Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatsblad 2021, 361AMvB

Besluit van 14 juli 2021, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren vanwege een aanpassing van het verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 mei 2021, nr. WJZ / 21003515;

Gelet op artikel 2.1, derde en vijfde lid, van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 juni 2021 nr. W11.21.0140/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 juli 2021, nr. WJZ / 21163223;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Aan artikel 1.3 van het Besluit houders van dieren wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. het gebruik van apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven, met uitzondering van:

    • 1°. het gebruik daarvan bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen;

    • 2°. het gebruik daarvan in de uitvoering van de taak van de politie of de politietaken van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 3, onderscheidenlijk artikel 4, van de Politiewet 2012, in de uitvoering van de taken van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 97 van de Grondwet, in de uitvoering van een overheidstaak in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel of bij het trainen ten behoeve van de uitvoering van deze taken door de betrokken overheidsorganisatie, voor zover het met dat gebruik beoogde doel dit rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt;

    • 3°. het gebruik van elektrische afrastering.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 14 juli 2021

Willem-Alexander

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

Uitgegeven de zestiende juli 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

1 Inleiding

Stroomstootapparatuur wordt structureel ingezet bij het trainen van honden voor bepaalde sporten zoals de jacht en pakwerk, voor het trainen van politiehonden en voor het afleren van door eigenaren ongewenste gedragingen van hun hond, zoals opspringen en niet willen luisteren. Ook wordt stroomstootapparatuur toegepast als antiblafband. Het gebruik van stroomstootapparatuur gaat echter gepaard met een hoog en niet te minimaliseren risico op het veroorzaken van pijn of letsel dan wel op het benadelen van de gezondheid of het welzijn van het dier, zowel op de korte als op de lange termijn.

Ook apparatuur die elektromagnetische signalen of straling kan produceren kan pijn of letsel bij honden veroorzaken. Om deze reden is in 2018 besloten om het gebruik van apparatuur bij dieren die stroomstoten, elektromagnetische signalen en straling kan afgeven aan te wijzen als verboden gedraging (hierna: Besluit van 26 april 2018).1

Het Besluit van 26 april 2018 waarin de verboden gedraging was opgenomen bevatte een uitzondering voor het gebruik van de apparatuur gericht op het teweegbrengen van een gerechtvaardigde verandering in gedrag van het dier ter voorkoming van gevaar voor mens of dier of ter voorkoming van aantasting van het welzijn van het dier, onder de voorwaarde dat de gebruiker van de apparatuur daartoe over voldoende deskundigheid beschikt. De inschatting was dat het stellen van bepaalde voorwaarden voldoende waarborgen zou kunnen creëren om misbruik en aantasting van het dierenwelzijn te voorkomen. Het streven was om deze voorwaarden uit te werken en het verbod per 1 januari 2019 in werking te laten treden.

Het verbod is uiteindelijk niet in werking getreden. Tijdens de uitwerking van de uitzondering op het verbod is de uitzondering heroverwogen. Besloten is het verbod aan te passen en geen algemene uitzondering op te nemen voor het verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur. Hieronder wordt deze beleidswijziging toegelicht.

Voor de vaststelling van het Besluit van 26 april 2018 was al bekend dat het gebruik van stroom als trainingsmethode bij honden een ernstige welzijnsaantasting met zich kon brengen. Dit bleek uit een wetenschappelijk overzichtsartikel.2 De gedachte was dat deze welzijnsaantasting kon worden weggenomen met voldoende deskundigheid van de trainer. Bij de uitwerking van de voorwaarden bij de uitzondering op het verbod met diverse stakeholders werd echter duidelijk dat voldoende deskundigheid de risico’s op de aantasting van het welzijn van honden niet wegneemt. Dit wordt in hoofdstuk 2 verder toegelicht. Ook bleek tijdens de uitwerking dat het goed mogelijk is honden zonder stroomstootapparatuur te trainen. Een algemene uitzonderingsgrond op het gebruik van stroomstootapparatuur is dus niet nodig en zou het welzijn van honden onvoldoende waarborgen.

Het voorliggende Besluit tot wijziging van het Besluit houders van dieren (hierna: het besluit) bevat een verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur bij honden. Uitzonderingen op het verbod zijn beperkt tot gebruik van de apparatuur bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen en het gebruik daarvan in de uitvoering van overheidstaken op het gebied van de openbare orde en veiligheid.

Het verbod in dit besluit is voorts beperkt tot honden en ziet niet op andere apparatuur dan stroomstootapparatuur. In hoofdstuk 3 is deze beleidswijziging nader toegelicht.

2 Problematiek van stroomstootapparatuur bij honden

Risico’s bij het gebruik van stroom bij honden

Het gebruik van stroomstootapparatuur bij een hond betekent een groot risico op de aantasting van het welzijn van de hond, zowel op de korte als de lange termijn. In veel gevallen gaat het om een ernstige aantasting van het welzijn. Stroomstoten bij honden kunnen leiden tot angst, stress, agressiviteit, fobie en blijvende aantasting van de vertrouwensband tussen eigenaar en hond. Een groot aantal wetenschappelijke publicaties dat hierover gaat is met de Tweede Kamer gedeeld.3

In theorie is het mogelijk om verantwoord stroomstootapparatuur bij honden te gebruiken door exact de juiste stroomintensiteit op exact het juiste moment toe de dienen. Het kiezen van de exact juiste stroomintensiteit hangt af van onder meer de volgende factoren: weersomstandigheden als hitte, regen, zonnestralen en vochtigheid, specifieke kenmerken van de hond zoals de vachtdikte, vachtvochtigheid, huiddikte, onderhuids vetweefsel en de gevoeligheid voor pijnprikkels. Gelet op de verscheidenheid aan factoren en het feit dat een aantal factoren afhangt van het moment, is het in de praktijk nagenoeg onmogelijk de juiste intensiteit te kiezen. Daarnaast is het niet eenvoudig exact het juiste moment te kiezen voor het toedienen van een prikkel. De Nederlandse Vereniging voor Instructeurs in Hondenopvoeding en -opleiding heeft aangegeven dat zelfs ervaren trainers niet eenduidig in staat zijn exact het juiste moment van het toedienen van een prikkel te kunnen bepalen.

Voorts bestaat bij het toedienen van stroomprikkels het risico dat een hond gewend raakt aan de prikkels en niet meer reageert. Gewenning betekent niet dat het welzijn van de hond niet meer wordt geschaad. Omdat de hond niet meer reageert, zal de toediener geneigd zijn prikkels van een hogere intensiteit toe dienen, waarop de welzijnsaantasting eveneens toeneemt.

Stroomstoten bij honden in beginsel ook niet noodzakelijk

Stroomstootapparatuur wordt bij honden onder meer ingezet bij het trainen van honden. Een gedegen wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt waaruit blijkt dat gebruik van stroomstoten noodzakelijk zou zijn of überhaupt leidt tot betere resultaten. In de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat militairen en politieagenten honden effectief kunnen trainen en inzetten zonder het gebruik van stroomstootapparatuur. De Nederlandse krijgsmacht heeft succesvol honden ingezet bij internationale (NAVO)-missies die zijn getraind zonder het gebruik van stroomstootapparatuur. Ook de politie van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen werkt met honden die zonder stroom worden getraind. Honden kunnen succesvol worden getraind met belonende methoden.

3 Doel en hoofdlijnen van het besluit

Doel

Het doel van dit besluit is het verbeteren van het welzijn van honden. Door het stroomstootapparatuur te verbieden, behoudens een beperkte uitzondering, zal het toepassen van niet-aversieve (op beloning gebaseerde) leermethoden gaan toenemen en het welzijn van honden verbeteren.

Wettelijke grondslag

De wettelijke grondslag voor dit besluit is gelegen in artikel 2.1 van de Wet dieren. Op grond van het eerste lid van dit artikel is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Het tweede lid bevat een aantal verboden gedragingen die in ieder geval tot de verboden gedragingen van het eerste lid worden gerekend. Het derde lid biedt, in samenhang met het vijfde lid, de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur het gebruik van voorwerpen die bij dieren pijn of letsel kunnen veroorzaken, dan wel de gezondheid of het welzijn kunnen benadelen, aan te wijzen als verboden gedraging. Dit besluit is gebaseerd op artikel 2.1, derde en vijfde lid, van de Wet dieren.

Verbod op het gebruik van apparatuur die stroomstoten kan afgeven

Artikel 1.3 van het Besluit houders van dieren bevat reeds een aantal verboden gedragingen. Met het onderhavige besluit wordt aan dat artikel een verboden gedraging toegevoegd: het gebruik van apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven (het nieuwe onderdeel h).

Onder gebruik van de stroomstootapparatuur wordt niet enkel het daadwerkelijk toedienen van stroom verstaan, maar ook de situatie waarin een houder een hond de apparatuur laat dragen. Het dragen van apparatuur waarvan de hond zich bewust is dat de apparatuur aversieve prikkels kan produceren zorgt ook voor een hoog risico op ernstig aantasten van het welzijn van het dier. Het dier is door het dragen ervan zich bewust van het feit dat hij op elk moment ergens voor iets gestraft kan gaan worden. Het dier wordt hierdoor ernstig belemmerd in zijn fysiologisch en ethologisch gedrag en is het risico groot dat het zich in een continue staat van stress en angst bevindt, wat een ernstige gezondheids- en welzijnsaantasting met zich brengt.

Bij de verboden gedraging gaat het om apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven. Apparatuur die buiten werking is doordat bijvoorbeeld batterijen ontbreken of doordat de apparatuur op een andere wijze onklaar is gemaakt, wordt nog steeds als geschikt beschouwd. De hond zal indien de apparatuur bij hem of haar eerder gebruikt is als stroomstootapparatuur, nog steeds deze apparatuur ervaren als stroomstootapparatuur. Om deze reden kwalificeren deze banden ook als geschikt. Ook apparatuur die geschikt is om stroomstoten af te geven en hiernaast andere signalen als geluid en trillingen kan produceren valt onder het verbod. Het vaststellen van de gedraging op zich is voldoende om het misdrijf vast te stellen.

Apparatuur die niet geschikt is om stroomstoten af te geven en alleen signalen als geluid en trillingen produceert of als gps-ontvanger dient, valt niet binnen het toepassingsgebied van het verbod.

Beperking van de verboden tot stroomstootapparatuur en honden

In het Besluit van 26 april 2018 waren ook verboden opgenomen op het gebruik van apparatuur die elektromagnetische signalen of straling kan afgeven. Daarnaast hadden de verboden gedragingen in het Besluit van 26 april 2018 betrekking op dieren in het algemeen. Bij de uitwerking van het onderhavige besluit is opnieuw overwogen in hoeverre het noodzakelijk is om het gebruik bij dieren van (potentieel) schadelijke apparatuur te verbieden. Dit heeft ertoe geleid dat in het onderhavige besluit ervoor is gekozen om alleen het gebruik van stroomstootapparatuur te verbieden en het verbod te beperken tot honden. Deze keuze is gemaakt omdat de noodzakelijkheid van een breder verbod op dit moment onvoldoende kan worden onderbouwd. Het is onbekend of aversieve apparatuur wordt toegepast bij andere diersoorten dan de hond. Ook is er geen wetenschappelijke literatuur over het toepassen van aversieve apparatuur bij andere diersoorten dan de hond en de impact daarvan op het welzijn van andere diersoorten.

Bovenstaande laat onverlet dat het gebruik van stroomstootapparatuur bij andere diersoorten dan de hond in een concreet geval kan worden gekwalificeerd als dierenmishandeling (artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren). Hetzelfde geldt voor het gebruik van andere aversieve apparatuur dan stroomstootapparatuur bij honden. Mocht blijken dat in tegenstelling tot wat nu wordt aangenomen, ook andere aversieve apparatuur als trainingsmethode wordt ingezet ter vervanging van de stroomstootapparatuur, dan zal het gebruik van deze apparatuur in een concreet geval alsnog gekwalificeerd kunnen gaan worden als dierenmishandeling.

Uitzondering bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen

Het verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur bij een hond is niet van toepassing bij het gebruik daarvan bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen. Het gaat hierbij om handelingen als het maken van röntgenfoto’s, CT-scans, het behandelen van tumoren en hartdefibrillatie. Deze handelingen mogen worden uitgevoerd door dierenartsen en eventueel andere diergeneeskundigen, mits het hen wettelijk is toegestaan bepaalde diergeneeskundige handelingen te verrichten. Het gebruik van een stroomstootapparatuur ter voorbereiding op een diergeneeskundige handeling, valt niet onder deze uitzondering.

Uitzondering voor de handhaving van de veiligheid en de openbare orde

Het verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur bij een hond is voorts niet van toepassing indien de apparatuur wordt gebruikt in de uitvoering van:

  • de taak van de politie;

  • de politietaken van de Koninklijke Marechaussee;

  • de taken van de krijgsmacht;

  • een overheidstaak in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; en

  • het trainen ten behoeve van de uitvoering van de hiervoor genoemde taken door een betrokken overheidsorganisatie.

Van belang daarbij is dat deze uitzondering, indachtig de formulering van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren, slechts geldt voor zover het doel van het gebruik van stroomstootapparatuur ter uitoefening van deze taken het gebruik daarvan rechtvaardigt en het doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.

Hoewel, zoals hierboven is vermeld, in de praktijk blijkt dat militairen en politieagenten honden effectief kunnen trainen en inzetten zonder het gebruik van stroomstootapparatuur, werken sommige overheidsorganisaties, waaronder de politie, de krijgsmacht en de Dienst Justitiële Inrichtingen, op dit moment met honden die nog wel zijn opgeleid met stroomstootapparatuur. Het is niet altijd mogelijk deze met stroom opgeleide honden in te zetten zonder het gebruik van stroom. Daarnaast kan het in uitzonderingssituaties noodzakelijk zijn bij een zonder stroom getrainde hond alsnog een stroomstootapparaat te gebruiken. Het kan namelijk voorkomen dat een enkele zonder stroom getrainde hond in de uitvoering van zijn taak op een zeker moment afwijkend gedrag gaat vertonen waardoor dit dier niet meer inzetbaar is. Als de inzet van dit dier op dat moment toch noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van de genoemde taken, kan het kortstondig gebruik ervan door de overheidsorganisatie proportioneel zijn om het dier weer voor zijn taak geschikt te maken.

Het gebruik van stroomstootapparatuur door een burger bij het trainen van een hond met het oog op de uitvoering van de genoemde taken valt niet onder het toepassingsgebied van de uitzondering; de uitzondering is beperkt tot het trainen door de overheidsorganisaties zelf.

De politie, het ministerie van Defensie en het ministerie van Justitie en Veiligheid hebben toegezegd een afwegingskader vorm te geven ter nadere invulling van de uitzondering. In het afwegingskader kan tot uitdrukking worden gebracht dat tot kortstondig gebruik van stroomstootapparatuur bij een individueel dier niet eerder wordt besloten dan na het doorlopen van een aantal stappen. Een in inhoudelijk oordeel onafhankelijke en deskundige toetsingscommissie ziet toe op de naleving van het afwegingskader waardoor, zoals hierboven is uitgelegd, alleen na een grondige afweging in het belang van de goede uitvoering van een wettelijke taak of bevoegdheid stroomstootapparatuur kortstondig mag worden toegepast bij een individueel dier. De commissie wordt als onafhankelijk beschouwd indien de leden daarvan worden benoemd door de verantwoordelijke minister. De diensten die gebruikmaken van stroomstootapparatuur zetten zelf een onafhankelijke toetsingscommissie op.

Met deze beperkte uitzonderingsmogelijkheid komt de goede uitvoering van de genoemde overheidstaken niet in gevaar en is het welzijn van honden zoveel mogelijk gewaarborgd. De uitzondering is bewust beperkt gehouden tot de uitvoering van de genoemde taken op het gebied van de veiligheid en openbare orde. Het effect van een bredere uitzondering op het welzijn van honden wordt niet proportioneel geacht. Buiten het domein van de openbare orde en veiligheid zijn minder ingrijpende methoden beschikbaar voor organisaties en particulieren om honden effectief in te zetten. Deze minder ingrijpende methoden zijn op het moment mogelijk juist niet voorhanden voor de uitvoering van de genoemde overheidstaken. In die gevallen waarin het gebruik van stroomstootapparatuur noodzakelijk en proportioneel is, wordt het belang van een goede uitvoering van de genoemde overheidstaken zwaarder gewogen dan het belang van het welzijn van de hond.

Beëindigen van het gebruik van stroom bij honden van overheidsorganisaties

Overheidsorganisaties die bij de uitoefening van hun taken gebruik maken van honden, zijn bezig om de toepassing van stroomstootapparatuur bij hun honden te beëindigen. Deze weg is al enkele jaren geleden ingeslagen. Politie en de krijgsmacht zijn bijvoorbeeld begonnen met het niet langer aankopen van honden die zijn getraind met stroomstootapparatuur. Voor honden die reeds in gebruik zijn en waarbij wel stroomstootapparatuur wordt toegepast, wordt eraan gewerkt om deze dieren binnen zes jaar zo te trainen dat stroomstootapparatuur niet langer nodig is.

Uitzondering voor elektrische afrastering

Elektrische afrastering is uitgezonderd van het verbod, omdat de welzijnsaantasting bij het gebruik van elektrische afrastering gering is en niet verder gaat dan noodzakelijk. Als «elektrische afrastering» wordt niet beschouwd onzichtbare grensafscheidingen waarmee via een op het lichaam van een dier bevestigd apparaat bij dit dier een stroomstoot kan produceren bij het passeren van een bepaalde grens. Een dergelijk op de hond bevestigd apparaat is namelijk, vanwege de omstandigheid dat daarmee een stroomstoot kan worden gegenereerd, te beschouwen als stroomstootapparatuur.

Verhouding tot het verbod op dierenmishandeling

De uitzonderingen op de verboden op stroomstootapparatuur sluiten aan bij het verbod op dierenmishandeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren. Het gebruik van de apparatuur in de uitgezonderde gevallen kan bij een hond pijn of letsel veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van de hond benadelen. Er is echter geen sprake van dierenmishandeling in de zin van artikel 2.1, eerste lid, omdat het gebruik in de uitgezonderde gevallen, onder de desbetreffende voorwaarden, een redelijk doel dient en het gebruik niet verder gaat dan ter bereiking van het desbetreffende doel toelaatbaar is.

4 Notificatie

Een ontwerp van dit besluit is genotificeerd bij de Europese Commissie ter uitvoering van richtlijn 2015/1535.4 Dit besluit bevat namelijk technische voorschriften. Er is sprake van een «andere eis» in de zin van artikel 1, vierde lid, van richtlijn 2015/1535, omdat dit besluit een verbod bevat op het gebruiken van bepaalde producten. Naar aanleiding van de notificatie van het ontwerp zijn geen opmerkingen ontvangen.

Tevens zal notificatie plaatsvinden ter uitvoering van richtlijn nr. 2006/123/EG.5 Er is namelijk sprake van voorschriften die van toepassing zijn op de uitoefening van een economische dienst (het trainen van honden). Bij het trainen van honden is het ingevolge dit besluit niet langer toegestaan gebruik te maken van bepaalde apparatuur.

5 Handhaving

Met het toezicht op de naleving van de voorschriften in het besluit zijn belast degenen die op grond van artikel 8.1 van de wet daartoe zijn aangewezen. Het betreft hier toezicht dat bestuursrechtelijk wordt uitgevoerd. Ter handhaving van de voorschriften kunnen een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom worden opgelegd.6

Een gedraging in strijd met de voorschriften in dit besluit is daarnaast een misdrijf,7 waardoor strafrechtelijk optreden mogelijk is.

6 Regeldruk

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de regeldruk Het besluit is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (Atr). Atr heeft het besluit niet geselecteerd voor een formeel advies, mede gelet op de analyse dat er naar verwachting geen omvangrijke regeldrukeffecten aan de orde zijn als gevolg van het voorstel.

7 Consultatie

Internetconsultatie

Een ontwerp van het voorliggende besluit is geconsulteerd op internetconsultatie.nl van 1 augustus 2020 tot 6 september 2020. Deze consultatie heeft tot 770 reacties geleid, zowel ondersteunende als kritische. Hieronder wordt op deze reacties, voor zover voor dit besluit relevant, kort ingegaan.

De Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD), de Koninklijke Hondenbescherming, de Dierencoalitie, de Dierenbescherming, de Sophia-Vereeniging en een aantal gedragstherapeuten, hondentrainers en houders gaven in hun reactie aan het voorgenomen verbod te steunen. Ze stelden dat het gebruik van de stroomband lijdt tot een grote welzijnsaantasting en dat alternatieven voorhanden zijn. De KNMvD en Sophia-Vereeniging gaven tevens aan dat daarbij geen uitzondering gemaakt zou mogen worden voor het opleiden van honden voor de politie of Koninklijke Marechaussee. De Koninklijke Hondenbescherming stelde verder dat het verbod ertoe zal gaan leiden dat houders van honden gebruik zullen gaan moeten maken van niet-bestraffende leermethoden, hetgeen een welzijnsverbetering voor honden zal gaan betekenen. De Dierencoalitie gaf ook aan dat de grote mate van onkunde, onmacht en onwetendheid leidt tot de huidige toepassing van een stroomband. Verder hebben de Sophia-Vereeniging en de Dierenbescherming de voorkeur voor een verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur bij alle dieren. Het gebruik van een stroomband is alleen een snelle oplossing en geeft blijk van een instrumentele opvatting van dieren (een houder).

De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV), jagers, de overkoepelende organisatie van producenten van stroomstootapparatuur (ECMA), Koninklijke Nederlandse Politiehonden Vereniging (KNPV) en een aantal andere gedragstherapeuten, hondentrainers en houders van honden gaven in hun reactie aan het voorgenomen verbod niet te steunen. De KNJV, ECMA en KNPV zijn van mening dat door een verbod een onmisbaar trainingsinstrument voor betrokken hondeneigenaren zou verdwijnen en het risico voor mens en hond zou vergroten. De KNJV, jagers, ECMA, KNPV, gedragstherapeuten, hondentrainers en houders van honden menen dat de stroomband een goed hulpmiddel zou zijn, indien toegepast door een bekwame houder of trainer. Tevens vinden enkele jagers en houders dat er geen verbod zou moeten gaan gelden voor hulpmiddelen waarmee via gps de hond kan worden gevolgd of trillingen kunnen worden gecommuniceerd. Ook is bezwaar geuit tegen het verbod van de onzichtbare elektrische afrastering (enkele houders).

De bij de internetconsultatie gegeven reacties hebben geen nieuwe inzichten verschaft die een andere belangenafweging tot gevolg zou hebben en zou kunnen leiden tot een heroverweging van het voorgenomen besluit. Zo zijn er door belanghebbenden geen recente wetenschappelijke onderzoeken aangedragen die de conclusies uit eerdere met de Tweede Kamer gedeelde wetenschappelijke onderzoeken zouden tegenspreken. Een op 22 juli 2020 gepubliceerd wetenschappelijk artikel toont zelfs aan dat met de juiste kennis van de trainer het toepassen van niet-aversieve methoden tot betere resultaten leidt dan het gebruik van stroomstootapparatuur. Een ander vaak gebruikt argument tegen het verbod was de noodzaak om de stroomband te kunnen blijven gebruiken als communicatiemiddel in het belang van mens en dier, waarbij met name de trilfunctie van belang zou zijn. Zoals hierboven uiteen is gezet, vallen banden die alleen geluid of trillingen produceren en niet geschikt zijn om stroomstoten af te geven, niet onder het toepassingsgebied van het verbod en kunnen gewoon toegepast worden. Daarnaast zijn ook andere niet-aversieve methoden voorhanden waarmee het gestelde gevaar voor mens en dier tegengegaan kan worden. Een uitzondering op het verbod om deze reden is dan ook niet noodzakelijk. Verder is gesteld dat het gebruik van stroomstootapparatuur noodzakelijk zou zijn bij speciale omstandigheden, zoals bij dove honden. Ook voor dove honden zijn echter niet-aversieve methoden voorhanden, hoewel dit wel speciale kennis en kunde van de trainer vergt. Ook honden zijn middels gebarentaal goed te trainen. Het gebruik van stroom als trainingsmethode werkt ook in deze uitzonderingsgevallen eerder averechts en is daarmee geen reden tot aanpassing van het toepassingsgebied van het verbod.

Uitvoerings- en handhaafbaarheidstoetsen

Een ontwerp van dit besluit is voor het uitvoeren van een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets (UHT) voorgelegd aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de politie. De LID en politie hebben een UHT uitgebracht. Deze diensten hadden een positief oordeel over het besluit. De uitgebrachte UHT’s gaven geen aanleiding tot aanpassing van het besluit. Wel is op een aantal punten de nota van toelichting verduidelijkt.

Inbreng ministerie van Justitie en Veiligheid

Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft verzocht de uitzondering voor politie en krijgsmacht uit te breiden met de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Buiten de politie en de krijgsmacht gebruikt ook de DJI diensthonden. Voor een goede uitvoering van de taken van de DJI is incidenteel en kortstondig gebruik van stroomstootapparatuur in sommige gevallen noodzakelijk. Er is daarom gehoor gegeven aan het verzoek.

Voorhang

Een ontwerp van dit besluit is voorgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Deze voorlegging is gedaan in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure (artikel 10.10, eerste lid, van de Wet dieren). De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van de Tweede Kamer heeft een aantal vragen en opmerkingen aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorgelegd. De minister heeft hierop gereageerd (Kamerstukken II 2020/21, 28 286, nr. 1168). Het verslag van het schriftelijk overleg is vervolgens geagendeerd voor een plenaire vergadering, waar een aantal moties zijn ingediend. Tijdens de stemming daarover op 20 april 2021 zijn de moties verworpen of aangehouden. De voorhangprocedure heeft niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbesluit.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Zie Staatsblad 2018, 146.

X Noot
2

S. Masson et al., Electronic training devices: discussion on the pros and cons of their use in dogs as a basis for the position statement of the European Society of Veterinary Clinical Ethology (ESVCE), Journal of Veterinary Behavior, 6 maart 2018.

X Noot
3

Kamerstukken II 2019/20, 28 286, nr. 1066.

X Noot
4

Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241).

X Noot
5

Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376).

X Noot
6

Artikel 8.5 van de Wet dieren in samenhang met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
7

Artikel 2.1, eerste en derde lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 8.11, eerste lid, van de Wet dieren.