Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 1995, 375Wet

Wet van 10 juli 1995 tot wijziging van de Comptabiliteitswet verband houdende met onder andere de introductie van agentschappen, de integratie van de begrotingsartikelen «personeel» en «materieel» en een nadere aanpassing van de financiële verantwoordingsprocedure (zesde wijziging van de Comptabiliteitswet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal artikelen van de Comptabiliteitswet inzake de begrotingsartikelen personeel en materieel, de financiële verantwoording van het Rijk en de staatsbedrijven te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Comptabiliteitswet (Stb. 1992, 351)1 wordt als volgt gewijzigd.

A.

Hoofdstuk I wordt als volgt gewijzigd.

1. In artikel 1 vervalt het gestelde onder letter f.

2. Artikel 3 vervalt.

3. Artikel 5, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Per begroting worden de begrotingsartikelen gegroepeerd naar hoofdbeleidsterreinen, zodanig dat elk hoofdbeleidsterrein een helder beeld geeft van de onderwerpen van beleid. Voor zover bepaalde begrotingsartikelen niet zinvol bij een hoofdbeleidsterrein kunnen worden ondergebracht, worden deze opgenomen in het hoofdbeleidsterrein «algemeen».

4. Artikel 5, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. De ramingen met betrekking tot personeel en materieel van een ministerie worden per hoofdbeleidsterrein opgenomen in een begrotingsartikel «personeel en materieel». De toelichting bij dat begrotingsartikel geeft een uitsplitsing van de raming naar personeel en materieel.

    Indien de inzet van personeel en materieel betrekking heeft op meer dan één hoofdbeleidsterrein, kunnen de ramingen met betrekking tot personeel en materieel worden opgenomen in een begrotingsartikel «personeel en materieel» in het hoofdbeleidsterrein «algemeen». Alsdan wordt in de toelichting bij dat begrotingsartikel, voor personeel enerzijds en materieel anderzijds, een indicatieve verdeling gegeven van die ramingen over de betrokken hoofdbeleidsterreinen.

5. Artikel 6, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning bevat per hoog college van staat en voor het Kabinet van de Koning een afzonderlijk begrotingsartikel «personeel en materieel».

6. In artikel 8, eerste lid, wordt «uiterlijk op 15 april» vervangen door: uiterlijk op een door Onze Minister van Financiën te bepalen datum.

7. Artikel 10, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Voorstellen van wet tot wijziging van de begroting worden in elk geval ingediend met betrekking tot:

    a. de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, eerste lid, en wel gelijktijdig met de betrokken voorjaarsnota;

    b. nadere wijzigingen, tenzij boekhoudkundig van aard of voortvloeiend uit controlebevindingen, waaronder in elk geval begrepen de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, en wel gelijktijdig met de betrokken najaarsnota.

    c. de slotwetwijzigingen, zijnde per begrotingsartikel de wijziging die leidt tot opheffing van het resterende verschil tussen de begrotingsraming, inclusief eerdere wijzigingen daarin aangebracht, en het gerealiseerde bedrag en wel uiterlijk op 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar.

B.

Hoofdstuk II wordt als volgt gewijzigd.

1. In artikel 17, vierde lid, wordt «Onze ministers wijzen de personen aan die» vervangen door: Onze ministers wijzen aan wie.

2. In artikel 17 wordt onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid een nieuw vijfde lid ingevoegd, dat luidt:

  • 5. In afwijking van het vierde lid wijzen de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de Kanselier van de Kanselarij der Nederlandse Orden en de directeur van het Kabinet van de Koning, ieder met betrekking tot het betrokken onderdeel van de begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning, aan wie kunnen beschikken over de toegestane bedragen en trekken een zodanige aanwijzing in.

3. In artikel 19 wordt onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde, respectievelijk zevende lid, een nieuw vijfde lid ingevoegd, dat luidt:

  • 5. In afwijking van het tweede en vierde lid wordt de aanwijzing, respectievelijk de intrekking van die aanwijzing, van de in die artikelleden bedoelde personen bij de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning verricht door de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de Kanselier van de Kanselarij der Nederlandse Orden en de directeur van het Kabinet van de Koning, ieder met betrekking tot het betrokken onderdeel van de begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning.

4. In artikel 22, eerste lid, wordt «Artikel 52, eerste lid» vervangen door «Artikel 52».

5. Artikel 29, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het oprichten of mede-oprichten, dan wel het doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon door de Staat zal niet eerder plaatsvinden dan 30 dagen nadat van het voornemen daartoe door Onze betrokken minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, schriftelijk mededeling is gedaan aan beide Kamers van de Staten-Generaal.

6. In artikel 29, derde lid, wordt «14 dagen» vervangen door: 30 dagen.

7. In artikel 34, eerste lid, wordt «Bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

C.

Hoofdstuk IV wordt als volgt gewijzigd.

1. In artikel 39, eerste lid, eerste volzin, wordt «uit drie leden in buitengewone dienst» vervangen door: uit ten hoogste drie leden in buitengewone dienst.

2. In artikel 46, tweede lid, wordt «Algemene Rekenkamer» gewijzigd in «Rekenkamer».

3. Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «Ambtenarenwet 1929» vervangen door: Ambtenarenwet.

b. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De Rekenkamer kan het aanstellen, schorsen en ontslaan van ambtenaren opdragen aan de secretaris.

4. Artikel 51, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De Algemene Rekenkamer onderzoekt:

    a. het door Onze ministers gevoerde financiële beheer en de jaarlijkse financiële verantwoordingen daarover;

    b. de administraties die ten behoeve van dat beheer en die verantwoordingen worden gevoerd.

5. In artikel 51, tweede lid, wordt «beoordeelt» vervangen door: onderzoekt.

6. In artikel 51, derde lid, wordt «beoordeelt» vervangen door: onderzoekt.

7. In artikel 51, vierde lid, wordt «verantwoording» vervangen door «verantwoordingen» en wordt «artikel 67, derde lid» vervangen door «artikel 67, tweede lid».

8. Artikel 52, eerste lid, komt te luiden:

Ten aanzien van de rekening van het Rijk en de saldibalans van het Rijk, beide bedoeld in artikel 66, tweede lid, onderzoekt de Algemene Rekenkamer of deze stukken aansluiten op de financiële verantwoordingen, bedoeld in artikel 51, eerste lid, en overeenkomstig de daarvoor gegeven voorschriften zijn opgesteld.

9. Artikel 52, tweede lid, vervalt.

10. In artikel 56, eerste lid, wordt «bepaalde verplichtingen, uitgaven en ontvangsten» vervangen door «bepaalde verplichtingen, uitgaven of ontvangsten» en wordt «een voorstel van wet tot opheffing van het bezwaar» vervangen door «een voorstel tot vaststelling van een indemniteitswet».

11. In artikel 56, derde lid, wordt «artikel 67, derde lid» vervangen door «artikel 67, tweede lid» en wordt «rekening» vervangen door «financiële verantwoording».

12. Artikel 56, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Onze betrokken minister maakt in een aanvullende toelichting bij de financiële verantwoording zijn standpunt inzake het in het derde lid bedoelde bezwaar kenbaar aan de Staten-Generaal.

13. In artikel 60 vervalt «met toepassing van artikel 21, tweede lid,».

14. In artikel 63, eerste lid, worden de woorden «de taken en bevoegdheden» vervangen door: de taken en of bevoegdheden.

15. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, wordt aan artikel 63 een nieuw tweede lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien bij de oprichting van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 29, eerste lid, ten aanzien van deze rechtspersoon taken en of bevoegdheden ontstaan voor de Rekenkamer.

16. In artikel 63, vierde lid, wordt «te stellen regels» vervangen door: gestelde regels.

D.

Hoofdstuk V wordt als volgt gewijzigd.

1. In artikel 64 vervalt «verplichtingen,».

2. Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65

  • 1. Onze ministers, ieder met betrekking tot de begroting waarover hij het beheer voert, maken over elk jaar de financiële verantwoording op.

  • 2. De financiële verantwoording bevat:

    a. de rekening van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten, voorzien van een toelichting;

    b. de op deze rekening aansluitende saldibalans per 31 december, voorzien van een toelichting.

  • 3. De rekening van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten wijst, indien wenselijk in afgeronde bedragen, per begrotingsartikel in elk geval aan:

    a. de aanvankelijke raming, bedoeld in artikel 4, tweede lid;

    b. de onderscheiden wijzigingen in de raming aangebracht bij wet;

    c. het gerealiseerde bedrag.

