Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 6 juli 2021, nr. WJZ/27929139 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 7.3.4, tweede lid, 7.4.11, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en de artikelen 7.3.3, tweede lid, en 7.4.13, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 2021, nr. W05.21.0191/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 oktober 2021, nr. WJZ/29176009 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanvullende bekostiging:

aanvullende bekostiging als bedoeld in de artikelen 5.5, 5.9 en 5.10 van de wet;

accountant:

accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES;

algemeen vak:

vak, niet zijnde een profielvak of een beroepsgericht keuzevak;

beroepsgericht keuzevak:

keuzevak als bedoeld in artikel 2.29;

college:

College voor toetsen en examens;

cspe:

centraal schriftelijk en praktisch examen in een profielvak;

eerste schooldag:

1 augustus of de dag waarop het onderwijs aan de school in enig schooljaar is aangevangen;

examinator:

examinator als bedoeld in artikel 2.51, derde lid, van de wet;

extraneus:

extraneus als bedoeld in artikel 2.51, tweede lid, van de wet;

gemeenschappelijk deel:

deel van een profiel als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onderdeel a, van de wet of artikel 2.24, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

hoofdvestiging:

hoofdvestiging als bedoeld in artikel 4.13 van de wet;

instelling voor educatie en beroepsonderwijs:

instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB of artikel 1.1.1 WEB BES;

nevenvestiging:

nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.14 van de wet;

nieuwkomer:

leerling die:

  • a. vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 is,

  • b. als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven bij een school,

  • c. geen Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs of Europees secundair onderwijs volgt, en;

  • d. op de teldatum korter dan twee jaar in Nederland verblijft;

profiel:

profiel als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet en artikel 2.24, eerste lid, van de wet;

profieldeel:

deel van een profiel als bedoeld in de artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b, van de wet of artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

profielvak:

vak als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, en artikel 2.25, eerste lid;

profielwerkstuk:

profielwerkstuk als bedoeld in artikel 2.53, derde lid, van de wet;

schoolsoortgroep 1:

scholen voor mavo, vbo, praktijkonderwijs en scholengemeenschappen bestaande uit ten minste twee van deze schoolsoorten, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs;

schoolsoortgroep 2:

scholen voor vbo, havo en scholengemeenschappen bestaande uit een combinatie van deze scholen;

schoolsoortgroep 3:

scholengemeenschappen bestaande uit scholen voor havo, mavo, al dan niet in combinatie met scholen voor vwo, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs;

schoolsoortgroep 4:

scholengemeenschappen bestaande uit scholen voor havo, mavo en vbo, al dan niet in combinatie met scholen voor praktijkonderwijs of scholen voor vwo, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs;

teldatum:

datum van 1 oktober, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, van de wet;

uitkering:

een werkloosheidsuitkering, een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid of een uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet;

vavo:

opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB en artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB BES;

vrije deel:

deel van een profiel als bedoeld in de artikel 2.21, eerste lid, onderdeel c, van de wet of artikel 2.24, eerste lid, onderdeel c, van de wet;

wet:

Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 1.2. Reikwijdte

Dit besluit is ook van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald.

HOOFDSTUK 2. ONDERWIJS

Paragraaf 1. Inrichting onderbouw voortgezet onderwijs

Artikel 2.1. Kerndoelen eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs

De kerndoelen voor de eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs vwo, havo, mavo en vbo worden bepaald in bijlage 1.

Artikel 2.2. Afwijkingen delen onderwijsprogramma eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs
  • 1. Leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in staat zijn alle delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14 van de wet, te volgen, kunnen in aanmerking komen voor afwijkingen in het onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van de wet.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt een commissie in die hem adviseert voor welke leerlingen artikel 2.18, tweede lid, van de wet kan worden toegepast. Het bevoegd gezag regelt de omvang en samenstelling van de commissie.

  • 3. In haar schriftelijk advies doet de commissie aan het bevoegd gezag voorstellen over de aard van de afwijkingen. Daarbij geeft zij aan waarop deze voorstellen zijn gegrond.

  • 4. De commissie betrekt in elk geval bij haar oordeelsvorming:

    • a. in voorkomende gevallen het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO, artikel 48 van de WPO BES of artikel 43 WEC en de resultaten van het onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of artikel 9.40;

    • b. indien de omstandigheid op grond waarvan afwijking wordt voorgesteld daartoe aanleiding geeft, de verklaring die is afgegeven door een deskundige;

    • c. de schriftelijke zienswijze van de ouders van de leerlingen;

    • d. de schriftelijke zienswijze van de leraar of leraren die zijn belast met het betrokken onderwijs.

  • 5. Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om af te wijken van het advies van de commissie, overlegt het bevoegd gezag met de commissie.

  • 6. De beslissing van het bevoegd gezag van een bijzondere school over het afwijken van onderdelen van het onderwijsprogramma berust op een deugdelijke motivering.

  • 7. Het bevoegd gezag zendt zijn besluit, voorzien van een deugdelijke motivering en vergezeld van het advies van de commissie en de daarbij gevoegde gegevens, bedoeld in het vierde lid, aan de ouders van de betrokken leerlingen, aan de betrokken leraar of leraren en aan de inspectie.

Artikel 2.3. Aanvullende bepalingen talenonderwijs eerste drie leerjaren vwo en havo
  • 1. Het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren aan een school voor vwo en aan een school voor havo omvat ook onderwijs in Franse taal en Duitse taal.

  • 2. Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal, indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Russische taal, Italiaanse taal, Arabische taal, Turkse taal of, in vwo, Chinese taal en cultuur.

  • 3. Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ook ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal of in beide talen, indien de leerling:

    • a. voor de eerste maal tot een school als bedoeld in het eerste lid is toegelaten;

    • b. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste;

    • c. eerder buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd; en

    • d. daarbij geen of te weinig onderwijs in deze taal of talen heeft gevolgd.

  • 4. Het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren aan een gymnasium omvat ook onderwijs in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur.

Artikel 2.4. Aanvullende bepalingen talenonderwijs eerste twee leerjaren mavo en vbo
  • 1. Het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren aan een school voor mavo en aan een school voor vbo omvat ook onderwijs in Franse taal of Duitse taal. De eerste volzin is niet van toepassing op leerlingen voor wie naar de verwachting van het bevoegd gezag het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg het meest geschikt is.

  • 2. Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal, indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Arabische taal of Turkse taal.

  • 3. Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ook ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in de Franse taal of Duitse taal, indien de leerling:

    • a. voor de eerste maal tot een school als bedoeld in het eerste lid is toegelaten;

    • b. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste;

    • c. eerder buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd; en

    • d. daarbij geen of te weinig onderwijs in deze taal of talen heeft gevolgd.

  • 4. De leerling die op basis van het eerste lid, tweede volzin, geen onderwijs volgt in de Franse taal of Duitse taal, volgt in het profiel economie en ondernemen of het profiel horeca, bakkerij en recreatie van de basisberoepsgerichte leerweg in plaats hiervan, naar keuze van de leerling, het vak Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting of aardrijkskunde.

Paragraaf 2. Profielen bovenbouw vwo-onderwijs

Artikel 2.5. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen vwo
  • 1. Het gemeenschappelijk deel van een profiel in het atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. Nederlandse taal en literatuur: 480;

    • b. Engelse taal en literatuur: 400;

    • c. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 480;

    • d. maatschappijleer: 120;

    • e. culturele en kunstzinnige vorming: 160; en

    • f. lichamelijke opvoeding: 160.

  • 2. Het gemeenschappelijk deel van een profiel in het gymnasium omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. Nederlandse taal en literatuur: 480;

    • b. Engelse taal en literatuur: 400;

    • c. Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur, ter keuze van de leerling uit deze beide door het bevoegd gezag aan te bieden vakken: 760;

    • d. maatschappijleer: 120; en

    • e. lichamelijke opvoeding: 160.

Artikel 2.6. Inrichting profieldeel profielen vwo
  • 1. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde B: 600;

    • b. natuurkunde: 480;

    • c. scheikunde: 440; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 440;

      • 2°. informatica: 440;

      • 3°. biologie: 480; of

      • 4°. wiskunde D: 440.

  • 2. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. biologie: 480;

    • c. scheikunde: 440; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 440;

      • 2°. aardrijkskunde: 440; of

      • 3°. natuurkunde: 480.

  • 3. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. economie: 480;

    • c. geschiedenis: 440; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. bedrijfseconomie: 440;

      • 2°. aardrijkskunde: 440;

      • 3°. maatschappijwetenschappen: 440; of

      • 4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur: 480.

  • 4. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde C: 480, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde C kan vervangen door wiskunde A of wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. geschiedenis: 480;

    • c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 480;

      • 2°. filosofie: 480;

      • 3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur, Friese taal en cultuur met een normatieve studielast van 480 uren, Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur met een normatieve studielast van 760 uren; of

    • d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. aardrijkskunde: 440;

      • 2°. maatschappijwetenschappen: 440; of

      • 3°. economie: 480.

Artikel 2.7. Inrichting vrij deel profielen vwo

Het vrije deel van een profiel in vwo omvat ter keuze van de leerling ten minste een vak uit het geheel van:

  • a. de vakken, genoemd in de artikelen 2.5 en 2.6, voor zover deze vakken niet al deel uitmaken van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt, met dien verstande dat:

    • 1°. binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B of de combinatie van wiskunde B en wiskunde C, en dat wiskunde D kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel;

    • 2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek;

    • 3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er een deel kan uitmaken van het profiel;

  • b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, voor zover het vak niet al eerder is gevolgd of niet al deel uitmaakt van het profiel en voor zover het bevoegd gezag deze vakken in het vrije deel aanbiedt:

    • 1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 480;

    • 2°. Russische taal en literatuur (elementair): 480;

    • 3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 480;

    • 4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 480;

    • 5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 480; en

    • 6°. Chinese taal en cultuur (elementair): 480;

  • c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast uitgedrukt in uren, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt:

    • 1°. kunst (algemeen): 200;

    • 2°. algemene natuurwetenschappen: 120; en

    • 3°. bewegen, sport en maatschappij: 440;

  • d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen.

Artikel 2.8. Vrijstellingen leerlingen vwo
  • 1. De leerling van een school voor vwo met het diploma havo is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak maatschappijleer en als het gaat om een atheneum ook in het vak culturele en kunstzinnige vorming.

  • 2. De leerling van een school voor vwo met het diploma havo of het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak.

  • 3. De leerling van een atheneum is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak culturele en kunstzinnige vorming, indien Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur, of beide, deel uitmaken van het profiel.

Artikel 2.9. Ontheffing leerlingen profielen vwo (atheneum) voor tweede taal
  • 1. Het bevoegd gezag van een atheneum kan een leerling ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in een tweede moderne vreemde taal als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c, indien:

    • a. de leerling een stoornis heeft die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis heeft die effect heeft op taal;

    • b. de leerling een andere moedertaal heeft dan de Nederlandse taal of de Friese taal; of

    • c. de leerling onderwijs volgt in het profiel natuur en techniek of in het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal naar verwachting verhindert dat de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.

  • 2. In geval van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, wordt de taal vervangen door een van de vakken of programmaonderdelen, genoemd in de artikelen 2.6 of 2.7, onderdeel c en d, met een normatieve studielast van ten minste 440 uren, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken of programmaonderdelen als zodanig aanbiedt.

Paragraaf 3. Profielen bovenbouw havo-onderwijs

Artikel 2.10. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen havo

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

  • a. Nederlandse taal en literatuur: 400;

  • b. Engelse taal en literatuur: 360;

  • c. maatschappijleer: 120;

  • d. culturele en kunstzinnige vorming: 120; en

  • e. lichamelijke opvoeding: 120.

Artikel 2.11. Inrichting profieldeel profielen havo
  • 1. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde B: 360;

    • b. natuurkunde: 400;

    • c. scheikunde: 320; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 320;

      • 2°. informatica: 320;

      • 3°. biologie: 400;

      • 4°. wiskunde D: 320.

  • 2. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. biologie: 400;

    • c. scheikunde: 320; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. natuur, leven en technologie: 320;

      • 2°. aardrijkskunde: 320;

      • 3°. natuurkunde: 400.

  • 3. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt;

    • b. economie: 400;

    • c. geschiedenis: 320; en

    • d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. bedrijfseconomie: 320;

      • 2°. aardrijkskunde: 320;

      • 3°. maatschappijwetenschappen: 320;

      • 4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400.

  • 4. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

    • a. geschiedenis: 320;

    • b. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 400;

    • c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 320;

      • 2°. filosofie: 320;

      • 3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400; en

    • d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

      • 1°. aardrijkskunde: 320;

      • 2°. maatschappijwetenschappen: 320;

      • 3°. economie: 400.

Artikel 2.12. Inrichting vrije deel profielen havo

Het vrije deel van een profiel in havo omvat ter keuze van de leerling ten minste één vak uit het geheel van:

  • a. de vakken, genoemd in de artikelen 2.10 en 2.11, voor zover deze vakken niet al deel uitmaken van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt, met dien verstande dat:

    • 1°. binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B, en dat wiskunde D uitsluitend kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel;

    • 2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek;

    • 3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er één deel kan uitmaken van het profiel;

  • b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, voor zover het vak niet al eerder is gevolgd of al deel uitmaakt van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:

    • 1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 320;

    • 2°. Russische taal en literatuur (elementair): 320;

    • 3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 320;

    • 4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 320;

    • 5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 320;

  • c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast in uren:

    • 1°. kunst (algemeen): 120;

    • 2°. algemene natuurwetenschappen: 120;

    • 3°. bewegen, sport en maatschappij: 320;

  • d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen.

Artikel 2.13. Overeenkomstig vak op het niveau van vwo

Het bevoegd gezag kan de leerling van een school voor havo in de gelegenheid stellen in plaats van de vakken voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, te volgen.

Artikel 2.14. Vrijstelling leerlingen profielen havo

De leerling van een school voor havo met een diploma vmbo die in plaats van een vak voor het vmbo of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak voor havo of vwo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 respectievelijk de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak.

Paragraaf 4. Profielen bovenbouw mavo en vbo

Paragraaf 4.1. Profielen theoretische leerweg
Artikel 2.15. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen theoretische leerweg vmbo

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

  • a. Nederlandse taal;

  • b. Engelse taal;

  • c. maatschappijleer;

  • d. lichamelijke opvoeding; en

  • e. ten minste een van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, of drama.

Artikel 2.16 Inrichting profieldeel theoretische leerweg vmbo
  • 1. Het profieldeel van het profiel techniek van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. wiskunde; en

    • b. natuur- en scheikunde I.

  • 2. Het profieldeel van het profiel zorg en welzijn van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. biologie; en

    • b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welk vak, genoemd onder 2° tot met 4°, wordt of worden aangeboden:

      • 1°. wiskunde;

      • 2°. maatschappijkunde;

      • 3°. geschiedenis en staatsinrichting; of

      • 4°. aardrijkskunde.

  • 3. Het profieldeel van het profiel economie van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. economie; en,

    • b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welk vak, genoemd onder 2° en 3°, wordt of worden aangeboden:

      • 1°. wiskunde;

      • 2°. Franse taal; of

      • 3°. Duitse taal.

  • 4. Het profieldeel van het profiel groen van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

    • a. wiskunde; en

    • b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling:

      • 1°. biologie; of

      • 2°. natuur- en scheikunde I.

Artikel 2.17. Inrichting vrije deel theoretische leerweg vmbo
  • 1. Het vrije deel van de theoretische leerweg:

    • a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in artikel 2.16, voor zover deze niet al deel uitmaken van het profiel;

    • b. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming, Friese taal en cultuur, lichamelijke opvoeding 2 en informatietechnologie, door de leerling te kiezen, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken worden aangeboden; en

    • c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.

  • 2. Naast het onderwijsprogramma, bedoeld in het eerste lid en in de artikelen 2.15, 2.16 , kan het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid stellen om beroepsgerichte keuzevakken als bedoeld in artikel 2.26, onderdeel b, te volgen, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden.

Artikel 2.18. Overeenkomstig vak op niveau vwo of havo

Het bevoegd gezag kan de leerling in de theoretische leerweg in de gelegenheid stellen, in plaats van de vakken, genoemd in de artikelen 2.15, 2.16 en 2.17, onderdeel b, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, of voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 te volgen.

Artikel 2.19. Minimum aantal vakken derde leerjaar theoretische leerweg vmbo
  • 1. In het derde leerjaar volgt de leerling in de theoretische leerweg naast de vakken van het gemeenschappelijk deel, onderwijs in ten minste zeven vakken van het profieldeel of het vrije deel waarin eindexamen kan worden afgelegd.

  • 2. Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in een voorafgaand leerjaar, is het aantal vakken, bedoeld in het eerste lid, zes.

Paragraaf 4.2. Profielen beroepsgerichte leerwegen vmbo
Artikel 2.20. Inrichting gemeenschappelijk deel in beroepsgerichte leerwegen vmbo

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de beroepsgerichte leerwegen omvat de volgende vakken:

  • a. Nederlandse taal;

  • b. Engelse taal;

  • c. maatschappijleer;

  • d. lichamelijke opvoeding en

  • e. ten minste een van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, of drama.

Artikel 2.21. Inrichting profieldeel van de beroepsgerichte leerwegen vmbo
  • 1. Het profieldeel van de beroepsgerichte leerwegen omvat voor de volgende profielen de daarachter vermelde profielvakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur: het profielvak bouwen, wonen en interieur;

    • b. het profiel produceren, installeren en energie: het profielvak produceren, installeren en energie;

    • c. het profiel mobiliteit en transport: het profielvak mobiliteit en transport;

    • d. het profiel media, vormgeving en ICT: het profielvak media, vormgeving en ICT;

    • e. het profiel maritiem en techniek: het profielvak maritiem en techniek;

    • f. het profiel zorg en welzijn: het profielvak zorg en welzijn;

    • g. het profiel economie en ondernemen: het profielvak economie en ondernemen;

    • h. het profiel horeca, bakkerij en recreatie: het profielvak horeca, bakkerij en recreatie;

    • i. het profiel groen: het profielvak groen; en

    • j. het profiel dienstverlening en producten: het profielvak dienstverlening en producten.

  • 2. Naast het profielvak omvat het profieldeel voor de volgende profielen de daarachter vermelde vakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur, het profiel produceren, installeren en energie, het profiel mobiliteit en transport en het profiel media, vormgeving en ICT:

      • 1°. wiskunde; en

      • 2°. natuur- en scheikunde I.

    • b. het profiel zorg en welzijn:

      • 1°. biologie; en

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden;

    • c. het profiel economie en ondernemen, en het profiel horeca, bakkerij en recreatie:

      • 1°. economie; en

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt of worden aangeboden;

    • d. het profiel groen:

      • 1°. wiskunde; en

      • 2°. ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I;

    • e. het profiel dienstverlening en producten:

    ter keuze van de leerling, twee van de vakken wiskunde, economie, biologie en natuur- en scheikunde I.

Artikel 2.22. Inrichting vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen vmbo

Het vrije deel van een profiel in de beroepsgerichte leerwegen:

  • a. omvat door de leerling te kiezen beroepsgerichte keuzevakken, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden; en

  • b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.

Artikel 2.23. Overeenkomstig vak op niveau vwo, havo of andere leerweg en extra vak
  • 1. Het bevoegd gezag kan een leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om in plaats van de vakken van het gemeenschappelijk deel of van het profieldeel van de beroepsgerichte leerweg, genoemd in de artikelen 2.20 en 2.21, of van de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal te volgen:

    • a. de overeenkomstige vakken van de theoretische leerweg, genoemd in de artikelen 2.15 tot en met 2.17;

    • b. de overeenkomstige vakken van de gemengde leerweg, genoemd in de artikelen 2.24 tot en met 2.26;

    • c. de overeenkomstige vakken voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12; of

    • d. de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7.

  • 2. Indien het gaat om een leerling in de basisberoepsgerichte leerweg, kan het bevoegd gezag de leerling ook in de gelegenheid stellen om in plaats van de vakken van het gemeenschappelijk deel of het profieldeel van de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in de artikelen 2.20 en 2.21, van de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal of van de beroepsgerichte keuzevakken, de overeenkomstige vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg te volgen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan de leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om Friese taal en cultuur als extra vak te volgen.

Paragraaf 4.3. Profielen gemengde leerweg vmbo
Artikel 2.24. Inrichting gemeenschappelijke deel profielen gemengde leerweg vmbo

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de gemengde leerweg omvat de volgende vakken:

  • a. Nederlandse taal;

  • b. Engelse taal;

  • c. maatschappijleer;

  • d. lichamelijke opvoeding; en

  • e. ten minste een van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, of drama.

Artikel 2.25. Inrichting profieldeel gemengde leerweg vmbo
  • 1. Het profieldeel van de gemengde leerweg vmbo omvat voor de volgende profielen de daarachter vermelde profielvakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur; het profielvak bouwen, wonen en interieur;

    • b. het profiel produceren, installeren en energie; het profielvak produceren, installeren en energie;

    • c. het profiel mobiliteit en transport; het profielvak mobiliteit en transport;

    • d. het profiel media, vormgeving en ICT; het profielvak media, vormgeving en ICT;

    • e. het profiel maritiem en techniek; het profielvak maritiem en techniek;

    • f. het profiel zorg en welzijn; het profielvak zorg en welzijn;

    • g. het profiel economie en ondernemen; het profielvak economie en ondernemen;

    • h. het profiel horeca, bakkerij en recreatie; het profielvak horeca, bakkerij en recreatie;

    • i. het profiel groen; het profielvak groen; en

    • j. het profiel dienstverlening en producten: het profielvak dienstverlening en producten.

  • 2. Naast het profielvak omvat het profieldeel voor de volgende profielen de daarachter vermelde vakken:

    • a. het profiel bouwen, wonen en interieur, het profiel produceren, installeren en energie, het profiel mobiliteit en transport, het profiel media, vormgeving en ICT:

      • 1°. wiskunde; en

      • 2°. natuur- en scheikunde I;

    • b. het profiel zorg en welzijn:

      • 1°. biologie; en,

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden;

    • c. het profiel economie en ondernemen, en het profiel horeca, bakkerij en recreatie:

      • 1°. economie; en,

      • 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt aangeboden;

    • d. het profiel groen:

      • 1°. wiskunde; en,

      • 2°. ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I;

    • e. het profiel dienstverlening en producten: ter keuze van de leerling twee van de vakken wiskunde, economie, biologie en natuur- en scheikunde I.

Artikel 2.26. Inrichting vrije deel gemengde leerweg vmbo

Het vrije deel van een profiel in de gemengde leerweg:

  • a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in artikel 2.25, voor zover deze niet al deel uitmaken van het profiel;

  • b. omvat door de leerling te kiezen beroepsgerichte keuzevakken, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden;

  • c. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming, Friese taal en cultuur, lichamelijke opvoeding 2 en informatietechnologie, door de leerling te kiezen; en

  • d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.

Artikel 2.27. Overeenkomstig vak op niveau vwo of havo

Het bevoegd gezag kan de leerling in de gemengde leerweg in de gelegenheid stellen in plaats van de vakken, genoemd in de artikelen 2.24, 2.25 en 2.26, onderdeel c, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, of voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 te volgen.

Artikel 2.28. Minimum aantal vakken derde leerjaar gemengde leerweg
  • 1. In het derde leerjaar volgt de leerling in de gemengde leerweg naast de vakken van het gemeenschappelijk deel ten minste onderwijs in een beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, en vijf algemene vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd.

  • 2. Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in enig voorafgaand leerjaar, is het aantal algemene vakken, bedoeld in het eerste lid, vier.

Paragraaf 4.4. Beroepsgerichte keuzevakken vmbo
Artikel 2.29. Beroepsgerichte keuzevakken vmbo
  • 1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke beroepsgerichte keuzevakken deel kunnen uitmaken van het beroepsgerichte programma in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg van het vmbo.

  • 2. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de school voldoende beroepsgerichte keuzevakken aanbiedt waaruit leerlingen kunnen kiezen in het kader van hun beroepsgerichte programma.

  • 3. Bij zijn keuze welke beroepsgerichte keuzevakken door de school worden aangeboden, consulteert het bevoegd gezag een of meer instellingen voor educatie en beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen.

Artikel 2.30. Ontwikkeling nieuw beroepsgericht keuzevak vmbo
  • 1. Het bevoegd gezag van een school voor vmbo kan, in samenwerking met een of meer instellingen voor educatie en beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen, een beroepsgericht keuzevak ontwikkelen.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad van de school op de hoogte van het voornemen tot ontwikkeling van een beroepsgericht keuzevak.

  • 3. Het bevoegd gezag meldt het voornemen tot ontwikkeling van een beroepsgericht keuzevak zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.

  • 4. Onze Minister brengt binnen zes weken na de melding schriftelijk advies uit over het voornemen.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de melding van het voornemen en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor deze melding.

Artikel 2.31. Procedure goedkeuring nieuw beroepsgericht keuzevak vmbo
  • 1. Onze Minister beslist over de goedkeuring van een beroepsgericht keuzevak.

  • 2. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot goedkeuring en laat zich daarbij adviseren door een onafhankelijke adviescommissie.

  • 3. Als Onze Minister een aanvraag inwilligt, neemt hij het nieuwe beroepsgerichte keuzevak uiterlijk met ingang van 1 augustus daaropvolgend op in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over beroepsgerichte keuzevakken, waaronder in elk geval over:

    • a. de aard en omvang van het beroepsgerichte keuzevak;

    • b. de opbouw van de leerstof, gedifferentieerd naar de verschillende leerwegen waarin het beroepsgerichte keuzevak kan worden aangeboden;

    • c. de mate waarin een nieuw beroepsgerichte keuzevak zich onderscheidt van bestaande beroepsgerichte keuzevakken.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de aanvraag tot goedkeuring van een beroepsgericht keuzevak en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor deze goedkeuring.

Paragraaf 4.5. Vrijstellingen en ontheffingen profielen vmbo
Artikel 2.32. Vrijstelling leerlingen profielen vmbo
  • 1. De leerling van een school voor mavo of vbo die in het bezit is van een diploma vmbo in een andere leerweg dan de leerweg van zijn inschrijving, en die met toepassing van de artikelen 2.18, 2.23 of 2.27 in plaats van een vak voor de leerweg waarin hij eindexamen heeft afgelegd, examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak voor een andere leerweg, voor havo of voor vwo, of als extra vak, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dat vak.

  • 2. Dit artikel is ook van toepassing op een leerling die in een hoger leerjaar voor de eerste maal in Nederland tot een school is toegelaten.

Artikel 2.33. Ontheffing leerlingen profielen vmbo
  • 1. Het bevoegd gezag kan een ontheffing als bedoeld in artikel 2.4, tweede of derde lid, verleend voor de eerste twee leerjaren van het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal ook aanmerken als ontheffing voor het volgen van onderwijs in die taal voor de periode waarin de leerling onderwijs in de theoretische, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg volgt. Deze ontheffing wordt verleend aan leerlingen die:

    • a. op grond van artikel 2.4, tweede lid, beschikken over een ontheffing en deze ontheffing wordt voortgezet;

    • b. in de periode van de eerste twee leerjaren onderwijs in Spaanse taal, Arabische taal of Turkse taal volgden; of

    • c. onderwijs gaan volgen in de basisberoepsgerichte leerweg en die in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar leerwegondersteunend onderwijs volgden.

  • 2. Bij een ontheffing op grond van het eerste lid wordt het onderwijs in de betrokken taal vervangen door het onderwijs in Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde.

  • 3. Dit artikel is ook van toepassing op een leerling die in een hoger leerjaar voor de eerste maal in Nederland tot een school is toegelaten.

Paragraaf 5. Stage beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg

Artikel 2.34. Stage vmbo

De stage, bedoeld in de artikelen 2.26, derde lid, en 2.27, derde lid, van de wet, maakt onderdeel uit van de profielvakken van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg of van de beroepsgerichte keuzevakken.

Artikel 2.35. Stageplan en stageplaatsen
  • 1. Het doel, de inhoud, de omvang, de opbouw en de organisatie van de stage worden beschreven in een stageplan.

  • 2. Een stage wordt doorlopen op een of meer stageplaatsen, die ter beschikking worden gesteld door een of meer stagebieders.

Artikel 2.36. Stageovereenkomst
  • 1. Het bevoegd gezag sluit met de ouders respectievelijk de leerling indien deze handelingsbekwaam is en de stagebieder een schriftelijke stageovereenkomst waaruit blijkt dat de leerling leeractiviteiten ontplooit in het kader van het stageplan.

  • 2. Het bevoegd gezag wijst op de school een stageleraar aan die belast is met het toezicht op de leerling gedurende de stage. De stagebieder wijst een stagebegeleider aan die bij hem werkzaam is en belast is met de begeleiding van de leerling.

  • 3. De stageovereenkomst omvat in elk geval:

    • a. de leeractiviteiten die de leerling bij de aangewezen stagebieder op een of meer specifieke stageplaatsen moet ontplooien;

    • b. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de leeractiviteiten;

    • c. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder waarin in elk geval wordt geregeld welk aandeel in de begeleiding door de stageleraar respectievelijk door de stagebegeleider wordt verzorgd;

    • d. de wijze waarop de stagebieder bij de beoordeling van de leeractiviteiten wordt betrokken;

    • e. een regeling die de inspectie in staat stelt toezicht te houden op de leeractiviteiten.

  • 4. De stageovereenkomst bepaalt ook:

    • a. wie de verzekering sluit tegen het financiële risico van ongevallen en tegen wettelijke aansprakelijkheid van de leerling voor de tijd dat deze zich bevindt bij de stagebieder; en

    • b. ten laste van wie de verzekeringspremie zal komen.

Artikel 2.37. Samenwerkingsovereenkomst stage

Het bevoegd gezag kan voor de leerlingen een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst met een of meer stagebieders sluiten waarin ook een of meer onderdelen van de stageovereenkomst, bedoeld in artikel 2.36, derde lid, worden opgenomen.

Paragraaf 6. Inrichting praktijkonderwijs

Artikel 2.38. Vakken praktijkonderwijs
  • 1. Praktijkonderwijs omvat ten minste onderwijs in:

    • a. Nederlandse taal;

    • b. rekenen/wiskunde;

    • c. informatiekunde;

    • d. lichamelijke opvoeding; en

    • e. aangelegenheden waarvan het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat deze van belang zijn voor het uitoefenen van functies binnen de regionale arbeidsmarkt.

  • 2. Het bevoegd gezag overlegt voor de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, met het college van burgemeester en wethouders dat daarbij de werkgevers betrekt die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt.

Artikel 2.39. Arbeidstraining in het praktijkonderwijs

De artikelen 2.34 tot en met 2.37 zijn van overeenkomstige toepassing op het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep aan een school voor praktijkonderwijs, voor zover dat onderwijs buiten die school plaatsvindt.

Paragraaf 7. Overige bepalingen inrichting onderwijs

Artikel 2.40. Betrekken instellingen of deskundigen bij vrije deel profielen
  • 1. Indien het bevoegd gezag bij de vaststelling van vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel van profielen in vwo, havo, mavo of vmbo instellingen of deskundigen van buiten de school betrekt, kan het onderwijs in die vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel, onverminderd de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het onderwijs aan de school, ook worden gegeven door die andere instellingen of deskundigen.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt als voorwaarde dat die instellingen of deskundigen voldoen aan de wettelijke regels die voor hen gelden of, indien deze regels ontbreken, aan de binnen de beroepsgroep algemeen erkende normen.

  • 3. De artikelen 7.3. en 7.11, eerste lid, van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op degenen die dit onderwijs geven, met dien verstande dat als getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, onderdeel a, geldt een kwalificatie die, gelet op het eerste en tweede lid, passend is.

  • 4. Het bevoegd gezag informeert de inspectie over de kwalificatie.

Artikel 2.41. Stageovereenkomst maatschappelijke stage vwo, havo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs
  • 1. Een stageovereenkomst voor een maatschappelijke stage als bedoeld in 2.32 van de wet omvat in elk geval:

    • a. de leerdoelen;

    • b. de activiteiten die de leerling moet ontplooien om de leerdoelen te bereiken;

    • c. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de activiteiten;

    • d. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder.

  • 2. Indien er geen externe stagebieder is, wordt de stageovereenkomst gesloten tussen het bevoegd gezag en ouders respectievelijk de leerling indien deze handelingsbekwaam is.

  • 3. Artikel 2.36, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de stageovereenkomst voor een maatschappelijke stage.

Paragraaf 8. Onderwijstijd, vakanties

Artikel 2.42. Dagen waarop geen onderwijs wordt gegeven
  • 1. Op de volgende dagen wordt geen onderwijs gegeven:

    • a. de zaterdag en de zondag, ingeval van een vijfdaagse schoolweek;

    • b. de zondag, ingeval van een zesdaagse schoolweek;

    • c. nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en de beide Kerstdagen; en

    • d. Koningsdag en Bevrijdingsdag.

  • 2. Het bevoegd gezag van een bijzondere school waar onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een godsdienst of levensovertuiging, kan in plaats van of naast de feestdagen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, andere dagen die verband houden met deze godsdienst of levensovertuiging aanwijzen als feestdagen waarop geen onderwijs wordt gegeven.

  • 3. Het bevoegd gezag wijst bij een zesdaagse schoolweek ten hoogste dertien extra dagen per schooljaar aan en bij een vijfdaagse schoolweek ten hoogste twaalf extra dagen per schooljaar aan waarop geen onderwijs wordt gegeven, waarvan ten hoogste zes dagen onmiddellijk aansluitend voor of na de zomervakantie die voor de school bij ministeriële regeling op grond van 2.39, vierde lid, van de wet is vastgesteld.

Artikel 2.43. Aantal dagen vakanties
  • 1. Het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste als vakantie wordt vastgesteld, bedraagt 66 bij een zesdaagse schoolweek en 55 bij een vijfdaagse schoolweek.

  • 2. Indien voor een school het aantal dagen vakanties dat bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.39, vierde lid, van de wet wordt vastgesteld lager is dan het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag voor het betrokken schooljaar extra dagen vakanties vaststellen, met dien verstande dat het totaal aantal dagen vakanties het aantal, bedoeld in het eerste lid, niet te boven gaat.

  • 3. Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek.

  • 4. Behalve als zij vallen binnen een vakantie vastgesteld bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.39, vierde lid, van de wet, of door het bevoegd gezag op grond van het tweede lid, worden de feestdagen, bedoeld in artikel 2.42 eerste lid, onderdelen c en d, en tweede lid, niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.44. Aantal klokuren onderwijs in de praktijk bij praktijkonderwijs

Het aantal klokuren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep, bedoeld in artikel 2.38, achtste lid, van de wet op een school voor praktijkonderwijs bedraagt gedurende de cursusduur gemiddeld ten hoogste 50% van het aantal uren waarin onderwijs wordt gegeven, met dien verstande dat voor leerlingen tot en met het schooljaar waarop zij de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt het aantal uren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep per schoolweek ten hoogste 80% bedraagt van het aantal uren waarin in die week onderwijs wordt gegeven.

Artikel 2.45. Meetellen onderwijstijd voortgezet speciaal onderwijs
  • 1. Onderwijstijd telt als klokuren als bedoeld in artikel 2.38 van de wet, indien tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of van een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een schriftelijke overeenkomst over de uitvoering daarvan is gesloten.

  • 2. De schriftelijke overeenkomst omvat in elk geval afspraken over:

    • a. de termijn waarvoor deze is aangegaan;

    • b. de vakken die de leerling volgt;

    • c. het aantal uren onderwijstijd per week per vak dat ten minste wordt aangeboden;

    • d. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling.

  • 3. Een leerling kan gedurende een termijn van ten hoogste drie maanden aaneengesloten het volledige onderwijsprogramma volgen op een school of instelling als bedoeld in het eerste lid. In dat geval omvat de overeenkomst in elk geval afspraken over:

    • a. de termijn waarvoor deze is aangegaan;

    • b. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling; en

    • c. het bedrag voor de personele en materiële kosten dat het bevoegd gezag van de school of scholengemeenschap waar de leerling is ingeschreven betaalt aan het bevoegd gezag van de school of van een instelling, bedoeld in het eerste lid, waarmee de overeenkomst wordt gesloten.

  • 4. Het derde lid, onderdeel c, is niet van toepassing op een overeenkomst met een school waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

  • 5. Indien voor de toepassing van artikel 2.40, eerste lid, van de wet, scholen, scholengemeenschappen of instellingen als bedoeld in het eerste lid binnen hetzelfde bevoegd gezag zijn betrokken, maakt dit bevoegd gezag afspraken met de directies van deze betrokken scholen, scholengemeenschappen of instellingen over de onderdelen, genoemd in het tweede, en, indien van toepassing, het derde lid.

Paragraaf 9. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

Artikel 2.46. Beoordelingscriteria samenwerkingsverband praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs
  • 1. Een samenwerkingsverband baseert zijn beslissing op een in artikel 2.30, vijfde lid, van de wet bedoelde aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling toelaatbaar is voor het praktijkonderwijs, of een in artikel 2.43, eerste lid, van de wet bedoelde aanvraag of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend op:

    • a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering, gebaseerd op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO of in artikel 43 WEC;

    • b. de leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpend lezen of inzichtelijk rekenen;

    • c. het intelligentiequotiënt van de leerling, uitdrukkende zijn cognitieve capaciteiten op basis van scores op verbaal en niet-verbaal gebied;

    • d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken over prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling in relatie tot de leerprestaties; en

    • e. voor een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs: de zienswijze van de ouders.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober screenings- of testinstrumenten vastgesteld voor de beoordeling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, alsmede regels voor het gebruik van die instrumenten. Bij de beslissing op de aanvraag controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag deze screenings- of testinstrumenten heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.

  • 3. De leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpelijk lezen en inzichtelijk rekenen is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:

    • a. DLE staat voor didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt;

    • b. DL staat voor didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 WPO of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 WEC.

  • 4. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe indien de leerling:

    • a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80; en

    • b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen gaat om inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen en deze leerachterstand ten minste 0,5 bedraagt.

  • 5. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe indien:

    • a. de leerling:

      • 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en

      • 2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of

    • b. de leerling:

      • 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120;

      • 2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en

      • 3°. een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.

  • 6. Een leerling die als het gaat om intelligentiequotiënt of leerachterstand voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die bovendien voldoet aan de vereisten voor het leerwegondersteunend onderwijs, kan toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 2.47. Criteria toelaatbaarheid praktijkonderwijs voor bijzondere groepen leerlingen
  • 1. De criteria, bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, onderdeel c, van de wet, voor de toelaatbaarheid van een leerling tot het praktijkonderwijs, zijn dat het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs naar het oordeel van het bevoegd gezag het beste aansluit bij de behoeften van de leerling, en dat die leerling:

    • a. vbo of mavo bezoekt en op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen, en:

      • 1°. scores heeft op de criteria, bedoeld in artikel 2.46, in het grensvlak van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs;

      • 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek heeft nadat de beslissing is genomen dat de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen; of

      • 3°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek heeft dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs; of

    • b. beschikt over een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van een samenwerkingsverband of een ontwikkelingsperspectief, en:

      • 1°. voldoet aan het intelligentiequotiëntcriterium of leerachterstandscriterium voor toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 2.46, vierde lid, zoals blijkt uit gegevens die gebaseerd zijn op screenings- of testinstrumenten als bedoeld in artikel 2.46, tweede lid; of

      • 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht de intelligentiequotiënt of de leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs geboden is.

  • 2. Het samenwerkingsverband baseert de beslissing over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs uitsluitend op de volgende, bij de aanvraag gevoegde, gegevens:

    • a. een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, een kopie van de toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een kopie van het ontwikkelingsperspectief;

    • b. de schriftelijke zienswijze en instemming van de ouders;

    • c. een motivering van het bevoegd gezag waaruit blijkt dat de leerling voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid; en

    • d. een leerling-dossier dat in elk geval omvat:

      • 1°. het ontwikkelingsperspectief of het onderwijskundig rapport over de leerling, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO en artikel 43 WEC;

      • 2°. een beschrijving van de activiteiten van het verwijzende bevoegd gezag in het kader van de begeleiding van de leerling, en van de resultaten van die activiteiten;

      • 3°. een document waaruit blijkt welke externe deskundigen voor advies of hulp zijn ingeschakeld bij de begeleiding van de leerling;

      • 4°. een beschrijving van de risico’s die zich naar verwachting zullen voordoen indien de leerling vbo, mavo, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs blijft volgen; en

      • 5°. mogelijk relevante test- en toetsgegevens.

Artikel 2.48. Mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure en duur beoordeling en bekostiging (leerwegondersteunend onderwijs)
  • 1. Indien een samenwerkingsverband regels stelt als bedoeld in artikel 2.48, eerste lid, onderdeel b, van de wet, over de duur van de beoordeling voor het aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs, heeft de beslissing van het samenwerkingsverband over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs betrekking op een periode van een of meer schooljaren. Indien de beslissing wordt genomen in de loop van een schooljaar, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan deze periode.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitoefening van de in artikel 2.48, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde bevoegdheden van een samenwerkingsverband.

Artikel 2.49. Inhoud ontwikkelingsperspectief praktijkonderwijs of extra ondersteuning
  • 1. Het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in artikel 2.44 van de wet, van een leerling die praktijkonderwijs volgt of extra ondersteuning nodig heeft, bevat ten minste informatie over het vervolgonderwijs dat wordt verwacht en de onderbouwing daarvan. Voor een leerling die praktijkonderwijs volgt heeft de informatie ook betrekking op de soort arbeid waarvan uitstroom van de leerling wordt verwacht, en de onderbouwing daarvan.

  • 2. De onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.

Artikel 2.50. Orthopedagogisch-didactische centra
  • 1. Een leerling die is of wordt ingeschreven bij een school, kan gedurende ten hoogste twee jaar het onderwijsprogramma of een gedeelte daarvan volgen bij een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 2.47, twaalfde lid van de wet.

  • 2. Het onderwijs van leerlingen die langer dan drie maanden een programma volgen bij het orthopedagogisch-didactisch centrum, wordt gegeven door leraren die daartoe bevoegd zijn.

  • 3. Indien een samenwerkingsverband een orthopedagogisch-didactisch centrum heeft ingericht, wordt dat vermeld in het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 2.47, negende lid, van de wet.

Artikel 2.51. Deskundigen samenwerkingsverband
  • 1. De deskundigen, bedoeld in artikel 2.47, veertiende lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en, afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd, ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.

