Besluit van 25 juni 2026 tot wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met de inzet van beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie en het opnemen van de vaardigheid interactief voorlezen (Besluit beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie en interactief voorlezen) [KetenID: WGK027110]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 5 november 2025, nr. WJZ/55013931 (ID 27110);

Gelet op artikel 1.50b van de Wet kinderopvang;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 februari 2026, nr. W05.25.00327/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 juni 2026, nr. WJZ/64641520 (ID 27110);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BESLUIT BASISVOORWAARDEN KWALITEIT VOORSCHOOLSE EDUCATIE

Het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2a, derde lid, wordt «artikel 167, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Wet op het primair onderwijs» vervangen door «artikel 160, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, van de Wet op het primair onderwijs».

B

In artikel 3, derde lid, aanhef, wordt «De bezitter van een getuigschrift» vervangen door «De beroepskracht die een voor de werkzaamheden passende opleiding heeft gevolgd».

C

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a. Beroepskracht in opleiding in de voorschoolse educatie

  • 1. Onverminderd het bij of krachtens artikel 1.50 van de Wet kinderopvang bepaalde met betrekking tot de inzet van een beroepskracht in opleiding, wordt een beroepskracht in opleiding voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, gelijkgesteld met een beroepskracht voorschoolse educatie, indien:

    • a. de beroepskracht in opleiding een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt en:

      • 1°. hij het keuzedeel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aantoonbaar volgt, dan wel met goed gevolg heeft afgerond; of

      • 2°. de kennis en vaardigheden, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel zijn van de beroepsopleiding waarop de kwalificatie is gericht;

    • b. hij het eerste leerjaar van de opleiding aantoonbaar heeft afgerond;

    • c. de beroepskracht in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider schriftelijk hebben ingestemd met een door hen opgesteld begeleidingsplan betreffende de inzet van de beroepskracht in opleiding in de voorschoolse educatie en er conform het opgestelde begeleidingsplan wordt gehandeld; en

    • d. bij het aanbieden van voorschoolse educatie ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4, ook op de groep aanwezig is, met dien verstande dat indien de groep uit meer dan acht feitelijk aanwezige kinderen bestaat, dit geen beroepskracht voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, betreft.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van totstandkoming van het begeleidingsplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «in het bezit zijn van» vervangen door «beschikken over».

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «een getuigschrift van met gunstig gevolg afgelegd examen van een bij ministeriële regeling aan te wijzen opleiding» vervangen door «een krachtens lid 1a aangewezen voor de werkzaamheden passende opleiding».

3. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1a. Als een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in het eerste lid, en als bewijsstuk waarmee kan worden aangetoond dat de opleiding is gevolgd, gelden uitsluitend de opleidingen onderscheidenlijk de bewijsstukken die als zodanig:

    • a. bij ministeriële regeling zijn aangewezen; of

    • b. zijn opgenomen in een bij ministeriële regeling aangewezen, reeds aangegane collectieve arbeidsovereenkomst.

4. In het tweede lid, aanhef, wordt «met gunstig gevolg» vervangen door «met goed gevolg».

5. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van «, en» aan het slot van onderdeel d door een komma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door «, en», een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. het interactief voorlezen aan het jonge kind.

6. In het derde lid, onderdeel b, wordt «de bezitter van een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, » vervangen door «de beroepskracht die een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft gevolgd » en wordt «met gunstig gevolg» vervangen door «met goed gevolg».

7. In het derde lid, onderdeel b, vervalt «aanhef en onder a tot en met e,».

8. Lid 3a komt te luiden:

  • 3a. De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst op de onderdelen mondelinge taalvaardigheid en lezen aantoonbaar ten minste het niveau 3F als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen of het niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen in het Nederlands. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het op grond van de eerste volzin vereiste niveau en de voor het aantonen daarvan benodigde bewijsstukken.

9. In het vierde lid vervalt « onder a tot en met e,».

E

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8. Overgangsrecht

  • 1. Artikel 4, zoals dat luidde op 31 juli 2027, blijft van toepassing ten aanzien van degene die op die datum inzetbaar was als beroepskracht voorschoolse educatie.

  • 2. Degene die op 31 juli 2027 reeds is begonnen met een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, is vanaf het moment dat hij, op basis van die opleiding, voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, zoals dat luidde op 31 juli 2027, inzetbaar als beroepskracht voorschoolse educatie op grond van die voorwaarden.

  • 3. Artikel 4, tweede lid, zoals dat luidde op 31 juli 2027, blijft van toepassing ten aanzien van de inzet van de beroepskracht in opleiding, die op die datum stond ingeschreven voor een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, voor zover het de toepassing van artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 1° en 2°, betreft.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, met uitzondering van artikel I, onderdeel D, onder 5, 7 en 9 en onderdeel E, die in werking treden met ingang van 1 augustus 2027.

ARTIKEL III. CITEERTITEL

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie en interactief voorlezen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 25 juni 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen

Uitgegeven de eerste juli 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

In de eerste levensjaren van een kind wordt de basis gelegd voor de verdere ontwikkeling en het latere leren. Deze periode is voor de ontwikkeling van het kind dus van fundamenteel belang. Als een kind in de eerste jaren minder wordt gestimuleerd in diens ontwikkeling, dan is dat later moeilijk in te halen.1 Voor die kinderen is er voorschoolse educatie (hierna: ve): een programma voor kinderen in de kinderopvang, in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar (hierna: ve-peuters) waarin zij extra worden gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele vaardigheden.2 Uit het longitudinale onderzoek pre-COOL en uit EVENING, een effectstudie naar ve, blijkt dat ve in Nederland er daadwerkelijk voor zorgt dat ve-peuters een inhaalslag maken in hun ontwikkeling, mits de kwaliteit van de ve goed is.34 Het is daarom belangrijk om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de ve in Nederland zo hoog mogelijk is en blijft.

In het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (hierna: Besluit basisvoorwaarden) zijn onder andere de eisen vastgelegd waaraan beroepskrachten die werken in de ve moeten voldoen. Met het voorliggende wijzigingsbesluit worden de eisen op enkele onderdelen gewijzigd. Aanleiding hiervoor zijn onder andere gewijzigde inzichten over hetgeen bijdraagt aan verdere kwaliteitsverhoging van ve, met name ten aanzien van de kwalificaties van beroepskrachten.

Ten eerste wordt in dit besluit een nieuwe vaardigheid toegevoegd aan het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken: het interactief voorlezen aan het jonge kind (hierna ook: «interactief voorlezen»). Het beheersen en toepassen van deze vaardigheid draagt bij aan de ontwikkeling van het kind. Dit onderdeel van het keuzedeel moet (net als de andere onderdelen daarvan) met goed gevolg zijn afgerond om te mogen werken in de ve. De daartoe kwalificerende opleidingen, zullen dit dan ook opnemen in hun curriculum, voor zover dat nog nodig is (veel opleidingen besteden hier al aandacht aan). Er is voorzien in overgangsrecht met eerbiedigende werking. Zodoende geldt deze nieuwe eis niet voor degenen die al inzetbaar waren als beroepskracht ve ten tijde van de inwerkingtreding van dit onderdeel van dit besluit.

Ten tweede regelt dit besluit dat beroepskrachten ve eveneens aan het vereiste niveau van taalvaardigheid voldoen als zij kunnen aantonen dat zij het niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen (hierna: ERK) in het Nederlands beheersen op de onderdelen mondelinge taalvaardigheid en lezen.

Ten derde maakt dit besluit het mogelijk om beroepskrachten in opleiding die het eerste leerjaar van hun opleiding hebben afgerond en de scholing voor ontwikkelingsgericht werken volgen of al hebben afgerond, onder voorwaarden inzetbaar te maken als tweede beroepskracht in de formatie van ve-groepen met negen tot zestien kinderen, en dus – onder die voorwaarden – mee te tellen in de beroepskracht-kindratio. Dit is onder andere toegestaan indien de houder van een kindercentrum (hierna: houder) voorziet in de benodigde begeleiding van de beroepskracht in opleiding. Ook over deze begeleiding bevat dit besluit nieuwe eisen.

Ten vierde en ten slotte wordt in dit besluit de basiskwalificatie voor het werken in de ve gewijzigd, waarbij wordt geregeld dat beroepskrachten ve dienen te beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding in plaats van de tot nu geldende eis van een getuigschrift van een met gunstig gevolg afgelegd examen van een aangewezen opleiding. Hiermee wordt aangesloten op een reeds bestaande situatie. De collectieve arbeidsovereenkomsten met betrekking tot kinderopvang en ve gaan er al lange tijd van uit dat sommige opleidingen, indien zij voor ten minste een bepaald deel zijn voltooid, voldoende basis bieden om in de kinderopvang en ve te werken. De pabo is hiervan een voorbeeld. Dit onderdeel van het besluit biedt hiervoor een duidelijke grondslag.

Er is voorzien in overgangsrecht, dat bestaande rechten en verwachtingen van reeds inzetbare beroepskrachten ve en studenten die een opleiding tot beroepskracht ve volgen, eerbiedigt. Hun inzetbaarheid in de ve wordt, ook na inwerkingtreding van de relevante bepalingen in dit besluit, gegarandeerd. Ook voor de inzetbaarheid van beroepskrachten in opleiding die reeds zijn ingeschreven voor een voor ve kwalificerende opleiding op 31 juli 2027, dus de dag voor de inwerkingtreding van de bepaling waarin «interactief voorlezen» aan het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken wordt toegevoegd, is voorzien in overgangsrecht. Hierdoor kunnen ook zij (onder voorwaarden) formatief kunnen worden ingezet in de ve na afronding van het eerste leerjaar, ook als de vaardigheid «interactief voorlezen» geen onderdeel van hun opleiding was.

Leeswijzer

Deze nota van toelichting beschrijft de aanleiding voor deze wijzigingen van het Besluit basisvoorwaarden en de gevolgen van de wijzigingen. Paragraaf 2 betreft de probleembeschrijving. Deze zet uiteen waarom het wenselijk is de vaardigheid «interactief voorlezen» toe te voegen aan de beroepsvereisten voor het werken in de ve. Daarnaast wordt beschreven waarom de onmogelijkheid van de inzet van beroepskrachten in opleiding in de ve en de formulering van de bepaling over de basiskwalificatie voor het werken in de ve onwenselijke gevolgen heeft. Paragraaf 3 beschrijft de inhoudelijke hoofdlijnen van dit besluit. Paragraaf 4 betreft de gevolgen van dit besluit, waaronder die met betrekking tot regeldruk. Paragraaf 5 gaat over de uitvoeringsgevolgen voor het toezicht. Ook staat deze toelichting stil bij de financiële gevolgen, de gevolgen voor Caribisch Nederland, de uitkomst van de internetconsultatie, en het overgangsrecht en de beoogde inwerkingtredingsdatum (paragrafen 6 t/m 9). In laatstgenoemde paragraaf worden ook de gevolgen van het overgangsrecht voor het toezicht behandeld.

2. Probleembeschrijving

2.1.1. Vaardigheid interactief voorlezen

Een van de belangrijkste doelstellingen van ve is dat peuters met een risico op een ontwikkelachterstand grote stappen maken in hun taalontwikkeling. In verband met deze doelstelling dienen alle beroepskrachten ve sinds 2019 aan te kunnen tonen dat zij het referentieniveau Nederlands 3F beheersen op de onderdelen «Mondelinge Taalvaardigheid» en «Lezen» (hierna: de taaleis ve). Het taalniveau van de beroepskracht bepaalt namelijk mede de mate waarin zij de taalontwikkeling van peuters kunnen ondersteunen. Kinderen ontwikkelen een grotere basiswoordenschat en leren meer complexe zinconstructies van een beroepskracht die taalvaardig is en die in staat is om taalrijke situaties te creëren.5

Het Besluit basisvoorwaarden vereist, naast het voldoen aan de taaleis ve, dat de beroepskracht ve het keuzedeel «ontwikkelingsgericht werken» afgerond dient te hebben of een beroepsopleiding dient te hebben gevolgd waar de kennis en vaardigheden uit genoemd keuzedeel al onderdeel van zijn. Het keuzedeel «ontwikkelingsgericht werken» heeft betrekking op verschillende kennis en vaardigheden, zoals het werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie en het betrekken van ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.6 Bij de introductie van de eisen aan de ve-scholing werd beoogd de kwaliteit van de ve beter te borgen, nu gebleken is dat scholing en training die specifiek zijn gericht op kennis en vaardigheden van ve van groot belang zijn voor de kwaliteit van ve voor een groep en daarmee voor de ontwikkelingskansen van de kinderen op die groep.7 Een vaardigheid die op dit moment in deze opleidingseisen ontbreekt is «interactief voorlezen». Dit is onwenselijk, omdat is gebleken dat wanneer beroepskrachten deze vaardigheid beheersen, een extra bijdrage kan worden geleverd aan de taalontwikkeling, de taalproductie en het vergroten van de woordenschat van het jonge kind.8

Onder «interactief voorlezen» wordt verstaan dat voorlezers voor, tijdens en na het voorlezen in gesprek gaan met peuters over het verhaal.9 Ze stellen vragen over de gebeurtenissen en de personages in het verhaal, om het taalbegrip en de taalproductie van de peuters te stimuleren. Voorlezers kunnen bijvoorbeeld nieuwe woorden introduceren in de voorleestekst of tijdens de interactie. Zo worden peuters uitgenodigd om verbanden te leggen, zowel binnen het verhaal als daarbuiten, door het voorgelezen verhaal te koppelen aan ervaringen die de peuters zelf hebben opgedaan.10 Daarnaast blijkt dat interactie in een groep voornamelijk van belang is voor peuters met een andere thuistaal of die uit een gezin met een lage sociaal economische status komen.11 «Interactief voorlezen» stelt beroepskrachten ve in staat om voor de peuters taalrijke situaties te creëren. Dit betreft daarom een belangrijke vaardigheid voor beroepskrachten ve. Het ontbreken van deze vaardigheid in de opleidingseisen voor beroepskrachten ve, kan ertoe leiden dat beroepskrachten in hun opleiding vaardigheden mislopen die een wetenschappelijk bewezen bijdrage leveren aan het stimuleren van de taalontwikkeling van peuters.

2.1.2. Vereist taalvaardigheidsniveau B2

In de paragraaf hierboven is reeds ingegaan op het vereiste taalniveau op de onderdelen mondelinge taalvaardigheid en lezen om te kunnen werken in de ve (ten minste referentieniveau 3F). Deze eis werd op 1 augustus 2017 ingevoerd.12 Daarbij geldt sinds 1 januari 2025 de taaleis IKK.13 Deze is opgenomen in de Regeling Wet kinderopvang, voor beroepskrachten in de dagopvang.14 De taaleis IKK houdt in dat een beroepskracht in de reguliere dagopvang moet kunnen aantonen dat de deelvaardigheden «gesprekken voeren», «luisteren» en «spreken» tenminste liggen op het referentieniveau 3F van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, of referentieniveau B2 van het ERK.

De taaleis IKK verschilt hiermee van de taaleis in de ve, nu bij de taaleis IKK voor het onderdeel mondelinge taalvaardigheid ook het referentieniveau B2 van het ERK als voldoende niveau wordt beschouwd. Beide taaleisen stemmen met elkaar overeen voor zover deze het gevraagde referentieniveau 3F voor mondelinge taalvaardigheid betreffen.15

Omdat voor de kinderopvang niveau B2 van het ERK als vergelijkbaar met referentieniveau 3F werd beschouwd, terwijl dit niveau niet als zodanig in de regelgeving ten aanzien van de ve werd aangemerkt, ontstond onduidelijkheid over de vraag in welke context, welk taalniveau, op welke manier moest worden aangetoond. Daar waren zowel het veld als het toezicht niet mee gediend. Getracht is de onduidelijkheden weg te nemen door middel van de notitie «De taaleis in de kinderopvang: aantoonbaarheidseisen taaleis IKK en taaleis VE», gepubliceerd in december 2024.16

In deze notitie staat onder meer dat het mogelijk is om aan de taaleis ve te voldoen door aan te tonen dat is voldaan aan referentieniveau B2 van het ERK, zoals via een diploma of een combinatie van specifieke deelcertificaten Staatsexamen Nt2, programma II. Een duidelijke grondslag hiervoor ontbrak echter in het Besluit basisvoorwaarden, omdat daarin slechts verwezen werd naar referentieniveau 3F.