  • 4. De toelichting bij de rekening vermeldt met betrekking tot elk begrotingsartikel in elk geval:

    a. een uiteenzetting over het gerealiseerde beleid, waarbij met name aandacht wordt besteed aan afwijkingen en aanpassingen ten opzichte van het voorgenomen beleid;

    b. een uiteenzetting over de gerealiseerde activiteiten, prestaties en effecten, indien deze in belangrijke mate afwijken van de gegevens met betrekking tot de beoogde activiteiten, prestaties en effecten, vermeld in de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting;

    c. in aansluiting op de splitsing van de begrotingsartikelen, bedoeld in artikel 7, aanhef en onder d, de uitkomsten met betrekking tot de betrokken artikelonderdelen, waarbij deze uitkomsten worden gesteld naast de ramingen voor het betrokken jaar;

    d. andere cijfermatige gegevens die het inzicht in het gerealiseerde beleid kunnen bevorderen, waaronder in elk geval een overzicht van de verdeling van de bedragen voor loonbijstelling en prijsbijstelling vanuit de administratieve begrotingsartikelen, bedoeld in artikel 5, negende lid.

  • 5. Onze ministers zenden de financiële verantwoording, te zamen met de samenvattende rapporten, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, uiterlijk op 23 april van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan Onze Minister van Financiën.

3. Artikel 66 komt te luiden:

Artikel 66

  • 1. Onze Minister van Financiën stelt over elk jaar de financiële verantwoording van het Rijk samen.

  • 2. De financiële verantwoording van het Rijk bevat:

    a. de rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk, zo nodig voorzien van een toelichting;

    b. de op deze rekening aansluitende saldibalans van het Rijk per 31 december, zo nodig voorzien van een toelichting.

4. Artikel 67 komt te luiden:

Artikel 67

  • 1. Onze Minister van Financiën zendt uiterlijk op 15 mei van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Algemene Rekenkamer:

    a. de financiële verantwoordingen, bedoeld in artikel 65, eerste lid;

    b. de samenvattende rapporten, bedoeld in artikel 22, vijfde lid;

    c. de opmerkingen waartoe de onder a bedoelde stukken hem eventueel aanleiding geven;

    d. de financiële verantwoording van het Rijk, bedoeld in artikel 66, eerste lid.

    Van zijn opmerkingen doet hij tevens mededeling aan Onze betrokken ministers.

  • 2. De Rekenkamer stelt met betrekking tot elke financiële verantwoording, bedoeld in artikel 65, eerste lid, een rapport op van het door haar verrichte onderzoek, bedoeld in artikel 51.

  • 3. De Rekenkamer stelt met betrekking tot de financiële verantwoording van het Rijk, bedoeld in artikel 66, eerste lid, een verklaring van goedkeuring op.

  • 4. De verklaring van goedkeuring wordt gegeven onder voorbehoud van de vaststelling van de slotwetten, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, en in voorkomende gevallen onder voorbehoud van de vaststelling van een indemniteitswet, bedoeld in artikel 56.

5. Artikel 68 komt te luiden:

Artikel 68

  • 1. De Algemene Rekenkamer zendt de rapporten, bedoeld in artikel 67, tweede lid, en de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 67, derde lid, uiterlijk op 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Staten-Generaal, alsmede aan Onze betrokken ministers. Indien de Rekenkamer haar onderzoek van een financiële verantwoording op uiterlijk 1 september nog niet heeft afgesloten, zendt zij op die datum in plaats van een rapport een mededeling omtrent de stand van haar onderzoek. In dat geval wordt het betrokken rapport, alsmede de verklaring van goedkeuring zo spoedig mogelijk nagezonden.

  • 2. Ter verlening van decharge aan Onze betrokken ministers over het gevoerde financiële beheer met betrekking tot een begrotingsjaar zendt Onze Minister van Financiën uiterlijk op 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Staten-Generaal:

    a. de financiële verantwoordingen, bedoeld in artikel 65, eerste lid, in voorkomende gevallen voorzien van een aanvullende toelichting als bedoeld in artikel 56, vierde lid;

    b. de financiële verantwoording, bedoeld in artikel 66, eerste lid.

  • 3. Gelijktijdig met de stukken, bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister van Financiën aan de Staten-Generaal:

    a. een uiteenzetting over het in het afgelopen jaar gevoerde financiële beheer en over de resultaten van de accountantscontrole bij het Rijk;

    b. in voorkomende gevallen een overzicht van de financiële verantwoordingen die, in afwijking van het bepaalde in dit artikel, tweede lid, niet uiterlijk op 1 september aan de Staten-Generaal zijn of worden gezonden, met een verklaring van de reden daarvan;

    c. in voorkomende gevallen een overzicht van de voorstellen van een slotwet die in afwijking van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, niet uiterlijk op 1 september bij de Tweede Kamer zijn of worden ingediend, met een verklaring van de reden daarvan;

    d. in voorkomende gevallen een overzicht van de voorstellen van een indemniteitswet, bedoeld in artikel 56, die op 1 september nog niet zijn ingediend, met een verklaring van de reden daarvan.

