Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatsblad 2026, 261 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatsblad 2026, 261 | AMvB |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Werk en Participatie van 1 juni 2026, nr.2026-0000185476;
Gelet op Verordening (EU) 2023/1230 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2023 betreffende machines en tot intrekking van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 73/361/EEG van de Raad, alsmede de artikelen 4, eerste en derde lid, 5, tweede lid, 7, 7a, derde lid, 12, 14 en 32b van de Warenwet en artikel 16, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2026, nr. W12.26.00150/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Werk en Participatie van 4 september 2026, nr.2026-0000304150;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
hetgeen artikel 3, zesentwintigste lid, van de verordening daaronder verstaat;
hetgeen in artikel 3, negenentwintigste lid, van de verordening onder conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt bedoeld;
hetgeen artikel 3, vierentwintigste lid, van de verordening daaronder verstaat;
hetgeen artikel 3, eerste lid, van de verordening daaronder verstaat;
nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 2 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie;
hetgeen artikel 3, tiende lid, van de verordening daaronder verstaat;
Verordening (EU) 2023/1230 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2023 betreffende machines en tot intrekking van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 73/361/EEG van de Raad;
hetgeen artikel 2, eerste lid, van de verordening daaronder verstaat;
Warenwet.
1. Het is marktdeelnemers als bedoeld in artikel 3, tweeëntwintigste lid, van de verordening verboden zich te gedragen in strijd met de volgende bepalingen van de verordening:
a. artikel 8;
b. artikel 19;
c. artikel 23.
2. Het is verboden machines, niet voltooide machines of verwante producten ten toon te stellen indien zij niet zijn voorzien van een CE-markering als bedoeld in artikel 3, vijfentwintigste lid, van de verordening, of anderszins niet aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit voldoen, tenzij artikel 4, tweede lid, van de verordening wordt toegepast.
1. Het is fabrikanten als bedoeld in artikel 3, achttiende lid, van de verordening verboden zich te gedragen in strijd met de volgende bepalingen van de verordening:
a. artikel 10;
b. artikel 11;
c. artikel 21;
d. artikel 22;
e. artikel 24, eerste tot en met vierde lid;
f. artikel 25, eerste tot en met vierde lid.
2. Het is personen of rechtspersonen die een machine of verwant product substantieel wijzigen verboden zich te gedragen in strijd met artikel 18 van de verordening.
3. De volgende documenten zijn in ieder geval gesteld in het Nederlands:
a. de gebruiksaanwijzing, de veiligheidsinformatie en de in bijlage III vervatte informatie, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de verordening;
b. de montagehandleiding, bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de verordening;
c. de EU-conformiteitsverklaring, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de verordening;
d. de EU-inbouwverklaring, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de verordening.
Het is gemachtigden als bedoeld in artikel 3, negentiende lid, van de verordening verboden zich te gedragen in strijd met artikel 12 van de verordening.
1. Het is importeurs als bedoeld in artikel 3, twintigste lid, van de verordening verboden zich te gedragen in strijd met de volgende bepalingen van de verordening:
a. artikel 13;
b. artikel 14.
2. Voor zover importeurs op grond van artikel 17 van de verordening worden aangemerkt als fabrikant, is het hen verboden zich te gedragen in strijd met artikel 10 en 11 van de verordening.
3. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1. Het is distributeurs als bedoeld in artikel 3, eenentwintigste lid, van de verordening verboden zich te gedragen in strijd met de volgende bepalingen van de verordening:
a. artikel 15;
b. artikel 16.
2. Voor zover distributeurs op grond van artikel 17 van de verordening worden aangemerkt als fabrikant, is het hen verboden zich te gedragen in strijd met artikel 10 en 11 van de verordening.
3. De volgende documenten zijn in ieder geval gesteld in het Nederlands:
a. de gebruiksaanwijzing en informatie, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de verordening; en
b. de montagehandleiding, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de verordening.
4. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1. Een aanvraag tot aanwijzing als EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 7a van de wet, wordt door de aanvrager overeenkomstig artikel 33, eerste en tweede lid, van de verordening ingediend bij Onze Minister.
2. Om aangewezen te worden als EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie toont de instantie aan dat zij voldoet aan artikel 30, tweede tot en met elfde lid van de verordening.
3. Een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie die taken uitbesteedt of door ondergeschikte instanties laat uitvoeren, toont aan dat zij voldoet aan artikel 32 van de verordening.
4. Een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie toont aan dat zij voldoet aan het eerste tot en met derde lid door middel van een accreditatie tegen de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen of delen daarvan. Daarbij geldt dat:
a. die normen de bepalingen dekken die worden genoemd in het tweede en indien van toepassing het derde lid, inclusief de daarbij behorende bijlagen van de verordening;
b. de referentienummers van die normen in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.
1. Onze Minister weigert een aanwijzing als EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie indien de aanvrager niet heeft voldaan aan artikel 8.
2. Een aanwijzing kan worden geschorst, ten nadele van de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van de door de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan aan deze instantie bekend was of kon zijn;
b. indien de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie niet meer voldoet aan artikel 8; of
c. indien de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie haar wettelijke verplichtingen en de verplichtingen uit de verordening niet naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet naar behoren uitvoert.
Onze Minister verricht als aanmeldende autoriteit de taken, bedoeld in artikel 27, van de verordening.
1. Onze Minister stelt periodiek vast of de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie:
a. nog voldoet aan artikel 8;
b. haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt;
c. de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren uitvoert.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het verstrekken van gegevens en inlichtingen door de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie aan Onze Minister of de nationale accreditatie-instantie respectievelijk door Onze Minister of de nationale accreditatie-instantie aan de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taken. De gegevens worden kosteloos verstrekt.
3. De EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie die haar taken waarvoor zij is aangewezen, beëindigt, of waarvan de aanwijzing door Onze Minister wordt ingetrokken, is verplicht tijdig voorafgaand aan de beëindiging van de werkzaamheden, respectievelijk de datum waarop de aanwijzing eindigt, haar dossier over te dragen aan een andere EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie waarmee een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 3 van de verordening een overeenkomst is aangegaan. Indien er geen andere EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie is, draagt de EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie de dossiers over aan Onze Minister.
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
een deel van een hijs- en hefwerktuig voor beroepsmatig personenvervoer, waarop personen of goederen zich bevinden om naar boven of beneden te worden gebracht;
een tijdelijk opgestelde machine die bepaalde stopplaatsen bedient, met behulp van een drager die ten opzichte van het horizontale vlak meer dan 15 graden hellend geleid beweegt of op een andere manier een vaste baan volgt, en bestemd is voor het vervoer van:
a. werkenden;
b. werkenden en goederen;
c. alleen goederen indien de drager toegankelijk is, dat wil zeggen een persoon de drager zonder probleem kan betreden en de drager is uitgerust met bedieningsapparatuur in de drager of binnen bereik van een persoon in de drager.
niet vast met de hijs- of hefmachine verbonden onderdeel of uitrustingsstuk voor het hijsen of heffen van een last dat tussen de machine en de last of op de last zelf wordt aangebracht dan wel bestemd is om een integrerend deel van de last uit te maken en dat afzonderlijk in de handel wordt gebracht, met inbegrip van stroppen en componenten daarvan;
hijswerktuig, dat is ingericht en bestemd voor het verplaatsen van vrij-hangende lasten door middel van mechanische aandrijving;
een wijziging van een hijs- en hefwerktuig voor beroepsmatig personenvervoer, anders dan de wijzigingen in de vorm van uitbreidingen of varianten van het hijs- en hefwerktuig, waarvoor de afgegeven EG-verklaring van overeenstemming of EU-conformiteitsverklaring geldt.
NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie, genoemd in artikel 21;
het stelsel van regels, procedures en beheersaspecten voor het uitvoeren van de conformiteitsbeoordeling of onderdelen daarvan voor specifieke objecten waarvoor dezelfde specifieke eisen van toepassing zijn.
Het is verboden om:
a. hijskranen en hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer te verhandelen of te gebruiken, indien de bij of krachtens dit besluit voorgeschreven keuringsprocedures niet in acht zijn genomen;
b. hijskranen en hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer te verhandelen of te gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot het voorhanden zijn van documenten.
1. Een hijskraan met een bedrijfslast die gelijk is aan of hoger is dan twee ton wordt ten minste eenmaal per 12 maanden gekeurd. In aanvulling daarop wordt een mobiele kraan of torenkraan, die behoort tot een bij ministeriële regeling omschreven categorie, ten hoogste 24 maanden na de eerste ingebruikneming en vervolgens telkens na verloop van ten hoogste vierentwintig maanden gekeurd. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie kan verlangen dat een mobiele of torenkraan in geval van door haar geconstateerde ernstige gebreken, na een kortere termijn dan de termijnen, genoemd in de eerste en tweede volzin, wordt onderzocht op de staat van veiligheid.
2. De periodieke keuring, bedoeld in het eerste lid, vindt ten hoogste een maand na het verstrijken van de genoemde periode plaats indien degene die de keuring uitvoert dit uit oogpunt van bedrijfsvoering noodzakelijk acht.
3. De keuring bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt uitgevoerd door een deskundige. De keuring bedoeld in het eerste lid, tweede zin, van een mobiele kraan of torenkraan wordt uitgevoerd door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie.
4. De certificaathouder verstrekt de deskundige, Onze Minister of, indien Onze Minister een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie heeft aangewezen, deze instelling, desgevraagd kosteloos alle informatie die nodig is voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens dit artikel.
1. Onze Minister of, indien Onze Minister een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie heeft aangewezen, deze instelling, geeft op aanvraag een certificaat van goedkeuring af wanneer is vastgesteld dat de hijskraan, bedoeld in artikel 14, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen. Op het certificaat van goedkeuring wordt de datum van keuring vermeld, alsmede gegevens betreffende de identificatie van de hijskraan.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en de afhandeling van de aanvraag.
3. De kosten van het afgeven van een certificaat van goedkeuring zijn voor rekening van de aanvrager tot afgifte van het certificaat.
1. De afgifte van een certificaat van goedkeuring, als bedoeld in artikel 15, wordt geweigerd indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de bij of krachtens dit besluit met betrekking tot het certificaat gestelde eisen.
2. Een certificaat van goedkeuring kan worden geschorst, ten nadele van de certificaathouder worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de deskundige, bedoeld in artikel 14, derde lid, eerste zin, Onze Minister of, indien Onze Minister een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie heeft aangewezen, deze instelling, bij het afgeven van het certificaat redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan het certificaat niet of alleen met voorschriften, bedoeld in artikel 7a, vierde lid, van de wet, zou zijn gegeven;
b. op grond van door de certificaathouder verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten en omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan aan de houder bekend was of kon zijn;
c. indien de certificaathouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens dit besluit met betrekking tot het certificaat gestelde eisen of de wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren nakomt; of
d. indien de certificaathouder met diens werkzaamheden, voor zover die door het certificaat worden gereguleerd, of door de wijze waarop die werkzaamheden worden verricht, ernstig gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken voor personen.
1. In de nabijheid van een hijskraan als bedoeld in artikel 14, eerste lid, bevindt zich een kraanboek. Hierin zijn in ieder geval de resultaten van de op grond van artikel 14 uitgevoerde keuringen op adequate wijze vermeld.
2. Het certificaat van goedkeuring of een afschrift daarvan bevindt zich eveneens in de nabijheid van de hijskraan.
3. In plaats van het aanwezig hebben van een fysiek exemplaar, kan voor het kraanboek en het certificaat worden volstaan met een verwijzing naar een op afstand beschikbare, vrij toegankelijke digitale versie.
4. Het kraanboek en het certificaat van goedkeuring of een afschrift daarvan worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 25 van de wet.
1. Hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer worden na elke montage op een nieuwe arbeidsplaats en vervolgens telkens na verloop van ten hoogste zes maanden, op de arbeidsplaats door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie gekeurd.
2. Hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer worden voor de ingebruikneming na elke herstelling of keuringsrelevante wijziging op de arbeidsplaats door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie gekeurd.
3. Bij de keuringen wordt getoetst of voldaan is aan de voor het desbetreffende hijs- en hefwerktuig geldende vervaardigingsvoorschriften uit de verordening.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op hijs- en hefwerktuigen die al dan niet tijdelijk zijn verbonden met een machine en die uitsluitend bestemd zijn voor toegang tot de werkplek inclusief onderhoud en inspectie van die machine.
1. Indien uit de keuring blijkt dat wordt voldaan aan de voor het desbetreffende hijs- of hefwerktuig geldende vervaardigingsvoorschriften, bedoeld in de verordening, geeft de NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie een certificaat van goedkeuring af. Op dit certificaat wordt tevens de herkeuringstermijn aangegeven.
2. Als blijk van goedkeuring brengt de NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie op een duidelijke zichtbare plaats op het desbetreffende hijs- of hefwerktuig een kenmerk aan waarop tevens de herkeuringstermijn, welke volgt uit het eerste lid, wordt aangegeven.
1. In de nabijheid van het hijs- of hefwerktuig voor beroepsmatig personenvervoer bevindt zich het hijs- en hefwerktuigboek. In dit boek zijn in ieder geval de resultaten van de uitgevoerde keuringen op adequate wijze vermeld.
2. Het certificaat van goedkeuring of een afschrift daarvan bevindt zich eveneens in de nabijheid van het desbetreffende hijs- of hefwerktuig.
3. In plaats van het aanwezig hebben van een fysiek exemplaar, kan voor het kraanboek en het certificaat worden volstaan met een verwijzing naar een op afstand beschikbare, vrij toegankelijke digitale versie.
1. Als NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie kunnen worden aangewezen de instellingen die:
a. voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 8, tweede lid;
b. beschikken over een registratiesysteem waarin de gegevens die samenhangen met en betrekking hebben op het verrichten van de conformiteitsbeoordelingstaken waarvoor zij aangewezen willen worden, naar behoren worden vastgelegd; en
c. een schemabeheerder hebben voor het ontwikkelen, onderhouden en publiekelijk en kosteloos toegankelijk maken van een schema, dat onverkort door hen wordt gebruikt; waarbij deze schemabeheerder naar behoren rekening houdt met de belangen van alle partijen die belang hebben bij het schema, zonder dat één van de belangen de overhand heeft.
2. Indien er meerdere NL-conformiteitsbeoordelingsinstanties zijn aangewezen:
a. nemen zij deel aan het door hen gezamenlijk te organiseren overleg om te komen tot het geharmoniseerd verrichten van de conformiteitsbeoordelingstaken waarvoor zij zijn aangewezen;
b. wijzen zij een schemabeheerder aan voor het opstellen, onderhouden en publiekelijk en kosteloos toegankelijk maken van een gezamenlijk schema, dat onverkort door hen wordt gebruikt;
c. hanteren zij de in het overleg genomen administratieve beslissingen en opgestelde documenten als algemene richtsnoeren; en
d. zorgen zij ervoor dat hun medewerkers die de conformiteitsbeoordelingstaken verrichten, op de hoogte zijn van de activiteiten, administratieve beslissingen en opgestelde documenten van het overleg.
3. NL-conformiteitsbeoordelingsinstanties brengen Onze Minister op de hoogte van:
a. elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van goedkeuringen;
b. omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor aanwijzing;
c. de reactie op informatieverzoeken over conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van Onze Minister ontvangen; en
d. op verzoek, de binnen de werkingssfeer van hun aanwijzing verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten waaronder uitbesteding.
4. NL-conformiteitsbeoordelingsinstanties verstrekken de andere uit hoofde van dit besluit aangewezen NL-conformiteitsbeoordelingsinstanties die soortgelijke conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor machines verrichten, relevante informatie over negatieve conformiteitsbeoordelingsresultaten, en, op verzoek, over positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie die taken uitbesteedt of door ondergeschikte instanties laat uitvoeren, toont aan dat die partij voldoet aan de eisen waaraan zij zelf moet voldoen, waarbij artikel 32, eerste tot en met derde lid, van de verordening van overeenkomstige toepassing is.
1. De instelling, bedoeld in artikel 21, dient de aanvraag tot aanwijzing in bij Onze Minister.
2. Een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie toont aan dat zij voldoet aan de criteria, genoemd in artikel 21, eerste tot en met vierde lid en artikel 22, door middel van een accreditatie tegen de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen of delen daarvan, mits die normen de eerdergenoemde eisen dekken en de referentienummers van die normen in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.
3. Indien de NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie geen bewijs van accreditatie kan overleggen, verschaft zij Onze Minister alle bewijsstukken die nodig zijn om aan te tonen dat zij voldoet aan de criteria, genoemd in het tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
1. Een aanwijzing als NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt geweigerd indien de aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 21, 22 en 23, tweede tot en met vierde lid.
2. Een aanwijzing kan worden geschorst, ten nadele van de NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van door de NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan aan die instantie of dienst bekend was of kon zijn;
b. indien een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie niet meer voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 21, 22 en 23, tweede tot en met vierde lid; of
c. indien een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie haar wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet meer naar behoren uitvoert.
1. Onze Minister stelt periodiek vast of een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie:
a. nog voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 21, 22 en 23, tweede tot en met vierde lid; en
b. haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt en de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren uitvoert.
2. Artikel 11, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie
Artikel 7.4a van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als volgt gewijzigd:
1. In het elfde lid, onderdeel c, wordt «artikelen 6d tot en met 6f van het Warenwetbesluit machines» vervangen door «artikelen 14 tot en met 17 van het Warenwetbesluit machines 2026».
2. In het dertiende lid wordt «Warenwetbesluit machines» vervangen door «Warenwetbesluit machines 2026».
In artikel 2.9 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt «Warenwetbesluit machines» vervangen door «Warenwetbesluit machines 2026».
De bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten wordt als volgt gewijzigd:
1. In de inhoudsopgave en in de tabel wordt «Warenwetbesluit machines» vervangen door «Warenwetbesluit machines 2026».
2. In de tabel worden de rijen D-7.1 tot en met D-7.25 vervangen door:
|
D-7.1 |
Artikel 3, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.2 |
Artikel 3, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.3 |
Artikel 4, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.4 |
Artikel 4, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.5 |
Artikel 5 |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.6 |
Artikel 6 |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.7 |
Artikel 7, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.8 |
Artikel 7, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.9 |
Artikel 13, onderdeel a, juncto artikel 14, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.10 |
Artikel 13, onderdeel a, juncto artikel 18, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.11 |
Artikel 13, onderdeel a, juncto artikel 18, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.12 |
Artikel 13, onderdeel b, juncto artikel 17, eerste lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.13 |
Artikel 13, onderdeel b, juncto artikel 17, tweede lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.14 |
Artikel 13, onderdeel b, juncto artikel 17, vierde lid |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.15 |
Artikel 13, onderdeel b, juncto artikel 20 |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
|
D-7.16 |
Artikel 26 |
€ 525,– |
€ 1.050,– |
Aan artikel 21 van het Warenwetbesluit liften 2016 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. In plaats van het aanwezig hebben van een fysiek exemplaar, kan voor het liftenboek en het certificaat worden volstaan met een verwijzing naar een op afstand beschikbare, vrij toegankelijke digitale versie.
1. In afwijking van paragraaf 2.2 is het niet verboden een machine die voldoet aan het Warenwetbesluit machines, zoals dat op 19 januari 2027 luidde, en die op of voor die datum in de handel is gebracht, op de markt aan te bieden.
2. Een certificaat afgegeven op grond van de wet, en geldend op 19 januari 2027 wordt geacht te zijn afgegeven met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen onverminderd artikel 8, tweede lid.
Het Warenwetbesluit machines wordt ingetrokken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 9 september 2026
Willem-Alexander
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Uitgegeven de zestiende september 2026
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
Op 14 juni 2023 is de Verordening (EU) 2023/1230 van het Europees Parlement en de Raad betreffende machines en tot het intrekken van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Richtlijn 73/361/EEG van de Raad,1 (hierna: Machineverordening) aangenomen. Deze Machineverordening vervangt de huidige Machinerichtlijn2, die sinds 29 december 2009 van kracht is. De Machineverordening geldt rechtstreeks in alle EU-lidstaten en is in zijn geheel van toepassing met ingang van 20 januari 2027.
Met de Machineverordening worden regels overal in de Europese Unie op dezelfde manier toegepast. Dit versterkt de interne markt, verbetert het op de markt brengen van veilige machines en bewerkstelligt uniformiteit in de toepassing van de regelgeving binnen de Europese Unie. De verwachting is dat hiermee interpretatieverschillen die belemmerend kunnen werken voor de Europese interne markt, worden weggenomen. Door geharmoniseerde normen kan worden aangetoond dat een product veilig is. Veiligheid, gezondheid én digitale risico’s zoals cybersecurity hebben een centrale plek. De essentiële gezondheids- en veiligheidseisen zijn de manier om veilige machines op de markt te krijgen.
De Machinerichtlijn is productveiligheidswetgeving die een hoog beschermingsniveau van werknemers, consumenten en andere blootgestelde personen waarborgt. Dit gebeurt door de nadruk te leggen op de veiligheid van de machines zelf en dus verplichtingen op te leggen aan fabrikanten van machines om inherent veilige machines te ontwerpen. Deze algemene doelstellingen vertalen zich in de volgende specifieke doelstellingen:
• ondervangen van nieuwe risico’s in verband met opkomende digitale technologieën;
• zorgen voor een samenhangende interpretatie van het toepassingsgebied en de definities en verbetering van de veiligheid van traditionele technologieën;
• herbeoordeling van machines die geacht worden een hoog risico op te leveren en van de bijbehorende conformiteitsprocedures;
• terugdringing van eisen voor papieren documentatie;
• zorgen voor samenhang met andere wetgeving van het nieuwe wetgevingskader (ook New Legal Framework, hierna: NLF);
• terugdringing van mogelijke verschillende interpretaties als gevolg van omzetting.
De richtlijn en de wijzigingen daarop zijn geïmplementeerd in het Warenwetbesluit machines.
De verandering van de richtlijn in de verordening doet geen afbreuk aan deze doelstellingen. De omzetting naar een verordening leidt ook niet tot wijzigingen in de wijze waarop het Europese beleid voor het op de markt brengen van producten zoals machines werkt. De wetgeving is gemoderniseerd en afgestemd op de nieuwste technologische ontwikkelingen, zoals eisen voor Machine learning, cybersecurity en veiligheidsgerelateerde software. De Machineverordening past beter bij behoeften uit de markt en sluit daarmee beter aan op actuele wetgeving. De belangrijkste aanpassingen in de Machineverordening ten opzichte van de Machinerichtlijn zijn:
• aanpassing naar het Nieuw Wetgevend kader (NLF);
• introductie van verplichtingen voor distributeur en importeur;
• verduidelijking reikwijdte en definities, zoals voor substantiële wijziging van een machine;
• koppeling met nieuwe eisen met betrekking tot cybersecurity of kunstmatige intelligentie voor het op de markt brengen van software of hardware;
• opname van risico voor nieuwe technologieën en software, zoals voor broncode, digitale risico’s gericht op essentiële gezondheids- en veiligheidseisen.
Het gaat om een herziening van bestaande wetgeving, die technologisch neutraal geformuleerd is. De kenmerken van de richtlijn blijven gehandhaafd. Dit geldt in het bijzonder voor de mogelijkheid voor fabrikanten om te kiezen hoe zij voldoen aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen, onder andere via geharmoniseerde normen en voor de keuze uit de beschikbare beoordelingsprocedures om de conformiteit aan te tonen. De bestaande ondersteuningsmechanismen voor de uitvoering van de wetgeving – zoals normalisatieproces, werkgroepen, markttoezicht, administratieve samenwerking tussen de lidstaten, de ontwikkeling van richtsnoeren – blijven op dezelfde wijze functioneren onder de verordening als momenteel onder de richtlijn. Ze zijn niet afhankelijk van de aard van het rechtsinstrument. Paragraaf 2 en 3 gaan verder in op de verschillen tussen de Machinerichtlijn en de Machineverordening voor de verschillende de marktdeelnemers.
De Machineverordening is van toepassing op alle bedrijven die machines vervaardigen of deze producten laat ontwerpen en vervaardigen en die deze onder eigen naam of merk in de handel brengen. De Machineverordening legt verplichtingen op aan fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs van producten die onder het toepassingsbereik van de verordening vallen. Hieronder vallen machines, verwisselbare uitrustingsstukken, veiligheidscomponenten, hijs- en hefgereedschappen, kettingen, kabels, stroppen en banden, verwijderbare mechanische krachtoverbrengingssystemen.
Het is van toepassing op machines, op niet voltooide machines en op aanverwante producten die in de handel worden gebracht vanaf 20 januari 2027. Dit toepassingsgebied omvat onder andere industriële machines, bouwmachines, landbouwmachines, hefwerktuigen en liften, verpakkingsmachines, elektrische en elektronische apparatuur en veiligheidscomponenten. In artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van de Machineverordening is bepaald welke machines eronder vallen. In artikel 2, tweede lid van de Machineverordening, zijn de uitzonderingen hierop opgenomen.
De Machineverordening heeft rechtstreekse werking in alle Europese lidstaten en behoeft in beginsel geen implementatie. Wel moeten bepaalde bepalingen worden uitgewerkt in nationale regelgeving om de Machineverordening volledig uit te kunnen voeren. Zo zijn de verplichtingen voor de marktdeelnemers opgenomen als verbodsbepalingen zodat overtreding van de voorschriften beboetbaar is. Ook zijn er regels over de te volgen procedures bij de beoordeling van de conformiteit van machines en de aanwijzing van EU-conformiteitsbeoordelingsinstanties (hierna: EU-CBI’s) en de sancties die van toepassing zijn op inbreuken door marktdeelnemers op de bepalingen van Machineverordening. Voor ernstige inbreuken kunnen ook strafrechtelijke sancties worden opgelegd op grond van de Wet op de Economische delicten.
Door de overgang van de Machinerichtlijn naar de Machineverordening heeft de regering besloten om het Warenwetbesluit machines, dat op de Machinerichtlijn is gebaseerd, in te trekken en een nieuw Warenwetbesluit vast te stellen. Het nieuwe Warenwetbesluit machines 2026 regelt een aantal zaken die uitvoering behoeven of waarbij de lidstaten beperkte beleidsruimte hebben, zoals de taalkeuze van de documenten. Om de EU-voorschriften handhaafbaar te maken voor de Nederlandse toezichthouder zijn nationale verbodsbepalingen opgenomen. Ook zijn de te volgen procedures bij de beoordeling van de conformiteit van machines en de aanwijzing van EU-CBI’s in het besluit opgenomen. De gevolgen voor fabrikanten, distributeurs, keuringsinstanties komen voort uit de Machineverordening zelf.
Lidstaten mogen alleen aanvullende eisen stellen voor de installatie of het gebruik van machines, zolang deze eisen niet in strijd zijn met de verordening zelf. Bijvoorbeeld: lidstaten kunnen extra veiligheidseisen stellen voor het gebruik van machines op de werkvloer, maar ze mogen de machines niet wijzigen op een manier die niet conformeert aan de verordening.
Lidstaten mogen geen afwijkingen toestaan van de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen die in de verordening zijn vastgelegd. Dit zorgt voor een gelijk speelveld in de hele EU.
De fabrikant van een arbeidsmiddel bepaalt wat de juiste keuringstermijn en voorwaarden zijn naast de juiste gebruiks- en onderhoudsvoorwaarden. De werkgever kan ervoor kiezen om vaker te keuren dan de fabrikant aangeeft of in de wetgeving kunnen aanvullende eisen hieraan stellen. De eisen aan het keuren van machines zijn niet aangepast. Ook zijn er geen aanvullende eisen gesteld in de wetgeving.
Lidstaten blijven verantwoordelijk voor de handhaving van de Machineverordening en het markttoezicht. Zij moeten ervoor zorgen dat machines die op hun markt worden aangeboden, voldoen aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen. Dit omvat ook het optreden tegen niet-conforme producten en het informeren van de Europese Commissie over risico’s. Lidstaten moeten samenwerken met de Europese Commissie en andere lidstaten, bijvoorbeeld bij het melden van veiligheidsincidenten en het uitwisselen van informatie over niet-conforme machines.
Er blijven eisen gesteld worden aan het keuren van machines wat voortvloeit uit de Europese richtlijn 2009/104/EG, (hierna: Arbeidsmiddelenrichtlijn). Alle arbeidsmiddelen moeten verplicht periodiek gekeurd worden. De huidige bepalingen worden overgenomen in dit nieuwe Warenwetbesluit.
Het Warenwetbesluit machines 2026 strekt ter uitvoering van de Machineverordening. Dat is geregeld in hoofdstuk 1 en 2 van het besluit. In hoofdstuk 3 zijn de huidige regels voor het keuren van machines voor het werken op hoogte opgenomen, zoals die nu ook zijn opgenomen in het Warenwetbesluit machines. In dat hoofdstuk is in materieel opzicht niets gewijzigd omdat het in dat hoofdstuk gaat om arbeidsomstandighedenregels op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en ter uitvoering van de Arbeidsmiddelenrichtlijn.
In dit Warenwetbesluit machines 2026 zijn geen aanvullende eisen gesteld aan het product zelf, aan de installatie of het gebruik ervan. Het betreft een zuivere implementatie zonder nationale koppen.
Het beleid voor Europese productregelgeving is al in 2008 vastgelegd in het NLF. Dit kader bestaat onder meer uit:
• Verordening (EG) Nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 PbEU 2008, L 218 (hierna: Accreditatieverordening); en
• Besluit Nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad PbEU 2008, L 218 (hierna: Besluit 768/2008).
De Machineverordening is in overeenstemming gebracht met Besluit 768/2008, vanwege de doeltreffendheid en samenhang die dat met zich meebrengt. Dit houdt concreet in dat de Machineverordening uniforme regels introduceert voor het op de markt brengen, verhandelen en in gebruik nemen van machines binnen Europa.
Het conformeren van de Machineverordening aan het NLF omvat horizontale definities, stelt gelijke verplichtingen aan marktdeelnemers (fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs) en eisen voor traceerbaarheid, harmoniseert conformiteitbeoordelingsprocedures, scherpt de criteria voor aangemelde (voortaan EU-) conformiteitsbeoordelingsinstanties aan, geeft eisen voor de aanmeldingsprocedure, stelt eisen aan de aanmeldende autoriteiten en geeft eenduidige regels voor de toepassing van de vrijwaringsprocedure.
Zie de tabel3 hieronder voor de verschillen hierin. Het is een algemene niet-limitatieve opsomming.
|
Machinerichtlijn 2006/42/EG |
Machineverordening 2023/1230 |
|
|---|---|---|
|
Rechtsvorm en toepassingsgebied |
• Lidstaten moesten de richtlijn omzetten in nationale wetgeving, wat soms leidde tot verschillen in interpretatie en toepassing tussen lidstaten. |
• Direct toepasbaar in alle EU-lidstaten. Dit zorgt voor uniformiteit en minder interpretatieverschillen. |
|
Toepassingsgebied |
• Machines, verwisselbare uitrustingsstukken, veiligheidscomponenten, hijs- en hefgereedschappen, kettingen, kabels, banden, verwijderbare mechanische overbrengings-systemen, en niet voltooide machines. |
• Dezelfde machines als onder de Machinerichtlijn. • Verwante producten zoals software en digitale producten vallen nu expliciet onder de verordening, voor zover ze een veiligheidsfunctie vervullen. • Niet voltooide machines vallen onder de verordening, met duidelijkere eisen voor documentatie en de risicobeoordeling. |
|
Machinerichtlijn 2006/42/EG |
Machineverordening (EU) 2023/1230 |
|
|---|---|---|
|
Risicobeoordeling |
• Garanderen uitvoeren van een risicobeoordeling om na te gaan welke veiligheids- en gezondheidseisen van toepassing zijn. |
• Nog steeds verplicht. Gedetailleerdere risicobeoordeling. Zo horen digitale risico’s bij de risicobeoordeling. • Betere documentatie van de risicobeoordeling en toegankelijkheid voor markttoezichthouders. |
|
Technisch dossier |
• Voor ieder type een technisch dossier opstellen. • Bewaartermijn 10 jaar. |
• Bewaartermijn blijft 10 jaar. • Digitale vorm duidelijker toegestaan. • Duidelijkheid dat dit altijd beschikbaar is voor markttoezichthouder. • Uitgebreidere inhoud m.b.t. software, cybersecurity-maatregelen en AI-algoritmen. |
|
CE-markering |
• Verplicht CE-markering op machines conform bijlage III. • Minder invulling van de opgenomen conformiteits-beoordelingsprocedures. |
• Verplicht CE-markering op elke afzonderlijke eenheid van de machine of het verwante product die aan eisen Verordening voldoet. • Voor bijlage I machines zijn strengere conformiteitsbeoordelingsprocedures vereist. • CE-markering toegestaan voor digitale producten, inclusief eisen voor traceerbaarheid. |
|
Gebruiksaanwijzing |
De fabrikant moet bij elke machine een gebruiksaanwijzing voegen in de officiële taal (of talen) van de lidstaat waar de machine op de markt komt en/of in gebruik wordt genomen. |
• Digitale handleidingen zijn toegestaan. Moeten altijd beschikbaar zijn (via QR-code of online portal). • Elke lidstaat bepaalt de taal voor de handleiding. • Instructies op cybersecurity en AI-gerelateerde waarschuwingen. |
|
Markttoezicht |
• Lidstaten zijn verantwoordelijk. • Handhaving en sanctionering nationaal bepaald. |
• Lidstaten zijn verantwoordelijk. • Handhaving en sanctionering nationaal bepaald. • Nauwere samenwerking, met meer bevoegdheden om niet-conforme producten uit de markt te halen. • Ernstige incidenten nationaal melden. |
|
Conformiteitsbeoordeling |
• Interne productiecontrole voor de meeste machines. • EG-typeonderzoek of volledige kwaliteitsborging voor machines (hoog-risicomachines). • Aangemelde instanties: Alleen vereist voor hoog-risicomachines. |
• Module A (interne productiecontrole) voor laag-risicomachines. • Module B (EU-typeonderzoek) voor hoog-risicomachines, verplicht voor autonome machines, AI-systemen en digitale producten. • Module C (interne productiecontrole voor serieproductie). • Module H (volledige kwaliteitsborging) voor de meest kritieke machines • Module G (eenheidskeuring) voor complexe digitale systemen. • Vanuit het oogpunt van de fabrikant zijn modules A en C vergelijkbaar, net als modules B en G. Het verschil betreft individuele of serieproductie. • Aangemelde instanties vaker verplicht voor alle hoog-risicomachines, inclusief digitale producten. • Strengere eisen. |
|
Cybersecurity en digitale veiligheid |
Geen specifieke eisen voor cybersecurity of digitale veiligheid. |
• Aantonen dat machines beschermd zijn tegen digitale dreigingen. • Fabrikanten moeten veiligheidsupdates van software gedurende de levensduur van de machine aanbieden. • Kwetsbaarheden moeten worden gemeld en opgelost. • Digitale risico’s horen bij risicobeoordeling. • Cybersecurity en bescherming tegen aanvallen worden verplichte onderdelen. |
|
AI en autonome machines |
Geen specifieke regels voor AI of autonome machines. |
• Software en AI-componenten vallen nu expliciet onder de veiligheidseisen. • Autonome mobiele machines moeten voldoen aan alle essentiële veiligheidsfuncties. |
|
Verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid |
Primair verantwoordelijk voor veiligheid en conformiteit |
• Primair verantwoordelijk voor veiligheid en conformiteit. |
|
Machinerichtlijn 2006/42/EG |
Machineverordening 2023/1230 |
|
|---|---|---|
|
Directe toepassing |
• Geen marktdeelnemer. • Verantwoordelijk voor de controle en doorgeleiding. • Controle dat de machine voldoet aan de CE-markering en gebruiksaanwijzing. |
• Specifieke marktdeelnemer. • Medeverantwoordelijk voor de veiligheid, conformiteit en documentatie van de machines. • Controle of machines voldoen aan de verordening. |
|
Plichten |
• Controle op de CE-markering en EG-verklaring van overeenstemming. • Controle of de gebruiksaanwijzing in de juiste taal is. • Geen verplichting om de technische documentatie of risicobeoordeling van de fabrikant te controleren. |
• Controle of de machine voldoet aan alle eisen van de verordening, inclusief CE-markering, technische documentatie en (digitale) beschikbaarheid van gebruiksaanwijzing. • Een importeur kan taken uitvoeren van een gemachtigde. Dit mag alleen als de fabrikant hier schriftelijk opdracht voor geeft. De gemachtigde moet ten minste 10 jaar het technisch dossier ter beschikking kunnen stellen. • Verplichting tot bijhouden van documentatie. • Meldplicht voor incidenten. |
|
Cybersecurity en digitale veiligheid |
Geen eisen voor cybersecurity of digitale veiligheid. |
• Machines met digitale elementen moeten voldoen aan cybersecurity-eisen, zoals beveiligde software, kwetsbaarheidsbeheer en digitale CE-markering. • Veiligheidsupdates gedurende de levensduur van de machine beschikbaar blijven. |
|
Documentatie en traceerbaarheid |
• Geen technische documentatie bewaren. |
• EU-conformiteitsverklaring 10 jaar bewaren. Technische documentatie op verzoek van toezichthouder verstrekken. • De gebruiksaanwijzing moet digitaal beschikbaar zijn. De handleiding moet in de juiste EU-talen beschikbaar zijn. • Aantoonbaar wie de fabrikant is en waar de technische documentatie zich bevindt. • Voor bijlage I machines moeten importeurs extra informatie kunnen verstrekken aan toezichthouders. |
|
Samenwerking met toezichthouders |
• Geen actieve rol in markttoezicht. |
• Verplicht om mee te werken met een onderzoek door een nationale autoriteit. • Verplicht om onveilige machine uit de markt te halen en de autoriteiten informeren. |
|
Sancties en aansprakelijkheid |
• Beperkte aansprakelijkheid bij het toch invoeren van een niet-conforme machine. • Beperkte sanctioneringsmogelijkheden. |
• Aansprakelijk als de machine niet voldoet aan de verordening, het niet melden van een onveilige machine en niet meewerken aan onderzoek door toezichthouders en niet-conforme machines blijven verkopen. • Strengere en uitgebreidere sanctioneringsmogelijkheden |
|
EU-vertegenwoordiger |
• Een EU-vertegenwoordiger is een aanbeveling. |
• Als de fabrikant geen vestiging in de EU heeft, moet hij een EU-vertegenwoordiger aanwijzen. Importeurs kunnen deze rol op zich nemen, maar moeten dan wel voldoen aan alle verplichtingen van een EU-vertegenwoordiger. |
|
Machinerichtlijn 2006/42/EG |
Machineverordening 2023/1230 |
|
|---|---|---|
|
Directe toepassing |
• Geen marktdeelnemer. • Verantwoordelijk voor de controle en doorgeleiding. • Controle dat de machine voldoet aan de CE-markering en gebruiksaanwijzing. |
• Specifieke marktdeelnemer. • Medeverantwoordelijk voor de veiligheid, conformiteit en documentatie van de machines. • Controle of machines voldoen aan de verordening vooral op digitale producten. • Samenwerken met fabrikanten en toezichthouders om niet-conforme producten uit de markt te halen. |
|
Plichten |
• Controle op de CE-markering en EG-verklaring van overeenstemming. • Controle of de gebruiksaanwijzing in de juiste taal is. |
• Controle of de machine voldoet aan alle eisen van de verordening, inclusief CE-markering, technische documentatie en (digitale) beschikbaarheid van gebruiksaanwijzing. • Verplichting tot bijhouden van documentatie. • Meldplicht voor incidenten. • Verantwoordelijkheid voor digitale producten waaronder de cybersecurity-eisen. |
|
Cybersecurity en digitale veiligheid |
Geen eisen voor cybersecurity of digitale veiligheid. |
• Draagt zorg dat machines met digitale elementen voldoen aan cybersecurity-eisen. • Voor digitale producten is een digitale CE-markering vereist. Distributeurs moeten controleren of deze aanwezig is. |
|
Documentatie en traceerbaarheid |
Geen technische documentatie bewaren. |
• Distributeurs moeten ervoor zorgen dat de gebruiksaanwijzing digitaal beschikbaar is. • Distributeurs moeten kunnen aantonen wie de fabrikant is en waar de technische documentatie zich bevindt. • Voor hoog-risicomachines moeten distributeurs extra informatie kunnen verstrekken aan toezichthouders. |
|
Samenwerking met toezichthouders |
Geen actieve rol in markttoezicht. |
• Distributeurs moeten meewerken aan onderzoek door nationale autoriteiten. • Als een machine niet veilig blijkt, moeten distributeurs deze uit de markt halen en de autoriteiten informeren. |
|
Sancties en aansprakelijkheid |
• Beperkte aansprakelijkheid bij het toch invoeren van een niet-conforme machine. • Beperkte sanctioneringsmogelijkheden. |
• Aansprakelijkheid als zij niet controleren of machines voldoen aan de verordening, niet melden dat een machine onveilig is of niet meewerken aan onderzoek door toezichthouders. • Sancties zijn strenger en uniform in heel de EU, met mogelijkheden voor boetes, inbeslagname van machines en uitsluiting van de markt. |
|
Machinerichtlijn 2006/42/EG |
Machineverordening 2023/1230 |
|
|---|---|---|
|
Directe toepassing |
• Aangemelde instanties worden nationaal aangewezen en gecontroleerd. • Elke lidstaat kent een eigen procedure. |
• Aangemelde instanties worden nationaal aangewezen en gecontroleerd. • Accreditatie is de voorkeursoptie. • Nieuwe bevoegdheden voor de Europese Commissie om instanties te controleren en te schorsen. |
|
Aanmeldingsprocedure en criteria |
• Instanties worden door lidstaten aangemeld bij de Europese Commissie, met verschillende criteria per land. • Instanties moeten geregistreerd zijn in de EU-database Nando. • Instanties moesten in elk geval voldoen aan de criteria in Bijlage XI (bijvoorbeeld onafhankelijkheid, technische bekwaamheid), waarbij accreditatie een voorkeur heeft |
• Instanties worden door lidstaten aangemeld bij de Europese Commissie, alle lidstaten dezelfde criteria. • Voldoen aan nieuwe, strengere eisen, met name op het gebied van cybersecurity-expertise en technische bekwaamheid. • Instanties moeten geregistreerd zijn in de EU-database Nando. • Instanties moeten voldoen aan de accreditatienormen. |
|
Bevoegdheden en verantwoordelijkheden |
• Instanties voeren voornamelijk conformiteitsbeoordelingen uit voor hoog-risicomachines. • Geen specifieke verantwoordelijkheid voor software, cybersecurity of AI. |
• Actief beoordelen of machines voldoen aan de nieuwe eisen, met name voor digitale componenten, cybersecurity en AI-systemen. • Nieuwe modules voor conformiteitsbeoordeling m.b.t. EU-typeonderzoek en kwaliteitsborging voor ontwerp. • Instanties moeten regelmatig audits uitvoeren bij fabrikanten om te controleren of machines blijven voldoen. |
|
Cybersecurity en digitale veiligheid |
• Geen eisen voor cybersecurity of digitale veiligheid. |
• Expertise hebben op het gebied van cybersecurity, softwareveiligheid en AI-veiligheid. • Beoordelen of autonome machines veilig functioneren. • Specifieke tests uitvoeren voor digitale componenten, zoals penetratietests en kwetsbaarheidsscans. |
|
Transparantie en registratie |
• Lijsten van aangemelde instanties zijn nationaal beschikbaar en in de centrale EU-database Nando. |
• Alle aangemelde instanties moeten geregistreerd zijn in een centrale EU-database. Deze database is openbaar toegankelijk, zodat fabrikanten en importeurs gemakkelijk een geschikte instantie kunnen vinden. • Instanties moeten openbaar maken welke modules zij mogen uitvoeren. • Instanties moeten jaarlijks rapporteren aan de Europese Commissie over hun activiteiten. |
|
Toezicht en sancties |
• Lidstaten controleren hun eigen aangemelde instanties, met verschillende sancties per land. • De Europese Commissie heeft beperkte bevoegdheden om instanties te controleren. |
• Lidstaten controleren hun eigen aangemelde instanties • Meer mogelijkheden en bevoegdheden voor de Europese Commissie om instanties te controleren. • Instanties die niet voldoen aan de eisen, kunnen geschorst of verwijderd worden uit de EU-database. • Boetes kunnen worden opgelegd voor onjuiste certificeringen • Instanties moeten samenwerken met andere EU-instanties en informatie uitwisselen over niet-conforme machines |
|
Conformiteitsbeoordeling |
• Beperkte modules: ° Module A (interne productiecontrole) ° Module B (EU-typeonderzoek) ° Module C (conformiteit aan type). ° Module H (volledige kwaliteitsborging) |
• Nieuwe en aangepaste modules: ° Module A (interne productiecontrole) voor laag-risicomachines ° Module B (EU-typeonderzoek) voor hoog-risicomachines, verplicht voor autonome machines, AI-systemen en digitale producten ° Module C (interne productiecontrole voor serieproductie) Module G (eenheidskeuring) voor complexe digitale systemen ° Module H (volledige kwaliteitsborging) voor de meest kritieke machines |
|
Verantwoordelijkheid voor software en AI |
Geen specifieke eisen voor software of AI. |
• Instanties moeten nu software en AI-systemen beoordelen, met name voor veiligheid van besturingssoftware, AI-veiligheid en cybersecurity. • Instanties moeten specifieke tests uitvoeren. |
|
Machinerichtlijn 2006/42/EG |
Machineverordening 2023/1230 |
|
|---|---|---|
|
Directe toepassing |
• Elke lidstaat organiseert zijn eigen markttoezicht, met verschillende prioriteiten en middelen. |
• Elke lidstaat organiseert zijn eigen markttoezicht, met verschillende prioriteiten en middelen. • De Europese Commissie coördineert en ondersteunt nationale toezichthouders met als doel om het toezicht uniformer te krijgen. • Toezichthouders moeten gebruikmaken van EU-brede systemen (voor meldingen en informatie-uitwisseling). |
|
Bevoegdheden |
• Toezichthouders konden controles uitvoeren en niet-conforme machines uit de markt halen, maar hun bevoegdheden verschillen per lidstaat. • Geen verplichting om actief te controleren op software, cybersecurity of AI-risico’s. |
• Toezichthouders moeten regelmatig risico gebaseerd controles uitvoeren, met name op hoog-risicomachines, digitale componenten en cybersecurity-risico’s. • Onverwachte controles zijn verplicht voor hoog-risicomachines. • Toezichthouders kunnen diepgaande technische inspecties uitvoeren, inclusief software-audits, cybersecurity-tests en AI-risicoanalyses. |
|
Cybersecurity en digitale veiligheid |
• Toezichthouders hoefden geen rekening te houden met software, cybersecurity of AI. |
• Toezichthouders moeten nu actief controleren of machines voldoen aan cybersecurity-eisen. • AI-veiligheid, toezichthouders moeten beoordelen of autonome machines veilig functioneren. • Toezichthouders controleren of digitale gebruiksaanwijzingen altijd beschikbaar en up-to-date zijn. |
|
Samenwerking en informatieuitwisseling |
• Toezichthouders wisselen informatie uit en voeren gezamenlijke acties, maar dit was niet verplicht en vaak ad-hoc. |
• Verplichte EU-samenwerking bij gecentraliseerd meldsysteem, gezamenlijke acties en uitwisseling van beste praktijken. • Jaarlijks rapporteren over activiteiten en de lessons learned delen met andere lidstaten. |
|
Sancties en handhaving |
• Nationale overheden bepalen de sanctionering. Hierdoor verschillen boetes en maatregelen sterk per lidstaat. |
• De sanctionering wordt uniformer en strenger. • Toezichthouders kunnen direct maatregelen opleggen, zoals terugroepacties, stopzetting van verkoop en publicatie van overtredingen. |
De Machineverordening is van toepassing met ingang van 20 januari 2027. De Europese Commissie trekt Richtlijn 2006/42/EG per 19 januari 2027 in. Voor de transponeringstabel zie onderdeel III van deze nota van toelichting.
De Machineverordening noemt diverse betrokken partijen. Hieronder lichten we hun specifieke rollen toe:
Doordat de Machineverordening in overeenstemming is gebracht met het NLF, wordt het aantal marktdeelnemers dat onder de reikwijdte valt uitgebreid en gespecificeerd. De Machinerichtlijn kent alleen de fabrikant en de gemachtigde en stelt eisen aan deze marktdeelnemers. De Machineverordening kent naast de fabrikant en de gemachtigde ook de distributeur en de importeur. Per marktdeelnemer is bepaald welke regels gelden voor het op de markt brengen, in de handel nemen of in gebruik nemen van een machine. De eindgebruiker is geen marktdeelnemer. Aan het veilig en gezond gebruiken van een machine worden wel eisen gesteld in de Machineverordening, zij het beperkt. Aan het professioneel gebruiken van een machine worden nadere gebruiksvoorwaarden gesteld in de Arbeidsomstandighedenwetgeving. Met name hoofdstuk 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat eisen aan het gebruik van een arbeidsmiddel zoals een machine.
In de Machineverordening is de definitie van fabrikant verhelderd ten opzichte van de definitie in de Machinerichtlijn. De fabrikant is een natuurlijke of rechtspersoon die:
a) producten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, vervaardigt of deze producten laten ontwerpen of vervaardigen, en die die producten onder zijn of haar eigen naam of merk in de handel brengt; of
b) producten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, voor eigen gebruik vervaardigt en in bedrijf stelt.
Volgens de Machineverordening betekent «in de handel brengen» dat een fabrikant een product voor het eerst op de markt van de Unie aanbiedt. Onder «op de markt aanbieden» verstaat men het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product dat onder de Machineverordening valt, met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie.
Het in de handel brengen onder zijn naam of handelsmerk of het voor eigen gebruik vervaardigen en in bedrijf stellen bepaalt dat hij de fabrikant is. Daarmee draagt hij de eindverantwoordelijkheid dat zijn machine of het verwant product aan alle relevante regels uit de Machineverordening voldoet.
De verantwoordelijkheden van de fabrikant gelden ook voor de natuurlijke of rechtspersoon die geprefabriceerde machines assembleert, verpakt, verwerkt of etiketteert en onder zijn eigen naam of handelsmerk in de handel brengt. De fabrikant blijft verantwoordelijk, ook als hij het beoogd gebruik van een product op zodanige wijze verandert dat andere essentiële of wettelijke eisen van toepassing worden. Dit geldt ook als hij de machine ingrijpend wijzigt of herbouwt (en zo een nieuw product maakt), met de bedoeling dit in de handel te brengen, of te gaan gebruiken.
Daarbij kan gedacht worden aan de digitale systemen in een machine. De fabrikant zal dergelijke machines ter keuring aan CBI’s moeten voorleggen. Geharmoniseerde normen zorgen ervoor dat er een level playing field is.
Ongeacht of de fabrikant in de EU is gevestigd, mag deze een gemachtigde benoemen om namens hem bepaalde vereiste taken uit te voeren. De delegatie van taken van de fabrikant aan de gemachtigde moet expliciet en schriftelijk zijn, met name met betrekking tot de inhoud en de begrenzing van de taken van de gemachtigde. De taken die volgens de Machineverordening aan de gemachtigde mogen worden gedelegeerd, zijn van administratieve aard. Een gemachtigde mag de machine niet op eigen initiatief wijzigen om het in overeenstemming te brengen met de Machineverordening. De door een fabrikant benoemde gemachtigde mag ook een importeur of distributeur zijn. In dat geval moet hij ook voldoen aan de verplichtingen van de importeur of distributeur.
