat de uitwisselingsjongere geen arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen gaat verrichten. Voor uitwisselingsjongeren, niet zijnde au pairs, is het alleen geoorloofd vrijwilligerswerk te verrichten. Au pairs mogen alleen licht huishoudelijke werkzaamheden verrichten van maximaal 30 uren per week, niet meer dan acht uren per dag en de au pair dient minimaal twee hele dagen per week vrij te zijn. Uit het uitwisselingsprogramma moet ten slotte blijken dat het au-pairbureau er zorg voor draagt dat de au pair en gastgezin afspraken over de aard en de omvang van de werkzaamheden neerleggen in een dagindeling.

P

In de wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 naar aanleiding van de uitspraak in de zaak-Chakroun (Stb. 2010, 306) is opgenomen (art. 3.74, eerste lid, onder b) dat in bepaalde gevallen een middelenvereiste van 150% van het wettelijk minimumloon in ieder geval voldoende is. In de toelichting is opgenomen dat dit onder meer betrekking heeft op gastgezinnen van au pairs.

In de Blauwdruk modern migratiebeleid is opgenomen dat het middelenvereiste voor culturele uitwisselingprogramma’s gelijk wordt getrokken met dat van au pairs (behalve bij uitwisselingsprogramma’s voor jongeren uit Australië, Canada en Nieuw-Zeeland). Dit betekent dat ook gastgezinnen van uitwisselingsscholieren over 150% van het wettelijk minimumloon zouden moeten beschikken. Uitwisselingsjongeren – vaak scholieren – hebben echter vaak een andere positie dan au pairs en logeren vaak in feite alleen bij hun gastgezin. Zij verrichten geen huishoudelijke werkzaamheden en krijgen geen zakgeld van het gastgezin. De enige werkzaamheden die zij mogen verrichten zijn vrijwilligerswerkzaamheden. Anders dan au pairs hebben uitwisselingsjongeren in het gastgezin geen taken. Uitwisselingsjongeren worden alleen toegelaten wanneer een door de IND erkende uitwisselingsorganisatie, die een door de IND goedgekeurd uitwisselingsprogramma uitvoert, de aanvraag indient.

In het onderhavige artikel 3.24a is opgenomen dat de uitwisselingsjongere in zijn eigen onderhoud moet kunnen voorzien. Op deze manier wordt voorzien in het vereiste dat er zelfstandig en duurzaam moet worden beschikt over voldoende middelen van bestaan. In de Vreemdelingencirculaire 2000 is dit nader ingevuld met de beleidsregel, dat de IND aanneemt dat een uitwisselingsjongere niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien als hij een beroep doet op de algemene middelen. De IND kan de verblijfsvergunning intrekken als sprake is van een beroep op de algemene middelen.

Q

Ingevolge artikel 3.77, zevende lid, en het nieuwe artikel 3.86, negentiende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt het model van de antecedentenverklaring vastgesteld bij ministeriële regeling. Het negentiende lid van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 komt inhoudelijk overeen met het twaalfde lid van het voormalige artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. In artikel 3.25 is de verwijzing naar het nieuwe artikel 3.86, negentiende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgenomen.

R

Doordat de werkgever die voornemens is kennismigranten te laten overkomen verplicht is zich als referent te laten erkennen is de verklaring, bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen komen te vervallen.

S

Op grond van het derde lid van artikel 3.99 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan worden bepaald dat de vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling of studie of voor het verrichten van arbeid als kennismigrant of wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG, de aanvraag indient door tussenkomst van de erkende referent. In het eerste lid van artikel 3.26 is bepaald dat de aanvraag door tussenkomst van de erkende referent moet worden ingediend.

Het tweede lid van artikel 3.26 maakt het mogelijk dat door de erkende referent naast de aanvraag ten behoeve van de hoofdpersoon de aanvraag ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner, de ongehuwde partner en de minderjarige kinderen van de hoofdpersoon kan worden ingediend. De hoofdpersoon is verantwoordelijk voor de bij de aanvraag behorende gegevens en bescheiden. De aanvraag wordt door tussenkomst van de erkende referent van de hoofdpersoon ingediend zonder dat de erkende referent van de hoofdpersoon een verplichting heeft om de aanvraag van de gezinsleden te toetsen.