6. Het opschrift van hoofdstuk V «De rekening van het Rijk» wordt vervangen door: De financiële verantwoording van het Rijk.

E.

Hoofdstuk VI wordt als volgt gewijzigd.

1. Artikel 70 komt te luiden:

Artikel 70

  • 1. Indien voor een onderdeel van een ministerie een afwijkend beheer wenselijk is, kunnen Onze betrokken minister en Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, besluiten aan dat onderdeel de status van agentschap te verlenen.

  • 2. Een zodanig besluit wordt niet eerder genomen dan 30 dagen nadat het voornemen daartoe schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. Indien binnen deze termijn door of namens de Kamer of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Kamer de wens te kennen wordt gegeven nadere inlichtingen te ontvangen over het voorgenomen besluit, wordt het besluit niet eerder genomen dan nadat deze inlichtingen zijn verstrekt. Indien de Kamer binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in de eerste volzin, of binnen 14 dagen na het verstrekken van de in de tweede volzin bedoelde inlichtingen zich uitspreekt tegen het voorgenomen besluit, wordt het besluit niet genomen.

  • 3. Aan de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan worden ontleend welke afwijkende beheersregels voor het agentschap gelden. Tevens wordt daarin aangegeven welke produkten het agentschap levert en welke produktinformatie in de begroting en de verantwoording wordt verstrekt.

  • 4. Onze betrokken minister doet van een zodanig besluit afschrift toekomen aan de Algemene Rekenkamer.

2. Artikel 71 komt te luiden:

Artikel 71

  • 1. De begroting en de financiële verantwoording van het agentschap worden gebaseerd op het stelsel van baten en lasten.

  • 2. De betalingen van het betrokken ministerie aan een agentschap, evenals de betalingen van een agentschap aan het betrokken ministerie, worden door het ministerie ten laste onderscheidenlijk ten gunste van een of meer begrotingsartikelen van het desbetreffende hoofdbeleidsterrein gebracht.

  • 3. De begroting van een ministerie bevat voor elk agentschap dat onder het betrokken ministerie ressorteert tevens het totaal van de geraamde baten, van de geraamde lasten, het saldo van baten en lasten, het totaal van de geraamde kapitaaluitgaven en van de geraamde kapitaalontvangsten.

  • 4. Tot de uitgaven en ontvangsten in een jaar van een agentschap en van het ministerie waaronder het ressorteert worden, behalve die bedoeld in artikel 4, vierde lid, ook gerekend de verrekeningen tussen het agentschap en dat ministerie.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, worden de ramingen met betrekking tot personeel en materieel van een agentschap niet opgenomen in het begrotingsartikel «personeel en materieel» van de begroting van het betrokken ministerie, maar in de begroting van het betrokken agentschap opgenomen onder de lasten. Artikel 5, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, mogen alle wijzigingen in de bedragen, bedoeld in het derde lid van dit artikel, worden opgenomen in de voorstellen van een slotwet, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c.

3. Artikel 72 komt te luiden:

Artikel 72

De financiële verantwoording, bedoeld in artikel 65, eerste lid, bevat per agentschap een onderdeel omtrent de financiële verantwoording van dat agentschap.

4. Artikel 73 komt te luiden:

Artikel 73

Onze Minister van Financiën stelt zo nodig nadere regels met betrekking tot agentschappen in het algemeen, dan wel één of enkele agentschappen in het bijzonder.

5. Het opschrift van hoofdstuk VI «De staatsbedrijven» wordt vervangen door: De agentschappen.

F.

Hoofdstuk VII wordt als volgt gewijzigd.

In artikel 74, eerste lid, vervalt: en artikel 3, tweede lid.

ARTIKEL II

1. Artikel 19, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Stb. 1975, 382)2 wordt ingetrokken.

2. In de Wet van 21 april 1955, houdende vaststelling van een regeling, als bedoeld in artikel 89a van de Comptabiliteitswet (Stb. 1927, 259), ten aanzien van de «Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen» (thans de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen) (Stb. 1955, 189)3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In artikel 1, vierde lid, vervallen de woorden «en van de Algemene Rekenkamer»;

2. In artikel 3, derde lid, vervallen de woorden «en aan de Algemene Rekenkamer»;

3. In artikel 4, eerste lid, vervallen de woorden «en aan de Algemene Rekenkamer»;

4. In artikel 4, tweede lid, vervalt de zinsnede «, zomede aan de Algemene Rekenkamer».

3. In artikel 14, tweede lid, van het Besluit reserveoverdracht beroepsmilitairen (Stb. 1988, 653)4 vervallen de woorden «de Algemene Rekenkamer en».

4. Goedgekeurd wordt een toekomstige statutenwijziging van de Stichting International Reference Centre for Community Water Supply and Sanitation, voor zover het betreft wijziging van artikel 9 inhoudende het vervallen van de bepaling, dat een exemplaar van het accountantsrapport aan de Algemene Rekenkamer dient te worden gezonden.

5. Onder vernummering van het derde lid tot tweede lid komt het oorspronkelijke tweede lid van artikel 15.28 van de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551)5 te vervallen.

6. In artikel 4 van de Wet van 31 mei 1937, tot omzetting van den Rijksstudiedienst voor de Luchtvaart in een Stichting, alsmede vaststelling van een regeling als bedoeld in artikel 89a van de Comptabiliteitswet (Stb. 1927, 259) ten aanzien van die Stichting (Stb. 1937, 523),6 komt de zinsnede «, zoomede aan de Algemeene Rekenkamer,» te vervallen.

7. Goedgekeurd wordt een toekomstige wijziging van de gemeenschappelijke regeling tot oprichting van het Havenschap Vlissingen, voor zover het betreft:

1. wijziging van artikel 32, vijfde lid, inhoudende het vervallen van de bepaling dat afschrift van de rekening aan de Algemene Rekenkamer dient te worden gezonden;

2. wijziging van artikel 34, inhoudende het vervallen van de Algemene Rekenkamer uit dat artikel.

8. Goedgekeurd wordt een toekomstige wijziging van de gemeenschappelijke regeling tot oprichting van het Havenschap Terneuzen, voor zover het betreft:

1. wijziging van artikel 32, vijfde lid, inhoudende het vervallen van de bepaling dat afschrift van de rekening aan de Algemene Rekenkamer dient te worden gezonden;

2. wijziging van artikel 34, inhoudende het vervallen van de Algemene Rekenkamer uit dat artikel.

9. In artikel 4 van de Wet van 24 februari 1955, houdende bekrachtiging van de oprichting van de Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling, alsmede vaststelling van een regeling als bedoeld in artikel 89a van de Comptabiliteitswet (Stb. 1927, 259) ten aanzien van deze Stichting (Stb. 1955, 107), komt de zinsnede «, zomede aan de Algemene Rekenkamer» te vervallen.

10. In artikel 35, tweede lid, van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248)7 komt de zinsnede «, alsmede aan de leden of ambtenaren van de Algemene Rekenkamer,» te vervallen.

11. De Wet van 3 maart 1948, houdende regelen betreffende de geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de Stichting voor Nederlands-Belgische Culturele Samenwerking, gevestigd te 's-Gravenhage (Stb. 1948, I 82) wordt ingetrokken.

12. De Wet van 9 juni 1949, houdende regelen betreffende de geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de Stichting voor Nederlands-Franse Culturele Samenwerking (Stb. 1949, J 235) wordt ingetrokken.

13. In artikel 3 van de Wet van 30 december 1949, betreffende de regeling van de geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de Nederlandse Kastelenstichting, gevestigd te 's-Gravenhage (Stb. 1949, J 618) komt de zinsnede «, zomede aan de Algemene Rekenkamer,» te vervallen.

ARTIKEL III

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.

    Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1994, dan treedt zij in werking met ingang van de dag na de uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 1995.

  • 2. Met betrekking tot de begrotingsjaren voorafgaande aan het begrotingsjaar 1995 blijven de artikelen van de Comptabiliteitswet van toepassing, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te Tavarnelle, 10 juli 1995

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de zeventiende augustus 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 31 maart 1993, Stb. 212.

XNoot
2

Laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 26 april 1995, Stb. 250.

XNoot
3

Gewijzigd bij de Wet van 4 juni 1964, Stb. 217.

XNoot
4

Gewijzigd bij besluit van 14 april 1995, Stb. 292.

XNoot
5

Stb. 1994, 80, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 26 april 1995, Stb. 270.

XNoot
6

Gewijzigd bij de Wet van 24 februari 1955, Stb. 105.

XNoot
7

Laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 10 juli 1995, Stb. 355.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1993/94, 1994/95, 23 796.

Kamerstukken II 1994/95, blz. 2704–2718, 2850–2851.

Kamerstukken I 1994/95, 23 796 (191, 191a, 191b, 191c, 191d).

Handelingen I 1994/95, blz. 1428–1430.