Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2008, 245Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187684, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van starten, groeien en overdragen van ondernemingen (Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 4, 5, eerste, derde en vierde lid, 7, 9, 12, vierde lid, 13, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 14, 15, 17, 18, eerste en vijfde lid, 19, 23, onderdeel c, 25, 30, derde tot en met vijfde lid, 32, derde lid, 33, tweede lid, 34, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste en tweede lid, en 48, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder

minister:

de Minister van Economische Zaken.

Artikel 1.2

  • 1. Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 1.1.

  • 2. Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.

Artikel 1.3

De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50 procent van de loonkosten.

Artikel 1.4

  • 1. Het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt € 35.

  • 2. Het uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt € 35.

Artikel 1.5

Deze regeling valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214).

HOOFDSTUK 2. BORGSTELLING MKB-KREDIETEN

Artikel 2.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder een starter:

  • a. een MKB-ondernemer, die een natuurlijke persoon is en die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst niet langer dan vijf jaar een onderneming in stand houdt en die gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar geen onderneming in stand heeft gehouden;

  • b. een natuurlijke persoon, die voornemens is zelf of op een wijze als bedoeld in onderdeel c via een besloten vennootschap een onderneming in stand te houden en die gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar geen onderneming in stand heeft gehouden;

  • c. een besloten vennootschap, waarvan de directeur ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan vijf jaar houdt en gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar zelf of via een besloten vennootschap geen onderneming in stand heeft gehouden.

Artikel 2.2

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een bank, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is.

Artikel 2.3

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op:

    • a. bedrijfsborgstellingskredieten;

    • b. bodemsaneringsborgstellingskredieten.

  • 2. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst.

Artikel 2.4

De subsidie, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, valt onder de de-minimis verordening.

Artikel 2.5

  • 1. Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die:

    • a. een onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit:

      • 1°. de beoefening van de land- of de tuinbouw, de vee- of visteelt, de visserij of de teelt van vee- of visvoer,

      • 2°. de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen of

      • 3°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten;

    • b. een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg dan wel het beroep van dierenarts, notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder.

  • 2. Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer indien de hoogte van de kredietovereenkomst minder dan € 35.000 bedraagt.

Artikel 2.6

  • 1. Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt jaarlijks:

    • a. 2 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar,

    • b. 2,4 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan vier jaar,

    • c. 2,8 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan vier jaar, maar niet langer dan zes jaar,

    • d. 3,2 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan negen jaar en

    • e. 3,6 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan negen jaar, maar niet langer dan twaalf jaar.

  • 2. Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bodemsaneringsborgstellingskrediet betreft.

Artikel 2.7

  • 1. De minister verdeelt het subsidieplafond door vaststelling van maximumbedragen per financier die zich bij de minister heeft aangemeld.

  • 2. De minister stelt het maximumbedrag per financier uiterlijk 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve vast voor het voorgaande kalenderjaar.

Artikel 2.8

  • 1. Er wordt borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag.

  • 2. Indien er sprake is van een borgstellingskrediet aan een starter wordt in afwijking van het eerste lid borg gestaan voor 100 procent van het kredietbedrag.

Artikel 2.9

  • 1. Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (één bank) is opgenomen in bijlage 2.1.

  • 2. Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (meer dan één bank) is opgenomen in bijlage 2.2.

  • 3. Het model voor de bodemsaneringsborgstellingskredietovereenkomst (één bank) is opgenomen in bijlage 2.3.

  • 4. Het model voor de bodemsaneringsborgstellingskredietovereenkomst (meer dan één bank) is opgenomen in bijlage 2.4.

Artikel 2.10

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om borgstelling als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, is opgenomen in bijlage 2.5.

HOOFDSTUK 3. GROEIFACILITEIT

Artikel 3.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

aandelenkapitaal:

de aandelen in het kapitaal van een onderneming van een MKB-ondernemer, die de financier rechtstreeks van de MKB-ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening;

achtergestelde lening:
  • a. een lening van geld door een financier aan een MKB-ondernemer met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten,

    • 1°. welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer op persoonlijke titel heeft gegeven,

    • 2°. waarop de MKB-ondernemer krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders in de onderneming van de MKB-ondernemer en

    • 3°. ten aanzien waarvan de financier in de vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen of

  • b. een lening van geld door een financier aan een MKB-ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een dochtermaatschappij in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met het oog op financiering door deze ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij,

    • 1°. welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer en van een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij en

    • 2°. ten aanzien waarvan de financier in de akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen;

reserveringsquotum:

het bedrag dat de minister op aanvraag van een financier vaststelt als maximum voor de som van de garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die:

  • 1°. gedurende drie jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft;

  • 2°. gedurende twee jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien reeds eerder een reservingsquotum is toegekend;

risicokapitaal:

kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of een achtergestelde lening;

waarde van aandelenkapitaal:

het bedrag in geld dat de financier bij de volstorting van de aandelen heeft betaald dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de financier;

waarde van een achtergestelde lening:

het nog niet afgeloste deel van de lening.

Artikel 3.2

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier, niet zijnde een startersfonds als bedoeld in artikel 4.1, voor het verstrekken van risicokapitaal aan een MKB-ondernemer.

  • 2. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling voor de terugbetaling van risicokapitaal dat de financier op grond van een overeenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur de overeenkomst met een maximum van twaalf jaar.

  • 3. De garantstelling heeft slechts betrekking op risicokapitaal dat wordt verstrekt nadat de minister desgevraagd een reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum toereikend en geldig is.

Artikel 3.3

De financier verstrekt geen risicokapitaal aan een MKB-ondernemer wier activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op:

  • a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening;

  • b. onroerend goed, met uitzondering van bemiddeling;

  • c. de financiële sector voor zover de MKB-ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft;

  • d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg.

Artikel 3.4

  • 1. Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van het risicokapitaal.

  • 2. Indien de financier bij het verkrijgen van risicokapitaal een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze regeling slechts van toepassing op het gedeelte van het verkregen risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 3.5

De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op risicokapitaal waarbij de waarde van het risicokapitaal dat aan de MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een andere financier met toepassing van dit hoofdstuk en van risicokapitaal dat met toepassing van hoofdstuk 4 van deze regeling aan de MKB-ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, niet meer bedraagt dan € 5.000.000.

Artikel 3.6

  • 1. Er is een Adviescommissie Groeifaciliteit die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zes leden.

  • 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd.

Artikel 3.7

  • 1. In bijlage 3.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van achtergestelde leningen en aandelenkapitaal.

  • 2. In bijlage 3.2 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van niet converteerbare achtergestelde leningen.

Artikel 3.8

De minister verdeelt het subsidieplafond voor het toekennen van reserveringsquota op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.9

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een reserveringsquotum indien:

  • a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten of geen aanvraag voor het sluiten van een garantstellingsovereenkomst heeft ingediend;

  • b. de aanvraag om een reserveringsquotum minder bedraagt dan € 500.000;

  • c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst.

Artikel 3.10

  • 1. De financier is voor het verkrijgen van een reserveringsquotum een provisie van 1 procent van dit quotum verschuldigd.

  • 2. Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt voor de garantie op het verstrekte risicokapitaal jaarlijks vastgesteld op:

    • a. 2,5 procent van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal bedraagt indien de kapitaalverstrekking bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde MKB-ondernemer door de financier of door een andere financier die deel uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal;

    • b. 3 procent van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal bedraagt in andere gevallen.

Artikel 3.11

Op gemeenschappelijk verzoek van een financier die beschikt over een reserveringsquotum en van een andere financier die een garantstellingsovereenkomst met de staat heeft, kan dit quotum geheel of gedeeltelijk voor de resterende periode worden overdragen aan de laatstgenoemde financier.

Artikel 3.12

Jaarlijks vindt een evaluatie van de toepassing van deze regeling plaats, onder meer ter beoordeling of de inkomsten en de uitgaven ingevolge garantstellingen op grond van deze regeling met elkaar in evenwicht zijn.

Artikel 3.13

Het formulier voor:

  • a. het indienen van een aanvraag om garantstelling is opgenomen in bijlage 3.3;

  • b. het indienen van een aanvraag voor een reserveringsquotum is opgenomen in bijlage 3.4.

HOOFDSTUK 4. SEED CAPITAL TECHNOSTARTERS

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

achtergestelde vordering:

een vordering van een startersfonds ten laste van een technostartersvennootschap,

  • a. die het startersfonds heeft verkregen door aan de technostartersvennootschap geld ter leen te verstrekken,

  • b. die niet door enige vorm van zekerheid is gedekt en

  • c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling of een akkoord in faillissement van de debiteur, eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van de schulden die voortvloeien uit leningen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling is verbonden,

  • d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing;

beheerskosten:

alle kosten die een startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartersvennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingprijs van de participaties;

fondsplan:

een plan van een startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartersvennootschappen;

inkomsten:

alle op geld waardeerbare voordelen die een startersfonds heeft uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de technostartersvennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering;

investeringsbudget:

de financiële middelen die een startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen;

investeringsperiode:

de periode gedurende welke een startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van participaties;

participatie:

risicodragend kapitaal in de vorm van:

  • a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde vordering of

  • b. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap als bedoeld onder 1° in combinatie met een achtergestelde vordering;

referentierente:

de referentierentevoet, bedoeld in de Mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEG 1997, C 273), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met 4 procent;

startersfonds:

een vennootschap:

  • a. in de vorm van kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de andere lidstaten van de Europese Unie;

  • b. die blijkens de akte waarbij haar statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen; en

  • c. waarin ten minste drie aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een meerderheidsbelang in het fonds heeft;

technostarter:

een rechtspersoon die een onderneming drijft:

  • a. die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie;

  • b. die ten hoogste vijf jaar geleden is ingeschreven in het handelsregister;

  • c. die ten tijde van de eerste verstrekking van risicodragend kapitaal op grond van dit hoofdstuk voldoet aan de definitie van middelgrote, kleine of micro-ondernemingen;

technostartersvennootschap:

een technostarter die

  • a. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap, en

  • b. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert,

behoudens voor zover de onderneming behoort tot de economische sectoren van landbouw, visserij, aquacultuur of scheepsbouw of tot de EGKS-sectoren;

verkrijgingprijs van een participatie:

het bedrag in geld waarvoor het startersfonds de participatie heeft verkregen.

Artikel 4.2

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een startersfonds.

Artikel 4.3

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan.

  • 2. De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening.

Artikel 4.4

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2, is geen steun in de zin van artikel 87 en 88 EG-verdrag.

Artikel 4.5

  • 1. In de overeenkomst van geldlening wordt bepaald dat:

    • a. de financier een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister;

    • b. de financier geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan.

  • 2. In de overeenkomst van geldlening kunnen bepalingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Artikel 4.6

De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt 50 procent van het investeringsbudget.

Artikel 4.7

  • 1. Er wordt borg gestaan voor 100 procent van het bedrag.

  • 2. Het in artikel 9, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedoelde bedrag is € 4.000.000.

  • 3. Indien een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen een financiële bijdrage aan het investeringsbudget van de financier heeft verstrekt, wordt op grond van deze regeling slechts een zodanige geldlening verstrekt, dat het totaal van de geldlening en de andere financiële bijdragen niet meer bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde percentage.

Artikel 4.8

  • 1. Er is een Adviescommissie seed capital technostarters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 4.9, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 4.10.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zes leden.

  • 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd.

Artikel 4.9

  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de investeringsperiode daadwerkelijk zal beschikken over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt;

    • b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer van de financier op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is;

    • c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat:

      • 1°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt;

      • 2°. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in één technostartersvennootschap worden verkregen, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 2.500.000 bedraagt;

      • 3°. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap verkrijgt, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 800.000 bedraagt;

      • 4°. de middelen die door een financier per half jaar aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 500.000 bedragen;

      • 5°. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget;

      • 6°. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie;

      • 7°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat ten hoogste 35 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van de participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen;

      • 8°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;

      • 9°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;

      • 10°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap;

      • 11°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarin niet eerder een participatie is verkregen door een investeringsfonds, niet zijnde een financier, behoudens indien de eerdere participatie is verkregen door een investeringsfonds dat uitsluitend het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartersvennootschappen tot doel heeft en dat naar het oordeel van de minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen;

    • d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd;

    • e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd.

  • 2. Artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.

Artikel 4.10

  • 1. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

    • a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid;

    • b. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartersvennootschappen;

    • c. het fondsplan doelmatiger is ingericht.

  • 2. Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar.

Artikel 4.11

In afwijking van artikel 30, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt de termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen twee weken.

Artikel 4.12

  • 1. De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, verschilt al naar gelang de inkomsten door de financier worden ontvangen in één van de volgende perioden:

    • a. periode A: vanaf het tot stand komen van deze overeenkomst van geldlening tot het tijdstip waarop het totaal van de door de financier uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdrage voor de verkregen participaties;

    • b. periode B: vanaf het onder a bedoelde tijdstip tot het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag;

    • c. periode C: vanaf het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag.

  • 2. De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt:

    • a. in periode A: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat;

    • b. in periode B: 50 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat;

    • c. in periode C: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van het krediet van de Staat.

Artikel 4.13

  • 1. Het formulier voor het indienen van een aanvraag om geldlening is opgenomen in bijlage 4.1.

  • 2. Het model voor een overeenkomst is opgenomen in bijlage 4.2.

HOOFDSTUK 5. KENNISEXPLOITATIE

Artikel 5.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

financiële faciliteit:

een lening of een aanspraak aan technostarter op een andere dan een geldelijke prestatie tegen uitgestelde betaling, die wordt verstrekt onder voorwaarden die niet afwijken van hetgeen in de markt gebruikelijk is, met uitzondering van de rente;

kennisexploitatieverband:
  • a. een samenwerkingsverband bestaande uit ten minste één kennisinstelling, bedoeld in bijlage 5.1 en één onderneming die niet tot dezelfde groep behoren of

  • b. een organisatie met rechtspersoonlijkheid waarin ten minste één kennisinstelling, bedoeld in bijlage 5.1 en één onderneming die niet tot dezelfde groep behoren, zijn verbonden;

kennisexploitatieproject:

een planmatig en met elkaar samenhangend geheel van activiteiten met een looptijd van ten hoogste vier jaar, dat bijdraagt aan

  • a. de exploitatie van technologische kennis; of

  • b. de oprichting en de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostarters;

technostarter:
  • a. een natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft:

    • 1°. die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie,

    • 2°. die ten hoogste vijf jaar geleden is ingeschreven in het handelsregister,

    • 3°. die voldoet aan de definitie van middelgrote, kleine of micro-ondernemingen of

  • b. een natuurlijke persoon die voorbereidingen treft voor de oprichting van een onderneming als bedoeld onder a.

Artikel 5.2

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan:

    • a. een kennisexploitatieverband dat rechtspersoonlijkheid bezit en dat voor eigen rekening en risico een kennisexploitatieproject uitvoert of

    • b. een deelnemer in een kennisexploitatieverband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit die tezamen met andere deelnemers in het kennisexploitatieverband een kennisexploitatieproject uitvoert.

  • 2. De subsidie wordt verstrekt voor activiteiten ten aanzien van:

    • a. het beoordelen welke technologische kennis waarover de in het kennisexploitatieverband deelnemende kennisinstelling beschikt, geschikt is voor exploitatie, het zoeken naar geschikte personen en ondernemingen die deze kennis willen gaan exploiteren en het aan hen of aan anderen overdragen van deze kennis met het oog op de exploitatie daarvan,

    • b. Nederlandse octrooiaanvragen op grond van de Rijksoctrooiwet 1995, gedaan door de kennisinstelling die deelneemt in het kennisexploitatieverband, en internationale octrooiaanvragen van die kennisinstelling die betrekking hebben op de technische vindingen en die worden ingediend op grond van het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Patent Cooperation Treaty (Trb. 1973, 20), voor zover sprake is van een toename van het aantal Nederlandse octrooiaanvragen op grond van de Rijksoctrooiwet 1995 of internationale octrooiaanvragen op grond van de Patent Cooperation Treaty van 19 juni 1970 dat jaarlijks door die kennisinstelling is ingediend ten opzichte van het jaarlijks gemiddelde aantal aanvragen van de kennisinstelling in de vijf jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag,

    • c. het inventariseren van test- en onderzoeksapparatuur die door technostarters kan worden gebruikt en het adviseren van technostarters over die apparatuur, voor zover deze activiteiten gecoördineerd plaatsvinden,

    • d. het leggen en onderhouden van contacten met personen die technostarters bij de oprichting en de opbouw van hun onderneming willen begeleiden en het adviseren van technostarters over die begeleiding, voor zover deze activiteiten gecoördineerd plaatsvinden en

    • e. het verstrekken van financiële faciliteiten aan technostarters als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel technostarters, onder 2°, ten behoeve van de oprichting van hun onderneming of de voorbereiding daarop, voor zover

      • 1°. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, deel uitmaken van een grondige en structurele aanpak ter bevordering van de exploitatie van technologische kennis en de oprichting en de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostarters;

      • 2°. bij de overdracht van kennis, al dan niet door de overdracht van een octrooi of de verlening van een licentie voor een octrooi, een prijs wordt bedongen waarin tevens de kosten zijn verdisconteerd die door de subsidieverlening zijn gedekt;

      • 3°. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, c en d, niet reeds worden verricht ten tijde van de indiening van de aanvraag ter zake van het project.

Artikel 5.3

  • 1. De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten indien het activiteiten betreft als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdelen a, c, d en e.

  • 2. De subsidie bedraagt, indien het activiteiten betreft als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b:

    • a. 70 procent van de subsidiabel kosten maar niet meer dan € 17.500 per octrooiaanvraag indien de octrooiaanvraag of het desbetreffende octrooi binnen 30 maanden na de indiening van de Nederlandse octrooiaanvraag op grond van de Rijksoctrooiwet 1995 of internationale octrooiaanvragen ingediend op grond van het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Patent Cooperation Treaty (Trb. 1973, 20), is overgedragen aan de onderneming van een technostarter of indien voor de octrooiaanvraag of het desbetreffende octrooi binnen deze periode een licentie is verleend aan de onderneming van een technostarter,

    • b. 50 procent van de subsidiabel kosten maar niet meer dan € 12.500 per octrooiaanvraag indien de octrooiaanvraag of het desbetreffende octrooi binnen 30 maanden na de indiening van de Nederlandse octrooiaanvraag op grond van de Rijksoctrooiwet 1995 of de internationale octrooiaanvraag op grond van het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Patent Cooperation Treaty (Trb. 1973, 20), is overgedragen aan een andere onderneming dan die van een technostarter of indien voor de octrooiaanvraag of het desbetreffende octrooi binnen deze periode een licentie is verleend aan een andere onderneming dan die van een technostarter en

    • c. 30 procent van de subsidiabel kosten maar niet meer dan € 7.500 per octrooiaanvraag in andere gevallen.

Artikel 5.4

  • 1. Het in artikel 9, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedoelde bedrag is € 2.500.000.

  • 2. Indien subsidie wordt verstrekt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel e, is het in artikel 9, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedoelde bedrag € 50.000 vermenigvuldigd met het aantal technostarters aan wie een financiële faciliteit wordt verleend.

Artikel 5.5

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5.6

  • 1. Er is een Adviescommissie kennisexploitatie die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 5.8.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zes leden.

  • 3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaar.

Artikel 5.7

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 5.8

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. hij de projectkosten raamt op minder dan € 500.000;

  • b. niet aannemelijk is dat het kennisexploitatieproject, al dan niet in combinatie met andere activiteiten en voorzieningen, voorziet in een aanbod van alle activiteiten als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid;

  • c. aannemelijk is dat bij de activiteiten, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel a, en bij de overdracht van octrooiaanvragen of octrooien of bij de verlening van licenties op octrooiaanvragen of octrooien naar aanleiding van de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b, bedoelde activiteiten, zodanige voorwaarden worden gesteld dat derden niet of slechts zeer beperkt in staat worden gesteld kennis te verwerven;

  • d. het kennisexploitatieproject onvoldoende rekening houdt met de categorie van technostarters die niet afkomstig zijn van de kennisinstelling die deel uitmaakt van het kennisexploitatieverband;

  • e. onvoldoende aannemelijk is dat ten minste één kennisinstelling en één onderneming direct betrokken is bij de uitvoering van het kennisexploitatieproject;

  • f. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de activiteiten, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, na afloop van het kennisexploitatieproject op structurele basis worden voortgezet.

Artikel 5.9

  • 1. De subsidie-ontvanger voert het kennisexploitatieproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

  • 2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 5.10

Ten aanzien van de projectresultaten en de kennis die door het project is verkregen, verleent de subsidieontvanger medewerking aan de verdere verspreiding door de minister of door een door de minister aangewezen derde.

Artikel 5.11

  • 1. De subsidie-ontvanger is verplicht de verstrekte subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel e, volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terug te betalen aan de minister.

  • 2. De subsidieontvanger betaalt de subsidie terug aan minister indien hij niet de mogelijkheid heeft om aflossingen en afbetalingen te besteden voor het verstrekken van nieuwe financiële faciliteiten aan technostarters als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel technostarter, onder 2°. In dat geval betaalt de subsidie-ontvanger naar rato van het aandeel van de subsidie in de financiële faciliteit een gedeelte van de aflossingen onderscheidenlijk afbetalingen van de financiële faciliteiten aan de minister terug.

  • 3. De subsidieontvanger brengt steeds na afloop van een periode van twaalf maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de ontvangen aflossingen en afbetalingen en de nieuw verstrekte financiële faciliteiten.

Artikel 5.12

  • 1. De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, niet:

    • a. indien hij een kennisexploitatieverband met rechtspersoonlijkheid is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden;

    • b. indien hij deelnemer is in een kennisexploitatieverband zonder rechtspersoonlijkheid meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.

  • 2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 5.13

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

  • a. een subsidie is opgenomen in bijlage 5.2;

  • b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 5.3.

HOOFDSTUK 6. ONDERNEMERSCHAP EN ONDERWIJS

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 6.1
  • 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder een onderwijsinstelling:

    • a. een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas;

    • b. een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas;

    • c. een school of instelling voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, bekostigd uit de openbare kas;

    • d. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs en een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, bekostigd uit de openbare kas;

    • e. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs met uitzondering van een agrarisch opleidingscentrum voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, de instituten, genoemd in artikel 12.3.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de hogescholen, genoemd in artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijsinstelling;

    • f. een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    CE-project:

    een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het opzetten en totstandkomen van een Centre of Entrepreneurship;

    CE-samenwerkingsverband:

    een samenwerkingsverband, ten minste bestaande uit twee hoger onderwijsinstellingen die blijkens schriftelijke stukken samenwerken in het kader van een CE-project;

    Centre of Entrepreneurship:

    de coördinatie, organisatie of ondersteuning van multidisciplinair en instellingsbreed ondernemerschapsonderwijs met als doel binnen een of meerdere hoger onderwijsinstellingen ondernemerschap te stimuleren;

    hoger onderwijsinstelling:

    een onderwijsinstelling bedoeld in het eerste lid, onderdeel f;

    ondernemerschapsonderwijsproject:

    een samenhangend geheel van activiteiten gericht op de totstandkoming, verbetering of verspreiding van ondernemerschap in het onderwijs;

    onderwijssamenwerkingsverband:

    een samenwerkingsverband, bestaande uit ten minste twee onderwijsinstellingen en of instellingsonderdelen die blijkens schriftelijke stukken in het kader van ondernemerschapsonderwijs samenwerken.

§ 2. Ondernemerschapsonderwijsprojecten

Artikel 6.2

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een onderwijsinstelling of de deelnemers in een onderwijssamenwerkingsverband dat een ondernemerschapsonderwijsproject uitvoert.

Artikel 6.3

De subsidie voor een ondernemerschapsonderwijsproject bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.4

Indien voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan wel een bestuursorgaan van een provincie of gemeente subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan 75 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.5

Voor subsidie komen de volgende rechtstreeks aan het ondernemerschapsonderwijsproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte en betaalde kosten in aanmerking:

  • a. loonkosten van het personeel van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen, met dien verstande dat deze loonkosten worden bepaald op basis van een door de onderwijsinstelling voor dat personeel gehanteerd integraal uurtarief;

  • b. aan derden verschuldigde kosten voor verrichte arbeid;

  • c. materiaalkosten voor de aanschaf van middelen of materialen die een functionele relatie tot het ondernemerschapsonderwijsproject hebben met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 25 procent van de totale subsidiabele kosten bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief;

  • d. kosten voor overhead, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 50 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief;

  • e. de kosten voor projectmanagement, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 5 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief.

Artikel 6.6

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 6.7
  • 1. Er is een Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie en in dat kader omtrent de afwijzingsgronden voor een ondernemerschapsonderwijsproject, met uitzondering van de afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 22 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.10.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste acht leden.

  • 3. De voorzitter en de andere leden worden voor een termijn van ten hoogste vier jaar benoemd.

Artikel 6.8

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is vier jaar.

Artikel 6.9
  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. voor het ondernemerschapsonderwijsproject reeds door de rijksoverheid subsidie is verstrekt;

    • b. het bedrijfsleven niet op enigerlei wijze betrokken is bij het ondernemerschapsonderwijsproject.

    • c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • d. aannemelijk is dat de activiteiten geen verbetering, uitbreiding, wijziging of aanvulling inhouden van reeds bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs van de betrokken onderwijsinstellingen.

  • 2. De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing

Artikel 6.10
  • 1. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

    • a. het meer bijdraagt aan ondernemerschap als onderdeel van de leeromgeving of het curriculum van leerlingen en studenten;

    • b. de kwaliteit van het projectplan hoger is;

    • c. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal onderwijsinstellingen bereikt;

    • d. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal leerlingen of studenten van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen bereikt;

    • e. het meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van het ondernemerschapsonderwijs.

  • 2. Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar.

Artikel 6.11
  • 1. Een onderwijsinstelling wordt aangewezen als een instelling als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van het Kaderbesluit.

  • 2. In afwijking van de artikelen 45 tot en met 47 kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de minister voorschotten worden verstrekt.

  • 3. Een aanvraag om een voorschot wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een tussenrapportage.

  • 4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier.

  • 5. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In het totaal is het bedrag aan voorschotten niet groter dan 80 procent van het bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

§ 3. Centres of Entrepreneurship

Artikel 6.12

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling of een CE-samenwerkingsverband dat een CE-project uitvoert.

Artikel 6.13

De subsidie voor een CE-project bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 3.000.000.

Artikel 6.14

Indien voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan wel een bestuursorgaan van een provincie of gemeente subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan 75 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.15

Voor subsidie komen de volgende rechtstreeks aan het CE-project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte en betaalde kosten in aanmerking:

  • a. loonkosten van het personeel van de bij het CE-project betrokken hoger onderwijsinstellingen, met dien verstande dat deze loonkosten worden bepaald op basis van een door de hoger onderwijsinstellingen voor dat personeel gehanteerd integraal uurtarief;

  • b. aan derden verschuldigde kosten voor verrichte arbeid;

  • c. materiaalkosten voor de aanschaf van middelen of materialen die een functionele relatie tot het CE-project hebben met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 25 procent van de totale subsidiabele kosten bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief;

  • d. kosten voor overhead, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 50 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief;

  • e. de kosten voor projectmanagement, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 5 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief.

Artikel 6.16

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 6.17

De Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs, bedoeld in artikel 6.7, heeft tevens tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor een CE-project, met uitzondering van de afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 22 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.21.

Artikel 6.18
  • 1. Een aanvraag wordt niet ingediend dan nadat daarover door de Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis van een vooraanmelding. In de vooraanmelding wordt aangegeven:

    • a. de wijze waarop binnen de betrokken hoger onderwijsinstelling invulling zal worden gegeven aan het ondernemerschapsonderwijs door een Centre of Entrepreneurship;

    • b. welke activiteiten het Centre of Entrepreneurship zal uitvoeren op het gebied van onderwijs, onderzoek en netwerken in het kader van ondernemerschapsonderwijs.

  • 2. Het advies van de adviescommissie richt zich op de volgende punten:

    • a. de structurele voortzetting van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • b. de verbetering, uitbreiding, wijziging of aanvulling van de voorgestelde activiteiten ten opzichte van reeds bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs;

    • c. de bijdrage die het CE-project levert aan de samenwerking tussen studenten, docenten en onderzoekers van verschillende vakgebieden of opleidingen.

Artikel 6.19

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is vier jaar.

Artikel 6.20
  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. voor het CE-project reeds door de rijksoverheid subsidie is verstrekt;

    • b. het bedrijfsleven niet op enigerlei wijze betrokken is bij het CE-project;

    • c. het ondernemerschapsonderwijs niet toegankelijk is voor alle studenten van de bij het CE-project betrokken hoger onderwijsinstellingen.

    • d. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • e. aannemelijk is dat de activiteiten geen verbetering, uitbreiding, wijziging of aanvulling inhouden van reeds bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs;

    • f. aannemelijk is dat het CE-project geen bijdrage levert aan de samenwerking tussen studenten, docenten en onderzoekers van verschillende vakgebieden of opleidingen;

    • g. het onaannemelijk is dat het CE-project binnen een termijn van twaalf maanden kan aanvangen;

    • h. het CE-project onvoldoende zal bijdragen aan het tot stand brengen van effectief ondernemerschapsonderwijs.

  • 2. De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing

Artikel 6.21
  • 1. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

    • a. door de bestaande infrastructuur en kennis van de hoger onderwijsinstelling en de bij het CE-project betrokken partijen meer bijdraagt aan de verankering en continuïteit van het ondernemerschapsonderwijs;

    • b. de kwaliteit van het projectplan hoger is;

    • c. meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van de door het Centre van Entrepreneurship uitgevoerde activiteiten.

  • 2. Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar.

Artikel 6.22
  • 1. Een onderwijsinstelling wordt aangewezen als een instelling als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van het Kaderbesluit.

  • 2. In afwijking van de artikelen 45 tot en met 47 kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de minister voorschotten worden verstrekt.

  • 3. Een aanvraag om een voorschot wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een tussenrapportage.

  • 4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier.

  • 5. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In het totaal is het bedrag aan voorschotten niet groter dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

HOOFDSTUK 7. BEROEPSONDERWIJS IN BEDRIJF

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

beroepsonderwijsinstelling:
  • a. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, bekostigd uit de openbare kas;

  • b. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1. onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

praktijkleren:

alle vormen van leren in de beroepspraktijk of met behulp van de beroepspraktijk die in combinatie met theorieonderwijs strekken tot het behalen van een diploma in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs of middelbaar beroepsonderwijs;

samenwerkingsverband beroepsonderwijs:

een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband van ten minste één MKB-ondernemer en een beroepsonderwijsinstelling dat blijkens schriftelijke stukken samenwerkt in het kader van praktijkleren;

vernieuwingstraject:

een traject gericht op het gezamenlijk door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen vernieuwen van de vorm, de inhoud en het proces van of de taakverdeling rondom het praktijkleren.

Artikel 7.2

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan de deelnemers in een samenwerkingsverband beroepsonderwijs dat een project uitvoert dat bestaat uit een samenhangend geheel van activiteiten die zijn gericht op:

  • a. het leggen van de basis voor een samenwerking tussen een of meer ondernemers en een of meer beroepsonderwijsinstellingen met betrekking tot een vernieuwingstraject,

  • b. het door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen gezamenlijk ontwerpen en uitvoeren van het vernieuwingstraject of

  • c. het duurzaam verankeren van het door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen gezamenlijk ontwikkelde vernieuwingstraject op basis van schriftelijke afspraken.

Artikel 7.3

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 7.4

  • 1. Het in artikel 9, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedoelde bedrag is € 25.000 indien subsidie wordt verstrekt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a.

  • 2. Het in artikel 9, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedoelde bedrag is € 500.000 indien subsidie wordt verstrekt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdelen b en c.

Artikel 7.5

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 7.6

Bij de toepassing van artikel 6 van het Kaderbesluit EZ-subsidies blijven de aanvullende vergoedingen op grond van de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006-2009 en de Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2010 buiten beschouwing.

Artikel 7.7

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is drie jaar voor de in artikel 7.2 genoemde activiteiten, met dien verstande dat voor de activiteiten, genoemd in artikel 7.2, onderdeel a, een termijn van zes maanden geldt.

Artikel 7.8

  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. de voor rekening van de deelnemers blijvende subsidiabele kosten voor meer dan 60 procent voor rekening komen van de deelnemende ondernemers tezamen, dan wel van de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen tezamen;

    • b. de personele inbreng in de uitvoering van het project niet evenredig is verdeeld over de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen en de deelnemende ondernemers;

    • c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project;

    • d. onvoldoende aannemelijk is dat de samenwerking leidt tot verbetering van het praktijkleren;

    • e. de kosten van het project niet in verhouding zijn met de activiteiten en de te verwachten resultaten, met name voor de MKB-ondernemers;

    • f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2, onderdeel c, indien het project mede is gericht op duurzame verankering als daar bedoeld.

  • 2. De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, b, d, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

Artikel 7.9

In afwijking van artikel 46, vierde lid, en 47, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt het voorschot 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

Artikel 7.10

De subsidieontvanger neemt deel aan de jaarlijkse bijeenkomst van projectleiders voor projecten die wordt georganiseerd door het Ministerie van Economische Zaken in het kader van deze regeling en brengt op deze bijeenkomst verslag uit omtrent de uitvoering van het project.

Artikel 7.11

  • 1. De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde project, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

  • 2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 7.12

De subsidie-ontvanger is verplicht binnen drie maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening te starten met de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2.

Artikel 7.13

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

  • a. een subsidie is opgenomen in bijlage 7.1;

  • b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 7.2.

HOOFDSTUK 8. BORGSTELLING SCHEEPSNIEUWBOUW

Artikel 8.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

contractprijs:

de tussen opdrachtgever en scheepswerf overeengekomen prijs voor de bouw van een schip, met inbegrip van stelposten voor zover daarvoor in het contract vaste of geschatte bedragen zijn opgenomen en met uitzondering van de eventueel verschuldigde omzetbelasting;

kredietbedrag:

het bedrag dat op grond van de kredietovereenkomst als krediet wordt verstrekt voor de bouw in Nederland van een nieuw schip;

kredietovereenkomst:

schriftelijke overeenkomst tussen een scheepswerf en een financier waarbij de financier krediet verstrekt aan een scheepswerf voor de bouw in Nederland van een nieuw schip;

opdrachtgever:

natuurlijke of rechtspersoon die opdracht heeft gegeven tot de bouw van een schip;

scheepswerf:

een ondernemer die schepen ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust, hetzij zelfstandig, hetzij deel uitmakend van een groep;

schip:

een zichzelf voortstuwend schip, met een minimaal vermogen van 365 kW of een minimaal tonnage van 500 bruto ton, niet zijnde een schip dat overeenkomstig zijn fundamentele en technisch vermogen is bedoeld om voor militaire doeleinden te worden gebruikt.

Artikel 8.2

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een bank, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is.

Artikel 8.3

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het verstrekken van een krediet aan een in Nederland gevestigde scheepswerf ten behoeve van de bouw in Nederland van een nieuw schip.

  • 2. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een scheepswerf heeft verstrekt.

Artikel 8.4

  • 1. Er wordt borg gestaan voor 80 procent van het kredietbedrag, of voor zoveel minder als door de financier is aangevraagd.

  • 2. Er wordt geen borg gestaan voor de kosten die de financier in rekening brengt aan de scheepswerf, met uitzondering van de kosten van de financiering van de bouw van het schip.

Artikel 8.5

  • 1. De financier dient de aanvraag om borgstelling in binnen zeven werkdagen na het sluiten van de kredietovereenkomst.

  • 2. De minister stuurt de financier en de scheepswerf binnen vijf werkdagen een bevestiging van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 8.6

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

  • a. de Staat ten behoeve van de scheepswerf reeds een garantie, borgstelling, verzekering of herverzekering voor de financiering van de bouw van het schip heeft afgegeven;

  • b. de contractprijs minder dan € 3.000.000 of meer dan € 100.000.000 bedraagt;

  • c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de bouw van het schip;

  • d. het kredietbedrag meer dan 80 procent van de contractprijs betreft;

  • e. de kredietovereenkomst ten aanzien van het kredietbedrag een looptijd heeft van meer dan 36 maanden;

  • f. de financier op het moment van het verstrekken van het kredietbedrag waarvoor de Staat borg staat een lopende financieringsfaciliteit verlaagt;

  • g. de financier onvoldoende de naar normaal bankgebruik maximaal mogelijke zekerheden heeft gevestigd of zal vestigen bij de verstrekking van het kredietbedrag aan de scheepswerf;

  • h. door de verlening van de borgstelling het totaal van de op grond van dit besluit verleende borgstellingen ten behoeve van de scheepswerf of van de groep, waartoe deze scheepswerf behoort, meer zou bedragen dan 30 procent van het subsidieplafond;

  • i. gegronde vrees bestaat dat de scheepswerf zich in financiële moeilijkheden bevindt;

  • j. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de scheepswerf de capaciteiten heeft om de bouw van het schip naar behoren uit te voeren;

  • k. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht uit zal voeren niet blijkt dat de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, voorafgaand aan een uitbetaling van krediet op grond van de kredietovereenkomst, een of meer aanbetalingen doet ter hoogte van ten minste 5 procent van de contractsprijs;

  • l. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht uit zal voeren niet blijkt dat de aanbetaling door de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, oploopt tot ten minste 20 procent van de contractsprijs tot aflevering van het schip;

  • m. van de bouw van het schip onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.

Artikel 8.7

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 8.8

Het model voor de overeenkomst van borgtocht is opgenomen in bijlage 8.1.

Artikel 8.9

De overeenkomst van borgtocht bevat:

  • a. een bepaling dat de financier uiterlijk tien weken na de beschikking tot het verlenen van een borgstelling, behoudens voorafgaande schriftelijke verlenging door de minister, aantoont dat de opdrachtgever en de scheepswerf ter zake van de opdracht een contract hebben zonder opschortende voorwaarden en dat de opdrachtgever ter zake van de opdracht een of meer betalingen heeft gedaan;

  • b. de verplichting van de financier onverwijld mededeling te doen aan de minister van een verzoek tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring van de scheepswerf of de opdrachtgever.

Artikel 8.10

  • 1. Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt jaarlijks tussen 0,8 procent en 1,5 procent van het bedrag dat op enig moment gedurende de bouw van een schip op basis van een kredietovereenkomst daadwerkelijk door een scheepswerf in krediet is opgenomen.

  • 2. De minister bepaalt in de beschikking tot verlening van borgstelling het tarief per individuele borgstelling.

  • 3. Het tarief, bedoeld in het tweede lid, wordt zodanig vastgesteld dat:

    • a. het marktconform is,

    • b. de provisie zowel de met de borgstellingstoekenning verbonden risico’s als de beheerkosten dekt;

    • c. rekening wordt gehouden met een realistische risicowaardering.

Artikel 8.11

De minister beziet eenmaal per jaar of de bij hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde voorwaarden moeten worden herzien.

Artikel 8.12

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om borgstelling is opgenomen in bijlage 8.2.

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

Artikel 9.1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 9.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 2.5, 3.3, 3.4, 4.1, 5.2, 5.3, 7.1, 7.2 en 8.2, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Den Haag, 3 december 2008

De Minister van Economische Zaken,

M.J.A. van der Hoeven.

BIJLAGE 2.1 MODEL OVEREENKOMST ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 2.9, EERSTE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN (BEDRIJFSBORGSTELLINGSKREDIET; ÉÉN BANK)

De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de staat, ten deze vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken,

hierna te noemen: de minister

en

ten deze vertegenwoordigd door ........... hierna te noemen: de Bank,

komen overeen als volgt:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. gelieerde bank:

een rechtspersoon waaraan de Bank direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor wier handelen de Bank volledig aansprakelijk is, en die als gelieerde bank is vermeld in artikel 21 van deze overeenkomst;

b. groep:

een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van, of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

  • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.

c. kredietovereenkomst:

overeenkomst uit hoofde waarvan:

  • 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of

  • 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of

  • 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is of een gelieerde bank, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is;

d. krediet:

bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken;

e. bedrijfsborgstellingskrediet:

krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld;

f. bankfaciliteit:

krediet of een deel van een krediet waarvoor de staat niet borg staat op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976;

g. uitwinning:
  • 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden,

  • 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen,

  • 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, en

  • 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend: onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder;

h. MKB-ondernemer:

een ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt;

i. kleine onderneming:

kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

j. middelgrote onderneming:

een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

k. starter:
  • 1°. een MKB-ondernemer, die een natuurlijke persoon is en die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst niet langer dan vijf jaar een onderneming in stand houdt en die gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar geen onderneming in stand heeft gehouden;

  • 2°. een natuurlijke persoon, die voornemens is zelf of op een wijze als bedoeld onder 3° via een besloten vennootschap een onderneming in stand te houden en die gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar geen onderneming in stand heeft gehouden;

  • 3°. een besloten vennootschap, waarvan de directeur ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan vijf jaar houdt en gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar zelf of via een besloten vennootschap geen onderneming in stand heeft gehouden.

l. innovatieve MKB-ondernemer:

een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer;

m. starters-borgstellingskrediet:

bedrijfsborgstellingskrediet dat uitsluitend kan worden verstrekt aan een starter;

n. de-minimissteun:

steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379)), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193);

o. Bank:

een kredietinstelling die voldoet aan de omschrijving van bank als vermeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en die bevoegd is in een lidstaat van de Europese Unie het bedrijf van bank uit te oefenen, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is.

Paragraaf 2. Borgstelling

Artikel 2

De staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Bank worden verstrekt.

Deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Paragraaf 3. Kredietmelding

Artikel 3

  • 1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen:

    • a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst aan de minister is gemeld met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld,

    • b. indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond van artikel 2.6 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde garantieprovisie door de Bank aan de staat betaald is,

    • c. voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden,

    • d. indien door de Bank gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet de MKB-ondernemer wordt verstrekt, met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de MKB-ondernemer voor tenminste hetzelfde bedrag als het bedrijfsborgstellingskrediet of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan:

      • 1°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was, voor een bedrag van ten minste 25 procent, of

      • 2°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatieve MKB-ondernemer was, voor een bedrag van ten minste 50 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet over een bankfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van bankfaciliteiten waarover de MKB-ondernemer beschikt bij de Bank of een aan de Bank gelieerde bank.

  • 2. De minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de minister bepalend.

  • 4. De meldingen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden gedaan met gebruikmaking van een ondertekend formulier.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder d, worden mede in aanmerking genomen de bedragen die een gelieerde bank uit hoofde van een gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst door de Bank, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan de MKB-ondernemer wordt verstrekt, gesloten kredietovereenkomst aan de MKB-ondernemer verstrekt, indien de zekerheden van de gelieerde bank ter zake van die bedragen mede strekken tot zekerheid van de Bank.

Paragraaf 4. Omvang van de borgstelling

Artikel 4

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bedrijfsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt.

  • 2. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een starters-borgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van dit krediet het totaal van de starters-borgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 200.000 niet overschrijdt.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bedrijfsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend.

  • 5. Voor de toepassing van het eerste lid worden:

    • a. bedrijfsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van die bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen;

    • b. kredieten, voor zover de staat daarvoor op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 nog borg staat, als bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen.

  • 6. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt een bedrijfsborgstellingskrediet dat betrekking heeft op buitenlandse activiteiten van de MKB-ondernemer slechts in aanmerking genomen voor zover dit niet wordt aangewend voor investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer.

Artikel 5

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen bedrijfsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast bedrag, dat het bedrijfsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, doch uiterlijk na verloop van 6 jaar, nihil bedraagt.

  • 2. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier kalenderkwartalen opschorten indien:

    • a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet,

    • b. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle bankfaciliteiten gedurende de onder a bedoelde periode, dan wel uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten, waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan:

      • 1°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was, ten minste 25 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of

      • 2°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatief MKB-ondernemer was, ten minste 50 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, en

    • c. de Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

  • 3. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste twee maal plaats. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste drie maal plaats indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt:

    • a. aan een starter;

    • b. voor de financiering van nieuw te bouwen registergoederen, mits één van de opschortingen gedurende de bouw van dit onroerend goed plaats vindt.

  • 4. Indien:

    • a. het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend is bestemd voor de betaling van de kosten van de stichting, van de aankoop of van de verbouwing van een onroerende zaak,

    • b. deze onroerende zaak voor ten minste de helft bestemd is te worden gebruikt voor de onderneming van de MKB-ondernemer,

    • c. de Bank met betrekking tot de onder a bedoelde kosten bankfaciliteiten verstrekt die een bedrag van ten minste 100 procent van het in onderdeel a bedoelde belopen, dan wel, indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet, 25 procent van dit bedrijfsborgstellingskrediet, en

    • d. de looptijd van de onder c bedoelde bankfaciliteiten ten minste even lang is als de looptijd van dit bedrijfsborgstellingskrediet, geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.

  • 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder een onroerende zaak mede begrepen schepen en vliegtuigen, voor zover deze zijn ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, respectievelijk onder c, van de Kadasterwet, alsmede ieder goederenrechtelijk recht dat omvat het uitsluitend gebruik van een onroerende zaak, met inbegrip van bovenbedoelde schepen en vliegtuigen.

  • 6. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten.

  • 7. De minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld in het tweede lid, onder c, binnen 35 dagen na ontvangst.

  • 8. Indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.

  • 9. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het veertiende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten met dien verstande dat de totale looptijd van de kredietovereenkomst niet meer bedraagt dan 12 jaar.

Artikel 6

  • 1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt geschorst met ingang van de dag waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist.

  • 3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.

Artikel 7

  • 1. De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van de overeenkomstig artikel 13 ingediende aanvraag uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste

    • a. 90 procent van de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten, en niet meer dan

    • b. de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer.

  • 2. Indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet, bedraagt de omvang van de borgstelling, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van de overeenkomstig artikel 13 ingediende aanvraag uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder b, bedraagt de omvang van de borgstelling:

    • a. indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet: ten hoogste vier maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte van de Bank voor de MKB-ondernemer;

    • b. indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking een innovatieve MKB-ondernemer was: ten hoogste twee maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid en het derde lid worden als bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen:

    • a. de bedragen die een gelieerde bank uit hoofde van een overeenkomst aan de MKB-ondernemer ter leen verstrekt of zal verstrekken, en

    • b. de verplichtingen die een gelieerde bank tegenover een derde, niet zijnde een andere gelieerde bank of een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is, onherroepelijk is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen als bedoeld in artikel 1, onder c, 3°, indien de zekerheden van de gelieerde bank ter zake van de hiervoor onder a en b bedoelde bedragen en verplichtingen mede strekken tot zekerheid van de Bank.

Paragraaf 5. Criteria en verplichtingen

Artikel 8

  • 1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

    • a. de MKB-ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven;

    • b. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken;

    • c. het bedrijfsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat;

    • d. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan;

    • e. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend;

    • f. het bedrijfsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het bedrijfsborgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is;

    • g. de MKB-ondernemer beschikt naast het bedrijfsborgstellingskrediet niet over een lening waarvoor de Stichting Borgstellingsfonds voor de landbouw borg staat;

    • h. de MKB-ondernemer beschikt niet over een door een andere bank verstrekte kredietfaciliteit, waarvoor de staat op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 nog borg staat anders dan een bijzondere hypothecaire geldlening als bedoeld in bijlage 4 van de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976, of in hoofdstuk VI van de Kredietregeling voor het midden- en kleinbedrijf 1985;

    • i. de MKB-ondernemer, indien deze een natuurlijke persoon is, zal naar verwachting na een gebruikelijke aanloopperiode uit de inkomsten van zijn onderneming kunnen voorzien in zijn levensonderhoud;

    • j. de MKB-ondernemer beschikt bij de Bank over bankfaciliteiten die een bedrag van ten minste 100 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen dan wel indien:

      • 1. het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, ten minste 50 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen, of

      • 2. een starters-borgstellingskrediet niet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen;

    • k. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, heeft zich borg gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet met een minimum van € 15.000;

    • l. de Bank heeft in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat:

      • 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

      • 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek;

    • m. de Bank heeft in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de MKB-ondernemer opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de staat van de in artikel 9, eerste lid, genoemde bevoegdheden.

    • n. het bedrijfsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor buitenlandse investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;

    • o. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000. Een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die in de referteperiode is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep;

    • p. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat:

      • zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun;

      • de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, niet meer bedraagt dan € 100.000;

      • de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder j, wordt het bedrijfsborgstellingskrediet verhoogd met:

    • a. het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van de door de Bank aan de MKB-ondernemer verstrekte bedrijfsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld, en

    • b. de door de Bank aan de MKB-ondernemer verstrekte kredieten, met uitzondering van vermogensversterkingskredieten en bijzondere hypothecaire geldleningen, voor zover de staat daarvoor op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 nog borg staat.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder j, is artikel 3, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

  • 1. De Bank, en indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, vijfde lid, en 7, vierde lid, de gelieerde bank, en de MKB-ondernemer voldoen aan hetgeen door door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst en met het oog op de nakoming door de staat van op hem rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit en deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank of de gelieerde bank, op de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:

    • a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;

    • b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;

    • c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;

    • d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en

    • e. het verstrekken van inlichtingen.

  • 2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank, of indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, vijfde lid, en 7, vierde lid, de gelieerde bank, of aan de MKB-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.

  • 3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank, de gelieerde bank of de MKB-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.

  • 4. De Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten:

    • a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet;

    • b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet;

    • c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;

    • d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet.

  • 5. Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank voor 1 februari van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle bedrijfsborgstellingskredieten te zamen, waarvoor de Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.

  • 6. Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave.

  • 7. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.

  • 8. De Bank zal er voor zorgdragen dat het bedrijfsborgstellingskrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het bedrijfsborgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is.

  • 9. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:

    • a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

    • b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 10

  • 1. Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, brengt de Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning.

  • 2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.

Artikel 11

  • 1. Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend of, indien een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, na de datum waarop de Bank de minister heeft bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen.

  • 2. De Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 12

  • 1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling.

  • 2. Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient door de Bank schriftelijk bij de minister te worden ingediend.

  • 3. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 6. Vaststelling betalingsverplichting

Artikel 13

  • 1. De Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, doch in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 14

  • 1. De minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.

  • 2. De minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de Bank mede.

Artikel 15

  • 1. De minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid.

  • 2. Voor zover de Bank bij haar aanvraag om betaling aannemelijk maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het naar normaal bankgebruik noodzakelijk maakten de bankfaciliteiten sterker in omvang terug te brengen dan de bedrijfsborgstellingskredieten, blijft artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid, buiten toepassing.

  • 3. De minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een aanvraag:

    • a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid;

    • b. indien de Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.

Paragraaf 7. Betalingen

Artikel 16

  • 1. Betalingen door de staat aan de Bank en door de Bank aan de staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de Bank van een rekening die de Bank zal aanhouden ten name van het Ministerie van Economische Zaken, met vermelding van 'verliesdeclaraties'.

  • 2. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de in Het Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.

Paragraaf 8. Diversen

Artikel 17

  • 1. De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bedrijfsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bedrijfsborgstellingskrediet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de staat met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet van kracht, indien:

    • a. de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon,

    • b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en

    • c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt.

Artikel 18

Indien overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een garantieprovisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de staat heeft gedaan.

Artikel 19

  • 1. De Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 13 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de staat.

  • 2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 11, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten.

  • 3. De Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 16, eerste lid, per de datum van verzending van de aanvraag, bedoeld in artikel 13, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente als bedoeld in artikel 16, tweede lid, over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 5, op grond van artikel 6 is geschorst.

  • 4. De Bank zal de rekening per de datum van de beslissing van de minister, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het bedrag waarop de minister de betaling vaststelde, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente als bedoeld in artikel 16, tweede lid, over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de vaststelling van de betaling.

Artikel 20

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 19, eerste lid, niet is nagekomen.

Artikel 21

Gelieerde bank(en) in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn) ...........

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 22

  • 1. De inwerkingtreding van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies of hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst.

  • 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de Bank.

  • 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Bank schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8 van deze overeenkomst.

  • 5. In afwijking van het derde lid kan de Bank deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van de hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst.

  • 6. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van het Kaderbesluit EZ-subsidies of door intrekking van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen.

  • 7. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.

Getekend te 's-Gravenhage op .....

De Minister van Economische Zaken,

(naam en functie vertegenwoordigers Bank)

BIJLAGE 2.2 MODEL OVEREENKOMST ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 2.9, TWEEDE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN (BEDRIJFSBORGSTELLINGSKREDIET; MEER DAN ÉÉN BANK)

De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de staat, ten deze vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken, hierna te noemen:

de minister

en ....(inclusief de centrale Bank indien deze bedrijfsborgstellingskredieten verstrekt) ...., hierna gezamenlijk te noemen de Banken en ieder voor zich de Bank, ten deze vertegenwoordigd door...... hierna te noemen: de centrale Bank,

komen overeen als volgt:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. gelieerde bank:

een rechtspersoon waaraan een van de Banken voor zich, dan wel twee of meer Banken gezamenlijk, direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft respectievelijk verschaffen of voor wier handelen deze Bank volledig aansprakelijk is of deze Banken volledig aansprakelijk zijn, en die als gelieerde bank is vermeld in artikel 21 van deze overeenkomst;

b. groep:

waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en

  • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

c. kredietovereenkomst:

overeenkomst uit hoofde waarvan:

  • 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of

  • 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op Bank, of

  • 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is of een gelieerde bank, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is;

d. krediet:

bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken;

e. bedrijfsborgstellingskrediet:

een krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld;

f. bankfaciliteit:

krediet of een deel van een krediet waarvoor de staat niet borg staat op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976;

g. uitwinning:
  • 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden,

  • 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen,

  • 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, en

  • 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend: onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder;

h. MKB-ondernemer:

een ondernemer die een kleine of een middelgrote onderneming in stand houdt;

i. kleine onderneming:

kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

j. middelgrote onderneming:

een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

k. starter:
  • 1°. een MKB-ondernemer, die een natuurlijke persoon is en die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst niet langer dan vijf jaar een onderneming in stand houdt en die gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar geen onderneming in stand heeft gehouden;

  • 2°. een natuurlijke persoon, die voornemens is zelf of op een wijze als bedoeld onder 3° via een besloten vennootschap een onderneming in stand te houden en die gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar geen onderneming in stand heeft gehouden;

  • 3°. een besloten vennootschap, waarvan de directeur ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan vijf jaar houdt en gedurende de zes aan het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaande jaren ten minste één jaar zelf of via een besloten vennootschap geen onderneming in stand heeft gehouden.

l. innovatieve MKB-ondernemer:

een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer;

m. starters-borgstellingskrediet:

een bedrijfsborgstellingskrediet dat uitsluitend kan worden verstrekt aan een starter;

n. de-minimissteun:

steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379)), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193);

o. Bank:

een kredietinstelling die voldoet aan de omschrijving van bank als vermeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en die bevoegd is in een lidstaat van de Europese Unie het bedrijf van bank uit te oefenen, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is.

Paragraaf 2. Borgstelling

Artikel 2

De staat stelt zich borg ten behoeve van de Banken voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Banken worden verstrekt.

Deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Paragraaf 3. Kredietmelding

Artikel 3

  • 1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen:

    • a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst door de centrale Bank aan de minister is gemeld met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld,

    • b. indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond van artikel 2.6 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde garantieprovisie door de centrale Bank aan de staat betaald is,

    • c. voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden,

    • d. indien door de Bank gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan de MKB-ondernemer wordt verstrekt, met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de MKB-ondernemer voor tenminste hetzelfde bedrag als het bedrijfsborgstellingskrediet of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan:

      • 1°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was, voor een bedrag van ten minste 25 procent, of

      • 2°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatieve MKB-ondernemer was, voor een bedrag van ten minste 50 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet over een bankfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van bankfaciliteiten waarover de MKB-ondernemer beschikt bij de Bank of een aan de Bank gelieerde bank.

  • 2. De minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de minister bepalend.

  • 4. De meldingen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden gedaan met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier.

  • 5. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder d, worden mede in aanmerking genomen de bedragen die een gelieerde bank uit hoofde van een gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst door de Bank, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan de MKB-ondernemer wordt verstrekt, gesloten kredietovereenkomst aan de MKB-ondernemer verstrekt, indien de zekerheden van de gelieerde bank ter zake van die bedragen mede strekken tot zekerheid van de Bank.

Paragraaf 4. Omvang van de borgstelling

Artikel 4

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bedrijfsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt.

  • 2. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een starters-borgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van dit krediet het totaal van de starters-borgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 200.000 niet overschrijdt.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bedrijfsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend.

  • 5. Voor de toepassing van het eerste lid worden:

    • a. bedrijfsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van die bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen;

    • b. kredieten, voor zover de staat daarvoor op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 nog borg staat, als bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen.

  • 6. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt een bedrijfsborgstellingskrediet dat betrekking heeft op buitenlandse activiteiten van de MKB-ondernemer slechts in aanmerking genomen voor zover dit niet wordt aangewend voor investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer.

Artikel 5

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen bedrijfsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast bedrag, dat het bedrijfsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, doch uiterlijk na verloop van 6 jaar, nihil bedraagt.

  • 2. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier kalenderkwartalen opschorten indien:

    • a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet,

    • b. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle bankfaciliteiten gedurende de onder a bedoelde periode, dan wel uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten, waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan:

      • 1°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was, ten minste 25 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of

      • 2°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatief MKB-ondernemer was, ten minste 50 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, en

    • c. de centrale Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

  • 3. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste twee maal plaats. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste drie maal plaats indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt:

    • a. aan een starter;

    • b. voor de financiering van nieuw te bouwen registergoederen, mits één van de opschortingen gedurende de bouw van dit onroerend goed plaats vindt.

  • 4. Indien:

    • a. het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend is bestemd voor de betaling van de kosten van de stichting, van de aankoop of van de verbouwing van een onroerende zaak,

    • b. deze onroerende zaak voor ten minste de helft bestemd is te worden gebruikt voor de onderneming van de MKB-ondernemer,

    • c. de Bank met betrekking tot de onder a bedoelde kosten bankfaciliteiten verstrekt die een bedrag van ten minste 100 procent van het in onderdeel a bedoelde bedrijfsborgstellingskrediet belopen, dan wel, indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet, 25 procent van dit bedrijfsborgstellingskrediet, en

    • d. de looptijd van de onder c bedoelde bankfaciliteiten ten minste even lang is als de looptijd van dit bedrijfsborgstellingskrediet, geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.

  • 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder een onroerende zaak mede begrepen schepen en vliegtuigen, voor zover deze zijn ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, respectievelijk onder c, van de Kadasterwet, alsmede ieder goederenrechtelijk recht dat omvat het uitsluitend gebruik van een onroerende zaak, met inbegrip van bovenbedoelde schepen en vliegtuigen.

  • 6. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten.

  • 7. De minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld in het tweede lid, onder c, schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.

  • 8. Indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, geldt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar.

  • 9. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het veertiende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten, met dien verstande dat de totale looptijd van de kredietovereenkomst niet meer bedraagt dan 12 jaar.

Artikel 6

  • 1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt geschorst met ingang van de dag waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist.

  • 3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.

Artikel 7

  • 1. De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van de overeenkomstig artikel 13 ingediende aanvraag uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste

    • a. 90 procent van de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten en niet meer dan

    • b. de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer.

  • 2. Indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet, bedraagt de omvang van de borgstelling, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van de overeenkomstig artikel 13 ingediende aanvraag uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder b, bedraagt de omvang van de borgstelling:

    • a. indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet: ten hoogste vier maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer;

    • b. indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking een innovatieve MKB-ondernemer was: ten hoogste twee maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid en het derde lid worden als bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen:

    • a. de bedragen die een gelieerde bank uit hoofde van een overeenkomst aan de MKB-ondernemer ter leen verstrekt of zal verstrekken, en

    • b. de verplichtingen die een gelieerde bank tegenover een derde, niet zijnde een andere gelieerde bank of een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is, onherroepelijk is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, 3°, indien de zekerheden van de gelieerde bank ter zake van de hiervoor onder a en b bedoelde bedragen en verplichtingen mede strekken tot zekerheid van de Bank.

Paragraaf 5. Criteria en verplichtingen

Artikel 8

  • 1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

    • a. de MKB-ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven;

    • b. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken;

    • c. het bedrijfsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat;

    • d. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan;

    • e. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend;

    • f. het bedrijfsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het borgstellingskrediet verstrekt, aan een andere Bank, aan een gelieerde bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is;

    • g. de MKB-ondernemer beschikt naast het bedrijfsborgstellingskrediet niet over een lening waarvoor de Stichting Borgstellingsfonds voor de landbouw borg staat;

    • h. de MKB-ondernemer beschikt niet over een door een andere bank verstrekte kredietfaciliteit, waarvoor de staat op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 nog borg staat anders dan een bijzondere hypothecaire geldlening als bedoeld in bijlage 4 van de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 of in hoofdstuk VI van de Kredietregeling voor het midden- en kleinbedrijf 1985;

    • i. de MKB-ondernemer, indien deze een natuurlijke persoon is, zal naar verwachting na een gebruikelijke aanloopperiode uit de inkomsten van zijn onderneming kunnen voorzien in zijn levensonderhoud;

    • j. de MKB-ondernemer beschikt bij de Bank over bankfaciliteiten die een bedrag van ten minste 100 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen dan wel indien:

      • 1. het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, ten minste 50 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen, of

      • 2. een starters-borgstellingskrediet niet wordt verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet belopen;

    • k. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, heeft zich borg gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet met een minimum van € 15.000;

    • l. de Bank heeft in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat:

      • 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

      • 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek;

    • m. de Bank heeft in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de MKB-ondernemer opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de staat van de in artikel 9, eerste lid, genoemde bevoegdheden.

    • n. het bedrijfsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor buitenlandse investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;

    • o. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000. Een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die in de referteperiode is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep;

    • p. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat:

      • zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun;

      • de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, niet meer bedraagt dan € 100.000;

      • de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder j, wordt het bedrijfsborgstellingskrediet verhoogd met:

    • a. het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van de door de Bank aan de MKB-ondernemer verstrekte bedrijfsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld, en

    • b. de door de Bank aan de MKB-ondernemer verstrekte kredieten, met uitzondering van vermogensversterkingskredieten en bijzondere hypothecaire geldleningen, voor zover de staat daarvoor op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 nog borg staat.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder j, is artikel 3, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

  • 1. De Bank, en indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, vijfde lid, en 7, vierde lid, de gelieerde bank, en de MKB-ondernemer voldoen aan hetgeen door door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst en met het oog op de nakoming door de staat van op hem rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit en deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank of de gelieerde bank, op de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:

    • a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;

    • b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;

    • c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;

    • d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en

    • e. het verstrekken van inlichtingen.

  • 2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank, of indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, vijfde lid, en 7, vierde lid, de gelieerde bank, of aan de MKB-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.

  • 3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank, de gelieerde bank of de MKB-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.

  • 4. De centrale Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten:

    • a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet;

    • b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet;

    • c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;

    • d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet.

  • 5. Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de centrale Bank voor 1 februari van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle bedrijfsborgstellingskredieten te zamen, waarvoor de centrale Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.

  • 6. Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de centrale Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave.

  • 7. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.

  • 8. De Bank zal er voor zorgdragen dat het bedrijfsborgstellingskrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het bedrijfsborgstellingskrediet verstrekt, aan een gelieerde bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is.

  • 9. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:

    • a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

    • b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 10

  • 1. Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, brengt de centrale Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning.

  • 2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Banken verlangen.

Artikel 11

  • 1. Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 is ingediend of, indien een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, na de datum waarop de centrale Bank de minister heeft bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen.

  • 2. De centrale Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar of door de Bank ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 12

  • 1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister op een verzoek ingediend door de centrale Bank. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling.

  • 2. Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient door de centrale Bank schriftelijk bij de minister te worden ingediend.

  • 3. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 6. Vaststelling betalingsverplichting

Artikel 13

  • 1. De centrale Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, doch in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 14

  • 1. De minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.

  • 2. De minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de centrale Bank mede.

Artikel 15

  • 1. De minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid.

  • 2. Voor zover de centrale Bank bij haar aanvraag om betaling aannemelijk maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het naar normaal bankgebruik noodzakelijk maakten de bankfaciliteiten sterker in omvang terug te brengen dan de bedrijfsborgstellingskredieten, blijft artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid, buiten toepassing.

  • 3. De minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een aanvraag:

    • a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid;

    • b. indien de Bank of de centrale Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.

Paragraaf 7. Betalingen

Artikel 16

  • 1. Betalingen door de staat aan de Bank en door de Bank aan de staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de centrale Bank van een rekening die de centrale Bank zal aanhouden ten name van het Ministerie van Economische Zaken, met vermelding van 'verliesdeclaraties'.

  • 2. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de in Het Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.

Paragraaf 8. Diversen

Artikel 17

  • 1. De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bedrijfsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bedrijfsborgstellingskrediet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de staat met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet van kracht, indien:

    • a. de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon,

    • b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en

    • c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt.

Artikel 18

Indien overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een garantieprovisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de staat heeft gedaan.

Artikel 19

  • 1. De centrale Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 13 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de staat.

  • 2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 11, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten.

  • 3. De centrale Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 16, eerste lid, per de datum van verzending van de aanvraag, bedoeld in artikel 13, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente als bedoeld in artikel 16, tweede lid, over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 5, op grond van artikel 6 is geschorst.

  • 4. De centrale Bank zal de rekening per de datum van de beslissing van de minister, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het bedrag waarop de minister de betaling vaststelde, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente als bedoeld in artikel 16, tweede lid, over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de vaststelling van de betaling.

Artikel 20

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank of de centrale Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de centrale Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 19, eerste lid, niet is nagekomen.

Artikel 21

Gelieerde bank(en) in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn) ...........

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 22

  • 1. De inwerkingtreding van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies of hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst.

  • 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de centrale Bank.

  • 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Banken schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien een Bank of de centrale Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8 van deze overeenkomst.

  • 5. In afwijking van het derde lid kunnen de Banken deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst.

  • 6. Opzegging door de Banken als bedoeld in het derde en vijfde lid is uitsluitend mogelijk indien dit geschiedt door alle Banken gezamenlijk.

  • 7. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van het Kaderbesluit EZ-subsidies of artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen.

  • 8. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.

Getekend te 's-Gravenhage op ......

De Minister van Economische Zaken,

(naam en functie vertegenwoordigers Bank)

BIJLAGE 2.3 MODEL OVEREENKOMST ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 2.9, DERDE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN (BODEMSANERINGSBORGSTELLINGSKREDIET; ÉÉN BANK)

De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de staat, ten deze vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken, hierna te noemen: de minister

en

ten deze vertegenwoordigd door ...... hierna te noemen: de Bank,

komen overeen als volgt:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. groep:

een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en

  • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

b. kredietovereenkomst:

een overeenkomst uit hoofde waarvan:

  • 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of

  • 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of

  • 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is;

c. krediet:

een bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken;

d. bodemsaneringsborgstellingskrediet:

een krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld;

e. saneringsplan:

plan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming;

f. saneringsbestek:

bestek gebaseerd op een saneringsplan, dat een gedetailleerde beschrijving omvat van de aard en de omvang van de uit te voeren sanering van de bodem met een nauwkeurige beschrijving van het te bereiken resultaat en waaruit de omvang van de saneringskosten kan worden afgeleid;

g. uitwinning:
  • 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden,

  • 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen,

  • 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, en

  • 4°. indien het faillissement van de ondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend: onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder;

h. MKB-ondernemer:

een ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt;

i. kleine onderneming:

kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

j. middelgrote onderneming:

een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

k. de-minimissteun:

steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379)), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193);

l. Bank:

een kredietinstelling die voldoet aan de omschrijving van bank als vermeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en die bevoegd is in een lidstaat van de Europese Unie het bedrijf van bank uit te oefenen, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is.

Paragraaf 2. Borgstelling

Artikel 2

De staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de terugbetaling van bodemsaneringsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Bank worden verstrekt.

Deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Paragraaf 3. Kredietmelding

Artikel 3

  • 1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen:

    • a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst aan de minister is gemeld met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld,

    • b. indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond van artikel 2.6 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde garantieprovisie door de Bank aan de staat betaald is,

    • c. voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden.

  • 2. De minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de minister bepalend.

  • 4. De meldingen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden gedaan met gebruikmaking van een ondertekend formulier.

Paragraaf 4. Omvang van de borgstelling

Artikel 4

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet het totaal van de bodemsaneringsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid worden bodemsaneringsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van die bodemsaneringsborgstellingskredieten in aanmerking genomen.

Artikel 5

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen bodemsaneringsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal met een zodanig vast bedrag verminderd, dat het bodemsaneringsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, doch uiterlijk na verloop van 18 jaar, nihil bedraagt.

  • 2. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier kalenderkwartalen opschorten indien:

    • a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet, en

    • b. de Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

  • 3. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste twee maal plaats.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten.

  • 5. De minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld in het tweede lid, onder b, schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.

Artikel 6

  • 1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt geschorst met ingang van de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist.

  • 3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.

Artikel 7

De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van een overeenkomstig artikel 14 ingediende aanvraag uit hoofde van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of bodemsaneringsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of de bodemsaneringsborgstellingskredieten.

Paragraaf 5. Criteria en verplichtingen

Artikel 8

Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

  • a. De Bank heeft de beschikking over de volgende bescheiden:

    • 1°. een schriftelijke verklaring van een ingenieur overeenkomstig het model dat door de minister wordt vastgesteld;

    • 2°. een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, waaruit blijkt dat het om een geval van ernstige verontreiniging gaat;

    • 3°. een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 39, tweede lid, eerste volzin, van de Wet bodembescherming;

  • b. de MKB-ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven;

  • c. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken;

  • d. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat;

  • e. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan de saneringskosten die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in onderdeel a, ten 1°, zijn aangemerkt als kosten van de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de sanering van de bodem;

  • f. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan;

  • g. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend;

  • h. het bodemsaneringsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het bodemsaneringsborgstellingskrediet verstrekt of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is;

  • i. de MKB-ondernemer beschikt niet over een door een andere bank verstrekte kredietfaciliteit waarvoor de staat op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 borg staat anders dan een bijzondere hypothecaire geldlening als bedoeld in bijlage 4 van de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 of in hoofdstuk VI van de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985;

  • j. de MKB-ondernemer, indien deze een natuurlijke persoon is, zal naar verwachting na een gebruikelijke aanloopperiode uit de inkomsten van zijn onderneming kunnen voorzien in zijn levensonderhoud;

  • k. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, heeft zich borg gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bodemsaneringsborgstellingskrediet met een minimum van € 15.000;

  • l. de Bank heeft in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat:

    • 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

    • 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.

  • m. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000.

    Een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die in de referteperiode is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep;

  • n. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat:

    • zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun;

    • de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, meer bedraagt dan € 100.000;

    • de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie.

Artikel 9

De Bank voldoet slechts aan de voor haar uit het bodemsaneringsborgstellingskrediet jegens de MKB-ondernemer voortvloeiende betalingsverplichtingen voor zover de MKB-ondernemer door het overleggen van facturen de verschuldigdheid van de kosten, die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, ten 1° zijn aangemerkt als noodzakelijk voor de sanering van de bodem, heeft aangetoond.

Artikel 10

  • 1. De Bank voldoet aan hetgeen door door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit en deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank, op de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:

    • a. het toegang verlenen tot door haar gebruikte plaatsen;

    • b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;

    • c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;

    • d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en

    • e. het verstrekken van inlichtingen.

  • 2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.

  • 3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.

  • 4. De Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten:

    • a. vervroegde volledige aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet;

    • b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bodemsaneringsborgstellingskrediet;

    • c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;

    • d. opeising van het bodemsaneringsborgstellingskrediet.

  • 5. Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank voor 1 februari van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle bodemsaneringsborgstellingskredieten te zamen, waarvoor de Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.

  • 6. Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave.

  • 7. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.

  • 8. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:

    • 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

    • 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 11

  • 1. Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, brengt de Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning.

  • 2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.

Artikel 12

  • 1. Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend of, indien een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, na de datum waarop de Bank de minister heeft bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen.

  • 2. De Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 13

  • 1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling.

  • 2. Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient door de Bank schriftelijk bij de minister te worden ingediend.

  • 3. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 6. Vaststelling betalingsverplichting

Artikel 14

  • 1. De Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, doch in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de bodemsaneringsborgstellingsovereenkomst.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 15

  • 1. De minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.

  • 2. De minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de Bank mede.

Artikel 16

  • 1. De minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 10, vierde, vijfde en zesde lid.

  • 2. De minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een aanvraag:

    • a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 10, eerste lid;

    • b. indien de Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.

Paragraaf 7. Betalingen

Artikel 17

  • 1. Betalingen door de staat aan de Bank en door de Bank aan de staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de Bank van een rekening die de Bank zal aanhouden ten name van het Ministerie van Economische Zaken, met vermelding van 'bodemsaneringsverliesdeclaraties'.

  • 2. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de in Het Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.

Paragraaf 8. Diversen

Artikel 18

  • 1. De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bodemsaneringsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bodemsaneringsborgstellingskrediet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de staat met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet van kracht, indien:

    • a. de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon,

    • b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en

    • c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt.

Artikel 19

Indien overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een garantieprovisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de staat heeft gedaan.

Artikel 20

  • 1. De Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 14 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de staat.

  • 2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 12, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten.

  • 3. De Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 17, eerste lid, per de datum van verzending van de aanvraag, bedoeld in artikel 14, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 5, op grond van artikel 6 is geschorst.

  • 4. De Bank zal de rekening per de datum van de beslissing van de minister, bedoeld in artikel 15, tweede lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het bedrag waarop de minister de betaling vaststelde, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de vaststelling van de betaling.

Artikel 21

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is nagekomen.

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 22

  • 1. De inwerkingtreding van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies of hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst.

  • 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de Bank.

  • 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Bank schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8 van deze overeenkomst.

  • 5. In afwijking van het derde lid kan de Bank de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst.

  • 6. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van het Kaderbesluit EZ-subsidies of door intrekking van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen.

  • 7. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.

Getekend te 's-Gravenhage op ......

De Minister van Economische Zaken,

(naam en functie vertegenwoordigers Bank)

BIJLAGE 2.4 MODEL OVEREENKOMST ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 2.9, VIERDE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN (BODEMSANERINGSBORGSTELLINGSKREDIET; MEER DAN ÉÉN BANK)

De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de staat, ten deze vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken, hierna te noemen: de minister

en (inclusief de centrale Bank indien deze bodemsaneringsborgstellingskredieten verstrekt), ...... hierna gezamenlijk te noemen de Banken en ieder voor zich de Bank, ten deze vertegenwoordigd door ........... hierna te noemen: de centrale Bank,

komen overeen als volgt:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. groep:

een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en

  • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

b. kredietovereenkomst:

een overeenkomst uit hoofde waarvan:

  • 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of

  • 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of

  • 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is;

c. krediet:

een bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken;

d. bodemsaneringsborgstellingskrediet:

een krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld;

e. saneringsplan:

plan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming;

f. saneringsbestek:

bestek gebaseerd op een saneringsplan, dat een gedetailleerde beschrijving omvat van de aard en de omvang van de uit te voeren sanering van de bodem met een nauwkeurige beschrijving van het te bereiken resultaat en waaruit de omvang van de saneringskosten kan worden afgeleid;

g. uitwinning:
  • 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden,

  • 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen,

  • 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, en

  • 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend: onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder;

h. MKB-ondernemer:

een ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt;

i. kleine onderneming:

kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

j. middelgrote onderneming:

een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

k. de-minimissteun:

steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193);

l. Bank:

een kredietinstelling die voldoet aan de omschrijving van bank als vermeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en die bevoegd is in een lidstaat van de Europese Unie het bedrijf van bank uit te oefenen, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is.

Paragraaf 2. Borgstelling

Artikel 2

De staat stelt zich borg ten behoeve van de Banken voor de terugbetaling van bodemsaneringsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Banken worden verstrekt.

Deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Paragraaf 3. Kredietmelding

Artikel 3

  • 1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen:

    • a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst door de centrale Bank aan de minister is gemeld met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld,

    • b. indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond van artikel 2.6 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde garantieprovisie door de centrale Bank aan de staat betaald is,

    • c. voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden.

  • 2. De minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de minister bepalend.

  • 4. De meldingen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden gedaan met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier.

Paragraaf 4. Omvang van de borgstelling

Artikel 4

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet het totaal van de bodemsaneringsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de krediet- overeenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid worden bodemsaneringsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van die bodemsaneringsborgstellingskredieten in aanmerking genomen.

Artikel 5

  • 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen bodemsaneringsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal met een zodanig vast bedrag verminderd, dat het bodemsaneringsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, doch uiterlijk na verloop van 18 jaar, nihil bedraagt.

  • 2. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier kalenderkwartalen opschorten indien:

    • a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet, en

    • b. de centrale Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

  • 3. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste twee maal plaats.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten.

  • 5. De minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld in het tweede lid, onder b, schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.

Artikel 6

  • 1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt geschorst met ingang van de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist.

  • 3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.

Artikel 7

De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van een overeenkomstig artikel 14 ingediende aanvraag uit hoofde van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of bodemsaneringsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of de bodemsaneringsborgstellingskredieten.

Paragraaf 5. Criteria en verplichtingen

Artikel 8

Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

  • a. De Bank heeft de beschikking over de volgende bescheiden:

    • 1°. een schriftelijke verklaring van een ingenieur overeenkomstig het model dat door de minister wordt vastgesteld;

    • 2°. een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, waaruit blijkt dat het om een geval van ernstige verontreiniging gaat;

    • 3°. een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 39, tweede lid, eerste volzin, van de Wet bodembescherming;

  • b. de MKB-ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven;

  • c. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken;

  • d. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat;

  • e. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan de saneringskosten die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in onderdeel a, ten 1°, zijn aangemerkt als kosten van de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de sanering van de bodem;

  • f. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan;

  • g. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend;

  • h. het bodemsaneringsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het verstrekt, aan een andere Bank, of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is;

  • i. de MKB-ondernemer beschikt niet over een door een andere bank verstrekte kredietfaciliteit waarvoor de staat op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985, of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 borg staat anders dan een bijzondere hypothecaire geldlening als bedoeld in bijlage 4 van de kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 of in hoofdstuk VI van de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985;

  • j. de MKB-ondernemer, indien deze een natuurlijke persoon is, zal naar verwachting na een gebruikelijke aanloopperiode uit de inkomsten van zijn onderneming kunnen voorzien in zijn levensonderhoud;

  • k. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, heeft zich borg gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bodemsaneringsborgstellingskrediet met een minimum van € 15.000;

  • l. de Bank heeft in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat:

    • 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

    • 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.

  • m. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000.

    Een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die in de referteperiode is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep;

  • n. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat:

    • zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun;

    • de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, meer bedraagt dan € 100.000;

    • de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie.

Artikel 9

De Bank voldoet slechts aan de voor haar uit het bodemsaneringsborgstellingskrediet jegens de MKB-ondernemer voortvloeiende betalingsverplichtingen voor zover de MKB-ondernemer door het overleggen van facturen de verschuldigdheid van de kosten, die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, ten 1°, zijn aangemerkt als noodzakelijk voor de sanering van de bodem, heeft aangetoond.

Artikel 10

  • 1. De Banken voldoen aan hetgeen door door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit en deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank, op de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:

    • a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;

    • b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;

    • c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;

    • d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en

    • e. het verstrekken van inlichtingen.

  • 2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.

  • 3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.

  • 4. De centrale Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten:

    • a. vervroegde volledige aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet;

    • b. het door de afdeling ..... van de Bank in beheer nemen van het bodemsaneringsborgstellingskrediet;

    • c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;

    • d. opeising van het bodemsaneringsborgstellingskrediet.

  • 5. Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de centrale Bank voor 1 februari van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle bodemsaneringsborgstellingskredieten te zamen, waarvoor de centrale Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.

  • 6. Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de centrale Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave.

  • 7. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.

  • 8. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:

    • 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,

    • 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 11

  • 1. Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, brengt de centrale Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning.

  • 2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Banken verlangen.

Artikel 12

  • 1. Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend of, indien een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, na de datum waarop de centrale Bank de minister heeft bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodsemsaneringsborgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen.

  • 2. De centrale Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar of door de Bank ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 13

  • 1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling.

  • 2. Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient door de centrale Bank schriftelijk bij de minister te worden ingediend.

  • 3. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 6. Vaststelling betalingsverplichting

Artikel 14

  • 1. De centrale Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, doch in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de bodemsaneringsborgstellingsovereenkomst.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

Artikel 15

  • 1. De minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.

  • 2. De minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de centrale Bank mede.

Artikel 16

  • 1. De minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 10, vierde, vijfde en zesde lid.

  • 2. De minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een aanvraag:

    • a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 10, eerste lid;

    • b. indien de Bank of de centrale Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.

Paragraaf 7. Betalingen

Artikel 17

  • 1. Betalingen door de staat aan de Bank en door de Bank aan de staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de centrale Bank van een rekening die de centrale Bank zal aanhouden ten name van het Ministerie van Economische Zaken, met vermelding van 'bodemsaneringsverliesdeclaraties'.

  • 2. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de in Het Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.

Paragraaf 8. Diversen

Artikel 18

  • 1. De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bodemsaneringsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bodemsaneringsborgstellingskrediet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de staat met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet van kracht, indien:

    • a. de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon,

    • b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en

    • c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt.

Artikel 19

Indien overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een garantieprovisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de staat heeft gedaan.

Artikel 20

  • 1. De centrale Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 14 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de staat.

  • 2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 12, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten.

  • 3. De centrale Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 17, eerste lid, per de datum van verzending van de aanvraag, bedoeld in artikel 14, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 5, op grond van artikel 6 is geschorst.

  • 4. De centrale Bank zal de rekening per de datum van de beslissing van de minister, bedoeld in artikel 15, tweede lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het bedrag waarop de minister de betaling vaststelde, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de vaststelling van de betaling.

Artikel 21

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank of de centrale Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de centrale Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is nagekomen.

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 22

  • 1. De inwerkingtreding van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies of hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst.

  • 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de centrale Bank.

  • 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Banken schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Bank of de centrale Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8 van deze overeenkomst.

  • 5. In afwijking van het derde lid kunnen de Banken de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst.

  • 6. Opzegging door de Banken als bedoeld in het derde en vijfde lid is uitsluitend mogelijk indien dit geschiedt door alle Banken gezamenlijk.

  • 7. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van het Kaderbesluit EZ-subsidies of door intrekking van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen.

  • 8. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.

Getekend te 's-Gravenhage op ....

De Minister van Economische Zaken,

(naam en functie vertegenwoordigers Bank)

BIJLAGE 3.1. MODEL GARANTSTELLINGSOVEREENKOMST TEN AANZIEN VAN ACHTERGESTELDE LENINGEN EN AANDELENKAPITAAL ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 3.7, EERSTE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN

Model garantstellingsovereenkomst ten aanzien van achtergestelde leningen en aandelenkapitaal

Overeenkomst tussen:

  • 1. De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat,

    vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken;

  • 2. ...., hierna te noemen financier;

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Definitiebepalingen

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. minister:

de Minister van Economische Zaken;

b. kapitaalvennootschap:
  • 1°. een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerste Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB EG L 65), of

  • 2°. een kapitaalvennootschap die is ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld in Richtlijn 68/151/EEG van de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden te beschermen;

c. MKB-ondernemer:

een ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt;

d. kleine onderneming:

kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

e. middelgrote onderneming:

een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

f. participatiemaatschappij:

een vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens haar statuten of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan ondernemers teneinde winst te behalen, met uitzondering van startersfondsen als bedoeld in artikel 4.1 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen;

g. bank:

een kredietinstelling die voldoet aan de omschrijving van bank als vermeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en die bevoegd is in een lidstaat van de Europese Unie het bedrijf van bank uit te oefenen;

h. financier:

een bank of een participatiemaatschappij of een andere, door de minister aangewezen instelling;

i. achtergestelde lening:
  • 1°. een lening van geld door een financier aan een MKB-ondernemer met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten,

    • welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer op persoonlijke titel heeft gegeven,

    • waarop de MKB-ondernemer krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders in de onderneming van de MKB-ondernemer, en

    • ten aanzien waarvan de financier in de vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; of

  • 2°. een lening van geld door een financier aan een MKB-ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een dochtermaatschappij in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met het oog op financiering door deze ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij,

    • welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer en van een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij,

    • en ten aanzien waarvan de financier in de akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen;

j. waarde van een achtergestelde lening:

het nog niet afgeloste deel van de lening;

k. aandelenkapitaal:

aandelen in het kapitaal van een onderneming van de MKB-ondernemer, die de financier rechtstreeks van de MKB-ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening;

l. waarde van aandelenkapitaal:

het bedrag in geld dat de financier bij de volstorting van de aandelen heeft betaald dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de financier;

m. risicokapitaal:

kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of een achtergestelde lening;

n. reserveringsquotum:

het bedrag dat de minister op aanvraag van een financier vaststelt als maximum voor de som van de garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die:

  • 1°. gedurende drie jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft;

  • 2°. gedurende twee jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien reeds eerder een reservingsquotum is toegekend.

o. groep:

een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van, of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

  • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.

Artikel 2 Garantstelling

  • 1. De Staat stelt zich tegenover de financier garant voor 50% van de waarde van door de financier verstrekt risicokapitaal, voor welke garantstelling de financier een provisie is verschuldigd.

  • 2. De garantie wordt verleend voor de duur van de desbetreffende kapitaalverstrekkingen met een maximum van twaalf jaar, met dien verstande dat op verzoek van de financier de garantie inzake een verstrekking van aandelenkapitaal wordt gebonden aan een termijn van ten minste zes jaar en ten hoogste twaalf jaar.

  • 3. De garantstelling heeft alleen betrekking op risicokapitaal

    • a. dat wordt verstrekt nadat de minister desgevraagd een reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum nog toereikend en geldig is;

    • b. dat wordt verstrekt overeenkomstig de in artikel 3 genoemde voorwaarden;

    • c. dat onder de garantstelling is gebracht overeenkomstig de procedure van artikel 4.

  • 4. Indien de financier bij de verstrekking van risicokapitaal een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, is deze overeenkomst slechts van toepassing op het gedeelte van het verstrekte risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 3 Randvoorwaarden risicokapitaal

Een verstrekking van risicokapitaal aan een MKB-ondernemer kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. blijkens de geringe rentabiliteit is de continuïteit van de onderneming van de MKB-ondernemer voor de korte of middellange termijn niet in het geding;

  • b. in de voorafgaande periode van twaalf maanden zijn niet meer middelen ten behoeve van derden aan de onderneming onttrokken dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering en evenmin is een verplichting tot een zodanige onttrekking aangegaan;

  • c. de verstrekking van het risicokapitaal dient niet ter vervanging van eerder aan de MKB-ondernemer verschaft krediet of risicokapitaal;

  • d. de waarde van het risicokapitaal dat aan de MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een andere financier met toepassing van hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen, en van risicokapitaal dat met toepassing van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen aan de MKB-ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan € 5.000.000;

  • e. bij of in verband met het verstrekken van het risicokapitaal verstrekt de financier geen andere goederen dan geld;

  • f. de verstrekking van het risicokapitaal draagt zelfstandig bij aan het realiseren van een actief en winstgericht beleid van de financier;

  • g. de MKB-ondernemer verplicht zich aan een door de minister als toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht aangewezen persoon of aan een door de minister aangewezen deskundige derde, voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk acht voor de vervulling van zijn taak:

    • 1°. inlichtingen te verstrekken en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken en de gelegenheid te bieden daarvan kopieën te maken;

    • 2°. toegang te verlenen tot plaatsen niet zijnde woningen;

    • 3°. anderszins binnen de door hem gestelde termijn alle door hem gewenste medewerking te verlenen.

Artikel 4 Aanmelding en toetsing

  • 1. De financier stelt de Staat in kennis van een voorgenomen verstrekking van risicokapitaal met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de ontwerp-overeenkomst tot verstrekking van het risicokapitaal en van andere bescheiden als genoemd in het model.

  • 2. Indien de verstrekking van risicokapitaal naar het oordeel van de Staat voldoet aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden, geldt de garantstelling op grond van deze overeenkomst voor dit risicokapitaal. De Staat bericht hierover de financier binnen twee weken na ontvangst van de aanmelding onder vermelding van de omvang en duur van de garantie.

  • 3. De garantie wordt afgegeven onder de opschortende voorwaarde dat een dienovereenkomstige, door partijen gesloten overeenkomst aan de Staat wordt overgelegd en dat ook dan wordt voldaan aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden. De Staat bericht hierover de financier binnen twee weken na ontvangst van de gesloten overeenkomst onder vermelding van de omvang en duur van de garantie.

Artikel 5 Verplichtingen beheer

  • 1. De financier draagt er voor zorg dat een actief en winstgericht beleid wordt gevoerd voor het verstrekken, beheren en vervreemden van risicokapitaal, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller.

  • 2. De financier draagt er voor zorg dat degenen die met het verstrekken, beheren of vervreemden van risicokapitaal zijn belast beschikken over de nodige deskundigheid.

  • 3. De financier staat er voor in dat degenen die zijn belast met het verstrekken, beheren of vervreemden van risicokapitaal en met de bepaling van en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar zijn.

  • 4. De financier draagt zorg voor een integere bedrijfsvoering en neemt in dat verband de noodzakelijke maatregelen om onder meer strafbare handelingen, verstrengeling van tegenstrijdige belangen en afhankelijkheid van de financier van bepaalde vennoten, aandeelhouders of andere betrokkenen te voorkomen.

  • 5. De financier staat er voor in dat aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders en beheerders van de financier en andere zijdens de financier betrokkenen alleen medewerking verlenen aan verstrekkingen van risicokapitaal en krediet door een ander dan de financier aan een onderneming waaraan de financier risicokapitaal heeft verstrekt met een garantie op grond van deze overeenkomst, indien een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder deze verstrekkingen zou hebben gedaan in het kader van een actief en winstgericht beleid.

  • 6. De financier komt met een MKB-ondernemer aan wie een achtergestelde lening is verstrekt slechts een wijziging van het aflossingsschema overeen na voorafgaande toestemming van de Staat, tenzij deze betrekking heeft op een versnelde aflossing of op een gehele of gedeeltelijke opschorting van de aflossingen gedurende ten hoogste vier aaneengesloten kwartalen die niet is voorafgegaan door een eerdere opschorting van de aflossingen.

  • 7. De Staat verleent de in het zesde lid bedoelde toestemming indien aannemelijk is dat:

    • a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan het bestaande aflossingsschema;

    • b. adequate maatregelen worden genomen ter verbetering van de liquiditeit van de onderneming en rekening houdend met het belang van rentabiliteit en continuïteit van de onderneming;

    • c. rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.

Artikel 6 Financiële verplichtingen

  • 1. De financier aan wie de minister een reserveringsquotum heeft toegekend, is hiervoor aan de Staat een eenmalige provisie van 1% van dit quotum verschuldigd.

  • 2. De financier is een provisie verschuldigd voor de garantie op het verstrekte risicokapitaal dat overeenkomstig de procedure van artikel 4 onder de garantstelling is gebracht. De provisie bedraagt jaarlijks

    • a. 2,5% van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal indien de kapitaalverstrekking bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde MKB-ondernemer door de financier of een andere financier die deel uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal;

    • b. 3% van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal in andere gevallen.

  • 3. Per kwartaal wordt een vierde deel van de in het tweede lid bedoelde provisie in rekening gebracht, uitgaand van de waarde van het risicokapitaal op de eerste dag van het kwartaal.

  • 4. De in het tweede lid bedoelde provisie is verschuldigd voor de duur van de garantie of zoveel korter als zich één van de in artikel 8, eerste lid, genoemde omstandigheden voordoet.

  • 5. Indien het risicokapitaal aandelenkapitaal betreft dat wordt vervreemd binnen zes jaren vanaf de verstrekking van het risicokapitaal, is de financier op dat tijdstip een aanvullende provisie verschuldigd voor de periode vanaf het tijdstip van de vervreemding tot na het verstrijken van de periode van zes jaren, welke aanvullende provisie wordt berekend met overeenkomstige toepassing van het tweede lid en uitgaand van de waarde van het aandelenkapitaal op de eerste dag van het kwartaal voorafgaand aan de vervreemding.

  • 6. Indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, is de financier op het tijdstip van de volledige aflossing van de lening een aanvullende provisie verschuldigd indien de op grond van het tweede lid voor de totale looptijd van de lening verschuldigde provisie minder bedraagt dan het zesvoud van de provisie die met toepassing van het tweede lid voor de helft van het geleende bedrag kan worden berekend, welke aanvullende provisie gelijk is aan het hiervoor bedoelde verschil.

  • 7. Indien risicokapitaal binnen een termijn van zes jaar wordt afgestoten om verlies op dat risicokapitaal in de zin van artikel 8, eerste lid, te beperken, kan de minister op verzoek van de financier de over de resterende termijn verschuldigde provisie kwijtschelden indien sprake is van klemmende redenen, gelegen in het belang van de onderneming van de MKB-ondernemer.

Artikel 7 Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen

  • 1. De financier draagt er voor zorg dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerd risicokapitaal en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde MKB-ondernemer heeft verstrekt.

  • 2. De financier informeert de Staat binnen acht weken nadat de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden schriftelijk over wezenlijke wijzigingen in het financieringsbeleid of de organisatie van de financier en over wijzigingen ten aanzien van gegarandeerd risicokapitaal, waaronder

    • a. een omzetting van een achtergestelde lening in aandelenkapitaal,

    • b. een aflossing van een achtergestelde lening, tenzij deze aflossing overeenkomt met een aflossingsschema waarover de Staat eerder is geïnformeerd;

    • c. een wijziging van de looptijd van een achtergestelde lening.

  • 3. De financier verstrekt de Staat jaarlijks zijn jaarverslag.

  • 4. Desgevraagd verstrekt de financier de Staat gegevens en bescheiden over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerd risicokapitaal en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde MKB-ondernemer heeft verstrekt, en de jaarrekeningen van de ondernemingen waaraan risicokapitaal is verstrekt, vergezeld van desbetreffende accountantsverklaringen als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een mededeling waarom deze ontbreekt, en van de bijbehorende toelichtingen voor het bestuur van de onderneming.

  • 5. De financier doet onverwijld mededeling aan de Staat van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing te verklaren.

