Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2008, 236AMvB

Besluit van 16 juni 2008 tot wijziging van het Warenwetbesluit machines en het Warenwetbesluit liften in verband met de implementatie van de herziening van de Europese richtlijn voor machines

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 april 2008, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/P&G/2008/10307, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie;

Gelet op richtlijn nr. 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van richtlijn 95/16/EG (herschikking) (PbEU L 157);

Gelet op de artikelen 1, 3, 4, eerste lid, sub a en b, 5, tweede lid, 6, sub a, 7, 8, eerste lid, sub a, b en c, 11, 12, 13, 14 en 32b, eerste lid, van de Warenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 21 mei 2008, no. W12.08.0160/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juni 2008, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/P&G/2008/15394, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Justitie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Warenwetbesluit machines wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– aangewezen aangemelde instelling: krachtens artikel 7a van de wet in het kader van de richtlijn aangewezen en bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde instelling, dan wel een door een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in het kader van de richtlijn aangewezen en bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde instelling;

– aangewezen instelling: krachtens artikel 7a van de wet aangewezen instelling;

– Europese Economische Ruimte: grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;

– fabrikant: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een machine of niet voltooide machine, ontwerpt of produceert, voor eigen gebruik of ten einde haar onder zijn eigen naam of merk in de handel te brengen of, bij gebreke aan een dergelijke persoon, de natuurlijke of rechtspersoon die een machine of niet voltooide machine in de handel brengt of in bedrijf stelt;

– gemachtigde: in de Europese Economische Ruimte gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem alle of een deel van de in dit besluit bedoelde verplichtingen te vervullen;

– hijs- of hefgereedschappen: stroppen en hun onderdelen of niet vast met de hijs- of hefmachine verbonden onderdelen of uitrustingsstukken voor het hijsen of heffen van een last, dat tussen de machine en de last of op de last zelf wordt aangebracht, dan wel bestemd is om een integrerend deel van de last uit te maken, en dat afzonderlijk in de handel wordt gebracht;

– hijskraan: hijswerktuig, dat is ingericht en bestemd voor het verplaatsen van vrij-hangende lasten door middel van mechanische aandrijving;

– inbedrijfstelling: eerste gebruik in de Europese Economische Ruimte van een machine overeenkomstig het gebruiksdoel;

– in de handel brengen: voor het eerst tegen vergoeding of gratis in de Europese Economische Ruimte ter beschikking stellen van een machine of een niet voltooide machine met het oog op de distributie of het gebruik ervan;

– kettingen, kabels en banden: kettingen, kabels en banden die zijn ontworpen en geproduceerd voor hijs- of hefdoeleinden als onderdeel van hijs- of hefmachines of van hijs- of hefgereedschap;

– machine:

a. samenstel, voorzien van of bestemd om te worden voorzien van een aandrijfsysteem,maar niet op basis van rechtstreeks gebruikte menselijke of dierlijke spierkracht, van onderling verbonden onderdelen of componenten waarvan er ten minste één kan bewegen, en die samengevoegd worden voor een bepaalde toepassing;

b. samenstel als bedoeld onder a, waarvan slechts de componenten voor de montage op de plaats van gebruik of voor de aansluiting op kracht- of aandrijfbronnen ontbreken;

c. samenstel als bedoeld onder a of b, dat gereed is voor montage en dat in de desbetreffende staat alleen kan functioneren na montage op een vervoermiddel of montage in een gebouw of bouwwerk;

d. samenstellen van machines als bedoeld onder a, b of c, of niet voltooide machines die om tot hetzelfde resultaat te komen zodanig zijn opgesteld en worden bestuurd dat zij als één geheel functioneren;

e. samenstel van onderling verbonden onderdelen of componenten waarvan er ten minste één kan bewegen en die in hun samenhang bestemd zijn voor het heffen van lasten en die uitsluitend rechtstreeks aangedreven worden door menselijke spierkracht;

f. verwisselbaar uitrustingsstuk;

g. veiligheidscomponent;

h. hijs- en hefgereedschappen;

i. kettingen, kabels en banden;

j. verwijderbare mechanische overbrengingsinrichting;

k. machine als bedoeld onder a tot en met j, die onroerend is;

l. hijskraan die onroerend is;

– niet voltooide machine:

a. samenstel, zoals een aandrijfsysteem, dat bijna een machine vormt, maar dat niet zelfstandig een bepaalde toepassing kan realiseren, en slechts bedoeld is om te worden ingebouwd in of te worden samengebouwd met een of meer machines of andere niet voltooide machines of uitrusting, tot een machine;

b. niet voltooide machine als bedoeld onder a, die onroerend is;

– richtlijn: richtlijn nr. 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van richtlijn 95/16/EG (PbEU L 157);

– veiligheidscomponent: component die is opgenomen in bijlage V bij de richtlijn of een component:

a. die een veiligheidsfunctie vervult;

b. die afzonderlijk in de handel wordt gebracht;

c. waarvan het niet of verkeerd functioneren de veiligheid van personen in gevaar brengt, en

d. die niet nodig is voor de werking van de machine of die door gewone componenten kan worden vervangen om de machine te doen werken;

– verwijderbare mechanische overbrengingsinrichting:

a. verwijderbaar onderdeel dat is bestemd voor krachtoverbrenging van een aandrijfmachine of trekker naar de eerste vaste aslager van de aangedreven machine;

b. een onderdeel als bedoeld onder a, inclusief de afscherming, indien dit onderdeel met de afscherming in de handel wordt gebracht;

– verwisselbaar uitrustingsstuk: een inrichting die na inbedrijfstelling van een machine of trekker door de bediener zelf hieraan wordt gekoppeld om deze een andere of bijkomende functie te geven, voor zover deze inrichting geen gereedschap is;

– wet: de Warenwet;

