Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202128286 nr. 1168

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 1168 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 januari 2021

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de brief van 11 december 2020 over het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit houders van dieren vanwege een aanpassing van het verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur (Kamerstuk 28 286, nr. 1164).

De vragen en opmerkingen zijn op 11 januari 2021 aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorgelegd. Bij brief van 25 januari 2021 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Kuiken

Adjunct-griffier van de commissie, Verhoev

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister om toe te lichten waarom zij het onderliggende wetenschappelijk onderzoek betrouwbaar acht, gezien de kritiek die door andere wetenschappers en deskundigen is geuit op dit onderzoek.1 Is de Minister bekend met andere wetenschappelijke onderzoeken die het tegendeel bewijzen? Zo ja, waarom wordt hierover niets vermeld in de nota van toelichting behorende bij het Ontwerpbesluit?

In mijn antwoorden op de vragen van het lid Von Martels (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 2716) heb ik aangegeven dat het onderzoek waar de leden van de CDA-fractie naar verwijzen geen op zichzelf staand wetenschappelijk onderzoek betreft maar dat het een overzichtsartikel is van al uitgevoerde onderzoeken naar de voor- en nadelen van het gebruik van de stroomband.

Mij zijn nog steeds geen recente gezaghebbende wetenschappelijke publicaties bekend waaruit blijkt dat het gebruik van stroombanden door particulieren noodzakelijk en proportioneel zou zijn en daarmee te rechtvaardigen is. Daarnaast kennen al negen landen in de EU een verbod op het gebruik van de stroomband.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister het ermee eens is dat het leed aan dier en mens mogelijk erger kan zijn dan het leed van de hond wanneer het zeer incidenteel in een noodsituatie een stroomstoot krijgt, bijvoorbeeld wanneer een jachthond onverwachts een weg oversteekt en een ongeluk veroorzaakt. Kan de Minister toelichten waarom wel of waarom niet? En hoe zouden, bijvoorbeeld in de jacht, dergelijke noodsituaties voorkomen kunnen worden wanneer het gebruik van stroomstootapparaten bij honden geheel verboden wordt?

Iedere houder van een hond, dus ook een jager, dient op elk moment zijn hond onder controle te hebben. Bij mogelijke gevaarlijke situaties dient de houder hierop te anticiperen. Zo zal hij bijvoorbeeld niet naar een weg toe moeten gaan jagen en zal hij indien dit niet anders kan en het dier staat niet of niet voldoende onder controle, het dier aan de lijn moeten houden. Het er zorg voor dragen dat een wild dier niet door een hond de weg opgejaagd wordt, is ook de verantwoordelijkheid van de jager. Daarnaast is het gaan jagen met honden waarbij het jachtinstinct minder ver doorgefokt is, ook een optie.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het voor politie- en militaire hondentrainers wel mogelijk blijft om stroomstootapparatuur te gebruiken, terwijl de Minister stelt dat «niet-aversieve methoden tot betere resultaten leiden». Als reactie op het verzoek om de uitzondering voor politie en krijgsmacht uit te breiden met de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) wordt gesteld dat voor een goede uitvoering van de taken van de DJI incidenteel en kortstondig gebruik van stroomstootapparatuur in sommige gevallen noodzakelijk is. Deze leden maken hieruit op dat niet-aversieve methoden niet in alle gevallen mogelijk zijn en dat uitzonderingen nodig zijn. Wat is de reactie van de Minister hierop en kan de Minister toelichten waarom het dan niet mogelijk is om ook een uitzondering te maken voor noodsituaties bij jachthonden?

Het is niet zo dat zonder meer voor politie- en militaire hondentrainers wel mogelijk blijft om stroomstootapparatuur te blijven gebruiken. Alleen in uitzonderingsgevallen en pas nadien is aangetoond dat andere niet-aversieve methoden niet hebben geleid tot het gewenste resultaat en de inzet van het desbetreffende dier essentieel blijft voor het kunnen blijven uitvoeren van de met name genoemde specifieke taken, kan het kortstondig gebruik van een stroomband noodzakelijk, proportioneel en daardoor acceptabel zijn. Dit laat onverlet dat de inzet van politie en defensie erop gericht is om een ander type hond te gaan selecteren en geen gebruik meer maken van de geboden uitzondering.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom de RDA (Raad voor Dieraangelegenheden) niet is geraadpleegd voor een advies met betrekking tot het verbod op stroomstootapparatuur.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 8 van de vragen van het lid Von Martels (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 2716). Ik heb hierin aangegeven dat ik het vragen van een advies aan de RDA niet nodig vond omdat de laatste wetenschappelijke inzichten inzake de welzijnsaantasting van het toepassen van de stroomband mijn besluit onderbouwen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister naast het verbod op het gebruik van stroomstootapparatuur, ook stappen zal ondernemen tegen de verkoop van stroomstootapparatuur. Dit gezien de handhaafbaarheid van het besluit.