  • 2. Indien het samenwerkingsverband beslist dat een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de tweede deskundige ook een deskundige op het terrein van vbo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs zijn.

Paragraaf 10. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs

Artikel 2.52. Wijze van beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs
  • 1. De inspectie hanteert de volgende indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten van het voortgezet onderwijs:

    • a. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaar;

    • b. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren;

    • c. het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, WPO, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en

    • d. het gemiddelde cijfer van het centraal examen.

  • 2. De indicatoren worden onderscheiden naar de schoolsoorten en leerwegen, genoemd in artikel 2.94, eerste lid, van de wet.

  • 3. Bij de bepaling van de leerresultaten, bedoeld in het eerste lid, kan rekening worden gehouden met groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat in elk geval rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische situatie van de leerlingen.

  • 4. De scores waarop het oordeel over de indicatoren wordt gebaseerd, kunnen wegens bijzondere omstandigheden worden gecorrigeerd.

Artikel 2.53. Ministeriële regeling berekening indicatoren, benodigde gegevens en oordeel over leerresultaten onderwijs
  • 1. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de berekening van de indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten, waaronder begrepen de toe te passen correcties, bedoeld in artikel 2.52, derde en vierde lid.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    • a. de aard en de aantallen gegevens over de leerresultaten die ten minste nodig zijn voor de toepassing van de indicatoren;

    • b. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende of onvoldoende onderwijsresultaat baseert, na toepassing van de indicatoren;

    • c. de wijze waarop per schoolsoort of leerweg de beoordelingen, gebaseerd op de afzonderlijke indicatoren, leiden tot een oordeel over de leerresultaten van die schoolsoort respectievelijk leerweg.

Artikel 2.54. Procedure vaststelling en wijziging indicatoren
  • 1. Indien recente ontwikkelingen, een eigen analyse of signalen uit het veld daartoe aanleiding geven, kan de inspecteur-generaal van het onderwijs Onze Minister een voorstel doen voor het vaststellen van een nieuwe indicator voor de beoordeling van de leerresultaten of het aanpassen van een indicator.

  • 2. Over een voornemen tot een voorstel als bedoeld in het eerste lid overlegt de inspecteur-generaal met de daarvoor in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld.

  • 3. De inspecteur-generaal legt het voorstel voor aan Onze Minister met vermelding van de wijze waarop het voorstel rekening houdt met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld.

  • 4. Onze Minister beslist op basis van het voorstel of een voorstel van wet of ontwerp algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid.

  • 5. De wijze van meting en de aanpassing van de wijze van meting in het kader van toepassing van de indicatoren, alsmede de normering en de aanpassing van de normering, stelt Onze Minister vast op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs.

Paragraaf 11. Monitor veiligheid op school

Artikel 2.55. Monitor veiligheid op school

Het instrument ter monitoring van de veiligheid van leerlingen, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onderdeel b, van de wet:

  • a. geeft inzicht in de ervaren en feitelijke veiligheid en het welbevinden van de leerlingen, voor zover dat verband houdt met de veiligheid, op school;

  • b. wordt ten minste eens per schooljaar afgenomen onder een representatief deel van de leerlingen; en

  • c. is gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar.

Paragraaf 12. Onderwijskundige verbanden en samenwerking

Paragraaf 12.1. Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs
Artikel 2.56. Inhoud samenwerkingsovereenkomst voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100 van de wet omvat in elk geval:

  • a. het doel van de samenwerking;

  • b. de doelgroep;

  • c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt;

  • d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven;

  • e. bij overdracht van een deel van de bekostiging met toepassing van artikel 5.39, zevende lid, van de wet, de omvang en de bestemming van de over te dragen middelen;

  • f. de wijze waarop de school geregeld contact onderhoudt met de leerlingen die aan die school zijn ingeschreven; en

  • g. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst.

Artikel 2.57. Voorwaarden om onderwijs te ontvangen op een andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs
  • 1. De volgende leerlingen kunnen op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet in de gelegenheid worden gesteld in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, ook onderwijs te ontvangen aan een school van een ander bevoegd gezag of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs:

    • a. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel a, van de wet: leerlingen in het derde of het vierde leerjaar vbo of mavo die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder gerichte ondersteuning een vergrote kans lopen om het onderwijs te verlaten zonder ten minste een diploma van een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES;

    • b. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel b, van de wet: leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om vervolgonderwijs met goed gevolg te volgen door extra verrijking, verdieping en oriëntatie naast hun reguliere opleiding, of door onderdelen van beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2 WEB of artikel 7.2.2 WEB BES of opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1 WEB of artikel 7.3.1 WEB BES te volgen, naast hun reguliere opleiding in het voortgezet onderwijs; en

    • c. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel c, van de wet: iedere leerling.

  • 2. Een leerling als bedoeld in het eerste lid volgt voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren van het onderwijsprogramma lessen of stages aan de andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 2.58. Voorwaarden voor scholen voor samenwerking voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Bij een samenwerking op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet met een andere school wordt ten minste een deel van het onderwijs in de bovenbouw op de eigen school gegeven, met dien verstande dat:

  • a. als het gaat om een school voor vwo of een school voor havo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de wet;

  • b. als het gaat om een school voor mavo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de wet;

  • c. als het gaat om een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, van de wet;

  • d. als het gaat om onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor mavo of aan een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.27, tweede lid van de wet.

Artikel 2.59. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene deel te kunnen nemen aan een opleiding vavo
  • 1. Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo en die opleiding met een examen afsluiten.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen van achttien jaar of ouder die ononderbroken in het voortgezet onderwijs of daarmee op grond van de LPW of de LPW BES gelijkgesteld onderwijs ingeschreven zijn geweest, voor ten hoogste de periode van de resterende cursusduur van de opleiding waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, vermeerderd met een jaar.

Artikel 2.60. Leerling geldt voor toepassing medezeggenschap ook als WEB-student

Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.56 en 2.58 gelden voor de toepassing van hoofdstuk 8a WEB voor het onderwijs dat zij volgen aan een instelling ook als student als bedoeld in de WEB.

Artikel 2.61. Onderwijs door docenten instelling

In afwijking van artikel 7.9, eerste lid, van de wet kan in geval van samenwerking het onderwijs bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs ook worden gegeven door docenten van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs waarmee het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.100 van de wet.

Paragraaf 12.2. Entreeopleiding in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo
Artikel 2.62. Voorwaarden entreeopleiding aan leerlingen jonger dan zestien jaar

Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan leerlingen jonger dan zestien jaar op grond van artikel 2.102, eerste lid, van de wet de gelegenheid geven om een entreeopleiding te volgen, indien:

  • a. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, alleen het verrichten van lichte arbeid van geschikte aard omvat;

  • b. in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg geheel of gedeeltelijk zowel binnenschools als buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep wordt verzorgd;

  • c. een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider de voortgang van het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van het beroep bewaakt; en

  • d. het binnenschools en buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep geïntegreerd worden verzorgd.

Artikel 2.63. Inhoud samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo
  • 1. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.102, vijfde lid, van de wet voor het verzorgen van een entreeopleiding omvat in elk geval afspraken over:

    • a. de entreeopleiding die geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg zal worden verzorgd;

    • b. de inschrijving van leerlingen als extraneus bij de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;

    • c. de examinering en diplomering door de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;

    • d. de invulling van de betrokkenheid van het bevoegd gezag bij de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, met dien verstande dat het bevoegd gezag de overeenkomst, bedoeld in artikel 7.2.9 WEB of artikel 7.2.9 WEB BES, ook ondertekent;

    • e. de toepassing van artikel 2.102, tweede lid, van de wet;

    • f. de rechtsbescherming van de leerling; en

    • g. de doorstroom van de leerlingen na het met goed gevolg afsluiten van de entreeopleiding.

  • 2. Indien het bevoegd gezag ook het bevoegd gezag is van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.

Paragraaf 12.3. Leer-werktrajecten als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg
Artikel 2.64. Kwaliteitseisen leerbedrijven leer-werktraject vmbo
  • 1. Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet zijn bevoegd bedrijven en organisaties die voldoen aan de volgende voorschriften:

    • a. op de leer-werkplek of combinatie van leerwerkplekken kunnen de door het bevoegd gezag vastgestelde praktijkopdrachten daadwerkelijk worden uitgevoerd;

    • b. elke praktijkopdracht kan in een bedrijf of organisatie worden uitgevoerd;

    • c. in het bedrijf of de organisatie is een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester aanwezig, die in staat is om kennis, inzicht en vaardigheden van de leerling en de vorderingen daarin te beoordelen, en de leerling zowel werkinhoudelijk als pedagogisch-didactisch te begeleiden;

    • d. het bedrijf of de organisatie is bereid met de mentor of docentbegeleider, bedoeld in het tweede lid, contact te onderhouden;

    • e. de leerling kan zonder grote overgangsdrempels binnen hetzelfde bedrijf of dezelfde organisatie, dezelfde moederorganisatie of dezelfde branche, de leerdoelen van het vmbo en de eindtermen van de entreeopleiding of basisberoepsopleiding, bedoeld in de WEB behalen;

    • f. het bedrijf of de organisatie waarborgt dat een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester is gekoppeld aan een leerling, en dat deze leermeester er zorg voor draagt dat de leerling voldoende hulp en tijd krijgt om de praktijkopdrachten uit te voeren;

    • g. het productie- of dienstverleningsproces is technisch en organisatorisch voldoende gevarieerd en kan leerlingen goed praktijkmateriaal bieden en hen gedegen opleiden;

    • h. de leer-werkplek past binnen de dagelijkse bedrijfsvoering;

    • i. het bedrijf of de organisatie is bereid de leerling de vereiste praktijkopdrachten uit te laten voeren en het werk en het stageverslag te bespreken en te beoordelen;

    • j. het bedrijf of de organisatie is geschikt voor de betrokken leeftijdsgroep waar het gaat om onder meer ruimte om te leren of fouten te maken, erkenning van jong zijn;

    • k. het bedrijf of de organisatie respecteert, voor zover van toepassing, het multiculturele karakter van de leerlingenpopulatie.

  • 2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor beschikbaarheid van een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider die de voortgang op de leer-werkplek en ook de integratie tussen het binnenschools en buitenschools programma bewaakt.

Artikel 2.65. Leer-werkovereenkomst vmbo

Een leer-werkovereenkomst als bedoeld in artikel 2.103, zesde lid, van de wet regelt de rechten en plichten van partijen en omvat ten minste afspraken over:

  • a. inhoud, leerdoelen, duur, periode van en beoordelingsmaatstaven voor het buitenschoolse praktijkgedeelte;

  • b. de begeleiding van de leerling; en

  • c. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden beëindigd.

Paragraaf 12.4. Samenwerking voor examenbevoegdheid aangewezen onbekostigde scholen en onbekostigd vavo
Artikel 2.66. Voorwaarden deelname leerling aangewezen onbekostigde school aan een onbekostigde vavo-instelling

Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag van een aangewezen school als bedoeld in de artikel 2.66 van de wet een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.109, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.109, eerste lid, van de wet en die opleiding met een examen afsluiten.

Artikel 2.67. Samenwerkingsovereenkomst aangewezen onbekostigde school met onbekostigde vavo-instelling

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.109 van de wet omvat in elk geval:

  • a. het doel van de samenwerking;

  • b. de doelgroep;

  • c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt;

  • d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven; en

  • e. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst.

Paragraaf 13. Beleidsinhoudelijke informatie

Artikel 2.68. Beschrijving van gegevens voor het beleid van Onze Minister
  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, waarover een bevoegd gezag of een samenwerkingsverband beschikt voor het beleid van Onze Minister, worden gedefinieerd en geordend volgens de regels vermeld in bijlage 2.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.

Artikel 2.69. Verzoek om beschikbaarstelling gegevens

Onze Minister kan bij een verzoek om beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, bij hem bekende gegevens opnemen.

Artikel 2.70. Gebruik burgerservicenummer door bevoegd gezag

Bij de gegevensverstrekking op grond van artikel 2.111 van de wet maakt het bevoegd gezag gebruik van het burgerservicenummer van een lid van het personeel of gewezen personeel van de school.

HOOFDSTUK 3. EINDEXAMEN

Paragraaf 1. Inhoud van het eindexamen

Artikel 3.1. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vwo (atheneum)
  • 1. Het eindexamen vwo (atheneum) omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, eerste lid;

    • b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en

    • c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uren van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (atheneum) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.

  • 3. Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (atheneum) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.

Artikel 3.2. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vwo (gymnasium)
  • 1. Het eindexamen vwo (gymnasium) omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, tweede lid;

    • b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en

    • c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uur van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (gymnasium) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.

  • 3. Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (gymnasium) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.

Artikel 3.3. Vakken en profielwerkstuk eindexamen havo
  • 1. Het eindexamen havo omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.10;

    • b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.11; en

    • c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 320 uur van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.12, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.

  • 2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.13 op het niveau van vwo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.

  • 4. Het profielwerkstuk van het eindexamen havo heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 320 uur of meer.

Artikel 3.4. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vmbo theoretische leerweg
  • 1. Het eindexamen vmbo theoretische leerweg omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.15;

    • b. de twee vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.16; en

    • c. in het vrije deel twee nog niet in het profieldeel gekozen vakken, genoemd in artikel 2.17, onderdelen a, b, of d, met dien verstande dat het profieldeel en het vrije deel samen ten minste twee vakken omvatten die geen moderne vreemde taal zijn.

  • 2. Indien de examenkandidaat in het vrije deel twee kunstvakken kiest, wordt een kunstvak gekozen uit de vakken behorende tot de beeldende vorming en een kunstvak uit de vakken muziek, dans en drama.

  • 3. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.18 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het vierde lid gekozen wordt.

  • 4. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

    • a. een vak als bedoeld in artikel 2.17, onderdelen a en b, dat behoort tot het vrije deel van de theoretische leerweg;

    • b. een vak dat behoort tot het eindexamen vmbo gemengde leerweg; of

    • c. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.

  • 5. Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo theoretische leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.

Artikel 3.5. Vakken eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg
  • 1. Het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20,

    • b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en

    • c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:

      • 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid; en

      • 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.

  • 2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, omvatten op het niveau van vwo, havo, vmbo theoretische leerweg of vmbo kaderberoepsgerichte leerweg, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

    • a. een algemeen vak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak;

    • b. het vak Friese taal en cultuur;

    • c. een vak als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de basisberoepsgerichte leerweg;

    • d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg; of

    • e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.

  • 4. Bij een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet, omvat het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg in elk geval:

    • a. het vak Nederlandse taal;

    • b. het beroepsgerichte programma, bedoeld in artikel 2.103, vierde lid, van de wet, dat onderdeel is van het leer-werktraject.

  • 5. Bij een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat ook omvatten een of meer andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.103, vierde lid, van de wet heeft beslist dat zij behoren tot het leer-werktraject van die leerling.

Artikel 3.6. Vakken eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg
  • 1. Het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20;

    • b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en

    • c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:

      • 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van het profieldeel; en

      • 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.

  • 2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23 op het niveau van vwo, havo of vmbo theoretische leerweg omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

    • a. een algemeen vak van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak;

    • b. het vak Friese taal en cultuur;

    • c. een vak als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de kaderberoepsgerichte leerweg,

    • d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg of vmbo gemengde leerweg; of

    • e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.

Artikel 3.7. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vmbo gemengde leerweg
  • 1. Het eindexamen vmbo gemengde leerweg omvat in elk geval:

    • a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elke profiel, genoemd in artikel 2.24;

    • b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.25, tweede lid;

    • c. in het vrije deel van het profiel een nog niet in het profieldeel gekozen algemeen vak, genoemd in artikel 2.25, tweede lid, of artikel 2.26, onderdeel b;

    • d. een beroepsgericht programma, bestaande uit:

      • 1°. het profielvak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid; en

      • 2°. in het vrije deel twee beroepsgerichte keuzevakken.

  • 2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.27 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.

  • 3. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:

    • a. een vak als bedoeld in artikel 2.26, onderdelen a, b of c;

    • b. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.

  • 4. Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo gemengde leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.

Artikel 3.8. Vrijstellingen vakken eindexamen vwo, havo en vmbo
  • 1. De examenkandidaat is bij het eindexamen vrijgesteld van het vak waarvoor:

    • a. een vrijstelling geldt van het volgen van onderwijs op grond van de artikelen 2.8, 2.14 of 2.32; of

    • b. een ontheffing is verleend voor het volgen van onderwijs op grond van artikel 2.33, vierde lid, van de wet of de artikelen 2.9 of 2.33.

  • 2. In geval van een ontheffing in vwo (atheneum) voor het volgen van onderwijs in een tweede moderne vreemde taal op grond van artikel 2.9, eerste lid, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

  • 3. In geval van een ontheffing in vmbo op grond van artikel 2.33, eerste lid, voor het volgen van onderwijs in Franse of Duitse taal, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Artikel 3.9. Minimumeis overeenstemming eindexamenvakken met schoolsoort of leerweg van inschrijving

Indien het eindexamen een of meer vakken omvat van een andere schoolsoort of leerweg dan die waarvoor de examenkandidaat als leerling is ingeschreven, behoort ten minste een vak van de schoolsoort of leerweg van inschrijving tot de voorgeschreven eindexamenvakken.

Artikel 3.10. Maatschappelijke stage vwo, havo en vmbo
  • 1. Het eindexamen vwo, havo en vmbo kan ook een maatschappelijke stage als bedoeld in artikel 2.32 van de wet omvatten.

  • 2. De maatschappelijke stage als onderdeel van het eindexamen duurt ten minste 30 uur.

Paragraaf 2. Het schoolexamen

Artikel 3.11. Examendossier
  • 1. Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm.

  • 2. Het examendossier voor het vmbo theoretische leerweg en gemengde leerweg omvat ook de resultaten die de leerling heeft behaald voor de vakken, bedoeld in artikel 2.19 onderscheidenlijk artikel 2.28, als in die vakken geen eindexamen is afgelegd.

Artikel 3.12. Tijdstip afsluiting schoolexamen in bijzondere gevallen
  • 1. In de gevallen, bedoeld in artikel 3.17, wordt het schoolexamen in het vak waarop dit schoolexamen betrekking heeft, afgesloten tien werkdagen voor de afname van het centraal examen in dat vak.

  • 2. Indien het centraal examen overeenkomstig artikel 2.56, vierde lid, van de wet wordt afgesloten in het voorlaatste leerjaar of het daaraan voorafgaande leerjaar, wordt het schoolexamen in dat vak of die vakken afgesloten voordat in dat leerjaar het centraal examen in dat vak of die vakken aanvangt.

Artikel 3.13. Beoordeling schoolexamen
  • 1. Het cijfer van het schoolexamen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.

  • 2. Indien in een vak geen centraal examen wordt afgelegd, wordt het cijfer van het schoolexamen uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 10, zonder decimaal.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt in alle schoolsoorten het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel en in het vmbo de kunstvakken beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».

  • 4. De beoordeling van het vak lichamelijke opvoeding en de kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming gaat uit van de prestaties van de leerling binnen zijn mogelijkheden, zoals blijkend uit het examendossier.

Artikel 3.14. Beoordeling profielwerkstuk in het vmbo
  • 1. In afwijking van artikel 3.13, eerste lid, wordt het profielwerkstuk in het vmbo beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».

  • 2. De beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo vindt plaats op de grondslag van het voldoende voltooien van het profielwerkstuk, zoals blijkend uit het examendossier.

  • 3. Het profielwerkstuk in het vmbo wordt beoordeeld door ten minste twee examinatoren.

Artikel 3.15. Verstrekking beoordeling schoolexamen
  • 1. Voor de aanvang van het centraal examen verstrekt de rector of directeur aan de examenkandidaat:

    • a. het cijfer of de cijfers voor het schoolexamen;

    • b. de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld;

    • c. de beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo; en

    • d. een overzicht van de behaalde resultaten van alle onderdelen in het examendossier, bedoeld in artikel 3.11.

  • 2. De rector of directeur en de examensecretaris tekenen voor de verstrekking van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.

  • 3. De examenkandidaat tekent voor ontvangst van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.

Artikel 3.16. Herexamen schoolexamen vmbo zonder centraal examen
  • 1. De examenkandidaat die eindexamen vmbo aflegt kan het schoolexamen maatschappijleer behorend tot het gemeenschappelijk deel van de leerwegen opnieuw afleggen, indien hij voor dat vak een eindcijfer heeft behaald lager dan 6.

  • 2. Het bevoegd gezag van een school voor mavo of vbo kan bepalen dat een examenkandidaat voor een of meer andere vakken dan maatschappijleer het schoolexamen waarin geen centraal examen wordt afgenomen, opnieuw kan afleggen.

  • 3. Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.

  • 4. Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het herexamen wordt bepaald.

  • 5. Het hoogste cijfer voor een vak, behaald bij het schoolexamen of het herexamen, is het definitieve cijfer van het schoolexamen in dat vak.

Paragraaf 3. Het centraal examen

Artikel 3.17. Afwijkend tijdstip centraal examen
  • 1. Het college kan bepalen dat een centraal examen in een vak wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak.

  • 2. Het college kan voor een centraal examen in een vak een afnameperiode instellen waarbinnen het bevoegd gezag zelf de afnametijdstippen bepaalt. Deze afnameperiode vangt niet eerder aan dan op 1 april van dat examenjaar en omvat het eerste en tweede tijdvak van dat examenjaar.

Artikel 3.18. Opgave aantal examenkandidaten centraal examen

De rector of directeur deelt jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister mee hoeveel examenkandidaten per vak aan het centraal examen in het eerste tijdvak zullen deelnemen.

Artikel 3.19. De opgaven voor het centraal examen
  • 1. Onze Minister draagt er zorg voor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens, tijdig beschikbaar worden gesteld aan de rector of directeur van de school.

  • 2. De rector of directeur draagt er zorg voor, dat de opgaven voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets waarvoor deze opgaven dienen.

  • 3. Het college kan opgaven aanwijzen waarop het tweede lid niet van toepassing is.

Artikel 3.20. Afname centraal examen
  • 1. De rector of directeur draagt zorg voor het nodige toezicht bij het centraal examen.

  • 2. Tijdens het centraal examen worden aan de examenkandidaten geen mededelingen van welke aard ook over de opgaven gedaan, uitgezonderd mededelingen van het college.

  • 3. Zij die toezicht hebben gehouden, maken een proces-verbaal op. Zij leveren dit in bij de rector of directeur samen met het gemaakte examenwerk.

  • 4. Een examenkandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang tot een toets toegelaten.

  • 5. De aan de examenkandidaten voorgelegde opgaven blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.

  • 6. Het college kan regels stellen voor de uitvoering van een toets van het centraal examen.

Artikel 3.21. Beoordeling centraal examen door examinator
  • 1. De rector of directeur doet aan de examinator in een vak toekomen:

    • a. het gemaakte werk van het centraal examen;

    • b. een exemplaar van de opgaven;

    • c. de beoordelingsnormen; en

    • d. het proces-verbaal van het examen.

  • 2. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens toe.

  • 3. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.

  • 4. De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de rector of directeur.

  • 5. Bij digitale examinering met gebruikmaking van de daartoe door het college beschikbaar gestelde programmatuur worden de handelingen, bedoeld in dit artikel, digitaal verricht, uitgezonderd de handelingen die betrekking hebben op het proces-verbaal.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de beoordeling van het centraal examen door de examinator.

Artikel 3.22. Koppeling door Minister van scholen voor tweede correctie
  • 1. Onze Minister maakt een koppeling van scholen en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor de uitvoering van de tweede correctie door gecommitteerden als bedoeld in artikel 2.56, zesde lid, van de wet.

  • 2. Onze Minister maakt de koppeling bekend aan het bevoegd gezag van elke school of elke instelling voor educatie en beroepsonderwijs en kan, zo nodig, zelf een gecommitteerde aanwijzen voor een school of instelling.

Artikel 3.23. Aanwijzing gecommitteerden door bevoegd gezag
  • 1. Het bevoegd gezag wijst op grond van de koppeling, bedoeld in artikel 3.22, een of meer gecommitteerden aan.

  • 2. Het bevoegd gezag maakt de gecommitteerden, bedoeld in het eerste lid, bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten. Zij blijven als gecommitteerde aangewezen tot na de afloop van de herkansing.

  • 3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de aangewezen gecommitteerde zijn verplichtingen nakomt.

  • 4. Voor het cspe van het centraal examen vmbo wordt geen gecommitteerde aangewezen.

Artikel 3.24. Beoordeling centraal examen door gecommitteerde
  • 1. De rector of directeur, bedoeld in artikel 3.21, doet onverwijld na de beoordeling door de examinator aan de rector of directeur van de gecommitteerde toekomen:

    • a. het door de examinator beoordeelde werk van het centraal examen;

    • b. een exemplaar van de opgaven;

    • c. de beoordelingsnormen;

    • d. het proces-verbaal van het examen; en

    • e. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in artikel 3.21, derde lid.

  • 2. De rector of directeur van de gecommitteerde doet de documenten, bedoeld in het eerste lid, toekomen aan de gecommitteerde.

  • 3. Artikel 3.21, tweede, derde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling door de gecommitteerde.

  • 4. De gecommitteerde voegt bij het gecorrigeerde werk een verklaring over de verrichte correctie. Deze verklaring is medeondertekend door het bevoegd gezag van de school waar de gecommitteerde werkzaam is.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 3.25. Vaststelling score en cijfer centraal examen
  • 1. De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast.

  • 2. Indien de examinator en de gecommitteerde niet tot overeenstemming over de score komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Het bevoegd gezag van de gecommitteerde kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator.

  • 3. Indien het geschil niet kan worden beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan een onafhankelijke corrector aanwijzen. De beoordeling van deze corrector komt in de plaats van de eerdere beoordelingen.

  • 4. De rector of directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast op grond van de score, bedoeld in het eerste lid, of de beoordeling, bedoeld in het derde lid, en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens.

Artikel 3.26. Beoordeling centraal examen cspe vmbo door examinator
  • 1. De rector of directeur draagt er zorg voor dat bij het maken van het cspe van een eindexamen vmbo een examinator in het vak of programma aanwezig is.

  • 2. De examinator beoordeelt de prestaties van de examenkandidaat tijdens het maken van de opgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de examenkandidaat schriftelijk vast, volgens daartoe door het college gegeven richtlijnen.

  • 3. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.

  • 4. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.

  • 5. De examinator doet de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk toekomen aan de rector of directeur.

Artikel 3.27. Beoordeling centraal examen cspe vmbo door tweede examinator
  • 1. Voor het cspe van het eindexamen vmbo vindt de beoordeling ook plaats door een tweede examinator als bedoeld in artikel 3.26, tweede lid. De tweede examinator kan een deskundige als bedoeld in artikel 2.51, vierde lid, van de wet of een examinator van de school zijn.

  • 2. De tweede examinator beoordeelt het resultaat van de opgaven en de verrichtingen van de examenkandidaat zoals blijkend uit de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 3.26, tweede lid.

  • 3. De rector of directeur overhandigt aan de tweede examinator:

    • a. een exemplaar van de opgaven;

    • b. de beoordelingsnormen;

    • c. het proces-verbaal; en

    • d. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Artikel 3.21, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.28. Afname centraal examen in tweede tijdvak door college wegens gering aantal examenkandidaten

Het college kan vakken aanwijzen waarin wegens het zeer geringe aantal examenkandidaten, het centraal examen in het tweede tijdvak door dit college wordt afgenomen.

Artikel 3.29. Centraal examen bij verhindering in eerste of tweede tijdvak
  • 1. Indien een examenkandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, is verhinderd bij het centraal examen van een of meer vakken in het eerste tijdvak aanwezig te zijn, krijgt in het tweede tijdvak de gelegenheid het centraal examen alsnog te voltooien. De examenkandidaat maakt in dat geval maximaal twee toetsen per dag.

  • 2. Indien een examenkandidaat ook in het tweede tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, verhinderd is, of als hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van het college zijn eindexamen te voltooien.

  • 3. Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 3.17, tweede lid, zelf de afnametijdstippen van een centraal examen bepaalt, kan de rector of directeur een examenkandidaat de gelegenheid geven om binnen de afnameperiode die het college daarvoor heeft ingesteld, alsnog het centraal examen te voltooien, waarvoor hij eerder was verhinderd.

Artikel 3.30. Procedure afnemen centraal examen door college in tweede en derde tijdvak
  • 1. Indien een examenkandidaat gebruik wil maken van de gelegenheid, bedoeld in artikel 3.29, tweede lid, meldt hij dit zo spoedig mogelijk aan de rector of directeur.

  • 2. De rector of directeur deelt voorafgaande aan het tweede of het derde tijdvak aan het college mee welke examenkandidaten het centraal examen in deze tijdvakken ten overstaan van het college zullen afleggen en in welke vakken.

  • 3. Indien voor een examenkandidaat toepassing is gegeven aan de artikelen 3.54 of 3.55, deelt de rector of directeur dit mee aan het college, onder vermelding van de toepassing.

  • 4. De examenkandidaat levert de opgaven, de door hem gemaakte aantekeningen en andere door hem gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het college bepaalt in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin en in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de examenkandidaat worden teruggegeven.

  • 5. Het college deelt het door de examenkandidaat behaalde cijfer voor het centraal examen aan de rector of directeur mee.

  • 6. Indien sprake is van een centraal eindexamen met geheime opgaven, kan de examenkandidaat over zijn werk gedurende een periode van zes maanden na de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, inlichtingen inwinnen bij het college.

Artikel 3.31. Bewaren werk centraal examen
  • 1. Het bevoegd gezag bewaart het gemaakte werk van het centraal examen van de examenkandidaat gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag, ter inzage voor belanghebbenden.

  • 2. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van de school.

Paragraaf 4. De uitslag van het eindexamen en herkansing centraal examen

Artikel 3.32. Eindcijfer vakken eindexamen
  • 1. Het eindcijfer voor vakken van het eindexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks 1 tot en met 10.

  • 2. De rector of directeur bepaalt het eindcijfer op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het schoolexamen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van de berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 3. Indien in een vak alleen een schoolexamen is afgenomen en niet ook een centraal examen, is het cijfer voor het schoolexamen ook het eindcijfer.

Artikel 3.33. Vaststelling uitslag eindexamen
  • 1. De rector of directeur stelt voor de vaststelling van de uitslag van het eindexamen vast of de examenkandidaat het eindexamen heeft afgelegd in de voor het eindexamen voorgeschreven vakken, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.7.

  • 2. De examenkandidaat toont in voorkomend geval ten genoegen van de rector of directeur aan dat hij recht heeft op een vrijstelling op grond van artikel 3.8.

  • 3. Indien dat nodig is om de examenkandidaat te laten slagen betrekken de rector of directeur en de examensecretaris een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De overgebleven vakken dienen een eindexamen te vormen.

  • 4. Indien de examenkandidaat eindexamen heeft afgelegd en in datzelfde jaar deelstaatsexamen heeft afgelegd of eindexamen in een of meer vakken aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, betrekken de rector of directeur en de examensecretaris de met het deelstaatsexamen respectievelijk dat eindexamen behaalde cijfers, indien de examenkandidaat daarom tijdig en schriftelijk heeft verzocht, bij de uitslagbepaling.

Artikel 3.34. Uitslag eindexamen vwo en havo
  • 1. De examenkandidaat die eindexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd indien:

    • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;

    • b. hij voor één van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald en hij voor het andere vak of andere hier genoemde vakken als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

    • c. hij onverminderd onderdeel b:

      • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

      • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;

      • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of

      • 4°. voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;

    • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en

    • e. hij voor het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.

  • 2. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, wordt het gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen aangemerkt als het eindcijfer van een vak, voor zover voor deze onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming en het profielwerkstuk. Het bevoegd gezag kan daaraan toevoegen:

    • a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne talen, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van het schoolexamen van die taal en literatuur;

    • b. algemene natuurwetenschappen in vwo en havo;

    • c. bij bijzondere scholen: godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag hiertoe niet besluit, godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs geen onderdeel is van het eindexamen, tenzij Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend met toepassing van artikel 3.1, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.3, eerste lid, onderdeel c.

  • 3. Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het tweede lid, tweede volzin, wordt in het examenreglement vermeld welk onderdeel of welke onderdelen zijn toegevoegd voor de bepaling van het eindcijfer, bedoeld in dat lid.

  • 4. De rector of directeur bepaalt het eindcijfer, bedoeld in het tweede lid, als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 5. Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de rector of directeur deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38. Indien de examenkandidaat geen herexamen doet is deze uitslag de definitieve uitslag.

Artikel 3.35. Uitslag eindexamen vmbo
  • 1. De examenkandidaat die het eindexamen vmbo in een leerweg heeft afgelegd, is geslaagd indien:

    • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;

    • b. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald;

    • c. hij onverminderd onderdeel b:

      • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

      • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of

      • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald;

    • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het derde of vierde lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald;

    • e. hij voor de vakken lichamelijke opvoeding en kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald; en

    • f. als het gaat om een eindexamen vmbo gemengde of theoretische leerweg: hij voor het profielwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.

  • 2. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo theoretische leerweg het eindcijfer van een profielvak of beroepsgericht keuzevak behorende tot het eindexamen vmbo gemengde leerweg bij de uitslagbepaling betrokken als deze vakken samen ten minste een volledig beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, vormen. In dat geval is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg en kaderberoepsgerichte leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak.

  • 4. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo gemengde leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van het profielvak en alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak, met dien verstande dat het eindcijfer voor het profielvak daarbij net zo vaak meetelt als het aantal eindcijfers van beroepsgerichte keuzevakken dat in de berekening wordt betrokken.

  • 5. De rector of directeur bepaalt het eindcijfer, bedoeld in het derde en vierde lid, als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 6. In afwijking van het eerste lid is de examenkandidaat die het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg heeft afgelegd ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet geslaagd indien:

    • a. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

    • b. hij voor het profielvak als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; en

    • c. hij als eindcijfer, bedoeld in het derde lid, 6 of hoger heeft behaald.

    Indien de vakken waarin examen is afgelegd, samen het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg vormen, zijn het eerste en derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de rector of directeur deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38. Indien de examenkandidaat geen herexamen doet is deze uitslag de definitieve uitslag.

Artikel 3.36. Bekendmaking cijfer bij eindexamen in eerder leerjaar
  • 1. Indien een leerling overeenkomstig artikel 2.56, vierde lid, van de wet in een of meer vakken eindexamen heeft afgelegd in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar, maakt de rector of directeur het eindcijfer van dit eindexamen schriftelijk aan de examenkandidaat bekend zodra deze is vastgesteld, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38.

  • 2. Indien een leerling als bedoeld in het eerste lid niet is bevorderd tot het volgende leerjaar, vervallen de met dit centraal examen of deze centrale examens behaalde resultaten.

Artikel 3.37. Afleggen eindexamen in vak op niveau inschrijving na eindexamen in overeenkomstig vak op hoger niveau

Indien een examenkandidaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het afleggen van eindexamen in een overeenkomstig vak op een hoger niveau dan het niveau van de schoolsoort of leerweg van inschrijving, stelt de rector of directeur de examenkandidaat in de gelegenheid alsnog in dat vak het eindexamen af te leggen van die schoolsoort of leerweg.

Artikel 3.38. Herkansing centraal examen
  • 1. De examenkandidaat kan voor één vak van het eindexamen waarin hij centraal examen heeft afgelegd, in het tweede of, indien artikel 3.29, eerste lid, van toepassing is, het derde tijdvak, opnieuw deelnemen aan het centraal examen of aan het cspe.

  • 2. Bij het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg en kaderberoepsgerichte leerweg kan de examenkandidaat ook opnieuw deelnemen aan het cspe dat door het bevoegd gezag aansluitend aan het eerste tijdvak of in het tweede tijdvak wordt afgenomen.

  • 3. De herkansing van het cspe bestaat uit het opnieuw afleggen van deze toets of van een of meer onderdelen daarvan.

  • 4. De examenkandidaat heeft het recht, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien op grond van artikel 3.34, vijfde lid, of artikel 3.35, zevende lid, de eindcijfers zijn bekendgemaakt.

  • 5. De examenkandidaat deelt de rector of directeur voor een door deze laatste te bepalen dag en tijdstip schriftelijk mee dat hij gebruik maakt van het recht van herkansing, bedoeld in het eerste of tweede lid.

  • 6. Dit artikel is ook van toepassing als in plaats van een volledig eindexamen, eindexamen in een of meer vakken wordt afgelegd. De examenkandidaat die in een examenjaar zowel een volledig eindexamen als eindexamen in een of meer vakken aflegt, oefent het recht, bedoeld in het eerste en tweede lid, ten hoogste eenmaal uit.

Artikel 3.39. Cijfer en uitslag na herkansing
  • 1. Het hoogste cijfer voor een vak, behaald bij het centraal examen of de herkansing, is het definitieve cijfer van het centraal examen in dat vak.

  • 2. Na afloop van de herkansing in het laatste leerjaar stelt de rector of directeur de uitslag definitief vast met overeenkomstige toepassing van artikel 2.57, tweede lid, van de wet en de artikelen 3.34 en 3.35 en maakt deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.

  • 3. Na afloop van een herkansing in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar maakt de rector of directeur het definitief cijfer schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.

Paragraaf 5. Cijferlijsten, diploma’s en certificaten

Artikel 3.40. Cijferlijst eindexamen
  • 1. Op de cijferlijst van het eindexamen worden vermeld:

    • a. de cijfers voor het schoolexamen en de cijfers voor het centraal examen;

    • b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk;

    • c. voor vmbo theoretische leerweg en gemengde leerweg het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk;

    • d. de beoordeling van het vak lichamelijke opvoeding in vwo en havo;

    • e. de beoordeling van de vakken lichamelijke opvoeding en kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming uit het gemeenschappelijk deel van een leerweg in mavo en vbo;

    • f. de beoordeling van de maatschappelijke stage, indien deze onderdeel is van het eindexamen en is beoordeeld met «voldoende» of «goed»;

    • g. de eindcijfers voor de examenvakken, met inbegrip van het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, of artikel 3.35, derde lid; en

    • h. de uitslag van het eindexamen, bedoeld in artikel 2.57, tweede lid, van de wet.

  • 2. Indien een examenkandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste samen een eindexamen vormen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de examenkandidaat daartegen bedenkingen heeft geuit.

  • 3. De rector of directeur en de examensecretaris ondertekenen de cijferlijst.

  • 4. Indien de examenkandidaat in een bepaald jaar is geslaagd voor het eindexamen, draagt de rector of directeur er op verzoek van de examenkandidaat zorg voor dat de behaalde cijfers voor de vakken waarin in datzelfde jaar eindexamen in een of meer vakken of deelstaatsexamen is afgelegd, worden vermeld op de cijferlijst.

Artikel 3.41. Cijferlijst voor vso-leerling bij eindexamen vmbo in een of meer vakken

Op de cijferlijst van een examenkandidaat als bedoeld in artikel 3.52 die eindexamen vmbo aan een school heeft afgelegd in een of meer vakken worden vermeld:

  • a. de leerweg;

  • b. de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen;

  • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk; en

  • d. de eindcijfers voor de examenvakken, met inbegrip van het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde en vierde lid.

Artikel 3.42. Vermelding van vakken met vrijstelling op cijferlijst vwo en havo

Bij het eindexamen vwo en het eindexamen havo geldt voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vrijstelling is verleend het volgende:

  • a. het vak maatschappijleer waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vwo is vrijgesteld op grond van het bezit van een diploma havo, wordt niet vermeld op de cijferlijst;

  • b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vwo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen havo of eindexamen vmbo waarvan deze vwo-vakken deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;

  • c. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen havo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen vmbo waarvan deze havo-vakken deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; en

  • d. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling is verleend, worden vermeld op de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.

Artikel 3.43. Vermelding van vakken met vrijstelling op cijferlijst vmbo

Bij het eindexamen vmbo geldt voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vrijstelling is verleend het volgende:

  • a. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vmbo theoretische leerweg is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg of de basisberoepsgerichte leerweg waarvan deze vakken van de theoretische leerweg deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;

  • b. de extra vakken die op grond van artikel 3.4, vierde lid, bij het eindexamen vmbo theoretische leerweg zijn gekozen worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het daarvoor behaalde cijfer;

  • c. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling is verleend, worden vermeld op de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.

Artikel 3.44. Atheneumdiploma in plaats van gymnasiumdiploma

De rector of directeur van een scholengemeenschap of school voor vwo die gymnasium verzorgt, kan in plaats van een diploma gymnasium een diploma atheneum uitreiken aan een examenkandidaat indien:

  • a. de scholengemeenschap of school voor vwo atheneum onderwijs verzorgt;

  • b. de scholengemeenschap of school voor vwo overeenkomstig artikel 2.93 van de wet kenbaar heeft gemaakt dat het behalen van een diploma atheneum en het volgen van atheneumonderwijs mogelijk is; en

  • c. de examenkandidaat staat ingeschreven voor atheneum onderwijs.

Artikel 3.45. Diploma vmbo theoretische leerweg bij inschrijving gemengde leerweg

De rector of directeur van een scholengemeenschap die in elk geval een school voor mavo omvat, reikt op verzoek van de examenkandidaat die met goed gevolg het examen vmbo gemengde leerweg aan die school heeft afgelegd en bovendien examen heeft afgelegd in een extra algemeen vak en met het meetellen van dat vak voldoet aan artikel 3.35 voor zover het gaat om de uitslag van het eindexamen vmbo theoretische leerweg, het diploma vmbo theoretische leerweg uit.

Artikel 3.46. Vermelding profiel en leerweg op diploma
  • 1. Het diploma voor het eindexamen vermeldt het profiel of de profielen die bij de uitslag van het eindexamen zijn betrokken.

  • 2. Het diploma vmbo vermeldt in elk geval de leerweg die bij de uitslag is betrokken.

  • 3. De rector of directeur en de examensecretaris ondertekenen het diploma.

Artikel 3.47. Judicium cum laude vwo en havo
  • 1. Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vwo met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en

      • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en

    • b. ten minste het eindcijfer 7 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.34.

  • 2. Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen havo met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en

      • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.34.

Artikel 3.48. Judicium cum laude vmbo
  • 1. Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo theoretische leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel; en

      • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.35.

  • 2. Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg of kaderberoepsgerichte leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van:

      • 1°. de eindcijfers voor het profielvak en de twee algemene vakken van het profieldeel; en

      • 2°. het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde lid, en

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.35.