Artikel 8 Reikwijdte garantie

  • 1. De financier kan een beroep doen op de garantie indien hij op gegarandeerd risicokapitaal verlies lijdt:

    • a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van dat risicokapitaal;

    • b. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de lening door de financier;

    • c. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, door onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te lossen;

    • d. als gevolg van een faillietverklaring, een verlening van surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer;

    • e. bij een in kracht van gewijsde gegane homologatie van een akkoord na de faillietverklaring, na de verlening van surséance van betaling of na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de lening is verstrekt;

    • f. indien de MKB-ondernemer een rechtspersoon is, bij ontbinding van de rechtspersoon.

  • 2. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de MKB-onderneming zijn onttrokken ten behoeve van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering, dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan, mits de financier hieraan op enigerlei wijze medewerking heeft verleend.

  • 3. Bij verlies ingevolge vervreemding van risicokapitaal geldt de garantie alleen indien de vervreemding:

    • a. niet eerder dan twee jaar na de verstrekking ervan heeft plaatsgevonden, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen deze termijn heeft ingestemd;

    • b. gebeurt tegen een prijs die past in het voeren van een actief en winstgericht beleid;

    • c. voor zover de financier daarbij risicokapitaal geheel of voor een deel overdraagt aan één van zijn aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen, gebeurt tegen een prijs die is gebaseerd op een taxatie van twee onafhankelijke deskundigen, dan wel gepaard gaat met vervreemding van ten minste een derde deel van het risicokapitaal aan onafhankelijke derden.

  • 4. Bij verlies ingevolge gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een achtergestelde lening geldt de garantie alleen indien de kwijtschelding noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.

  • 5. Als onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te lossen, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt aangemerkt de situatie waarin

    • a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen;

    • b. aannemelijk is dat de MKB-ondernemer in de eerstvolgende jaren niet in staat zal zijn te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen; en

    • c. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.

  • 6. Verlies als gevolg van faillietverklaring, een verlening van surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, wordt aanwezig geacht

    • a. voor zover aannemelijk is dat de financier bij het einde van het faillissement, van de surséance onderscheidenlijk van de toepassing van de schuldsaneringsregeling een verlies als bedoeld in het achtste lid zal leiden;

    • b. mits aannemelijk is dat rekening is gehouden met het belang van de Staat als garantsteller.

  • 7. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien de financier tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van deze overeenkomst of indien de financier niet kan aantonen die maatregelen te hebben genomen die een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder zou hebben genomen in het kader van een actief en winstgericht beleid.

  • 8. Het verlies wordt berekend op basis van de waarde van het risicokapitaal of, indien het verlies slechts op een deel van het verstrekte risicokapitaal is geleden, het hiermee overeenkomende deel van die waarde, in een voorkomend geval verminderd met:

    • a. in geval van vervreemding: de prijs waarvoor die vervreemding heeft plaatsgevonden;

    • b. in geval van ontbinding: de liquidatie-uitkering; of

    • c. in geval van homologatie van een akkoord als bedoeld in het eerste lid, onder e, de in het kader van het akkoord voor de achtergestelde lening verrichte uitkering; en

    • d. in geval van verlies op aandelenkapitaal, het totaal van de uitgekeerde dividenden en het totaal van de aan de financier betaalde vergoedingen voor zover deze vergoedingen hoger zijn dan een marktconforme vergoeding.

  • 9. Indien de financier meermalen gegarandeerd risicokapitaal aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt en slechts op een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden op het risicokapitaal dat de financier het eerst heeft verstrekt.

  • 10. Indien de financier aan een MKB-ondernemer risicokapitaal heeft verstrekt dat slechts ten dele onder de garantstelling is gebracht en slechts op een deel van het verstrekte risicokapitaal verlies lijdt, wordt het verlies, onverminderd het negende lid, naar rato toegerekend aan het risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht.

Artikel 9 Inroepen van garantie

  • 1. De financier verzoekt de Staat binnen zes maanden nadat zich de in artikel 8, eerste lid, bedoelde situatie heeft voorgedaan om betaling op grond van de garantie met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de vervreemdingsovereenkomst, de inschrijving in het register van de ontbinding van de rechtspersoon of van de in artikel 8, eerste lid, onder c, bedoelde akkoorden en van andere bescheiden als genoemd in het model.

  • 2. Indien naar het oordeel van de Staat sprake is van een verlies als bedoeld in artikel 8, maakt de financier aanspraak op betaling van 50% van het geleden verlies, tenzij de financier in gebreke is gebleven bij de naleving van deze overeenkomst. De Staat bericht hierover de financier binnen dertien weken na ontvangst van het betalingsverzoek onder vermelding van het te betalen bedrag.

Artikel 10 Betalingen

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de financier geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer ... bij de ... bank, ten name van SenterNovem, onder vermelding van het ... nummer.

Artikel 11 Terugvordering en navordering

  • 1. Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra blijkt dat de financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat de Staat op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft.

  • 2. Indien vanwege een verlies als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c of d, een uitkering op grond van de garantie heeft plaatsgevonden, is de financier verplicht 50% van de aflossingen die na de uitkering worden verricht, onderscheidenlijk van hetgeen na de uitkering is ontvangen, uit te betalen aan de Staat.

Artikel 12 Opzegging

  • 1. De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen indien

    • a. de financier tekort schiet bij de nakoming van één van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst;

    • b. ten aanzien van de financier een verzoek bij de rechtbank is ingediend tot verlening van surseance van betaling, een verzoek tot faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of een buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden;

    • c. de financier, in geval deze rechtspersoonlijkheid heeft, is ontbonden;

    • d. de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen niet langer verenigbaar zijn met de regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun.

  • 2. Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a, geschiedt uitsluitend nadat de Staat de financier op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een redelijke termijn.

  • 3. Een opzegging in verband met de in het eerste lid, onder d, bedoelde omstandigheid heeft geen gevolgen voor de verplichtingen ten aanzien van verstrekkingen van risicokapitaal die voor het tijdstip van de opzegging onder de garantstelling zijn gebracht.

Artikel 13 Geschillen

  • 1. Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement Den Haag.

  • 2. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

Artikel 14 Adressering schriftelijke stukken

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder

  • 1 gemelde partij worden gericht aan

    Ministerie van Economische Zaken,

    SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder

  • 2 gemelde partij worden gericht aan

    .....

Artikel 15 Inwerkingtreding

Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.

........., ten deze vertegenwoordigd door

  • 1. ...

  • 2. ...

Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag

Toelichting bij de in bijlage 3.1 opgenomen model garantstellingsovereenkomsten

Een aantal bepalingen van de in bijlage 3.1 en 3.2 opgenomen modellen komt letterlijk of materieel overeen met bepalingen in hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. In deze toelichting op het model worden deze bepalingen niet opnieuw aan de orde gesteld.

Omdat het model voor de garantstellingsovereenkomst ten aanzien van door financiers verstrekte niet converteerbare achtergestelde leningen (bijlage 3.2) materieel niet verschilt van het model ten aanzien van achtergestelde leningen en aandelenkapitaal (bijlage 3.1), wordt volstaan met een toelichting van het laatstgenoemde model.

Artikel 3 (Randvoorwaarden risicokapitaal)

Dit artikel bevat de voorwaarden waaraan concrete verstrekkingen van risicokapitaal moeten voldoen om deze onder de garantstelling te kunnen brengen. Sommige van deze voorwaarden hebben betrekking op de kapitaalverstrekking zelf, andere betreffen de MKB-ondernemer waaraan het risicokapitaal wordt verstrekt. De financier is gehouden na te gaan of de MKB-ondernemer aan deze voorwaarden voldoet. De informatie waarover de financier bijgevolg beschikt of redelijkerwijs zou moeten beschikken is maatgevend voor de beoordeling op grond van artikel 4 of aan de voorwaarden is voldaan.

Het in onderdeel a opgenomen vereiste inzake continuïteit en rentabiliteit van de MKB-ondernemer, dat reeds in de toelichting bij artikel 31, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is behandeld, wordt toegepast bij de beoordeling van de aanmelding overeenkomstig artikel 4 van de overeenkomst. De MKB-ondernemer dient derhalve op dat moment aan deze voorwaarde te voldoen. De ondernemer dient op zichzelf economisch gezond te zijn, maar ook is van belang dat niet een financiering plaatsvindt die de rentabiliteit en continuïteit van het bedrijf in gevaar brengt.

Onderdeel b betreft situaties waarin de ondernemer zonder dat dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering middelen aan de onderneming heeft onttrokken. Door deze gevallen uit te sluiten wordt voorkomen dat het garantstellingsbudget wordt benut voor financieringen die in zekere zin onnodig zijn.

In onderdeel e is bepaald dat de verstrekking van risicokapitaal niet anders dan met geld kan plaatsvinden. Bij financiering door de overdracht van bijvoorbeeld goederen of vorderingen kan gemakkelijk een intransparante situatie ontstaan.

In onderdeel f is een inhoudelijke voorwaarde gesteld ten aanzien van de kapitaalverstrekking om te voorkomen dat op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van dit instrument. Daarvan kan in het bijzonder sprake zijn indien een financiering onder de garantstelling wordt gebracht om het risico van een andere financiering af te dekken. Indien de aankoop van aandelen tegen een abnormaal hoge prijs onder de garantstelling wordt gebracht terwijl daarnaast, ter compensatie, een lening tegen een zeer hoge rente wordt verstrekt, zou de financier na enkele jaren de aandelen tegen een veel lagere prijs kunnen verkopen en voor het geleden verlies een beroep op de garantie kunnen doen. Om dit te voorkomen wordt voor toepassing van de garantstelling vereist dat de kapitaalverstrekking als zodanig bijdraagt aan het realiseren van een actief en winstgericht beleid of, anders gezegd, commercieel interessant is.

Onderdeel g beoogt zeker te stellen dat zonodig zijdens de minister boekenonderzoek bij de MKB-ondernemer kan plaatsvinden. Onder omstandigheden kan twijfel bestaan of de feitelijke situatie van de MKB-ondernemer overeen komt met het beeld zoals dat naar voren komt uit de door de financier verstrekte informatie. Het is wenselijk dat alsdan de bevoegdheid bestaat toezicht uit te oefenen zoals dat gebruikelijk is in het kader van publiekrechtelijke subsidieverhoudingen. De essentie van de bepalingen van afdeling 5.2 van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht is om die reden overgenomen in onderdeel g.

Artikel 4 (Aanmelding en toetsing)

Indien een financier een garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten en beschikt over een reserveringsquotum kan hij financieringen aangaan met gebruikmaking van de garantstelling. Om de financier zekerheid te kunnen bieden dat de financiering voldoet aan de in hoofdstuk 3 van de regeling en overeenkomst gestelde voorwaarden wordt de voorgenomen financiering aangemeld bij de Staat, dat wil zeggen agentschap SenterNovem van het Ministerie van Economische Zaken. SenterNovem constateert of de financiering aan de voorwaarden voldoet en informeert vervolgens de financier dat de financiering onder de garantstelling wordt gebracht of dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan.

Omdat de melding plaats vindt op basis van een ontwerp-financieringsovereenkomst, staat niet op voorhand vast dat de financiering ook daadwerkelijk zal plaatsvinden. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een MKB-ondernemer verschillende financiers om een offerte heeft gevraagd. Alsdan zou het mogelijk zijn dat verscheidene garanties voor één en dezelfde financiering worden verleend of dat garanties voor een MKB-ondernemer worden afgegeven tot boven het maximale financieringsbedrag van € 5.000.000. Om die reden is in het derde lid bepaald dat de garantie eerst geldig wordt nadat de definitieve financieringsovereenkomst is overgelegd en nadat is geconstateerd dat nog steeds wordt voldaan aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden.

Artikel 5 (Verplichtingen beheer)

Dit artikel bevat enkele algemene verplichtingen ten aanzien van de financier evenals bepalingen over wijzigingen van het aflossingsschema van een achtergestelde lening.

In het eerste lid is een algemene zorgplicht vastgelegd om een actief en winstgericht financieringsbeleid te voeren, rekening houdend met het belang van de garantsteller. Dit impliceert onder meer dat de financier op de hoogte moet zijn van belangrijke ontwikkelingen bij de MKB-ondernemer waarin is geïnvesteerd, opdat de financier en de Staat als garantsteller niet onnodig voor onaangename verrassingen worden gesteld. Het financieringsbeleid heeft betrekking op alle werkzaamheden die een goed huisvader betaamt, ongeacht of het de verstrekking, het beheren in enge zin of de vervreemding van het risicokapitaal betreft.

Het tweede, derde en vierde lid weerspiegelen de eisen die in artikel 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn gesteld op het vlak van deskundigheid, betrouwbaarheid en integriteit. Financiers dienen aan de eisen die voor het sluiten van de garantstellingsovereenkomst worden gesteld, te blijven voldoen. Integriteit betreft onder meer het voorkomen van verstrengeling van tegengestelde belangen. Een voorbeeld van belangenverstrengeling en de mogelijke gevolgen daarvan is de situatie waarin een aandeelhouder van een participatiemaatschappij die tevens aandeelhouder is van een andere participatiemaatschappij, aandelen van de ene naar de andere maatschappij overdraagt tegen kunstmatige prijzen, waardoor de maatschappij benadeeld wordt.

Het vijfde lid betreft specifiek het risico van belangenverstrengeling in geval bij de financier betrokkenen investeringen doen door het verstrekken van krediet of risicokapitaal aan de MKB-ondernemer die met garantie is gefinancierd. Bij een dergelijke samenloop kan belangenverstrengeling aan de orde zijn, reden om te vergen dat die parallelle financieringen passen in een redelijk financieringsbeleid.

Ingevolge het zesde lid vergt een wijziging van het aflossingsschema die lagere aflossingen of een temporisering behelst, in beginsel de toestemming van de Staat. Op deze wijze kan worden getoetst of de beoogde aanpassing niet strijdig is met het belang van de ondernemer of met het (financiële) belang van de Staat. Het toestemmingsvereiste geldt niet voor zover de wijziging voortvloeit uit de eerste opschorting van aflossingen gedurende ten hoogste een jaar. Voor dergelijke wijzigingen met relatief beperkte gevolgen volstaat dat de Staat hierover wordt geïnformeerd overeenkomstig artikel 7, tweede lid.

Het zevende lid bevat de concrete criteria voor het verlenen van toestemming. Duidelijk moet zijn dat de opschorting noodzakelijk is vanwege liquiditeitsproblemen van de MKB-ondernemer (onderdeel a). Verder moeten voor de oplossing daarvan maatregelen worden genomen, waarbij ook het belang van de ondernemer op de langere termijn moet worden betrokken (onderdeel b). Het criterium van onderdeel c tenslotte betreft het belang van de Staat als garantsteller en beoogt in het bijzonder te voorkomen dat de aflossing van een gegarandeerde lening wordt opgeschort terwijl op andere leningen wel afgelost wordt. Op die wijze zou de financier zijn risico’s op de Staat kunnen afwentelen. Bij de noodzaak van evenwichtige aanwending van beschikbare middelen dient rekening te worden gehouden met de aard van de desbetreffende leningen. In het bijzonder kan een achterstellingsclausule reden zijn voor een niet evenredige aanwending van middelen voor aflossingen.

Artikel 6 (Financiële verplichtingen)

Onder omstandigheden kan de zesjaarstermijn averechts uitwerken, bijvoorbeeld indien de MKB-ondernemer in financieel zwaar weer is geraakt. Handhaving van de premieplicht zou dan de financier ertoe kunnen brengen faillissement van de ondernemer aan te vragen. Alsdan kan de premie op grond van het vijfde lid worden kwijtgescholden. Hiertoe dient de kapitaalverstrekker een beargumenteerd en gedocumenteerd verzoek te doen aan de Staat.

Artikel 7 (Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen)

In dit artikel zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de administratie en de informatieverstrekking van de financier aan het ministerie. Onder omstandigheden kan het ministerie nader inzicht willen hebben in de samenhang tussen de gegarandeerde en de andere financieringen die door de financier aan een MKB-ondernemer zijn verstrekt en in de gang van zaken bij de gefinancierde MKB-ondernemers. Het vierde lid verplicht de financier alsdan de desbetreffende informatie te verschaffen.

Artikel 8 (Reikwijdte garantie)

Dit artikel bevat regels omtrent het inroepen van de garantie. In het eerste lid is bepaald op welke situaties de garantie betrekking heeft.

Het tweede tot en met het zesde lid bevatten nadere voorwaarden voor het inroepen van de garantstelling om te voorkomen dat de garantie wordt gebruikt om onnodige verliezen af te wentelen. Het tweede lid betreft de situatie dat middelen aan de onderneming zijn onttrokken zonder dat dit een bedrijfsmatige reden heeft. Het kan bijvoorbeeld gaan om uitzonderlijk hoge management- of commissariskosten. Niet altijd is de financier op de hoogte van dergelijke kapitaalonttrekkingen of is de financier in staat deze te voorkomen. Om die reden is in de voorwaarde vermeld dat de financier op enigerlei wijze aan de onttrekking moet hebben meegewerkt. Het is in een voorkomend geval aan de financier om aan te tonen dat hij niet op de hoogte was en redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van de onttrekking, dan wel dat heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om de onttrekking te voorkomen.

Voor het geval van verliesgevende verkoop van aandelenkapitaal gelden extra voorwaarden om te voorkomen dat hierbij de belangen van de Staat tekort wordt gedaan. Een vervreemding binnen twee jaar is niet gebruikelijk en bergt het risico in zich dat de participatie ten koste van de MKB-ondernemer wordt vervreemd. Verder moet ook voorkomen worden dat bij de vervreemding sprake is van een oneigenlijke belangenvermenging van de financier, beheerder en aandeelhouders of vennoten. In verband hiermee is in het tweede lid bepaald dat de vervreemding moet plaatsvinden tegen een prijs die past in het voeren van een actief en winstgericht beleid. Indien vervreemding plaats vindt aan betrokkenen bij de financier, kan de kans op belangenverstrengeling op voorhand aanwezig worden geacht. In dat geval worden aanvullende eisen gesteld om te voorkomen dat de prijsstelling op oneigenlijke wijze plaats vindt.

In het vierde lid worden nadere voorwaarden gesteld aan verliesdeclaraties vanwege kwijtschelding van achtergestelde leningen. Een financier kan verlies lijden op risicokapitaal als de desbetreffende ondernemer financieel in de problemen komt. Als een ondernemer failliet dreigt te gaan, kan de financier proberen dat te voorkomen door aanpassing van de financieringsvoorwaarden, bijvoorbeeld door een gedeeltelijke of gehele kwijtschelding van een achtergestelde lening. Op die wijze kan de overlevingskans van de onderneming worden vergroot, hetgeen ook in het belang is van de financier. Tegelijkertijd lijdt deze een verlies als gevolg van de kwijtschelding. Om die reden omvat de garantie van dit instrument ook deze vorm van verlies. Voorwaarde is dat de kwijtschelding noodzakelijk moet zijn – het moet gaan om een onontkoombaar verlies. Verder is van belang dat met het belang van de Staat rekening is gehouden en wordt gehouden, onder meer door een evenwichtige aanwending van eventuele baten. De liquiditeitsproblemen dienen niet eenzijdig op de gegarandeerde achtergestelde lening worden afgewenteld, ten voordele van andere financieringen aan de MKB-ondernemer. Dit betekent onder meer dat indien een financier twee achtergestelde leningen aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt waarvan één onder de garantstelling is gebracht, de aflossingen naar rato aan beide leningen ten goede dienen te komen. Bij een combinatie van een gegarandeerde achtergestelde lening en een andere, niet achtergestelde lening kan ook een beperkter aflossing op de achtergestelde lening aanvaardbaar zijn.

Een enigszins vergelijkbare situatie doet zich voor indien de MKB-ondernemer niet in staat is aflossingen te doen – terwijl er geen reden is over te gaan tot kwijtschelding van de lening.

Dan lijdt de financier de facto een verlies. Van belang is of de aflossingen binnen een afzienbare termijn kunnen worden hervat of dat de financiële problemen van de ondernemer een structureel karakter dragen. Om die reden is het niet afgeloste deel van de lening eerst declarabel onder de garantie indien gebleken is dat de ondernemer feitelijk niet aan zijn aflossingsverplichtingen kan voldoen – ongeacht of aflossingen zijn opgeschort in overeenstemming met de financier – en indien naar verwachting ook in de nabije toekomst geen aflossingen zullen worden gedaan. Voorts geldt hier de hiervoor reeds besproken voorwaarde dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller.

In het zesde lid worden nadere voorwaarden geformuleerd voor verliesdeclaraties bij faillissement, surséance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling. Ten eerste is van belang dat aannemelijk kan worden gemaakt dat ter zijner tijd daadwerkelijk een verlies zal worden geleden. Ten tweede geldt ook hier de voorwaarde dat rekening is gehouden met het belang van de Staat als garantsteller. Anders dan in de hiervoor besproken situaties geldt deze voorwaarde niet voor de toekomst omdat het faillissementsrecht daarvoor een eigen kader biedt. Dat kent de nodige waarborgen voor een evenwichtige afwikkeling van financieringsrelaties.

Op grond van het zevende lid hoeft uitbetaling op een verlies niet of niet geheel plaats te vinden indien de financier niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Bij de toepassing van deze bepaling wordt rekening gehouden met de aard van het verzuim. Een (gedeeltelijke) uitbetaling ligt bijvoorbeeld niet in de rede als de financier stelselmatig in gebreke is gebleven bij de betaling van de provisie. Het inroepen van deze clausule, althans een volledige strafkorting, ligt veel minder voor de hand indien het verzuim zich beperkt tot bijvoorbeeld het niet tijdig voldoen aan de in artikel 7, tweede en derde lid, bedoelde informatieverplichtingen. De in artikel 5, eerste tot en met vijfde lid, opgenomen verplichtingen hebben kort gezegd betrekking op een gezonde bedrijfvoering. Eerst bij wezenlijke misstanden zal er reden zijn niet tot een (volledige) uitbetaling over te gaan omdat alsdan niet valt uit te sluiten dat het verlies geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door de gebrekkige bedrijfsvoering. Een gezonde bedrijfsvoering veronderstelt dat ten aanzien van verstrekt risicokapitaal de noodzakelijke beheersmaatregelen worden getroffen. Om die reden is tevens bepaald dat de financier dit zonodig moet kunnen aantonen. Krachtens artikel 5 van de overeenkomst is de financier onder meer verplicht het risicokapitaal actief en winstgericht te beheren en zorg te dragen voor de deskundigheid van de betrokkenen. Bijgevolg geldt als maatstaf dat die maatregelen zijn getroffen die een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder in het kader van een actief en winstgericht beleid zou hebben getroffen.

Ingevolge het achtste lid bedraagt het voor de garantie relevante verlies het verschil tussen de feitelijke waarde en de restwaarde die uiteindelijk is verkregen. Daarnaast gelden de dividendinkomsten als aftrekpost voor aandelenkapitaal. Op deze wijze wordt voorkomen dat de financier inkomsten genereert die impliciet later voor 50% ten koste van de garantsteller komen.

In geval van verscheidene financieringen kan onduidelijkheid bestaan over de omvang van het verlies. Indien bijvoorbeeld meermalen met garantie aandelenkapitaal is verschaft waarop gedeeltelijk verlies wordt geleden, is op grond van het negende lid de waarde van het eerst verkregen aandelenkapitaal bepalend voor de berekening van het verlies. Het tiende lid betreft de situatie waarin niet alle verstrekkingen van risicokapitaal onder de garantstelling zijn gebracht. Indien bijvoorbeeld 60% van de financieringen gegarandeerd was, zal bij verlies op een deel van het risicokapitaal voor slechts 60% van dat verlies een beroep op de garantie kunnen worden gedaan.

Artikel 9 (Inroepen van garantie)

Dit artikel betreft de procedure voor het inroepen van de garantie.

Artikel 11 (Terugvordering en navordering)

Bij afschrijving van een achtergestelde lening is niet sprake van een definitief verlies. Het is mogelijk dat naderhand alsnog een aflossing op de lening plaatsvindt. Het tweede lid van artikel 12 verplicht de financier in deze gevallen alsdan de helft van deze aflossingen aan de Staat te betalen. Bij faillissement e.d. is nog niet sprake van een daadwerkelijk verlies, althans het verlies staat nog niet definitief vast. Indien de financier ontvangsten heeft uit het akkoord of uit de liquidatie-uitkering, dienen deze eveneens voor 50% te worden doorbetaald aan de Staat.

Artikel 12 (Geschillen)

Zonodig kan de overeenkomst door de Staat worden opgezegd op de in het eerste lid genoemde gronden. Op grond van onderdeel a kan opzegging plaatsvinden indien de financier zijn verplichtingen niet nakomt. Daarnaast is opzegging door de Staat mogelijk indien de status van de financier is gewijzigd, hetzij indien faillissement of een vergelijkbare voorziening is aangevraagd, hetzij bij ontbinding van de rechtspersoon van de financier. Tenslotte kan de Staat de overeenkomst opzeggen indien deze als gevolg van Europeesrechtelijke ontwikkelingen niet langer in overeenstemming zou zijn met de regels van de Europese Gemeenschap ten aanzien van staatsteun.

Voor zover deze opzeggingsgronden verband houden of verband kunnen houden met een tekortkoming die hersteld kan worden, dient op grond van het tweede lid de Staat daarvoor de gelegenheid te bieden.

Het ligt in de rede dat de partijen bij opzegging van de overeenkomst in onderhandeling treden en in een vaststellingsovereenkomst regelen hoe de garantstellingsovereenkomst dient te worden afgewikkeld. Afhankelijk van de omstandigheden kan bijvoorbeeld worden afgesproken dat lopende garantieverplichtingen niet worden aangetast door een opzegging van de overeenkomst, onder gelijktijdige afkoop van de nog niet betaalde premies. Indien de overeenkomst wordt opgezegd in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen, is het in elk geval wenselijk de lopende garanties te ontzien. Daarom is in het derde lid bepaald dat alsdan de verplichtingen ingevolge bestaande garanties onverlet blijven.

BIJLAGE 3.2. MODEL GARANTSTELLINGSOVEREENKOMST TEN AANZIEN VAN NIET CONVERTEERBARE ACHTERGESTELDE LENINGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 3.7, TWEEDE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN

Model garantstellingsovereenkomst ten aanzien van niet converteerbare achtergestelde leningen

Overeenkomst tussen:

  • 1. De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat,

    vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken;

  • 2. ...., hierna te noemen financier;

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Definitiebepalingen

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. minister:

de Minister van Economische Zaken;

b. kapitaalvennootschap:
  • 1°. een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerste Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB EG L 65), of

  • 2°. een kapitaalvennootschap die is ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld in Richtlijn 68/151/EEG van de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden te beschermen;

c. MKB-ondernemer:

een ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt;

d. kleine onderneming:

kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

e. middelgrote onderneming:

een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214);

f. participatiemaatschappij:

een vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens haar statuten of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan ondernemers teneinde winst te behalen, met uitzondering van startersfondsen als bedoeld in artikel 4.1 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen;

g. bank:

een een kredietinstelling die voldoet aan de omschrijving van bank als vermeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en die bevoegd is in een lidstaat van de Europese Unie het bedrijf van bank uit te oefenen;

h. financier:

een bank of een participatiemaatschappij of een andere, door de minister aangewezen instelling;

i. achtergestelde lening:
  • 1°. een lening van geld door een financier aan een MKB-ondernemer met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten,

    • welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer op persoonlijke titel heeft gegeven,

    • waarop de MKB-ondernemer krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders in de onderneming van de MKB-ondernemer, en

    • ten aanzien waarvan de financier in de vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; of

  • 2°. een lening van geld door een financier aan een MKB-ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een dochtermaatschappij in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met het oog op financiering door deze ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij,

    • welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de onderneming van de MKB-ondernemer en van een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij,

    • en ten aanzien waarvan de financier in de akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen;

j. waarde van een achtergestelde lening:

het nog niet afgeloste deel van de lening;

k. aandelenkapitaal:

aandelen in het kapitaal van een onderneming van de MKB-ondernemer, die de financier rechtstreeks van de MKB-ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening;

l. waarde van aandelenkapitaal:

het bedrag in geld dat de financier bij de volstorting van de aandelen heeft betaald dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de financier;

m. risicokapitaal:

kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of een achtergestelde lening;

n. reserveringsquotum:

het bedrag dat de minister op aanvraag van een financier vaststelt als maximum voor de som van de garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die:

  • 1°. gedurende drie jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft;

  • 2°. gedurende twee jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien reeds eerder een reservingsquotum is toegekend.

o. groep:

een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van, of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

  • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.

Artikel 2 Garantstelling

  • 1. De Staat stelt zich tegenover de financier garant voor 50% van de waarde van door de financier verstrekte niet converteerbare achtergestelde leningen, voor welke garantstelling de financier een provisie is verschuldigd.

  • 2. De garantie wordt verleend voor de duur van deze leningen met een maximum van twaalf jaar.

  • 3. De garantstelling heeft alleen betrekking op leningen

    • a. die worden verstrekt nadat de minister desgevraagd een reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum nog toereikend en geldig is;

    • b. die worden verstrekt overeenkomstig de in artikel 3 genoemde voorwaarden;

    • c. die onder de garantstelling zijn gebracht overeenkomstig de procedure van artikel 4.

  • 4. Indien de financier bij de verstrekking van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, is deze overeenkomst slechts van toepassing op het gedeelte van de lening dat onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 3 Randvoorwaarden risicokapitaal

Een niet converteerbare achtergestelde lening aan een MKB-ondernemer kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. blijkens de geringe rentabiliteit is de continuïteit van de onderneming van de MKB-ondernemer voor de korte of middellange termijn niet in het geding;

  • b. in de voorafgaande periode van twaalf maanden zijn niet meer middelen ten behoeve van derden aan de onderneming onttrokken dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering en evenmin is een verplichting tot een zodanige onttrekking aangegaan;

  • c. de verstrekking van de lening dient niet ter vervanging van eerder aan de MKB-ondernemer verschaft krediet of risicokapitaal;

  • d. de waarde van de lening die aan de MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een andere financier met toepassing van hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen, en van risicokapitaal dat met toepassing van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen aan de MKB-ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan € 5.000.000;

  • e. bij of in verband met het verstrekken van de lening verstrekt de financier geen andere goederen dan geld;

  • f. de lening draagt zelfstandig bij aan het realiseren van een actief en winstgericht beleid van de financier;

  • g. de MKB-ondernemer verplicht zich aan een door de minister als toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht aangewezen persoon of aan een door de minister aangewezen deskundige derde, voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk acht voor de vervulling van zijn taak:

    • 1°. inlichtingen te verstrekken en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken en de gelegenheid te bieden daarvan kopieën te maken;

    • 2°. toegang te verlenen tot plaatsen niet zijnde woningen;

    • 3°. anderszins binnen de door hem gestelde termijn alle door hem gewenste medewerking te verlenen.

Artikel 4 Aanmelding en toetsing

  • 1. De financier stelt de Staat in kennis van een voorgenomen verstrekking van een lening met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de ontwerp-leningsovereenkomst en van andere bescheiden als genoemd in het model.

  • 2. Indien de verstrekking van de lening naar het oordeel van de Staat voldoet aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden, geldt de garantstelling op grond van deze overeenkomst voor deze lening. De Staat bericht hierover de financier binnen twee weken na ontvangst van de aanmelding onder vermelding van de omvang en duur van de garantie.

  • 3. De garantie wordt afgegeven onder de opschortende voorwaarde dat een dienovereenkomstige, door partijen gesloten overeenkomst aan de Staat wordt overgelegd en dat ook dan wordt voldaan aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden. De Staat bericht hierover de financier binnen twee weken na ontvangst van de gesloten overeenkomst onder vermelding van de omvang en duur van de garantie.

Artikel 5 Verplichtingen beheer

  • 1. De financier draagt er voor zorg dat een actief en winstgericht beleid wordt gevoerd voor het verstrekken, beheren en vervreemden van leningen, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller.

  • 2. De financier draagt er voor zorg dat degenen die met het verstrekken, beheren of vervreemden van leningen zijn belast beschikken over de nodige deskundigheid.

  • 3. De financier staat er voor in dat degenen die zijn belast met het verstrekken, beheren of vervreemden van leningen en met de bepaling van en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar zijn.

  • 4. De financier draagt zorg voor een integere bedrijfsvoering en neemt in dat verband de noodzakelijke maatregelen om onder meer strafbare handelingen, verstrengeling van tegenstrijdige belangen en afhankelijkheid van de financier van bepaalde vennoten, aandeelhouders of andere betrokkenen te voorkomen.

  • 5. De financier staat er voor in dat aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders en beheerders van de financier en andere zijdens de financier betrokkenen alleen medewerking verlenen aan verstrekkingen van risicokapitaal en krediet door een ander dan de financier aan een onderneming waaraan de financier een gegarandeerde lening heeft verstrekt, indien een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder deze verstrekkingen zou hebben gedaan in het kader van een actief en winstgericht beleid.

  • 6. De financier komt met een MKB-ondernemer aan wie een gegarandeerde lening is verstrekt slechts een wijziging van het aflossingsschema overeen na voorafgaande toestemming van de Staat, tenzij deze betrekking heeft op een versnelde aflossing of op een gehele of gedeeltelijke opschorting van de aflossingen gedurende ten hoogste vier aaneengesloten kwartalen die niet is voorafgegaan door een eerdere opschorting van de aflossingen.

  • 7. De Staat verleent de in het zesde lid bedoelde toestemming indien aannemelijk is dat:

    • a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan het bestaande aflossingsschema;

    • b. adequate maatregelen worden genomen ter verbetering van de liquiditeit van de onderneming en rekening houdend met het belang van rentabiliteit en continuïteit van de onderneming;

    • c. rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.

Artikel 6 Financiële verplichtingen

  • 1. De financier aan wie de minister een reserveringsquotum heeft toegekend, is hiervoor aan de Staat een eenmalige provisie van 1% van dit quotum verschuldigd.

  • 2. De financier is een provisie verschuldigd voor de garantie op leningen die overeenkomstig de procedure van artikel 4 onder de garantstelling zijn gebracht. De provisie bedraagt jaarlijks

    • a. 2,5% van de gegarandeerde waarde van de lening indien deze bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde MKB-ondernemer door de financier of een andere financier die deel uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal;

    • b. 3% van de gegarandeerde waarde van de lening in andere gevallen.

  • 3. Per kwartaal wordt een vierde deel van de in het tweede lid bedoelde provisie in rekening gebracht, uitgaand van de waarde van de leningen op de eerste dag van het kwartaal.

  • 4. De in het tweede lid bedoelde provisie is verschuldigd voor de duur van de garantie of zoveel korter als zich één van de in artikel 8, eerste lid, genoemde omstandigheden voordoet.

  • 5. De financier is op het tijdstip van de volledige aflossing van de lening een aanvullende provisie verschuldigd indien de op grond van het tweede lid voor de totale looptijd van de lening verschuldigde provisie minder bedraagt dan het zesvoud van de provisie die met toepassing van het tweede lid voor de helft van het geleende bedrag kan worden berekend, welke aanvullende provisie gelijk is aan het hiervoor bedoelde verschil.

  • 6. Indien de lening binnen een termijn van zes jaar wordt afgestoten om verlies op die lening in de zin van artikel 8, eerste lid, te beperken, kan de minister op verzoek van de financier de over de resterende termijn verschuldigde provisie kwijtschelden indien sprake is van klemmende redenen, gelegen in het belang van de onderneming van de MKB-ondernemer.

Artikel 7 Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen

  • 1. De financier draagt er voor zorg dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde leningen en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde MKB-ondernemer heeft verstrekt.

  • 2. De financier informeert de Staat binnen acht weken nadat de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden schriftelijk over wezenlijke wijzigingen in het financieringsbeleid of de organisatie van de financier en over wijzigingen ten aanzien van gegarandeerde leningen, waaronder

    • a. een aflossing van een achtergestelde lening, tenzij deze aflossing overeenkomt met een aflossingsschema waarover de Staat eerder is geïnformeerd;

    • b. een wijziging van de looptijd van een achtergestelde lening.

  • 3. De financier verstrekt de Staat jaarlijks zijn jaarverslag.

  • 4. Desgevraagd verstrekt de financier de Staat gegevens en bescheiden over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde leningen en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde MKB-ondernemer heeft verstrekt, en de jaarrekeningen van de ondernemingen waaraan risicokapitaal is verstrekt, vergezeld van desbetreffende accountantsverklaringen als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een mededeling waarom deze ontbreekt, en van de bijbehorende toelichtingen voor het bestuur van de onderneming. .

  • 5. De financier doet onverwijld mededeling aan de Staat van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing te verklaren.

Artikel 8 Reikwijdte garantie

  • 1. De financier kan een beroep doen op de garantie indien hij op een gegarandeerde lening verlies lijdt:

    • a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van de lening;

    • b. door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de lening door de financier;

    • c. door het onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te lossen;

    • d. als gevolg van een faillietverklaring, een surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de lening is verstrekt;

    • e. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, bij een in kracht van gewijsde gegane homologatie van een akkoord na de faillietverklaring, na de verlening van surséance van betaling of na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de MKB-ondernemer waaraan de lening is verstrekt;

    • f. indien de MKB-ondernemer een rechtspersoon is, bij ontbinding van de rechtspersoon.

  • 2. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de MKB-onderneming zijn onttrokken ten behoeve van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering, dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan, mits de financier hieraan op enigerlei wijze medewerking heeft verleend.

  • 3. Bij verlies ingevolge vervreemding van een lening geldt de garantie alleen indien de vervreemding:

    • a. niet eerder dan twee jaar na de verstrekking ervan heeft plaatsgevonden, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen deze termijn heeft ingestemd;

    • b. gebeurt tegen een prijs die past in het voeren van een actief en winstgericht beleid;

    • c. voor zover de financier daarbij de lening geheel of voor een deel overdraagt aan één van zijn aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen, gebeurt tegen een prijs die is gebaseerd op een taxatie van twee onafhankelijke deskundigen, dan wel gepaard gaat met vervreemding van ten minste een derde deel van de lening aan onafhankelijke derden.

  • 4. Bij verlies ingevolge gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een lening geldt de garantie alleen indien de kwijtschelding noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.

  • 5. Als onvermogen van de MKB-ondernemer om de lening af te lossen, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt aangemerkt de situatie waarin

    • a. de MKB-ondernemer niet in staat is te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen;

    • b. aannemelijk is dat de MKB-ondernemer in de eerstvolgende jaren niet in staat zal zijn te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen; en

    • c. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de MKB-ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.

  • 6. Verlies als gevolg van faillietverklaring, een verlening van surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, wordt aanwezig geacht

    • a. voor zover aannemelijk is dat de financier bij het einde van het faillissement, van de surséance onderscheidenlijk van de toepassing van de schuldsaneringsregeling een verlies als bedoeld in het achtste lid zal leiden;

    • b. mits aannemelijk is dat rekening is gehouden met het belang van de Staat als garantsteller.

  • 7. De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien de financier tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van deze overeenkomst of indien de financier niet kan aantonen die maatregelen te hebben genomen die een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder zou hebben genomen in het kader van een actief en winstgericht beleid.

  • 8. Het verlies wordt berekend op basis van de waarde van de lening of, indien het verlies slechts op een deel van de lening is geleden, het hiermee overeenkomende deel van die waarde, in een voorkomend geval verminderd met:

    • a. in geval van vervreemding: de prijs waarvoor die vervreemding heeft plaatsgevonden;

    • b. in geval van ontbinding: de liquidatie-uitkering; of

    • c. in geval van homologatie van een akkoord als bedoeld in het eerste lid, onder e, de in het kader van het akkoord voor de lening verrichte uitkering.

  • 9. Indien de financier meermalen gegarandeerde leningen aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt en slechts op een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden op de lening dat de financier het eerst heeft verstrekt.

  • 10. Indien de financier aan een MKB-ondernemer leningen heeft verstrekt die slechts ten dele onder de garantstelling zijn gebracht en slechts op een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies, onverminderd het zesde lid, naar rato toegerekend aan de leningen die onder de garantstelling zijn gebracht.

Artikel 9 Inroepen van garantie en toetsing

  • 1. De financier verzoekt de Staat binnen zes maanden nadat zich de in artikel 8, eerste lid, bedoelde situatie heeft voorgedaan om betaling op grond van de garantie met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de vervreemdingsovereenkomst, de inschrijving in het register van de ontbinding van de rechtspersoon of van de in artikel 8, eerste lid, onder c, bedoelde akkoorden en van andere bescheiden als genoemd in het model.

  • 2. Indien naar het oordeel van de Staat sprake is van een verlies als bedoeld in artikel 8, maakt de financier aanspraak op betaling van 50% van het geleden verlies, tenzij de financier in gebreke is gebleven bij de naleving van deze overeenkomst.. De Staat bericht hierover de financier binnen dertien weken na ontvangst van het betalingsverzoek onder vermelding van het te betalen bedrag.

Artikel 10 Betalingen

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de financier geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer PM PMxxxxx bij de ---financier, ten name van SenterNovem, onder vermelding van het PM PM---nummer

Artikel 11 Terugvordering en navordering

  • 1. Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra blijkt dat de financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat de Staat op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft.

  • 2. Indien vanwege een verlies als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c of d, een uitkering op grond van de garantie heeft plaatsgevonden, is de financier verplicht 50% van de aflossingen die na de uitkering worden verricht, uit te betalen aan de Staat.

Artikel 12 Opzegging

  • 1. De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen indien

    • a. de financier tekort schiet bij de nakoming van één van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst;

    • b. ten aanzien van de financier een verzoek bij de rechtbank is ingediend tot verlening van surseance van betaling, een verzoek tot faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of een buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden;

    • c. de financier, in geval deze rechtspersoonlijkheid heeft, is ontbonden;

    • d. de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen niet langer verenigbaar zijn met de regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun.

  • 2. Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a, geschiedt uitsluitend nadat de Staat de financier op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een redelijke termijn.

  • 3. Een opzegging in verband met de in het eerste lid, onder d, bedoelde omstandigheid heeft geen gevolgen voor de verplichtingen ten aanzien van verstrekkingen van risicokapitaal die voor het tijdstip van de opzegging onder de garantstelling zijn gebracht.

Artikel 13 Geschillen

  • 1. Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement Den Haag.

  • 2. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

Artikel 14 Adressering schriftelijke stukken

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder

  • 1 gemelde partij worden gericht aan

    Ministerie van Economische Zaken,

    SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder

  • 2 gemelde partij worden gericht aan

    .....

Artikel 15 Inwerkingtreding

Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.

........., ten deze vertegenwoordigd door

  • 1. ...

  • 2. ...

Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag

BIJLAGE 4.2 MODEL GELDLENINGSOVEREENKOMST ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 4.13, TWEEDE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN

Overeenkomst tussen:

  • 1. De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat,

    vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken;

  • 2. ...., hierna te noemen startersfonds;

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. minister:

de Minister van Economische Zaken;

b. kapitaalvennootschap:
  • 1°. een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerste Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB EG L 65), of

  • 2°. een kapitaalvennootschap die ten tijde van de eerste verstrekking van risicodragend kapitaal op grond van deze regeling is ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld in Richtlijn 68/151/EEG van de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden te beschermen;

c. technostarter:

een rechtspersoon die een onderneming drijft:

  • 1°. die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie;

  • 2°. die ten hoogste vijf jaar geleden is ingeschreven in het handelsregister;

  • 3°. die ten tijde van de eerste verstrekking van risicodragend kapitaal op grond van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen voldoet aan de definitie van middelgrote, kleine of micro-ondernemingen;

d. technostartervennootschap:

een technostarter die

  • 1°. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap, en

  • 2°. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert,

behoudens voor zover de onderneming behoort tot de economische sectoren van landbouw, visserij, aquacultuur of scheepsbouw of tot de EGKS-sectoren;

e. achtergestelde vordering:

een vordering van het startersfonds ten laste van een technostartervennootschap

  • 1°. die het startersfonds heeft verkregen door aan de technostartervennootschap geld ter leen te verstrekken,

  • 2°. die niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, en

  • 3°. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surséance van betaling of een akkoord in faillissement van de debiteur, eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van de schulden die voortvloeien uit leningen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling is verbonden,

  • 4°. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing;

f. groep:

een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1°. een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die direct of indirect:

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

    • volledig aansprakelijk vennoot is van of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

  • 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

g. participatie:

risicodragend kapitaal in de vorm van

  • 1°. aandelen in het kapitaal van een technostartervennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartervennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde vordering; of

  • 2°. aandelen in het kapitaal van een technostartervennootschap als bedoeld onder 1° in combinatie met een achtergestelde vordering;

h. verkrijgingsprijs van een participatie:

het bedrag in geld waarvoor het startersfonds de participatie heeft verkregen;

i. fondsplan:

een plan van het startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartervennootschappen;

j. investeringsperiode:

de periode gedurende welke het startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van participaties;

k. investeringsbudget:

de financiële middelen die het startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingsprijs van participaties te voldoen;

l. inkomsten:

alle op geld waardeerbare voordelen die het startersfonds heeft uit de participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de desbetreffende technostartervennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering;

m. beheerskosten:

alle kosten die het startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartervennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingsprijs van de participaties;

n. fondspartij:

een aandeelhouder of hoofdelijk aansprakelijk vennoot van het startersfonds;

o. eigen bijdrage:

de geldelijke middelen die door de fondspartijen in het investeringsfonds zijn ingebracht en die daadwerkelijk zijn gebruikt voor het verkrijgen van participaties;

p. referentierente:

de referentierentevoet, bedoeld in de Mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld(PbEG 1997, C 273), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met 4%.

Artikel 2 Verstrekking lening

  • 1. De Staat verstrekt het startersfonds voor het verkrijgen van participaties een renteloze geldlening tot een bedrag van €..........., ...., met een looptijd van .... jaar, gegeven een investeringsbudget van €..........., .....

  • 2. De Staat kan de in het eerste lid genoemde termijn op verzoek van het startersfonds verlengen indien daarvoor zwaarwegende economische redenen zijn.

  • 3. Het startersfonds kan bedragen in contanten opnemen, telkens indien het startersfonds een betaling verricht ter verkrijging van een participatie, voor zover het totaal van de opgenomen bedragen niet hoger is dan het maximale bedrag van de geldlening.

  • 4. Telkens indien het startersfonds inkomsten heeft verkregen uit een participatie boekt het een deel van deze inkomsten over aan de Staat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.

  • 5. Het startersfonds is niet gehouden de uitstaande hoofdsom af te lossen, anders dan door de overboekingen bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3 Opname van de lening

  • 1. Indien het startersfonds een participatie heeft verkregen na de indiening van de aanvraag om subsidie op grond van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en over gaat of over is gegaan tot betaling aan de technostartervennootschap van de verkrijgingsprijs of van een deel daarvan, verricht de Staat op verzoek van het fonds een betaling aan het fonds ter hoogte van dat bedrag vermenigvuldigd met het percentage dat het maximale bedrag van de geldlening vormt van het investeringsbudget, met dien verstande dat de middelen die door een startersfonds per half jaar aan een technostartervennootschap worden verstrekt ten hoogste € 500.000 bedragen.

  • 2. Het startersfonds doet het verzoek om betaling met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage 1 bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van de overeenkomst tot verkrijging van de participatie en van andere bescheiden als genoemd in het model.

  • 3. De Staat verricht de betaling binnen twee weken na ontvangst van het verzoek om betaling, tenzij hij van oordeel is dat het startersfonds niet heeft voldaan aan de ingevolge deze overeenkomst voor hem geldende verplichtingen, dan wel indien het startersfonds failliet is verklaard of aan het fonds surséance van betaling is verleend of ten aanzien van fonds de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

  • 4. De Staat bericht het startersfonds na afloop van de investeringsperiode wat het totale bedrag is dat op grond van deze overeenkomst is opgenomen.

Artikel 4 Overboeking van inkomsten uit participaties

  • 1. Indien het startersfonds inkomsten heeft uit een participatie, wordt daarvan een deel binnen een maand overgeboekt aan de Staat.

  • 2. Het deel van de inkomsten dat aan de Staat wordt overgeboekt verschilt al naar gelang de inkomsten worden ontvangen in één van de volgende perioden:

    • a. periode A: vanaf het totstandkomen van deze overeenkomst tot het tijdstip waarop het totaal van de door het startersfonds uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdrage voor de verkregen participaties;

    • b. periode B: vanaf het onder a bedoelde tijdstip tot het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de leningsovereenkomst opgenomen bedrag;

    • c. periode C: vanaf het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de leningsovereenkomst opgenomen bedrag.

  • 3. Het deel van de inkomsten dat aan de Staat wordt overgeboekt is

    • a. in periode A: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat;

    • b. in periode B: 50 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat;

    • c. in periode C: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat.

  • 4. Telkens indien het startersfonds een bedrag overboekt aan de Staat, informeert het de Staat over de aard van de inkomsten met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model, dat als bijlage 2 bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van bescheiden als genoemd in het model, waaronder in geval van inkomsten uit vervreemding van de participatie de overeenkomst tot vervreemding van de participatie.

  • 5. Indien het startersfonds inkomsten heeft uit een participatie die niet bestaan uit een geldsom, maakt het deze inkomsten te gelde voor het verloop van de in artikel 2, eerste lid, genoemde termijn.

  • 6. Zodra de in het vijfde lid bedoelde inkomsten te gelde zijn gemaakt, boekt het startersfonds het in overeenstemming met het derde lid bepaalde deel van deze gelden over aan de Staat.

  • 7. Op verzoek van de Staat verstrekt het startersfonds een accountantsverklaring dat het startersfonds bij de verkrijging, het bezit of de vervreemding van de participatie waaruit inkomsten aan de Staat zijn overgeboekt, in overeenstemming met deze overeenkomst heeft gehandeld.

Artikel 5 Verkrijging van participaties

  • 1. Het startersfonds hanteert bij het verkrijgen van participaties in technostartervennootschappen de volgende voorwaarden:

    • a. de participaties worden verkregen gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze worden uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemd;

    • b. de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in één technostartervennootschap worden verkregen, bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 2.500.000;

    • c. de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een startersfonds gedurende de investeringsperiode per technostartervennootschap verkrijgt, bedraagt over alle technostartervennootschappen genomen ten hoogste € 800.000;

    • d. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen wordt zodanig beperkt dat ten hoogste 35% van het totaal van de verkrijgingsprijzen van de participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen;

    • e. voor achtergestelde vorderingen wordt een rente bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;

    • f. de participaties worden verkregen in technostartervennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;

    • g. bij de beslissing van het startersfonds inzake de verkrijging van een participatie wordt rekening gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartervennootschap.

  • 2. Bij of in verband met het verkrijgen van een participatie verstrekt het startersfonds geen andere goederen dan geld.

  • 3. Het startersfonds verkrijgt geen participatie in een technostartervennootschap indien in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de technostartervennootschap zijn onttrokken ten behoeve van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering, dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan.

  • 4. Het startersfonds verkrijgt geen participatie in een technostartervennootschap indien een ander investeringsfonds in deze vennootschap reeds een participatie heeft, behoudens

    • a. indien dit investeringsfonds een ander startersfonds is en voor zover als gevolg van de nieuwe participatie het in het eerste lid, onder b, bedoelde maximum niet wordt overschreden;

    • b. indien dit investeringsfonds

      • 1°. de vorm heeft van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de andere lidstaten van de Europese Unie;

      • 2°. blijkens de akte waarbij de statuten van de vennootschap zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij de vennootschap is aangegaan uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartervennootschappen teneinde winst te behalen; en

      • 3°. naar het oordeel van de minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartervennootschap te verkrijgen,

    voor zover als gevolg van de nieuwe participatie het in het eerste lid, onder b, bedoelde maximum niet wordt overschreden.

  • 5. Het startersfonds verkrijgt of behoudt geen participatie in de vennootschap van een technostarter indien een fondspartij, bestuurder of een beheerder of andere betrokkene bij het startersfonds een bedrijf uitoefent dat gelijk of verwant is aan het bedrijf van de technostarter terwijl tussen beide bedrijven een vaste afnemersrelatie bestaat.

  • 6. Het startersfonds brengt voor het verkrijgen van participaties eigen geldelijke middelen in het investeringsbudget in tot ten hoogste €...........euro.

  • 7. Het startersfonds verricht geen andere activiteiten dan de uitvoering van het fondsplan.

Artikel 6 Vervreemding van participaties

  • 1. Het startersfonds vervreemdt een participatie niet eerder dan twee jaar na de verkrijging ervan, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen deze termijn heeft ingestemd.

  • 2. Het startersfonds draagt ervoor zorg dat vervreemding van een participatie gebeurt tegen een marktconforme prijs.

  • 3. Indien het startersfonds een participatie geheel of voor een deel vervreemdt aan één van zijn fondspartijen, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen, draagt het er voor zorg dat ten minste een derde deel van de participatie wordt vervreemd aan onafhankelijke derden dan wel dat de prijs waartegen de vervreemding plaats vindt, is gebaseerd op een taxatie van twee onafhankelijke deskundigen.

Artikel 7 Fondsbeheer algemeen

  • 1. Het startersfonds voert het fondsplan uit, voert daarbij een actief en winstgericht beleid voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties en begeleidt in dat kader technostartervennootschappen waarin een participaties is verkregen.

  • 2. Het startersfonds hanteert een expliciete gedragslijn om het ontstaan van belangenverstrengeling te voorkomen en neemt ook overigens de in dit verband noodzakelijke maatregelen.

  • 3. Desgewenst kan een door de minister daartoe gemachtigde persoon als toehoorder deelnemen aan overleg van een orgaan van het startersfonds over de uitvoering van het fondsplan.

  • 4. Het startersfonds staat er voor in dat fondspartijen, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen bij een startersfonds geen medewerking verlenen aan investeringen door een ander dan het startersfonds in een technostartervennootschap waarin het startersfonds een participatie heeft verkregen, indien deze investeringen niet tegen marktconforme voorwaarden plaatsvinden.

  • 5. Het startersfonds bedingt van technostarters die in verband met participaties worden geadviseerd of begeleid geen vergoeding voor deze advisering respectievelijk begeleiding die hoger is dan hetgeen in de markt gebruikelijk is.

  • 6. Het startersfonds richt het beheer zodanig in dat de jaarlijkse beheerskosten ten hoogste 5% van het investeringsbudget bedragen.

  • 7. De fondsbeheerder verkrijgt voor zijn werkzaamheden een beloning die afhankelijk is van zijn individuele prestatie.

Artikel 8 Administratie en informatieverstrekking

  • 1. Het startersfonds draagt ervoor zorg dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verkrijging, het beheer en de vervreemding van participaties, over de inkomsten uit deze participaties, over de ondernemingsresultaten van de desbetreffende technostarters en over de kosten van het fondsbeheer.

  • 2. Het startersfonds informeert steeds na afloop van een periode van zes maanden de Staat schriftelijk over de voorstellen voor participaties die in de voorafgaande periode van zes maanden zijn ontvangen van technostartervennootschappen en over de besluitvorming die hierover bij het startersfonds heeft plaatsgevonden.

  • 3. Het startersfonds brengt steeds binnen zes maanden na afloop van een periode van twaalf maanden aan de Staat schriftelijk verslag uit over de uitvoering van het fondsplan, met in het bijzonder een overzicht over de verkregen en de vervreemde participaties, de gerealiseerde verkrijgingsprijzen, de beheerskosten en de inkomsten, welk verslag vergezeld gaat van een accountantsverklaring die is opgesteld overeenkomstig een model dat als bijlage 3 bij deze overeenkomst is gevoegd, en met gebruikmaking van een controleprotocol dat als bijlage 4 bij deze overeenkomst is gevoegd.

  • 4. Desgevraagd verstrekt het startersfonds de Staat gegevens en bescheiden over het beheer van het fonds en de verkregen participaties.

  • 5. Na afloop van de looptijd van deze overeenkomst brengt het startersfonds een eindverslag uit omtrent de uitvoering en de resultaten van het fondsplan.

  • 6. De Staat bericht het startersfonds na afloop van de looptijd van deze overeenkomst of het startersfonds naar zijn oordeel bij het verkrijgen en vervreemden van participaties in overeenstemming met deze overeenkomst heeft gehandeld.

Artikel 9 Status van startersfonds

  • 1. Het startersfonds zal tijdens de looptijd van deze overeenkomst haar statuten of de overeenkomst waarbij zij is aangegaan niet wijzigen dan wel meewerken aan vermindering van haar kapitaal of aan een vermindering van het aantal aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten die niet behoren tot dezelfde groep tot minder dan drie, tenzij de Staat desgevraagd hiermee heeft ingestemd.

  • 2. Het startersfonds doet onverwijld mededeling aan de Staat van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing te verklaren.

Artikel 10 Opzegging

  • 1. De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen indien

    • a. het startersfonds tekort schiet bij de nakoming van één van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst;

    • b. het aantal aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten die niet behoren tot dezelfde groep kleiner is geworden dan drie, behoudens voor zover de Staat desgevraagd hiermee heeft ingestemd;

    • c. ten aanzien van het startersfonds een verzoek bij de rechtbank is ingediend tot verlening van surseance van betaling, een verzoek tot faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of een buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden;

    • d. het startersfonds is ontbonden;

    • e. hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen niet langer verenigbaar is met de regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun.

  • 2. Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a en b, geschiedt uitsluitend nadat de Staat het startersfonds op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een redelijke termijn.

  • 3. Bij een opzegging als bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, kan de Staat van het startersfonds het totale bedrag dat hij overeenkomstig artikel 3 aan het startersfonds heeft betaald, verminderd met het bedrag dat het startersfonds overeenkomstig artikel 5 aan hem heeft overgeboekt, direct opeisen.

Artikel 11 Geschillen

  • 1. Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement Den Haag.

  • 2. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

Artikel 12 Adressering schriftelijke stukken

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder 1 gemelde partij worden gericht aan

Ministerie van Economische Zaken,

TechnoPartner, SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder 2 gemelde partij worden gericht aan

.....

Artikel 13 Betalingen

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door het startersfonds geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer 19.23.24.217 bij de Rabobank, ten name van TechnoPartner/SenterNovem, onder vermelding van het projectnummer

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.

........., ten deze vertegenwoordigd door

  • 1. ...

  • 2. ...

Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag

BIJLAGE 5.1. INSTELLINGEN DIE OP GROND VAN ARTIKEL 5.1 WORDEN AANGEMERKT ALS KENNISINSTELLING

  • a. Instellingen voor hoger onderwijs en academische ziekenhuizen, bedoeld in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • b. Universiteit Nyenrode

  • c. de volgende onderzoeksinstellingen:

    • de NWO-instituten

    • de KNAW-instituten

    • het Nederlands Kanker Instituut

    • het European Science en Technology Centre (ESTeC)

    • de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland

    • de Stichting Grondmechanica Delft

    • de Stichting Maritiem Research Instituut Nederland

    • de Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium

    • de Stichting Waterloopkundig Laboratorium

    • de Stichting Dutch Polymer Institute

    • de Stichting Netherlands Institute for Metals Research

    • Wageningen Center for Food Services

    • de Stichting Telematica-Instituut

    • de Stichting Nederlands Instituut voor Zuivel Onderzoek

    • de Stichting Hout Research te Wageningen

    • de Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO

    • de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek en de onder de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek ressorterende onderzoekorganisaties, waaraan deze stichting direct of indirect 100 procent van het geplaatste kapitaal verschaft.

BIJLAGE 8.1 MODEL OVEREENKOMST VAN BORGTOCHT ALS BEDOELD IN ARTIKEL 30, VIJFDE LID, VAN HET KADERBESLUIT EZ-SUBSIDIES EN ARTIKEL 8.8 VAN DE SUBSIDIEREGELING STARTEN, GROEIEN EN OVERDRAGEN VAN ONDERNEMINGEN

Partijen:

  • 1. De Staat der Nederlanden, (de borg, hierna te noemen: de Staat),

    te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken,

    (hierna te noemen: de Minister);

en

  • 2. (de naamloze vennootschap / de besloten vennootschap / )*......... ......., statutair gevestigd te......... en kantoor houdende te................ aan de ..................nr......, waarvan de gegevens zijn vermeld in het Overzicht,

    te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door ..................................................

    (de schuldeiser, hierna te noemen: de Bank);

    (* doorhalen wat niet van toepassing is, evt. andere rechtsvorm invullen)

in aanmerking nemende dat:

  • a. scheepswerf ............. statutair gevestigd te......... van welke de gegevens zijn vermeld in het Overzicht met inbegrip van de groep waartoe de scheepswerf behoort (de hoofdschuldenaar, hierna te noemen: de Scheepswerf) en opdrachtgever .............. statutair gevestigd te......... van welke de gegevens zijn vermeld in het Overzicht (hierna te noemen: de Opdrachtgever) een contract hebben gesloten voor de bouw in Nederland van een schip met bouwnummer .................. (hierna te noemen: het Schip);

  • b. de Scheepswerf met de Bank een kredietovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan de Bank een krediet zal verstrekken voor de financiering van de bouw van het Schip;

  • c. de Bank in het kader van het sluiten van de kredietovereenkomst een analyse heeft gemaakt van de kredietwaardigheid van de Scheepswerf, toeleveranciers, de Opdrachtgever en het risicoprofiel van de bouw van het schip, en hierna heeft besloten krediet te verstrekken overeenkomstig de kredietovereenkomst, de totstandkoming van welke kredietovereenkomst evenwel afhankelijk is van de beschikbaarheid van borgstelling;

  • d. de Bank bij de Staat een aanvraag heeft ingediend om subsidie in de vorm van borgtocht;

  • e. de Minister, gezien het bij de aanvraag overgelegde contract tussen Scheepswerf en Opdrachtgever en gezien de bij de aanvraag overgelegde kredietovereenkomst, overeenkomstig het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling starten, groeien, overdragen van ondernemingen in zijn besluit van .........., nr. ..........heeft besloten de subsidieaanvraag te honoreren en de subsidie te verstrekken in de vorm van de in deze overeenkomst vastgelegde borgstelling.

zijn overeengekomen als volgt:

§ 1. Definities

Artikel 1 Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. Borgstellingsovereenkomst:

deze overeenkomst van borgtocht tussen de Staat en de Bank;

b. Overzicht:

het van deze Borgstellingsovereenkomst deel uitmakend overzicht van namen van partijen bij en de essentialia van het contract tussen Scheepswerf en Opdrachtgever, van de Kredietovereenkomst en van de Borgstellingsovereenkomst;

c. Kredietovereenkomst:

de schriftelijke overeenkomst tussen de Scheepswerf en de Bank op grond waarvan de Bank het Kredietbedrag verstrekt aan de Scheepswerf voor de bouw van het Schip en waarvan de gegevens zijn vermeld in het Overzicht;

d. Contractprijs:

de tussen Scheepswerf en Opdrachtgever overeengekomen prijs voor de bouw van het Schip, met inbegrip van stelposten voor zover daarvoor in het contract vaste of geschatte bedragen zijn opgenomen en met uitzondering van de eventueel verschuldigde omzetbelasting, zijnde € ............. (zegge....................);

e. Kredietbedrag:

het bedrag dat op grond van de Kredietovereenkomst als krediet kan worden verstrekt voor de bouw van het Schip, zijnde € .................. (zegge....................);

f. Wachttermijn:

periode van 6 maanden na de dag waarop de Scheepswerf in verzuim is geraakt, of zoveel korter als in het artikel 8 bedoelde overleg is overeengekomen;

g. Uitstaand krediet:

het bedrag dat op enig moment gedurende de bouw van het Schip op basis van de Kredietovereenkomst daadwerkelijk door de Scheepswerf in krediet is opgenomen.

§ 2. Borgtocht

Artikel 2 Aard van de borgtocht

  • 1. Behoudens voorzover daarvan in deze Borgstellingsovereenkomst wordt afgeweken stelt de Staat zich op de wijze voorzien in de artikelen 7:850 BW e.v. borg jegens de Bank voor de terugbetaling door de Scheepswerf van het Kredietbedrag bedoeld in artikel 3, voorzover dat met inachtneming van het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze Borgstellingsovereenkomst door de Bank aan de Scheepswerf is verstrekt.

  • 2. De Staat stelt zich niet borg voor kosten van welke aard of omvang ook die door de Bank in rekening worden gebracht aan de Scheepswerf, met uitzondering van de in verband met de Kredietovereenkomst verschuldigde rente (niet zijnde vertragingsrente) en met uitzondering van een aan de gebruiken beantwoordende afsluitprovisie.

  • 3. In afwijking van het tweede lid omvat de borgtocht wel de rente die de Bank in rekening brengt aan de Scheepswerf gedurende de Wachttermijn.

Artikel 3 Omvang van de borgtocht

  • 1. De omvang van de borgtocht bedoeld in artikel 2 bedraagt .... procent van het Uitstaand krediet.

  • 2. Voor de bepaling van het Uitstaand krediet worden alle rechtshandelingen waardoor de verplichtingen van de Scheepswerf verminderen in aanmerking genomen, zoals betalingen, verrekeningen en de uitwinning van zekerheden. Deze rechtshandelingen worden hierna gezamenlijk ook wel als betalingen betiteld.

  • 3. Voor het geval de Scheepswerf naast de verplichtingen uit hoofde van de Kredietovereenkomst andere verplichtingen aan de Bank of aan een met de Bank in een groep verbonden rechtspersoon heeft worden de volgende toerekeningsregels gehanteerd:

    • 1°. betalingen die redelijkerwijs toegerekend moeten worden aan de Kredietovereenkomst worden daaraan toegerekend, zoals ook betalingen die redelijkerwijs moeten worden toegerekend aan een andere verplichting aan die andere verplichting worden toegerekend;

    • 2°. betalingen die redelijkerwijs niet toegerekend kunnen worden aan hetzij de Kredietovereenkomst, hetzij de andere verplichting, zullen naar rato van de actuele hoogte van het Uitstaand krediet respectievelijk de actuele hoogte van die andere verplichting worden toegerekend aan de Kredietovereenkomst respectievelijk die andere verplichting. Voor het bepalen van deze toerekeningsverhouding is het moment van betaling beslissend.

  • 4. De omvang van de borgtocht bedraagt maximaal 80 procent van het Uitstaand krediet, voor de bepaling waarvan stelposten slechts worden meegerekend voor hun nominale in het contract tussen Scheepswerf en Opdrachtgever vermelde waarde en meerwerk niet wordt meegerekend.

  • 5. De omvang van de borgtocht bedraagt maximaal € .......(zegge....................).

§ 3. Verplichtingen

Artikel 4 Algemene verplichtingen

  • 1. De Bank is verplicht:

    • a. rekening te houden met de vermogensrechtelijke belangen van de Staat in zijn hoedanigheid van borg;

    • b. zich tegenover de Scheepswerf op te stellen als een goede kredietverschaffer, handelend in overeenstemming met gebruikelijke gedragslijnen, meer in het bijzonder waar het betreft de synchronisatie van bouw en beschikbaarstelling van het krediet, de overige kredietvoorwaarden, de cover ratio’s en de ten behoeve van het krediet te bedingen zekerheden;

    • c. een actief en op de Scheepswerf toegesneden beleid te voeren gericht op de terugbetaling van het Kredietbedrag door de Scheepswerf en ook overigens de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming of beperking van een beroep op de borgtocht;

    • d. minimaal 20 procent van het Uitstaand krediet voor eigen risico te verstrekken, behoudens voorafgaande goedkeuring van de overdracht van dit risico aan derden door de Staat;

    • e. er zorg voor te dragen dat het Kredietbedrag niet wordt gebruikt voor de nakoming aan de Bank of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is, van verplichtingen van de Scheepswerf, niet zijnde de terugbetaling van het Kredietbedrag;

    • f. redelijke aanwijzingen van de Staat terzake van het bevorderen van de terugbetaling van het Kredietbedrag door de Scheepswerf, dan wel terzake van het beperken van een beroep op de borgtocht, dan wel terzake van het uitwinnen van zekerheden op te volgen;

    • g. kosteloos medewerking te verlenen aan een door of namens de Staat uit te voeren review van de controlewerkzaamheden uitgevoerd door de interne accountant.

  • 2. In afwijking van artikel 7:856, tweede lid, BW, komen tijdens de Wachttermijn en de in artikel 11 bedoelde periode, de kosten van rechtsvervolging van de Scheepswerf voor rekening van de Bank.

Artikel 5 Toestemming Staat voor wijzigen Kredietovereenkomst en contract

  • 1. Tijdens de looptijd van deze Borgstellingsovereenkomst worden geen wijzigingen aangebracht in de Kredietovereenkomst dan na voorafgaande toestemming van de Staat.

  • 2. De Staat laat zo spoedig mogelijk weten of hij toestemming geeft voor de wijziging bedoeld in het eerste lid. Wanneer de Staat niet binnen 2 weken heeft aangegeven niet in te stemmen met de wijziging, dan wordt deze toestemming geacht te zijn gegeven. 3. De Staat kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.

  • 4. De Bank is verplicht in de Kredietovereenkomst een bepaling op te nemen, inhoudende de verplichting voor de Scheepswerf dat, tijdens de looptijd van de Borgstellingsovereenkomst, het contract tussen de Opdrachtgever en de Scheepswerf slechts met toestemming van de Bank en die van de Staat kan worden gewijzigd indien deze wijziging leidt tot een negatieve beïnvloeding van de positie van de Staat onder de Borgstellingsovereenkomst.

  • 5. De Bank spant zich ervoor in dat de Scheepswerf haar verplichting als genoemd in het vorige lid nakomt.

Artikel 6 Rapportage

  • 1. De Bank informeert de Staat onverwijld over omstandigheden die redelijkerwijs relevant zijn in het kader van een mogelijk beroep op de borgtocht.

  • 2. Onder de in het eerste lid bedoelde omstandigheden vallen in ieder geval:

    • a. voortijdige aflossing van het Kredietbedrag;

    • b. de aanvraag of verlening van surséance van betaling aan, of de faillietverklaring van de Bank;

    • c. de aanvraag of verlening van surséance van betaling aan, of de faillietverklaring van de Scheepswerf;

    • d. de aanvraag of verlening van surséance van betaling aan, of de faillietverklaring van de Opdrachtgever;

    • e. belangrijke vertraging in de bouw van het Schip of andere factoren die van wezenlijke invloed zijn op de datum van oplevering van het Schip;

    • f. het intreden van een in de Kredietovereenkomst genoemde opeisingsgrond;

    • g. de situatie waarin de Bank binnen 3 werkdagen na een vervaldag nog geen terugbetaling van de op die vervaldatum te betalen aflossing van het Kredietbedrag heeft ontvangen;

    • h. wijzigingen in het contract tussen de Opdrachtgever en de Scheepswerf die leiden tot een negatieve beïnvloeding van de positie van de Staat onder de Borgstellingsovereenkomst.

Artikel 7 Provisie

  • 1. De Bank betaalt de Staat voor het stellen van borgtocht een jaarlijkse provisie van .......... procent van het Kredietbedrag.

  • 2. Bij de berekening van de provisie wordt voor wat betreft de tijdseenheden en tijdsvakken waarover provisie moet worden betaald aangesloten bij de tijdseenheden en tijdvakken die de Bank volgens haar gebruikelijke administratieve methoden hanteert ter bepaling van de door de Scheepswerf uit hoofde van de Kredietovereenkomst verschuldigde rente.

  • 3. De provisie dient door de Bank zelf te worden berekend,te worden betaald, en te worden gerapporteerd aan de Staat, en wel binnen tien dagen na afsluiting van het tijdvak waarover de Bank overeenkomstig de administratieve methoden, bedoeld in het tweede lid, de Scheepswerf rente uit hoofde van de Kredietovereenkomst in rekening brengt.

  • 4. De provisie dient te worden betaald op de in het Overzicht genoemde bankrekening, aangehouden door de Staat.

  • 5. De Bank is verplicht op verzoek van de Staat een verklaring van een interne accountant over te leggen waaruit blijkt dat de provisie juist is berekend en is afgedragen.

  • 6. Indien de Bank geen beroep kan doen op de borgtocht vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden, leidt dit niet tot een recht op restitutie van de provisie.

Artikel 8 Verplichting tot overleg bij dreigend beroep op de borgtocht

Indien uit de informatie, bedoeld in artikel 6, of anderszins aan de Staat of aan de Bank blijkt dat er een concreet risico bestaat dat de Scheepswerf haar verplichtingen op grond van de Kredietovereenkomst niet zal nakomen, treden de Bank en de Staat in overleg.

§ 4. Beroep op de borgtocht

Artikel 9 Voorwaarden voor beroep op de borgtocht en verplichting Staat

  • 1. Indien de Scheepswerf tekort schiet in nakoming van de verplichting tot terugbetaling van het Kredietbedrag, is de Bank na afloop van de Wachttermijn gerechtigd de borgstelling in te roepen.

  • 2. De Staat is echter niet gehouden tot enigerlei betaling uit hoofde van deze Borgstellingsovereenkomst indien:

    • a. de Bank niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit deze Borgstellingsovereenkomst, het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen;

    • b. de Bank bij de aanvraag om subsidie in de vorm van borgtocht gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag zou hebben geleid, of de verstrekking van gegevens achterwege heeft gelaten terwijl zij wist of had behoren te weten dat bekendheid met die gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.

  • 3. De Bank zal het tweede lid, onderdeel a, niet tegengeworpen krijgen met betrekking tot een niet voldoen aan de verplichting uit het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen dat het moet gaan om de bouw van een nieuw schip in Nederland, indien zij bij de aanvraag een verklaring heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van bouwen in Nederland (‘Verklaring bouwen in Nederland’).

Artikel 10 Beroep op de borgtocht

  • 1. De Bank maakt bij een beroep op de borgtocht gebruik van het formulier ‘Beroep op de borgtocht’ (te verkrijgen bij de EVD).

  • 2. Indien de Bank een beroep doet op de borgtocht, dient zij alle gegevens te verstrekken, de Staat inzage te geven en kopie te laten nemen van alle bescheiden, die de Staat nodig heeft om te beoordelen of er op grond van deze Borgstellingsovereenkomst een recht op betaling bestaat.

  • 3. De Bank verstrekt in ieder geval:

    • a. een verslag van de activiteiten die de Bank tijdens de Wachttermijn heeft ondernomen gericht op het beperken van een beroep op de borgtocht, waaronder in elk geval een verslag van de uitwinning van zekerheden;

    • b. een voorstel met betrekking tot de voorgenomen activiteiten ten aanzien van verdere invordering van het Kredietbedrag c.q. de uitwinning van zekerheden.

  • 4. De Staat kan de Bank verzoeken de in het tweede en het derde lid bedoelde gegevens door haar interne accountant te laten certificeren. De Bank is gehouden aan dat verzoek te voldoen.

  • 5. Indien de Bank na het inroepen van de borgtocht betalingen op het Kredietbedrag ontvangt doet zij daarvan onverwijld mededeling aan de Staat

Artikel 11 Bevestiging en beoordeling beroep op de borgtocht

  • 1. De Staat bevestigt de ontvangst van een beroep op de borgtocht schriftelijk binnen 1 week na de ontvangst aan de Bank en aan de Scheepswerf.

  • 2. Binnen 8 weken na ontvangst van alle gegevens bedoeld in artikel 10, tweede lid, deelt de Staat schriftelijk aan de Bank en aan de Scheepswerf mede welk recht op betaling op grond van deze Borgstellingsovereenkomst bestaat.

  • 3. Gedurende de periode van 8 weken, genoemd in het tweede lid, heeft de Staat het recht een deskundige aan te wijzen die belast wordt met het controleren van de verstrekte gegevens en bescheiden en van de hoogte van het beroep op de borgtocht. Indien de Staat van deze bevoegdheid gebruik maakt, wordt de in het tweede lid bedoelde termijn voor de duur van het onderzoek verlengd. In dit geval deelt de Staat binnen 8 weken na ontvangst van het rapport van de deskundige aan de Bank mede welk recht op betaling op grond van deze Borgstellingsovereenkomst bestaat.

  • 4. Indien de Bank zich niet kan verenigen met de in het tweede of het derde lid bedoelde mededeling omtrent haar aanspraken uit deze Borgstellingsovereenkomst, dient zij op straffe van verval van rechten uit deze Borgstellingsovereenkomst binnen zes maanden na dagtekening van de mededeling bedoeld in het tweede of het derde lid de Staat voor de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage te dagvaarden.

Artikel 12 Uitwinning tijdens de beoordeling van het beroep op de borgtocht

  • 1. Indien een beroep op de borgtocht als bedoeld in artikel 10 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet vaststaat dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het Kredietbedrag, dan is de Staat bevoegd het doen van de in artikel 11 bedoelde mededelingen c.q. aanwijzingen op te schorten tot het moment waarop duidelijkheid omtrent die uitwinning c.q. opbrengsten is verkregen.

  • 2. De Bank is in dit geval gehouden aanvullend verslag uit te brengen over de voorgang van de uitwinning. De Staat kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn verder nadere gegevens van de Bank verlangen.

Artikel 13 Betalingen

  • 1. De Staat doet het op grond van deze Borgstellingsovereenkomst door de Staat verschuldigde bedrag overmaken op het in het Overzicht genoemde rekeningnummer van de Bank.

  • 2. Betaling zal geschieden binnen 2 weken na de in artikel 11 bedoelde mededeling van de Staat.

§ 5. Verplichtingen en bepalingen na uitbetaling door Staat

Artikel 14 Verplichtingen met betrekking tot uitwinning na betaling

  • 1. Indien betaling als bedoeld in artikel 13 heeft plaatsgevonden op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering zouden komen op het Kredietbedrag, dan is de Bank gedurende een periode van 5 jaar na de datum waarop betaling als bedoeld in artikel 13 heeft plaatsgevonden, gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de Staat het door de Staat betaalde bedrag in te vorderen die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het Kredietbedrag geheel voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt.

  • 2. Buiten de in het eerste lid bedoelde gevallen is de Bank alleen desgevraagd gehouden namens de Staat de invordering en uitwinning voort te zetten. Hierbij dient de Bank redelijke aanwijzingen van de Staat terzake op te volgen.

  • 3. De Staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de Scheepswerf van het door deze aan de Staat verschuldigde bedrag.

  • 4. Kosten die de activiteiten ter invordering en uitwinning op verzoek van de Staat met zich meebrengen, komen voor rekening van de Staat.

  • 5. De Bank brengt verslag uit over de voortgang van de invordering en uitwinning.

  • 6. De Staat kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen. De Bank is gehouden deze nadere gegevens te verstrekken.

Artikel 15 Opbrengsten na uitbetaling borgtocht

De Bank betaalt het in artikel 3, eerste lid, genoemde percentage van nagekomen betalingen op het Kredietbedrag aan de Staat, en wel binnen één maand na ontvangst van die opbrengsten.

Artikel 16 Geen kwijtschelding door Bank

  • 1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen betrekking hebbende op het Kredietbedrag, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Staat.

  • 2. De Staat kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling.

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 17 Terugvorderen betalingen

  • 1. Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de Staat blijkt dat de Bank onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft of de verstrekking van gegevens achterwege heeft gelaten die, ware de Staat daarover volledig en juist geïnformeerd, tot een andere uitbetaling zouden hebben geleid.

  • 2. Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de Staat blijkt dat de Bank de verplichtingen uit deze Borgstellingsovereenkomst, uit het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen niet is nagekomen.

Artikel 18 Overdracht van rechten uit deze Borgstellingsovereenkomst door de Bank

  • 1. De Bank is niet gerechtigd haar uit deze Borgstellingsovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen over te dragen of te bezwaren, tenzij de Staat daaraan goedkeuring verleent.

  • 2. Aan deze goedkeuring kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 19 Opzegging en ontbinding

  • 1. De Staat is gerechtigd deze Borgstellingsovereenkomst op te zeggen indien:

    • a. de Bank tekort schiet in de nakoming van een verplichting uit hoofde van deze Borgstellingsovereenkomst;

    • b. sprake is van aanvraag of verlening van surséance van betaling aan, of aanvraag tot faillietverklaring dan wel faillietverklaring van de Bank indien aannemelijk is dat de oorzaak hiervan in belangrijke mate wordt gevormd door omstandigheden die kwalificeren als onbehoorlijk bestuur als bedoeld artikel 2:138, eerste en tweede lid BW.

  • 2. Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a, geschiedt uitsluitend nadat de Staat de Bank op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een redelijke termijn.

  • 3. Deze Borgstellingsovereenkomst kan door de Staat met onmiddellijke ingang buiten rechte schriftelijk geheel of gedeeltelijk worden ontbonden, zonder dat een recht op schadevergoeding bestaat, indien:

    • a. de Bank in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van deze Borgstellingsovereenkomst.

    • b. sprake is van aanvraag of verlening van surséance van betaling aan, of aanvraag tot faillietverklaring dan wel faillietverklaring van de Bank indien aannemelijk is dat de oorzaak hiervan in belangrijke mate wordt gevormd door omstandigheden die kwalificeren als onbehoorlijk bestuur als bedoeld artikel 2:138, eerste en tweede lid BW.

Artikel 20 Nietige bepalingen

Indien één of meer bepalingen van deze Borgstellingsovereenkomst nietig blijken te zijn, of door de rechter vernietigd worden, behouden de overige bepalingen van deze Borgstellingsovereenkomst hun rechtskracht. Partijen zullen over eerstbedoelde bepalingen overleg voeren teneinde een vervangende regeling te treffen waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de door nietigheid of vernietiging getroffen bepaling en bij de overige bepalingen en strekking van de Borgstellingsovereenkomst. Bij een vervangende regeling wordt de strekking van de Borgstellingsovereenkomst hoe dan ook niet aangetast.

Artikel 21 Voortdurende bepalingen

Bepalingen die naar hun aard bestemd zijn om ook na afloop van de Borgstellingsovereenkomst voort te duren, behouden nadien hun werking.

Artikel 22 Geschillen en toepasselijk recht

  • 1. Ieder geschil ten aanzien van deze Borgstellingsovereenkomst zal bij uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement ’s-Gravenhage.

  • 2. Op deze Borgstellingsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing.

Artikel 23 Opschortende voorwaarde

  • 1. Deze Borgstellingsovereenkomst blijft zonder rechtsgevolg gedurende het onvervuld blijven van de opschortende voorwaarde dat de Bank uiterlijk tien weken na de beschikking waarin subsidie in de vorm van borgtocht wordt verleend, behoudens voorafgaande verlenging van die termijn door de Staat:

    • a. heeft aangetoond dat de Opdrachtgever en de Scheepswerf een contract voor de bouw van het Schip hebben gesloten zonder dat aan de daarin belichaamde bouwopdracht (nog) opschortende voorwaarden zijn verbonden;

    • b. heeft aangetoond dat de Opdrachtgever terzake van de opdracht een of meer betalingen heeft gedaan, ter hoogte van minimaal 5 procent van de Contractprijs.

  • 2. De Staat deelt zo spoedig mogelijk na ontvangst van de informatie, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, aan de Bank mee of aan de voorwaarden is voldaan.

  • 3. Is na het verstrijken van de in het eerste lid gestelde of uit hoofde van dat lid verlengde termijn niet voldaan aan de daar gestelde voorwaarden, dan is deze Borgstellingsovereenkomst van rechtswege ontbonden.

Artikel 24 Aanvang en einde Borgstellingsovereenkomst

  • 1. Deze Borgstellingsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.

  • 2. Onverminderd het elders in deze Borgstellingsovereenkomst omtrent onder meer ontbinding, opzegging en verval van rechten bepaalde eindigt de Borgstellingsovereenkomst van rechtswege:

    • a. door het tenietgaan van de verplichtingen van de Scheepswerf uit hoofde van de Kredietovereenkomst;

    • b. door uitbetaling van het uit hoofde van deze Borgstellingsovereenkomst door de Staat aan de Bank verschuldigde;

    • c. door de intrekking of vernietiging van de beschikking tot subsidieverlening;

    • d. door het verstrijken van een periode van tien maanden na de in de het contract tussen Opdrachtgever en Scheepswerf genoemde opleverdatum, ook dan wanneer de daadwerkelijke oplevering op het moment waarop deze termijn van tien maanden is verstreken nog niet heeft plaatsgehad;

    • e. uiterlijk door het verstrijken van een periode van vier jaar na ondertekening van deze Borgstellingsovereenkomst.

Artikel 25 Domiciliekeuze en berichtgevingen

  • 1. De Staat kiest voor de uitvoering van deze Borgstellingsovereenkomst domicilie ten kantore van het agentschap van het ministerie van Economische Zaken de EVD, Unit internationale financiering, Postbus 20105, 2500 EC Den Haag. De EVD, Unit internationale financiering, is bevoegd de Staat bij de uitvoering van deze Borgstellingsovereenkomst te vertegenwoordigen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze Borgstellingsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

  • 3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan zijn zonder rechtsgevolg.

  • 4. De Staat is niet gehouden tot vergoeding van enigerlei schade voortvloeiend uit of samenhangend met afwijkingen van het eerste en het tweede lid.

Aldus is overeengekomen en in tweevoud ondertekend te 's-Gravenhage op ....................

De Minister van Economische Zaken, .............

(naam en functie vertegenwoordiger Bank)

Overzicht

EVD referentie nr.

BBS 05...

OVERZICHT

BBS referentie nr.

Bank

Naam:

Adres:

Scheepswerf

Naam:

Adres:

Deel uitmakend van een groep?

Zo ja, eventueel mede-verbonden vennootschappen:

Opdrachtgever:

Opdrachtgever

Naam:

Adres:

Bouwnummer schip:

Contractprijs:

EUR....

  

Kredietbedrag:

EUR....

  

Borgstellingspercentage:

....%

  

Maximale borgstellingsbedrag:

EUR....

  

Provisie:

....%

  

Einddatum:

 

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze Borgstellingsovereenkomst bestemd voor de Staat worden gestuurd naar EVD, Unit internationale financiering, Postbus 20105, 2500 EC Den Haag

Bankrekening nr. EVD:

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Na de Herijking Financieel Instrumentarium (Kamerstukken II 2004/05, 29 800 XIII, nr. 73) is een vereenvoudiging van de subsidieregelgeving bij EZ doorgevoerd. In vervolg hierop is bij brief van de Minister van Economische Zaken van 28 februari 2008 (Kamerstukken 2007/08, 31 200 XIII, nr. 47) uiteen gezet op welke wijze het financiële instrumentarium van het ministerie van Economische Zaken verder zal worden gestroomlijnd. Belangrijkste doel van deze stroomlijning is het terugbrengen van het aantal regelingen en het vergroten van de onderlinge samenhang om te komen tot een helder en transparant instrumentarium.

Het Kaderbesluit EZ-subsidies (hierna: Kaderbesluit) is de basis voor dit eenvoudiger instrumentarium met lagere verkrijgingskosten. Het concrete subsidiebeleid is via ministeriële regelingen, gebaseerd op dit Kaderbesluit, vormgegeven. Overeenkomstig de brief van 28 februari 2008 zullen vanaf 1 januari 2009 vier modules van het EZ-instrumentarium met een daarvoor geldende ministeriële regeling onder de werking van het Kaderbesluit worden gebracht. De planning is dat de andere drie modules vanaf begin 2010 onder de werking van het Kaderbesluit zullen worden gebracht.

De vier modules, die vanaf 1 januari 2009 worden ingevoerd, betreffen respectievelijk Starten, Groeien en Overdragen, Innoveren, Sterktes in de Regio en Sterktes in Innoveren. Deze regeling geeft invulling aan het subsidiebeleid op het gebied van Starten, Groeien en Overdragen.

2. Het Kaderbesluit EZ-subsidies

Het Kaderbesluit heeft als belangrijke doelstelling de eenheid van subsidieregelingen op het terrein van het ministerie van Economische Zaken. Dit wordt bereikt door in het Kaderbesluit bepalingen op te nemen die in (vrijwel) alle subsidieregelingen voorkomen, vaak op eenzelfde of bijna eenzelfde wijze. Waar nodig is uiteraard wel onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten instrumenten, maar in veel gevallen is dit niet nodig en geldt één bepaling voor alle subsidies. Door het Kaderbesluit zijn onnodige verschillen weggenomen en kent niet elke afzonderlijke subsidieregeling meer bepalingen over met name de procedurele stappen, beslistermijnen, voorschotten en subsidievaststelling. Op de verschillende onderwerpen die in het Kaderbesluit worden geregeld, wordt hieronder kort ingegaan. Immers, veelal zullen deze onderwerpen niet meer in deze regeling terugkomen.

De definities die in het Kaderbesluit zijn opgenomen, gelden behalve voor het Kaderbesluit ook voor alle ministeriële regelingen die op dit besluit zijn gebaseerd. Bepaalde begrippen worden dus niet meer in de regelingen gedefinieerd, terwijl hier wel een definitie voor geldt.

In hoofdstuk 2 van het Kaderbesluit zijn bepalingen opgenomen over het verstrekken van subsidie. Belangrijk is in de eerste plaats dat de Minister subsidie kan verstrekken voor bepaalde terreinen. Op basis van artikel 2 zullen de belangrijkste kenmerken van een subsidieregeling bij ministeriële regeling worden opgenomen. De mogelijke subsidiabele activiteiten zijn niet limitatief opgesomd in het besluit. In deze regeling wordt steeds per subsidie-instrument, veelal aan het begin van een hoofdstuk aangegeven aan welke aanvragers voor welke subsidiabele activiteiten subsidie zal worden verstrekt.

Hoofdstuk 3 van het Kaderbesluit heeft betrekking op de hoogte van de subsidie. Indien de hoogte van de subsidie vastligt in de Europese regels over staatssteun, zijn deze regels in de bijlage bij het Kaderbesluit opgenomen. Waar dit niet het geval is, is de hoogte van de subsidie vastgelegd in deze regeling. Ook zijn enkele algemene bepalingen opgenomen over de hoogte van de subsidie in het geval voor één project verschillende subsidies worden verstrekt.

Hoofdstuk 4 heeft betrekking op de subsidiabele kosten. Niet alle kosten van een project zullen in alle gevallen voor subsidie in aanmerking komen. In dit hoofdstuk zijn drie methoden voor berekening van de subsidiabele kosten opgenomen. Bedoeling van het aanbieden van de drie berekeningsmethoden is dat een aanvrager van subsidie altijd een methode voor de berekening van de subsidiabele kosten zal kunnen vinden die goed aansluit bij zijn eigen bedrijfsvoering en administratieve organisatie. Ook zullen zowel grote als kleine organisaties met één van deze drie methoden uit de voeten kunnen, en zullen administraties niet of niet ingrijpend hoeven te worden aangepast.

In hoofdstuk 5 zijn enkele bepalingen opgenomen over het subsidieplafond en de wijze van verdelen hiervan. Belangrijk is dat elke subsidieregeling een subsidieplafond bevat, dat op een transparante wijze wordt verdeeld onder de aanvragers. De concrete plafonds zijn niet in deze regeling terug te vinden, maar zullen afzonderlijk in een regeling die alle plafonds regelt, worden samengebracht. Wel is steeds bepaald op welke wijze het subsidieplafond verdeeld zal worden.

Hoofdstuk 6 bevat algemene bepalingen over de samenstelling en de werkwijze van adviescommissies. Adviescommissies adviseren de Minister over de vraag of bepaalde aanvragen voldoen aan de desbetreffende subsidieregeling, en bij tenders adviseren de adviescommissies over de rangschikking van de aanvragen. Indien van een adviescommissie gebruik wordt gemaakt, gelden de bepalingen uit dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 7 heeft betrekking op het indienen van een aanvraag. De standaardbepalingen over het indienen van een aanvraag zijn in dit hoofdstuk opgenomen, bijvoorbeeld dat een aanvraag moet worden ingediend met gebruikmaking van een formulier. Bij deze ministeriële regeling zijn de formulieren vastgesteld.

Hoofdstuk 8 bevat een aantal afwijzingsgronden. Indien in deze regeling niet specifiek is aangegeven dat afwijzingsgronden niet gelden, gelden deze afwijzingsgronden altijd, en zij moeten dus in samenhang worden gelezen met de in deze regeling per subsidie opgenomen afwijzingsgronden.

Hoofdstuk 9 heeft betrekking op de beslissing op aanvraag. Belangrijk element in dit hoofdstuk zijn de beslistermijnen, die zijn geharmoniseerd, en dus niet meer in deze regeling terugkomen.

In hoofdstuk 10 zijn voorwaarden voor de subsidie-ontvanger opgenomen. Dit hoofdstuk is met name relevant voor subsidies die verstrekt worden via een financier. De inhoud van deze overeenkomst is in het Kaderbesluit nader uitgewerkt. Uiteraard kan deze overeenkomst veel meer bevatten. Bij deze regeling zijn verschillende modellen voor overeenkomsten vastgesteld.

Hoofdstuk 11 bevat bepalingen over de verplichtingen van subsidie-ontvangers. Deze verplichtingen gelden, tenzij hier expliciet van af is geweken in deze regeling.

Hoofdstuk 12 regelt de voorschotten. Het voorschotregime wordt in belangrijke mate geharmoniseerd, en een besparing van administratieve lasten wordt bereikt door het verstrekken van ambtshalve voorschotten. Dit houdt in dat voorschotten niet langer hoeven te worden aangevraagd door de subsidie-ontvanger. Ook worden voorschotten op vaste momenten uitgekeerd, waardoor subsidie-ontvangers weten wanneer zij een voorschot kunnen verwachten. Bepalingen over de voorschotten komen dus niet meer voor in de hoofdstukken van deze regeling met uitzondering van hoofdstuk 6 en 7.

Tot slot bevat hoofdstuk 13 bepalingen over de subsidievaststelling. De procedure en termijnen zijn de belangrijkste ingrediënten van dit hoofdstuk, en dit zijn bepalingen die dus ook niet meer in deze regeling voorkomen.

3. Rijksbreed subsidiekader

In de brief van de Minister van Financiën van 20 december 2007 (Kamerstukken II 2007/08, 31 031/29 949, nr. 20) zijn de plannen voor een rijksbreed bindend, uniform uitvoeringskader voor subsidies zoals deze zijn aangekondigd in het programma Regeldruk bedrijven en de Nota Vernieuwing Rijksdienst gepresenteerd. Doel van dit rijksbrede subsidiekader is, evenals het doel van het Kaderbesluit, om de uitvoerings- en administratieve lasten van subsidies te reduceren. Het gaat dan om de vereenvoudiging en uniformering van voorwaarden en procedures van de uitvoerings- en verantwoordingseisen. Waar mogelijk is in deze regeling reeds rekening gehouden met de uitwerking van de brief van 20 december 2007. Bij de aanpassing van het Kaderbesluit, die begin 2010 in werking treedt, kunnen andere wijzigingen, die samenhangen met het Rijksbrede subsidiekader worden ingevoerd.

4. Hoofdstuk 2. Borgstelling MKB-kredieten

Hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vervangt het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling BMKB 1997. Daarmee wordt het beleid voortgezet om banken in staat te stellen aan ondernemers in het midden- en kleinbedrijf met bevredigende rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven kredieten te verstrekken, die naar normaal bankgebruik niet voor eigen rekening en risico worden verstrekt vanwege een tekort aan zekerheden.

In het kader van de kredietcrisis is op 27 oktober 2008 het BBMKB verruimd door de volgende drie wijzigingen in de regeling op te nemen:

  • 1. De doelgroepuitbreiding van bedrijven met maximaal 100 werknemers naar bedrijven met maximaal 250 werknemers.

  • 2. Verhoging van het bedrijfsborgstellingskrediet van maximaal € 1 mln. naar maximaal € 1,5 mln.

  • 3. Verhoging van het starters-borgstellingskrediet, ten behoeve van MKB-bedrijven die maximaal 5 jaar oud zijn, van maximaal € 100.000 naar maximaal € 200.000

De eerste maatregel is in deze regeling opgenomen door aansluiting te zoeken bij de term MKB-ondernemer en daarbij niet te bepalen dat deze niet meer dan 100 werknemers in dienst kan hebben. De tweede en derde maatregel zijn neergelegd in respectievelijk artikel 4, eerste lid, van de in bijlagen 2.1 tot en met 2.4 opgenomen overeenkomsten en artikel 4, tweede lid, van de in bijlagen 2.1 en 2.2 opgenomen overeenkomsten van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. De drie genoemde uitbreidingen van de BBMKB zijn – conform de overige maatregelen die in de huidige situatie door de regering worden genomen – tijdelijk. Op basis van een evaluatie die in november 2009 in gang wordt gezet, zal de effectiviteit en de wenselijkheid van eventuele voortzetting van deze wijzigingen worden bezien.

Als een MKB-ondernemer bij een kredietaanvraag de bank onvoldoende onderpand (zekerheden) kan bieden, kan de bank op grond van dit hoofdstuk een beroep doen op de overheid. De overheid kan zich, onder voorwaarden, in zulke gevallen richting de bank borgstellen voor een deel van het kredietbedrag. Dat verlaagt het risico voor de bank waardoor de kredietwaardigheid van de MKB-ondernemer wordt verhoogd. Omdat de overheid banken extra wil stimuleren om ook kredieten te verstrekken aan bepaalde groepen ondernemingen die weinig trackrecord hebben of risicovol maar ook kansrijk zijn, gelden voor starters en innovatieve MKB-ondernemers andere modaliteiten.

De inhoud van de bepalingen in dit hoofdstuk zijn materieel grotendeels gelijk aan de inhoud van het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling BMKB 1997. De opzet van het besluit is wel veranderd.

5. Hoofdstuk 3. Groeifaciliteit

5.1. Doel en aanleiding

Voor bedrijven is van wezenlijk belang dat zij kunnen beschikken over voldoende financiële middelen. De kapitaalmarkt moet op een zodanige manier werken dat bedrijven goede financieringsmogelijkheden hebben. Op een aantal fronten is de werking van de kapitaalmarkt niet optimaal: vraag en aanbod zijn niet in balans. Het midden- en kleinbedrijf (hierna: MKB) ondervindt doorgaans meer problemen met financiering dan grotere bedrijven. Dit geldt in het bijzonder voor het aantrekken van risicokapitaal in de vorm van aandelenkapitaal en achtergestelde leningen. Met name in specifieke situaties, bij snelle groei en bij bedrijfsoverdrachten, bestaat in het MKB behoefte aan extra risicokapitaal om de financiële basis te verbreden. De financiering van groeiende ondernemingen is voor de financier relatief risicovol. In het algemeen is het in deze situatie niet mogelijk zekerheden te vestigen. Uit een onderzoek van medio 2004 (Snelle groeiers & Innovatie, 2 juni 2004) blijkt dat één van de vijf (potentiële) snelle groeiers problemen ondervindt bij het verkrijgen van risicokapitaal, met als gevolg minder groei dan mogelijk zou zijn. Dat is zorgelijk, temeer omdat in Nederland het aantal snelle groeiers achterblijft bij de landen waarmee Nederland concurreert. Als gevolg van de naoorlogse geboortegolf is er nu en in de komende jaren een groot aantal eigenaren dat zijn bedrijf wil overdragen. Op zich wenselijke bedrijfsoverdrachten vinden niet altijd doorgang omdat de kopers geen adequate financiering kunnen aantrekken. Dat houdt ermee verband dat de financier niet bereid is het aan de overdracht gerelateerde risico te nemen. Eigenaren die als gevolg daarvan worden genoopt hun bedrijf voort te zetten, nemen doorgaans weinig nieuwe initiatieven meer. Dat leidt tot stagnatie. Deze knelpunten doen zich met name voor bij financieringen met risicokapitaal van minder dan € 5 miljoen, de zogenaamde equity-gap. Het verstrekken van een risicodragende financiering tot € 5 miljoen is voor financiers doorgaans weinig aantrekkelijk vanwege de hiervoor te maken kosten en de in te calculeren risico’s. De zogenaamde handlingkosten zijn relatief hoog omdat het ook voor een dergelijke kleine financiering moeite kost om de informatie te verkrijgen op basis waarvan een financieringsbesluit kan worden genomen. De andere reden voor terughoudendheid bij financiers is dat de beginnende ondernemer zijn kwaliteiten niet kan onderbouwen met ‘wapenfeiten’. Zijn zogenaamde trackrecord is beperkt, waardoor de financier het risico hoger inschat. Dit noopt ertoe hogere inkomsten te verkrijgen en ook hier is het gevolg dat financieringen veelal niet tot stand komen. Het financieringsknelpunt voor MKB-ondernemers is derhalve reden om een faciliteit ter bevordering van de verstrekking van risicokapitaal aan het MKB in het leven te roepen, de Groeifaciliteit. Hierbij vormen bedrijven met een expansie naar het buitenland een belangrijke doelgroep van de Groeifaciliteit. De Groeifaciliteit heeft betrekking op zowel aandelenkapitaal als achtergestelde leningen. Tot nu toe worden door banken weinig achtergestelde leningen aan het MKB verstrekt. Achtergestelde leningen lijken een nieuwe en waarschijnlijk omvangrijke vorm van risicokapitaal voor deze doelgroep te kunnen vormen.

5.2. Garantstelling

De Groeifaciliteit heeft de vorm van een garantstelling voor de financiering van MKB-bedrijven die neerkomt op een garantie van 50 procent van de waarde van verstrekte achtergestelde leningen of verstrekt aandelenkapitaal. Voor deze garantstelling betaalt de financier een provisie aan de overheid. Indien de financier op het risicokapitaal verlies leidt, kan hij in beginsel de helft van dit verlies bij het Ministerie van Economische Zaken declareren. De garantie heeft onder meer betrekking op verlies bij verkoop van aandelen, kwijtschelding van een lening of faillissement van de onderneming.

Uitgangspunt is dat dit instrument kostendekkend is. Tegenover de verliesdeclaraties die bij de overheid zullen worden ingediend, bijvoorbeeld indien bedrijven waarvoor een garantie op de financiering geldt, failliet gaan, staan de inkomsten uit een tweetal premies: de reserveringspremie en de jaarlijkse risicopremie. Er wordt voorzien dat het beroep op de Groeifaciliteit in de vorm van verliesdeclaraties 2 tot 3 procent bedraagt. Hier staan risicopremies per jaar tegenover van 2,5 procent van het gegarandeerde bedrag voor achtergestelde leningen en 3 procent van het gegarandeerde bedrag voor aandelen of gemengde financieringen, vermeerderd met een eenmalige premie voor reservering van het quotum van 1 procent van het quotum. Op grond hiervan zal dit instrument naar verwachting kostendekkend zijn.

5.3. Fasering

De Groeifaciliteit beoogt investeringen door intermediairs in MKB-ondernemingen gedurende langere tijd te faciliteren. Om die reden is gekozen voor een fasering bij de totstandkoming van de garantstelling. Ten eerste dienen financiers die van dit instrument gebruik willen maken daarvoor een aanvraag in te dienen bij de uitvoerder, Senter-Novem. Aan de financiers die in aanmerking komen om gebruik van dit instrument te maken, wordt een (gestandaardiseerde) garantstellingovereenkomst aangeboden. Deze bevat de voorwaarden waaronder de garantie geldt voor verstrekt risicokapitaal. Vervolgens kunnen de financiers waarmee een dergelijke overeenkomst is afgesloten jaarlijks een budget, het zogenaamde reserveringsquotum aanvragen. Zij kunnen tot de hoogte van het verleende quotum gedurende twee jaar garanties verkrijgen. Indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft kunnen zij tot de hoogte van de verleende quotum gedurende drie jaar garanties verkrijgen. Daartoe melden zij voorgenomen financieringen aan bij SenterNovem om deze onder de garantstelling te brengen. Indien een financier verlies leidt op dit risicokapitaal, kan hij de garantie inroepen en wordt in beginsel 50 procent van dit verlies uitbetaald.

5.4. Financiële intermediairs

Alleen professionele financiers kunnen een beroep op hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van onderneming doen. Het betreft banken die in Nederland het bankbedrijf mogen uitoefenen en daarnaast andere betrouwbare financiers die geschikt zijn om risicodragend vermogen aan MKB-ondernemers te verstrekken. Voor deze categorie van andere financiers wordt in dit hoofdstuk de term participatiemaatschappij gebruikt. Hier vallen niet alleen de als zodanig bekende participatiemaatschappijen onder. Als participatiemaatschappij in de zin van dit hoofdstuk worden bijvoorbeeld ook zogenaamde informal investors beschouwd die zich tot doel stellen risicokapitaal aan het MKB te verstrekken en een vennootschap met een afgescheiden vermogen hebben opgericht. In het kader van de beoordeling van de aanvragen van participatiemaatschappijen op grond van dit hoofdstuk wordt nagegaan of de participatiemaatschappij voldoende professioneel opereert. Participatiemaatschappijen dienen zulks tegenover een commissie van onafhankelijke deskundigen aannemelijk te maken tenzij voldoende aanwijzingen bestaan over de professionaliteit van de participatiemaatschappij. Een aanvraag wordt afgewezen als er twijfel is over de deskundigheid of de betrouwbaarheid van de betrokkenen, de integriteit van de bedrijfsuitoefening, en de financiële draagkracht en stabiliteit van de participatiemaatschappij. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheid of de aanvraag betrekking heeft op aandelenkapitaal en achtergestelde leningen of alleen op achtergestelde leningen.

5.5. Voorwaarden voor financieringen

De garantstelling is alleen van toepassing op financieringen van ten hoogste € 5 miljoen, de omvang van de eerder genoemde equity-gap, die ten goede komen aan nieuwe activiteiten van de MKB-ondernemer. De overheid veronderstelt een meerjarige betrokkenheid van de financier bij de ondernemer. Dit komt tot uitdrukking in de voorwaarde dat risicopremie moet worden betaald voor de duur van de financiering maar ten minste voor zes jaar. Deze termijn sluit aan bij de praktijk dat financieringen met risicokapitaal betrekking hebben op groei voor de langere termijn. In een beperkt aantal gevallen worden financieringen eerst veel later beëindigd, zelfs nog na tien jaar, bijvoorbeeld als de startfase van de onderneming lang heeft geduurd. Gelet op het belang om aan de verplichtingen van de overheid op grond van de garantstelling een termijn te verbinden, geldt de garantstelling per kapitaalverstrekking voor maximaal twaalf jaar.

5.6. Garantstellingsovereenkomst en reserveringsquota

Financiers die risicokapitaal met garantie willen kunnen verstrekken, sluiten daartoe een overeenkomst af met het de Staat der Nederlanden. Indien het banken betreft die alleen achtergestelde leningen onder de garantstelling willen brengen, kan de aanvraag en de beoordeling daarvan hiertoe worden beperkt en wordt met hen een garantstellingsovereenkomst voor alleen achtergestelde leningen gesloten. Tevens dienen kapitaalverschaffers periodiek een quotum te reserveren waarbinnen garanties kunnen worden verkregen. Hiervoor zijn zij een reserveringpremie verschuldigd. Deze reserveringspremie heeft een belangrijke functie om de jaarlijks beschikbare gelden optimaal te verdelen: financiers zullen gelet op de hiervoor te maken kosten slechts quota reserveren indien zij verwachten deze ook te gebruiken voor concrete financieringen. Verder geldt de regel ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’. De mate van uitputting van het budget zal overigens regelmatig worden gepubliceerd, zodat financiers hiermee rekening kunnen houden.

5.7. Toezicht

De Groeifaciliteit beoogt ook ten aanzien van het toezicht zoveel mogelijk aan te sluiten bij het bestaande regime voor financiële ondernemingen, te weten de regels voor prudentieel en gedragstoezicht. Voor banken geldt dat zij moeten beschikken over een vergunning die door de Nederlandse toezichthouder of door de toezichthouder van een andere Lidstaat van de Europese Unie is verleend. Deze vergunning wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan eisen ten aanzien van onder meer deskundigheid, betrouwbaarheid en integere bedrijfsvoering. Voor participatiemaatschappijen is de situatie minder eenduidig. Onder omstandigheden kunnen participatiemaatschappijen worden gekwalificeerd als beleggingsinstelling of als effecteninstelling. In dat geval zijn in beginsel de regels van de Wet op het financieel toezicht (Wft), waaronder in het bijzonder een vergunningplicht, van toepassing. Deze regelgeving en het desbetreffende toezicht is echter primair gericht op het waarborgen van de belangen van consumenten die transacties in financiële instrumenten aangaan (zoals aandelen, obligaties en rechten van deelneming in een beleggingsinstelling), zonder dat zij beogen zich actief te bemoeien met de belegging. Bij het verstrekken van risicokapitaal aan ondernemingen door participatiemaatschappijen wordt niet passief belegd, maar is er sprake van actieve bemoeienis met de investering. Om deze reden zijn bepaalde participatiemaatschappijen vrijgesteld van de hiervoor bedoelde vergunningplichten. Ten aanzien van de Wft betreft het ten eerste participatiemaatschappijen die op grond van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen een overeenkomst tot geldlening hebben gesloten met de Staat. Ten tweede geldt een vrijstelling voor participatiemaatschappijen die voldoen aan twee voorwaarden, namelijk dat de aandelen van de ondernemingen die worden gehouden door de participatiemaatschappijen moeilijk dan wel in het geheel niet te plaatsen zijn bij particulieren en dat de participatiemaatschappijen invloed kunnen uitoefenen op het bestuur en het dagelijkse beleid op grond van een schriftelijke overeenkomst, die een beëindigingregeling bevat – bijvoorbeeld door het kunnen benoemen, schorsen of ontslaan van het bestuur of de raad van commissarissen van de ondernemingen waarvan de aandelen worden gehouden. Bijgevolg staat niet op voorhand vast dat participatiemaatschappijen steeds als beleggingsinstellingen vergunningsplichtig zijn – nog daargelaten de mogelijkheid dat ontheffing van de vergunningplicht wordt verleend – en dat zij moeten voldoen aan de verplichtingen ter zake van de financiële wetgeving. Vooral met het oog daarop zijn enkele voorwaarden gesteld. Deze hebben betrekking op de aspecten van deskundigheid, betrouwbaarheid, integere bedrijfsvoering en de financiële positie en zijn als weigeringsgronden opgenomen in artikel 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

5.8. Misbruik en oneigenlijk gebruik

Bij een garantstellingsvoorziening als de onderhavige worden door de overheid substantiële kosten gemaakt indien de garantie wordt ingeroepen. De omstandigheid dat financiers 50 procent van het risico van de financiering dragen bevordert dat niet onnodig een verlies wordt gedeclareerd. Indien er aanwijzingen zijn omtrent misbruik of oneigenlijk gebruik zal een nader onderzoek van de feiten plaatsvinden. Van misbruik en oneigenlijk gebruik kan met name sprake zijn indien financiers verliezen declareren bij de overheid, terwijl zij via een omweg, buiten dit instrument om, zelf geheel of gedeeltelijk hun aandeel in het verlies hebben weten te compenseren, bijvoorbeeld via hoge management vergoedingen. Ook is denkbaar dat de MKB-ondernemer tegen een te lage prijs aan een relatie wordt verkocht, waarna de financier meedeelt in de winst op de betreffende onderneming die daarmee wordt gerealiseerd. Op deze punten zijn in dit hoofdstuk bepalingen opgenomen die deze vormen van misbruik tegengaan. Ook ten aanzien van de mogelijkheid van kunstgrepen om een lagere risicopremie te betalen die aan achtergestelde leningen is verbonden, terwijl buiten dit instrument om toch meegedeeld wordt in het upward potential van de onderneming is een bepaling opgenomen om dit te voorkomen. Daarmee zijn de belangrijkste van de voorzienbare risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik afgedekt.

5.9. Beoogd effect

De Groeifaciliteit beoogt een forse groei van de beschikbaarheid van risicokapitaal voor het MKB te bewerkstelligen. De afgelopen jaren is er door participatiemaatschappijen in afnemende mate geparticipeerd in MKB-bedrijven. Met betrekking tot de financiering van het MKB door middel van achtergestelde leningen zijn geen cijfers voorhanden. Uit gesprekken met blijkt dat ook in dit segment maar voor beperkte bedragen wordt gefinancierd. Het is de intentie dat deze situatie door het gebruik van de Groeifaciliteit drastisch wordt verbeterd.

6. Hoofdstuk 4. Seed capital technostarters

6.1. Doel en aanleiding

Hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (Seed Capital Techostarters) vloeit voort uit de kabinetsdoelstelling om het economische klimaat voor technostarters in Nederland te verbeteren, zoals toegelicht in de nota Actieprogramma TechnoPartner: ‘van kennis naar welvaart’ (aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer bij brief van 9 januari 2004, Kamerstukken II 2003/04, 27 406 nr. 5). Het kabinet acht beginnende ondernemers met een technologische invalshoek, de zogenaamde technostarters, in het bijzonder van belang voor het creëren van een innovatieve en competitieve economie. Technostarters ‘vertalen’ fundamenteel onderzoek in nieuwe producten of diensten; de bijdrage van technostarters aan de productiviteitsgroei is de laatste jaren toegenomen en technostarters hebben meer groeipotentie dan andere, ‘reguliere’ starters.

Het ontbreken van voldoende risico-kapitaal in de vroege levensfase, de zogenaamde equity gap, vormt nu een belemmering voor technostarters hun onderneming op te bouwen. Kapitaalverschaffers investeren niet snel in technostarters omdat de risico’s te groot zijn en de opbrengsten te laag, gelet op de relatief lange investeringsperiode. Daarom is één van de actielijnen van het Actieprogramma TechnoPartner de zogenaamde TechnoPartner seed-faciliteit, een instrument om de onderkant van de Nederlandse risico-kapitaalmarkt te stimuleren en te mobiliseren om investeringen te doen in technostarters. Om deze investeringen te bevorderen wordt met dit instrument de risico-rendementsverhouding voor private kapitaalverschaffers verbeterd, zodat zij profiteren van een verhoging van het rendement in combinatie met een verlaging van het risico.

6.2. Hoofdlijnen van het instrument
6.2.1. Algemeen

Dit hoofdstuk biedt participatiefondsen de mogelijkheid een lening van de Minister van Economische Zaken (hierna: de minister) te verkrijgen voor het verkrijgen van participaties in technostarters. Een fonds kan op deze wijze maximaal 50 procent van de investeringen financieren met de lening. Van de inkomsten die het fonds uit de participaties ontvangt dient een beperkt deel te worden doorgeleid naar het ministerie. In de beginperiode, totdat de kosten van het fonds zelf voor het verkrijgen van de participaties zijn gedekt, kan het fonds 80 procent van de inkomsten behouden. Indien de participaties alles bij elkaar genomen winstgevend worden – ook de bijdrage van de minister is dan uit de inkomsten terugbetaald, kan het fonds opnieuw 80 procent van de inkomsten behouden. In de tussenliggende periode bedraagt dit percentage 50 procent.

Omdat de investeringsperiode niet langer mag zijn dan zes jaar en participaties na uiterlijk zes jaar moeten worden vervreemd, geldt de lening voor ten hoogste twaalf jaar. De lening wordt renteloos verstrekt en het startersfonds is niet verplicht tot aflossing of terugbetaling, daargelaten de hiervoor bedoelde regeling voor de overboeking van inkomsten uit participaties.

verkleinde afbeelding van stcrt-2008-2055-001.png
6.2.2. Participaties via startersfondsen

De Seed Capital Technostarters heeft als uitgangspunt zoveel mogelijk aan te haken bij de commerciële praktijk. Daarom worden investeringen in technostarters niet rechtstreeks gedaan maar door tussenkomst van private participatiefondsen, in dit hoofdstuk startersfondsen genoemd. Op deze wijze wordt bevorderd dat private partijen participatiefondsen oprichten – hetgeen ook indirect de interesse in en de financiering van technostarters ten goede komt. Private partijen kunnen in dit kader onder andere venture capitalists zijn, maar ook informal investors, grote bedrijven en regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Bestaande participatiemaatschappijen kunnen bijvoorbeeld door het voordeel dat de lening biedt in een risicovoller segment en met kleinere bedragen investeren dan zij nu doen. Anderzijds kunnen informal investors, zogenaamde business angels, door in het fonds een samenwerking aan te gaan juist grotere bedragen investeren in technostarters. Het startersfonds kan met gebruikmaking van de lening van de minister participaties in technostarters verkrijgen.

De investeringsbeslissingen worden genomen door het fonds en niet door de overheid. De minister wil niet als speler op de markt opereren. Het fonds moet – binnen bepaalde algemene randvoorwaarden – daarom zelf bepalen in welk bedrijf zij wil investeren, hoeveel en hoelang.

De minister zal zich niet bemoeien met deze investeringsbeslissingen en zal verzoeken van het startersfonds om de investeringsbijdrage slechts toetsen aan de randvoorwaarden. Om toch te kunnen garanderen dat dit hoofdstuk op de juiste wijze wordt uitgevoerd wordt ‘aan de poort’ een vrij streng selectieproces gehouden: fondsen moeten bij de aanvraag van de lening aantonen dat zij voldoen aan de criteria voor een startersfonds en dat zij op deze wijze kwalificeren voor deelname aan dit instrument. Hieronder wordt daar nader op ingegaan.

6.2.3. Technostarters en equity gap

Ingevolge dit hoofdstuk richten startersfondsen zich exclusief op het wegnemen van de ‘equity gap’ voor technostarters. Alleen jonge bedrijven die in technologisch opzicht innovatief zijn vallen onder de doelgroep van technostarters. De verschaffing van risico-kapitaal heeft de vorm van het nemen van aandelen in het bedrijf van de technostarter, waarbij eventueel aanvullend een achtergestelde lening kan worden verstrekt. Een technostarter kan op deze wijze kapitaal verkrijgen dat varieert tussen € 100.000 en € 2.500.000.

In de fase die voorafgaat aan die van een operationeel bedrijf, bij het schrijven van een ondernemingsplan en bij het oprichten van zijn onderneming, is de kapitaalbehoefte van technostarters over het algemeen nog beperkt. Hoofdstuk 5. Kennisexploitatie van deze regeling biedt hiervoor ook bepaalde voorzieningen. Technostarters ondervinden vooral financieringsproblemen voor kapitaal van € 100.000 tot € 2.500.000. Het betreft veelal de eerste en eventueel de tweede financieringsronde van het bedrijf van een technostarter. De Seed Capital Technostarters voorziet juist in deze kapitaalbehoefte en vergroot daarmee de overlevings- en (door)groeikansen van technostarters. Verder is het uitdrukkelijk de bedoeling dat startersfondsen de nodige begeleiding geven aan de technostarters waarin zij investeren.

6.2.4. Terugbetaling en hefboomwerking

De Seed Capital Technostarters kan worden beschouwd als een offensieve maatregel omdat de hoeveelheid risico-kapitaal die voor technostarters beschikbaar is, aanzienlijk wordt vergroot en het risico van private investeerders wordt verlaagd. Terugbetaling aan de overheid vindt immers alleen plaats voor zover de participatie inkomsten oplevert en niet naar rato van het ingebrachte kapitaal maar in een verhouding die voldoende gunstig is voor de fondspartijen. In de beginfase van terugbetaling wordt hun risico beperkt, in de slotfase van terugbetaling wordt hun winst gemaximaliseerd.

Dit tezamen levert een hefboomwerking op voor het rendement van fondsdeelnemers en zal daarom naar verwachting private partijen stimuleren (meer) te gaan investeren in technostarters.

De terugbetalingsverhouding tussen private partijen en de overheid van achtereenvolgens 80–20 procent, 50–50 procent en 80–20 procent is gebaseerd op de volgende gronden:

  • 1. de risico-rendement-verhouding moet in zijn totaal aantrekkelijk genoeg zijn om private investeerders te overtuigen om in technostarters te investeren;

  • 2. de risico-rendement-verhouding moet in elk geval aan de ‘down-side’ van het fonds het meest worden verbeterd. Daarom is gekozen is voor een verhouding van 80–20 procent in de eerste fase. Overigens is het netto-rendement lager omdat de private partijen de totale kosten van het fondsmanagement dragen (circa 30–50 procent van het geïnvesteerde bedrag).

  • 3. De verhouding van 50–50 procent in de tweede fase is gebaseerd op de doelstelling dat de overheid zijn lening in beginsel terugbetaald wil hebben maar dat het anderzijds voor de private investeerders ook aantrekkelijk blijft om inkomsten te genereren in deze fase.

  • 4. De verhouding van 80–20 procent in de derde fase stimuleert het fondsmanagement ertoe de aantrekkelijke derde fase te bereiken. In de praktijk zal overigens de derde fase niet altijd worden gehaald.

6.2.5. Afweging ten opzichte van alternatieve instrumenten

Bij de inrichting van de Seed Capital Technostarters zijn drie varianten beoordeeld: de overheid verstrekt investeerders een garantiestelling; de overheid biedt technostarters zelf financiële middelen; de overheid treedt op als co-financier door leningen aan private participatiefondsen te verstrekken. Doorslaggevend voor de keuze van het model van co-financiering is dat dit meer dan de eerste twee alternatieven uitzicht biedt op vergroting van het aantal verschaffers van risico kapitaal in Nederland en vergroting van de omvang van dat kapitaal in de markt. Bovendien kan het model van co-financiering relatief marktconform worden uitgewerkt: de risico’s van private investeerders worden verkleind maar blijven relevant als stimulans voor een verstandig investeringsbeleid; de overheid deelt niet alleen in de risico’s maar ook in de winst.

6.3. Beoogde effecten

De Seed Capital Technostarters is één van de actielijnen van het TechnoPartner-programma. De effectiviteit van dit programma zal worden gemeten aan de hand van de totaal gerealiseerde omzet van door het TechnoPartner-programma ondersteunde technostarters.

Deze indicator verschaft informatie over zowel het aantal technostarters als de kwaliteit (succes) van de technostarters. De invloed van het TechnoPartnerprogramma wordt ingeschat op 35 procent (te weten € 450 miljoen) van de totale omzetgroei gerealiseerd door technostarters in 2010 ten opzichte van 2003. De Seed Capital Technostarters draagt hieraan bij. Meer specifiek zal het succes van deze faciliteit worden gemeten aan de hand van het aantal opgerichte fondsen, de mobilisatie van risico-kapitaal voor technostarters en het aantal participaties in technostarters.

Het TechnoPartner-programma zal in 2010 worden geëvalueerd. Deze faciliteit zal deel uitmaken van die evaluatie.

6.4. Uitwerking
6.4.1. Tender

De Seed Capital Technostarters wordt uitgevoerd door TechnoPartner Platform, SenterNovem. De faciliteit heeft het karakter van een tender-regeling op grond waarvan startersfondsen een subsidie in de vorm van een lening kunnen krijgen. Startersfondsen kunnen jaarlijks gedurende drie maanden daarvoor een aanvraag indienen die wordt beoordeeld op de formele vereisten, maar ook op de kwaliteit van het fondsplan, de ervaring en deskundigheid van het fondsmanagement en dergelijke. Een adviescommissie zal de minister adviseren of aanvragen aan de maat zijn en, zo ja, hoe de aanvragen zich onderling verhouden.

Indien het beschikbare budget niet toereikend is om alle aanvragen die op zich aan de voorwaarden voldoen te kunnen toewijzen, worden alleen de aanvragen gehonoreerd die de hoogste plaats in de rangorde innemen. Indien de aard van de aanvragen daartoe aanleiding geeft, zal de minister de aanvragen tevoren kunnen laten analyseren op financiële en andere aspecten.

6.4.2. Fondsen: kwalificatie-, afwijzings- en rangschikkingscriteria

Startersfondsen moeten de vorm van een NV, BV, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap hebben. De Seed Capital Technostarters sluit hiermee aan bij de praktijk waarin participatiefondsen meestal één van deze rechtsvormen hebben. Ook een fonds dat is opgericht naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie en met een vergelijkbare rechtsvorm kan een aanvraag indienen. De voorwaarde ten aanzien van de rechtsvorm strekt ertoe dat in elk geval is voorzien in een aantal elementaire juridische aspecten van de fonds-organisatie.

Het gaat hier steeds om zogenaamde closed end funds, dat wil zeggen fondsen die alleen investeringen doen overeenkomstig de Seed Capital Technostarters. Zonder een dergelijke beperking zou het startersfonds participaties met en zonder overheidsbijdrage in portefeuille kunnen hebben, hetgeen zou nopen tot een reeks van administratieve maatregelen om financiële transparantie te waarborgen.

Het is niet eenvoudig te beoordelen of een startersfonds daadwerkelijk in staat is goede investeringen in technostarters te doen. Het is ook niet mogelijk zekerheden op dit vlak te creëren. Wel is het mogelijk te beoordelen of het startersfonds dat een lening vraagt, voldoet aan enkele wezenlijke karakteristieken ten aanzien van het fonds en de fondspartijen, het fondsbeheer en het participatiebeleid.

De opzet van het fonds moet blijkens onder meer de statuten transparant te zijn; er moeten geen indicaties zijn dat fondspartijen niet betrouwbaar zijn. Het fondsmanagement moet beschikken over relevante ervaring, deskundigheid en netwerk, zowel voor het verkrijgen, beheren en afstoten van participaties als voor het begeleiden van de betreffende technostarters. Het participatiebeleid dient in een fondsplan te worden neergelegd. Daarbij gaat het onder meer om de doelgroep waarin het fonds wil investeren – het technologische terrein van deze technostarters, hun levensfase en geografische focus –, de investeringsstrategie – hoe worden technostarters benaderd en, na een investeringsbeslissing, begeleid; de mate waarin naast aandelenkapitaal achtergestelde leningen worden verstrekt –, de exit-strategie, de opzet en kosten van het fondsbeheer en de waarborgen voor een behoorlijke handelwijze. Het plan wordt beoordeeld op zijn houdbaarheid en effectiviteit naar de doelgroep toe.

Om te bevorderen dat voor de beoordeling van aanvragen de relevante informatie, op een eenvoudig vergelijkbare wijze, beschikbaar komt, wordt voor de aanvraag een formulier gehanteerd waarin op deze aspecten nader wordt ingegaan. Het model voor dit formulier is in bijlage 4.1 opgenomen.

6.4.3. Leningsovereenkomst

Bij verstrekking van een lening wordt vervolgens een leningsovereenkomst gesloten tussen het startersfonds en de minister. In deze overeenkomst is het nodige bepaald over het verdere verloop van de subsidierelatie, zoals de wijze waarop uitbetalingen voor concrete participaties plaatsvinden, de vaststelling van de hoofdsom na afloop van de investeringsperiode en de wijze van terugbetaling. Een standaard leningsovereenkomst is in bijlage 4.2 opgenomen.

Met deze privaatrechtelijke vormgeving is het mogelijk betere waarborgen voor de overheid als financier in te bouwen. Onder meer wordt zo bewerkstelligd dat de overheid kan optreden als gewoon schuldeiser indien een startersfonds onverhoopt failliet zou gaan.

6.4.4. Misbruik en oneigenlijk gebruik

De Seed Capital Technostarters laat bewust veel ruimte aan private financiers voor de inrichting van een startersfonds en het voeren van een op de eigen leest en wensen geschoeid participatiebeleid. Dat veronderstelt dat fondsen waaraan een lening wordt verstrekt deze verantwoordelijkheid waarmaken en tegelijk dat er de nodige drempels zijn om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Te denken valt bijvoorbeeld aan investeringen die ertoe leiden dat het risico of verlies van eerdere investeringen deels op de overheid wordt afgewenteld; vervreemding van participaties aan verwante partijen tegen kunstmatig lage prijzen; abnormaal hoge kosten van fondsbeheer. Dit hoofdstuk bevat met het oog hierop de nodige voorzieningen.

Ten eerste geeft de rechtsvorm van het fonds bepaalde waarborgen ten aanzien van de verslaglegging (jaarrekening) en persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders.

Ten tweede biedt de beoordeling vooraf een belangrijke waarborg voor de betrouwbaarheid van een fonds en de fondspartijen. Ten derde wordt vereist dat ten minste drie onderling onafhankelijke partijen, elk zonder meerderheidsbelang, in een fonds deelnemen, dit om tegen te gaan dat één belang doorslaggevend is voor het participatiebeleid. Als ten minste twee partijen een investeringsbeslissing moeten steunen, verkleint dat de kans dat een fonds van het rechte spoor afraakt. Ten vierde dienen fondsen waaraan een lening wordt verstrekt de nodige informatie aan de minister te verstrekken, zowel per verkrijging en beëindiging van een participatie als jaarlijks. Overigens kan de minister ook zelf de vinger aan de pols houden: hij kan een vertegenwoordiger als toehoorder laten deelnemen aan overleg van het startersfonds over investeringen. Indien de informatie daartoe aanleiding geeft, kan de minister nadere gegevens opvragen of verzoeken een accountantsbeoordeling of taxatie te laten verrichten. Dit bevordert naar verwachting het ‘zelfreinigend vermogen’ omdat fondspartijen niet het risico zullen willen nemen een slechte naam te krijgen. Bovendien wordt de lening slechts verstrekt voor de investeringskosten zelf, dus met uitsluiting van de beheerskosten. En de fondsbeheerder zal door de financiers van het fonds worden aangesproken op de winstgevendheid van de investeringen. Indien niettemin mocht blijken dat een startersfonds niet voldoet aan zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst, kan de minister de overeenkomst opzeggen en daarbij het geleende geldbedrag opeisen.

7. Hoofdstuk 5. Kennisexploitatie

7.1. Doel en aanleiding

Hoofdstuk 5 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vloeit voort uit de kabinetsdoelstelling om het technostartersklimaat in Nederland te bevorderen, zoals gespecificeerd in de nota Actieprogramma TechnoPartner: ‘van kennis naar welvaart’ (aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer bij brief van 9 januari 2004, Kamerstukken II 2003/04, 27 406 nr. 5). Het Subsidieprogramma kennisexploitatie (SKE) is één van de actielijnen van dit actieprogramma. Doel van dit subsidieprogramma is het tot stand brengen van structurele voorzieningen binnen en rondom kennisinstellingen voor het valoriseren van technologische kennis ten behoeve van bestaand en nieuw bedrijfsleven. De nadruk ligt hierbij op de valorisatie van publiek gefinancierd onderzoek, met inbegrip van toegepast onderzoek, ten behoeve van technostarters. Het betreft onderzoek dat plaats vindt bij de universiteiten, universitaire medische centra en de onderzoeksinstituten, en toegepast onderzoek bij de hogescholen. Het SKE richt zich op het gehele traject van kennisexploitatie, van het doorlichten van onderzoek op commerciële potentie (screenen), het zo nodig beschermen van intellectueel eigendom door octrooiering, het zoeken van wetenschappers of ondernemers die dit onderzoek willen commercialiseren (scouten) tot het ondersteunen en faciliteren van technostarters door het realiseren van een coachingstructuur voor technostarters en het verstrekken van zogenaamde pre-seed leningen.

7.2. Achtergrond

De kwaliteit van het publiek gefinancierde onderzoek in Nederland is hoog, maar de hieruit resulterende kennis vindt veelal niet zijn weg naar de markt. Daardoor wordt deze kennis onvoldoende benut voor vergroting van de welvaart. Een groot deel van de universitaire octrooien wordt niet benut door het bedrijfsleven. Verder is gebleken dat Nederlandse kennisinstellingen zo’n 30 tot 40 procent minder spin-offs voortbrengen dan kennisinstellingen in het buitenland. Binnen deze problematiek verdient de valorisatie van kennis door startende ondernemers met een technologische invalshoek, de zogenaamde technostarters, extra aandacht. Belangrijkste redenen hiervoor zijn dat technostarters die hun oorsprong hebben in een kennisinstelling fundamenteel onderzoek ‘vertalen’ in nieuwe producten of diensten; dat de bijdrage van technostarters aan de productiviteitsgroei de laatste jaren is toegenomen en dat technostarters meer groeipotentie hebben dan andere, ‘reguliere’ starters. De ontwikkeling van het aantal technostarters in Nederland wordt belemmerd door een aantal oorzaken. Ten eerste is er een probleem ten aanzien van de financiering door onvoldoende beschikbaarheid van kapitaal. Daarnaast vormt gebrekkig ondernemerschap een knelpunt – technostarters manoeuvreren vaak niet goed in de dynamiek van leveranciers, concurrenten en klanten. Dan is er ook een gebrek aan ondernemerszin omdat onderzoekers onvoldoende worden gestimuleerd om te ondernemen of anderen te laten ondernemen met onderzoeksresultaten. Tenslotte ligt er een knelpunt ten aanzien van het verkrijgen en ten nutte maken van octrooien.

7.3. Doelgroep

De primaire doelgroep bestaat uit publiek-private kennisexploitatieverbanden, waarin minimaal één onderneming en minimaal één Nederlandse kennisinstelling als genoemd in bijlage 5.1 deelnemen. Een kennisexploitatieverband kan subsidie krijgen voor een gestructureerde aanpak van kennisexploitatie en voor het creëren van duurzame voorzieningen voor technostarters. De technostarter zal doorgaans geen deel uitmaken van het kennisexploitatieverband, maar vormt de doelgroep van de kennisexploitatieverbanden. Het kennisexploitatieverband kan een subsidie verkrijgen van maximaal 50 procent van de projectkosten van het kennisexploitatieproject, met een maximum van 2,5 miljoen euro per project.

8. Hoofdstuk 6. Ondernemerschap en onderwijs

8.1. Inleiding

De Europese regeringsleiders hebben in 2000 in de Europese Raad van Lissabon de ambitie uitgesproken dat de Europese Unie in 2010 moet zijn uitgegroeid tot de meest innovatieve en competitieve economie ter wereld. Nederland neemt die ambitie serieus en wil bovendien tot de koplopers behoren. Indien Nederland daadwerkelijk een kennissamenleving en -economie wil zijn, moeten mensen een ondernemende houding hebben en beschikken over ondernemerschapskennis en -vaardigheden. Gelet hierop heeft het kabinet, in het bijzonder het Ministerie van Economische Zaken, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Landbouw Natuur en Visserij zich tot doel gesteld om het ondernemersklimaat in Nederland te bevorderen zoals onder andere verwoord in het beleidsprogramma van dit kabinet (TK, 2006–2007, 31 070, nr. 1) .

De oprichting van het ‘Partnership Leren Ondernemen’ (hierna: partnership) op initiatief van het Ministerie van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2005 is één van de tastbare resultaten van het Actieprogramma ‘ondernemerschap en onderwijs’. Het partnership is een krachtenbundeling van publieke en private partijen die actief zijn op het gebied van ondernemerschap en onderwijs. Hoofdstuk 6 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (hierna: Ondernemerschap en onderwijs) vormt één van de actielijnen van het partnership waarbij een intensieve wisselwerking tussen onderwijsinstellingen en ondernemers de leidraad vormt.

Ondernemerschap en onderwijs beoogt een bijdrage te leveren aan het verbeteren van het ondernemingsklimaat in Nederland door vergroting en verbetering van zowel ondernemersvaardigheden en -kennis als een ondernemende attitude: meer lef, samenwerken, creativiteit, kansen zien en grijpen. Met het aanwakkeren van ondernemerszin zal ondernemen veel meer als een goede carrièremogelijkheid worden beschouwd door de gecombineerde kracht van ondernemerschap en onderwijs.

8.2. Doel en middelen

Doel van Ondernemerschap en onderwijs is het stimuleren van ondernemerschap in het onderwijs, van basisschool tot universiteit. Daartoe worden initiatieven van onderwijsinstellingen met betrekking tot ondernemerschap in het onderwijs met subsidie ondersteund. Deze initiatieven moeten gericht zijn op het ontwikkelen, breder verspreiden, verbeteren en structureel verankeren van ondernemerschapsonderwijs. Daarbij is de betrokkenheid van het bedrijfsleven onontbeerlijk.

Ondernemerschap en onderwijs zet twee actiesporen uit. Spoor I geldt voor alle onderwijssectoren, terwijl spoor II beperkt is tot hoger onderwijs. Uit dit tweesporenbeleid vloeit voort dat Ondernemerschap en onderwijs twee soorten projecten met subsidie ondersteunt: ondernemerschapsonderwijsprojecten gericht op het onderwijs en projecten gericht op het oprichten en instellen van een Centre of Entrepreneurship (hierna: CE-projecten). Een ondernemerschapsonderwijsproject moet gericht zijn op het verankeren van ondernemersvaardigheden en -kennis in het onderwijsprogramma van een onderwijsinstelling om zo de ondernemerszin bij leerlingen en studenten te vergroten en een ondernemende attitude bij scholieren en studenten te stimuleren. Dit kan op allerlei wijzen vorm worden gegeven en worden ingevuld. Ondernemerschap en onderwijs maakt het mogelijk dat uiteenlopende projecten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Een CE-project is gericht op de oprichting van een Centre of Entrepreneurship dat moet zorgen voor een brandpunt waar alle activiteiten van een hoger onderwijsinstelling op het gebied van ondernemerschap samenkomen. In Nederland zijn vrijwel alle hogescholen en universiteiten in meer of mindere mate al actief op het gebied van ondernemerschap in de vorm van stages in het bedrijfsleven, het vragen van ondernemers als gastdocenten of het faciliteren studentbedrijven. Vrijwel alle universiteiten en hogescholen hebben reeds een incubatorfaciliteit voor startende ondernemingen en bieden ondersteuning bij het patenteren. Vaak ontbreekt het echter aan een ondernemende cultuur en een integrale visie en aanpak van ondernemerschap in het hoger onderwijs. Knelpunten zijn de versnippering en het ontbreken van samenhang tussen diverse lopende initiatieven. Daarnaast krijgt een beperkte groep studenten, van bijvoorbeeld één faculteit of opleiding, de mogelijkheid ondernemerschapsonderwijs te volgen. Evenmin zijn de banden met de omgeving voldoende gericht op ondernemerschap. Teneinde de integratie van ondernemerschapselementen in het hoger onderwijs te stimuleren en deze knelpunten op te lossen wordt de oprichting van een aantal Centres of Entrepreneurship gestimuleerd.

9. Hoofdstuk 7. Beroepsonderwijs in bedrijf

9.1. Inleiding

Door toenemende internationale concurrentie en snelle technologische veranderingen nemen de eisen aan het kennisniveau en aanpassingsvermogen van de beroepsbevolking toe. Er is in toenemende mate behoefte aan meer beter én hoger opgeleiden. Deze behoefte wordt versterkt doordat de vergrijzingproblematiek het arbeidsaanbod verder onder druk zal zetten.

Het beter ontwikkelen en benutten van mogelijkheden van mensen is een antwoord op deze ontwikkelingen. Het aanwezige talent moet tot volle bloei worden gebracht en maximaal worden benut. Talent moet daarbij in brede zin worden opgevat: niet alleen kennis, maar ook vaardigheden. De ontwikkeling daarvan begint in het onderwijs: de onderwijsdeelnemers van nu zijn immers de ondernemers en werknemers van morgen.

De hele onderwijskolom is belangrijk voor de talentontwikkeling van mensen. Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en het middelbaar beroepsonderwijs(mbo) vragen echter in het bijzonder om aandacht. Terwijl de vraag naar vakmensen toeneemt, hebben juist het vmbo en mbo te maken met relatief veel ‘onderbenutting van talent’: veel voortijdig schoolverlaters, veel ongediplomeerde uitstroom, weinig maatwerk richting werkenden en werkzoekenden en een niet optimale kwalitatieve en kwantitatieve aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

Deze onderbenutting komt onder andere voort uit een te grote afstand tussen de beroepspraktijk en het beroepsonderwijs. Daardoor is de afstemming tussen wat er in het onderwijs geleerd wordt, en wat er aan kennis en vaardigheden gevraagd wordt op de (regionale) arbeidsmarkt niet optimaal. Het beroepsonderwijs zal daarom responsiever moeten worden. Met andere woorden: het beroepsonderwijs moet beter aansluiten op de wensen van de afnemers: onderwijsdeelnemers en werkgevers. Daardoor krijgen onderwijsdeelnemers aantrekkelijker onderwijs, kunnen zij een reëel beroepsbeeld ontwikkelen en betere kansen voor zichzelf creëren op de regionale arbeidsmarkt. Werkgevers krijgen hierdoor op hun beurt goed opgeleide en gemotiveerde werknemers en kunnen het reguliere beroepsonderwijs beter benutten voor scholing van hunpersoneel.

Beroepsonderwijsinstellingen kunnen dit vanzelfsprekend niet alleen: hiervoor is samenwerking met bedrijven noodzakelijk. Het natuurlijke aangrijpingspunt om deze samenwerking vorm te geven of uit te bouwen is de versterking van het praktijkleren.

Door verschillende instrumenten, zoals bijvoorbeeld de Innovatiebox en de Stagebox, wordt de onderwijssector al in staat gesteld om de wisselwerking met het bedrijfsleven een nieuwe impuls te geven. Om tot een vruchtbare samenwerking te komen is het echter noodzakelijk om ook de belemmeringen aan de kant van het bedrijfsleven zoveel mogelijk weg te nemen. Vooral voor het midden- en klein bedrijf (MKB) kunnen een gebrek aan tijd en geld samenwerking in de weg staan. Maar ook immateriële zaken, zoals de door ondernemers ervaren ontoegankelijkheid van onderwijsinstellingen, verschillen in organisatiecultuur (grote onderwijsinstelling versus kleine onderneming) en verwachtingspatronen leveren soms problemen op.

Met het oog hierop is het op grond van Hoofdstuk 6 Ondernemerschap en onderwijs van deze regeling mogelijk subsidie te verstrekken. De bepalingen in hoofdstuk 7 van deze regeling maken deel uit van het bredere Actieprogramma ‘Beroepsonderwijs in Bedrijf’ van de Ministeries van Economische Zaken, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit actieprogramma houdt een integrale aanpak in waarbij bedrijven en beroepsonderwijsinstellingen direct ondersteund en gestimuleerd worden om (toekomstige) werknemers te kwalificeren.