De importeur is de in de Unie gevestigde marktdeelnemer die een machine uit een derde land in de handel brengt in de Europese Unie. De verantwoordelijkheden van de importeur zijn in grote mate gebaseerd op de verantwoordelijkheden die een in de EU gevestigde fabrikant heeft. De importeur moet waarborgen dat de fabrikant aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De importeur speelt een sleutelrol bij het waarborgen van de conformiteit van de machines. Importeurs die redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht machine niet voldoet aan de Machineverordening, nemen eveneens onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Verder moeten de importeurs de markttoezichthouder onmiddellijk op de hoogte brengen wanneer een product een risico vertoont. In tegenstelling tot de gemachtigde hoeft de importeur geen mandaat van de fabrikant noch een voorkeursrelatie met de fabrikant te hebben. Om aan zijn verantwoordelijkheden te kunnen voldoen, moet de importeur er echter wel voor zorgen dat hij in contact kan treden met de fabrikant, bijvoorbeeld om de technische documentatie ter beschikking te stellen van de autoriteit die hierom verzoekt.
De distributeur is een natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, verschillend van de fabrikant tot de importeur, die een machine op de markt aanbiedt. In tegenstelling tot de gemachtigde hoeven detailhandelaars, groothandelaars en andere distributeurs in de toeleveringsketen geen voorkeursrelatie met de fabrikant te hebben. Een distributeur verwerft producten voor verdere distributie van een fabrikant, een importeur of van een andere distributeur. De distributeur moet kennis hebben van de toepasselijke eisen zoals het aanbrengen van een CE-markering, welke informatie bij moet zijn gevoegd (bijvoorbeeld de EU-conformiteitsverklaring), wat de taalvereisten zijn in verband met de gebruikshandleiding en wat een duidelijke aanwijzing is dat een product niet aan de eisen voldoet. In het geval van machines uit derde landen blijven de conformiteitsbeoordeling, het opstellen en bewaren van de EU-conformiteitsverklaring en de technische documentatie de verantwoordelijkheid van de fabrikant en/of de importeur wat betreft het bijhouden van de conformiteitsverklaring. Een distributeur mag geen machines leveren waarvan hij weet of op grond van de hem ter beschikking staande gegevens dan wel beroepshalve had moeten vermoeden dat zij niet aan de wetgeving voldoen.
De EU-CBI’s zijn erkende onafhankelijke instellingen die voor de uitvoering van dit Warenwetbesluit belast zijn met een publiekrechtelijke taak. Ze zijn, voor zover ze die publiekrechtelijke taak uitvoeren, bestuursorganen (artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht). Zij dienen zich dus bijvoorbeeld te houden aan de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, Wet open overheid en Wet Nationale ombudsman. Men toetst niet ex-ante op het voldoen aan de eisen van deze wetten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Minister van SZW) wijst EU-CBI’s aan en is daarmee wat betreft de uitoefening van die wettelijke taken ook zelfstandig bestuursorgaan. In artikel 7a, zesde lid, van de Warenwet is bepaald dat op een aangewezen instantie (CBI’s) de Kaderwet ZBO’s niet van toepassing is.
Er is in het Warenwetbesluit liften 2016 en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 bewust gekozen voor de toevoeging van «EU-» aan het begrip conformiteitsbeoordelingsinstantie zodat het onderscheid met de keuringsactiviteiten van de NL-CBI’s duidelijk is. Met het Warenwetbesluit liften 2016 en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 is de systematiek voor een aanwijzing gewijzigd en, indien toepasselijk, ook de aanmelding in het New Approach Notified and Designated Organisations Information System (hierna: Nando), het Europees registratiesysteem voor EU-CBI’s. De richtlijnen en verordeningen laten de lidstaten de ruimte voor een accreditatiesysteem dan wel een ander gelijkwaardig beoordelingssysteem. De Machineverordening stelt accreditatie als systeem voor maar laat in geval van nood de mogelijkheid open voor een ander gelijkwaardig beoordelingssysteem. Dit is anders dan bij de Liftenrichtlijn en de Drukapparatuur richtlijn. Die richtlijnen geven aan de voorkeur te hebben voor accreditatie als het geschiktste middel waarmee de technische bekwaamheid van CBI’s kan worden aangetoond. Nederland sluit zich aan bij die voorkeur en is voorstander van het verder beperken van de mogelijkheid om een eigen beoordelingssysteem te gebruiken. Dit is in de Machineverordening ook opgenomen. Hier liggen de volgende overwegingen aan ten grondslag:
• De randvoorwaarden die Nando stelt zijn van dien aard dat een niet geaccrediteerde EU-CBI economisch nadeel ondervindt, omdat zij aanvullende documenten beschikbaar moet stellen aan de Minister van SZW en rekening moet houden met een langere wachttijd (twee maanden in plaats van twee weken na aanmelding) voordat zij met de werkzaamheden mag aanvangen. De wachttijd is de periode die lidstaten en Europese Commissie hebben om gemotiveerd hun beoordeling kenbaar te maken over de aanmelding van de EU-CBI. Vragen leiden tot schorsing van de aanmelding. Hierdoor mag een EU-CBI nog geen werkzaamheden uitvoeren. Het kan dan maanden extra duren.
• Op grond van de Accreditatieverordening is het de nationale accreditatie-instantie, voor Nederland de Stichting Raad voor Accreditatie (hierna: RvA), alleen toegestaan te accrediteren tegen de geharmoniseerde accreditatienormen die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Met andere woorden: het stelsel van beoordelen zoals dat is geregeld bij of krachtens het Warenwetbesluit.
In het Warenwetbesluit liften 2016, het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 en Warenwetbesluit machines is een nationale tegenhanger, de zogenaamde NL-CBI toegevoegd. Omwille van duidelijkheid en eenheid in de diverse SZW-Warenwetbesluiten is toentertijd bepaald dat in alle SZW-Warenwetbesluiten gesproken wordt van EU-CBI’s en NL-CBI’s. In de praktijk blijkt dat veel EU-CBI’s namelijk ook NL-CBI’s zijn. Om regeldruk te minimaliseren hanteert het Warenwetbesluit machines 2026 dezelfde systematiek als het Warenwetbesluit liften, drukapparatuur en machines.
De totstandkoming van dit nieuwe Warenwetbesluit machines 2026 betekent tevens dat de bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten behorende lijst van overtredingen en boetebedragen moet worden aangepast. Dit gebeurt op basis van artikel 27 van het besluit. De boetebedragen wijzigen niet.
Uitgangspunt is dat een EU-CBI die in aanmerking wenst te komen voor aanwijzing en aanmelding een accreditatie van de RvA overlegt. Dit is sinds 2016 met het Warenwetbesluit liften 20164 dat ook het Warenwetbesluit machines wijzigde voor machines het geval en wijzigt met de Machineverordening niet. Met de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie van 10 november 20095 is uitvoering gegeven aan Accreditatieverordening en is de positie en de werkzaamheden van de Nationale accreditatie-instantie, voor Nederland de Raad voor Accreditatie, vastgelegd.
Accreditatie vindt altijd plaats tegen een integrale geharmoniseerde accreditatienorm. Accreditatie uitsluitend voor delen van een geharmoniseerde accreditatienorm is niet mogelijk. Wanneer sectorale regelingen aanvullende eisen stelt aan specifieke conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen bepaalde normelementen uit andere geharmoniseerde accreditatienormen als een bruikbaar normartikel gelden, aanvullend op de integrale accreditatie. Om die elementen niet uit te sluiten is opgenomen dat accreditatie tegen de van toepassing zijnde geharmoniseerde norm of delen daarvan plaatsvindt.
In beginsel geeft de accreditatie met een passende scope, het vermoeden van overeenstemming met de eisen voor aanwijzing en aanmelding in Nando (artikel 26 van de Machineverordening).
Het is niet de bedoeling dat de Minister van SZW toezicht houdt op het functioneren van de RvA als nationale accreditatie-instantie. Dat is aan de Minister van Economische Zaken als voor de RvA verantwoordelijke minister.
Om te realiseren dat de EU-CBI met één beoordeling kan volstaan om te kunnen worden aangewezen en aangemeld, is gebruikgemaakt van de beleidsruimte die de Accreditatieverordening biedt inzake accreditatie. Artikel 2, tiende lid, van de Accreditatieverordening verstaat onder accreditatie: «een formele verklaring van een nationale accreditatie-instantie dat een CBI voldoet aan de eisen die zijn bepaald door geharmoniseerde normen en, indien van toepassing, aanvullende eisen, zoals die welke zijn opgenomen in de relevante sectorale regelingen, om een specifieke conformiteits-beoordelingsactiviteit te verrichten». De beleidsruimte is gelegen in de mogelijkheid om aanvullende eisen in de accreditatie op te nemen.
Op grond van artikel 7a van de Warenwet wijst de Minister van SZW altijd eerst een EU-CBI en erkende onafhankelijke instelling aan, voordat deze de instelling aanmeldt. In de praktijk zijn deze taken gemandateerd aan de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: Arbeidsinspectie). De aanwijzing van een EU-CBI wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant. De aanmelding van een EU-CBI wordt openbaar gemaakt in Nando6.
Artikel 7.4a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verplicht de werkgever om arbeidsmiddelen periodiek te laten keuren zodat sprake is van een veilige arbeidsplaats. Het bevat een algemeen keuringsregime voor arbeidsmiddelen in de gebruiksfase.
De Arbeidsmiddelenrichtlijn (2009/104/EG) is een «sociale richtlijn» waarvoor de werkgever als gebruiker van de machine verantwoordelijk is. EU-lidstaten hebben de verplichting om in Europa vastgestelde richtlijnen op te nemen in hun nationale wetgeving. De Europese Arbeidsmiddelenrichtlijn vormt een aanvulling op de Machinerichtlijn en op de Machineverordening. De Arbeidsmiddelenrichtlijn omvat alle fasen van het leven van een arbeidsmiddel, te weten:
• transport;
• installatie en afstelling;
• gebruik, instellen;
• in werking zijn, keuring en onderhoud;
• buiten gebruik stellen, sloop en verwijdering.
De Arbeidsmiddelenrichtlijn stelt eisen aan het gebruik en onderhoud van arbeidsmiddelen op de werkplek. Deze eis is in Nederland opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit hoofdstuk 7 (Veiligheid van arbeidsmiddelen en specifieke risico’s). De hierin opgenomen eisen gelden zowel voor nieuwe als voor bestaande arbeidsmiddelen. Een onderdeel van de wettelijke eisen is het regelmatig inspecteren of keuren van arbeidsmiddelen. Artikel 7.4a van het Arbeidsomstandighedenbesluit eist dat arbeidsmiddelen periodiek worden gekeurd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling. De deskundige is een persoon die de keuring uitvoert en moet beschikken over de benodigde kennis en vaardigheden om deze taak correct uit te kunnen voeren. Waar het gaat om regels voor het veilig gebruik van machines voor werken op hoogte zijn deze regels verder uitgewerkt in het Warenwetbesluit machines. Die regels worden volledig overgenomen in het nieuwe Warenwetbesluit machines 2026. Inhoudelijk is niet beoogd wijzigingen aan te brengen. Waar mogelijk zijn wel redactionele wijzigingen doorgevoerd om teksten leesbaarder of toegankelijker te maken. Mede hierom is de titel aangepast naar werken op hoogte.
De keuring van deze machines voor werken op hoogte is ook opgedragen aan NL-conformiteitsbeoordelingsinstanties (hierna: NL-CBI’s). Omdat het puur gaat om keuringen voor het gebruik van die machines in Nederland, noemt het besluit ze NL-CBI’s. Er zijn namelijk in Nederland twee soorten CBI’s: EU-CBI’s en de NL-CBI’s. Op het verschil is in paragraaf 3 met betrekking tot betrokken partijen ingegaan. NL-CBI’s voeren conformiteitsbeoordelingen uit op arbeidsmiddelen in de gebruiksfase, in de context van de Arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze NL-CBI’s bestaan al lang om invulling te geven aan de Europese keuringsverplichting. Deze keuringsverplichting vloeit voort uit de Arbeidsmiddelenrichtlijn. Alle arbeidsmiddelen moeten verplicht periodiek gekeurd worden. De huidige bepalingen worden overgenomen in dit nieuwe Warenwetbesluit.
De fabrikant van een arbeidsmiddel bepaalt wat de juiste keuringstermijn en voorwaarden zijn naast de juiste gebruiks- en onderhoudsvoorwaarden. De werkgever kan ervoor kiezen om vaker te keuren dan de fabrikant aangeeft als dat bijvoorbeeld uit de Risico-inventarisatie en -evaluatie komt.
Zoals hierboven toegelicht, betreft dit de uitvoering van een Europese verordening, waarbij zeer beperkte nationale beleidsruimte is. Er zijn wel enkele nationale keuzes te maken op de taal van de bijgevoegde documenten, de sanctionering en de aanmeldende autoriteit voor de CBI’s. Fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs die machine(producten) ontwerpen, vervaardigen, in de handel brengen of in bedrijf stellen, krijgen op grond van de Machineverordening te maken met verplichtingen die voor een deel als regeldruk worden aangemerkt. Deze regeldrukeffecten vloeien echter niet voort uit het Warenwetbesluit machines 2026, maar komen rechtstreeks uit de Machineverordening.
De meeste eisen bestonden reeds bij de Machinerichtlijn die in het Warenwetbesluit machines was geïmplementeerd (zie paragraaf 7).
De Machineverordening is net als de Machinerichtlijn werkbaar voor fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs, maar brengt voor elk van deze groepen specifieke verantwoordelijkheden en uitdagingen met zich mee. Ook vraagt het om aanpassingen in processen en verantwoordelijkheden. Voor de gemachtigde verandert er weinig. Deze is daarom verder niet opgenomen in deze paragraaf. De veranderingen ten opzichte van de Machinerichtlijn liggen voornamelijk op het bord van de fabrikant. De Machineverordening legt nu ook specifiek vast aan welke bepalingen de importeur en distributeur moeten voldoen. Dit is hierboven in de tabellen aangegeven. Hieronder een overzicht per groep inzake de werkbaarheid:
• De Machineverordening biedt duidelijkheid en uniformiteit, omdat de regels in alle EU-lidstaten hetzelfde zijn en vergemakkelijkt daarmee de EU-export door Nederlandse machinefabrikanten.
• Digitale documentatie is toegestaan, wat administratieve lasten vermindert.
• Importeurs krijgen een grotere verantwoordelijkheid in de keten, dit zorgt voor meer transparantie en traceerbaarheid.
• De Machineverordening biedt duidelijke richtlijnen voor wat importeurs moeten doen, wat de werkbaarheid ten goede komt.
• Distributeurs krijgen een actievere rol in het controleren van conformiteit, dit is haalbaar omdat de Machineverordening duidelijke criteria biedt.
• De Machineverordening zorgt voor een gelijk speelveld in de hele EU, wat de handel en distributie vereenvoudigt.
De gevolgen van Machineverordening voor het bedrijfsleven zijn opgenomen in het impact assessment7. Uit de evaluatie en impact assessment bleek dat het wenselijk was om de Machineverordening in lijn te brengen met het NLF en te actualiseren. Met de Machineverordening is beoogd de Machinerichtlijn zodanig te herzien dat de doelstellingen ervan kunnen blijven worden behaald, door:
i. een hoog niveau van veiligheid en bescherming voor gebruikers van machines en andere blootgestelde personen te waarborgen; en
ii. te zorgen voor een hoge mate van vertrouwen in digitale innovatieve technologieën onder consumenten en gebruikers, en daarmee een gelijk speelveld voor marktdeelnemers te waarborgen en het concurrentievermogen van de machinebouwsector op de wereldwijde digitale markt in stand te houden.
De Europese Commissie heeft een effectbeoordeling van de herziening van de Machinerichtlijn uitgevoerd. In de effectbeoordeling zijn op basis van de verzamelde informatie vier opties om problemen en uitdagingen met betrekking tot de Machinerichtlijn aan te pakken, onderzocht en vergeleken.
• Optie 0: referentie – geen wijziging.
• Optie 1: zelfregulering door het bedrijfsleven en wijziging van de richtsnoeren.
• Optie 2: lastenverlichting van marktdeelnemers. Deze optie beoogt de rechtszekerheid van sommige bepalingen te vergroten en sommige administratieve plichten te vereenvoudigen. Om marktdeelnemers zo veel mogelijk te ontlasten, wijzigt de Commissie de veiligheidseisen voor producten en de plichten van de fabrikanten voor het ontwerpen en fabriceren van machines niet. Wel pakt zij nieuwe risico’s uit nieuwe technologieën (en bepaalde risico’s van traditionele technologieën) aan. Dit doet zij door een normalisatieverzoek van de Commissie uit te vaardigen, waarmee zij het normale normalisatieproces zo veel mogelijk versnelt.
• Optie 3: lastenverlichting en meer veiligheid. Deze optie beoogt de rechtszekerheid van sommige bepalingen te vergroten en sommige administratieve verplichtingen te vereenvoudigen. Het streven is om de veiligheid te verhogen door de veiligheidseisen aan te passen en de conformiteitsbeoordeling af te stemmen op het risico dat het machineproduct, met inbegrip van nieuwe technologieën, met zich meebrengt.
Optie 3 had de voorkeur van de Europese Commissie. Lidstaten en het Europees Parlement hebben hiermee ingestemd, zo blijkt uit de goedkeuring van de Machineverordening. Het zorgt voor zowel versterking van het concurrentievermogen door de lasten voor fabrikanten te verlichten, als voor meer veiligheid door bestaande eisen te verduidelijken of nieuwe eisen toe te voegen. Dit brengt extra nalevingskosten met zich mee, maar zorgt er ook voor dat er minder onveilige producten op de markt zijn. Dit is de meest toekomstbestendige optie omdat de risico’s van nieuwe technologieën ermee worden aangepakt.
Door de afstemming van de richtlijn op het NLF kan deze beter functioneren en beter worden gehandhaafd. De lasten voor fabrikanten die te maken hebben met het feit dat meerdere productveiligheidswetten op hun producten van toepassing zijn, zijn verminderd. Denk daarbij aan machines die zowel onder de Machinerichtlijn als onder de richtlijn Radioapparatuur8 vallen. Hierdoor stroomlijnen fabrikanten en lidstaten het proces van de vrijwaringsprocedures voordat ze de Commissie in kennis stellen. Daarmee hoeft de Commissie pas een beslissing te nemen als er sprake is van onenigheid tussen de lidstaten.
Een andere vereenvoudiging is de complementariteit tussen de EU-wetgeving inzake AI en machines. Hierdoor hoeft de risicobeoordeling voor de volledige machine met AI-systemen alleen in het kader van deze verordening plaats te vinden. In de AI-verordening is bepaald dat de conformiteitsbeoordeling bij de machine plaatsvindt.
Ten slotte zorgt de overgang van een richtlijn naar een verordening ervoor dat lidstaten de bepalingen niet hoeven om te zetten en dat de voorschriften op dezelfde wijze kunnen worden geïnterpreteerd en uitgevoerd. Dit is de reden dat de Commissie in samenwerking met de lidstaten wederom een guide opstelt. Nu is er de «Guide to application of the Machinery Directive 2006/42/EC» die op de website van de Europese Commissie is gepubliceerd.9
Uit het impact assessment blijkt dat de meeste autoriteiten van de lidstaten, aangemelde instanties, consumentenverenigingen en werknemersorganisaties de optie van het omzetten van de Machinerichtlijn in een Machineverordening steunen. Fabrikanten gaven aan dat zij het ermee eens zijn dat moet worden opgetreden, maar wilden dat liever doen via het normalisatieproces, zonder de gezondheids- en veiligheidseisen van de Machinerichtlijn te wijzigen. Er zijn uitzonderingen, zoals afzonderlijke software die een veiligheidsfunctie vervult, waarvan fabrikanten ook vinden dat die als veiligheidscomponent moet worden beschouwd. Fabrikanten geven er meestal ook de voorkeur aan dat de lijst van machines met een hoog risico ongewijzigd blijft en dat de betrokkenheid van derden bij de conformiteitsbeoordeling vrijwillig blijft. Bij het overgaan naar een verordening kunnen de digitale formaten voor de gebruiksaanwijzing en de conformiteitsverklaring, waar de sector op heeft aangedrongen, worden gebruikt. Alle groepen belanghebbenden steunen de aanpassing aan het NLF en de verandering van de Machinerichtlijn in een Machineverordening.
98% van de fabrikanten in de machinebouwsector zijn midden- en kleinbedrijven (hierna: mkb). De rechtszekerheid zal met name mkb’s bevoordelen, aangezien zij over minder middelen beschikken om de wettekst te beoordelen en te interpreteren. Daarnaast leidt rechtszekerheid met betrekking tot de veiligheidseisen tot duidelijkere geharmoniseerde normen, hetgeen ook gunstig is voor mkb’s die van geharmoniseerde normen afhankelijk zijn om aan de veiligheidseisen te voldoen. Afstemming van normalisatie op het gebied van nieuwe technologieën vindt plaats in overleg met de ISO/IEC (Internationale Elektrotechnische Commissie van de Internationale Organisatie voor normalisatie) om het concurrentievermogen binnen de EU en wereldwijd te maximaliseren en de uitvoer te faciliteren. Dit is belangrijk voor de machinebouwsector in de EU, omdat 51% van de productie buiten de Europese Unie wordt geexporteerd en deze uitvoer essentieel is voor het mkb.
Fabrikanten van machines met een hoog risico als bedoeld in bijlage I van de Machineverordening zijn vaak mkb. Het is niet de verwachting dat zij te maken krijgen met hoge kostenstijgingen, aangezien zij al vaak gebruikmaken van derde partijen. De in dit onderdeel genoemde lastenverlichtingsmaatregelen gelden ook voor het mkb.
De machinesector is een zeer relevant onderdeel van de machinebouw en een van de industriële drijfveren van de EU-economie. In 2017 boekte de machinesector een omzet van 663 miljard euro, een productie van 609 miljard euro en een toegevoegde waarde van 191 miljard euro. De totale export van machines en apparatuur uit de EU bedroeg 503 miljard euro, waarvan 49% binnen EU-lidstaten werd geëxporteerd en 51% naar landen buiten de EU.
De machinebouw sector omvat een grote diversiteit machinefabrikanten voor sectoren als o.a. verpakkingen, metaal- en kunststofproducten, voedselproductie, logistiek, bouw, medische en hightechcomponenten. Machinebouw is de laatste decennia fors gegroeid. De machine-industrie in Nederland is de grootste industriële branche, gevolgd door de voedings- en chemie-industrie. Het aandeel van de machine-industrie was in 2023 met 20,8 procent van de totale industrie meer dan 2,5 keer zo hoog als in 2000.10 De machinebouw sector heeft een aandeel van ruim 17% (€ 16,1 miljard) binnen de industrie.
De Machinebouwindustrie is sterk innovatief, met maar liefst 40% van de Research & Development uitgaven in de totale industrie. De sector biedt werkgelegenheid aan ruim 92.000 fte, is wereldwijd actief en is sterk export gedreven. De verdiensten aan de export van machines en machineonderdelen zijn de afgelopen acht jaar meer dan verdubbeld tot ruim € 25 miljard. Dit levert een bijdrage van 2,7% aan het BBP op. De winstgevendheid van de sector is terug te zien in een exportmarge van 62% op machines en apparaten.11
|
Marktdeelnemers |
Aantallen |
|---|---|
|
Fabrikanten (machinebouwers) |
3.000 |
|
Bedrijven – installatie en reparatie |
8.700 |
|
Distributeurs |
Ongeveer 250.000 |
|
Importeurs |
491 (cijfer CBS in 2019) |
Bron: CBS, Machine-industrie in Nederland blijft groeien, 2022.
De toegevoegde waarde van de totale industrie in Nederland was in 2021 93,4 miljard euro, waar dit in 1995 nog 50,6 miljard was. De machine-industrie is in die tijd gestegen van 3,2 miljard naar 16,1 miljard euro.
De Machineverordening brengt extra kosten met zich mee, maar deze zijn vooral afhankelijk van de huidige compliance-status en de complexiteit van de machines. Fabrikanten die al voldoen aan de Machinerichtlijn maken minder kosten dan bedrijven die nu niet of onvoldoende voldoen. De overgangsperiode tot 2027 biedt ruimte om deze kosten te spreiden en de nodige aanpassingen door te voeren. De branches geven aan dat dit werkbaar is.
Er zijn geen exacte algemene cijfers beschikbaar, omdat de kosten sterk afhangen van de grootte van het bedrijf, het type machine en de huidige mate van compliance. Voor midden- en kleinbedrijven kunnen de kosten oplopen van enkele duizenden euro's voor eenvoudige machines tot tienduizenden euro's voor complexe of Bijlage I-machines. Grote bedrijven met complexe productielijnen en internationale markten zullen aanzienlijk meer moeten investeren, mogelijk honderdduizenden euro's of meer, vooral als zij hun processen en documentatie volledig moeten herzien.
Er is in de EU sprake van een level playing field doordat alle fabrikanten, importeurs, distributeurs dit moeten doen. De markttoezichthouder, dat is hier de Europese Commissie, houdt in de gaten dat de betrokken partijen en de lidstaten zich aan het level playing field houden. De Machineverordening geeft de Europese Commissie de mogelijkheid om hierop te acteren.
Fabrikanten, gemachtigden, distributeurs en importeurs moeten te allen tijde voldoen aan de verplichtingen uit de Machineverordening en het Warenwetbesluit machines 2026. In de praktijk is dat zodra er sprake is van het vervaardigen van machines, het in de handel brengen daarvan of het in bedrijf stellen. Het is van toepassing op alle machines, op zogenaamde niet voltooide machines en op verwante producten die in de handel worden gebracht vanaf 20 januari 2027.
• Voor fabrikanten:
° besparingen van € 5.000 tot € 10.000 per geval waarin verduidelijking van de interpretatieverschillen tussen de lidstaten nodig zijn;
° tot € 16,6 miljard minder drukkosten (€ 201.000 per bedrijf) als gevolg van digitale documentatie;
° vereenvoudiging doordat de Machineverordening onder hetzelfde NLF als andere productveiligheidswetgeving komt te vallen;
° kostenbesparingen van € 100 tot € 500 per geval door minder verduidelijkingsprocedures omdat de handeling niet hoeft te worden omgezet;
° betere werking van de eengemaakte markt;
° gelijker speelveld dankzij meer rechtszekerheid;
° meer concurrentievermogen.
• Voor gebruikers (werknemers en consumenten):
° minder niet-conforme machines op de markt;
° meer veiligheid dankzij verduidelijkingen;
° meer veiligheid voor werknemers en consumenten;
° betere bescherming van de gezondheid en veiligheid van gebruikers als gevolg van het wegnemen van de mogelijkheid van interne controle voor de conformiteitsbeoordeling van machines met een hoog risico;
° betere leesbaarheid van niet-papieren gebruiksaanwijzing, die geschikter zullen zijn voor blinden en slechtzienden;
° toegang tot het ICSMS (het communicatiesysteem dat lidstaten gebruiken om pan-Europees markttoezicht te faciliteren).
• Voor de lidstaten:
° meer juridische duidelijkheid; toegang tot het ICSMS;
• Voor de aangemelde instanties:
° minder opslagkosten voor gebruiksaanwijzingen;
° voordelen als gevolg van eenduidige interpretatie in alle lidstaten.
• Voor Europese normalisatieorganisaties:
° voordelen als gevolg van eenduidige interpretatie van de Machineverordening.
• Voor de samenleving:
° minder sociale kosten als gevolg van ziekteverlof en arbeidsongevallen (bv. 15 miljoen EUR per jaar in verband met ziekteverlof als gevolg van trillingen).
De kosten voor fabrikanten om te voldoen aan de Machineverordening variëren sterk, afhankelijk van factoren zoals de complexiteit van de machine, de huidige mate van compliance, en of de machine onder bijlage I valt.
1. Conformiteitsbeoordeling en certificering: afhankelijk van het risiconiveau van de machine. Voor eenvoudige machines zijn de kosten beperkt tot interne controles en documentatie. Voor Bijlage I zijn strengere procedures en externe certificering door een aangemelde instantie vereist, wat € 1.000 tot € 10.000 per machine kan kosten, afhankelijk van de complexiteit en de gekozen certificeringsinstantie.
2. Technisch constructiedossier: het samenstellen en onderhouden van een technisch dossier (ontwerpdocumentatie, risicobeoordelingen, testrapporten, etc.) kan € 500 tot € 5.000 kosten, afhankelijk van de complexiteit van de machine en of er al documentatie beschikbaar is.
3. Aanpassingen aan machines en software: machines moeten voldoen aan de aangescherpte veiligheids- en gezondheidseisen, inclusief nieuwe eisen voor cybersecurity en digitale veiligheid (bijvoorbeeld voor IoT/AI). Aanpassingen aan ontwerp, productie of software kunnen € 2.000 tot € 50.000+ per machine kosten, afhankelijk van de benodigde wijzigingen.
4. Digitale documentatie en handleidingen: hoewel digitale documentatie administratieve lasten vermindert, kan de initiële digitalisering en vertaling van handleidingen € 500 tot € 3.000 kosten, vooral als meerdere talen nodig zijn.
5. Externe advies- en certificeringskosten: veel fabrikanten schakelen externe adviseurs of certificeringsinstanties in om te helpen bij compliance. Dit kan € 1.500 tot € 15.000+ kosten, afhankelijk van de omvang van het project en de complexiteit van de machine.
6. Kosten voor niet-conforme producten: fabrikanten die nu niet voldoen aan de basisvoorwaarden, moeten mogelijk hun hele productieproces en documentatie aanpassen. Dit kan tienduizenden euro’s kosten, vooral voor mkb’s die nog niet digitaal werken of nieuwe technologieën integreren.
• Kleine en middelgrote ondernemingen, zoals mkb’s: voor eenvoudige machines kunnen de totale kosten € 2.000 tot € 10.000 bedragen.
• Grote bedrijven/complexe machines: voor bijlage I of machines met nieuwe technologieën (AI, IoT) kunnen de kosten oplopen tot € 50.000 tot € 100.000+, vooral als externe certificering en aanpassingen nodig zijn.
De Machineverordening brengt voor importeurs extra verantwoordelijkheden en kosten met zich mee, vooral op het gebied van conformiteitscontroles, documentatie en risicobeheer. De exacte kosten hangen af van de complexiteit van de machines en de mate van compliance van de fabrikant.
De kosten voor importeurs om te voldoen aan de Machineverordening zijn afhankelijk van hun rol in de toeleveringsketen en de complexiteit van de machines die zij importeren. Hier is een globale schatting van de belangrijkste kostenposten:
1. Conformiteitscontroles en administratie: importeurs moeten controleren of de fabrikant de conformiteitsbeoordelingsprocedure heeft uitgevoerd, de CE-markering correct is aangebracht en de technische documentatie compleet is. Zij moeten ook hun eigen naam en contactgegevens op de machine of verpakking vermelden. Deze controles en administratieve taken kunnen € 500–€ 3.000 per machine kosten, afhankelijk van de complexiteit en of externe expertise nodig is.
2. Aanpassingen aan documentatie: het vertalen en aanpassen van documentatie kan € 300–€ 2.000 per machine kosten, afhankelijk van het aantal talen en de omvang van de documentatie.
3. Verantwoordelijkheid bij niet-conformiteit: het terugroepen, aanpassen of vernietigen van niet-conforme machines kan € 1.000–€ 10.000+ per incident kosten, afhankelijk van de omvang en de aard van de niet-conformiteit.
4. Externe advies- en certificeringskosten: de kosten voor advies en certificering variëren, maar kunnen € 1.500–€ 10.000 per machine bedragen, afhankelijk van de complexiteit en de gekozen instantie.
5. Kosten voor hoog risicomachines: voor machines die onder bijlage I van de Machineverordening vallen, zijn strengere conformiteitsbeoordelingsprocedures vereist, vaak met betrokkenheid van een derde partij (zoals een aangemelde instantie). Dit kan extra certificeringskosten met zich meebrengen. Deze extra certificering kan € 2.000–€ 15.000 per machine kosten, afhankelijk van de complexiteit en de gekozen certificeringsinstantie.
• Kleine importeurs/eenvoudige machines: voor eenvoudige machines kunnen de totale kosten € 1.000–€ 5.000 per machine bedragen.
• Grote importeurs/complexe machines: voor complexe of hoog risicomachines kunnen de kosten oplopen tot € 10.000–€ 25.000+ per machine, vooral als externe certificering en aanpassingen nodig zijn.
De regering verwacht voor de Nederlandse EU-CBI’s geen verhoging van kosten, omdat deze nu al door de Minister van SZW zijn aangewezen en zijn geaccrediteerd tegen de toepasselijke geharmoniseerde accreditatienorm. Het betreft hierdoor een administratieve omzetting. Er komen hierdoor geen aanvullende kosten maar wel voor de CBI’s die de nieuwe kavel op de Verordening Artificiële intelligentie12 gaan aanvragen. Deze uitbreiding zorgt voor extra kosten.
Deze partijen moeten aantonen dat zij deskundig zijn op het gebied van Artificiële intelligentie (AI), de Verordening Artificiële intelligentie en met name het integreren van een AI-systeem in een machine of verwant product.
De Machineverordening brengt voor distributeurs vooral administratieve en procesmatige verplichtingen met zich mee. De kosten zijn over het algemeen beperkt, tenzij er sprake is van niet-conforme machines of complexe producten. De kosten voor distributeurs om te voldoen aan de Machineverordening zijn over het algemeen lager dan voor fabrikanten en importeurs, maar er zijn wel specifieke verplichtingen en bijbehorende kosten:
1. Conformiteitscontroles: distributeurs moeten ervoor zorgen dat de machines die zij op de markt aanbieden, voldoen aan de Machineverordening. Dit omvat het controleren of de machine voorzien is van de CE-markering, de juiste documentatie (bijvoorbeeld gebruiksaanwijzing) is bijgevoegd en of de fabrikant/importeur aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Deze controles zijn vooral administratief en logistiek van aard. De kosten zijn meestal beperkt tot interne processen, tenzij er twijfels zijn over de conformiteit en externe controles nodig zijn. In dat geval kunnen de kosten oplopen tot € 500–€ 2.000 per machine, afhankelijk van de complexiteit.
2. Communicatie en samenwerking met fabrikanten/importeurs: distributeurs moeten samenwerken met fabrikanten en importeurs bij veiligheidsincidenten en moeten niet-conforme machines uit de handel nemen. Zij moeten ook de bevoegde autoriteiten informeren als er risico’s worden geconstateerd. De kosten hiervoor zijn meestal beperkt tot administratieve en communicatiekosten, tenzij er sprake is van een terugroepactie of juridische procedures. In dat geval kunnen de kosten aanzienlijk hoger zijn, afhankelijk van de omvang van het incident.
3. Aanpassingen aan interne processen: distributeurs moeten hun interne processen aanpassen om te zorgen dat zij alleen conforme machines op de markt aanbieden. Dit kan inhouden dat zij hun inkoop- en kwaliteitscontroleprocessen moeten herzien. De kosten voor het aanpassen van processen zijn meestal eenmalig en variëren van € 500–€ 5.000, afhankelijk van de grootte van het bedrijf en de complexiteit van de machines die zij distribueren.
4. Externe advieskosten: sommige distributeurs zullen externe adviseurs inschakelen om te helpen bij het voldoen aan de nieuwe eisen, vooral als zij te maken hebben met complexe machines of nieuwe technologieën. De kosten voor advies variëren, maar liggen meestal tussen € 1.000–€ 5.000, afhankelijk van de omvang van het advies en de complexiteit van de machines.
• Kleine distributeurs: Voor distributeurs die eenvoudige machines distribueren, zijn de totale kosten meestal € 500 – € 3.000.
• Grote distributeurs/complexe machines: voor distributeurs die complexe of hoog risicomachines distribueren, kunnen de kosten oplopen tot € 5.000–€ 10.000, vooral als er externe controles of aanpassingen aan interne processen nodig zijn.
De verplichting om het zogenoemde liftenboek fysiek in de nabijheid van een lift aanwezig te hebben is een voorbeeld van onnodige regeldruk die het kabinet wil schrappen. Dit voornemen is toegezegd in de brief aan de Tweede Kamer over het verminderen van regeldruk13 en wordt met dit besluit gerealiseerd. Hoewel het liftenboek niet was geregeld in het Warenwetbesluit machines, gold dat wel voor het kranenboek en het hijs- en hefwerktuigenboek. Voor alle drie deze productcategorieën wordt expliciet bepaald dat een fysiek exemplaar niet nodig is en dat een digitaal exemplaar van zowel het boek als het certificaat van goedkeuring zijn toegestaan.14 Met een digitaal exemplaar kunnen de partijen effectiever en efficiënter werken en ervaren ze minder regeldruk.
Nederland - vooral de Arbeidsinspectie als toezichthouder – heeft enige aanpassingskosten bij het doorvoeren van deze wijzigingen. De opname van digitale risico’s vraagt om aanvullende kennis en meer inspecteurs. De Arbeidsinspectie heeft baat bij meer juridische duidelijkheid en bij afstemming op het NLF, aangezien dit hun markttoezichttaken vergemakkelijkt. Meer veiligheid en minder non-conforme machines zullen de behoefte aan ingrijpen op de markt verminderen. Uiteindelijk is de verwachting dat Nederland ook profiteert van lagere sociale kosten als gevolg van ziekteverlof en arbeidsongevallen. Deze (maatschappelijke) baten zijn echter moeilijk op voorhand te ramen.
Dit Warenwetbesluit machines 2026 is niet van toepassing op het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden, maar enkel op het Europese deel. Dit vloeit voort uit dat de Machineverordening en de verdere harmonisatiewetgeving gebaseerd is op artikelen 114 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Het doel van deze artikelen is de totstandkoming en de werking van de interne markt voor goederen. Deze harmonisatiewetgeving mag niet worden losgekoppeld van de bepalingen van het Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen. Artikel 355 van het VWEU en artikel 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepalen dat de harmonisatiewetgeving van toepassing is op alle lidstaten van de Europese Unie. Aanvullend is in artikel 355 VWEU bepaald waar dit aanvullend van toepassing is. Ook is bepaald dat de harmonisatiewetgeving niet van toepassing is op bepaalde landen en gebieden overzee waaronder Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint-Eustatius).
De handhaving van het onderhavige besluit vindt in de praktijk voor het merendeel plaats door de Arbeidsinspectie. Die is de markttoezichthouder voor professionele producten. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is voor consumentenproducten de markttoezichthouder.
Op 19 december 2025 heeft de Arbeidsinspectie het concept Warenwetbesluit machines 2026 ontvangen met het verzoek deze te beoordelen op de gevolgen van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor de Arbeidsinspectie.
De Arbeidsinspectie heeft zijn uitvoeringstoets op 13 maart 2026 aangeboden
De Arbeidsinspectie geeft aan dat de conceptwijziging van het Warenwetbesluit machines 2026 uitvoerbaar en handhaafbaar is bevonden, mits diverse opgesomde punten worden opgelost. Met name de knelpunten bij de artikelen 12 en 27 (in de vernummering zijn dit nu respectievelijk de artikelen 11 en 29) raken de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.
• De Arbeidsinspectie wijst onder andere op:
° begripsbepalingen, zodat deze in overeenstemming zijn met de Machineverordening;
° toepassingsbereik, dat ook verwante producten omvat;
° voorschriften voor marktdeelnemers, zoals fabrikanten en importeurs in de tekst aanscherpen;
° correcte verwijzing naar aanwijzingsprocedures;
° In de feitcode moeten de overtredingen aan de verbodsbepalingen worden gekoppeld (artikel 27, vernummerd naar artikel 29).
De regering heeft de voorgestelde wijzigingen verwerkt in de toelichting.
• De Arbeidsinspectie geeft aan dat het artikel over publicatie van handhavingsbesluiten, zoals dat in de Machinerichtlijn is opgenomen, niet overgenomen kan worden in dit besluit. Artikel 49 van de Machineverordening benadrukt de eerbiediging van vertrouwelijkheid bij de uitwisseling van gegevens. Hierdoor kan het genoemde artikel komen te vervallen.
De regering heeft het desbetreffend artikel geschrapt.
• De Arbeidsinspectie vraagt zich af hoe zij artikel 46, derde lid, van de Machineverordening moet handhaven als er sprake is van een formele non-conformiteit die niet wordt opgelost. Dit is voor de Arbeidsinspectie niet uitvoerbaar.
De regering heeft begrip voor dit probleem. Dit kan echter niet via dit Warenwetbesluit worden opgelost. Aanpassing van de Warenwet is daarvoor noodzakelijk.
De Arbeidsinspectie vraagt voor de uitvoering van extra taken 3 fte. Wat betreft de capacitaire gevolgen heeft de Machineverordening ten opzichte van de Machinerichtlijn een uitbreiding op onderwerpen en marktdeelnemers, denk aan kunstmatige intelligentie (AI) in relatie tot veiligheidscomponenten en cyber security en safety. Ook ziet de Arbeidsinspectie een wezenlijke aanpassing in conformiteitsprocedures van machines en verwante producten en zullen importeurs en distributeurs toetreden als nieuwe marktdeelnemers. Verder vraagt de Machineverordening om ongevalsgegevens met machines te melden bij de Europese Commissie, aldus de Arbeidsinspectie.
Aangezien het hier om een verplichting van EU-wetgeving gaat, zal de capaciteit en toezichthoudende taak voor wat betreft dit besluit worden uitgebreid.
Op 24 maart 2026 heeft de Nationale Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: NVWA) het concept Warenwetbesluit machines 2026 ontvangen met het verzoek deze te beoordelen op de gevolgen van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor de NVWA. De NVWA heeft zijn uitvoeringstoets op 28 april 2026 aangeboden.
De NVWA geeft aan dat de conceptwijziging van het Warenwetbesluit machines 2026 handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig is. De juridische opmerkingen die de NVWA maakt, zijn verwerkt in de tekst van het besluit. Daarnaast vraagt de NVWA aandacht voor de inrichting van het toezichtstelsel; van dit signaal is kennis genomen.
De regering heeft alle ingebrachte reacties en adviezen bezien en gewogen. In de paragrafen hieronder volgt een samenvatting van de consultaties en adviezen en toetsing, evenals de wijze waarop deze zijn verwerkt in dit besluit.
Bij zuivere implementatie van een EU-verordening is een internetconsultatie niet noodzakelijk. De regering vindt het wel wenselijk om de belanghebbenden in de machinebranche, de sociale partners en de Raad voor Accreditatie gericht te consulteren. Er is daarom gekozen om de branches en andere belanghebbenden, zoals fabrikanten, importeurs te consulteren via de website van het Platform Machineverordening, www.platform-machineverordening.nl. Dit platform biedt praktische ondersteuning en actuele informatie om bedrijven te helpen zich voor te bereiden op de nieuwe eisen van de Machineverordening. Het is een samenwerkingsverband van Koninklijke Metaalunie, FME, RAIvereniging, Waternet, TNO, TUVNord, DSC, NEN en het ministerie van SZW. Deze website bereikt veel stakeholders waarvoor de Machineverordening relevant is, zoals fabrikanten, importeurs, distributeurs en brancheverenigingen. Het geeft daarmee een representatief beeld van de stakeholders.
Er zijn vijf reacties binnengekomen op het concept Warenwetbesluit machines 2026. Bij een paar reacties is de inbreng van de achterban samengevoegd tot een verzamelreactie. Uit de reacties blijkt dat men de mogelijkheid om te reageren waardeert. De reacties zijn uiteenlopend van aard en gaan in op inhoud en op de artikelen zelf. Veel van de opmerkingen gaan over definities en onduidelijkheden in de tekst. De regering heeft de reacties zoveel mogelijk verwerkt en de toelichting daarop aangescherpt.
Er klinken ook kritische geluiden. De regering gaat daar hieronder op in:
Stakeholders ervaren wat nu voorligt als verzwaring van regelgeving.
De Machinerichtlijn werkt anders dan de Machineverordening. De Machineverordening heeft een directe werking. Hierdoor zijn er geen nationale interpretaties en hoeven machinebouwers niet langer rekening te houden met verschillende uitleg per lidstaat. Importeurs en distributeurs kunnen producten in alle EU-lidstaten verkopen zonder aanpassingen te doen voor lokale regels.
Hoewel veel elementen van de Machinerichtlijn over zijn genomen in de Machineverordening, zijn in de Machineverordening ook nieuwe verplichtingen opgenomen. Zo hoort cybersecurity standaard bij de risicoanalyse. Het stelt hogere eisen aan de veiligheid van machines die gebruikmaken van geavanceerde technologieën. Er moet daarmee geïnvesteerd worden in nieuwe beveiligingslagen. Om hier aandacht aan te geven, heeft de regering al in een vroeg stadium het gesprek met stakeholders gezocht en zal hiermee doorgaan. Ook zet men continu informatie op websites.
De Europese Commissie maakt een inventarisatie van de vragen die bij stakeholders leven. De antwoorden daarop komen in een nieuw op te stellen guide. De guide is vergelijkbaar met de guide voor de Machinerichtlijn. Lidstaten zijn betrokken. Nederland heeft stakeholders om input gevraagd.
Stakeholders vroegen waarom het besluit niet simpelweg verwijst naar de Machineverordening. Anderzijds geven stakeholders aan dat zij bij het lezen van het besluit alsnog de Machineverordening ernaast moeten leggen, omdat het besluit daar veelvuldig naar verwijst. Door de Machineverordening en de bijlagen inhoudelijk niet over te nemen in het besluit, zijn bedrijven alsnog genoodzaakt om de Machineverordening te bestuderen.
Hoewel een verordening rechtstreeks werkt, is uitvoeringswetgeving meestal onvermijdelijk. Bevoegdheden moeten worden toebedeeld, de handhaving in de lidstaat moet worden geregeld en regelgeving is nodig om de verordening goed uit te kunnen voeren. Anderzijds is het verboden om verordeningen volledig over te nemen in nationale regelgeving (het overschrijfverbod uit artikel 288 uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Dit besluit is de uitkomst van deze twee uitgangspunten.
Stakeholders stellen voor om het keuren van arbeidsmiddelen en het werken op hoogte uit het Warenwetbesluit te halen en hier een apart Warenwetbesluit voor op te stellen.
De bepalingen over het keuren van machines zijn oorspronkelijk ondergebracht in het Warenwetbesluit machines omdat veel EU-CBI’s ook als NL-CBI zijn aangewezen voor het keuren van arbeidsmiddelen. De regering heeft ervoor gekozen om het keuren van arbeidsmiddelen ook in het nieuwe Warenwetbesluit machines op deze wijze hier onder te brengen.
Stakeholders stellen voor om niet een nieuw warenwetbesluit op te stellen, maar aan te sluiten bij de Wet uitvoering markttoezichtverordening en het Warenwetbesluit uitvoering markttoezicht verordening.
Deze wet en dit besluit dienen een ander doel dan het thans voorliggend Warenwetbesluit machines 2026. De bepalingen uit de Wet uitvoering markttoezichtverordening en aanverwante regelgeving zijn ingevoerd ter uitvoering van de markttoezichtverordening en brengen wijzigingen aan in diverse wetten en aanverwante regelgeving. Er is ook een bestaand Warenwetbesluit machines dat bekend is binnen de industrie. De regering is in deze systematiek doorgegaan door weer een apart Warenwetbesluit over machines te maken. Het aansluiten bij de huidige systematiek verhoogt de kenbaarheid en het gebruiksgemak voor marktdeelnemers.
Enkele stakeholders geven aan dat het gebruik van «werken op hoogte» in plaats van «keuringen van hijs- en hefmachines» de suggestie wekt dat dit ook geldend is voor hoogwerkers, «wat bedoeld is voor hijsen en heffen».
Waar het gaat om regels voor het veilig gebruik van machines voor werken op hoogte zijn deze regels verder uitgewerkt in het Warenwetbesluit machines. Artikel 7.4a van het Arbeidsomstandighedenbesluit eist dat arbeidsmiddelen periodiek worden gekeurd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling. Deze regels zijn uitgewerkt in het Warenwetbesluit machines en worden volledig overgenomen in dit Warenwetbesluit machines 2026. Inhoudelijk is niet beoogd wijzigingen aan te brengen. Waar mogelijk zijn wel redactionele wijzigingen doorgevoerd om teksten leesbaarder of toegankelijker te maken. Ook is de mogelijkheid doorgevoerd om bepaalde documenten, zoals een kranenboek, digitaal aanwezig te hebben.
Eén reactie stelt dat de definitie van samenstel van machines zoals in artikel 3, eerste lid, onder d, van dit besluit tot verkeerde conclusies kan leiden. De gedachte daarbij is dat de producten die tezamen nodig zijn om de asset veilig te gebruiken theoretisch voldoen aan de definitie van «samenstel van machines». Deze gedachte leidt dan tot de conclusie dat deze asset moet worden voorzien van CE-markering en dat dus iemand de fabrikantrol moet krijgen.
Artikel 3, eerste lid, van de Machineverordening definieert een machine en benoemt daarbij onder andere samenstel. Gezien de rechtstreekste werking van verordeningen beschouwt dit besluit dat als een gegeven uit de Machineverordening. Om deze reden geeft het Warenwetbesluit daar geen verdere interpretatie aan.
Stakeholders geven aan dat de aanwijzing van EU-CBI’s lidstaat neutraal geformuleerd zou moeten zijn. Ze vragen naar de reden dat dit dan in dit Warenwetbesluit is opgenomen.
Het klopt dat de Machineverordening directe werking heeft en lidstaatneutraal geformuleerd is. Echter, het opnemen van verwijzingen of uitvoeringsregels in een Warenwetbesluit is noodzakelijk om juridische en operationele redenen. Denk daarbij aan aanwijzing van onder andere conformiteitsbeoordelingsinstanties, sancties bij overtredingen, overgangsrecht en verwijzing naar Warenwet.
De NL-cbi’s zien bovendien op het keuren van arbeidsmiddelen en vinden hun oorsprong niet in de Machineverordening maar in de Arbeidsmiddelenrichtlijn.
De Raad voor Accreditatie heeft een schriftelijke reactie gegeven. De opmerkingen zijn verwerkt in de toelichting. De opmerkingen waren vooral gericht op het Warenwetbesluit machines 2026 zelf. Ze hadden betrekking op verduidelijking van de conformiteitsbeoordeling.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Het eerste lid van dit artikel bevat de op de verordening afgestemde lijst van begripsbepalingen die in dit besluit nodig zijn om over te nemen. In verband met het overschrijfverbod uit artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verwijst dit besluit slechts naar de begrippen uit de Verordening (EU) 2023/1230 (Machineverordening). De bepalingen uit de verordening werken rechtstreeks.
Met dit artikel is bepaald dat de regels uit dit hoofdstuk alleen gelden voor machines, niet voltooide machines en verwante producten waarop de verordening van toepassing is. De Machineverordening bepaalt welke voorschriften voor het desbetreffende product en de desbetreffende normadressaat gelden en de bepalingen werken rechtstreeks. Dit artikel geeft in die zin slechts aan dat dit besluit de uitvoering van de Machineverordening betreft.
Dit artikel bevat de algemeen geldende verboden die zich richten tot meerdere of alle marktdeelnemers. In alle gevallen wordt, evenals bij artikel 4 tot en met 7, rechtstreeks verwezen naar de specifieke verplichtingen van de Machineverordening. Deze verplichtingen zijn voldoende duidelijk en werken rechtstreeks op grond van artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 8 van de Machineverordening is in zoverre een aanvulling op de verplichtingen uit hoofdstuk 2 van de Machineverordening omdat hierin ook de plicht tot een juiste installatie en onderhoud is opgenomen.
Voor de verbodsbepalingen in dit artikel maar ook voor artikel 4 tot en met 7 geldt dat zij hun grondslag vinden in artikel 4, eerste en derde lid, van de Warenwet. Dit artikel biedt een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur eisen te stellen aan technische voortbrengselen die een gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens of de veiligheid van zaken.
Voor het tweede lid van artikel 3, de mogelijkheid om een machine of verwant product dat (nog) niet voldoet aan de verordening ten toon te stellen, is artikel 5, tweede lid, van de Warenwet de grondslag.
Deze artikelen bevatten de specifieke verboden voor de fabrikant (artikel 4), de gemachtigde van de fabrikant (artikel 5), de importeur (artikel 6) en de distributeur (artikel 7). De verplichtingen van de importeur en distributeur zijn ten opzichte van de Machinerichtlijn nieuw.
Naast de verbodsbepalingen per marktdeelnemer is ook per marktdeelnemer de taaleis voor verplichte documenten als gebruiksaanwijzingen en conformiteitsverklaringen opgenomen. Deze documenten moeten in ieder geval in de Nederlandse taal gesteld worden. De Machineverordening bevat in hoofdstuk 2 een aantal keer een bepaling dat de contactgegevens van de marktdeelnemer in een taal worden gesteld die de gebruikers en markttoezichtautoriteit gemakkelijk kunnen begrijpen (zie bijvoorbeeld artikel 13, derde lid, van de Machineverordening). Dit hoeft dus geen Nederlands te zijn maar kan bijvoorbeeld ook in het Engels zijn.
In artikel 4, tweede lid, is een voorschrift opgenomen voor personen of rechtspersonen die een machine of verwant product substantieel wijzigen. Op grond van artikel 18 van de Machineverordening worden zij in dat geval, kort gezegd, aangemerkt als fabrikant. Om deze reden is dit voorschrift opgenomen in het artikel over fabrikanten. Hier zij opgemerkt dat dit artikel zich richt op personen of rechtspersonen. Dit is een grotere kring van normadressaten dan de «marktdeelnemers» waaronder de Machineverordening de fabrikant, distributeur, importeur en gemachtigde verstaat.
Op grond van artikel 17 van de Machineverordening worden importeurs en distributeurs onder omstandigheden aangemerkt als fabrikant. Dit heeft tot gevolg dat het voor hen verboden is zich te gedragen in strijd met artikel 10 en 11, wat voorschriften voor fabrikanten zijn. Om duidelijk te maken dat zij alleen aan de verplichtingen voor fabrikanten hoeven te voldoen voor zover zij op grond van artikel 17 van de Machineverordening als zodanig worden aangemerkt, is dit voorschrift in een apart lid opgenomen. Van de distributeur of importeur is bijvoorbeeld sprake als zij een machine onder eigen naam of merk in de handel brengen.
Het verbod om een machine op de markt te brengen die niet gekeurd is middels de voorgeschreven conformiteitsbeoordelingsprocedure, artikel 4, eerste lid, onder f, van dit besluit is gebaseerd op artikel 7 en artikel 12 van de Warenwet.
Deze artikelen bevatten de procedure over de aanwijzing van instellingen als EU-CBI en de gronden voor weigering, wijziging, schorsing en intrekking.
Een CBI dient een verzoek om aanmelding in bij de Minister van SZW. De wettelijke grondslag hiervoor is artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2° en artikel 7a, van de Warenwet. In het verlengde hiervan is de Minister van SZW aanmeldende autoriteit in de zin van de Machineverordening (artikel 27). In de praktijk zijn deze taken, zoals reeds opgemerkt in de paragraaf A Algemeen, gemandateerd aan de Arbeidsinspectie.
Evenals onder het Warenwetbesluit machines is gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 27, tweede lid, van de Machineverordening om de beoordeling van de aanmeldingen van de CBI’s uit te laten voeren door een accreditatieinstelling, de RvA, aangewezen in artikel 2 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. Op grond van artikel 31 van de Machineverordening geeft een accreditatieverklaring een bewijsvermoeden dat is voldaan aan de eisen van artikel 30 van de Machineverordening.
In het uitzonderlijke geval dat er geen nationale accreditatie-instantie meer bevoegd is en er ook geen andere Europese accreditatie-instantie is die de werkzaamheden kan overnemen, biedt artikel 33, derde lid, van de Machineverordening de mogelijkheid om middels bewijsstukken aan de aanmeldende instantie aan de tonen dat aan de eisen van artikel 30 wordt voldaan. Er is geen noodzaak om die uitzondering expliciet op te nemen in het besluit aangezien de Machineverordening dit al nadrukkelijk regelt.
Het eerste lid regelt de initiële weigering van een verzoek tot aanwijzing als EU-CBI als bedoeld in artikel 33 van de Machineverordening.
Het tweede lid regelt de gronden voor schorsing, een wijziging van de aanwijzing ten nadele van de EU-CBI of intrekking van de aanwijzing. Dit artikel is gebaseerd op artikel 7a, derde lid, van de Warenwet. De aanwijzing kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken als de EU-CBI bij de aanvraag onjuiste inlichtingen heeft gegeven of niet meer voldoet aan de eisen van artikel 8 van het besluit. Ook kan de aanwijzing worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken als de EU-CBI de wettelijke verplichtingen die horen bij haar taken, niet naar behoren uitvoert. Zo zijn er bijvoorbeeld operationele verplichting voor EU-CBI’s opgenomen in artikel 38 tot en met 40 van de Machineverordening. De schorsing, wijziging van de aanwijzing of intrekking kan mede zijn ingegeven door onderzoek van de Commissie als bedoeld in artikel 37 van de Machineverordening.
Als de RvA van plan is een accreditatie te schorsen of in te trekken, of de Minister van SZW van plan is de aanwijzing en aanmelding te schorsen of in te trekken, dan informeren de RvA en de Minister van SZW elkaar. Dit met het oog op de consequenties voor de aanwijzing, aanmelding en de accreditatie.
De Minister van SZW is de aanmeldende autoriteit in de zin van artikel 27, eerste lid, van de Machineverordening. In de praktijk is deze taak gemandateerd aan de Arbeidsinspectie. De Arbeidsinspectie meldt de aangewezen instellingen aan bij de Europese commissie en de andere lidstaten (artikel 34 van de Machineverordening).
Dit artikel regelt de periodiek door de Minister van SZW te verrichten controle op het functioneren van EU-CBI’s. De Arbeidsinspectie voert dit in de praktijk uit.
In artikel 40 van de Machineverordening staat een informatieverplichting voor de aangemelde instanties richting de Arbeidsinspectie (in mandaat van de Minister van SZW). Een EU-CBI moet de in artikel 40 vermelde informatie als regel uit zichzelf/ongevraagd verstrekken aan de Arbeidsinspectie of de overige EU-CBI’s. De Arbeidsinspectie kan daarnaast met toepassing van de Algemene wet bestuursrecht informatie opvragen in het kader van de periodieke controles of ad hoc, bij klachten.
Het tweede lid bevat een delegatiegrondslag, voor regels over de uitwisseling van informatie tussen betrokken partijen (de Minister van SZW, EU-CBI en RvA). Deze delegatiegrondslag is gebaseerd op artikel 14 van de Warenwet. De regels over informatie-uitwisseling zijn geregeld in de Warenwetregeling informatie- en rapportagebepalingen SZW-besluiten. De informatie-uitwisseling met de Minister van SZW heeft geen betrekking op gegevens die de RvA, als nationale accreditatie-instantie, alleen mag delen met de EU-CBI’s.
Het derde lid ziet op overdracht van dossiers bij beëindiging van de activiteiten of blijvende intrekking van de aanwijzing en aanmelding.
Het kan voorkomen dat een EU-CBI de activiteiten waarvoor zij is aangewezen en aangemeld, wenst te beëindigen. Dat kan geschieden door actief te verzoeken om intrekking van de aanwijzing, maar ook door geen nieuwe aanwijzing aan te vragen, dus door het laten verstrijken van de looptijd van de aanwijzing. De huidige looptijd van een aanwijzing, die de Minister van SZW (in de praktijk is dat de Arbeidsinspectie) afgeeft, is vijf jaar. Er is gekozen voor een looptijd van vijf jaar aangezien de accreditatie op dit werkveld vier jaar is. Het heraanvragen van een accreditatie duurt ongeveer zes tot twaalf maanden waardoor dit binnen de lopende aanwijzing kan. Zodra de nieuwe accreditatie is afgegeven kan de Minister van SZW de nieuwe aanwijzing afronden.
Alvorens op een van deze manieren haar activiteiten te beëindigen (en bij een actief verzoek de aanwijzing en aanmelding kunnen worden ingetrokken), moet de EU-CBI in overleg treden met de marktdeelnemer of gebruiker over de overdracht van de onderhavige dossiers aan een andere EU-CBI. Dit alles moet bovendien tijdig gebeuren, dat wil zeggen op een zodanig tijdstip dat de overheveling van dossiers afgerond is voordat de aanwijzing is afgelopen. Dossiers moeten aan een andere EU-CBI worden overgedragen.
In hoofdstuk 3 zijn de huidige bepalingen uit het Warenwetbesluit machines samengebracht die zien op de keuring van arbeidsmiddelen en voortvloeien uit richtlijn 2009/104/EG (Arbeidsmiddelenrichtlijn). Er zijn enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het Warenwetbesluit machines, inhoudelijk is, met uitzondering van artikel 17, derde lid, niet beoogd hier wijzigingen in aan te brengen.
Dit artikel bevat de begripsbepalingen die nodig zijn voor de bepalingen over het keuren van arbeidsmiddelen:
• De definities voor drager, hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig vervoer zijn in 2009 geïntroduceerd15;
• De definitie van hijs- of hefgereedschappen is geïntroduceerd in 200816. In Nederland maakt men taalkundig onderscheid tussen de woorden «hijsen» en «heffen». De in de Engelse en Duitse versie van artikel 2 (definitiebepaling) van de Machinerichtlijn (PbEU 2016, L 157) gebezigde termen «lifting» en «Hebevorgänge» omvatten echter zowel «hijsen» als »heffen». Ter voorkoming van misverstanden is in de begripsbepaling van hijs- en hefgereedschappen naast «heffen», «hijsen» toegevoegd;
• Hijskraan17;
• Keuringsrelevante wijziging: in het Warenwetbesluit machines was de begripsbepaling «wijziging» opgenomen. Omdat het conform de Aanwijzingen voor de regelgeving niet wenselijk is om begripsbepalingen een sterk afwijkende betekenis te geven van het normaal spraakgebruik, is het begrip gespecifieerd naar de context van dit besluit. Inhoudelijk zijn geen wijzigingen beoogd.
Hieronder gaan we in op de definitie en introductie van NL-CBI’s.
Naast EU-CBI’s kent dit besluit ook de NL-CBI’s. Er bestaat onderscheid tussen EU-CBI’s en NL-CBI’s. Een NL-CBI is een erkende, onafhankelijke instelling die bevoegd is tot het keuren van arbeidsmiddelen. Omdat veel EU-CBI’s ook arbeidsmiddelen keuren, is er destijds voor gekozen de regelgeving omtrent het keuren van arbeidsmiddelen op te nemen in het Warenwetbesluit machines en in het kader van keuringen te spreken over «NL-CBI’s».
Een aangewezen en in Nando geregistreerde EU-CBI mag alleen conformiteitsbeoordelingen uitvoeren als het gaat om het op de markt aanbieden of in de handel brengen van producten. De EU-CBI gaat daarbij uit van eisen uit de toepasselijke productrichtlijn of -verordening die geïmplementeerd is in de Warenwetregelgeving. Een aangewezen NL-CBI voert de wettelijk verplichte conformiteitsbeoordelingen uit ten aanzien van arbeidsmiddelen in de gebruiksfase. De NL-CBI gebruikt daarbij de eisen gesteld bij of krachtens de Warenwet.
Om regeldruk te minimaliseren hanteert het Warenwetbesluit machines 2026 voor wat betreft de NL-CBI’s dezelfde systematiek als de artikelen uit het Warenwetbesluit machines. Zie voor transponering onderstaande tabel.
|
Onderwerp |
Warenwetbesluit machines |
Warenwetbesluit machines 2026 |
|---|---|---|
|
Begripsbepalingen (voor zover het ziet op keuringen van arbeidsmiddelen) |
Artikel 1 |
Artikel 12 |
|
Verbodsbepalingen |
Artikel 2, vijfde tot en met zevende lid |
Artikel 13 en 26 |
|
Keuring van hijskranen |
Artikel 6d |
Artikel 14 |
|
Certificaat van goedkeuring |
Artikel 6e |
Artikel 15 |
|
Weigering, schorsing, wijziging of intrekking certificaat van goedkeuring |
Artikel 6ea |
Artikel 16 |
|
Documenten in de nabijheid van de kraan |
Artikel 6f |
Artikel 17 |
|
Keuring hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer |
Artikel 6fa |
Artikel 18 |
|
Certificaat van goedkeuring |
Artikel 6fa, |
Artikel 19 |
|
Documenten in de nabijheid van het hijs- of hefwerktuig voor beroepsmatig personenvervoer |
Artikel 6fa |
Artikel 20 |
|
Criteria voor aanwijzing als NL-CBI |
Artikel 6h |
Artikel 21 |
|
Uitbesteden taken door NL-CBI |
Artikel 6ha |
Artikel 22 |
|
De aanvraag tot aanwijzing |
Artikel 6hb |
Artikel 23 |
|
Weigering, schorsing, wijziging of intrekking aanwijzing |
Artikel 6hc |
Artikel 24 |
|
Periodieke controle |
Artikel 6hd |
Artikel 25 |
Dit artikel bevat de algemeen verboden om hijs- en heftwerktuigen die niet aan de bepalingen uit dit hoofdstuk voldoen, te verhandelen of te gebruiken.
Dit artikel regelt de verplichte periodieke keuring van hijskranen die reeds op de markt gebracht zijn. Kranen met een bedrijfslast van meer dan 2 ton moeten minstens jaarlijks gekeurd worden. Mobiele en torenkranen, waarvan de categorieën bij ministeriele regeling kunnen worden vastgesteld, moeten elke 24 maanden herkeurd worden. Deze categorieën van mobiele en torenkranen zijn opgenomen in de Warenwetregeling machines. Deze ministeriële regeling wordt gewijzigd en zal waar nodig aangevuld worden zodat de grondslag en verwijzingen in lijn zijn met dit besluit. Het in artikel 14 opgenomen keuringsregime voor hijskranen geldt niet voor hijs- en hefwerktuigen aan boord van schepen, die gebruikt worden voor het laden en lossen. Voor dergelijke werktuigen blijft artikel 7.29 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van kracht.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat als een mobiele of torenkraan ernstige gebreken vertoont, de NL-CBI de termijn om te herkeuren ingekort.
De certificaathouder is de eigenaar van de betreffende machine, daar het hier om de gebruiksfase gaat.
De deskundige is geen gereglementeerd beroep zoals bedoeld in Richtlijn 2005/36/EU betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. De regering ziet de deskundige evenwel als een persoon die de keuring uitvoert en moet beschikken over de benodigde kennis en vaardigheden om deze taak correct uit te kunnen voeren.
Dit artikel regelt de afgifte van een certificaat van goedkeuring voor hijskranen door de NL-CBI of Onze Minister. In het Warenwetbesluit machines was in dit rijtje ook de deskundige als bedoeld in artikel 14 opgenomen.
Omdat de deskundige wel keurt maar geen certificaat afgeeft, is deze uit artikel 15 gehaald.
Dit artikel regelt de weigering, schorsing, wijziging of intrekking van een eerder afgegeven certificaat van goedkeuring.
Dit artikel regelt dat het kraanboek en het (afschrift van het) certificaat van goedkeuring zich in de nabijheid van de hijskraan moeten bevinden. Het derde lid is nieuw toegevoegd ten opzichte van het Warenwetbesluit machines. Dit lid biedt de mogelijkheid om in plaats van een fysiek exemplaar, een digitaal kranenboek of certificaat te gebruiken. Een digitaal kranenboek of certificaat moet op afstand beschikbaar en vrij toegankelijk zijn.
In deze artikelen zijn de keuringsverplichtingen voor hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer opgenomen.
Personenliften die tijdelijk bij een gebouw worden opgesteld tijdens de renovatie van de liften in het gebouw en die tevens zijn bestemd voor bouwpersoneel (of daarmee gelijkgestelden) vallen ook onder de definitie hijs- en hefwerktuig voor beroepsmatig personenvervoer en worden ook onderworpen aan keuringsverplichtingen.
Hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer die deel zijn van een machine (verder te noemen: machinistenliften) worden in het vierde lid uitgezonderd van het eerste lid van artikel 18 van het Warenwetbesluit machines 2026.
Machinistenliften komen in de praktijk voor in torenkranen. Het gebruik van machinistenliften in torenkranen is vergelijkbaar met het gebruik van deze machinistenliften in bijvoorbeeld havenkranen. Deze uitzondering brengt de keuring van machinistenliften in torenkranen in lijn met de gangbare praktijk bij andere machinistenliften. Een CBI, die door de Minister van SZW is aangewezen, blijft betrokken bij de keuring voor de ingebruikneming na elke herstelling of wijziging op de arbeidsplaats. De woorden «van die machine» beogen te voorkomen dat een (losstaande) bouwlift die mede wordt gebruikt voor onderhoud, ook onder de uitzondering valt.
De NL-CBI’s geven een certificaat van goedkeuring af waarop zij ook de herkeuringstermijn aangegeven. Als blijk van goedkeuring geeft de NL-CBI een kenmerk aan waaruit goedkeuring blijkt.
Artikel 20 bepaalt welke documenten zich in de nabijheid van het hijs- of hefwerktuig voor beroepsmatig personenvervoer moeten bevinden. In het derde lid is de nieuwe mogelijkheid opgenomen om een digitaal hijs- en hefwerktuigboek en certificaat te hanteren. Indien wordt gekozen voor digitale documenten moeten deze op afstand beschikbaar zijn in een vrij toegankelijke digitale versie.
Dit artikel bevat criteria voor aanwijzing van instellingen als NL-CBI. In zijn algemeenheid zijn dit dezelfde eisen als die voor de EU-CBI, bedoeld in artikel 8, gelden. Zie voor de eisen als zodanig artikel 8, tweede lid en toelichting van dit besluit.
Ingevolge de artikelen 7a tot en met 7e van de Warenwet is de Minister van SZW bevoegd met betrekking tot de in artikel 1, onderdeel d, van de Warenwet genoemde technische voortbrengselen instellingen aan te wijzen die bevoegd zijn tot door hem aan te wijzen werkzaamheden in de voor die voortbrengselen voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Dit artikel regelt de uitbesteding van taken door NL-CBI’s en vormt aldus de nationale tegenhanger van EU-CBI’s zoals bedoeld in artikel 8, derde lid, van dit besluit. NL-CBI’s die taken overnemen moeten voldoen aan de criteria gesteld in artikel 32 van de Machineverordening.
Dit artikel bevat de procedure betreffende de aanwijzing van instellingen als NL-CBI. Zie voor de gestelde eisen artikel 21, 22 en de toelichting van dit besluit. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Ingevolge de artikelen 7a tot en met 7e van de Warenwet is de Minister van SZW bevoegd met betrekking tot de in artikel 1, onderdeel d, van de Warenwet genoemde technische voortbrengselen instellingen aan te wijzen die bevoegd zijn tot door hem aan te wijzen werkzaamheden in de voor die voortbrengselen voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures.
De bepalingen over NL-CBI’s tonen grote gelijkenis met de EU-CBI’s. Het gaat, zoals al opgemerkt, in alle gevallen om het veilig kunnen gebruiken van machines. Daarnaast zijn veel keuringsinstellingen zowel op nationaal als EU-terrein actief.
Dit artikel bevat de procedure betreffende de gronden voor weigering, wijziging, schorsing en intrekking. Het gaat om niet of niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen; toerekenbaar onjuiste informatie verstrekken waardoor zij ten onrechte is aangewezen of onder andere voorwaarden zou zijn aangewezen; dan wel de taken waarvoor zij is aangewezen, niet naar behoren nakomen.
Dit artikel regelt de periodiek door de Minister van SZW te verrichten controle op het functioneren van NL-CBI’s. In de praktijk verricht de Arbeidsinspectie deze controle.
Het tweede lid regelt de uitwisseling van informatie tussen betrokken partijen (de Minister van SZW, NL-CBI en RvA) en de overdracht van dossiers als een NL-CBI de activiteiten waarvoor zij is aangewezen, beëindigt. Dit kan doordat de NL-CBI daar actief om verzoekt of door het laten verstrijken van de looptijd van de aanwijzing, of als de Minister van SZW actief de aanwijzing intrekt. Daarbij kijkt de Minister van SZW of de NL-CBI’s voldoen aan de in artikel 21 van dit besluit gestelde criteria voor aanwijzing.
In zijn algemeenheid zijn dit dezelfde eisen als die voor de EU-CBI’s, bedoeld in artikel 11, gelden.
Dit artikel bevat een verbodsbepaling voor apparatuur waarmee tachografen kunnen worden gemanipuleerd. Ten opzichte van het Warenwetbesluit machines is ervoor gekozen het verbod op te nemen in een apart artikel, inhoudelijk zijn geen wijzigingen beoogd.
Dit betreft een technische wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Dit betreft een technische wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Dit artikel bevat een wijziging van de in de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten opgenomen overtredingen, zodanig dat de bijlage nu is gekoppeld aan het Warenwetbesluit machines 2026. De boetebedragen wijzigen niet. De bijlage vindt zijn grondslag in artikel 32b van de Warenwet.
Artikel 21 van het Warenwetbesluit liften 2016 regelt dat het liftenboek en het (afschrift van het) certificaat van goedkeuring zich in de nabijheid van de lift moeten bevinden. Met het nieuwe vierde lid wordt expliciet de mogelijkheid geboden om in plaats van een fysiek exemplaar, een digitaal liftenboek of certificaat te gebruiken. Een digitaal liftenboek of certificaat moet op afstand beschikbaar en vrij toegankelijk zijn.
Deze overgangsbepaling geeft uitvoering aan artikel 52 van de Machineverordening.
Een machine die voldoet aan de eisen van het Warenwetbesluit machines, zoals dat op 19 januari 2027 luidde, en vóór die datum in de handel is gebracht, mag te allen tijde op de markt worden aangeboden. Ook certificaten die geldend zijn op 19 januari 2027 blijven geldig.
Het Warenwetbesluit machines wordt ingetrokken en dit besluit treedt daarvoor in de plaats. De Warenwetregeling machines zal nog worden gewijzigd. In de wijzigingsregeling zal de nieuwe grondslag voor de regeling worden opgenomen en de verwijzingen naar het Warenwetbesluit machines in artikel 2 worden geactualiseerd.
Dit besluit treedt grotendeels in werking met ingang van 20 januari 2027. Dit is de implementatiedeadline zoals gesteld in artikel 54 van de Machineverordening. Paragraaf 2.3 (artikel 8 tot en met artikel 11) treedt op de dag nadat dit besluit is gepubliceerd in werking zodat EU-CBI’s alvast een aanvraag kunnen doen om aangewezen te worden als EU-CBI onder de Machineverordening. Omdat met dit besluit uitvoering wordt gegeven aan een EU-rechtshandeling wordt afgeweken van de vaste verandermomenten.
De Machineverordening heeft een directe werking in alle EU-lidstaten. Lidstaten hoeven de Machineverordening niet om te zetten in nationale wetgeving, wat bij richtlijnen wel het geval is. Dit zorgt voor meer harmonisatie en minder verschillen tussen lidstaten. Lidstaten moeten er wel voor zorgen dat nationale wetgeving niet strijdig is met de Machineverordening. Ook mag een lidstaat de bepalingen uit de Machineverordening, die directe werking hebben, niet in nationale wetgeving opnemen.
De beleidsruimte van lidstaten onder de Machineverordening is beperkt tot handhaving, markttoezicht en het stellen van aanvullende eisen voor installatie en gebruik, zolang deze niet in strijd zijn met de verordening. De Machineverordening zorgt voor uniforme toepassing in de hele EU, wat de interne markt versterkt en regeldruk voor bedrijven vermindert. Zie verder onder 7. Regeldruk/ verschillen Machinerichtlijn en Machineverordening.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
In onderstaande tabel is het verband weergegeven tussen Machineverordening 2023/1230, de Machinerichtlijn, het Warenwetbesluit machines en het Warenwetbesluit machines 2026 en de mogelijke beleidsruimte.18
|
Bepaling Machineverordening (EU) 2023/1230 |
Behoeft betreffende bepaling uitvoering in regelgeving |
Bepaling Machinerichtlijn 2006/42/EG |
Bepaling in Warenwetbesluit machines (oud) |
Bepaling in Warenwetbesluit machines 2026 (nieuw) |
Omschrijving beleidsruimte |
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
Artikel 1 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 2 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk (betreft toepassingsgebied). Omdat er ook andere onderwerpen in dit besluit geregeld worden is er voor de duidelijkheid wel een artikel over het toepassingsbereik van hoofdstuk 1 opgenomen. |
Artikel 1 |
Artikel 1 Artikel 1a, tweede lid |
Artikel 2 |
||
|
Artikel 3 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 2 |
Artikel 1 |
Artikel 1 |
||
|
Artikel 4, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 6 |
Artikel 2 |
|||
|
Artikel 4, tweede lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 6, derde lid |
Artikel 6c |
Artikel 3, tweede lid |
||
|
Artikel 5 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 15 |
Laat ruimte voor de lidstaten om zelf aanvullende maatregelen te nemen. |
Geen aanvullende maatregelen genomen |
||
|
Artikel 6, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 8, eerste lid |
||||
|
Artikel 6, tweede tot en met vijfde lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
|||||
|
Artikel 6, zesde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 6, zevende lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
|||||
|
Artikel 6, achtste lid, eerste alinea |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 6, achtste lid, tweede en derde alinea |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
|||||
|
Artikel 6, negende lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 6, tiende en elfde lid, |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
|||||
|
Artikel 7, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 8, eerste lid |
||||
|
Artikel 7, tweede lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 8, eerste lid |
||||
|
Artikel 7, derde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 8 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 4, eerste en tweede lid |
Artikel 3 |
Artikel 3, eerste lid |
||
|
Artikel 9 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 3 |
||||
|
Artikel 10 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 5 |
Artikel 3a Artikel 5 |
Artikel 4, eerste en derde lid |
||
|
Artikel 11 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 5, Artikel 13 |
Artikel 3a en 3b Artikel 5 |
Artikel 4, eerste lid |
||
|
Artikel 12 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 5 |
||||
|
Artikel 13 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 6, eerste lid |
||||
|
Artikel 14 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 6, eerste lid |
||||
|
Artikel 15 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 7, eerste lid |
||||
|
Artikel 16 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 7, eerste en derde lid |
||||
|
Artikel 17 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 6, tweede lid en artikel 7, tweede lid |
||||
|
Artikel 18 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 4, eerste lid Artikel 6, derde lid en artikel 7, vierde lid |
||||
|
Artikel 19 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 3, eerste lid |
||||
|
Artikel 20, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 7, eerste en tweede lid |
Artikel 4 |
|||
|
Artikel 20, tweede tot en met vijfde lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
|||||
|
Artikel 20, zesde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 20, zevende lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
|||||
|
Artikel 20, achtste lid, eerste zin |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 20, achtste lid, tweede zin |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
|||||
|
Artikel 20, negende lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 21 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 4, eerste lid |
||||
|
Artikel 21, tweede lid, tweede zin |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 4, derde lid, onder c |
||||
|
Artikel 22 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 4, eerste lid |
||||
|
Artikel 22, tweede lid, tweede zin |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 4, derde lid, onder d |
||||
|
Artikel 23 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 16 |
Artikel 3a en artikel 6 |
Artikel 3, eerste lid |
||
|
Artikel 24, eerste tot en met vierde lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 16 |
Artikel 3a en artikel 6 |
Artikel 4, eerste lid |
||
|
Artikel 24, vijfde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 16 |
Artikel 3a en artikel 6 |
|||
|
Artikel 25, eerste tot en met vierde lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 12 |
Artikel 5 |
Artikel 4, eerste lid |
||
|
Artikel 25, vijfde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
||||
|
Artikel 26 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en bijlage XI |
||||
|
Artikel 27, eerste lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en bijlage XI |
Artikel 10 |
|||
|
Artikel 27, tweede tot en met vierde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en bijlage XI |
||||
|
Artikel 28 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 29, eerste alinea |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 29, tweede alinea |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 30 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 6g, tweede lid |
Artikel 8, tweede lid |
||
|
Artikel 31 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14, vijfde lid |
Artikel 8, vierde lid |
|||
|
Artikel 32, eerste lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 8, derde Artikel 22 |
|||
|
Artikel 32, tweede lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 6ga, tweede lid |
Artikel 8, derde Artikel 22 |
||
|
Artikel 32, derde lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 6ga, derde lid |
Artikel 8, derde Artikel 22 |
||
|
Artikel 32, vierde lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 6ga, vijfde lid |
Artikel 8, derde lid |
||
|
Artikel 33, eerste lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 6gb, eerste lid |
Artikel 8, eerste en vierde lid |
||
|
Artikel 33, tweede |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 8, eerste en vierde lid |
|||
|
Artikel 33, derde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
|||||
|
Artikel 34, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en bijlage XI |
||||
|
Artikel 34, tweede lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14, eerste lid |
||||
|
Artikel 34, derde tot en met vijfde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en bijlage XI |
||||
|
Artikel 34, zesde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14, eerste lid |
||||
|
Artikel 35 |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 14, vierde lid |
||||
|
Artikel 36, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 6gc, tweede lid |
Artikel 9, tweede lid |
||
|
Artikel 36, tweede lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 11, derde lid |
|||
|
Artikel 37, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 37, tweede lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 37, derde en vierde lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 38 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 39 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 40, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
Artikel 6a, tweede lid Artikel 6g, eerste lid, onder p |
|||
|
Artikel 40, tweede lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 41 |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 42 |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 14 en Bijlage XI |
||||
|
Artikel 43, eerste en tweede lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
Beleidsruimte m.b.t. handhaving |
Handhaving vindt plaats binnen het bestaande stelsel van regels en beleid m.b.t. de Warenwet/ Warenwetbesluit bestuurlijke boetes |
||
|
Artikel 43, derde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
||||
|
Artikel 43, vierde en vijfde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
Beleidsruimte m.b.t. handhaving |
Handhaving vindt plaats binnen het bestaande stelsel van regels en beleid m.b.t. de Warenwet/Warenwetbesluit bestuurlijke boetes |
||
|
Artikel 43, zesde en zevende lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
||||
|
Artikel 43, achtste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
Beleidsruimte m.b.t. handhaving |
Handhaving vindt plaats binnen het bestaande stelsel van regels en beleid m.b.t. de Warenwet/Warenwetbesluit bestuurlijke boetes |
||
|
Artikel 44, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 11 |
||||
|
Artikel 44, tweede lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
||||
|
Artikel 44, derde lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 10 Artikel 11 |
||||
|
Artikel 45, eerste tot en met derde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 11 |
Beleidsruimte m.b.t. handhaving |
Handhaving vindt plaats binnen het bestaande stelsel van regels en beleid m.b.t. de Warenwet/Warenwetbesluit bestuurlijke boetes |
||
|
Artikel 45, vierde en vijfde lid |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 11 |
||||
|
Artikel 46 |
Behoeft geen uitvoering: is reeds in voorzien |
Artikel 17 |
Artikel 3a, eerste lid onder d en e Artikel 3c Artikel 6, tweede lid |
Beleidsruimte m.b.t. handhaving |
Handhaving vindt plaats binnen het bestaande stelsel van regels en beleid m.b.t. de Warenwet/Warenwetbesluit bestuurlijke boetes |
|
|
Artikel 47 |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 21bis |
||||
|
Artikel 48 |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 22 |
||||
|
Artikel 49, eerste lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 18 |
Artikel 2a |
|||
|
Artikel 49, tweede tot en met vierde lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 18 |
Artikel 2a |
|||
|
Artikel 50, eerste lid |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 23 |
Artikel 3 tot en met artikel 7 Artikel 29 (bestuurlijke boetes) |
Beleidsruimte m.b.t. handhaving |
De toezichthouder gebruikt het bestaande handhavingsstelsel van de Warenwet en daarop gebaseerde regelgeving om de verplichtingen uit de verordening te handhaven. Concreet is dit te zien in onder andere de verbodsbepalingen uit artikel 2 tot en met 6. Door de verbodsbepalingen is het mogelijk een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van de verordening. Verder heeft Onze Minister op grond van de Warenwet diverse handhavingsbevoegdheden (zoals het opleggen van een last onder dwangsom) |
|
|
Artikel 50, tweede lid |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 23 |
||||
|
Artikel 51 |
Behoeft geen uitvoering; rechtstreeks toepasselijk |
Artikel 25 |
||||
|
Artikel 52 |
Overgangsrecht |
Artikel 31 |
||||
|
Artikel 53 |
Behoeft geen uitvoering; richt zich tot de commissie |
Artikel 21 |
||||
|
Artikel 54 |
Wijziging van het Warenwetbesluit machines |
Artikel 28 |
Artikel 33 |
Oorspronkelijk document PB 2023 L165. Deze is gecorrigeerd PB 2023 L169, 4 juli 2023, blz. 35 betreffende datum inwerkingtreding en rectificatie PB L90 277, 25 maart 2025, blz. 1 betreffende bijlage III, deel B, punt 1.7.4.2, punt 1, u), iii. Zie ook: Geconsolideerde TEKST: 32023R1230 – NL – 29.06.2023.
Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG.
ETUI heeft een gedetailleerd overzicht gemaakt van de verschillen tussen de Machinerichtlijn en de Machineverordening, zie EN-EUROGIP-ETUI_Machinery-from-the-Directive-to-the-new-Regulation-V2-2023-12.pdf.
Impact assessment bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende machineproducten met kenmerk SWD (2021) 82 final.
Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG
Zie ook ING – Industry – machinebouw [17 juli 2025]; Industrie magazine – Machine-industrie behoort tot grootste sectoren; ABN AMRO – Welzijn personeel cruciaal voor bedrijfsgroei [25 juni 2024]; ESB – Sterke prestatie Nederlandse industrie vooral door machinebouw [21 maart 2023].
Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828.
Besluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit machines, het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten in verband het overbrengen van gebruikskeuringen van bepaalde typen liften van het Warenwetbesluit liften naar het Warenwetbesluit machines, Stb. 2009, 379, 18 juli 2009.
Besluit tot wijziging van het Warenwetbesluit machines en het Warenwetbesluit liften in verband met de implementatie van de herziening van de Europese richtlijn voor machines, Stb. 2008, 236, 16 juni 2008.
Besluit tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en enkele op de Wet op de gevaarlijke werktuigen en de Warenwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur in verband met de integratie van de Wet op de gevaarlijke werktuigen in de Warenwet, Stb. 2003, 315, 3 juli 2003.
De omzetting van «bepaling verordening (EU) 2023/1230» naar «Bepaling richtlijn 2006/42/EG» is overgenomen uit bijlage XII (concordantietabel) bij Verordening (EU) 2023/1230. De omzetting van «Bepaling richtlijn 2006/42/EG» naar «Bepaling in Warenwetbesluit machines (oud)» is overgenomen uit de transponeringstabel bij het Besluit van 16 juni 2008 tot wijziging van het Warenwetbesluit machines en het Warenwetbesluit liften in verband met de implementatie van de herziening van de Europese richtlijn voor machines (Stb. 2008, 236).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2026-261.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.