  • 3. Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo gemengde leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel; en

      • 2°. het algemene vak uit het vrije deel of het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde lid; en

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.35.

Artikel 3.49. Voorlopige cijferlijst
  • 1. De rector of directeur verstrekt een voorlopige cijferlijst aan de examenkandidaat:

    • a. die:

      • 1°. in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in een of meer vakken heeft afgelegd, voor zover de cijfers niet op grond van artikel 3.36, tweede lid, zijn vervallen; of

      • 2°. het gespreid centraal examen, bedoeld in artikel 3.56, aflegt; en

    • b. die vervolgens de school verlaat zonder het eindexamen te voltooien.

  • 2. Op de voorlopige cijferlijst worden vermeld:

    • a. het vak of de vakken waarin de examenkandidaat centraal examen of een afsluitend schoolexamen heeft afgelegd;

    • b. het cijfer van het schoolexamen;

    • c. het cijfer van het centraal examen;

    • d. het eindcijfer voor het vak;

    • e. de aantekening of gebruik is gemaakt van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38.

  • 3. Bij ministeriële regeling wordt het model voor de voorlopige cijferlijst vastgesteld.

  • 4. De examenkandidaat kan geen rechten meer ontlenen aan de voorlopige cijferlijst met ingang van het moment waarop aan de examenkandidaat een cijferlijst als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de wet is uitgereikt die in ieder geval de eindcijfers van de voorlopige cijferlijst omvat.

Artikel 3.50. Certificaat voor vakken eindexamen vmbo bij afwijzing eindexamen

Op het certificaat, bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voor de voor het eindexamen vmbo afgewezen examenkandidaat die de school verlaat, worden vermeld:

  • a. het vak of de vakken waarvoor de examenkandidaat een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; en

  • b. het thema van het profielwerkstuk, indien beoordeeld met «goed» of «voldoende».

Artikel 3.51. Duplicaten, afgifte verklaringen en vervangende opleidingsdocumenten
  • 1. Van een afgegeven diploma, certificaat, bewijs van ontheffing of cijferlijst wordt geen duplicaat verstrekt.

  • 2. Onze Minister kan een schriftelijke verklaring verstrekken dat een document als bedoeld in het eerste lid is afgegeven. Deze verklaring heeft dezelfde waarde als dat document zelf.

  • 3. Onze Minister kan een document ter vervanging van een diploma, certificaat of cijferlijst verstrekken indien op grond van artikel 4, vierde lid, artikel 7, eerste lid, of artikel 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of ten gevolge van het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, de voornaam respectievelijk de geslachtsnaam van de examenkandidaat is gewijzigd.

Paragraaf 6. Specifieke voorzieningen eindexamen

Artikel 3.52. Eindexamen VSO-leerling aan vbo-school in een of meer vakken

Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan een leerling in de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg die is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de gelegenheid stellen als extraneus het eindexamen af te leggen in een of meer profielvakken of beroepsgerichte keuzevakken van die leerwegen.

Artikel 3.53. Financiële bijdrage eindexamen extraneus
  • 1. Een extraneus is aan het bevoegd gezag een financiële bijdrage verschuldigd van € 720 voor het afleggen van een eindexamen.

  • 2. De financiële bijdrage voor het afleggen van een eindexamen is niet verschuldigd door de extraneus die is ingeschreven bij een andere uit ’s Rijks kas bekostigde school, afdeling of onderwijsinstelling en die aldaar geen eindexamen of geen eindexamen in alle vakken aflegt.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

  • 4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële bijdrage, bedoeld in het eerste lid, in 2022 € 685.

Artikel 3.54. Afwijkende wijze van examineren bij handicap of ziekte
  • 1. De rector of directeur kan toestaan dat een examenkandidaat op grond van zijn handicap of ziekte het eindexamen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die examenkandidaat.

  • 2. De rector of directeur bepaalt de wijze waarop het eindexamen door de examenkandidaat vanwege zijn handicap of ziekte wordt afgelegd, met dien verstande dat aan de overige bepalingen van dit besluit wordt voldaan.

  • 3. Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap of ziekte, geldt voor de aangepaste wijze van examineren, bedoeld in het eerste lid, dat:

    • a. er een deskundigenverklaring is die door een ter zake kundige psycholoog, orthopedagoog, neuroloog of psychiater is opgesteld;

    • b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van de toets van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten; en

    • c. een andere aanpassing kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onderdeel a genoemde deskundigenverklaring over betrokkene een voorstel wordt gedaan of indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.

  • 4. De rector of directeur doet van de wijze waarop het examen ingevolge dit artikel wordt afgelegd zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

Artikel 3.55. Afwijkende wijze van examineren bij onvoldoende beheersing Nederlandse taal
  • 1. Het bevoegd gezag kan toestaan dat voor een examenkandidaat op grond van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal wordt afgeweken van dit besluit, indien deze examenkandidaat met inbegrip van het schooljaar waarin hij eindexamen aflegt, ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd en het Nederlands niet de moedertaal is.

  • 2. De afwijking, bedoeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op:

    • a. het vak Nederlandse taal en literatuur;

    • b. het vak Nederlandse taal; of

    • c. enig ander vak waarbij het gebruik van de Nederlandse taal van overwegende betekenis is.

  • 3. De afwijking bestaat voor zover betrekking hebbend op het centraal examen uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek van de Nederlandse taal.

  • 4. De rector of directeur doet van elke afwijking ingevolge dit artikel mededeling aan de inspectie.

Artikel 3.56. Spreiding voltooiing eindexamen
  • 1. Het bevoegd gezag kan, de inspectie gehoord, toestaan dat een examenkandidaat die in het laatste leerjaar langdurig ziek is of die lange tijd ten gevolge van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke, omstandigheid niet in staat is geweest het onderwijs in alle eindexamenvakken gedurende het laatste leerjaar te volgen, het centraal examen en in voorkomend geval het schoolexamen, voor een deel van de vakken in het ene schooljaar en voor het andere deel in het daarop volgende schooljaar aflegt. In dat geval wordt het eindexamen in een vak in het eerste of in het tweede van deze schooljaren afgesloten.

  • 2. Het bevoegd gezag geeft de toestemming, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk voor de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag afwijken van de eerste volzin voor een examenkandidaat die nog niet in alle betrokken eindexamenvakken centraal examen heeft afgelegd.

  • 3. De examenkandidaat heeft het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38, in het eerste en in het tweede schooljaar van het gespreid centraal examen, met dien verstande dat het recht van herkansing in het eerste schooljaar ontstaat nadat de eindcijfers van de vakken waarvoor in het eerste schooljaar het centraal examen is afgesloten, voor de eerste maal zijn vastgesteld.

  • 4. De rector of directeur en de examensecretaris stellen op verzoek van de examenkandidaat de uitslag van het eindexamen vast aan het einde van het eerste schooljaar van het gespreid centraal examen of het gespreid schoolexamen, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.34 of artikel 3.35.

Artikel 3.57. Herkansing schoolexamen bij overmacht

In het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60 van de wet, kan worden opgenomen dat tot herkansingsmogelijkheden van het schoolexamen, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid, onderdeel c, van de wet kunnen behoren gevallen dat de examenkandidaat door ziekte of ten gevolge van een bijzondere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, niet in staat is geweest aan de toets deel te nemen.

Paragraaf 7. Maatregelen in geval van onregelmatigheden

Artikel 3.58. Maatregelen in geval van onregelmatigheden of afwezigheid
  • 1. De maatregelen, bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, van de wet, die de rector of directeur jegens een examenkandidaat kan nemen, zijn:

    • a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen of het centraal examen;

    • b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het schoolexamen of het centraal examen;

    • c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het al afgelegde deel van het schoolexamen of het centraal examen; of

    • d. het bepalen dat het diploma en de cijferlijst alleen kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de rector of directeur aan te wijzen onderdelen.

  • 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid afzonderlijk of in combinatie met elkaar genomen worden.

  • 3. Indien een hernieuwd examen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, betrekking heeft op een of meer onderdelen van het centraal examen legt de examenkandidaat dat examen af in een volgend tijdvak van het centraal examen.

  • 4. De rector of directeur zendt de beslissing waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt genomen aan de examenkandidaat en zijn wettelijke vertegenwoordigers, en in afschrift aan de inspectie.

Artikel 3.59. Beslissing en gegevens commissie van beroep voor de eindexamens
  • 1. De commissie van beroep voor de eindexamens stelt bij haar beslissing op een bezwaarschrift tegen een maatregel als bedoeld in artikel 3.58 zo nodig vast op welke wijze de examenkandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het eindexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen, onverminderd artikel 3.58, derde lid.

  • 2. De commissie zendt haar beslissing aan de examenkandidaat en zijn wettelijke vertegenwoordigers, en in afschrift aan de rector of directeur en aan de inspectie.

  • 3. De samenstelling en het adres van de commissie van beroep voor de eindexamens worden vermeld in het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid, van de wet.

Paragraaf 8. Het eindexamen bij opleidingen vavo aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs

Artikel 3.60. Algemene bepaling
  • 1. De bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, met uitzondering van de artikelen 3.10 en 3.53, zijn ook van toepassing op het eindexamen bij een opleiding vavo aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, tenzij in deze paragraaf hiervan wordt afgeweken, met dien verstande dat:

    • a. voor «bevoegd gezag» telkens wordt gelezen «bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1.1 WEB of artikel 1.1.1 WEB BES»;

    • b. voor «leerling» telkens wordt gelezen «vavo-student»;

    • c. voor «school» telkens wordt gelezen «instelling voor educatie en beroepsonderwijs», met dien verstande dat in de artikelen 3.22 en 3.62 onder «school» wordt verstaan «school voor voortgezet onderwijs»;

    • d. voor «rector of directeur» of voor «rector of directeur en examensecretaris» telkens wordt gelezen «de examencommissie vavo».

  • 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    bevoegd gezag:

    het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1.1. WEB of artikel 1.1.1 WEB BES;

    examencommissie vavo:

    examencommissie voor een opleiding vavo, bedoeld in artikel 7.4.11, tweede lid, juncto artikel 7.4.5 WEB of artikel 7.4.13, tweede lid, juncto artikel 7.4.7 WEB BES;

    instelling voor educatie en beroepsonderwijs:

    een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, voor zover het gaat om door die instelling verzorgde opleidingen vavo.

Artikel 3.61. Volledig vavo-eindexamen vwo, havo of vmbo theoretische leerweg of vavo-eindexamen in een of meer vakken

Het bevoegd gezag stelt de vavo-student in de gelegenheid af te leggen:

  • a. het volledig eindexamen vwo, havo of vmbo theoretische leerweg; of

  • b. het eindexamen vwo, havo of vmbo theoretische leerweg in een of meer vakken.

Artikel 3.62. Vakken en profielwerkstuk vavo-eindexamen
  • 1. Het volledig eindexamen vwo (atheneum), havo en vmbo theoretische leerweg aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs omvat de vakken van het eindexamen vwo (atheneum), havo, respectievelijk vmbo theoretische leerweg aan een school, met uitzondering van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel:

    • a. lichamelijke opvoeding;

    • b. voor vwo (atheneum) en havo: culturele en kunstzinnige vorming; en

    • c. voor vmbo theoretische leerweg: de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.

  • 2. Het volledig eindexamen vwo (gymnasium) aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs omvat de vakken van het eindexamen vwo (gymnasium) aan een school, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.

  • 3. Het volledig eindexamen vwo (atheneum), havo en vmbo theoretische leerweg aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs omvat ook het profielwerkstuk.

Artikel 3.63. Volledig vavo-eindexamen met eerder behaalde resultaten
  • 1. Indien de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs eindexamen aflegt in een vak of in een aantal vakken die samen geen eindexamen vormen, kan de examenkandidaat daaraan voorafgaand aan de examencommissie vavo kenbaar maken, het volledig eindexamen te willen afsluiten.

  • 2. De examenkandidaat kan het volledige eindexamen afsluiten door voor de ontbrekende vakken in aanvulling op de cijferlijst voor die vakken aan de examencommissie vavo een of meer van de volgende bewijsstukken over te leggen:

    • a. een door een school uitgereikte cijferlijst als bedoeld in 2.58, eerste lid van de wet of artikel 3.39, uitgereikt in een eerder schooljaar;

    • b. een door een andere instelling voor educatie en beroepsonderwijs uitgereikte cijferlijst als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de wet of artikel 3.72;

    • c. een resultatenlijst als bedoeld in artikel 7.4.6, derde lid, WEB of 7.4.8, tweede lid, WEB BES;

    • d. een cijferlijst van een staatsexamen of deelstaatsexamen als bedoeld in artikel 4.25 of artikel 4.26; of

    • e. een bewijs van ontheffing als bedoeld in artikel 3.67, derde lid, of artikel 4.9, derde lid.

  • 3. Een cijferlijst wordt bij de vaststelling van de uitslag van het eindexamen betrokken, indien na het jaar waarin deze is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken. Een bewijs van ontheffing wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

Artikel 3.64. Vrijstellingen vavo-eindexamen wegens eerder behaalde resultaten
  • 1. De examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs is vrijgesteld van:

    • a. het eindexamen in een vak in vwo op grond van een examen vwo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;

    • b. het eindexamen in een vak in havo op grond van een examen vwo of havo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;

    • c. het eindexamen in een vak van de theoretische leerweg in het vmbo op grond van een examen vwo, havo, theoretische leerweg of gemengde leerweg vmbo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;

    • d. het eindexamen in een vak van vwo, havo of vmbo op grond van het overeenkomstige examen, afgelegd in Curaçao, Sint Maarten of Aruba, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;

    • e. het profielwerkstuk vwo of havo, indien eerder een profielwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een of meer vakken van dezelfde schoolsoort, behorende tot het profiel van de examenkandidaat en waarvoor een eindcijfer 6 of hoger is behaald; of

    • f. het profielwerkstuk vmbo, indien eerder een profielwerkstuk vmbo is gemaakt dat betrekking heeft op een thema uit het profiel van de examenkandidaat, en dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».

  • 2. Het eerste lid is van toepassing indien na het jaar waarin het eindcijfer of de beoordeling is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken. Het eerste lid, onderdeel f, is van overeenkomstige toepassing op een eerder gemaakt sectorwerkstuk dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».

  • 3. De examenkandidaat, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, is ook vrijgesteld van het eindexamen in dat vak indien het eindcijfer 5 of 4 is behaald, mits de examenkandidaat voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 3.34 of 3.35, om te slagen voor het eindexamen.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 3.65. Overige vrijstellingen vavo-eindexamen
  • 1. Onverminderd de toepasselijkheid van artikel 3.8 op het eindexamen bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, is de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs die eerder op grond van de artikelen 3.8, 3.64 of het tweede en derde lid, bij het eindexamen is vrijgesteld in een vak, bij het eindexamen vrijgesteld van dat vak.

  • 2. De examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, aan wie eerder op grond van artikel 3.66 of artikel 4.8 een bewijs van ontheffing is verleend voor het eindexamen of staatsexamen in een vak, is bij het eindexamen vrijgesteld van dat vak.

  • 3. Op grond van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, van de wet, is de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, die op grond van artikel 12 van de Beleidsregel verstrekking licentie Topsporttalentschool VO 2020 of artikel 13 van de Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO 2020, ontheffing heeft verkregen voor een vak als genoemd in die artikelen, bij het eindexamen vrijgesteld van dat vak.

  • 4. Een bewijs van ontheffing als bedoeld in het tweede lid wordt bij de vaststelling van de uitslag van het eindexamen betrokken, indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

Artikel 3.66. Ontheffingen vavo-eindexamen wegens eerder gevolgd onderwijs
  • 1. Het college kan op aanvraag van de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs bij het eindexamen ontheffing verlenen voor een vak, indien de examenkandidaat op grond van eerder gevolgd onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden over dat vak.

  • 2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk, al dan niet behaald in Nederland, dat door het college wordt aanvaard als bewijs van voldoende kennis en vaardigheden. Indien het college dit nodig oordeelt, onderzoekt het college of de examenkandidaat in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden.

  • 3. Het tweede lid is van toepassing indien na het jaar waarin het diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

  • 4. Tot het diploma, getuigschrift, certificaat en ander bewijsstuk, bedoeld in het tweede lid, behoren in elk geval die van het Internationaal Baccalaureaat, het Europees Baccalaureaat en die van het overeenkomstige onderwijs in een lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 3.67. Ontheffingsprocedure vavo-eindexamen wegens eerder gevolgd onderwijs
  • 1. De aanvrager voegt bij een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.66:

    • a. een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisregistratie personen; en

    • b. een gewaarmerkte kopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of andere bewijsstuk waarop de aanvraag om ontheffing berust.

  • 2. Indien het college de gevraagde ontheffing verleent, verstrekt het college de aanvrager een bewijs van ontheffing, en zendt het college Onze Minister een afschrift daarvan.

  • 3. Het bewijs van ontheffing vermeldt:

    • a. de gronden van de ontheffing; en

    • b. het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of examenprestatie waarop de ontheffing berust.

  • 4. Indien van toepassing gaat het bewijs van ontheffing vergezeld van een verklaring over het onderzoek, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, naar de kennis en vaardigheden van de examenkandidaat, of naar de bewijsstukken, bedoeld in dat lid.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt het model voor het bewijs van ontheffing vastgesteld.

Artikel 3.68. Ontheffing vavo-eindexamen atheneum voor tweede moderne vreemde taal
  • 1. Het bevoegd gezag kan de examenkandidaat die het eindexamen atheneum aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs bij het eindexamen ontheffing verlenen voor een tweede moderne vreemde taal, genoemd in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c, indien de leerling:

    • a. een stoornis heeft die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis heeft die effect heeft op taal;

    • b. een andere moedertaal heeft dan de Nederlandse taal; of

    • c. onderwijs volgt in het profiel natuur en techniek of het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal verhindert naar verwachting dat de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.

  • 2. In geval van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in een van de vakken, genoemd in artikel 2.6 of in artikel 2.7, onderdeel c, met een normatieve studielast van ten minste 440 uren, naar keuze van de examenkandidaat, voor zover het bevoegd gezag deze als zodanig aanbiedt.

Artikel 3.69. Ontheffing vavo-eindexamen vmbo theoretische leerweg voor Franse taal of Duitse taal
  • 1. Het bevoegd gezag kan de examenkandidaat die het eindexamen vmbo theoretische leerweg aflegt aan een instelling voor educatie of beroepsonderwijs bij het eindexamen ontheffing verlenen van de vakken Franse taal of Duitse taal van het profieldeel, of van beide, indien de leerling:

    • a. een stoornis heeft die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis heeft die effect heeft op taal;

    • b. een andere moedertaal heeft dan de Nederlandse taal; of

    • c. onderwijs volgt in het profiel natuur en techniek of het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal verhindert naar verwachting dat de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.

  • 2. In geval van een ontheffing op grond van het eerste lid, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in een van de vakken, genoemd in artikel 2.33, tweede lid.

Artikel 3.70. Vaststelling uitslag volledig vavo-eindexamen met bewijsstukken
  • 1. Onverminderd artikel 3.33, eerste lid, betrekt de eindexamencommissie vavo bij de vaststelling van de uitslag van een volledig eindexamen bewijsstukken als bedoeld in artikel 3.63, tweede en derde lid.

  • 2. Onverminderd artikel 3.33, tweede lid, toont de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs in voorkomend geval ten genoegen van de eindexamencommissie vavo aan dat hij recht heeft op een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in deze paragraaf.

Artikel 3.71. Vermelding van vakken met vrijstelling op cijferlijst vwo, havo en vmbo

Onverminderd de artikelen 3.42 en 3.43, wordt op de cijferlijst van de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vermeld de vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van artikel 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer.

Artikel 3.72. Cijferlijst vavo-eindexamen in een of meer vakken

De examencommissie vavo reikt aan de examenkandidaat die eindexamen heeft afgelegd aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs in een of meer vakken, een cijferlijst uit waarop worden vermeld:

  • a. de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen;

  • b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk;

  • c. voor het vmbo het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk; en

  • d. de eindcijfers voor de examenvakken met inbegrip van het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid.

Artikel 3.73. Certificaat vavo bij eindexamen in een of meer vakken of bij geen uitreiking diploma

De examencommissie vavo reikt aan de examenkandidaat die aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs eindexamen heeft afgelegd en aan wie op grond van de uitslag niet een diploma kan worden uitgereikt of die eindexamen heeft afgelegd in een of meer vakken, een certificaat uit, waarop voor zover van toepassing zijn vermeld:

  • a. het vak of de vakken waarvoor de examenkandidaat een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

  • b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk; en

  • c. voor het vmbo het thema van het profielwerkstuk, indien beoordeeld met «goed» of «voldoende».

Paragraaf 9. Experimenten

Artikel 3.74. Experimenten

Onze Minister kan toestaan dat wordt afgeweken van dit hoofdstuk voor experimenten met een andere inrichting van het eindexamen dan in dit hoofdstuk geregeld.

HOOFDSTUK 4. STAATSEXAMEN

Paragraaf 1. Aanmelding en toelating tot het staatsexamen

Artikel 4.1. Aanmelding voor het (deel)staatsexamen
  • 1. Het college stelt de aanmeldingsprocedure voor het staatsexamen en het deelstaatsexamen vast.

  • 2. De aanmelding heeft betrekking op:

    • a. het verkrijgen van toelating tot het afleggen van het staatsexamen of het deelstaatsexamen ten overstaan van het college; of

    • b. het overleggen aan het college van de bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.72, tweede lid, onderdeel b, van de wet, ter verkrijging van het staatsexamendiploma, al dan niet in combinatie met het afleggen van het staatsexamen in een of meer vakken ten overstaan van het college.

  • 3. Onze Minister maakt de aanmeldingsprocedure tijdig bekend, voert die uit en bevestigt schriftelijk de aanmelding aan de examenkandidaat.

  • 4. Uit de aanmelding voor het staatsexamen blijkt ook of sprake is van een of meer vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in de artikelen 4.5, 4.6, 4.7 of 4.8.

  • 5. Indien de examenkandidaat minderjarig is, ondertekenen ook de wettelijke vertegenwoordigers de aanmelding.

Artikel 4.2. Toelating tot staatsexamen vmbo beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg
  • 1. Tot het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg wordt toegelaten de examenkandidaat die:

    • a. ten tijde van de aanmelding voor het staatsexamen:

      • 1°. is ingeschreven als student aan een beroepsopleiding als bedoeld in de WEB of WEB BES; of

      • 2°. is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en als extraneus het eindexamen vmbo in een in de aanhef genoemde leerweg heeft afgelegd;

    • b. eerder voor het eindexamen vmbo in een in de aanhef genoemde leerweg is afgewezen; en

    • c. een cijferlijst overlegt waaruit blijkt dat voor elk van de vakken van het beroepsgerichte programma, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, waarin eindexamen is afgelegd, het eindcijfer 6 of hoger is behaald.

  • 2. Tot het deelstaatsexamen vmbo voor een of meer algemene vakken in de basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg wordt ook toegelaten de examenkandidaat die is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

Artikel 4.3. Financiële bijdrage voor toelating (deel)staatsexamen
  • 1. De financiële bijdrage, bedoeld in artikel 2.72, vierde lid, van de wet, voor toelating tot het afleggen van het staatsexamen bedraagt € 720.

  • 2. De financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van een deelstaatsexamen voor een vak waarin zowel het college-examen als het centraal examen wordt afgelegd bedraagt € 144.

  • 3. De financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamen voor een vak waarin alleen het centraal examen of alleen het college-examen wordt afgelegd, bedraagt € 71.

  • 4. De bedragen, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt de financiële bijdrage vastgesteld die per kalenderjaar ten hoogste is verschuldigd voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamens.

  • 6. De verschuldigde financiële bijdrage wordt voldaan op de wijze en voor de datum, bepaald door het college.

  • 7. In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële bijdrage, bedoeld in dat lid, in 2022 € 685.

  • 8. In afwijking van het tweede lid bedraagt de financiële bijdrage, bedoeld in dat lid, in 2022 € 137.

  • 9. In afwijking van het derde lid bedraagt de financiële bijdrage, bedoeld in dat lid, in 2022 € 68.

  • 10. Het zevende tot en met negende lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2023.

Paragraaf 2. Inhoud van het staatsexamen

Artikel 4.4. Vakken staatsexamen
  • 1. Het staatsexamen vwo (atheneum), havo en vmbo theoretische leerweg omvat de vakken van het eindexamen vwo (atheneum), havo, respectievelijk vmbo theoretische leerweg, aan een school, met uitzondering van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel:

    • a. lichamelijke opvoeding;

    • b. voor vwo (atheneum) en havo: culturele en kunstzinnige vorming; en

    • c. voor vmbo theoretische leerweg: de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.

  • 2. Het staatsexamen vwo (gymnasium) omvat de vakken van het eindexamen vwo (gymnasium) aan een school, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.

  • 3. Het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg en gemengde leerweg omvat de vakken van het eindexamen vmbo in deze leerwegen, met dien verstande dat in deze leerwegen alleen de algemene vakken van het eindexamen via het staatsexamen kunnen worden afgesloten.

  • 4. Het college kan, al dan niet voor een bepaalde groep examenkandidaten, besluiten dat geen gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van staatsexamen in een vak dat alleen behoort tot het vrije deel van een profiel, het vak kunst (drama) of het vak kunst (dans).

  • 5. Het profielwerkstuk vwo en havo heeft betrekking op een of meer vakken van het staatsexamen. Ten minste een van deze vakken heeft minimaal de volgende omvang:

    • a. voor havo: 320 uur;

    • b. voor vwo: 400 uur.

  • 6. Het profielwerkstuk vmbo theoretische leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.

Artikel 4.5. Vrijstellingen staatsexamen wegens eerder behaalde resultaten
  • 1. De examenkandidaat die staatsexamen aflegt is vrijgesteld van:

    • a. het staatsexamen in een vak in vwo op grond van een examen vwo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald;

    • b. het staatsexamen in een vak in havo op grond van een examen vwo of havo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald;

    • c. het staatsexamen in een vak in de theoretische of gemengde leerweg van het vmbo op grond van een examen vwo, havo, vmbo theoretische leerweg of vmbo gemengde leerweg, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald;

    • d. het staatsexamen in een vak in de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vmbo op grond van een examen vwo, havo of vmbo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald;

    • e. het staatsexamen in een vak van vwo, havo of vmbo op grond van het overeenkomstige examen, afgelegd in Curaçao, Sint Maarten, Aruba, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald;

    • f. het profielwerkstuk vwo of havo, indien eerder een profielwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een of meer vakken van dezelfde schoolsoort, behorende tot het profiel van de examenkandidaat en waarvoor een eindcijfer 6 of hoger is behaald; of

    • g. het profielwerkstuk vmbo, indien eerder een profielwerkstuk vmbo is gemaakt dat betrekking heeft op een thema uit dat profiel, en dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».

  • 2. In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a tot en met d, is de examenkandidaat vrijgesteld van het onderdeel literatuur van elke moderne taal, indien de examenkandidaat bij het eerder afgelegde examen, voor literatuur een cijfer 6 of hoger heeft behaald.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing indien na het jaar waarin het eindcijfer of de beoordeling is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

  • 4. De examenkandidaat, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, en derde lid, is ook vrijgesteld van het vak indien het eindcijfer 5 of 4 is behaald, mits hij voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 4.20 of 4.21 om te slagen voor het staatsexamen.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste lid.

  • 6. Artikel 3.40, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.6. Vrijstellingen staatsexamen wegens eerdere vrijstellingen of ontheffingen
  • 1. De examenkandidaat die eerder op grond van de artikelen 3.8, 3.64 of 3.65 bij het eindexamen aan een school of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs is vrijgesteld van een vak, is bij het staatsexamen vrijgesteld van dat vak.

  • 2. De examenkandidaat aan wie eerder op grond van artikel 3.67 bij het eindexamen aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs of op grond van artikel 4.7 ontheffing is verleend voor het eindexamen in een vak, is bij het staatsexamen vrijgesteld in dat vak.

  • 3. Een bewijs van ontheffing wordt bij de vaststelling van de uitslag van het staatsexamen betrokken, indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

Artikel 4.7. Overige vrijstellingen staatsexamen
  • 1. De examenkandidaat met het diploma havo is bij het staatsexamen vwo vrijgesteld van het vak maatschappijleer van het gemeenschappelijk deel.

  • 2. De examenkandidaat met het diploma havo of het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstige vak voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is bij het staatsexamen vwo vrijgesteld van dat vak.

  • 3. De examenkandidaat met het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstige vak voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12, is bij het staatsexamen havo vrijgesteld van dat vak.

  • 4. De examenkandidaat die op grond van artikel 12 van de Beleidsregel verstrekking LOOT-licentie VO of artikel 13 van de Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO ontheffing heeft verkregen voor een vak, genoemd in die artikelen, is bij het staatsexamen vrijgesteld van dat vak.

Artikel 4.8. Ontheffing staatsexamen wegens eerder gevolgd onderwijs
  • 1. Het college kan op aanvraag van de examenkandidaat voor het staatsexamen ontheffing verlenen voor een vak, indien de examenkandidaat op grond van eerder gevolgd onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden over dat vak.

  • 2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk, al dan niet behaald in Nederland, dat door het college wordt aanvaard als bewijs van voldoende kennis en vaardigheden. Indien het college dit nodig oordeelt, onderzoekt het college of de examenkandidaat in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden.

  • 3. Het tweede lid is van toepassing indien na het jaar waarin het diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

  • 4. Tot het diploma, getuigschrift, certificaat en ander bewijsstuk, bedoeld in het tweede lid, behoren in elk geval die van het Internationaal Baccalaureaat, het Europees Baccalaureaat en die van het overeenkomstige onderwijs in een lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 4.9. Ontheffingsprocedure staatsexamen wegens eerder gevolgd onderwijs
  • 1. De aanvrager voegt bij de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.8:

    • a. een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisregistratie personen; en

    • b. een gewaarmerkte fotokopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of andere bewijsstuk waarop de aanvraag om ontheffing berust.

  • 2. Indien het college de gevraagde ontheffing verleent, verstrekt het college de aanvrager een bewijs van ontheffing, en zendt het college Onze Minister een afschrift daarvan.

  • 3. Het bewijs van ontheffing vermeldt:

    • a. de gronden van de ontheffing;

    • b. het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of examenprestatie waarop de ontheffing berust.

  • 4. Indien van toepassing gaat het bewijs van ontheffing vergezeld van een verklaring over het onderzoek, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, naar de kennis en vaardigheden van de examenkandidaat, of naar de bewijsstukken, bedoeld in dat lid.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt het model voor het bewijs van ontheffing vastgesteld.

Paragraaf 3. College-examen

Artikel 4.10. Examendossier

Het college-examen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het college-examen zoals gedocumenteerd in een door het college gekozen vorm.

Artikel 4.11. Beoordeling college-examen
  • 1. Het cijfer van het college-examen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 gebruikt met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.

  • 2. Indien in een vak geen centraal examen wordt afgelegd, wordt het cijfer van het college-examen uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 10, zonder decimaal.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt het profielwerkstuk in het vmbo beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».

Artikel 4.12. Twijfel over juistheid beoordeling college-examen

Indien bij het college, al dan niet naar aanleiding van mededelingen van de examenkandidaat, twijfel is gerezen over de juistheid van de beoordeling van het college-examen in enig vak of onderdeel van een vak, kan het college die beoordeling ongeldig verklaren en een nieuw examen in dat vak of onderdeel opleggen.

Paragraaf 4. Centraal examen van het staatsexamen

Artikel 4.13. De opgaven voor het centraal examen van het staatsexamen
  • 1. Onze Minister draagt er zorg voor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens, tijdig beschikbaar worden gesteld aan het college.

  • 2. Het college draagt er zorg voor dat de opgaven en correctieregels voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets.

Artikel 4.14. Afname centraal examen van het staatsexamen
  • 1. Tijdens een schriftelijke toets van het centraal examen worden aan de examenkandidaat geen mededelingen van welke aard ook over de opgaven gedaan, uitgezonderd mededeling van door het college vastgestelde errata.

  • 2. Het college draagt zorg voor het nodige toezicht bij het centraal examen.

  • 3. Zij die toezicht hebben gehouden, maken daarvan een proces-verbaal op. Zij leveren dit samen met het gemaakte examenwerk in bij het college.

  • 4. Een examenkandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang tot de toets toegelaten.

  • 5. De aan de examenkandidaat voorgelegde opgaven blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.

  • 6. De examenkandidaat levert de opgaven, de door hem gemaakte aantekeningen en ook andere door hem gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het college bepaalt in welke gevallen kan worden afgeweken van de eerste volzin, en ook in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de examenkandidaat worden teruggegeven.

Artikel 4.15. Beoordeling centraal examen staatsexamen door correctoren
  • 1. Het college draagt er zorg voor dat elk afzonderlijk gemaakte werk voor het centraal examen achtereenvolgens door twee door het college aan te wijzen correctoren wordt beoordeeld.

  • 2. De correctoren kijken het werk onafhankelijk van elkaar na.

  • 3. De corrector past bij zijn beoordeling de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens toe.

  • 4. De corrector drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.

  • 5. De corrector zendt de score en het beoordeelde werk aan het college.

  • 6. Indien dit het college noodzakelijk voorkomt, wordt het oordeel van een derde corrector ingeroepen. Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de derde corrector.

Artikel 4.16. Vaststelling score en cijfer centraal examen staatsexamen
  • 1. Het college stelt op grond van scores van de correctoren de score voor het centraal examen vast.

  • 2. Het college stelt het cijfer voor het centraal examen vast op grond van de score voor het centraal examen en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens voor toetsen en examen.

  • 3. Bij de vaststelling van het cijfer gebruikt het college een van de cijfers uit de schaal lopend van 1 tot en met 10, met de tussenliggende cijfers met 1 decimaal.

Artikel 4.17. Centraal examen bij verhindering in eerste, tweede of derde tijdvak
  • 1. Indien een examenkandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van het college, is verhinderd bij het centraal examen in een of meer vakken in het eerste tijdvak aanwezig te zijn, krijgt hij in het tweede tijdvak de gelegenheid het centraal examen voor ten hoogste twee vakken alsnog te voltooien.

  • 2. Indien een examenkandidaat ook in het tweede tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van het college, verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak het centraal examen te voltooien.

  • 3. Indien een examenkandidaat ook in het derde tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van het college, verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het derde tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld op een door het college vast te stellen tijdstip het staatsexamen te voltooien.

  • 4. Voor de aanvang van het derde tijdvak zendt Onze Minister aan de inspectie een opgave van:

    • a. de kandidaten;

    • b. de in het eerste of tweede tijdvak door hen behaalde cijfers;

    • c. voor zover van toepassing de alsnog behaalde cijfers; en

    • d. een overzicht van het vak of de vakken waarin elke kandidaat zal worden geëxamineerd.

Paragraaf 5. Uitslag en herkansing staatsexamen

Artikel 4.18. Eindcijfer vakken (deel)staatsexamen
  • 1. Het eindcijfer voor alle vakken van het staatsexamen en het deelstaatsexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks van 1 tot en met 10.

  • 2. Het college bepaalt het eindcijfer voor een vak op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het college-examen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 3. Indien in een vak alleen een college-examen wordt afgenomen, is het cijfer voor het college-examen ook het eindcijfer.

  • 4. Indien voor een vak alleen een centraal examen wordt afgenomen, vormt het cijfer voor het centraal examen, afgerond overeenkomstig het tweede lid, het eindcijfer.

Artikel 4.19. Vaststelling uitslag staatsexamen
  • 1. Het college stelt voor de vaststelling van de uitslag van het staatsexamen vast of de examenkandidaat het staatsexamen heeft afgelegd in de voor het staatsexamen voorgeschreven vakken.

  • 2. Het college kan een examenkandidaat die deelstaatsexamen aflegt toestaan het volledige staatsexamen af te leggen, als deze examenkandidaat het college daar voorafgaand aan zijn examens om verzoekt. Het examen wordt in datgeval afgerond door voor de ontbrekende vakken, in aanvulling op de cijferlijst voor het deelstaatsexamen, aan het college bewijsstukken te over te leggen als bedoeld in het vierde lid.

  • 3. De uitslag van het staatsexamen wordt vastgesteld:

    • a. op grond van de eindcijfers die zijn behaald voor een volledig staatsexamen dat in dat jaar is afgelegd; of

    • b. op grond van bewijsstukken als bedoeld in vierde lid.

  • 4. De bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.72 van de wet, ter verkrijging van een diploma van het staatsexamen zijn:

    • a. eindcijfers van deelstaatsexamens die in dat jaar zijn afgelegd;

    • b. cijferlijsten als bedoeld in artikel 2.80, eerste lid, van de wet en de artikelen 4.25 en 4.26;

    • c. cijferlijsten van een school;

    • d. resultatenlijsten of cijferlijsten van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs;

    • e. bewijzen van ontheffing als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid;

    • f. bewijzen van ontheffing als bedoeld in artikel 3.67, tweede lid.

  • 5. Een cijferlijst wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken, indien na het jaar waarin deze is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken. Een bewijs van ontheffing wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

  • 6. Indien dat nodig is om de examenkandidaat te laten slagen voor het staatsexamen, betrekt het college een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De overgebleven vakken dienen een staatsexamen te vormen.

Artikel 4.20. Uitslag staatsexamen vwo en havo
  • 1. De examenkandidaat die staatsexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd indien:

    • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;

    • b. hij voor een van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald en hij voor het andere vak of andere hier genoemde vakken als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

    • c. hij onverminderd onderdeel b:

      • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

      • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;

      • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of

      • 4°. voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; en

    • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald.

  • 2. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, wordt het gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen aangemerkt als het eindcijfer van één vak, voor zover voor deze onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer en het profielwerkstuk. Het college kan daaraan toevoegen:

    • a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne talen, met dien verstande dat indien het college daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van het college-examen van deze taal en literatuur;

    • b. algemene natuurwetenschappen in vwo en havo.

  • 3. Het eindcijfer, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 4. De examenkandidaat wiens staatsexamen niet voldoet aan dit artikel is afgewezen voor het staatsexamen.

  • 5. Zodra de uitslag van het staatsexamen is vastgesteld, maakt het college deze samen met de eindcijfers schriftelijk aan de examenkandidaat bekend. Indien de examenkandidaat is afgewezen voor het staatsexamen, wordt bij de bekendmaking mededeling gedaan van het recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22. De uitslag is de definitieve uitslag indien de examenkandidaat geen gebruik maakt van het recht op herkansing.

Artikel 4.21. Uitslag staatsexamen vmbo
  • 1. De examenkandidaat die het staatsexamen vmbo heeft afgelegd, is geslaagd indien:

    • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;

    • b. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald;

    • c. hij onverminderd onderdeel b:

      • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

      • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of

      • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald;

    • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het derde of vierde lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en

    • e. als het gaat om een staatsexamen gemengde of theoretische leerweg: hij voor het profielwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.

  • 2. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de theoretische leerweg het eindcijfer van een profielvak of beroepsgericht keuzevak behorende tot het eindexamen van de gemengde leerweg niet betrokken, tenzij deze vakken samen ten minste een volledig beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, vormen. In dat geval is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van één vak.

  • 4. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de gemengde leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van het profielvak en alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak, met dien verstande dat het eindcijfer voor het profielvak daarbij net zo vaak meetelt als het aantal eindcijfers van beroepsgerichte keuzevakken dat in de berekening wordt betrokken.

  • 5. Het eindcijfer, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt bepaald als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

  • 6. De examenkandidaat wiens staatsexamen niet voldoet aan dit artikel, is afgewezen voor het staatsexamen.

  • 7. Zodra de uitslag van het staatsexamen is vastgesteld, maakt het college deze samen met de eindcijfers schriftelijk aan de examenkandidaat bekend. Indien de examenkandidaat is afgewezen voor het staatsexamen, wordt bij de bekendmaking mededeling gedaan van het recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22. De uitslag is de definitieve uitslag indien de examenkandidaat geen gebruik maakt van het recht op herkansing.

Artikel 4.22. Herkansing staatsexamen
  • 1. De examenkandidaat die in enig jaar is afgewezen voor het staatsexamen, heeft recht op herkansing in het derde tijdvak van dat jaar, mits de examenkandidaat daardoor alsnog kan slagen voor het staatsexamen.

  • 2. Indien de examenkandidaat op grond van artikel 4.17, tweede lid, in de gelegenheid wordt gesteld in het derde tijdvak het centraal examen te voltooien, wordt het recht op herkansing uitgeoefend op een door het college te bepalen tijdstip.

  • 3. Het recht op herkansing houdt in:

    • a. het recht om voor een door de examenkandidaat te kiezen vak waarin hij in dat jaar door het college is geëxamineerd, opnieuw deel te nemen aan het college-examen, in door het college vast te stellen onderdelen van het examenprogramma; en

    • b. het recht om voor een door de examenkandidaat te kiezen vak waarin hij in dat jaar door het college is geëxamineerd, opnieuw deel te nemen aan het centraal examen.

Artikel 4.23. Termijn aanmelding herkansing staatsexamen
  • 1. De examenkandidaat die van zijn recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22 gebruik wil maken, stelt het college binnen acht dagen na de bekendmaking, bedoeld in artikel 4.20, vijfde lid, of artikel 4.21, zevende lid, schriftelijk hiervan in kennis, onder vermelding van het vak waarin hij opnieuw wil deelnemen aan het college-examen en het vak waarin hij opnieuw wil deelnemen aan het centraal examen.

  • 2. Indien de examenkandidaat het college niet overeenkomstig het eerste lid in kennis stelt, is hij alsnog afgewezen voor het staatsexamen.

  • 3. Het college bevestigt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de examenkandidaat de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.24. Cijfer en uitslag na herkansing staatsexamen
  • 1. Het college stelt vast op welke wijze het cijfer van de herkansing voor het college-examen wordt bepaald. In zijn overwegingen betrekt het college de cijfers voor die toetsen van het eerder afgelegde college-examen die betrekking hebben op niet tot de herkansing behorende onderdelen van het examenprogramma.

  • 2. Het hoogste cijfer van de cijfers behaald bij de herkansing en bij het eerder afgelegde college-examen of centraal examen geldt als definitief cijfer voor het college-examen of het centraal examen.

  • 3. Na afloop van de herkansing stelt het college de uitslag definitief vast met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4.18 tot en met 4.21 en maakt de uitslag schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.

Paragraaf 6. Cijferlijsten, diploma’s en certificaten

Artikel 4.25. Cijferlijst staatsexamen
  • 1. Op de cijferlijst van de examenkandidaat die is afgewezen voor het staatsexamen worden over de vakken waarin hij in dat jaar door het college is geëxamineerd, vermeld:

    • a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen;

    • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;

    • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo;

    • d. de eindcijfers voor de examenvakken;

    • e. de uitslag van het staatsexamen.

  • 2. Op de cijferlijst van de examenkandidaat die is geslaagd voor het staatsexamen worden over elk examenvak dat bij de bepaling van de uitslag is betrokken vermeld:

    • a. de cijfers voor het college-examen, het centraal examen, en in voorkomend geval het schoolexamen;

    • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;

    • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo;

    • d. de vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor deze vakken;

    • e. de eindcijfers voor de examenvakken; en

    • f. de uitslag van het staatsexamen.

  • 3. Indien een examenkandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste nodig zijn voor het behalen van het staatsexamen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de examenkandidaat daartegen bezwaar heeft.

  • 4. Het college ondertekent de cijferlijst.

Artikel 4.26. Cijferlijst deelstaatsexamen
  • 1. Het college reikt aan de kandidaat die deelstaatsexamen heeft afgelegd een cijferlijst uit waarop zijn vermeld:

    • a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen;

    • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;

    • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo; en

    • d. de eindcijfers voor de examenvakken.

  • 2. Het college ondertekent de cijferlijst voor het deelstaatsexamen.

Artikel 4.27. Vermelding van vakken met vrijstelling of ontheffing op cijferlijst vwo en havo

Bij het staatsexamen vwo en het staatsexamen havo worden op de cijferlijst vermeld:

  • a. vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van de artikelen 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;

  • b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen vwo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd examen havo of vmbo waarvan deze vwo-vakken deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;

  • c. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen havo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd examen vmbo waarvan deze vakken of de overeenkomstige vakken, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;

  • d. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, zonder vermelding van een cijfer.

Artikel 4.28. Vermelding van vakken met vrijstelling of ontheffing op cijferlijst vmbo

Bij het staatsexamen vmbo worden op de cijferlijst vermeld:

  • a. vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van de artikelen 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;

  • b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen vmbo theoretische leerweg of staatsexamen vmbo gemengde leerweg is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen of staatsexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg of eindexamen of staatsexamen basisberoepsgerichte leerweg waarvan deze vakken of de overeenkomstige vakken, bedoeld in de artikelen 2.18 of 2.27, deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;

  • c. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, zonder vermelding van een cijfer.

Artikel 4.29. Diploma staatsexamen
  • 1. Op elk diploma voor het staatsexamen wordt het profiel of de profielen vermeld die bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken.

  • 2. Het college ondertekent het diploma.

Artikel 4.30. Judicium cum laude staatsexamen vwo en havo
  • 1. Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vwo met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en

      • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld;

    • b. ten minste het eindcijfer 7 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.20; en

    • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.

  • 2. Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen havo met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en

      • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld;

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.20; en

    • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.

Artikel 4.31. Judicium cum laude staatsexamen vmbo
  • 1. Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo theoretische leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel, en

      • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld,

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21, en

    • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.

  • 2. Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg of kaderberoepsgerichte leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van:

      • 1°. de eindcijfers voor het profielvak en de twee algemene vakken van het profieldeel, en

      • 2°. het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.21, derde lid,

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21, en

    • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.

  • 3. Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo gemengde leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:

      • 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel;

      • 2°. het algemene vak uit het vrije deel of het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.21, vierde lid; en

    • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21.

Artikel 4.32. Certificaat indien geen diploma wordt uitgereikt
  • 1. Op het certificaat, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden vermeld:

    • a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;

    • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;

    • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo, voor zover beoordeeld met «goed» of «voldoende».

  • 2. Het college ondertekent het certificaat.

Artikel 4.33. Duplicaten, afgifte verklaringen en vervangende opleidingsdocumenten
  • 1. Van een afgegeven diploma, certificaat, bewijs van ontheffing of cijferlijst worden geen duplicaat verstrekt.

  • 2. Onze Minister kan een schriftelijke verklaring verstrekken dat een document als bedoeld in het eerste lid is afgegeven. Deze verklaring heeft dezelfde waarde als dat document zelf.

  • 3. Onze Minister kan een document ter vervanging van een diploma, certificaat of cijferlijst verstrekken indien op grond van artikel 4, vierde lid, artikel 7, eerste lid, of artikel 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of ten gevolge van het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, de voornaam respectievelijk de geslachtsnaam van de examenkandidaat is gewijzigd.

Paragraaf 7. Specifieke voorzieningen staatsexamen

Artikel 4.34. Afwijkende wijze van examineren bij handicap of ziekte
  • 1. Het college kan toestaan dat een examenkandidaat op grond van zijn handicap of ziekte het staatsexamen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die examenkandidaat.

  • 2. Het college bepaalt de wijze waarop het staatsexamen door de examenkandidaat wordt afgelegd, met dien verstande dat aan de overige bepalingen in dit besluit wordt voldaan.

  • 3. Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap, geldt voor de aangepaste wijze van examineren, bedoeld in het eerste lid, dat:

    • a. een deskundigenverklaring voorligt die door een ter zake kundige psycholoog, orthopedagoog, neuroloog of psychiater is opgesteld;

    • b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten; en

    • c. een andere aanpassing slechts kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onder a genoemde deskundigenverklaring over betrokkene een voorstel wordt gedaan of indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.

  • 4. Het college doet van elke afwijking op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

Artikel 4.35. Afwijkende wijze van examineren bij onvoldoende beheersing Nederlandse taal
  • 1. Het college kan toestaan dat voor examenkandidaat op grond van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal wordt afgeweken van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, indien de examenkandidaat met inbegrip van het jaar waarin hij staatsexamen of deelstaatsexamen aflegt, ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd en niet het Nederlands als moedertaal heeft.

  • 2. De afwijking, bedoeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op:

    • a. het vak Nederlandse taal en literatuur;

    • b. enig ander vak waarbij het gebruik van de Nederlandse taal van overwegende betekenis is.

  • 3. De afwijking, bedoeld in het eerste lid, bestaat voor het centraal examen uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten, en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek van de Nederlandse taal.

  • 4. Het college doet van elke afwijking op grond van dit artikel mededeling aan de inspectie.

Paragraaf 8. Maatregelen in geval van onregelmatigheden

Artikel 4.36. Maatregelen in geval van onregelmatigheden
  • 1. De maatregelen, bedoeld in artikel 2.82, eerste lid, van de wet, die het college jegens een examenkandidaat kan nemen, zijn:

    • a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het college-examen of het centraal examen;

    • b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het college-examen of het centraal examen van dat vak;

    • c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het al afgelegde deel van het college-examen of het centraal examen;

    • d. minder vergaande maatregelen dan die, bedoeld onderdelen a tot en met c.

  • 2. De maatregelen kunnen afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid afzonderlijk of in combinatie met elkaar genomen worden.

  • 3. De ontzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten aanzien van een examenkandidaat die in meer dan een vak eindexamen aflegt, kan betrekking hebben op alle toetsen.

  • 4. Indien de onregelmatigheid pas wordt ontdekt na afloop van het examen, kan het college de examenkandidaat het diploma, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de wet, het certificaat, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel b, van de wet, of de cijferlijst onthouden, of kan bepalen dat aan de betrokken examenkandidaat dat diploma of certificaat, of die cijferlijst, alleen kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in de door het college aan te wijzen onderdelen en op de door deze te bepalen wijze.

  • 5. Het college zendt het besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt genomen aan de examenkandidaat en zijn wettelijke vertegenwoordigers, en in afschrift aan de inspectie.

Artikel 4.37. Beslissing op bezwaar bij onregelmatigheden
  • 1. Het college stelt bij zijn beslissing op een bezwaarschrift tegen een maatregel als bedoeld in artikel 4.36 zo nodig vast op welke wijze de examenkandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het staatsexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen of opnieuw af te leggen.

  • 2. Het college zendt zijn beslissing op het bezwaar in afschrift aan de wettelijke vertegenwoordigers indien de examenkandidaat minderjarig is en aan de inspectie.

Paragraaf 9. Gegevensverstrekking en bewaren examenwerk

Artikel 4.38. Gegevensverstrekking
  • 1. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve uitslag zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat die niet is geslaagd voor het staatsexamen, voor zover van toepassing, vermeldt:

    • a. de vakken waarin examen is afgelegd;

    • b. de cijfers van het college-examen;

    • c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft;

    • d. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo;

    • e. de cijfers van het centraal examen;

    • f. de eindcijfers;

    • g. de uitslag van het staatsexamen.

  • 2. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve uitslag zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat die is geslaagd voor het staatsexamen, voor zover van toepassing, vermeldt:

    • a. het profiel of de profielen waarop het examen betrekking heeft;

    • b. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst;

    • c. de cijfers van het college-examen of het schoolexamen;

    • d. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft;

    • e. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo;

    • f. de cijfers van het centraal examen;

    • g. de eindcijfers;

    • h. de vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor die vakken;

    • i. de uitslag van het staatsexamen.

  • 3. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de eindcijfers van de examenkandidaten die deelstaatsexamen hebben afgelegd, zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat vermeldt:

    • a. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst;

    • b. de cijfers van het college-examen;

    • c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft;

    • d. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo;

    • e. de cijfers van het centraal examen;

    • f. de eindcijfers.

Artikel 4.39. Bewaren examenwerk
  • 1. Het schriftelijke werk van de examenkandidaat wordt gedurende ten minste zes maanden na afloop van het examen bewaard op een door het college te bepalen wijze. Een examenkandidaat die voor een vak centraal examen aflegt met geheime opgaven kan over zijn werk gedurende genoemde periode van zes maanden inlichtingen inwinnen bij het college. De andere examenkandidaten kunnen gedurende die periode hun schriftelijk werk inzien.

  • 2. Een door het college ondertekend exemplaar van de lijst, bedoeld in artikel 4.38, eerste, tweede en derde lid, en de door de examenkandidaat overgelegde documenten, worden gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag in het archief van het college bewaard.

  • 3. Het college draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van het college.

HOOFDSTUK 5. SPECIFIEKE BEPALINGEN VOORZIENINGENPLANNING VMBO

Artikel 5.1. Bekostiging gemengde leerweg

  • 1. Onderwijs in de gemengde leerweg aan een hoofdvestiging of een nevenvestiging van een school voor vbo of aan een aoc voor zover het gaat om vbo, wordt op grond van artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de wet, voor bekostiging in aanmerking gebracht, indien het bevoegd gezag van dat onderwijs met het bevoegd gezag van een school voor mavo een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten voor de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding en de examinering.

  • 2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op onderwijs in de gemengde leerweg aan een hoofdvestiging of een nevenvestiging van een school voor mavo.

Artikel 5.2. Bekostiging profiel groen aan school voor vbo

Onderwijs in het profiel groen, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, onderdeel i, van de wet, aan een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor vbo, wordt op grond van artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, voor bekostiging in aanmerking gebracht indien:

  • a. het bevoegd gezag van een aoc deelneemt aan het regionaal plan onderwijsvoorzieningen, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; of

  • b. het bevoegd gezag van het aoc waarvan een vestiging het dichtst gelegen is bij de vestiging waar het onderwijs in het profiel groen zal worden gegeven, heeft verklaard daarmee in te stemmen.

Artikel 5.3. Bekostiging profiel dienstverlening en producten aan een aoc

Onderwijs in het profiel dienstverlening en producten, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, onderdeel j, van de wet, aan een aoc, voor zover het gaat om vbo, wordt op grond van artikel 4.20, eerste lid, onderdeel f, van de wet, voor bekostiging in aanmerking gebracht als het gaat om onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel.

HOOFDSTUK 6. BEKOSTIGING EN VERANTWOORDING

Paragraaf 1. Vaststelling omvang bekostiging

Artikel 6.1. Bekostiging school of scholengemeenschap
  • 1. Een vestiging van een school of scholengemeenschap komt in aanmerking voor het bedrag, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wet indien:

    • a. sprake is van een hoofdvestiging of een nevenvestiging, waaraan door Onze Minister een registratienummer als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers is toegekend; en

    • b. bij die vestiging op de teldatum ten minste 130 leerlingen of, indien sprake is van een vestiging waaraan uitsluitend praktijkonderwijs wordt verzorgd, 60 leerlingen, staan ingeschreven.

  • 2. Bij het bepalen van het bedrag per vestiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen een bedrag voor de hoofdvestiging van een school of scholengemeenschap en een bedrag voor een nevenvestiging.

  • 3. Bij het bepalen van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; en

    • b. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo.

  • 4. Een hoofd- of nevenvestiging van een scholengemeenschap komt in aanmerking voor aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 5.9, derde lid, van de wet, indien aan die vestiging onderwijs wordt verzorgd in alle leerjaren van het vwo, havo, mavo en vbo. De hoogte van deze aanvullende bekostiging wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 6.2. Vaststellen van de bekostiging
  • 1. Onze Minister stelt jaarlijks voor elke school of scholengemeenschap de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 5.6 van de wet vast.

  • 2. Onze Minister stelt voor elke school of scholengemeenschap die daarvoor in aanmerking komt het bedrag van de aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10 vast.

  • 3. De bekostiging bedoeld in het eerste lid komt tot stand door het aantal vestigingen, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, en het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 8, te vermenigvuldigen met de bedragen per vestiging en per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de wet, waarbij de uitkomst van deze vermenigvuldigingen bij elkaar wordt opgeteld.

Artikel 6.3. Aanvang bekostiging; startbekostiging
  • 1. Het Rijk verstrekt de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet, met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond hoofdstuk 4 van de wet een aanvang neemt.

  • 2. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet, verstrekken gedurende een periode van ten hoogste vier maanden voorafgaand aan de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van hoofdstuk 4 van de wet een aanvang neemt.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.

Artikel 6.4. Vermindering bekostiging in verband met verrekening kosten werkloosheidsuitkeringen en suppleties arbeidsongeschiktheid
  • 1. Onze Minister brengt op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32 van de wet voor een school voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:

    (PI/PL) x (A + B + C + D)

    In deze formule wordt verstaan onder:

    PI: de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4 van de wet van de desbetreffende school voor het desbetreffende kalenderjaar;

    PL: de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4 van de wet, van alle scholen voor het desbetreffende kalenderjaar;

    A: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;

    B: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;

    C: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij ten aanzien van de verschillende soorten uitkeringen verschillende percentages kunnen worden vastgesteld;

    D: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een school die de taken beëindigt, anders dan op grond van een samenvoeging, een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.33 van de wet, of een splitsing, indien het bevoegd gezag van deze school niet tevens een andere school onder zijn bestuur heeft.

  • 2. Onze Minister brengt tevens op de bekostiging van een school of samenwerkingsverband voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:

    • a. de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, niet heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen; en

    • b. een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school of samenwerkingsverband voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij het percentage bedoeld in het eerste lid, onder c, en het in dit onderdeel bedoelde percentage samen 100 bedraagt.

  • 3. De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op hele eurocenten.

  • 4. Indien een school is opgeheven, wordt het desbetreffende bevoegd gezag belast indien deze nog ten minste één andere school onder zijn bestuur heeft.

  • 5. Over het moment en de wijze van in mindering brengen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 6.5. Bekostiging scholen voortgezet onderwijs in verticale scholengemeenschappen

In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, wordt er voor een verticale scholengemeenschap in het bedrag per vestiging geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdvestiging en een nevenvestiging. De hoofdvestiging van een verticale scholengemeenschap die voldoet aan artikel 6.1, eerste lid, komt in aanmerking voor het op grond van artikel 6.1, tweede lid, vastgestelde bedrag voor een nevenvestiging.

Artikel 6.6. Toepassing op cursussen

Onze Minister bepaalt de wijze waarop de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet en de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van toepassing zijn op een cursus als bedoeld in artikel 4.28 van de wet, verbonden aan een school of scholengemeenschap, in verband met de aard, inhoud, omvang of duur van de cursus.

Paragraaf 2. Leerlingentelling

Artikel 6.7. Leerlingentelling
  • 1. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de wet worden, onverminderd de artikelen 2.45, 6.8, 6.9, 6.10 en 8.13, de leerlingen meegeteld die op de teldatum:

    • a. op die school als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven, of

    • b. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen tijdelijk buiten de school waar zij staan ingeschreven zijn geplaatst.

  • 2. Een leerling telt voor één school mee voor de bekostiging.

Artikel 6.8. Leerlingen die niet worden meegeteld
  • 1. Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging van een school of scholengemeenschap worden niet meegeteld de leerlingen die:

    • a. vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd;

    • b. al met goed gevolg eindexamen aan een school voor vwo, havo, mavo of vbo hebben afgelegd en zich voorbereiden op het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school, met dien verstande dat het afleggen van het eindexamen in een bepaalde leerweg van het vmbo door een leerling die al met goed gevolg het eindexamen heeft afgelegd van een andere leerweg van het vmbo niet wordt aangemerkt als het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school;

    • c. deelnemen aan het onderwijs in het kader van contractactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de wet; en

    • d. voor zover het betreft de bekostiging bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, onderdeel b, en 5.5 van de wet, nieuwkomers zijn die op de teldatum korter dan 1 jaar in Nederland zijn.

  • 2. Als geldige reden voor verzuim als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt:

    • a. ten aanzien van een leerplichtige leerling: een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de LPW of de LPW BES;

    • b. ten aanzien van een niet-leerplichtige leerling: dezelfde gronden als die welke leiden tot vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in onderdeel a.

Artikel 6.9. Telling leerlingen in leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs
  • 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.7, 6.8 en 6.10, wordt een leerling meegeteld voor de aanvullende bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van de wet, indien:

    • a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat:

      • 1°. de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs; of

      • 2°. de leerling is toelaatbaar tot het praktijkonderwijs; of

    • b. sprake is van een tijdelijke plaatsing als bedoeld in artikel 8.13 van de wet.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.7, 6.8 en 6.10 wordt een leerling in het praktijkonderwijs meegeteld voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van de wet, indien:

    • a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs; of

    • b. er sprake is van een tijdelijke plaatsing als bedoeld in artikel 8.13 van de wet.

Artikel 6.10. Telling leerlingen binnen samenwerkingsovereenkomst VO-BVE
  • 1. Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.57 en 2.59 worden aangemerkt als leerlingen die op de teldatum als werkelijk schoolgaand op de school zijn ingeschreven, als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid. Artikel 6.8, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, is op deze leerlingen van overeenkomstige toepassing.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, tellen leerlingen die zijn afgewezen voor een eindexamen als bedoeld in artikel 2.51 van de wet en aansluitend op grond van artikel 2.58 voor een of meer vakken vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.

  • 3. In afwijking van het eerste lid en van artikel 6.8, eerste lid, onderdeel b, tellen leerlingen die met goed gevolg eindexamen aan een school voor vwo, havo of mavo hebben afgelegd, zich voorbereiden op het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school en op grond van artikel 2.58 voor een of meer vakken vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.

Paragraaf 3. Betaling van de bekostiging

Artikel 6.11. Betaalritme en in mindering brengen bedragen
  • 1. Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van de bekostiging, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, waarop het over dat jaar recht heeft.

  • 2. Onze Minister kan op de in artikel 6.2, eerste lid, bedoelde bekostiging de verwachte bedragen als bedoeld in artikel 5.34, vijfde lid, van de wet in mindering brengen.

  • 3. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt in een keer betaald dan wel wordt betaald volgens een bij ministeriële regeling te bepalen betaalritme.

Artikel 6.12. Terugmelding gegevens aantal leerlingen op de teldatum; accountantscontrole
  • 1. Voor de vaststelling van de bekostiging zendt Onze Minister jaarlijks voor 15 januari volgend op de teldatum aan het bevoegd gezag overzichten van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, derde lid, en 8, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging voor het daarop volgende kalenderjaar in aanmerking wordt genomen.

  • 2. Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister voor het daaropvolgende schooljaar:

    • a. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, derde lid, en 8, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers van de leerlingen op de teldatum die het aan Onze Minister heeft gemeld; of

    • b. indien de in onderdeel a bedoelde gegevens naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens; en

    • c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld:

    • a. een model voor de verklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en c; en

    • b. een leidraad voor de controle door de accountant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

  • 4. Indien Onze Minister voor 1 juli in enig jaar aanvullende bekostiging heeft vastgesteld, dient het bevoegd gezag voor die datum bij Onze Minister een verklaring in over de juistheid van de respectievelijk voor de vaststelling van de aanvullende bekostiging aan Onze Minister gemelde gegevens. Het tweede lid, onderdelen b en c, en het derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.13. Bekendmaking en latere wijziging bekostiging
  • 1. Onze Minister maakt het bedrag voor de bekostiging, bedoeld in artikel 5.6 en 5.9 van de wet, bekend voorafgaand aan het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft.

  • 2. Indien de verklaring, bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel c, van de accountant daartoe aanleiding geeft, wijzigt Onze Minister de bekostiging of aanvullende bekostiging.

  • 3. Onze Minister kan de bekostiging wijzigen wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 6.14. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling verminderingen
  • 1. Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen op de bekostiging, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de bekostiging.

  • 2. De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt zo snel mogelijk na afloop van het desbetreffende kalenderjaar plaats.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het in mindering brengen van bekostiging.

Artikel 6.15. Afwijking wegens bijzondere inrichting onderwijs

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap met een bijzondere inrichting van het onderwijs besluiten dat wordt afgeweken van de artikelen 6.1 tot en met 6.14.

Paragraaf 4. Boekhouding, financieel beheer en financiële controle

Artikel 6.16. Boekhouding
  • 1. De boekhouding van een niet door een gemeente in stand gehouden school is zodanig ingericht dat op doelmatige wijze informatie kan worden verkregen over het gevoerde financiële beheer.

  • 2. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6.17. Verstrekking nadere financiële informatie aan minister
  • 1. Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van Onze Minister nadere financiële informatie met betrekking tot de school.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de financiële informatie wordt verstrekt.

Artikel 6.18. Vaststelling begroting
  • 1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks tijdig voor het komende begrotingsjaar een begroting vast voor de school.

  • 2. De begroting bevat een raming van de baten en lasten van de school en is sluitend. De in de begroting voorziene baten uit de van het Rijk te ontvangen bekostiging komen overeen met de voor het desbetreffende jaar door Onze Minister vastgestelde bekostiging.

  • 3. Het bevoegd gezag doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.

  • 4. Af- en overschrijving op de uitgavenposten van de begroting kunnen door het bevoegd gezag geschieden overeenkomstig door het bevoegd gezag vastgestelde regels.

  • 5. Het bevoegd gezag zendt Onze Minister op diens verzoek de vastgestelde begroting. 6. Bij ministeriële regeling kan een model voor de inrichting van de begroting worden vastgesteld.

Artikel 6.19. Jaarverslag
  • 1. Het jaarverslag, bedoeld in artikel 5.46 van de wet, wordt ingericht overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks ten behoeve van de school een jaarverslag vast over het afgelopen jaar.

  • 3. In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financieel beheer. Uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksbekostiging. De jaarrekening omvat ook de gegevens die van belang zijn voor de verantwoording met betrekking tot de besteding van toegekende aanvullende bekostiging.

  • 4. Het bevoegd gezag zendt het vastgestelde jaarverslag voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar aan Onze Minister. Het jaarverslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat aan Onze Minister op diens verzoek inzage wordt geboden in de controlerapporten en de controledossiers van de accountant.

  • 5. Indien het bevoegd gezag meer dan één school in stand houdt, wordt voor deze scholen een gezamenlijke balans en een gezamenlijke exploitatierekening vastgesteld. Bij de jaarrekening is een bijlage gevoegd die inzicht biedt in het bestedingspatroon voor de afzonderlijke scholen van het bevoegd gezag.

  • 6. Bij ministeriële regeling wordt een model voor de inrichting van de jaarrekening vastgesteld.

  • 7. Bij ministeriële regeling kan een leidraad worden vastgesteld over de inrichting en de uitvoering van de controle door de accountant.

Artikel 6.20. Vermelding aanvullende bekostiging in jaarrekening
  • 1. Indien aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende bekostiging is verstrekt onder de voorwaarde dat deze bekostiging voor het bij de verstrekking aangegeven doel wordt besteed, blijkt uit de jaarrekening van de school in hoeverre deze bekostiging voor dat doel is besteed.

  • 2. Indien verrekening plaatsvindt of zal plaatsvinden van het daadwerkelijk bestede bedrag met de vastgestelde aanvullende bekostiging, maakt het bevoegd gezag in de desbetreffende jaarrekening melding van het daadwerkelijk bestede bedrag.

Artikel 6.21. Onderzoek minister en correctie bekostiging
  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de inspectie op grond van de WOT kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar:

    • a. de jaarverslaggeving;

    • b. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging;

    • c. de rechtmatigheid van de bestedingen;

    • d. de doelmatigheid van het financiële beheer van de school.

  • 2. Onze Minister kan besluiten tot het aanbrengen van correcties op de bekostiging indien uit een onderzoek als bedoeld in het eerste lid blijkt dat de bekostiging van een school onjuist is vastgesteld. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 3. Onverminderd artikel 4:49 Awb, kan Onze Minister besluiten dat een gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, indien uit het jaarverslag, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 5.46, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend.

Artikel 6.22. Betaling correcties

Onze Minister betaalt een correctie als bedoeld in artikel 6.21, tweede lid, die strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de bekendmaking van de mededeling, bedoeld in artikel 6.21, tweede lid.

Paragraaf 5. Informatie voor bekostiging

Artikel 6.23. Beschrijving van gegevens voor berekening bekostiging en de juistheid daarvan
  • 1. De gegevens, bedoeld in de artikel 5.48, eerste lid, van de wet, waarover een bevoegd gezag of een samenwerkingsverband beschikt, worden gedefinieerd en geordend volgens de regels vermeld in bijlage 3.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gegevens die betrekking hebben op verstrekte aanvullende bekostiging en de wijze waarop deze gegevens worden gedefinieerd, geordend en beschikbaar gesteld.

  • 4. In de ministeriële regeling wordt geregeld welke gevraagde gegevens van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging.

Artikel 6.24. Aanvullende vragenlijst over bekostiging

Bij ministeriële regeling kan in spoedeisende gevallen een aanvullende vragenlijst over de bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag.

Artikel 6.25. Verzoek om beschikbaarstelling gegevens

Onze Minister kan bij het verzoek om beschikbaarstelling van gegevens als bedoeld in artikel 5.48, eerste lid, van de wet bij hem bekende gegevens opnemen.

Paragraaf 6. Samenvoeging, afsplitsing en opheffing scholen en beëindiging bekostiging

Artikel 6.26. Afwijking leerlingentelling bij aanvang of beëindiging bekostiging
  • 1. In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de op die afwijkende datum getelde leerlingen toerekenen aan de nieuwe scholen. Hij kan daarbij nadere voorschriften geven.

  • 2. Onze Minister kan in verband met de aanvang of beëindiging van de bekostiging van een school, van een scholengemeenschap of van een profiel aan een school voor vbo afwijken van de artikelen 6.7 en 6.8.

Artikel 6.27. Dóórlopen bekostiging in geval van samenvoeging of afsplitsing per 1 augustus
  • 1. Bij samenvoeging van scholen als bedoeld in artikel 4.10 van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar, wordt de bekostiging op grond van artikel 5.4 van de wet, en de aanvullende bekostiging van alle bij de samenvoeging betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.

  • 2. Bij afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar, wordt de bekostiging op grond van artikel 5.4 van de wet, en de aanvullende bekostiging van de bij de afsplitsing betrokken scholengemeenschap gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.

Artikel 6.28. Opheffing van een school

Het bevoegd gezag doet binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school daarvan mededeling aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspectie, en indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gelegen.

Artikel 6.29. Verrekening exploitatie-overschot bij opheffing school
  • 1. Indien een school wordt opgeheven anders dan in verband met samenvoeging met een andere school of de aanspraak op bekostiging voor een school verloren gaat, stort het bevoegd gezag het exploitatie-overschot, bedoeld in artikel 5.37 van de wet, terug in ’s Rijks kas. Het neemt daarbij het derde lid in acht.

  • 2. Het exploitatie-overschot is de som van:

    • a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32 van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt;

    • b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten; en

    • c. voor zover het gaat om een bijzondere school, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.

  • 3. Indien het exploitatie-overschot van een bijzondere school ook is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, geldt als maatstaf voor de verdeling van dat deel van het exploitatie-overschot tussen het Rijk en de gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan overschrijdingsuitkeringen van de gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Paragraaf 7. Samenwerkingsverbanden

Artikel 6.30. Leerlingafhankelijk aantal formatieplaatsen samenwerkingsverbanden

De formatie, bedoeld in artikel 5.13, vijfde lid, van de wet bedraagt 0,007930 formatieplaats per leerling.

Artikel 6.31. Berekening bekostiging samenwerkingsverbanden voor regionale ondersteuning

De bekostiging voor regionale ondersteuning als bedoeld in de artikelen 5.15, eerste en vierde lid, en 5.20, eerste en vierde lid, van de wet, wordt berekend door het jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, bedoeld in de artikelen 5.15, vierde lid, en 5.20, vierde lid, van de wet, te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 6.7 dat als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven op de vestigingen van scholen binnen het samenwerkingsverband.

Artikel 6.32. Van overeenkomstige toepassing

Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

HOOFDSTUK 7. LERARENREGISTER EN REGISTERVOORPORTAAL

Artikel 7.1. Nadere specificatie gegevens in lerarenregister en registervoorportaal

  • 1. De gegevens, bedoeld in de artikelen 7.49, eerste lid, onderdeel c, en 7.59, eerste lid, van de wet, bestaan, naast de ingangsdatum van de benoeming, uit:

    • a. indien van toepassing, de einddatum van de benoeming;

    • b. de ingangsdatum, en indien van toepassing, de einddatum van de arbeidsovereenkomst;

    • c. de benoemingsgrondslag in de wet; en

    • d. alleen voor het registervoorportaal, als het gaat om het gegeven, bedoeld in artikel 7.59, eerste lid, van de wet: de aanduiding leraar voortgezet onderwijs en de onderdelen of de vakken waarvoor hij in het registervoorportaal wordt opgenomen.

  • 2. De gegevens, bedoeld in artikel 7.49, eerste lid, onderdeel d, van de wet bestaan, naast het registratienummer van de school, uit:

    • a. indien van toepassing, de registratienummers van de vestigingen van de school;

    • b. de naam van de school of de vestiging van de school per registratienummer;

    • c. het adres, de postcode en plaats; en

    • d. het telefoonnummer en e-mailadres.

  • 3. De gegevens, bedoeld in artikel 7.49, eerste lid, onderdeel e, van de wet, bestaan uit:

    • a. de aanduiding leraar voortgezet onderwijs;

    • b. de onderdelen of de vakken waarvoor hij opgaat voor herregistratie.

Artikel 7.2. Nadere regels gegevens lerarenregister en registervoorportaal

  • 1. Het bevoegd gezag definieert en ordent met toepassing van bijlage 4 de gegevens die hij op grond van de artikelen 7.50 en 7.60 van de wet aan Onze Minister levert en verwerkt voor het lerarenregister en het registervoorportaal.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    • a. de definiëring en ordening van gegevens, bedoeld in het eerste lid;

    • b. de wijze waarop de gegevens worden gedefinieerd, geordend, gecorrigeerd en verstrekt;

    • c. de tijdstippen waarop de gegevens worden geleverd; en

    • d. de wijze waarop een leraar die niet is benoemd voor opname in het lerarenregister kan aantonen aan de bekwaamheidsvoorschriften te voldoen.

Artikel 7.3. Aanvullende gegevensverstrekking uit lerarenregister en registervoorportaal aan eenieder

  • 1. Naast de gegevens van een leraar, bedoeld in de artikelen 7.57, eerste lid, en 7.62, eerste lid, van de wet, worden op verzoek van eenieder uit het lerarenregister en het registervoorportaal de volgende gegevens over de school verstrekt:

    • a. het registratienummer van de school of vestiging van de school; en

    • b. de naam van de school of vestiging van de school.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een leraar aangeeft dat de gegevens, genoemd in dat lid, niet openbaar worden gemaakt.

Artikel 7.4. Nadere specificatie gegevensverstrekking uit lerarenregister en registervoorportaal

  • 1. De gegevens over de benoeming van een leraar die op grond van artikel 7.57, tweede lid, aanhef en onderdeel b, of artikel 7.62, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet op verzoek van het bevoegd gezag uit het lerarenregister of het registervoorportaal worden verstrekt, bestaan, naast de ingangsdatum van de benoeming, uit:

    • a. indien van toepassing, de einddatum van de benoeming;

    • b. de begindatum en, indien van toepassing, de einddatum van de arbeidsovereenkomst;

    • c. de benoemingsgrondslag in de wet; en

    • d. voor het registervoorportaal, als het gaat om het gegeven over het onderwijs waarvoor hij is benoemd, de aanduiding leraar voortgezet onderwijs en de onderdelen of de vakken waarvoor hij in registervoorportaal wordt opgenomen.

  • 2. De gegevens over de school die op grond van artikel 7.57, tweede lid, aanhef en onderdeel c, of artikel 7.62, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet op verzoek van het bevoegd gezag uit het lerarenregister of het registervoorportaal worden verstrekt worden onderscheiden in de registratienummers van de school, of, indien van toepassing, de vestigingen van de school, en bestaan per registratienummer uit:

    • a. de naam van de school of de vestiging van de school;

    • b. het adres, de postcode en plaats; en

    • c. het telefoonnummer en e-mailadres.

HOOFDSTUK 8. DEELNAME

Paragraaf 1. Toelating en voorwaardelijke bevordering

Artikel 8.1. Toelaatbaarheid leerling van andere school tot het eerste leerjaar
  • 1. De gevallen, bedoeld in artikel 8.5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, waarin het bevoegd gezag een kandidaat-leerling mag toelaten die afkomstig is van een andere school, zijn opgenomen in het tweede tot en met vierde lid van dit artikel.

  • 2. Het bevoegd gezag van een school voor vwo of voor havo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten:

    • a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor vwo of voor havo is toegelaten; of

    • b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor mavo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven tot toelating tot vwo of havo.

  • 3. Het bevoegd gezag van een school voor mavo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten:

    • a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor mavo of tot het eerste leerjaar van een school voor vwo of voor havo is toegelaten; of

    • b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor vbo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven tot toelating tot mavo.

  • 4. Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school is toegelaten, ongeacht de schoolsoort.

Artikel 8.2. Toelatingscommissie
  • 1. Het bevoegd gezag kan zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, van de wet, om te beslissen over de toelating van een leerling tot de school, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitoefenen door een door hem in te stellen toelatingscommissie.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt regels over de omvang, samenstelling en werkzaamheden van de toelatingscommissie en kan nadere regels stellen over de bevoegdheidsuitoefening van de toelatingscommissie.

Artikel 8.3. Toelating eerste leerjaar in specifieke gevallen
  • 1. Indien voor een kandidaat-leerling geen schooladvies als bedoeld in artikel 8.6, tweede lid, van de wet is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op de centrale eindtoets of andere eindtoets als bedoeld in artikel 9b WPO of artikel 18b WEC. Indien de leerling geen centrale eindtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling.

  • 2. Het bevoegd gezag van een school met een bijzondere inrichting waarvoor specifieke kennis of vaardigheden van de kandidaat-leerling noodzakelijk zijn, kan een onderzoek naar die specifieke kennis of vaardigheden bij de kandidaat-leerling afnemen.

Artikel 8.4. Toelatingsprocedure eerste leerjaar

Het bevoegd gezag stelt een procedure op voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en zendt de procedure aan de inspectie.

Artikel 8.5. Verslag over toelating

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een verslag op over de middelen die het heeft toegepast voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en over de daarmee opgedane ervaringen en zendt het verslag jaarlijks binnen zes maanden na de toelating aan de inspectie.

Artikel 8.6. Melding toelating en studieresultaten

Het bevoegd gezag stelt de directeur van de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs, de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in kennis van:

  • a. de beslissing over de toelating; en

  • b. indien de directeur dit verzoekt, de studieresultaten van de leerling na afloop van het eerste leerjaar.

Artikel 8.7. Toelating gelijksoortige school

Bij toelating plaatst het bevoegd gezag de leerling, die van een gelijksoortige school afkomstig is, in het leerjaar waarin die leerling op die andere school onderwijs had mogen volgen.

Artikel 8.8. Voorwaardelijke bevordering
  • 1. Het bevoegd gezag vermeldt een voorwaardelijke bevordering op het eindrapport.

  • 2. Het bevoegd gezag doet ook schriftelijk mededeling van de voorwaardelijke bevordering aan de ouders van de betrokken leerling, waarbij worden vermeld:

    • a. de datum tussen 1 oktober en 1 januari daaropvolgend waarop definitief over de overgang zal worden beslist; en

    • b. de voorwaarden voor bevordering.

  • 3. Bevordering tot het hoogste leerjaar gebeurt niet voorwaardelijk.

Artikel 8.9. Doorstroom naar havo
  • 1. Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de theoretische leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat:

    • a. de vakken, genoemd in artikel 2.16;

    • b. de vakken, genoemd in artikel 2.17, onderdeel b;

    • c. de vakken, genoemd in artikelen 2.6 en 2.7, met uitzondering van de vakken genoemd in artikel 2.7, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d; of

    • d. de vakken, genoemd in artikelen 2.11 en 2.12, met uitzondering van de vakken, genoemd in artikel 2.12, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d.

  • 2. Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de gemengde leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat:

    • a. de vakken, genoemd in artikel 2.25, tweede lid;

    • b. de vakken, genoemd in artikel 2.26, onderdeel c; of

    • c. de vakken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.

Paragraaf 2. Leerlingenadministratie

Artikel 8.10. Inhoud leerlingenadministratie
  • 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor:

    • a. een overzichtelijke administratie van de inschrijving van leerlingen;

    • b. de beschikbaarheid van een bewijs van de uitschrijving en van de gegevens over het verzuim van leerlingen; en

    • c. de beschikbaarheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging.

  • 2. De gegevens van de leerling die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, worden nadat de leerling is uitgeschreven ten minste vijf jaar bewaard.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.

Artikel 8.11. Inschrijving leerlingen
  • 1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Les- en cursusgeldwet, schrijft het bevoegd gezag van een school een leerling slechts in na een beslissing van het bevoegd gezag tot toelating van de leerling, of indien de leerling tijdelijk op de school wordt geplaatst op grond van artikel 8.13 van de wet.

  • 2. Het bevoegd gezag schrijft de leerling in met ingang van:

    • a. de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt; of

    • b. 1 augustus van het schooljaar, indien de leerling de school voor het eerst op de eerste schooldag van het schooljaar bezoekt.

Artikel 8.12 Nadere regels verwijdering
  • 1. Het bevoegd gezag maakt bij beslissingen tot verwijdering van leerlingen op de grond dat deze niet zijn bevorderd tot het zesde leerjaar van het vwo dan wel het vijfde leerjaar van het havo, geen onderscheid tussen leerlingen op basis van de schoolsoort of leerweg waarvoor zij eerder stonden ingeschreven.

  • 2. Een leerling wordt op grond van onvoldoende vorderingen niet in de loop van een schooljaar verwijderd.

Artikel 8.13. Uitschrijving leerlingen
  • 1. Het bevoegd gezag schrijft de leerling uit met ingang van:

    • a. 31 juli van het schooljaar, indien de leerling de school op de laatste schooldag van dat schooljaar heeft bezocht; of

    • b. de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht.

  • 2. Indien het bevoegd gezag van een school waarop de leerling stond ingeschreven, binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers, een melding ontvangt van de inschrijving van de leerling op een andere school of een school voor ander onderwijs, wijzigt het bevoegd gezag de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de dag van inschrijving op die andere school of die school voor ander onderwijs.

Paragraaf 3. Melding en vaststelling langdurige afwezigheid in verband met WTOS

Artikel 8.14. Melding en vaststelling langdurige afwezigheid in verband met WTOS
  • 1. Een ziekte als bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet kan alleen worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts.

  • 2. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid zonder geldige reden van vier weken van een leerling als bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, aan deze leerling dat van die afwezigheid in de leerlingenadministratie van de school aantekening is gemaakt en verzoekt de leerling om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het bevoegd gezag doet daarbij mededeling van de levering van de gegevens van de leerling, bedoeld in artikel 8.20, eerste lid, van de wet.

  • 3. Het bevoegd gezag stelt uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van een periode van acht weken na de aanvang van de afwezigheid vast:

    • a. of de reden die de leerling tijdens deze acht weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is; of

    • b. dat de leerling tijdens deze acht weken geen reden heeft opgegeven voor die afwezigheid; en

    • c. of de leerling tijdens deze acht weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.

  • 4. De melding, bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, vindt plaats uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van acht weken, bedoeld in het tweede lid. Indien die leerling tijdens deze acht weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, meldt het bevoegd gezag Onze Minister ook de datum daarvan.

  • 5. De periode van vijf weken, bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, en de periode van acht weken, bedoeld in het tweede lid, worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs wordt gegeven. Vakantieweken worden niet als onderbreking van de periode gezien.

HOOFDSTUK 9. CARIBISCH NEDERLAND

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 9.1. Reikwijdte hoofdstuk 9

Dit hoofdstuk is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Paragraaf 2. Wijze van toepassing hoofdstuk 2 (Onderwijs)

Artikel 9.2. Afwijkingen in het talenonderwijs
  • 1. In de artikelen 2.3, 2.4 en 2.33 wordt voor «Duitse taal» telkens gelezen «Spaanse taal» en wordt voor «Spaanse taal» telkens gelezen «Papiaments, Duitse taal».

  • 2. In de artikelen 2.5, eerste lid, 2.6, derde lid, en 2.11, derde en vierde lid, wordt voor «Franse taal en literatuur» telkens gelezen «Papiaments, Franse taal en literatuur».

  • 3. In aanvulling op de artikelen 2.17 en 2.26 kan het vrije deel van de theoretische leerweg en van de gemengde leerweg ook het vak Papiaments omvatten.

  • 4. In aanvulling op artikel 2.23 kan het bevoegd gezag de leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om Papiaments als extra vak te volgen.

  • 5. In aanvulling op de artikelen 2.7, onderdeel b, en 2.12, onderdeel b, kunnen ook Papiaments (elementair) en Duitse taal en literatuur (elementair) deel uitmaken van het vrije deel van een profiel in vwo en havo, voor zover deze taal niet al eerder is gevolgd of niet al deel uitmaakt van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, met een normatieve studielast van 480 uur.

Artikel 9.3. Maatschappelijke stage

Artikel 2.41 is niet van toepassing.

Artikel 9.4. Toepassing hoofdstuk 2, paragraaf 8
  • 1. In artikel 2.42, eerste lid, onderdeel d, wordt voor «Bevrijdingsdag» gelezen «Koninkrijksdag».

  • 2. Artikel 2.45 is niet van toepassing.

Artikel 9.5. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

Hoofdstuk 2, paragraaf 9, is niet van toepassing.

Artikel 9.6. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs

Hoofdstuk 2, paragraaf 10, is niet van toepassing.

Artikel 9.7. Samenwerking
  • 1. Het bevoegd gezag kan bij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.56 afwijken van artikel 2.57, tweede lid, als het gaat om het geven van vakken of onderdelen van het profieldeel of het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen.

  • 2. De artikelen 2.59 en 2.60 zijn niet van toepassing.

Artikel 9.8. Gebruik burgerservicenummer door bevoegd gezag

Artikel 2.70 is niet van toepassing.

Paragraaf 3. Wijze van toepassing hoofdstuk 3 (Eindexamen)

Artikel 9.9. Afwijkingen vakken eindexamen
  • 1. De artikelen 3.4, tweede lid, 3.5, derde lid, onderdeel b, en 3.6, derde lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing.

  • 2. In artikel 3.8, derde lid, wordt voor «Duitse taal» gelezen «Spaanse taal» en wordt voor «het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel» gelezen «Arabische taal, Turkse taal, Duitse taal, Papiaments, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde».

Artikel 9.10. Maatschappelijke stage als onderdeel eindexamen

Artikel 3.10 is niet van toepassing.

Artikel 9.11. Aanwijzing gecommitteerden door Minister
  • 1. In afwijking van de artikelen 3.22 en 3.23 wijst Onze Minister voor elke school de gecommitteerden aan en maakt deze aanwijzing bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wijst Onze Minister geen gecommitteerden aan voor het praktische gedeelte van het cspe.

Artikel 9.12. Vervangende opleidingsdocumenten

Artikel 3.51, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 9.13. Uitbesteding vso-leerling aan vbo

Artikel 3.52 is niet van toepassing.

Artikel 9.14. Financiële bijdrage eindexamen extraneus

In afwijking van artikel 3.53, eerste lid, is een extraneus een financiële bijdrage van USD 45 verschuldigd voor het afleggen van het eindexamen.

Artikel 9.15. Afwijkende wijze van examineren bij onvoldoende beheersing Nederlandse taal

In artikel 3.55 wordt voor «ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd» gelezen «ten hoogste zes jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd».

Artikel 9.16. Afwijkingen eindexamen vavo
  • 1. Artikel 3.63, tweede lid, onderdeel c, is niet van toepassing.

  • 2. Bij de toepassing van artikel 3.64 wordt ten hoogte een cijferlijst van een examenkandidaat, die is uitgereikt aan een school, betrokken.

  • 3. Artikel 3.65, derde lid, is niet van toepassing.

  • 4. In artikel 3.69, eerste lid, wordt voor «Franse taal of Duitse taal» gelezen «Franse taal of Spaanse taal».

Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4 (Staatsexamen)

Artikel 9.17. Toelating tot staatsexamen vmbo beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg
  • 1. Artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a, onder 2, en tweede lid, is niet van toepassing.

  • 2. In afwijking van artikel 4.2, eerste lid onderdeel c, overlegt de examenkandidaat voor de toelating tot het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg een cijferlijst waaruit blijkt dat bij het eindexamen voor het beroepsgerichte programma, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, het eindcijfer 6 of hoger is behaald.

Artikel 9.18. Financiële bijdrage voor toelating (deel)staatsexamen
  • 1. In afwijking van artikel 4.3, eerste lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van het staatsexamen USD 45.

  • 2. In afwijking van artikel 4.3, tweede lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van een deelstaatsexamen voor een vak waarin zowel het college-examen als het centraal examen wordt afgelegd USD 20.

  • 3. In afwijking van artikel 4.3, derde lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamen voor een vak waarin alleen het centraal examen of alleen het college-examen wordt afgelegd USD 17.

  • 4. Voor de toelating tot deelstaatsexamens bedraagt de financiële bijdrage per kalenderjaar in totaal niet meer dan USD 45.

Artikel 9.19. Uitslag staatsexamen vmbo

Artikel 4.21, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.

Artikel 9.20. Vervangende opleidingsdocumenten

Artikel 4.33, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 9.21. Afwijkende wijze van examineren bij onvoldoende beheersing Nederlandse taal

In afwijking van artikel 4.35, derde lid, kan de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval bestaan uit een verlenging van de duur van een toets met een door het college noodzakelijk geoordeelde periode, en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek der Nederlandse taal.

Paragraaf 5. Wijze van toepassing hoofdstuk 5 (Specifieke bepalingen voorzieningenplanning vmbo)

Artikel 9.22. Toepassing hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5 is niet van toepassing.

Paragraaf 6. Wijze van toepassing hoofdstuk 6 (Bekostiging en verantwoording)

Artikel 9.23. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

CAPE:

Caribbean Advanced Proficiency Examination als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;

CCSLC:

Caribbean Certificate of Secondary Level Competence als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;

CSEC:

Caribbean Secondary Education Certificate als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;

CVQ:

Caribbean Vocational Qualification als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;

ISK-leerlingen:

leerlingen in een internationale schakelklas op scholen op Bonaire;

lower forms:

de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs aan scholen op Sint Eustatius en Saba, dat wordt ingevuld met CCSLC, eventueel aangevuld met vakken van CSEC en CVQ.

Artikel 9.24. Bekostiging school

In plaats van artikel 6.1 is artikel 9.25 van toepassing.

Artikel 9.25. Bekostiging school
  • 1. De bekostiging, bedoeld in artikel 11.56 van de wet, voor scholen op Bonaire bestaat uit:

    • a. een bedrag per school dat afhangt van het aantal leerlingen op de school;

    • b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:

      • 1°. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, alsmede ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte; en

      • 2°. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte;

    • c. een bij ministeriële regeling te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de bedragen bedoeld in de onderdelen a en b, in verband met de zorg aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van de wet; en

    • d. een aanvullend bedrag per school voor het opzetten en in stand houden van kleine arbeidsmarktgerelateerde mbo-opleidingen.

  • 2. De bekostiging, bedoeld in artikel 11.56 van de wet, voor scholen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, bestaat uit:

    • a. een bedrag per school, dat afhangt van het aantal leerlingen op de school;

    • b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:

      • 1°. leerlingen in de lower forms of leerlingen die CSEC en CAPE volgen; en

      • 2°. leerlingen in het praktijkonderwijs of leerlingen die CVQ volgen.

    • c. een bij ministeriële regeling nader te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de bedragen, bedoeld in de onderdelen a en b, in verband met de zorg aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van de wet;

    • d. een bij ministeriële regeling te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de onderdelen a tot en met c in verband met het loon- en prijspeil en de examenkosten op Sint-Eustatius en Saba;

    • e. een aanvullend bedrag per school in verband met de geïsoleerde ligging en de kleinschaligheid op Sint Eustatius en Saba, dat afhangt van het aantal leerlingen op de school; en

    • f. een aanvullend bedrag per school voor het opzetten en in stand houden van kleine arbeidsmarktgerelateerde CVQ-opleidingen.

  • 3. De bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt vastgesteld in US dollars, en wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.

Artikel 9.26. Vaststellen van de bekostiging
  • 1. In artikel 6.2, eerste lid, wordt voor «artikel 5.6» gelezen «artikel 11.56».

  • 2. Artikel 6.2, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 9.27. Aanvang bekostiging; startbekostiging

In artikel 6.3 wordt telkens voor «de artikelen 5.4 en 5.5» gelezen «de artikelen 5.4 en 11.56» en wordt voor «hoofdstuk 4 van de wet» gelezen «hoofdstukken 4 en 11, paragraaf 4, van de wet».

Artikel 9.28. Vermindering bekostiging in verband met verrekening kosten werkloosheidsuitkeringen en suppleties arbeidsongeschiktheid

Artikel 6.4 is niet van toepassing.

Artikel 9.29. Bekostiging scholen voortgezet onderwijs in verticale scholengemeenschappen

Artikel 6.5 is niet van toepassing.

Artikel 9.30. Toepassing op cursussen

Artikel 6.6 is niet van toepassing.

Artikel 9.31. Leerlingen die niet worden meegeteld

In plaats van artikel 6.8 is artikel 9.32 van toepassing.

Artikel 9.32. Leerlingen die niet worden meegeteld
  • 1. Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging van een school of scholengemeenschap worden niet meegeteld de leerlingen die :

    • a. vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd; en

    • b. deelnemen aan het onderwijs in het kader van contractactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de wet.

  • 2. Als geldige reden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor verzuim wordt aangemerkt:

    • a. ten aanzien van een leerplichtige leerling: een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de LPW BES; of

    • b. ten aanzien van een niet-leerplichtige leerling: dezelfde gronden als die welke leiden tot vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in onderdeel a.

  • 3. Bij het bepalen van het aantal leerlingen op de school, bedoeld in artikel 9.25, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, worden tevens ingeschreven studenten als bedoeld in de WEB BES meegeteld.

Artikel 9.33. Overige telling leerlingen

Artikel 6.9 is niet van toepassing.

Artikel 9.34. Betaalritme en in mindering brengen bedragen

In plaats van artikel 6.11 is artikel 9.35 van toepassing.

Artikel 9.35. Betaalritme
  • 1. Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van de bekostiging, bedoeld in artikel 9.25, waarop het over dat jaar recht heeft.

  • 2. De aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10 van de wet, wordt in een keer betaald, dan wel wordt betaald volgens een bij ministeriële regeling te bepalen betaalritme.

Artikel 9.36. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling verminderingen

Artikel 6.14 is niet van toepassing.

Artikel 9.37. Samenwerkingsverband

Hoofdstuk 6, paragraaf 7, is niet van toepassing.

Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7 (Lerarenregister en registervoorportaal)

Artikel 9.38. Toepassing hoofdstuk 7

Hoofdstuk 7 is niet van toepassing.

Paragraaf 8. Wijze van toepassing hoofdstuk 8 (Deelname)

Artikel 9.39. Toelating eerste leerjaar in specifieke gevallen

In plaats van artikel 8.3 is artikel 9.40 van toepassing.

Artikel 9.40. Onderzoek naar de geschiktheid leerling eerste leerjaar
  • 1. Het onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 11.89, derde lid, van de wet, van een leerling vindt plaats met behulp van ten minste een van de hierna genoemde middelen, ter keuze van het bevoegd gezag:

    • a. een toelatingsexamen, door de leraren van de school afgenomen, dat zich ten minste uitstrekt over de vakken Nederlandse taal en rekenen;

    • b. een proefklas;

    • c. een onderzoek naar de kennis en het inzicht van de kandidaat-leerling in ten minste het laatstelijk door hem gevolgde schooljaar aan de basisschool;

    • d. een psychologisch onderzoek.

  • 2. Een kandidaat-leerling wordt alleen met toestemming van de ouders onderworpen aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Deze ouders worden op hun verzoek in de gelegenheid gesteld van de resultaten van het onderzoek kennis te nemen.

  • 3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het rapport van het psychologisch onderzoek wordt bewaard op een plaats die alleen toegankelijk is voor het bevoegd gezag en de met het onderzoek belaste functionarissen. De ouders en de inspectie krijgen desgewenst inzage in dit rapport.

  • 4. Het rapport van het psychologisch onderzoek wordt in de school bewaard tot ten minste drie jaar en ten hoogste vijf jaar na het tijdstip waarop de leerling de school heeft verlaten en wordt in elk geval binnen twee maanden na het verstrijken van de termijn van vijf jaar vernietigd.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op een school voor vwo, voor havo of voor mavo die een gemeenschappelijk eerste leerjaar heeft met een school voor vbo.

Artikel 9.41. Toelating praktijkonderwijs

Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan als leerling toelaten degene die ten minste de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.

Artikel 9.42. Uitschrijving leerlingen

In afwijking van artikel 8.13, eerste lid, schrijft het bevoegd gezag de leerling uit met ingang van de dag volgende op de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de ouders of de leerling indien deze handelingsbekwaam is een bewijs van uitschrijving.

HOOFDSTUK 10. INVOERINGS- EN OVERGANGSRECHT

Paragraaf 1. Invoeringsrecht

Artikel 10.1. Tijdelijke landelijke geschillencommissie toelating en verwijdering
  • 1. De landelijke commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 12.34 van de wet, bestaat uit ten minste zeven leden. De leden worden benoemd op gezamenlijke bindende voordracht van de landelijke ouderorganisaties, de landelijke patiënten- en gehandicaptenorganisaties en de sectororganisaties.

  • 2. Onze Minister benoemt en ontslaat de leden.

  • 3. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen ten hoogste twee maal worden herbenoemd.

  • 4. De commissie is zo samengesteld dat zij beschikt over (ortho)pedagogische, psychologische, onderwijskundige, maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en medische deskundigheid. Voor de behandeling van elk ingediend geschil kiest de commissie uit haar leden een voorzitter en twee leden. De commissie bepaalt welke samenstelling bij de behandeling van het geschil het meest geschikt is.

  • 5. De leden worden op hun verzoek door Onze Minister ontslagen.

  • 6. De leden mogen geen deel uitmaken van het bevoegd gezag van een van de scholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband dat betrokken is in het geschil of het bevoegd gezag van dat samenwerkingsverband.

  • 7. De leden functioneren zonder last of ruggenspraak.

Artikel 10.2. Geschillenbehandeling
  • 1. De landelijke commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 12.34 van de wet, zendt haar oordeel over een geschil aan het bevoegd gezag en een afschrift van haar oordeel aan de ouders.

  • 2. Het bevoegd gezag van de school die het oordeel van de commissie heeft ontvangen, deelt schriftelijk aan de ouders en aan de commissie mee wat met het oordeel wordt gedaan.

  • 3. Indien de beslissing van het bevoegd gezag van de school afwijkt van het oordeel van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.

Paragraaf 2. Overgangsrecht

Artikel 10.3. Overgangsrecht schoolexamen rekenen
  • 1. Het eindexamen vmbo en havo omvat voor leerlingen die geen eindexamen afleggen in het vak wiskunde een schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is een kandidaat die in het bezit is van het diploma van een leerweg in het vmbo en die het schoolexamen rekenen heeft afgelegd zoals dit op grond van artikel 2, tweede lid, en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld voor het eindexamen vmbo, bij het afleggen van het eindexamen in een andere leerweg van het vmbo, vrijgesteld van het schoolexamen rekenen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen vmbo aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vrijgesteld van het schoolexamen rekenen, indien hij reeds eerder een schoolexamen rekenen vmbo of een schoolexamen rekenen havo heeft gemaakt. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het eindexamen havo aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs en reeds eerder een schoolexamen rekenen havo heeft gemaakt.

  • 4. Het cijfer voor het schoolexamen rekenen weegt niet mee in de uitslagbepaling voor het eindexamen vmbo en havo, bedoeld in de artikelen 3.34 en 3.35.

  • 5. In afwijking van de artikelen 3.40, eerste lid, onderdeel a, 3.49, tweede lid, 3.72, onderdeel a, en 3.41, onderdeel b, wordt het cijfer voor het schoolexamen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst.

  • 6. Indien de kandidaat is vrijgesteld van het schoolexamen rekenen op grond van het vierde lid, wordt het schoolexamen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.

  • 7. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op het eindcijfer van het vak wiskunde, indien de kandidaat het eindexamen wiskunde heeft afgelegd, het eindcijfer voor wiskunde niet is betrokken in de uitslagbepaling, bedoeld in artikel 3.34 of artikel 3.35, en de kandidaat bedenkingen heeft geuit tegen het opnemen van het eindcijfer van het vak wiskunde op de cijferlijst op grond van artikel 3.40, tweede lid.

  • 8. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het eindexamen vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg aflegt ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet.

  • 9. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 10.4. Overgangsrecht college-examen rekenen
  • 1. Het staatsexamen vmbo en havo omvat voor kandidaten die geen schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet, of eindexamen in het vak wiskunde hebben afgelegd, of voor kandidaten die geen staatsexamen afleggen of hebben afgelegd in het vak wiskunde, een college-examen rekenen als bedoeld in artikel 12.46 van de wet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is een kandidaat die in het bezit is van het diploma van een leerweg in het vmbo en die een schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet, of een college-examen rekenen als bedoeld in het eerste lid, heeft afgelegd zoals dit op grond van artikel 2, tweede lid, en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld voor het eindexamen vmbo, bij het afleggen van het staatsexamen in een andere leerweg van het vmbo, vrijgesteld van het college-examen rekenen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die de rekentoets, bedoeld in artikel 60, zesde lid, van de wet, zoals dat artikel luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233), heeft afgelegd, vrijgesteld van het college-examen rekenen.

  • 4. Het cijfer voor het college-examen rekenen weegt niet mee in de uitslagbepaling voor het staatsexamen vmbo en havo, bedoeld in de artikelen 4.20 en 4.21.

  • 5. In afwijking van de artikelen 4.25, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en 4.26, eerste lid, onderdeel a, wordt het cijfer voor het college-examen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst.

  • 6. Indien de kandidaat is vrijgesteld van het college-examen rekenen op grond van het tweede of het derde lid, wordt het college-examen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.

  • 7. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op het eindcijfer van het vak wiskunde, indien de kandidaat het eindexamen of staatsexamen in het vak wiskunde heeft afgelegd, het eindcijfer voor wiskunde niet is betrokken in de uitslagbepaling, bedoeld in artikel 4.20 of artikel 4.21, en de kandidaat bezwaar heeft tegen het opnemen van het eindcijfer van het vak wiskunde op de cijferlijst op grond van artikel 4.25, derde lid.

  • 8. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het staatsexamen vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg aflegt ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet.

  • 9. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 10.5. Overgangsrecht cijfer en herkansing schoolexamen beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg vmbo schooljaar 2020–2021
  • 1. Het cijfer van het schoolexamen van het profielvak, bedoeld in artikel 60e, derde lid, van het Eindexamenbesluit VO en artikel 47f, derde lid, van het Eindexamenbesluit VO BES, zoals deze besluiten luidden op 1 mei 2021, wordt betrokken bij de berekening van het rekenkundig gemiddelde van de bij het centraal examen behaalde cijfers:

    • a. door de examenkandidaat die het eindexamen vmbo in een leerweg heeft afgelegd, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a; of

    • b. de kandidaat die het staatsexamen in een leerweg in het vmbo heeft afgelegd, bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onderdeel a.

  • 2. De kandidaat, bedoeld in artikel 2.56, vierde lid, van de wet, en artikel 3.56, die in het schooljaar 2020–2021 het eindexamen in het profielvak heeft afgerond, behoudt het recht, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid.

  • 3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2032.

HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1. Intrekking besluiten

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  • a. het Bekostigingsbesluit WVO BES;

  • b. het Besluit bekostiging WVO 2021;

  • c. het Besluit informatievoorziening WVO;

  • d. het Besluit informatievoorziening WVO BES;

  • e. het Besluit kerndoelen onderbouw VO;

  • f. het Besluit kerndoelen onderbouw VO BES;

  • g. het Besluit samenwerking VO-BVE;

  • h. het Besluit samenwerking VO-BVE BES;

  • i. het Eindexamenbesluit VO;

  • j. het Eindexamenbesluit VO BES;

  • k. het Inrichtingsbesluit WVO;

  • l. het Inrichtingsbesluit WVO BES;

  • m. het Staatsexamenbesluit VO;

  • n. het Staatsexamenbesluit VO BES.

Artikel 11.2. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor het Europese deel van Nederland en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 11.3. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 14 oktober 2021

Willem-Alexander

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

Uitgegeven de vijfde november 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Bijlage 1, behorende bij artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Kerndoelen eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs

Onderdeel A: Nederlands

De eerste tien kerndoelen zijn vooral gericht op de communicatieve functie van de Nederlandse taal en kennen een belangrijke plaats toe aan strategische vaardigheden. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan culturele en literaire aspecten (kerndoelen 2 en 8).

  • 1. De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk uit te drukken.

  • 2. De leerling leert zich te houden aan conventies (spelling, grammaticaal correcte zinnen, woordgebruik) en leert het belang van die conventies te zien.

  • 3. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.

  • 4. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven teksten.

  • 5. De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en anderen.

  • 6. De leerling leert deel te nemen aan overleg, planning, discussie in een groep.

  • 7. De leerling leert een mondelinge presentatie te geven.

  • 8. De leerling leert verhalen, gedichten en informatieve teksten te lezen die aan zijn belangstelling tegemoet komen en zijn belevingswereld uitbreiden.

  • 9. De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

  • 10. De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.

Onderdeel B: Engels

Ook de acht kerndoelen voor het onderdeel Engelse taal zijn vooral gericht op de communicatieve functie. De nadruk ligt op Engels als wereldtaal. Vooral met de kerndoelen 11, 14, 15, 16 en 17 kan de relatie worden gelegd met het Europees Referentiekader [Council of Europe (1998), Modern languages; Learning, teaching, assessment. A Common European Framework of Reference (pp. 131–135). Strassbourg: Council of Europe]. Afhankelijk van de leerlingenpopulatie kan de school zich oriënteren op de resultaatbeschrijvingen van de cellen in A1, A2 en B1 in het Referentiekader.

Er zijn geen kerndoelen geformuleerd voor andere moderne vreemde talen – in het bijzonder Duitse taal en Franse taal (in Bonaire, Sint Eustatius en Saba Spaanse taal, Papiaments en Franse taal)- die voor de eerste drie leerjaar op grond van de artikelen 2.3 en 2.4 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 naast de Engelse taal verplicht worden gesteld. Wel kunnen scholen de kerndoelen voor Engels gebruiken als leidraad voor het onderwijs in andere moderne vreemde talen door overal waar «Engels» staat de benaming van de andere moderne vreemde taal te lezen.

  • 11. De leerling leert verder vertrouwd te raken met de klank van het Engels door veel te luisteren naar gesproken en gezongen teksten.

  • 12. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn Engelse woordenschat.

  • 13. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven Engelstalige teksten.

  • 14. De leerling leert in Engelstalige schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en anderen.

  • 15. De leerling leert in spreektaal anderen een beeld te geven van zijn dagelijks leven.

  • 16. De leerling leert standaardgesprekken te voeren om iets te kopen, inlichtingen te vragen en om hulp te vragen.

  • 17. De leerling leert informeel contact in het Engels te onderhouden via e-mail, brief en chatten.

  • 18. De leerling leert welke rol het Engels speelt in verschillende soorten internationale contacten.

Onderdeel C: rekenen en wiskunde

Er zijn negen kerndoelen die betrekking hebben op rekenen en wiskunde. Er wordt ruimte gelaten deze uit te werken op basis van verschillende opvattingen en leerstijlen. Uiteindelijk gaat het bij deze kerndoelen in de eerste plaats om de gebruiksmogelijkheden van (elementaire) rekenvaardigheden en van wiskunde buiten en binnen het onderwijsprogramma, zowel in de onderbouw als in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (inclusief het derde leerjaar havo / vwo). Systematische aandacht in het onderwijsprogramma voor (elementaire) rekenvaardigheden is van belang om doorlopende leerlijnen te realiseren van primair onderwijs, via het voortgezet onderwijs, naar mbo en hoger onderwijs.

  • 19. De leerling leert passende wiskundetaal te gebruiken voor het ordenen van het eigen denken en voor uitleg aan anderen, en leert de wiskundetaal van anderen te begrijpen.

  • 20. De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

  • 21. De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen, en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

  • 22. De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen, en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

  • 23. De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

  • 24. De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metrieke stelsel, en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

  • 25. De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

  • 26. De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren, en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en te redeneren.

  • 27. De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren, en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

Onderdeel D: mens en natuur

De volgende acht kerndoelen bestrijken een groot inhoudelijk terrein, gericht op natuurwetenschappelijke, technologische en zorggerelateerde onderwerpen. Deze kerndoelen geven in globale termen aan waar het daarbij om gaat: een onderzoekende houding ten opzichte van de natuur, herkennen van samenhangen en wisselwerkingen, verbinden van theorieën en modellen met praktisch werk en waarneming, bevorderen van duurzaamheid. Het begint bij vragen stellen (28, 31) en gaat via de benadering van sleutelbegrippen (29, 30) naar kerndoelen waarin meer specifieke onderwerpen en vaardigheden worden genoemd (32 t/m 35).

  • 28. De leerling leert vragen over natuurwetenschappelijke, technologische en zorggerelateerde onderwerpen om te zetten in onderzoeksvragen, een dergelijk onderzoek over een natuurwetenschappelijk onderwerp uit te voeren en de uitkomsten daarvan te presenteren.

  • 29. De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

  • 30. De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.

  • 31. De leerling leert onder andere door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.

  • 32. De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

  • 33. De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over voor hem relevante technische producten en systemen, leert deze kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch product te ontwerpen en te maken.

  • 34. De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijkheid te nemen.

  • 35. De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan beïnvloeden.

Onderdeel E: mens en maatschappij

In de twaalf kerndoelen van het onderdeel mens en maatschappij is een enigszins vergelijkbare structuur te herkennen als bij de kerndoelen van het onderdeel mens en natuur: vragen stellen en onderzoek doen (36, 39), verschijnselen in tijd en ruimte plaatsen (37, 38), gebruik van bronnen (40, 41, 42) en de inhoudelijke thema’s (42 tot 47) geordend van dichtbij en kleinschalig naar verder weg of grootschalig. Verschillende kerndoelen concretiseren de opdracht aan elke school om aandacht te besteden aan burgerschap. Het gaat vooral om de kerndoelen 43 en 44, maar ook met andere kerndoelen wordt invulling gegeven aan deze opdracht: te denken valt aan de kerndoelen 6, 35, 36 en 56.

  • 36. De leerling leert betekenisvolle vragen te stellen over maatschappelijke kwesties en verschijnselen, daarover een beargumenteerd standpunt in te nemen en te verdedigen, en daarbij respectvol met kritiek om te gaan.

  • 37. De leerling in het Europese deel van Nederland leert een kader van tien tijdvakken te gebruiken om gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in hun tijd te plaatsen. De leerling leert hierbij over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken:

    • tijd van jagers en boeren (prehistorie tot 3000 voor Chr.);

    • tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Chr.-500 na Chr.);

    • tijd van monniken en ridders (500–1000);

    • tijd van steden en staten (1000–1500);

    • tijd van ontdekkers en hervormers (1500–1600);

    • tijd van regenten en vorsten (1600–1700);

    • tijd van pruiken en revoluties (1700–1800);

    • tijd van burgers en stoommachines (1800–1900);

    • tijd van wereldoorlogen (1900–1950), en

    • tijd van televisie en computer (1950–heden).

De leerling in het Europese deel van Nederland leert daarbij in elk geval de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de 20e eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust), en hedendaagse ontwikkelingen. De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken.

De leerling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba leert over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: Precolumbiaanse culturen, kolonisatie en verdeling van de Cariben, Nederlandse koloniën en Afrikaanse slavernij, opkomst olie-industrie en de toename van migratie binnen de Antillen en de leerling leert elementen van de Nederlandse geschiedenis waarbij de canon als leidraad kan worden gebruikt

  • 38. De leerling in het Europese deel van Nederland leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Nederland, Europa en de wereld te gebruiken om verschijnselen en ontwikkelingen in hun omgeving te plaatsen.

De leerling in Bonaire, Sint Eustatius of Saba leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Europees Nederland, Europa en de wereld te gebruiken om verschijnselen en ontwikkelingen in hun omgeving te plaatsen.

  • 39. De leerling leert een eenvoudig onderzoek uit te voeren naar een actueel maatschappelijk verschijnsel en de uitkomsten daarvan te presenteren.

  • 40. De leerling leert historische bronnen te gebruiken om zich een beeld van een tijdvak te vormen of antwoorden te vinden op vragen, en hij leert daarbij ook de eigen cultuurhistorische omgeving te betrekken.

  • 41. De leerling leert de atlas als informatiebron te gebruiken en kaarten te lezen en te analyseren om zich te oriënteren, zich een beeld van een gebied te vormen of antwoorden op vragen te vinden.

  • 42. De leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg, wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.

  • 43. De leerling in het Europese deel van Nederland leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

De leerling in Bonaire, Sint Eustatius of Saba leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

  • 44. De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en leert zien hoe mensen op verschillende manieren bij politieke processen betrokken kunnen zijn.

  • 45. De leerling in het Europese deel van Nederland leert de betekenis van Europese samenwerking en de Europese Unie te begrijpen voor zichzelf, Nederland en de wereld. De leerling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba leert op hooflijnen de betekenis te begrijpen voor Nederland en de wereld, van Europese samenwerking en de Europese Unie.

  • 46. De leerling in het Europese deel van Nederland leert over de verdeling van welvaart en armoede over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de bevolking en het milieu, en relaties te leggen met het (eigen) leven in Nederland. De leerling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba leert over de verdeling van welvaart en armoede over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de bevolking en het milieu, en relaties te leggen met het eigen leven.

  • 47. De leerling leert actuele spanningen en conflicten in de wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van internationale samenwerking te zien.

Onderdeel F: kunst en cultuur

Met de vijf kerndoelen voor het onderdeel kunst en cultuur wordt het gemeenschappelijke en het gelijkwaardige van de verschillende kunstzinnige disciplines benadrukt. Doel is een brede oriëntatie op kunst en cultuur. Deze kerndoelen geven ook variatie in activiteiten aan: eigen werk maken en presenteren, andermans werk ervaren en plaatsen, verslag doen van activiteiten, en reflecteren op eigen en andermans werk.

  • 48. De leerling leert door het gebruik van elementaire vaardigheden de zeggingskracht van verschillende kunstzinnige disciplines te onderzoeken en toe te passen om eigen gevoelens uit te drukken, ervaringen vast te leggen, verbeelding vorm te geven en communicatie te bewerkstelligen.

  • 49. De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of als deelnemer in een groep, aan derden te presenteren.

  • 50. De leerling leert op basis van enige achtergrondkennis te kijken naar beeldende kunst, te luisteren naar muziek en te kijken en luisteren naar theater-, dans- of filmvoorstellingen.

  • 51. De leerling leert met behulp van visuele of auditieve middelen verslag te doen van deelname aan kunstzinnige activiteiten, als toeschouwer en als deelnemer.

  • 52. De leerling leert mondeling of schriftelijk te reflecteren op eigen werk en werk van anderen, waaronder dat van kunstenaars.

Onderdeel G: bewegen en sport

In de zes kerndoelen voor het onderdeel bewegen en sport gaat het om een brede oriëntatie op verschillende soorten bewegingsactiviteiten en daarin het verkennen en uitbreiden van de eigen mogelijkheden (53 t/m 55). Omdat sport en bewegen bij uitstek samenwerking vereisen, zijn daarvoor afzonderlijke kerndoelen opgenomen (56 en 57). Het laatste kerndoel (58) expliciteert de relatie met gezondheid en welzijn. Onderwijs in lichamelijke opvoeding, voornamelijk bestaande uit praktische bewegingsactiviteiten, vindt plaats gespreid over het gehele schooljaar, en in zodanige omvang dat wordt voldaan aan de inhoudelijke eisen op het gebied van kwaliteit en variëteit zoals neergelegd in deze kerndoelen.

  • 53. De leerling leert zich ook met het oog op buitenschoolse beoefening op praktische wijze te oriënteren op veel verschillende bewegingsactiviteiten uit gevarieerde gebieden als spel, turnen, atletiek, bewegen op muziek, zelfverdediging en actuele ontwikkelingen in de bewegingscultuur, en daarin de eigen mogelijkheden te verkennen.

  • 54. De leerling leert door middel van uitdagende bewegingssituaties zijn bewegingsrepertoire uit te breiden.

  • 55. De leerling leert de hoofdbeginselen van de bewegingsactiviteiten op eigen niveau toe te passen.

  • 56. De leerling leert tijdens bewegingsactiviteiten sportief te zijn, rekening te houden met de mogelijkheden en voorkeuren van anderen, en respect en zorg te hebben voor elkaar.

  • 57. De leerling leert eenvoudige regelende taken te vervullen die het mogelijk maken, zelfstandig en samen met andere leerlingen bewegingsactiviteiten te beoefenen.

  • 58. De leerling leert door deel te nemen aan praktische bewegingsactiviteiten de waarde van het bewegen voor gezondheid en welzijn kennen en ervaren.

Bijlage 2, behorende bij artikel 2.68 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Ordening gegevens voor het beleid

Deze bijlage bevat een uitputtend overzicht van de gegevens waarover het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband dient te beschikken om te kunnen voldoen aan de structurele gegevensvraag van Onze Minister voor zijn beleid voor het voortgezet onderwijs op grond van artikel 2.111 van de wet.

School, instelling, vestiging

Richting school/instelling

Personeelsgegevens

Persoonsgegevens

Geboortedatum

Geslachtsaanduiding

Burgerservicenummer (Bonaire, Sint Eustatius en Saba: personeelsnummer)

Arbeidsrelatiegegevens

Administratienummer werkgever

Datum begin en einde arbeidsverhouding

Soort arbeidsverhouding (waaronder vast of tijdelijk)

Zij-instroom

Functie, betrekking en salarisgegevens

Administratienummer instelling/school (waar te werk gesteld)

Betrekkinggegevens, waaronder betrekkingsomvang en de

Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen (bapo) in fulltime equivalenten (fte)

Functie (code en omschrijving)

Functiecategorie

Salarisschaal

Salarisnummer

Bruto salaris

Toelagen

Ziekte en verlofgegevens

Bijlage 3, behorende bij artikel 6.23 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Ordening gegevens voor berekening van de hoogte van de bekostiging

Deze bijlage bevat een uitputtend overzicht van de gegevens waarover het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband dient te beschikken om te kunnen voldoen aan de structurele gegevensvraag van Onze Minister op grond van artikel 5.48 van de wet voor de berekening van de hoogte van de bekostiging. Dit laat onverlet dat daarnaast in geval van aanvullende bekostiging de daarvoor benodigde gegevens opgevraagd kunnen worden.

Per rubriek (A1, A2, enz.) is aangegeven op welk niveau de gevraagde informatie geleverd wordt.

A. Instellingsgegevens

A1. Bevoegd gezag

Datum oprichting en opheffing

Een administratienummer

Naam en adresgegevens

Communicatiegegevens, zoals telefoonnummer en e-mailadres

Gegevens voor betalingen, zoals bankgegevens

A2. School, instelling, vestiging

Gegevens over de datum oprichting en opheffing

Datum ingang en einde bekostiging

Schoolsoort en code gedoceerd onderwijs

Een administratienummer

Naam en adresgegevens

Communicatiegegevens, zoals telefoonnummer en e-mailadres

A3. Samenwerkingsverbanden

Administratienummer

Datum ingang en einde bekostiging

Naam

Administratienummers scholen in samenwerkingsverband, inclusief de vestigingsnummers/administratienummers van de vestigingen

Bijlage 4, behorende bij artikel 7.2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Ordening gegevens voor het lerarenregister en het registervoorportaal

Deze bijlage bevat een uitputtend overzicht van de gegevens waarover het bevoegd gezag dient te beschikken voor het lerarenregister en het registervoorportaal.

Per rubriek is aangegeven op welk niveau de gevraagde informatie geleverd wordt.

A. Instellingsgegevens

A1. Bevoegd gezag

Registratienummer

Naam en adresgegevens

Telefoonnummer en e-mailadres

A2. School, instelling, vestiging

Registratienummer

Naam en adresgegevens

Telefoonnummer en e-mailadres

B. Personeelsgegevens

B1. Persoonsgegevens

Burgerservicenummer (Bonaire, Sint Eustatius en Saba: personeelsnummer)

Geslachtsnaam

Voornamen

Adresgegevens

Postcode

Geboortedatum

Geslachtsaanduiding

B2. Arbeidsrelatiegegevens

Datum begin en einde arbeidsovereenkomst

Datum begin en einde van de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming

Benoemingsgrondslag

Onderwijs van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming (alleen registervoorportaal)

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Inleiding

Met de nieuwe Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020) is de Wet op het voortgezet onderwijs vervangen door een consistente, toegankelijke en voor de praktijk beter bruikbare wet. Het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 (hierna: het besluit) strekt ter uitvoering van de WVO 2020, en voor wat de eindexamens in het volwassen algemeen voortgezet onderwijs (vavo) betreft, ook van artikelen uit de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Het besluit is zowel van toepassing in Europees Nederland als Caribisch Nederland.

Het besluit bevat nadere regels over vier hoofdonderwerpen. Het gaat om de volgende:

  • a. de inrichting van het voortgezet onderwijs, waaronder het curriculum van de verschillende schoolsoorten en van de leerwegen in het vmbo;

  • b. het eindexamen en het staatsexamen in het voortgezet onderwijs;

  • c. de bekostiging van scholen voor voortgezet onderwijs;

  • d. de deelname van leerlingen aan de scholen voor voortgezet onderwijs.

Daarnaast bevat het besluit enkele specifieke bepalingen over de voorzieningenplanning in het vmbo, over informatievoorziening en over het lerarenregister en het registervoorportaal.

Hiermee zijn in het besluit diverse onderwerpen samengebracht, die voorheen waren opgenomen in een veertiental aparte algemene maatregelen van bestuur (hierna: amvb’s).1 De inhoud van de volgende zeven amvb’s voor Europees Nederland en zeven amvb’s voor Caribisch Nederland is samengebracht in onderhavig besluit:

  • Inrichtingsbesluit WVO;

  • Inrichtingsbesluit WVO BES;

  • Besluit kerndoelen onderbouw VO;

  • Besluit kerndoelen onderbouw VO BES;

  • Eindexamenbesluit VO;

  • Eindexamenbesluit VO BES;

  • Staatsexamenbesluit VO;

  • Staatsexamenbesluit VO BES;

  • Besluit samenwerking VO-BVE;

  • Besluit samenwerking VO-BVE BES;

  • Besluit informatievoorziening WVO;

  • Besluit informatievoorziening WVO BES;

  • Besluit bekostiging WVO 2021; en

  • Bekostigingsbesluit WVO BES.

Het samenbrengen van deze amvb’s komt onder meer de toegankelijkheid van de regelgeving ten goede. In deze toelichting zal hier nader op worden ingegaan. Omdat de opzet en doelstelling van de WVO 2020 al uitvoerig zijn beschreven in de bijbehorende memorie van toelichting,2 wordt daar in deze nota van toelichting slechts op hoofdlijnen op ingegaan.

2. De technische herziening van de regelgeving voor het voortgezet onderwijs

Dit besluit bouwt voort op de vernieuwde opzet van de WVO 2020. De consistentie, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de wetgeving op het terrein van het voortgezet onderwijs zijn met de WVO 2020 verbeterd. Alle bepalingen zijn in de WVO 2020 in een hoofdstukken-structuur geplaatst, de redactie van de meeste artikelen is grondig herzien en alle bepalingen zijn toegelicht. Verder is voor een aantal onderwerpen het niveau van regeling aangepast. De inhoud van de wet is in materieel opzicht niet aangepast. Een laatste belangrijke verandering die is aangebracht met de WVO 2020, is dat de regels voor Caribisch Nederland, die voorheen in de WVO BES waren geregeld, in de WVO 2020 zijn geïncorporeerd. Met de wetgevingsoperatie rond de WVO 2020 is een wetgevingspakket tot stand gebracht dat bestaat uit één opnieuw geordende en technisch herziene wet en uit één amvb waarin de uitvoeringsbepalingen die specifiek voor het voortgezet onderwijs gelden, zijn samengebracht. De ordening van het besluit is vergelijkbaar met de ordening van de WVO 2020, en eveneens enkel technisch herzien. Naast de nieuwe wet en het nieuwe besluit is een Aanpassingswet WVO 2020 tot stand gebracht, en een Aanpassingsbesluit WVO 2020. Daarnaast wordt bij ministeriële regeling een groot aantal ministeriële regelingen aangepast aan de nieuwe WVO 2020 en onderhavig besluit.

De wijzigingen die op wetsniveau zijn aangebracht hebben vooral gevolgen voor de amvb’s die op de WVO en WVO BES waren gebaseerd, of daarnaar verwezen.

3. Inhoud van het besluit

In dit besluit is als gezegd een veertiental amvb’s samengebracht. Deze amvb’s hadden met elkaar gemeen dat zij alleen betrekking hadden op het voortgezet onderwijs. Amvb’s die betrekking hebben op meerdere onderwijssectoren en mede op de WVO of de WVO BES zijn gebaseerd (het gaat bijvoorbeeld om het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel en het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (RMC-besluit)), blijven apart voortbestaan en zijn dus niet opgenomen in dit besluit. Het alsnog uiteen trekken van amvb’s met een bredere reikwijdte dan alleen het voortgezet onderwijs, zou tot een toename van het aantal regels leiden. Het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten heeft bijvoorbeeld betrekking op drie onderwijssectoren (voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs) en bevat een identieke set regels voor de drie betrokken sectoren. Het is niet de bedoeling dat alsnog twee of drie keer exact hetzelfde wordt geregeld. Uiteraard worden de regels in de amvb’s die geen onderdeel gaan uitmaken van dit besluit door middel van het Aanpassingsbesluit WVO 2020 wel aangepast aan de WVO 2020 en aan dit besluit.

De inhoud van de amvb’s die in dit besluit zijn opgenomen overlapte voorts op een aantal punten. Verder bevatten de amvb’s waar dit besluit uit is opgebouwd kruisverwijzingen, wat niet bijdroeg aan eenduidigheid en transparantie. Net als op wetsniveau is gebeurd, is ook op besluitniveau een technische herziening aangebracht, waarbij de artikelen in de besluiten die specifiek gericht waren op Caribisch Nederland zijn geïncorporeerd. Waar voor Caribisch Nederland maatwerk nodig is omdat de inhoud van de bepalingen verschilt, is dat geregeld in een specifiek daarvoor bestemd hoofdstuk (hoofdstuk 9 – Caribisch Nederland).

Hierbij zij opgemerkt dat de scholen voor voortgezet onderwijs op Saba en Sint Eustatius (de Saba Comprehensive School en de Gwendoline van Puttenschool), zijn aangewezen als instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 van de WVO 2020. Als gevolg daarvan geldt voor beide scholen een specifieke regeling voor de inrichting van het onderwijs en de examens, evenals voor de benoembaarheidsvereisten van het personeel. Het kan gaan om algemeen vormend onderwijs of om beroepsgericht onderwijs. Beide zijn ingericht volgens de eisen van de Carribean Examination Council, gevestigd in Barbados. Dit is neergelegd in het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES.

Opzet Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Net als de WVO 2020, is ook dit op de wet gebaseerde besluit ingedeeld in hoofdstukken, die naar onderwerp geordend zijn. De hoofdstukindeling is zoveel mogelijk gestoeld op de hoofdstukindeling op wetsniveau, en opgedeeld in paragrafen. Dit leidt tot een geheel nieuwe nummering, die – evenals op wetsniveau – bestaat uit het hoofdstuknummer gevolgd door een doortellend getal. De hoofdstukindeling van dit besluit is niet gelijk aan de hoofdstukindeling in de wet. Dit komt in de eerste plaats omdat het besluit niet op alle hoofdstukken in de wet is gebaseerd. Gezien de omvang en het specifieke karakter van de regeling van het eindexamen en het staatsexamen, is er – anders dan in de WVO 2020 – voorts voor gekozen om deze in aparte hoofdstukken op te nemen (de hoofdstukken 3 en 4), en de artikelen die over deze onderwerpen gaan niet te voegen bij het algemene hoofdstuk 2 over de inrichting van het onderwijs.

Het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 is als volgt ingedeeld:

  • Hoofdstuk 1. Algemeen

  • Hoofdstuk 2. Onderwijs

  • Hoofdstuk 3. Eindexamen

  • Hoofdstuk 4. Staatsexamen

  • Hoofdstuk 5. Specifieke bepalingen voorzieningenplanning vmbo

  • Hoofdstuk 6. Bekostiging en verantwoording

  • Hoofdstuk 7. Lerarenregister en registervoorportaal

  • Hoofdstuk 8. Deelname

  • Hoofdstuk 9. Caribisch Nederland

  • Hoofdstuk 10. Invoerings- en overgangsrecht

  • Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Niveau van regelgeving

Een belangrijke doelstelling van de WVO 2020 is het vergroten van de duurzaamheid van het regelcomplex voor het voortgezet onderwijs. Hoofdelementen van regelgeving horen thuis op wetsniveau, uitvoering daarvan dient op een lager niveau te worden geregeld. Dit heeft vooral effect op een deel van de regels over examens, die grotendeels waren geregeld in het Eindexamenbesluit VO (BES) en het Staatsexamenbesluit VO (BES). De hoofdregels van het examenstelsel – denk bijvoorbeeld aan regels over de vaststelling en inhoud van het programma van toetsing en afsluiting van de school, maar ook aan de handelswijze bij onregelmatigheden of onvoorziene omstandigheden – zijn opgenomen in de WVO 2020 en komen om die reden niet langer op besluitniveau terug. Tegelijkertijd zijn er ook enkele bepalingen in dit Uitvoeringsbesluit opgenomen, die voorheen (deels) in de WVO geregeld waren. Het gaat hier onder meer om het vakkenpakket voor de schoolsoorten en voor de leerwegen in het vmbo. Met de WVO 2020 is op wetsniveau geregeld dat alle profielen zijn opgebouwd uit een gemeenschappelijk deel, een profieldeel en een vrij deel. Ook is op wetsniveau geregeld dat deze delen worden ingevuld met vakken en programmaonderdelen. Op besluitniveau wordt vervolgens uitgewerkt uit welke vakken en programmaonderdelen de verschillende delen van de profielen zijn opgebouwd en – deels, alleen voor vwo en havo – welke zwaarte deze vakken ten opzichte van elkaar hebben (de nominale studielast).

Verwante regelgeving

Verwijzingen naar de WVO 2020 of het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in andere besluiten worden gewijzigd met het Aanpassingsbesluit WVO 2020. Ook alle verwijzingen in onderliggende ministeriële regelingen en beleidsregels worden aangepast.

4. Verhouding tot lopende wijzigingen in regels voor het voortgezet onderwijs

De omvang van het technisch onderhoud van de WVO maakt dat tijdens deze operatie rekening gehouden moet worden met een aantal tussentijdse wijzigingen van de regelgeving op meerdere niveaus. Zo is de bekostiging in het voortgezet onderwijs recent vereenvoudigd en zijn de regels over de doorstroom binnen het voortgezet onderwijs aangepast. Ook bestond de rekentoets bijvoorbeeld nog toen de WVO 2020 werd ingediend bij de Tweede Kamer. Aangezien tijdens de totstandkoming van dit besluit de huidige besluiten onder de WVO soms nog zijn aangepast, zijn deze wijzigingen – zodra ze formeel zijn vastgesteld – verwerkt in dit besluit.

5. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)

De inhoud van de artikelen die zijn opgenomen in dit besluit verandert niet. Wel is zowel de tekst van de artikelen als de toelichting daarop toegankelijker geformuleerd en gerangschikt. Dat draagt naar verwachting bij aan de begrijpelijkheid van de rechten en plichten voor degenen die deze moeten naleven en handhaven. Omdat de inhoud van de artikelen in dit besluit niet verandert, blijft ook de uitleg van de inhoud ervan in jurisprudentie gelden. Om de vertaalslag van de oude naar de nieuwe situatie (en andersom) goed te kunnen maken, zijn transponeringstabellen opgesteld, aan de hand waarvan inzichtelijk is gemaakt op welke plaats in het Uitvoeringsbesluit de inhoud van de oude artikelen is opgenomen. Deze transponeringstabellen zijn als bijlage bij deze nota van toelichting gevoegd.

Omdat de ordening en nummering van de artikelen zijn gewijzigd, zal dit moeten worden aangepast door partijen die ernaar verwijzen in eigen communicatie, zoals scholen en makers van softwarepakketten. Ook heeft de aanpassing consequenties voor DUO, de Inspectie van het Onderwijs en het College voor toetsen en examens (hierna: CvTE) omdat hun systemen zijn ingeregeld op basis van de huidige nummering en hier ook in voorlichtingsmateriaal naar verwezen wordt. Op de gevolgen daarvan op de werkwijze en werklast voor deze organisaties gaat de volgende paragraaf, over uitvoering en handhaving, verder in.

6. Uitvoering en handhaving

Dit besluit is door DUO en de inspectie beoordeeld op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Naar aanleiding van de tekstuele opmerkingen en vragen van DUO is het besluit op enkele punten aangepast. Op het moment dat de uitvoeringstoets werd uitgebracht, kon nog geen eindoordeel worden gegeven over de (tijdige) uitvoerbaarheid van dit besluit, vanwege de samenhang met verschillende andere trajecten, waaronder de vereenvoudiging van de bekostiging in het voortgezet onderwijs en het wetsvoorstel bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs. In de overleggen met DUO die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van de uitvoeringstoets is bevestigd dat het besluit uitvoerbaar is. Wel moet om dit te kunnen realiseren rekening gehouden worden met de consequenties voor de uitvoering in de prioritering van verschillende trajecten. OCW onderhoudt regelmatig contact met DUO over alle onderdelen van het technisch onderhoud van de WVO.

7. Financiële gevolgen

Dit besluit heeft geen financiële gevolgen.

8. Advies en consultatie

Dit besluit is ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), en is ter consultatie aan de Rijksdienst Caribisch Nederland verzonden. Dit heeft niet tot aanpassingen geleid. De ATR concludeert dat het besluit geen inhoudelijke wijzigingen bevat, waardoor er geen gevolgen zijn voor de regeldruk.

Verder is een concept van dit besluit in de periode van 10 februari 2020 tot 9 maart 2020 voorgelegd voor internetconsultatie. Gevraagd is of de gehanteerde opbouw en de daarbij gevoegde toelichting leiden tot een heldere, toegankelijke en duurzame amvb. Er is specifiek om feedback op deze punten gevraagd, omdat dit de punten zijn waarop het besluit is aangepast. Er vinden geen inhoudelijke wijzigingen plaats. Verder is nagegaan of het besluit goed leesbaar en toegankelijk is, en is gevraagd om eventuele mogelijkheden tot verbetering te melden. In totaal zijn vier reacties ontvangen op de consultatie. Alle respondenten beantwoorden de gestelde vragen positief. Eén van de respondenten merkt op dat de voorgestelde opbouw duidelijk te verkiezen is boven de huidige werkwijze met verschillende besluiten en kruisverwijzingen daarin. Dezelfde respondent stelt ook dat de nota van toelichting de bedoeling van ieder artikel zeker inzichtelijk maakt. Naar aanleiding van de opmerking dat de toelichting op één van de artikelen nog niet aansloot op het betreffende artikel is dit gecorrigeerd.

Verder merkt één van de respondenten op dat verschillende BES-besluiten worden vervangen, maar dat twee van de drie eilanden (Sint Eustatius en Saba) het onderwijs hebben ingericht volgens het CXC. De Saba Comprehensive School op Saba en de Gwendoline van Puttenschool op Sint Eustatius hanteren inderdaad het Caribische Engelstalige CXC onderwijssysteem van de Caribbean Examination Council. De betreffende scholen zijn instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 van de WVO 2020. In dat artikel staat dat bij algemene maatregel van bestuur instellingen kunnen worden aangewezen die ander voortgezet onderwijs geven dan voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet en die voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen. De betreffende amvb is het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, waaruit volgt dat het bij en krachtens de wet bepaalde van toepassing is op die twee scholen (instellingen voor vo), behoudens voor zover daarvan in dat besluit wordt afgeweken. Het CXC-systeem is de dagelijkse praktijk op de betreffende scholen. Het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES regelt een afwijking van de regels die in dit Uitvoeringsbesluit WVO 2020 zijn gesteld. De toelichting is aangevuld om dit te verhelderen.

9. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Dit besluit als zodanig heeft geen overgangsrechtelijke consequenties omdat de regelgeving inhoudelijk ongewijzigd blijft. Nog niet uitgewerkt overgangsrecht, opgenomen in de met dit besluit in te trekken amvb’s, komt terug in hoofdstuk 10 van dit besluit. Het Aanpassingsbesluit WVO 2020 bevat de noodzakelijke aanpassingen in verwijzingen in andere amvb’s, als gevolg van de WVO 2020 en het onderhavige besluit. Alle wijzigingen die het gevolg zijn van het technisch onderhoud van de WVO treden tegelijkertijd in werking. Het gaat om de WVO 2020, de Invoerings- en aanpassingswet WVO 2020, het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, het Aanpassingsbesluit WVO 2020, een wijziging van ministeriële regelingen en een wijziging van enkele beleidsregels.

II. Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In artikel 1.1 van de wet is een begripsbepaling opgenomen. Aangegeven is wat onder diverse bepalingen moet worden verstaan in de WVO 2020 en in de daarop berustende bepalingen. Dat betekent dat een begrip dat op wetsniveau is gedefinieerd, op besluitniveau dezelfde betekenis heeft. Hierbij is de kanttekening geplaatst dat een begrip een andere inhoud kan hebben als dat expliciet is bepaald.

Begrippen die al in de begripsbepaling op wetsniveau zijn opgenomen, komen niet opnieuw terug in artikel 1.1 van dit besluit, omdat ze rechtstreeks doorwerken. Begrippen die voor zich spreken, of maar heel beperkt in het besluit voorkomen, zijn evenmin in de begripsbepaling opgenomen. In artikel 1.1 is aangegeven wat moet worden verstaan onder enkele begrippen in het besluit die een te weinig bepaalde betekenis hebben en die op besluitniveau meermaals voorkomen.

Artikel 1.2. Reikwijdte

In artikel 1.3, zevende lid, van de wet is bepaald dat de WVO 2020 van toepassing is in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald. De wet is daarmee van toepassing in Europees Nederland en in Caribisch Nederland. Artikel 1.2 van dit besluit regelt hetzelfde principe: de regels in dit besluit gelden niet alleen voor Europees Nederland, maar ook voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald. Indien dat het geval is, zijn die regels te vinden in hoofdstuk 9.

Hoofdstuk 2 Onderwijs

Paragraaf 1. Inrichting onderbouw voortgezet onderwijs
Artikel 2.1. Kerndoelen eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs

Artikel 2.13 van de wet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen worden vastgesteld. Kerndoelen zijn de na te streven inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden door leerlingen. Kerndoelen zijn niet hetzelfde als vakken en zijn geen beheersdoelen, maar brengen tot uitdrukking welke bagage leerlingen nodig hebben voor het vervolg van hun onderwijsloopbaan, te beginnen in de bovenbouw (de profielenfase) van het voortgezet onderwijs. Uit artikel 2.12 van de wet volgt dat het onderwijs in de eerste twee jaren zo moet zijn ingericht dat, met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen, de doorstroming van de leerlingen wordt bevorderd naar de jaren erna. Leerlingen mogen niet in een fuik lopen door de manier waarop het onderwijssysteem is georganiseerd.

De kerndoelen moeten op grond van artikel 2.13 van de wet aandacht besteden aan aspecten van Nederlandse taal, Engelse taal, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, economie, wiskunde, natuur- en scheikunde, biologie, verzorging, informatiekunde, techniek, lichamelijke opvoeding en beeldende vorming, muziek, drama en dans. Op grond van artikel 2.1 zijn de kerndoelen voor de eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs vastgesteld in bijlage 1 bij dit besluit.

Voor andere moderne vreemde talen dan het Engels zijn geen kerndoelen vastgesteld. Uit de artikelen 2.3 en 2.4 van dit besluit volgt echter dat het onderwijsprogramma in de eerste leerjaren, afhankelijk van de schoolsoort waarvoor de leerling is ingeschreven, ook onderwijs in de Franse en/of Duitse taal moet omvatten. De kerndoelen voor Engels kunnen worden gebruikt als leidraad voor het onderwijs in andere moderne vreemde talen.

Artikel 2.2. Afwijkingen delen onderwijsprogramma eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs

In artikel 2.18, tweede lid, van de wet is bepaald dat het bevoegd gezag bij de inrichting van het onderwijs voor leerlingen die daarvoor in aanmerking komen kan afwijken van onderdelen van het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren. Artikel 2.2 van het besluit regelt welke leerlingen voor deze afwijkingen in aanmerking komen: het moet gaan om leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in staat zijn om al het onderwijs te volgen dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen. Om te voorkomen dat te vaak wordt afgeweken, is in de overige leden van dit artikel bepaald welke procedure het bevoegd gezag moet volgen als het deze mogelijkheid wil toepassen. Het zesde lid is specifiek gericht op het bevoegd gezag van bijzondere scholen, omdat de eis van een deugdelijke motivering voor openbare scholen rechtstreeks volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2.3. Aanvullende bepalingen talenonderwijs eerste drie leerjaren vwo en havo

Dit artikel regelt (voor zover het de eerste twee leerjaren betreft in aanvulling op de eisen die volgen uit artikel 2.1) eisen over onderwijs in de Franse en Duitse taal in de eerste drie leerjaren van scholen voor vwo en havo. Het artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

Eerste lid

In artikel 2.13 van de wet is Engelse taal aangemerkt als een onderwerp waaraan aandacht besteed moet worden in de kerndoelen. Op grond van artikel 2.3 moet het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren van het vwo en het havo in aanvulling op onderwijs in de Engelse taal, ook onderwijs in de Franse en de Duitse taal omvatten.

Tweede lid

Op grond van het eerste lid van dit artikel moeten leerlingen in vwo en havo onderwijs volgen in de Franse taal en Duitse taal. Het volgen van onderwijs in deze talen kan op grond van het tweede lid worden vervangen door het volgen van onderwijs in een andere moderne vreemde taal waarvoor in de desbetreffende schoolsoort een examenprogramma is vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de leerling ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in de Franse of Duitse taal, als de leerling in plaats daarvan onderwijs volgt in de Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische of Turkse taal. In de eerste drie leerjaren van het vwo kan de leerling daarnaast kiezen voor onderwijs in Chinese taal en cultuur als alternatief voor onderwijs in de Duitse of Franse taal.

Derde lid

Leerlingen op vwo en havo kunnen in specifieke situaties ontheven worden van de verplichting tot het volgen van Duits, Frans, of beide talen, zonder dat daarvoor de verplichting in de plaats komt tot het volgen van onderwijs in een andere moderne vreemde taal. De ontheffing die op grond van het derde lid kan worden verleend is voorbehouden aan leerlingen die na het eerste leerjaar instromen in het vwo, afkomstig zijn uit het buitenland en gedurende de jaren dat ze in het buitenland onderwijs volgden geen of te weinig onderwijs in Frans en Duits hebben gevolgd. Deze mogelijkheid tot ontheffing is vrijwel gelijk aan de ontheffingsmogelijkheid voor mavo en vbo, zie daarover artikel 2.4, tweede en derde lid.

Vierde lid

Vwo wordt gegeven aan scholen voor vwo, die zijn onderscheiden in gymnasia en athenea. Kenmerk van een gymnasium is dat er in elk geval onderwijs wordt gegeven in Latijnse taal en cultuur en in Griekse taal en cultuur. Het verzorgen van dit onderwijs is daarom verplicht in de eerste drie leerjaren van het gymnasium, naast de verplichting tot het aanbieden van onderwijs in de Franse en Duitse taal.

Artikel 2.4. Aanvullende bepalingen talenonderwijs eerste twee leerjaren mavo en vbo

Dit artikel regelt de eisen voor onderwijs in de Franse en Duitse taal in de eerste twee leerjaren van scholen voor vbo en mavo. Het artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

Eerste lid

In de eerste twee leerjaren van scholen voor mavo en scholen voor vbo moet onderwijs in de Franse óf Duitse taal worden verzorgd, naast het onderwijs in de Engelse taal. De achterliggende idee is dat het van belang is dat jongeren zich in ten minste twee moderne vreemde talen in redelijke mate kunnen redden, en via de talen in aanraking komen met verschillende perspectieven op de wereld. In de praktijk is dit echter niet voor alle leerlingen haalbaar. Leerlingen die vanaf het derde leerjaar naar verwachting van het bevoegd gezag onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg gaan volgen zijn daarom vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de Franse of Duitse taal.

Tweede en derde lid

Leerlingen in vwo en havo kunnen in specifieke situaties vrijgesteld worden van het verplicht te volgen onderwijs in zowel de Duitse als de Franse taal. In vbo en mavo zijn leerlingen op grond van het eerste lid van dit artikel niet verplicht tot het volgen van onderwijs in beide talen, maar moeten leerlingen in principe onderwijs volgen in de Duitse óf de Franse taal. Ze kunnen van deze verplichting worden vrijgesteld op grond van het tweede of derde lid, maar alleen als ze voldoen aan de daarin gestelde criteria. Het bevoegd gezag mag twee groepen leerlingen een ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Frans of Duits:

  • 1. leerlingen die onderwijs volgen in de Spaanse, Arabische of Turkse taal; en

  • 2. leerlingen die voor het eerst op een school voor mavo en/of vbo zijn toegelaten, na het eerste leerjaar instromen, afkomstig zijn uit het buitenland en voorheen geen of te weinig onderwijs in Frans of Duits hebben gevolgd.

Deze mogelijkheid tot ontheffing is vrijwel gelijk aan de ontheffingsmogelijkheid voor havo en vwo, zie daarover artikel 2.3, tweede en derde lid.

Vierde lid

In het eerste lid van dit artikel is geregeld dat leerlingen waarvoor het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg naar verwachting het meest geschikt zal zijn, zijn vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de Franse of Duitse taal. Als deze leerlingen het profiel economie of onderneming van de basisberoepsgerichte leerweg volgen, of het profiel horeca, bakkerij en recreatie, moeten zij in plaats van onderwijs in de Franse of Duitse taal, onderwijs volgen in maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting of aardrijkskunde, of in de Arabische, Turkse of Spaanse taal.

Paragraaf 2. Profielen bovenbouw vwo-onderwijs
Artikel 2.5. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen vwo

Dit artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

De eerste drie leerjaren in het vwo en havo worden gevolgd door een periode van voorbereidend hoger onderwijs (zie artikel 2.20 WVO 2020). Deze periode is ingericht in vier profielen: natuur en techniek, natuur en gezondheid, economie en maatschappij en cultuur en maatschappij. De artikelen 2.5 tot en met 2.7 bevatten voor het vwo de nadere ordening van de vakken binnen de profielen. Vanaf het vierde leerjaar bestaat het onderwijsprogramma van iedere leerling uit een gemeenschappelijk deel, een profieldeel en een vrij deel. Artikel 2.5 heeft betrekking op de vakken van het gemeenschappelijk deel van de profielen in het vwo. Voor deze vakken is ook de normatieve studielast geregeld. Daarmee wordt het relatieve gewicht van ieder vak bedoeld, binnen het geheel van de vakken van het eindexamen vwo en havo.

Dat betekent nadrukkelijk níet dat een leerling een minimumaantal lessen moet volgen, of dat sprake is van een minimale lestijd per leerling. De school is wél verantwoordelijk voor het inrichten en verzorgen van een onderwijsprogramma (curriculum), met een wettelijk voorgeschreven omvang. Per schoolsoort is voor vwo, havo, mavo en vbo een totaal aantal klokuren voorgeschreven, dat minimaal moet worden aangeboden, zie artikel 2.38 van de wet. Het aantal uren «normatieve studielast» is hoger. Hiermee wordt het aantal uren bedoeld dat een gemiddelde leerling nodig heeft om zich de lesstof eigen te maken. Leerlingen brengen de tijd waarin ze leren deels door onder verantwoordelijkheid van de school (in de formele onderwijstijd, die meestal, maar niet altijd in het schoolgebouw wordt verzorgd, denk aan excursies), maar kunnen ook deels thuis leren (huiswerk).

Artikel 2.5, eerste lid, gaat specifiek over het atheneum, het tweede lid gaat over het gymnasium. De inhoud van het onderwijsprogramma verschilt met name door het te volgen onderwijs in talen: voor gymnasiasten is volgen van Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur verplicht, op het atheneum kan worden gekozen voor het volgen van onderwijs in Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische of Turkse taal en literatuur, of voor Chinese of Friese taal en cultuur. Voor de mogelijkheid om één van deze vakken te volgen is van belang of het bevoegd gezag ze al dan niet aanbiedt. Door de omvang van de klassieke taal is het aantal normatieve studielasturen voor het gymnasium iets hoger dan voor het atheneum. Afwijkend is voorts dat het atheneum het vak culturele en kunstzinnige vorming kent.

Artikel 2.6. Inrichting profieldeel profielen vwo

Dit artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

Dit artikel regelt uit welke vakken de profieldelen van de vier profielen in het vwo bestaan. De inhoud is hetzelfde voor gymnasium en atheneum. Binnen het te volgen profiel kan de leerling een profielkeuzevak kiezen. De keuze van de leerling voor het profielvak is echter afhankelijk van het vakkenaanbod van het bevoegd gezag. Het eerste lid beschrijft de inhoud van het profieldeel van het profiel natuur en techniek. Het tweede lid gaat over het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid, het derde lid stelt op dit punt regels voor het profiel economie en maatschappij, het vierde lid regelt ten slotte het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij.

Artikel 2.7. Inrichting vrij deel profielen vwo

Voor Caribisch Nederland is een aanvulling op een deel van dit artikel geregeld in artikel 9.2.

Dit artikel regelt welke vakken en programmaonderdelen het vrije deel van de profielen in het vwo (dus zowel het gymnasium als het atheneum) kan omvatten. Vanwege de inhoudelijke overlap tussen een aantal vakken, zijn niet alle combinaties mogelijk. Dit heeft met name invloed op de wiskundevakken die naast elkaar gekozen kunnen worden. Ook inhoudelijk sterk aan elkaar verwante kunstvakken mogen niet naast elkaar worden gekozen, omdat dat zou leiden tot een te grote inhoudelijke overlap.

Op grond van het eerste lid van artikel 2.7 mag het vrije deel van het profiel een wiskundevak omvatten. Slechts één van de vakken wiskunde A, B of C mag onderdeel zijn van het profieldeel van het examenprogramma voor havo en vwo. Dat neemt echter niet weg dat leerlingen die dat willen, wel een tweede wiskundevak als extra vak mogen volgen in het vrije deel, en daarin ook examen mogen doen. Niet elke combinatie in wiskundevakken is echter toegestaan. Zo is de combinatie van wiskunde A en C niet toegestaan.

Artikel 2.8. Vrijstellingen leerlingen vwo

In dit artikel zijn de vrijstellingen voor de te volgen vakken in het vwo geregeld. Artikel 2.9 regelt de ontheffingen. Het verschil tussen de twee is dat een vrijstelling automatisch geldt als een leerling aan de gestelde voorwaarden voldoet. Dit geldt niet voor een ontheffing: het bevoegd gezag kan alleen een ontheffing verlenen als aan de specifieke voorwaarden voor ontheffing wordt voldaan. Per geval moet een afweging worden gemaakt of hiervan sprake is.

Eerste lid

Op grond van het eerste lid hoeven vwo-leerlingen geen onderwijs te volgen in het vak maatschappijleer als ze al een havo-diploma hebben behaald. Atheneumleerlingen die al een havo-diploma hebben behaald hoeven daarnaast geen onderwijs in culturele en kunstzinnige vorming (hierna: ckv) te volgen.

Tweede lid

Als vwo-leerlingen al eerder een vo-diploma hebben behaald, hoeven zij geen onderwijs meer te volgen in vakken die ze al op vwo-niveau hebben afgesloten.

Derde lid

Dit lid ziet specifiek op het atheneum. Als een atheneumleerling onderwijs volgt in Latijnse taal en cultuur en/of Griekse taal en cultuur, hoeft deze leerling geen onderwijs meer te volgen in het vak ckv.

Artikel 2.9. Ontheffing leerlingen profielen vwo (atheneum) voor tweede taal
Eerste lid

Atheneumleerlingen moeten op grond van artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c, in principe onderwijs in een tweede moderne vreemde taal volgen, naast onderwijs in de Engelse taal en literatuur. Het bevoegd gezag kan leerlingen in specifieke gevallen echter ontheffing verlenen van het volgen van dit onderwijs. De gevallen waarin dat mogelijk is, zijn in dit lid geregeld.

Tweede lid

Als aan een leerling op grond van het tweede lid ontheffing wordt verleend voor het volgen van onderwijs in een vreemde taal naast Engels, moet de leerling daarvoor in de plaats een ander examenvak volgen van dezelfde omvang.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit niet de enige ontheffingsmogelijkheid in het vwo betreft. Op grond van artikel 2.33, vierde lid, van de wet kan het bevoegd gezag ook ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in lichamelijke opvoeding. Deze ontheffingsmogelijkheid is algemeen en geldt ook voor de andere schoolsoorten. Hier komt geen ander onderwijs voor in de plaats. Het gaat in principe om leerlingen met een handicap, die de vrijgekomen ruimte in veel gevallen goed zullen kunnen gebruiken om aan de eisen van de rest van het programma te voldoen. Het initiatief voor de ontheffing kan uitgaan van de betrokken leerling zelf, van diens ouders, voogden of verzorgers, of van de school. Het gaat om een ontheffing die door het bevoegd gezag moet worden verleend, er is dus geen sprake van vrijstelling. Het bevoegd gezag moet de inspectie ook over de ontheffing informeren, en laten weten waarom de leerling ontheffing is verleend.

Paragraaf 3. Profielen bovenbouw havo-onderwijs
Artikel 2.10. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen havo

Dit artikel is vergelijkbaar met de artikelen 2.5, 2.15, 2.20, en 2.24, die het gemeenschappelijk deel regelen van de vakken op het vwo en de leerwegen in het vmbo. Artikel 2.10 regelt het gemeenschappelijk deel van de profielen in de periode van voorbereidend hoger onderwijs (de bovenbouw) voor het havo. Deze periode is in het havo, net als in het vwo, ingericht in vier profielen: natuur en techniek, natuur en gezondheid, economie en maatschappij en cultuur en maatschappij. Het relatieve gewicht van de vakken – de onderlinge verhouding tussen die vakken binnen het geheel van de vakken van het eindexamen – is aangegeven in normatieve studielasturen (zie hierover ook de toelichting op artikel 2.5). Artikel 2.11 bevat de inrichting van de vakken binnen de profieldelen van de profielen voor het havo, artikel 2.12 gaat over de inrichting van de vakken in het vrije deel van elk havo-profiel.

Artikel 2.11. Inrichting profieldeel profielen havo

Dit artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

Dit artikel gaat over het de inrichting van het profieldeel van de afzonderlijke profielen in het havo. Hiervoor geldt in grote lijnen hetzelfde als voor de profielen in het vwo (zie daarover artikel 2.6). Het belangrijkste verschil met de vakken in de profielen in het vwo, is dat het vak wiskunde in het havo-profiel cultuur en maatschappij niet verplicht is. Een (tweede) moderne vreemde taal is – net als in het vwo – in havo in principe wel verplicht.

Artikel 2.12. Inrichting vrije deel profielen havo

Voor Caribisch Nederland is een aanvulling op een deel van dit artikel geregeld in artikel 9.2.

Dit artikel regelt de vakken en programmaonderdelen die deel kunnen uitmaken van het vrije deel van elk profiel op het havo. Net als in het vwo kan vanwege de overlap tussen de betreffende vakken, niet elke combinatie in wiskundevakken worden gekozen, of voor inhoudelijk sterk aan elkaar verwante kunstvakken. Het vak algemene natuurwetenschappen, dat bij het havo geen onderdeel is van het gemeenschappelijk deel, kan wel deel uitmaken van het vrije deel. De school kan dit ter keuze laten aan de leerling, maar kan ook besluiten om het vak verplicht te stellen voor alle leerlingen of voor leerlingen met een bepaald profiel. Het cijfer voor dit vak telt dan mee in het combinatiecijfer.

De beperkingen in het kiezen van wiskundevakken in het vrije deel van een profiel, staan los van de mogelijkheid voor de leerling om zulke vakken (als het bevoegd gezag ze aanbiedt) toch te kiezen, maar dan als extra vakken buiten het profiel, dus in de vrije ruimte van de school. Dit kan zelfs de vorming van een extra profiel inhouden. Het volgen van een combinatie van wiskunde A en B of wiskunde B en D biedt leerlingen de mogelijkheid tot diplomering in twee of meer profielen. Dat vergroot de doorstroommogelijkheden naar het hoger onderwijs. Andere combinaties van wiskundevakken dan geregeld in dit artikel zijn niet toegestaan omdat die andere vakken inhoudelijk te veel zouden overlappen.

Artikel 2.13. Overeenkomstig vak op het niveau van vwo

Havo-leerlingen mogen het volgen van onderwijs in een vak op havo-niveau vervangen door het volgen van onderwijs in het overeenkomstige vak op vwo-niveau. Dat mag ook het vak klassieke culturele vorming zijn als dat overeenkomt met culturele en kunstzinnige vorming. Als de leerling van de mogelijkheid om een vak op vwo-niveau te volgen gebruik maakt, wordt dit vermeld op het diploma en aangetekend op de cijferlijst (zie de Regeling modellen diploma’s). Het diploma blijft echter een havo-diploma.

Artikel 2.14. Vrijstelling leerlingen profielen havo

Leerlingen die de havo gaan doen nadat zij een diploma vmbo hebben behaald en daarbij één of meer vakken op havo- of op vwo-niveau met een examen hebben afgesloten, zijn voor die vakken vrijgesteld van het volgen van onderwijs.

Paragraaf 4. Profielen bovenbouw mavo en vmbo
Paragraaf 4.1 Profielen theoretische leerweg
Artikel 2.15. Inrichting gemeenschappelijk deel profielen theoretische leerweg vmbo

Dit artikel regelt het gemeenschappelijk deel van de profielen in de theoretische leerweg van het vmbo. De theoretische leerweg is op grond van artikel 2.25 van de wet ingericht in vier profielen: techniek, zorg en welzijn, economie en groen. In artikel 2.15 is aangegeven welke vakken alle leerlingen vanaf het derde leerjaar in de theoretische leerweg moeten volgen, ongeacht het profiel dat ze hebben gekozen. Het artikel is vergelijkbaar met de artikelen 2.5, 2.10, 2.20 en 2.24, waar de inrichting van het gemeenschappelijk deel van de profielen is geregeld voor vwo, havo, en de overige leerwegen van het vmbo. Artikel 2.16 bevat de inrichting van de vakken binnen het profieldeel van de profielen voor de theoretische leerweg, artikel 2.17 gaat over de inrichting van het vrije deel van de profielen van de theoretische leerweg.

Artikel 2.16. Inrichting profieldeel theoretische leerweg vmbo

Dit artikel gaat over de inrichting van het profieldeel van de theoretische leerweg van het vmbo. Dat profieldeel geeft invulling aan de vakken die voor het profiel gezichtsbepalend zijn. Binnen het profielspecifieke deel zijn soms keuzes mogelijk: een keuze voor leerlingen, of een keuze van de school voor een meer of minder geïntegreerd vak of een afzonderlijk vak. De bepalingen daarover geven in beginsel het onderwijsaanbod weer, inclusief de keuzes die scholen kunnen maken. Het bevoegd gezag moet vaststellen welke vakken de school aanbiedt, zodat de leerlingen hún keuze voor vakken in het profieldeel (en het vrije deel, zie artikel 2.17) kunnen maken. Voor ieder profiel geldt dat in ieder geval één vak standaard tot het onderwijs in het profieldeel behoort. Leerlingen in het profiel zorg en welzijn volgen het vak biologie altijd in het profieldeel, leerlingen in het profiel economie altijd het vak economie, en leerlingen in het profiel groen volgen altijd onderwijs in het vak wiskunde. Het profieldeel voor het profiel techniek bevat geen keuzemogelijkheid: voor leerlingen in dit profiel bestaat het onderwijs in het profieldeel uit de vakken wiskunde en natuur- en scheikunde I.

In de profielen zorg en welzijn, economie en groen moet de leerling naast het standaard vak een tweede – en eventueel derde – vak kiezen. De opties waaruit de leerling in beginsel kan kiezen, zijn in dit artikel geregeld. Voor een deel van deze vakken geldt dat ze alleen gekozen kunnen worden als ze door het bevoegd gezag worden aangeboden. Het bevoegd gezag moet bepaalde vakken aanbieden, maar kan daarin ten dele een keuze maken.

Artikel 2.17. Inrichting vrije deel theoretische leerweg vmbo

Dit artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

Eerste lid

Dit artikel regelt de vakken waarmee het vrije deel van de theoretische leerweg in het vmbo kan worden ingevuld. Onderdeel a bepaalt dat leerlingen vakken die ze nog niet in het profieldeel hebben gekozen, als vak kunnen kiezen in het vrije deel. Het gevoegd gezag moet deze vakken in het vrije deel aanbieden als ze ook in het profieldeel worden aangeboden.

Onderdeel b regelt een aantal aanvullende keuzemogelijkheden voor het vrije deel van het profiel in de theoretische leerweg. Voor al deze vakken geldt dat het bevoegd gezag beslist of ze al dan niet worden aangeboden. Een leerling kan deze vakken alleen kiezen als ze worden aangeboden. Leerlingen hebben dus geen afdwingbaar recht om bepaalde keuzevakken te mogen volgen: de mogelijkheden van de school om vakken aan te bieden en de mogelijkheden die het rooster biedt om deze vakken te volgen zijn bepalend. Daarom is geregeld dat het bevoegd gezag beslist over het aanbod van keuzevakken.

Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag eigen vakken en programmaonderdelen in het vrije deel van het profiel aanbieden. Bij «programmaonderdeel» kan onder meer worden gedacht aan het bezoeken van een museum, het maken van een werkstuk of het houden van een presentatie. Op grond van artikel 2.24, zesde lid, van de wet, kan het bevoegd gezag voor het vrije deel ook bepalen dat iedere leerling het onderwijs in een bepaald vak of programmaonderdeel moet volgen.

Tweede lid

Leerlingen in de theoretische leerweg kunnen, als het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, in aanvulling op hun reguliere vakkenpakket ook beroepsgerichte keuzevakken volgen. Beroepsgerichte vakken zijn geen standaard onderdeel van de theoretische leerweg en kunnen alleen worden gevolgd als deze ook worden aangeboden. Omdat alleen een vmbo-diploma in de theoretische leerweg kan worden behaald als aan de eisen voor dat diploma is voldaan, kan een leerling beroepsgerichte vakken alleen volgen in het vrije deel van het profiel.

Artikel 2.18. Overeenkomstig vak op niveau vwo of havo

Leerlingen in de theoretische leerweg mogen het volgen van onderwijs in één of meerdere vakken op het niveau van de theoretische leerweg vervangen door het volgen van onderwijs in het overeenkomstige vak op havo- of vwo-niveau als het bevoegd gezag ze daartoe in de gelegenheid stelt. Niet alle vakken mogen op een hoger niveau worden afgesloten, omdat de leerling in dat geval op de verkeerde schoolsoort is ingeschreven (zie artikel 3.9). Als de leerling van deze mogelijkheid gebruik maakt, wordt dit vermeld op het diploma en aangetekend op de cijferlijst (zie de Regeling modellen diploma’s). Het diploma blijft echter een diploma vmbo-tl.

Artikel 2.19. Minimum aantal vakken derde leerjaar theoretische leerweg vmbo
Eerste lid

Leerlingen die onderwijs volgen in de theoretische leerweg, moeten in het derde leerjaar naast de vakken in het gemeenschappelijk deel tenminste zeven vakken volgen waarin eindexamen kan worden afgelegd. Het moet gaan om vakken uit het profieldeel of het vrije deel. Op deze manier wordt voorkomen dat leerlingen in de theoretische (en de gemengde) leerweg te vroeg worden gedwongen tot de keuze van hun examenpakket.

Tweede lid

Leerlingen in de theoretische leerweg kunnen ook onderwijs volgen in een derde moderne vreemde taal. Omdat dit onderwijs al vanaf het tweede leerjaar moet worden aangeboden, verschuift een deel van het beslag op de vrije ruimte naar voren, waardoor er minder ruimte is in het derde leerjaar. Daarom geldt in dat geval voor het derde leerjaar een minimum van zes in plaats van zeven examenvakken naast de vakken van het gemeenschappelijk deel.

Paragraaf 4.2 Profielen beroepsgerichte leerwegen vmbo
Artikel 2.20. Inrichting gemeenschappelijk deel in beroepsgerichte leerwegen vmbo

Dit artikel regelt het gemeenschappelijk deel van de profielen in de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo. De beroepsgerichte leerwegen zijn op grond van artikel 2.26, tweede lid, van de wet ingericht in verschillende profielen: bouwen, wonen en interieur; produceren, installeren en energie; mobiliteit en transport; media, vormgeving en ICT; maritiem en techniek; zorg en welzijn; economie en ondernemen; horeca, bakkerij en recreatie; groen; en dienstverlening en producten.

Artikel 2.20 is vergelijkbaar met de artikelen 2.5, 2.10, 2.15 en 2.24, waar de inrichting van het gemeenschappelijk deel van de profielen is geregeld voor vwo, havo en de overige leerwegen van het vmbo. Artikel 2.21 regelt de vakken in het profieldeel van de beroepsgerichte leerwegen, artikel 2.22 gaat over de inrichting van het vrije deel.

Artikel 2.21. Inrichting profieldeel van de beroepsgerichte leerwegen vmbo

Het profieldeel bevat de vakken die voor dat profiel gezichtsbepalend zijn. Binnen het profielspecifieke deel staat één profielvak op grond van het eerste lid vast. Verder zijn deels keuzes mogelijk. Die keuzemogelijkheden zijn geregeld in het tweede lid. De profielen en profielvakken in de beroepsgerichte leerwegen zijn gelijk aan de profielen en profielvakken in de gemengde leerweg, die zijn genoemd in artikel 2.25.

Het beroepsgerichte programma waarin eindexamen wordt gedaan bestaat uit twee onderdelen (zie de artikelen 3.5, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c):

  • Het profielvak dat hoort bij het profieldeel (de vakken die in artikel 2.21, eerste lid, zijn benoemd).

  • Een vrij deel, met vier beroepsgerichte keuzevakken. Deze vakken worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Leerlingen volgen de onderdelen van het beroepsgerichte programma in principe verdeeld over het derde en vierde leerjaar. Het profielvak vormt de basis van het beroepsgerichte examenprogramma van de leerling en brengt de leerling de belangrijkste kennis, houding en vaardigheden bij voor een bepaalde beroepsrichting.

Artikel 2.22. Inrichting vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen vmbo

Het vrije deel van ieder profiel in het vmbo bestaat op grond van artikel 2.24, eerste lid, onderdeel c, van de wet uit vakken en andere programmaonderdelen die de leerling kiest. Leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo, moeten in hun vrije deel in ieder geval beroepsgerichte keuzevakken kiezen. Het bevoegd gezag hoeft niet alle beroepsgerichte keuzevakken die bij ministeriële regeling zijn vastgesteld aan te bieden, maar per school moeten er wel voldoende beroepsgerichte keuzevakken zijn waaruit de leerlingen kunnen kiezen (artikel 2.29, tweede lid).

Verder kán het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen een aantal door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen omvatten. Hier gaat het om vakken of programmaonderdelen die naar keuze van het bevoegd gezag op de school worden aangeboden, en die dus niet op iedere vmbo-school hoeven te worden verzorgd. Bij «programmaonderdeel» kan onder meer worden gedacht aan het bezoeken van een museum, het maken van een werkstuk of het houden van een presentatie.

Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 2.24, zesde lid, van de wet beslissen dat vakken of programmaonderdelen in het vrije deel voor alle leerlingen verplicht zijn.

Artikel 2.23. Overeenkomstig vak op niveau vwo, havo of andere leerweg en extra vak

Dit artikel wordt in Caribisch Nederland aangevuld door artikel 9.2, vierde lid.

Leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen mogen – net als havo-leerlingen, op grond van artikel 2.13, en leerlingen in de theoretische leerweg, op grond van artikel 2.18 – onderwijs in bepaalde vakken volgen op een hoger niveau dan het niveau waarop ze zijn ingeschreven, mits het bevoegd gezag hen hiertoe in de gelegenheid stelt. Bovendien mag de leerling in de basisberoepsgerichte leerweg, overeenkomstige vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg volgen, eveneens alleen als het bevoegd gezag hem deze gelegenheid biedt.

Het mag niet om álle vakken gaan, omdat de leerling in dat geval op de verkeerde schoolsoort of leerweg zou zijn ingeschreven. Als de leerling van de mogelijkheid om een vak op een ander niveau te volgen gebruik maakt en hierin eindexamen aflegt, wordt dit vermeld op het diploma en aangetekend op de cijferlijst (zie de Regeling modellen diploma’s). Het diploma blijft echter een diploma voor de leerweg die de leerling volgt.

Verder regelt dit artikel de mogelijkheid voor leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen om in aanvulling op hun overige vakken onderwijs te volgen in het vak Friese taal en cultuur.

Paragraaf 4.3. Profielen gemengde leerweg vmbo
Artikel 2.24. Inrichting gemeenschappelijke deel profielen gemengde leerweg vmbo

Dit artikel regelt het gemeenschappelijk deel van de profielen in de gemengde leerweg van het vmbo. Het is vergelijkbaar met de artikelen 2.5, 2.10, 2.15 en 2.20. De vakken in het gemeenschappelijk deel moeten álle leerlingen volgen, ongeacht het profiel dat ze hebben gekozen. De inrichting van het profieldeel van de gemengde leerweg is geregeld in artikel 2.25, de inrichting van het vrije deel in artikel 2.26.

Artikel 2.25. Inrichting profieldeel gemengde leerweg vmbo

De gemengde leerweg is op grond van artikel 2.27, tweede lid, van de wet ingericht in verschillende profielen, die overeenkomen met de profielen in de beroepsgerichte leerwegen. Het gaat om de volgende profielen: bouwen, wonen en interieur; produceren, installeren en energie; mobiliteit en transport; media, vormgeving en ICT; maritiem en techniek; zorg en welzijn; economie en ondernemen; horeca, bakkerij en recreatie; groen; en dienstverlening en producten. Artikel 2.25 regelt de vakken die leerlingen moeten volgen in het profieldeel van de profielen in de gemengde leerwegen.

De profielen en profielvakken in de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg komen overeen, maar de inhoud van het examenprogramma verschilt. Het beroepsgerichte examenprogramma is in de gemengde leerweg beperkter dan in de beroepsgerichte leerwegen. Op grond van artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, bevat het beroepsgerichte programma in de gemengde leerweg, naast het profielvak, twee in plaats van vier beroepsgerichte keuzevakken. Daar staat tegenover dat leerlingen in de theoretische en gemengde leerweg onderwijs volgen in meer dan het minimale aantal algemene vakken waarin zij uiteindelijk examen doen.

Voor leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg bevat het profieldeel één profielvak en twee algemeen vormende vakken. Het profielvak vormt de basis van het beroepsgerichte examenprogramma van de leerling en brengt de leerling de belangrijkste kennis, houding en vaardigheden bij voor een bepaalde beroepsrichting. Leerlingen volgen de onderdelen van het beroepsgerichte programma in principe verdeeld over het derde en vierde leerjaar. Het profielvak vormt de helft van de totale omvang van het beroepsgerichte examenprogramma van de leerling. Het gevolgde profiel wordt vermeld op het diploma.

Artikel 2.26. Inrichting vrije deel gemengde leerweg vmbo

Dit artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

Het vrije deel van ieder profiel in het vmbo bestaat op grond van artikel 2.24, eerste lid, onderdeel c, WVO 2020 uit vakken en andere programmaonderdelen die de leerling kiest. Leerlingen in de gemengde leerweg van het vmbo kunnen keuzevakken kiezen die gerelateerd zijn aan het door hen gekozen profielvak, maar dat hoeft niet. De leerling kan ook vakken kiezen die aan een ander profiel gerelateerd zijn, of zelfs één of meer modules die onderdeel uitmaken van het profielvak van een ander profiel als beroepsgericht keuzevak volgen. Leerlingen in de gemengde leerweg moeten in hun vrije deel altijd beroepsgerichte keuzevakken kiezen. Deze beroepsgerichte keuzevakken kunnen zowel verdiepend als verbredend van aard zijn. Het bevoegd gezag hoeft in de gemengde leerweg niet alle beroepsgerichte keuzevakken aan te bieden, maar wel een voldoende aantal (artikel 2.29, tweede lid). Leerlingen kunnen ook één van de vakken kiezen die in onderdeel c zijn benoemd.

Verder kán het vrije deel een aantal door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen omvatten. Hier gaat het om zaken die naar keuze van het bevoegd gezag op de school worden aangeboden, en die dus niet op iedere vmbo-school hoeven te worden verzorgd. Bij «programmaonderdeel» kan onder meer worden gedacht aan het bezoeken van een museum, het maken van een werkstuk of het houden van een presentatie.

Net als in de andere leerwegen, kan het bevoegd gezag beslissen dat alle leerlingen in het vrije deel van een profiel in de gemengde leerweg bepaalde vakken of programmaonderdelen verplicht moeten volgen.

Artikel 2.27. Overeenkomstig vak op niveau vwo of havo

Leerlingen in de gemengde leerweg mogen net als leerlingen in de theoretische leerweg het volgen van onderwijs in een vak op vmbo gl-niveau vervangen door het volgen van onderwijs in het overeenkomstige vak op havo of vwo-niveau als het bevoegd gezag ze daartoe in de gelegenheid stelt. Als de leerling van deze mogelijkheid gebruik maakt, wordt dit vermeld op het diploma en aangetekend op de cijferlijst (zie de Regeling modellen diploma’s). Het diploma blijft echter een diploma vmbo-gl.

Artikel 2.28. Minimum aantal vakken derde leerjaar gemengde leerweg

Dit artikel berust op artikel 2.24, vierde lid, WVO 2020, dat de grondslag bevat om bij of krachtens amvb vast te stellen wat het minimum aantal te volgen vakken in het derde leerjaar is waarin door alle leerlingen eindexamen kan worden afgelegd.

Om onduidelijkheid over het aantal te volgen vakken in het derde leerjaar te voorkomen, bepaalt artikel 2.28 dat – naast het gemeenschappelijk deel en het beroepsgerichte programma – het vrije deel vijf algemene vakken omvat waarin eindexamen kan worden afgelegd. Als ze in hun eerste of tweede leerjaar onderwijs in een derde moderne vreemde taal hebben gevolgd of als ze dit onderwijs in het derde leerjaar volgen, hoeven ze in dit derde leerjaar maar vier algemene vakken te volgen.

Paragraaf 4.4. Beroepsgerichte keuzevakken vmbo
Artikel 2.29. Beroepsgerichte keuzevakken vmbo
Eerste lid

Leerlingen kunnen binnen het beroepsgerichte programma van een profiel beroepsgerichte keuzevakken kiezen die het gekozen profielvak verder verdiepen of juist verbreden. Ook bestaat de mogelijkheid voor leerlingen om zich te oriënteren op verschillende mogelijkheden in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt door eerst oriënterende beroepsgerichte keuzevakken te volgen en daarna een definitieve keuze voor een profiel te maken.

Alleen beroepsgerichte keuzevakken waarvoor bij ministeriële regeling een examenprogramma is vastgesteld, kunnen worden meegeteld als onderdeel van het beroepsgerichte programma van een leerling. Het gaat om vakken die zijn vastgesteld in de Regeling beroepsgerichte keuzevakken vmbo.

Jaarlijks kunnen nieuwe beroepsgerichte keuzevakken worden ontwikkeld en vastgesteld, waarvan het examenprogramma dan aan de ministeriële regeling toegevoegd zal worden. De voorwaarden waaronder scholen nieuwe beroepsgerichte keuzevakken kunnen gaan ontwikkelen en de procedure om deze goedgekeurd te krijgen worden beschreven in de artikelen 2.30 en 2.31 en nader uitgewerkt bij ministeriële regeling. Scholen kunnen een nieuw ontwikkeld beroepsgericht keuzevak echter pas aanbieden als het door de minister is goedgekeurd: het examenprogramma voor het nieuwe beroepsgerichte keuzevak moet door de minister zijn vastgesteld voordat het vak onderdeel uit kan maken van het beroepsgerichte programma van een leerling. Als dat (nog) niet het geval is, wordt het gezien als een door het bevoegd gezag vastgesteld vak of ander programmaonderdeel en kan het vak niet als beroepsgericht keuzevak op de cijferlijst worden opgenomen.

Tweede lid

Het is van belang dat er voor alle leerlingen in principe voldoende keuzevakken beschikbaar zijn om hun beroepsgerichte programma mee in te vullen. De school is vrij in het aanbod van beroepsgerichte keuzevakken, maar moet wel voldoende verschillende keuzevakken aanbieden zodat de leerlingen ook echt een keuze hebben.

Derde lid

Het vmbo bereidt leerlingen voor op een vervolgopleiding in met name het mbo. Een belangrijk onderdeel van het curriculum is dan ook de voorbereiding op het aansluitende beroepsonderwijs en tevens een relevante oriëntatie op de (regionale) arbeidsmarkt. Scholen moeten in staat zijn om hun onderwijs snel te kunnen aanpassen aan een veranderende omgeving. Daarbij zijn zowel de behoeften van leerlingen als de aansluiting op het vervolgonderwijs en de regionale arbeidsmarkt van belang. Het is daarom van belang dat de school deze partijen betrekt bij de keuze welke beroepsgerichte keuzevakken worden verzorgd.

Artikel 2.30. Ontwikkeling nieuw beroepsgericht keuzevak vmbo
Eerste lid

De beroepsgerichte keuzevakken bieden flexibiliteit ten gunste van de aansluiting op het regionale vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt. Het aanbod van beroepsgerichte keuzevakken is niet licentie-gebonden. Vmbo-scholen kunnen samen met vervolgonderwijs en regionale arbeidsmarktpartijen nieuwe beroepsgerichte keuzevakken ontwikkelen en, via een kortlopende procedure, binnen een jaar daadwerkelijk aanbieden aan hun leerlingen. Met deze beroepsgerichte keuzevakken ontstaan allerlei mogelijkheden voor specifieke leerlinggerichte en regionaal ingekleurde maatwerktrajecten.

Tweede en derde lid

Als een bevoegd gezag een nieuw beroepsgericht keuzevak wil gaan ontwikkelen, moet de medezeggenschapsraad daarvan op de hoogte zijn. Daarnaast zijn scholen verplicht het voornemen tot het ontwikkelen van een nieuw beroepsgericht keuzevak aan de minister te melden. De melding heeft tot doel te bepalen of een nieuw te ontwikkelen beroepsgericht keuzevak niet al bestaat, of al door een andere partij wordt ontwikkeld.

Vierde lid

Na de melding dat een school het voornemen heeft om een nieuw beroepsgericht keuzevak te ontwikkelen, brengt de minister een advies uit over de daadwerkelijke ontwikkeling van het vak. Als de school naar aanleiding van dat advies besluit de ontwikkeling door te zetten, dan kan de school, nadat het vak daadwerkelijk is ontwikkeld, een aanvraag doen tot goedkeuring van het nieuwe beroepsgerichte keuzevak.

Vijfde lid

Om scholen te ondersteunen bij het melden van het voornemen tot ontwikkeling van een beroepsgericht keuzevak, en de aanvraag tot goedkeuring daarvan (zie artikel 2.31), is bij ministeriële regeling een formulier vastgesteld.

Artikel 2.31. Procedure goedkeuring nieuw beroepsgericht keuzevak vmbo

Alleen beroepsgerichte keuzevakken waarvoor bij ministeriële regeling een examenprogramma is vastgesteld, kunnen meegeteld worden als onderdeel van het beroepsgerichte programma van een leerling (zie artikel 2.29). Vanaf van 1 augustus 2016 worden bij ministeriële regeling in elk geval examenprogramma’s vastgesteld voor de beroepsgerichte keuzevakken die gedurende de looptijd van de pilot vernieuwing beroepsgerichte examenprogramma’s zijn ontwikkeld door de Stichting platforms vmbo (SPV) en voor de goedgekeurde beroepsgerichte keuzevakken die in die periode zijn ontwikkeld door de scholen die deelnemen aan de pilot.

Elk van de profielvakken bestaat uit vier modules. Leerlingen kunnen er voor kiezen om één of meer van dergelijke modules van een ander dan het door hun gekozen profiel als beroepsgericht keuzevak te kiezen. De vier modules van elk van de profielvakken worden daarom ook als afzonderlijke beroepsgerichte keuzevakken vastgesteld.

In de gemengde leerweg omvat het profielvak slechts twee verplichte modules en kunnen leerlingen eventueel één of beide andere modules, volgen als beroepsgericht keuzevak, die voor hen dus geen deel uitmaken van het profielvak. Het verschil is dat de leerling deze beroepsgerichte keuzevakken afsluit met alleen schoolexamens, terwijl het profielvak wordt geëxamineerd in het centraal examen (cspe).

Naast de hiervoor bedoelde beroepsgerichte keuzevakken zijn er inmiddels diverse beroepsgerichte keuzevakken ontwikkeld die een aanvulling vormen op leerstof uit de profielvakken, zodat er voor alle leerlingen in principe voldoende keuzevakken beschikbaar zijn om hun beroepsgerichte programma mee in te vullen. De school is vrij in het aanbod van beroepsgerichte keuzevakken, maar moet wel voldoende verschillende keuzevakken aanbieden, zodat de leerlingen ook echt een keuze hebben.

Jaarlijks kunnen nieuwe beroepsgerichte keuzevakken worden ontwikkeld en vastgesteld, waarvan het examenprogramma dan aan de regeling toegevoegd zal worden. De voorwaarden waaronder scholen nieuwe beroepsgerichte keuzevakken kunnen gaan ontwikkelen en de procedure om deze goedgekeurd te krijgen worden beschreven in de artikelen 2.30 en 2.31, en nader uitgewerkt bij ministeriële regeling.

Voordat scholen daadwerkelijk een nieuw ontwikkeld beroepsgericht keuzevak kunnen gaan aanbieden, moet het door de minister zijn goedgekeurd. Het examenprogramma voor het nieuwe beroepsgerichte keuzevak moet door de minister zijn vastgesteld voordat het vak onderdeel uit kan maken van het beroepsgerichte programma van een leerling. Als dat (nog) niet het geval is, wordt het gezien als een door het bevoegd gezag vastgesteld vak of ander programmaonderdeel en kan het vak niet als beroepsgericht keuzevak op de cijferlijst worden opgenomen.

Paragraaf 4.5. Vrijstellingen en ontheffingen profielen vmbo
Artikel 2.32. Vrijstelling leerlingen profielen vmbo

Dit artikel moet in Caribisch Nederland deels anders gelezen worden, zie hiervoor artikel 9.2.

Leerlingen die al een vmbo-diploma hebben behaald, zijn vrijgesteld van het volgen van vakken als ze die (overeenkomstige) vakken eerder al hebben afgesloten, wanneer ze zich inschrijven voor een andere leerweg van het vmbo. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een leerling die reeds het diploma vmbo-kb heeft behaald, met vakken op het niveau van de theoretische leerweg of het havo, en daarna opgaat voor het diploma vmbo in een andere leerweg.

Artikel 2.33. Ontheffing leerlingen profielen vmbo

Dit artikel regelt een ontheffingsmogelijkheid in het vmbo. Artikel 2.4 stelt eisen over het onderwijs in de Franse en Duitse taal in de eerste twee leerjaren van scholen voor vbo en mavo. Leerlingen kunnen in een aantal gevallen ontheffing krijgen van de verplichting om een tweede moderne vreemde taal te volgen gedurende hun eerste twee leerjaren. Ook in latere leerjaren is ontheffing van deze verplichting echter mogelijk. Dit artikel beschrijf in welke gevallen deze ontheffing verleend kan worden. Allereerst kan een ontheffing die is verleend op grond van artikel 2.4, tweede lid, worden voortgezet in latere leerjaren. Ook komt het voor dat leerlingen gedurende de eerste twee leerjaren onderwijs hebben gevolgd in de Arabische, Turkse of Spaanse taal. Zij moeten dit ook in de kaderberoepsgerichte, theoretische of gemengde leerweg kunnen voortzetten.

Een derde categorie leerlingen waaraan op grond van dit lid ontheffing kan worden verleend, bestaat uit leerlingen die het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg gaan volgen en ten minste in de periode daarvóór waren toegelaten tot het leerwegondersteunend onderwijs. Daaronder vallen in ieder geval de leerlingen die, in combinatie met de vrijstelling voor de tweede moderne vreemde taal, een uitgebreid programma praktische sectororiëntatie hebben gevolgd. Vanwege de vrijstelling Frans/ Duits in de eerste twee leerjaren, kunnen deze leerlingen geen gebruik maken van de mogelijkheid om in plaats van wiskunde te kiezen voor Frans/Duits in het profiel economie. Het moeten volgen van wiskunde kan voor deze leerlingen een onoverkomelijke belemmering zijn op weg naar het diploma. Om die reden worden ze in de gelegenheid gesteld om in plaats van het volgen van onderwijs in wiskunde een keuze te maken uit het volgen van onderwijs in de vakken Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde.

Gewezen wordt voorts op de ontheffingsmogelijkheid van artikel 2.33, vierde lid, van de wet op grond waarvan leerlingen ontheffing kunnen krijgen voor het volgen van onderwijs in lichamelijke opvoeding, als zij niet in staat zijn dit onderwijs te volgen. Hier komt geen ander onderwijs voor in de plaats. Het gaat in principe om leerlingen met een handicap, die de vrijgekomen ruimte in veel gevallen goed zullen kunnen gebruiken om aan de eisen van de rest van het programma te voldoen. Het initiatief voor de ontheffing kan uitgaan van de betrokken leerling zelf, van diens ouders, voogden of verzorgers, of van de school. Het gaat om een ontheffing die door het bevoegd gezag moet worden verleend, er is dus geen sprake van vrijstelling. Het bevoegd gezag moet de inspectie ook over de ontheffing informeren, en laten weten waarom de leerling ontheffing is verleend.

Paragraaf 5. Stage beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg
Artikel 2.34. Stage vmbo

Stage is een vorm van buitenschoolse praktijkoriëntatie waarbij rechten en plichten van de leerling, de stagebieder en de school duidelijk moeten zijn. In de praktijk vindt het buitenschools leren vooral in het derde leerjaar plaats, omdat het vierde leerjaar grotendeels in het teken van het eindexamen staat. Voor vmbo-leerlingen in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg, kan een stage op grond van dit artikel deel uitmaken van het onderwijs in de profielvakken of de beroepsgerichte keuzevakken.

Artikel 2.35. Stageplan en stageplaatsen

Tijdens een stage oriënteert de leerling zich buiten de school op de beroepspraktijk. De leerling kan echter niet zonder meer aan het werk gezet worden: de stage moet verlopen volgens een vooropgezet plan. Dat plan maakt uiteindelijk onderdeel uit van de stageovereenkomst (zie artikel 2.36), die door het bevoegd gezag, de leerling en de stagebieder moet worden ondertekend. Uit het stageplan moet de opzet van de stage volgen: niet alleen moeten het doel van de stage en de werkzaamheden die de leerling verricht worden beschreven, ook de hoeveelheid uren die de stage beslaat en de wijze waarop deze is georganiseerd moeten in het stageplan worden opgenomen. Een leerling kan een stage op één stageplaats, maar ook op meer dan één stageplaats doorlopen.

Artikel 2.36. Stageovereenkomst

Dit artikel regelt de stageovereenkomst voor stages in de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg in het vmbo.

Als de school kiest voor een stage in het onderwijsprogramma, moet er een stage-overeenkomst worden afgesloten, die de verplichte onderdelen bevat die in dit artikel zijn opgenomen, te weten: de te ontplooien leeractiviteit, de aanvangsdatum, einddatum en tijden van de bedoelde leeractiviteiten, een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder en een regeling voor adequate verzekering van de leerling. De stage-overeenkomst wordt ondertekend door de school, de stagebieder en de ouders van de leerling, tenzij de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is (in dat geval tekent hij de stageovereenkomst zelf). De school kan fungeren als stagebieder als er niet één externe stagebieder aan te wijzen is. In dat geval wordt de stage-overeenkomst bij gebreke van een externe stagebieder ondertekend door de school en de ouders/verzorgers van de leerling.

De achtergrond van de verplichting tot het opstellen van een stageovereenkomst is dat toegestane arbeid door kinderen en jongeren in beginsel moet plaatsvinden buiten schooltijd. Alleen als er een stage-overeenkomst aan de stage ten grondslag ligt, als onderdeel van een schoolplan, mag de uitvoering ervan plaatsvinden tijdens schooltijd (zie artikel 3:1 van de Nadere regeling kinderarbeid).

Naast de mogelijkheid tot het doen van een stage in het vmbo in het algemeen, kan het schoolexamen vmbo, evenals het schoolexamen in de andere schoolsoorten, ook een maatschappelijke stage omvatten. Die stage kent net als de reguliere stage een stage-overeenkomst, maar die overeenkomst is op een andere plaats in dit besluit geregeld, namelijk in artikel 2.41.

Artikel 2.37. Samenwerkingsovereenkomst stage

Als een leerling in het vmbo stage loopt, moet daarvoor altijd een schriftelijke stageovereenkomst gesloten worden (zie artikel 2.36). Hierbij zijn het bevoegd gezag, de stagebieder én de leerling altijd partij. Naast de stageovereenkomst kan ook een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen het bevoegd gezag en één of meerdere stagebieders. In die samenwerkingsovereenkomst kunnen ook onderdelen van de stageovereenkomst worden opgenomen.

Paragraaf 6. Inrichting praktijkonderwijs
Artikel 2.38. Vakken praktijkonderwijs

In artikel 2.31 WVO 2020 is geregeld dat praktijkonderwijs aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden omvat, en voorbereidt op het uitoefenen van functies op de regionale arbeidsmarkt. Artikel 2.31, vijfde lid, WVO 2020 bepaalt dat bij amvb onder meer regels worden gesteld over de vakken die het praktijkonderwijs ten minste omvat. Dit artikel regelt de vakken waarin ten minste onderwijs moet worden gegeven, in artikel 2.39 zijn enkele voorwaarden geregeld voor de arbeidstraining. Overigens heeft de school op grond van artikel 2.31, zesde lid, WVO 2020 wel ruimte om af te wijken van het minimumaantal dagen waarop per schooljaar onderwijs wordt verzorgd als dat voor de leerling noodzakelijk is.

Naast onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen / wiskunde, informatiekunde en lichamelijke opvoeding, krijgen leerlingen in het praktijkonderwijs onderwijs in vakken die van belang zijn voor de regionale arbeidsmarkt. Het bevoegd gezag bepaalt welke vakken dat zijn na overleg met de gemeente, die met dat doel weer overleg voert met werkgevers op de regionale arbeidsmarkt.

De gemeente heeft een adviserende rol bij het samenstellen van het onderwijsaanbod in het praktijkonderwijs, omdat de gemeente overzicht heeft over de regionale situatie op arbeidsmarkt, vanuit haar regisserende rol bij de afstemming van het voorzieningenaanbod binnen het geïntegreerd jeugd- en onderwijsbeleid. De mogelijkheden voor op maat gesneden trajecten voor leerlingen die vanuit het praktijkonderwijs instromen op de arbeidsmarkt kunnen op deze manier worden vergroot. Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs of van een school met een afdeling voor praktijkonderwijs stemt met de gemeente af welke procedures gelden voor hun samenwerking op het gebied van de inrichting van het praktijkonderwijs.

Artikel 2.39. Arbeidstraining in het praktijkonderwijs

Dit artikel regelt enkele voorwaarden voor de arbeidstraining in het praktijkonderwijs. De artikelen in de vorige paragraaf, die gaat over de beroepsstage in het vmbo, zijn niet alleen van toepassing op stages in het vmbo. Ze gelden op grond van dit artikel ook voor het «onderricht in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep» (de arbeidstraining) in het praktijkponderwijs, als dat buiten de school plaatsvindt. Ook voor leerlingen in het praktijkonderwijs moet een stage-overeenkomst worden afgesloten.

Paragraaf 7. Overige bepalingen inrichting onderwijs
Artikel 2.40. Betrekken instellingen of deskundigen bij vrije deel profielen

In de artikelen 2.7, 2.12, 2.17, 2.22 en 2.26 is de inrichting van het vrije deel geregeld voor het vwo, havo, en de theoretische leerweg, beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg van het vmbo. Artikel 2.40 stelt nadere voorschriften aan het verzorgen van onderwijs in het vrije deel. Bij de vaststelling van vakken en/of andere programmaonderdelen kan het bevoegd gezag andere instellingen, of deskundigen van buiten de school betrekken. Zij kunnen het onderwijs in die andere vakken of programmaonderdelen mee verzorgen. Het bevoegd gezag blijft altijd eindverantwoordelijk voor het verzorgde onderwijs, en moet bewaken dat het onderwijs wordt verzorgd volgens maatschappelijk erkende normen.

De instellingen of de functies van de betrokken personen moeten voldoen aan voor hen geldende wettelijke voorschriften of – als die ontbreken – aan normen die binnen de beroepsgroep algemeen erkend zijn. Verder zijn artikel 7.3, en artikel 7.11, eerste lid, van de wet van overeenkomstige toepassing verklaard op degenen die het onderwijs op grond van artikel 2.40 verzorgen, met dien verstande dat in plaats van een bewijs van bekwaamheid en een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, het bezit van een kwalificatie is vereist die passend is, gezien de maatschappelijke sector waar het om gaat.

Wanneer een school bijvoorbeeld zou besluiten om, in overleg met (para)medisch vervolgonderwijs, in het vrije deel een oriëntatiecursus op te nemen die is gericht op dat (para)medisch vervolgonderwijs, dan zullen docenten die vanuit het vervolgonderwijs in de school voor vwo of havo het desbetreffende onderwijs geven, moeten voldoen aan de wettelijke benoembaarheidseisen die gelden voor de docenten in dat vervolgonderwijs. Als de school zonder inschakeling van het (para)medisch vervolgonderwijs besluit om zo'n oriëntatiecursus in te richten, zouden de docenten die daartoe van buiten de school worden aangesteld, moeten voldoen aan de wettelijke eisen die gelden voor de uitoefening van het desbetreffende (para)medische beroep, waaronder de eis van het bezit van het desbetreffende diploma of getuigschrift. Als een cursus wordt georganiseerd in samenwerking met een sector van het bedrijfsleven waarvoor geen specifieke wettelijke regels gelden, dan kan als «maatschappelijk erkende norm» bijvoorbeeld gelden dat het om bedrijven gaat die vallen onder een erkenningsregeling en/of een garantieregeling van het bedrijfsleven en/of van consumentenorganisaties. Als alternatief voor het in het onderwijs gebruikelijke bewijs van bekwaamheid zou dan bijvoorbeeld een vakdiploma kunnen gelden dat een rol speelt in de erkenningsregeling, en/of dat in de betreffende CAO wordt genoemd.

Artikel 2.41. Stageovereenkomst maatschappelijke stage vwo, havo, vmbo en praktijkonderwijs

Dit artikel is op grond van artikel 9.3 niet van toepassing in Caribisch Nederland.

Het bevoegd gezag van een school kan op grond van artikel 2.32 WVO 2020 zelf beslissen of het de maatschappelijke stage aanbiedt. Als de facultatieve maatschappelijke stage wordt aangeboden, dan moet er net als bij de reguliere stage een stage-overeenkomst zijn. In deze overeenkomst moeten een aantal zaken terugkomen die in dit artikel zijn opgenomen, te weten: de leerdoelen, te ontplooien leeractiviteit, aanvangsdatum, einddatum en tijden van de bedoelde leeractiviteiten, een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder en een regeling voor adequate verzekering van de leerling. De stage-overeenkomst wordt op grond van artikel 2.32, derde lid, WV0 2020 ondertekend door de school, de stagebieder en de ouders van de leerling, of de leerling zelf, als deze handelingsbekwaam is. De school kan fungeren als stagebieder als er geen externe stagebieder beschikbaar is. In dat geval wordt de stage-overeenkomst ondertekend door de school en de ouders van de leerling, of de leerling zelf als deze handelingsbekwaam is, zie artikel 2.41, tweede lid.

De achtergrond van de verplichting tot het opstellen van een stageovereenkomst is dat toegestane arbeid door kinderen en jongeren in beginsel moet plaatsvinden buiten schooltijd. Alleen als er een stage-overeenkomst aan de stage ten grondslag ligt, als onderdeel van een schoolplan, mag de uitvoering ervan plaatsvinden tijdens schooltijd (zie artikel 3:1 van de Nadere regeling kinderarbeid).

Paragraaf 8. Onderwijstijd, vakanties
Artikel 2.42. Dagen waarop geen onderwijs wordt gegeven

Voor «Bevrijdingsdag» moet in Caribisch Nederland «Koninkrijksdag» worden gelezen, zie artikel 9.4.

Eerste lid

In artikel 2.39, eerste lid, van de wet is geregeld dat in elk schooljaar op ten minste 189 dagen onderwijs wordt verzorgd. De dagen waarop dat onderwijs wordt verzorgd, kunnen voor een deel per school verschillen. Wel zijn er enkele algemene regels gesteld over onderwijsvrije dagen en vakantiedagen in de artikelen 2.42 en 2.43. Als een school heeft gekozen voor een zesdaagse schoolweek, wordt op zondagen geen onderwijs verzorgd. Bij een vijfdaagse schoolweek wordt er geen onderwijs verzorgd op zaterdagen en op zondagen. Deze dagen in het weekend tellen niet mee voor het aantal vakantiedagen. Verder zijn enkele algemeen erkende feestdagen expliciet benoemd als dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd.

Tweede lid

Bijzondere scholen mogen ervoor kiezen om hun leerlingen vrij te geven op andere feestdagen dan de algemeen erkende feestdagen, bedoeld in het eerste lid. Het gaat dan om feestdagen die verband houden met een godsdienst of levensovertuiging. Dat op een dergelijke feestdag geen onderwijs wordt verzorgd, geldt dan voor álle leerlingen van de school, dus niet alleen voor de groep leerlingen die op de vrije dag een religieuze plicht vervult of een religieus feest viert. Voorbeelden zijn scholen die geen les geven op Goede vrijdag, op de Bid- en Dankdag voor Gewas en Arbeid, of tijdens het Suikerfeest. Scholen moeten deze vrije dagen publiceren in de schoolgids (zie artikel 2.92, eerste lid, onderdeel c, van de wet), zodat ouders al voor aanvang van een nieuw schooljaar weten hoe het schooljaar is ingedeeld.

Derde lid

Buiten de vakanties en andere vrije dagen op grond van artikel 2.42, mag het bevoegd gezag een maximumaantal extra dagen per schooljaar aanwijzen waarop geen onderwijs wordt verzorgd. Bij een vijfdaagse schoolweek gaat het om maximaal twaalf dagen, bij een zesdaagse schoolweek om maximaal dertien dagen. Maximaal zes van deze onderwijsvrije dagen mogen rondom de centraal vastgestelde zomervakantie worden ingepland. De dagen rond de zomer worden in de regel gebruikt voor opstart- en afrondingsactiviteiten rondom de vakantie. Met het stellen van een maximumaantal onderwijsvrije dagen rond de zomervakantie wordt voorkomen dat in de zomer te lange tijd geen onderwijs wordt verzorgd.

Artikel 2.43. Aantal dagen vakanties
Eerste lid

In artikel 2.39, eerste lid, van de wet is geregeld dat in elk schooljaar op ten minste 189 dagen onderwijs wordt verzorgd. Deze minimumnorm wordt in artikel 2.43 nader uitgewerkt. Het eerste lid noemt het aantal dagen dat per schooljaar maximaal aan centraal vastgestelde vakanties mag worden besteed. De vaststelling van de perioden waarin het per regio vakantie is vindt plaats bij ministeriële regeling, in de Regeling vaststelling schoolvakanties.

Tweede lid

In aanvulling op de centraal vastgestelde vakanties, mag het bevoegd gezag op grond van dit lid in principe zelf één of meer vakanties vaststellen, als de vakanties die zijn vastgesteld bij ministeriële regeling minder dagen omspannen dan op grond van het eerste lid maximaal is toegestaan.

Derde lid

Voor de telling van het maximumaantal vrije (vakantie) dagen per schooljaar, zijn in dit artikellid regels gesteld. Bij een zesdaagse schoolweek wordt op zondagen geen onderwijs verzorgd. Bij een vijfdaagse schoolweek wordt er geen onderwijs verzorgd op zaterdagen en op zondagen. Deze dagen in het weekend tellen niet mee voor het aantal vakantiedagen.

Vierde lid

Als één van de feestdagen als bedoeld in artikel 2.42, eerste lid, onderdelen c en d, of het tweede lid, valt tijdens een centraal, bij ministeriële regeling, vastgestelde vakantie, telt die dag mee als vakantiedag voor het maximum aantal vakantiedagen, bedoeld in het eerste lid. Het leidt dan niet tot een recht op een extra onderwijsvrije dag. Valt een dergelijke feestdag buiten de centrale vakantie, dan telt deze dag niet mee voor het maximum aantal dagen vakantie.

Artikel 2.44. Aantal klokuren onderwijs in de praktijk bij praktijkonderwijs

Dit artikel moet in Caribisch Nederland anders worden gelezen, zie artikel 9.5.

In artikel 2.38, achtste lid, van de wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het aantal klokuren dat het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep in het kader van het praktijkonderwijs in een schoolweek ten hoogste omvat. Dit aantal uren is in artikel 2.44 vastgesteld op gemiddeld ten hoogste 50% van het aantal uren waarin onderwijs wordt verzorgd. Dit geldt voor de gehele cursusduur van een leerling.

Leerlingen die praktijkonderwijs volgen en zeventien jaar worden of zijn geworden in een schooljaar, mogen maximaal 80% van het aantal onderwijsuren per week stagelopen. In de praktijk betekent dit een beperking tot maximaal vier dagen stage per week.

Artikel 2.45. Meetellen onderwijstijd voortgezet speciaal onderwijs

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland.

Dit artikel stelt voorwaarden voor het meetellen van de onderwijstijd van leerlingen die een deel van het onderwijs volgen op een andere school of instelling voor voortgezet speciaal onderwijs dan de school waarop zij zijn ingeschreven.

In het eerste lid wordt de eis gesteld dat een schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken bevoegd gezagsorganen wordt gesloten. Hierin moeten in elk geval de onderdelen, genoemd in het tweede lid, worden uitgewerkt. Deze onderdelen gaan over de termijn waarbinnen de leerling het onderwijs op de andere school volgt, het deel van het onderwijsaanbod, het aantal lesuren per week per vak/onderwijsactiviteit en de aanwezigheid van een leraar van de school en andere begeleiding van de leerling.

Afgesproken kan ook worden dat een leerling gedurende maximaal drie maanden het volledig onderwijsprogramma in het speciaal onderwijs volgt. In dat geval moeten afspraken gemaakt worden over eventuele verrekeningen van personele of materiële kosten. Afspraken over personele of materiële kosten hoeven niet te worden gemaakt wanneer het gaat om scholen die zijn verbonden aan een justitiële jeugdinrichting of een gesloten accommodatie als bedoeld in de Jeugdwet. Voor deze scholen is een plaatsbekostiging uit ‘s Rijks kas geregeld, zie artikel 117, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra (WEC).

Wanneer er sprake is van symbiose tussen scholen (of scholengemeenschappen in het voortgezet onderwijs) die onderdeel uitmaken van hetzelfde bevoegd gezag, dan moet, zo bepaalt het vijfde lid, dat bevoegd gezag de onderwerpen die in het tweede lid of derde lid zijn genoemd, regelen op een manier die voor beide betrokken scholen (of scholengemeenschappen) duidelijk is. Deze scholen hoeven geen overeenkomst te sluiten, omdat ze tot hetzelfde bevoegd gezag behoren.

Paragraaf 9. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

Omdat Caribisch Nederland een eigen zorgstructuur heeft, geldt deze paragraaf daar niet.

Artikel 2.46. Beoordelingscriteria samenwerkingsverband praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs

Op grond van artikel 2.30, vijfde lid, en artikel 2.43, eerste lid, WVO 2020, beslist het samenwerkingsverband op aanvraag van het bevoegd gezag of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of dat een leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. De aanvraag wordt gedaan door het bevoegd gezag van de school waar een leerling zich aanmeldt, of door de school waaraan de leerling is ingeschreven. Dit artikel bevat de criteria op basis waarvan samenwerkingsverbanden dergelijke aanvragen moeten beoordelen: het stelt eisen aan de inhoud van beoordelingsdossiers.

Eerste lid

Dit lid bevat de criteria voor de gegevens op basis waarvan het samenwerkingsverband zich een oordeel vormt over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs of het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs. Het samenwerkingsverband toetst éénmalig aan de hand van deze criteria of de leerling in aanmerking komt voor praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs. Bij de aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs wordt ook de zienswijze van de ouders van de betreffende leerling betrokken.

Tweede lid

Bij het opstellen van de dossiers die de gegevens bevatten die zijn genoemd in het eerste lid, kunnen verschillende instrumenten worden benut. In dit tweede lid is aangegeven dat de screenings- of testinstrumenten waarmee het leerling-dossier wordt opgesteld jaarlijks bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Het bevoegd gezag moet de instrumenten uit deze lijst gebruiken bij de aanvraag. IQ-testen en persoonlijkheidstesten moeten worden afgenomen door of onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of een diagnostisch geschoold orthopedagoog. Als de testen niet plaatsvinden door deze deskundigen zelf, dan wordt het onderzoek gedaan door testassistenten die daarvoor geschoold zijn. Toetsen om de leerachterstand in beeld te brengen moeten worden afgenomen door een didactisch geschoold persoon, bijvoorbeeld de docent.

Derde lid

In dit lid is aangegeven hoe de leerachterstand van de leerling wordt bepaald. De afkorting DLE staat voor «didactische leeftijdseenheden». Het gaat om het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt. De afkorting DL staat voor «didactische leeftijd» en betekent het aantal maanden dat een leerling vanaf groep drie in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school in de zin van de WPO of de WEC. Het niveau dat een leerling op een bepaald moment heeft bereikt, wordt weergegeven in didactische leeftijdseenheden en bepaald aan de hand van scores op toetsen of testen. Het bereikte niveau wordt afgezet tegen de didactische leeftijd van de leerling op het moment van toetsing. Als een leerling bijvoorbeeld een DLE heeft van 45 (niveau januari groep 7) en een DL van 60 (juni groep 8), dan heeft de betreffende leerling een leerachterstand van 0,25.

Voor de indicatie leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs wordt uitgegaan van de didactische leeftijd die een leerling op het moment van toetsen bereikt heeft.

Vierde en vijfde lid

Het vierde lid, bevat de criteria om voor het praktijkonderwijs in aanmerking te komen. De criteria om in aanmerking te komen voor leerwegondersteunend onderwijs, zijn in het vijfde lid opgenomen.

Zesde lid

Leerlingen scoren soms strijdig op de criteria voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs. Dat is het geval als de score op één criterium wijst op praktijkonderwijs, terwijl de score op een ander criterium wijst op leerwegondersteunend onderwijs. Leerlingen met dergelijke scores komen voor zowel het praktijkonderwijs als het leerwegondersteunend onderwijs in aanmerking. Het bevoegd gezag moet de aanvraag gedegen motiveren, en aangeven of het vindt dat de leerling moet worden aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar moet worden verklaard tot het praktijkonderwijs.

Artikel 2.47. Criteria toelaatbaarheid praktijkonderwijs voor bijzondere groepen leerlingen
Eerste lid

Dit lid bevat een uitwerking van de in artikel 2.30, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet geregelde mogelijkheid om een aanvraag voor praktijkonderwijs te doen voor leerlingen die voldoen aan «criteria die zijn gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur». In artikel 2.47 zijn regels gesteld over twee bijzondere groepen van leerlingen. Het gaat dan om leerlingen waarvan het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs vindt dat het praktijkonderwijs het best bij hun behoeften aansluit. De eerste groep bestaat uit leerlingen die zijn ingeschreven op het vbo of mavo en zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, met scores in het grensvlak tussen leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro). Het bevoegd gezag van de school waar de leerling is ingeschreven moet oordelen dat er sprake is van een toegenomen problematiek, nadat de leerling op het leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen. Verder moet er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake zijn van een stapeling van andersoortige problematiek dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.

De andere groep leerlingen die op grond van dit artikel in aanmerking kan komen voor praktijkonderwijs, bestaat uit leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, die qua IQ of leerachterstand voldoen aan de criteria voor toelating tot het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag moet oordelen dat er ongeacht hun IQ of leerachterstand sprake is van een zodanige problematiek dat toelating tot het praktijkonderwijs geboden is.

Tweede lid

Voor de beoordeling van de aanvraag, moet een school verschillende gegevens bij het samenwerkingsverband aanleveren:

  • een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op lwoo of toelaatbaar is tot (voortgezet) speciaal onderwijs, of van het ontwikkelingsperspectief,

  • de zienswijze en instemming van de ouders,

  • een motivering van het bevoegd gezag dat de leerling voldoet aan de voorschriften die zijn genoemd in het eerste lid van dit artikel, en

  • een leerling-dossier met gegevens die de motivering van de school onderbouwen.

De voorbereiding en het aanleveren van de benodigde documenten zijn voornamelijk taken van de verwijzende school. De school voor praktijkonderwijs maakt na overleg met de verwijzende school en op basis van het ontwikkelingsperspectief of onderwijskundig rapport en het leerling-dossier een afweging of de desbetreffende leerling voldoet aan de criteria van het eerste lid. De school voor praktijkonderwijs kan deze afweging pas goed maken als over de leerling voldoende en relevante informatie is verstrekt door de verwijzende school, en kan de verwijzende school vragen om meer informatie aan te leveren.

Als de school voor praktijkonderwijs tot de conclusie komt dat de zorgbehoefte van de leerling aansluit bij haar aanbod van het praktijkonderwijs en de leerling voldoet aan de andere eisen die gesteld worden in het eerste lid, kan het bevoegd gezag van die school een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring praktijkonderwijs indienen bij het samenwerkingsverband.

De motivering, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt verzorgd door de school voor praktijkonderwijs. De bij de aanvraag betrokken scholen bepalen in onderling overleg wie de ouders benadert om hen te vragen hun zienswijze over en instemming met een overstap naar het praktijkonderwijs schriftelijk te geven (tweede lid, onderdeel b).

Artikel 2.48. Mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure, duur en licenties (leerwegondersteunend onderwijs)
Eerste lid

In artikel 2.48 WVO 2020 is geregeld dat samenwerkingsverbanden ervoor kunnen kiezen om af te wijken van de landelijke criteria, procedure en de duur van de ondersteuningstoewijzing van lwoo. Dit wordt de mogelijkheid tot «opting out» genoemd. Artikel 2.48 van dit besluit regelt dat als een samenwerkingsverband kiest voor afwijking van de regels omtrent de duur van de beoordeling, de geldigheidsduur van de toewijzing voor lwoo minimaal één volledig schooljaar moet zijn.

Tweede lid

In het tweede lid van dit artikel is een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere regels te kunnen vaststellen over de procedure van opting out. Het gaat dan om regels van administratieve aard, bijvoorbeeld over het moment waarop aan DUO gemeld moet worden welke scholen in het samenwerkingsverband voorgedragen worden voor een lwoo-licentie.

Artikel 2.49. Inhoud ontwikkelingsperspectief praktijkonderwijs of extra ondersteuning

Op grond van artikel 2.44, eerste lid, WVO 2020 moet het bevoegd gezag een ontwikkelingsperspectief (op Caribisch Nederland: handelingsplan, zie artikel 11.14 WVO 2020) vaststellen voor alle leerlingen die praktijkonderwijs volgen, of die geen praktijkonderwijs volgen, maar wel extra ondersteuning nodig hebben. Een uitzondering geldt voor de leerlingen die uitsluitend extra ondersteuning in de vorm van leerwegondersteunend onderwijs ontvangen. Artikel 2.49 bepaalt welke informatie het ontwikkelingsperspectief in elk geval moet bevatten. Het gaat om een aantal verplichte onderdelen waarvoor globale eisen zijn gesteld, maar waarvoor geen instrumenten of modellen zijn voorgeschreven. Scholen kunnen zelf bepalen hoe ze het ontwikkelingsperspectief onderbouwen en welke (onderzoeks-) instrumenten zij daarvoor gebruiken.

De verplichte onderdelen van het ontwikkelingsperspectief zijn:

  • 1. De te verwachten uitstroombestemming van de leerling. Daarmee wordt de verwachte uitstroom bedoeld naar het vervolgonderwijs (mbo, hbo of wo), en – als het gaat om praktijkonderwijs – ook de verwachting over het soort functie dat de leerling op de arbeidsmarkt kan vervullen.

  • 2. De onderbouwing van de verwachte uitstroombestemming van de leerling. Deze moet samenhangende argumenten bevatten die relevant zijn voor het onderwijs. In deze onderbouwing moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden van de leerling in relatie tot de voor de uitstroombestemming vereiste kennis en vaardigheden. De onderbouwing bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling. Het gaat dan om leerlinggebonden factoren en om omgevingsfactoren die het onderwijsproces kunnen beïnvloeden en die (mede) bepalen of een leerling een bepaalde uitstroombestemming kan bereiken, zoals motivatie, doorzettingsvermogen, een stimulerende thuisomgeving en/of kenmerken van de leerling zelf. Deze factoren vormen belangrijke bouwstenen in de onderbouwing van de keuze die wordt gemaakt voor de te verwachten uitstroombestemming van de leerling. Wanneer het bevoegd gezag het ontwikkelingsperspectief voor de eerste keer na inschrijving vaststelt, zal de onderbouwing een weergave zijn van de voor de uitstroombestemming relevante gegevens in de beginsituatie van de leerling, zoals die bijvoorbeeld blijkt uit het onderwijskundig rapport indien de leerling eerder onderwijs heeft gevolgd.

Artikel 2.50. Orthopedagogisch-didactische centra

Samenwerkingsverbanden hebben als doelstelling het realiseren van een samenhangend geheel van onderwijsvoorzieningen binnen en tussen scholen, zodat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Om dat doel te bereiken, kan het samenwerkingsverband op grond van artikel 2.47, twaalfde lid, WVO 2020 een of meer orthopedagogisch-didactische centra (opdc) inrichten. Artikel 2.50 stelt op besluitniveau regels over de voorwaarden waaronder dergelijke voorzieningen kunnen worden ingericht.

Eerste lid

De school waar een leerling is of wordt ingeschreven, plaatst deze in een opdc. Die plaatsing is altijd tijdelijk, tot maximaal twee jaar. De school blijft verantwoordelijk voor het onderwijs aan de leerling en bijvoorbeeld ook voor de verzuimregistratie. De plaatsing zal – als extra ondersteuningsbehoefte – worden opgenomen in het ontwikkelingsperspectief, zodat de ouders er bij betrokken zijn (zie artikel 2.44 WVO 2020). Bij het opdc kan geen eindexamen worden afgelegd, dat doet een leerling op de school waar hij of zij is ingeschreven.

Tweede lid

Als leerlingen langer dan drie maanden op het opdc verblijven, moeten de lessen die zij volgen worden gegeven door leraren die daarvoor bevoegd zijn.

Derde lid

Samenwerkingsverbanden moeten zich houden aan de voorwaarden die gelden voor het inrichten van orthopedagogische centra. Als het samenwerkingsverband een opdc inricht, moet het onderdeel uitmaken van (het ondersteuningsplan) van het samenwerkingsverband. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs in de opdc en toetst of het opdc is opgenomen in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband.

Artikel 2.51. Deskundigen samenwerkingsverband
Eerste lid

Eén van de taken van samenwerkingsverbanden, is het beoordelen of leerlingen zijn aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs. De samenwerkingsverbanden moeten ervoor zorgen dat zij over die beoordeling advies krijgen van deskundigen, zo volgt uit artikel 2.47, veertiende lid, WVO 2020.

In dit artikel is geregeld door welk type deskundigen het samenwerkingsverband zich in dit kader moet laten adviseren. Voor de toelating tot het (voortgezet) speciaal onderwijs moet het samenwerkingsverband zich laten adviseren door minimaal twee deskundigen, waaronder in elk geval een orthopedagoog of een psycholoog. De tweede deskundige is afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de leerling (zoals blijkt uit de gegevens van de ouders of de school). Het kan gaan om een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een maatschappelijk werker, een arts of een kinderpsychiater. Door het opleggen van deze verplichting is geborgd dat het samenwerkingsverband relevante deskundigheid betrekt bij de beslissing over het wel of niet verwijzen van leerlingen naar speciale voorzieningen in het samenwerkingsverband.

Orthopedagogen beschikken over brede deskundigheid over kinderen met een mentale en/of fysieke beperking en kinderen in een problematische leer- of opvoedingssituatie. Een orthopedagoog heeft een bachelor in pedagogiek afgerond en een master in orthopedagogiek, en bij voorkeur relevante werkervaring. Als het samenwerkingsverband ervoor kiest zich te laten adviseren door een psycholoog, wordt aanbevolen om te kiezen voor een psycholoog die beschikt over relevante werkervaring en kennis van kind- en systeemniveau, zodat deze deskundig is over de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen en het systeem waarin zij opgroeien.

Tweede lid

Voor de beslissing over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het praktijkonderwijs, en het al dan niet aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs, is specifieke deskundigheid vereist. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde deskundigen, is in dit lid daarom als tweede (aanbevolen) deskundige een deskundige op het terrein van vmbo en praktijkonderwijs toegevoegd. Samenwerkingsverbanden kunnen er bij de toewijzing van leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs voor kiezen om deze deskundige als tweede verplichte deskundige te laten adviseren.

Voor de toewijzing van leerwegondersteunend onderwijs en/of praktijkonderwijs, moet een deskundige goed kunnen inschatten of een leerling wel of niet in staat is om (met extra ondersteuning) een vmbo-diploma te halen. Het gaat hier niet alleen om een keuze over de ondersteuning die een leerling krijgt, maar ook over de schoolsoort waar de leerling naartoe gaat. Met name voor leerlingen die zich op het grensvlak van lwoo en pro bevinden, is het van belang dat over die inschatting wordt geadviseerd door een deskundige die kennis heeft over deze schoolsoorten.

Paragraaf 10. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs

Op grond van artikel 11.28 van de wet is de regeling over zeer zwak onderwijs en de beoordeling van leerresultaten, niet van toepassing in Caribisch Nederland. Daarom is deze paragraaf daar niet van toepassing.

Artikel 2.52. Wijze van beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs
Eerste lid

Dit artikel gaat over de indicatoren die de inspectie moet hanteren voor de beoordeling van de leerresultaten van een school. Met de term «percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang» wordt tot uitdrukking gebracht wat er met deze indicatoren wordt gemeten, namelijk het percentage succesvolle overgangen van leerlingen naar een volgend leerjaar. Dit wordt bepaald aan de hand van regels over het verschil tussen de verwachte onderwijspositie van de leerling op basis van het onderwijskundig rapport en de door de leerling daadwerkelijk bereikte onderwijspositie in het derde leerjaar. Deze regels zijn te vinden in de Regeling leerresultaten VO 2016. Die ministeriële regeling bepaalt ook hoe het doubleren van de leerling wordt meegerekend.

Tweede lid

In artikel 2.94, eerste lid, WVO 2020 is geregeld dat de kwaliteit van het onderwijs aan een school de kwalificatie zeer zwak heeft, als «de leerresultaten van het vwo, het havo, het mavo, het vbo, het vmbo in de theoretische leerweg en de gemengde leerweg, het vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg dan wel het vmbo in de kaderberoepsgerichte leerweg ernstig en langdurig tekortschieten en het bevoegd gezag in verband met dit tekortschieten ook tekortschiet in de naleving van een of meer regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet.» Omdat dat artikel een onderscheid maakt naar de afzonderlijke schoolsoorten en leerwegen, worden de indicatoren per afzonderlijke schoolsoort en leerweg vastgesteld.

Derde lid

De in het eerste lid genoemde indicatoren kunnen voorafgaand aan de beoordeling, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels (zie artikel 2.53, eerste lid) worden gecorrigeerd voor groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen. Bij deze correctie moet altijd rekening worden gehouden met sociaaleconomische situatie van de leerlingen. Daarbij moet worden gedacht aan de relatie tot de «armoede probleem cumulatie gebieden» (APCG).

Vierde lid

In het vierde lid is tot uitdrukking gebracht dat er voor alle indicatoren gecorrigeerd moet kunnen worden op grond van bijzondere omstandigheden. Een voorbeeld daarvan kan een sterfgeval zijn, dat van doorslaggevende invloed is geweest op de leerresultaten.

Artikel 2.53. Ministeriële regeling berekening indicatoren, benodigde gegevens en oordeel over leerresultaten onderwijs

De berekening van de in artikel 2.52 opgenomen indiciatoren voor de beoordeling van de leerresultaten, is nader geregeld in een ministeriële regeling: de Regeling leerresultaten VO 2016. Naast deze rekenregels, bevat die regeling regels over de aard en de aantallen gegevens die ten minste nodig zijn voor de toepassing van de indicatoren, de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende leerresultaat baseert, en over de wijze waarop de beoordelingen, gebaseerd op de afzonderlijke indicatoren, leiden tot een oordeel over de leerresultaten. Al deze zaken staan niet in dit besluit maar in een regeling, omdat de wijze van meting en beoordeling relatief vaak aan verandering onderhevig kan zijn.

Artikel 2.54. Procedure vaststelling en wijziging indicatoren

De procedure voor vaststelling of wijziging van de indicatoren is hetzelfde in het primair en voortgezet onderwijs. Voor het primair onderwijs is de procedure beschreven in artikel 34.5 van het Besluit bekostiging WPO.

De procedure voor vaststelling of wijziging van de landelijke normering is als volgt geregeld:

  • 1. Vaststelling of wijziging is een bevoegdheid van de Minister;

  • 2. De Minister oefent deze bevoegdheid uitsluitend uit op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs (IGO);

  • 3. De IGO betrekt bij een eventueel voorstel recente ontwikkelingen, een eigen analyse en signalen vanwege organisaties uit het onderwijsveld;

  • 4. Over het concept-voorstel overlegt de IGO met de daarvoor in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld.

  • 5. De IGO legt het uiteindelijke voorstel voor aan de Minister, en vermeldt daarbij hoe in het voorstel rekening is gehouden met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld;

  • 6. De Minister besluit naar aanleiding van het voorstel over wijziging van een normering of vaststelling van een nieuwe normering. Komt er inderdaad een wijziging of een nieuwe norm, dan betekent dat dat de desbetreffende ministeriële regeling wordt aangepast of een ontwerp-algemene maatregel van bestuur of een voorstel van wet wordt voorbereid (afhankelijk van de voorgestelde wijziging).

Paragraaf 11. Monitor veiligheid op school
Artikel 2.55. Monitor veiligheid op school

Artikel 2.55 bevat de eisen die worden gesteld aan het monitoringsinstrument dat de veiligheid van de leerlingen op school meet.

Op grond van onderdeel a wordt gemeten hoe de leerlingen de veiligheid op school ervaren, voelen leerlingen zich veilig op school. Het gaat erom hoe de leerlingen de school voor wat betreft de veiligheid beleven. Deze beleving kan afwijken van de feitelijke veiligheid waarvan op een school sprake is. Een voorbeeld van een vraag die kan worden gesteld is of de leerling zich veilig voelt in de klas. Ten tweede wordt de feitelijke veiligheid gemeten, hier gaat het om de vraag of leerlingen situaties meemaken die leiden tot aantasting van de veiligheid op school. Een voorbeeld van een vraag die kan worden gesteld is of spullen van de leerling kapot zijn gemaakt. Ten derde wordt het welbevinden van de leerlingen, voor zover het verband houdt met de veiligheid, gemeten. Bij het welbevinden van de leerlingen, voor zover het

verband houdt met de veiligheid, op school gaat het om de vraag of leerlingen zich prettig voelen op school. Een voorbeeld van een vraag die kan worden gesteld is of de leerling het gevoel heeft zichzelf te kunnen zijn op school.

In onderdeel b wordt bepaald dat het instrument ten minste eens per schooljaar wordt afgenomen onder een representatief deel van de leerlingen. Doordat de monitor ten minste eens per schooljaar wordt afgenomen, zijn de resultaten actueel. Het begrip representatief betekent dat de met het instrument verzamelde gegevens een beeld geeft dat geldig is voor de gehele leerlingenpopulatie van de school. Dit beeld dient gebaseerd te zijn op de eigen ervaringen van de leerlingen. Voor een representatief beeld kunnen onder alle leerlingen of onder een deel dat een goede doorsnede is van de leerlingenpopulatie gegevens worden verzameld. De keuze van de school dient er toe te leiden dat aannemelijk is dat een beeld van de school wordt gegeven dat geldig is voor de gehele leerlingenpopulatie van de school. Het biedt voor scholen de ruimte om een instrument te kiezen dat past bij de situatie van de school. Van belang is dat niet steeds dezelfde deelverzameling van leerlingen bevraagd wordt. Ook kan het niet zo zijn dat door de selectie van leerlingen bewust of onbewust groepen buiten beeld blijven waarvan vermoed had kunnen worden dat van een afwijkende situatie ten opzichte van de rest van de school sprake zou kunnen zijn.

Op basis van onderdeel c is het instrument gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar. Gestandaardiseerd betekent dat het instrument gebruik maakt van vaste vragen en vaste procedures kent voor de afname, opslag, verwerking, analyse en interpretatie van gegevens. Door gebruik te maken van vaste vragen en procedures zijn de kenmerken en kwaliteit van het instrument ook bekend en geborgd. Gestandaardiseerde instrumenten kunnen door meerdere scholen worden gebruikt, zodat de school tevens beschikt over gegevens waarmee de uitkomsten tegen de achtergrond van een grotere populatie geïnterpreteerd kan worden. Ten slotte is het instrument valide en betrouwbaar. Het instrument is valide als het inzicht geeft in de aandachtsgebieden uit onderdeel a. In hoeverre een instrument voldoet aan de eis van validiteit blijkt uit methodologisch onderzoek. Het onderzoek maakt inzichtelijk dat wat de resultaten van het instrument laten zien, overeenstemt met wat de leerlingen die het instrument hebben ingevuld in werkelijkheid vinden. Voorts is het instrument betrouwbaar als het onderzoek reproduceerbaar is. Dit betekent dat de uitkomsten niet afhankelijk zijn van toevallige vertekening, en bij herhaalde meting overeenkomende resultaten worden gevonden.

Alle instrumenten die aan deze eisen voldoen, kunnen door scholen worden ingezet om de veiligheid van leerlingen op school te meten. Of een monitoringsinstrument voldoet aan de eisen, blijkt uit de documentatie van de aanbieder die het instrument heeft ontwikkeld.

Paragraaf 12. Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 12.1 Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Op grond van artikel 2.99 WVO 2020 kan het bevoegd gezag leerlingen in de gelegenheid stellen om ook onderwijs te ontvangen dat wordt verzorgd door een andere vo-school, of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, de zogenoemde «uitbesteding». Leerlingen kunnen in dit kader ook studeren aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo). Artikel 2.99 WVO 2020 beschrijft drie redenen waarom het bevoegd gezag de leerlingen kan uitbesteden: allereerst kan het leerlingen met bijzondere kenmerken soms beter in staat stellen om een vo-diploma te behalen. Verder biedt het leerlingen soms meer kans om met een gunstig resultaat vervolgonderwijs te volgen. Tot slot kan samenwerking ertoe leiden dat onderwijsvoorzieningen doelmatiger worden gebruikt. Deze paragraaf stelt nadere regels over de mogelijkheid tot samenwerking tussen scholen, of tussen scholen en instellingen.

Artikel 2.56. Inhoud samenwerkingsovereenkomst voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

In Caribisch Nederland kan bij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.56 deels worden afgeweken van de inhoud van artikel 2.56. Zie hierover artikel 9.7.

Uit artikel 2.100 WVO 2020 volgt dat uitbesteding alleen mag plaatsvinden als er een samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten tussen de vo-scholen, of tussen de vo-school en de (WEB-)instelling. Bij amvb wordt vervolgens geregeld welke onderwerpen deze overeenkomst in elk geval omvat. Die regels worden in artikel 2.56 gesteld. Hierbij zij opgemerkt dat een groot deel ervan voorheen op wetsniveau geregeld was, in het derde lid van artikel 58a WVO.

Een gedegen samenwerkingsovereenkomst is van groot belang voor het slagen van de samenwerking. Als leerlingen voor een langere periode onderwijs aan een andere school of instelling mogen volgen, zijn ze uit het directe zicht van de school waar ze ingeschreven staan. Het bevoegd gezag waar de leerling staat ingeschreven blijft echter verantwoordelijk voor die leerling en het onderwijs dat hij of zij volgt. Als de kwaliteit van het onderwijs dat door de ontvangende school of instelling wordt verzorgd onder de maat is, wordt het uitbestedende bevoegd gezag daarop aangesproken, terwijl het niet direct invloed heeft op die kwaliteit. Ook de onderwijsopbrengsten worden aan dat bevoegd gezag toegeschreven. Ditzelfde principe geldt voor het leerlingenverzuim: de verzuimregistratie moet worden bijgehouden door de uitbestedende school, terwijl de leerling niet komt opdagen op een andere school of instelling. Hoe minder een leerling les volgt op de school waar hij of zij ingeschreven staat, hoe moeilijker het voor die school wordt om in beeld te houden of het wel goed gaat met die leerling.

Sinds 2015 geldt een aanvullende eis voor de samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkende scholen zijn sindsdien verplicht om afspraken te maken over de wijze waarop zij regelmatig contact onderhouden met de leerlingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn (onderdeel f). Dit kan bijvoorbeeld door een deel van de lessen aan te blijven bieden op de school waar de leerlingen zijn ingeschreven, en de leerlingen slechts voor bepaalde vakken uit te besteden. Maar deze afspraak kan ook worden vormgegeven door de mentor van de uitbestedende school geregeld een mentoruur of huiswerkbegeleiding of andere contacturen te laten verzorgen op de school waar de leerlingen feitelijk onderwijs volgen. Door het contact op deze wijze te organiseren, hoeven de leerlingen niet heen en weer te reizen, en kan de mentor toch zicht houden op en aanspreekbaar blijven voor zijn leerlingen. Het moet zowel voor de scholen of instellingen, als voor de leerlingen en de ouders glashelder zijn wie ze moeten aanspreken als er sprake is van problemen of incidenten. Voor ouders moet het aanspreekpunt het bevoegd gezag zijn van de school of instelling waar zij hun kind hebben ingeschreven. Dit bevoegd gezag moet vervolgens op basis van de samenwerkingsovereenkomst het bevoegd gezag van de school of instelling waar het onderwijs gevolgd wordt, kunnen aanspreken. In zulke gevallen is het de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school of instelling waar de leerlingen staan ingeschreven om veranderingen of optreden af te dwingen van het bevoegd gezag van de school of instelling waar onderwijs wordt gevolgd, of om de samenwerking te beëindigen.

Dit alles betekent ook dat de school duidelijk moet communiceren over het uit te besteden gedeelte van het onderwijsprogramma. Uit artikel 2.92, tweede lid, WVO 2020 volgt dat de schoolgids de ouders en leerlingen onder meer informeert over de werkwijze van de school en het verzuimbeleid. Het is uiteraard van belang dat de school in de schoolgids, en in voorkomende gevallen ook in het programma van toetsing en afsluiting, opneemt welke gedeelten van het programma aan een andere school worden uitbesteed, en welke school dat is. Ook verdient het aanbeveling duidelijk te maken waar ouders moeten aankloppen in het geval van problemen en incidenten.

Artikel 2.57. Voorwaarden om onderwijs te ontvangen op een andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs

In Caribisch Nederland kan bij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.56 deels worden afgeweken van de inhoud van artikel 2.57. Zie hierover artikel 9.7.

Eerste lid

Dit artikel regelt de voorwaarden voor uitbesteding. In artikel 2.99, tweede lid, WVO 2020 zijn de drie doelen van uitbesteding genoemd. Artikel 2.57 concretiseert deze doelen. Toepassing van de mogelijkheid tot uitbesteding kan op grond van artikel 2.99 WVO 2020 allereerst plaatsvinden om leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een vo-diploma te behalen. Uit artikel 2.56 volgt dat het hier gaat over leerlingen in het derde of vierde leerjaar van het vmbo, die naar het oordeel van het bevoegd gezag van de vo-school een vergrote kans lopen om het onderwijs te verlaten zonder diploma op ten minste het niveau van de basisberoepsopleiding.

Artikel 2.99, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020 stelt verder dat uitbesteding mogelijk is om «leerlingen meer kansen te geven vervolgonderwijs met gunstig resultaat te volgen». Uit artikel 2.57, eerste lid, onderdeel b, volgt dat het hier gaat om onderwijs in aanvulling op de opleiding die een leerling al volgt: het gaat om extra verrijking, verdieping of oriëntatie, of om het volgen van onderdelen van beroepsopleidingen of opleidingen educatie naast het volgen van een vo-opleiding.

Tot slot is uitbesteding mogelijk als dat tot een doelmatiger gebruik van onderwijsvoorzieningen leidt. De groep leerlingen die met dit doel kan worden uitbesteed is niet ingeperkt, uitbesteding met deze doelstelling is voor iedere leerling mogelijk.

Tweede lid

Leerlingen mogen niet het volledige onderwijsprogramma worden uitbesteed. Tot een aantal jaar geleden konden scholen een leerling maximaal 50% van het aantal klokuren per schooljaar uitbesteden. Dit is vanaf 1 januari 2016 veranderd: scholen mogen hun leerlingen nu maximaal 50% van het aantal klokuren per onderwijsprogramma (cursusduur) uitbesteden. De doelen waarvoor mag uitbesteed zijn daarbij gelijk gebleven. Leerlingen mogen meer dan de helft van een schooljaar, of een heel schooljaar, of zelfs een hele bovenbouw aan een andere school of instelling worden uitbesteed, als 50% van de totale leergang bij de school van inschrijving wordt gevolgd.

Artikel 2.58. Voorwaarden voor scholen voor samenwerking voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Om te voorkomen dat een school alle leerlingen van de gehele bovenbouw uitbesteedt, verplicht dit artikel de school ertoe om ten minste één onderwijsprogramma in de bovenbouw aan de eigen school te verzorgen. Bij een school voor vwo of havo betekent dit dat de school minimaal één van de profielen natuur en techniek, natuur en gezondheid, economie en maatschappij of cultuur en maatschappij volledig aan de eigen school moet blijven verzorgen. Als het gaat om een school voor mavo, geldt dat ten minste één van de profielen techniek, zorg en welzijn, economie of groen volledig aan de eigen school moet worden verzorgd. Voor de scholen voor vbo geldt hetzelfde principe. Ten minste één van de op de school te kiezen examenroutes moet volledig worden aangeboden, zodat de leerlingen het volledige onderwijsprogramma tot en met het laatste leerjaar kúnnen volgen op de eigen school.

Artikel 2.59. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene deel te kunnen nemen aan een opleiding vavo

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie artikel 9.7.

Dit artikel bevat een doelbeschrijving van de leerlingen die kunnen worden uitbesteed aan het vavo. De vo-school moet tijdig constateren dat een andere omgeving voor de leerling beter is, omdat de school moet zorgen voor de uitbesteding en de overdracht van bekostigingsmiddelen. Zij moet daartoe ook actief samenwerken met het ROC dat het vavo verzorgt.

Ook bij uitbesteding aan het vavo blijft de leerling ingeschreven bij de vo-school en is deze school eindverantwoordelijk, maar anders dan bij andere vormen van uitbesteding is het ingekochte traject volledig vervangend voor de reguliere leerweg binnen de school, en is een terugkeer van de leerling naar de school hier niet aan de orde.

De verantwoordelijkheid van de school is hierbij in feite die van opdrachtgever: zij draagt de uitvoering van het onderwijs voor bepaalde leerlingen voor wie dat beter is, op aan een instelling die een voor deze leerling meer geschikt pedagogisch klimaat kan bieden. Het ROC is binnen deze opdracht volledig verantwoordelijk voor uitvoering van onderwijs en examen binnen de voorschriften van de WEB voor het vavo.

Uitbesteding aan het vavo is op grond van dit artikel mogelijk voor:

Situatie:

16 of 17 jarige leerlingen, of 18 jarige leerlingen met een ononderbroken schoolloopbaan in het vo:

De leerling die nog geen eindexamen heeft afgelegd

(vmbo-tl, havo, vwo)

mag voltijd uitbesteed worden naar vmbo-tl, havo of vwo, verbonden aan een vavo-instelling

De leerling die gezakt is voor zijn eerste of volgende vo-opleiding

(vmbo-gl, vmbo-tl, havo, vwo)

mag voltijd uitbesteed worden naar vmbo-tl, havo of vwo, verbonden aan een vavo-instelling

mag deeltijd uitbesteed worden naar vmbo-tl, havo of vwo, verbonden aan een vavo-instelling, om de vakken waarvoor een onvoldoende is behaald alsnog te behalen

De leerling die een vmbo of havo-opleiding succesvol heeft afgerond

mag voltijd uitbesteed worden naar een vo-opleiding van een hogere schoolsoort, verbonden aan een vavo-instelling (vmbo-tl, havo, vwo)

De leerling die een vo-opleiding volgt

(vmbo-bb, vmbo-kb, vmbo-gl, vmbo-tl, havo, vwo)

mag voor onderdelen van het vo-programma uitbesteed worden naar een vo-school of mbo-instelling (inclusief vavo)

Leerlingen kunnen de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg van het vmbo niet volgen op het vavo, omdat het vavo deze drie leerwegen niet aanbiedt. De volgende leerlingen komen eveneens niet voor uitbesteding aan het vavo in aanmerking:

  • profielverbreders: leerlingen die een vo-diploma hebben gehaald en vervolgens extra vakken volgen (en daar eventueel examen in afleggen) in dezelfde schoolsoort waar reeds met goed gevolg examen in is afgelegd. Deze leerlingen komen niet in aanmerking voor uitbesteding omdat zij al een vo-diploma hebben behaald en niet opgaan voor een volgend (hoger) diploma.

  • profielverbeteraars: dit zijn leerlingen die één of meer vakken waarin ze reeds met goed gevolg een examen hebben afgelegd, opnieuw willen volgen om er een hoger cijfer voor te halen. Deze leerlingen komen niet in aanmerking voor uitbesteding aan het vavo omdat ze al een diploma hebben behaald en niet opgaan voor een volgend (hoger) diploma.

  • leerlingen van 18-jaar en ouder van wie de inschrijving in het voortgezet onderwijs voor kortere of langere periode is onderbroken. Deze leerlingen komen niet in aanmerking omdat ze zich zelfstandig kunnen inschrijven bij een mbo-instelling aan de afdeling voor het vavo. Deze leerlingen hoeven niet via het voortgezet onderwijs uitbesteed te worden.

Artikel 2.60. Leerling geldt voor toepassing medezeggenschap ook als WEB-student

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie artikel 9.7.

Voor de toepassing van hoofdstuk 8a van de WEB inzake medezeggenschap worden leerlingen die (deels) zijn uitbesteed aan het vavo (de leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.57 en 2.59) niet alleen beschouwd als vo-leerlingen, maar ook als student.

Artikel 2.61. Onderwijs door docenten instelling

Mbo-docenten die vavo-onderwijs geven moeten in principe onverkort aan de bekwaamheidseisen voor het voortgezet onderwijs voldoen. Een mbo-instelling mag dus niet zonder meer een eigen docent onderwijs laten verzorgen aan vo-leerlingen. Daarom is geregeld dat onderwijs ook verzorgd mag worden door docenten van de instelling waarmee de samenwerkingsovereenkomst is gesloten. Op die manier wordt voorkomen dat vo-onderwijs alleen zou kunnen worden verzorgd door personen die in dienst zijn van het bevoegd gezag van de vo-school, of daarbij te werk gesteld.

Paragraaf 12.2 Entreeopleiding in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo
Artikel 2.62. Voorwaarden entreeopleiding aan leerlingen jonger dan zestien jaar

Op grond van artikel 2.102 WVO 2020 kunnen vbo-leerlingen door het bevoegd gezag van de school waar ze zijn ingeschreven in de gelegenheid worden gesteld om een entreeopleiding te volgen aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, die geheel of in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg komt. In het zevende lid van dat artikel staat dat bij amvb regels worden gesteld over de voorwaarden voor het verzorgen van een entreeopleiding aan leerlingen jonger dan zestien jaar, en over de onderwerpen die de samenwerkingsovereenkomst in elk geval regelt, of die het bevoegd gezag regelt als dat gezag zowel de school als de instelling waar de entreeopleiding wordt verzorgd in stand houdt.

Artikel 2.62 regelt de voorwaarden voor het verzorgen van een entreeopleiding aan leerlingen die jonger zijn dan zestien jaar, de regels over de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst zijn opgenomen in het volgende artikel. Als leerlingen jonger zijn dan zestien jaar, gelden er bijzondere eisen voor het volgen van de entreeopleiding in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Gedurende de beroepspraktijkvorming mogen deze leerlingen geen zware arbeid verrichten. Hun beroepspraktijkvorming mag alleen bestaan uit het verrichten van lichte arbeid van geschikte aard. De beroepspraktijkvorming mag weliswaar in geheel of gedeeltelijk in plaats komen van de basisberoepsgerichte leerweg, maar moet zowel binnenschools als buiten de school worden verzorgd. Er moet een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider zijn die in de gaten houdt hoe het staat met de voortgang van de beroepspraktijkvorming van de leerling, en het onderwijs in de praktijk van het beroep moet geïntegreerd worden verzorgd. Er moet dus sprake zijn van een helder afgebakend onderwijsprogramma.

Artikel 2.63. Inhoud samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo
Eerste lid

Artikel 2.63 regelt de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een school voor vbo en van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs die een entreeopleiding aanbiedt.

Anders dan de andere leerroutes in het voortgezet onderwijs, valt de entreeopleiding in het vmbo niet alleen onder de verantwoordelijkheid van het vo. De entreeopleiding is een maattraject dat vmbo en mbo samen kunnen opzetten, omdat deze leerroute om een gezamenlijke inspanning vraagt. De vmbo-school en de mbo-instelling zijn samen verantwoordelijk voor het opzetten van het traject en voor de betrokken leerlingen. De basis voor dit maattraject wordt gelegd in een samenwerkingsovereenkomst waarin onder meer het programma-aanbod, de examinering en diplomering, de rechtsbescherming en de doorstroming aan bod komen. Dit artikel bevat een opsomming van onderwerpen die een plaats moeten krijgen in de samenwerkingsovereenkomst. Uiteindelijk is het bevoegd gezag van de vo-school verantwoordelijk voor het verzorgen van de entreeopleiding.

Tweede lid

Heeft een bevoegd gezag zowel een vo-school als een mbo-instelling onder zich, dan is een samenwerkingsovereenkomst niet voorgeschreven. In plaats daarvan moet dit bevoegd gezag dan in een interne regeling de onderwerpen die in het eerste lid zijn benoemd regelen.

Paragraaf 12.3. Leer-werktrajecten als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg
Artikel 2.64. Kwaliteitseisen leerbedrijven leer-werktraject vmbo

Alleen leerbedrijven die aan de in dit artikel gestelde kwaliteitseisen voldoen, mogen het buitenschoolse praktijkgedeelte van een leer-werktraject verzorgen. Zo moet het leer-werkbedrijf bijvoorbeeld bereid zijn om tijd, ruimte en middelen vrij te maken voor de organisatie en begeleiding van een leer-werktraject. De praktijkopleider moet vakinhoudelijk ten minste zo'n opleidingsniveau hebben dat hij de leerling kan begeleiden op het niveau van diens opleiding. Verder moet de praktijkopleider aantoonbaar vakkennis kunnen overdragen (op grond van een diploma, certificaat of ervaring). Daarnaast moet het leerbedrijf de praktijkopleider voldoende ruimte geven voor zijn begeleidingstaak. Ook moet het leerbedrijf gebruik maken van een praktijkleerplan en regelmatig contact onderhouden met de school over de leerling en over het verloop van het leer-werktraject.

Artikel 2.65. Leer-werkovereenkomst vmbo

Het leer-werktraject, dat op grond van artikel 2.103 WVO 2020 onderdeel kan uitmaken van de basisberoepsgerichte leerweg, bevat altijd een buitenschools praktijkgedeelte. Op grond van artikel 2.103, zesde lid, WVO 2020 wordt dit altijd verzorgd op grondslag van een leer-werkovereenkomst tussen het bevoegd gezag, de leerling of diens ouders, en het bedrijf dat of de organisatie die het praktijkgedeelte verzorgt.

Dit artikel regelt wat ten minste in de leer-werkovereenkomst moet staan. In de leer-werkovereenkomst moet onder meer worden geregeld wat de inhoud zal zijn van het buitenschoolse praktijkgedeelte, de leerdoelen, hoe lang het duurt, wat de werktijden zijn, hoe de leerling wordt begeleid, hoe het praktijkgedeelte wordt gewaardeerd en hoe de overeenkomst voortijdig kan worden beëindigd. De school en het leerbedrijf bepalen bij het opstellen van de leer-werkovereenkomst in overleg hoe de waardering van het praktijkgedeelte tot stand komt. De praktijkopdrachten worden in ieder geval beoordeeld. Daarbij spelen zowel de docent als de praktijkopleider van het leerbedrijf een rol. Afspraken hierover, en over de weging van het behaalde resultaat bij de afsluiting van het leer-werktraject, worden door de school ook opgenomen in het programma van toetsing en afsluiting (PTA) voor de examens. Het ligt voor de hand om de toetsing van het praktijkgedeelte onderdeel te laten uitmaken van het schoolexamen van het beroepsgerichte programma. De zaken die in de overeenkomst worden geregeld mogen niet vrijblijvend zijn. De school moet er toezicht op houden dat afspraken goed worden geregeld en nagekomen.

Naast de bepalingen die in de leer-werkovereenkomst aan bod moeten komen, zijn er ook zaken die aan bod kunnen komen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan eventuele vergoedingen. Bij het sluiten van een leer-werkovereenkomst kan gesproken worden over een vergoeding van het leerbedrijf aan de leerling. Eventuele afspraken hierover kunnen in de leer-werkovereenkomst worden opgenomen.

Paragraaf 12.4 Samenwerking voor examenbevoegdheid aangewezen onbekostigde scholen en onbekostigd vavo

Naast samenwerking in het bekostigd onderwijs, is ook samenwerking tussen onbekostigde (voor examenbevoegdheid aangewezen) vo-scholen en onbekostigde vavo-opleidingen mogelijk, op grond van artikel 2.109 WVO 2020.

Artikel 2.66. Voorwaarden deelname leerling aangewezen onbekostigde school aan een onbekostigde vavo-instelling

Op grond van artikel 2.109, vierde lid, WVO wordt bij amvb nader geregeld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden samenwerking tussen onbekostigde vo-scholen en onbekostigde vavo-opleidingen mogelijk is, en geregeld welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval omvat. Artikel 2.66 gaat over de voorwaarden voor «uitbesteding» van leerlingen van een onbekostigde school voor voortgezet onderwijs naar het onbekostigde vavo.

Het bevoegd gezag van de onbekostigde vo-school kan leerlingen in de gelegenheid kan stellen om deel te nemen aan een onbekostigde opleiding vavo en om die opleiding ook met een examen af te sluiten. Meer precies gaat het om de uitbesteding van leerlingen die staan ingeschreven bij een onbekostigde school die bevoegd is vo-diploma’s uit te reiken op grond van artikel 2.66 WVO 2020, naar het onbekostigde vavo dat verzorgd wordt aan een instelling die op grond van artikel 1.4a.1 WEB gerechtigd is om vo-diploma’s uit te reiken. De mogelijkheden tot die uitbesteding zijn gelijk aan de mogelijkheden voor uitbesteding tussen bekostigde vo-scholen en bekostigd vavo.

Uitgangspunt is en blijft dat 16- en 17-jarige leerlingen hun diploma behalen binnen een vo-school. Maar voor een leerling met bijzondere kenmerken die binnen een meer volwassen omgeving grotere kans maakt op het behalen van een diploma, kan een vavo-opleiding de mogelijkheid bieden om alsnog een diploma te verwerven. Dit kan ertoe leiden dat een leerling de volledige vavo-opleiding op een vavo-instelling volgt, maar omdat op het vavo de mogelijkheid bestaat om certificaten per vak te behalen zodat met vrijstelling voor de vakken waarvoor bij het eindexamen een voldoende is gehaald, alsnog een diploma kan worden verworven, kan een leerling ook een deel van de vavo-opleiding volgen. De mogelijkheid tot het volgen van een vavo-opleiding voor leerlingen van 16 en 17 jaar met bijzondere kenmerken moet bijdragen aan het voorkomen van voortijdig schoolverlaten.

Artikel 2.67. Samenwerkingsovereenkomst voor aangewezen onbekostigde school met onbekostigde vavo-instelling

In de samenwerkingsovereenkomst worden afspraken gemaakt over de uitbesteding van de leerling. De leerling blijft ingeschreven bij de vo-school. Artikel 2.67 regelt welke onderwerpen in de samenwerkingsovereenkomst aan bod moeten komen. Er zal sprake zijn van overleg tussen de ouders en de school, dat leidt tot een overeenkomst over de inhoud, omvang en duur van het onderwijsprogramma voor de leerling en over de kosten ervan. Ook moet vooraf worden nagedacht over geschillenbeslechting, en moeten de afspraken daarover in de overeenkomst terugkomen.

Paragraaf 13. Beleidsinhoudelijke informatie
Artikel 2.68. Beschrijving van gegevens voor het beleid van Onze Minister

Op grond van artikel 2.111 WVO 2020 zijn bevoegde gezagsorganen van scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs verplicht te beschikken over geordende gegevens die van belang zijn voor het door de Minister te voeren beleid met betrekking tot het voortgezet onderwijs. Bijlage 2 bij dit besluit bevat op grond van artikel 2.68 een beschrijving van deze gegevens en van de manier waarop scholen en samenwerkingsverbanden ze beschikbaar moeten stellen. Voor veel gegevens zijn bijvoorbeeld bepaalde codes vastgesteld, waardoor de informatiestromen beter kunnen worden geordend in de systemen van DUO. Uit de strekking van het artikel blijkt dat gegevens alleen schriftelijk beschikbaar kunnen worden gesteld. Daaronder wordt ook elektronische beschikbaarstelling begrepen.

Artikel 2.69. Verzoek om beschikbaarstelling gegevens

Dit artikel bepaalt dat in voorkomende gevallen reeds bekende gegevens kunnen worden opgenomen in het verzoek om beschikbaarstelling. Bevoegde gezagsorganen van scholen krijgen bijvoorbeeld vragenlijsten van DUO toegestuurd, met het verzoek deze in te vullen. Met het oog op de gebruikersvriendelijkheid is bepaald dat bij die bevraging bepaalde gegevens die specifiek zijn voor een bepaalde school, al kunnen zijn voorgedrukt of anderszins zijn aangegeven. Te denken valt bijvoorbeeld aan de naam en het adres van de school, de schoolsoorten die er worden aangeboden, enzovoorts. Het bevoegd gezag ontvangt daarmee een specifiek op zijn school toegesneden bevraging.

Artikel 2.70. Gebruik burgerservicenummer door bevoegd gezag

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie artikel 9.8.

Op grond van dit artikel moeten bekostigde scholen bij de verstrekking van de personeelsgegevens, bedoeld in bijlage 2, gebruik maken van het burgerservicenummer van het desbetreffende lid van hun personeel of gewezen personeel. Dit nummer is al bekend bij de school en wordt door DUO omgenummerd tot een niet tot de persoon herleidbaar nummer.

Hoofdstuk 3 Eindexamen

Paragraaf 1. Inhoud van het eindexamen

In hoofdstuk 3 is onder meer de inhoud van de bovenbouw voor het vwo en het havo geregeld, evenals de inhoud van de leerwegen van het vmbo. De examenvoorschriften vloeien hier logisch uit voort. Het examen van alle schoolsoorten en leerwegen kent een gemeenschappelijk deel en een profieldeel. Leerlingen in het praktijkonderwijs doen geen eindexamen. Paragraaf 1 van dit hoofdstuk regelt de inhoud van het eindexamen voor het vwo, het havo en de leerwegen van het vmbo. Het examen van alle schoolsoorten en leerwegen kent een gemeenschappelijk deel, een profieldeel en een vrij deel.

Artikel 3.1. Vakken en profielwerkstuk eindexamen vwo (atheneum)
Eerste en tweede lid
Gemeenschappelijk deel

Artikel 3.1 gaat specifiek over de vakken die het eindexamen voor atheneumleerlingen omvat. Alle atheneumleerlingen doen examen in de vakken die zijn genoemd in artikel 2.5, eerste lid. De inhoud van het gemeenschappelijk deel is anders voor reguliere eindexamenkan