9.2. Doel en middelen

Doel van hoofdstuk 7 van deze subsidieregeling is de samenwerking van ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen op het gebied van praktijkleren te stimuleren en te versterken. Het beroepsonderwijs wordt zo aantrekkelijker en sluit beter aan op de arbeidsmarkt. Dit resulteert uiteindelijk in een beter en hoger gekwalificeerde beroepsbevolking.

Initiatieven van ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen om samen te werken aan nieuwe of verbeterde vormen van leren in de beroepspraktijk of met behulp van de beroepspraktijk worden met subsidie ondersteund. Vanuit de gedachte dat ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen gezamenlijk het beste kunnen bepalen wat er nodig is om het praktijkleren een kwaliteitsimpuls te geven, is er in deze regeling bewust voor gekozen om veel ruimte te laten voor de concrete invulling van een project. Sommigen hebben alleen nog maar een idee en hebben tijd nodig dit verder uit te werken tot een concrete aanpak. Anderen werken al samen op het gebied van praktijkleren, maar hebben extra ondersteuning nodig om hun bestaande initiatieven beter te laten functioneren of zijn in de fase beland waarin hun organisaties op meerjarige structurele samenwerking in het kader van het praktijkleren moeten worden aangepast. Van belang is echter wel dat er een evenwichtige inbreng is van enerzijds de ondernemers en anderzijds de onderwijsinstellingen in het project.

Samenwerking is een eerste vereiste voor subsidieverstrekking: alleen een samenwerkingsverband van ten minste één MKB-ondernemer en één beroepsonderwijsinstelling kan voor subsidie in aanmerking komen. Aangezien vooral MKB-ondernemers de hiervoor geschetste belemmeringen ondervinden, is de betrokkenheid van een MKB-ondernemer in het samenwerkingsverband vereist. Omdat grotere samenwerkingsverbanden in de regel meer slagkracht hebben, is uitbreiding van het samenwerkingsverband met meer deelnemers, zoals meerdere (MKB-) ondernemers en/of beroepsonderwijsinstellingen, maar ook met andere deelnemers zoals onderwijsinstellingen, bijvoorbeeld hogescholen, brancheorganisaties of kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, zeer wenselijk.

Een tweede vereiste voor subsidieverstrekking is dat het samenwerkingsverband een project uitvoert dat gericht is op het vernieuwen van het praktijkleren. Vernieuwing van het praktijkleren kan op verschillende manieren. Het kan gaan om aantoonbaar nieuwe activiteiten voor het samenwerkingsverband die voorheen nog niet plaatsvonden. Ook is het mogelijk om het praktijkleren te verbreden zodat een substantieel grotere doelgroep wordt bereikt dan voorheen. Daarnaast kunnen bestaande activiteiten op het gebied van praktijkleren verder worden uitgebouwd zodat op deze manier het praktijkleren wordt verdiept. De vernieuwing moet gericht zijn op één of meerdere aspecten van het praktijkleren: de vorm, de inhoud en/of het proces van het praktijkleren of de taakverdeling rondom het praktijkleren.

Voor de jaren 2007–2010 is in totaal € 48 miljoen beschikbaar .Er wordt jaarlijks een subsidieplafond vastgesteld. De regeling is doorlopend van karakter. Er is dus sprake van ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’ totdat het subsidieplafond is bereikt. Hiervoor is nadrukkelijk gekozen omdat op die manier aangesloten kan worden bij de dynamiek van bedrijven die meestal een tijdshorizon hebben van weken eerder dan van maanden. Bijkomend voordeel is dat deze aanpak ook flexibiliteit biedt aan beroepsonderwijsinstellingen, aangezien zij vaak met vaste planningsperioden gedurende het jaar te maken hebben die niet altijd overeenkomen met tenderperiodes.

10. Hoofdstuk 8. Borgstelling scheepsnieuwbouw

10.1. Algemeen

De Nederlandse scheepsbouw is een gezonde sector die zich heeft toegelegd op de productie van technologisch hoogwaardige schepen en daarmee in bepaalde markten nichespeler is. Door de herstructurering in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw en het feit dat werven zich hebben toegelegd op het efficiënt bouwen van schepen met een hoge toegevoegde waarde, heeft de sector de basis gelegd voor een gezonde internationale concurrentiepositie. De Nederlandse scheepsbouw loopt daarmee voorop in Europa en heeft daardoor haar positie ondanks de economische teruggang goed weten vast te houden. De sector, waarin ruim 10.000 mensen werkzaam zijn, is goed voor een directe productiewaarde van circa € 2 miljard, waarvan 50 procent geëxporteerd wordt. Daarnaast genereert de scheepsbouw ook indirecte productie van circa € 1,3 miljard en een indirecte werkgelegenheid van bijna 11.000 personen.

Met het oog op het op de lange termijn blijvend verbeteren van de concurrentiepositie heeft de Europese scheepsbouwindustrie in samenwerking met andere stakeholders het ‘Leadership 2015-rapport’ opgesteld. Dit rapport bevat een ambitieus programma met een achttal prioritaire aanbevelingen. Dit betreft onder andere activiteiten op het terrein van het creëren van gelijke concurrentieverhoudingen in de mondiale scheepsbouw, investeren in onderzoek, ontwikkeling en innovatie, de opzet van financierings- of borgstellingsregelingen en het bevorderen van veiliger en milieuvriendelijker schepen. In 2003 heeft Europese Commissie een mededeling opgesteld inzake het Leadership 2015-rapport. In deze mededeling spreekt zij in algemene zin haar waardering uit voor het rapport.

Ook de Nederlandse overheid onderschrijft de resultaten van Leadership 2015. Begin 2004 is door het Ministerie van Economische Zaken in overleg met de Vereniging Nederlandse Scheepsbouwindustrie (VNSI) een tweetal bijeenkomsten georganiseerd met Nederlandse stakeholders uit de sector om te komen tot een nationale invulling van Leadership 2015. Tijdens deze bijeenkomsten is bepaald welke nationale prioriteiten uit het Leadership 2015-rapport volgen. Deze liggen op het terrein van het level playing field, de financieringsproblematiek en het stimuleren van innovatie. Dit besluit beoogt een oplossing te bieden voor de financieringsproblematiek.

10.2. Borgstellingsregeling als oplossing voor de financieringsproblematiek

Op zowel nationaal als Europees niveau is sprake van een marktimperfectie waar het gaat om de financiering van nieuw te bouwen schepen. Scheepswerven hebben onvoldoende toegang tot de kapitaalmarkt. De problematiek van de financiering van een nieuw te bouwen schip hangt samen met een aantal factoren. Ten eerste is de waarde van de jaarlijkse productie van een scheepswerf vele malen groter dan de bedrijfswaarde. Ten tweede wordt een onvoltooid schip door banken niet gezien als een kapitaalgoed. Ten derde is de scheepswerf volledig aansprakelijk voor het gehele bouwproject. Werven dienen aan reders een bankgarantie af te geven voor aanbetalingen tijdens de bouw van het schip en dienen derhalve de gewonnen liquiditeit meteen weer te blokkeren ten behoeve van de bankgarantie. Dit alles leidt ertoe dat banken onvoldoende mogelijkheid zien voldoende zekerheden te vestigen voor de door hen verstrekte kredieten. Derhalve zijn zij hun belang in de scheepsbouwsector aan het afbouwen. Dit maakt het voor een scheepswerf moeilijk om de financiering van een nieuw te bouwen schip rond te krijgen.

Na overleg met zowel de sector als het bankwezen is besloten dat een borgstellingsregeling een passende oplossing is voor dit probleem, omdat een dergelijk instrument direct aangrijpt op de problematiek van de doelgroep, in principe een revolverend karakter heeft en andere Europese landen vergelijkbare, door Brussel goedgekeurde, regelingen hebben.

Gezien de goede ervaringen bij het Besluit borgstelling MKB-kredieten is er ook in hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen voor gekozen de banken de borgstelling aan te laten vragen. De subsidierelatie bestaat derhalve tussen de minister en de bank, waarbij de scheepswerf belanghebbende is. Door middel van deze constructie wordt het probleem opgelost waar het zich voordoet, namelijk op het punt van financiering aan de scheepswerf door de banken. Op deze wijze wordt bovendien gebruik gemaakt van de kennis van de bank op het gebied van financiering in de scheepsnieuwbouwsector. De opdrachtgever bleek in de praktijk geen rol te kunnen spelen in de oplossing van de financieringsproblematiek. Deze staat in de gekozen constructie verder af van de subsidierelatie. De opdrachtgever heeft alleen een relatie met de scheepswerf.

De Nederlandse regeling zal voorzien in het verstrekken van borgstellingen met betrekking tot de financiering van nieuw te bouwen schepen. De Tweede Kamer is geïnformeerd over het voornemen de borgstellingsregeling in te stellen in een brief van 16 april 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 29 505, nr. 6).

Dit hoofdstuk beoogt voldoende financieringscapaciteit voor de scheepswerf te creëren. In dit kader worden de bestaande kredietlimieten bij de bank en diens bereidheid deze te continueren en zonodig te verhogen, mede in overweging betrokken. In geen geval mag de verstrekking van het krediet waarvoor borg wordt gestaan er toe leiden dat de betrokken bank de limiet van haar bestaande faciliteit verlaagt.

Dit hoofdstuk voorziet in het verstrekken van borgstellingen inzake financiering van scheepsnieuwbouwprojecten van onder andere binnenvaartschepen, plezierjachten, zeeschepen, sleepboten, visserschepen en schepen voor verrichting van speciale diensten. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op militaire schepen.

10.3. Financiële paragraaf

Gelet op de jaarlijkse productiewaarde van de sector van ongeveer € 2 miljard is na overleg met de banken en de sector besloten een jaarlijks garantieplafond van € 1 miljard in te stellen. Daarmee wordt een wezenlijke bijdrage geleverd aan de oplossing van de financieringsproblematiek van de scheepsbouwsector. Uitgaande van een gemiddelde bouwtijd van anderhalf jaar, levert dit een gemiddeld uitstaand risico op van € 1,5 miljard.

Om een inschatting te maken van de kans dat de borgtocht wordt ingeroepen, is een analyse gemaakt van de markt en is tevens gekeken naar de wijze waarop daarmee in ons omringende landen bij soortgelijke regelingen is omgegaan. Dit heeft geleid tot de inschatting dat de kans dat de borgtocht daadwerkelijk zal worden ingeroepen minimaal is. Op basis daarvan is het risico gewaardeerd op 1 procent. Uitgaande van het jaarlijks garantieplafond van € 1 miljard en het risico op inroepen van 1 procent wordt het uit te keren bedrag geraamd op € 10 miljoen gemiddeld per jaar. De provisie die de staat over de borgstelling zal ontvangen bedraagt eveneens gemiddeld 1 procent.

Ondanks de lage kans op déconfiture, kan het inroepen van een borgstelling toch tot flinke schommelingen in de ramingen met betrekking tot de uitkering leiden. De Staat garandeert namelijk 80 procent van 80 procent van een bedrag dat varieert van € 3 miljoen tot € 100 miljoen. Om deze schommelingen op te kunnen vangen zal, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik worden gemaakt van het instrument ‘interne begrotingsreserve’. De reserve wordt jaarlijks aangevuld met de ontvangen provisies verminderd met de uitgekeerde borgtochten en uitvoeringskosten. Gezien de hoge prioriteit die niet alleen de sector maar ook de Tweede Kamer aan deze problematiek heeft toegekend en ter afdekking van de risico’s in de eerste jaren, heeft het Kabinet in het voorjaar van 2004 besloten om in totaal € 20 miljoen voor dit besluit ter beschikking te stellen. Deze middelen vormen de basis voor de interne reserve.

11. Uitvoering

Het Kaderbesluit is gebaseerd op de Kaderwet EZ-subsidies. Op basis van artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies verstrekt de Minister van Economische Zaken subsidie. Via mandaat zal worden vastgelegd wie deze regeling namens de Minister van Economische Zaken uitvoert. In veel gevallen zal dit SenterNovem zijn, het agentschap voor duurzaamheid en innovatie van het ministerie van Economische Zaken.

12. Administratieve lasten

12.1. Algemeen

Het concrete subsidiebeleid wordt via ministeriële regelingen, gebaseerd op het Kaderbesluit EZ-subsidies, vormgegeven. Deze regeling geeft invulling aan het subsidiebeleid op het gebied van starten, groeien en overdragen. Door het sterk regulerende karakter van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden de lasten in de ministeriële regelingen tot een minimum beperkt. De keerzijde van het Kaderbesluit EZ-subsidies is dat alternatieven met minder administratieve lasten op hoofdstukniveau niet altijd doorgevoerd kunnen worden omdat daarmee afbreuk gedaan wordt aan het achterliggende idee van harmonisatie van het Kaderbesluit en de administratieve lasten als geheel toenemen. Slechts bij hoge uitzondering zijn afwijkingen of alternatieven mogelijk. Deze moeten dan gerechtvaardigd zijn.

In een aantal in deze regeling opgenomen instrumenten wordt subsidie verleend aan financiële instellingen. Deze instrumenten bestaan al geruime tijd en zijn zeer lastenarm ingericht. De instellingen hechten er zeer aan dat zo min mogelijk wijzigingen in de systematiek worden doorgevoerd. Juist daarom zijn de oude regelingen maximaal 1 op 1 overgezet naar deze ministeriële regeling. Bewust zijn geen alternatieven overwogen.

12.2. Effecten op de administratieve lasten

De administratieve lasten van deze regeling zijn nog niet te bepalen omdat de beleidsbudgetten nog niet zijn vastgesteld. Ook zullen in de loop der jaren onderdelen worden toegevoegd en weer verdwijnen. Binnen een beleidsterrein moet steeds aangesloten worden bij de dan bestaande noodzaak voor overheidsinterventies. Voor de subsidies waar het niet gaat om garantstelling of borgstelling aan financiers zoals Kennisexploitatie en Beroepsonderwijs in bedrijf zal sprake zijn van merkbare reducties door:

  • kostengrondslagen die aansluiten bij bedrijfsvoering subsidie-ontvanger;

  • vermindering rapportages;

  • eenvoudiger bevoorschottingsregime;

  • geharmoniseerde en gestandaardiseerde formulieren

  • vermindering van verplichtingen gekoppeld aan ontheffingsverzoeken;

  • eis van accountantsverklaring terugbrengen.

Per hoofdstuk is de mate van reductie verschillend omdat vanaf 2006 stap voor stap al een aantal vernieuwingen, en dan met name de vermindering van rapportages en de aanpassing van kostengrondslagen, is ingevoerd bij wijze van experiment om de toepasbaarheid te testen.

De in 2008 uitgevoerde nulmeting door de Regiegroep Regeldruk geeft concreet inzicht in de verkrijgingskosten. Een aantal daar gemeten instrumenten geven nader inzicht in de lasten van de onderhavige regeling. Dit natuurlijk met de kanttekening dat in deze cijfers geen sprake is van een volle realisatie van de met het kaderbesluit beoogde effecten.

  • Groeifaciliteit – relatieve last 0,05

  • SEED faciliteit – relatieve last 2,88%

  • Kennisexploitatie – relatieve last: 2,16%.

Verwachte verdere vermindering door met name automatische bevoorschotting en rapportagesysteem.

De Borgstellingsregeling MKB is vergelijkbaar met de Groeifaciliteit qua algemene methode, maar verschilt in de wijze waarop het beroep op de borgstelling wordt gedaan. Het reserveringsquotum van de regeling geeft een dekking voor een reeks van kleinere leningen. Dit betekent dat er op jaarbasis sprake is van enige honderden declaraties steeds voor die leningen waarvoor de bank niet kan komen tot een normale afwikkeling.

13. Staatssteun

Het Kaderbesluit EZ-subsidies voldoet aan de Europese regels ten aanzien van staatssteun. Om dit te bewerkstelligen heeft het Ministerie van Economische Zaken onder andere op basis van het staatssteunkader voor Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (2006/C 323/01) een melding gedaan bij de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft bij beschikking van 22 mei 2007 (N56/2007) haar goedkeuring uitgesproken over het Kaderbesluit. Daarnaast maakt het Ministerie van EZ gebruik van de algemene groepsvrijstellingsverordening van de EC (EC 800/2008) en de deminimisverordening (1998/2006). Hiermee is het Kaderbesluit in lijn met alle regels ten aanzien van staatssteun.

De module ‘subsidieregeling starten, groeien, overdragen’ is in lijn met de regels ten aanzien van staatssteun. Voor wat betreft: het besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 en de Uitvoeringsregeling BBMKB 1997 wordt gebruik gemaakt van de deminimisverordening; het besluit borgstelling scheepsnieuwbouw en de uitvoeringsregeling borgstelling scheepsnieuwbouw wordt niet aangemerkt als zijnde staatssteun; de regeling groeifaciliteit, de regeling subsidieprogramma kennisexploitatie en de regeling impuls kennisexploitatie creatieve starters wordt gebruik gemaakt van de algemene groepsvrijstellingsverordening; de regeling seed capital technostarters wordt gebruik gemaakt van de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (2006/C 194/02); de subsidieregeling beroepsonderwijs in bedrijf wordt niet aangemerkt als zijne staatssteun.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1.2

Ingevolge artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies dient de subsidie-ontvanger bij een aanvraag om subsidie van € 125.000 of meer, uiterlijk bij de aanvraag om subsidievaststelling een afschrift in van een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant over de uitkomst van het onderzoek naar de door de subsidie-ontvanger gehanteerde integrale kostensystematiek.

Met dit artikel wordt hieraan uitwerking gegeven door het vaststellen van een model van dit rapport. Vanwege het voorschrift dat het afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen uiterlijk pas bij de aanvraag om subsidievaststelling hoeft te worden ingediend, kan de subsidie-ontvanger het laten opstellen van dit rapport desgewenst combineren met de accountantsverklaring die voor de aanvraag om vaststelling nodig is. Deze combinatie kan verlagend werken op de totale kosten van de subsidie-ontvanger, temeer omdat ook pas uiterlijk bij de vaststelling van subsidies waarvoor een accountantsverklaring is vereist (bij subsidie-aanvragen van € 125.000 of meer) door een accountant moet worden gecontroleerd of de per jaar gehanteerde voorcalculatorische tarieven correct zijn berekend.

Het rapport van feitelijke bevindingen van een accountant over de uitkomsten van het onderzoek naar de door de subsidie-ontvanger gehanteerde integrale kostensystematiek betreft:

  • de basisvoorwaarden voor de integrale kostensystematiek en

  • de kostenposten die in de berekening zijn opgenomen.

Bij wijzigingen in een of meer onderdelen van de algehele systematiek, de basisvoorwaarden, de systematiek van de berekening of de kostenposten die in de berekening zijn opgenomen dient de subsidie-ontvanger uiterlijk bij de aanvraag om subsidievaststelling van een subsidie waarop deze wijziging invloed heeft een afschrift van een actueel rapport van feitelijke bevindingen van een accountant in.

In artikel 12, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is de mogelijkheid opgenomen rapporten aan te wijzen die als alternatief kunnen dienen voor het in het derde lid van dit artikel genoemde rapport van feitelijke bevindingen over de door de subsidie-ontvanger gehanteerde integrale kostensystematiek. Het Zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie kent een gelijksoortig rapport van een externe accountant. Het model dat op Europees niveau voor dit rapport is vastgesteld is gedetailleerder dan het model dat in het eerste lid van dit artikel is vastgesteld. Door de mogelijkheid te bieden om, in plaats van het nationale model, het Europese model te volgen, worden dubbele administratieve lasten voorkomen.

Het model voor het onafhankelijk rapport van feitelijke bevindingen en de voorgeschreven verklaringen van de subsidie-aanvrager inzake de genoemde methode en de procedures voor de accountant ten behoeve van het doen van diens feitelijke bevindingen zijn vermeld in bijlage VII van de Subsidie Overeenkomst die de Europese Commissie afsluit met de subsidie-ontvanger. Bijlage VII is te vinden op de ‘Cordis-site’ van de Europese Commissie onder ftp://ftp.cordis.europa.eu/pub/fp7/docs/fp7-ga-annex7e-v2_en.pdf.

Artikel 1.5

In dit artikel wordt vastgesteld dat deze regeling valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening. Deze bepaling is verplicht op grond van artikel 3, eerste lid, van deze verordening. Vanwege het brede bereik van deze algemene groepsvrijstellingsverordening en van deze regeling, is niet op voorhand aan te geven voor welke hoofdstukken van deze regeling de algemene groepsvrijstellingsverordening relevant is. In de beschikkingen tot subsidieverlening die op basis van deze regeling worden genomen zal indien relevant, op grond van artikel 3, tweede lid, en artikel 9, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, steeds moeten worden aangegeven onder welk artikel van de groepsvrijstellingsverordening deze beschikking valt, alsmede enkele andere gegevens, die genoemd zijn in de artikelen 3, tweede lid, en 9, tweede lid van deze verordening.

Artikel 2.2

In artikel 2.2 is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk als financier wordt aangewezen een bank, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is. Blijkens artikel 1 van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt onder een bank een kredietinstelling verstaan die voldoet aan de omschrijving van bank als vermeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en die bevoegd is in een lidstaat van de Europese Unie het bedrijf van bank uit te oefenen. Dit kunnen algemene banken, spaarbanken en hypotheekbanken zijn. Effectenbanken zijn uitgesloten.

Artikel 2.3

Dit hoofdstuk is gericht op het verlenen door de staat van borgstellingen ten behoeve van door banken te verstrekken kredieten aan MKB-ondernemers.

Artikel 2.3 bevat, tezamen met de afwijzingsgronden in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en artikel 2.5, de criteria voor het verstrekken van subsidie aan een financier voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten en bodemsaneringsborgstellingskredieten.

Ingevolge het tweede lid wordt de subsidie verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst. De subsidie wordt met andere woorden verleend in de vorm van een privaatrechtelijke borgstellingsovereenkomst. Dit impliceert dat al hetgeen de omvang van de borgstelling en de rechten en verplichtingen van de borg en de kredietinstelling betreft zullen worden geregeld in die overeenkomst. Daarmee is het Burgerlijk Wetboek erop van toepassing en houdt ook de jurisprudentie terzake zijn betekenis. Uit de beschikking tot subsidieverlening op grond van dit artikel vloeien geen directe financiële verplichtingen voort.

Artikel 2.4

In artikel 2.4 is bepaald dat de subsidie, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder de de-minimis verordening valt. Dit betekent dat de steunregels gegeven in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193) van toepassing zijn.

Artikel 2.5

Artikel 2.5 geeft aan in welke situaties een financier niet voor subsidie op grond van dit hoofdstuk in aanmerking komt. De in dit artikel gegeven uitzonderingen zijn andere subsidieregelingen van toepassing of is sprake van beschermde of gereguleerde markt.

Artikel 2.7

Nadat een financier subsidie als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, heeft verkregen en een borgstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten, kan een financier een krediet onder de werking van de borgstellingsovereenkomst brengen door zich bij de minister te melden. Hiermee doet de financier een beroep op het subsidieplafond, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid. Ingevolge het tweede lid stelt de minister het maximumbedrag per financier uiterlijk 1 februari van elk jaar ambtshalve vast voor het voorgaande kalenderjaar.

Artikel 2.8

Ingevolge het eerste lid wordt er borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag. Indien er sprake is van een borgstellingskrediet aan een starter wordt in afwijking van het eerste lid borg gestaan voor 100 procent van het kredietbedrag. Daarnaast gelden voor starters en innovatieve MKB-ondernemers andere verhoudingen tussen het borgstellingskrediet en het door de bank geheel voor eigen risico verstrekte krediet.

Artikel 2.10

De in dit artikel genoemde formulieren zijn verkrijgbaar bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Postbus 93144, 2509 AC te ’s-Gravenhage en via de website www.senternovem.nl/bbmkb. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies gaat de aanvraag, overeenkomstig in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.

Artikel 3.1

Aandelenkapitaal

Financiering door de verkrijging van aandelenkapitaal kan direct plaatsvinden, door de volstorting van aandelen, of door omzetting van een achtergestelde lening met conversierecht.

Achtergestelde lening

In dit onderdeel wordt de achtergestelde lening van de financier aan de MKB-ondernemer omschreven. Ten eerste is van belang dat de lening door de MKB-ondernemer wordt gebruikt voor eigen activiteiten. Het is derhalve niet mogelijk dit risicokapitaal dat onder de garantstelling van de Groeifaciliteit is gebracht, ‘door te lenen’ aan derden. Als zodanig wordt niet beschouwd de situatie waarin binnen een groep van ondernemingen kapitaal wordt ‘overgeheveld, zoals in het geval kapitaal via een koopholding naar de productie-onderneming van het bedrijf wordt doorgesluisd.

De achtergestelde lening betreft een financieringsvorm die relatief dicht aanligt tegen financiering door middel van aandelenkapitaal vanwege de achterstelling en de beperking van zekerheden. Daarom kan de lening zoals omschreven in het eerste onderdeel van de definitiebepaling, anders dan bij reguliere kredietverlening, niet door een zekerheid worden gedekt, uitgezonderd een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de MKB-onderneming. Banken zijn gewoon een dergelijke borgstelling te vragen om op die wijze zeker te stellen dat de ondernemer zich ook persoonlijk aan de investering committeert, in het bijzonder in situaties dat de ondernemer zelf slechts weinig eigen vermogen in de onderneming heeft gestoken terwijl de bank verreweg de belangrijkste financier van de onderneming is. Deze praktijk, het persoonlijk committeren van de ondernemer, blijkt inmiddels ook usance bij participatiemaatschappijen.

De achterstelling van de lening heeft betrekking op de situatie van ontbinding van de rechtspersoon van de onderneming of van een akkoord na surséance van betaling, faillissement of schuldsanering. Bijgevolg hebben in deze situaties andere schuldeisers voorrang boven de verstrekker van de achtergestelde lening ten aanzien van de niet vervallen aflossingen. De verplichting van de MKB-ondernemer tot het doen van aflossingen op de hoofdsom en tot betaling van rente, en het vorderingsrecht van de financier blijven ongewijzigd. De achterstellingsclausule kan, maar hoeft geen betrekking te hebben op de vervallen aflossingen en rentetermijnen. Voorts impliceert de clausule niet een achterstelling op alle andere vorderingen. Ten eerste geldt een uitzondering voor vorderingen die evenzeer zijn achtergesteld op alle andere schuldeisers en derhalve een gelijke rang hebben, zodat de opbrengsten naar rato aan alle achtergestelde vorderingen dienen te worden verdeeld. Ten tweede geldt een uitzondering voor het geval een aandeelhouder in de onderneming een lening aan de ondernemer heeft verstrekt. Deze uitzonderingsbepaling is van toepassing ook indien betrokkene naderhand zijn aandelen heeft verkocht. De uit de bedoelde lening voortvloeiende schulden kunnen, desgewenst, buiten de achterstelling worden gehouden. Tenslotte is de achterstelling gecompleteerd door te bepalen dat de financier niet door verrekening met schulden aan de MKB-ondernemer de achterstelling kan omzeilen.

In het tweede onderdeel van de definitiebepaling wordt een andere leningsvorm aangemerkt als achtergestelde lening omdat de hiervoor bedoelde formele achterstelling bij bedrijfsovernames als bezwaarlijk wordt gezien. Veelal vindt een bedrijfsovername plaats door de koop van de aandelen van een vennootschap door een BV, de zogenaamde koopholding. De vennootschap krijgt het karakter van een werkmaatschappij van de koopholding. De koopsom van die aandelen wordt door de koopholding gefinancierd met eigen vermogen en met leningen van de verkopende aandeelhouders en van een financier. Voor de lening van de financier worden de aandelen verpand. Deze lening is de facto achtergesteld bij alle crediteuren van de werkmaatschappij – wier vordering op grond van het Burgerlijk Wetboek een hogere rang heeft –, terwijl gebruikelijk is dat de financier een preferente positie ten opzichte van de aandeelhouders die ook een lening hebben verstrekt, bedingt.

Rekening wordt gehouden met deze financieringspraktijk. Daartoe wordt in het tweede onderdeel van de definitiebepaling tevens als achtergestelde lening aangemerkt een lening die wordt verleend aan een MKB-ondernemer met een koopholding ter financiering van een werkmaatschappij zonder dat een formele achterstellingsclausule wordt vereist. Hierbij bestaat de mogelijkheid van zekerheidstelling door zowel een persoonlijke borgstelling van de aandeelhouder in de MKB-ondernemer als verpanding van de aandelen van de werkmaatschappij.

Reserveringsquotum

Jaarlijks kan een financier die op grond van de Groeifaciliteit een garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten, een quotum reserveren. Tot ten hoogste het bedrag van dat quotum kan hij voor concrete financieringen garanties verkrijgen, en wel gedurende drie jaar indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft en twee jaar indien reeds eerder een reservingsquotum is toegekend. Het maximum van de onder de garantstelling gebrachte financieringen bedraagt derhalve het dubbele van het quotum.

Risicokapitaal

Ingevolge deze bepaling is sprake van de verstrekking van risicokapitaal bij de verstrekking van een achtergestelde lening of bij verkrijging van aandelen. Indien een aandelenparticipatie uit emissies is verkregen, kan uit een latere emissie een volgende aandelenparticipatie worden verkregen. Voor de toepassing van deze regeling worden deze participaties dan als afzonderlijke verstrekkingen van risicokapitaal beschouwd. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over de verstrekking van risicokapitaal, betreft dat het tijdstip waarop de overeenkomst ter zake wordt gesloten. De eigendomsverkrijging vindt eerst later plaats, bijvoorbeeld door de volstorting van aandelen.

Waarde van aandelenkapitaal

De waarde van aandelenkapitaal kan wijzigen als gevolg van de conversie van achtergestelde leningen. Voor zover daarbij een terug- of bijbetaling plaatsvindt, wordt deze verrekend in de waarde van het aandelenkapitaal. Indien bij conversie de nominale waarde wordt gewijzigd, heeft dat geen gevolgen voor de waarde van het aandelenkapitaal – de nominale waarde zelf is geen voldoende indicatie over de waarde van aandelen.

Waarde van een achtergestelde lening

In het kader van dit hoofdstuk wordt de hoogte van de garantie en van de risicopremie bepaald aan de hand van de waarde van het verstrekte kapitaal. Voor achtergestelde leningen is dat het bedrag dat nog niet is afgelost. Aflossingen vinden in de regel plaats volgens een aflossingsschema. Afgezien van de mogelijkheid dat partijen een wijziging van dit schema overeenkomen, kan het gebeuren dat de debiteur incidenteel een hoger of een lager bedrag aflost. De feitelijke aflossingssituatie is bepalend, ook als de debiteur in gebreke is bij het doen van aflossingen.

De waarde van de achtergestelde lening zal per kwartaal worden bepaald.

Voor converteerbare achtergestelde leningen geldt het voorgaande onverkort voor het deel van de lening dat niet is geconverteerd in aandelenkapitaal.

Artikel 3.2

Het eerste lid bevat, tezamen met de afwijzingsgronden in de artikelen 22 en 24, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, de belangrijkste criteria voor het verstrekken van subsidie aan een financier, niet zijnde een startersfonds als bedoeld in artikel 4.1, voor het verstrekken van risicokapitaal aan een MKB-ondernemer.

Ingevolge het tweede lid wordt subsidie verstrekt in de vorm van een garantstelling voor de terugbetaling van risicokapitaal dat de financier op grond van een overeenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van twaalf jaar.

De subsidiebeschikking en de garantstellingsovereenkomst bieden het kader voor de garantstelling voor risicokapitaal dat gedurende een reeks van jaren door de financier verstrekt zal gaan worden. Dit kader wordt nader ingevuld. Voorzien is in een regime voor de periodieke verdeling van de beschikbare middelen. Jaarlijks kunnen financiers die een garantstellingsovereenkomst hebben gesloten, een budget reserveren waarbinnen zij gedurende twee jaar verstrekkingen van risicokapitaal onder de garantstelling kunnen brengen. In het derde lid is vastgelegd dat de garantstelling geen betrekking heeft op verstrekkingen van risicokapitaal als deze niet worden gedekt door een toereikend en geldig quotum. In artikel 3.9 is de toewijzing van reserveringsquota geregeld.

Uit de beschikking tot subsidieverlening op grond van dit artikel vloeien geen directe financiële verplichtingen voort.

Artikel 3.3

In artikel 3.3 is bepaald dat de financier geen risicokapitaal verstrekt aan een MKB-ondernemer wier activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op een aantal sectoren. Voor de sectoren van landbouw, visserij en aquacultuur geldt dat het Ministerie van Landbouw en Visserij eigen subsidievoorzieningen heeft, dan wel ontwikkelt. Ook de financiële en vastgoedsectoren zijn uitgezonderd, zij het dat garantstellingen voor bijvoorbeeld makelaars en tussenpersonen worden toegestaan. Reden hiervoor is dat de Groeifaciliteit is gericht op het wegnemen van het knelpunt in de kapitaalmarkt voor MKB-ondernemers om een groei van de productiviteit te bewerkstelligen. Het is niet wenselijk dat de overheidsgarantstelling wordt gebruikt voor het faciliteren van afgeleide activiteiten zoals inzake beleggingen. Tenslotte zijn ondernemers in de sector van de gezondheidszorg uitgezonderd. Het betreft aanbieders in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg. Een zorgaanbieder is in die wet gedefinieerd als een natuurlijke of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent dan wel de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in verband daarmee tarieven in rekening brengt.

Artikel 3.4

In het eerste lid van dit artikel is de omvang van de garantie bepaald op 50 procent van de waarde van de desbetreffende verstrekkingen van risicokapitaal. Omdat het mogelijk is bij de financiering van een MKB-ondernemer slechts een gedeelte van deze financiering onder de garantstelling te brengen, kan het garantiepercentage over de totale financiering lager zijn dan 50 procent. De omvang van de garantie is ten aanzien van aandelenkapitaal een vast gegeven maar ten aanzien van een achtergestelde lening is de omvang van de garantie afhankelijk van de mate waarin de lening is afgelost.

De subsidiebeschikking en de garantstellingsovereenkomst bieden het kader voor de garantstelling voor risicokapitaal dat gedurende een reeks van jaren door de financier verstrekt zal gaan worden. Dit kader wordt nader ingevuld. De garantstelling wordt geconcretiseerd doordat verstrekkingen van risicokapitaal die een financier onder de garantstelling wil brengen, tevoren aan het Ministerie van Economische Zaken moeten worden aangemeld. In de uitvoeringsovereenkomst zijn hiervoor de nodige bepalingen opgenomen. Op deze wijze kan worden vastgesteld of de beoogde kapitaalverstrekkingen inderdaad onder de garantstelling kunnen worden gebracht. Bovendien kan op basis van deze informatie het budgettaire beslag van de Groeifaciliteit worden bepaald. Dat pas bij de aanmelding duidelijk wordt op welke kapitaalverstrekkingen de garantstelling betrekking heeft, doet niet af aan het feit dat de garantstelling als zodanig bestaat vanaf het sluiten van de garantstellingsovereenkomst.

De financier die een garantstellingsovereenkomst heeft gesloten, is niet gehouden kapitaalverstrekkingen aan MKB-ondernemers steeds onder de garantstelling te brengen of deze volledig onder de garantstelling te brengen. Hij kan er voor kiezen niet of niet geheel gebruik te maken van de garantstelling, bijvoorbeeld omdat een deel van de financiering niet aan de voorwaarden van de regeling voldoet of in verband met de kosten van de garantstelling. Blijkens het tweede lid geldt in dat geval de Groeifaciliteit – en ook de uitvoeringsovereenkomst – in beginsel slechts ten aanzien van het risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht.

Artikel 3.5

De garantstelling heeft slechts betrekking op verstrekkingen van risicokapitaal aan MKB-ondernemers mits wordt voldaan aan de voorwaarde die in artikel 3.5 is genoemd. Met deze voorwaarde wordt beoogd dat de garantstelling uitsluitend ten goede komt aan nieuwe activiteiten van in de kern gezonde ondernemingen. In dit artikel is een maximum bepaald voor het aan één MKB-ondernemer te verstrekken risicokapitaal. In geval van financieringen op grond van dit hoofdstuk die afkomstig zijn van verscheidene financiers worden deze bij elkaar opgeteld voor de toepassing van dit maximum. Ook indien de MKB-ondernemer financieringen heeft verkregen of gelijktijdig verkrijgt van participatiemaatschappijen die worden gefaciliteerd door hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien, overdragen van ondernemingen, worden deze betrokken bij de toepassing van het maximum van € 5.000.000. Voor zover de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, dat wil zeggen een economisch samenwerkingsverband zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Kaderbesluit EZ-subsidies geldt het maximum voor het aan de groep verstrekte of te verstrekken risicokapitaal. Van een eerder verstrekte achtergestelde lening is alleen het niet afgeloste deel van de lening relevant.

Het maximum van € 5.000.000 wordt aangehouden omdat er van uitgegaan wordt dat financieringen in de vorm van risicokapitaal boven dit bedrag in voldoende mate plaatsvinden zonder dat overheidsoptreden noodzakelijk is. Deze anti-cumulatiebepaling heeft alleen betrekking op de verstrekking door een financier van risicokapitaal voor de ondernemer als zodanig. Het voorgaande betekent dat geen beperkingen worden opgelegd ten aanzien van subsidies die direct door de overheid zijn of worden verstrekt en gesubsidieerde financieringen van financiers die betrekking hebben op specifieke projecten of op de verstrekking van gewoon krediet. Als zodanig kunnen bijvoorbeeld worden beschouwd hoofdstuk 3, van de Subsidieregeling innoveren op grond waarvan concrete innovatieprojecten kunnen worden gesubsidieerd, respectievelijk hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien, overdragen van ondernemingen.

Artikel 3.6

In artikel 3.6 is geregeld dat de Adviescommissie Groeifaciliteit tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgrond voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 3.7

Bij een toewijzende subsidiebeschikking op grond van artikel 3.2 wordt een ontwerp van een garantstellingsovereenkomst gevoegd die betrekking heeft op achtergestelde leningen en aandelenkapitaal of op niet converteerbare achtergestelde leningen. Omdat voor een garantstelling voor alleen achtergestelde leningen kan worden volstaan met een lichtere toetsing, wordt onderscheid gemaakt tussen (het aanbod voor) een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van achtergestelde leningen en aandelenkapitaal en die ten aanzien van niet converteerbare achtergestelde leningen. De overeenkomsten zijn voor het overige gelijkluidend. Het ontwerp voor de garantstellingsovereenkomst wordt opgesteld aan de hand van één van de in de bijlagen opgenomen modellen en kan aanvullend op dit model voorschriften bevatten met het oog op de effectiviteit van de garantstelling.

Artikel 3.8

In dit artikel is bepaald dat de minister het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen verdeelt. Dit betekent dat voor de verdeling van het beschikbare garantstellingsbudget het uitgangspunt ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’ geldt.

Artikel 3.9

In artikel 3.9 is bepaald in welke situaties een aanvraag om een reservingsquotum wordt afgewezen. Uit onderdeel a blijkt dat indien een financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten of geen aanvraag voor het sluiten van een garantstellingsovereenkomst heeft ingediend, een aanvraag om een reserveringsquotum geheel of gedeeltelijk zal worden afgewezen. Verder volgt uit onderdeel b dat de aanvraag om een reservingsquotum ten minste € 500.000 dient te bedragen. Hiermee is beoogd te voorkomen dat ook voor zeer kleinschalige investeringsactiviteiten een beroep op de Groeifaciliteit wordt gedaan.

Er kan zich een situatie voordoen waarin een financier bij de naleving van de garantstellingsovereenkomst in gebreke is en niettemin een nieuw reserveringsquotum aanvraagt. Bij een zeer verwijtbaar handelen, bijvoorbeeld het hanteren van een schijnconstructie om voor het afstoten van aandelenkapitaal een verliesdeclaratie te kunnen indienen kan dat reden zijn de nieuwe aanvraag af te wijzen.

Artikel 3.10

Op grond van het eerste lid is voor de reservering van een quotum een provisie van 1 procent van dit quotum verschuldigd. Deze reserveringspremie wordt in rekening gebracht nadat het quotum is toegekend.

Ingevolge het tweede lid geldt een jaarlijkse risicopremie van 2,5 procent voor zover de garantie betrekking heeft op niet converteerbare achtergestelde leningen, en 3 procent voor zover het andere financieringen betreft, welke percentages zijn gerelateerd aan het gegarandeerde deel van het risicokapitaal. Zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting is in de praktijk de kans dat bij leningen een beroep wordt gedaan op de garantie kleiner dan bij aandelenkapitaal. Bij financieringen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit aandelenkapitaal is sprake van een hoger risico en tegelijk van een grotere winstkans (upside potentials), zodat daarvoor de risicopremie van 3 procent geldt. Voor een financiering die alleen uit een achtergestelde lening bestaat, wordt de lagere risicopremie gehanteerd. Een uitzondering geldt voor de converteerbare achtergestelde lening. Als leningen kunnen worden omgezet in aandelenkapitaal, is in de praktijk de winst- en risicosituatie van deze financieringen niet wezenlijk anders dan voor aandelenkapitaal. Daarom geldt hiervoor het hoge tarief. Ook indien een financier een MKB-ondernemer een financiering verstrekt die deels bestaat uit een gegarandeerde, niet converteerbare achtergestelde lening en deels uit een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal, al dan niet onder de garantstelling gebracht, geldt voor de totale gegarandeerde financiering een risicopremie van 3 procent. Soms worden in het kader van een financieringsronde na elkaar verschillende financieringsovereenkomsten gesloten. Ook indien bijvoorbeeld de financier eerst een achtergestelde lening verstrekt aan een onderneming en enkele weken later aandelen in die onderneming verkrijgt, wordt dit voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als een financiering waarop de premie van 3 procent van toepassing is.

Een financier is risicopremie verschuldigd voor het totaal van de aan MKB-ondernemers verstrekte financieringen met garantie. Het verschuldigde bedrag is samengesteld uit premies die per financiering worden berekend met toepassing van de lage of de hoge provisie.

Artikel 3.11

Toepassing van het systeem van reserveringsquota biedt zekerheid aan de financier die een quotum heeft verkregen maar kan tot gevolg hebben dat een deel van de toegekende quota niet worden benut. Met deze bepaling wordt de mogelijkheid geschapen quota geheel of gedeeltelijk over te dragen aan andere financiers die ook een garantstellingsovereenkomst met de Staat hebben gesloten. Daartoe dienen de vervreemdende en de verkrijgende partij een gezamenlijk verzoek bij SenterNovem van het Ministerie van Economische Zaken in te dienen dat vervolgens het quotum overschrijft op naam van de verkrijgende partij.

Artikel 3.12

De jaarlijkse evaluatie dient er onder meer toe na te gaan of de Groeifaciliteit overeenkomstig het uitgangspunt kostendekkend is. Bij de evaluatie worden in elk geval de gegevens over de toepassing van de Groeifaciliteit verzameld waarvan aan de Europese Commissie is toegezegd dat deze jaarlijks aan de Commissie zullen worden verstrekt. Indien een evaluatieverslag daartoe aanleiding geeft, zal de regeling worden aangepast om de kostendekkendheid te kunnen waarborgen – bijvoorbeeld door bijstelling van de provisie of van het bereik van de Groeifaciliteit.

Artikel 3.13

De in artikel 3.13 bedoelde aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij SenterNovem (www.senternovem.nl; postbus 91344, 2509 AC ’s-Gravenhage). In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden.

Artikel 4.1

Achtergestelde vordering, participatie

Ingevolge de doelstelling van dit hoofdstuk staat de verstrekking van risicodragend kapitaal voorop. Blijkens de definitie van achtergestelde vordering wordt als zodanig beschouwd een participatie in de vorm van aandelenkapitaal, al dan niet in combinatie met een achtergestelde vordering. Op deze wijze wordt aangesloten bij de in het staatssteunregime gehanteerde benadering. Indien een aandelenparticipatie uit emissies is verkregen, kan uit een latere emissie een volgende aandelenparticipatie worden verkregen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden deze participaties dan als afzonderlijke participaties beschouwd. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over het verkrijgen van een participatie, betreft dat het tijdstip waarop de overeenkomst terzake wordt gesloten. De eigendomsverkrijging vindt eerst later plaats, bijvoorbeeld door de volstorting van aandelen. Teneinde een passend financieringspakket te kunnen aanbieden geeft dit hoofdstuk het startersfonds de mogelijkheid om in combinatie met aandelenkapitaal achtergestelde vorderingen te verstrekken. Zoals blijkt uit de omschrijving van startersfonds blijkt, betreft het een financieringsvorm die zeer dicht tegen aandelenkapitaal aan ligt, gelet op het feit dat de vordering niet door enige vorm van zekerheid is gedekt en de uitdrukkelijke achterstelling van de crediteur.

Fondsplan

Het fondsplan vormt de basis voor de beoordeling van de subsidie-aanvraag. Uit het fondsplan moet daarom blijken hoe het startersfonds de verschaffing van risico-kapitaal aan technostartervennootschappen vorm zal geven. Er zijn bewust zo min mogelijk beperkingen aan het participatiebeleid van de fondsen opgenomen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat meerderheidsparticipaties worden genomen. Het is aan het fonds in zijn fondsplan aannemelijk te maken dat ook dan de verschaffing van risico-kapitaal, voor een beperkte periode, voorop staat en niet het verkrijgen van (overwegende zeggenschap in) technostartersondernemingen.

Investeringsbudget

Het investeringsbudget is het totale bedrag dat ten hoogste zal worden besteed voor het verkrijgen van participaties gedurende de investeringsperiode. Het investeringsbudget omvat zowel de bijdragen van de aandeelhouders of de hoofdelijk aansprakelijke vennoten als de bijdragen van de minister op grond van dit hoofdstuk als de eventuele bijdragen van een ander bestuursorgaan of de Europese Commissie.

Startersfond

Wat de rechtsvorm van startersfonds betreft is in de definitie rekening gehouden met enerzijds het belang van voldoende transparantie en een duidelijk regime voor het beheer, anderzijds met de bestaande praktijk. Fondsen worden vaak ingericht als vennootschap onder firma, in het bijzonder als commanditaire vennootschap. Bijgevolg kunnen – naast NV’s en BV’s met beperkte aansprakelijkheid – ook dergelijke vennootschappen als startersfonds kwalificeren. Hetzelfde geldt voor vergelijkbare vennootschappen naar het recht van een andere Lid-Staat van de Europese Unie.Het vereiste dat er ten minste drie aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten zijn, zonder dat één van hen de overwegende zeggenschap uitoefent, dient ertoe te bevorderen dat fondsen evenwichtig opereren bij het verstrekken van risico-kapitaal. Juist door de betrokkenheid van verscheidene partijen wordt de kans verkleind dat een eenzijdig belang van een financier van het fonds de overhand gaat voeren. Een fonds dient – blijkens de statuten of de overeenkomst – te zijn gericht op het financieren van technostartervennootschappen overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. Impliciet in de verstrekking van risico-kapitaal is dat het fonds de technostartervennootschappen naar vermogen begeleidt bij de opbouw van het bedrijf. Het startersfonds dient zich te beperken tot deze activiteiten om te voorkomen dat per startersfonds een financieel complexe situatie ontstaat. Indien immers een fonds ook ‘gewone’ participaties zou kunnen nemen, zouden deze afzonderlijk moeten worden geadministreerd om dit hoofdstuk – in het bijzonder de bepalingen over de verrekening van inkomsten – te kunnen toepassen. Omdat de startersfondsen gebonden zijn aan het verkrijgen en beheren van participaties op grond van dit hoofdstuk en in verband met de daarvoor in dit hoofdstuk bepaalde termijnen zal een startersfonds in beginsel niet langer dan twaalf jaar bestaan. Ook buitenlandse partijen kunnen in een startersfonds participeren. Het ligt in de lijn der verwachting dat startersfondsen in Nederland gevestigd zullen zijn. Vestiging in het buitenland compliceert naar verwachting de beoordeling en begeleiding van in Nederland actieve technostartervennootschappen aanmerkelijk.

Technostarter

Kort samengevat geldt dat alleen innovatieve bedrijven die nog in de beginfase verkeren binnen de doelgroep, en dus binnen de omschrijving van het begrip technostarter vallen. Ten eerste is in algemene zin tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een technologisch vernieuwende activiteit dat wil zeggen een nieuwe technische vinding of nieuwe combinatie van bestaande technologie die aan het fysieke product of de dienst van de technostarter ten grondslag ligt. Het is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf de vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing heeft bedacht. Om te bewerkstelligen dat alleen beginnende bedrijven onder de bepalingen van dit hoofdstukvallen, gelden de criteria dat het bedrijf nog niet langer dan vijf jaar mag zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken en dat het bedrijf dient te voldoen aan de definitie van een middelgrote, kleine of micro-onderneming zoals gehanteerd in de Europese staatssteunregels. Een onderneming wordt als zodanig aangemerkt als het aantal werknemers en de omzet of het balanstotaal onder bepaalde grenswaarden blijven. Indien een andere onderneming in de betreffende onderneming overheersende zeggenschap heeft of ten minste over 25 procent van het kapitaal of de stemrechten daarin beschikt, is in beginsel voor de toepassing van de definitie het aantal werknemers en de omzet of het balanstotaal van beide ondernemingen bepalend. Overigens is in deze bepaling ook tot uitdrukking gebracht dat de beoordeling of de onderneming van een technostarter voldoet aan de Europese definitie ten tijde van de eerste participatie dient plaats te vinden. De participatie kan immers gevolgen hebben voor de status van de onderneming als middelgrote, kleine of micro-onderneming. Bij toepasselijkheid van het criterium in deze situatie zou dit instrument aan zijn doel voorbij schieten.

Technostartersvennootschap

Deze definitie verbijzondert de doelgroep van technostarters tot die van technostartervennootschappen. Startersfondsen kunnen alleen participaties nemen in technostarters met een kapitaalvennootschap,zoals apart is gedefinieerd, die hun primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoeren. Dit laat onverlet dat producten, processen of diensten in het buitenland kunnen worden geleverd Tenslotte zijn technostarters die behoren tot bepaalde economische sectoren uitgesloten omdat voor deze ondernemingen reeds adequate financieringsvoorzieningen bestaan. Onder deze categorie vallen niet technostarters die producten of diensten leveren ten behoeve van deze sectoren. Zij zijn derhalve niet uitgezonderd van dit hoofdstuk.

Artikel 4.3

Omdat de subsidie-aanvraag wordt verricht door een startersfonds in de vorm van een NV, een BV met beperkte aansprakelijkheid, een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap wordt steeds ook de vennootschap direct gebonden. Subsidieverstrekking vindt derhalve plaats aan de vennootschap van het fonds en op deze vennootschap rusten ook de subsidieverplichtingen. De beschikking tot verstrekking van een subsidie in de vorm van een lening zal op basis van artikel 30 van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken het startersfonds een overeenkomst tot geldlening met de minister heeft gesloten sluiten. De minister gebruikt daarvoor het model dat in bijlage 4.2 is opgenomen, met dien verstande dat hij dit model kan aanvullen indien dat zinvol is voor het doel van de subsidieverstrekking (zie artikel 4.5, tweede lid).

Artikel 4.5, tweede lid

Zoals bepaald in het tweede lid van artikel 4.5 kan de standaard-overeenkomst zonodig worden aangevuld, bijvoorbeeld om rekening te kunnen houden met het specifieke karakter van de fondspartijen.

Artikel 4.6, eerste lid

Het bedrag van de geldlening aan het startersfonds bedraagt in beginsel 50 procent van het totale investeringsbudget. Op grond hiervan verstrekt de minister in beginsel voor elke participatie 50 procent van de verkrijgingsprijs. Om het voor dit instrument jaarlijks beschikbare budget optimaal te kunnen benutten, geldt echter een maximum voor het bedrag van de geldlening (zie artikel 4.7, tweede lid). Bijgevolg kan zich de situatie voordoen dat de geldlening minder dan 50 procent van het investeringsbudget bedraagt. Ook voor de financiering per participatie geldt dan dit lagere percentage.

Artikel 4.7, derde lid

Op grond van het derde lid van artikel 4.7 geldt een anti-cumulatiebepaling. Bijgevolg bedraagt de geldlening navenant minder indien voor het investeringsbudget andere financiële bijdragen van nationale overheden of van de Europese Commissie zijn verstrekt. Ook in dat geval is het aandeel van de geldlening aan het investeringsbudget minder dan 50 procent.

Artikel 4.8

De aanvraag wordt – in een voorkomend geval vergezeld van een nadere analyse vanuit specifieke financieel- economische deskundigheid – ter advisering aan de Adviescommissie risico-kapitaal technostarters voorgelegd. De in het Kaderbesluit EZ-subsidies en dit hoofdstuk van deze regeling genoemde afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria zijn leidend voor de advisering door de Adviescommissie. Na ontvangst van het advies van de commissie besluit de minister vervolgens over de aanvraag.

Artikel 4.9

In dit artikel zijn de gronden voor afwijzing van een aanvraag opgenomen. Onderdeel a ziet op de financiële draagkracht van het startersfonds. Voorkomen moet worden dat de minister de beschikbare middelen committeert voor een startersfonds dat uiteindelijk zelf niet de benodigde middelen beschikbaar heeft. Met het oog hierop dient de aanvrager aannemelijk te maken dat hij beschikt of zal kunnen beschikken over de benodigde middelen.

Onderdeel b houdt verband met de notie dat het investeren in technostarters niet mogelijk is zonder dat het startersfonds de goede deskundigheid, ervaring en netwerken in huis heeft. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat zogenaamde business angels een startersfonds vormen. Zij kunnen evengoed over deze capaciteiten beschikken. Tenslotte dient een fondsplan voldoende te zijn onderbouwd om te kunnen beoordelen of het een redelijke kans van slagen heeft. Blijkens onderdeel c dient het startersfonds bij zijn subsidie-aanvraag een plan te voegen dat aan bepaalde uitgangspunten voldoet. Indien niet aan deze vereisten is voldaan, zal de minister afwijzend op een aanvraag beschikken. Ten eerste dient de periode waarin wordt geïnvesteerd ten hoogste zes jaar te beslaan, gevolgd door een periode van desinvestering van ten hoogste zes jaar. Ten tweede gelden minima en maxima voor de participaties per technostartervennootschap: de financiering per technostarter dient in een bandbreedte van € 100.000 tot € 2.500.000 te vallen. Een startersfonds kan zo bijvoorbeeld twee participaties van € 1.000.000 in een technostartervennootschap verkrijgen. Ten derde geldt dat de gemiddelde totale financiering per technostarter niet meer dan € 800.000 bedraagt. Ten vierde geldt dat aan een technostartervennootschap per halfjaar ten hoogste € 500.000 aan liquide middelen kunnen worden verstrekt. Indien een startersfonds op basis van een ondernemingsplan van oordeel is dat er reden is voor een totale participatie van bijv. € 2.000.000 dient het dit kapitaal fasegewijs te verschaffen.

Artikel 4.10

Dit artikel bevat de criteria voor de rangschikking van aanvragen die niet op grond van artikel 24 van het Kaderbesluit of op grond van artikel 4.9 worden afgewezen. Deze criteria dienen ertoe voorrang te kunnen geven aan startersfondsen die op basis van hun aanvraag de meeste kans van slagen hebben en daarbij de meeste toegevoegde waarde, gegeven de doelstelling te voorzien in de financieringsleemte voor technostarters. Het criterium van de bijdrage aan de opbouw van succesvolle technostarterondernemingen valt uiteen in enkele onderliggende criteria, te weten de kwaliteit van het plan, de mate van zekerheid dat het plan ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd – met inbegrip van de bij de private partijen beschikbare middelen – en het effect van het plan in relatie tot de doelstelling van dit instrument. Bij het doelmatigheidscriterium gaat het onder meer om de prijskwaliteitsverhouding en de omvang van de beheerskosten.

Artikel 4.12

In dit artikel wordt de door de financier te betalen hoogte van de vergoeding vastgelegd. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in perioden met een daaraan gerelateerd overboekingspercentage. Zodra de inkomsten uit de participatie op dezelfde hoogte zijn als de eigen bijdrage van de fondspartijen, respectievelijk het door het ministerie geleende bedrag, verandert het percentage dat aan het ministerie moet worden overgeboekt. Dit percentage bedraagt in de perioden A, B en C respectievelijk 20 procent, 50 procent en 20 procent indien dat het bedrag van de geldlening de helft van het investeringsbudget uitmaakt. Deze percentages dienen echter naar rato te worden verlaagd indien de geldlening minder dan de helft van het investeringsbudget uitmaakt. Dit kan het gevolg zijn van het feit dat het budget van de minister niet toereikend was voor de gevraagde lening of dat het startersfonds ook een bijdrage heeft ontvangen van een ander bestuursorgaan of van de Europese Commissie.

Artikel 4.13

In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden.

Op grond van het tweede lid is in de bijlage het model voor de leningsovereenkomst opgenomen. Het model voor de leningsovereenkomst bevat onder meer de voorwaarde dat het startersfonds zich beperkt tot de uitvoering van het fondsplan. In samenhang met de regeling voor opname van de lening, opgenomen in artikel 3 van de model-overeenkomst, impliceert dit ook dat alleen participaties worden genomen waarin de financiële bijdrage van de minister is verdisconteerd. Voor zover het startersfonds op basis van zijn fondsplan het eigen deel van de inkomsten van participaties aanwendt om nieuwe participaties te nemen, dienen de gebruikelijke stappen te worden gezet voor het opnemen van een bedrag op grond van de leningsovereenkomst. Ter toelichting op de in de bijlage opgenomen model-overeenkomst, wordt het volgende opgemerkt.

Artikel 1

Dit artikel bevat dezelfde begripsomschrijvingen als artikel 4.1, voor zover relevant. De onderdelen n en o bevatten aanvullende bepalingen inzake de begrippen ‘fondspartij’ en ‘eigen bijdrage’. Met dit laatste begrip wordt gedoeld op de daadwerkelijk door het startersfonds uit eigen middelen verrichte betalingen, dit ter onderscheiding van de middelen die het fonds beschikbaar heeft of zal hebben voor het investeringsbudget. Omdat de overeenkomst voor de Staat wordt aangegaan namens de Minister van Economische Zaken en de uitvoering onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvindt, is in de toelichting op de artikelen van de overeenkomst veelal het begrip ‘ministerie’ gebruikt.

Artikel 2

Dit artikel bevat de kern van de overeenkomst tot geldlening. Als gebruikelijk kan de verkrijger van de geldlening op bepaalde momenten bedragen van het geleende bedrag opnemen. Daarentegen is geen rente of aflossing verschuldigd. In plaats daarvan dient een bepaald deel van de inkomsten aan het ministerie te worden overgeboekt. Tevoren staat niet vast hoe hoog het bedrag is dat het ministerie op deze wijze ontvangt. Het kan lager maar ook hoger zijn dan de geleende geldsom. In het tweede lid wordt de mogelijkheid geboden om de looptijd van de lening te verlengen. Naar verwachting volstaat in de regel een looptijd van ten hoogste twaalf jaar – waarvan zes jaar voor investering en zes jaar voor desinvestering. Het is echter denkbaar dat een participatie aan het einde van deze periode sterk in waarde vermeerdert. Het zou dan ongewenst zijn als de overeenkomst zonder meer zou verplichten tot vervreemding van de participatie. Een zwaarwegend belang kan ook aan de orde zijn indien de bedrijfseconomische positie van de betreffende technostarter sterk zou worden geschaad bij handhaving van de uiterste termijn voor vervreemding van de participatie.

Artikel 3

In het eerste lid van dit artikel is aangeduid hoe op grond van de overeenkomst tot geldlening bedragen kunnen worden opgenomen. Het kan zijn dat bij de verkrijging van een participatie overeen wordt gekomen dat het risico-kapitaal gefaseerd wordt overgeboekt aan de technostarter. Van belang is dat dan de opname plaats vindt indien het startersfonds ook betalingen aan de technostarter gaat verrichten of al heeft verricht. Anders zou het opgenomen startersfonds zonder reden gedurende langere tijd middelen van de staat onder zich hebben. Op grond van het tweede en derde lid dient het startersfonds bij opname van de lening kenbaar te maken dat de betreffende participatie kan worden aangemerkt als een participatie in de zin van de overeenkomst. Aan het einde van de investeringsperiode kan het totale bedrag dat feitelijk van de lening is opgenomen worden vastgesteld. Om hierover duidelijkheid te verschaffen informeert het ministerie hierover het startersfonds.

Artikel 4

In dit artikel is het regime voor overboeking van inkomsten uit participaties aan het ministerie uitgewerkt. Op grond van het eerste lid dient deze overboeking direct plaats te vinden, dat wil zeggen binnen een maand nadat de inkomsten door het startersfonds zijn ontvangen. Een uitzondering geldt voor inkomsten die niet op geld waardeerbaar zijn, zoals opties. Deze inkomsten dienen op grond van het vijfde en zesde lid op een later tijdstip, maar vóór verloop van de looptijd van de overeenkomst tot geldlening, te worden verrekend met het ministerie.

Artikel 5

In dit artikel worden de randvoorwaarden voor het verkrijgen van participaties bepaald. Voordat het startersfonds een participatie verkrijgt dient het na te gaan of aan deze randvoorwaarden wordt voldaan. In het fondsplan dient te worden aangeduid hoe het fonds deze beoordeling zal doen. Dit geldt onder meer ten aanzien van het vereiste dat participaties alleen kunnen worden verkregen in een bedrijf dat voldoet aan de criteria van technostartervennootschap, zoals bepaald in artikel 1, onderdeel d. Ten aanzien van de criteria voor een technostartervennootschap is het bijv. denkbaar dat het fonds bij zijn beoordeling van het innovatieve karakter van het bedrijf mede afgaat op het al dan niet beschikken over een z.g. S&Overklaring als bedoeld in artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Deze verklaring wordt door SenterNovem van het Ministerie van Economische zaken afgegeven aan bedrijven die z.g. speur- en ontwikkelingswerkzaamheden laten verrichten. Met behulp van de S&O-verklaring komt het desbetreffende bedrijf in aanmerking voor een verminderde afdracht voor loonbelasting en premies voor volksverzekeringen. Ingevolge het tweede lid kunnen participaties alleen tegen betaling van een geldsom worden verkregen. Op deze wijze wordt de transparantie van het participatiebeleid en de uitvoerbaarheid van dit hoofdstuk bevorderd. Ingevolge het derde lid kan het startersfonds geen participaties verkrijgen indien recentelijk meer middelen aan de technostartervennootschap zijn onttrokken dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering. Op deze wijze wordt verhinderd dat de participatie waarbij de geldlening van de Staat wordt gebruikt, feitelijk dient als herfinanciering van een bestaande vordering of reeds uitgegeven aandelen. Dan zou dit instrument aan zijn doel voorbij schieten. Het vierde lid bevat de randvoorwaarde dat niet meer dan één startersfonds in dezelfde technostarter een participatie kan verkrijgen. Hiermee wordt cumulatie van participaties die in zekere zin als staatssteun kunnen worden aangemerkt voorkomen. Het vijfde lid beoogt te voorkomen dat onheldere relaties tussen het startersfonds en de technostarter ontstaan als gevolg van reeds bestaande zakelijke relaties tussen de technostarter en betrokkenen bij het startersfonds. Als betrokkenen kunnen hier worden beschouwd degenen die een rol spelen bij de besluitvorming over participaties, zoals de fondsbeheerder, aandeelhouders en dergelijke.

Artikel 6

Het is van belang dat de vervreemding van participaties gebeurt op een wijze waarbij de belangen van de Staat niet tekort wordt gedaan. Een vervreemding binnen twee jaar is niet gebruikelijk en bergt het risico in zich dat de participatie ten koste van de technostarter wordt vervreemd. Verder moet ook voorkomen worden dat bij de vervreemding sprake is van een oneigenlijke belangenvermenging van startersfonds, fondsbeheerder en aandeelhouders of vennoten. In verband hiermee is in het tweede lid bepaald dat de vervreemding tegen een marktconforme prijs moet plaatsvinden. Indien vervreemding plaatsvindt aan betrokkenen bij het fonds, kan de kans op belangenvermenging op voorhand aanwezig worden geacht. In dat geval worden aanvullende eisen gesteld om de marktconformiteit van de prijs te garanderen.

Artikel 7

In dit artikel zijn zowel algemene als specifieke bepalingen opgenomen om te bevorderen dat het investeringsbeleid van het fonds aansluit bij de doelstelling van dit instrument. De algemene bepalingen betreffen de noodzaak van een actief en winstgericht beleid waarbij de nodige maatregelen worden genomen om belangenverstrengeling tegen te gaan. Indien daartoe aanleiding is kan de minister op grond van het derde lid een persoon machtigen overleg van het startersfonds bij te wonen. Een voorbeeld van belangenverstrengeling en de mogelijke gevolgen daarvan is de situatie waarin een aandeelhouder van een startersfonds die tevens aandeelhouder is van een ander participatiefonds, participaties van het ene naar het andere fonds overdraagt tegen kunstmatige prijzen, waardoor het startersfonds benadeeld wordt. In het vierde lid is bepaald dat betrokkenen bij het fonds geen medewerking verlenen aan participaties van derden tegen niet-marktconforme voorwaarden. Op deze wijze wordt voorkomen dat men het vereiste van marktconformiteit door tussenkomst van derden kan ontwijken. Het vijfde en zesde lid bevatten bepalingen om te voorkomen dat de beheerskosten van het fonds overmatig zijn, zowel ten aanzien van de kosten voor de begeleiding van technostarters die aan deze technostarters in rekening worden gebracht, als ten aanzien van het jaarlijkse budget voor alle beheerskosten.

Artikel 8

In dit artikel zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de administratie en de informatieverstrekking van het startersfonds aan het ministerie. De in het tweede en derde lid bedoelde verslaglegging biedt het ministerie de mogelijkheid de uitvoering van het fondsplan te beoordelen. Gevoegd bij de verantwoording die per participatie plaatsvindt kan het ministerie aan de hand van de jaarlijkse verslaglegging, vergezeld van een accountantsverklaring, bepalen of het startersfonds bij het verkrijgen, beheren en vervreemden van participaties de in de overeenkomst bepaalde verplichtingen in acht neemt. Aan het einde van de desinvesteringsperiode zullen in beginsel alle participaties vervreemd zijn en het relevante deel van de inkomsten is alsdan overgeboekt aan het ministerie. Niettemin is het wenselijk dat aan het einde van de looptijd van de overeenkomst wordt vastgesteld dat geen verplichtingen op grond van de overeenkomst resteren. Om die reden is in het zesde lid bepaald dat het ministerie alsdan het startersfonds daarover informeert.

Artikel 10

Zonodig kan de overeenkomst door de Staat worden opgezegd op de in het eerste lid genoemde gronden. Op grond van onderdeel a kan opzegging plaatsvinden indien het startersfonds zijn verplichtingen niet nakomt. Daarnaast is opzegging door de Staat mogelijk indien de statusvan het startersfonds is gewijzigd, hetzij doordat het aantal aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten lager is geworden dan het minimum, hetzij indien faillissement of een vergelijkbare voorziening van het startersfonds is aangevraagd, hetzij bij ontbinding van het startersfonds. Tenslotte kan de Staat de overeenkomst opzeggen indien deze als gevolg van Europeesrechtelijke ontwikkelingen niet langer in overeenstemming zou zijn met de regels van de Europese Gemeenschap ten aanzien van staatsteun. In dat geval kunnen bestaande verplichtingen immers niet in alle gevallen gecontinueerd worden. Voor zover deze opzeggingsgronden verband houden of verband kunnen houden met een tekortkoming die hersteld kan worden, dient op grond van het tweede lid de Staat daarvoor de gelegenheid te bieden. Bij opzegging kan de Staat in elk geval aanspraak maken op terugbetaling van de onder de lening opgenomen bedragen, verminderd met de reeds van het startersfonds ontvangen overboekingen. Voor zover de Staat verwacht dat de participaties die het startersfonds heeft ten tijde van de opzegging inkomsten voor de Staat zullen genereren die uitkomen boven het aan het startersfonds geleende bedrag, zal de Staat daarvoor schadevergoeding van het startersfonds kunnen eisen. Het ligt in de rede dat de partijen bij opzegging van de overeenkomst in onderhandeling treden en in een vaststellingsovereenkomst regelen hoe de overeenkomst tot geldlening dient te worden afgewikkeld.

Artikel 5.1

Financiële faciliteit

In de definitie van financiële faciliteit wordt verwezen naar de in bijlage 5.1 genoemde kennisinstellingen. De genoemde kennisinstellingen kunnen als zodanig in een kennisexploitatieverband deelnemen. Het betreft de instellingen van hoger onderwijs (hogescholen en universiteiten) en de academische ziekenhuizen, en een aantal met name genoemde onderzoeksinstituten. Dit zijn (uitgezonderd universiteit Nijenrode) publiek gefinancierde instellingen, dat wil zeggen instellingen die een vorm van basisfinanciering van de overheid ontvangen.

Kennisexploitatieverband

Het kennisexploitatieverband kan de lening of aanspraak met uitgestelde betaling renteloos of tegen een lagere dan gebruikelijke rente verstrekken. Voor het overige dienen de voorwaarden overeen te komen met hetgeen in de markt gebruikelijk is – behoudens het geval dat op de markt geen vergelijkbare leningen of aanspraken worden verleend. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat voor een technologisch geavanceerd apparaat dat door een technostarter wordt gebruikt, geen equivalent op de markt is. In dat geval dient de prijs te worden gebaseerd op de feitelijke kosten van het apparaat en het gebruik daarvan.

Een kennisexploitatieproject strekt er toe de exploitatie van technologische kennis te verbeteren of het aantal succesvolle technostarters te vergroten, dan wel beide. Bij de exploitatie van kennis staat centraal dat de kennisinstelling beschikbare kennis overdraagt aan een onderneming, onder meer door middel van octrooien. Hierdoor en door het aanbieden van financiële en andere voorzieningen worden de perspectieven voor technostarters verbeterd. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt zijn nader aangeduid in artikel 5.2. Het project en de subsidie-aanvraag kan zijn beperkt tot bepaalde activiteiten ten aanzien van kennisexploitatie of de ondersteuning van technostarters, zij het dat het kennisexploitatieverband wel zorg moet dragen voor een volledig aanbod van activiteiten en voorzieningen.

Financiële faciliteit

Een financiële faciliteit wordt toegekend aan technostarters ten behoeve van de voorbereiding van de oprichting van hun onderneming. Deze faciliteit kan bestaan uit liquide middelen of uit natura waarvan de betaling uitgesteld wordt, al naar gelang de behoefte van de technostarter en de faciliteiten die het kennisexploitatieverband beschikbaar heeft.

Technostarter

In de definitie van technostarter is ten slotte tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een technologisch vernieuwende activiteit, dat wil zeggen een nieuwe technische vinding of nieuwe combinatie van bestaande technologie die aan het fysieke product of de dienst van de technostarter ten grondslag ligt. Het is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf de vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing heeft bedacht. De component starter van de definitie is uitgewerkt in de eis dat de starter die voor voorzieningen als bedoeld in dit hoofdstuk in aanmerking wil komen, nog niet langer dan vijf jaar bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken is ingeschreven. Verder moet zijn onderneming voldoen aan de definitie van een kleine of middelgrote onderneming zoals toegepast bij de toepassing van de Europese staatssteunregels. Een onderneming wordt aangemerkt als middelgrote, kleine of micro-onderneming als het aantal werknemers en de omzet of het balanstotaal onder bepaalde grenswaarden blijven. Indien een andere onderneming in de betreffende onderneming overheersende zeggenschap heeft of ten minste over 25 procent van het kapitaal of de stemrechten daarin beschikt, is in beginsel voor de toepassing van de definitie het aantal werknemers en de omzet of het balanstotaal van beide ondernemingen bepalend. Het begrip technostarter omvat ook degene die voorbereidingen treft voor de oprichting van een technologisch vernieuwend bedrijf, bijvoorbeeld door de opstelling van een ondernemingsplan. Het kennisexploitatieverband dat voorzieningen aan technostarters aanbiedt, zal desgewenst een maximale termijn aan deze periode kunnen verbinden. De doelgroep van technostarters is uitdrukkelijk niet beperkt tot technostarters die afkomstig zijn van de kennisinstelling. Ook andere technostarters kunnen derhalve van de voorzieningen gebruik maken, zoals technostarters die voorheen werkzaam waren bij een onderneming.

Artikel 5.2

Dit artikel bevat de voorwaarden voor het verlenen van subsidie op grond van hoofdstuk 5. Centraal in de criteria staat dat sprake moet zijn van een project in de zin van dit hoofdstuk. Dit impliceert dat moet worden voldaan aan alle elementen die zijn opgenomen in de van toepassing zijnde definities van artikel 5.1. De reikwijdte van het project is niet op voorhand bepaald. Het is aan de aanvrager te beoordelen welke aspecten van kennisexploitatie en ondersteuning van technostarters de meeste aandacht behoeven en of hiervoor subsidie wordt gevraagd. Activiteiten die reeds worden verricht of die op zelfstandige basis tot stand zullen worden gebracht, zullen logischerwijs geen deel uitmaken van het project. Gelet op de doelstelling van een breed palet van activiteiten inzake kennisexploitatie en voorzieningen voor technostarters zal de aanvrager wel duidelijk moeten maken hoe in de activiteiten waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd is of zal worden voorzien.

In het tweede lid is bepaald voor welke concrete activiteiten subsidie wordt verstrekt. In aanvulling op hetgeen over de subsidiabele activiteiten is opgemerkt in het algemene deel van de toelichting verdient het volgende vermelding. De in het tweede lid, onder a en b genoemde activiteiten gaan in eerste instantie de kennisinstelling aan – het betreft kennis van de kennisinstelling –, zij het dat deze waar nodig anderen, afkomstig van binnen of buiten het kennisexploitatieverband, kan betrekken bij deze vormen van kennisexploitatie. De subsidie die het kennisexploitatieverband voor deze activiteiten verkrijgt, komt ten goede aan de kennisinstelling. De in het tweede lid onder c, d en e genoemde activiteiten zijn een zaak van het gehele kennisexploitatieverband en beogen voorzieningen voor technostarters te realiseren. Daarmee wordt een gunstig klimaat geschapen en worden individuele technostarters ondersteund. De subsidie voor deze programma-onderdelen komt derhalve uiteindelijk ten goede aan de technostarters zelf. Het kennisexploitatieverband dient ervoor zorg te dragen dat de voorzieningen ook daadwerkelijk aan de doelgroep ten goede komen. In de praktijk zullen technostarters niet meer dan een beperkt aantal jaren van de voorzieningen gebruik (kunnen) maken, namelijk de periode van voorbereiding van de oprichting van de onderneming en de periode van vijf jaren van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. De financiële faciliteit wordt aangeboden om de voorbereiding van de oprichting van een onderneming mogelijk te maken. Daarom is deze alleen bestemd voor technostarters die nog in deze beginfase verkeren. Gelet op de omschrijving van deze categorie in artikel 5.1 betreft het steeds natuurlijke personen. De lening of achtergestelde betaling wordt derhalve niet aan een onderneming verstrekt, maar aan de persoon die een onderneming wil gaan oprichten.

Tot slot wordt in het tweede lid geregeld dat subsidie wordt verstrekt voor de in de onderdelen a tot en met e opgesomde activiteiten voor zover voldaan is aan de onder 1° tot en met 3° genoemde randvoorwaarden.

In de onder 1° opgenomen randvoorwaarde voor subsidieverstrekking is bepaald dat de te subsidiëren activiteiten een structureel karakter moeten dragen. Oogmerk is immers dat de exploitatie van technologische kennis en de voorzieningen voor technostarters een permanent karakter krijgen. Dat wordt ook onderstreept door de bepaling in artikel 5.8, onderdeel f, dat een aanvraag wordt afgewezen als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de activiteiten op structurele basis worden voortgezet.

Daarnaast wordt onder 2° als voorwaarde gesteld dat de subsidieverlening niet mag leiden tot kennisoverdracht onder de kostprijs. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een universiteit kennis, al dan niet in de vorm van een octrooi, overdraagt aan derden tegen een prijs die als gevolg van de subsidieverlening kunstmatig laag kan worden gehouden. Daardoor zouden concurrerende aanbieders van kennis worden benadeeld.

Onder 3° is als randvoorwaarde opgenomen dat de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, c en d, niet reeds worden verricht ten tijde van de indiening van de aanvraag ter zake van het project. Aan deze voorwaarde ligt de gedachte ten grondslag, dat alleen subsidie gegeven moet worden voor projecten waarvan mag worden aangenomen dat zij zonder subsidie niet tot stand zullen komen. Dat is niet het geval indien een activiteit reeds wordt verricht ten tijde van de subsidie-aanvraag. Voor de verstrekking van financiële faciliteiten aan technostarters wordt op deze stelregel een uitzondering gemaakt, gelet op het karakter van deze faciliteiten. Voor octrooi-aanvragen geldt krachtens het tweede lid reeds dat deze alleen voor subsidiëring in aanmerking komen voor zover het aantal octrooi-aanvragen hoger is dan in de afgelopen jaren.

Artikelen 5.3 en 5.4

Bij de subsidieverlening wordt het bedrag van de subsidie niet vermeld, maar wel – met een verwijzing naar de bepalingen uit dit hoofdstuk – de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld. Om te stimuleren dat de aanvrager zoveel mogelijk inspanningen verricht om het uiteindelijke doel van dit hoofdstuk dichterbij te brengen, is het subsidiepercentage gerelateerd aan de prestatie. De aanvrager ontvangt 50 procent subsidie over de projectgebonden kosten met een maximum van € 2.500.000. Er geldt in het algemeen geen maximumbedrag per subsidiabele activiteit. Indien gewenst kan bijvoorbeeld het maximale bedrag worden besteed aan de financiële faciliteit – mits de aanvrager ook zelfstandig in de andere activiteiten voorziet. Op het voorgaande wordt een uitzondering gemaakt voor octrooien. Oogmerk is een actief octrooibeleid bij kennisinstellingen te bevorderen, zowel ten aanzien van het indienen van octrooi-aanvragen als ten aanzien van het te gelde maken van octrooi-aanvragen, c.q. van octrooien. Bijgevolg verschilt het subsidiepercentage al naar gelang of en hoe de octrooiaanvraag of het octrooi te gelde is gemaakt. Tevens geldt een maximum voor het subsidiebedrag: per octrooiaanvraag wordt ten hoogste € 17.500, € 12.500 respectievelijk € 7.500 verstrekt, al naar gelang hoe en of de overdracht of licentieverlening heeft plaatsgevonden. Deze maxima zijn gebaseerd op de aanname dat de subsidiabele kosten van de Nederlandse en PCToctrooi- aanvragen tezamen gemiddeld € 25.000 bedragen. Overigens doet het voor octrooien afwijkende regime voor het subsidiepercentage niet af aan het in het eerste lid genoemde maximum: ongeacht het voor octrooikosten toepasselijke subsidiepercentage wordt voor het gehele kennisexploitatieproject niet meer verstrekt dan € 2.500.000. In het derde lid is voor de subsidiëring van financiële faciliteiten een aanvullend criterium gegeven: het subsidiebedrag voor deze activiteiten is niet hoger dan het bedrag dat nodig is voor een subsidiebijdrage per technostarter van gemiddeld € 50.000. Het staat het kennisexploitatieverband overigens vrij een technostarter een financiële faciliteit van meer dan € 100.000 te verstrekken, waarbij dan een groter deel van de faciliteit bestaat uit middelen van het kennisexploitatieverband zelf.

Artikel 5.5

Artikel 5.5 geeft een voorschrift over de wijze van verdeling van het subsidieplafond. Die komt neer op ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’. Dit betekent dat de minister, beginnend met de eerste aanvraag, subsidies verleent totdat het subsidieplafond is bereikt en dat hij aanvragen afwijst voor zover het plafond door het totaal van verleende subsidies zou worden overschreden. Daarbij is het moment van indiening van een aanvraag, die aan alle wettelijke voorschriften voldoet, bepalend. Het betreft hier niet een regel over de volgorde van het nemen van besluiten. Het is zeer wel mogelijk om op een latere aanvraag eerder te besluiten dan op een eerdere, als toewijzing van de aanvraag maar niet tot gevolg heeft, dat op de eerdere aanvraag afwijzend moet worden beschikt, omdat door subsidieverlening op latere aanvragen het subsidieplafond is bereikt. Dreigt dit te gebeuren, dan zal de behandeling van de latere aanvraag worden opgeschort, totdat op de eerdere is beslist.

Artikel 5.8

De Adviescommissie kennisexploitatie adviseert de minister over de aanvragen. De minister neemt vervolgens een besluit op de aanvraag waarbij hij in de regel het advies zal volgen. In artikel 5.8 zijn, aanvullend op de afwijzingsgronden uit het Kaderbesluit EZ-subsidies, de afwijzingsgronden voor een afwijzend besluit opgenomen. Deze gronden zijn daarmee ook leidend voor de advisering. De in onderdeel b vermelde afwijzingsgrond benadrukt dat slechts subsidie wordt verstrekt indien de voor kennisexploitatie relevante activiteiten alle worden uitgevoerd, binnen het project (gesubsidieerd) of buiten het project (niet gesubsidieerd). Bovendien dient blijkens de in onderdeel f opgenomen afwijzingsgrond aannemelijk te zijn dat deze activiteiten ook na afloop van het project worden voortgezet. Oogmerk van dit hoofdstuk is immers kennisexploitatie te professionaliseren en daarvoor is van belang dat de genoemde activiteiten worden verankerd bij de betrokken organisaties. De in onderdelen c en d vermelde afwijzingsgronden dienen ertoe te voorkomen dat projecten een exclusief karakter dragen, waardoor hetzij derden feitelijk worden verhinderd commercieel interessante kennis te verkrijgen, hetzij bepaalde categorieën van (potentiële) technostarters, bijvoorbeeld afkomstig van buiten de kennisinstelling, worden buitengesloten. De in onderdeel e genoemde afwijzingsgrond onderstreept dat de partijen die ten minste in een kennisexploitatieverband dienen deel te nemen, ook daadwerkelijk bij de uitvoering van het project dienen te zijn betrokken.

Artikel 5.9

De verplichting het kennisexploitatieproject in Nederland uit te voeren laat onverlet dat buitenlandse partijen betrokken kunnen zijn in het project. Indien ten minste een Nederlandse kennisinstelling als bedoeld in bijlage 5.1 en een onderneming deel uitmaken van het kennisexploitatieverband kunnen buitenlandse kennisinstellingen en ondernemingen participeren. Technostarters met een bedrijf die niet in Nederland woonachtig zijn, komen slechts voor ondersteuning in aanmerking, indien hun bedrijf bij een Nederlandse Kamer van Koophandel en Fabrieken is ingeschreven. Hun bedrijf dient derhalve een vestiging in Nederland te hebben.

Artikel 5.11

In het eerste lid is bepaald dat de subsidie-ontvanger verplicht is de verstrekte subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel e, volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terug te betalen aan de minister. De verstrekking van financiële faciliteiten wordt tijdens de duur van het project gesubsidieerd, met het oogmerk dat ontvangsten uit aflossingen respectievelijk afbetalingen worden gebruikt voor de verstrekking van nieuwe financiële faciliteiten. Bijgevolg is in het tweede lid van dit artikel aan de subsidie-ontvanger de verplichting opgelegd de subsidie aan de minister terug te betalen indien hij niet de mogelijkheid heeft om aflossingen en afbetalingen te besteden voor het verstrekken van nieuwe financiële faciliteiten aan technostarters als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel technostarter, onder 2°. Op deze wijze is de facilitering van technostarters verankerd.

Ingevolge het derde lid dient over de ontvangsten en nieuwe verstrekkingen verslag te worden gedaan aan de minister. Het gaat hierbij niet om een verslaglegging zoals noodzakelijk ten behoeve van de vaststelling van de subsidie. Volstaan kan worden met informatieverstrekking over de genoemde gegevens, opdat de minister inzicht heeft of wordt voldaan aan de verplichting tot herbesteding van terugbetalingen op financiële faciliteiten. Een accountantsverklaring over de verslaglegging is derhalve niet vereist. Tot het tijdstip van vaststelling van de subsidie kan deze verslaglegging tegelijk met de algemene verslaglegging op grond van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies plaatsvinden.

Artikel 5.13

De in dit artikel bedoelde aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij TechnoPartner, SenterNovem, Postbus 91344, 2509 AC Den Haag. In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden. Daaronder is in ieder geval een projectplan. Op basis daarvan wordt het project beoordeeld. Daarom dient het in detail uitgewerkt te zijn. Het is van groot belang dat uit het projectplan blijkt dat het project goed is doordacht en uitgewerkt. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een heldere projectdoelstelling, een omschrijving van de verwachte knelpunten en risico’s, van de voorgestelde aanpak, van de fasering, van de expertise van degenen die het project uitvoeren en van de noodzakelijke randvoorwaarden voor en de uiteindelijke perspectieven van het project. Bij het projectplan hoort een begroting. Ook de in onderdeel 2 bedoelde vaststellingsformulieren zijn verkrijgbaar bij Technopartner op het bovenvermelde adres.

Artikel 6.1

Onderwijsinstelling

Het eerste lid is geheel gewijd aan het begrip onderwijsinstelling. Met verwijzing naar de relevante wetgeving omvatten de onderdelen a, b en c de instellingen voor primair onderwijs. Onderdeel d betreft de instellingen voor het voortgezet onderwijs. Onderdeel e beslaat de instellingen voor beroepsonderwijs en volwassseneneducatie en instellingen van het hoger onderwijs zijn gedefinieerd in onderdeel f.

Het tweede lid bevat de definities van een aantal andere voor deze regeling belangrijke begrippen.

CE-project

Een CE-project is gedefinieerd als een project gericht op het opzetten en het totstandkomen van een Centre of Entrepreneurship. Een CE-project houdt niet het fysiek neerzetten van een nieuw instituut in of het instellen van een rechtspersoon. Het gaat om een eenheid van organisatie, coördinatie en creatie van activiteiten en initiatieven. Ondernemerschap in het onderwijs kan en zal bij voorkeur binnen de bestaande institutionele kaders en infrastructuur van hoger onderwijsinstellingen worden ingebed.

Het tweede lid geeft ook een definitie van een CE-samenwerkingsverband. Een CE-samenwerkingsverband moet minimaal bestaan uit twee hoger onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid. Een CE-samenwerkingsverband kan naast deze hoger onderwijsinstellingen bijvoorbeeld bestaan uit allerlei private partijen en uit andere onderwijsinstellingen zoals een regionaal opleidingscentrum of een internationale onderwijsinstelling. De samenwerking moet gericht zijn op samenwerking in het kader van ondernemerschapsonderwijs. Dit moet blijken uit schriftelijke stukken. Verder is geen specifieke organisatievorm vereist. De samenwerking hoeft evenmin geïnstitutionaliseerd te zijn of te zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

Centres of Entrepreneurship dienen in de eerste plaats om meer samenhang en stroomlijning van de diverse initiatieven en activiteiten te creëren, zodat hoogwaardige, multidisciplinair en instellingsbreed ondernemerschapsonderwijs kan worden aangeboden. Multidisciplinair ondernemerschapsonderwijs houdt in dat sprake is van samenwerking tussen onderzoekers, docenten en studenten van verschillende vakgebieden of opleidingen.

Ondernemerschapsonderwijsproject

Een ondernemerschapsonderwijsproject is gedefinieerd als een project dat betrekking heeft op ondernemerschap in het onderwijs. Een ondernemerschapsonderwijsproject moet gericht zijn op het creëren en stimuleren van eigentijdse leeromgeving, lesmateriaal en -methodes voor ondernemerschap, de professionalisering van de leraren of het versterken van de wisselwerking tussen de scholieren, studenten, ondernemers en docenten. In het primair onderwijs zal het vooral draaien om het spelenderwijs kennismaken met ondernemerschap. In het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs gaat het met name om het aanleren van een ondernemende houding en de bewustwording van scholieren dat ondernemerschap een aantrekkelijk carrièreperspectief is. In het hoger onderwijs moeten alle studenten die interesse hebben in ondernemerschap, de mogelijkheid krijgen de benodigde kennis, vaardigheden en houding voor ondernemerschap verder te ontplooien binnen de onderwijsinstelling.

Onderwijssamenwerkingsverband

Een onderwijssamenwerkingsverband dient in elk geval te bestaan uit twee onderwijsinstellingen. Daarnaast omvat deze definitie ook samenwerking tussen instellingsonderdelen zoals bijvoorbeeld in de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie de diverse opleidingen van een regionaal opleidingscentrum (ROC). Er wordt geen specifieke organisatievorm vereist. De samenwerking hoeft evenmin geïnstitutionaliseerd te zijn of te zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Het is voldoende dat de samenwerking blijkt uit schriftelijke stukken en gericht is op samenwerking in het kader van ondernemerschapsonderwijs. Non-profit organisaties zoals de PO Raad, de Stichting Jong Ondernemen en CITO kunnen eveneens subsidie aanvragen als deelnemer in een samenwerkingsverband. Daarbij dienen in ieder geval twee of meer onderwijsinstellingen te zijn betrokken om aan de definitie te kunnen voldoen.

Artikel 6.2

Dit artikel bevat, tezamen met de afwijzingsgronden in de artikelen 22 en 23, onderdelen b, c, d, g en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de artikelen 6.9 en 6.10, de criteria voor het verstrekken van subsidie aan een onderwijsinstelling of onderwijssamenwerkingsverband dat een ondernemerschapsonderwijsproject uitvoert. Centraal in de criteria staat dat het moet gaan om een ondernemerschapsonderwijsproject als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid. Dit impliceert dat moet worden voldaan aan alle in de van toepassing zijnde definities van artikel 6.1 opgenomen elementen. Het ondernemerschapsproject moet gericht zijn op het verankeren van ondernemersvaardigheden en -kennis in het onderwijsprogramma om zo de ondernemerszin bij leerlingen en studenten te vergroten en een ondernemende attitude bij scholieren en studenten te ontwikkelen. De projecten kunnen verschillend van aard zijn. Het kan gaan om het introduceren van ondernemerschapsonderwijs bij een onderwijsinstelling door ondernemerschapsvaardigheden en -kennis op te nemen in het onderwijsprogramma of het lesmateriaal. Daarnaast kan het bestaande ondernemerschapsonderwijs bij een onderwijsinstelling verbeterd worden door nieuwe vaardigheden en competenties aan te leren of nieuwe didactische werkvormen te gebruiken die stimulerend zijn voor het ontwikkelen van een ondernemende houding. Het ondernemerschaponderwijsproject kan ook het ontwikkelen van vernieuwend lesmateriaal inhouden. Verspreiding van ondernemerschapsonderwijs betekent dat het toepassingsbereik van bijvoorbeeld een lesmethode of -materiaal binnen een onderwijsinstelling of in een bredere kring van onderwijsinstellingen wordt vergroot en het ondernemerschapsonderwijs daardoor meer leerlingen en studenten bereikt.

Artikel 6.3

Bij de subsidieverlening wordt het bedrag van de subsidie niet vermeld maar wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald. De hoogte van de subsidie voor een ondernemerschapsonderwijsproject wordt berekend als een percentage van de in aanmerking komende subsidiabele kosten. Hiervan wordt 50 procent gesubsidieerd. In de beschikking tot subsidieverlening wordt op grond van artikel 4:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het maximum subsidiebedrag vermeld.

Artikel 6.4

Een ondernemerschapsonderwijsproject kan ook op grond van een regeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van een provincie of gemeente in aanmerking komen voor subsidie. Ingevolge dit artikel is de cumulatie met dergelijke subsidiëring toegestaan. In dat geval geldt dat de totale subsidie maximaal 75 procent van de subsidiabele kosten mag bedragen.

Artikel 6.5

In dit artikel is een omschrijving opgenomen van de subsidiabele kosten die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de hoogte van de subsidie in verband met artikel 6.3. De hoogte van de subsidie wordt berekend als een percentage van de subsidiabele kosten. Dit artikel bepaalt hoe de subsidiabele kosten worden berekend, hetgeen dus direct van invloed is op de hoogte van de subsidie.

Belangrijkste voorwaarde is dat de subsidiabele kosten direct moeten samenhangen met het ondernemerschapsonderwijsproject. Daarnaast zijn alleen de kosten subsidiabel die gemaakt en betaald zijn na indiening van de subsidieaanvraag op grond van deze regeling.

Onderdeel a betreft de loonkosten voor het bij het project betrokken personeel van een onderwijsinstelling voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het project noodzakelijk zijn. Bij de bepaling van de loonkosten wordt uitgegaan van een door de onderwijsinstelling gehanteerd integraal uurtarief. De berekening en samenstelling van dit integrale uurtarief dient plaats te vinden op basis van de normale door de onderwijsinstelling gehanteerde systematiek. Het moet gaan om een systematiek die door de onderwijsinstelling stelselmatig wordt toegepast en die aansluit op de opzet en indeling van de jaarrekening. De arbeidsuren van het personeel dienen verantwoord te worden. Daartoe is in artikel 38, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, de verplichting opgenomen een sluitende tijdschrijving bij te houden volgens de binnen de organisatie gehanteerde methode.

Onderdeel b bepaalt dat, indien een deel van de activiteiten van het project wordt uitbesteed, de aan derden verschuldigde kosten aan het project kunnen worden toegerekend. Voorbeelden zijn de kosten ter zake van activiteiten van de bij het project betrokken ondernemers zoals het inzetten van het personeel van een ondernemer als begeleider of docent voor het ondernemerschapsonderwijs.

In onderdeel c worden materiaalkosten die uitsluitend voor het project worden aangeschaft en benut, als zodanig als subsidiabele kosten in aanmerking genomen. Daarbij wordt wel een maximum gesteld van 25 procent van de totale subsidiabele kosten. Deze beperking is opgenomen om te voorkomen dat de subsidie grotendeels wordt gebruikt voor het aanschaffen van bijvoorbeeld nieuwe computers en andere apparatuur ten behoeve van de onderwijsinstelling. De restwaarde van speciaal aangeschafte apparatuur wordt in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

In onderdeel d is voorzien in kosten voor overhead met een maximum van 50 procent van de loonkosten.

Onderdeel e is opgenomen om er voor te zorgen dat de kosten voor projectmanagement beperkt worden gehouden.

Door uit te gaan van een binnen de organisatie gehanteerde methode wordt de extra administratieve last voor de aanvrager zo beperkt mogelijk gehouden. Bij de aanvraag om subsidievaststelling wordt, indien het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld € 125 000 of meer bedraagt, op grond van artikel 50, derde lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, door de subsidieontvanger een accountantsverklaring overgelegd over de juistheid van de financiële gegevens in de subsidieverantwoording. De aanvrager dient voorts altijd te verklaren dat de reguliere systemen zijn gehanteerd voor de financiële onderbouwing van de aanvraag tot subsidievaststelling.

Voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd, wordt geen subsidie verleend. Ingevolge artikel 4:46, derde lid, van de Awb blijven deze kosten bij de subsidievaststelling buiten beschouwing. Dit artikel kan een rol spelen bij constructies waarbij aan de subsidieontvanger door een onderneming onevenredige kosten in rekening worden gebracht.

Artikel 6.6

In dit artikel is bepaald dat de minister het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen verdeelt.

Artikel 6.7

Een onafhankelijke adviescommissie heeft tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie en in dat kader over de toepassing van de afwijzingsgronden met uitzondering van de afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 22 van het Kaderbesluit EZ-subsidies. De Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs adviseert de minister met andere woorden over de toepassing van de in artikel 6.9, eerste lid, en de in artikel 23, onderdelen b, c, d, g en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies opgenomen afwijzingsgronden. Daarnaast adviseert de adviescommissie omtrent de toepassing van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.10.

Artikel 6.8

Dit artikel bepaalt de termijn waarbinnen de minister moet hebben besloten op de aanvraag. Als de beschikking niet binnen die termijn kan worden genomen, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waar binnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien gelet op artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6.9

Het eerste lid van dit artikel bevat een groot aantal afwijzingsgronden.

Omdat het ongewenst is dat ten behoeve van één ondernemerschapsonderwijsproject een beroep gedaan kan worden op meerdere subsidie-instrumenten van de rijksoverheid is in onderdeel a bepaalt dat slechts op grond van één regeling subsidie wordt verstrekt. Overigens wordt een bijdrage van de rijksoverheid in de exploitatie- en investeringskosten (ook wel de basissubsidie genoemd) aan een onderwijsinstelling niet in aanmerking genomen.

In onderdeel b wordt bepaald dat slechts subsidie wordt verstrekt indien het bedrijfsleven op enigerlei wijze betrokken is bij het ondernemerschapsonderwijsproject. Deze betrokkenheid kan financieel zijn, maar mag ook een bijdrage zijn door het beschikbaar stellen van tijd, bijvoorbeeld voor lessen, stages, bedrijfsbezoeken of door zitting te nemen in de organisatie van het project.

De afwijzingsgrond, genoemd in onderdeel c, komt voort uit de overweging dat het ondernemerschapsonderwijs een vast onderdeel dient te worden van het onderwijsprogramma van onderwijsinstellingen.

Bij de in onderdeel d genoemde grond voor afwijzing gaat het om ondernemerschapsonderwijs dat reeds wordt verzorgd binnen een onderwijsinstelling. Een aanvraag voor bestaande activiteiten wordt slechts gehonoreerd als het project leidt tot een grotere reikwijdte van de bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs doordat meer leerlingen en studenten worden bereikt of extra waarde wordt toevoegd aan de bestaande activiteiten.

In het tweede lid is bepaald dat de afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing zijn. Dit betekent dat naast de afwijzingsgronden in het eerste lid van dit artikel ondernemerschapsonderwijsprojecten ook op grond van de artikelen 22 en 23, onderdelen b, c, d, g en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kunnen worden afgewezen.

Artikel 6.10

In artikel 6.10, eerste lid, zijn de rangschikkingscriteria opgenomen.

Bij het in onderdeel a opgenomen criterium gaat het om de integratie van het ondernemerschapsonderwijs in het gehele onderwijsaanbod van de betrokken onderwijsinstellingen. Het in onderdeel b opgenomen criterium betreft de inhoudelijke kwaliteit van het projectplan dat als maatstaf dient voor de beoordeling van het project. Dit kan blijken uit de gehanteerde ambitie en doelstellingen, de te ondernemen activiteiten, verwachte resultaten, planning en de relatie tussen het projectplan en de begroting van de kosten. Bij de criteria, bedoeld in onderdelen c en d, moet het gaan om de reikwijdte van het project. Onderdeel e ziet op de mate waarin een project origineel en onorthodox is en zich daardoor op een positieve en opvallende manier onderscheidt van andere projecten.

De minister zal, beginnend met de aanvraag die het hoogst wordt gerangschikt, subsidies verlenen totdat het subsidieplafond is bereikt. Hij wijst aanvragen af voor zover het subsidieplafond door het totaal van hoger gerangschikte aanvragen is bereikt, dan wel door verlening van de gevraagde subsidie zou worden overschreden. Indien een aanvraag is afgewezen als gevolg van een te lage rangschikking ten opzichte van het subsidieplafond, kan de aanvraag bij een volgende gelegenheid opnieuw in de beoordeling worden betrokken. Daartoe is wel vereist dat de aanvraag, eventueel verbeterd, opnieuw wordt ingediend.

Artikel 6.11

In het eerste lid is bepaald dat een onderwijsinstelling wordt aangewezen als een instelling als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van het Kaderbesluit.

In het tweede lid is bepaald dat in afwijking van de artikelen 45 tot en met 47 op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de minister voorschotten worden verstrekt. Dit brengt met zich dat een aanvraag om een voorschot moet worden ingediend. Het derde lid bepaalt dat het verlenen van een voorschot is gekoppeld aan het uitbrengen van tussenrapportages, waaruit blijkt hoe het project zich ontwikkelt. Er is dus sprake van ‘mijlpaal-financiering’, maar ook van maatwerk. Ingevolge het vierde lid dient voor de aanvraag van een voorschot dient een formulier te worden gebruikt. Indien de subsidieontvanger niet voldoet aan voor hem geldende verplichtingen zal zijn verzoek om een voorschot worden afgewezen.

Er is geen termijn geregeld voor de beslissing op een aanvraag om voorschot. Dit betekent dat de in artikel 4:13 van de Awb genoemde termijn geldt.

Artikel 6.12

Dit artikel bevat, tezamen met de afwijzingsgronden in de artikelen 22 en 23, onderdelen b, c, d, g en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de artikelen 6.20 en 6.21, de criteria voor het verstrekken van subsidie aan een hoger onderwijsinstelling of een CE-samenwerkingsverband dat een CE-project uitvoert. Centraal in de criteria staat dat het moet gaan om een CE-project als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid. Dit impliceert dat moet worden voldaan aan alle in de van toepassing zijnde definities van artikel 6.1 opgenomen elementen. Het project moet gericht zijn op het gestalte geven aan een Centre of Entrepreneurship. Een Centre of Entrepreneurship is het totstandbrengen van stroomlijning en coördinatie van diverse activiteiten dat moet uitmonden in ondernemerschapsonderwijs dat toegankelijk is voor alle studenten van de betrokken onderwijsinstelling (instellingsbreed) en dat gebaseerd is op samenwerking van de belangrijkste actoren tussen verschillende opleidingen: docenten, onderzoekers en studenten (multidisciplinair). Indien er bij de hoger onderwijsinstellingen nog geen sprake is van een volledige ondernemerschapsportfolio aan faciliteiten of activiteiten zullen deze dienen te worden ontwikkeld: initiatieven die zich richten op het creëren van eigentijdse leeromgeving, lesmateriaal en -methode voor ondernemerschap, professionalisering van de leraren. Daarnaast kan een Centre of Entrepreneurship aandacht worden besteed aan (toegepast) onderzoek en netwerken met de lokale omgeving (bedrijven, andere onderwijsinstellingen en publieke instellingen) ter ondersteuning van het ondernemerschapsonderwijs.

Artikel 6.13

Dit artikel heeft een gelijke strekking als artikel 6.3. Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.3. Anders dan in artikel 6.3 is in dit artikel een maximum subsidiebedrag opgenomen van € 3 miljoen.

Artikel 6.14

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 6.4. Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.4.

Artikel 6.15

Dit artikel heeft een gelijke strekking als artikel 6.5. Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.5.

Artikel 6.16

In dit artikel is bepaald dat de minister het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen verdeelt.

Artikel 6.17

De Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs, bedoeld in artikel 6.7, heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie voor een CE-project en in dat kader over de toepassing van de afwijzingsgronden, met uitzondering van de afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 22 van het Kaderbesluit EZ-subsidies. De Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs adviseert de minister met andere woorden over de toepassing van de in artikel 6.20, eerste lid, en de in artikel 23, onderdelen b, c, d, g en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies opgenomen afwijzingsgronden. Daarnaast adviseert de adviescommissie omtrent de toepassing van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.21.

Artikel 6.18

In artikel 6.18, eerste lid, is bepaald dat een aanvraag niet wordt ingediend dan nadat daarover door de Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis van een vooraanmelding. Deze stap dient aldus te worden genomen voordat een aanvraag voor een subsidie voor een CE-project kan worden ingediend. Een tweetal minimale inhoudelijke vereisten die worden gesteld aan de vooraanmelding zijn opgenomen in het eerste lid, onderdelen a en b. De vooraanmelding moet ingaan op inhoud en de organisatie van de activiteiten van het Centre of Entrepreneurship. Aangezien de vormgeving voor een Centre of Entrepreneurship afhangt van de (economische) omgeving waarin de hoger onderwijsinstelling opereert en van de inrichting van de hoger onderwijsinstelling wordt nadrukkelijk geen blauwdruk voorgeschreven. Alle hoger onderwijsinstellingen zullen door het Partnership Leren Ondernemen door middel van een open call for proposals worden uitgedaagd om een aanvraag in te dienen.

In het tweede lid is aangegeven op welke punten het advies van de acviescommisie zich zal richten. Onderdeel a komt voort uit de overweging dat het ondernemerschapsonderwijs een vast onderdeel dient te worden van het onderwijsprogramma van de hoger onderwijsinstellingen op de lange termijn. Bij de in onderdeel b genoemde punt gaat het om ondernemerschapsonderwijs dat reeds wordt verzorgd binnen de hoger onderwijsinstelling. Een aanvraag voor bestaande activiteiten wordt slechts gehonoreerd als het project leidt tot een grotere reikwijdte van de bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs doordat meer leerlingen en studenten uit andere disciplines worden bereikt of extra waarde wordt toevoegd aan de bestaande activiteiten. Onderdeel c ziet op het aspect van multidisciplinairiteit dat inhoudt dat over de grenzen van faculteiten, opleidingen en vakgebieden door docenten, onderzoekers en studenten wordt samengewerkt in het kader van ondernemerschapsonderwijs.

Artikel 6.19

Dit artikel bepaalt de termijn waarbinnen de minister moet hebben besloten op de aanvraag. Als de beschikking niet binnen die termijn kan worden genomen, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waar binnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien gelet op artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6.20

Het eerste lid van dit artikel bevat een groot aantal afwijzingsgronden.

Omdat het ongewenst is dat ten behoeve van één CE-project een beroep gedaan kan worden op meerdere subsidie-instrumenten van de rijksoverheid is in onderdeel a bepaald dat slechts op grond van één regeling subsidie wordt verstrekt. Overigens wordt een bijdrage van de rijksoverheid in de exploitatie- en investeringskosten (ook wel de basissubsidie genoemd) aan een hoger onderwijsinstelling niet in aanmerking genomen.

In onderdeel b wordt bepaald dat slechts subsidie wordt verstrekt indien het bedrijfsleven op enigerlei wijze betrokken is bij het CE-project. Deze betrokkenheid kan financieel zijn, maar mag ook een bijdrage zijn door het beschikbaar stellen van tijd, bijvoorbeeld voor lessen, stages, bedrijfsbezoeken of door zitting te nemen in de organisatie van het project.

Onderdeel c bepaalt dat het ondernemerschapsonderwijs dat het Centre of Entrepreneurship gaat ondersteunen en coördineren toegankelijk moet zijn voor alle studenten van de bij het CE-project betrokken hoger onderwijsinstelling. Dit vereiste benadrukt de centrale rol die het Centre moet spelen in het ondernemerschapsonderwijs.

De afwijzingsgrond, genoemd in onderdeel d komt voort uit de overweging dat het ondernemerschapsonderwijs een vast onderdeel dient te worden van het onderwijsprogramma van de hoger onderwijsinstellingen op de lange termijn.

Bij de in onderdeel e genoemde grond voor afwijzing gaat het om ondernemerschapsonderwijs dat reeds wordt verzorgd binnen de hoger onderwijsinstelling. Een aanvraag voor bestaande activiteiten wordt slechts gehonoreerd als het project leidt tot een grotere reikwijdte van de bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs doordat meer leerlingen en studenten worden bereikt of extra waarde wordt toevoegd aan de bestaande activiteiten.

Onderdeel f betreft het vereiste van multidisciplinairiteit dat inhoudt dat over de grenzen van faculteiten, opleidingen en vakgebieden door docenten, onderzoekers en studenten wordt samengewerkt in het kader van ondernemerschapsonderwijs.

Afwijzing op grond van onderdeel g is mogelijk als het CE-project niet binnen een jaar kan worden gestart. De afwijzingsgrond, genoemd in onderdeel h komt voort uit de overweging dat het Centre of Entrepreneurship een meerwaarde moet zijn voor het ondernemerschapsonderwijs van de hoger onderwijsinstelling.

In het tweede lid is bepaald dat de afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, en en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing zijn. Dit betekent dat naast de afwijzingsgronden in het eerste lid van dit artikel CE-projecten ook op grond van de artikelen 22 en 23, onderdelen b, c, d, g en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kunnen worden afgewezen.

Artikel 6.21

In artikel 6.21, eerste lid, zijn de rangschikkingscriteria opgenomen.

Het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ziet op de mate van ervaring met ondernemerschapsonderwijs en de daarbij behorende activiteiten waardoor een vruchtbare grond is voor een stevige inbedding van het ondernemerschapsonderwijs binnen de hoger onderwijsinstelling als geheel.

Het in het eerste lid, onderdeel b opgenomen criterium betreft de inhoudelijke kwaliteit van het projectplan dat als maatstaf dient voor de beoordeling van het project. Dit kan blijken uit de gehanteerde ambitie en doelstellingen, de te ondernemen activiteiten, verwachtte resultaten, planning en de relatie tussen het projectplan en de begroting van de kosten.

Het eerste lid, onderdeel c ziet op de mate waarin een project origineel en onorthodox is en zich daardoor op een positieve en opvallende manier onderscheidt van andere projecten.

De minister zal, beginnend met de aanvraag die het hoogst wordt gerangschikt, subsidies verlenen totdat het subsidieplafond is bereikt. Hij wijst aanvragen af voor zover het subsidieplafond door het totaal van hoger gerangschikte aanvragen is bereikt, dan wel door verlening van de gevraagde subsidie zou worden overschreden. Indien een aanvraag is afgewezen als gevolg van een te lage rangschikking ten opzichte van het subsidieplafond, kan de aanvraag bij een volgende gelegenheid opnieuw in de beoordeling worden betrokken. Daartoe is wel vereist dat de aanvraag, eventueel verbeterd, opnieuw wordt ingediend.

Artikel 6.22

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 6.11. Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.11.

Artikel 7.1

Beroepsonderwijsinstelling

Onder het begrip beroepsonderwijsinstelling vallen alle van rijkswege bekostigde scholen en instellingen die vmbo en/of mbo verzorgen. Scholen voor praktijkonderwijs vallen echter niet onder deze definitie, omdat deze onderwijsvorm gericht is op leerlingen van wie niet verwacht mag worden dat zij het vmbo met een diploma afsluiten.

Praktijkleren

Onder praktijkleren vallen alle mogelijke vormen van leren in de beroepspraktijk, voor zover deze mogelijk zijn binnen de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals stages in het vmbo en mbo en beroepspraktijkvorming (de praktijkcomponent van de beroepsbegeleidende leerweg in het mbo) in het mbo. Hieronder worden dus ook vormen van beroepspraktijkvorming verstaan die in het kader van herontwerp van het mbo ontwikkeld kunnen worden. Vereist is dat het praktijkleren deel uitmaakt van een leertraject dat gericht is op het halen van een vmbo- dan wel mbo-diploma.

Praktijksimulaties kunnen – met name voor vmbo-deelnemers – een krachtige leeromgeving vormen en positief bijdragen aan het ontwikkelen van een beroepsbeeld.

Samenwerkingsverband beroepsonderwijs

Om voor subsidie in aanmerking te komen is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband dat minimaal uit één MKB-ondernemer en een beroepsonderwijsinstelling dient te bestaan. Daarnaast kunnen ook andere partijen zoals brancheorganisaties of hogescholen deel uitmaken van het samenwerkingsverband. Voorwaarde is dat alle deelnemers van het samenwerkingsverband een wezenlijke bijdrage leveren aan bevordering van de kwaliteit van het praktijkleren. Het is niet vereist dat de samenwerking wordt geïnstitutionaliseerd in een rechtspersoon.

Vernieuwingstraject

Een vernieuwingstraject is een belangrijk inhoudelijk element van een project. Voorop staat de samenwerking van ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen om praktijkleren te ontwikkelen. Deze samenwerking moet als doel hebben vernieuwingen in het praktijkleren tot stand te brengen waarbij vier aspecten kunnen worden aangepakt: vorm, inhoud, proces en taakverdeling. De inhoud van praktijkleren betreft de kennis en vaardigheden die onderwijsdeelnemers in de praktijk moeten brengen terwijl het bij de vorm van het praktijkleren gaat om de wijze waarop die kennis en vaardigheden worden bijgebracht.

Het proces van praktijkleren betreft de wijze waarop praktijkleren wordt ingepast in het totale onderwijsproces. De taakverdeling betreft de verantwoordelijkheidsverdeling tussen ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen omtrent het praktijkleren. De vernieuwing moet inhouden dat door de samenwerking tussen ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen aantoonbaar nieuwe initiatieven op het gebied van praktijkleren worden ontplooid, dat het praktijkleren wordt verbreed doordat een substantieel grotere doelgroep onderwijsdeelnemers wordt bereikt dan voorheen of dat bestaande initiatieven verder worden uitgebouwd en aldus het praktijkleren wordt verdiept. Een vernieuwingstraject kan vernieuwing van één of meerdere aspecten van het praktijkleren (vorm, inhoud, proces of taakverdeling) inhouden. Het vernieuwen van de vorm van het praktijkleren kan bijvoorbeeld het versterken van de deskundigheid en capaciteit van praktijkopleider( s) betreffen of het innovatief gebruiken van ICT ten behoeve van het praktijkleren (de juiste theorie op het juiste moment), het bundelen van opleidingscapaciteit of infrastructuur door ondernemers of het gemeenschappelijk gebruiken van middelen (‘facility sharing’). Voorbeelden van inhoudelijke vernieuwing van het praktijkleren zijn een betere afstemming tussen theorie en beroepspraktijk, bijvoorbeeld door levensechte multidisciplinaire praktijkopdrachten, of door het gebruik van nieuwe, in de productie toegepaste technologie in de praktijkopdrachten, enzovoorts. Bij vernieuwing van het proces van praktijkleren kan worden gedacht aan bijvoorbeeld flexibilisering van het standaard leertraject, de planning van de leerstof en de toetsmomenten gedurende het leertraject, de wijze van examinering of de wijze van vastleggen van bereikte leerdoelen. Vernieuwing met betrekking tot de taakverdeling rondom het praktijkleren is gericht op de taken die ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen met betrekking tot het praktijkleren op zich nemen, bijvoorbeeld de begeleiding van de onderwijsdeelnemer of het koppelen van de onderwijsdeelnemer aan een praktijkplaats. De invulling van een vernieuwingstraject biedt volop ruimte voor het bedenken en ontwikkelen van originele, experimentele en zelfs onorthodoxe activiteiten, waarin bijvoorbeeld de onderwijsdeelnemer op een bijzondere manier wordt betrokken bij de uitvoering van het project, op een inventieve manier gebruik gemaakt wordt van de deskundigheid van praktijkopleiders; op een originele manier gebruik gemaakt wordt van de innovatiekracht van de ondernemers, de beroepsonderwijsinstellingen en de onderwijsdeelnemers.

Artikel 7.2

In dit artikel wordt aangegeven voor welke activiteiten subsidie wordt verstrekt. Grofweg kan een onderscheid gemaakt worden in drie soorten activiteiten: activiteiten waarmee een basis gelegd wordt voor het vernieuwen van praktijkleren (startactiviteiten), activiteiten waarmee concreet wordt samengewerkt aan het vernieuwen van het praktijkleren (ontwikkel- en uitvoeringsactiviteiten), en activiteiten die de vernieuwing van het praktijkleren verankeren in de organisatie van de ondernemers en de beroepsonderwijsinstellingen (verduurzamingsactiviteiten). Met startactiviteiten wordt een fundament gelegd voor de samenwerking tussen de deelnemers van een samenwerkingsverband.

Het gaat om het leggen van contacten die moeten uitmonden in het bedenken en ontwikkelen van vernieuwde of verbeterde vormen van praktijkleren. Startactiviteiten zullen in de meeste gevallen bestaan uit een investering in kennismaking en afstemming, met het doel op hoofdlijnen uit te werken wat de deelnemers van het samenwerkingsverband willen verbeteren aan het praktijkleren (vorm, inhoud, proces of taakverdeling). Deze kennismaking kan resulteren in schriftelijke afspraken, waarmee een gemeenschappelijk uitgangspunt wordt gelegd voor het concreet vormgeven van het vernieuwen van praktijkleren en de verduurzaming daarvan.

Bij ontwikkel- en uitvoeringsactiviteiten gaat het om het ontwikkelen en uitvoeren van het vernieuwingstraject van een samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband gaat dan concreet aan de slag met de vernieuwing van het praktijkleren. Deze activiteiten moeten leiden tot een stevige en groeiende samenwerking tussen ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen.

Verduurzamingsactiviteiten zijn erop gericht dat het samenwerkingsverband ervoor zorgt dat het ontwikkelde vernieuwingstraject wordt voortgezet nadat het project waarvoor subsidie is verleend eindigt. De deelnemers van het samenwerkingsverband moeten na afloop van het project bereid zijn om het vernieuwde praktijkleren te onderhouden, te financieren en de opgedane kennis actief te delen. Afspraken hierover dienen schriftelijk worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een meerjarig strategisch plan of samenwerkingsovereenkomst. Een samenwerkingsverband kan deze activiteiten afzonderlijk of in combinatie vervatten in één of meerdere projecten. In de regel zullen de drie soorten activiteiten de chronologische fasen van een vernieuwingstraject weerspiegelen. Het kan echter voorkomen dat een samenwerkingsverband op eigen kracht tot vernieuwing van praktijkleren is gekomen en deze aanpak structureel wil inbedden in de organisatiestructuur. Een samenwerkingsverband kan dan voor deze verduurzamingsactiviteiten een beroep doen op de regeling, zonder dat daar één of meerdere subsidieaanvragen voor start- of ontwikkel- en uitvoeringsactiviteiten aan vooraf zijn gegaan. In voorkomende gevallen zal uiteraard wel aangetoond moeten worden of de ontwikkelde aanpak voor het praktijkleren en de verduurzaming daarvan bijdraagt aan de verbetering van het praktijkleren. Het project moet gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van het praktijkleren door een betere afstemming op de beroepspraktijk.

Artikel 7.3

Bij de subsidieverlening wordt het bedrag van de subsidie niet vermeld maar wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald. De hoogte van de subsidie voor een project wordt berekend als een percentage van de in aanmerking komende subsidiabele kosten. Hiervan wordt 50 procent gesubsidieerd. De regeling laat ruimte voor opeenvolgende aanvragen voor combinaties van startactiviteiten, ontwikkel- en uitvoeringsactiviteiten en/of verduurzamingsactiviteiten door hetzelfde samenwerkingsverband.

Artikel 7.4

In het eerste lid is een maximum bedrag gesteld aan subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, om te benadrukken dat activiteiten van een samenwerkingsverband verricht in het kader van het leggen van een basis voor vernieuwingstraject niet moeten blijven hangen in een kennismakingsfase. Het tweede lid bepaalt dat per project in totaal ten hoogste € 500.000 aan subsidie wordt verleend.

Artikel 7.6

Beroepsonderwijsinstellingen hebben de beschikking over middelen op grond van de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006–2009 en/of de Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2010 (hierna: box-regelingen), die onder meer bedoeld zijn voor (de verbetering van) het praktijkleren. Deze middelen kunnen de werking van onderhavige regeling versterken. Met het oog hierop moeten beroepsonderwijsinstellingen voor de voor hun rekening blijvende subsidiabele kosten kunnen putten uit deze middelen zonder dat dit in mindering gebracht wordt op de subsidie die op grond van deze regeling verkregen kan worden. Daarom wordt in het in het tweede lid een uitzondering gemaakt voor cumulatie met de aanvullende vergoedingen op grond van de box-regelingen. Beroepsonderwijsinstellingen kunnen deze vergoedingen dus inzetten voor projecten in de zin van deze regeling.

Artikel 7.7

Ingevolge artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit is het mogelijk een aanvraag om subsidie af te wijzen als een project niet binnen een bepaalde termijn kan worden voltooid. Deze termijn wordt in dit artikel vastgelegd. Een project dat bestaat uit een opeenvolging van alle drie de categorieën activiteiten mag maximaal drie jaar duren. Startactiviteiten (artikel 7.2, onderdeel a) dienen binnen maximaal een halfjaar te zijn afgerond. Indien deze activiteiten na een half jaar zijn afgerond, is voor de andere activiteiten nog twee en een half jaar beschikbaar. Van een samenwerkingsverband mag redelijkerwijs verwacht worden dat er binnen een tijdsbestek van drie jaar een zodanige samenwerking is opgebouwd dat die ook zonder financiële ondersteuning kan worden voortgezet.

Artikel 7.8

In dit artikel zijn, in aanvulling op de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, een aantal gronden opgenomen die kunnen leiden tot afwijzing van de aanvraag. De afwijzingsgrond zoals opgenomen in onderdeel a benadrukt dat er een evenwicht moet zijn tussen de bijdragen van het beroepsonderwijs en de bijdragen van het bedrijfsleven aan de uitvoering van het project. Dit betekent dat het aandeel van de subsidiabele kosten dat voor rekening blijft van de deelnemers van een samenwerkingsverband (dat wil zeggen de andere 50 procent van de subsidiabele kosten die niet door de regeling worden gesubsidieerd) evenredig moet worden verdeeld tussen de deelnemende ondernemer(s) enerzijds en de deelnemende beroepsonderwijsinstelling (en) anderzijds. Indien geen sprake is van een min of meer gelijke verdeling van de inbreng van het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven in het samenwerkingsverband, wordt de aanvraag afgewezen. Dit betreft zowel de financiële als personele inbreng (kapitalisering van mensuren). Beroepsonderwijsinstellingen kunnen daarbij bijvoorbeeld putten uit de aanvullende vergoedingen die zij op grond van de box-regelingen hebben ontvangen. De eigen bijdrage van ondernemers kan door de ondernemer(s) zelf opgebracht worden, maar ook ter beschikking worden gesteld door een brancheorganisatie of Opleidings- en Ontwikkelingsfonds.

De in onderdeel b opgenomen afwijzingsgrond betreft het evenwicht tussen de inbreng van de ondernemers enerzijds en de beroepsonderwijsinstellingen anderzijds met betrekking tot een andere dan financiële inbreng in het project zoals personele inbreng. Hiermee wordt ook het belang van de gezamenlijkheid van het project onderstreept.

In onderdeel c is het naar verwachting niet kunnen financieren van het project als afwijzingsgrond opgenomen. Voor de beoordeling van de haalbaarheid van de financiering van het project wordt gekeken naar de eigen middelen die de deelnemers van het samenwerkingsverband kunnen inzetten en naar de middelen waarvan het samenwerkingsverband aantoont dat derden die ter beschikking zullen stellen. Daarnaast wordt de aangevraagde subsidie meegenomen in de beoordeling.

Bij de onder d genoemde grond voor afwijzing gaat het om de mate waarin het project bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel van de regeling. Projecten moeten een positief effect hebben op de kwaliteit en effectiviteit van het praktijkleren.

Afwijzing op grond van onderdeel e is mogelijk als er een grote discrepantie is tussen de in het projectplan uiteengezette activiteiten en te verwachten resultaten enerzijds en de daaraan gerelateerde kosten die in de begroting van de kosten zijn opgenomen anderzijds. Daarbij speelt ook de mate waarin een project een bijdrage levert aan de wensen van MKB-ondernemers met betrekking tot praktijkleren een belangrijke rol.

De afwijzingsgrond, genoemd in onderdeel f, komt voort uit de overweging dat als het door het samenwerkingsverband ontwikkelde vernieuwingstraject wordt verduurzaamd dit traject ook na de subsidie op de lange termijn structureel moet kunnen worden voortgezet.

Artikel 7.10

Dit artikel legt een inhoudelijke verplichting op aan de subsidieontvanger: deelname aan jaarlijkse bijeenkomst voor projectleiders van projecten die op grond van deze regeling subsidie ontvangen. Deze bijeenkomsten hebben tot doel leereffecten te genereren door het delen van kennis en ervaringen. Daarnaast bieden deze bijeenkomsten de gelegenheid om inzicht te krijgen in het verloop en de uitvoering van projecten.

Artikel 7.11

Dit artikel moet waarborgen dat een subsidieontvanger meewerkt aan een evaluatie van de subsidie en de effecten daarvan. Niet alleen de voltooiing van gesubsidieerde projecten is van belang, het gaat immers ook om de bijdrage van deze projecten aan de doelstelling van deze regeling: het verbeteren van het praktijkleren. Om te zien of deze doelstelling wordt bereikt, is evaluatieonderzoek onmisbaar. Om die reden is een verplichting voor de subsidieontvanger opgenomen om mee te werken aan effectmetingen, voor zover dit redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. Hierbij worden geen nadere administratieve eisen gesteld. De verplichting is beperkt tot vijf jaar na subsidievaststelling. In het algemeen is na vijf jaar het effect van een project niet meer meetbaar, omdat dan de nieuwheid verdwenen is en de resultaten meestal zodanig zijn geabsorbeerd in de normale activiteiten van de subsidieontvanger dat deze niet meer te onderscheiden zijn.

Artikel 7.12

Ingevolge dit artikel is de subsidie-ontvanger verplicht binnen drie maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening te starten met de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2. Doel van deze bepaling is de verstrekking van subsidie aan vroegtijdig ingediende aanvragen te voorkomen.

Artikel 7.13

In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden. Dit zijn in ieder geval het projectplan en de begroting van de kosten. Het tweede lid stelt een aantal inhoudelijke vereisten aan het projectplan dat ten grondslag ligt aan de inhoudelijke beoordeling van het project. Naast de gebruikelijke voorwaarden als doelstelling en activiteitenplan is nog een aantal aanvullende bepalingen opgenomen. In het projectplan moet worden aan gegeven hoeveel onderwijsdeelnemers met het project bereikt worden, zorgt ervoor dat de balans tussen kosten en baten van projecten gewaarborgd kan worden. Het projectplan moet ook aangeven dat er kennis is genomen van ‘de stand der techniek’ op het gebied van praktijkleren. Vervolgens dient ook aangegeven te worden op welke wijze deze kennis een rol heeft gespeeld bij de vormgeving van het project en de voorgenomen activiteiten. Dit vereiste is opgenomen om te bevorderen dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van al beschikbare kennis van vernieuwing van praktijkleren. Daarmee wordt voorkomen dat verschillende samenwerkingsverbanden ieder voor zich opnieuw het wiel gaan uitvinden. Ook moet in het projectplan tot uitdrukking komen op welke wijze wordt het praktijkleren vernieuwd en waarop (vorm, inhoud, proces of taakverdeling) is deze vernieuwing gericht. Voor de beoordeling of sprake is van een project in de zin van de regeling speelt dit onderdeel van het projectplan een doorslaggevende rol. In het projectplan dient aandacht te worden besteed aan het verkennen van de mogelijkheid om contacten te leggen met regionale netwerken die actief zijn op het gebied van de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven. Eén van de ondernemers in het samenwerkingsverband wordt door de andere deelnemers aangewezen als penvoerder. Door het gezamenlijk ondertekenen van het in het eerste lid bedoelde formulier wordt de penvoerder gemachtigd om op te treden namens de andere deelnemers. Het aanwijzen van een ondernemer als penvoerder versterkt de betrokkenheid en de leidende rol van het bedrijfsleven in een project. Overigens kan een ondernemer zich daarbij op grond van artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht laten bijstaan en/of vertegenwoordigen. Concreet betekent dit dat een ondernemer bijvoorbeeld een brancheorganisatie of een Opleidingen Ontwikkelingsfonds kan machtigen om namens hem op te treden.

Artikel 8.1

Onder de contractprijs wordt verstaan het bedrag dat de opdrachtgever, gelet op de hem toegestuurde factuur, aan de scheepswerf verschuldigd is. Met de bepaling dat het moet gaan om de prijs ‘voor de bouw van een schip’ wordt aangegeven dat voor de bepaling van de contractprijs slechts die kosten in aanmerking worden genomen die direct betrekking hebben op de bouw van het schip. Er wordt dus geen rekening gehouden met constructies die leiden tot een kunstmatige verhoging van de contractprijs. Hieronder vallen constructies waarbij tussen opdrachtgever en scheepswerf (bijvoorbeeld in geval van een verkoopkantoor die als tussen persoon voor de uiteindelijk opdrachtgever optreedt) een aanzienlijk hogere prijs wordt vastgelegd of betaald dan tussen reder en opdrachtgever, maar ook het in de prijs verwerken van kosten die geen betrekking hebben op de bouw van het schip. Het gaat daarbij onder meer om kosten die betrekking hebben op de economische inzet van het schip, zoals bevrachtingskosten of die verband houden met de uiteindelijke financiering van het schip (kosten met betrekking tot de bouwfinanciering van het schip uitgezonderd), zoals kosten voor inwerving van CV-vermogen. Ook kosten die door de afnemer van het schip aan de scheepswerf in rekening worden gebracht waartegenover geen daadwerkelijke materiële levering staat, vallen niet onder de contractprijs in de zin van dit besluit.

Een kredietovereenkomst wordt gedefinieerd als een overeenkomst tussen een scheepswerf en een financier. Niet uitgesloten is dat de financier vervolgens weer onderovereenkomsten sluit. Tevens blijft de mogelijkheid open dat het kredietbedrag voortvloeit uit een kredietovereenkomst waarin voor meer aangelegenheden krediet wordt verstrekt dan alleen voor de bouw van het betreffende schip. In ieder geval moet uit de kredietovereenkomst duidelijk blijken dat het kredietbedrag beschikbaar is voor de bouw van het schip waarvoor de aanvraag is ingediend.

Of, zoals opgenomen in de definitie van scheepswerf, sprake is van een ondernemer die schepen ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust, kan onder andere blijken uit opname in het scheepsregister als scheepsbouwer, de doelomschrijving in de statuten, de SBI-code (code die door het Centraal Bureau voor de Statistiek onder andere gebruikt wordt om bedrijfseenheden te rubriceren naar hun hoofdactiviteit, de zogenaamde standaard bedrijfsindeling), het aantal werknemers, de inschrijving in het handelsregister en een lidmaatschap van de VNSI. Aangezien een borgstelling zal worden verstrekt voor de financiering van de bouw in Nederland, zal de scheepswerf een vaste bouwlocatie in Nederland moeten hebben.

Bij de definitie van ‘schip’ wordt gesproken over een zichzelf voortstuwend schip, met een minimaal vermogen van 365 kW of een minimaal tonnage van 500 bruto ton.

De eis dat er sprake moet zijn van een ‘zichzelf voortstuwend schip’ betekent dat het schip een permanente voortstuwing moet hebben. Niet onder deze definitie vallen derhalve bijvoorbeeld boorplatforms.

Niet onder de definitie vallen militaire schepen, dat wil zeggen schepen die overeenkomstig hun fundamentele en technisch vermogen zijn bedoeld om voor militaire doeleinden te worden gebruikt, zoals oorlogsschepen en andere schepen voor offensieve of defensieve doeleinden.

Artikel 8.2

Door de combinatie van definities in artikel 1 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en dit artikel, komen in de praktijk algemene banken, spaarbanken en hypotheekbanken voor subsidie in aanmerking. Effectenbanken zijn uitgesloten. Zij houden zich in het algemeen niet bezig met bedrijfskredietverlening

Artikel 8.3

In dit artikel is opgenomen aan wie en waarvoor borgstelling wordt verstrekt. Er wordt borg gestaan ten behoeve van de financiering van de bouw van een nieuw schip. Scheepsreparatie, – verbouwing en/of – conversie vallen niet onder dit hoofdstuk.

De scheepsnieuwbouwactiviteiten moeten in principe in Nederland plaatsvinden. Aanvragers zijn vrij in de wijze waarop ze aantonen dat sprake is van bouw in Nederland. Er is echter wel oog voor het feit dat in sommige gevallen de Nederlandse werven de bouw van delen van het schip, zoals het casco, in het buitenland uitbesteden. Bij de indiening van de aanvraag om borgstelling zal een verklaring op dit punt moeten worden overgelegd. Indien nodig kan ook feitelijke controle plaatsvinden.

Artikel 8.4

De EZ-borgstelling wordt gegeven over maximaal 80 procent van het bedrag dat door de financier is verstrekt als krediet voor de bouw van het schip.

In het tweede lid wordt aangegeven dat geen borg wordt gestaan voor kosten die de financier zelf in rekening brengt bij de scheepswerf. Te denken valt aan de kosten van garanties die de bank afgeeft aan de opdrachtgever ten behoeve van de werf, maar ook aan kosten als gevolg van vertraging in de oplevering van het schip waarvoor de financier additionele kosten aan de werf in rekening brengt. De kosten van de financiering van de bouw van het schip komen wel in aanmerking voor borgstelling. Te denken valt aan rente over het kredietbedrag, een in de bancaire wereld gebruikelijke afsluitprovisie en de rente die wordt berekend tussen het moment van inroepen van de borgtocht en de uitbetaling van de borgtocht.

De contractprijs wordt indien nodig verminderd met de niet-directe bouwkosten en bepaalde kosten die de financier in rekening brengt bij de scheepswerf. De Staat zal borg staan over maximaal 64 procent van de contractprijs exclusief niet-directe bouwkosten en inclusief kosten voor de financiering van de bouw van het schip. Minimaal 16 procent van de contractprijs exclusief niet-directe bouwkosten en inclusief kosten voor de financiering van de bouw van het schip, is voor risico van de financier. De overige 20 procent, de niet-directe bouwkosten en de kosten die de financier zelf in rekening brengt bij de scheepswerf, dienen op andere wijze gefinancierd te worden. Ten aanzien van de overige 20 procent is bepaald dat de opdrachtgever een deel voor zijn rekening dient te nemen.

Artikel 8.5

In dit artikel wordt een voorziening getroffen voor de bevestiging van de aanvraag. Hier is gekozen voor een hele korte periode voor de bevestiging van de aanvraag, te weten vijf werkdagen. Reden voor deze termijn is dat werven zo spoedig op de hoogte dienen te zijn van het indienen van de aanvraag onder andere in verband met nog lopende commerciële processen. Ook wordt de bevestiging naar de financier gestuurd.

Artikel 8.6

In dit artikel zijn een aantal afwijzingsgronden opgenomen. Daarnaast zijn ook op andere plaatsen relevante afwijzingsgronden opgenomen. Dit betreft artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies en artikel 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

De afwijzingsgrond onder a laat onverlet dat ten aanzien van het betreffende schip wel een garantie, borgstelling, verzekering of herverzekering door de Staat mag zijn gegeven in het kader van bijvoorbeeld de exportfase. Wanneer echter reeds is voorzien in een zekerheidstelling door de Staat voor de kosten van de bouw van het schip en de bouwfase derhalve al is afgedekt, dan wordt geen borgstelling gegeven op grond van dit besluit. Dit is ook het geval wanneer door de Staat slechts zekerheid voor een deel van de kosten van de bouwfase is gegeven. Te denken valt aan verzekering van de bouwfase in het kader van de exportkredietverzekering die door tussenkomst van Atradius kan worden afgesloten.

De onderdelen b en c bevatten eisen met betrekking tot het schip waarvoor de Staat borg staat.

De onderdelen d en e stellen eisen aan het krediet. De bepaling in onderdeel d geeft aan dat voor maximaal 80 procent borg wordt gestaan.

De bepaling in onderdeel e is bedoeld om zeker te stellen dat het schip binnen maximaal 36 maanden na afsluiting van de kredietovereenkomst afgebouwd zal worden.

De onderdelen f en g stellen eisen aan de handelswijze van de financier.

Onderdeel g voorziet erin dat eerst de maximale zekerheden gevestigd dienen te zijn, alvorens de Staat zijn zekerheid in de vorm van een borgstelling wenst af te geven. Vereist is dat alle, naar normaal bankgebruik gebruikelijke zekerheden zijn afgegeven door de scheepswerf. In onderdeel f wordt aangegeven dat in geen geval de verstrekking van het krediet waarvoor borg wordt gestaan er toe mag leiden dat de betrokken financier de limiet van haar bestaande faciliteit verlaagt.

De onderdelen h tot en met j hebben betrekking op de scheepswerf. Onderdeel h voorkomt dat een scheepswerf (of een groep) van een onevenredig deel onder het plafond aan borgstellingen profiteert. Het aandeel per scheepswerf (of groep) wordt gemaximeerd op 30 procent van het plafond. Hierop wordt alleen bij de verlening getoetst, bijvoorbeeld latere fusies hebben hierop geen invloed. Ook in eerdere jaren verleende borgstellingen, tellen niet mee voor deze 30 procent, het gaat om een beoordeling per jaar. Verder is van belang dat er sprake is van een betrouwbare scheepswerf, waarin het vertrouwen bestaat dat deze technisch en organisatorisch in staat is het schip te bouwen. In de onderdelen i en j zijn ruime normen opgenomen. Deze normen verschaffen de minister een beleidsvrijheid om een aanvraag te beoordelen, hetgeen nodig is om tot een goede en doelmatige allocatie van de subsidiegelden te komen.

De onderdelen k en l hebben betrekking op de opdrachtgever en zijn erop gericht om verzekerd te zijn van voldoende (financiële) betrokkenheid van de opdrachtgever bij de bouw van het schip. De aanbetaling van 5 procent en het oplopend schema tot 20 procent zullen vóóraf contractueel te dienen zijn vastgelegd, hetgeen bij de aanvraag ter inzage zal moeten worden gegeven. Hierdoor wordt het risico beperkt dat de opdrachtgever uiteindelijk zal afzien van de koop van het schip. De aanbetaling van 5 procent dient plaats te vinden voordat er door de financier daadwerkelijk krediet wordt uitgekeerd. In de overeenkomst van borgtocht zal eveneens een bepaling worden opgenomen ten aanzien van het doen van betalingen door de opdrachtgever. Deze bepaling zal een zelfde systematiek inhouden, 5 procent bij aanvang, oplopend tot 20 procent bij aflevering van het schip.

Onderdeel m bevat tot slot een algemene bepaling om te waarborgen dat het voor de borgstelling beschikbare bedrag in een breder perspectief positieve effecten heeft voor de Nederlandse economie.

Artikel 8.8

Het model voor de overeenkomst van borgtocht is opgenomen in bijlage 8.1. Daarin zullen de eisen worden opgenomen waaraan de door financiers met scheepswerven gesloten kredietovereenkomsten moeten voldoen. In dit artikel zijn de contouren van deze overeenkomst aangegeven.

Op grond van artikel 4:44, eerste lid, onderdeel c van de Algemene wet bestuursrecht is het mogelijk om in geval van een uitvoeringsovereenkomst de vaststelling in de overeenkomst te regelen. Hiertoe zal de model overeenkomst van borgtocht in elk geval regelen hoe de vaststelling dient plaats te vinden.

Artikel 8.10

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de jaarlijkse provisie berekend wordt op basis van het daadwerkelijk uitstaande krediet. In artikel 7 van de modelovereenkomst van borgtocht is nader ingevuld hoe de berekening en de betaling van de provisie in de praktijk wordt vormgegeven.

Artikel 7, tweede lid van de modelovereenkomst, bepaalt dat bij de berekening van de provisie wordt aangesloten bij de wijze waarop de bank de rente berekent die de scheepswerf op basis van de kredietovereenkomst aan de bank is verschuldigd.

Een nadere invulling van een dergelijke berekening kan zijn als volgt. In het normale bankverkeer zal de bank bijvoorbeeld maandelijks of driemaandelijks de scheepswerf rente in rekening brengen over het in de voorafgaande periode opgenomen kredietbedrag. De berekening vindt plaats op basis van het daadwerkelijk uitstaande kredietbedrag in de betreffende maand, dan wel in de betreffende drie maanden.

De variabelen die bij de berekening een rol spelen, zijn:

  • het uitstaande kredietbedrag op iedere dag van de maand (de valuteringsdag van opgenomen tranches van het krediet);

  • het aantal dagen in een maand (werkelijk aantal dagen of vast aantal van 30 dagen);

  • invulling van het begrip ‘jaarbasis’ (werkelijk aantal dagen of vast aantal van 365 dagen of 360 dagen);

  • de rentegrondslag: Euribor (+ opslag), termijn, vast etc.;

  • de overeengekomen provisies.

De wijze waarop de berekening plaatsvindt, is afhankelijk van de manier waarop het rekenprogramma bij de desbetreffende bank is ingericht.

In artikel 7 van de modelovereenkomst is verder geregeld op welke wijze de bank dit bedrag aan de Staat dient te betalen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 8.10 wordt het tarief per individuele borgstelling vastgesteld door de minister. Dit betekent dat in een begunstigende beschikking ook het tarief van de provisie zal zijn opgenomen.

Bij het vaststellen van het tarief worden een aantal aspecten meegewogen. In de eerste plaats zijn relevant de kwaliteiten en eigenschappen van de scheepswerf. Hierbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar het track record, de kwalificatie van het management, de liquiditeit en de rentabiliteit. Ten tweede worden de kwaliteiten en eigenschappen van de afnemer in aanmerking genomen. Te denken valt aan het track record van deze afnemer en ervaring met het scheepstype. Ten derde worden ook de toeleveranties, van bijvoorbeeld het casco, bekeken. Ten vierde wordt gelet op het risicoprofiel van de bouw van het schip, waarbij rekening wordt gehouden met de lengte van de bouwperiode en de vraag in hoeverre de scheepswerf een eventuele stijging in kosten van grondstoffen doorberekent aan de opdrachtgever.

Het tarief wordt ingevolge het derde lid zodanig vastgesteld dat het marktconform is, de provisie zowel de met de borgstellingstoekenning verbonden risico’s als de beheerkosten dekt en rekening wordt gehouden met een realistische risicowaardering.

Artikel 8.11

De minister beziet eenmaal per jaar of de voorwaarden van toekomstige borgstellingen en de totale financiering moeten worden herzien. Wanneer nodig zal de minister een nieuw model voor de overeenkomst van borgtocht vaststellen alsmede een nieuw tarief voor de provisie. Deze eis vloeit voort uit het Europese steunkader met betrekking tot staatsgaranties.

De Minister van Economische Zaken,

M.J.A. van der Hoeven.