Het verbieden van de verkoop van stroomstootapparatuur is uit het oogpunt van de handhaafbaarheid van het verbod niet nodig, omdat het verbod ook zonder verbod op de verkoop goed handhaafbaar is. Het verbieden van de verkoop is daarbij een beperking van het vrij verkeer van goederen. In het EU-recht kan het vrij verkeer van goederen alleen worden beperkt indien hierbij wordt voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Aangezien het verbieden van de verkoop niet noodzakelijk is om het dierenwelzijn te waarborgen, ontbreekt deze rechtvaardiging. Ik ben daarom niet voornemens nu stappen te gaan ondernemen om de verkoop te gaan verbieden.

Bovendien vragen de leden van de D66-fractie of na de implementatie van dit besluit ook een voorlichtingscampagne wordt opgestart tegen het gebruik van de stroomstootapparatuur bij honden, waarbij ook aandacht wordt besteed aan werkbare alternatieven. Deze leden vinden het namelijk belangrijk dat voldoende bewustzijn wordt gecreëerd bij hondeneigenaren over deze alternatieven, zodat het besluit breder gedragen wordt en dit niet ten koste gaat van de zorgvuldige training van honden.

Ik ben het eens met de D66-fractie over het belang van goede voorlichting. Ik zal daarom na implementatie een voorlichtingscampagne gaan starten over het verbod.

De leden van de D66-fractie hebben hun bedenkingen bij de uitzonderingen die worden gemaakt op het verbod ten aanzien van de openbare orde en veiligheid. Alhoewel deze leden begrijpen dat deze uitzonderingen zijn gemaakt en hier ook achter staan, vinden zij dat juist overheidsinstanties bij uitstek als rolmodel kunnen dienen voor een breder draagvlak van het verbod. Zij vinden het daarom belangrijk dat de afbouw van het gebruik van stroomhalsbanden voor deze instanties, waarvoor nu al concrete voornemens bestaan, ook geborgd wordt in het besluit, bijvoorbeeld door een uiterste datum vast te stellen tot wanneer de uitzondering geldt. Is hierover nagedacht bij het opstellen van het ontwerpbesluit? Zo nee, waarom niet?

Met de leden van de D66-fractie ben ik van mening dat overheidsinstanties bij uitstek als rolmodel moeten dienen. Ook in het kader van dit verbod. De overheidsinstanties waarvoor nog een uitzondering is opgenomen zijn zich daar ook terdege van bewust. Maar zij zijn zich ook van bewust dat zij aan de lat staan voor heel specifieke taken die zij naar eer en geweten moeten kunnen blijven uitvoeren. Vanwege het belang van het dier en het belang voor de maatschappij is er gekozen voor een afwegingskader. Dit kader waarborgt dat alleen in heel specifieke individuele situaties en alleen in het belang van de maatschappij de stroomband kortstondig wordt ingezet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie verafschuwen methoden die dieren schaden in hun welzijn en gezondheid en vinden het daarom onbegrijpelijk dat dit verbod er nog niet eerder is gekomen. Deze leden vragen de Minister waarom er uiteindelijk niet gekozen is voor een verbod van stroomstootapparatuur voor álle dieren. Kan de Minister uitgebreid ingaan op de afwegingen die zij hierbij gemaakt heeft? Is de Minister het met deze leden eens dat het hierbij niet alleen gaat om de huidige situatie maar dat er ook naar toekomstige situaties gekeken moet worden? Zij vinden het belangrijk dat een wet breed toepasbaar is, zodat er niet telkens achter de feiten aan wordt gelopen. Is de Minister bereid om het besluit enige tijd na inwerkingtreding te evalueren en te bekijken of een algemeen verbod op het toedienen van elektrische prikkels bij dieren dan alsnog toegevoegd kan worden aan dit besluit? In deze evaluatie kan dan ook meegenomen worden of het noodzakelijk is het gebruik van andere potentieel schadelijke op beïnvloeding van diergedrag gerichte apparatuur verboden kan worden. Is de Minister dit met deze leden eens?

Ik heb niet gekozen voor een verbod van stroomstootapparatuur voor alle dieren omdat de noodzakelijkheid van een breder verbod op dit moment onvoldoende kan worden onderbouwd. Ik ben niet op de hoogte van wetenschappelijke literatuur over het toepassen van aversieve apparatuur bij andere gezelschapsdiersoorten dan de hond en de impact daarvan op het welzijn van deze diersoorten. Ik ben met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat ook naar toekomstige situaties gekeken moet worden. Maar dat laat onverlet dat een specifiek verbod ook in die situaties wel voldoende onderbouwd dient te kunnen worden.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn blij dat de krijgsmacht en de politie, de huidige uitzonderingsinstanties, gebruikmaken van een ethisch toetsingskader. Deze leden begrijpen dat deze diensten steeds minder honden inkopen die met stroomhalsbanden zijn getraind en zelf alleen in noodzakelijke situaties gebruikmaken van stroomstootapparatuur. Zij lezen dat eraan gewerkt wordt om de honden die nog opgeleid zijn met stroomstootapparatuur binnen zes jaar zo te trainen dat stroomstootapparatuur niet langer nodig is. Zij zijn dan ook benieuwd of de Minister voorziet dat een algemeen verbod, zonder uitzonderingen, over zes jaar van kracht kan zijn. Om het besluit toekomstbestendig te maken, zoals eerder ook al benoemd, lijkt het deze leden dan ook een goed idee om nu al in het besluit vast te leggen dat de huidige uitzondering tot 1 januari 2027 geldt. Is de Minister dit met deze leden eens? Zo nee, kan zij uitleggen wat haar overwegingen hierbij zijn?

De uitgezonderde instanties hebben aangegeven nu al geen honden meer te willen aanschaffen die met stroom zijn getraind. De huidige uitzonderingspositie zal na inwerkingtreding van het verbod na vier jaar geëvalueerd gaan worden. Op dat moment zal ik bekijken of de geboden uitzonderingspositie gehandhaafd moet blijven. Ik wil nu niet hierop vooruitlopen.

In het kader van de uitvoering van de motie van het lid Graus (Kamerstuk 282 86, nr. 1151) om dieronvriendelijke hulp- en trainingsmethoden in kaart te brengen zal ik ook het gebruik van elektrische prikkels bij andere diersoorten in het onderzoek mee laten nemen.

Tot slot willen de leden van de GroenLinks-fractie nog benadrukken dat zij tevreden zijn dat het verbod er nu eindelijk is. Welke mogelijkheden zijn er om het verbod al eerder in te laten gaan dan per 1 juli 2021?

Het voorgenomen besluit moet nog voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State. Het verbod zal daarom dan ook niet eerder dan per 1 juli 2021 kunnen ingaan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen de Minister wat de reden is dat het besluit pas in de zomer van 2021 in werking zal treden. De voorgestelde uitzonderingen op het verbod betreffen enerzijds geneeskundige doelen en anderzijds doelen met betrekking tot de openbare orde en veiligheid. Dit zijn doelen waarvoor ook wat deze leden betreft uitzonderingen denkbaar zijn. Voor het overige zien zij geen redenen om deze methode nog breder te legitimeren.

De reden dat het besluit pas per 1 juli 2021 in werking kan treden heeft met name te maken met de uitwerking van de uitzonderingspositie. Dit heeft meer tijd gekost dan in eerste instantie verwacht, mede als gevolg van de pandemie. Daarnaast nemen wetgevingsprocedures die doorlopen moeten worden een minimale tijd in beslag. Hieronder vallen de internetconsultatie, de notificatie bij de Europese Commissie en de adviesaanvraag bij de Raad van State.

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd in hoeverre de verkoop van stroomstootapparatuur voor de training van dieren kan blijven voorbestaan. Wellicht kan de Minister uitweiden over de wijze waarop zij hiermee om wil gaan? Voorts zijn deze leden benieuwd op welke wijze onderzoek is verricht naar het gebruik van stroomstootapparatuur bij andere diersoorten in ons land. Het bevreemdt hen dat dit niet afdoende in kaart gebracht zou kunnen worden en zij betreuren het dan ook dat een algeheel verbod niet overeind is gebleven. Mogelijk zullen zij met aanvullende voorstellen komen om dit alsnog te bewerkstelligen.

De verkoop van stroomstootapparatuur zal ik niet gaan verbieden. Het verbieden van de verkoop van stroomstootapparatuur is uit het oogpunt van de handhaafbaarheid van het verbod niet nodig, omdat het verbod ook zonder verbod op de verkoop goed handhaafbaar is. Het verbieden van de verkoop is daarbij een beperking van het vrij verkeer van goederen. In het EU-recht kan het vrij verkeer van goederen alleen worden beperkt indien hierbij wordt voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Aangezien het verbieden van de verkoop niet noodzakelijk is om het dierenwelzijn te waarborgen, ontbreekt deze rechtvaardiging. Ik ben daarom niet voornemens nu stappen te gaan ondernemen om de verkoop te gaan verbieden.

Aangaande het gebruik van stroomstootapparatuur bij andere diersoorten heb ik aangegeven dat het mij niet bekend is of deze apparatuur toegepast wordt bij andere gezelschapsdiersoorten dan de hond. Ook is mij niet bekend of er wetenschappelijke literatuur over het toepassen van aversieve apparatuur bij andere diersoorten dan de hond en de impact daarvan op het welzijn van deze andere diersoorten beschikbaar is. Dit wil niet zeggen dat onderzoek dit niet in kaart kan brengen. Daarom heb ik hierboven aangegeven dit onderdeel mee te willen nemen in het nog uit te voeren onderzoek naar dieronvriendelijke hulp- en trainingsmiddelen bij dieren.

De leden van de SP-fractie beschouwen het als positief dat overheidsdiensten met veiligheidstaken een afwegingskader formuleren voor de toepassing van nog noodzakelijk geacht gebruik. Wel vragen deze leden zich af of de deskundige capaciteit die dit vergt niet beter kan worden benut voor het verder ontwikkelen van vriendelijkere alternatieven of het opleiden van nieuwe dieren. Het uitfaseren van stroomstootapparatuur bij genoemde overheidsdiensten kan momenteel circa zes jaar in beslag nemen, zo schrijft de Minister. Deze leden vinden dat een zeer lange overgangsperiode en vernemen derhalve graag van de Minister hoe deze termijn tot stand is gekomen. Waarom is er niet gekozen voor een algehele en zo spoedig mogelijke beëindiging? Kunnen de dieren die met stroom zijn getraind niet beter met welverdiend pensioen teneinde plaats te maken voor nieuw op te leiden dieren? Dat gezegd hebbende realiseren zij zich dat dieren met specialistische taken en capaciteiten niet eenvoudig te vervangen zijn. Tot slot zijn zij benieuwd in hoeverre de beoogde uitfaseringstermijn een harde deadline is.

De uitzonderingspositie voor de met name genoemde overheidsinstanties betreft niet het trainen van honden als zodanig maar betreft al getrainde honden die op een gegeven moment dusdanig ongewenst gedrag gaan vertonen ten gevolge van een bepaalde gebeurtenis waardoor de inzetbaarheid van het dier niet langer meer mogelijk is. Dit kunnen vertonen van ongewenst gedrag is niet gebonden aan een bepaalde termijn. Er geldt daardoor dan ook geen overgangstermijn. Wel is de kans groter dat bij het doorlopen van het ethisch afwegingskader, het gebruik van een stroomband bij wel met stroom getrainde honden eerder noodzakelijk zal zijn dan bij honden die niet met stroom getraind zijn. Deze categorie met stroom getrainde honden zal na zes jaar zijn uitgefaseerd omdat er geen met stroom getrainde honden meer worden aangeschaft.

Zoals de leden van de SP-fractie zelf al aangeven betreffen het inderdaad honden met speciale capaciteiten die niet eenvoudig vervangbaar zijn. Het is daarom dan ook aan de desbetreffende overheidsinstantie zelf om een verantwoorde keuze te maken en te besluiten wanneer een hond vervangen dient te worden.

Het afwegingskader is van toepassing op elk gebruik van de stroomband. Na de evaluatie zal beoordeeld worden of de geboden uitzonderingspositie in stand moet worden gehouden en zo ja of daar een termijn aan kan worden verbonden. Ik wil nu niet vooruitlopen op deze evaluatie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich af waarom honden die in het verleden zijn getraind met de wrede stroomhalsband, in de toekomst niet op een andere manier kunnen worden getraind. Op basis van welke wetenschappelijke bronnen is er geconcludeerd dat honden die ooit met stroomhalsbanden zijn getraind niet op een andere wijze kunnen worden getraind? Hoe zal voorkomen worden dat de niet gespecificeerde uitzonderingen zullen leiden tot het blijvend gebruik van de stroomhalsband in de praktijk? Uit de nota van toelichting blijkt dat de overheid dieren die reeds ingezet worden binnen zes jaar zo wil trainen dat stroomstootapparatuur niet langer nodig is. Is het juist dat dit in de praktijk betekent dat politiehonden die ooit met de stroomband zijn getraind tot aan hun pensioen met de stroomband kunnen worden gecorrigeerd? Kunt u toezeggen dat de uitzonderingspositie voor de politie, marechaussee, krijgsmacht en DJI binnen zes jaar zal worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet? Kunt u de Kamer de komende zes jaar actief informeren over de stand van zaken rond de uitfasering van de stroomband binnen overheidsorganisaties?

Er lijkt een misvatting te zijn over een vermeend verschil tussen de uitzondering voor het gebruik van de stroomband bij met stroom en zonder stroom getrainde honden. Dit verschil bestaat niet. In beide gevallen dient het afwegingskader doorlopen te worden en in beide gevallen dient eerst beoordeeld te worden of niet aversieve leermethoden het afwijkend gedrag van de hond kunnen oplossen. Pas nadat vastgesteld is dat het toepassen van niet aversieve leermethoden niet tot het gewenste resultaat leiden, de inzet van de hond essentieel is voor het kunnen blijven uitvoeren van de wettelijk opgelegde taak en deze taak door het afwijkend gedrag niet kan worden uitgevoerd, kan besloten worden om de stroomband gedurende korte tijd in de uitzonderingsgevallen toe te passen. De kans dat de niet aversieve leermethoden vaker niet tot het gewenste resultaat zullen leiden bij met stroom getrainde honden is naar verwachting groter maar dat wil zeker niet zeggen dat dit altijd het geval zal zijn. Dit zal mede samen hangen met de ingefokte en gecultiveerde hoge drift van de werkhonden. Te kennen is gegeven door overheidsinstanties om indien noodzakelijk over te gaan naar andere geselecteerde en gefokte honden met wel hanteerbare driften.

Zoals ik hiervoor heb aangegeven zal ik de uitzonderingspositie van de overheidsinstanties na vier jaar evalueren. Afhankelijk van deze evaluatie zal ik in samenspraak met de overheidsinstanties bekijken of de uitzonderingspositie onverkort gehandhaafd dient te blijven. Over de uitkomst van de evaluatie zal ik de Tweede Kamer informeren.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben ook vragen bij de handhaving. Uit verschillende onderzoeken, waarvan ook zeer recente zoals het onderzoek van Deloitte2, is gebleken dat de controle en handhaving van dierenwelzijn door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onvoldoende of zelfs niet plaatsvindt. Hoe wordt het verbod op de stroomhalsbanden in de praktijk gehandhaafd?

Een overtreding van het verbod betekent een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren. Dat is een misdrijf waarop strafrechtelijk wordt gehandhaafd. De handhaving zal met name door de politie worden uitgevoerd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het blijven toestaan van de verkoop van de stroomhalsband het verbod op het gebruik daarvan ondermijnt. Is de Minister het met hen eens dat het toestaan van de verkoop van de stroomhalsband zal leiden tot het blijvend gebruik hiervan? Hoe kan effectief gehandhaafd worden als de verkoop niet verboden is? Welke mogelijkheden bestaan er om de verkoop van stroomstootapparatuur te verbieden? Indien dit niet mogelijk blijkt, is de Minister dan bereid verkopers aan te spreken op hun verantwoordelijkheid stroomstootapparatuur voor honden uit het (online) schap te halen?

De verkoop van stroomstootapparatuur zal ik niet gaan verbieden. Het verbieden van de verkoop van stroomstootapparatuur is uit het oogpunt van de handhaafbaarheid van het verbod niet nodig, omdat het verbod ook zonder verbod op de verkoop goed handhaafbaar is. Het verbieden van de verkoop is daarbij een beperking van het vrij verkeer van goederen. In het EU-recht kan het vrij verkeer van goederen alleen worden beperkt indien hierbij wordt voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Aangezien het verbieden van de verkoop niet noodzakelijk is om het dierenwelzijn te waarborgen, ontbreekt deze rechtvaardiging. Ik ben daarom niet voornemens nu stappen te gaan ondernemen om de verkoop te gaan verbieden.

Vragen en opmerkingen van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in de toelichting op het besluit het wetenschappelijk onderzoek naar en alle mogelijke toepassingen van de elektronische halsband over één kam blijft scheren. De Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn heeft erop gewezen dat dit geen recht doet aan de grote verschillen tussen toepassingsmethoden. Deze leden ontvangen graag een nadere onderbouwing voor de verschillende toepassingsmethoden.

Het gaat in dit verbod niet om verschillende toepassingsmethoden maar om het gebruik van stroomstootapparatuur als hulp- of trainingsinstrument bij honden ongeacht het doel. De reeks aan wetenschappelijke artikelen die ten grondslag hebben gelegen aan de onderbouwing van het verbod op het toepassen ervan heb ik uw Kamer toegezonden.

De leden van de SGP-fractie maken uit de literatuur op dat laagenergetische halsbanden minder problemen veroorzaken dan hoogenergetische halsbanden. Wil de Minister een uitzondering voor laagenergetische halsbanden in overweging nemen?

Het lijkt voor de hand te liggen te veronderstellen dat laag energetische stroomhalsbanden in theorie minder problemen zouden veroorzaken dan hoog energetische stroombanden. Een laag energetische schok lijkt namelijk gevoelsmatig minder erg te zijn dan een hoog energetische schok. Deze veronderstelling gaat echter mank. De veronderstelling dat alle honden op dezelfde wijze een bepaalde schok ervaren klopt namelijk niet. Zoals ik in de nota van toelichting heb uitgelegd is de mate waarin een bepaalde elektrische schok door een hond wordt ervaren, afhankelijk van een veelvoud van factoren waaronder weersomstandigheden als hitte, regen, zonnestralen en vochtigheid, de specifieke kenmerken van de hond zoals de vachtdikte, vachtvochtigheid, huiddikte, onderhuids vetweefsel. Ook de individuele gevoeligheid voor pijnprikkels kan ervoor zorgen dat een laag energetische schok door de ene hond op dezelfde wijze ervaren wordt als een hoog energetische schok door een andere hond. Gelet hierop zal ik dan ook geen uitzondering voor laag energetische stroomstootapparatuur in overweging nemen.

De leden van de SGP-fractie maken uit de literatuur op dat het al dan niet voorspelbaar zijn van toepassingsmethoden een belangrijk verschil kan maken. Het gebruik van anti-blafhalsbanden en anti-vluchthalsbanden is voor honden voorspelbaar. Wil de Minister een uitzondering voor deze toepassingsmethoden in overweging nemen?

Het al dan niet voorspelbaar zijn van het krijgen van een aversieve prikkel door een hond is inderdaad een van de factoren die de mate van welzijnsaantasting bepalen. De aanname dat elektronische antiblafhalsbanden en antivluchthalsbanden echter voorspelbaar en daardoor het toepassen ervan acceptabel zou zijn voor de hond berust op een ernstig misverstand. De voorspelbaarheid zoals het dier dat ervaart heeft niets van doen met de vermeende voorspelbaarheid zoals die door de eigenaar of de producent van dit soort banden wordt ervaren. De antiblafband gaat bijvoorbeeld af bij blafbewegingen en zal reageren op het strottehoofd. Het gevolg hiervan is dat de band ook kan afgaan bij hoesten of niezen of andere bewegingen van het strottehoofd. Het gebruik van elektrische antiblafbanden kent dan ook in essentie dezelfde nadelen als het gebruik van andere stroomstootapparatuur en valt daarmee onder het verbod.

Ten algemene vind ik het van belang dat als een dier een bepaald probleemgedrag vertoont en het gedrag dermate afwijkend is van wat als normaal gedrag kan worden beschouwd is, dit afwijkende gedrag behandeld dient te worden door een ter zake kundige. De eigenaar heeft de zorgplicht om het dier door een ter zake kundige gedragstherapeut of dierenartsgedragsspecialist te laten onderzoeken en te laten behandelen. Het onder stroom zetten van het dier valt hier niet onder.

Ook in het geval van antivluchtbanden is er sprake van een stroomstootapparaat met in essentie dezelfde soort nadelen.

De leden van de SGP-fractie maken uit de literatuur op dat beloningsmethoden in een deel van de gevallen goed kunnen werken, maar dat voor met name het afleren van instinctmatig gedrag het gebruik van elektronische trainingsmethoden veel effectiever is (zie bijvoorbeeld Marschark en Baenninger, 2015). Erkent de Minister dat beloningsmethoden voor het afleren van instinctmatig gedrag onvoldoende effectief zijn en wil zij het besluit op dit punt heroverwegen?

Het door de leden van de SGP-fractie aangehaalde artikel uit 2015 stelt alleen dat het in een aantal gevallen het gebruik van de elektronische stroomhalsband door de eigenaar aansluitend op positieve leermethoden, effectiever kan zijn dan het toepassen van alleen een positieve methode. Ik wil hierbij aangeven dat het juist in het belang van het dier is, dat het dier getraind wordt door een gekwalificeerde en ter zake kundige trainer die op de hoogte is van de laatste ontwikkelingen op het gebied van positieve trainingsmethoden. Onvoldoende kennis en kunde op dit gebied mag geen reden zijn om een aversieve methode te blijven toestaan en een uitzondering op het verbod te maken.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de toelichting van het besluit (nog steeds) geen onderbouwing wordt gegeven van de keuze om ook de elektronische erfafscheiding te verbieden. Het accent ligt op het trainen van honden. Een belangrijk verschil is echter dat het gebruik van elektronische erfafscheiding voorspelbaar is. De literatuur geeft aan dat onvoorspelbaarheid een belangrijke factor kan zijn als het gaat om welzijnseffecten. Daar is bij elektronische erfafscheiding geen sprake van. Wil de Minister een uitzondering voor elektronische erfafscheiding alsnog in overweging nemen?

Voor wat betreft de elektronische erfafscheiding verwijs ik naar de toelichting en naar mijn antwoorden op de vragen die hierover gesteld zijn tijdens het AO van 29 september 2020 (Kamerstuk 28 286, nr. 1127).

De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister ook kennis heeft genomen van wetenschappelijke analyses die erop wijzen dat elektronische halsbanden effectiever zijn dan beloningsmethoden en dat de negatieve welzijnseffecten beperkt zijn (Christiansen, Bakken en Braastad, 2001; Christiansen, 2008; Raad voor Dierenwelzijn in België, 2010; Dale, Statham, Podlesnik en Elliffe, 2013). In hoeverre heeft zij deze analyses meegenomen in haar besluitvorming?

Het is mij bekend dat door het toepassen van aversieve trainingsmethoden bepaald gedrag kan worden afgeleerd. Dit gegeven wordt ook niet door mij betwist. De door de leden van de SGP-fractie aangehaalde artikelen beschrijven dit slechts. Er wordt ook door deze artikelen nog steeds niet aangetoond dat het toepassen van een aversieve methode door een particulier in Nederland noodzakelijk en proportioneel zou zijn. Zo kan om een hond schapen niet te laten aanvallen, de hond ook aangelijnd worden in plaats van stroom te gebruiken zoals een van de artikelen beschrijft. Beide artikelen leveren nog steeds geen nieuwe informatie die tot een overweging van het huidige verbod zou moeten leiden.

De Minister heeft eerder verwezen naar een recent wetenschappelijk artikel waarmee aangetoond zou worden dat elektronische halsbanden minder effectief zijn bij het trainen van honden dan beloningsmethoden (China, Mills en Cooper, 2020). De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat inmiddels vernietigend wetenschappelijk commentaar is geleverd op de opzet van het onderzoek en de wijze waarop conclusies getrokken zijn, zoals door gedragsexpert professor Dr. Douglas Elliffe van de University of Auckland. Heeft de Minister hier kennis van genomen? Hoe waardeert zij dit commentaar?

Het wetenschappelijk artikel van China, Mills en Cooper uit 2020, waar ik tijdens het AO van 29 september jl. naar verwezen heb, is slechts een zoveelste artikel dat mijn besluit om te komen tot een verbod verder ondersteunt. De kritiek die door een wetenschapper is geuit op het artikel is voor mij geen reden om dit verbod dat gebaseerd is op een veelheid aan wetenschappelijke artikelen, te heroverwegen.


X Noot
1

S. Masson et al., Electronic training devices: discussion on the pros and cons of their use in dogs as a basis for the position statement of the European Society of Veterinary Clinical Ethology (ESVCE), Journal of Veterinary Behavior, 6 maart 2018.

X Noot
2

Kamerstuk 33 835, nr. 171