T

Met de wijziging van artikel 3.99 van het Vreemdelingenbesluit 2000 komen de artikelen 3.26a, 3.29 tot en met 3.32, waarin de aanvraagformulieren in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 worden vastgesteld, te vervallen. De aanvraagformulieren zullen door de IND namens de minister worden vastgesteld en schriftelijk of via de website van de IND ter beschikking worden gesteld.

U

Dit betreft een redactionele wijziging.

V

Met de wijziging van het eerste lid van artikel 3.101 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de plaats waar de aanvraag moet worden ingediend voortaan niet meer in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bekendgemaakt. De artikelen 3.33a, 3.33b en 3.33c komen daarmee te vervallen.

W, X, Y, AA

Bij het vaststellen van de legestarieven voor het moderne migratiebeleid is over het algemeen aangesloten bij de tarieven zoals die voor inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid van toepassing zijn. In de huidige legestarieven is reeds voorzien in vrijstellingen voor categorieën vreemdelingen van wie niet kan worden verwacht dat zij leges kunnen opbrengen of voor wie legesheffing tegen het beleid in zou kunnen gaan.

Bij het vaststellen van het nieuwe legeshuis is gestreefd naar een vereenvoudiging van het huidige legesstelsel. De vereenvoudiging komt als volgt tot uitdrukking. Er is geen verschil meer tussen het legestarief voor de Toelating- en verblijfprocedure en het tarief voor de aanvraagprocedure voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder machtiging tot voorlopig verblijf en de aanvraagprocedure voor de wijziging van de beperking. Dit komt de eenduidigheid van het stelsel ten goede. Het tarief voor de Toelating- en verblijfprocedure is daardoor in de meeste gevallen wat lager dan het huidige bedrag dat geldt voor de combinatie van een machtiging tot voorlopig verblijf en de verblijfsvergunning regulier met machtiging tot voorlopig verblijf. Het tarief voor de verblijfsvergunning voor vreemdelingen uit landen waarvoor geen verplichting tot het aanvragen van een machtiging tot voorlopig verblijf geldt is veelal iets hoger vastgesteld.

Met de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid worden verblijfsvergunningen in vrijwel alle gevallen voor een langere verblijfsduur verleend waardoor minder vaak om een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur hoeft te worden gevraagd en is het minder vaak nodig om een wijziging beperking aan te vragen. Hierdoor neemt na de eerste verblijfaanvraag het aantal legesfeiten behoorlijk af.

Op het aansluiten bij de huidige tarieven in het nieuwe legeshuis geldt een enkele uitzondering. De leges voor tijdelijke arbeid zijn verlaagd tot € 750,-. Het tarief is daarmee iets lager dan het voormalige legesbedrag voor deze verblijfsdoelen en dat voor arbeid in loondienst (€ 850). De reden hiervoor is dat verblijfsvergunningen voor tijdelijke arbeid (lerend werken en seizoenarbeid) voor korte duur worden afgegeven en de geldigheidsduur niet te verlengen is. De verblijfsvergunning voor seizoenarbeid wordt voor maximaal 24 weken afgegeven, de verblijfsvergunning voor lerend werken voor maximaal 1 jaar.

Z

Vanwege de bevoegdheid ingevolge het tweede lid van artikel 3.99 van het Vreemdelingenbesluit 2000 om de vreemdeling of dienst wettelijk vertegenwoordiger in persoon de aanvraag te laten indienen is artikel 3.34i komen te vervallen. Vooralsnog is geen invulling aan artikel 3.99, tweede lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voorzien.

BB

Het is van belang dat voor de aanvrager duidelijk is welke gegevens en bescheiden niet door hemzelf bij de aanvraag hoeven te worden overgelegd. Uitgangspunt is niet dat ieder afzonderlijk gegeven wordt benoemd, maar dat voor de aanvrager duidelijk is welke (soort) gegevens en bescheiden uit welke administraties worden gehaald. In het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is een overzicht opgenomen van de aangewezen administraties en het soort gegevens dat daaruit wordt betrokken. Er zijn verschillende mogelijkheden om een aanvrager hierover te informeren: het schriftelijke aanvraagformulier, informatie bij het elektronisch indienen van een aanvraag of de website van de IND.