De regering acht het onwenselijk dat er geen duidelijke grondslag is voor de aantoonbaarheid van het niveau van vereiste taalvaardigheid. Dit leidt immers tot rechtsonzekerheid, regeldruk en hogere toezichtskosten en -lasten.17 Dit besluit expliceert daarom dat een beroepskracht ve ook aan de taaleis ve voldoet wanneer hij referentieniveau B2 van het ERK op de onderdelen mondelinge taalvaardigheid en lezen in het Nederlands beheerst. Onder paragraaf 3.1 wordt hier nader op ingegaan.

2.2. Beroepskracht in opleiding onder voorwaarden in de voorschoolse educatie

Het Besluit basisvoorwaarden beschrijft de eisen waaronder houders beroepskrachten formatief mogen inzetten op een ve-groep. Het begrip «formatief» betekent in deze context dat de beroepskracht meetelt in de berekening van de beroepskracht-kindratio. De beroepskracht-kindratio schrijft voor hoeveel beroepskrachten op een ve-groep per kind moeten worden ingezet. Een ve-groep mag uit maximaal zestien kinderen bestaan. Op groepen tot en met acht kinderen dient één beroepskracht ve formatief te worden ingezet, op groepen tussen negen en zestien kinderen dienen twee beroepskrachten ve formatief te worden ingezet.18

Op grond van het huidige Besluit basisvoorwaarden mogen beroepskrachten in opleiding niet formatief op een ve-groep ingezet worden. Specifiek voor studenten pedagogisch werk in de beroepsbegeleidende leerweg (hierna ook: bbl) die bewust hebben gekozen voor een leerwerktraject, is een boventallige19 inzet (bijvoorbeeld als stagiair) onvoldoende, omdat een bbl-student geen stage loopt maar werkzaam is bij een leerwerkplek waarbij de baan is gekoppeld is aan de opleiding. Oftewel: wanneer een bbl-student via een leerwerkplek het vak van pedagogisch medewerker in de ve wil leren, dan moet ook de mogelijkheid bestaan om daadwerkelijk formatief als beroepskracht in opleiding in de ve aan de slag te gaan en in die hoedanigheid (een bepaalde mate van) eigen verantwoordelijkheid te dragen. Een bbl-student heeft een andere overeenkomst dan een stagiair, vaak een combinatie van een arbeidsovereenkomst en een beroepspraktijkvormingsovereenkomst. De focus in de bbl ligt op het leren van het beroep in de praktijk met andere verantwoordelijkheden dan bij een bovenformatieve inzet. Een formatieve inzet zorgt er aldus voor dat (pas) afgestudeerden beter beslagen ten ijs komen omdat zij het vak reeds in de praktijk hebben kunnen (uit)oefenen. Uit signalen uit het veld blijkt dat de drempel om in de ve te werken hoog kan zijn voor pas afgestudeerde beroepskrachten door het ontbreken van praktijkervaring op een ve-groep.

Bovendien zijn er vanuit het veld signalen dat houders graag meer leerwerkplekken willen aanbieden, vanwege de groeiende vraag naar gekwalificeerd personeel. In de kinderopvang en de ve is er sprake van een personeelstekort, die naar verwachting de komende jaren alleen maar toe zal nemen. De tekorten in de ve zijn lager dan in de reguliere kinderopvang (ongeveer 30% in de ve ten opzichte van 54% in de reguliere kinderopvang). Voor het tekort in de ve zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, waaronder te weinig instroom van voor de ve gekwalificeerde beroepskrachten vanuit het mbo, ziekteverzuim, aanvullende kwalificatie-eisen door gemeenten en uitstroom van personeel.20 Naar verwachting zal dit tekort de komende jaren toenemen, onder andere als gevolg van een afname van mbo-studenten en een toename van de vraag door groei van het aantal ve-peuters.21 Kindercentra kunnen zich hierdoor genoodzaakt zien om ve-groepen (tijdelijk) te sluiten. Dit kan ervoor zorgen dat de ontwikkeling van peuters wordt geremd. Omdat de continuïteit van ve zo belangrijk is voor deze ontwikkeling van peuters, is het van belang ervoor te zorgen dat groepen zoveel mogelijk open kunnen blijven, zolang de kwaliteit voldoende blijft gewaarborgd. Ook in het licht van de kansengelijkheid en de groeiende groep doelgroepkinderen, is dit ongewenst.

De mogelijkheid om bbl-studenten formatief in te zetten zorgt aldus ook voor verlichting van het personeelstekort, waarmee de ve een zo groot mogelijk bereik houdt en zo effectief mogelijk kan zijn. Hierbij moet worden opgemerkt dat een student op een ve groep, ve-peuters goed kan stimuleren in hun ontwikkeling, mits aan de beroepskracht in opleiding de juiste begeleiding wordt geboden. Onder die voorwaarde is de inzet van de student dan ook daadwerkelijk van toegevoegde waarde voor de ve-groep.

Tevens moet worden opgemerkt dat deze begeleiding invloed heeft op de werkdruk voor beroepskrachten ve. Dat doet echter niet af aan de positieve effecten van de inzet van beroepskrachten in opleiding op de werkdruk, zoals meer flexibiliteit in de roostering en minder noodzaak om groepen te sluiten. Daarnaast zal, zoals reeds aangegeven, een beroepskracht in opleiding na het afronden van de opleiding sneller ingezet kunnen worden op een ve-groep, waardoor in de beginfase van de loopbaan minder begeleiding benodigd zal zijn vanuit de meer ervaren beroepskrachten ve.

De regering acht het dan ook wenselijk en noodzakelijk dat de formatieve inzet van studenten in de ve, onder bepaalde, kwaliteitsborgende voorwaarden mogelijk wordt gemaakt. Zie over de uitwerking nader paragraaf 3.2.

2.3 Basiskwalificatie voor werken in de kinderopvang, waaronder ve

Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden regelde dat beroepskrachten in de ve dienen te beschikken over een getuigschrift van een met gunstig gevolg afgelegd examen van een bij ministeriële regeling aan te wijzen opleiding (met andere woorden: een diploma).

In de onderliggende ministeriële regeling worden deze opleidingen sinds 201522 aangewezen door middel van een verwijzing naar de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst voor Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus (hierna: cao).23 Deze bevat een lijst met voor de kinderopvang en de ve kwalificerende opleidingen.

Deze verwijzing naar de cao sluit aan bij de regelgeving aangaande de reguliere kinderopvang, waarin ter aanwijzing van de voor de kinderopvang kwalificerende opleidingen ook naar de cao wordt verwezen.24 Die verwijzing vindt haar grondslag in het Besluit kwaliteit kinderopvang, waarin is bepaald dat een voor de werkzaamheden passende opleiding moet zijn gevolgd (een getuigschrift wordt dus niet verlangd) en dat bij ministeriële regeling nadere regels over de opleidingseisen kunnen worden gesteld.25

Werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties beschikken over de expertise om de afweging op de specifieke opleidingsinhoud te kunnen maken en kunnen op die manier via de cao op deugdelijke wijze bepalen welke opleidingen geschikt zijn voor de functie van pedagogisch medewerker of voor het behalen van de basiskwalificatie van beroepskrachten ve.

In de meest recente cao is opgenomen dat voor het werk als beroepskracht of beroepskracht ve, onder bepaalde voorwaarden ook niet-afgeronde opleidingen kunnen volstaan. Dit betreffen opleidingen die, indien zijn voor een bepaald deel zijn afgerond, als voldoende passend worden beschouwd om het werk als pedagogisch medewerker, dan wel beroepskracht ve, naar behoren te kunnen doen. Het gaat op dit moment bijvoorbeeld om mbo-certificaten die in combinatie kwalificeren, of om bepaalde hbo-opleidingen waarvan schriftelijk bewijs aanwezig is dat de beroepskracht ten minste 75% van de studiepunten heeft behaald of is toegelaten tot het laatste studiejaar van de opleiding. Dit sluit aan bij de vóór 2015 geldende regelgeving met betrekking tot de opleidingseisen. Artikel 10c jo. artikel 10a van de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (oud) bevatte destijds een lijst met opleidingen die kwalificeerden voor het werken in de ve. Deze lijst behelsde naast afgeronde opleidingen ook verwijzingen naar derde jaar deeltijd volgend Sociaal Pedagogisch Hulpverlener, Cultureel Maatschappelijke vorming en Maatschappelijk Werk en Dienstverlening. Ook bevatte deze lijst een verwijzing naar een overgangsbewijs naar laatste jaar pedagogische academie.26 In de praktijk werken er ook beroepskrachten in de ve op basis van dergelijke, niet volledig afgeronde opleidingen. Er zijn geen signalen dat deze reeds sinds 2010 bestaande praktijk, zorgt voor risico’s met betrekking tot de kwaliteit van de ve.

In de praktijk vloeien uit hetgeen hierboven is beschreven dus geen problemen voort. Zuiver juridisch beschouwd was dat echter op twee punten mogelijk wel het geval.

Ten eerste: omdat artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden een getuigschrift van een met gunstig gevolg afgelegd examen vereiste, was de aanwijzing van niet afgeronde opleidingen (in de cao) niet in overeenstemming met de genoemde bepaling, voor zover het de ve betrof.

Ten tweede: genoemd artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bood mogelijk geen toereikende grondslag voor een in de ministeriële regeling opgenomen verwijzing naar de cao naar het voorbeeld van de regelgeving omtrent kinderopvang.27 De delegatiebepaling in het Besluit basisvoorwaarden is anders geformuleerd dan die in het Besluit kwaliteit kinderopvang.28 Eerstgenoemde delegatiebepaling vereist immers aanwijzing bij ministeriële regeling en maakt het stellen van nadere regels alleen mogelijk «ter uitvoering van» artikel 4, terwijl laatstgenoemde delegatiebepaling het door de minister stellen van nadere regels aangaande de opleidingseisen voor beroepskrachten mogelijk maakt.

Het is uiteraard van belang dat er geen discussie mogelijk is over de vraag of de grondslag voor de genoemde regels toereikend is. Aangezien dit geen risico’s voor de kwaliteit oplevert en reeds lang bestaande praktijk is, ziet de regering aanleiding om de grondslag aan te passen op zodanige wijze dat ook niet afgeronde opleidingen (mits passend voor de werkzaamheden) kunnen kwalificeren voor het werken in de ve. Verder wordt in de betreffende delegatiebepaling expliciet opgenomen dat de aanwijzing van passende opleidingen kan geschieden, door statische verwijzing naar de cao. Aanwijzing van de opleidingen door middel van een lijst in (een bijlage bij) de ministeriële regeling zelf blijft ook mogelijk.29 Zie nader over de uitwerking hiervan paragraaf 3.3.

3. Probleemaanpak en motivering instrumentkeuze

3.1. Interactief voorlezen en verduidelijking ten aanzien van de taaleis ve

Zoals toegelicht in paragraaf 2.1.1., wordt de vaardigheid «interactief voorlezen» opgenomen als nieuwe basisvoorwaarde, om zo de taalontwikkeling van ve-peuters optimaal te versterken. De vaardigheid interactief voorlezen wordt, na aanpassing van de kwalificatiedossiers, onderdeel van de opleiding tot beroepskracht ve.30 Personen die op 31 juli 2027 reeds inzetbaar waren om te werken als beroepskracht ve, blijven inzetbaar in de ve zonder nascholingsverplichting. Zij hoeven als gevolg van deze wijziging niet iets extra’s te doen. Het overgangsrecht voorziet hierin (zie nader paragraaf 9.3).

De eis met betrekking tot de beheersing van «Mondelinge Taalvaardigheid» en «Lezen» op referentieniveau 3F blijft gelden. Hieraan wordt toegevoegd dat beroepskrachten ve ook voldoen aan de taaleis ve als ze voldoen aan niveau B2 van het ERK in de Nederlandse taal op deze onderdelen. Zoals aangegeven paragraaf 2.1.2 leidde het ontbreken van dit niveau B2 in de taaleis tot onnodige rechtsonzekerheid. Deze onzekerheid is dus weggenomen.31 Zoals hierna zal worden toegelicht, leidt dit niet tot risico’s met betrekking tot de kwaliteit van de ve.

Niveau B2 van het ERK is sterk vergelijkbaar met het referentieniveau 3F. Indien iemand mondelinge taalvaardigheid op niveau B2 beheerst, is de persoon in staat om over abstracte thema’s vloeiend te spreken, gesprekken te begrijpen (ook wel: luisteren), en gesprekken te voeren. Dit houdt (meer specifiek) bijvoorbeeld in dat de persoon technische discussies ten aanzien van het eigen werkveld of de opleiding goed kan volgen.32 Ter vergelijking: niveau 3F op het onderdeel Gesprekken houdt onder meer in dat men «actief kan deelnemen aan gesprekken in het kader van werk/ beroepsvoorbereiding, een project (…) en de evaluatie daarvan.»33 Iemand die kan lezen op niveau B2, kan in grote mate zelfstandig lezen, waarbij geschikte bronnen selectief worden gebruikt. Ook kan iemand met een leesvaardigheid op B2-niveau artikelen en rapporten begrijpen die betrekking hebben op hedendaagse problemen waarin bepaalde standpunten of zienswijzen worden ingenomen en lange, complexe instructies binnen zijn vakgebied begrijpen, inclusief details over omstandigheden en waarschuwingen (…).34. Ter vergelijking kan iemand die lezen op niveau 3F beheerst een grote variatie aan teksten over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard zelfstandig lezen en deze lezen met begrip voor geheel en details.35

Met niveau B2 kan worden aangetoond dat de Nederlandse taal voldoende wordt beheerst om in Nederland te kunnen werken of (in de regel) op hbo-niveau te studeren. Dat is vergelijkbaar met referentieniveau 3F, dat immers het beoogde eindniveau is van het havo, dat toegang geeft tot het hbo en ook mbo 4. De vergelijkbaarheid van de niveaus wordt bevestigd door de Regeling Wet kinderopvang, waarin het niveau B2 van het ERK ook wordt gelijkgeschakeld met referentieniveau 3F. Degenen die kunnen bewijzen dit niveau te beheersen, voldoen gezien het voorgaande aan het beoogde taalniveau voor het werken in de ve. Mitsdien is er voldoende reden voor de toevoeging van genoemd niveau B2 aan artikel 4, lid 3a, van het Besluit basisvoorwaarden.

3.2. Inzet beroepskrachten in opleiding

Met dit wijzigingsbesluit wordt geregeld dat studenten die een opleiding volgen tot beroepskracht ve onder voorwaarden formatief ingezet kunnen worden op een ve-groep, zodat zij werken en leren kunnen combineren. Dit betekent dat de beroepskrachten in opleiding in de zin van de Wet kinderopvang (dus in de reguliere dagopvang), wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, mogen meetellen in de beroepskracht-kindratio op de ve groep, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid van het Besluit basisvoorwaarden. Dit kan tevens bijdragen aan het verminderen van het personeelstekort in de sector. Hieronder worden de genoemde voorwaarden, die ertoe dienen de kwaliteit van het aanbod ve te borgen, nader toegelicht.

3.2.1. Voorwaarden inzet beroepskracht in opleiding in de voorschoolse educatie

De beroepskracht in opleiding die formatief in de ve wordt ingezet, dient een student te zijn die een voor ve kwalificerende mbo-opleiding in de bbl volgt. Gezien het feit dat de nadruk van een bbl-opleiding ligt op het leren in de praktijk en studenten doorgaans zo’n vier dagen in de week bij een erkend leerbedrijf aan de slag gaan, is het een gemiste kans dat het huidige besluit niet toestaat dat deze studenten formatief ervaring op kunnen doen met meer verantwoordelijkheden op een ve-groep. Om die reden maken de wijzigingen in het besluit het voor deze groep mogelijk om al tijdens de bbl-opleiding het vak al lerende in de praktijk uit te oefenen, en kan het personeelstekort enigszins worden verminderd.

In dit besluit is opgenomen dat beroepskrachten in opleiding pas op een ve-groep kunnen worden ingezet als het eerste leerjaar van de bbl-opleiding tot beroepskracht is afgerond. Het eerste leerjaar is afgerond wanneer alle verplichte onderdelen met een voldoende resultaat zijn afgesloten. Dit geldt voor alle passende opleidingen. De onderdelen die afgerond moeten worden kunnen per opleiding verschillen. De houder dient te achterhalen of de beroepskracht in opleiding het eerste leerjaar heeft afgerond. De houder kan daarvoor aan de beroepskracht in opleiding vragen om bewijs aan te leveren, bijvoorbeeld een certificaat, een cijferlijst of een verklaring vanuit de opleiding.

Voor studenten die een mbo 3 opleiding volgen geldt de aanvullende eis dat zij het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken volgen of hebben gevolgd. Hiermee kan worden vastgesteld dat studenten affiniteit hebben met ve en (gaan) beschikken over de kennis en vaardigheden die benodigd zijn voor het werken in de ve. De houder dient te achterhalen of de student het keuzedeel volgt of al met goed gevolg heeft afgerond door aan de student een bewijs daarvan te vragen. Dit kan een bewijs zijn dat de student zich heeft aangemeld voor het keuzedeel met vermelding wanneer dit keuzedeel is gestart, een bewijs van het door de student behaalde resultaat voor dit keuzedeel of een verklaring vanuit de opleiding waarin staat dat het keuzedeel wordt gevolgd of met goed gevolg is afgerond.

Voor studenten die een mbo 4 opleiding volgen geldt de eis dat zij het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken volgen of hebben gevolgd, niet, omdat de eisen rondom ontwikkelingsgericht werken geïntegreerd zijn in de opleiding. Deze studenten doen de kennis en vaardigheden voor het werken in de ve gedurende hun hele opleiding op. Een student die als beroepskracht in opleiding formatief ingezet wordt op een ve-groep hoeft niet te voldoen aan de taaleis ve, nu zij hun opleiding nog niet hebben afgerond. Deze studenten kunnen in de meeste gevallen nog niet voldoen aan de taaleis, of hebben hiervan nog geen bewijsstuk.36

Ve wordt altijd gegeven in een kindercentrum.37 De eisen uit het Besluit basisvoorwaarden zijn daarom aanvullend op de al geldende eisen voor een beroepskracht in opleiding in de reguliere kinderopvang, dat immers ook in kindercentra plaatsvindt. De eisen die worden gesteld aan een beroepskracht in opleiding krachtens de Wet kinderopvang, gelden dan ook onverkort voor de beroepskracht in opleiding op een ve-groep. Zo kan op het moment van vaststelling van dit besluit maximaal een derde deel van de medewerkers binnen de formatie op een kindercentrum in opleiding zijn.38

3.2.2. Eisen aan de ve-groepsgrootte

In de ve is de beroepskracht-kindratio één op de acht.39 Dit betekent dat er per acht kinderen één beroepskracht ve aanwezig moet zijn. Bovendien mag een groep niet groter zijn dan zestien kinderen. Met dit wijzigingsbesluit wordt vastgelegd dat beroepskrachten in opleiding formatief ingezet mogen worden op groepen waar vanwege de beroepskracht-kindratio twee gekwalificeerde professionals aanwezig dienen te zijn. Beroepskrachten in opleiding mogen alleen samen met een volleerde beroepskracht ve formatief op een groep worden gezet (artikel 3a, eerste lid, onderdeel d). Dit betekent dat het niet is toegestaan om bij ve-groepen van meer dan acht kinderen twee beroepskrachten ve in opleiding formatief in te zetten. Ook is het niet toegestaan om de beroepskracht ve in opleiding als enige professional (bij groepen tot acht kinderen) formatief op een groep te zetten. Er dient dus altijd een volleerde beroepskracht ve op de ve-groep te staan. Deze beroepskracht ve mag, bij groepen van meer dan acht kinderen, niet een beroepskracht ve in de zin van artikel 4, vijfde lid, van het Besluit basisvoorwaarden betreffen.40 Op deze manier kan zowel worden bijgedragen aan de ontwikkeling van de peuters in de groep als aan de benodigde begeleiding van de beroepskracht ve in opleiding.

3.2.3. Eisen aan de begeleiding van de beroepskracht in opleiding binnen de ve

Om de continuïteit en kwaliteit op de ve groepen te waarborgen, zijn aanvullende voorwaarden verbonden aan de inzet van beroepskrachten in opleiding.41 Een van die voorwaarden is dat er een begeleidingsplan wordt opgesteld, waarin is opgenomen hoe de beroepskracht in opleiding op de ve groep wordt ingezet en dat er conform dat begeleidingsplan wordt gehandeld. Het doel van het begeleidingsplan is om de beroepskracht in opleiding op te leiden tot een vakbekwame beroepskracht ve en te ondersteunen in de praktijk. Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding dient, op basis van regelgeving met betrekking tot kinderopvang, altijd rekening gehouden te worden met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden.42 Dat geldt onverkort voor beroepskrachten in opleiding in de ve.

De beroepskracht in opleiding, diens opleidingsbegeleider43 en de praktijkbegeleider44 in dienst van het kindercentrum moeten allemaal schriftelijk hebben ingestemd met het begeleidingsplan. Het kan zinvol zijn ook de pedagogisch beleidsmedewerker te betrekken bij het opstellen van het begeleidingsplan, maar dit is niet verplicht. Als één van de betrokkenen de inzet niet verantwoord vindt, wordt van diegene verwacht dat hij of zij niet instemt met het begeleidingsplan en dat de formatieve inzet niet (of in gewijzigde vorm) plaatsvindt. De houder is verantwoordelijk voor de personeelstoedeling en verantwoordelijkheidsverdeling en daarmee ook formeel eindverantwoordelijk om te zorgen dat de inzet van een beroepskracht in opleiding geschiedt conform het begeleidingsplan en dat de begeleidende beroepskracht ve alleen wordt ingezet als deze de ruimte heeft om voldoende tijd en aandacht in de begeleiding te steken.45 Hier kan ook aandacht aan worden besteed in het begeleidingsplan. Daarnaast kan de pedagogisch beleidsmedewerker worden ingezet als een coach om de beroepskracht ve te helpen en ondersteunen bij het begeleiden van de beroepskracht in opleiding.

Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan het begeleidingsplan. Hierbij wordt gedacht aan:

  • Een beschrijving van welke ve-specifieke taken zijn toegewezen aan de beroepskracht in opleiding;

    • Voorbeelden van ve-specifieke taken kunnen zijn: begeleiden van de kring, grote of kleine groepsactiviteiten, het bijhouden van het kind-volgsysteem, het voeren van oudergesprekken, het opstellen van een activiteiten- of groepsplan;

  • De mate waarin de beroepskracht in opleiding deze taken zelfstandig kan en mag uitvoeren;

  • Op welke wijze de beroepskracht in opleiding wordt begeleid bij de uitvoering van de taken.

Het begeleidingsplan voor beroepskrachten in opleiding ve kan een zelfstandig document zijn, maar ook als onderdeel of bijlage opgenomen worden bij andere reeds bestaande documentatie die betrekking heeft op de beroepskracht in opleiding (bijvoorbeeld een aanvulling op het begeleidingsplan als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Regeling Wet kinderopvang). Het begeleidingsplan wordt een verplicht onderdeel van de administratie van de houder. Hiertoe zal de Regeling Wet kinderopvang worden gewijzigd.

3.3. Basiskwalificatie voor werken in de kinderopvang, waaronder ve

Een beroepskracht ve dient op grond van het bij dit besluit gewijzigde artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden te beschikken over een «voor de werkzaamheden passende opleiding». Bij ministeriële regeling of door middel van een daarin opgenomen statische verwijzing naar de cao worden op grond van het nieuwe artikel 4, lid 1a, de opleidingen aangewezen die passend zijn en de bewijsstukken aangewezen waarmee beroepskrachten ve kunnen aantonen dat de opleiding hieraan voldoet. Zodoende is buiten twijfel gesteld dat het besluit een statische verwijzing naar de cao toestaat.

Hiermee wordt tegemoetgekomen aan het advies46 van de van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling) met betrekking tot de dynamische verwijzing naar de cao. Zie nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen B en D.

Voor de mogelijkheid om ten aanzien van de opleidingen en de bewijsstukken met een statische verwijzing te kunnen werken, is gekozen in verband met de hierboven reeds genoemde expertise van de cao-partners met betrekking tot het beoordelen van de geschiktheid van opleidingen om tot een basiskwalificatie te leiden. Door statische verwijzing wordt recht gedaan aan deze expertise, en wordt tegelijkertijd tot uitdrukking gebracht dat de minister de verantwoordelijkheid draagt voor de selectie van de opleidingen. Bij een statische verwijzing moet de minister immers actief besluiten de op een vaststaande lijst voorkomende opleidingen aan te wijzen als voor de werkzaamheden passend en daarmee kwalificerend voor het beroep. Ook de kenbaarheid van regelgeving is hierbij gebaat, nu bij een statische verwijzing duidelijker is naar welk exact document wordt verwezen.

Zoals al eerder opgemerkt kunnen, onder voorwaarden, op basis van dit besluit ook sommige niet-afgeronde relevante opleidingen een basiskwalificatie opleveren om in de ve werkzaam te zijn. Zo is thans via een verwijzing naar de meest recente cao kinderopvang geregeld dat hbo-studenten Pedagogiek met 75% van de studiepunten of een overgangsbewijs naar het vierde jaar aan de slag kunnen in de dagopvang. De cao-partners beoordelen op basis van hun kwaliteitskader welke opleidingen zij geschikt achten om tot een basiskwalificatie te leiden. Op basis hiervan is door (experts van) de cao-partijen aan de cao-tafel geoordeeld dat studenten die deze opleidingen voor een bepaald deel hebben afgerond, beschikken over voldoende kennis en vaardigheden om in de kinderopvang te kunnen werken.

De bovenstaande werkwijze aangaande bepaalde niet geheel afgeronde opleidingen is al sinds 2010 staande praktijk. Over die praktijk werd, in de kennelijke veronderstelling dat deze binnen de wettelijke kaders mogelijk en wenselijk was, overigens niet geheimzinnig gedaan. Deze wijziging legaliseert derhalve een al meer dan vijftien jaar bestaande situatie. De aanpassing heeft daarom naar verwachting geen gevolgen voor de kwaliteit van de ve.

De overige eisen (opgenomen in het Besluit basisvoorwaarden) voor het werken in de ve blijven daarbij vanzelfsprekend van toepassing op beroepskrachten ve, ongeacht de specifieke, voor het werken in de ve kwalificerende opleiding die ze hebben gevolgd.

In het bijzonder moet in dit kader worden gewezen op de eisen genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, waarin is bepaald dat de opleiding specifiek gericht moet zijn op het opdoen van pedagogische vaardigheden op minimaal mbo 3 niveau. Deze noodzakelijke randvoorwaarden van het niveau en richting van de opleiding blijven behouden. Zij dienen daarom steeds in acht te worden genomen bij de besluitvorming over de vraag welke opleidingen als voor de werkzaamheden passende opleidingen kunnen worden aangemerkt.

4. Gevolgen

4.1. Reeds inzetbare beroepskrachten ve
4.1.1. Interactief voorlezen

De eis interactief voorlezen wordt niet verplicht voor beroepskrachten die momenteel voldoen aan de eisen voor het werken in de ve.

4.1.2. Formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding in de ve

Beroepskrachten ve die momenteel bevoegd zijn om te werken in de ve kunnen als gevolg van de wijziging te maken krijgen met de formatieve inzet van een collega-beroepskracht op de groep die een beroepskracht in opleiding is. Mogelijk kan de houder aan de beroepskracht ve vragen om de beroepskracht in opleiding te begeleiden en ondersteunen. Het begeleiden van beroepskrachten in opleiding heeft invloed op de werkdruk voor beroepskrachten ve. Hierbij is het van belang om op te merken dat er positieve effecten zijn verbonden aan de inzet van beroepskrachten in opleiding, zoals meer flexibiliteit in de roostering en minder noodzaak om groepen te sluiten. Daarnaast zal een beroepskracht in opleiding na het afronden van de opleiding sneller ingezet kunnen worden op een ve-groep, waardoor minder begeleiding benodigd zal zijn vanuit de beroepskrachten ve.47 Door de positieve effecten van de inzet van de beroepskracht in opleiding wordt de werkdruk beperkt.48

4.2. Studenten van opleidingen die kwalificeren voor het werken in de ve
4.2.1. Interactief voorlezen

Voor studenten Pedagogisch Werk en Gespecialiseerd Pedagogisch Medewerker die voornemens zijn te gaan werken als beroepskracht ve, betekent het toevoegen van de vaardigheid «interactief voorlezen» aan de beroepseisen, dat zij tijdens hun opleiding les krijgen in deze vaardigheid. Voor mbo 4 studenten zal deze vaardigheid verspreid over het curriculum aan bod komen. Voor mbo 3 studenten zal een nieuw keuzedeel ontwikkelingsgericht werken aangeboden worden, waarin onder meer aandacht besteed wordt aan het opdoen van deze vaardigheid. Dit betekent dat alle studenten die vanaf 1 augustus 2027 met hun opleiding starten deze vaardigheid onderwezen krijgen en in staat zijn deze vaardigheid in te zetten in de interactie met ve peuters. Om deze reden treedt dit onderdeel op 1 augustus 2027 in werking. Zie nader paragraaf 9.

4.2.2. Formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding in de ve

Met de mogelijkheid om beroepskrachten in opleiding formatief te kunnen inzetten op een ve-groep, wordt de continuïteit van ve beter gewaarborgd. De wijziging van het Besluit basisvoorwaarden zorgt ervoor dat studenten eerder in aanmerking komen met ve-peuters, waardoor studenten beter beslagen ten ijs komen na afronding van de opleiding, hetgeen de kwaliteit van de ve ten goede zal komen. Om de kwaliteit van de ve-groep te borgen en eventuele negatieve gevolgen te ondervangen, is als eis opgenomen dat een beroepskracht in opleiding alleen meegeteld kan worden voor de beroepskracht-kindratio onder voorwaarden. In paragraaf 3.2. worden deze voorwaarden uiteengezet en toegelicht. De maatregel in combinatie met deze borging zorgt ervoor dat beroepskrachten in opleiding meer mogelijkheden krijgen zich binnen de opleiding te ontwikkelen.

4.3. Onderwijsinstellingen

Het opnemen van de vaardigheid «interactief voorlezen» aan het onderdeel «ontwikkelingsgericht werken» vraagt om inspanningen van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en van onderwijsinstellingen. Zo dient de SBB de kwalificatiedossiers Gespecialiseerd Pedagogisch Medewerker en het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken aan te passen. Ook dienen onderwijsinstellingen dit door te voeren in hun curriculum.

Daarnaast dienen onderwijsinstellingen betrokken te worden bij het opstellen van het begeleidingsplan bij de formatieve inzet van de beroepskracht in opleiding op een ve-groep.

4.4. Houder van een kindercentrum

De mogelijkheid om beroepskrachten in opleiding formatief in te zetten in de ve zorgt voor meer flexibiliteit voor de houder bij het inplannen van personeel en zorgt voor meer beschikbare medewerkers in het geval dat er sprake is van afwezigheid bijvoorbeeld door ziekte van vast personeel. Een ander gevolg is dat de houder er op toe dient te zien dat de beroepskracht in opleiding wordt ingezet conform de gemaakte afspraken in het begeleidingsplan. Een houder wijst een praktijkbegeleider aan die verantwoordelijk wordt gesteld voor het opstellen van het begeleidingsplan en het begeleiden van de beroepskracht in opleiding. De houder dient er daarbij rekening mee te houden dat de praktijkbegeleider hier voldoende tijd voor heeft. Ook dient deze er rekening mee te houden dat de volleerde beroepskracht ve, die samen met de beroepskracht in opleiding op de groep staat, voldoende tijd voor heeft om de beroepskracht in opleiding te begeleiden.

4.5. Gevolgen voor de ontwikkeling van ve-peuters
4.5.1. Interactief voorlezen

Met de vaardigheid «interactief voorlezen» als beroepseis voor een beroepskracht ve wordt beoogd dat de beroepskracht ve interactieve leesvaardigheden inzet in de interactie met ve-peuters. Op deze manier worden ve-peuters meer gestimuleerd in hun taalontwikkeling dan wanneer op reguliere wijze wordt voorgelezen. Daarnaast vergroten ve-peuters hun woordenschat en taalbegrip en leren zij een gesprek te voeren.49

4.5.2. Formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding in de ve

De continuïteit van ve is belangrijk voor de ontwikkeling van peuters. Door het huidige personeelstekort in de ve zijn groepen soms genoodzaakt om te sluiten, waardoor de ontwikkeling van peuters wordt geremd. Met de maatregel om beroepskrachten in opleiding formatief te kunnen inzetten op een ve-groep, wordt de continuïteit van ve beter gewaarborgd. De wijziging zorgt er bovendien voor dat studenten eerder in aanraking komen met ve-peuters, waardoor studenten beter beslagen ten ijs komen na afronding van de opleiding, hetgeen de kwaliteit van de ve ten goede zal komen.

4.6. Gevolgen voor de regeldruk

In deze paragraaf wordt een inschatting gegeven van de gevolgen van dit besluit voor de regeldruk voor onderwijsinstellingen en (houders van) een kindercentrum. Regeldruk wordt daarbij opgevat als de eenmalige en structurele administratieve lasten, kennisnemingskosten en inhoudelijke nalevingskosten die door de maatregelen (kunnen) worden ervaren door gemeenten en (houders van) een kindercentrum.

4.6.1 Gevolgen voor onderwijsinstellingen
4.6.1.1. Interactief voorlezen

De vaardigheid «interactief voorlezen» wordt aan het onderdeel «ontwikkelingsgericht werken» toegevoegd van de beroepsgerichte kwalificatie-eisen van de mbo 4 opleiding «Gespecialiseerd pedagogisch medewerker» en aan het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken die studenten van de mbo 3 opleiding pedagogisch medewerker kunnen volgen. Deze toevoeging kan eenmalig kosten met zich meebrengen voor de mbo-opleidingen tot beroepskracht ve, wanneer de kwalificatie-eisen van de opleidingen zijn aangepast.

In totaal zijn er 37 onderwijsinstellingen in het mbo waar de opleiding tot beroepskracht ve gevolgd kan worden. Uit een inventarisatie is gebleken dat een aantal mbo-instellingen «interactief voorlezen» al als een vast onderdeel van het curriculum hebben opgenomen. Het wordt door docenten als een belangrijke vaardigheid gezien bij het werken in de ve. Sommige mbo-instellingen geven aan dat het lastig is om op het mbo-diploma toe te voegen dat aan «interactief voorlezen» is voldaan. Toch vinden mbo-instellingen het belangrijk om deze vaardigheid zichtbaar te maken, vooral ten behoeve van het toezicht.

Onderwijsinstellingen die «interactief voorlezen» niet hebben opgenomen in het curriculum, zullen voor het aanpassen van het opleidingsprogramma voor ontwikkelingsgericht werken regeldrukkosten moeten maken, waaronder kennisnemingskosten. Naar schatting zal hier eenmalig per onderwijsinstelling voor de periode van een half jaar acht uur per week voor beschikbaar moeten worden gesteld. Indien er personeel ingehuurd dient te worden zullen de kosten, op basis van acht uur per week voor een periode van twintig weken, uitkomen op € 5353,60 bruto.50 Onderwijsinstellingen die een LD-docent51 in dienst hebben zullen geen aparte kennisnemingskosten hebben, aangezien de wijziging van een dusdanige orde is dat dit past binnen het takenpakket van een LD-docent. Onderdeel van diens takenpakket is namelijk het ontwikkelen van scholingsprogramma’s en het op de hoogte houden van de nieuwste ontwikkelingen en onderzoeken binnen het vakgebied.

Uit gesprekken met de MBO-Raad en SBB is geconstateerd dat het aanpassen van het opleidingsprogramma voor ontwikkelingsgericht werken haalbaar is voor mbo-instellingen. Naar schatting zullen de meeste opleidingen ervoor kiezen om de vaardigheid «interactief voorlezen» te examineren als een praktijkexamen binnen de beroepspraktijkvorming bij een leerbedrijf. Dit wordt dan beoordeeld door een praktijkexaminator. Indien een leerbedrijf geen examinator heeft, kan daartoe een online training gevolgd worden. De MBO-Raad biedt gratis een online examinatorentraining aan.

Het toevoegen van de eis «interactief voorlezen» aan de basistraining ve, die bestaat uit een cursus van twaalf dagdelen brengt tevens kosten met zich mee voor instituten die, buiten het mbo, scholing aanbieden voor het werken met (doelgroep)peuters in de voor- en vroegschoolse educatie.52 Instituten die de scholing aanbieden zullen kennisnemingskosten maken. Daarnaast moeten ze de scholing aanpassen door de vaardigheden rondom interactief voorlezen op te nemen in het programma. Naar schatting zal een cursuscoördinator in totaal 100 uur hiermee bezig zijn. Het gemiddelde uurloon van een cursuscoördinator is € 18,68 gebaseerd op een 40-urige werkweek.53 Op basis hiervan zullen de kosten naar schatting € 1.868 bedragen.

4.6.1.2. Beroepskrachten in opleiding

Het onder voorwaarden inzetten van beroepskrachten ve in opleiding op een ve groep, brengt extra regeldrukkosten voor onderwijsinstellingen met zich mee. Opleidingen dienen studenten op de hoogte te stellen van mogelijkheden om op een ve-groep te werken. Daarnaast dienen opleidingen te controleren of een beroepskracht ve in opleiding alle verplichte onderdelen van het eerste leerjaar van de opleiding met een voldoende resultaat heeft afgesloten, en daarmee het eerste leerjaar heeft afgerond. De onderdelen die afgerond moeten worden kunnen per opleiding verschillen. Ook dient een begeleidingsplan opgesteld te worden door de beroepskracht ve in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider. Naar schatting bedraagt het opstellen van een begeleidingsplan per student één uur. Binnen de functie van opleidingsbegeleider is al gebruikelijk dat budget beschikbaar is voor deze activiteit. Ook dienen onderwijsinstellingen een verklaring op te stellen waarin staat vermeld dat een student het eerste leerjaar heeft afgerond en dat de student het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken volgt of heeft gevolgd. Naar schatting bedraagt het opstellen van een verklaring per student een half uur extra naast de reguliere werkzaamheden.

4.6.2. Gevolgen voor houders van een kindercentrum

Uit het Landelijk Register Kinderopvang blijkt dat er in 2025 totaal 4.887 kindercentra zijn die ve aanbieden. Deze locaties zullen kennisnemingskosten en nalevingskosten moeten maken rondom de formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding.54 De beroepskracht in opleiding in de ve dient voldoende begeleid te worden door een praktijkbegeleider, onder andere door middel van een begeleidingsplan die de begeleider samen met de beroepskracht in opleiding in de ve en de opleidingsbegeleider opstelt. Houders van kindercentra zullen tijd en middelen beschikbaar moeten stellen voor de beroepskracht ve die de beroepskracht ve in opleiding zal begeleiden. Naar schatting dient er één à twee uur per dag vrijgemaakt te worden voor overleg- en afstemmomenten gedurende de periode dat de beroepskracht in opleiding wordt begeleid. Voor de berekening van de regeldrukkosten wordt een tarief van € 29,47 per uur gehanteerd. Dit komt neer op een kostenpost van: 2 (aantal uur per dag) x 29,470 (uurtarief) = € 58,94 per dag.55 Gezien de werkdruk in de ve en het feit dat begeleiding tijd en capaciteit vraagt, is dit een belangrijk aandachtspunt voor de uitvoering. Hierbij is het van belang om te benadrukken dat de uren voor overleg- en afstemmomenten een schatting zijn. Hier kan in de praktijk van worden afgeweken. In het begeleidingsplan kan door de praktijkbegeleider bovendien rekening worden gehouden met de gevolgen voor de beroepskracht ve die de beroepskracht in opleiding zal begeleiden.

4.6.3. Gevolgen voor studenten

Van 2022 tot en met 2025 zijn voor de opleiding mbo 4 opleiding Gespecialiseerd pedagogisch medewerker in totaal 20.263 studenten afgestudeerd. Voor de opleiding mbo 3 Pedagogisch Medewerker zijn van 2022 tot en met 2025 in totaal 2.195 studenten afgestudeerd. Daarnaast hebben in 2025 in totaal 311 mbo 3 bbl-studenten het keuzedeel Basis ontwikkelingsgericht werken in de vve afgerond. Hierbij is het van belang om te benadrukken dat de gegevens uit het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) alleen bestaan uit cijfers van studenten die de opleiding en/of het keuzedeel hebben afgerond. Het totaal aantal studenten dat in potentie profijt zou kunnen hebben van de formatieve inzetbaarheid op een ve-groep (de formatieve inzetbaarheid betreft alleen studenten in de bbl) is op basis van bovenstaande cijfers 4.890.

4.7. Advies ATR

De ATR heeft op 6 maart 2025 advies over dit besluit uitgebracht.

De ATR heeft ten eerste geadviseerd om de werkbaarheid van het besluit toe te lichten aan de hand van bijdragen van mbo-instellingen en de MBO-Raad. Paragraaf 4.3. is daartoe aangevuld na afstemming met de MBO-Raad en gesprekken met mbo-instellingen waar is gesproken met docenten en onderwijsontwikkelaars.

Ten tweede adviseert de ATR om de kosten voor de regeldruk overeenkomstig de gebruikelijke Rijksbrede methodiek in kaart te brengen. Paragraaf 4.6. is daarom na ontvangst van het advies aangevuld met het aantal kindercentra, mbo-instellingen en studenten dat te maken krijgt met de regeldrukgevolgen.

5. Uitvoering

5.1. Toezicht en Handhaving

De GGD voert het directe, jaarlijkse toezicht uit op de basiskwaliteit van vve-voorzieningen in de kinderopvang. De Inspectie van het Onderwijs controleert of de gemeente haar taak om het vve-beleid uit te voeren goed vervult, en voert zelf risico gestuurd onderzoek uit naar de kwaliteit van vve-aanbod. Het ontwerpbesluit is ter toetsing op uitvoeringsgevolgen en handhaafbaarheid voorgelegd aan GGD GHOR Nederland, de VNG, DUO en de Inspectie van het onderwijs (hierna: de Inspectie). Door DUO en de Inspectie is aangegeven dat het besluit uitvoerbaar is. Ook de VNG acht het ontwerpbesluit uitvoerbaar en haalbaar, mits de opmerkingen die gericht zijn op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid in acht worden genomen. De GGD GHOR heeft een aantal vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over het ontwerpbesluit. De gemaakte opmerkingen en gestelde vragen zijn verwerkt. Daarmee is het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar.56

Hieronder wordt nader ingegaan op de inbreng van genoemde instanties, voorzien van een reactie van regeringszijde.

5.2. Taaleis en interactief voorlezen

In het ontwerpbesluit dat ter toetsing op uitvoeringsgevolgen en handhaafbaarheid is voorgelegd werd door de regering voorgesteld om de eis57 dat een beroepskracht ve aantoonbaar referentieniveau 3F op het onderdeel «Lezen» moet beheersen, te schrappen. De VNG benadrukt dat een aantal gemeenten zorgen heeft geuit over het schrappen van het onderdeel «Lezen» op referentieniveau 3F, omdat zij deze eis van belang vinden voor de taalontwikkeling van de ve-groep. De eis van «Lezen» op niveau 3F zal niet komen te vervallen. Hiermee wordt tevens tegemoetgekomen aan het advies van de Afdeling van 11 februari 2026 over onderhavig besluit. Daarnaast heeft de VNG aangegeven dat onduidelijk is hoe getoetst kan worden of een aanvullende cursus «interactief voorlezen» voldoet aan de kwaliteitseisen en of het om een geldig bewijs gaat. In paragraaf 2.1.1. is naar aanleiding hiervan verduidelijkt wat onder de vaardigheid «interactief voorlezen» wordt verstaan: cursussen en trainingen interactief voorlezen dienen te voldoen aan deze beschrijving. Uit de totstandkomingsgeschiedenis58 van artikel 4, derde lid, onderdeel b, van het Besluit basisvoorwaarden kan worden opgemaakt dat er door de regering voor is gekozen om de sector te stimuleren zelf te komen tot inhoudelijke normen, bijvoorbeeld door middel van het ontwikkelen van een branchecertificaat.

Door de VNG en de GGD GHOR is geadviseerd te regelen dat beroepskrachten ve die niet over de vaardigheid «interactief voorlezen» beschikken, worden verplicht om deze vaardigheid bij te laten scholen. De regering heeft gekozen geen nascholingsverplichting op te nemen voor deze groep. In het kader van de materiële rechtszekerheid acht de regering het van belang dat reeds bevoegde beroepskrachten ve niet telkens aan nieuwe beroepseisen worden onderworpen. Bovendien zullen veel van deze beroepskrachten ve op grond van hun ervaring inmiddels beschikken over de vaardigheid «interactief voorlezen». Dit laat onverlet dat de houder en de beroepskracht in de ve kunnen besluiten dat de beroepskracht zich wel laat bijscholen in de vaardigheid «interactief voorlezen», als zij dat wenselijk achten. In paragraaf 9.4. is opgenomen hoe het voor toezichthouders en houders van kindercentra inzichtelijk wordt of bij het verstrekte diploma is voldaan aan de oude of nieuwe eisen voor het werken in de ve. De bestaande problematiek rondom het aantonen dat voldaan is aan de taaleis ve is bekend. Beoogd is helderheid te bieden door verduidelijking van de grondslag voor de aantoonbaarheid van de taaleis ve in het Besluit basisvoorwaarden en het opnemen van de aantoonbaarheidseisen in de Regeling wet kinderopvang.

Ten aanzien van het overgangsrecht is door de VNG opgemerkt dat dit artikel moeilijk leesbaar is. Het overgangsrecht is aangepast en de artikelsgewijze toelichting van onderdeel E is naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen verduidelijkt.

Door de Inspectie is nog een verhelderende vraag gesteld over het kwalificatiedossier voor studenten op mbo 3 niveau, waarin taalvaardigheid op referentieniveau 2F is opgenomen als generieke eis terwijl zij in sommige gevallen ook B1 van het Europees Referentiekader voor Talen accepteren. Aan artikel 4, lid 3a, is toegevoegd dat beroepskrachten ve ook voldoen aan de taaleis ve als hun mondelinge taalvaardigheid en leesvaardigheid ligt op het niveau B2 van het ERK, zoals reeds bestaande praktijk was. Zie ook paragraaf 3.1. Naar aanleiding van deze wijziging, zullen ook de kwalificatiedossiers voor de passende mbo-opleidingen worden aangepast.

5.3. Inzet beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie

Door de VNG is aangegeven dat een aantal gemeenten zorgen hebben over de mate en de kwaliteit van de begeleiding van de beroepskracht in opleiding, die juist van belang is voor diens ontwikkeling. De inzet van de beroepskracht in opleiding in de ve vraagt namelijk het een en ander van de gekwalificeerde beroepskracht ve. In dit kader zijn paragraaf 2.2. en 3.2.3. aangevuld en zijn paragrafen 4.1.2. en 4.6.2. toegevoegd. De nadelige gevolgen van de wijziging en op welke manier deze gevolgen worden ondervangen en de kwaliteit van de ve wordt geborgd, zijn toegevoegd. Zo is onder andere opgenomen dat een beroepskracht in opleiding alleen meegeteld kan worden voor de beroepskracht-kindratio als wordt voldaan aan de in artikel 3a gestelde voorwaarden.

De Inspectie merkt op dat beroepskrachten in opleiding ook bovenformatief praktijkervaring kunnen opdoen in de ve en vraagt zich af waarom er niet voor is gekozen om de formatieve inzet slechts tijdelijk mogelijk te maken. De regering kiest ervoor de formatieve inzet structureler te maken, omdat de sector erbij gebaat is en potentiële onzekerheid over de inzet van beroepskrachten in opleiding, die onder houders van kindercentra, toezichthouders maar ook de studenten, kan ontstaan door enkel een tijdelijke situatie in stand te houden, wegneemt. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat het personeelstekort naar schatting op zal lopen tot het jaar 2031, wat de formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding onder voorwaarden kan tegengaan.59

Door de VNG is verder aangegeven dat het nieuwe artikel 3a lastig leesbaar is, onder andere door interne verwijzingen. Het nieuwe artikel 3a en de toelichting is naar aanleiding van deze opmerkingen aangepast en verduidelijkt.

Naar aanleiding van opmerkingen van de VNG, GGD GHOR en de Inspectie zullen bij ministeriële regeling voorwaarden worden gesteld over waar het begeleidingsplan van beroepskrachten in opleiding in de ve ten minste aan zal moeten voldoen. Deze ministeriële regeling zal gelijktijdig met dit besluit in werking treden. De toelichting bij paragraaf 3.2.3. is in verband hiermee aangevuld.

Daarnaast bepleit de VNG om een eis te formuleren ten aanzien van de vraag hoe de kwaliteit van de ve gewaarborgd wordt als de vaste beroepskracht ve uitvalt. In paragraaf 3.2.2. is nader toegelicht dat het niet is toegestaan om de beroepskracht ve in opleiding als enige professional formatief op een groep te zetten, er dient altijd een volleerde beroepskracht ve op de ve-groep te staan.

De VNG, GGD GHOR en DUO hebben vragen gesteld over de verwijzing naar de Wet educatie beroepsonderwijs (hierna: WEB) in het eerste lid van het nieuwe artikel 3a, welke afwijkt van de verwijzing naar de cao in de dagopvang, en over het aantonen dat het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken wordt gevolgd of is afgerond. De verwijzing naar de WEB betreft een verwijzing naar de eisen die worden gesteld aan een bbl-opleiding. De verwijzing is daarom anders dan de verwijzing naar de cao, omdat het daar de opleiding tot pedagogisch medewerker (de basiskwalificatie) zelf betreft. Artikel 3a, eerste lid, aanhef, is hiertoe verduidelijkt. In paragraaf 3.2.1. en de artikelsgewijze toelichting is aangevuld hoe de beroepskracht in opleiding kan aantonen dat deze het keuzedeel volgt of heeft gevolgd.

Verder geven de VNG en DUO aan dat onduidelijk is wat verwacht wordt bij het criterium dat bij de inzet van beroepskrachten in opleiding rekening gehouden wordt met de opleidingsfase waar zij zich in bevinden. Dat bij de inzet van beroepskrachten in opleiding rekening gehouden moet worden met de opleidingsfase, is uit het besluit geschrapt. Wel wordt naar de toepassing van deze eis verwezen in de toelichting op het begeleidingsplan. Zie hiertoe paragraaf 3.2.3. Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding dient rekening gehouden te worden met de opleidingsfase en een logische plek om hier rekenschap van te geven is het begeleidingsplan. Deze eis dat rekening gehouden wordt met de opleidingsfase geldt overigens voor alle beroepskrachten in opleiding in de kinderopvang op grond van artikel 7, achtste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

De GGD GHOR maakt een opmerking over het in de toelichting gebruiken van zowel de term «jaar» als «leerjaar», hetgeen voor verwarring zou kunnen zorgen. De toelichting is naar aanleiding hiervan verduidelijkt.

Door de Inspectie is de vraag gesteld of met de zinsnede «genoemde kennis en vaardigheden onderdeel moeten zijn van de opleiding» in art. 3a, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, wordt bedoeld dat deze kennis ook onderdeel is van de examinering en onderdeel van het diplomabesluit. Dit is het geval. Gedoeld wordt op de eisen in artikel 4, derde lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden. De genoemde kennis en vaardigheden komen dan al aan bod in de beroepsopleiding en zijn geborgd in de kwalificatie (artikel 7.1.3, eerste lid, van de WEB). De vaardigheden zijn daarmee onderdeel van het diplomabesluit. Op het moment dat de beroepskracht in opleiding wordt ingezet, is er waarschijnlijk nog niet geëxamineerd. Daarom moet enkel worden aangetoond dat de beroepskracht in opleiding een opleiding volgt op mbo 4 niveau.

5.4. Basiskwalificatie voor het werken in de ve

Ten aanzien van de wijziging van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, is door de VNG aangegeven dat onduidelijk is welke opleidingen «een voor de werkzaamheden passende opleiding» betreffen, omdat in het besluit niet verwezen wordt naar de cao. In artikel 4, lid 1a, is geregeld dat de opleidingen die worden aangemerkt als «voor de werkzaamheden passende opleiding» in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bij ministeriële regeling zullen worden aangewezen of via een statische verwijzing naar een bij ministeriële regeling aangewezen reeds aangegane cao. In dit kader wordt verwezen naar paragraaf 3.3.

De Inspectie heeft de vraag gesteld of met de zinssnede «de beroepskracht die een passende opleiding heeft gevolgd» in artikel 4, derde lid, onderdeel b, van het Besluit wordt bedoeld dat de opleiding ook met een diploma is afgerond. In dit kader wordt verwezen naar paragraaf 3.3: doorgaans is een diploma vereist, soms kan ook een niet geheel afgeronde opleiding volstaan.

Door de GGD GHOR is verzocht om te verhelderen of de voorbeelden van niet afgeronde opleidingen die kwalificeren voor het werken in de ve in de toelichting van paragraaf 3.3 uitputtend zijn. Dit is niet het geval. Paragraaf 3.3 is aangepast om dit te verduidelijken.

6. Financiële gevolgen

Er zijn geen financiële gevolgen aan de aanpassing van dit besluit.

7. Internetconsultatie

Dit besluit is in de periode van 19 februari tot en met 19 maart 2025 ter internetconsultatie voorgelegd. Er zijn in totaal 46 reacties ontvangen, waarvan 35 openbaar. De reacties zijn grotendeels afkomstig van kinderopvangorganisaties, gemeenten en scholen.60

7.1. Inzetten beroepskracht in opleiding

In het algemeen is er steun voor het inzetten van de beroepskracht in opleiding in de ve. Respondenten denken dat het inzetten van beroepskrachten in opleiding helpt om de arbeidskrapte in de ve aan te pakken. Ook wordt aangegeven dat bbl-studenten hierdoor vroeg kennis maken met de werkwijze van de ve, wat zorgt voor betere kwaliteit en een snellere inzetbaarheid op de arbeidsmarkt na hun diploma.

In enkele reacties zijn zorgen geuit over de kwaliteit van de ve en of ve-groepen niet te zwaar zijn voor beroepskrachten in opleiding. In dit kader wordt verwezen naar paragraaf 3.2. van het algemeen deel van de toelichting. De beroepskracht in opleiding kan alleen worden ingezet wanneer de onderwijsinstelling en de houder van mening zijn dat de student bekwaam is om formatief ingezet te worden.

Verder werd in enkele reacties gevraagd of de eisen van de begeleiding van de beroepskracht in opleiding ve anders zijn dan de eisen die worden gesteld aan de begeleiding van beroepskrachten in opleiding in de reguliere kinderopvang. De begeleiding zelf kent geen aanvullende eisen, maar het begeleidingsplan van de beroepskracht ve bevat wel een extra onderdeel, namelijk een beschrijving van welke ve-specifieke taken zijn toegewezen aan de beroepskracht in opleiding. In enkele reacties werd meegegeven dat door deze wijziging het toezicht op de ve meer tijd kan kosten. Voor betere handhaafbaarheid zijn enkele eisen en formuleringen verduidelijkt, zoals de keuze om bij ministeriële regeling vast te leggen welke voorwaarden worden gesteld aan het begeleidingsplan over de begeleiding van de beroepskracht in opleiding. Paragraaf 3.2.3. is aangepast naar aanleiding van deze reacties. Daarnaast is in enkele reacties de vraag gesteld waarom alleen studenten die een bbl-opleiding volgen formatief mogen worden ingezet. Paragraaf 3.2.1. is aangepast op basis van deze reacties.

7.2. Interactief voorlezen als onderdeel module voorschoolse educatie

Er is brede steun voor het toevoegen van de vaardigheid «interactief voorlezen» als beroepsvereiste om ingezet te kunnen worden als beroepskracht ve. Respondenten vinden het een goede ontwikkeling, en passend bij de ve. Mbo-instellingen hebben deze vaardigheid vaak al geïntegreerd in het huidige curriculum.

Daarnaast zijn er ook enkele vragen en aandachtpunten meegegeven. Zo vroegen meerdere respondenten of huidige medewerkers in de ve een aanvullend examen «interactief voorlezen» moeten doen. Hierop is paragraaf 3.1. aangepast en is toegevoegd dat dit is niet het geval is: medewerkers die reeds inzetbaar zijn in de ve en studenten die voor 1 augustus 2027 met hun opleiding zijn gestart, hoeven niet te voldoen aan de vaardigheid «interactief voorlezen» en dus ook geen extra examen te doen. Het staat de houder daarbij uiteraard vrij om te zorgen dat deze beroepskrachten ve op deze vaardigheid worden bijgeschoold. Voor studenten die voor 1 augustus 2027 een opleiding zijn gestart, geldt dat zij in de ve inzetbaar zijn onder de oude voorwaarden van artikel 4 van het Besluit basisvoorwaarden. Ook paragraaf 9 is aangepast naar aanleiding van deze reacties.

Vanaf het moment dat in het mbo de nieuwe kwalificatiedossiers voor (Gespecialiseerd) Pedagogisch Werk en het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken in werking treden, naar verwachting op 1 augustus 2027, dienen de mbo-instellingen de module ontwikkelingsgericht werken aangepast te hebben op de nieuwe vaardigheid. Dit geeft opleiders, aanbieders van basisvaardigheden ve-scholing en vve-programma’s voldoende ruimte voor het ontwikkelen en implementeren van een onderdeel interactief voorlezen in beroepsonderwijs en ve-scholing.

Respondenten denken verschillend over het weglaten van het onderdeel «Lezen» op referentieniveau 3F, zoals was voorgesteld in het aan de Afdeling ter advisering voorgelegde ontwerpbesluit. Sommige reacties benadrukken dat de wijziging beter is voor studenten, omdat er hiermee een drempel wegvalt om voor een ve-groep te kiezen. In andere reacties worden zorgen geuit over de taalvaardigheid van beroepskrachten ve wanneer deze eis niet meer geldt. Taalvaardigheid blijft van belang voor gesprekken met ouders en voor administratieve taken. Zoals in paragraaf 5.2. is aangegeven, zal de eis van «Lezen» op niveau 3F niet komen te vervallen.

8. Caribisch Nederland

Het Besluit basisvoorwaarden vindt zijn grondslag in de Wet kinderopvang. Deze wet geldt niet voor Caribisch Nederland. Het wijzigingsbesluit heeft dan ook geen consequenties voor Caribisch Nederland. Voor Caribisch Nederland wordt via de Wet kinderopvang BES gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit en (financiële) toegankelijkheid van kinderopvang, waaronder de voor- en naschoolse voorzieningen.

9. Beoogde inwerkingtreding en overgangsrecht

9.1 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt gefaseerd in werking (zie artikel II van dit besluit). De wijzigingen die zien op de formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding, de aantoonbaarheid van de taaleis ve met niveau B2 van het ERK en de basiskwalificatie voor werken in de ve, treden in werking op 1 januari 2027. De wijzigingen met betrekking tot het toevoegen van de vaardigheid «interactief voorlezen» treden in werking op 1 augustus 2027.

Omdat de GGD de mogelijkheid beroepskrachten in opleiding formatief in te zetten op een ve-groep zal opnemen in haar toezicht, zij hun toezichtkaders halfjaarlijks op 1 juli en 1 januari doorvoeren en de nieuwe itemlijsten beschikbaar stellen voor toezichthouders, is ervoor gekozen de inwerkingtredingsdatum van deze wijziging op 1 januari 2027 te stellen. Ook kunnen zo tijdig de systemen van het Landelijk register kinderopvang worden aangepast, zodat de wijzigingen voor een ieder terug te vinden zijn. De inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2027 sluit aan bij de vaste verandermomenten.61

De wijzigingen die zien op aantoonbaarheid van de taaleis ve en de basiskwalificatie voor het werken in de ve treden ook per 1 januari 2027 in werking, gelijktijdig met de introductie van de inzet van de beroepskracht in opleiding in de ve. Hiermee wordt de bestaande onduidelijkheid over de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de taaleis ve is voldaan en de geldende basiskwalificatie voor het werken in de ve, zo snel mogelijk weggenomen.

De wijzigingen rondom de vaardigheid «interactief voorlezen» treden met ingang van 1 augustus 2027 in werking. Voor deze wijzigingen is het noodzakelijk dat de aanvullende beroepseisen opgenomen zijn in de kwalificatiedossiers van de passende opleidingen. De aanpassing van de kwalificatiedossiers kan op zijn vroegst plaatsvinden met ingang van 1 augustus 2027. Studenten die vanaf 1 augustus 2027 starten met hun opleiding, studeren dan af onder de nieuwe beroepseisen, inclusief de nieuwe vaardigheid «interactief voorlezen».

9.2 Inwerkingtreding formatieve inzet beroepskrachten ve in opleiding onder voorwaarden

Vanaf het moment dat het nieuwe artikel 3a in werking is getreden, kunnen houders van een kindercentrum die voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in dit besluit beroepskrachten in opleiding formatief inzetten op een ve-groep.

9.3 Overgangsrecht interactief voorlezen en taaleis ve
9.3.1. Beroepskrachten ve

Degenen die voor 1 augustus 2027 reeds inzetbaar waren om te werken in de ve, blijven inzetbaar onder de oude beroepsvereisten. Dat betekent dat deze groep niet aantoonbaar hoeft te beschikken over de vaardigheid «interactief voorlezen». Dit geldt ook voor degenen die voor 1 augustus 2027 de scholing, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel b, hebben afgerond en op grond van die scholing inzetbaar zijn in de ve.

Voor houders van kindercentra is het ten aanzien van deze groep beroepskrachten ve niet verplicht om te voorzien in onderhoud van deze vaardigheid, noch om dienaangaande het opleidingsplan aan te passen. In het kader van de materiële rechtszekerheid acht de regering het van belang dat reeds bevoegde beroepskrachten ve niet telkens aan nieuwe beroepseisen worden onderworpen.

De inwerkingtreding van de delen van dit besluit met betrekking tot de nieuwe eis van «interactief voorlezen» (1 augustus 2027), heeft ook gevolgen voor de trainingsinstituten, niet zijnde mbo-instellingen. Zij dienen de aangeboden basistraining ve te hebben aangepast ten aanzien van deze nieuwe vaardigheid. Trainingsinstituten dienen hierbij rekening te houden dat zij de module hebben aangepast vóór de inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2027, om deze al te kunnen aanbieden aan de beroepskrachten die de scholing vóór 1 augustus 2027 starten en ná 1 augustus 2027 afronden. Omdat in die gevallen de inwerkingtredingsdatum van het nieuwe beroepsvereiste in de scholingsperiode valt, betekent dat dat bij afronding de vaardigheid «interactief voorlezen» aantoonbaar onderdeel moet hebben uitgemaakt van die scholing. Er is in zoverre dus niet voorzien in overgangsrecht.

9.3.2. Studenten startend voor 1 augustus 2027

Studenten die voor 1 augustus 2027 met een passende opleiding zijn gestart, diplomeren onder de oude beroepsvereisten, mits zij deze opleiding afmaken.62 Daarom geldt ook voor deze groep dat de beroepsvereisten die golden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de vereiste vaardigheid «interactief voorlezen» in dit besluit, op deze groep studenten van toepassing blijft. Dat betekent dat deze studenten na het afronden van de opleiding niet aantoonbaar hoeven te beschikken over de vaardigheid «interactief voorlezen».

Voor houders van kindercentra is het ten aanzien van deze beroepskrachten ve die onder het overgangsrecht vallen geen verplichting om in het opleidingsplan op te nemen hoe de vaardigheid «interactief voorlezen» wordt onderhouden.

9.3.3. Studenten startend vanaf 1 augustus 2027

Studenten die vanaf 1 augustus 2027 hun beroepsopleiding starten, diplomeren onder de nieuwe beroepsvereisten voor het werken in de ve en zijn enkel inzetbaar in de ve als ze voldoen aan die eisen: zij moeten dus beschikken over de vaardigheid «interactief voorlezen». Deze vaardigheid moet op grond van artikel 4, vierde lid, van het Besluit basisvoorwaarden ook worden onderhouden.

9.4. Herkenbaarheid voor toezichthouders

Toezichthouders kunnen aan de diploma’s of scholingsbewijzen van beroepskrachten ve zien of zij bevoegd zijn om in de ve te werken. Bij een diploma is dit in beginsel te herkennen doordat op het diploma en bijbehorende resultatenlijst staat dat is voldaan aan de wettelijke beroepsvereisten voor het werken in de ve.63 Voor beroepskrachten ve die voor 1 augustus 2027 zijn gestart met hun mbo-opleiding betekent «voldoen aan de wettelijke beroepsvereisten ve» dat zij niet de vaardigheid «interactief voorlezen» in hun opleiding hebben gehad. Voor beroepskrachten ve die na 1 augustus 2027 met de herziene mbo-opleiding zijn gestart (waarvoor vernieuwde kwalificatie-eisen en keuzedeel-eisen zijn vastgesteld), betekent dit dat zij beschikken over de vaardigheid «interactief voorlezen».

Voor de kwalificatiedossiers Pedagogisch Werk en Gespecialiseerd Pedagogisch Medewerker en het nieuw vormgegeven keuzedeel ontwikkelingsgericht werken worden nieuwe opleidingscodes vastgesteld door de SBB. Indien niet op het diploma of op de resultatenlijst vermeld staat dat een beroepskracht ve voldoet aan de wettelijke beroepsvereisten, dient er naar de opleidingscode van de kwalificatie of van het gevolgde keuzedeel te worden gekeken. Aan de hand van deze code is af te lezen onder welke voorwaarden de beroepskracht ve is gediplomeerd en of de vaardigheid «interactief voorlezen» onderdeel heeft uitgemaakt van de kwalificatie of het gevolgde keuzedeel. Voor de kwalificatie en het keuzedeel waarin de vaardigheid «interactief voorlezen» worden verwerkt, zullen nieuwe opleidingscodes worden vastgesteld.

Bij beroepskrachten die in de ve inzetbaar zijn op grond van een getuigschrift van de gevolgde scholing, als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b van het Besluit basisvoorwaarden, kunnen toezichthouders aan de hand van de datum van het certificaat afleiden of de beroepskracht ve beschikt over de vaardigheid «interactief voorlezen». Indien dit certificaat is afgegeven na 1 augustus 2027, zal de vaardigheid «interactief voorlezen» onderdeel (moeten) hebben uitgemaakt van de scholing.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Artikel I, onderdeel A, betreft een niet-inhoudelijke, technische reparatie. De verwijzing in artikel 2a, derde lid, van het Besluit basisvoorwaarden was op twee punten incorrect. De eerste onjuistheid betrof de verwijzing naar artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs. Dit artikel 167 (oud) is door vernummering thans echter te vinden in artikel 160 van die wet.64 De tweede onjuistheid betrof de in artikel 2a, derde lid, opgenomen verwijzing naar subonderdeel 2° van genoemde wettelijke bepaling, terwijl subonderdeel 1° werd bedoeld.

Onderdelen B en D: een voor de werkzaamheden passende opleiding

Artikel 4, eerste lid, regelt de basiskwalificaties om te mogen werken in de voorschoolse educatie. Met de aanpassing van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, is geregeld dat beroepskrachten ve dienen te beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding. Hiermee wordt aangesloten bij de formulering aangaande de bevoegdheid van beroepskrachten uit artikel 6, eerste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang en is er een duidelijke grondslag om een deels afgeronde opleiding ook als passend aan te merken.65 Daarvoor blijft gelden dat de opleiding specifiek moet zien op het opdoen van pedagogische vaardigheden en minimaal op mbo 3 niveau moet zijn.

De minister kan via twee wegen bepalen wat als een voor de werkzaamheden passende opleiding te gelden heeft. Ten eerste: het nieuw ingevoegde lid 1a geeft de bevoegdheid om bij ministeriële regeling de als zodanig aan te merken opleidingen aan te wijzen (artikel 4, lid 1a, onderdeel a). Er kan dus een lijst met als passend aangemerkte opleidingen worden opgenomen in de regeling zelf of een bijlage daarbij. Ten tweede kan de minister er ook voor kiezen om te verwijzen naar de opleidingen die als zodanig zijn opgenomen in een reeds aangegane collectieve arbeidsovereenkomst, door de betreffende cao in de ministeriële regeling aan te wijzen (artikel 4, lid 1a, onderdeel b).

Met de woorden «reeds aangegane»66 wordt tot uitdrukking gebracht dat slechts een statische verwijzing is toegestaan. Dat wil zeggen: de ministeriële regeling kan verwijzen naar dit externe document, maar alleen voor zover de tekst daarvan al vaststaat (en dus statisch is). Een statische verwijzing kan plaatsvinden door bijvoorbeeld het jaartal op te nemen van de cao waarnaar wordt verwezen. De minister is geenszins verplicht steeds naar de meest recente cao te verwijzen; alle in het verleden aangegane cao’s kunnen in principe worden aangewezen, al zal het niet snel voor de hand liggen een erg verouderde cao aan te wijzen.

Hiermee wordt gevolg gegeven aan het advies van de Afdeling met betrekking tot de dynamische verwijzing naar de cao op het niveau van de ministeriële regeling, in welk verband zij aangaf dat een volledige delegatie van de regelgevende bevoegdheid van de minister niet passend zou zijn, mede in het licht van de ministeriële verantwoordelijkheid. Indien statisch wordt verwezen, neemt de minister zelf een besluit over hetgeen als passende opleiding heeft te gelden en draagt hij daarvoor verantwoordelijkheid, vergelijkbaar met het opnemen van een lijst van opleidingen (in een bijlage bij) de ministeriële regeling, hetgeen dit besluit overigens ook toelaat. Een statische verwijzing heeft in dit verband nog het bijkomende (communicatieve) voordeel dat daardoor duidelijker wordt dat de cao-partners hierin een belangrijke functie vervullen bij de selectie van passende opleidingen, gelet op de bij hen aanwezige expertise.

Indien de cao-partners een nieuwe cao sluiten, gelden de daarin opgenomen opleidingen dus niet automatisch als voor de werkzaamheden passende opleidingen. Indien de minister van oordeel is dat de daar in opgenomen lijst met opleidingen als zodanig dienen te worden aangemerkt dient hij bij ministeriële regeling naar de nieuwe cao te verwijzen. De statische verwijzing laat overigens onverlet dat de minister bevoegd is bepaalde opleidingen toe te voegen of juist uit te sluiten (al zal dat vermoedelijk zal niet snel gebeuren). Dit volgt uit de bevoegdheid van de minister om de lijst ook zelf vast te stellen en in de ministeriële regeling op te nemen.

In de huidige praktijk wordt in de cao ook bepaald welke bewijsstukken nodig zijn om aan te tonen dat iemand daadwerkelijk een aangewezen opleiding heeft gevolgd. Omdat het eerdergenoemde advies van de Afdeling over de subdelegatie mogelijk ook de rechtmatigheid van dit onderdeel van de praktijk trof, wordt de subdelegatie op dit punt in het besluit verduidelijkt door de bewijsstukken te noemen in de aanhef van lid 1a. Zodoende wordt dus de bevoegdheid aan de minister toegekend om regels over de vereiste bewijsstukken in de ministeriële regeling zelf op te nemen (op basis van artikel 4, lid 1a, onderdeel a) of om daartoe in de ministeriële regeling te verwijzen naar een reeds aangegane cao (artikel 4 lid 1a, onderdeel b), dus door middel van een statische verwijzing.

De nieuwe formulering van «een voor de werkzaamheden passende opleiding» is ook doorgevoerd in de aanhef van artikel 3, derde lid, en artikel 4, derde lid, onderdeel b, alsmede in het nieuwe artikel 3a, eerste lid, onderdeel a.

De overige aanpassingen, aangebracht door artikel I, onderdeel D, worden hierna nog separaat toegelicht.

Onderdeel C: Beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie
Verhouding tot de Wet kinderopvang

Op basis van het nieuwe artikel 3a mogen beroepskrachten in opleiding in de zin van de Wet kinderopvang, onder specifieke voorwaarden meetellen als beroepskracht ve in de beroepskracht-kindratio, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit basisvoorwaarden. Deze voorwaarden zijn gesteld in het bepaalde bij artikel 3a, eerste lid. Zie paragraaf 3.2. van het algemeen deel van de toelichting. Zij zijn aanvullend op de voorwaarden voor de inzet beroepskrachten in opleiding in de zin van artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, die zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit kinderopvang en de Regeling Wet kinderopvang. Een beroepskracht in opleiding kan dus alleen worden ingezet in de ve als aan beide regimes is voldaan.

Beroepskracht-kindratio

Wordt aan de voorwaarden uit het nieuwe artikel 3a voldaan, dan wordt de beroepskracht in opleiding voor het bepalen van de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aantal aanwezige kinderen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, (de zogeheten beroepskracht-kindratio) beschouwd als beroepskracht ve. Het is in dat geval mogelijk dat een beroepskracht in opleiding samen met een volledig gekwalificeerde beroepskracht ve op een groep van meer dan acht kinderen ve aanbiedt.

Voor groepen waarin ten hoogste acht kinderen zitten, is de gelijkstelling feitelijk niet relevant. De gelijkstelling geldt immers alleen indien naast de beroepskracht in opleiding, een volleerde beroepskracht ve staat. Door de aanwezigheid van laatstgenoemde beroepskracht is daarmee al voldaan aan de vereiste beroepskracht-kindratio. De beroepskracht in opleiding wordt in dat geval eigenlijk boventallig ingezet, hetgeen blijft toegestaan.

Om aan te duiden dat een beroepskracht in opleiding die meetelt in de beroepskracht-kindratio, in beginsel voor eenzelfde soort werkzaamheden inzetbaar is, is ervoor gekozen de formulering «gelijkgesteld aan» te gebruiken. Voor welke werkzaamheden in de ve een beroepskracht in opleiding daadwerkelijk ingezet wordt, kan en moet per beroepskracht in opleiding bepaald worden. Zie nader paragraaf 3.2.2. en 3.2.3. van het algemeen deel van de toelichting.

Opleidingseisen (artikel 3a, eerste lid, onderdeel a)

Beroepskrachten in opleiding in de ve kunnen, anders dan reguliere beroepskrachten in opleiding in de kinderopvang, alleen mbo-studenten in de beroepsbegeleidende leerweg zijn.

Beroepskrachten in opleiding die een voor de werkzaamheden in de ve passende opleiding volgen kunnen zowel een opleiding volgen die leidt tot een diploma op mbo 3 niveau, als een opleiding die leidt tot een diploma op mbo 4 niveau. Voor de eerstgenoemde groep zijn de vereiste kennis en vaardigheden niet standaard een onderdeel van de opleiding. Om ingezet te worden als beroepskracht in opleiding in de ve wordt daarom van deze studenten gevraagd dat zij aantoonbaar het keuzedeel «ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie» volgen, dan wel dat zij dit keuzedeel hebben afgerond (zie onderdeel a, sub 1°). De student kan bij het bevoegd gezag van de mbo-instelling een bewijs vragen dat aantoont dat de student het keuzedeel volgt of met goed gevolg heeft afgerond. Dit kan een bewijs zijn dat de student zich heeft aangemeld voor het keuzedeel met vermelding wanneer dit keuzedeel is gestart of een bewijs van het door de student behaalde resultaat voor dit keuzedeel. Zie hiertoe ook paragraaf 3.2.1 van het algemeen deel van de toelichting. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de bewaarplicht van dit bewijsstuk, in het kader van toezicht door de GGD en de Inspectie op grond van artikel 1.53 van de Wet kinderopvang.

Voor beroepskrachten in opleiding op mbo 4 niveau geldt dat de eisen aan «ontwikkelingsgericht werken» wel een standaard onderdeel zijn van het beroepsgerichte deel van de opleiding, als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden (onderdeel a, sub 2°). Zij dienen daarom slechts aan te tonen dat zij een voor de werkzaamheden passende opleiding op mbo 4 niveau volgen.

Afronden eerste leerjaar (artikel 3a, eerste lid, onderdeel b)

Om als beroepskracht in opleiding in de ve aan de slag te gaan moet het eerste leerjaar van de passende opleiding zijn afgerond. Het eerste leerjaar is afgerond wanneer alle verplichte onderdelen van het eerste leerjaar met een voldoende resultaat zijn afgesloten onafhankelijk van de opleiding die de beroepskracht in opleiding volgt. De onderdelen die afgerond moeten worden, kunnen per opleiding verschillen, aangezien opleidingen hun eerste leerjaar verschillend kunnen inrichten. Het is aan de houders om bij de beroepskracht in opleiding na te gaan of het eerste leerjaar daadwerkelijk is afgerond en de stukken die dit bewijzen in de administratie op te nemen.67 De houder kan daarvoor aan de beroepskracht in opleiding vragen om bewijs aan te leveren, bijvoorbeeld een certificaat, een cijferlijst of een e-mail vanuit de opleiding. Zoals aangegeven in het algemeen deel van de toelichting worden geen specifieke eisen aan deze bewijsstukken via een ministeriële regeling gegeven, in verband met de vele vormen die dit bewijs in de praktijk kan hebben. Enige flexibiliteit hierin is dus nodig, hetgeen overigens niet afdoet aan het verplichtende karakter van de eis dat aantoonbaar moet zijn dat het eerste leerjaar is afgerond.

Beroepskrachten in opleiding in de ve die een beroepsopleiding volgen van maximaal één leerjaar, kunnen vanzelfsprekend niet aan deze voorwaarde voldoen en kunnen dus niet tijdens hun opleiding formatief worden ingezet.

Begeleidingsplan inzet voorschoolse educatie (artikel 3a, eerste lid, onderdeel c)

Voor de inzet van de beroepskracht in opleiding wordt een begeleidingsplan opgesteld door de beroepskracht in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider gezamenlijk. Nadere eisen aan het begeleidingsplan worden opgenomen in de Regeling Wet kinderopvang. De grondslag daarvoor is neergelegd in artikel 3a, tweede lid. Zie ook paragraaf 3.2.3. van het algemeen deel van de toelichting.

Eisen aan de volledig gekwalificeerde beroepskracht voorschoolse educatie (eerste lid, onderdeel d)

Tot slot is vereist dat, naast de beroepskracht in opleiding, altijd een volledig gekwalificeerde beroepskracht ve op de groep werkzaam is. De beroepskracht in opleiding staat dus nooit zelfstandig op een ve-groep. De volledig gekwalificeerde beroepskracht ve mag bij groepen van meer dan acht kinderen niet een beroepskracht ve in de zin van artikel 4, vijfde lid, van het Besluit basisvoorwaarden betreffen. Bij het aanbieden van ve aan groepen van dergelijke grootte moet immers altijd een «reguliere» beroepskracht ve aanwezig zijn, zo bepaalt artikel 4, zesde lid. Dat uitgangspunt blijft gehandhaafd.

Nadere regels

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van totstandkoming van het begeleidingsplan voor de beroepskracht in opleiding in de ve. Zie nader paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel D: basisvoorwaarden van kwaliteit voor beroepskrachten voorschoolse educatie

In artikel 4, eerste lid, wordt geregeld dat beroepskrachten ve dienen te beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding. In lid 1a is nader bepaald welke opleidingen als zodanig gelden en welke stukken als bewijs kunnen dienen van het hebben gevolgd van een dergelijke opleiding. (zie hierover de toelichting op artikel I, onderdelen B en D, hierboven). In artikel 4, tweede lid en derde lid, onderdeel b is de zinsnede «met gunstig gevolg» vervangen door de zinsnede «met goed gevolg». Deze terminologie is in lijn met de in de WEB gebezigde terminologie.68

In artikel 4, tweede lid, is de vaardigheid «interactief voorlezen aan het jonge kind» toegevoegd aan het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken (in onderdeel f). Een onderdeel van «interactief voorlezen» is dat voorlezers voor, tijdens en na het voorlezen in gesprek gaan met kinderen over het verhaal. Zie ook paragrafen 2.1.1. en 3.1. van het algemeen deel van de toelichting.

Door de toevoeging van de vaardigheid «interactief voorlezen» aan het keuzedeel, genoemd in artikel 4, tweede lid, wordt geregeld dat deze vaardigheid als beroepsvereiste onderdeel uitmaakt van het keuzedeel ontwikkelingsgericht werken. Dit keuzedeel is voor beroepskrachten die een mbo 3 opleiding hebben gevolgd, verplicht om te hebben afgerond om als beroepskracht ve te kunnen werken. Voor beroepskrachten die een voor de werkzaamheden passende mbo 4 opleiding hebben gevolgd, geldt dat door de toevoeging van de vaardigheid «interactief voorlezen» aan artikel 4, tweede lid, deze vaardigheid verweven is in de (verplichte) onderdelen van de voor de werkzaamheden passende opleiding, waarmee voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 4, derde lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden.

De aan de regelgeving ten aanzien van reguliere kinderopvang ontleende term «een voor de werkzaamheden passende opleiding» (zie hierboven) is ook doorgevoerd in artikel 4, derde lid, onderdeel b. Verder komt in dit onderdeel de zinsnede «aanhef en onder a tot en met e» te vervallen, waardoor wordt verwezen naar het gehele tweede lid van artikel 4. Dit betekent dat per 1 augustus 2027, de inwerkingtredingsdatum van artikel I, onderdeel D, onder 5, de aanvullende ve-scholing, op basis waarvan een beroepskracht bevoegd kan worden om in de ve te werken, ook moet zien op de vaardigheid «interactief voorlezen». Hetzelfde geldt voor artikel 4, vierde lid. Met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, onder 5, dient in het opleidingsplan, ook het onderhoud van de vaardigheid «interactief voorlezen» aan bod te komen, voor zover het de beroepskrachten ve betreft die op basis van deze nieuwe eisen in de ve werkzaam zijn. Zie nader de toelichting bij onderdeel E.

Aan artikel 4, lid 3a is toegevoegd dat degene die beschikt over niveau B2 van het ERK in de Nederlandse taal op de onderdelen mondelinge taalvaardigheid en lezen eveneens aan de taaleis ve voldoet.

Op grond van lid 3a kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in dat lid gestelde taaleis. Te denken valt aan cijfereisen die betrekking hebben op de vereiste mondelinge taal- en leesvaardigheidsbeheersing. Verder wordt in lid 3a geregeld dat de minister nadere regels kan geven over de bewijsstukken, waarmee kan worden aangetoond dat de beroepskracht ve voldoet aan deze taalvaardigheidseis. Het betreft de uitwerking van details van de hoofdregel omtrent het vereiste niveau van mondelinge taal- en leesvaardigheid, die in de amvb is neergelegd. Naar het oordeel van de regering is deze subdelegatie dan ook toegestaan.

Zie ook het algemeen deel van de toelichting onder paragraaf 3.1.

Onderdeel E: Overgangsrecht

Onderdeel E voegt artikel 8 in het Besluit basisvoorwaarden in, waarin het overgangsrecht is neergelegd in verband met inwerkingtreding van de vereiste vaardigheid «interactief voorlezen» uit onderdeel D, onder 5, 7 en 9, per 1 augustus 2027. Deze wijzingen treden per 1 augustus 2027 in werking en vragen om overgangsrechtelijke bepalingen. Zie ook paragraaf 9.3. Het overgangsrecht voorziet in een voorziening voor personen die reeds inzetbaar zijn als beroepskrachten ve, studenten en voor beroepskrachten in opleiding. Deze voorzieningen zullen na inwerkingtreding van onderdeel D, onder 5, 7 en 9, langdurig blijven bestaan. Daarom is ervoor gekozen om het overgangsrecht in het Besluit basisvoorwaarden op te nemen middels een nieuw artikel 8.

Eerste lid – Overgangsrecht reeds bevoegde beroepskrachten ve en zij-instromers

Artikel 8, eerste lid, bevat een overgangsrechtelijke voorziening voor de reeds bevoegde beroepskrachten in de ve. In het eerste lid is opgenomen dat deze beroepskrachten ve inzetbaar blijven in de ve op grond van de oude beroepseisen geldend op 31 juli 2027. Houders van kindercentra kunnen deze beroepskrachten ve, die niet aantoonbaar beschikken over de vaardigheid «interactief voorlezen», blijven inzetten als beroepskracht in de ve.

Het eerste lid omvat ook de personen die voor 1 augustus 2027 scholing gericht op de kennis en vaardigheden uit artikel 4, tweede lid, van het Besluit basisvoorwaarden die ten minste twaalf dagdelen omvat, als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel b, hebben afgerond en op grond van deze scholing inzetbaar zijn om te werken als beroepskracht ve. Vanaf 1 augustus 2027 moet ook de scholing de vaardigheid «interactief voorlezen» bevatten. Er is niet voorzien in een overgangsregeling voor degenen die op 31 juli 2027 stonden ingeschreven voor deze scholing maar die op of na 1 augustus 2027 afronden. Scholingaanbieders worden geacht in staat te zijn hun scholingsactiviteiten afdoende te kunnen afstemmen op de nieuwe regels, zodat deze groep beroepskrachten (die voor inwerkingtreding beginnen met de scholing maar die na inwerkingtreding afronden) ook geschoold worden in interactief voorlezen. Zie ook paragraaf 9.3.1. van het algemene deel van de toelichting.

Houders worden ten aanzien van de reeds inzetbare beroepskrachten ve niet verplicht te voorzien in onderhoud of bijscholing ten aanzien van de vaardigheid «interactief voorlezen». Het staat houders en beroepskrachten ve uiteraard vrij om hier in het opleidingsplan wel afspraken over te maken.

Tweede lid – Overgangsrecht studenten

Artikel 8, tweede lid, bevat een overgangsrechtelijke voorziening voor de studenten die voor 1 augustus 2027 zijn gestart met hun passende opleiding en deze na 1 augustus 2027 afronden.

Studenten die voor 1 augustus 2027 zijn gestart met hun passende opleiding, vallen onder de oude beroepseisen in het Besluit basisvoorwaarden geldend op 31 juli 2027. Hun diploma zal dan ook uitgaan van die oude beroepsvereisten. Ook na inwerkingtreding van onderdeel D, onder 5, 7 en 9, blijven zij bevoegd in de ve te werken, op basis van de oude opleidingseisen, die niet voorschreven dat een beroepskracht ve opgeleid moet zijn in de vaardigheid «interactief voorlezen».

Eenmaal inzetbaar als beroepskracht ve, blijven deze studenten als beroepskrachten ve inzetbaar onder de beroepseisen die gelden op 31 juli 2027. Houders worden ten aanzien van deze beroepskrachten ve niet verplicht in het opleidingsplan op te nemen hoe de vaardigheid «interactief voorlezen» wordt onderhouden. Ook is het voor de houders niet verplicht om voor reeds bevoegde beroepskrachten ve nascholing te verzorgen die is gericht op deze vaardigheid. Het staat houders en beroepskrachten uiteraard vrij om hier in het opleidingsplan wel afspraken over te maken. Het tweede lid geldt niet voor studenten die de opleiding die voor 1 augustus 2027 zijn gestart, niet afronden. De uiteindelijke kwalificatie moet immers zijn basis vinden in die opleiding, zo vermeldt het tweede lid. Wordt de studie voortijdig afgebroken, dan geldt het overgangsrecht niet en is het nieuwe regime onverkort van toepassing.

Volledigheidshalve: studenten die op of na 1 augustus 2027 starten met hun beroepsopleiding zijn enkel inzetbaar onder de voorwaarden van het alsdan geldende Besluit basisvoorwaarden, dus met inbegrip van de beroepseis «interactief voorlezen».

Paragraaf 9.3.2. en paragraaf 9.4. van het algemene deel van de toelichting gaan uitgebreider in op de inzetbaarheid van beroepskrachten ve op basis van deze overgangsrechtelijke bepaling.

Derde lid – Inhoud keuzedeel en kennis en vaardigheden beroepskrachten in opleiding

Artikel 8, derde lid, bevat een overgangsrechtelijke voorziening voor de inzetbare beroepskrachten in opleiding. Eén van de voorwaarden voor de formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding is dat de beroepskrachten in opleiding, een voor de werkzaamheden passende beroepsopleiding volgen die de kennis en vaardigheden uit artikel 4, tweede lid, van het Besluit basisvoorwaarden omvat. Aan deze kennis en vaardigheden wordt per 1 augustus 2027 de nieuwe vaardigheid «interactief voorlezen» toegevoegd. Dat betekent dat beroepskrachten in opleiding die voor 1 augustus 2027 zijn gestart met hun opleiding, een passende beroepsopleiding volgen waarin de vaardigheid «interactief voorlezen» niet gegarandeerd een onderdeel van uitmaakt. Om deze beroepskrachten in opleiding alsnog in te kunnen zetten als beroepskracht in de ve, is hiertoe een voorziening getroffen. Voor hen geldt dat de vaardigheid «interactief voorlezen» geen onderdeel hoeft uit te maken van hun opleiding, dan wel van het gevolgde keuzedeel, om te kunnen worden ingezet als beroepskracht in opleiding in de ve.

Artikel II

Dit besluit regelt de eigen inwerkingtreding in artikel II. Deze zal gefaseerd plaatsvinden. Met ingang van 1 januari 2027 treden in werking de onderdelen van het besluit met betrekking tot: de formatieve inzet van beroepskrachten in opleiding op een ve-groep (artikel I, onderdeel C), de aantoonbaarheid van de taaleis ve en aspecten van de basiskwalificatie voor het werken in de ve (artikel I, onderdeel D, onder 1, 2, 3, 4 en 6). Zie verder paragraaf 9.1 van deze toelichting. Ook het herstel van de verwijzingsfout in artikel 2a, derde lid, van het Besluit basisvoorwaarden (artikel I, onderdeel A, van dit besluit) treedt op dat moment in werking.

De inwerkingtreding van de bepalingen die zien op de introductie van de vaardigheid «interactief voorlezen» (artikel I, onderdeel D, onder 5, 7 en 9) vindt plaats met ingang van 1 augustus 2027. Dit is noodzakelijk omdat deze nieuwe beroepseis moet worden opgenomen in de kwalificatiedossiers van de passende opleidingen. Dit onderdeel zal daarom op 1 augustus 2027 in werking treden, zodat er voldoende tijd is deze aanpassing in de praktijk door te voeren.

Omdat het overgangsrecht in artikel 8 (nieuw) Besluit basisvoorwaarden (welke bepaling wordt ingevoerd door artikel I, onderdeel E, van dit besluit) slechts betrekking heeft op de nieuwe beroepseis, treedt dit gelijktijdig met deze nieuwe eis in werking, dus eveneens met ingang van 1 augustus 2027. Zie nader paragraaf 9.3 van deze toelichting.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen


X Noot
1

Mulder, C.W.J. (1996). Meer voorrang, minder achterstand? Het onderwijsvoorrangsbeleid getoetst. Nijmegen: Instituut voor Toegepaste Sociale wetenschappen. Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen.

X Noot
2

Ve kan afhankelijk van de gemeente soms al eerder dan 2,5 jaar ingezet worden. Normaal gesproken start ve bij 2,5 jaar, maar sommige gemeenten bieden het ook al aan vanaf 2 jaar, gefinancierd vanuit andere middelen dan de reguliere ve-gelden.

X Noot
3

Veen, A. & Leseman, P. (2022). Het Pre-COOL cohortonderzoek tot en met groep 8. Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit in de voor- en vroegschoolse periode. Universiteit Utrecht & Kohnstamm Instituut.

X Noot
4

Van Huizen, Thomas, Leseman, Paul e.a. (2025). Effectstudie voorschoolse educatie: een natuurlijk experiment in Nederlandse gemeenten. Universiteit Utrecht.

X Noot
5

Oberon & CED-groep (2016). Taalniveau 3F in de VVE: een aanpak voor kleinere gemeenten. Utrecht/Rotterdam: Oberon/CED-groep.

X Noot
6

Zie artikel 4, tweede lid, van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
7

Besluit van 26 april 2017, houdende wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met aanscherping van de kwaliteitseisen aan beroepskrachten voorschoolse educatie (Stb. 2017, 184).

X Noot
8

Kennisrotonde. (2022). Wat is het effect van interactief voorlezen op de peuterspeelzaal op de taal- en denkontwikkeling van peuters? (KR.1548). Kennisrotonde.

X Noot
9

Van der Wilt, F., Smits-van der Nat, M., & Van der Veen, C. (2022). Shared book reading in early childhood education: effect of two approaches on children’s language competence, story comprehension and causal reasoning. Journal of Research in Childhood Education, 36(4), 592–610.

X Noot
10

Cabell, S. Q., Zucker, T. A., DeCoster, J., Melo, C., Forston, L., & Hamre, B. (2019). Prekindergarten interactive book reading quality and children’s language and literacy development: Classroom organization as a moderator. Early Education and Development, 30(1), 1–18.

X Noot
11

Collins, M. F. (2016). Supporting inferential thinking in preschoolers: Effects of discussion on children’s story comprehension. Early Education and Development, 27(7), 932–956.

X Noot
12

Zie het besluit van 26 april 2017, Stb. 2017, 184, waarmee lid 3a in artikel 4 van het Besluit basisvoorwaarden werd ingevoegd

X Noot
13

Artikel 7, derde lid, van de Regeling Wet kinderopvang. IKK verwijst naar het Akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang.

X Noot
14

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 2024, nr. 2024-0000166145, tot wijziging van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017 tot wijziging van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 en de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de nadere uitwerking van enige kwaliteitseisen (Stcrt. 2017, 49278) en de Regeling Wet kinderopvang in verband met aanpassingen van de taaleis voor beroepskrachten.

X Noot
15

Het domein Mondelinge taalvaardigheid bestaat immers uit de drie subdomeinen waar de taaleis IKK betrekking op heeft (gesprekken, luisteren, spreken).

X Noot
17

Zie ook het coalitieakkoord Aan de slag, 2025, p. 29. Te raadplegen via: https://www.kabinetsformatie2025.nl/documenten/2026/01/30/aan-de-slag---coalitieakkoord-2026-2030.

X Noot
18

Zie artikel 3, eerste en tweede lid van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
19

Met boventallig wordt de inzet van het aantal beroepskrachten die geen onderdeel uitmaken van de beroepskracht-kindratio op een locatie bedoeld.

X Noot
20

Berenschot (2023). Personeelstekort bij Voorschoolse Educatie, p. 29–30.

X Noot
21

Ibid. p. 2–3.

X Noot
22

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 maart 2015, 2015-0000021445, tot wijziging Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen alsmede een technische wijziging van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (Stcrt. 2015, 6347).

X Noot
23

Artikel 10c van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
24

Artikel 7 onderscheidenlijk artikel 10a van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
25

Artikel 6, eerste en vierde lid van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

X Noot
26

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 augustus 2010, nr. PO/OO 211907, houdende wijziging van de Regeling Wet kinderopvang in verband met de vaststelling van de opleidingseisen voor de beroepskrachten voorschoolse educatie (Stcrt. 2010, 13290).

X Noot
27

Zie hiertoe artikel 7, eerste lid, van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
28

Zie artikel 6, tweede lid, Besluit kwaliteit kinderopvang.

X Noot
29

Zie het tot nu geldende artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
30

Zie artikel 7.2.6. van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

X Noot
31

Dit onderdeel van het besluit (toevoeging B2), is bij nader rapport in het besluit opgenomen. Dit naar aanleiding van het advies van de Afdeling om de taaleis niet te subdelegeren. De regering heeft dat advies opgevolgd. Daardoor zag zij zich genoodzaakt om direct in dit besluit te regelen wat zij in eerste instantie aan de minister had willen overlaten: het in de regelgeving gelijkschakelen van niveau B2 ERK met referentieniveau 3F.

X Noot
32

Zie ook bijvoorbeeld niveau B2 voor Oral Comprehension: «Can understand the main ideas of propositionally and linguistically complex discourse on both concrete and abstract topics delivered in standard language or a familiar variety, including technical discussions in their field of specialization.» (CEFR – Companion Volume, p. 48, te raadplegen via https://rm.coe.int/common-european-framework-of-reference-for-languages-learning-teaching/16809ea0d4) Een overzichtelijke weergave van de niveaus van het ERK biedt ook Onze Taal. Taalniveaus volgens het ERK, https://onzetaal.nl/taalloket/taalniveaus-vreemde-talen.

X Noot
33

Bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

X Noot
34

Zie ook bijvoorbeeld niveau B2 voor Reading Comprehension: «Can read with a large degree of independence, adapting style and speed of reading to different texts and purposes, and using appropriate reference sources selectively.», «Can understand articles and reports concerned with contemporary problems in which particular stances or viewpoints are adopted» en «Can understand lengthy, complex instructions in their field, including details on conditions and warnings (…)». (CEFR – Companion Volume, p. 54 en 57–58, te raadplegen via https://rm.coe.int/common-european-framework-of-reference-for-languages-learning-teaching/16809ea0d4).

X Noot
35

Bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

X Noot
36

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 2024, nr. 2024-0000166145, tot wijziging van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017 tot wijziging van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 en de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de nadere uitwerking van enige kwaliteitseisen (Stcrt. 2017, 49278) en de Regeling Wet kinderopvang in verband met aanpassingen van de taaleis voor beroepskrachten (Stcrt. 2024, 20497), p. 4.

X Noot
37

Zie artikel 6 van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
38

Zie artikel 9, derde lid, van de Regeling wet kinderopvang. In afwijking van het derde lid is het op grond van het vierde lid tot en met 30 juni 2026 toegestaan dat maximaal de helft van het totaal minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten bestaat uit beroepskrachten in opleiding of stagiairs. Deze maatregel is genomen vanwege de personeelstekorten en hoge werkdruk in de kinderopvang. Door deze maatregel zijn er meer mogelijkheden om de personeelsplanning rond te krijgen.

X Noot
39

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

X Noot
40

Dit zijn beroepskrachten ve die – onder specifieke voorwaarden, genoemd in artikel 4, vijfde lid van het Besluit basisvoorwaarden, niet aan de reguliere opleidingseisen hoeven te voldoen.

X Noot
41

Aanvullend op artikel 9 van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
42

Artikel 7, achtste lid van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

X Noot
43

Onder opleidingsbegeleider wordt verstaan een begeleider vanuit school die een beroepskracht in opleiding begeleidt tijdens de Beroepspraktijkvorming, waarbij zowel student als bedrijf terecht kunnen.

X Noot
44

De praktijkbegeleider is verantwoordelijk voor het opleiden van studenten op de werkplek en ondersteunt de beroepskracht in opleiding op een ve-groep. Dit kan de praktijkbegeleider in de reguliere kinderopvang zijn, maar ook de volleerde beroepskracht die samen met de beroepskracht in opleiding op een ve-groep staat.

X Noot
45

Dit vloeit voort uit artikel 1.50 van de Wet kinderopvang.

X Noot
46

Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 11 februari 2026 (W.05.25.00327/I).

X Noot
47

Berenschot (2023). Personeelstekort bij Voorschoolse Educatie.

X Noot
48

Berenschot (2025). Monitor implementatie kwaliteitseisen kinderopvang. P.19 t/m 25.

X Noot
49

Kennisrotonde. (2022). Wat is het effect van interactief voorlezen op de peuterspeelzaal op de taal- en denkontwikkeling van peuters? (KR.1548). Kennisrotonde.

X Noot
50

Salarisschalen MBO en Volwasseneneducatie (BVE) per 01-06-2024.

X Noot
51

Een docent LD is een allround docent op schaal 12 en is verantwoordelijk voor het initiëren en aanjagen van ontwikkeling en vernieuwing van onderwijs en onderwijsbeleid.

X Noot
52

Deze aanvullende scholing bestaat uit minimaal twaalf dagdelen en is in elk geval gericht op kennis en vaardigheden op het gebied van vve-programma’s, het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind op de gebieden taal en het betrekken van ouders. De inhoud van de training wordt bepaald aan de hand van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van pedagogisch medewerkers ve zoals beschreven in het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
53

Nationaleberoepengids.nl Salaris Cursuscoördinator mei 2025.

X Noot
54

Cijfers uit dataset met alle ingeschreven kinderopvanglocaties uit het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Per locatie de daarbij behorende detailgegevens (inschrijvingsgegevens, opvangadresgegevens, houdergegevens, contactgegevens en de gemeente die verantwoordelijk is voor de registratie). Deze dataset wordt tweemaal per week geupdate (maandag en vrijdag). Datum van raadplegen: 16-04-2025.

X Noot
55

Het gemiddelde uurloon van een pedagogisch medewerker op basis van een gemiddeld contractduur van 28 uur per week, gegevens verkregen via BK.

X Noot
56

Dit betreft een versie met het oorspronkelijke voorstel om Lezen 3F te laten vervallen als eis voor het werken in de ve, die is getoetst door de GGD GHOR, VNG en DUO/IvhO.

X Noot
57

Zie artikel 4, lid 3a van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
58

Besluit van 26 april 2017, houdende wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met aanscherping van de kwaliteitseisen aan beroepskrachten voorschoolse educatie (Stb. 2017, 184).

X Noot
59

Berenschot (2023). Personeelstekort bij Voorschoolse Educatie.

X Noot
60

Dit betreft de internetconsultatie met een eerdere versie van het ontwerpbesluit, waarin Lezen 3F zou komen te vervallen als eis voor het werken in de ve.

X Noot
61

Zie Aanwijzing 4.17, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de Regelgeving (Ar).

X Noot
62

Artikel 7.2.4, zevende lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

X Noot
63

Zie artikel 7.2.6, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, in samenhang met het Besluit basisvoorwaarden dat de wettelijke beroepsvereisten bevat, en artikel 2 derde lid en de bijlage van de Regeling modellen voor mbo-diploma, mbo-certificaat en mbo-verklaring («Regeling»), dat bepaalt dat uit het diploma’s, resultatenlijsten en het certificaten moet blijken of aan die vereisten is voldaan (artikelen 2, 3 en 3a van de Regeling en de bijlagen 4, 5 en 8).

X Noot
64

Wet van 25 februari 2021, Stb. 2021, 171 (vereenvoudiging bekostiging PO)

X Noot
65

«Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.»

X Noot
66

De term is ontleend aan artikel 7 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst.

X Noot
67

Ten behoeve van deze administratie wordt de Regeling Wet kinderopvang aangepast.

X Noot
68

Zie artikel 17 van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB.


X Noot
1

Mulder, C.W.J. (1996). Meer voorrang, minder achterstand? Het onderwijsvoorrangsbeleid getoetst. Nijmegen: Instituut voor Toegepaste Sociale wetenschappen. Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen.

X Noot
2

Ve kan afhankelijk van de gemeente soms al eerder dan 2,5 jaar ingezet worden. Normaal gesproken start ve bij 2,5 jaar, maar sommige gemeenten bieden het ook al aan vanaf 2 jaar, gefinancierd vanuit andere middelen dan de reguliere ve-gelden.

X Noot
3

Veen, A. & Leseman, P. (2022). Het Pre-COOL cohortonderzoek tot en met groep 8. Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit in de voor- en vroegschoolse periode. Universiteit Utrecht & Kohnstamm Instituut.

X Noot
4

Van Huizen, Thomas, Leseman, Paul e.a. (2025). Effectstudie voorschoolse educatie: een natuurlijk experiment in Nederlandse gemeenten. Universiteit Utrecht.

X Noot
5

Oberon & CED-groep (2016). Taalniveau 3F in de VVE: een aanpak voor kleinere gemeenten. Utrecht/Rotterdam: Oberon/CED-groep.

X Noot
6

Zie artikel 4, tweede lid, van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
7

Besluit van 26 april 2017, houdende wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met aanscherping van de kwaliteitseisen aan beroepskrachten voorschoolse educatie (Stb. 2017, 184).

X Noot
8

Kennisrotonde. (2022). Wat is het effect van interactief voorlezen op de peuterspeelzaal op de taal- en denkontwikkeling van peuters? (KR.1548). Kennisrotonde.

X Noot
9

Van der Wilt, F., Smits-van der Nat, M., & Van der Veen, C. (2022). Shared book reading in early childhood education: effect of two approaches on children’s language competence, story comprehension and causal reasoning. Journal of Research in Childhood Education, 36(4), 592–610.

X Noot
10

Cabell, S. Q., Zucker, T. A., DeCoster, J., Melo, C., Forston, L., & Hamre, B. (2019). Prekindergarten interactive book reading quality and children’s language and literacy development: Classroom organization as a moderator. Early Education and Development, 30(1), 1–18.

X Noot
11

Collins, M. F. (2016). Supporting inferential thinking in preschoolers: Effects of discussion on children’s story comprehension. Early Education and Development, 27(7), 932–956.

X Noot
12

Zie het besluit van 26 april 2017, Stb. 2017, 184, waarmee lid 3a in artikel 4 van het Besluit basisvoorwaarden werd ingevoegd

X Noot
13

Artikel 7, derde lid, van de Regeling Wet kinderopvang. IKK verwijst naar het Akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang.

X Noot
14

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 2024, nr. 2024-0000166145, tot wijziging van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017 tot wijziging van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 en de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de nadere uitwerking van enige kwaliteitseisen (Stcrt. 2017, 49278) en de Regeling Wet kinderopvang in verband met aanpassingen van de taaleis voor beroepskrachten.

X Noot
15

Het domein Mondelinge taalvaardigheid bestaat immers uit de drie subdomeinen waar de taaleis IKK betrekking op heeft (gesprekken, luisteren, spreken).

X Noot
17

Zie ook het coalitieakkoord Aan de slag, 2025, p. 29. Te raadplegen via: https://www.kabinetsformatie2025.nl/documenten/2026/01/30/aan-de-slag---coalitieakkoord-2026-2030.

X Noot
18

Zie artikel 3, eerste en tweede lid van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
19

Met boventallig wordt de inzet van het aantal beroepskrachten die geen onderdeel uitmaken van de beroepskracht-kindratio op een locatie bedoeld.

X Noot
20

Berenschot (2023). Personeelstekort bij Voorschoolse Educatie, p. 29–30.

X Noot
21

Ibid. p. 2–3.

X Noot
22

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 maart 2015, 2015-0000021445, tot wijziging Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen alsmede een technische wijziging van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (Stcrt. 2015, 6347).

X Noot
23

Artikel 10c van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
24

Artikel 7 onderscheidenlijk artikel 10a van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
25

Artikel 6, eerste en vierde lid van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

X Noot
26

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 augustus 2010, nr. PO/OO 211907, houdende wijziging van de Regeling Wet kinderopvang in verband met de vaststelling van de opleidingseisen voor de beroepskrachten voorschoolse educatie (Stcrt. 2010, 13290).

X Noot
27

Zie hiertoe artikel 7, eerste lid, van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
28

Zie artikel 6, tweede lid, Besluit kwaliteit kinderopvang.

X Noot
29

Zie het tot nu geldende artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
30

Zie artikel 7.2.6. van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

X Noot
31

Dit onderdeel van het besluit (toevoeging B2), is bij nader rapport in het besluit opgenomen. Dit naar aanleiding van het advies van de Afdeling om de taaleis niet te subdelegeren. De regering heeft dat advies opgevolgd. Daardoor zag zij zich genoodzaakt om direct in dit besluit te regelen wat zij in eerste instantie aan de minister had willen overlaten: het in de regelgeving gelijkschakelen van niveau B2 ERK met referentieniveau 3F.

X Noot
32

Zie ook bijvoorbeeld niveau B2 voor Oral Comprehension: «Can understand the main ideas of propositionally and linguistically complex discourse on both concrete and abstract topics delivered in standard language or a familiar variety, including technical discussions in their field of specialization.» (CEFR – Companion Volume, p. 48, te raadplegen via https://rm.coe.int/common-european-framework-of-reference-for-languages-learning-teaching/16809ea0d4) Een overzichtelijke weergave van de niveaus van het ERK biedt ook Onze Taal. Taalniveaus volgens het ERK, https://onzetaal.nl/taalloket/taalniveaus-vreemde-talen.

X Noot
33

Bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

X Noot
34

Zie ook bijvoorbeeld niveau B2 voor Reading Comprehension: «Can read with a large degree of independence, adapting style and speed of reading to different texts and purposes, and using appropriate reference sources selectively.», «Can understand articles and reports concerned with contemporary problems in which particular stances or viewpoints are adopted» en «Can understand lengthy, complex instructions in their field, including details on conditions and warnings (…)». (CEFR – Companion Volume, p. 54 en 57–58, te raadplegen via https://rm.coe.int/common-european-framework-of-reference-for-languages-learning-teaching/16809ea0d4).

X Noot
35

Bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

X Noot
36

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 2024, nr. 2024-0000166145, tot wijziging van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017 tot wijziging van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 en de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de nadere uitwerking van enige kwaliteitseisen (Stcrt. 2017, 49278) en de Regeling Wet kinderopvang in verband met aanpassingen van de taaleis voor beroepskrachten (Stcrt. 2024, 20497), p. 4.

X Noot
37

Zie artikel 6 van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
38

Zie artikel 9, derde lid, van de Regeling wet kinderopvang. In afwijking van het derde lid is het op grond van het vierde lid tot en met 30 juni 2026 toegestaan dat maximaal de helft van het totaal minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten bestaat uit beroepskrachten in opleiding of stagiairs. Deze maatregel is genomen vanwege de personeelstekorten en hoge werkdruk in de kinderopvang. Door deze maatregel zijn er meer mogelijkheden om de personeelsplanning rond te krijgen.

X Noot
39

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

X Noot
40

Dit zijn beroepskrachten ve die – onder specifieke voorwaarden, genoemd in artikel 4, vijfde lid van het Besluit basisvoorwaarden, niet aan de reguliere opleidingseisen hoeven te voldoen.

X Noot
41

Aanvullend op artikel 9 van de Regeling Wet kinderopvang.

X Noot
42

Artikel 7, achtste lid van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

X Noot
43

Onder opleidingsbegeleider wordt verstaan een begeleider vanuit school die een beroepskracht in opleiding begeleidt tijdens de Beroepspraktijkvorming, waarbij zowel student als bedrijf terecht kunnen.

X Noot
44

De praktijkbegeleider is verantwoordelijk voor het opleiden van studenten op de werkplek en ondersteunt de beroepskracht in opleiding op een ve-groep. Dit kan de praktijkbegeleider in de reguliere kinderopvang zijn, maar ook de volleerde beroepskracht die samen met de beroepskracht in opleiding op een ve-groep staat.

X Noot
45

Dit vloeit voort uit artikel 1.50 van de Wet kinderopvang.

X Noot
46

Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 11 februari 2026 (W.05.25.00327/I).

X Noot
47

Berenschot (2023). Personeelstekort bij Voorschoolse Educatie.

X Noot
48

Berenschot (2025). Monitor implementatie kwaliteitseisen kinderopvang. P.19 t/m 25.

X Noot
49

Kennisrotonde. (2022). Wat is het effect van interactief voorlezen op de peuterspeelzaal op de taal- en denkontwikkeling van peuters? (KR.1548). Kennisrotonde.

X Noot
50

Salarisschalen MBO en Volwasseneneducatie (BVE) per 01-06-2024.

X Noot
51

Een docent LD is een allround docent op schaal 12 en is verantwoordelijk voor het initiëren en aanjagen van ontwikkeling en vernieuwing van onderwijs en onderwijsbeleid.

X Noot
52

Deze aanvullende scholing bestaat uit minimaal twaalf dagdelen en is in elk geval gericht op kennis en vaardigheden op het gebied van vve-programma’s, het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind op de gebieden taal en het betrekken van ouders. De inhoud van de training wordt bepaald aan de hand van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van pedagogisch medewerkers ve zoals beschreven in het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
53

Nationaleberoepengids.nl Salaris Cursuscoördinator mei 2025.

X Noot
54

Cijfers uit dataset met alle ingeschreven kinderopvanglocaties uit het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Per locatie de daarbij behorende detailgegevens (inschrijvingsgegevens, opvangadresgegevens, houdergegevens, contactgegevens en de gemeente die verantwoordelijk is voor de registratie). Deze dataset wordt tweemaal per week geupdate (maandag en vrijdag). Datum van raadplegen: 16-04-2025.

X Noot
55

Het gemiddelde uurloon van een pedagogisch medewerker op basis van een gemiddeld contractduur van 28 uur per week, gegevens verkregen via BK.

X Noot
56

Dit betreft een versie met het oorspronkelijke voorstel om Lezen 3F te laten vervallen als eis voor het werken in de ve, die is getoetst door de GGD GHOR, VNG en DUO/IvhO.

X Noot
57

Zie artikel 4, lid 3a van het Besluit basisvoorwaarden.

X Noot
58

Besluit van 26 april 2017, houdende wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met aanscherping van de kwaliteitseisen aan beroepskrachten voorschoolse educatie (Stb. 2017, 184).

X Noot
59

Berenschot (2023). Personeelstekort bij Voorschoolse Educatie.

X Noot
60

Dit betreft de internetconsultatie met een eerdere versie van het ontwerpbesluit, waarin Lezen 3F zou komen te vervallen als eis voor het werken in de ve.

X Noot
61

Zie Aanwijzing 4.17, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de Regelgeving (Ar).

X Noot
62

Artikel 7.2.4, zevende lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

X Noot
63

Zie artikel 7.2.6, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, in samenhang met het Besluit basisvoorwaarden dat de wettelijke beroepsvereisten bevat, en artikel 2 derde lid en de bijlage van de Regeling modellen voor mbo-diploma, mbo-certificaat en mbo-verklaring («Regeling»), dat bepaalt dat uit het diploma’s, resultatenlijsten en het certificaten moet blijken of aan die vereisten is voldaan (artikelen 2, 3 en 3a van de Regeling en de bijlagen 4, 5 en 8).

X Noot
64

Wet van 25 februari 2021, Stb. 2021, 171 (vereenvoudiging bekostiging PO)

X Noot
65

«Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.»

X Noot
66

De term is ontleend aan artikel 7 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst.

X Noot
67

Ten behoeve van deze administratie wordt de Regeling Wet kinderopvang aangepast.

X Noot
68

Zie artikel 17 van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB.

Naar boven