B

Na artikel 1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op:

    a. veiligheidscomponenten die bestemd zijn om identieke componenten te vervangen en die geleverd zijn door de fabrikant van de oorspronkelijke machine;

    b. specifiek voor kermissen of amusementsparken bestemd materieel;

    c. machines die speciaal zijn ontworpen of in bedrijf zijn gesteld voor nucleaire doeleinden en waarvan een defect uitstoot van radioactiviteit tot gevolg kan hebben;

    d. wapens, met inbegrip van vuurwapens;

    e. landbouw- en bosbouwtrekkers voor de risico’s die vallen onder richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PbEU L171), met uitzondering van de machines die op deze voertuigen zijn aangebracht;

    f. motorvoertuigen en hun aanhangwagens die vallen onder richtlijn 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L42), met uitzondering van de machines die op deze voertuigen zijn aangebracht;

    g. voertuigen die vallen onder richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad (PbEU L124), met uitzondering van de machines die op deze voertuigen zijn aangebracht;

    h. motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor wedstrijden;

    i. vervoermiddelen voor het vervoer door de lucht, over het water of over spoornetten, met uitzondering van de machines die op deze vervoermiddelen zijn aangebracht;

    j. zeeschepen, mobiele offshore-eenheden en machines die aan boord van deze schepen of eenheden zijn geïnstalleerd;

    k. machines die specifiek voor militaire of politiële doeleinden zijn ontworpen en geproduceerd;

    l. machines die specifiek zijn ontworpen en gebouwd voor onderzoeksdoeleinden voor tijdelijk gebruik in laboratoria;

    m. mijnliften;

    n. machines voor het verplaatsen van kunstenaars tijdens een optreden;

    o. de volgende elektrische en elektronische apparatuur, voor zover deze valt onder richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (gecodificeerde versie) (PbEU L374):

    1°. huishoudelijke apparaten die voor privégebruik zijn bestemd;

    2°. audio- en videoapparatuur;

    3°. apparatuur die wordt gebruikt in de informatietechnologie;

    4°. gewone kantoormachines;

    5°. schakelmaterieel en besturingsapparatuur voor laagspanning;

    6°. elektromotoren;

    p. de volgende hoogspanningsinstallaties:

    1° schakelmaterieel en besturingsapparatuur;

    2°. transformators.

  • 2. Dit besluit is niet van toepassing op:

    a. liften en veiligheidscomponenten als bedoeld in artikel 1 van het Warenwetbesluit liften, tenzij deze in het Warenwetbesluit liften zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik van dat besluit;

    b. explosieveilig materieel als bedoeld in artikel 1 van het Warenwetbesluit explosieveilig materieel, tenzij dit in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel is uitgezonderd van het toepassingsbereik van dat besluit.

Artikel 1b

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op draagbare bevestigingswerktuigen met explosieve lading en andere slagwerktuigen.

  • 2. Dit artikel vervalt met ingang van 29 juni 2011.

C

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

  • 1. Het is verboden machines en niet voltooide machines die niet voldoen aan de vervaardigingsvoorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld in de handel te brengen of in bedrijf te stellen.

  • 2. Het is verboden machines in de handel te brengen of in bedrijf te stellen anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen.

  • 3. Het is verboden machines en niet voltooide machines in de handel te brengen of in bedrijf te stellen anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot het voorhanden zijn van documenten.

  • 4. Het is verboden machines en niet voltooide machines in de handel te brengen of in bedrijf te stellen, indien de bij of krachtens dit besluit voorgeschreven overeenstemmings-, beoordelings- of keuringsprocedures niet in acht zijn genomen.

  • 5. Het is verboden hijskranen te verhandelen of te gebruiken, indien de bij of krachtens dit besluit voorgeschreven keuringsprocedures niet in acht zijn genomen.

  • 6. Het is verboden hijskranen te verhandelen of te gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot het voorhanden zijn van documenten.

D

Na artikel 2 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 2a

Besluiten bedoeld in de artikelen 21, eerste en tweede lid, en 30 van de wet die betrekking hebben op machines worden onverwijld door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant dan wel op andere passende wijze.

E

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

De fabrikant of diens gemachtigde draagt er zorg voor dat machines zodanig zijn ontworpen, samengesteld en vervaardigd, zodanige eigenschappen hebben en van zodanige vermeldingen zijn voorzien, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens en, in voorkomend geval, huisdieren of de veiligheid van zaken, wanneer zij op passende wijze zijn geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming of in redelijkerwijs voorzienbare omstandigheden worden gebruikt.

F

Na artikel 3 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. De fabrikant of diens gemachtigde:

    a. zorgt dat de machine voldoet aan de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn;

    b. zorgt dat het technisch dossier beschikbaar is en voldoet aan bijlage VII, onder A, bij de richtlijn;

    c. verstrekt de noodzakelijke informatie, waaronder in ieder geval de gebruiksaanwijzing;

    d. stelt de EG-verklaring van overeenstemming op die voldoet aan bijlage II, deel 1, onder A, bij de richtlijn en zorgt dat deze de machine vergezelt;

    e. brengt de CE-markering, bedoeld in artikel 6, op de machine aan, alvorens een machine in de handel te brengen of in bedrijf te stellen.

  • 2. De fabrikant of diens gemachtigde beschikt over of heeft toegang tot de middelen die nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat de machine voldoet aan de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn.

  • 3. Indien op machines naast dit besluit ook andere besluiten, die voorzien in het aanbrengen van de CE-markering, van toepassing zijn, wordt door deze markering aangegeven dat de machines ook aan die andere besluiten voldoen.

  • 4. Indien de fabrikant of diens gemachtigde op grond van de in het derde lid bedoelde andere besluiten gedurende een overgangsperiode de toe te passen regeling kan kiezen, wordt door de CE-markering uitsluitend aangegeven dat de machine in overeenstemming is met de bepalingen van de door de fabrikant of diens gemachtigde toegepaste regelingen.

  • 5. De verwijzingen naar de toegepaste regelingen, zoals in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, worden in de EG-verklaring van overeenstemming vermeld.

Artikel 3b

  • 1. De fabrikant of diens gemachtigde vergewist zich, alvorens een niet voltooide machine in de handel te brengen, ervan dat:

    a. de technische documenten, zoals beschreven in Bijlage VII, onder B, bij de richtlijn, worden opgesteld;

    b. de montagehandleiding, zoals beschreven in Bijlage VI bij de richtlijn, wordt opgesteld;

    c. de inbouwverklaring, zoals beschreven in Bijlage II, deel 1, onder B, bij de richtlijn, wordt opgesteld.

  • 2. De fabrikant of diens gemachtigde voegt de montagehandleiding en de inbouwverklaring bij de niet voltooide machine totdat de inbouw is geschied, en zorgt dat deze vervolgens deel uitmaken van het technische dossier van de voltooide machine.

Artikel 3c

De CE-markering wordt niet aangebracht op machines, waarop dit besluit niet van toepassing is, tenzij de CE-markering op grond van een ander besluit mag worden aangebracht.

G

In artikel 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

b. Het zinsdeel «het in artikel 3, tweede volzin, bepaalde» wordt vervangen door: de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen, bedoeld in bijlage I van de richtlijn.

H

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

De CE-markering wordt uitsluitend op de machine aangebracht, indien de fabrikant of diens gemachtigde:

a. voor machines die niet worden genoemd in bijlage IV bij de richtlijn, de procedure, bedoeld in bijlage VIII bij de richtlijn, toepast;

b. voor machines die worden genoemd in bijlage IV bij de richtlijn en die zijn vervaardigd met inachtneming van de normen, bedoeld in artikel 4, indien deze normen alle van toepassing zijnde essentiële veiligheids- en gezondheidseisen, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn, betreffen,:

1°. de procedure, bedoeld in bijlage VIII bij de richtlijn, toepast;

2°. de procedure, bedoeld in bijlage IX bij de richtlijn, toepast en de maatregelen, bedoeld in bijlage VIII, punt 3, bij de richtlijn, neemt; of

3°. de procedure, bedoeld in bijlage X bij de richtlijn, toepast;

c. voor machines die worden genoemd in bijlage IV bij de richtlijn en die niet of slechts ten dele zijn vervaardigd met inachtneming van de normen, bedoeld in artikel 4, of die zijn vervaardigd met inachtneming van dergelijke normen terwijl op het moment van vervaardiging van de machines deze normen niet alle van toepassing zijnde essentiële veiligheids- en gezondheidseisen, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn, betreffen,:

1°. de procedure, bedoeld in bijlage IX bij de richtlijn, toepast en de maatregelen, bedoeld in bijlage VIII, punt 3, bij de richtlijn, neemt; of

2°. de procedure, bedoeld in bijlage X bij de richtlijn, toepast.

I

Artikel 5a komt te luiden:

Artikel 5a

  • 1. De fabrikant of diens gemachtigde die voornemens is aan het model van de machine of aan te vervaardigen en in de handel te brengen machines, waarvoor door een aangewezen aangemelde instelling een verklaring van EG-typeonderzoek is afgegeven, wijzigingen aan te brengen, stelt deze instelling hiervan onverwijld in kennis.

  • 2. De aangewezen aangemelde instelling, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt de wijzigingen en bevestigt de geldigheid van de bestaande verklaring van EG-typeonderzoek of stelt een nieuwe verklaring op als de overeenstemming met de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen of met de gebruiksvoorwaarden van het type door de wijzigingen in het geding kan komen.

J

In artikel 6 wordt «artikel 5, eerste lid,» telkens vervangen door: artikel 5.

K

Artikel 6a komt te luiden:

Artikel 6a

  • 1. Indien een aangewezen aangemelde instelling vaststelt dat de fabrikant niet of niet langer aan de toepasselijke eisen van dit besluit voldoet of dat geen verklaring van EG-typeonderzoek of goedkeuring van het kwaliteitsborgingssysteem verleend had mogen worden, schort zij de verleende verklaring of goedkeuring op, dan wel trekt zij deze in of verbindt zij daar beperkingen aan, tenzij de naleving van de eisen is gewaarborgd door de toepassing van passende corrigerende maatregelen van de fabrikant.

  • 2. Indien de verklaring of goedkeuring wordt opgeschort, beperkt of ingetrokken of indien het nodig kan zijn dat Onze Minister maatregelen neemt, stelt de aangewezen aangemelde instelling Onze Minister daarvan onverwijld in kennis.

L

In artikel 6c wordt «artikel 2, eerste tot en met derde lid» vervangen door «artikel 2, eerste tot en met vierde lid» en «veiligheidscomponenten» door «niet voltooide machines».

M

Artikel 6g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «bijlage VII» vervangen door: bijlage XI.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd luidende:

De instellingen die voldoen aan de in de toepasselijke geharmoniseerde normen opgenomen beoordelingscriteria, waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn opgenomen, worden geacht aan de criteria van de richtlijn te voldoen.

N

Artikel 6k vervalt.

O

In artikel 7 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

ARTIKEL II

Het Warenwetbesluit liften wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. lift: een vast opgesteld hijs- of hefwerktuig in een gebouw of bouwwerk dat bepaalde niveaus bedient met behulp van een drager die langs starre, ten opzichte van het horizontale vlak meer dan 15 graden hellende geleiders beweegt of op een andere manier een vaste baan volgt, en dat bestemd is voor vervoer van:

– personen,

– personen en goederen;

– alleen goederen indien de drager toegankelijk is, dat wil zeggen een persoon het zonder probleem kan betreden, en het is uitgerust met bedieningsapparatuur in de drager of binnen bereik van een persoon in de drager.

2. In het eerste lid wordt onder verlettering van de onderdelen d tot en met k tot e tot en met l, een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. drager: een deel van een lift waarop personen of goederen zich bevinden om naar boven of beneden te worden gebracht.

3. In het eerste lid vervallen de onderdelen j en k (nieuw) en wordt onderdeel l (nieuw) verletterd tot onderdeel j.

4. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

B

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op liften en veiligheidscomponenten indien deze onroerend zijn.

C

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

Dit besluit is niet van toepassing op:

a. hijs- en hefwerktuigen met een snelheid van 0,15 m/s of minder;

b. bouwliften;

c. kabelinstallaties, met inbegrip van kabelsporen;

d. liften die speciaal zijn ontworpen en gebouwd voor militaire of politiële doeleinden;

e. hijs- en hefwerktuigen van waaruit werkzaamheden verricht kunnen worden;

f. mijnliften;

g. hijs- en hefwerktuigen voor het heffen van kunstenaars tijdens een optreden;

h. hijs- en hefwerktuigen die in vervoermiddelen zijn ingebouwd;

i. hijs- en hefwerktuigen die met een machine zijn verbonden en uitsluitend bestemd zijn om toegang tot de arbeidsplaats, inclusief onderhouds- en inspectiepunten op de machine, mogelijk te maken;

j. tandradbanen, en

k. roltrappen en rolpaden.

D

Artikel 4a vervalt.

E

In artikel 4b vervalt telkens «, bouwliften voor personenvervoer en transportsteigers».

F

Artikel 6a vervalt.

G

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot het derde tot en met zevende lid.

2. In het derde lid (nieuw) vervalt «, bouwliften voor personenvervoer en transportsteigers».

3. Het vierde lid (nieuw), tweede volzin, komt te luiden:

Bij de keuring voor de ingebruikneming na herstelling of wijziging, bedoeld in het derde lid, wordt getoetst of ten minste is voldaan aan de voor het desbetreffende hefwerktuig geldende vervaardigingsvoorschriften, bedoeld in artikel 5.

4. In het vijfde lid (nieuw) wordt «eerste, tweede en derde lid» vervangen door «eerste en tweede lid» en «de artikelen 5 of 6a» door «artikel 5».

5. In het zesde lid (nieuw) wordt «eerste, tweede en derde lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

6. In het zevende lid (nieuw) wordt «eerste, tweede en derde lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

H

Artikel 17a vervalt.

I

In artikel 18, derde lid, wordt «artikel 17, zevende lid» vervangen door: artikel 17, zesde lid.

J

In artikel 20 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

K

Artikel 21a vervalt.

ARTIKEL III

De bijlage van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel C.26, Warenwetbesluit machines, komt te luiden:

C–26

Warenwetbesluit machines

I

II

C–26.1.1

Art. 2, lid 1, j° art. 3

€ 450,–

€ 900,–

C–26.1.2

Art. 2, lid 1, j° art. 3a, lid 1, sub a

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.1

Art. 2, lid 2, j° art. 3

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.2

Art. 2, lid 2, j° art. 3a, lid 1, sub e

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.3

Art. 2, lid 2, j° art. 3c

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.4

Art. 2, lid 2, j° art. 5, sub a

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.5

Art. 2, lid 2, j° art. 5, sub b

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.6

Art. 2, lid 2, j° art. 5, sub c

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.7

Art. 2, lid 2, j° art. 6, lid 1

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.8

Art. 2, lid 2, j° art. 6, lid 2

€ 450,–

€ 900,–

C–26.2.9

Art. 2, lid 2, j° art. 6c

€ 450,–

€ 900,–

C–26.3.1

Art. 2, lid 3, j° art. 3a, lid 1, sub b

€ 450,–

€ 900,–

C–26.3.2

Art. 2, lid 3, j° art. 3a, lid 1, sub c

€ 450,–

€ 900,–

C–26.3.3

Art. 2, lid 3, j° art. 3a, lid 1, sub d

€ 450,–

€ 900,–

C–26.3.4

Art. 2, lid 3, j° art. 3b, lid 1, sub a

€ 450,–

€ 900,–

C–26.3.5

Art. 2, lid 3, j° art. 3b, lid 1, sub b

€ 450,–

€ 900,–

C–26.3.6

Art. 2, lid 3, j° art. 3b, lid 1, sub c

€ 450,–

€ 900,–

C–26.3.7

Art. 2, lid 3, j° art. 3b, lid 2

€ 450,–

€ 900,–

C–26.4.1

Art. 2, lid 5, j° art. 6d, lid 1

€ 450,–

€ 900,–

C–26.5.1

Art. 2, lid 6, j° art. 6f, lid 1

€ 450,–

€ 900,–

C-26.5.2

Art. 2, lid 6, j° art. 6f, lid 3

€ 450,–

€ 900,–

b. Onderdeel C 38, Warenwetbesluit liften, komt te luiden:

C–38

Warenwetbesluit liften

 I

II 

C–38.1.1

art. 4b, lid 1, j° art. 5, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.1.2

art. 4b, lid 1, j° art. 5, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.1.3

art. 4b, lid 1, j° art. 5, lid 3

€ 450

€ 900

C–38.1.4

art. 4b, lid 1, j° art. 7

€ 450

€ 900

C–38.1.5

art. 4b, lid 1, j° art. 18a

€ 450

€ 900

C–38.1.6

art. 4b, lid 1, j° art. 19, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.2.1

art. 4b, lid 2, j° art. 5, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.2.2

art. 4b, lid 2, j° art. 8, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.2.3

art. 4b, lid 2, j° art. 8, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.2.4

art. 4b, lid 2, j° art. 9, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.2.5

art. 4b, lid 2, j° art. 9, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.2.6

art. 4b, lid 2, j° art. 15, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.2.7

art. 4b, lid 2, j° art. 15, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.2.8

art. 4b, lid 2, j° art. 15, lid 3

€ 450

€ 900

C–38.2.9

art. 4b, lid 2, j° art. 22

€ 450

€ 900

C–38.2.10

art. 4b, lid 2, j° art. 28, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.2.11

art. 4b, lid 2, j° art. 28a, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.3.1

art. 4b, lid 3, j° art. 8, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.3.2

art. 4b, lid 3, j° art. 8, lid 3

€ 450

€ 900

C–38.3.3

art. 4b, lid 3, j° art. 9, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.3.4

art. 4b, lid 3, j° art. 10, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.3.5

art. 4b, lid 3, j° art. 10, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.3.6

art. 4b, lid 3, j° art. 10, lid 3

€ 450

€ 900

C–38.3.7

art. 4b, lid 3, j° art. 11, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.3.8

art. 4b, lid 3, j° art. 17, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.3.9

art. 4b, lid 3, j° art. 17, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.3.10

art. 4b, lid 3, j° art. 17, lid 4

€ 450

€ 900

C–38.4.1

art. 4b, lid 4, j° art. 18, lid 1

€ 450

€ 900

C–38.4.2

art. 4b, lid 4, j° art. 18, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.4.3

art. 4b, lid 4, j° art. 18, lid 3

€ 450

€ 900

C–38.5.1

art. 19, lid 2

€ 450

€ 900

C–38.5.2

art. 19, lid 3

€ 450

€ 900

C–38.5.3

art. 19a

€ 450

€ 900

C–38.5.4

art. 19b

€ 450

€ 900

C–38.5.5

art. 20, sub a

€ 450

€ 900

C–38.5.6

art. 20, sub b

€ 450

€ 900

C–38.5.7

art. 20, sub c

€ 450

€ 900

C–38.5.8

art. 20, sub d

€ 450

€ 900

C–38.5.9

art. 20, sub e

€ 450

€ 900

C–38.5.10

art. 21

€ 450

€ 900

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 29 december 2009.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 16 juni 2008

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink

Uitgegeven de zevenentwintigste juni 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit strekt tot wijziging van het Warenwetbesluit machines en het Warenwetbesluit liften. De wijzigingen vloeien voort uit de herziening van de Europese richtlijn voor machines, richtlijn nr. 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van richtlijn 95/16/EG (herschikking) (PbEU L 157) (hierna: de gewijzigde machinerichtlijn). Deze richtlijn vervangt richtlijn nr. 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (PbEU L207) en wijzigt richtlijn nr. 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften (PbEG L 213).

In 1995 bracht de zogeheten «Molitor-group» een rapport uit waarin werd gepleit voor een breed opgezet actieprogramma dat moest leiden tot vereenvoudiging van communautaire en nationale wetgeving, vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven en versterking van de concurrentiepositie van bedrijven binnen de Europese Economische Ruimte. Dit heeft geleid tot een evaluatie van de Machinerichtlijn door de Europese Commissie en een herziening van deze richtlijn en de Liftenrichtlijn. Deze herziening geeft invulling aan de gestelde doelen in het «Molitor rapport».

Het toepassingsgebied en de definities zijn verduidelijkt, de procedures om de conformiteit te beoordelen zijn uitgebreid.

Andere belangrijke wijzigingen betreffen het verleggen van de scheidslijn tussen het toepassingsgebied van de Warenwetbesluiten machines en liften en het uitbreiden van toepassingsgebied van het Warenwetbesluit machines met bouwliften voor personenvervoer en draagbare bevestigings- en andere slagwerktuigen, zoals schiethamers en slachtpistolen. Voorts is er in het Warenwetbesluit machines uit een oogpunt van onderlinge consistentie en uniformiteit een aantal bepalingen geherformuleerd en in overeenstemming gebracht met de wijze van ordening in de gewijzigde Machinerichtlijn en de Liftenrichtlijn.

Allereerst zal op de belangrijkste wijzigingen worden ingegaan. Vervolgens zullen de wijzigingen artikelsgewijs worden toegelicht.

De wijzigingen zijn tot stand gekomen in nauw overleg met de Arbeidsinspectie en de Voedsel en Waren Autoriteit.

2. Uitbreiding van het toepassingsgebied en verleggen van de scheidslijn tussen Warenwetbesluit machines en Warenwetbesluit liften

De aanpassingen zijn hoofdzakelijk het gevolg van de herziening van de Machinerichtlijn en Liftenrichtlijn.

Bouwliften voor personenvervoer vallen nu ook onder het toepassinggebied van de Machinerichtlijn en het Warenwetbesluit machines. Door de uitbreiding van de Machinerichtlijn tot bovengenoemde machines geldt thans ook voor die machines vrij verkeer binnen de Europese Economische Ruimte. Voor de inwerkingtreding van dit besluit gold voor deze machines alleen nationale wetgeving. Draagbare bevestigings- en andere slagwerktuigen, zoals schiethamers en slachtpistolen, vallen vanaf 29 juni 2011 onder het toepassingsgebied van het Warenwetbesluit machines.

Verder zijn liften met een snelheid van 0,15 m/s of minder door de wijzigingen op EU-niveau binnen het bereik van het Warenwetbesluit machines gebracht. Voorheen vielen deze liften onder het Warenwetbesluit liften. Het bleek echter verantwoord voor deze langzaam lopende liften te volstaan met de conformiteitsbeoordelingsprocedures van de Machinerichtlijn en het Warenwetbesluit machines.

3. Afbakening ten opzichte van het Warenwetbesluit elektrotechnische producten

De keuze welk besluit wordt toegepast is niet langer gebaseerd op een risico-inschatting, maar wordt bepaald door een lijst van producten waarop het Warenwetbesluit elektrotechnische producten van toepassing is.

Voorheen was het voor fabrikanten niet altijd duidelijk welk Warenwetbesluit van toepassing was en werd door de fabrikant soms (ruimhartig) voor de meer eenvoudige procedures van het Warenwetbesluit elektrotechnische producten gekozen met betrekking tot producten waarop de Voedsel en Waren Autoriteit het Warenwetbesluit machines van toepassing achtte. Dit leidde tot problemen bij de handhaving. De thans aangebrachte duidelijke afbakening ten opzichte van het Warenwetbesluit elektrotechnische producten voorkomt dit.

Het betreft de volgende producten: huishoudelijke apparaten die voor privé-gebruik zijn bestemd, audio- en video-apparatuur, apparatuur gebruikt in de informatietechnologie, gewone kantoormachines, schakelmaterieel en besturingsapparatuur voor laagspanning en elektromotoren. Op deze producten is het Warenwetbesluit machines niet van toepassing.

4. Algemene wijzigingen

In het Warenwetbesluit machines zijn de definities verduidelijkt en uitgebreid. Expliciet is aangegeven dat het Warenwetbesluit machines van toepassing is op: machines, verwisselbare uitrustingsstukken, veiligheidscomponenten, hijs- en hefgereedschap, kettingen, kabels en banden, verwijderbare mechanische overbrengsystemen en niet voltooide machines. Er zijn voor al deze producten definities opgenomen.Oorspronkelijk was geen sprake van specifieke definities, maar werd volstaan met een algemene definitie voor machines en veiligheidscomponenten.

5. Procedures voor overeenstemmingsbeoordeling

De procedure van opsturen van het technisch constructiedossier naar een keuringsinstantie voor machines zonder verhoogd risico is vervallen. Gebleken is dat keuringsinstellingen de dossiers eigenlijk alleen maar bewaarden en dat deze dossiers nooit werden opgevraagd door de bevoegde instanties. Deze procedure kan daarom zonder bezwaar vervallen.

Voor machines met verhoogd risico, opgenomen in Bijlage IV van de gewijzigde Machinerichtlijn, is naast de procedure van EG-type beoordeling door een keuringsinstelling als gelijkwaardig alternatief opgenomen de procedure van volledige kwaliteitsborging.

In de procedure van volledige kwaliteitsborging verklaart de fabrikant zelf dat zijn machine met verhoogd risico in overeenstemming is met de eisen van de Machinerichtlijn.

De gelijksteling van de procedure van EG-typebeoordeling en de procedure van volledige kwaliteitsborging vloeit voort uit het Modulebesluit (93/465/EEG)1 dat betrekking heeft op de certificatieprocedures voor producten en diensten.

6. Niet voltooide machines

Voor de fabrikanten van niet voltooide machines, in de markt ook wel aangeduid als IIB machines, zijn nu ook administratieve verplichtingen opgenomen. Het betreft: het opstellen van technische documentatie, het meeleveren van een montagehandleiding en een inbouwverklaring.

In de praktijk is gebleken dat fabrikanten van niet voltooide machines niet de noodzakelijke documentatie meeleverden. De eindfabrikant van de machine moest daardoor ook voor delen van de machine die hij niet had vervaardigd de vereiste documentatie opstellen. Aan deze ongewenste situatie komt een einde met de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit.

Voor alle duidelijkheid: niet voltooide machines mogen niet worden voorzien van een CE-markering.

7. Financieel-economische gevolgen, administratieve lasten

De wijziging van de Machinerichtlijn leidt tot zowel een structurele besparing op administratieve lasten als een éénmalige administratieve last.

Voor ca. 25 bedrijven vervalt de verplichting om het constructiedossier op te sturen naar een certificerende instelling. Hiermee wordt een besparing van € 85.000 per bedrijf bereikt. Totale besparing ca. € 2,2 miljoen.

Als éénmalige last in de periode 2007 t/m 2009 door het op de hoogte stellen, het wijzigen van certificaat en het aanpassen van gebruiksaanwijzing dient met ca. € 0,5 miljoen te worden gerekend.

Naar verwachting zullen nog meer structurele besparingen worden bereikt door het naar verwachting vervallen van de periodieke keuringen voor liften met een snelheid van 0,15 m/s of minder en wijzigingen van het keuringstelsel voor bouwliften voor personenvervoer en transportsteigers. Deze zullen worden gekwantificeerd bij aanpassing van de besluiten na besluitvorming hierover.

Actal is om advies gevraagd. Het heeft op 23 januari 2008 gemeld dat zij geen advies uitbrengen over het besluit.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 1)

Artikel 1 van het Warenwetbesluit machines bevat de definities. Dit artikel is volledig opnieuw geformuleerd. Alle omschrijvingen, met uitzondering van «aangewezen aangemelde instelling», «aangewezen instelling» en «hijskraan», die zijn overgenomen uit artikel 1 (oud) van het Warenwetbesluit machines en die samenhangen met de opzet van dit besluit, zijn ontleend aan artikel 2 van richtlijn nr. 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende machines en de wijziging van richtlijn 95/16/EG (PbEU L 157) (hierna:de gewijzigde Machinerichtlijn). De belangrijkste technische veranderingen zijn:

– het begrip «veiligheidscomponent» valt onder het begrip «machine». Zie artikel 2, aanhef van de gewijzigde Machinerichtlijn. Er zijn geen specifieke regels voor veiligheidscomponenten meer gesteld.

– toevoeging van het begrip «niet voltooide machine»; hetgeen samenhangt met een uitbreiding van de reikwijdte van de gewijzigde Machinerichtlijn. Zie artikel 2, eerste lid, onder g, van de gewijzigde Machinerichtlijn.

– een duidelijke omschrijving van de begrippen «fabrikant» en «gemachtigde». Valt er geen fabrikant in de eigenlijke zin van het woord aan te wijzen, dan wordt degene die de machine of niet voltooide machine in de handel brengt (importeur) of in bedrijf stelt (de gebruiker) als fabrikant aangewezen.

Het begrip machine wordt gedefinieerd door middel van een opsomming met tien verschillende onderdelen. Het vierde onderdeel van deze opsomming bevat de zinsnede «samenstellen van machines als bedoeld onder a, b, of c, of niet voltooide machines». Voor de duidelijkheid wordt hier opgemerkt dat dit betekent dat dit vierde onderdeel betrekking heeft op samenstellen van machines, samenstellen van niet voltooide machines en ook op samenstellen van machines met niet voltooide machines.

Artikel I, onderdeel B (artikelen 1a en 1b)

In artikel 1a , eerste en tweede lid, van het Warenwetbesluit machines is bepaald waar het Warenwetbesluit machines niet op van toepassing is. Deze leden zijn de implementatie van artikel 1 en 3 van de gewijzigde Machinerichtlijn. Met deze opsomming is, anders dan voorheen, exact aangegeven wat wel en wat niet onder het Warenwetbesluit machines valt. In de oude situatie diende de minister te zorgen dat de reikwijdte van het besluit spoorde/bleef sporen met die van de richtlijn (artikel 1, tweede lid, onder 2 (oud)). De belangrijke aanpassingen/uitbreidingen zijn:

– «de niet voltooide machine»;

– «de bouwlift» en «transportsteiger». Via een wijziging van de Liftenrichtlijn (artikel 24) en in het verlengde daarvan van het Warenwetbesluit liften (Artikel II, onderdeel D) vallen de bouwlift en transportsteiger thans onder de Machinerichtlijn en het Warenwetbesluit machines.

Met betrekking tot artikel 1a, eerste lid, onderdeel o, wordt opgemerkt dat in de gewijzigde Machinerichtlijn verwezen wordt naar richtlijn 73/23/EEG terwijl in dit besluit een verwijzing staat naar richtlijn 2006/95/EG. De reden hiervoor is dat richtlijn 73/23/EEG met ingang van 16 januari 2007 is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2006/95/EG.

In artikel 1a, tweede lid, is de afstemming tussen het Warenwetbesluit machines en de Warenwetbesluiten liften en explosieveilig materieel geregeld. In principe is het Warenwetbesluit machines niet van toepassing op liften en veiligheidscomponenten, zoals deze zijn gedefinieerd in het Warenwetbesluit liften. Als de liften of veiligheidscomponenten echter in het Warenwetbesluit liften zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik van het Warenwetbesluit liften, dan geldt het Warenwetbesluit machines wel. Het Warenwetbesluit machines fungeert dan als algemene regeling waarvan het toepassingsbereik ophoudt, waar het toepassingsbereik van het Warenwetbesluit liften begint. De afstemming met het Warenwetbesluit explosieveilig materieel is op dezelfde wijze vormgegeven. Verder wordt opgemerkt dat de afstemming tussen het Warenwetbesluit machines en het Warenwetbesluit drukapparatuur al afdoende is geregeld in artikel 2, onderdeel f, onder 6 van het Warenwetbesluit drukapparatuur. De afstemming met het Warenwetbesluit elektrotechnische produkten is geregeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel o.

Artikel 1b is de implementatie van artikel 27 van de gewijzigde Machinerichtlijn, waarin aan lidstaten de bevoegdheid wordt gegeven om draagbare bevestigingswerktuigen met explosieve lading en andere slagwerktuigen tot 29 juni 2011 uit te zonderen.

Artikel I, onderdeel C (artikel 2)

In dit onderdeel wordt artikel 2 opnieuw vastgesteld. Het betreft de implementatie van artikel 4 van de richtlijn. Ten opzichte van het artikel, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, is een aantal wijzigingen aangebracht. In aansluiting op de richtlijn is het verbod beperkt tot het in de handel brengen en het in bedrijf stellen, terwijl in het oude artikel 2 verhandelen en gebruiken stond. Hiernaast is het artikel, net als de richtlijn, uitgebreid zodat het nu ook de niet voltooide machines betreft. Het begrip «veiligheidscomponent» wordt niet langer apart genoemd, omdat het nu valt onder de definitie van «machine». Het vijfde en zesde lid gaan specifiek over hijskranen. Voor hijskranen geldt nog wel een verbod voor het gebruiken en verhandelen van hijskranen die niet aan het besluit voldoen.

Artikel I, onderdelen G en L (artikelen 4 en 6c)

Dit betreft redactionele wijzigingen. Nu het begrip «veiligheidscomponent» valt onder het begrip «machine», hoeft dit niet meer apart te worden vermeld. In artikel 6c, dat ziet op o.a. tentoonstellingen, demonstraties en beurzen, is «niet voltooide machine» toegevoegd (onderdeel L).

Artikel 4 gaat over de door Onze Minister aangewezen normen. In de praktijk zijn dit Europese geharmoniseerde normen die het Nederlands Normalisatie Instituut op mandaat van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vaststelt.

Artikel I, onderdeel D (artikel 2a)

Wanneer de minister van mening is dat een machine die onder de gewijzigde Machinerichtlijn valt, die correct CE-gemarkeerd is, die vergezeld gaat van een correcte EG-verklaring van overeenstemming en die overeenkomstig het gebruiksdoel wordt gebruikt, toch de veiligheid of gezondheid van personen en in voorkomend geval huisdieren en goederen in gevaar dreigt brengen, moet hij passende maatregelen nemen en vervolgens de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis stellen (artikel 11 van de gewijzigde Machinerichtlijn). Deze zgn. vrijwaringsmaatregelen moeten openbaar worden gemaakt (artikel 18, derde lid, van de gewijzigde Machinerichtlijn). Dit gebeurt door publicatie in de Staatscourant.

Artikel I, onderdeel E (artikel 3)

Artikel 3 van het Warenwetbesluit machines kent een algemene zorgplicht voor fabrikanten en hun gemachtigden. De onderhavige wijziging bevat een redactionele aanpassing van artikel 3, zodat de algemene zorgplicht weer spoort met de gewijzigde Machinerichtlijn, in het bijzonder met artikel 4.

Artikel I, onderdeel F (Artikelen 3a, 3b en 3c)

De artikelen 3a en 3b bevatten diverse verplichtingen voor de fabrikant/zijn gemachtigde waaraan zij moeten voldoen alvorens zij een machine in de handel mogen brengen c.q. in bedrijf mogen stellen (artikel 3a) dan wel een niet voltooide machine in de handel mogen brengen (artikel 3b). Zo dienen zij er o.a. voor te zorgen dat alle relevante documenten (zoals voor machines het technisch dossier, de gebruiksaanwijzing, en de EG-verklaring van overeenstemming, en voor niet voltooide machines het technisch dossier, de montagehandleiding en inbouwverklaring) zijn bijgevoegd. Het betreft hier een uitwerking van de artikelen 5 en 13 van de gewijzigde Machinerichtlijn.

Artikel 3c is de implementatie van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn, waarin staat dat er geen CE-markering mag worden aangebracht op machines, waarop de richtlijn niet van toepassing is. Dit zou immers suggereren dat de machine aan de relevante EU-regelgeving voldoet, terwijl er geen EU-regelgeving op de machine van toepassing is. Dit geldt natuurlijk niet voor machines die bijvoorbeeld onder het Warenwetbesluit liften vallen en op grond van dat besluit mogen worden gemarkeerd met de CE-markering.

Artikel I, onderdelen H en J (artikelen 5 en 6)

Artikel 5 van het Warenwetbesluit machines is ingrijpend gewijzigd. Het begrip «veiligheidscomponent» valt thans onder het begrip «machine» en kent geen eigen procedures meer. De harde kern (het tweede lid (oud)) is redactioneel op één lijn gebracht met artikel 12 van de gewijzigde Machinerichtlijn. Wil de fabrikant/zijn gemachtigde tot CE-markering kunnen overgaan dan moeten zij eerst nader gespecificeerde procedures doorlopen.

Het eerste lid (oud) is overgeheveld naar het nieuwe artikel 3a. Zie onderdeel F.

Het vierde lid (oud) is overgeheveld naar het nieuwe artikel 5.

Deze wijzigingen zijn doorgevoerd om de tekst van het Warenwetbesluit machines beter te laten aansluiten op de tekst van de gewijzigde Machinerichtlijn.

In verband met het voorgaande behoeft artikel 6 redactionele aanpassing (onderdeel J).

Artikel I, onderdeel I (artikel 5a)

Artikel 5a (oud) van het Warenwetbesluit machines bevatte specifieke regelingen voor het samenvoegen (assembleren, inbouwen) van meerdere machines en veiligheidscomponenten. In de gewijzigde Machinerichtlijn komt dit niet terug of gaat dit op in de procedure voor de niet voltooide machine.

Artikel 5a wordt gebruikt voor de inhoud van artikel 5, vijfde lid (oud). Immers ingevolge bijlage IX, punt 6, bij de gewijzigde Machinerichtlijn, blijft een procedure noodzakelijk ter zake van aanpassingen aan machines waardoor de geldigheid van een bijbehorende EG-verklaring van typeonderzoek ter discussie kan komen te staan. Passen de wijzigingen binnen de afgegeven EG-verklaring van typeonderzoek, dan wordt dat bevestigd door de aangewezen aangemelde instelling die de oorspronkelijke verklaring heeft afgegeven. Is dit niet mogelijk dan zal tot opschorting c.q. intrekking moeten worden overgegaan. Ter zake is dan van toepassing het nieuwe artikel 6a. Zie bij onderdeel K.

Artikel I, onderdeel K (artikel 6a)

Artikel 6a (oud) van het Warenwetbesluit machines bevatte een zeer onvolledige regeling ter zake van intrekking van een EG-verklaring van typeonderzoek door een aangewezen aangemelde instelling.

Artikel 6a (nieuw) regelt, ter implementatie van artikel 14, zesde lid, van de gewijzigde Machinerichtlijn, precies en volledig in welke gevallen en onder welke omstandigheden een aangewezen aangemelde instelling moet overgaan tot opschorting c.q. intrekking van een EG-verklaring van typeonderzoek dan wel goedkeuring van het kwaliteitsborgingssysteem.

Artikel I, onderdeel M (artikel 6g)

De wijziging betreft een redactionele aanpassing waarmee het tweede lid van dit artikel op één lijn wordt gebracht met artikel 14, vijfde lid, van de gewijzigde Machinerichtlijn.

Artikel I, onderdeel N (artikel 6k)

Artikel 6k vervalt omdat de daarin genoemde termijnen inmiddels zijn verstreken.

Artikel I, onderdeel O (artikel 7)

Het tweede lid van artikel 7 bevat een verwijzing naar artikel 1, vierde lid, van de Machinerichtlijn. Dit artikellid is vervallen in de gewijzigde Machinerichtlijn.

Artikel II, onderdeel A (artikel 1)

De gewijzigde Machinerichtlijn bevat in artikel 24 een wijziging van de in artikel 1, tweede lid, van de Liftenrichtlijn opgenomen definitie van «lift». De wijziging van artikel 1, eerste lid, onder c, van het Warenwetbesluit liften neemt deze definitie over. In samenhang hiermee wordt toegevoegd een definitie van het begrip «drager». De woorden «vast opgesteld... in een gebouw of bouwwerk» geven uitvoering aan het bepaalde in het niet gewijzigde artikel 1, eerste lid, van de richtlijn. Idem in het huidige artikel 1, eerste en tweede lid.

De definities van «bouwlift voor personenvervoer» en «transportsteiger» zijn vervallen omdat de bouwlift en transportsteiger voortaan niet meer onder de werking van de Liftenrichtlijn maar onder die van de gewijzigde Machinerichtlijn vallen. Zie verder bij onderdeel C

Het vervallen van het tweede lid betreft geen inhoudelijke wijziging. Het bepaalde in het tweede lid is nu opgenomen in het eerste lid, onderdeel c.

Artikel II, onderdelen B, D, E, F, G, H, I, J en K (artikelen 3, 4a, 4b, 6a, 17, 17a, 18, 20 en 21a)

Dit zijn wijzigingen van redactionele aard, verband houdend met het feit dat de bouwlift en transportsteiger voortaan niet meer onder de werking van de Liftenrichtlijn/het Warenwetbesluit liften, maar onder die van de gewijzigde Machinerichtlijn/het Warenwetbesluit machines vallen. Zie verder bij onderdeel D.

Artikel II, onderdeel C (artikel 4)

De gewijzigde Machinerichtlijn bevat in artikel 24 een wijziging van artikel 1, derde lid, van de Liftenrichtlijn, dat ziet op de reikwijdte ervan. Artikel 4 van het Warenwetbesluit liften wordt op overeenkomstige wijze aangepast. Dit betekent een inperking van de reikwijdte van het Warenwetbesluit liften. Voortaan is dit besluit ook niet meer van toepassing op liften met een snelheid van 0,15 m/s of minder, bouwliften en transportsteigers. Hier is dan sprake van machines in de zin van het Warenwetbesluit machines.

Artikel III

De wijziging van het Warenwetbesluit machines en Warenwetbesluit liften leidt uiteraard tot een wijziging in c.q. vervallen van overtredingen, waarop een bestuurlijke boete is gesteld. De onderhavige aanpassingen voorzien in een actualisering van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Het betreft een redactionele bijstelling. De hoogte van de boetes is niet gewijzigd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink

Transponeringstabel

Richtlijn

Warenwetbesluit machines

Andere regelgeving

1 lid 1

1

 

1 lid 2

1a lid 2

 

2

1

 

3

1a lid 3

 

4, lid 1

3

 

4, lid 3

2, leden 1, 2 3 en 4

 

5

3a en 5

 

6 lid 1 en 2

2

 

6 lid 3

6c

 

7 lid 1 en 2

4

 

7 lid 3

nvt*

 

7 lid 4

nvt*

 

8

nvt*

 

9

nvt*

 

10

nvt*

 

11 lid 1

 

21, 30, 32 en 32a Warenwet, WED

11 lid 2–4

nvt*

 

11 lid 5

 

32a Warenwet en WED

11 lid 6

nvt*

 

12

5

 

13

3b

 

14 lid 1

nvt*

 

14 lid 2

6j lid 2

7b en 7c Warenwet

14 lid 3

6g lid 2

 

14 lid 4

nvt*

 

14 lid 5

6g lid 2

 

14 lid 6

6a

 

14 lid 7

nvt*

 

15

nvt*

 

16

3a en 6

 

17 lid 1

3a lid 1 onder d en e, 3c, 6 lid 2

 

17 lid 2 en 3

 

19, 30, 32 en 32a Warenwet en WED

18 lid 1

 

WOB, ARAR en Awb

18 lid 2

nvt*

 

18 lid 3

2a

 

19

nvt*

 

20

 

Awb

21

nvt*

 

22

nvt*

 

23

 

32a en 32b Warenwet en WED

24 lid 1

 

1, 3, 4, 4b, 17, lid 4, 5, 6 en 20 Warenwetbesluit liften

24 lid 2

nvt*

 

25 t/m 26

nvt*

 

27

1b

 

Bijlagen

7, eerste lid

 

* Het betreft hier bepalingen die verwijzen naar de richtlijn zelf of naar andere richtlijnen of die een opdracht aan de Commissie of de lidstaten bevatten die niet behoeven te worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving.


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Besluit nr. 93/465/EEG van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG L 220).