In de Vreemdelingencirculaire 2000 is geregeld dat de aanvrager bij de aanvraag wordt geïnformeerd over de authentieke gegevens en de gegevens en bescheiden die zijn aangewezen in het tweede lid die van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De basis voor het gebruik van authentieke gegevens ligt dan wel niet in de vreemdelingenwetgeving, maar vanuit het oogpunt om de aanvrager te informeren over de gegevens en bescheiden die hij niet zelf hoeft te verstrekken, ligt het voor de hand bij de aanvraag kenbaar te maken welke authentieke gegevens en bescheiden bij de beoordeling van de aanvraag worden gebruikt. Op dezelfde wijze worden de niet-authentieke gegevens behandeld die uit de in het eerste lid aangewezen administraties worden verkregen.

In de tabel is uitgewerkt welke gegevens en bescheiden uit de vermelde administratie niet door de aanvrager bij de aanvraag om een verblijfsvergunning hoeven te worden overgelegd. De tabel is als volgt opgebouwd. In kolom B staan de gegevens en bescheiden vermeld die uit de administratie in kolom A worden verkregen.

Artikel 3.34m ziet op gevallen waarin de erkende referent over de gegevens geen eigen verklaring kan afleggen, hetzij omdat hij twijfelt, hetzij omdat hij heeft vastgesteld dat aan een bepaalde voorwaarde niet wordt voldaan. In dat geval kan hij als referent de aanvraag wel indienen, maar wordt deze niet versneld afgedaan.

CC

Op grond van het tweede lid van artikel 37 van de Vreemdelingenwet 2000 is legesheffing mogelijk ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel. Het legesbedrag voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel is gelijk aan het legesbedrag voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier.

EE
Informatieplichten

Artikel 4.44a van het Vreemdelingenbesluit 2000 brengt een uitbreiding mee van de informatieplicht van de referent. De referent dient op grond van het eerste lid van dit artikel binnen vier weken mededeling te doen aan de Minister als de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking.

Ingevolge het derde lid van artikel 4.44a van het Vreemdelingenbesluit 2000 moet de referent ook andere gegevens verstrekken met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is, over de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan zijn zorgplichten jegens de vreemdeling en zijn informatieverplichtingen, en over zijn positie als referent.

Ingevolge artikel 4.44a, derde lid, en 4.44b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is in artikel 4.17 allereerst nader ingevuld hoe een melding bij de IND moet worden gedaan, alsmede wat in ieder geval in de melding moet worden opgenomen.

In de artikelen 4.18 tot en met 4.26 is nader uitgewerkt welke gegevens de referent in welke gevallen moet verstrekken.

Daarbij is als uitgangspunt gehanteerd dat de administratieve lasten zo beperkt mogelijk worden gehouden en tegelijkertijd een efficiënte inrichting van het toezicht op naleving van de wet moet zijn gewaarborgd.

Bij overtreding van deze informatieverplichting kan op grond van artikel 55a van de Vreemdelingenwet 2000 de desbetreffende referent een bestuurlijke boete worden opgelegd. In ernstige gevallen kan op grond van artikel 108 van de Vreemdelingenwet 2000 strafvervolging worden ingesteld en kan de erkenning als referent worden geschorst of ingetrokken.

In het eerste lid van artikel 4.18 is een informatieplicht voor alle referenten opgenomen. In het tweede lid is nader uitgewerkt welke relevante wijzigingen in de omstandigheden door alle (erkende) referenten in het kader van de informatieplicht aan de IND moeten worden doorgegeven. De in dit artikel genoemde wijzigingen die de erkende referent verplicht is door te geven aan de IND zijn van belang voor de beoordeling van de erkenning als referent. De IND zal aan de hand van de mededeling beoordelen of de erkende referent nog steeds voldoet aan de voorwaarden voor erkenning. Ook kan de IND op grond van de mededeling bezien of er aanleiding bestaat om de erkenning van de referent te schorsen.

In de artikelen 4.19 tot en met 4.26 zijn aanvullende informatieplichten voor de referent in het kader van een specifieke beperking opgenomen.

De mededelingen genoemd in de eerste leden van deze artikelen zien voornamelijk op relevante wijzigingen die wellicht gevolgen kunnen hebben voor het verblijfsrecht van de vreemdeling. Uit de artikelen blijkt bijvoorbeeld dat de referent bij de IND moet melden dat de arbeidsmigrant, kennismigrant of houder van de Europese blauwe kaart niet meer beschikt over respectievelijk middelen van bestaan of niet meer voldoet aan het looncriterium. Ook als een student onvoldoende studievoortgang boekt, moet de referent dat melden. Als een au pair niet langer in het gastgezin van de referent van de au pair verblijft, moet de (eerste) referent van de au pair dit melden aan de IND. Als een student niet meer studeert aan de onderwijsinstelling moet deze (eerste) onderwijsinstelling dit doorgeven aan de IND. Als een arbeidsmigrant, een kennismigrant, een houder van de Europese blauwe kaart of een wetenschappelijk onderzoeker niet meer werkzaam is bij de werkgever of niet meer aan de onderzoeksinstelling is verbonden, moet de (eerste) werkgever dat melden aan de IND.

De IND onderzoekt vervolgens of de vreemdeling nog steeds voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Als bijvoorbeeld blijkt dat de au pair bij een ander gastgezin van een andere referent verblijft, de student aan een andere onderwijsinstelling studeert en de arbeids- of kennismigrant een andere werkgever heeft, kan het zijn dat nog steeds aan de beperking wordt voldaan. De nieuwe belanghebbende zal zich dan moeten aanmelden, zich schriftelijk referent moeten stellen voor de vreemdeling en met eigen verklaringen dan wel met bescheiden moeten aantonen dat de vreemdeling nog aan alle voorwaarden voor verblijf in Nederland voldoet. Indien de vreemdeling niet meer voldoet aan de beperking, wordt door de IND onderzocht of er aanleiding bestaat om de verblijfsvergunning in te trekken.

Een aantal artikelen wordt hierna nader toegelicht. In artikel 4.19 zijn de informatieplichten voor de referent van een au pair opgenomen. Op de referent van de au pair rust een zorgplicht, die nader is geconcretiseerd in de artikelen 1.4 en 1.5. Deze concretisering houdt onder meer in dat de referent van de au pair zich vergewist van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling en er op toeziet dat het gastgezin en de vreemdeling zich aan de gemaakte afspraken houden ten aanzien van de aard en de omvang de werkzaamheden. Als zich misstanden of onregelmatigheden voordoen, dan ligt in beginsel bij de referent van de au pair een inspanningsverplichting om de problemen op te lossen. Dit laat onverlet dat de referent van de au pair op grond van de informatieplicht, zoals genoemd in artikel 4.19, eerste lid, aan de IND melding moet maken.

De uitwisselingsorganisatie meldt te allen tijde de plaatsing van een uitwisselingsjongere in een ander gastgezin. De melding is in ieder geval voorzien van de naam van de hoofdpersoon van het nieuwe gastgezin, de gezinssamenstelling en het adres. Als de wijziging een au pair betreft, dan meldt de referent van de au pair ook of het nieuwe gastgezin voldoet aan het middelenvereiste. De referent van de au pair draagt er zorg voor dat tussen het nieuwe gastgezin en de au pair een dagindeling wordt overeengekomen. Ook als de uitwisselingsjongere in afwachting van plaatsing bij een nieuw geschikt gastgezin tijdelijk elders wordt ondergebracht, meldt de uitwisselingsorganisatie dit aan de IND, onder vermelding van het adres waarop de jongere tijdelijk zal verblijven en de verwachte duur van het tijdelijke verblijf. In het tweede lid van artikel 4.19, 4.20 en 4.23 is een inlichtingenplicht opgenomen voor het geval dat de referent zijn verplichtingen om zorgvuldig te werven en te selecteren niet kan nakomen.

In artikel 4.25 is geregeld dat de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven als familie- of gezinslid, een inlichtingenplicht heeft indien de gezinsband met de vreemdeling is verbroken of de vreemdeling en de referent niet meer samenwonen. Beide meldingen worden verlangd, omdat het feit dat de vreemdeling en de referent niet langer samenwonen, nog niet hoeft te betekenen dat de gezinsband is verbroken. Omgekeerd kan sprake zijn van verbreking van de gezinsband, ook al wonen de vreemdeling en de referent nog samen. Voor het antwoord op de vraag wanneer sprake is van het verbreken van de gezinsband wordt verwezen naar de paragrafen B7/3.1.4 en B7/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Voor het antwoord op de vraag wanneer wordt aangenomen dat de vreemdeling en de referent samenwonen, wordt verwezen naar paragraaf B7/3.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

Uit artikel 4.26 blijkt dat de vreemdeling die in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant of wetenschappelijk onderzoek in het kader van richtlijn 2005/71/EG aan de IND mededeling doet in het geval dat hij van referent wijzigt. Dit past in de volgende systematiek. Indien bijvoorbeeld een arbeidsmigrant voor een andere werkgever gaat werken moet de oorspronkelijke werkgever in dat geval aan de IND doorgeven dat de arbeidsmigrant niet langer voor hem werkt. De nieuwe werkgever zal zich vervolgens moeten melden als hij zich schriftelijk referent stelt voor de arbeidsmigrant.

Administratieplichten

Ingevolge artikel 4.53, eerste lid en derde lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit zijn in de artikelen 4.27 tot en met 4.42 de administratie- en bewaarplicht nader uitgewerkt.

Allereerst is in artikel 4.27 opgenomen dat elke referent, met uitzondering van de referent van een vreemdeling die verblijft als familie- of gezinslid, het woonadres van de vreemdeling van de vreemdeling in zijn administratie opneemt.

Vervolgens is in de navolgende artikelen voor de vermelde specifieke beperking bepaald welke gegevens en bescheiden onder de administratie- en bewaarplicht worden geschaard.

Zo geldt bijvoorbeeld ten aanzien van uitwisselingsorganisaties dat op grond van artikel 4.28, eerste lid, onder a, in de administratie van de referent van de au pair de actuele tussen de au pair en het gastgezin overeengekomen dagindeling moet zijn opgenomen. Als hierin wijzigingen optreden, dan moet dit tevens blijken uit de administratie. Voorts moet de uitwisselingsorganisatie in de administratie een overzicht opnemen van alle adressen waar de uitwisselingsjongere gedurende het verblijf in Nederland heeft verbleven. Hierbij vermeldt de uitwisselingsorganisatie de naam van de hoofdpersoon van het gastgezin, de gezinssamenstelling van het gastgezin en de periode waarin de jongere bij het gastgezin heeft verbleven. Ook vermeldt de uitwisselingsorganisatie het adres waar de jongere eventueel tijdelijk wordt ondergebracht in afwachting van een nieuw geschikt gastgezin.

Tevens dient de uitwisselingsorganisatie op grond van artikel 4.28, tweede lid, onder a, stukken in de administratie op te nemen waaruit blijkt welke maatregelen zijn getroffen bij eventuele misstanden. Te denken valt hierbij aan (gespreks)verslagen naar aanleiding van een huisbezoek, telefoonnotities en afschriften van correspondentie met het gastgezin of de uitwisselingsjongere.

In artikel 4.41 is geregeld aan welke vereisten de administratie dient te voldoen en dat binnen een termijn van vier weken desgewenst geadministreerde stukken schriftelijk dienen te worden verstrekt. In het vierde lid is aangegeven dat deze termijn in bijzondere gevallen kan worden verkort. Dat is bijvoorbeeld het geval als er een vermoeden bestaat dat er sprake is van het verschaffen van onjuiste gegevens.

In artikel 4.42 is een algemene verplichting opgenomen voor de referent die op grond van artikel 54 van de Vreemdelingenwet 2000 en 4.53 van het Vreemdelingenbesluit 2000 een administratieplicht heeft om in het geval dat er niet aan de verplichtingen kan worden voldaan, dit binnen vier weken gemotiveerd bij de minister (IND) te melden.

HH

In de bijlage behorende bij artikel 6.2a zijn gestandaardiseerde tarieven van de kosten van uitzetting opgenomen. De kosten zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse bij de uitzetting betrokken instanties. Nadat de vreemdeling is uitgezet, levert de Dienst Terugkeer en Vertrek aan de IND een overzicht van de kosten die zij met betrekking tot de betreffende vreemdeling hebben gemaakt. Zij doen dit aan de hand van de in de bijlage 22 opgenomen tarievenlijst.

II

Ingevolge artikel 23, aanhef en eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens is het verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens niet van toepassing indien een dergelijke verwerking noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. In dat geval dienen passende waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer te worden geboden en dient de verwerking bij wet te worden voorzien. Artikel 107a, eerste lid, van de Wet voorziet daarin. Ingevolge het derde lid van artikel 107a van de Wet worden bij ministeriële regeling binnen het kader van het eerste en tweede lid nadere regels gesteld ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer. In artikel 7.1a is opgenomen in welke gevallen bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt. In het nieuwe onderdeel i wordt de beoordeling van de aanvraag tot erkenning als referent, bedoeld in artikel 2c van de Wet, toegevoegd.

JJ

Dit betreffen redactionele aanpassingen.

KK

Artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 vormt de basis voor de bestaande praktijk van uitwisseling van gegevens en inlichtingen van en naar de IND. Naast gegevens omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling worden op grond van dit artikel ook andere gegevens en inlichtingen uitgewisseld. Aangezien de versterking van de positie van de referent en de verbetering van de verblijfsrechtelijke procedure meebrengt dat veel gegevens worden verwerkt, is de vreemdelingenadministratie van een formeel-wettelijke basis in de Vreemdelingenwet 2000 voorzien.

De exacte informatiebehoefte van de IND en haar ketenpartners in het moderne migratiebeleid maakt een ontwikkeling door waardoor rekening wordt gehouden met snelle veranderingen in de informatiebehoefte, bijvoorbeeld door beleidswijzigingen die met een minimum aan bestuurslasten voor de overheid en aan administratieve lasten voor de burgers en bedrijven moeten kunnen worden uitgevoerd en door de voortgaande ontsluiting van relevante gegevens die bij andere overheidsdiensten bekend zijn. De hoofdlijnen van de informatievoorziening zijn op formeel-wettelijk niveau geregeld, de nadere uitwerking kan in de lagere regelgeving worden opgenomen.

Het tweede lid van artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt het doel van de vreemdelingenadministratie. Dat is in de eerste plaats de verwerking van de in het eerste lid bedoelde gegevens die nodig zijn voor de uitvoering door de Minister van Veiligheid en Justitie (IND) van de Vreemdelingenwet 2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarnaast bevat de vreemdelingenadministratie gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van andere wettelijke voorschriften. Die andere wettelijke voorschriften zijn in het onderhavige artikel 7.1e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 opgenomen. De uitdrukkelijke en precieze doelomschrijving van de verzameling wordt daarmee bij algemeen verbindend voorschrift gegeven. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het vereiste dat het doel van de gegevenswerking welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd is. In dit verband wordt als voorbeeld gewezen op de noodzaak van de verblijfsrechtelijke gegevens in de vreemdelingenadministratie voor de uitvoering door andere instanties van wettelijke voorschriften die onder het zogeheten koppelingsbeginsel vallen. Daarnaast zijn er in en buiten de vreemdelingenketen nog andere instanties die informatie nodig hebben van de IND om hun wettelijke taken goed te kunnen uitvoeren. Zo moet het UWV/WERKbedrijf inlichtingen over de intrekking van verblijfsvergunningen voor het verrichten van arbeid verkrijgen om de ten behoeve van die arbeid aan de werkgever van die vreemdeling verleende tewerkstellingvergunning in te kunnen trekken. Gemeenten hebben voor de uitvoering van de Wet inburgering informatie nodig over de verlening van verblijfsvergunningen aan inburgeringsplichtige vreemdelingen. Inkomensgegevens van referenten die bij de aanvraag om toelating van een vreemdeling hebben aangegeven zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan, maar tevens een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand ontvangen, zijn noodzakelijk voor de uitkeringsinstantie om toezicht te kunnen uitoefenen op de rechtmatigheid van de uit te keren gelden. De onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ressorterende ambtenaren van de inspectie SZW hebben gegevens nodig voor het toezicht op naleving van de Wet arbeid vreemdelingen.

In artikel 7.1f is een expliciete bepaling opgenomen waardoor de Dienst Uitvoering Onderwijs in het geval dat een vreemdeling arbeid voor een religieuze organisatie wil verrichten, door de minister (in de praktijk: de IND) wordt geïnformeerd over de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Dit stelt de Dienst Uitvoering Onderwijs in staat om te onderzoeken of de vreemdeling inburgeringsplichtig is.

Ingevolge artikel 8.2a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 7.1g van deze regeling worden door de rijksbelastingdienst op verzoek van de Minister gegevens over fiscale vergrijpboetes die op grond van artikel 67d, 67e en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn opgelegd verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de erkenning als referent. Het gaat hier niet alleen om gegevens die ten behoeve van de beoordeling van aanvraag om erkenning als referent noodzakelijk zijn maar ook worden gebruikt voor de periodieke ambtshalve controle waarin wordt beoordeeld of nog steeds aan de voorwaarden voor erkenning als referent wordt voldaan. Artikel 7.1g vormt in samenhang met artikel 67, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het wettelijk voorschrift op grond waarvan de rijksbelastingdienst is ontheven van haar geheimhoudingsplicht. In het tweede lid is vastgelegd dat de door de rijksbelastingdienst verstekte gegevens niet mogen worden doorgeleverd.

LL

Dit betreft een redactionele aanpassing.

MM

Op grond van artikel X, derde lid, van het Besluit modern migratiebeleid kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verblijfsvergunning, verleend onder een andere beperking als bedoeld in artikel 3.4, derde lid. Artikel 7.2b regelt dat de oude beperkingen vanaf het tijdstip waarop de Wet modern migratiebeleid in werking treedt, direct worden aangemerkt als de corresponderende nieuwe beperkingen. Op deze beperkingen is het nieuwe recht direct van toepassing.

Op grond van het tweede lid van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 verleent de Minister de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf binnen twee weken (tien werkdagen) nadat deze zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 bij de IND heeft gemeld, ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking als die waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend. Hiermee wordt verdere versnelling van de toelatingsprocedure bewerkstelligd door de introductie van één aanvraagprocedure voor toegang en verblijf.

Voor aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf die zijn ingediend of waarop (positief) is beslist voor inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid geldt dat deze worden behandeld volgens het procedureel recht dat van toepassing was op het moment dat de machtiging tot voorlopig verblijf is ingediend. In deze gevallen wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet ambtshalve verstrekt en moet (nog) een aanvraag om een verblijfsvergunning bij de IND worden ingediend waarvoor ook het oude legestarief geldt.

NN

Als gevolg van het vervallen of wijzigen van de artikelen 3.22, 3.23, 3.24, 3.25a, 3.26, 3.26a, 3.29, 3.30 en 3.32 zijn de bijlagen 9, 10, 11, 12a, 13a, 13b, 13e, 13f en 13 h vervallen.

Artikel II

De wijzigingen in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 houden verband met de nieuwe beperkingen in het modern migratiebeleid in de artikelen 3.4 en 3.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Artikel III

De documenten en schriftelijke verklaringen die op grond van de Vreemdelingenwet 2000 zijn vastgesteld, hetzij als bescheid waaruit het rechtmatig verblijf van de vreemdeling blijkt (artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000), hetzij als document waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie (artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000), zijn niet identiek aan de documenten die voor de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid zijn verstrekt. Deze documenten worden vervangen door de documenten die op grond van de Vreemdelingenwet 2000 zijn vastgesteld.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven.