Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2021, 571AMvB

Besluit van 19 november 2021 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en enkele andere besluiten ter implementatie van de Richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 september 2021, 2021-0000179037, directie Financiële Markten;

Gelet op Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314), Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314) en de artikelen 1:19, tweede lid, 1:81, 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en derde lid, 3:53, derde lid, 3:57, tweede lid, 3:63, tweede lid, 3:72, vijfde lid, 3:74a, derde lid, 4:14, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c en 4:86 van de Wet op het financieel toezicht;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2021, nr. W06.21.0284/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 17 november 2021, 2021-0000226576, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit prudentiële regels Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt aan de definitie van «toetsingsvermogen» toegevoegd «of, in het geval van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, artikel 9 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen».

B

Artikel 3 vervalt.

C

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, vervalt de tweede zin.

2. In het zesde lid wordt na «de financiële onderneming» ingevoegd «, niet zijnde een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen,».

3. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 8. Een bank, beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:17, eerste of derde lid, 3:23 of 3:27 van de wet houdt in aanvulling op het tweede lid rekening met de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de onderneming actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.

  • 9. Een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, van de wet, niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, houdt in aanvulling op het tweede lid tevens rekening met de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin zij actief is en die verband houden met haar bedrijfscyclus en de risico’s die zij voor anderen inhoudt of kan inhouden.

  • 10. Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:22 van de wet waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat:

    • a. de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn, voldoet aan de op een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten van toepassing zijnde verplichting bedoeld in het achtste lid; of

    • b. de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn, voldoet aan de op een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing zijnde verplichting bedoeld in het negende lid.

D

Artikel 23a komt te luiden:

Artikel 23a

Het beleid en de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, eerste en derde tot en met vijfde lid:

  • a. van een bank, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tiende lid, aanhef en onderdeel a, of een clearinginstelling voldoen aan de op de betrokken onderneming van toepassing zijnde technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s in de artikelen 79 tot en met 87 van de richtlijn kapitaalvereisten;

  • b. van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tiende lid, aanhef en onderdeel b, voldoen aan de technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdelen b en c, derde lid, en 29, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en indien de beleggingsonderneming kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen aan die bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen a, c, en d, van die richtlijn.

E

In artikel 23aa wordt «beleggingsondernemingen in de zin van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

F

Artikel 23b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef vervalt «in de zin van de verordening kapitaalvereisten».

b. In onderdeel a wordt na «de richtlijn kapitaalvereisten» ingevoegd «, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, eerste en tweede lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen».

c. In onderdeel b wordt na «de richtlijn kapitaalvereisten» ingevoegd «, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, vierde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen».

d. In onderdeel c wordt na «de richtlijn kapitaalvereisten» ingevoegd «, dan wel, in het geval van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, overeenkomstig artikel 28, derde en vijfde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen».

2. In het tweede lid wordt «beleggingsonderneming» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

3. In het derde lid wordt «beleggingsonderneming» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten» en wordt na «het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft» ingevoegd «dan wel indien de beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen».

4. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Artikel 23, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.

G

Artikel 23i komt te luiden:

Artikel 23i

  • 1. Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, eerste lid, beschikt over passende procedures die haar werknemers in staat stellen om door hen geconstateerde mogelijke of feitelijke overtredingen van de verordening kapitaalvereisten, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen of het bij of krachtens hoofdstuk 1.7 en het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde intern te melden.

  • 2. Deze procedures voldoen aan de vereisten in artikel 71, tweede lid, onderdelen b, c en d, en derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, of, in het geval van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, aan de vereisten in artikel 22, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Artikel 23, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

H

In artikel 24a, eerste lid, wordt «bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin» vervangen door «bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, achtste lid en tiende lid, aanhef en onderdeel a».

I

Na artikel 24a wordt twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 24a1

  • 1. Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, negende lid en tiende lid, aanhef en onderdeel b, beschikt over solide, doeltreffende en allesomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar toetsingsvermogen en haar liquide activa aansluiten op de omvang en de aard van de risico’s waaraan zij blootstaat, zou kunnen blootstaan en die zij voor anderen kan inhouden.

  • 2. De Nederlandsche Bank kan categorieën beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeren als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, verplichten te voldoen aan het eerste lid, indien zij dit passend acht.

Artikel 24a2

  • 1. Indien een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die eerst niet kwalificeerde als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, op enig moment wel als zodanig kwalificeert dan mag zij aan de artikelen 23, 23a en 23b van dit besluit, de artikelen 29a, derde lid, en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen voldoen als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming zodra een periode van zes aaneengesloten maanden is verstreken vanaf de datum waarop zij voor het eerst als zodanig heeft gekwalificeerd, zij gedurende die periode doorlopend als zodanig heeft gekwalificeerd en mits zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Indien een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet langer kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, dan stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis en voldoet zij binnen twaalf maanden na de datum waarop zij niet meer als zodanig kwalificeert aan de artikelen 23, 23a en 23b van dit besluit, de artikelen 29a, derde lid, en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, als beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming.

J

In artikel 24b, eerste lid, wordt «een bank die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, een beheerder van een icbe, of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:17, eerste en derde lid, 3:22 of 3:23, tweede lid, van de wet» vervangen door «een bank die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, een bank als bedoeld in artikel 3:23, tweede lid, van de wet, een beheerder van een icbe, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten en een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:22 van de wet, waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn».

K

Na artikel 25a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 25b

Een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die een activiteit verricht of een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet, voldoet aan het bepaalde in de artikelen 23, eerste tot en met vijfde lid en negende lid, 23a, aanhef en onderdeel b, 23b, eerste, derde en vierde lid, en 24a1 voor een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen of voor een beleggingsonderneming die kwalificeert als klein en niet-verweven als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen indien wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in dat artikel. Artikel 24a2, voor zover het de toepassing van de artikelen 23, 23a en 23b betreft, is van overeenkomstige toepassing.

L

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel f komt te luiden:

  • f. € 750.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die de beleggingsdienst verleent, bedoeld in onderdeel e van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, of de beleggingsactiviteit verricht, bedoeld in onderdeel a van de definitie van het verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet;

b. Onderdeel g komt te luiden:

  • g. € 750.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die de beleggingsactiviteit verricht, bedoeld in onderdeel b van de definitie van het verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet, indien de beleggingsonderneming handelt voor eigen rekening of het de beleggingsonderneming op grond van haar vergunning is toegestaan te handelen voor eigen rekening;

c. In onderdeel h wordt «€ 50.000» vervangen door «€ 75.000».

d. Onderdeel i vervalt, onder verlettering van de onderdelen j tot en met r tot i tot en met q.

e. In onderdeel i (nieuw) wordt «€ 730.000» vervangen door «€ 150.000» en wordt «f tot en met i» vervangen door «f tot en met h».

2. Het tweede tot en met vierde lid vervallen, onder vernummering van het vijfde lid tot tweede lid.

M

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) vervalt «van een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet,».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet en van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet is samengesteld overeenkomstig artikel 9 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.

N

Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet» vervangen door «een bank als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot zesde tot en met negende lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. De solvabiliteit van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit delen 3 en 4 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.

  • 5. Op een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:58, eerste lid, onderdeel a, van de wet, is:

    • a. het derde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn; of

    • b. het vierde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt «Onverminderd het eerste tot en met vierde lid» vervangen door «Onverminderd het eerste tot en met vierde en zesde lid» en wordt «het aanwezige toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid» vervangen door Het aanwezige toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste, derde, vierde en zesde lid».

4. In het negende lid (nieuw) wordt «de op een beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen van deel 3 van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door «de voor diezelfde beleggingsdienst op een beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen».

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 10. De Nederlandsche Bank stelt ter uitvoering van het negende lid nadere regels met betrekking tot de toepassing van de kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen voor beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van icbe’s als bedoeld in het negende lid.

O

In artikel 63, derde lid, wordt «Artikel 97 van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door «Artikel 13 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen».

P

Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «, beheerder van een beleggingsinstelling of icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet of een beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door « of een beleggingsonderneming».

2. In het tweede lid vervalt «als bedoeld in artikel 366 van de verordening kapitaalvereisten».

3. In het derde lid wordt «als bedoeld in artikel 366 van de verordening kapitaalvereisten blijkt dat een risicomodel als bedoeld in artikel 455 van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door «blijkt dat een intern model».

Q

Artikel 106b komt te luiden:

Artikel 106b

  • 1. De liquiditeit van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, van de wet is voldoende, indien wordt voldaan aan:

    • a. de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 6 van de verordening kapitaalvereisten, indien het een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten betreft;

    • b. de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 5 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, indien het een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen betreft.

  • 2. Op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:65 van de wet is van overeenkomstige toepassing:

    • a. het eerste lid, onderdeel a, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn;

    • b. het eerste lid, onderdeel b, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn.

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet.

R

Artikel 130 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt « beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:82, eerste lid, van de wet» vervangen door «, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

2. Onder vernummering van het tweede tot en met elfde lid tot vierde tot en met dertiende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De door een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen te verstrekken staten omvatten uitsluitend de in artikel 54 en artikel 55 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens.

  • 3. De door een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:82, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:

    • a. de in artikel 430, eerste lid, onderdelen a en d, van de verordening kapitaalvereisten bedoelde gegevens voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, die verordening van toepassing zou zijn;

    • b. de in artikel 54, eerste lid, onderdelen a tot en met c en f, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens, voor zover het een beleggingsonderneming betreft waarop, indien zij haar zetel had gehad in een lidstaat, die verordening van toepassing zou zijn.

3. Aan het tiende lid (nieuw) wordt een zin toegevoegd, luidende: Indien een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet omvatten de door hem te verstrekken staten tevens de in artikel 54 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen bedoelde gegevens.

S

Artikel 131 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met h tot c tot en met i wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. vier maal per jaar, voor de staten, bedoeld in artikel 130, tweede en derde lid, onderdeel b;

b. In onderdeel c (nieuw) wordt «artikel 130, vierde lid, onderdeel a» vervangen door «artikel 130, zesde lid, onderdeel a» en wordt «artikel 130, vierde, onderdeel b, onder 2°» vervangen door «artikel 130, zesde lid, onderdeel b, onder 2°».

c. In onderdeel d (nieuw) wordt «artikel 130, eerste en vierde lid» vervangen door «artikel 130, eerste en zesde lid».

d. In onderdeel e (nieuw) wordt «artikel 130, vijfde lid» vervangen door «artikel 130, zevende lid».

e. In onderdeel f (nieuw) wordt «artikel 130, zevende lid, onderdeel a» vervangen door «artikel 130, negende lid, onderdeel a».

f. In onderdeel g (nieuw) wordt «artikel 130, zevende lid, onderdeel b» vervangen door «artikel 130, negende lid, onderdeel b».

g. Onderdeel h (nieuw) komt te luiden:

  • h. twee maal per jaar voor de in artikel 130, tiende lid, genoemde staten. Indien een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet: vier maal per jaar;

h. In onderdeel i wordt «artikel 130, tiende lid» vervangen door «artikel 130, twaalfde lid».

2. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde tot vierde lid.

T

In artikel 134b, tweede lid, wordt «Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:74a, eerste lid, van de wet» vervangen door «Een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

ARTIKEL II

Het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De definitie van «beleggingsonderneming» vervalt.

2. Er worden in de alfabetische volgorde drie definities ingevoegd, luidende:

beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen:

een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet is verleend, niet zijnde een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten en niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen;

beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten:

een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet is verleend en die op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel a of b, of vijfde lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast, of ten aanzien waarvan de Nederlandsche Bank een besluit als bedoeld in artikel 3:4a, eerste lid, van de wet heeft genomen;

richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen:

richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314);

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van de definitie van «verordening kapitaalvereisten» door een puntkomma worden twee definities toegevoegd, luidende:

verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen:

verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314);

wet:

Wet op het financieel toezicht.

B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing op banken met zetel in Nederland, op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «beleggingsonderneming» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, met dien verstande dat voor de toepassing van het eerste lid voor «dochterondernemingen» wordt gelezen «dochterondernemingen die een financiële instelling zijn als bedoeld in artikel 1:1 van de wet».

D

In artikel 4, eerste en tweede lid, wordt «beleggingsonderneming» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

E

In artikel 5, eerste lid, wordt «beleggingsonderneming» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

F

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

ARTIKEL III

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 29a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De bedrijfsvoering van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, voldoet aan de ingevolge artikel 26, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen gestelde eisen, met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel uit de richtlijn, alsmede aan de ingevolge artikel 28 van die richtlijn gestelde eisen, voor zover het bedrijfsrisico’s betreft, niet zijnde de risico’s, bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet.

B

Na artikel 31g wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31ga

Een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, verstrekt de in artikel 34, vierde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen bedoelde gegevens jaarlijks aan de Autoriteit Financiële Markten.

C

Na artikel 35e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 35f

Een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, niet zijnde een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, voldoet aan het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met inachtneming van het bepaalde in het tweede en het bepaalde ingevolge het derde lid van dat artikel.

D

Na artikel 163 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 164

Een bijkantoor van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 2:99a van de wet verstrekt de Autoriteit Financiële Markten jaarlijks de gegevens bedoeld in artikel 41, derde lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, met inachtneming van het zesde lid van dat artikel.

ARTIKEL IV

Artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector wordt als volgt gewijzigd:

1. In de opsomming van de artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Markttoegang financiële ondernemingen wordt in de numerieke volgorde het volgende artikelnummer met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

2:103c

2

2. De opsomming van artikelen uit het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen wordt als volgt gewijzigd:

a. «3:53, eerste lid» wordt vervangen door «3:53, eerste en derde lid» en «3:53, tweede en derde lid» wordt vervangen door «3:53, tweede lid».

b. «3:269, eerste en tweede lid» wordt vervangen door «3:269, eerste tot en met derde lid» en het bijbehorende boetecategorienummer wordt vervangen door «3».

c. Het bij artikel 3:277a, eerste lid, behorende boetecategorienummer wordt vervangen door «3».

d. In de numerieke volgorde worden de volgende artikelnummers met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

3:111a.0, eerste, tweede en zesde lid

3

3:280, tweede tot en met vierde lid

3

3. De opsomming van artikelen uit het Besluit prudentiële regels Wft wordt als volgt gewijzigd:

a. «23, eerste tot en met vijfde lid» wordt vervangen door «23».

b. «59, eerste, tweede en zevende lid» wordt vervangen door «59, eerste tot en met vierde lid, zesde, zevende en negende lid».

c. «131, vierde lid» met het bijbehorende boetecategorienummer vervalt.

d. in de numerieke volgorde worden de volgende artikelnummers met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

24a1

3

24a2

3

106b

3

4. In de numerieke volgorde van de opsomming van artikelen uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft worden de volgende artikelnummers met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

31ga

3

35f

3

164

3

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

ARTIKEL VI

Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 19 november 2021

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Uitgegeven de vijfentwintigste november 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Dit besluit strekt samen met het voorstel voor de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (verder: de implementatiewet)1 tot implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314) (hierna: de richtlijn). Als gevolg van de implementatie van de richtlijn wordt met dit besluit voorzien in wijzigingen van het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr), het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs). De richtlijn dient op 26 juni 2021 in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd te zijn. Dat is ook de datum waarop het grootste deel van de bijbehorende Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314) (hierna: de verordening) van toepassing wordt.2 De uitvoering van verordening is voorzien in een separaat besluit, het Uitvoeringsbesluit verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen dat grotendeels in werking is getreden op 10 juli 2021.

§ 2. Aanleiding, achtergrond en inhoud

De verordening en de richtlijn vormen tezamen het nieuwe prudentieel kader voor beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen vielen voorheen, net als banken, voor wat betreft de prudentiële regels en het toezicht daarop onder de verordening kapitaalvereisten3 en de richtlijn kapitaalvereisten.4 Dit prudentiële regime is in hoofdzaak gebaseerd op de door het Bazels Comité voor Bankentoezicht voor bankengroepen vastgestelde internationale reguleringsstandaarden. Deze standaarden sluiten niet volledig aan op de specifieke risico’s die zijn verbonden aan de dienstverlening en activiteiten van beleggingsondernemingen, maar zijn vooral gericht op het adresseren van de meest gangbare risico’s voor banken. Om die reden voorzien de onderhavige verordening en richtlijn in een nieuw prudentieel regime voor beleggingsondernemingen, dat de specifieke risico’s voor beleggingsondernemingen adresseert.

Tot en met het moment van openbare consultatie5 maakte de inhoud van het Uitvoeringsbesluit verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (verder: het uitvoeringsbesluit) onderdeel uit van dit besluit. Na consultatie is, gelet op de termijn waarop de verordening van toepassing is geworden (26 juni 2021) besloten de wijzigingen die betrekking hebben op de uitvoering van de verordening6 op te nemen in het uitvoeringsbesluit. De Wet op het financieel toezicht (Wft) voorziet namelijk reeds in voldoende grondslag (in de artikelen 1:24, derde lid, en 1:25, derde lid, Wft) voor deze wijzigingen waardoor het uitvoeringsbesluit na consultatie snel in procedure gebracht kon worden en inmiddels in werking is getreden (op 10 juli 2021). Het onderhavige besluit is deels gebaseerd op enkele grondslagen die deel uitmaken van de implementatiewet, zodat met het in procedure brengen van dit besluit moest worden gewacht tot de Tweede Kamer de implementatie had aangenomen (hetgeen op 1 juli 2021 heeft plaatsgevonden).

In paragraaf 3 wordt stilgestaan bij de belangrijkste wijzigingen die deel uitmaken van dit ontwerpbesluit. In paragraaf 4 van deze nota van toelichting worden de gevolgen van dit besluit besproken. Vervolgens wordt in paragraaf 5 stil gestaan bij de reacties die zijn ontvangen in het kader van de publieke consultatie van het ontwerpbesluit. In het artikelsgewijze deel worden de wijzigingen van het Bpr, BGfo, Bbbfs en het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten op artikelniveau besproken. Als bijlage bij deze toelichting is een transponeringstabel behorende bij de implementatie van de richtlijn opgenomen.

§ 3. Belangrijkste wijzigingen

3.1. Categorie indeling beleggingsondernemingen

Zoals is omschreven in de memorie van toelichting bij de implementatiewet wordt de indeling van beleggingsondernemingen in categorieën in de wet en onderliggende regelgeving tot uitdrukking gebracht volgens onderstaande indeling.

Reikwijdte

Wft aanduiding

Bepaling is van toepassing op beleggingsondernemingen waarop de verordening en richtlijn kapitaalvereisten van toepassing zijn

Beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten

Bepaling is van toepassing op beleggingsondernemingen waarop de onderhavige verordening en richtlijn van toepassing zijn

Beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen

Bepaling is van toepassing op zowel beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten, als beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, die hun zetel hebben in Nederland

Beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend

Bepaling heeft betrekking op zowel beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten, als beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, die hun zetel hebben in een andere lidstaat

Beleggingsonderneming (met zetel in een andere lidstaat) waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014

Bepaling is van toepassing op eenieder die een beleggingsdienst verleent of een beleggingsactiviteit verricht, ongeacht het type vergunning op grond waarvan dat is toegestaan

Beleggingsonderneming

Voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen is in de verordening en de richtlijn voorzien in een aantal uitzonderingen. Deze beleggingsondernemingen worden in dit besluit aangeduid als beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.

3.2. Implementatie vereisten inzake interne governance en risicobeheer

Zoals is omschreven in de memorie van toelichting bij de implementatiewet komen de bepalingen inzake de governance van en het risicobeheer door beleggingsondernemingen niet alleen grotendeels overeen met de vereisten die de richtlijn kapitaalvereisten daar reeds aan stelt en die reeds in de Wft, het Bpr en het BGfo zijn geïmplementeerd, maar overlappen ook in enige mate met de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische vereisten7 (verder: gedelegeerde verordening 2017/565 inzake organisatorische vereisten) die zijn oorsprong vindt in de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014.8 Deze gedelegeerde verordening heeft rechtstreekse werking en blijft met de introductie van onderhavige richtlijn ongewijzigd in stand. De wijzigingen als gevolg van de richtlijn zijn beperkt. In dit besluit worden de bestaande bepalingen in het Bpr en het BGfo aangepast aan de nieuwe categorie-indeling van beleggingsondernemingen en wordt voor beleggingsondernemingen waarop de onderhavige verordening en richtlijn van toepassing zijn voorzien in enkele nieuwe bepalingen waarin het regime van de richtlijn is neergelegd en waarin verwijzingen naar die richtlijn zijn opgenomen. Dat gaat bijvoorbeeld om specifieke eisen aan het risicobeheer met betrekking tot de soliditeit voor beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (zie bijvoorbeeld artikel 23 Bpr) en het specifieke regime voor kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening op grond van de artikelen 25, eerste tot en met derde lid, en 29, tweede lid, van de richtlijn, dat onder meer is geïmplementeerd in de artikelen 23a, 23b en 24a2 (zie voor een uitgebreide beschrijving van de wijzigingen de artikelsgewijze toelichting). De algemene eisen met betrekking tot de beheerste uitoefening van het bedrijf (niet zijnde vereisten met betrekking tot het risicobeleid dat moet worden gevoerd om de soliditeit te waarborgen) zijn opgenomen in het BGfo.

3.3. Uitwerking vereisten van aanvangskapitaal, solvabiliteit en liquiditeit

In de richtlijn zijn de vereisten opgenomen die gelden voor het aanvangskapitaal – naar Wft-terminologie: minimum eigenvermogensvereiste – van beleggingsondernemingen. Deze vereisten gelden voor alle beleggingsondernemingen, zowel die onder de verordening kapitaalvereisten als die in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Dat volgt uit artikel 2 van de richtlijn. Beleggingsondernemingen dienen op grond van artikel 9 van de richtlijn over een bepaald niveau aan aanvangskapitaal te beschikken. Voorts is in de richtlijn, in artikel 11 bepaald dat het minimum eigenvermogensvereiste van een beleggingsonderneming is samengesteld overeenkomstig artikel 9 van de verordening waarin de voorwaarden staan m.b.t. het minimaal aan te houden tier 1-kernkapitaal, aanvullend tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal. In artikel 10 van de richtlijn is bepaald dat de verwijzingen in andere Europese regelgeving naar (bepalingen in) titel IV van de richtlijn kapitaalvereisten voortaan gelezen moeten worden als verwijzingen naar artikel 9 van de onderhavige richtlijn (zie verder de artikelsgewijze toelichting m.b.t. artikelen 48 en 50 Bpr).

In de implementatiewet is vastgehouden aan de eerder, bij de uitvoering van de verordening kapitaalvereisten gemaakte keuze om het solvabiliteits- en liquiditeitsvereiste in de Wft te handhaven, gelet op het elementaire karakter van deze vereisten en de rol die zij spelen in het stelsel van prudentieel toezicht op grond van de Wft. In dit besluit is voor de onderscheidde categorieën beleggingsondernemingen voor de uitwerking van het solvabiliteits- en liquiditeitsvereiste verwezen naar de verordening kapitaalvereisten en de onderhavige verordening (zie verder de artikelsgewijze toelichting m.b.t. artikelen 59 en 106b Bpr).

§ 3.4. Beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s die beleggingsdiensten verlenen

In de implementatiewet wordt de bestaande gelijkschakeling (op grond van de schakelbepaling in artikel 1:19, tweede lid, Wft) van de prudentiële vereisten voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die beleggingsdiensten verlenen met de prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen behouden.9 Uitwerking hiervan vindt plaats met het onderhavige besluit, in artikel 25b Bpr. In dat artikel is gespecificeerd aan welke eisen met betrekking tot de soliditeit, alsmede op het gebied van governance en risicobeheer, een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die een beleggingsdienst verleent moet voldoen (zie ook de artikelsgewijze toelichting m.b.t. artikel 25b Bpr). Verdere uitwerking van het solvabiliteitvereiste zal specifiek voor deze beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s plaatsvinden bij toezichthouderregeling van DNB (zie de artikelsgewijze toelichting m.b.t. artikel 59, tiende Bpr). Daarin zal de berekening van het solvabiliteitsvereiste aan de hand van de K-factoren uit de verordening voor deze beheerders nader worden uitgewerkt. De uitwerking van de liquiditeitsvereisten voor deze beheerders is opgenomen in artikel 106b Bpr.

§ 4. Gevolgen

Voor een beschrijving van de gevolgen voor de regeldruk wordt verwezen naar de integrale beschrijving van de regeldrukkosten als gevolg van de gehele wijzigingsrichtlijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de implementatiewet. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) is gevraagd om een formeel advies uit te brengen. Het college onderschrijft de conclusies met betrekking tot de gevolgen voor de regeldruk en heeft afgezien van een formele reactie. Het besluit heeft geen financiële gevolgen voor het Rijk.

Voor de gevolgen voor de toezichthouders van het nieuwe kader voor beleggingsondernemingen wordt allereerst verwezen naar de memorie van toelichting bij de implementatiewet. Daaruit komt naar voren dat in die wet en de onderliggende regelgeving, waaronder dit besluit, de bestaande taakverdeling tussen de AFM en DNB ongewijzigd in stand wordt gelaten.10 Dat betekent dat de AFM de primaire toezichthouder is waar het beleggingsondernemingen betreft, die verantwoordelijk is voor het verlenen van de vergunning en de uitoefening van het gedragstoezicht. DNB blijft de toezichthoudende autoriteit die verantwoordelijk is voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen. Bepalingen uit de richtlijn met een prudentieel karakter zijn opgenomen in het Bpr, waarop DNB toeziet. Bepalingen met een gedragscomponent of een algemeen karakter zijn opgenomen in het BGfo, waar de AFM op toeziet. Aangezien de richtlijn het prudentieel toezicht van beleggingsondernemingen betreft, vindt het overgrote deel van de implementatie plaats in het Bpr. Deze bestaande taakverdeling betekent dat een efficiënte samenwerking en informatie uitwisseling tussen DNB en de AFM cruciaal is.

Dit besluit is opgesteld in afstemming met DNB en de AFM. Zij zijn ook gevraagd om een uitvoeringstoets te verrichten. Zoals uit de uitvoeringstoetsen blijkt, kunnen zowel DNB, als de AFM zich vinden in het ontwerpbesluit en voorzien zij geen problemen bij de uitvoering.

Beide toezichthouders onderstrepen in hun uitvoeringstoets de noodzaak van efficiënte samenwerking. DNB wijst in dit kader op een intensivering van de samenwerking die voortvloeit uit richtsnoeren van de EBA, die strekken tot een verdere invulling van het periodieke toezicht- en evaluatieproces uit de richtlijn. De AFM stelt in haar uitvoeringstoets dat de toezichtterreinen van DNB en de AFM in toenemende mate aan elkaar raken en soms ook overlappen.

Ten aanzien van deze opmerking van de AFM is van belang om op te merken dat met de implementatiewet en het onderhavige besluit niet wordt voorzien in overlappende vereisten of in overlap in het toezicht door DNB en de AFM. De AFM blijft de primaire toezichthouder waar het beleggingsondernemingen betreft en verantwoordelijk voor het verlenen van vergunningen aan en het uitoefenen van het gedragstoezicht op beleggingsondernemingen en DNB blijft verantwoordelijk voor het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen. Daar waar het de vereisten inzake governance en risicobeheer betreft, geldt dat DNB hier toezicht op houdt voor zover deze vereisten strekken tot beheersing van prudentiële risico’s, terwijl de AFM toezicht houdt op de vereisten die strekken ter beheersing van risico’s met een gedragscomponent. In dit opzicht voorziet het onderhavige besluit niet in wijzigingen ten opzichte van de bestaande praktijk. Zie voor een nadere toelichting hierop ook paragraaf 5 met betrekking tot de ontvangen consultatiereacties.

Ook DNB onderschrijft dat de taken en bevoegdheden inzake de interne governance, transparantie, behandeling van risico’s en beloning voldoende duidelijk toebedeeld zijn aan (één van) beide toezichthouders. Dit besluit biedt daarmee volgens DNB een goede basis voor verdere onderlinge werkafspraken. Ook de AFM wijst op het belang van goede werkafspraken en nauw contact tussen de twee toezichthouders over de invulling van het toezicht zodat dubbel toezicht wordt voorkomen. Dit belang wordt onderschreven. In het voorstel van de implementatiewet zijn in dat kader ook aanvullende samenwerkingsbepalingen opgenomen, die onder meer tot doel hebben te voorkomen dat dezelfde informatie door beleggingsondernemingen tweemaal dient te worden verstrekt.

Verder wijst DNB er in haar uitvoeringstoets op dat het nieuwe toezichtkader voor beleggingsondernemingen (als gevolg van de uitvoering van de verordening, de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en de bijbehorende lagere wet- en regelgeving) op onderdelen extra toezichtwerkzaamheden vergt. Deze mogelijke toename in toezichtkosten was al aangekondigd in de uitvoeringstoets inzake de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Nu de impact en lagere regelgeving verder zijn uitgewerkt, zijn de gevolgen voor de toezichtkosten door DNB nader in kaart gebracht. DNB voorziet een structurele toename in benodigde toezichtcapaciteit van 6,5 fte is en zal zich inspannen die toename op te vangen met verschuivingen binnen het bestaande kostenkader, eventueel met gebruik making van de daarin opgenomen flexibele schil. De toename in toezichtwerkzaamheden wordt onder meer veroorzaakt door de behandeling van twee nieuwe aanvragen van bankvergunningen (beleggingsondernemingen die voor eigen rekening handelen in financiële instrumenten of financiële instrumenten overnemen of plaatsen met plaatsingsgarantie en waarvan de totale waarde van geconsolideerde activa gelijk is aan of groter is dan EUR 30 miljard kwalificeren op grond van de verordening voortaan als bank en dienen daartoe over een bankvergunning te beschikken). Daarnaast volgen bijvoorbeeld extra werkzaamheden als gevolg van de onder toezichtstelling van EU-moederbeleggingsholdings en gemengde financiële EU-moederholdings. Ook de AFM voorziet een, zij het beperkte, toename van de benodigde capaciteit van 1 fte zoals reeds bij de uitvoeringstoets inzake de implementatiewet was aangegeven.

§ 5. Consultatie

Een ontwerp van dit besluit is van 4 april tot 29 april 2021 openbaar geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl. Daarbij zijn twee reacties ontvangen (beide openbaar) van APT (Association of Proprietary Traders) en DUFAS (Dutch Fund and Asset Management Association). Deze reacties worden hieronder achtereenvolgens besproken.

APT heeft positief gereageerd op het ontwerpbesluit. Zij wijst op twee onvolkomenheden in artikel 31ga (voorheen 31g1) BGfo en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 23 Bpr. Deze onvolkomenheden zijn naar aanleiding van de reactie van APT verbeterd in het onderhavige besluit. Zo is in artikel 31ga BGfo, ten aanzien van de in artikel 34, vierde lid, van de richtlijn bedoelde gegevens met betrekking tot beloningen, bepaald dat deze jaarlijks aan de toezichthouder moeten worden verstrekt. In de nota van toelichting is daarnaast verduidelijkt dat de wijziging van artikel 23 Bpr strekt tot implementatie van artikel 26 aanhef en eerste lid, onder b, van de richtlijn.

De reactie van DUFAS richt zich in hoofdzaak op het bestendigen van de bestaande gelijkschakeling in prudentiële vereisten voor beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen met de prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen. DUFAS wijst in haar consultatiereactie op mogelijke overlap van toezicht en regels op het gebied van governance en risicobeheersing. Daarnaast zou sprake zijn van onduidelijkheid over de prudentiële regels en solvabiliteitsvereisten voor de betreffende beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s. Hieronder zal puntsgewijs worden ingegaan op de reactie van DUFAS en de naar aanleiding van die reactie aangebrachte wijzigingen in het ontwerpbesluit.

DUFAS vraagt zich in de eerste plaats af hoe de toezichthoudende taken van de AFM ten aanzien van de regels ingevolge de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen11 (AIFM-richtlijn) en de richtlijn icbe’s12 zich verhouden tot de taken die DNB in dit ontwerpbesluit worden toebedeeld, met betrekking tot de regels die volgen uit de richtlijn. DUFAS vreest daarbij voor stapeling van toezicht, dubbele uitvragen en conflicterende guidance door DNB en de AFM.

De zorgen van DUFAS op dit punt kunnen worden weggenomen. Zoals ook naar voren komt uit de memorie van toelichting bij het voorstel voor de implementatiewet en nader is toegelicht in het nader rapport met betrekking tot het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State met betrekking tot dit wetsvoorstel, bestaat de gelijkschakeling van prudentiële vereisten voor deze beheerders die beleggingsdiensten verlenen met die voor beleggingsondernemingen al vele jaren. Onder huidig recht zijn die prudentiële vereisten gebaseerd op de richtlijn en verordening kapitaalvereisten, die tot voorkort van toepassing waren op beleggingsondernemingen. Inmiddels is er het regime uit de verordening dat meer dan voorheen is toegesneden op het verlenen van beleggingsdiensten. De verdeling van het toezicht, gebaseerd op het zogenaamde «Twin Peaks model», waarbij DNB zorgdraagt voor het prudentiële toezicht op deze beheerders en de AFM zich richt op het gedragstoezicht en de vergunningverlening, verandert als gevolg van het onderhavige besluit niet ten opzichte van de huidige situatie. Bij implementatie van de richtlijn is als uitgangspunt genomen dat de bestaande bevoegdheidsverdeling tussen DNB en de AFM gehandhaafd blijft. Anders dan DUFAS stelt, krijgt DNB in het ontwerpbesluit geen grotere rol toebedeeld. Zoals ook thans al het geval is, houdt DNB prudentieel toezicht op de betreffende beheerders, zowel ten aanzien van de prudentiële vereisten die samenhangen met het verlenen van beleggingsdiensten (op grond van de gelijkschakeling met de onderhavige verordening en richtlijn, voorheen de verordening en richtlijn kapitaalvereisten), als op de prudentiële vereisten die volgen uit de AIFM-richtlijn en de richtlijn icbe’s (die ongewijzigd zijn gebleven).13 Er zal dus geen sprake zijn van een stapeling van toezicht, dubbel toezicht of overlap tussen toezichttaken als gevolg van de bestendiging van de gelijkschakeling.

DUFAS stelt voorts dat, als gevolg van de schakelbepaling opgenomen in artikel 25b Bpr, door beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen moet worden voldaan aan governance vereisten en vereisten met betrekking tot het risicobeheer die overlappen met vereisten die voortvloeien uit de AIFM-richtlijn en de icbe’s.

De stelling van DUFAS dat de governance vereisten uit de bedoelde richtlijnen en uit de onderhavige richtlijn naast elkaar zullen gelden is juist, maar van overlap is geen sprake. Het betreft vereisten die beogen de risico’s die verbonden zijn aan de dienstverlening van de beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s te beheersen. De governance en risicobeheervereisten ingevolge de AIFM-richtlijn en de richtlijn icbe’s adresseren de specifieke risico’s die aan de orde zijn bij het beheren van beleggingsinstellingen of icbe’s. De gelijkgeschakelde vereisten ingevolge de (onderhavige) richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen adresseren juist de risico’s verbonden aan het verlenen van beleggingsdiensten. De vereisten moeten worden beschouwd in het licht van de activiteit waarvoor ze zijn bedoeld, zoals ook blijkt uit de desbetreffende richtlijnbepalingen. Er is om die reden dus geen sprake van overlap. Ook de stelling van DUFAS, dat de gelijkschakeling in het huidige Bpr ontbreekt en om die reden nieuw zou zijn, is niet juist. Onder huidig recht vloeit deze gelijkschakeling reeds voort uit de schakelbepaling van artikel 1:19, tweede lid, Wft.14 Daarin is bepaald dat de artikelen 3:17, derde lid, 3:18, 3:53, eerste en derde lid, 3:57, eerste tot en met derde lid en vijfde tot en met zevende lid, van toepassing zijn op het verrichten van beleggingsdiensten door deze beheerders.15 Daardoor zijn de vereisten die, op grond van deze Wft-bepalingen, in het huidige Bpr gesteld worden voor beleggingsondernemingen reeds op hen van toepassing. In het onderhavige besluit wordt dit verduidelijkt middels een schakelbepaling in artikel 25b Bpr, om tegemoet te komen aan de wens van de sector om verduidelijking welke eisen precies van toepassing zijn op deze beheerders.

DUFAS stelt in haar consultatiereactie dat het ontwerpbesluit op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die beleggingsdiensten verlenen ook de richtsnoeren van de EBA, met betrekking tot governance regelingen, bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de richtlijn, onverkort van toepassing verklaart De betreffende richtsnoeren beperken zich, evenals de technische reguleringsnormen die op grond van de richtlijn door de EBA worden opgesteld, tot de reikwijdte van de verordening en richtlijn. Om die reden zijn deze richtsnoeren niet op één op één op deze beheerders van toepassing. DNB kan, waar passend en relevant, voor de invulling van haar toezicht op de naleving van de betreffende vereisten voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s aansluiting zoeken bij de richtsnoeren. Daarbij dient DNB er rekening mee te houden dat de richtsnoeren van de EBA, gelet op hun beperkte reikwijdte, geen rekening zullen houden met de specifieke kenmerken van (de bedrijfsvoering van) beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s.

Naar aanleiding van de opmerkingen van Dufas met betrekking tot de vereisten die op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s van overeenkomstige toepassing worden verklaard, is ervoor gekozen de verplichtingen inzake een klokkenluidersregeling en een onafhankelijke risicobeheerfunctie voor hen te laten vervallen. Het vereiste inzake een onafhankelijke risicobeheerfunctie is niet van toepassing is op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Om die reden is gelijkschakeling voor beheerders, zoals DUFAS terecht stelt, niet aan de orde.

Voor de overige vereisten die met het onderhavige besluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die beleggingsdiensten verlenen is naar aanleiding van de reactie van DUFAS voorzien in een specifieke verwijzing naar de vereisten die op grond van de richtlijn van toepassing zijn op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, die dezelfde diensten verlenen.

Ook identificeert DUFAS in een tabel meer specifiek enkele inhoudelijke aandachtspunten waarbij volgens DUFAS overlap of onduidelijkheid kan ontstaan door de gelijkschakeling met de prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen. Als eerste stelt DUFAS dat verschillende risico’s genoemd in artikel 23, tweede lid, Bpr, zoals het liquiditeitsrisico, het securitisatierisico en de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving, zowel op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s van toepassing zijn uit hoofde van de AIFM-richtlijn, als (als gevolg van het onderhavige besluit) uit hoofde van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, indien zij beleggingsdiensten verlenen. Volgens DUFAS is verduidelijking nodig.

Daarover het volgende. Artikel 23 Bpr regelt voor een grotere groep financiële ondernemingen dat zij beleid moeten voeren gericht op het beheersen van relevante risico’s met betrekking tot de soliditeit van de onderneming (artikel 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet). Welke risico’s daarvoor relevant kunnen zijn, hangt af van het type onderneming en de activiteiten die worden verricht. Een niet uitputtende lijst van mogelijke risico’s waarmee rekening gehouden moet worden, indien die relevant zijn voor de desbetreffende onderneming, is opgenomen in het tweede lid. Voor beleggingsondernemingen zijn daarnaast in het nieuwe negende lid nog enkele risico’s opgenomen die specifiek worden genoemd in de richtlijn en waarmee een beleggingsonderneming (in de zin van de richtlijn, niet zijnde een beleggingsonderneming die kwalificeert als klein en niet-verweven in de zin van artikel 12 van de verordening) in ieder geval rekening moet houden. Ook de procedures en maatregelen waarmee dit beleid wordt geborgd, zijn niet-limitatief opgesomd in het vierde lid van artikel 23 Bpr. Het is aan de financiële onderneming zelf om het risicobeheer op orde te hebben, door te zorgen dat het risicobeleid is afgestemd op alle risico’s die de onderneming kan lopen met betrekking tot de soliditeit van de onderneming en dat alle procedures en maatregelen zijn genomen om hier uitvoering aan te geven. Voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verrichten geldt dat zij, voor zowel de risico’s voor de soliditeit als gevolg van de beheerdersactiviteiten, als voor de risico’s voor de soliditeit als gevolg van het verlenen van beleggingsdiensten, over risicobeleid moeten beschikken en dit moeten borgen binnen de organisatie. De eisen aan het risicobeleid van beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen, waarin het onderhavige besluit voorziet, zijn derhalve complementair en om die reden niet overlappend. Overigens zij opgemerkt dat de criteria genoemd in artikel 28 van de richtlijn niet in de weg staan aan toepassing van de criteria in gedelegeerde verordening (EU) nr. 231/2013, die rechtstreeks van toepassing is.

Voorts stelt DUFAS dat door beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die beleggingsdiensten verlenen geen gebruik kan worden gemaakt van het verlichte regime voor beleggingsondernemingen die op grond van de verordening kwalificeren als «klein en niet-verweven». Naar aanleiding van de reactie van DUFAS is een explicitering hieromtrent opgenomen in artikel 25b Bpr, zodat buiten twijfel staat dat het vereenvoudigd regime ook op deze beheerders van toepassing is als zij voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening. Ook het overgangsrecht dat regelt wanneer het vereenvoudigde regime ingaat, of niet meer van toepassing is (als niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan), is van overeenkomstige toepassing verklaard.

In dit verband en in relatie met de reactie van DUFAS (in onderdeel 5.2) kan nog worden opgemerkt dat een beheerder van een beleggingsinstelling of icbe die tevens beleggingsdiensten verleent, net als een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, uitsluitend hoeft te voldoen aan het bepaalde in artikel 23b, eerste lid, onderdeel b, Bpr (m.b.t. het instellen van een risicocommissie) indien zij niet voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. DUFAS stelt terecht dat de memorie van toelichting (in paragraaf 4.4, blz. 21) op dit punt onduidelijk is. In plaats van «klein en niet-verweven» had daar verwezen moeten worden naar de voorwaarden genoemd in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn.

Voorts merkt DUFAS op dat de algemene verwijzing in artikel 59 Bpr naar de delen 3 en 4 van de verordening voor wat betreft beheerders vervangen zou moeten worden door verwijzingen naar individuele artikelen of toepasselijke hoofdstukken van de verordening, aangezien verschillende K-factoren volgens DUFAS niet relevant zijn voor beheerders, zoals bijvoorbeeld de K-CON. Ook stelt Dufas dat, waar het gaat om activa onder beheer, het kapitaalvereiste uit de AIFM-richtlijn of de richtlijn icbe’s voorrang zou moeten krijgen.

In de eerste plaats geldt, ook voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, dat het van de activiteiten (beleggingsdiensten) van een beheerder of beleggingsonderneming afhangt welke K-factoren van toepassing zijn. Activiteiten die niet worden uitgevoerd of beleggingsdiensten die niet worden verleend leiden om die reden niet tot kapitaaleisen. Aangezien het bepaalde in deel 4 in het geheel niet van toepassing kan zijn op beheerders die beleggingsdiensten verlenen, is gekozen in artikel 59 Bpr voor beheerders uitsluitend te verwijzen naar deel 3. In de toelichting van artikel 59 Bpr wordt, naar aanleiding van de opmerkingen van DUFAS, verder ingegaan op de K-factoren uit deel 3 die (in de huidige situatie) in beginsel niet van toepassing zijn op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die beleggingsdiensten verlenen. Bovendien wordt met het onderhavige besluit voorzien in een toezichthouderregeling die door DNB zal worden opgesteld, waarin de toepassing van de kapitaaleisen van deel 3 van de verordening specifiek worden uitgewerkt voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die beleggingsdiensten verlenen. De opmerkingen van DUFAS zijn relevant voor de totstandkoming van deze toezichthouderregeling, die separaat wordt geconsulteerd door DNB.

Tot slot merkt DUFAS terecht op dat de toelichting van artikel 130, tiende lid, Bpr, anders dan het lid zelf, verwijst naar de rapportagevereisten uit zowel artikel 54, als artikel 55, van de verordening, terwijl uitsluitend artikel 54 relevant is voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen. De toelichting is op dit punt aangepast. Verder is toegevoegd dat voor deze beheerders geen sprake kan zijn van geconsolideerde toepassing van deze vereisten (artikel 3:269 Wft is niet van toepassing op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s), zoals ook volgt uit de toelichting bij artikel 59 Bpr. Om die reden kan geen sprake zijn van rapportage van geconsolideerde gegevens door de betreffende beheerders. Gezien het bepaalde in artikel 131 Bpr zal DNB een format opstellen voor de rapportage van beheerders.

Artikelsgewijs

Artikel I (Besluit prudentiële regels Wft)

A (artikel 1)

Aan de definitie van toetsingsvermogen wordt een verwijzing naar de verordening toegevoegd, met het oog op de nadere invulling van het solvabiliteitsvereiste uit artikel 3:57 Wft die in hoofdstuk 10 van het Bpr wordt gegeven. Zoals ook in de toelichting bij de implementatiewet16, is ervoor gekozen het algemene vereiste van solvabiliteit voor beleggingsondernemingen te handhaven. Voor de invulling daarvan wordt echter, zoals ook in dit onderdeel het geval is, rechtstreeks verwezen naar de verordening.

B (artikel 3)

Artikel 3 van het Bpr komt met dit onderdeel te vervallen. De uitzonderingen op het solvabiliteitsvereiste en (onderdelen van) de rapportagevereisten, die op grond van dit artikel bestond voor beleggingsondernemingen die uitsluitend hun beroep of bedrijf maken van het doorgeven van orders van cliënten («orderremissiers»), dan wel uitsluitend beleggingsadvies verstrekken, kennen geen grondslag meer in de onderhavige verordening. De verordening kent wel uitzonderingen op de genoemde vereisten voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen.

C (artikel 23)

De wijzigingen van artikel 23 Bpr houden verband met de implementatie van de artikelen 26, eerste lid, onderdeel b, en 28, eerste lid, van de richtlijn voor zover daarin een beschrijving is gegeven van de risico’s waarmee een beleggingsonderneming rekening moet houden bij haar beleid gericht op het beheersen van die risico’s. Beleggingsondernemingen en andere financiële ondernemingen dienen reeds, ingevolge artikel 23, eerste lid, van het Bpr beleid te voeren op het beheersen van relevante risico’s. Gelet op de grondslag van artikel 23b Bpr in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, Wft beperkt dit artikel zich overigens naar zijn aard tot risico’s van prudentiële aard. Artikel 23, tweede lid, geeft voor alle in het eerste lid genoemde ondernemingen een opsomming van de relevante risico’s die aan de orde kunnen zijn. Voor banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen is in de laatste zin van het tweede lid opgenomen met welke andere risico’s zij rekening moeten houden, namelijk risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de onderneming actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus. Deze volgen uit de richtlijn kapitaalvereisten (artikel 76, eerste lid). Deze omschrijving blijft voor beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten van belang. Voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen geldt, gezien het bepaalde in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, en 28, eerste lid, van de richtlijn dat rekening gehouden moet worden met de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin zij actief is en die verband houden met haar bedrijfscyclus en de risico’s die zij voor anderen inhoudt of kan inhouden. Omwille van de overzichtelijkheid is ervoor gekozen, deze specificering voor specifieke ondernemingen in aanvulling op het bepaalde in het tweede lid, op te nemen in twee nieuwe leden. In het nieuwe achtste lid is opgenomen met welke risico’s banken, beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en clearinginstellingen als bedoeld in artikel 3:17, eerste of derde lid17, 3:23 of 3:27 van de wet rekening houden, die volgen uit de richtlijn kapitaalvereisten. Het nieuwe negende lid somt de risico’s op waarmee een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen rekening moet houden die volgen uit die richtlijn. Voorts is de beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen uitgezonderd van de verplichting tot het inrichten van een onafhankelijke risicobeheersfunctie. Deze eis kent geen equivalent in de onderhavige richtlijn. Wel zijn deze beleggingsondernemingen op grond van artikel 23, tweede lid van de gedelegeerde verordening 2017/565 inzake organisatorische eisen verplicht een risicobeheerfunctie in te stellen indien dat passend en evenredig is. Voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:22 Wft (beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland) is voorzien in een nieuw tiende lid, dat het regime dat voor hen van toepassing is laat afhangen van de vraag welk regime van toepassing zou zijn als de beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, in de Europese Unie gevestigd zou zijn.

D (artikel 23a)

In artikel 23a is voor banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen een verwijzing naar de richtlijn kapitaalvereisten opgenomen waarin de technische criteria staan voor de organisatie en behandeling van risico’s. Artikel 23a wordt omwille van de overzichtelijkheid opgesplitst in een onderdeel dat betrekking heeft op banken, clearinginstellingen en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en een onderdeel dat betrekking heeft op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen met de desbetreffende verwijzingen naar de technische criteria uit de richtlijn kapitaalvereisten respectievelijk de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die van belang zijn bij de vormgeving van het beleid, de procedures en de maatregelen die nodig zijn ter beheersing van de risico’s van deze ondernemingen. Voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en de kleine niet-verweven beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 12 van de verordening wordt een verwijzing opgenomen naar de artikelen 26, eerste lid, onderdelen b en c, derde lid, en 29, eerste lid, van de richtlijn waarin alle technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s staan. Als gevolg daarvan dienen beleggingsondernemingen waarop de richtlijn van toepassing is hun beleid, procedures en maatregelen ter beheersing van risico’s onder meer af te stemmen op de complexiteit en het risicoprofiel van de beleggingsonderneming en diens werkterrein. Daarnaast dient een beleggingsonderneming op grond van artikel 29, derde lid, uit de richtlijn rekening te houden met het nationaal recht inzake vermogensscheidingen te overwegen om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten als doeltreffend instrument in het kader van hun risicobeheer. Gezien artikel 29, derde lid, van de richtlijn zijn voor een beleggingsonderneming die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen slechts de voorwaarden genoemd in artikel 29, eerste lid, onderdelen a, c en d, van de richtlijn van belang.

E (artikel 23aa)

In artikel 23aa wordt de beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten gewijzigd in beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten zodat wordt aangesloten op de nieuwe categorie indeling die als gevolg van de implementatiewet met betrekking tot beleggingsondernemingen is gaan gelden.

F (artikel 23b)

De reikwijdte van artikel 23b Bpr wordt uitgebreid, zodat dit artikel voortaan ook van toepassing is op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Voor deze beleggingsondernemingen gelden de vereisten uit artikel 28 van de richtlijn, die grotendeels gelijkluidend zijn aan de vereisten die op grond van artikel 76 van de richtlijn kapitaalvereisten gelden voor banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten. Omdat het tweede lid van artikel 23b Bpr geen equivalent kent in de onderhavige richtlijn, blijft de reikwijdte daarvan beperkt tot banken en beleggingsondernemingen die onder de verordening kapitaalvereisten vallen. Aangezien artikel 28, vierde lid van de richtlijn de verplichting tot het instellen van een risicocommissie voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen beperkt tot dergelijke beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de criteria van artikel 32, vierde lid, onder a, van de richtlijn, is een passage toegevoegd aan het derde lid van artikel 23b Bpr. In het nieuwe vierde lid is artikel 23, tiende lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarmee is voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:22 van de wet (beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland) geregeld dat het regime dat voor hen van toepassing is afhangt van de vraag welk regime van toepassing zou zijn als de beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, in de Europese Unie gevestigd zou zijn.

Tot slot is in een nieuw vijfde lid bepaald dat het eerste en derde lid niet van toepassing zijn op een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeert als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening, vanwege het bepaalde in artikel 25 van de richtlijn.

G (artikel 23i)

Artikel 23i Bpr wordt gewijzigd ter implementatie van artikel 22, tweede lid, van de richtlijn. Uit deze richtlijnbepaling volgt dat beleggingsondernemingen over procedures moeten beschikken die hun werknemers in staat stellen inbreuken op de verordening of op de bepalingen ter implementatie van de richtlijn intern te melden. Hiermee wordt beoogd de naleving van de verordening en richtlijn te bevorderen. Een vergelijkbare bepaling maakt reeds deel uit van de richtlijn kapitaalvereisten (artikel 71, derde lid), dat reeds in artikel 23i van het Bpr is geïmplementeerd. De reikwijdte van dit artikel wordt thans uitgebreid met beleggingsondernemingen die onder de verordening en richtlijn gaan vallen en geldt ook ten aanzien van inbreuken op deze verordening en richtlijn. De betreffende procedures moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 22 van de richtlijn, waaruit onder meer volgt dat moet worden voorzien in passende bescherming voor degenen die inbreuken melden, in bescherming van persoonsgegevens en van de vertrouwelijkheid met betrekking tot degene die de inbreuk meldt.

H (artikel 24a)

De wijziging van artikel 24a, eerste lid, dat de implementatie vormt van artikel 73 van de richtlijn kapitaalvereisten, is technisch van aard en het gevolg van de verplaatsing van de tweede volzin van het tweede lid van artikel 23, naar het achtste lid van dat artikel. Hiermee wordt de reikwijdte van artikel 24a, eerste lid, beperkt tot banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten. Voor de interne kapitaal- en liquiditeittoereikendheidstoets van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, ter implementatie van artikel 24 van de richtlijn wordt voorzien in een nieuw artikel 24a1 (zie onderdeel I)

I (artikelen 24a1 en 24a2)

Met artikel 24a1 wordt voorzien in de implementatie van artikel 24 van de richtlijn. Artikel 24 van de richtlijn vereist kortgezegd van beleggingsondernemingen dat zij beschikken over een interne kapitaal- en liquiditeittoereikendheidstoets. Dat wil zeggen dat een beleggingsonderneming dient te beschikken over interne processen om op doorlopende basis na te gaan of de hoogte, samenstelling en verdeling van haar eigen vermogen en liquide activa aansluit op de risico’s waaraan de beleggingsonderneming is blootgesteld.

Eenzelfde verplichting geldt reeds voor banken en beleggingsondernemingen die thans onder de verordening en richtlijn kapitaalvereisten vallen, namelijk uit hoofde van artikel 73 van de richtlijn kapitaalvereisten. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 24a, eerste lid, van het Bpr (zie onderdeel H).

Omdat de reikwijdte van dit artikel aansluit bij artikel 23, negende lid, Bpr is het in navolging van het bepaalde in artikel 24 van de richtlijn in beginsel niet van toepassing op kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen. DNB kan echter, ingevolge artikel 24, tweede lid, van de richtlijn bepalen om deze verplichting toch van toepassing te verklaren op categorieën van kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen indien zij dit passend acht. DNB is voornemens gebruik te maken van deze bevoegdheid voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen met uitzondering van beleggingsondernemingen die uitsluitend een beleggingsdienst als bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de Wft verlenen.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de interne kapitaal- en liquiditeittoereikendheidstoets overeenkomstig artikel 3:269 Wft ook op geconsolideerde basis moet worden uitgevoerd. Deze verplichting geldt zowel bij toepassing van prudentiële consolidatie als bedoeld in artikel 7 IFR als bij toepassing van het groepskapitaalcriterium als bedoeld in artikel 8 IFR. Het bepaalde in artikel 25, vierde lid, tweede alinea, van de richtlijn is immers niet van toepassing op de interne kapitaal- en liquiditeittoereikendheidstoets uit artikel 24 van de richtlijn. Het proces van periodieke toetsing en evaluatie uit artikel 36 van de richtlijn (geïmplementeerd in artikel 3:18aa Wft) kan DNB eveneens op geconsolideerde basis uitvoeren, zowel bij toepassing van artikel 7, als artikel 8 van de verordening.

Artikel 24a2 Bpr implementeert artikel 25, eerste tot en met derde lid, van de richtlijn. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de richtlijn zijn de vereisten van hoofdstuk 2, afdeling 2 van de IFD (de vereisten inzake interne governance en het risicobeheer van beleggingsondernemingen) niet van toepassing, indien een beleggingsonderneming als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen kwalificeert. In het tweede en derde lid, van artikel 25 van de richtlijn is geregeld per wanneer een beleggingsonderneming die eerst kwalificeerde als klein en niet-verweven, wel aan de vereisten van deze afdeling moet voldoen, als zij niet meer kwalificeert als klein en niet-verweven. Ook voor de situatie als een «gewone» beleggingsonderneming gaat kwalificeren als klein en niet-verweven is bepaald wanneer en onder welke voorwaarde (melding aan bevoegde autoriteit) niet meer hoeft te worden voldaan aan de bepalingen uit afdeling 2. In artikel 29, derde lid, van de richtlijn (welk artikel onderdeel uitmaakt van afdeling 2) is nog specifiek bepaald dat onderdelen a, c en d van het eerste lid van dat artikel wel van toepassing zijn op kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen. Het regime voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen heeft zijn beslag gekregen in de verschillende artikelen waarin de implementatie van de vereisten uit afdeling 2 van hoofdstuk 2 van de richtlijn heeft plaatsgevonden, te weten de artikelen 23, 23a en 23b, de artikelen 29a, derde lid en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (zie artikel II, onderdeel f, voor de gewijzigde citeertitel). In die artikelen is steeds is bepaald of een vereiste geldt voor alle beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (dus inclusief de kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen), of voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening. Artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen geldt gezien het bepaalde in artikel 25 van de richtlijn, geïmplementeerd in de definitiebepaling in artikel 1 van het besluit, uitsluitend voor beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.

Indien een beleggingsonderneming eerst niet kwalificeert als klein en niet-verweven maar nadien wel, dan wordt het regime voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen op grond van artikel 25, eerste lid, van de richtlijn van toepassing indien de beleggingsonderneming gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming kwalificeert en de beleggingsonderneming DNB hiervan in kennis heeft gesteld. Dit komt tot uitdrukking in het eerste lid van artikel 24a2 Bpr.

Indien een beleggingsonderneming niet langer voldoet aan de vereisten om als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming te worden aangemerkt, dient zij DNB daarvan in kennis te stellen. Vervolgens dient zij binnen twaalf maanden aan de relevante governance vereisten en vereisten inzake risicobeheer te voldoen. Dit komt tot uitdrukking in het tweede lid van artikel 24a2 Bpr.

J (artikel 24b)

Zoals ook naar voren komt uit de toelichting van artikel 23 (onderdeel E) kent de richtlijn geen verplichting tot het inrichten van een onafhankelijke risicobeheersfunctie.18 Artikel 23, zesde lid, dat gaat over de onafhankelijke risicobeheersfunctie is om die reden niet van toepassing op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. het eerste lid van artikel 24b, een artikel dat betrekking heeft op de onafhankelijke beheersfunctie, wordt om die reden aangepast in de zin dat het geen betrekking heeft op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen maar alleen op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:22 Wft, waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn. De verwijzing naar beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:23, tweede lid, Wft heeft uitsluitend betrekking op banken, hetgeen door de wijziging is verduidelijkt.

K (artikel 25b)

In het nieuwe artikel 25b Bpr is verduidelijkt aan welke eisen met betrekking tot de soliditeit een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, Wft op grond van artikel 3:17, derde lid, Wft moet voldoen. Dat gaat om de vereisten die van belang zijn voor de zogenaamde ICAAP en ILAAP (Internal Capital/ Liquidity Adequacy Assessment Process) beoordeling, die zijn opgenomen in artikel 23, eerste tot en met vijfde lid en negende lid, 23a, aanhef en onderdeel b, 23b, eerste, derde en vierde lid, 24a1 en 24b Bpr. Deze eisen worden in de huidige situatie ook gesteld aan beheerders.19 De explicitering in dit besluit is voorzien vanwege de invoering van het prudentiële regime voor beleggingsondernemingen en de aansluiting van het regime voor deze beheerders daarop (zie de memorie van toelichting van de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, Kamerstukken II 2020/21, 35 783, nr. 3). In de bepaling is tot uitdrukking gebracht dat het ook voor deze beheerders mogelijk is om, indien door de beheerder wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, te profiteren van het vereenvoudigd regime voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen. Als de beheerder voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening kan de beheerder voldoen aan de bepalingen die op haar van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, als beleggingsonderneming die kwalificeert als klein en niet-verweven. Ook de overgangsrechtelijke bepaling opgenomen in artikel 24a2 is van overeenkomstige toepassing indien een beheerder van verschuift van de categorie beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen naar de categorie beleggingsonderneming die kwalificeert als klein en niet-verweven als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening of andersom. Overigens geldt de overgangsrechtelijke bepaling voor deze beheerders uitsluitend voor zover het de toepassing van de artikelen 23, 23a en 23b, betreft. De overige artikelen die genoemd worden in de overgangsrechtelijke bepaling (de artikelen 29a, derde lid, en 31ga van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en artikel 3 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen) zijn niet van toepassing voor deze beheerders. Voorts hoeft een beheerder net als een beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen uitsluitend aan artikel 23b, eerste lid, onderdeel b, te voldoen indien niet wordt voldaan aan de criteria bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (zie het derde lid van artikel 23b en de toelichting m.b.t. dat artikel).

L (artikel 48)

De onderhavige wijzigingen van artikel 48 Bpr strekken tot implementatie van artikel 9 en artikel 62, onderdeel 3, onderdeel a en onderdeel 10, van de richtlijn. Artikel 9 van de richtlijn regelt voortaan het aanvangskapitaalvereiste voor beleggingsondernemingen. Met artikel 62, onderdeel 10, van de richtlijn vervalt titel IV van de richtlijn kapitaalvereisten, waarin het aanvangskapitaalvereiste voor beleggingsondernemingen voorheen was geregeld. In artikel 10 van de richtlijn is bepaald dat de verwijzingen in andere Europese regelgeving naar (bepalingen in) titel IV van de richtlijn kapitaalvereisten voortaan gelezen moeten worden als verwijzingen naar artikel 9 van de onderhavige richtlijn.

Zoals ook thans het geval is, verschilt het aanvangskapitaalvereiste – naar Wft-terminologie: minimum eigenvermogensvereiste – naar gelang het type dienstverlening van de beleggingsonderneming. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen beleggingsondernemingen waarop de onderhavige richtlijn van toepassing is en beleggingsondernemingen waarop de richtlijn kapitaalvereisten van toepassing is. De huidige groepen beleggingsondernemingen die in artikel 48, eerste lid, Wft worden onderscheiden kunnen slechts gedeeltelijk gehandhaafd blijven, voor het overige worden deze vervangen door de groepen die artikel 9 van de IFD identificeert.

Uit onderdeel f volgt voortaan het minimum bedrag aan eigen vermogen dat een beleggingsonderneming moet aanhouden die handelt voor eigen rekening of die financiële instrumenten overneemt of plaatst met plaatsingsgarantie. Voor deze beleggingsondernemingen geldt een minimum eigenvermogensvereiste van € 750.000. Zoals ook naar huidig recht voortvloeit uit de systematiek van de Wft – en in lijn met de richtlijn – geldt dit zowel als vereiste om voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 Wft in aanmerking te komen, als ook als doorlopend minimum eigenvermogensvereiste.

Ook de groep beleggingsondernemingen, bedoeld in onderdeel g van artikel 48, eerste lid, wordt niet langer als zodanig aangewezen in de richtlijn. Het betrof beleggingsondernemingen die orders van cliënten ontvingen en doorgeven, deze orders voor rekening van cliënten uitvoeren en individuele vermogens beheren en die het op grond van hun vergunning is toegestaan cliëntgelden of financiële instrumenten van cliënten aan te houden. Deze beleggingsondernemingen vallen voortaan onder de «restcategorie» beleggingsondernemingen, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de richtlijn, waarvoor een aanvangskapitaalvereiste van € 150.000,- gaat gelden. Dit komt tot uitdrukking in onderdeel i (nieuw) van artikel 48, eerste lid, Bpr.

Artikel 48, eerste lid, onderdeel g, bevat als gevolg van deze wijziging voortaan een minimum eigenvermogensvereiste voor beleggingsondernemingen die een georganiseerde handelsfaciliteit exploiteren. Uit artikel 9, vierde lid, van de richtlijn volgt dat dit vereiste € 750.000 moet zijn.

De groep beleggingsondernemingen, bedoeld in onderdeel h van artikel 48, eerste lid, blijft in feite ongewijzigd. Het betreft beleggingsondernemingen die orders van cliënten doorgeven en ontvangen, voor rekening van cliënten orders uitvoeren, individuele vermogens beheren of beleggingsadvies verlenen en die het niet is toegestaan om gelden van cliënten aan te houden. Voor deze groep beleggingsondernemingen geldt op grond van artikel 9, tweede lid, van de richtlijn een aanvangskapitaalvereiste van € 75.000. In lijn daarmee wordt het minimum eigenvermogensvereiste voor deze beleggingsondernemingen in artikel 48 Bpr verhoogd van € 50.000 naar € 75.000.

Het huidige artikel 48, eerste lid, onderdeel i, Bpr komt te vervallen, als gevolg van het vervallen van het aanvangskapitaalvereiste voor plaatselijke ondernemingen in artikel 30 van de richtlijn kapitaalvereisten. In plaats daarvan zal op grond van artikel 48, eerste lid, onderdeel i, als gezegd een minimum eigenvermogensvereiste van € 150.000 gelden voor de beleggingsondernemingen die niet onder onderdeel f tot en met h vallen. Een dergelijke restcategorie was voorheen opgenomen in onderdeel j, dat verletterd wordt tot onderdeel i.

Het vervallen van het tweede, derde en vierde lid van artikel 48 Bpr is een direct gevolg van het vervallen van titel IV van de richtlijn kapitaalvereisten, meer specifiek artikel 31 van de richtlijn kapitaalvereisten.

M (artikel 50)

Artikel 50 Bpr heeft betrekking op de samenstelling van het minimum eigen vermogen. Dit artikel wordt gewijzigd ter implementatie van artikel 11 IFD en dient tevens ter implementatie van artikel 64, onderdeel 2. Als gevolg daarvan wordt in een nieuw tweede lid bepaald dat het minimumbedrag aan eigen vermogen dat een beleggingsonderneming moet aanhouden, overeenkomstig artikel 9 van de verordening moet zijn samengesteld. Dit geldt voortaan zowel voor beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten, als voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, aangezien titel III van de richtlijn waarin de eisen met betrekking tot het aanvangskapitaal zijn opgenomen en waarin voor de samenstelling van het aanvangskapitaal wordt verwezen naar artikel 9 van de verordening, geldt voor alle beleggingsondernemingen waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet is verleend (op grond van artikel 2 van de richtlijn). Voor beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten kan voor het bepalen van de percentages in het eerste lid van artikel 9 van de verordening voor D, op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de verordening het permanente minimumkapitaalvereiste berekend volgens artikel 14 van de verordening worden aangehouden (omdat deze beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten vallen berekenen zij geen K-factorvereiste).

N (artikel 59)

Artikel 59 Bpr omvat een uitwerking van het solvabiliteitsvereiste als bedoeld in artikel 3:57 van de Wft. Zoals ook is omschreven in de memorie van toelichting bij implementatiewet sluit dit vereiste voor banken en beleggingsondernemingen volledig aan bij de kapitaalvereisten die voortvloeien uit de verordening kapitaalvereisten en de onderhavige verordening.20

In artikel 59 Bpr wordt het onderscheid tussen de verschillende categorieën beleggingsondernemingen tot uitdrukking gebracht, ten behoeve van de invulling van het solvabiliteitsvereiste. Het derde lid van artikel 59 heeft voortaan nog slechts betrekking op de beleggingsondernemingen die binnen de reikwijdte van de verordening kapitaalvereisten vallen. Voor de beleggingsondernemingen die voortaan binnen de reikwijdte van de onderhavige verordening vallen wordt voortaan in een nieuw vierde lid naar delen 3 en 4van de verordening verwezen. Daarnaast wordt in een nieuw vijfde lid een onderscheid aangebracht voor beleggingsondernemingen uit een derde land die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland. Indien artikel 1, tweede of vijfde lid, van de verordening op hen van toepassing zou zijn geweest als zij hun zetel in een lidstaat zouden hebben gehad, dan geldt een solvabiliteitsvereiste overeenkomstig het derde lid. Dat betekent dat dit vereiste overeenkomstig de verordening kapitaalvereisten dient te worden berekend. In alle andere gevallen geldt een solvabiliteitsvereiste overeenkomstig deel 3 en 4 van de onderhavige verordening.

Voor beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen geldt voortaan het solvabiliteitsvereiste zoals dat ook geldt voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Hiermee wordt de bestaande praktijk bestendigd, waaruit volgt dat het solvabiliteitsvereiste voor deze beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s gelijk is aan het solvabiliteitsvereiste voor beleggingsondernemingen die dezelfde beleggingsdiensten verlenen.21

Omdat de kapitaalvereisten die voortvloeien uit de verordening nader zullen worden uitgewerkt door middel van technische reguleringsnormen van de EBA22, wordt in het tiende lid voorzien in een verplichting voor DNB om deze uitwerking middels een toezichthouderregeling te vertalen naar de praktijk voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s. De technische reguleringsnormen ontworpen door de EBA beperken zich immers tot de reikwijdte van de verordening en richtlijn en zijn daarom niet direct van toepassing op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s. In de toezichthouderregeling van DNB, bedoeld in het nieuwe tiende lid van artikel 59 Bpr, zal de berekening van het solvabiliteitsvereiste aan de hand van de K-factoren uit de verordening nader worden uitgewerkt, specifiek voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen.

Daarbij geldt op grond van het negende lid (nieuw, voorheen zevende lid) gewaarborgd dat dubbeltellingen worden voorkomen. Op beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen is het kapitaalvereiste van toepassing dat de hoogste kapitaaleis vertegenwoordigt: ofwel het kapitaalvereiste onder de icbe-richtlijn of AIFM-richtlijn, ofwel het kapitaalvereiste onder de onderhavige verordening. Dat maakt dat de vereisten uit de verordening slechts van toepassing zijn indien de betreffende beheerder in verhouding veel vermogen beheert uit hoofde van zijn beleggingsdiensten, ten opzichte van zijn activiteiten als beheerder van een beleggingsinstelling of icbe. Daarnaast is van belang, zoals ook in de memorie van toelichting van de implementatiewet is toegelicht, dat de kapitaaleisen uit de verordening, waaronder de K-factoren, alleen zullen gelden voor zover de beheerder van een beleggingsinstelling of icbe ook beleggingsdiensten verleent (d.w.z. voor de individuele vermogensbeheeractiviteiten). Over de inhoud van de toezichthoudersregeling kan (in navolgen van hetgeen daarover reeds is opgenomen in de consultatieparagraaf van de memorie van toelichting van het implementatievoorstel) worden opgemerkt dat de K-factor «K-CMH» (CMH staat voor «client money held») in beginsel niet van toepassing zal zijn op beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s aangezien het hen op grond van huidige wet en regelgeving (artikel 2:67a, tweede lid, en artikel 2:69c, tweede lid, Wft) niet is toegestaan om cliëntgelden te beheren. Datzelfde geldt voor de K-factor «K-ASA» (ASA staat voor «assets safeguarded and administered»), omdat het beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s niet is toegestaan om activa uit individuele beleggingsmandaten te bewaren of administreren. Met betrekking tot de invulling van de K-factoren K-COH (COH staat voor «client orders handled») en K-AUM (AUM staat voor «assets under management») is nog relevant te vermelden dat derivatenposities in beginsel ook onder K-AUM vallen en dat de K-factor K-COH alleen relevant is voor orders die worden uitgevoerd voor individuele cliënten, niet zijnde fondsen. Daarbij komt dat orders die worden uitgevoerd uit hoofde van vermogensbeheer – en die reeds onder K-AUM vallen – niet worden meegerekend onder K-COH. Voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen zal met name de invulling van de K-factor K-AUM van belang zijn. Er zal voor deze beheerders geen sprake zijn van geconsolideerde toepassing van deze vereisten (artikel 3:269 Wft is niet van toepassing op deze beheerders).

Tot slot is van belang te vermelden dat er, in lijn met de vereisten die uit de verordening en richtlijn voortvloeien voor beleggingsondernemingen, een overgangstermijn zal worden aangehouden.23 Als gevolg daarvan kunnen de kapitaaleisen voor de betreffende beheerders de eerste vijf jaar na het in werking treden van de implementatiewet niet verder stijgen dan tot tweemaal het thans geldende vereiste. Overigens blijkt uit proefberekeningen die zijn verricht door DNB dat de pijler 1 kapitaaleisen voor de grootste beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s als gevolg van de vereisten uit de verordening gemiddeld met ongeveer 7% zouden toenemen. In alle gevallen beschikken de beheerders van belegginstellingen en icbe’s over dusdanig ruime buffers, dat deze gemiddelde stijging volgens de informatie van DNB goed is op te vangen.

O (artikel 63)

Artikel 63, derde lid, Bpr wordt gewijzigd ter implementatie van de artikelen 60 en 61 van de richtlijn. Deze richtlijnbepalingen voorzien in een wijziging van de richtlijn icbe’s24 en in de richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (AIFM-richtlijn).25 Als gevolg van deze wijziging is artikel 13 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen voortaan van toepassing voor de berekening van het eigen vermogensvereiste (toetsingsvermogen) van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe.

P (artikel 69)

De wijzigingen in artikel 69 strekken ter implementatie van artikel 37 van de richtlijn. Dat artikel heeft een vrijwel gelijkluidende equivalent in de richtlijn kapitaalvereisten in artikel 101, tevens geïmplementeerd in artikel 69 Bpr.

Artikel 37 van de richtlijn regelt de toetsing die de toezichthouder moet uitvoeren indien een beleggingsonderneming gebruik maakt van interne modellen voor het berekenen van K-NPR (K-factor nettopositierisico) op grond van artikel 22 van de verordening. Artikel 22 bepaalt dat beleggingsondernemingen die handelen voor eigen rekening en die onder de verordening vallen, voor de berekening van K-NPR voor hun handelsboekposities gebruik maken van de standaard benadering bedoeld in deel drie, titel IV, hoofdstukken 2, 3 en 4 van de verordening kapitaalvereisten, de alternatieve standaard benadering als bedoeld in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1bis van de verordening kapitaalvereisten of de alternatieve internemodellenbenadering als bedoeld in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 ter van de verordening kapitaalvereisten.

In artikel 57 van de verordening is overgangsrecht opgenomen dat bepaalt dat beleggingsondernemingen tot 26 juni 2026, of, indien dat later is, de datum van toepassing op kredietinstellingen van de alternatieve standaardbenadering en de alternatieve internemodellenbenadering de vereisten van deel drie, titel IV, van de verordening kapitaalvereisten toepast voor de berekening van K–NPR. De alternatieve standaardbenadering en de alternatieve internemodellenbenadering worden op dit moment slechts gebruikt ten behoeve van een rapportageverplichting (zie artikel 430 ter, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten) totdat zij zijn aangepast en worden ingevoerd als bindende vereisten. Tot die tijd geldt voor beleggingsondernemingen het overgangsrecht. Op grond daarvan kunnen beleggingsondernemingen voor de berekening van K-NPR gebruiken van hoofdstuk 5, van titel IV van deel drie van de verordening kapitaalvereisten waarin het gebruik van interne modellen voor de berekening van eigenvermogensvereisten is uitgewerkt.

Daarvoor is toestemming van DNB nodig (zie deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, van de verordening kapitaalvereisten). Zoals ook voor banken en beleggingsondernemingen geldt die op grond van de richtlijn en verordening kapitaalvereisten gebruik maken van interne modellen26, dient DNB op regelmatige basis te toetsen of door de beleggingsonderneming nog wordt voldaan aan de vereisten voor de eerder verleende toestemming. Daarmee komt tot uitdrukking dat deze vereisten van doorlopende aard zijn.

Of banken en beleggingsondernemingen een intern model mogen gebruiken wordt niet bepaald in artikel 69 Bpr maar op grond van de verordening kapitaalvereisten (deel 3 van de verordening kapitaalvereisten) respectievelijk de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (artikel 22 jo. 57 van de verordening). Artikel 69, eerste lid, regelt dat de toetsing door DNB kan plaatsvinden indien banken of beleggingsondernemingen gebruik maken van interne modellen voor de berekening van kapitaalvereisten overeenkomstig deel 3 van de verordening kapitaalvereisten. De verwijzing naar de verordening kapitaalvereisten kan worden gehandhaafd en hoeft niet te worden uitgebreid met de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, aangezien die verordening voor het kader m.b.t. interne modellen verwijst naar de verordening kapitaalvereisten (deel 3, titel IV). Daarnaast is in het eerste lid de passage «beheerder van een beleggingsinstelling of icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van artikel 2:67a, tweede lid, van de wet respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet» vervallen aangezien deze partijen geen handel voor eigen rekening mogen uitvoeren, waardoor er ook geen sprake kan zijn van posities waarvoor K-NPR berekend moet worden en waar interne modellen voor worden gebruikt. In de overige leden van artikel 69 zijn (niet noodzakelijke) verwijzingen naar specifieke artikelen in de verordening kapitaalvereisten verwijderd. Deze verwijzingen waren opgenomen om begrippen te duiden, maar kunnen vervallen omdat de begrippen vanzelf spreken. Zo wordt bereikt dat het artikel ook als de alternatieve internemodellenbenadering van toepassing wordt, niet nog eens hoeft te worden aangepast.

Q (artikel 106b)

Deel vijf van de verordening (artikel 43 tot en met 45), omvat de liquiditeitsvereisten die worden geïntroduceerd voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Deze beleggingsondernemingen dienen op grond van de richtlijn te allen tijde ten minste één derde van hun vastekostenvereiste in liquide activa aanhouden, om te waarborgen dat zij ook in tijden van stress ordentelijk kunnen functioneren. Dit geldt in beginsel ook voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen, hoewel er een vrijstellingsmogelijkheid geldt die toezichthouders kunnen inzetten. De liquide activa moet van voldoende kwaliteit zijn, waarbij, in tegenstelling tot hetgeen voor banken geldt, onder andere ook onbezwaarde eigen contante geldmiddelen en kortetermijndeposito’s van de beleggingsonderneming als geschikt worden aangemerkt.

Hoewel deze verplichtingen rechtstreeks uit de verordening volgen is, in aansluiting op eerder gemaakte keuzes in implementatietrajecten, ervoor gekozen het liquiditeitsvereiste ook in de Wft en het Bpr te handhaven, gelet op het elementaire karakter van deze vereisten en de rol die zij spelen in het stelsel van prudentieel toezicht.27 Om die reden is in artikel 106b, eerste lid, een directe verwijzing naar de verordening opgenomen. Dat geldt ook voor beleggingsondernemingen die onder de verordening kapitaalvereisten vallen: voor hen is een verwijzing opgenomen naar deel zes van laatstgenoemde verordening. In het tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat deze liquiditeitsvereisten van overeenkomstige toepassing zijn op bijkantoren van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:65 Wft. Het betreft beleggingsondernemingen uit een derde land die middels een bijkantoor in Nederland actief zijn.

Tot slot is in het derde lid, op grond van het bepaalde in artikel 1:19, tweede lid, Wft in samenhang met artikel 3:63 Wft, tot uitdrukking gebracht dat de liquiditeitsvereisten uit de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van icbe’s, voor zover zij tevens beleggingsdiensten verlenen. Het betreft een liquiditeitsvereiste voor de beheerder van de beleggingsinstelling of icbe zelf, waarmee beoogd wordt te waarborgen dat de beheerder voldoende liquide middelen heeft om zich, waar nodig, ordentelijk af te wikkelen.

R (artikel 130)

In artikel 130 Bpr wordt tot uitdrukking gebracht dat voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen voortaan een rapportageregime geldt op grond van de verordening. In dat kader is een onderscheid aangebracht tussen deze beleggingsondernemingen en beleggingsondernemingen die onder de verordening kapitaalvereisten vallen. Dat onderscheid wordt doorgetrokken naar beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:82 Wft, die afkomstig zijn uit een derde land, maar in Nederland actief zijn. Tot slot is een nieuw lid toegevoegd dat regelt dat beheerders van een beleggingsinstelling of een icbe die een beleggingsdienst verlenen op grond van artikel 2:67a, tweede lid, respectievelijk artikel 2:69c, tweede lid, van de wet naast de balans- en resultaatgegevens die zij moeten aanleveren op grond van het tiende lid (nieuw) van artikel 130, tevens de in artikel 54 van de verordening bedoelde gegevens aanleveren, zodat DNB toezicht kan houden op het bepaalde in artikel 59, tiende lid (nieuw), Bpr. Hierbij zij opgemerkt dat voor deze beheerders geen sprake kan zijn van geconsolideerde toepassing van de vereisten (artikel 3:269 Wft is niet van toepassing op deze beheerders), zoals ook volgt uit de toelichting van artikel 59 Bpr, zodat er geen sprake kan zijn van rapportage van geconsolideerde gegevens.

S (artikel 131)

De verwijzingen in artikel 131 Bpr worden in lijn gebracht met de wijzigingen in artikel 130 Bpr. Daarnaast wordt een onderdeel toegevoegd aan het tweede lid, waarin de rapportagefrequentie op grond van de verordening, zijnde eenmaal per kwartaal, tot uitdrukking komt. Aan het tweede lid, onderdeel h (nieuw), wordt een zinsnede toegevoegd waarin voor beheerders die tevens beleggingsdiensten verlenen voor de rapportagefrequentie wordt aangesloten bij de rapportagefrequentie voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Het vierde lid komt te vervallen, nu daarvoor geen grondslag in de verordening bestaat.

T (artikel 134b)

De reikwijdte van artikel 134b, tweede lid, Bpr wordt in lijn gebracht met de reikwijdte van artikel 96 van de richtlijn kapitaalvereisten. Omdat de onderhavige richtlijn geen equivalent kent van artikel 96 van de richtlijn kapitaalvereisten, geldt artikel 134b Bpr alleen voor beleggingsondernemingen waarop op grond van artikel 1, tweede en vijfde lid, van de verordening de verordening en richtlijn kapitaalvereisten van toepassing is.

Artikel II (Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten)

A (artikel 1)

De wijzigingen in artikel 1 houden verband met de overige wijzigingen in het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten, als gevolg van de implementatie van artikel 27 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Zo worden in de eerste plaats de definities van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen toegevoegd. Omdat artikel 27 van de richtlijn in enige mate afwijkt van artikel 89 van de richtlijn kapitaalvereisten, wordt daarnaast een onderscheid aangebracht tussen beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten. In de begripsomschrijving van «beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen» wordt tot uitdrukking gebracht dat de publicatieverplichtingen op grond van dit besluit niet van toepassing zijn op kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen in de zin van artikel 12 van de verordening.

B (artikel 2)

In artikel 2 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten wordt tot uitdrukking gebracht dat de reikwijdte van dit besluit zich voortaan ook uitstrekt tot beleggingsondernemingen die onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen. Ook op banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten blijven de vereisten uit dit besluit van toepassing. Voor beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten volgt dit uit artikel 1, tweede lid, laatste alinea van de verordening.

C (artikel 3)

Met de wijzigingen van artikel 3 wordt artikel 27 van de richtlijn geïmplementeerd. In tegenstelling tot artikel 89 van de richtlijn kapitaalvereisten, beperkt de publicatieverplichting op grond van artikel 27 van de richtlijn zich tot dochterondernemingen in een andere lidstaat of in een derde land die als financiële instelling kwalificeren. Om die reden is de reikwijdte van het eerste lid beperkt tot banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten. De verplichtingen uit het eerste tot en met derde lid zijn daarnaast, in een nieuw vijfde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en haar dochterondernemingen voor zover die dochteronderneming als financiële instelling kwalificeert. Voor een nadere toelichting op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3 van het onderhavige besluit wordt verwezen naar de nota van toelichting bij de totstandkoming hiervan.

D en E (artikelen 4 en 5)

Artikel 4 en 5 van het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten strekken tot implementatie van artikel 89 van de richtlijn kapitaalvereisten en kennen geen equivalent in de onderhavige richtlijn. Om die reden wordt de reikwijdte van deze artikelen beperkt tot beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten.

F (artikel 7)

Tot slot wordt ook in de citeertitel van het onderhavige besluit tot uitdrukking gebracht dat diens reikwijdte zich voortaan tevens uitstrekt tot publicatieverplichtingen die volgen uit de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

Artikel V (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)

A

De wijzigingen van artikel 29a BGfo strekken tot implementatie van artikel 26 van de richtlijn. Laatstgenoemde bepaling omvat een aantal vereisten voor de interne bedrijfsvoering van beleggingsondernemingen die onder de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen vallen. Deze vereisten, waartoe onder meer een duidelijke organisatiestructuur, een doeltreffend risicobeheerproces en passende interne controlemechanismen behoren, overlappen in enige mate met de reeds bestaande vereisten die voortvloeien uit de gedelegeerde verordening 2017/565 inzake organisatorische vereisten.28 Hoewel deze gedelegeerde verordening ongewijzigd in stand blijft (en rechtstreekse werking heeft), vergt artikel 26 van de richtlijn dat de daarin opgenomen vereisten voor de interne bedrijfsvoering ook in de Nederlandse wet- en regelgeving worden geïmplementeerd. Voor zover het gaat om het vereiste voor beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen om, op grond van artikel 26, eerste lid, onderdeel b, van de richtlijn te beschikken over doeltreffende processen voor de detectie, het beheer, de monitoring en rapportage van risico’s, wordt opgemerkt dat dit voor wat betreft risico’s voor de soliditeit van de beleggingsonderneming reeds zijn beslag heeft gekregen in artikel 23 Bpr. Met het onderhavige artikel wordt dit slechts geïmplementeerd voor zover artikel 26 van de richtlijn ook betrekking heeft op overige, niet-prudentiële, bedrijfsrisico’s, conform het bepaalde in artikel 4:14, tweede lid, onderdeel a, Wft.

Middels een verwijzing naar het derde lid van artikel 26 van de richtlijn is beoogd tot uitdrukking te brengen dat de maatregelen die een beleggingsonderneming dient te nemen in het kader van diens interne bedrijfsvoering in verhouding dienen te staan tot de aard, omvang en complexiteit van diens bedrijfsmodel en risico’s. Daarnaast dient een beleggingsonderneming op grond van de richtlijn ook rekening te houden met de andere governance vereisten die de richtlijn stelt, waaronder de vereisten inzake het risicobeheer en de taken die het bestuur heeft in het kader van dit risicobeheer.

Uit artikel 25 van de richtlijn volgt dat deze vereisten voor de interne bedrijfsvoering niet gelden voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening. Dit wordt in het onderhavige artikel tot uitdrukking gebracht middels een verwijzing naar artikel 24a1 Bpr. Nu de vereisten van artikel 26 van de richtlijn in belangrijke mate ook voortvloeien uit voornoemde gedelegeerde verordening heeft deze uitzondering in de praktijk naar verwachting slechts een zeer beperkt effect.

Tot slot strekt het onderhavige artikel ook tot implementatie van artikel 28 van de richtlijn. Deze richtlijnbepaling wordt ook geïmplementeerd middels een wijziging van artikel 23b Bpr. Artikel 28 van de richtlijn omvat vereisten inzake het risicobeheer van beleggingsondernemingen. Waar dit het beheer van prudentiële risico’s betreft heeft dit zijn beslag gekregen in het Bpr, voor de overige bedrijfsrisico’s krijgt dit, op grond van artikel 4:14, tweede lid, onderdeel a, Wft, zijn beslag in het BGfo. Dit is geëxpliciteerd in artikel 29a BGfo middels een verwijzing naar artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, van de Wft.

B

Het nieuwe artikel 31ga strekt tot implementatie van artikel 34, vierde lid, van de richtlijn. Uit dat artikel volgt dat beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, niet zijnde kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening, de toezichthouder jaarlijks informatie moeten verstrekken omtrent het aantal onder haar verantwoordelijkheid werkzame natuurlijke personen die een totale jaarlijkse beloning van 1 miljoen euro of meer, in beloningstranches van 1 miljoen euro ontvangen, met inbegrip van informatie over hun taakomschrijving, de betrokken bedrijfssector en de voornaamste elementen van salaris, bonussen, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. Op verzoek van de toezichthouder moet ook het bedrag van de totale vergoeding van elk lid van het leidinggevende orgaan worden verstrekt.

C

Met een nieuw artikel 35f wordt in het BGfo uitvoering gegeven aan artikel 52 van de verordening. Uit dit artikel volgt dat beleggingsondernemingen waarop de richtlijn en verordening van toepassing zijn informatie openbaar moeten maken over – kort gezegd – hun beleggingsbeleid. Anders dan het geval is in de overige bepalingen uit de verordening is in artikel 52 van de verordening bepaalt dat lidstaten zelf nog moeten voorzien in een dergelijke verplichting, zodat ervoor gekozen is dit in het onderhavige besluit op te nemen. De openbaarmakingsverplichting uit artikel 52 van de verordening geldt niet voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen. Dit volgt uit de verwijzing naar artikel 46 van de verordening. Daarnaast geldt de openbaarmakingsverplichting ook niet voor een belegginsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, indien de waarde van haar activa binnen en buiten de balanstelling gemiddeld EUR 100 miljoen of minder bedraagt over een periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het betreffende boekjaar.

Uit artikel 46 van de verordening, waarnaar in artikel 52 van de verordening wordt verwezen, volgt dat de genoemde informatie gelijktijdig met de jaarlijkse financiële overzichten openbaar gemaakt dient te worden.

D

Met artikel 164 BGfo wordt voorzien in de implementatie van het nieuwe derde en zesde lid van artikel 41 van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (zie artikel 64 van de richtlijn). Het artikel voorziet in een jaarlijkse rapportageverplichting voor bijkantoren van beleggingsondernemingen met zetel in een derdeland.

Artikel IV (Besluit bestuurlijke boetes financiële sector)

Artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector bevat een tabel met een opsomming van de voorschriften die bij of krachtens de Wft zijn gesteld en waarvan overtreding beboetbaar is gesteld. Daarbij is, conform het bepaalde in artikel 1:81, tweede lid, Wft steeds bepaald welke boetecategorie van toepassing is in geval van een overtreding van het betreffende voorschrift. Deze opsomming van voorschriften wordt in overeenstemming gebracht met de aanpassingen in de Wft die voortvloeien uit de implementatiewet en het onderhavige besluit. Zo worden de nieuwe artikelen 2:103c en 3:111a.0 Wft, 24a1, 24a2, 106a en 106b Bpr en 31gaen 35f BGfo toegevoegd aan deze opsomming. Voor het vaststellen van de bijbehorende boetecategorie, alsmede voor het bepalen van de overige wijzigingen waarin artikel II voorziet, is rekening gehouden met artikel 18 van de richtlijn. Daarin is bepaald dat de lidstaten, onder meer in de gevallen bedoeld in het eerste lid van deze richtlijnbepaling, moeten voorzien in een mogelijkheid voor de toezichthouder om een boete op te leggen van ten hoogste € 5.000.000 (in geval van natuurlijke personen) of 10% van de omzet (in geval van rechtspersonen). Dat vereist dat de bepalingen die strekken ter implementatie van de richtlijn in beginsel worden ingedeeld in de derde boetecategorie. Voor een deel van de relevante voorschriften die bij of krachtens de Wft zijn gesteld, is deze boetecategorie reeds van toepassing. Voor artikel 3:53, derde lid, artikel 3:269 eerste tot en met derde lid, en artikel 3:277a Wft wordt hierin thans voorzien. Let wel dit gaat om maximumboetes bepaald. De toezichthouder zal in een concreet geval een passende boete bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval volgens de systematiek die is opgenomen in de artikelen 1 tot en met 4 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.

Artikel V (Inwerkingtreding)

Met het oog op de reeds verstreken uiterste implementatiedatum van de richtlijn (26 juni 2021) treedt dit besluit, in afwijking van de vaste verandermomenten, meteen op de dag na publicatie in werking.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Bijlage Transponeringstabellen

Transponeringstabel behorende bij Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314) in aanvulling op de transponeringstabel zoals opgenomen in de memorie van toelichting bij de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen m.b.t. de artikelen 9, 11, 18 en 60 t/m 64 en hoofdstuk 2, afdeling 1 tot en met 3, met uitzondering van de artikelen 30 t/m 34.

Artikel, -lid of -onderdeel richtlijn

Te implementeren in

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting

Artikel 9

Artikel I, onderdeel L, artikel 48 Bpr

 

Artikel 11

Artikel I, onderdeel M.

artikel 50 Bpr

 

Artikel 18, eerste lid

Artikel IV

 

Artikel 18, tweede lid, onderdeel a

Artikel IV

 

Artikel 18, tweede lid, onderdeel b

Artikel IV

i.c.m. artikel 1:3a en 1:75 Wft

 

Artikel 18, tweede lid, onderdeel c

Artikel IV

i.c.m. artikel 1:3a en 1:87 Wft

Mogelijk vanwege het toekennen van boetecategorie 3 voor overtreding van alle geïmplementeerde bepalingen van de richtlijn

Artikel 18, tweede lid, onderdeel d

Artikel IV

i.c.m. artikel 1:3a, 1:80 en 1:82 Wft

Mogelijk vanwege het toekennen van boetecategorie 3 voor overtreding van alle geïmplementeerde bepalingen van de richtlijn

Artikel 18, tweede lid, onderdeel e

Artikel IV

i.c.m. artikel 1:3a, 1:80 en 1:83 Wft

Mogelijk vanwege het toekennen van boetecategorie 3 voor overtreding van alle geïmplementeerde bepalingen van de richtlijn

Artikel 18, tweede lid, onderdeel f

Artikel IV

i.c.m. artikel 1:3a en 1:80

Mogelijk vanwege het toekennen van boetecategorie 3 voor overtreding van alle geïmplementeerde bepalingen van de richtlijn

Artikel 22, tweede lid

Artikel I, onderdeel G, artikel 23i Bpr

 

Artikel 24

Artikel I, onderdeel I, artikel 24a1 Bpr

 

Artikel 25, eerste lid

Artikel I, onderdelen C, D, artikelen 23, 23a en 23b Bpr, Artikel II, onderdeel A, artikel 1 Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten, artikel IV, artikel 29a BGfo en toezichthouderregeling op grond van 1:117 Wft, Regeling beheerst beloningsbeleid 2021, artikel 3, eerste lid.

 

Artikel 25, tweede en derde lid

Artikel I, onderdeel I, artikel 24a2 en toezichthouderregeling op grond van 1:117 Wft, Regeling beheerst beloningsbeleid 2021, artikel 3, tweede en derde lid.

 

Artikel 25, vierde lid, eerste alinea

Toezichthouderregeling op grond van 1:117 Wft, Regeling beheerst beloningsbeleid 2021 artikel 3, derde lid.

 

Artikel 25, tweede derde alinea en vierde alinea

Artikel I, onderdeel NN, van het implementatiewetsvoorstel, artikel 3:269 en artikel 1:113 en 1:114 Wft

 

Artikel 26

Artikel III, onderdeel A, artikel 29a BGfo en artikel I, onderdeel D, artikel 23a Bpr i.c.m. artikel 23, vierde lid, Bpr

 

Artikel 27

Artikel II, onderdeel C, artikel 3 Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten

 

Artikel 28

Artikel I, onderdeel E, artikel 23b Bpr

 

Artikel 29

Artikel I, onderdeel D, artikel 23a Bpr en Artikel III, artikel 29a BGfo

   

Artikel 34, vierde lid

Artikel III, onderdeel B, artikel 31ga BGfo

   

Artikel 37, eerste tot en met derde lid

Artikel I, onderdeel P, artikel 69 Bpr

   

Artikel 60

Artikel 7 richtlijn 2009/65/EG

Artikel I, onderdeel O, artikel 63 Bpr

   

Artikel 61

Artikel 9 richtlijn 2011/61/EU

Artikel I, onderdeel O, artikel 63 Bpr

   

Artikel 62, onderdeel 3, onderdeel a

Artikel 2, tweede en derde lid, richtlijn kapitaalvereisten

Artikel I, onderdeel L, artikel 48 Bpr

   

Artikel 62, onderdeel 10

Titel IV richtlijn kapitaalvereisten

Artikel I, onderdeel L, artikel 48 Bpr

   

Artikel 62, onderdeel 15

Artikel 87 richtlijn kapitaalvereisten

Wordt geïmplementeerd door middel van bestaande dynamische verwijzing in artikel 23a Bpr.

   

Artikel 64, onderdeel 2

Artikel 15 richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014

Artikel I, onderdeel M, artikel 50 Bpr

   

Artikel 64, onderdeel 3

Artikel 41, derde lid, richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014

Artikel III, onderdeel D, artikel 164 Bgfo

   

Transponeringstabel behorende bij Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314) in aanvulling op de transponeringstabel zoals opgenomen in de memorie van toelichting bij de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen m.b.t. artikel 30 t/m 34.

Artikel, -lid of -onderdeel richtlijn

Te implementeren in Wft, BGfo en Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft (Rtgs)

Te implementeren in Rbb 2021

Omschrijving beleidsruimte en toelichting

30, eerste lid, aanhef

 

Bijlage B, onderdeel 1

30, eerste lid, onderdeel a

1:117, eerste en tweede lid, Wft

 

30, eerste lid, onderdeel b

1:117, tweede lid, Wft

 

30, eerste lid, onderdeel c

1:118, eerste lid, Wft

 

30, eerste lid, onderdeel d

Al in 1:118, eerste lid, Wft

 

30, eerste lid, onderdeel e

 

Bijlage B, onderdeel 2

30, eerste lid, onderdeel f

 

Bijlage B, onderdeel 3

30, eerste lid, onderdeel g

 

Bijlage B, onderdeel 4

30, eerste lid, onderdeel h

 

Bijlage B, onderdeel 5

30, eerste lid, onderdeel i

 

Bijlage B, onderdeel 6

30, eerste lid, onderdeel j

1:111, 1:118 en 1:119 Wft

 

30, eerste lid, onderdeel k

 

Bijlage B, onderdeel 7

30, tweede lid

 

Bijlage B, onderdeel 7

30, derde lid

1:117, tweede lid, Wft

 

30, vierde lid

Behoeft geen implementatie

 

31, aanhef en onderdeel a

1:128 en 1:129, Wft

 

31, aanhef en onderdeel b

 

Bijlage B, onderdeel 16

32, eerste lid, aanhef

 

Bijlage B, onderdeel 8, aanhef

32, eerste lid, onderdeel a

Al in 1:118, tweede lid, onderdeel d jo. 1:119, derde lid, Wft

 

32, eerste lid, onderdeel b

Al in 1:118, tweede lid, onderdeel d jo. 1:119, derde lid, Wft

 

32, eerste lid, onderdeel c

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder a

32, eerste lid, onderdeel d

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder b

32, eerste lid, onderdeel e

Al in 1:124 Wft

 

32, eerste lid, onderdeel f

Al in 1:125 Wft

 

32, eerste lid, onderdeel g

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder c

32, eerste lid, onderdeel h

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder d

32, eerste lid, onderdeel i

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder e

32, eerste lid, onderdeel j

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder f

32, eerste lid, onderdeel k

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder g

32, eerste lid, onderdeel l

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder h

32, eerste lid, onderdeel m

Al in 1:127 Wft

 

32, eerste lid, onderdeel n

 

Bijlage B, onderdeel 8, onder i

32, tweede lid

Al in 1:116 Wft

 

32, derde lid, eerste alinea

 

Bijlage B, onderdeel 9

32, derde lid, tweede alinea

 

Bijlage B, onderdeel 10

32, derde lid, derde alinea

 

Bijlage B, onderdeel 11

32, vierde lid jo. zevende lid

Artikel 1:117, vijfde lid, Wft

Bijlage B, onderdeel 12

32, vijfde lid

   

Lidstaatoptie: geen gebruik van gemaakt

32, zesde lid

   

Lidstaatoptie: geen gebruik van gemaakt

32, achtste lid

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

 

32, negende lid

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

 

33, eerste lid

 

Bijlage B, onderdeel 13

33, tweede lid

 

Bijlage B, onderdeel 14

33, derde lid

 

Bijlage B, onderdeel 15

34, eerste lid

Artikel 2 Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft

 

34, tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

 

34, derde lid

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

 

34, vierde lid, eerste alinea

Artikel 31ga BGfo

 

34, vierde lid, tweede alinea

Artikel 31ga BGfo

 

34, vierde lid, derde alinea

Artikel 2 Rtgs

 

Transponeringstabel behorende bij Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314) in aanvulling op de transponeringstabel zoals opgenomen in de memorie van toelichting bij de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen m.b.t. artikel 52.

Artikel, -lid of -onderdeel verordening

Uit te voeren in

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting

Artikel 52, eerste lid

Artikel III, onderdeel C, artikel 35f BGfo

Geen

 

X Noot
1

Kamerstukken 2020/21 II, 35 783, nr. 2.

X Noot
2

Er geldt een enkele uitzondering op deze termijn, namelijk voor artikel 64, onderdeel 5, van de richtlijn en artikel 60, onderdeel 30, en artikel 63, onderdeel 2 en 3, van de verordening. Zie voor de wijze waarop deze bepalingen zijn geïmplementeerd en uitgevoerd de transponeringstabellen in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

X Noot
3

Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176).

X Noot
4

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176).

X Noot
6

Alleen de implementatie van artikel 52 van de verordening blijft opgenomen in het onderhavige besluit. De implementatie van dit artikel, dat een concrete opdracht aan de lidstaten bevat, vindt plaats in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, in artikel 35f.

X Noot
7

Gedelegeerde verordening (EU) nr. 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU 2017, L 87)

X Noot
8

Richtlijn nr. 2014/65/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PbEU 2014, L 173).

X Noot
9

Zie paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting van de implementatiewet, Kamerstukken II 2020/21, 35 783, nr. 3.

X Noot
10

Toezicht vindt plaats volgens het zogenaamde Twin Peaks-model, gebaseerd op de artikelen 1:24 en 1:25 Wft. Zie tevens de memorie van toelichting bij de implementatiewet, paragraaf 5.

X Noot
11

Richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174).

X Noot
12

Richtlijn nr. 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PbEU 2009, L 302).

X Noot
13

Kamerstukken II 2011/12, 33 235, nr. 3, p. 17 en Stb. 2011, 358, p. 52–53.

X Noot
14

Daarnaast is door DNB voorzien in de Beleidsregel ICAAP beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen Wft 2015.

X Noot
15

Kamerstukken II 2016/17, 34 583, nr. 3, paragraaf 4.

X Noot
16

Kamerstukken II 2020/21, 35 783, nr. 3.

X Noot
17

Artikel 3:17, derde lid, Wft verwijst naar beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend. Die groep valt uiteen in twee groepen te weten; de beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en de beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

X Noot
18

Wel zijn deze beleggingsondernemingen op grond van artikel 23, tweede lid van de gedelegeerde verordening 2017/565 inzake organisatorische eisen verplicht een risicobeheerfunctie in te stellen indien dat passend en evenredig is.

X Noot
19

Artikel 1:19, tweede lid, Wft in combinatie met de Beleidsregel ICAAP beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen Wft 2015.

X Noot
20

Kamerstukken II 2020/21, 35783.

X Noot
21

Zie paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting van de implementatiewet, Kamerstukken II 2020/21, 35 783, nr. 3.

X Noot
22

Zie onder meer artikel 15, vijfde lid, van de verordening.

X Noot
23

Zie artikel 57 van de verordening.

X Noot
24

Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU 2009, L 302).

X Noot
25

Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174).

X Noot
26

Artikel 101 van de richtlijn kapitaalvereisten, geïmplementeerd in artikel 69 Bpr.

X Noot
27

Kamerstukken II 2013/14, 33 849, nr. 3.

X Noot
28

Zie onder meer de artikelen 21, eerste lid, 23 en 24 van Gedelegeerde verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn.